Geschiedenis van Portugal en de Portugezen overzee Deel 3
Arnold van Wickeren
Inleiding
Portugal is als afzonderlijk land ontstaan: door zich in een eeuwenlange strijd te ontdoen van de Moorse overheersing, door zijn feodale banden met het koninkrijk León te slechten en door zijn verkregen onafhankelijkheid met succes te verdedigen tegenover zijn machtige nabuurstaat Castilië. Het begin van de Moorse overheersing ligt in het jaar 711. In dat jaar landt een invasiemacht van Berbers uit Noord-Afrika op het Iberisch schiereiland. De Moren (de gangbare verzamelnaam voor Berbers en Arabieren) maken een einde aan de Visigotische koninkrijk, dat sedert 439 op het Iberisch schiereiland bestaat en dat eerst in 475, een jaar voor de ineenstorting van het Westromeinse rijk, door Rome is erkend. De Moren veroveren in enkele jaren bijna het gehele Schiereiland. Slechts in het bergachtige noordwesten daarvan weten de christenen zich te handhaven. Er ontstaan in het noorden enige kleine rivaliserende christelijke koninkrijkjes, van waaruit de Moren geleidelijk aan worden teruggedrongen. Aanvankelijk gaat dat langzaam, maar in de 11e eeuw komt er enig schot in de Reconquista (herovering). Fernando de Grote, koning van Castilië, León en Galicië, dringt de Moren naar het zuiden. Als zijn zoon, Alfonso VI van León, in 1064 de latere Portugese hoofdstad Coimbra, na een beleg van zes maanden, inneemt, is een groot deel van het grondgebied van het toekomstige Portugal in christelijke handen. De heroveringen in het westen van het Schiereiland worden geconsolideerd, doordat Alfonso VI in 1085 de oude Visigotische hoofdstad Toledo binnentrekt. Daarmee is de noordelijke helft van het Iberisch schiereiland vast in handen van de christenen.
In 1095 verleent koning Alfonso VI de Bourgondische graaf Henri, die gehuwd is met Alfonso's dochter Teresa, de titel `graaf van Portucale'. Het graafschap omvat het gehele gebied tussen de Rio Minho (de noordelijke grensrivier van het huidige Portugal) en de Taag. Uit het huwelijk van Henri en Teresa wordt een zoon geboren, Afonso Henriques. Deze volgt in 1128 zijn vader op als graaf van Portucale. Nadat Afonso Henriques op 25 juli 1139 bij Ourique een overwinning op de Moren heeft behaald, noemt hij zich `koning' van Portugal. In 1147 wordt Lissabon ingenomen, naar verluidt met behulp van passerende kruisridders. Na vele andere veroveringen erkent tenslotte ook de Heilige Stoel in 1179 Portugal als een onafhankelijk koninkrijk. Onder de opvolgers van Afonso Henriques/Afonso I, de koningen Sancho I, Afonso II, Sancho II en Afonso III, wordt de Reconquista voortgezet en uiteindelijk in 1250 voltooid. Daarmee bereikt Portugal ongeveer de grenzen die het thans nog bezit. Ook in Spanje verliezen de Moren steeds meer terrein; Castilië, inmiddels de machtigste staat op het Iberisch schiereiland, verovert in 1236 de Moorse hoofdstad Córdoba. Dit gevoelige verlies luidt overigens niet het einde van de Moorse aanwezigheid op het Schiereiland in. Nog in 1340 ontvangen de moslims daar steun van hun geloofsgenoten uit Noord-Afrika. Het is de laatste maal dat er een Moorse invasiemacht het Schiereiland binnenvalt. Alfonso XI van Castilië, bijgestaan door Afonso IV van Portugal, verslaat de Moren in de Slag aan de Rio Salado. Het zal echter nog tot 1492 duren voor hun rol op het Iberisch schiereiland geheel zal zijn uitgespeeld. In dat jaar veroveren de Reis Católicos (het Katholieke Koningspaar), Ferdinand van Aragón en Isabella van Castilië, het islamitische koninkrijk Granada.
Onder koning Dinis (1279-1325), de opvolger van koning Afonso III, ontwikkelt Portugal zich tot een handelsnatie. Portugese kooplieden vestigen zich overal in Europa, onder andere in Brugge (1308), het grote handelscentrum in het noordwesten van Europa. Het aandeel van Portugese kooplieden in de zogenoemde `commerciële revolutie' zal van grote betekenis blijken te zijn voor de latere maritieme expansie van Portugal. Onder de opvolgers van Dinis, de koningen: Afonso IV, Pedro I en Fernando I, ontwikkelt Portugal zich tot een belangrijke handelsnatie. Tegen het einde van de 14e eeuw beschikt het land over een grote handels-, vissers- en oorlogsvloot, alsmede over voldoende ervaren zeelieden. Evenals in andere Westeuropese landen openbaart zich in Portugal in het tweede kwart van de 14e eeuw de crisis van het feodalisme. Er ontstaat een door handel en nijverheid welvarend geworden bourgeoisie, die haar aandeel opeist in de politiek. Een groot deel van de 14e eeuw wordt gekenmerkt door economische en sociale onrust. Veel door feodale landheren uitgebuite boerengezinnen trekken naar de steden; zij vormen het stadsproletariaat, waaruit soldaten en zeelieden gerekruteerd kunnen worden.
Koning Afonso IV (1325-1357) geraakt herhaaldelijk in conflict met Castilië, terwijl Fernando I (1367-1383) zich in de Honderdjarige Oorlog mengt, door met Engelse steun, de strijd aan te binden met Frankrijks bondgenoot Castilië. De oorlogen brengen grote verwoestingen met zich mee en verergeren de sociale misère. Een punt van voortdurende wrijving tussen Portugal en Castilië vormt beider aanspraken op het bezit van de Canarische eilanden. Het conflict ontstaat als de paus deze archipel in 1343 toewijst aan een Castiliaans edelman, terwijl Portugal zijn aanspraken op deze eilanden baseert op een twee jaar daarvoor door twee in Lissabon gevestigde Italiaanse kooplieden, met steun van koning Afonso IV, ondernomen expeditie naar deze archipel.
Na het overlijden in 1383 van Fernando I, die geen mannelijke nakomelingen heeft, roept João, Meester van de militair-religieuze Orde van Avis, zich uit tot koning van Portugal. De cortes stemt hiermee op 6 april 1385 in. Juan I van Castilië eist echter de Portugese troon voor zich op. Om zijn eisen kracht bij te zetten valt hij Portugal binnen. Nuno Álvares Pereira verslaat de Castiliaanse invasiemacht in de Slag van Aljubarrota (14 augustus 1385), mede dank zij de hulp van een legertje Engelse boogschutters. De overwinning bij Aljubarrota, het bondgenootschap met Engeland en de krachtige persoon van koning João I maken Portugal tot een stabiel koninkrijk, zeker nadat in 1411 een wapenstilstandsverdrag met Castilië is gesloten.
Ondanks de expedities naar de Canarische eilanden in de 14e eeuw, wordt de verovering van de Marokkaanse havenstad Ceuta in 1415 door veel historici beschouwd als het begin van de Portugese maritieme expansie. Dom Henrique o Navegador (Prins Hendrik de Zeevaarder), de derde zoon van koning João I en zijn Engelse gade Filipa van Lancaster, heeft een belangrijke rol heeft gespeeld bij de inname van Ceuta. Onder zijn bezielende leiding wordt de maritieme expansie voortgezet. In 1419 en 1420 worden de eilanden Porto Santo en Madeira gekoloniseerd; in 1427 volgt de ontdekking van de oostelijke Azoren-eilanden, waarvan de kolonisatie in 1439 begint en in de jaren 1434-1436 wordt vijfhonderd kilometer onbekende Afrikaanse woestijnkust verkend. De ontdekkingsreizen worden onderbroken voor een veldtocht in Marokko, die in 1437 strandt voor de poorten van Tanger. In de jaren 1441-1446 reiken de ontdekkingsreizen tot de monding van de Saloum of misschien zelfs tot die van de Gambia en wordt een handelspost gesticht op het eiland Arguim, voor de kust van Mauretanië (1445). Het volgende decennium zendt Henrique herhaalde malen oorlogsvloten naar de Canarische eilanden, zonder dat de Castilianen uit de archipel verdreven worden. In de jaren 1455-1456 bereiken Henriques karvelen de kusten van Guinée en de daarvoor liggende Bissagos eilanden. De ontdekkingsreizen worden daarna opgeschort voor een nieuwe aanval in Marokko. Hierbij wordt in 1458 de kleine havenstad Al-Ksar es Seghir (Alcácer Ceguer) veroverd. De laatste door Henrique voor zijn overlijden in 1460 uitgezonden ontdekkingsreizen zijn zeer succesrijk. Zij leiden tot de ontdekking van Sierra Leone, de Peperkust (Liberia) en de Kaapverdische eilanden. Het overlijden van de grote inspirator van de maritieme expansie doet de ontdekkings- en han- delsreizen naar West-Afrika tijdelijk stokken, temeer daar koning Afonso V (1438-1481) zelf weinig belangstelling voor deze reizen heeft. Hij verpacht in 1470 de handel op grote delen van de kust van Afrika aan de koopman Fernão Gomes, wiens kapiteins in zes jaar de gehele kust van de Golf van Guinée, met inbegrip van de Goudkust, alsmede de eilanden Fernando Po, São Tomé en Principe ontdekken en zelfs doordringen op het zuidelijk halfrond. Afonso V concentreert zich op Marokko. In 1471 boekt hij daar een militair succes met de verovering van de Atlantische havenstad Arzila, waarna de moslims het nabije Tanger opgeven. De ontdekking van de Goudkust, door de Portugezen Costa da Mina genoemd, omdat zij - overigens ten onrechte - denken dat zich daar een goudmijn bevindt, leidt ertoe, dat zij zich in korte tijd meester maken van het overgrote deel van het gewonnen goud. Zij verkrijgen dat door zeer voordelige ruilhandel. Het `Soedanese' goud, dat eeuwenlang door Berbers met karavanen naar de kusten van Noord-Afrika is vervoerd en daar verhandeld werd met veelal Italiaanse kooplieden, komt thans in Lissabon terecht. Dit wekt de afgunst van onder meer Castilië. Als koning Afonso V in 1475 Castilië binnenvalt, om de vermeende rechten van zijn vrouw op de troon van dat land te onderstrepen, is dat voor koningin Isabella aanleiding haar onderdanen aan te moedigen een aandeel in de goudhandel aan de Mina-kust te verwerven. Dit lukt niet, omdat de Portugezen zeer fortuinlijk zijn bij het verhinderen van de Castiliaanse penetratie- pogingen. Na het beëindigen van de oorlog tussen Portugal en Castilië sluiten beide landen in 1479 het Verdrag van Alcáçovas, dat in het voorjaar van 1480 in Toledo wordt geratificeerd. Portugal ziet af van de aanspraak van koning Afonso's vrouw op de troon van Castilië en laat ook zijn claim op de Canarische eilanden vallen. Castilië erkent het Portugese handelsmonopolie ten zuiden van deze archipel, alsmede de soevereiniteit van Portugal over Madeira, de Azoren en de Kaapverdische eilanden. Castilië verleent Portugal tenslotte de vrije hand in het Marokkaanse koninkrijk Fez.
Anders dan zijn vader Afonso V, heeft koning João II (1481-1495) grote belangstelling voor de maritieme expansie. Zijn uiteindelijke doel is het doen ontdekken van de zeeweg naar Indië, waar de specerijen en edelstenen vandaan komen die de Venetianen uit het Midden-Oosten van de Arabieren betrekken. De koning wil rechtstreeks toegang krijgen tot de rijkdommen van het Oosten, om de lucratieve handel in oosterse producten van Venetië over te nemen. Een ander doel is contact te maken met Preste Joam, de legendarische priester-vorst Johannes, wiens rijk Ethiopië ergens in Afrika moet liggen. Dom Henrique heeft zijn kapiteins, bij de exploratie van de kusten van de Golf van Guinée al opdracht gegeven het rijk van Preste Joam te zoeken. De prins verwachtte een christelijke bondgenoot tegen de moslims te vinden. Naarmate meer Afrikaanse kustlijn ontdekt wordt en het vinden van de zeeweg naar Indië een bereikbaar doel lijkt, wordt verondersteld dat Ethiopië wel eens aan de zeeweg naar Indië zou kunnen liggen. Als dit het geval zou blijken te zijn, zouden Portugese schepen, op weg naar of van Indië, veilige tussenstops kunnen maken in de havens van Preste Joam.
Nog voordat koning João II de ontdekkingsreizen hervat, na afloop van de oorlog met Castilië, laat hij begin 1482 aan de Mina-kust het kasteel São Jorge bouwen, dat tevens een marinebasis is. De permanente Portugese aanwezigheid aan de Mina-kust dient het koninklijk goudmonopolie te beschermen tegen indringers en bevordert de goudhandel. In 1482 zendt de koning Diogo Cão uit voor een ontdekkingsreis langs de kust van Afrika. Deze verkent de westkust van Afrika van 153' ZB tot 1326' ZB en denkt het einde van het continent bereikt te hebben, hetgeen hij koning João na zijn terugkeer in het voorjaar van 1484 meedeelt. In hetzelfde jaar legt Christoffel Columbus zijn plan, naar Indië te zeilen, voor aan koning João. Daartoe wil hij de Atlantische Oceaan oversteken. Columbus blijkt, op basis van amateu-ristische berekeningen, van oordeel te zijn dat de globe veel kleiner is, dan João's geografen weten. Daardoor onderschat hij schromelijk de afstand naar Japan via de Atlantische Oceaan. Koning João II deelt Columbus mee dat Diogo Cão op zijn eerste reis de zuidpunt van Afrika reeds heeft bereikt en dat de oostelijke route naar Indië, waarbij het Afrikaanse continent gerond wordt, veel korter is dan een westelijke route kan zijn. Met dit laatste heeft de vorst gelijk. Hij is niet bereid geld te steken in een onderneming waarin hij niets ziet. Daar komt nog bij dat de Portugese kroon slechts ontdekkingsreizen financiert, die uiteindelijk moeten leiden tot het vinden van de oostelijke route naar Indië. Ontdekkingsreizen in westelijke richting worden overgelaten aan het particuliere initiatief. Dit geldt bijvoorbeeld voor de grote omzwerving over de noordelijke wateren van de Atlantische Oceaan, van João Vaz Corte-Real en Álvaro Martins Homen. Zij zijn in 1474 vanaf de Azoren vertrokken en hebben Newfoundland ontdekt. Hetzelfde geldt voor de plannen van Fernão Dulmo uit 1486 die, als zij geslaagd zouden zijn, tot de ontdekking van Amerika zouden hebben geleid, vijf jaar eerder dan Columbus daar voet aan wal zou zetten.
In 1485 zendt João II opnieuw een expeditie uit onder leiding van Diogo Cão. Tijdens deze tweede reis blijkt de Afrikaanse kust veel verder naar het zuiden door te lopen, dan hij eerst dacht. Ondanks dat Diogo Cão nog bijna 8 graden verder naar het zuiden zeilt, bereikt hij niet de zuidpunt van het Afrikaanse continent en slaagt er evenmin in contact te maken met Preste Joam. De verdiensten van Diogo Cão zijn: de verkenning van meer dan twintig graden Afrikaanse kustlijn en de totstandbrenging van zeer hartelijke betrekkingen tussen koning João II en de vorst van het Bantoe-koninkrijk Congo. Nadat Diogo Cão's tweede reis niet de beoogde resultaten heeft opgeleverd, vaart zijn opvolger Bartolomeu Dias in 1487 uit en slaagt er in 1488 in de zuidpunt van Afrika te ronden en daarmee de zeeweg naar Indië te ontdekken.
Er is wel betoogd dat Portugal het initiatief op de ontdekkingen uit handen heeft gegeven. In dit verband wordt gewezen op het afwijzen door koning João II van het plan van Columbus in 1484 en op het feit dat Vasco da Gama pas in 1497 voor zijn eerste reis naar Indië vertrekt, maar liefst negen jaar na de ontdekking van de zeeweg naar Indië. Wat de afwijzing van Columbus' plan betreft, stelt het succes van Bartolomeu Dias koning João II in het gelijk. Waarom de eerste expeditie naar Indië pas in 1497 vertrekt, blijkt uit de loop van de volgende gebeurtenissen.
Terwijl João II in afwachting is van de resultaten van Diogo Cão's tweede reis, verneemt hij van de ambassadeur van de koning van Benin, met welk koninkrijk de Portugezen goede betrekkingen hebben aangeknoopt, dat het rijk van de machtige vorst Ogane, die koning João II - op basis van de gegeven beschrijving - voor Preste Joam houdt, zich in Oost-Afrika bevindt. Nog voordat Bartolomeu Dias uitzeilt, zendt de koning Pero de Covilhã en Afonso de Paiva naar het Midden-Oosten. Zij dienen zich naar Ethiopië te begeven, om Preste Joam boodschappen van de Portugese koning over te brengen, terwijl Pero de Covilhão, die een grote staat van dienst heeft, bovendien belast wordt met een spionageopdracht naar de Indische Oceaan. Hij kwijt zich voortreffelijk van zijn spionagetaak. Hij bezoekt, vermomd als Arabische koopman, vrijwel alle grote havens aan de westkust van Voor-Indië en aan de oostkust van Afrika en verzamelt veel informatie over handelsstromen, moessonwinden en dergelijke. Als Pero de Covilhã in 1490 of 1491 op de terugweg naar Portugal Cairo aandoet, verneemt hij dat Afonso de Paiva gestorven is, voordat hij Ethiopië heeft bereikt. Hij ontmoet daar ook twee afgezanten van koning João, die de vorst hem heeft tegemoet gezonden. Uit hun instructies blijkt dat Pero de Covilhã zich alsnog naar het hof van Preste Joam in Ethiopië dient te begeven, nadat hij een van de gezanten uitgebreid schriftelijk rapport van zijn bevindingen heeft gegeven, waarmee deze naar Portugal terugkeert.
Vanzelfsprekend heeft koning João II, na de terugkeer van Bartolomeu Dias, in december 1488, vol ongeduld gewacht op de terugkeer van Pero de Covilhã en Afonso de Paiva. Toen zij ongeveer drie jaar na hun vertrek nog niet waren teruggekeerd, heeft de koning gezanten naar het Midden-Oosten gezonden om te vernemen wat er van hen geworden was. Uit het rapport van Pero de Covilhã, dat João II omstreeks 1491 zou hebben bereikt, heeft hij ongetwijfeld vernomen dat de specerijenhandel in de Indische Oceaan al eeuwenlang in handen van de moslims is. De koning moet zich gerealiseerd hebben dat het aantasten van dit handelsmonopolie strijd met de Turkse zeemacht betekent. De offensieve kracht van de karvelen die de Portugezen voor de vaart op Afrika gebruiken, is te gering om de strijd met de Turkse vloot aan te binden. Er dient voor de vaart in de Indische Oceaan een nieuw type schip ontwikkeld te worden, dat met krachtiger stukken artillerie kan worden uitgerust. Bovendien heeft de tocht van Bartolomeu Dias geleerd dat er een zodanige route over de Atlantische Oceaan dient te worden gevonden, dat niet voortdurend tegen de zuidwestpassaat behoeft te worden opgetornd.
Terwijl een nieuw type schip, de nau (kraak), ontwikkeld wordt en er wellicht ook geheim gebleven verkenningstochten in het zuiden van de Atlantische Oceaan worden ondernomen, verschijnt Columbus in maart 1493, op de terugweg van zijn eerste reis naar Amerika, op de Taag. Tijdens een audiëntie bij koning João II beweert hij Cipango (Japan)) ontdekt te hebben. Omdat Cipango volgens de kaarten uit die tijd, hoewel ver naar het oosten, ten zuiden van de Canarische eilanden ligt, eist João II de door Columbus ontdekte gebieden, op basis van het Verdrag van Alcáçovas, voor Portugal op. Terwijl er vrijwel direct onderhandelingen tussen Spanje en Portugal over de kwestie beginnen, zoeken de Reis Católicos steun bij de Spaanse paus Alexander VI. Deze vaardigt in 1493 een aantal bullen uit, waarin al het gebied ten westen van een lijn, die van pool tot pool getrokken wordt op 100 léguas (320 zeemijl) ten westen van de Kaapverdische eilanden, aan Spanje toevalt, terwijl Spanje ook gerechtigd wordt nog niet ontdekte gebieden op het oostelijk halfrond in bezit te nemen. Bovendien verleent de paus de Reis Católicos, met terugwerkende kracht, zelfs privileges ten aanzien van Afrika, die voorheen verleend zijn aan de Portugese kroon. Koning João II, die zich vanzelfsprekend niet met de pauselijke uitspraken kan verenigen, wendt voor ze niet te begrijpen, zodat de onderhandelingen met Spanje worden voortgezet. Deze leiden tot een diplomatiek akkoord, dat wordt vastgelegd in het Verdrag van Tordesillas, gedateerd 7 juni 1494. In dit verdrag verdelen Spanje en Portugal de `nog te ontdekken wereld' door de demarcatielijn niet te bepalen op 100, maar op 370 léguas (1.184 zeemijl), ten westen van de Kaapverdische eilanden. Door de meridiaan - op verzoek van Portugal - naar het westen op te schuiven, komt Cipango, de vermeende ontdekking van Columbus, op het `Spaanse halfrond te liggen, hetgeen ongetwijfeld door Ferdinand en Isabella als een groot diplomatiek succes zal zijn beschouwd. Portugal verwerft echter de heerschappij over de wateren van de zuidelijke Atlantische Oceaan, hetgeen van eminent belang is voor de vaart op Kaap de Goede Hoop en Indië. Bovendien komt aan Portugal het oosten van Brazilië, waarvan de kustlijn hoogstwaarschijnlijk al door Portugese zeelieden is waargenomen. Tenslotte krijgt Portugal de vrije hand in Azië en ziet Spanje af van zijn oude aanspraken op Afrika. Het Verdrag van Tordesillas maakt de weg vrij voor de eerste expeditie naar Indië, met de voorbereiding waarvan direct begonnen wordt. Tijdens deze voorbereidingen sterft koning João II op 25 oktober 1495, nadat hij het land veertien jaar krachtig en bekwaam geregeerd heeft. Hiermee heeft hij zich de eretitel Príncipe Perfeito (volmaakte vorst) verworven. Hij wordt opgevolgd door zijn neef Manuel, hertog van Beja en Meester van de rijke en machtige militair-religieuze Orde van Christus. De troonswisseling leidt vanzelfsprekend tot enig uitstel van de voorgenomen eerste expeditie naar Indië, zodat deze pas in 1497 uitzeilt.
1.1 Kroon en adel.