Geschiedenis van Portugal en de Portugezen overzee Deel 1
Arnold van Wickeren
Inleiding
Portugal ligt aan de Atlantische kust van het Iberisch schiereiland, tussen de monding van de Rio Minho in het noorden tot aan die van de Rio Guadiana in het zuiden. Ondanks zijn ligging aan de Atlantische Oceaan is Portugal in de meeste opzichten een Mediterraan land. Dit Middellandse Zee-karakter neemt naar het zuiden toe. Het land heeft een oppervlakte van 88.684 km² en beslaat daarmee ongeveer een vijfde deel van het Iberisch schiereiland. In landschappelijk opzicht vormt dit schiereiland een eenheid; de verschillende landstreken van Spanje met hun specifieke kenmerken zetten zich voort in Portugal, dat derhalve geen natuurlijke grenzen met zijn buurland heeft. Portugal omvat mede de `nabijgelegen eilanden': de Madeira-archipel en de Azoren, bestaande uit twee, respectievelijk negen bewoonde eilanden, die tezamen een oppervlakte hebben van 3.088 km². Drie van de vijf grote rivieren van het Iberisch schiereiland: de Rio Douro, de Rio Tejo (Taag) en de Rio Guadiana, ontspringen in het oosten van Spanje en stromen via Portugal in de Atlantische Oceaan. De wijde mondingen van Douro en Taag vormen uitstekende natuurlijke havens; daarom zijn aan de mondingen van deze rivieren Portugals grootste steden: Lissabon en Porto ontstaan. Overigens kent Portugal in totaal maar drie of vier natuurlijke havens. De hoge bijna 850 km lange rotskust is in feite maar weinig geëigend voor het ondernemen van maritieme avonturen. De Cabo da Roca vormt het meest westelijke punt van Europa. Het noorden van Portugal (boven 40 NB) is overwegend bergachtig; het zuiden daarentegen is veel lager en vlakker. De bevolkingsdichtheid in het noorden bedraagt 200 inwoners per vierkante kilometer, die in het zuiden 25. In het noorden woont de bevolking verspreid en geïsoleerd in vaak diep uitgesneden dalen; in het zuiden leven de mensen meer geconcentreerd in wijd verspreid liggende, maar onderling gemakkelijk bereikbare steden. De overgrote meerderheid van de bevolking, zowel in het noorden als in het zuiden, woont in de nabijheid van de Atlantische kust. Dit is van oudsher het geval, hetgeen toegeschreven wordt aan de uitstekende noord-zuidverbinding uit de Romeinse tijd. Portugal bestaat uit zes landstreken. Tussen de Rio Minho, die de noordgrens van het land vormt, en de Rio Douro ligt, grenzend aan de Atlantische Oceaan, het dichtbevolkte Douro-e-Minho; met steden als Porto, Braga en Guimarães. Ten oosten daarvan ligt Trás-os-Montes, waar maar weinig mensen wonen. De landstreek Beira beslaat het overgrote deel van de gebieden tussen de Rio Douro en de Rio Tejo; slechts de zuidwestelijke kuststrook daarvan is de landstreek Estremadura. (De) Alentejo is het grote gebied ten zuiden van de Rio Tejo, met uitzondering van (de) Algarve, zijnde de zuidelijke kuststreek van Portugal. De gebieden tussen de Rio Minho en de Rio Douro, vormen het oorspronkelijke Portugal. De naam is afgeleid van het vóór-Romeinse of Romeinse Portus Cale, de oude naam van Porto. Later wordt de term `Portucale' gebruikt voor het gehele gebied tussen de Rio Minho en de Rio Douro. In Beira ligt het hoogste gebergte van Portugal, de Serra da Estrela (1950 m.) en de grootste rivier die in Portugal ontspringt, de Rio Mondego, waaraan de hoofdstad van Beira, Coimbra, ligt. Coimbra, de vroegere hoofd-stad van Portugal, vormt, met zijn beroemde universiteit, in mening opzicht het centrum van het intellectuele leven. In Estremadura liggen de steden Lissabon en Setúbal. Alentejo is vlak, droog, zeer heet in de zomer en dun bevolkt. Algarve is, door de invloed van de Atlantische Oceaan, minder heet dan Alentejo en aanzienlijk dichter bevolkt. Portugal kan klimatologisch in drie zones verdeeld worden. Het noordwestelijk deel heeft een zeeklimaat; het noordoosten heeft een semi-continentaal klimaat. In de zuidelijke helft van het land wordt het droger en warmer naar het zuiden toe. Over het algemeen is Portugal geen vruchtbaar land; door het bergachtige karakter van veel streken is minder dan de helft van het grondgebied in cultuur gebracht. De woeste gronden zijn sterk aan erosie onderhevig en de lager gelegen gronden zijn vaak weinig vruchtbaar. Ofschoon Portugal meer geschikt is voor bosbouw dan voor landbouw, kent het land geen grote bosgebieden; vele hellingen zijn daarentegen bedekt met heesters.
Het zuidelijke deel van de Romeinse provincie Gallaecia, waartoe Portucale behoort, wordt in 411 bezet door een Germaanse stam, de Sueven. De Sueven worden op hun beurt onderworpen door de West- of Visigoten, wier staat in de jaren 711-715 door een invasie van de moslims overweldigd wordt. Vanaf circa 750 worden deze vanuit het noorden van het Iberisch schiereiland teruggedrongen tot over de Douro. In 868 wordt er in het noordwesten van het Iberisch Schiereiland een christelijk rijk gesticht, dat zich later als een graafschap naar het zuiden uitstrekt tot Coimbra. Dit graafschap, genaamd Portucale, is een vazalstaat van het koninkrijk Léon. In 1139 boekt graaf Afonso Henriques van Portucale bij Ourique een overwinning op de moslims. Hij noemt zich daarna koning Afonso I.
Eerst in 1179 wordt Portugal door de paus, wiens bescherming Afonso Henriques heeft ingeroepen, als een onafhankelijk koninkrijk erkend. Afonso I heeft dan inmiddels het midden van Portugal tot aan de Taag op de moslims veroverd. Zijn opvolgers nemen de Alentejo en de Algarve in. Daarmee bereikt Portugal in 1250 de grenzen die het land thans nog ongeveer heeft.
De Portugese overzeese expansie begint in 1415 met de verovering van de Marokkaanse havenstad Ceuta op de moslims. Deze gebeurtenis spreekt sterk tot de verbeelding van de Europese christenheid. Onder de bezielende leiding van Dom Henrique o Navegador, bij ons bekend als Prins Hendrik de Zeevaarder, begint een reeks spectaculaire ontdekkingen, die de Portugezen als eerste Europese natie zal brengen aan de kusten van: West- en Oost-Afrika, de Rode Zee en de Perzische Golf, Voor-Indië, Oost-Azië en Brazilië. Onder koning Manuel I (1495-1521) bereikt de Portugese machtsontplooiing in de wereld haar grootste omvang. Slechts de positie van Spanje, met zijn veroveringen in Amerika en van de Filippijnen, is in de 16e eeuw te vergelijken met de Portugese positie in de wereld. De Portugese maritieme en commerciële expansie is temeer verbluffend gezien het geringe aantal inwoners van het land. Aan het begin van de 15e eeuw bedraagt het aantal inwoners niet meer dan één miljoen en in 1525-1530 is het inwonertal gestegen tot 1,4 miljoen. De bevolkingsomvang van Portugals concurrenten is aanzienlijk groter: Spanje telt 7, Frankrijk 14, Italië 12, Groot-Brittannië 4, Marokko 6 en het Turkse rijk 14 miljoen inwoners.
Nadat Magalhães-Godinho gewezen heeft op de geringe omvang van de bevolking van Portugal, beschrijft hij de maritieme en commerciële expansie van de Portugezen met de volgende woorden: `In twee eeuwen zal dit kleine volk een rijk bouwen van de Molukken tot Brazilië en zich verspreiden over vier hoeken van de aarde. De Portugezen in China en Japan onderhouden via Manilla scheepvaartverbindingen met Acapulco; de Inquisitie verjaagt hen naar Lima en Mexico; een derde van Buenos Aires is Portugees, in Vlaanderen wonen vele en rijke Portugezen; er is een Portugese wijk in Sevilla. Portugezen dienen de grootmogol, evenals andere Indische koningen, waarbij zij het geloof van hun meesters hebben aangenomen. De Portugezen bezitten kloosters in Basra en in Perzië; zij trekken met karavanen van Venetianen en Armeniërs naar Aleppo; gewapende groepen dringen vanaf het plateau van São Paulo door tot aan de Amazone, bereiken de grenzen van Brazilië en de Spaanse mijnen in Peru; anderen varen de Zambezi op tot de goudmijnen van de Monomotapa en van Luanda uit doorkruisen zij de wildernis van Angola op zoek naar de zilverbergen. In de 16e eeuw verwerven Portugese eskaders de onbetwiste hegemonie in de Indische Oceaan en tot 1570 ook in de wateren van Maleisië; het zuiden van de Atlantische Oceaan is tussen Afrika en Amerika in hun macht. Gedurende een eeuw bezitten zij het monopolie van de handelsvaart rond Kaap de Goede Hoop en van de christelijke handel uit Moçambique en Malacca. Als de Spanjaarden in 1565 een handelsroute openen tussen Acapulco en Manilla worden de Portugezen voor de eerste maal geconfron-teerd met de concurrentie van een andere christelijke natie in de havens van China en Japan. Van deze landen hebben de Portugezen ook de zeer profijtelijke onderlinge handel ingepalmd. De handel van Zwart-Afrika in goud, rode peper en ivoor hebben de Portugese karvelen bijna onbetwist toebehoord tussen 1440 en 1510-1514; tot ongeveer 1550 wordt dit monopolie niet ernstig aangetast en daarna behouden Portugese handelaren tot circa 1575 nog een zeer groot aandeel in deze handel. Tezelfdertijd functioneren Portugese factorijen in China, in Japan, op de Molukken, op Sumatra, in Malacca, in Peru, in Bengalen, aan de Coromandelkust, op Ceylon, in Malabar, op de Malediven, in Goa, Cambay en Ormoez, op de kust van Arabië, langs de gehele kust van Oost-Afrika, in Angola, in Congo, in Benin, aan de Goudkust, de Peperkust en in Sierra Leone, aan de mondingen van de rivieren van Guinée, op Arguim, in Marokko, in Brazilië. Daarnaast zijn er in Europa Portugese handelsposten in Andalusië, Florence, Napels en Venetië tot aan Chios, Antwerpen en Londen. Portugese vissers vangen kabeljauw bij Newfoundland en Groenland, waarbij zij vaak havens in Frankrijk en Biskaje aandoen.’
In 1580 worden de Spaanse en de Portugese kroon verenigd onder Philips II. Hij en zijn opvolgers zijn tot 1640 zowel koning van Spanje als van Portugal. De toenemende economische en militaire macht van de Republiek der Verenigde Nederlanden, die verwikkeld is in haar vrijheidsstrijd met Spanje, gaat zich nu ook en vooral richten op de Portugese positie in de wereld, omdat deze veel kwetsbaarder is dan die van de Spanjaarden. De strijd speelt zich af op alle oceanen en in drie werelddelen. Als er tenslotte in 1663 een einde komt aan de vijandelijkheden en in 1669 formeel de vrede wordt getekend tussen de Republiek en Portugal, is de Republiek de grote overwinnaar in Azië, maar de verliezer in Amerika, terwijl zij haar aspiraties in Afrika maar zeer ten dele heeft weten te verwezenlijken. De balans is als volgt: Portugal heeft zijn positie aan de Republiek moeten prijsgeven: in de Molukken, in Malacca, op Ceylon, en aan de kusten van Coromandel, Malabar (ten dele) en de Golf van Guinée. Bovendien heeft Portugal zijn invloed in Japan moeten afstaan aan de Hollanders. De Portugezen hebben de Hollanders echter weten te weerstaan in Macau, op de Kleine Soenda eilanden (ten dele) en in Moçambique en zij hebben op de Hollanders heroverd: Brazilië, Angola, São Tomé en Principe. Tijdens de oorlog met de Republiek is de Portugese positie in de wereld ook door andere landen aangetast. Zo hebben de Engelsen vaste voet gekregen op de kusten van Voor-Indië; de Perzen hebben de Portugezen verdreven uit de Perzische Golf en de Omani van de kust van Oman. In Marokko is Tanger in Engelse en Ceuta in Spaanse handen overgegaan. Aan het einde van de 17e eeuw komt er, met de val van Mombasa, dat jarenlang belegerd is door Oman, een einde aan Portugals aanwezigheid ten noorden van de Ruvuma.
Het koninkrijk Portugal komt in de 18e eeuw tot grote bloei door de enorme vondsten van goud en edelstenen in het binnenland van Brazilië. Als Brazilië op 7 september 1822, als nasleep van de Napoleontische Oorlogen, zich onafhankelijk verklaart, is dit de grootste klap voor Portugal uit zijn koloniale geschiedenis. Nadat andere koloniale machten aan het einde van de 19e eeuw belang-stelling krijgen voor Zwart-Afrika, weet Portugal zijn historische rechten in dit continent te handhaven. Engeland belet het land echter dat het zijn koloniën Angola en Moçambique over land met elkaar verbindt.
In 1910 wordt Portugal een republiek. Het autocratische bewind van António de Oliveira Salazar verzet zich na de Tweede Wereldoorlog met hand en tand tegen de dekolonisatie van de Portugese overzeese gebieden. In 1961 valt India de laatste Portugese bezittingen in dat land: Goa, Diu en Damão, binnen. Deze bezittingen worden in enkele dagen veroverd en in 1962 formeel bij India ingelijfd. Hiermee komt een einde aan de Portugese aanwezigheid in Goa van 450 jaar. Op 25 april 1974 breekt in Portugal de zogenaamde Anjerrevolutie uit. Deze gebeurtenis leidt er niet alleen toe dat Portugal zich schaart in de rij van democratische Europese naties, maar is ook het sein voor de dekolonisatie van het - in vergelijking met de grootte en de middelen van het land - omvangrijke koloniale rijk in Afrika. De `overzeese provincies’ in dit werelddeel: Portugees Guinée (Guiné Bissau), Angola, Moçambique, Cabo Verde, alsmede São Tomé en Principe worden in 1975 onafhankelijke staten. Dit gebeurt eerst nadat in Portugees Guinée, Moçambique en Angola bevrijdingsbewegingen hiervoor, met de wapenen in de hand, jarenlang gestreden hebben. Oost-Timor wordt in 1975 door Indonesië veroverd en in 1976 bij dit land ingelijfd, maar het heeft in 2002 zijn onafhankelijkheid bevochten. Op 1 december 1999 heeft Portugal zijn kolonie Macau, dat het bijna 450 jaar in zijn bezit heeft gehad, overdragen aan China. Daarmee zal dan, na een spectaculaire overzeese expansie tussen circa 1450 en 1550, een definitief einde zijn gekomen aan de Portugese positie overzee; slechts de `Arquipélago da Madeira' en de strategisch gelegen `Arquipélago dos Açores' blijven als `nabijgelegen eilanden' bij Portugal behoren.
1.0. De prehistorie