COLONIALVOYAGE.COM

Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee

Samenvatting

DEEL 1

Arnold van Wickeren

 

Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee

Deel 1: Het Iberisch schiereiland van prehistorie tot aan de komst van de Romeinen, de Romeinse tijd (200 v.Chr.- 400 n.Chr.) de koninkrijken van Sueven en Visigoten van moslimoverheersing tot onafhankelijk koninkrijk Portugal tot aan de stichting van het Huis Aviz Het begin van de maritieme expansie

Deel 2: Ontdekkings- en handelsreizen naar West-Afrika, Portugal ten tijde van Afonso V (1438-1481), De maritieme expansie ten tijde van João II (1481-1495)

Deel 3: Portugal onder koning Manuel I (1495-1521), De Portugese positie in Marokko, De eerste reis van Vasco da Gama naar Indië, Het verblijf in Calicut; de terugreis, De reis van Pedro Álvares Cabral

Deel 4: Meer reizen naar Indië, De Estado da India, De verrichtingen van Afonso de Albuquerque, Tristão da Cunha en Dom Francisco de Almeida (1506-1509), Het goud van Monomotapa

Deel 5: De Carreira da India, De eerste jaren van het gouverneurschap van Afonso de Albuquerque, Malacca, De Molukken en de Banda-eilanden, Albuquerque terug in Malabar, Malabar in de jaren 1513-1514, De kust van Oost-Afrika (1509-1515)

Deel 6: De Atlantische eilanden, Reizen naar de Nieuwe Wereld, De betrekkingen met Noordwest-Afrika, De betrekkingen met Congo en Angola, De Swahili-kust (1515-1521), De Estado da India, Expansie van het Império Português (1515-1521)

Deel 7: De ontwikkeling van Portugal tot maritieme en commerciële grootmacht, De verovering van Ceuta, Ontwikkelingen in scheepsbouw en navigatie, Monniken en kooplieden in Centraal-Azië, De Atlantische eilanden, Ontdekkings- en handelsreizen naar Afrika in de jaren 1443-1447; de eerste zwarte slaven, De maritieme expansie in de jaren vijftig van de 15e eeuw, Castiliaanse penetratie in de Golf van Guinée; de Verdragen van Alcáçovas (1479) en Toledo (1480), Pogingen van João II (1481-1495) meer invloed te verwerven in het binnenland van West-Afrika, Kanttekeningen bij de ontdekkingsreizen van Diogo Cão, Columbus en Portugal; het Verdrag van Tordesillas, Stokkende maritieme expansie?, De strijd om de handel in specerije, De reis van Fernão de Magalhães

Deel 8: Portugal onder koning João III (1521-1557), Het begin van de kolonisatie van Brazilië, Portugal in de problemen in Marokko, De goudhandel aan de Minakust, De verovering van het moslimkoninkrijk Granada, Het aandeel van Portugezen in de ontdekking van Noord-Amerika

Deel 9: De Atlantische eilanden en Opper-Guinée, De relaties met het koninkrijk Benin, De betrekkingen met Congo en Angola, De Swahilikust en de Carreira da India in de jaren twintig van de 16e eeuw, De Swahilikust en de Carreira da India van 1530 tot aan het overlijden van koning João III in 1557

Deel 10: De Estado da India in de jaren 1522-1526, De Estado da India in de jaren 1526-1538, De ontwikkelingen in het Verre Oosten

Deel 11: De Estado da India in de jaren 1538-1545, De Estado da India in de jaren 1545-1558, De Visserijkust, Coromandel, Bengalen en de Carreira da India, De Portugese expeditie naar Abessinië, De waarschijnlijke ontdekking van Australië

Deel 12: De Portugese bemoeienissen met Ceylon (1538-1558), Portugees Malacca (1538-1558), De handelsrelaties met China (1538-1546), Birma en Siam (1538-1558), Portugese kooplieden en missionarissen in Japan (1538-1558), De Molukken onder Portugees bestuur (1540-1558)

Deel 13: De vereniging van Portugal met Spanje (1557-1640), Sebastião’s rampspoed in Marokko (1415-1578), De Atlantische eilanden en West-Afrik (1420-1637)

Deel 14: Angola en Kongo (1565-1641), De Swahilikust (1557-1599)

Deel 15: De Estado da India in de jaren 1558-1581, De Estado da India in de jaren 1581-1597, De komst van Hollanders en Engelsen naar Indië 1597-1600

Deel 16: De aanval van de Hollanders op de Estado da India, Overige verwikkelingen in de Estado da India, De Portugezen aan de Tamilkust in de Periode 1560-1640

Deel 17: De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640, De Portugezen in Bengalen, Portugezen, Spanjaarden en Hollanders in Siam en Achter-Indië

 

Arnold van Wickeren

 

Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee. All rights reserved. Copyright © Arnold van Wickeren

 

Geschiedenis van Portugal en de Portugezen overzee Deel 1
Arnold van Wickeren

Samenvatting van Deel 1

In Portugal dateren de eerste sporen van menselijke bewo­ning van 500.000 en misschien zelfs van 600.000 voor het begin van onze jaartelling. Er zijn sporen gevonden van de paleoli­thi­sche cultuur; vuurste­nen vuistbijlen van ongeveer 120.000 jaar gelden in Minho en in de Algarve, alsmede­ rotstekenin­gen in Alentejo, die niet ouder zijn dan 50.000 jaar. Aan de beneden­lo­pen van de Taag en de Sado zijn meer dan 300 menselijke skelet­ten en vuistbijlen uit het Mesoli­thicum (10.­000-5.000 v.Chr.) opgegraven. In de periode 5.000-2.000 v.Chr. dringen, door de valleien van de Guadia­na, Sado en Taag, vanuit het Nabije Oosten neoliti­sche culturele invloeden door naar het westen van het Iberisch schiereiland. Tegelijkertijd verspreiden zich daar Noord­afrikaanse stijlkenmerken, zoals de klokbekercul­tuur. Overblijfselen van menhirs, dol­men, gang- en koepel­graven, vooral in Alentejo en in Beira Alta, getuigen van een bloeien­de mesoli­tische cultuur. In de Kopertijd (3.100-2.000 v.Chr.) worden versterkte nederzet­tingen, castros, op heuveltoppen gebouwd. In sommige daarvan wordt ook koper be­werkt. Aan het einde van de Bronstijd (2.000-800 v.Chr.) overheerst de urnen­veld-cultuur, die zich verspreidt tot in het uiterste zuidwes­ten van het Iberisch schiereiland.

De prehis­torie eindigt met de komst van de Phoeni­c­iërs. Zij stichten rond 1.100 v.Chr. hun eerste commerciële factorij in Gades (Cadíz), gevolgd door factorijen aan de Atlantische kust. Aan de monding van de Taag ontstaat Alis Ubbo, het latere Lissabon. Vanaf 650 v.Chr. en vooral nadat de Babylonische koning Nabuco­donosor in 573 v.Chr. Tyrus veroverd heeft, worden de Phoenicische handelaren verdre­ven door de Grie­ken. Dezen planten olijfbomen en wijnstok­ken aan op het Iberisch schiereiland. Tussen 800 en 400 v.Chr. vallen Keltische stammen het Schiereiland vanuit het noor­den binnen. Deze dragers van de Hallstatt-cultuur brengen de ijzerverwerking naar de Taagvallei en vermengen zich met de Iberiërs tot de Celtiberi en Lusitaniërs. De Kelten bouwen in de vierde en 3e eeuw v.Chr. versterkte dorpen, citânias, op de heuvel­toppen, terwijl het zuiden van het Schier­eiland Cart­haagse invloe­den ondergaat.

Na afloop van de Eerste Punische Oorlog (264-241 v.Chr.) verwerven de Carthageners, onder leiding van Hamilcar, de hegemonie over het Iberisch schiereiland. De Romeinse Tijd begint in 209 v.Chr. met de verovering van Carthago Novo (Carthagena) door Publius Cornelius Scipio. Het zal echter nog twee eeuwen duren voordat de Romeinen het gehele Iberisch schiereiland, door hen Hispania ge­noemd, onder­worpen en gepacificeerd hebben. Vooral de Lusitani­rs, onder aanvoering van Viriathus, de eerste grote Portugese volksheld, verzetten zich hevig, totdat hij in 139 v. Chr. door een verrader wordt vermoord. Julius Caesar pacificeert geheel Hispania. Alis Ubbo, door de Romeinen Olisipo genoemd, ontvangt een nieuwe naam: Felicitas Iulia. Het is Augus­tus, die de pacifica­tie en romani­sering van Hispania voltooit. Hij verdeelt het schiereiland in 27 v.Chr. in drie provin­cies: Baetica in het zuiden, Lusitania in het westen en Tarraco­nencis, dat de rest van het gebied beslaat. De hoofd­stad van Lusitania wordt Emerita Augusta (Mérida). Vooral onder de keizers Claudius, Vespa­sianus en Hadrianus beleeft Hispania perio­den van grote econo­mische en cultere­le bloei.

In 409 n.Chr. vallen Germaanse stammen, Vandalen, Alanen en Sueven, vanuit het noorden Hispania binnen. De Sueven stichten in 411 in het noordwesten daarvan een eigen koninkrijk, met hoofdstad Braca­ra (Braga). De Romeinen verdrijven, met behulp van de Visigoten, de Vandalen en Alanen naar het zuiden, waarna ook de Visigoten een eigen koninkrijk stichten, aan weerszijden van de Pyreneeën. De Vandalen en Alanen steken in 429 over naar Noord-Afrika, maar de Sueven weten zich te hand­haven. De invallen van de `barba­ren' en hun onderlinge strijd veroorza­ken natuurlijk veel onrust, maar dit betekent niet dat de gehele Hispa­no-Ro­meinse bescha­ving teloorgaat. De weinig talrijke Sue­ven bijvoor­beeld vestigen zich op het platte­land en laten de steden over aan de oorspronkelijke bewo­ners. Wel onderne­men zij aanvankelijk plundertochten in Visigotisch gebied. De Visigotische koning Theode­ric maakt zijn rijk in 439 onaf­han­ke­lijk van Rome, dat de onaf­hankelijk­heid, met uitzonde­ring van het Suevische koninkrijk in Galicië en het noorden van het latere Portugal, eerst in 475 for­meel erkent. De Franki­sche koning Clovis verslaat in 507 in de Slag bij Vouillé de Visigotische koning Alaric II en verdrijft daarmee de Visigo­ten vrijwel geheel uit Gallië. Deze zoeken voor het verlies aan territorium compen­satie in Hispania en breiden hun macht geleidelijk verder naar het zuiden uit. Opeenvol­gende keizers van het Oost­romein­se rijk trach­ten, nadat het Westromeinse rijk in 476 heeft opgehou­den te bestaan, zoveel mogelijk gebied daarvan te verove­ren. In 551 valt een Byzantijnse leger­macht het zuiden van het Visigotische rijk binnen, echter zonder dat dit blijvend resultaat heeft. Als de Visigo­ten in 585, na ver­schillen­de oorlogen, het Suevische koninkrijk inlijven, beheersen zij het gehele Iberisch schierei­land. De bekering van de ariaanse Visigo­ten tot het katholis­me (589), betekent de overwinning van de Hispano-Romein­se bescha­ving over de `barbaarse' Visigoten. Daarna assimi­leren beide bevolkingsgroepen. Dit proces is in 654 voltooid met de invoering van de Lex Visigothorum die voor alle burgers geldt en het rijk stabiliseert.

Na het overlijden in 710 van koning Vitiza, kiest een deel van de adel Roderick tot koning. Áquila, de zoon van Vitiza, die een minderheid van de adel achter zich weet, roept de hulp in van de Arabieren, die - begunstigd door hun beheer­sing van de Middellandse Zee - in het afgelopen decennium hun macht over Noord-Afrika hebben uitgebreid. Er landt een Berberleger, onder bevel van Tärig-ibn Ziyad (van wiens naam Gibraltar is afgeleid). In de Slag aan de oevers van de Rio Guadele­te (19 juli 711) wordt Roderick gedood. Gehol­pen door een leger, onder Musa, de Arabische gouverneur van Noord-Afrika en zijn zoon, die met een dochter van Rode­rick is gehuwd en in 715 Lissabon verovert, wordt in vier jaar vrijwel het gehele Iberisch schiereiland onder de voet gelopen. Het bergach­tige noord­westen laat zich echter niet gemakkelijk onderwerpen en in 722 weet de halflegen­darische eerste koning van Asturië, Pelayo I, bij Covadonga zelfs een over­winning op de Moren (de algemene benaming voor Arabieren en Berbers) te behalen. Dit succes­ wordt gezien als het begin van de Recon­quis­ta. In 756 sticht Abd-al Rahm_n, een van de laatste overleven­den van de uitge­moorde dynastie der Omayyaden, het onaf­hankelijke emi­raat K_rtuba (Córdo­ba). Terwijl de heerschap­pij van de moslims in het zuiden een stevig fundament verkrijgt, wordt in het noorden gedurende een eeuw veelvul­dig slag geleverd tussen de christelijke vorsten van de in het noorden ontsta­ne rivaliserende konink­rijkjes en de Moren. De bevol­king heeft zwaar te lijden van de voort­durend op en neer gaan­de strijd. Alfonso III de Grote van León brengt wat schot in de Recon­quista. Een van zijn edelen, Vimara Peres, verovert in 868 Portuca­le, het toe­komstige Porto. We­gens invallen van de Noormannen vestigt hij zijn hoofd­stad in Guimarães. Een van zijn opvol­gers, Mumadona en haar man Hermene­gildo, heer­sen vanaf 928 over al het gebied tussen Minho en Douro, dat in 938 ook als Portucale wordt aangeduid. Zij stichten een grafelijke dynastie. Dit graafschap Portucale is zeker een stap op weg naar een zelfstan­dig Portu­gal.

De Arabieren dragen op het Iberisch schiereiland bij aan de vooruit­gang van land­bouw en industrie, terwijl hun expansie naar het wes­ten van de Middel­landse Zee ook tot opleving van de Euro­pese handel leidt. Zij munten niet alleen goud aan dat eeuwen bewaakt werd in de schatka­mers van Syrië en Egypte, maar eveneens het Soeda­nesche goud dat zij onder andere tegen zout ruilen met de negers uit het konink­rijk Ghana. De geldcirculatie in Europa neemt toe door de handel met de Arabieren. Handel wordt moge­lijk vanaf de 10e eeuw, omdat de voortbren­ging van goede­ren in enige gebieden heel gelei­de­lijk stijgt. Hier­door ontstaan over­schotten, die - mits geschikt voor de ruil - worden aange­wend voor het verkrij­gen van begerens­waardige goederen. De handel verkrijgt een grotere omvang, naarmate de over­schotten toenemen. Deze vinden hun weg binnen Euro­pa, vanaf het Iberisch schierei­land naar de Baltische en naar Russi­sche gebieden en uit het bekken van de Middellandse Zee naar de kusten van de Noordzee. De handel bestaat uit uit wijnen uit streken met een mild klimaat, huiden, slaven uit onderwor­pen gebieden, amber uit het Balticum, wol uit Spanje en Engeland, ijzer uit Zweden, zeezout van westelijke kusten, vis uit de Noordzee en talloze andere goederen, die in kleine hoeveelheden worden verhan­deld. Het door de Noormannen gestichte handelsnetwerk speelt in de Europe­se handel een belangrijke rol, waardoor zij een factor in de vooruit­gang worden. Zij ontslui­ten Rusland voor de Europe­se handel, daarbij gebruikma­kend van het verloop van Dnjepr, Don en Wolga tot aan de Zwarte en de Kaspische Zee, maar zij ontwikke­len zich tegelijkertijd tot kolonisato­ren van Groen­land, IJsland en delen van Ierland, Schot­land en Enge­land en het Noord­westen van Frankrijk (Nor­mandië).

In 912 bestijgt Abd-al-Rahm_n III de troon van K_r­tuba en breekt een periode aan waarin de Moorse bescha­ving haar hoogtepunt zal bereiken. K_rtuba, dat in 929 door Abd-al-Rahm_n tot kalifaat is verheven, groeit uit tot een invloed­rijk indus­trieel centrum en tevens tot een cultureel en intellectu­eel brand­punt. K_rtuba oefent zoveel aantrek­kings­kracht, ook op christelij­ke Europe­a­nen, uit dat het inwo­nertal oploopt tot bijna een miljoen. Het Ara­bisch is de voertaal op het gehele Schierei­land. Joodse filosofen als Ibn Pakuda en Maimonides schrij­ven later hun belangrijkste werken in het Arabisch. Ook de christenen aanvaarden de Arabische cultuur, ofschoon de latijnse liturgie gehandhaafd wordt. In 981 is de macht van de Moren zozeer toegeno­men dat Al-Mans_r, de grootvizier en legeraan­voerder van kalief Hisham II, de christenen niet alleen terugdrijft tot over de Douro/Duero, maar zelfs ver ten noorden daarvan de steden León en Santia­go de Compostela verwoest.

Tegen het einde van de 10e eeuw is de strijd tussen mos­lims en christenen geluwd en breekt een langdurige periode van vrede aan. De christenen voelen zich niet meer be­dreigd, nadat in 1008 onder de moslims een burger­oorlog is is uitgebroken om de troon van K_rtuba, dat in 1031 uiteen valt in kleine rivaliserende koninkrijken, taifas. In de eerste helft van de 11e eeuw nemen de culturele en econo­mische betrekkingen tussen de christe­lijke en de moslimsta­ten op het Schiereiland toe, terwijl de vrede ook een gunstige invloed heeft op de interne Europese handel en op de handel van Europa met Afrika en Azië. Zeer geleidelijk bereiken Europa verfijnde levensmid­delen, kleding, sieraden, opsmuk van woningen en huisraad. Deze goederen dienen zowel tot versiering van de landhui­zen van de adel, de paleizen van bisschoppen en van open­bare gebouwen, als tot verrijking van de persoonlijke verzor­ging en een groter verbruik van exotische kruiden, die de monotone smaak van de middel­eeuwse spijskaart door­bre­ken.

De periode van vrede tussen de Moorse en christelijke vorsten, die zelfs elkaars dochters huwen, wordt benut om de onderlinge staatkundige verhoudingen te wijzigen. Fernando de Grote van Castilië verwerft in 1037 de kroon van León en in 1054 die van Galicië, met inbegrip van het graafschap Portucale, dat hij kort daarna opheft. Ook de moslims voeren onderling strijd. In een periode van twintig jaar verovert al-Mu'tadid, de vorst van de taifa Ishbiliya (Sevilla) vele steden in de Algar­ve, dat toen­tertijd al het gebied ten zuiden van de Taag omvat­te, op het koninkrijk Bataly_ws (Badajoz). In 1063 Shilb (Silves) in zijn handen. Al-Mu'ta­did benoemt zijn zoon al-Mo'tamid tot gouver­neur van al-Gharb. Zijn hoofd­stad Shilb wordt beroemd om de pracht van zijn paleizen, de bescha­ving van zijn inwoners en de rijkdom van zijn boom­gaar­den. De langdurige strijd tussen de moslimstaten biedt de christenen gelegenheid terreinwinst te boeken. In 1064 geeft Coimbra zich, na een beleg van zes maanden, aan Fernando over en in 1085 trekt zijn zoon, Alfonso VI van León, de oude Visigotische hoofd­stad Toledo binnen. Voor het zover is, hebben de bedreigde moslim­vor­sten de hulp in van de Almoraviden, die in Noord-Afrika een imposant rijk hebben opge­bouwd. Hun aanvoer­der Y_suf dringt de­ christe­nen naar het noorden terug en verenigt de gehele zuidelijke helft van het Schierei­land. Al-Andalus gaat een nieuwe periode van grote bloei tegemoet.

De handel rond de Middellandse Zee krijgt in tweeërlei opzicht nieuwe impulsen. De Noor­mannen verove­ren het zuiden van Italië op Byzanti­um en Sicilië op de Arabieren, waarmee deze gebieden in hun handelsnetwerk worden opgenomen. Op Sicilië komt de zijde-industrie tot bloei, deze verspreidt zich over Italië en Frank­rijk. Tezelfdertijd onderne­men de Almoraviden een expeditie naar Ghana (1076) en dwingen dit koninkrijk de goudproductie te verhogen, (mede) om meer te kunnen importeren uit Europa. Deze importen bestaan uit: verschil­lende soorten eerste levensbe­hoef­ten en enige industriële produc­ten, vooral afkomstig van de metaal­industrie, weverij­en en glasfabrie­ken. Europa ontvangt meer goud, maar ook ivoor en geve­derte uit Afrika en zeldzame zaken, waaronder veel parfums, uit de Levant, Perzië, Indië en het Verre Oosten. Rijke consumenten, zowel geestelijken als leken, oefenen vraag uit naar zaken als suiker, specerij­en, parfums, edelstenen, tapijten en luxe stoffen.

Inmiddels is de periode van de Kruistochten aangebroken. Dit zal het karakter van de strijd op het Iberisch schierei­land doen veranderen. De Religieuze tegenstelling speelde daarbij geen grote rol; over en weer werd vaak grote tolerantie be­tracht tegenover overwonnen niet-geloofs­genoten. Zodra de geest van de Kruistochten een­maal vaardig is geworden over de Europese ridderschap, gaan buiten­land­se ridders ook in het Westen tegen de `ongelovi­gen' strijden. Een van hen is de Bourgon­dische graaf Henri. Hij verlooft zich met Teresa, de bastaard­dochter van Alfonso VI van León en ontvangt in 1095 van zijn schoonvader de titel `graaf van Portucale', welk graafschap al het gebied omvat tussen de Minho en de Taag. Ongeveer tien jaar later wordt uit het huwelijk van Henri en Teresa, in Guim­arães (de `bakermat van de Portu­gese natie') een zoon, Afonso Henriques, geboren. Vanaf het moment dat hij in 1128 zijn vader als graaf van Portuca­le opvolgt, tracht hij zich - niet zonder succes - los te maken van van zijn leen­heer, de koning van León. Als Afonso Henriques, bij een raid ver in vijandelijk gebied, op 25 juli 1139 bij Ourique een overwin­ning op de Moren heeft behaald, gaat hij zich koning noe­men en is daarmee de stichter van het Bourgondische Huis. Portugal zal echter eerst in 1179 door de paus als een onafhankelijke konink­rijk worden erkend. Afonso Henri­ques verovert in 1147, met behulp van Engelse, Franse, Duitse en Vlaamse kruisridders, al-Ushb_na (Lissabon). Afonso Henriques sterft in 1185 in zijn hoofdstad Coimbra. Zijn krijgsverrich­tingen hebben hun neerslag gekregen in het nationale Portugese wapen. De zeven vergulde kastelen herinneren aan de kastelen van Leiria, Lissa­bon, Sintra, San­tarém, Palmela, Montemor-o-Novo en Évora, die hij op de Moren veroverd heeft; de vijf wapenschilden staan voor de vijf Moorse prinsen die hij heeft verslagen; de vijf punten in ieder van deze schilden symboli­seren de vijf wonden van Christus (overwin­ning van het christendom op het heiden­dom).

Onder de opvolgers van Afonso Henriques/Afonso I: Sancho I (1185-1211), Afonso II (1211-1223), Sancho II (1223-1246) en Afonso III (1248-1279) wordt de Reconquista voortgezet en uiteindelijk voltooid. Naarmate de moslims meer in het nauw gedreven worden, wordt hun verzet heviger. Als Sancho I in 1189, met behulp van kruisridders, Shilb (Silves) verovert om de Moorse kaapvaart tegen te gaan, landt de Almohadische kalief al-Mans_r in de Algarve. Hij slaat het beleg voor Silves, dat twee jaar later zal vallen, verovert al het gebied ten zuiden van de Taag en valt zelfs Estramadura binnen. In 1195 behaalt al-Mans_r bij Alarcós een grote overwinning op Alfonso VIII van Castilië, de inmiddels machtigste staat op het Iberisch schiereiland en de naaste buur van Portugal. In 1212 neemt Alfonso VIII wraak voor zijn nederlaag bij Alarcós door, met hulp van Portuge­se ridders, een klinkende overwinning te behalen op kalief al-Nasir. Als de macht van de Almohaden, die de Almoravi­den in de 12e eeuw als heersers zijn opgevolgd, in Noord-Afrika taant, stort hun verzet op het Iberisch schiereiland ineen. Castilië verovert in 1236 de Almohadische hoofdstad K_rtuba, terwijl Sancho II al het gebied ten zuiden van de Taag, met uitzondering van Silves en Faro, verovert. Zijn opvolger, Afonso III, voltooit in 1250 de Reconquista.

Door de Reconquista en door de Kruistochten is de hegemo­nie van de Arabieren over de Middellandse verloren gegaan. Zij is vervangen door die van de Italiaanse staatstaten, vooral Genua en Venetië. Zij zijn door hun aan de kruisvaar­ders ver­leende transportdiensten schatrijk geworden. Hier­door en door hun gunstige geografische ligging ontwikke­len zij zich tot com­merciële tussenpersonen in de handel in het econo­misch zeer belangrijke gebied van de Middellandse Zee. Het gevolg is dat exotische handelsgoederen, vanuit Afrikaanse havens en vanuit aan Syrië schatplichtige havens aan de Zwarte Zee, naar Europa stromen, terwijl deze havens zich openstellen voor importen uit Europa. De aanvoerlijnen uit subtropisch Afrika eindigen aan de kusten van Noordwest-Afrika; Alexandrië is het tussenstation van handelsgoederen, die vanuit de landen van herkomst worden aangevoerd naar de Egyptische Rode Zeekust. Dit traject sluit aan op de zeeweg uit het Oosten, die via Aden naar Syrië loopt. De `Syrische' havens aan de Zwarte Zee zijn de eindpunten van verschillende karavaan­we­gen, die in het verlengde liggen van de zeeroutes uit het Oosten. Ook vanuit de Perzische Golf loopt een karavaanroute naar de Zwarte Zee. Daar eindigt eveneens een lange karavaanweg uit Centraal-Azië. Deze weg, die over Samarkand loopt, wordt echter weinig gebruikt. Overal waar handelswegen de kusten bereiken, verschijnen schepen uit Zuidwest-Europa, maar vooral uit Italië. Havens die zeer vaak worden aange­daan zijn Alexandrië en Byzantium, omdat dit stapelplaatsen zijn voor goederen aangevoerd uit de havens aan de Zwarte Zee. De meeste schepen die deze stapelhavens aandoen komen aanvankelijk uit Genua, meer nog dan uit Venetië.

Het door Afonso II veroverde laatste deel van de Algarve behoorde staatkundig bij het moslimrijkje L_bla (Niebla), waarvan het zwaartepunt ten oosten van de Guadiana ligt. Castilië betwist het Portugese bezit van geheel de Algarve, omdat het zich beschouwdt als rechtheb­ben­de op L_bla. Er ont­staan enige keren schermutselingen met Castilië, maar Afonso III weet deze zaak ten gunste van Portugal met Alfonso de Wijze van Castilië te regelen. Beide vorsten slechten ook de laatste banden van vazaliditeit waarmee Portugal nog met Castilië, als erfgenaam van León, verbon­den is. Daarmee is Portugal eerst echt een soeverein land.

Vanaf Sancho I zijn er vaak conflicten tussen de kroon en de kerk. Het gaat daarbij vooral om de vragen: wie benoemt bisschoppen en abten, de paus of de koning, en hoe kan voorkomen worden dat de kerk door schenkingen en legaten zeer veel onroerendgoed verwerft? Afonso II laat koninlijke onder­zoekscom­missies vaststellen of de eigen­domsti­tels van kerkelijk onroerendgoed deugen. Vaak zijn eigendommen aan de kerk nagelaten, terwijl de kroon daarop, na het overlijden van de leen­man, aanspraak kon maken. Sancho II verbiedt de kerk en zelfs individue­le geestelijken land uit donaties te aanvaarden en Afonso III ontneemt de kerk veel bezit, nadat is vastgesteld dat het onrechtmatig is verkre­gen. Hetzelfde pro­bleem doet zich overigens voor met de adel, waar lenen vaak ten onrech­te vererfd zijn. Vooral de resulta­ten van de regering van Afonso III zijn positief. Hij heeft de Recon­quista voltooid, de problemen met Castilië geregeld, de positie van de kroon tegenover de kerk en de adel ver­sterkt, verte­genwoordi­gers van de burgerij, naast die van de adel en geestelijkheid, in de cortes opgenomen en Lissa­bon, in plaats van Coimbra, tot hoofdstad gemaakt. Dit alles bete­kent belangrijke struc­turele vooruitgang.

Portugal is ten tijde van Afonso I en nog lang daarna een in hoofdzaak argrarisch land met veeteelt, landbouw, wijn­bouw en boomgaarden; de visvangst isd ook van belang. Het land is niet erg vruchtbaar; het noorden is overwe­gend bergachtig en het zuiden is zomers heet en droog. De verhoudingen op het platte­land zijn feo­daal; de horigen zijn aan de grond van hun heer gebon­den. Vrije boeren zijn er zeer weinig. In het Moorse zuiden zijn landbouw en veeteelt ook de basis van het bestaan, maar de grond is arm en het klimaat ongunstig. Rond de steden zijn zijn boom­gaarden aangelegd en wordt groente verbouwd, terwijl putten geslagen zijn om het land te bevloeien. De kuststrook is bekend als het centrum van de teelt van vijgen, amandelen en granaatappels. In de steden wonen, naast landbe­zitters en zij die op het land werkzaam zijn, handela­ren, ambachts­lieden, vissers en andere zeelieden. In Alentejo zijn koper- en zilvermijnen, in de Algarve wordt tin gewonnen en de Taag brengt enig goud op. Er is een papierindus­trie en enige scheeps­bouw. Nadat het zuiden veroverd is, verla­ten de moslims in groten getale het land. Vooral Sancho I geeft zich veel moeite veroverd gebied te bevolken. Zijn gezanten in het buitenland bewegen honderden buitenlan­ders, vooral Duitsers, zich in het zuiden van Portugal te vestigen. Men­sen uit het noorden van Portugal kunnen een hogere sociale status verwerven door naar het zuiden te migreren. Het gearabiseerde zuiden ziet de noorderlingen als barba­ren, die zich bovendien het air van overwinnaars aanmeten.

Ten tijde van Afonso Henriques, dus in de 11e eeuw, drijft Portugal handel met zijn christelijke en Arabische nabuursta­ten; van overzeese handel is dan nog geen sprake. Aan het einde van de 12e eeuw zal dit veranderen. In deze eeuw hebben zich aan de kusten van de Noordzee centra van economische activiteit ontwikkeld. De stad Brugge wordt het belang­rijkste handels­centrum voor Oost-, Noord- en West-Europa. Daar worden goederen aangevoerd van over de Alpen, maar vooral uit de Cham­pagne­streek. Dynastieke banden met Engeland, Bourgondië en Vlaanderen leiden tot commerciële betrekkingen. Portugese handela­ren krijgen privileges in Engeland en vestigen zich in Bor­deaux, waar zij de Engelse koning geld lenen voor hun strijd op Franse bodem. In de 13e eeuw en vooral onder koning Dinis (1279-1325), de oudste zoon van Afonso III, neemt de handel met het buiten­land toe en vestigen zich Portugese handelaren overal in West-Europa, maar vooral in Vlaanderen. Vanaf het einde van de eeuw begint in Brugge de aanvoer overzee, vanuit gebieden aan de Middellandse Zee en de Atlantische Oce­aan, de handel over land te domi­ne­ren. Portugese handela­ren, van wie de eersten zich in 1308, of mogelijk reeds in 1293, in Brugge vesti­gen, hebben hierin een groot aan­deel. Ondertussen taant de aanvoer over land, hetgeen te wijten is aan politieke onrust en zelfs oor­logs­handelin­gen in de Cham­pagne en delen van Vlaande­ren, als gevolg van de belang­stelling van de Franse koning voor deze stre­ken. Het aantal transacties en de omvang daarvan neemt voort­durend toe. Dit geldt zowel voor Euro­pese producten als voor uit Afrika en Azië aange­voerde koop­waar. De toename­ van de handel heeft invloed op de manier van handel­drijven. De handel van de individuele koopman, reizend over land met een kleine hoeveel­heid koopwaar, geraakt op het tweede plan, door de opkomst van transac­ties met groe­pen­ welgestelde kooplieden, die al dan niet in formeel verband samenwerken. Zij stellen hun kapiteins zoveel geld beschik­baar dat deze grote partijen goe­deren ver­werven, die zij naar de verkoopcentra vervoeren. De ontwik­keling van bepaalde industrieën, veelal weverijen, leidt ertoe dat de kapiteins achtereenvolgens de grondstof­fen kopen daar waar die worden voortgebracht, deze naar de weverijen brengen, de geproduceerde stoffen opkopen, deze distribue­ren voor de verkoop, om tenslotte de verkopen af te reke­nen. De grote rol die de kooplieden-afnemers in het proces gaan spelen, gaat gepaard met het geven van krediet en de introductie van geld. Het ­afnemerskrediet vergroot de economi­sche macht van de kopers, ten nadele van die van de producen­ten, hetgeen kenmerkend is voor de economi­sche verhoudin­gen in de Middeleeuwen. Dit geheel van verschijn­selen, dat in de 13e eeuw definitief doorzet: economi­sche groei in Europa in het algemeen, de introductie van geld en de aanwas van de geldcirculatie, de opkomst van het vroege kapitalisme en de eerste bankinstel­lingen, wordt aange­duid als de `commerciële revolutie'. Deze revolu­tie en het aandeel van Portugese kooplieden daarin, zal van grote betekenis zijn voor de Portuge­se maritie­me expansie in later tijd.

Koning Dinis bevordert de handel met het buiten­land, onder meer door een verzekeringssysteem op te zetten en een handelsverdrag met Engeland te sluiten (1308). Hij Heeft bijzondere aandacht voor de landbouw (droogleggen van moeras­sen) en stimu­leert even­zeer de eerste indu­strieën (stoffen en zeep), de scheeps­bouw, waartoe hij bij Leiria grote naald­bossen laat aanleg­gen en de handel (jaar­mark­ten). Hij bekostigt uit eigen middelen de bouw of het herstel van kaste­len, stadswallen en andere fortificaties. Door de stijgende geldcircu­latie wordt Portugal een markt­economie. In Dinis' tijd worden de belastin­gen niet verhoogd, en de munt wordt niet ver­zwakt, zoals onder zijn voorganger, het­geen tot grote niet te beteuge­len prijsstijgingen en maat­schappelijke onrust heeft ge­leid. Dinis is de eerste Portuge­se koning die heeft leren lezen en schrij­ven. Hij is, evenals zijn vader, een dichter en be­roemd als troubadour. Hij moderni­seert het bestuur, ver­sterkt de rechtsmacht van de kroon, tegenover de kerk en de adel, laat een kadaster aanleggen en wetten van zijn Castili­aanse grootvader, Alfonso de Wijze, in het Portugees vertalen, terwijl hij het Portugees tot officiële bestuurstaal verheft (in plaats van het latijn). De koning sluit in 1297, na een korte oorlog, met Castilië het Verdrag van Alcañces, waarbij Portugal enig gebied in Beira verkrijgt en de grenzen komen vast te liggen. Dinis sticht de eerste Portugese univer­siteit, eerst in Lissa­bon, maar later overgebracht naar Coimbra. Hij sticht in 1319 de militaire Orde van Christus, die het grote vermogen van de opgehe­ven Orde van de Tempeliers verkrijgt. Dinis belast in 1317 de Genuees Emmanuele Pessag­no met de opbouw van de Portugese oorlogsvloot, waarvan deze in 1322 admiraal wordt. Dinis is ge­huwd met Isabel van Ara­gón, bekend als de Rainha Santa. Zij is de beschermheili­ge van Coimbra. (Elizabeth van Portugal is niet de enige heilige die het Middeleeuwse Portugal heeft voort­gebracht. De in 1195 in Lissa­bon geboren Fernan­do Bulhõ­es, is als Sint Antonius van Padua de popu­lairste heilige van Zuid-Europa en de patroon van Lissa­bon. De voor­aanstaande scholasti­cus Pedro Hispa­no heeft als Johannes XXI in de jaren 1276/1277 acht maan­den de Stoel van Petrus bezet).

Vanaf onge­veer 1300 is in Europa sprake van eco­nomi­sche achter­uitgang. Afnemen­de meer­op­breng­sten in de land­bouw, door uitput­ting van de bo­dem, moge­lijk nog verergerd door ongun­stige klima­tologi­sche om­stan­digheden, zijn mogelijke oorzaken. De ver­minder­de pro­ducti­viteit leidt tot grote­re uitbui­ting van de boeren­be­vol­king, omdat de adel zijn beste­dingen niet wenst aan te passen bij de vermin­derde op­breng­sten van het land. Een sym­bool voor de extrava­gante con­sumptie van veel edelen is de verwer­king van kost­bare specerijen uit het Verre-Oosten tot afrodisica. `Alsof de aristo­cra­tie anders geen liefde kon bedrijven’, merkt Waller­stein op. De horigen komen in op­stand tegen de feodale landhe­ren, die elkaar ook vaak onder­ling bestrij­den. Aldus geraakt het feodalis­me in een crisis, die zich ten tijde van Afonso IV (1325-1357) ook in Portugal open­baart. De crisis wordt ver­sterkt doordat de economi­sche en sociale struc­tuur van het land verandert. Naast de adel ont­staat de in handel en nijverheid welvarend geworden bourgeoi­sie, die haar nieuw verworven rijkdom wil tonen en haar aandeel in de politiek opeist. De adel inves­teert niet in handel en nijverheid, omdat de edelen de tekenen des tijds niet ver­staan. De problemen worden vergroot doordat Afonso IV her­haalde malen in conflict raakt met Castilië, terwijl deze oorlogen het land grote verwoestingen brengen. Afonso IV strijdt overigens niet alleen tegen Castilië maar ook met Castilië tegen de Moren. In 1340 verslaat Alfonso XI, bijgestaan door Afonso IV, aan de oevers van de Rio Salado, een grote Moorse invasie­macht, de laatste die vanuit Noord-Afrika het Iberisch schiereiland is binnenge­vallen, al zal het nog tot 1492 duren voordat de rol van de moslims daar zal zijn uitgespeeld. De crises worden nog aanzien­lijk vergroot doordat ook Portugal in 1348 getroffen wordt door de pest, die niet alleen de steden treft, maar soms geen bewoner van een dorp of klooster in leven laat. Het bezit van de kerk stijgt, omdat edelen en boeren, in het zich van een naderen­de dood en in een poging hun ziel te redden, hun bezittingen aan de kerk schenken, ofschoon dit bij wet verboden is. De bevolkingdaling door de pest wordt in de steden meer dan tenietgedaan doordat tegen het midden van de eeuw een trek van ver­pauper­de boeren naar de steden op gang komt. Daar ontstaat een lom­pen­pro­letariaat. De ontvol­king van het platte­land leidt ertoe dat land­bouw­grond bestemd wordt voor veeteelt, die minder men­sen vraagt, of ongebruikt blijft, waardoor Portugal structu­reel graan moet importe­ren.

In een opzicht gaat het Portugal ten tijde van Afonso IV goed. De handel met het buiten­land neemt een grote vlu­cht. Er hebben zich rond het midden van de 14e eeuw al zoveel Portugese handelaren in Vlaanderen gevestigd en de handel met dat land is zozeer toegenomen, dat in Brugge een officiële Portugese handelspost (feitoria) gesticht wordt. De handel met en de vaart op Engeland wordt bevorderd door een verdrag met Edward III, dat de veiligheid van de kooplie­den in elkaars landen garandeerd. Portugal voert naar Noord­west-Europa uit: vijgen, rozijnen, zout, wijn, olijfolie, honing, talk, was, kurk, kermes, leder, huiden en Spaans gras voor de vervaardiging van bezems en voert uit deze landen in: textiel, kleding, hout, verfstoffen en paar­den. Naar de landen rond de Middellandse Zee worden geëxpor­teerd: gedroogde vis, honing, was, leder, huiden, wol en enig zout. Inruil hiervoor ontvangt Portugal: specerij­en, suiker, stoffen van zijde en wol, wapens, graan en allerlei huishoudelijke en luxe goederen. De tussenhandel wordt bevorderd door het in deze tijd voorhanden zijn van een over­vloed aan gouden en zilveren Moorse munten. Ook de kustvaart met Galicië en de noord­kust van het Schiereiland is van belang, evenals de handel met Castilië langs de lange gemeenschap­pelijke grens. In Portugal bevinden zich vele buitenlandse handela­ren, onder wie Catalanen, Aragonezen, Castilianen en Italianen, vooral Genuezen. De Portugese scheepvaart in de Middellandse Zee, maar ook die op Engeland en Vlaande­ren, verliest terrein aan Italiaanse kooplieden. Zij beschikken over een technische voor­sprong, grotere mogelijkheden tot het geven van afnemerskre­diet en betere handelscon­tacten. Aan de andere kant profi­teert de Portugese scheep­vaart van de geavan­ceerde sch­eep­pvaarttechnieken van de Italianen.

De crisis waarin het feodalisme in Portugal, maar ook elders in Europa is komen te verkeren, kan worden bestreden als door internati­onale ar­beidsverdeling efficiënter zou kunnen worden gepro­duceerd. Daartoe moet een wereld­wij­de markt ontstaan. Voor­waarden hiertoe zijn: een vergro­ting van de economi­sche ruimte van Europa en de vor­ming van betrek­ke­lijk sterke staatsappara­ten in wat de centrum­landen van deze kapitalistische we­reld­economie gaan worden. Gebieds­uitbreiding is de sleutel­voor­waarde voor de oplossing van de crisis van het feodalis­me. Aanvankelijk kan dit binnen Europa worden gerealiseerd. De economi­sche centra, vooral Noord-Italië, Vlaan­deren en Noord-Duitsland, hebben tussen 1000 en 1250 hun econo­mi­sche ruimte uitgebreid door binnen Europa wou­den te kappen, laagland in te polderen en moerassen droog te leggen, om meer land­bouwge­bied te verkrij­gen. Met het voortschrijden van de `commerciële revolutie' ontwikkelt zich langzamerhand het denkbeeld van verdergaande expansie. Aangenomen wordt dat de verrijking van de kooplieden, de groeiende omvang van enige indu­strieën en het daarmee verbonden belang van de publieke machtheb­bers, vanaf het begin van de 13e eeuw, aan dit denkbeeld voedsel geven. Eexpansie wordt meer en meer gezien als een economische noodzaak en bovendien als een religieus gebod. In West- en Oost-Europa wordt de expansie geëffec­tueerd doordat de Engel­sen Wales, Schot­land en Ierland binnen hun in­vloeds­sfeer brengen en de Duitsers en Scandi­na­viërs de landen van Balten en Slaven binnendrin­gen. In het zuiden worden de Moren in de 13e eeuw steeds verder op het Iberisch schier­ei­land terugge­dron­gen en gaan de Balea­ren, Sardinië en Corsi­ca voor hen verloren. Het denk­beeld van de expansie blijft hierdoor en door de Kruis­tochten bewaard en wordt versterkt doordat de Arabie­ren in het bezit zijn van goud, waarvan de Europese handel in zijn betrek­kingen met Afrika en Azië, tegen wil en dank, afhan­kelijk is gewor­den.

Naast de mogelijkheid van expansie met militaire middelen, zoeken kooplieden naar andere vormen. Zij wensen zich nieuwe afzetmarkten en willen uiteindelijk toegang verkrij­gen tot de Aziatische en Afri­kaanse produc­tiegebie­den. Met dit doel voor ogen verenigen zij zich, daarbij elkaar onder­steunend, in groepen voor het onderne­men van reizen om de commer­ciële mogelijkheden te onder­zoeken. Bekend zijn de reizen van Niccolo en Matteo Polo naar Centraal-Azië in 1260 en 1269, gevolgd door die van hun neef Marco Polo, die de uiterste grenzen van het Verre Oosten bereikt. In 1291 passeren de Genuese gebroeders Vivaldi de Straat van Gibraltar voor een tocht langs de kusten van Afrika, waar­van zij niet terugke­ren. Meer geluk heeft hun stadge­noot Lancellotto Malocelli die tussen 1310 en 1330 zijn eerste expeditie naar de Canarische eilanden onderneemt. Deze eilanden waren reeds in de Oudheid bekend, zijn vervolgens eeuwen lang `vergeten' en eerst aan het einde van de 12e eeuw herontdekt. Hij verblijft enige jaren op het naar hem genoemde eiland Lanzarote. In 1346 vertrekt de beroemde Majorcaanse cartograaf Jaime Ferrar voor een zoektocht naar `Rio del Oro' aan de kust van West-Afrika. Van hem wordt nimmer meer iets vernomen. In 1341 nemen de in Lissabon woonachtige Genue­se koopman Niccoloso de Recco en zijn Floren­tijn­se stadgenoot Angelino del Tegghia de Corbizzi het initiatief voor een tocht naar de Canari­sche eilanden. Zij vinden koning Afonso IV bereid de door hen te leiden expedi­tie, waaraan ook Castili­aanse, Arago­nese, Catal­aan­se en Portu­ge­se koop­lie­den deelnemen, te bekosti­gen en wellicht ook te organise­ren, waardoor zij onder aus­piciën van de Portugese kroon wordt onder­no­men­. Het bijzondere is dat de expedi­tie bijna drie­kwart eeuw eerder wordt onderno­men dan men de Portugese maritieme expan­sie gewoonlijk laat beginnen. Vanaf het midden van de 14e eeuw worden meer reizen naar de Canarische eilanden en Madeira ondernomen. Niet slechts door Portuge­zen, maar ook door Castilianen, Catalanen, Basken, Noor­deuropeanen en zelfs moslims, maar bovenal door Italianen. On­danks dat Afonso IV in 1343 de Heilige Stoel van de tocht op de hoogte brengt, wijst paus Clemen VI de Canari­sche eilanden toe aan een Castiliaans edelman, hetgeen tot ver in de volgende eeuw tot alsmaar oplaaiende twisten met Castilië zal leiden.

Onder Afonso's zoon Pedro I (1357-1367) beleeft Portugal tien rustige jaren, waarin de welvaart stijgt, maar zijn zoon Fernando I (1367-1383) mengt zich van meet af aan in de Honderjarige Oorlog door, met Engelse steun, de strijd aan te binden met Frankrijks bondgenoot Castilië. De verschillen­de veldtochten, die ten dele op Portugees gebied worden uitgevochten, leiden tot grote verwoestingen, een galoppe­rende inflatie en grote sociale ontreddering. Er ontstaat onrust in het land, doordat de lagere klassen in verzet komen tegen de voortdurende prijsverhogingen door de middenklasse van handelaren. De koning probeert de crisis­verschijnselen te bestrijden. Hij verschaft het stadspro­letariaat werk door de aanleg of restauratie van verdedi­gingswerken; hij tracht de ontvolking van het platte­land tegen te gaan door de landarbeiders aan de grond te binden, om hun een (karig) bestaan te garanderen, terwijl hij landei­genaren verplicht het land in cultuur te brengen. Deze maatregelen heffen het tekort aan landarbei­ders niet op; de graanproductie neemt af, terwijl de veeteelt (vooral scha­pen), wijnbouw en de produc­tie van olijfolie toenemen. Fernando bevordert de internationale handel door een sys­teem van zeeassurantie op te zetten en door de bouw van koopvaardijschepen aanzien­lijk te subsidiëren, onder meer door gratis hout uit de ko­ninklijke bossen beschikbaar te stellen. De vooruitgang in de Portugese scheepsbouw die hiervan het gevolg is, geraakt diep verweven met de ontwik­keling van de nationale com­merciële activiteiten. De klasse van gefortu­neerde kooplie­den neemt toe, terwijl door de groei van de handelsvloot meer en meer zeelieden nodig zijn, die derhalve ervaring opdoen, zodat het aantal zeelieden stijgt.

De galopperende inflatie is het gevolg van de verzwak­king van de Portuge­se munt. Het proces van geldontwaarding is al vanaf 1360 waarneembaar en zal aanhouden tot 1409, tien jaar nadat de vrede is weerge­keerd. De oorzaak van de voortdurende muntver­zwakkingen is het tekort aan edele meta­len dat, ondanks de ont­wikkeling van zilvermij­nen in Servië en Bosnië vanaf 1350, zich algemeen in Europa voor­doet. De op te grote voet levende adel en de opkomende bour­geoisie oefenen zoveel vraag uit naar luxe goederen uit de Levant, Perzië, Indië en het Verre Oosten, zoals specerij­en, parfums, edelstenen en ivoor, dat er via vooral Venetië en de Arabieren een netto stroom van gouden en zilveren munten naar het Oosten stroomt, om tempels, paleizen en kleding van de Aziati­sche aristocra­tische klasse te sieren. Terwijl in Europa in de 14e eeuw de circulatie van gouden en zilveren munten onvol­doen­de is voor de zich uitbreidende economie, is men ervan op de hoogte dat Afrika, een toen nog vrijwel onbekend wereld­deel, grote hoeveelheden goud voortbrengt. De bron hier­van is een exotische verhaal van de pel­grims­reis, die Mansa Musa, de zwarte heerser over het konink­rijk Mali, in 1324 naar Mekka onder­no­men heeft. Het voortdurend aan­gedikte verhaal, vertelt tenslotte dat vijfhon­derd slaven voor het paard van de ko­ning uit hebben gelo­pen; ieder van hen met een baar goud. In Cairo heeft Mansa Musa honderd kameel­ladin­gen goud, van driehonderd pound ieder, uitge­deeld. Zijn giften zijn zo omvang­rijk geweest, dat de goud­prijs op de markten in de Levant daar­door aanzienlijk is gedaald. Men heeft er overigens geen voorstelling waar Mali ligt en hoe groot het is. In werke­lijkheid beslaat het koninkrijk Mali een groot gebied. Het reikt van de kust van de Atlan­tische Oceaan, daar waar de Senegal en de Gambia uitstromen, naar het oosten tot het middelste deel van de Niger. Van­daar reikt het land naar het zuiden tot voorbij de stad Goa en naar het noor­den tot voorbij Tim­boek­toe. In 1339, zeven jaar na de dood van Mansa Musa, ver­schijnt Mali, aangeduid als `Rex Melly' op de Majorcaan­se kaart van Angelino Dul­cert. Deze beroemde kaart toont tevens een karavaan­route door het Atlas­geberg­te naar het `Land van de Negers'. De kaart uit 1375 van Abraham Cresques, een andere Major­caanse cartograaf, geeft de ligging van de steden Niani, Timboektoe en Gao vrij nauw­keurig aan. Hij toont de koning, gezeten op zijn troon, met een kroon op het hoofd. In de ene hand houdt hij zijn scepter vast en in de andere heeft hij een staaf goud. De cartograaf verklaart dit beeld met de volgen­de woor­den: `Deze negerkoning heet Musa Mali en hij is de heerser over de negers van Guinée. Door de overvloed aan goud dat in zijn rijk gevonden w­ordt, is hij de rijkste en nobel­ste koning van de wereld.’ De twee­de kaart toont ook de kara­vaanweg door het Atlasge­bergte naar het zui­den, met de vermelding dat de route gebruikt wordt door `koop­lieden die reizen naar het land van de negers van Guinea.’ Het ligt voor de hand dat het hof in Lissabon be­schikt over copieën van de kaar­ten van Angelino Dulcert en Abraham Cresques.

De economische en politieke relaties die Portugal met andere Europese landen onderhoudt, brengen het land in nauw contact met de Europese expansionistische aspiraties. Het land kan zich daaraan niet onttrekken. Dat uitgerekend Portugal de leiding zal nemen in de maritieme expansie kan worden verklaard uit een aantal speci­fie­ke om­standig­he­den. Portugal ligt dicht bij Afrika aan de Atlanti­sche Oce­aan, terwijl het verloop van de golf­stro­men Lissabon tot een ideaal vertrekpunt maakt. Omdat Portugal een onge­mak­ke­lijke en vaak vijandi­ge relatie met zijn na­buur­staat Castili­ë heeft, was het al heel vroeg ge­nood­zaakt zijn blik te richten naar de zee, waarvan het afhan­kelijk is voor zijn verbin­din­gen met de rest van de wereld. De zee is ook van groot belang voor de voedselvoorziening, omdat vis rijk is aan proteïne en daarom een welkome aanvulling vormt op het veelal plant­aardige menu in de Middeleeuwen. Portugal heeft zich tot een echte han­delsna­tie ont­wik­keld; het land beschikt tegen het einde van de 14e eeuw over schepen voor de handelsvaart, maar ook over oorlogs­sche­pen, een vissers­vloot en de bijbehorende ervaren bemanningen. Een ander belang­rijk punt is, dat zich vanaf de 13e eeuw in Lissabon, in navol­ging van Spanje, veel Genue­se kooplieden hebben geves­tigd. Reeds in 1317 is Lissabon een groot cen­trum voor de Genue­se handel. Genua streeft ernaar de Iberische volken in de internationale handel op te nemen, in een poging met hun hulp door het Venetiaanse monopolie en de moslim-blokkade heen te breken. Hulp van Genu­ezen is voor Portugal van groot belang. Zoals reeds vermeld, be­schikken zij over: een groot handels­net­werk; superieu­re kennis van scheepsbouw, navigatie en andere tech­nieken en aan­zienlij­ke handelskapi­talen. Boven­dien nemen zij vaak het initia­tief en lopen het financiële risico. Zij hebben al snel de sleutel­posities op het Iberisch schierei­land in handen, zoals bleek uit het voorbeeld van de Emma­nuele Pessag­no, die reeds in 1317 door koning Dinis belast werd met de bouw­ en de leiding van de Portugese oorlogsvloot en Portugal­ een geduch­te zee­macht werd. De naijver op de positie van de Genuezen verdwijnt doordat deze met Portu­gese vrou­wen trouwen en gaan beho­ren tot de Portugese aristo­cra­tie. Individuele Genuezen, maar ook andere Italia­nen, zullen een grote rol spelen in de maritieme en commer­ciële expan­sie van Portu­gal, terwijl de Italiaanse staatsstaten uitdrukkelijk afzien van verdere Atlantische ondernemingen en zeer beslist ervoor kiezen zich te wijden aan de traditio­nele handel in de Middellandse Zee. Ook de Catalaanse belang­stelling voor de Atlantische eilanden is van korte duur. De Catalaanse expansie richt zich al gauw uitslui­tend op gebie­den in en rond de Middellandse Zee. Naast de genoem­de gunsti­ge omstandigheden heeft Portugal nog in andere opzichten een voor­sprong op de rest van Europa. De econo­mie van Portu­gal is sterker gemoneta­ri­seerd en zijn bevol­king is meer geürba­ni­seerd dan in bijvoor­beeld Enge­land en Frankrijk. Daarnaast zal het land in de 15e gaan beschikken over een krach­tig staatsappa­raat, waarmee het afwijkt van de andere West­europe­se staten. Het is vanaf 1385 een stabiel koninkrijk dat de gehele eeuw praktisch vrij is van burger­strijd. Daarmee ligt Portu­gal een eeuw voor op landen als Frank­rijk, Engeland en Spanje. De stabiliteit van de staat is ook van veel belang omdat de koning in veel opzich­ten de grootste ondernemer is. Portu­gal is ook een echte natie; het nationale be­wustzijn van zijn bevolking is ontwik­keld in de eeuwenlange strijd tegen de Moren. De vele oorlo­gen met Castilië hebben het saam­horigheidsge­voel verder ver­sterkt.

Ten tijde van Fernando I ontbreekt nog de voorwaarde van stabiliteit. Als Fernando I in 1383 sterft, heeft hij geen manne­lijke nakome­ling. Zijn dochter Beatriz, die gehuwd is met Juan I van Castilië, heeft nog geen kind gebaard. Tot die tijd zal de koningin-weduwe, Leonor Teles, als regentes optre­den. Er breken direct rellen uit tegen Leonor Teles en haar Galici­sche minnaar João Fernándes Andeiro, graaf van Ourém. De oppositie wordt aangevoerd door João, de meester van de militair-religieuze Orde van Avis en een bastaardzoon van Pedro I. João van Avis vermoort eigen­handig Andeiro, terwijl Leonor Teles naar Castilië vlucht. Juan I eist de Portugese troon op voor zichzelf en Beatriz. Om zijn eisen kracht bij te zetten, valt hij Portugal binnen. João van Avis roept zich tot koning João I uit, waarmee de cortes op 6 april 1385 instemt. Met behulp van een legertje Engel­se boogschutters weet zijn bevelheb­ber Nuno Álvares Pereira op 14 augustus 1385 de Castili­aanse invasietroepen in de grote Slag van Aljubarrota een nederlaag toe te bren­gen. João I sluit in 1386 met Engeland het Verdrag van Westminster, welk verdrag de Anglo-Portugese relatie tot een stevig bondgenootschap maakt. John of Gaunt, hertog van Lancas­ter, die zichzelf beschouwt als rechtheb­bende op de troon van Castilië, komt met een leger naar Portugal om samen met de Portu­gezen een veldtocht tegen Castilië te onderne­men. Dit loopt op een fiasco uit en in 1387 wordt een voorlopig bestand getekend. De overwin­ning van João van Avis is te beschouwen als de overwin­ning van de nationale geeest op de aanhangers van de gevestigde feodale orde. Degenen die Leonor Teles of Beatriz gesteund hebben wordt veel bezit ontnomen en zij verliezen aan prestige. Zij die van meet af aan João van Avis gesteund hebben, worden rijkelijk beloond. Er ontstaat een nieuwe, veelal uit de bourgeoisie afkomstige adel. Onder aanvoering van Afonso, de graaf van Barcelos, een onwetti­ge zoon van de koning zelf, gedraagt zij zich niet alleen even feodaal als de oude aristo­cratie, maar is daarnaast ook zeer arro­gant.

Onder de regering van João I (1385-1433) vinden in de jaren 1396/­1397 nog enige onbeduidende schermutselingen met Castilië plaats. Deze worden gevolgd door een wapen­stil­stand in 1411 en een vre­desver­drag in 1432. Het land bloeit op, maar de economische vooruitgang wordt getem­perd door een gebrek aan arbeidskrachten. Dit laatste wordt veroorzaakt doordat Portugal, evenals andere landen, na de eerste pestepidemie in 1348, herhaaldelijk getroffen wordt door de `Zwarte Dood' (1356, 1384, 1415, 1423 en 1432), waardoor de omvang van de bevolking per saldo daalt. In 1387 is João I in het huwelijk getreden met Filipa van Lancas­ter, de dochter van John of Gaunt. Zij schenkt hem vijf zonen, achter­eenvolgens: Duarte, Pedro, Henrique, João en Fernan­do, alsmede een dochter, Isabel, die met Philips de Goede van Bourgondië in het huwelijk zal treden.

Het einde van de 14e eeuw is voor Italiaanse, Spaan­se en Franse edelen een periode van militaire avontu­ren in het buiten­land. Zij strijden vaak zonder duidelijk doel voor ogen om, naast roem, krijgsbuit te verwerven, om aldus de dalende opbrengsten van de landgoederen te com­penseren, om hun vaak buitensporige consump­tie op peil te kunnen houden. Over­be­vol­king speelt waar­schijnlijk geen rol, omdat de herhaalde pestepidemieën tot daling van de bevolkingen leidt. De Portu­gese adel heeft, nadat in 1411 een einde is gekomen aan de oorlog met Casti­lië, geen mogelijk­heid op Europese bodem krijgsbuit te verwerven. Dit treft­ vooral de `jonge­re zonen' van de adel, voor wie geen land beschik­baar is. Ook drie zonen van koning João, Duarte, Pedro en Henrique, van wie de jongste, Henrique, in 1411 zeventien jaar is, snakken naar roem en buit op het slagveld.

De idee wordt geboren de strijd aan te binden met de Moren in Noord-Afrika. João I laat de paus Gregorius XII reeds in 1410 weten van plan te zijn een strategisch gelegen haven­stad in Marok­ko te veroveren. Deze mededeling kan zijn ingegeven door de mislukte poging van Enrique IV van Castilië zich in 1406 van de Marokkaanse stad Tetouan meester te maken. De keuze valt tenslot­te op Ceuta, een rijke haven­stad, aan het eindpunt van kara­vaanrou­tes door de Sahara, waarlangs goud, ivoor, malagu­e­ta-peper en neger­slaven worden aange­voerd. Bovendien kan vanuit Ceuta de Straat van Gibraltar beheerst worden, waardoor het mogelijk is de piraterij van mos­lims, die het op de chris­telijke scheep­vaart door de zeestraat hebben ge­munt, effec­tief te bestrij­den. Het plan Ceuta te ver­overen, wordt wel toegeschreven aan João Afonso de Alenquer, 's konings schatkistbewaar­der. Hij verwacht hiervan niet alleen een grote oor­logs­buit, maar het bezit van de stad verschaft de Portuge­zen de controle op de goudhan­del en maakt voortdu­rende aan­vallen op de scheep­vaart van de mos­lims mogelijk. Alenquer heeft al in 1409, toen er nog geen sprake was van een expedi­tie, al eens iemand, onder het mom slaven te willen kopen, naar Ceuta gezon­den om aan de weet te komen in welke omvang daar goud wordt aangevoerd. Bij terugkomst roemt de spion de sch­oon­heid en rijkdom van Ceuta. De stad is omgeven door muren voorzien van kante­len, bezit sterke vestingwer­ken, indruk­wekkende gebouwen, bon­gerds en verrukkelijke tuinen. Landinwaarts strekken zich korenvel­den uit; iets wat ook tot de verbeelding spreekt, wegens de wisselende oogsten en soms grote tekorten aan graan in Portu­gal. Voor Alenquer zijn deze inlichtingen aanlei­ding bij koning João aan te dringen een poging te onderne­men de stad te verove­ren. De koning, het falen van Castilië voor Tetouan indachtig, aarzelt. De prinsen Duarte, Pedro en Henrique, hierin bijgevallen door João Afonso da Azambu­ja, de aarts­bis­schop van Lissabon, weten de koning tenslotte voor het plan te win­nen, waarbij de wens Castilië een slag voor te zijn een belangrijke overweging kan zijn geweest. Het plan vindt veel weerklank in de Portuge­se samen­le­ving, omdat vele groepen belang hebben bij een overzeese expan­sie. Het hof (de staat) en de adel, die zijn `jongere zonen' aanbiedt om de expedi­ties te leiden; de handels­bourgeoi­sie en zelfs het semi-prole­ta­riaat. Hieruit worden soldaten en zeelieden gerecruteerd, die hun ellendi­ge bestaan in de stad of op het platte­land graag verrui­len voor een avontuur­lijk leven. In juli 1415 zijn de voor­bereidin­gen van de expedi­tie voltooid en zeilt een armada, bestaan­de uit wellicht twee­hon­derd schepen, uit. De vloot heeft minstens 19.000 zeelieden en soldaten, alsmede de koning en de drie prinsen aan boord. Op 15 augustus wordt Ceuta vrijwel zonder slag of stoot ingeno­men. Haar verdedi­gers hebben Ceuta, om nimmer opgehelderde redenen, verla­ten.

De verovering van Ceuta, die een zeer rijke buit oplevert en weinig verlie­zen heeft gekost, wakkert de lust voor verdere maritieme avonturen aan. Het voortouw wordt genomen door prins Henrique, die een belangrijke rol ge­speeld heeft bij de ver­overing van Ceuta. Hij vergroot zijn geografische kennis van West-Afrika - vooral tijdens een verblijf van drie maan­den in Ceuta in de jaren 1418/1419 - door het lezen van buitge­maakte docu­menten, het ondervragen van gevan­ge­nen en het inwinnen van inlichtingen bij burgers en kooplie­den. Volgens zijn biograaf, Gomes Eanes de Azurara, beter bekend als Zurara, krijgt Henrique hierdoor grote belang­stelling voor ontdekkingsrei­zen. Hij gaat zich wijden aan de zaak van de maritieme exploratie van Afrika's west­kust, waardoor hij de geschiede­nis is ingegaan als Dom Henrique o Navegador (Prins Hen­drik de Zeevaarder). Volgens Zurara zou hij de volgen­de bedoelin­gen met de ont­dekkings­reizen hebben gehad: hij wil het land kennen voorbij de Canari­sche eilan­den en Kaap Bojador; hij wil weten: of ergens christenen wonen, wier havens zonder gevaar kunnen worden aange­daan en waar met handel grote winsten kunnen worden be­haald; hij wil vaststellen hoever de in­vloed van de mos­lims zich naar het zuiden uitstrekt en of er ergens een christelijke koning woont, die kan helpen de `ongelo­vigen' te bestrijden. Ten­slotte wil hij het katholieke geloof doen verbreiden. Henrique heeft de opgesomde motieven vermoe­de­lijk kort voor zijn overlijden in 1460 zelf aan Zurara gedic­teerd. Al deze motieven hebben Henrique waarschijnlijk niet van meet af aan voor ogen gestaan; aan te nemen is dat hij in de loop der jaren een helder zicht gekre­gen heeft op de doelein­den van ontdek­kingsrei­zen.

In deel I van dit boek is uitvoerig aandacht geschonken aan de persoon van D. Henrique o Navegador en aan diens rol bij en bete­kenis voor de ontdekkingsreizen. Daarbij is vermeld dat de hedendaagse Portugese historici Oliveira Marques en Ma­galhães-Godinho erop hebben gewezen dat niet meer dan eenderde van de ontdekkingsreizen aan zijn initiatief zijn te danken. Damião Peres merkt hierover op dat deze bewering slechts berust op de aanname dat de vele reizen die ten tijde van regent Pedro (1433-1448) gemaakt zijn en die vanzelf­sprekend diens goedkeuring hebben moeten verkrij­gen, ook aan diens initiatief ontspro­ten zijn, maar dat Pedro's tegen­standers de bewijzen daar­van hebben vernie­tigd. Peres wijst beide hypothesen af en stelt dat `Henrique de eerste halve eeuw inderdaad de drijvende kracht achter de Portugese ontdekkingsreizen is geweest; de onbaatzuchtige stimulator, die nooit voor financiële moeilijkheden van de onderneming terugdeinsde...’. Peres merkt verder op: `Zijn opmerkelijke betekenis blijkt daaruit, dat wat hij nastreefde oversloeg op anderen en uitgroeide tot de essentie van het Portugese levensgevoel van die tijd. Als geen ander voelde hij de materiële en geestelijke problemen van de woeli­ge tijd waarin hij leefde aan. Hij doorzag de mogelijkheden en maakte daarvan in de eerste decennia van de Portugese expansie gebruik’.

In deel 2 leest u de gevolgen van Henrique's aanpak.

Verantwoording


 

 

Colonialvoyage.com. All rights reserved. Copyright © Marco Ramerini

eXTReMe Tracker