COLONIALVOYAGE.COM |
|---|
Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzeeSamenvattingDEEL 1Arnold van Wickeren |
Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee Deel 1: Het Iberisch schiereiland van prehistorie tot aan de komst van de Romeinen, de Romeinse tijd (200 v.Chr.- 400 n.Chr.) de koninkrijken van Sueven en Visigoten van moslimoverheersing tot onafhankelijk koninkrijk Portugal tot aan de stichting van het Huis Aviz Het begin van de maritieme expansie Deel 2: Ontdekkings- en handelsreizen naar West-Afrika, Portugal ten tijde van Afonso V (1438-1481), De maritieme expansie ten tijde van João II (1481-1495) Deel 3: Portugal onder koning Manuel I (1495-1521), De Portugese positie in Marokko, De eerste reis van Vasco da Gama naar Indië, Het verblijf in Calicut; de terugreis, De reis van Pedro Álvares Cabral Deel 4: Meer reizen naar Indië, De Estado da India, De verrichtingen van Afonso de Albuquerque, Tristão da Cunha en Dom Francisco de Almeida (1506-1509), Het goud van Monomotapa Deel 5: De Carreira da India, De eerste jaren van het gouverneurschap van Afonso de Albuquerque, Malacca, De Molukken en de Banda-eilanden, Albuquerque terug in Malabar, Malabar in de jaren 1513-1514, De kust van Oost-Afrika (1509-1515) Deel 6: De Atlantische eilanden, Reizen naar de Nieuwe Wereld, De betrekkingen met Noordwest-Afrika, De betrekkingen met Congo en Angola, De Swahili-kust (1515-1521), De Estado da India, Expansie van het Império Português (1515-1521) Deel 7: De ontwikkeling van Portugal tot maritieme en commerciële grootmacht, De verovering van Ceuta, Ontwikkelingen in scheepsbouw en navigatie, Monniken en kooplieden in Centraal-Azië, De Atlantische eilanden, Ontdekkings- en handelsreizen naar Afrika in de jaren 1443-1447; de eerste zwarte slaven, De maritieme expansie in de jaren vijftig van de 15e eeuw, Castiliaanse penetratie in de Golf van Guinée; de Verdragen van Alcáçovas (1479) en Toledo (1480), Pogingen van João II (1481-1495) meer invloed te verwerven in het binnenland van West-Afrika, Kanttekeningen bij de ontdekkingsreizen van Diogo Cão, Columbus en Portugal; het Verdrag van Tordesillas, Stokkende maritieme expansie?, De strijd om de handel in specerije, De reis van Fernão de Magalhães Deel 8: Portugal onder koning João III (1521-1557), Het begin van de kolonisatie van Brazilië, Portugal in de problemen in Marokko, De goudhandel aan de Minakust, De verovering van het moslimkoninkrijk Granada, Het aandeel van Portugezen in de ontdekking van Noord-Amerika Deel 9: De Atlantische eilanden en Opper-Guinée, De relaties met het koninkrijk Benin, De betrekkingen met Congo en Angola, De Swahilikust en de Carreira da India in de jaren twintig van de 16e eeuw, De Swahilikust en de Carreira da India van 1530 tot aan het overlijden van koning João III in 1557 Deel 10: De Estado da India in de jaren 1522-1526, De Estado da India in de jaren 1526-1538, De ontwikkelingen in het Verre Oosten Deel 11: De Estado da India in de jaren 1538-1545, De Estado da India in de jaren 1545-1558, De Visserijkust, Coromandel, Bengalen en de Carreira da India, De Portugese expeditie naar Abessinië, De waarschijnlijke ontdekking van Australië Deel 12: De Portugese bemoeienissen met Ceylon (1538-1558), Portugees Malacca (1538-1558), De handelsrelaties met China (1538-1546), Birma en Siam (1538-1558), Portugese kooplieden en missionarissen in Japan (1538-1558), De Molukken onder Portugees bestuur (1540-1558) Deel 13: De vereniging van Portugal met Spanje (1557-1640), Sebastião’s rampspoed in Marokko (1415-1578), De Atlantische eilanden en West-Afrik (1420-1637) Deel 14: Angola en Kongo (1565-1641), De Swahilikust (1557-1599) Deel 15: De Estado da India in de jaren 1558-1581, De Estado da India in de jaren 1581-1597, De komst van Hollanders en Engelsen naar Indië 1597-1600 Deel 16: De aanval van de Hollanders op de Estado da India, Overige verwikkelingen in de Estado da India, De Portugezen aan de Tamilkust in de Periode 1560-1640 Deel 17: De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640, De Portugezen in Bengalen, Portugezen, Spanjaarden en Hollanders in Siam en Achter-Indië
Arnold van Wickeren
Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee. All rights reserved. Copyright © Arnold van Wickeren |
|||||||
Geschiedenis van Portugal en de Portugezen overzee Deel 1 In Portugal dateren de eerste sporen van menselijke bewoning van 500.000 en misschien zelfs van 600.000 voor het begin van onze jaartelling. Er zijn sporen gevonden van de paleolithische cultuur; vuurstenen vuistbijlen van ongeveer 120.000 jaar gelden in Minho en in de Algarve, alsmede rotstekeningen in Alentejo, die niet ouder zijn dan 50.000 jaar. Aan de benedenlopen van de Taag en de Sado zijn meer dan 300 menselijke skeletten en vuistbijlen uit het Mesolithicum (10.000-5.000 v.Chr.) opgegraven. In de periode 5.000-2.000 v.Chr. dringen, door de valleien van de Guadiana, Sado en Taag, vanuit het Nabije Oosten neolitische culturele invloeden door naar het westen van het Iberisch schiereiland. Tegelijkertijd verspreiden zich daar Noordafrikaanse stijlkenmerken, zoals de klokbekercultuur. Overblijfselen van menhirs, dolmen, gang- en koepelgraven, vooral in Alentejo en in Beira Alta, getuigen van een bloeiende mesolitische cultuur. In de Kopertijd (3.100-2.000 v.Chr.) worden versterkte nederzettingen, castros, op heuveltoppen gebouwd. In sommige daarvan wordt ook koper bewerkt. Aan het einde van de Bronstijd (2.000-800 v.Chr.) overheerst de urnenveld-cultuur, die zich verspreidt tot in het uiterste zuidwesten van het Iberisch schiereiland. De prehistorie eindigt met de komst van de Phoeniciërs. Zij stichten rond 1.100 v.Chr. hun eerste commerciële factorij in Gades (Cadíz), gevolgd door factorijen aan de Atlantische kust. Aan de monding van de Taag ontstaat Alis Ubbo, het latere Lissabon. Vanaf 650 v.Chr. en vooral nadat de Babylonische koning Nabucodonosor in 573 v.Chr. Tyrus veroverd heeft, worden de Phoenicische handelaren verdreven door de Grieken. Dezen planten olijfbomen en wijnstokken aan op het Iberisch schiereiland. Tussen 800 en 400 v.Chr. vallen Keltische stammen het Schiereiland vanuit het noorden binnen. Deze dragers van de Hallstatt-cultuur brengen de ijzerverwerking naar de Taagvallei en vermengen zich met de Iberiërs tot de Celtiberi en Lusitaniërs. De Kelten bouwen in de vierde en 3e eeuw v.Chr. versterkte dorpen, citânias, op de heuveltoppen, terwijl het zuiden van het Schiereiland Carthaagse invloeden ondergaat. Na afloop van de Eerste Punische Oorlog (264-241 v.Chr.) verwerven de Carthageners, onder leiding van Hamilcar, de hegemonie over het Iberisch schiereiland. De Romeinse Tijd begint in 209 v.Chr. met de verovering van Carthago Novo (Carthagena) door Publius Cornelius Scipio. Het zal echter nog twee eeuwen duren voordat de Romeinen het gehele Iberisch schiereiland, door hen Hispania genoemd, onderworpen en gepacificeerd hebben. Vooral de Lusitanirs, onder aanvoering van Viriathus, de eerste grote Portugese volksheld, verzetten zich hevig, totdat hij in 139 v. Chr. door een verrader wordt vermoord. Julius Caesar pacificeert geheel Hispania. Alis Ubbo, door de Romeinen Olisipo genoemd, ontvangt een nieuwe naam: Felicitas Iulia. Het is Augustus, die de pacificatie en romanisering van Hispania voltooit. Hij verdeelt het schiereiland in 27 v.Chr. in drie provincies: Baetica in het zuiden, Lusitania in het westen en Tarraconencis, dat de rest van het gebied beslaat. De hoofdstad van Lusitania wordt Emerita Augusta (Mérida). Vooral onder de keizers Claudius, Vespasianus en Hadrianus beleeft Hispania perioden van grote economische en culterele bloei. In 409 n.Chr. vallen Germaanse stammen, Vandalen, Alanen en Sueven, vanuit het noorden Hispania binnen. De Sueven stichten in 411 in het noordwesten daarvan een eigen koninkrijk, met hoofdstad Bracara (Braga). De Romeinen verdrijven, met behulp van de Visigoten, de Vandalen en Alanen naar het zuiden, waarna ook de Visigoten een eigen koninkrijk stichten, aan weerszijden van de Pyreneeën. De Vandalen en Alanen steken in 429 over naar Noord-Afrika, maar de Sueven weten zich te handhaven. De invallen van de `barbaren' en hun onderlinge strijd veroorzaken natuurlijk veel onrust, maar dit betekent niet dat de gehele Hispano-Romeinse beschaving teloorgaat. De weinig talrijke Sueven bijvoorbeeld vestigen zich op het platteland en laten de steden over aan de oorspronkelijke bewoners. Wel ondernemen zij aanvankelijk plundertochten in Visigotisch gebied. De Visigotische koning Theoderic maakt zijn rijk in 439 onafhankelijk van Rome, dat de onafhankelijkheid, met uitzondering van het Suevische koninkrijk in Galicië en het noorden van het latere Portugal, eerst in 475 formeel erkent. De Frankische koning Clovis verslaat in 507 in de Slag bij Vouillé de Visigotische koning Alaric II en verdrijft daarmee de Visigoten vrijwel geheel uit Gallië. Deze zoeken voor het verlies aan territorium compensatie in Hispania en breiden hun macht geleidelijk verder naar het zuiden uit. Opeenvolgende keizers van het Oostromeinse rijk trachten, nadat het Westromeinse rijk in 476 heeft opgehouden te bestaan, zoveel mogelijk gebied daarvan te veroveren. In 551 valt een Byzantijnse legermacht het zuiden van het Visigotische rijk binnen, echter zonder dat dit blijvend resultaat heeft. Als de Visigoten in 585, na verschillende oorlogen, het Suevische koninkrijk inlijven, beheersen zij het gehele Iberisch schiereiland. De bekering van de ariaanse Visigoten tot het katholisme (589), betekent de overwinning van de Hispano-Romeinse beschaving over de `barbaarse' Visigoten. Daarna assimileren beide bevolkingsgroepen. Dit proces is in 654 voltooid met de invoering van de Lex Visigothorum die voor alle burgers geldt en het rijk stabiliseert. Na het overlijden in 710 van koning Vitiza, kiest een deel van de adel Roderick tot koning. Áquila, de zoon van Vitiza, die een minderheid van de adel achter zich weet, roept de hulp in van de Arabieren, die - begunstigd door hun beheersing van de Middellandse Zee - in het afgelopen decennium hun macht over Noord-Afrika hebben uitgebreid. Er landt een Berberleger, onder bevel van Tärig-ibn Ziyad (van wiens naam Gibraltar is afgeleid). In de Slag aan de oevers van de Rio Guadelete (19 juli 711) wordt Roderick gedood. Geholpen door een leger, onder Musa, de Arabische gouverneur van Noord-Afrika en zijn zoon, die met een dochter van Roderick is gehuwd en in 715 Lissabon verovert, wordt in vier jaar vrijwel het gehele Iberisch schiereiland onder de voet gelopen. Het bergachtige noordwesten laat zich echter niet gemakkelijk onderwerpen en in 722 weet de halflegendarische eerste koning van Asturië, Pelayo I, bij Covadonga zelfs een overwinning op de Moren (de algemene benaming voor Arabieren en Berbers) te behalen. Dit succes wordt gezien als het begin van de Reconquista. In 756 sticht Abd-al Rahm_n, een van de laatste overlevenden van de uitgemoorde dynastie der Omayyaden, het onafhankelijke emiraat K_rtuba (Córdoba). Terwijl de heerschappij van de moslims in het zuiden een stevig fundament verkrijgt, wordt in het noorden gedurende een eeuw veelvuldig slag geleverd tussen de christelijke vorsten van de in het noorden ontstane rivaliserende koninkrijkjes en de Moren. De bevolking heeft zwaar te lijden van de voortdurend op en neer gaande strijd. Alfonso III de Grote van León brengt wat schot in de Reconquista. Een van zijn edelen, Vimara Peres, verovert in 868 Portucale, het toekomstige Porto. Wegens invallen van de Noormannen vestigt hij zijn hoofdstad in Guimarães. Een van zijn opvolgers, Mumadona en haar man Hermenegildo, heersen vanaf 928 over al het gebied tussen Minho en Douro, dat in 938 ook als Portucale wordt aangeduid. Zij stichten een grafelijke dynastie. Dit graafschap Portucale is zeker een stap op weg naar een zelfstandig Portugal. De Arabieren dragen op het Iberisch schiereiland bij aan de vooruitgang van landbouw en industrie, terwijl hun expansie naar het westen van de Middellandse Zee ook tot opleving van de Europese handel leidt. Zij munten niet alleen goud aan dat eeuwen bewaakt werd in de schatkamers van Syrië en Egypte, maar eveneens het Soedanesche goud dat zij onder andere tegen zout ruilen met de negers uit het koninkrijk Ghana. De geldcirculatie in Europa neemt toe door de handel met de Arabieren. Handel wordt mogelijk vanaf de 10e eeuw, omdat de voortbrenging van goederen in enige gebieden heel geleidelijk stijgt. Hierdoor ontstaan overschotten, die - mits geschikt voor de ruil - worden aangewend voor het verkrijgen van begerenswaardige goederen. De handel verkrijgt een grotere omvang, naarmate de overschotten toenemen. Deze vinden hun weg binnen Europa, vanaf het Iberisch schiereiland naar de Baltische en naar Russische gebieden en uit het bekken van de Middellandse Zee naar de kusten van de Noordzee. De handel bestaat uit uit wijnen uit streken met een mild klimaat, huiden, slaven uit onderworpen gebieden, amber uit het Balticum, wol uit Spanje en Engeland, ijzer uit Zweden, zeezout van westelijke kusten, vis uit de Noordzee en talloze andere goederen, die in kleine hoeveelheden worden verhandeld. Het door de Noormannen gestichte handelsnetwerk speelt in de Europese handel een belangrijke rol, waardoor zij een factor in de vooruitgang worden. Zij ontsluiten Rusland voor de Europese handel, daarbij gebruikmakend van het verloop van Dnjepr, Don en Wolga tot aan de Zwarte en de Kaspische Zee, maar zij ontwikkelen zich tegelijkertijd tot kolonisatoren van Groenland, IJsland en delen van Ierland, Schotland en Engeland en het Noordwesten van Frankrijk (Normandië). In 912 bestijgt Abd-al-Rahm_n III de troon van K_rtuba en breekt een periode aan waarin de Moorse beschaving haar hoogtepunt zal bereiken. K_rtuba, dat in 929 door Abd-al-Rahm_n tot kalifaat is verheven, groeit uit tot een invloedrijk industrieel centrum en tevens tot een cultureel en intellectueel brandpunt. K_rtuba oefent zoveel aantrekkingskracht, ook op christelijke Europeanen, uit dat het inwonertal oploopt tot bijna een miljoen. Het Arabisch is de voertaal op het gehele Schiereiland. Joodse filosofen als Ibn Pakuda en Maimonides schrijven later hun belangrijkste werken in het Arabisch. Ook de christenen aanvaarden de Arabische cultuur, ofschoon de latijnse liturgie gehandhaafd wordt. In 981 is de macht van de Moren zozeer toegenomen dat Al-Mans_r, de grootvizier en legeraanvoerder van kalief Hisham II, de christenen niet alleen terugdrijft tot over de Douro/Duero, maar zelfs ver ten noorden daarvan de steden León en Santiago de Compostela verwoest. Tegen het einde van de 10e eeuw is de strijd tussen moslims en christenen geluwd en breekt een langdurige periode van vrede aan. De christenen voelen zich niet meer bedreigd, nadat in 1008 onder de moslims een burgeroorlog is is uitgebroken om de troon van K_rtuba, dat in 1031 uiteen valt in kleine rivaliserende koninkrijken, taifas. In de eerste helft van de 11e eeuw nemen de culturele en economische betrekkingen tussen de christelijke en de moslimstaten op het Schiereiland toe, terwijl de vrede ook een gunstige invloed heeft op de interne Europese handel en op de handel van Europa met Afrika en Azië. Zeer geleidelijk bereiken Europa verfijnde levensmiddelen, kleding, sieraden, opsmuk van woningen en huisraad. Deze goederen dienen zowel tot versiering van de landhuizen van de adel, de paleizen van bisschoppen en van openbare gebouwen, als tot verrijking van de persoonlijke verzorging en een groter verbruik van exotische kruiden, die de monotone smaak van de middeleeuwse spijskaart doorbreken. De periode van vrede tussen de Moorse en christelijke vorsten, die zelfs elkaars dochters huwen, wordt benut om de onderlinge staatkundige verhoudingen te wijzigen. Fernando de Grote van Castilië verwerft in 1037 de kroon van León en in 1054 die van Galicië, met inbegrip van het graafschap Portucale, dat hij kort daarna opheft. Ook de moslims voeren onderling strijd. In een periode van twintig jaar verovert al-Mu'tadid, de vorst van de taifa Ishbiliya (Sevilla) vele steden in de Algarve, dat toentertijd al het gebied ten zuiden van de Taag omvatte, op het koninkrijk Bataly_ws (Badajoz). In 1063 Shilb (Silves) in zijn handen. Al-Mu'tadid benoemt zijn zoon al-Mo'tamid tot gouverneur van al-Gharb. Zijn hoofdstad Shilb wordt beroemd om de pracht van zijn paleizen, de beschaving van zijn inwoners en de rijkdom van zijn boomgaarden. De langdurige strijd tussen de moslimstaten biedt de christenen gelegenheid terreinwinst te boeken. In 1064 geeft Coimbra zich, na een beleg van zes maanden, aan Fernando over en in 1085 trekt zijn zoon, Alfonso VI van León, de oude Visigotische hoofdstad Toledo binnen. Voor het zover is, hebben de bedreigde moslimvorsten de hulp in van de Almoraviden, die in Noord-Afrika een imposant rijk hebben opgebouwd. Hun aanvoerder Y_suf dringt de christenen naar het noorden terug en verenigt de gehele zuidelijke helft van het Schiereiland. Al-Andalus gaat een nieuwe periode van grote bloei tegemoet. De handel rond de Middellandse Zee krijgt in tweeërlei opzicht nieuwe impulsen. De Noormannen veroveren het zuiden van Italië op Byzantium en Sicilië op de Arabieren, waarmee deze gebieden in hun handelsnetwerk worden opgenomen. Op Sicilië komt de zijde-industrie tot bloei, deze verspreidt zich over Italië en Frankrijk. Tezelfdertijd ondernemen de Almoraviden een expeditie naar Ghana (1076) en dwingen dit koninkrijk de goudproductie te verhogen, (mede) om meer te kunnen importeren uit Europa. Deze importen bestaan uit: verschillende soorten eerste levensbehoeften en enige industriële producten, vooral afkomstig van de metaalindustrie, weverijen en glasfabrieken. Europa ontvangt meer goud, maar ook ivoor en gevederte uit Afrika en zeldzame zaken, waaronder veel parfums, uit de Levant, Perzië, Indië en het Verre Oosten. Rijke consumenten, zowel geestelijken als leken, oefenen vraag uit naar zaken als suiker, specerijen, parfums, edelstenen, tapijten en luxe stoffen. Inmiddels is de periode van de Kruistochten aangebroken. Dit zal het karakter van de strijd op het Iberisch schiereiland doen veranderen. De Religieuze tegenstelling speelde daarbij geen grote rol; over en weer werd vaak grote tolerantie betracht tegenover overwonnen niet-geloofsgenoten. Zodra de geest van de Kruistochten eenmaal vaardig is geworden over de Europese ridderschap, gaan buitenlandse ridders ook in het Westen tegen de `ongelovigen' strijden. Een van hen is de Bourgondische graaf Henri. Hij verlooft zich met Teresa, de bastaarddochter van Alfonso VI van León en ontvangt in 1095 van zijn schoonvader de titel `graaf van Portucale', welk graafschap al het gebied omvat tussen de Minho en de Taag. Ongeveer tien jaar later wordt uit het huwelijk van Henri en Teresa, in Guimarães (de `bakermat van de Portugese natie') een zoon, Afonso Henriques, geboren. Vanaf het moment dat hij in 1128 zijn vader als graaf van Portucale opvolgt, tracht hij zich - niet zonder succes - los te maken van van zijn leenheer, de koning van León. Als Afonso Henriques, bij een raid ver in vijandelijk gebied, op 25 juli 1139 bij Ourique een overwinning op de Moren heeft behaald, gaat hij zich koning noemen en is daarmee de stichter van het Bourgondische Huis. Portugal zal echter eerst in 1179 door de paus als een onafhankelijke koninkrijk worden erkend. Afonso Henriques verovert in 1147, met behulp van Engelse, Franse, Duitse en Vlaamse kruisridders, al-Ushb_na (Lissabon). Afonso Henriques sterft in 1185 in zijn hoofdstad Coimbra. Zijn krijgsverrichtingen hebben hun neerslag gekregen in het nationale Portugese wapen. De zeven vergulde kastelen herinneren aan de kastelen van Leiria, Lissabon, Sintra, Santarém, Palmela, Montemor-o-Novo en Évora, die hij op de Moren veroverd heeft; de vijf wapenschilden staan voor de vijf Moorse prinsen die hij heeft verslagen; de vijf punten in ieder van deze schilden symboliseren de vijf wonden van Christus (overwinning van het christendom op het heidendom). Onder de opvolgers van Afonso Henriques/Afonso I: Sancho I (1185-1211), Afonso II (1211-1223), Sancho II (1223-1246) en Afonso III (1248-1279) wordt de Reconquista voortgezet en uiteindelijk voltooid. Naarmate de moslims meer in het nauw gedreven worden, wordt hun verzet heviger. Als Sancho I in 1189, met behulp van kruisridders, Shilb (Silves) verovert om de Moorse kaapvaart tegen te gaan, landt de Almohadische kalief al-Mans_r in de Algarve. Hij slaat het beleg voor Silves, dat twee jaar later zal vallen, verovert al het gebied ten zuiden van de Taag en valt zelfs Estramadura binnen. In 1195 behaalt al-Mans_r bij Alarcós een grote overwinning op Alfonso VIII van Castilië, de inmiddels machtigste staat op het Iberisch schiereiland en de naaste buur van Portugal. In 1212 neemt Alfonso VIII wraak voor zijn nederlaag bij Alarcós door, met hulp van Portugese ridders, een klinkende overwinning te behalen op kalief al-Nasir. Als de macht van de Almohaden, die de Almoraviden in de 12e eeuw als heersers zijn opgevolgd, in Noord-Afrika taant, stort hun verzet op het Iberisch schiereiland ineen. Castilië verovert in 1236 de Almohadische hoofdstad K_rtuba, terwijl Sancho II al het gebied ten zuiden van de Taag, met uitzondering van Silves en Faro, verovert. Zijn opvolger, Afonso III, voltooit in 1250 de Reconquista. Door de Reconquista en door de Kruistochten is de hegemonie van de Arabieren over de Middellandse verloren gegaan. Zij is vervangen door die van de Italiaanse staatstaten, vooral Genua en Venetië. Zij zijn door hun aan de kruisvaarders verleende transportdiensten schatrijk geworden. Hierdoor en door hun gunstige geografische ligging ontwikkelen zij zich tot commerciële tussenpersonen in de handel in het economisch zeer belangrijke gebied van de Middellandse Zee. Het gevolg is dat exotische handelsgoederen, vanuit Afrikaanse havens en vanuit aan Syrië schatplichtige havens aan de Zwarte Zee, naar Europa stromen, terwijl deze havens zich openstellen voor importen uit Europa. De aanvoerlijnen uit subtropisch Afrika eindigen aan de kusten van Noordwest-Afrika; Alexandrië is het tussenstation van handelsgoederen, die vanuit de landen van herkomst worden aangevoerd naar de Egyptische Rode Zeekust. Dit traject sluit aan op de zeeweg uit het Oosten, die via Aden naar Syrië loopt. De `Syrische' havens aan de Zwarte Zee zijn de eindpunten van verschillende karavaanwegen, die in het verlengde liggen van de zeeroutes uit het Oosten. Ook vanuit de Perzische Golf loopt een karavaanroute naar de Zwarte Zee. Daar eindigt eveneens een lange karavaanweg uit Centraal-Azië. Deze weg, die over Samarkand loopt, wordt echter weinig gebruikt. Overal waar handelswegen de kusten bereiken, verschijnen schepen uit Zuidwest-Europa, maar vooral uit Italië. Havens die zeer vaak worden aangedaan zijn Alexandrië en Byzantium, omdat dit stapelplaatsen zijn voor goederen aangevoerd uit de havens aan de Zwarte Zee. De meeste schepen die deze stapelhavens aandoen komen aanvankelijk uit Genua, meer nog dan uit Venetië. Het door Afonso II veroverde laatste deel van de Algarve behoorde staatkundig bij het moslimrijkje L_bla (Niebla), waarvan het zwaartepunt ten oosten van de Guadiana ligt. Castilië betwist het Portugese bezit van geheel de Algarve, omdat het zich beschouwdt als rechthebbende op L_bla. Er ontstaan enige keren schermutselingen met Castilië, maar Afonso III weet deze zaak ten gunste van Portugal met Alfonso de Wijze van Castilië te regelen. Beide vorsten slechten ook de laatste banden van vazaliditeit waarmee Portugal nog met Castilië, als erfgenaam van León, verbonden is. Daarmee is Portugal eerst echt een soeverein land. Vanaf Sancho I zijn er vaak conflicten tussen de kroon en de kerk. Het gaat daarbij vooral om de vragen: wie benoemt bisschoppen en abten, de paus of de koning, en hoe kan voorkomen worden dat de kerk door schenkingen en legaten zeer veel onroerendgoed verwerft? Afonso II laat koninlijke onderzoekscommissies vaststellen of de eigendomstitels van kerkelijk onroerendgoed deugen. Vaak zijn eigendommen aan de kerk nagelaten, terwijl de kroon daarop, na het overlijden van de leenman, aanspraak kon maken. Sancho II verbiedt de kerk en zelfs individuele geestelijken land uit donaties te aanvaarden en Afonso III ontneemt de kerk veel bezit, nadat is vastgesteld dat het onrechtmatig is verkregen. Hetzelfde probleem doet zich overigens voor met de adel, waar lenen vaak ten onrechte vererfd zijn. Vooral de resultaten van de regering van Afonso III zijn positief. Hij heeft de Reconquista voltooid, de problemen met Castilië geregeld, de positie van de kroon tegenover de kerk en de adel versterkt, vertegenwoordigers van de burgerij, naast die van de adel en geestelijkheid, in de cortes opgenomen en Lissabon, in plaats van Coimbra, tot hoofdstad gemaakt. Dit alles betekent belangrijke structurele vooruitgang. Portugal is ten tijde van Afonso I en nog lang daarna een in hoofdzaak argrarisch land met veeteelt, landbouw, wijnbouw en boomgaarden; de visvangst isd ook van belang. Het land is niet erg vruchtbaar; het noorden is overwegend bergachtig en het zuiden is zomers heet en droog. De verhoudingen op het platteland zijn feodaal; de horigen zijn aan de grond van hun heer gebonden. Vrije boeren zijn er zeer weinig. In het Moorse zuiden zijn landbouw en veeteelt ook de basis van het bestaan, maar de grond is arm en het klimaat ongunstig. Rond de steden zijn zijn boomgaarden aangelegd en wordt groente verbouwd, terwijl putten geslagen zijn om het land te bevloeien. De kuststrook is bekend als het centrum van de teelt van vijgen, amandelen en granaatappels. In de steden wonen, naast landbezitters en zij die op het land werkzaam zijn, handelaren, ambachtslieden, vissers en andere zeelieden. In Alentejo zijn koper- en zilvermijnen, in de Algarve wordt tin gewonnen en de Taag brengt enig goud op. Er is een papierindustrie en enige scheepsbouw. Nadat het zuiden veroverd is, verlaten de moslims in groten getale het land. Vooral Sancho I geeft zich veel moeite veroverd gebied te bevolken. Zijn gezanten in het buitenland bewegen honderden buitenlanders, vooral Duitsers, zich in het zuiden van Portugal te vestigen. Mensen uit het noorden van Portugal kunnen een hogere sociale status verwerven door naar het zuiden te migreren. Het gearabiseerde zuiden ziet de noorderlingen als barbaren, die zich bovendien het air van overwinnaars aanmeten. Ten tijde van Afonso Henriques, dus in de 11e eeuw, drijft Portugal handel met zijn christelijke en Arabische nabuurstaten; van overzeese handel is dan nog geen sprake. Aan het einde van de 12e eeuw zal dit veranderen. In deze eeuw hebben zich aan de kusten van de Noordzee centra van economische activiteit ontwikkeld. De stad Brugge wordt het belangrijkste handelscentrum voor Oost-, Noord- en West-Europa. Daar worden goederen aangevoerd van over de Alpen, maar vooral uit de Champagnestreek. Dynastieke banden met Engeland, Bourgondië en Vlaanderen leiden tot commerciële betrekkingen. Portugese handelaren krijgen privileges in Engeland en vestigen zich in Bordeaux, waar zij de Engelse koning geld lenen voor hun strijd op Franse bodem. In de 13e eeuw en vooral onder koning Dinis (1279-1325), de oudste zoon van Afonso III, neemt de handel met het buitenland toe en vestigen zich Portugese handelaren overal in West-Europa, maar vooral in Vlaanderen. Vanaf het einde van de eeuw begint in Brugge de aanvoer overzee, vanuit gebieden aan de Middellandse Zee en de Atlantische Oceaan, de handel over land te domineren. Portugese handelaren, van wie de eersten zich in 1308, of mogelijk reeds in 1293, in Brugge vestigen, hebben hierin een groot aandeel. Ondertussen taant de aanvoer over land, hetgeen te wijten is aan politieke onrust en zelfs oorlogshandelingen in de Champagne en delen van Vlaanderen, als gevolg van de belangstelling van de Franse koning voor deze streken. Het aantal transacties en de omvang daarvan neemt voortdurend toe. Dit geldt zowel voor Europese producten als voor uit Afrika en Azië aangevoerde koopwaar. De toename van de handel heeft invloed op de manier van handeldrijven. De handel van de individuele koopman, reizend over land met een kleine hoeveelheid koopwaar, geraakt op het tweede plan, door de opkomst van transacties met groepen welgestelde kooplieden, die al dan niet in formeel verband samenwerken. Zij stellen hun kapiteins zoveel geld beschikbaar dat deze grote partijen goederen verwerven, die zij naar de verkoopcentra vervoeren. De ontwikkeling van bepaalde industrieën, veelal weverijen, leidt ertoe dat de kapiteins achtereenvolgens de grondstoffen kopen daar waar die worden voortgebracht, deze naar de weverijen brengen, de geproduceerde stoffen opkopen, deze distribueren voor de verkoop, om tenslotte de verkopen af te rekenen. De grote rol die de kooplieden-afnemers in het proces gaan spelen, gaat gepaard met het geven van krediet en de introductie van geld. Het afnemerskrediet vergroot de economische macht van de kopers, ten nadele van die van de producenten, hetgeen kenmerkend is voor de economische verhoudingen in de Middeleeuwen. Dit geheel van verschijnselen, dat in de 13e eeuw definitief doorzet: economische groei in Europa in het algemeen, de introductie van geld en de aanwas van de geldcirculatie, de opkomst van het vroege kapitalisme en de eerste bankinstellingen, wordt aangeduid als de `commerciële revolutie'. Deze revolutie en het aandeel van Portugese kooplieden daarin, zal van grote betekenis zijn voor de Portugese maritieme expansie in later tijd. Koning Dinis bevordert de handel met het buitenland, onder meer door een verzekeringssysteem op te zetten en een handelsverdrag met Engeland te sluiten (1308). Hij Heeft bijzondere aandacht voor de landbouw (droogleggen van moerassen) en stimuleert evenzeer de eerste industrieën (stoffen en zeep), de scheepsbouw, waartoe hij bij Leiria grote naaldbossen laat aanleggen en de handel (jaarmarkten). Hij bekostigt uit eigen middelen de bouw of het herstel van kastelen, stadswallen en andere fortificaties. Door de stijgende geldcirculatie wordt Portugal een markteconomie. In Dinis' tijd worden de belastingen niet verhoogd, en de munt wordt niet verzwakt, zoals onder zijn voorganger, hetgeen tot grote niet te beteugelen prijsstijgingen en maatschappelijke onrust heeft geleid. Dinis is de eerste Portugese koning die heeft leren lezen en schrijven. Hij is, evenals zijn vader, een dichter en beroemd als troubadour. Hij moderniseert het bestuur, versterkt de rechtsmacht van de kroon, tegenover de kerk en de adel, laat een kadaster aanleggen en wetten van zijn Castiliaanse grootvader, Alfonso de Wijze, in het Portugees vertalen, terwijl hij het Portugees tot officiële bestuurstaal verheft (in plaats van het latijn). De koning sluit in 1297, na een korte oorlog, met Castilië het Verdrag van Alcañces, waarbij Portugal enig gebied in Beira verkrijgt en de grenzen komen vast te liggen. Dinis sticht de eerste Portugese universiteit, eerst in Lissabon, maar later overgebracht naar Coimbra. Hij sticht in 1319 de militaire Orde van Christus, die het grote vermogen van de opgeheven Orde van de Tempeliers verkrijgt. Dinis belast in 1317 de Genuees Emmanuele Pessagno met de opbouw van de Portugese oorlogsvloot, waarvan deze in 1322 admiraal wordt. Dinis is gehuwd met Isabel van Aragón, bekend als de Rainha Santa. Zij is de beschermheilige van Coimbra. (Elizabeth van Portugal is niet de enige heilige die het Middeleeuwse Portugal heeft voortgebracht. De in 1195 in Lissabon geboren Fernando Bulhões, is als Sint Antonius van Padua de populairste heilige van Zuid-Europa en de patroon van Lissabon. De vooraanstaande scholasticus Pedro Hispano heeft als Johannes XXI in de jaren 1276/1277 acht maanden de Stoel van Petrus bezet). Vanaf ongeveer 1300 is in Europa sprake van economische achteruitgang. Afnemende meeropbrengsten in de landbouw, door uitputting van de bodem, mogelijk nog verergerd door ongunstige klimatologische omstandigheden, zijn mogelijke oorzaken. De verminderde productiviteit leidt tot grotere uitbuiting van de boerenbevolking, omdat de adel zijn bestedingen niet wenst aan te passen bij de verminderde opbrengsten van het land. Een symbool voor de extravagante consumptie van veel edelen is de verwerking van kostbare specerijen uit het Verre-Oosten tot afrodisica. `Alsof de aristocratie anders geen liefde kon bedrijven’, merkt Wallerstein op. De horigen komen in opstand tegen de feodale landheren, die elkaar ook vaak onderling bestrijden. Aldus geraakt het feodalisme in een crisis, die zich ten tijde van Afonso IV (1325-1357) ook in Portugal openbaart. De crisis wordt versterkt doordat de economische en sociale structuur van het land verandert. Naast de adel ontstaat de in handel en nijverheid welvarend geworden bourgeoisie, die haar nieuw verworven rijkdom wil tonen en haar aandeel in de politiek opeist. De adel investeert niet in handel en nijverheid, omdat de edelen de tekenen des tijds niet verstaan. De problemen worden vergroot doordat Afonso IV herhaalde malen in conflict raakt met Castilië, terwijl deze oorlogen het land grote verwoestingen brengen. Afonso IV strijdt overigens niet alleen tegen Castilië maar ook met Castilië tegen de Moren. In 1340 verslaat Alfonso XI, bijgestaan door Afonso IV, aan de oevers van de Rio Salado, een grote Moorse invasiemacht, de laatste die vanuit Noord-Afrika het Iberisch schiereiland is binnengevallen, al zal het nog tot 1492 duren voordat de rol van de moslims daar zal zijn uitgespeeld. De crises worden nog aanzienlijk vergroot doordat ook Portugal in 1348 getroffen wordt door de pest, die niet alleen de steden treft, maar soms geen bewoner van een dorp of klooster in leven laat. Het bezit van de kerk stijgt, omdat edelen en boeren, in het zich van een naderende dood en in een poging hun ziel te redden, hun bezittingen aan de kerk schenken, ofschoon dit bij wet verboden is. De bevolkingdaling door de pest wordt in de steden meer dan tenietgedaan doordat tegen het midden van de eeuw een trek van verpauperde boeren naar de steden op gang komt. Daar ontstaat een lompenproletariaat. De ontvolking van het platteland leidt ertoe dat landbouwgrond bestemd wordt voor veeteelt, die minder mensen vraagt, of ongebruikt blijft, waardoor Portugal structureel graan moet importeren. In een opzicht gaat het Portugal ten tijde van Afonso IV goed. De handel met het buitenland neemt een grote vlucht. Er hebben zich rond het midden van de 14e eeuw al zoveel Portugese handelaren in Vlaanderen gevestigd en de handel met dat land is zozeer toegenomen, dat in Brugge een officiële Portugese handelspost (feitoria) gesticht wordt. De handel met en de vaart op Engeland wordt bevorderd door een verdrag met Edward III, dat de veiligheid van de kooplieden in elkaars landen garandeerd. Portugal voert naar Noordwest-Europa uit: vijgen, rozijnen, zout, wijn, olijfolie, honing, talk, was, kurk, kermes, leder, huiden en Spaans gras voor de vervaardiging van bezems en voert uit deze landen in: textiel, kleding, hout, verfstoffen en paarden. Naar de landen rond de Middellandse Zee worden geëxporteerd: gedroogde vis, honing, was, leder, huiden, wol en enig zout. Inruil hiervoor ontvangt Portugal: specerijen, suiker, stoffen van zijde en wol, wapens, graan en allerlei huishoudelijke en luxe goederen. De tussenhandel wordt bevorderd door het in deze tijd voorhanden zijn van een overvloed aan gouden en zilveren Moorse munten. Ook de kustvaart met Galicië en de noordkust van het Schiereiland is van belang, evenals de handel met Castilië langs de lange gemeenschappelijke grens. In Portugal bevinden zich vele buitenlandse handelaren, onder wie Catalanen, Aragonezen, Castilianen en Italianen, vooral Genuezen. De Portugese scheepvaart in de Middellandse Zee, maar ook die op Engeland en Vlaanderen, verliest terrein aan Italiaanse kooplieden. Zij beschikken over een technische voorsprong, grotere mogelijkheden tot het geven van afnemerskrediet en betere handelscontacten. Aan de andere kant profiteert de Portugese scheepvaart van de geavanceerde scheeppvaarttechnieken van de Italianen. De crisis waarin het feodalisme in Portugal, maar ook elders in Europa is komen te verkeren, kan worden bestreden als door internationale arbeidsverdeling efficiënter zou kunnen worden geproduceerd. Daartoe moet een wereldwijde markt ontstaan. Voorwaarden hiertoe zijn: een vergroting van de economische ruimte van Europa en de vorming van betrekkelijk sterke staatsapparaten in wat de centrumlanden van deze kapitalistische wereldeconomie gaan worden. Gebiedsuitbreiding is de sleutelvoorwaarde voor de oplossing van de crisis van het feodalisme. Aanvankelijk kan dit binnen Europa worden gerealiseerd. De economische centra, vooral Noord-Italië, Vlaanderen en Noord-Duitsland, hebben tussen 1000 en 1250 hun economische ruimte uitgebreid door binnen Europa wouden te kappen, laagland in te polderen en moerassen droog te leggen, om meer landbouwgebied te verkrijgen. Met het voortschrijden van de `commerciële revolutie' ontwikkelt zich langzamerhand het denkbeeld van verdergaande expansie. Aangenomen wordt dat de verrijking van de kooplieden, de groeiende omvang van enige industrieën en het daarmee verbonden belang van de publieke machthebbers, vanaf het begin van de 13e eeuw, aan dit denkbeeld voedsel geven. Eexpansie wordt meer en meer gezien als een economische noodzaak en bovendien als een religieus gebod. In West- en Oost-Europa wordt de expansie geëffectueerd doordat de Engelsen Wales, Schotland en Ierland binnen hun invloedssfeer brengen en de Duitsers en Scandinaviërs de landen van Balten en Slaven binnendringen. In het zuiden worden de Moren in de 13e eeuw steeds verder op het Iberisch schiereiland teruggedrongen en gaan de Balearen, Sardinië en Corsica voor hen verloren. Het denkbeeld van de expansie blijft hierdoor en door de Kruistochten bewaard en wordt versterkt doordat de Arabieren in het bezit zijn van goud, waarvan de Europese handel in zijn betrekkingen met Afrika en Azië, tegen wil en dank, afhankelijk is geworden. Naast de mogelijkheid van expansie met militaire middelen, zoeken kooplieden naar andere vormen. Zij wensen zich nieuwe afzetmarkten en willen uiteindelijk toegang verkrijgen tot de Aziatische en Afrikaanse productiegebieden. Met dit doel voor ogen verenigen zij zich, daarbij elkaar ondersteunend, in groepen voor het ondernemen van reizen om de commerciële mogelijkheden te onderzoeken. Bekend zijn de reizen van Niccolo en Matteo Polo naar Centraal-Azië in 1260 en 1269, gevolgd door die van hun neef Marco Polo, die de uiterste grenzen van het Verre Oosten bereikt. In 1291 passeren de Genuese gebroeders Vivaldi de Straat van Gibraltar voor een tocht langs de kusten van Afrika, waarvan zij niet terugkeren. Meer geluk heeft hun stadgenoot Lancellotto Malocelli die tussen 1310 en 1330 zijn eerste expeditie naar de Canarische eilanden onderneemt. Deze eilanden waren reeds in de Oudheid bekend, zijn vervolgens eeuwen lang `vergeten' en eerst aan het einde van de 12e eeuw herontdekt. Hij verblijft enige jaren op het naar hem genoemde eiland Lanzarote. In 1346 vertrekt de beroemde Majorcaanse cartograaf Jaime Ferrar voor een zoektocht naar `Rio del Oro' aan de kust van West-Afrika. Van hem wordt nimmer meer iets vernomen. In 1341 nemen de in Lissabon woonachtige Genuese koopman Niccoloso de Recco en zijn Florentijnse stadgenoot Angelino del Tegghia de Corbizzi het initiatief voor een tocht naar de Canarische eilanden. Zij vinden koning Afonso IV bereid de door hen te leiden expeditie, waaraan ook Castiliaanse, Aragonese, Catalaanse en Portugese kooplieden deelnemen, te bekostigen en wellicht ook te organiseren, waardoor zij onder auspiciën van de Portugese kroon wordt ondernomen. Het bijzondere is dat de expeditie bijna driekwart eeuw eerder wordt ondernomen dan men de Portugese maritieme expansie gewoonlijk laat beginnen. Vanaf het midden van de 14e eeuw worden meer reizen naar de Canarische eilanden en Madeira ondernomen. Niet slechts door Portugezen, maar ook door Castilianen, Catalanen, Basken, Noordeuropeanen en zelfs moslims, maar bovenal door Italianen. Ondanks dat Afonso IV in 1343 de Heilige Stoel van de tocht op de hoogte brengt, wijst paus Clemen VI de Canarische eilanden toe aan een Castiliaans edelman, hetgeen tot ver in de volgende eeuw tot alsmaar oplaaiende twisten met Castilië zal leiden. Onder Afonso's zoon Pedro I (1357-1367) beleeft Portugal tien rustige jaren, waarin de welvaart stijgt, maar zijn zoon Fernando I (1367-1383) mengt zich van meet af aan in de Honderjarige Oorlog door, met Engelse steun, de strijd aan te binden met Frankrijks bondgenoot Castilië. De verschillende veldtochten, die ten dele op Portugees gebied worden uitgevochten, leiden tot grote verwoestingen, een galopperende inflatie en grote sociale ontreddering. Er ontstaat onrust in het land, doordat de lagere klassen in verzet komen tegen de voortdurende prijsverhogingen door de middenklasse van handelaren. De koning probeert de crisisverschijnselen te bestrijden. Hij verschaft het stadsproletariaat werk door de aanleg of restauratie van verdedigingswerken; hij tracht de ontvolking van het platteland tegen te gaan door de landarbeiders aan de grond te binden, om hun een (karig) bestaan te garanderen, terwijl hij landeigenaren verplicht het land in cultuur te brengen. Deze maatregelen heffen het tekort aan landarbeiders niet op; de graanproductie neemt af, terwijl de veeteelt (vooral schapen), wijnbouw en de productie van olijfolie toenemen. Fernando bevordert de internationale handel door een systeem van zeeassurantie op te zetten en door de bouw van koopvaardijschepen aanzienlijk te subsidiëren, onder meer door gratis hout uit de koninklijke bossen beschikbaar te stellen. De vooruitgang in de Portugese scheepsbouw die hiervan het gevolg is, geraakt diep verweven met de ontwikkeling van de nationale commerciële activiteiten. De klasse van gefortuneerde kooplieden neemt toe, terwijl door de groei van de handelsvloot meer en meer zeelieden nodig zijn, die derhalve ervaring opdoen, zodat het aantal zeelieden stijgt. De galopperende inflatie is het gevolg van de verzwakking van de Portugese munt. Het proces van geldontwaarding is al vanaf 1360 waarneembaar en zal aanhouden tot 1409, tien jaar nadat de vrede is weergekeerd. De oorzaak van de voortdurende muntverzwakkingen is het tekort aan edele metalen dat, ondanks de ontwikkeling van zilvermijnen in Servië en Bosnië vanaf 1350, zich algemeen in Europa voordoet. De op te grote voet levende adel en de opkomende bourgeoisie oefenen zoveel vraag uit naar luxe goederen uit de Levant, Perzië, Indië en het Verre Oosten, zoals specerijen, parfums, edelstenen en ivoor, dat er via vooral Venetië en de Arabieren een netto stroom van gouden en zilveren munten naar het Oosten stroomt, om tempels, paleizen en kleding van de Aziatische aristocratische klasse te sieren. Terwijl in Europa in de 14e eeuw de circulatie van gouden en zilveren munten onvoldoende is voor de zich uitbreidende economie, is men ervan op de hoogte dat Afrika, een toen nog vrijwel onbekend werelddeel, grote hoeveelheden goud voortbrengt. De bron hiervan is een exotische verhaal van de pelgrimsreis, die Mansa Musa, de zwarte heerser over het koninkrijk Mali, in 1324 naar Mekka ondernomen heeft. Het voortdurend aangedikte verhaal, vertelt tenslotte dat vijfhonderd slaven voor het paard van de koning uit hebben gelopen; ieder van hen met een baar goud. In Cairo heeft Mansa Musa honderd kameelladingen goud, van driehonderd pound ieder, uitgedeeld. Zijn giften zijn zo omvangrijk geweest, dat de goudprijs op de markten in de Levant daardoor aanzienlijk is gedaald. Men heeft er overigens geen voorstelling waar Mali ligt en hoe groot het is. In werkelijkheid beslaat het koninkrijk Mali een groot gebied. Het reikt van de kust van de Atlantische Oceaan, daar waar de Senegal en de Gambia uitstromen, naar het oosten tot het middelste deel van de Niger. Vandaar reikt het land naar het zuiden tot voorbij de stad Goa en naar het noorden tot voorbij Timboektoe. In 1339, zeven jaar na de dood van Mansa Musa, verschijnt Mali, aangeduid als `Rex Melly' op de Majorcaanse kaart van Angelino Dulcert. Deze beroemde kaart toont tevens een karavaanroute door het Atlasgebergte naar het `Land van de Negers'. De kaart uit 1375 van Abraham Cresques, een andere Majorcaanse cartograaf, geeft de ligging van de steden Niani, Timboektoe en Gao vrij nauwkeurig aan. Hij toont de koning, gezeten op zijn troon, met een kroon op het hoofd. In de ene hand houdt hij zijn scepter vast en in de andere heeft hij een staaf goud. De cartograaf verklaart dit beeld met de volgende woorden: `Deze negerkoning heet Musa Mali en hij is de heerser over de negers van Guinée. Door de overvloed aan goud dat in zijn rijk gevonden wordt, is hij de rijkste en nobelste koning van de wereld.’ De tweede kaart toont ook de karavaanweg door het Atlasgebergte naar het zuiden, met de vermelding dat de route gebruikt wordt door `kooplieden die reizen naar het land van de negers van Guinea.’ Het ligt voor de hand dat het hof in Lissabon beschikt over copieën van de kaarten van Angelino Dulcert en Abraham Cresques. De economische en politieke relaties die Portugal met andere Europese landen onderhoudt, brengen het land in nauw contact met de Europese expansionistische aspiraties. Het land kan zich daaraan niet onttrekken. Dat uitgerekend Portugal de leiding zal nemen in de maritieme expansie kan worden verklaard uit een aantal specifieke omstandigheden. Portugal ligt dicht bij Afrika aan de Atlantische Oceaan, terwijl het verloop van de golfstromen Lissabon tot een ideaal vertrekpunt maakt. Omdat Portugal een ongemakkelijke en vaak vijandige relatie met zijn nabuurstaat Castilië heeft, was het al heel vroeg genoodzaakt zijn blik te richten naar de zee, waarvan het afhankelijk is voor zijn verbindingen met de rest van de wereld. De zee is ook van groot belang voor de voedselvoorziening, omdat vis rijk is aan proteïne en daarom een welkome aanvulling vormt op het veelal plantaardige menu in de Middeleeuwen. Portugal heeft zich tot een echte handelsnatie ontwikkeld; het land beschikt tegen het einde van de 14e eeuw over schepen voor de handelsvaart, maar ook over oorlogsschepen, een vissersvloot en de bijbehorende ervaren bemanningen. Een ander belangrijk punt is, dat zich vanaf de 13e eeuw in Lissabon, in navolging van Spanje, veel Genuese kooplieden hebben gevestigd. Reeds in 1317 is Lissabon een groot centrum voor de Genuese handel. Genua streeft ernaar de Iberische volken in de internationale handel op te nemen, in een poging met hun hulp door het Venetiaanse monopolie en de moslim-blokkade heen te breken. Hulp van Genuezen is voor Portugal van groot belang. Zoals reeds vermeld, beschikken zij over: een groot handelsnetwerk; superieure kennis van scheepsbouw, navigatie en andere technieken en aanzienlijke handelskapitalen. Bovendien nemen zij vaak het initiatief en lopen het financiële risico. Zij hebben al snel de sleutelposities op het Iberisch schiereiland in handen, zoals bleek uit het voorbeeld van de Emmanuele Pessagno, die reeds in 1317 door koning Dinis belast werd met de bouw en de leiding van de Portugese oorlogsvloot en Portugal een geduchte zeemacht werd. De naijver op de positie van de Genuezen verdwijnt doordat deze met Portugese vrouwen trouwen en gaan behoren tot de Portugese aristocratie. Individuele Genuezen, maar ook andere Italianen, zullen een grote rol spelen in de maritieme en commerciële expansie van Portugal, terwijl de Italiaanse staatsstaten uitdrukkelijk afzien van verdere Atlantische ondernemingen en zeer beslist ervoor kiezen zich te wijden aan de traditionele handel in de Middellandse Zee. Ook de Catalaanse belangstelling voor de Atlantische eilanden is van korte duur. De Catalaanse expansie richt zich al gauw uitsluitend op gebieden in en rond de Middellandse Zee. Naast de genoemde gunstige omstandigheden heeft Portugal nog in andere opzichten een voorsprong op de rest van Europa. De economie van Portugal is sterker gemonetariseerd en zijn bevolking is meer geürbaniseerd dan in bijvoorbeeld Engeland en Frankrijk. Daarnaast zal het land in de 15e gaan beschikken over een krachtig staatsapparaat, waarmee het afwijkt van de andere Westeuropese staten. Het is vanaf 1385 een stabiel koninkrijk dat de gehele eeuw praktisch vrij is van burgerstrijd. Daarmee ligt Portugal een eeuw voor op landen als Frankrijk, Engeland en Spanje. De stabiliteit van de staat is ook van veel belang omdat de koning in veel opzichten de grootste ondernemer is. Portugal is ook een echte natie; het nationale bewustzijn van zijn bevolking is ontwikkeld in de eeuwenlange strijd tegen de Moren. De vele oorlogen met Castilië hebben het saamhorigheidsgevoel verder versterkt. Ten tijde van Fernando I ontbreekt nog de voorwaarde van stabiliteit. Als Fernando I in 1383 sterft, heeft hij geen mannelijke nakomeling. Zijn dochter Beatriz, die gehuwd is met Juan I van Castilië, heeft nog geen kind gebaard. Tot die tijd zal de koningin-weduwe, Leonor Teles, als regentes optreden. Er breken direct rellen uit tegen Leonor Teles en haar Galicische minnaar João Fernándes Andeiro, graaf van Ourém. De oppositie wordt aangevoerd door João, de meester van de militair-religieuze Orde van Avis en een bastaardzoon van Pedro I. João van Avis vermoort eigenhandig Andeiro, terwijl Leonor Teles naar Castilië vlucht. Juan I eist de Portugese troon op voor zichzelf en Beatriz. Om zijn eisen kracht bij te zetten, valt hij Portugal binnen. João van Avis roept zich tot koning João I uit, waarmee de cortes op 6 april 1385 instemt. Met behulp van een legertje Engelse boogschutters weet zijn bevelhebber Nuno Álvares Pereira op 14 augustus 1385 de Castiliaanse invasietroepen in de grote Slag van Aljubarrota een nederlaag toe te brengen. João I sluit in 1386 met Engeland het Verdrag van Westminster, welk verdrag de Anglo-Portugese relatie tot een stevig bondgenootschap maakt. John of Gaunt, hertog van Lancaster, die zichzelf beschouwt als rechthebbende op de troon van Castilië, komt met een leger naar Portugal om samen met de Portugezen een veldtocht tegen Castilië te ondernemen. Dit loopt op een fiasco uit en in 1387 wordt een voorlopig bestand getekend. De overwinning van João van Avis is te beschouwen als de overwinning van de nationale geeest op de aanhangers van de gevestigde feodale orde. Degenen die Leonor Teles of Beatriz gesteund hebben wordt veel bezit ontnomen en zij verliezen aan prestige. Zij die van meet af aan João van Avis gesteund hebben, worden rijkelijk beloond. Er ontstaat een nieuwe, veelal uit de bourgeoisie afkomstige adel. Onder aanvoering van Afonso, de graaf van Barcelos, een onwettige zoon van de koning zelf, gedraagt zij zich niet alleen even feodaal als de oude aristocratie, maar is daarnaast ook zeer arrogant. Onder de regering van João I (1385-1433) vinden in de jaren 1396/1397 nog enige onbeduidende schermutselingen met Castilië plaats. Deze worden gevolgd door een wapenstilstand in 1411 en een vredesverdrag in 1432. Het land bloeit op, maar de economische vooruitgang wordt getemperd door een gebrek aan arbeidskrachten. Dit laatste wordt veroorzaakt doordat Portugal, evenals andere landen, na de eerste pestepidemie in 1348, herhaaldelijk getroffen wordt door de `Zwarte Dood' (1356, 1384, 1415, 1423 en 1432), waardoor de omvang van de bevolking per saldo daalt. In 1387 is João I in het huwelijk getreden met Filipa van Lancaster, de dochter van John of Gaunt. Zij schenkt hem vijf zonen, achtereenvolgens: Duarte, Pedro, Henrique, João en Fernando, alsmede een dochter, Isabel, die met Philips de Goede van Bourgondië in het huwelijk zal treden. Het einde van de 14e eeuw is voor Italiaanse, Spaanse en Franse edelen een periode van militaire avonturen in het buitenland. Zij strijden vaak zonder duidelijk doel voor ogen om, naast roem, krijgsbuit te verwerven, om aldus de dalende opbrengsten van de landgoederen te compenseren, om hun vaak buitensporige consumptie op peil te kunnen houden. Overbevolking speelt waarschijnlijk geen rol, omdat de herhaalde pestepidemieën tot daling van de bevolkingen leidt. De Portugese adel heeft, nadat in 1411 een einde is gekomen aan de oorlog met Castilië, geen mogelijkheid op Europese bodem krijgsbuit te verwerven. Dit treft vooral de `jongere zonen' van de adel, voor wie geen land beschikbaar is. Ook drie zonen van koning João, Duarte, Pedro en Henrique, van wie de jongste, Henrique, in 1411 zeventien jaar is, snakken naar roem en buit op het slagveld. De idee wordt geboren de strijd aan te binden met de Moren in Noord-Afrika. João I laat de paus Gregorius XII reeds in 1410 weten van plan te zijn een strategisch gelegen havenstad in Marokko te veroveren. Deze mededeling kan zijn ingegeven door de mislukte poging van Enrique IV van Castilië zich in 1406 van de Marokkaanse stad Tetouan meester te maken. De keuze valt tenslotte op Ceuta, een rijke havenstad, aan het eindpunt van karavaanroutes door de Sahara, waarlangs goud, ivoor, malagueta-peper en negerslaven worden aangevoerd. Bovendien kan vanuit Ceuta de Straat van Gibraltar beheerst worden, waardoor het mogelijk is de piraterij van moslims, die het op de christelijke scheepvaart door de zeestraat hebben gemunt, effectief te bestrijden. Het plan Ceuta te veroveren, wordt wel toegeschreven aan João Afonso de Alenquer, 's konings schatkistbewaarder. Hij verwacht hiervan niet alleen een grote oorlogsbuit, maar het bezit van de stad verschaft de Portugezen de controle op de goudhandel en maakt voortdurende aanvallen op de scheepvaart van de moslims mogelijk. Alenquer heeft al in 1409, toen er nog geen sprake was van een expeditie, al eens iemand, onder het mom slaven te willen kopen, naar Ceuta gezonden om aan de weet te komen in welke omvang daar goud wordt aangevoerd. Bij terugkomst roemt de spion de schoonheid en rijkdom van Ceuta. De stad is omgeven door muren voorzien van kantelen, bezit sterke vestingwerken, indrukwekkende gebouwen, bongerds en verrukkelijke tuinen. Landinwaarts strekken zich korenvelden uit; iets wat ook tot de verbeelding spreekt, wegens de wisselende oogsten en soms grote tekorten aan graan in Portugal. Voor Alenquer zijn deze inlichtingen aanleiding bij koning João aan te dringen een poging te ondernemen de stad te veroveren. De koning, het falen van Castilië voor Tetouan indachtig, aarzelt. De prinsen Duarte, Pedro en Henrique, hierin bijgevallen door João Afonso da Azambuja, de aartsbisschop van Lissabon, weten de koning tenslotte voor het plan te winnen, waarbij de wens Castilië een slag voor te zijn een belangrijke overweging kan zijn geweest. Het plan vindt veel weerklank in de Portugese samenleving, omdat vele groepen belang hebben bij een overzeese expansie. Het hof (de staat) en de adel, die zijn `jongere zonen' aanbiedt om de expedities te leiden; de handelsbourgeoisie en zelfs het semi-proletariaat. Hieruit worden soldaten en zeelieden gerecruteerd, die hun ellendige bestaan in de stad of op het platteland graag verruilen voor een avontuurlijk leven. In juli 1415 zijn de voorbereidingen van de expeditie voltooid en zeilt een armada, bestaande uit wellicht tweehonderd schepen, uit. De vloot heeft minstens 19.000 zeelieden en soldaten, alsmede de koning en de drie prinsen aan boord. Op 15 augustus wordt Ceuta vrijwel zonder slag of stoot ingenomen. Haar verdedigers hebben Ceuta, om nimmer opgehelderde redenen, verlaten. De verovering van Ceuta, die een zeer rijke buit oplevert en weinig verliezen heeft gekost, wakkert de lust voor verdere maritieme avonturen aan. Het voortouw wordt genomen door prins Henrique, die een belangrijke rol gespeeld heeft bij de verovering van Ceuta. Hij vergroot zijn geografische kennis van West-Afrika - vooral tijdens een verblijf van drie maanden in Ceuta in de jaren 1418/1419 - door het lezen van buitgemaakte documenten, het ondervragen van gevangenen en het inwinnen van inlichtingen bij burgers en kooplieden. Volgens zijn biograaf, Gomes Eanes de Azurara, beter bekend als Zurara, krijgt Henrique hierdoor grote belangstelling voor ontdekkingsreizen. Hij gaat zich wijden aan de zaak van de maritieme exploratie van Afrika's westkust, waardoor hij de geschiedenis is ingegaan als Dom Henrique o Navegador (Prins Hendrik de Zeevaarder). Volgens Zurara zou hij de volgende bedoelingen met de ontdekkingsreizen hebben gehad: hij wil het land kennen voorbij de Canarische eilanden en Kaap Bojador; hij wil weten: of ergens christenen wonen, wier havens zonder gevaar kunnen worden aangedaan en waar met handel grote winsten kunnen worden behaald; hij wil vaststellen hoever de invloed van de moslims zich naar het zuiden uitstrekt en of er ergens een christelijke koning woont, die kan helpen de `ongelovigen' te bestrijden. Tenslotte wil hij het katholieke geloof doen verbreiden. Henrique heeft de opgesomde motieven vermoedelijk kort voor zijn overlijden in 1460 zelf aan Zurara gedicteerd. Al deze motieven hebben Henrique waarschijnlijk niet van meet af aan voor ogen gestaan; aan te nemen is dat hij in de loop der jaren een helder zicht gekregen heeft op de doeleinden van ontdekkingsreizen. In deel I van dit boek is uitvoerig aandacht geschonken aan de persoon van D. Henrique o Navegador en aan diens rol bij en betekenis voor de ontdekkingsreizen. Daarbij is vermeld dat de hedendaagse Portugese historici Oliveira Marques en Magalhães-Godinho erop hebben gewezen dat niet meer dan eenderde van de ontdekkingsreizen aan zijn initiatief zijn te danken. Damião Peres merkt hierover op dat deze bewering slechts berust op de aanname dat de vele reizen die ten tijde van regent Pedro (1433-1448) gemaakt zijn en die vanzelfsprekend diens goedkeuring hebben moeten verkrijgen, ook aan diens initiatief ontsproten zijn, maar dat Pedro's tegenstanders de bewijzen daarvan hebben vernietigd. Peres wijst beide hypothesen af en stelt dat `Henrique de eerste halve eeuw inderdaad de drijvende kracht achter de Portugese ontdekkingsreizen is geweest; de onbaatzuchtige stimulator, die nooit voor financiële moeilijkheden van de onderneming terugdeinsde...’. Peres merkt verder op: `Zijn opmerkelijke betekenis blijkt daaruit, dat wat hij nastreefde oversloeg op anderen en uitgroeide tot de essentie van het Portugese levensgevoel van die tijd. Als geen ander voelde hij de materiële en geestelijke problemen van de woelige tijd waarin hij leefde aan. Hij doorzag de mogelijkheden en maakte daarvan in de eerste decennia van de Portugese expansie gebruik’. In deel 2 leest u de gevolgen van Henrique's aanpak.
| |||||||
Colonialvoyage.com. All rights reserved. Copyright © Marco Ramerini |