Categorieën
Portugees kolonialisme

De reizen van Diogo Gomes en Pedro de Sintra (1458-1462)

Deel 2 Index

Hoofdstuk 2

Portugal ten tijde van Afonso V (1438-1481)

2.5 De reizen van Diogo Gomes en Pedro de Sintra (1458-1462)

Geschreven door Arnold van Wickeren

In 1447 zijn de Portugezen doorgedrongen tot aan de kusten van Guinée en zij hebben aanvankelijk vergeefse pogingen gedaan via de `Rios de Guiné’ door te dringen in het binnen­land. Aange­no­men moet worden dat zij op zoek naar de bronnen van het goud van Mali hun pogingen dieper het binnenland in te dringen niet hebben opgegeven. Zij zijn tot de ontdekking gekomen dat er in Guinée niet veel goud te halen is. Slechts heel weinig goud uit het koninkrijk van de Manda-Mansa wordt aangeboden op de markten langs de Rio Grande en de Bugu­ba (Rio Grande de Buba). Guinalà is de plaats waar elk jaar duizen­den negers uit alle windstreken naar de `Bijorei’ komen. Op deze jaarmarkt worden slaven, katoentjes, levensmiddelen, koeien en bijna zuiver goud, zij het in kleine hoeveelheden, aangeboden. Deze zaken worden met de kustbewoners geruild tegen zout, waaraan in het binnen­land grote behoefte is. Slechts eenmaal is in Lissabon een karveel, komende van de São Domingos, bin­nengelopen met een beetje goud aan boord.

Afgezien van de reizen van Cà da Mosto is er zeer weinig bekend van de ontdek­kingsreizen gedurende de tweede helft van de jaren vijftig. Slechts een enkele reis, in 1458 onder­nomen, is twintig jaar later opgetekent door Martin Behaim uit de mond van Diogo Gomes. Deze zeilt dat jaar langs de kust van Afrika tot de monding van de Rio Grande. Hij slaagt erin 180 pondera goud te verkrijgen van Frangazick, een onbedui­dende vorst, die echter een neef is van de grote farim (koning) van Sangul. Gomes vaart hierna de Gambia op. De oevers van de rivier zijn zo modderig en zo met dichte mangro­vebossen bedekt, dat hij heel moeilijk aan land kan gaan. Tij­dens de tocht wordt een aantal Portu­gezen ge­dood, maar dit is voor Gomes geen reden de expeditie af te breken. Hij arriveert bij het oude han­delscen­trum Can­tor. Deze stad wordt bezocht door handela­ren uit ver naar het noordoosten gelegen handels­centrum Tim­boek­toe, alsmede door kooplieden afkom­stig uit het zuidelijk gelegen Serra Geley, dat door de zwarten Fouta Djalon wordt genoemd.

Vanuit Cantor loopt ook een kara­vaanroute naar Quioquia (Kukya bij Goa). Inheem­sen vertellen Diogo Gomes dat er vanaf de bergen van Albafur, in de streek Adra­r in het zuiden van Maure­tanië, een karavaanroute leidt naar Serra Leôa, het tegenwoor­dige Sierra Leone. Diogo Gomes komt ook aan de weet dat er sprake is van een voortdu­rende oorlogs­toestand tussen blanken uit Oran en Tlemcen en de zwarten rond de Gambia. De Portugezen verne­men tenslotte dat de rivie­ren naar het westen stromen, met één uitzonde­ring; een rivier met de naam Emiu (Niger) stroomt naar het oosten. De goudmij­nen zijn in de Serra Geley, alsmede in de hooglanden en rotsge­bie­den van Bam­bouk en Gangaran. Het gebied wordt in het noor­den begrensd door de Senegal, in het westen door de Falémé, in het oosten door de Bakoy, in het zuidwesten door de Fouta Djalon en in het zuiden door de Tinkisso, De Falémé en de Bakoy zijn beide zijrivie­ren van de Senegal en de Tinkisso is een zijrivier van de Niger. Het goud­hou­dende zand wordt door mannen verzameld, terwijl het wassen van het goud vrouwen­werk is. Men kent reeds de techniek van mijn­schachten en mijngangen. De goud­winning is in handen van Mandi-volke­ren, deze negers zijn animisten en fetisjisten. De Mandi-keizer van Mali, de Mandi-Mansa (Mandi-vorst) of Bor-Mali (koning van Mali) naar de naam van de hoofdstad aan de Sankarani, regeert over de mijnge­bieden en zijn heer­schappij strekt zich uit tot aan de Oceaan ten zuiden van de boven­loop van de Niger. Als Valentim Fernan­des is 1506 een bezoek aan Mali brengt, is hij zeer onder de indruk van de macht en rijkdom van de Mandi-Mansa, of­schoon Mali dan over het hoogtepunt van zijn macht heen is. De aankomst per schip van blanke chris­tenen in Cantor, niet ver van de uitlopers van de Serra Geley, betekent een omme­keer in de geschiede­nis van het Soeda­nese goud. Diogo Gomes moet tijdens zijn verblijf in het binnen­land menig koorts­aan­val door­staan. Deson­danks spant hij zich in om het vertrou­wen van de koningen in de streek te winnen. Hij slaagt er zelfs in de mansa (vorst) van de Niumi, die ten zuiden van de Gambia leeft, voor zich te winnen. Deze was, getuige de moord op Nuno Tristão in 1446, de Portugezen aanvankelijk zeer vijandige gezind. De mansa geraakt zo onder invloed van de Portugezen dat hij zijn islamitische geestelijke weg­zendt en vraagt of hij ge­doopt kan worden. Gomes belooft de mansa missiona­rissen te zullen laten zenden. Deze belofte wordt waarschijn­lijk nog hetzelfde jaar ingelost, als Henrique de jonge priester João Delgado naar het gebied van de mansa zendt. João Delgado blijft een tijd in dit gebied wonen. Het is de enige maal dat sprake is van missie­werk in West-Afrika. De verspreiding van het christelijk geloof mag dan een van Henriques motie­ven voor het uitzen­den van de ontdek­kingsreizen zijn ge­weest; in feite is hiervan weinig te­rechtge­ko­men, afgezien van de bekering van de meeste slaven, hetgeen onder dwang ge­beurt. Als Diogo Gomes zijn overzicht gereed heeft, keert hij naar Portugal terug. Hij wordt, na Fernão Lopes en Zurara, de derde kroniek­schrij­ver. Hij dicteert zijn ervaringen twintig jaar later (omstreeks 1484) duidelijk en nuchter op de Azoren aan Martin Behaim (Martin de Bohemi­a). Deze schrijft de kroniek in het Duits. Zij wordt later door Valen­tim Fernan­des vertaald in het Latijn en in Lissabon gedrukt en uitgege­ven onder de titel: De prima inventione Guineae. De insulis primo inventis in mar occea­no occiden­tis. De kroniek is bewaard gebleven en 400 jaar later terug­gevonden in de Ko­ninklij­ke Bibliotheek in Münch­en, dit in tegenstel­ling tot de andere histori­sche docu­men­ten, die verloren zijn gegaan bij de grote aardbeving die Lissabon in 1755 getroffen heeft en waar­bij de archie­ven verbrand zijn. Curieus is dat Gomes in zijn kroniek melding maakt van een Indiër Jacob geheten, die als tolk aan boord was `voor het geval wij Indië zouden bereiken’. Deze tolk is zeker niet afkom­stig uit Voor-Indië, omdat hij een christelijke naam heeft, de taal van de bewoners van Guinée kan spreken en de Sahara bereisd heeft. Misschien is hij een in Lissabon achter­ge­bleven lid van een gezantschap van de keizer van Ethiopië, dat in 1452 Lissabon heeft bezocht.

Anders dan de Gambia is de Senegal, door de watervallen van Félou, ongeschikt om in het Westafri­kaanse binnen­land te penetre­ren. Hierdoor zijn de daar gelegen goudmarkten niet voor sche­pen bereikbaar. Koning João II zou van plan zijn ge­weest de rotsen op te blazen om de karvelen door­gang te verlenen naar Timboektoe. Om dit plan, dat grote risico’s met zich brengt, te verwezenlij­ken, zendt de koning Gonçalo Dantas en een andere kapitein naar de Senegal. Een van beiden sterft en daarom is het plan nooit uitgevoerd. Het plan illus­treert de ge­brekki­ge geogra­fi­sche kennis van de Portuge­zen van het West­afri­kaanse binnen­land op dat mo­ment. Het bevaar­bare gedeelte van de Senegal wordt gecon­troleerd door de Toucou­leurs en de Ouo­lofs. De markt­plaat­sen van de laatsten zijn een onuitputtelijke bron van slaven, terwijl er nauwelijks goud te vinden is. Eén keer, in 1521, brengt een karveel een verwaar­loos­bare hoeveelheid goud uit dit gebied naar Lissabon.

De Gambia vormt vanaf 1456 voor de Portugezen de be­langrijk­ste toegang tot de goudmark­ten van Cantor, waar een groot aantal schepen van vijftig à zestig ton arriveert. De Portuge­zen ruilen daar tegen goud: lakens, stoffen, artikelen van zijde, mutsen, geelkoperen manilles (beugels waarmee kettin­gen aan elkaar verbonden worden), cornali­ne stenen (zeer kostbare rood-oranje kristalachtige stenen uit Turkije), parasols en andere goederen. Per jaar verkrij­gen de Portugezen vijf- à zesduizend dobras. Later zal de handel op Cantor door de koning verpacht worden, waarbij de pachter aan de kroon 454.000 reais per jaar betaalt. Er zal echter geen sprake zijn van een koninklijk mono­polie. Zo zullen de inwoners van de Kaapverdische eilanden, nadat deze – zoals we nog zullen zien – in 1462 zijn gekolo­niseerd, nimmer hun handel met de Mandi-volkeren opgeven. Daartoe stichten zij een aantal han­dels­posten aan de kust van Senegam­bia tussen Kaap Verde en de monding van de Gambia. De belangrijkste post ligt op het eiland Bezigui­che (het latere Gor­ée), daar­mee zijn verbonden de posten in Rufisque, Rio Fresco, Portudal en Joala op het vaste land. Daarnaast hebben de Kaapver­dia­nen in de tweede helft van de 15e eeuw even­eens een han­delspost in Cacheu gesticht.

De laaste ontdekkingsreiziger die Henrique uitzendt, is Pedro de Sintra. Hij zeilt in 1460 naar de monding van de Rio Grande. Vandaar volgt hij de kust van Guinée in zuidoostelij­ke richting en komt hij op 932′ NB; 1344′ WL bij een kaap, die hij Capo di Sagres noemt. Pedro de Sintra is zeer gechar­meerd van dit van de kust van Guinée, die van veraf groen is door de bomen die de heu­vels sieren. Hij schrijft met veel geestdrift: `La costa è montuo­sa, non peró molto alto’ en verder­: `e le mon­tagne sono piene di bellissimi arbori, multo grandi e alti, e che verdeg­giano molto di lonta­no; e pare una bellissima cosa a verderli ‘.

Op zoek naar de `Rio Verde’, zeilt hij verder zuidoost­waarts. Bij de Iles de Los loopt de kust weer meer naar het zuiden. Pedro de Sintra bereikt op 824′ NB; 1316′ WL wederom een kaap­, die hij Kaap Ledo (Kaap van de Vreug­de) noemt. Vijftig mijl verderop ziet Sintra een met immense wouden bedekte bergke­ten. Hieraan geeft hij de naam Serra Leôa (Leeu­wenge­berg­te), `omdat het land er zo wild is’, zoals hij later aan Duarte Pache­co Pereira vertelt. Het is overi­gens niet onmogelijk dat de Serra Leôa reeds in 1446 is waar­geno­men door Álvaro Fernan­dez.

Het is waarschijnlijk dat Portugese zeevaarders ook op zoek gegaan zijn naar legendarische eilanden in de Atlantische Oce­aan, zoals die voorko­men op kaarten uit die tijd of waar­van de namen hen uit mondelinge overlevering bekend zijn. Van zulke reizen is echter zo goed als niets bekend. Sommi­ge historici houden het erop dat Portugese zeelieden rond het midden van 15e eeuw enige eilanden van de Antillen, de noordkust van Brazilië en wellicht de kusten van Newfound­land en Groenland tenminste hebben waargeno­men. Zij hebben in ieder geval de Sargasso Zee (Mar dos Sargoços) bereikt en zich een tamelijk compleet beeld van de winden en stromingen op de Atlanti­sche Oceaan verwor­ven.

Op 13 november 1460 overlijdt Dom Henri­que. Door zijn eeuwi­ge edelmoe­digheid tegenover zijn kapiteins, door zijn bereidheid de verlie­zen van minder geslaagde reizen voor zijn rekening te nemen en omdat hij zijn geld telkens weer in nieuwe vloten om tegen de Moren te vechten, laat hij grote schulden na aan de kroon, de graaf van Arraio­los, de Abdij van Alcobaça, de Orde van Christus en aan de joden. Het totale bedrag van Henriques schulden bedraagt 35.000 do­bras, hetgeen overeen­komt met ongeveer 170.000 gram goud. Henriques stoffelijk overschot wordt begraven in de kerk Santa Maria in Lagos, maar het wordt later overge­bracht naar het klooster van Santa Maria in Batalha, waar zijn tombe, gesierd met zijn motto `Talent de bien faire’ zich nog steeds in de Capela Fundador bevindt. De heden­daagse Portugese historicus Ma­galhães-Godinho heeft erop gewe­zen dat van de vijfendertig reizen en expedities die in de periode 1419-1460 vanuit Portu­gal zijn ondernomen, niet meer dan acht door Henrique zijn gelanceerd, terwijl hij voor twee andere reizen slechts gedeelte­lijk verant­woordelijk is geweest; de overi­ge reizen zijn te danken aan het initiatief van de konin­gen João I, Duarte en Afonso V, van regent Pedro en van feodale edelen, handela­ren en landeige­naren. De meest actieve periode zijn de jaren geweest waarin regent Pedro aan de macht is geweest, terwijl Henrique in de jaren 1440-1449 juist weinig activiteiten heeft ont­plooid. Van de 360 légues Afri­kaanse kust die tot 1460 zijn ont­dekt, zijn niet minder dan 200 légues tijdens het regent­schap van Pedro in kaart gebracht. Zurara heeft, met zijn grenzeloze bewon­dering voor Henri­que, ook reizen die niet door hem gelanceerd zijn aan zijn initiatief toege­schreven.

De erfgenaam van Henrique is zijn neef Fernando, een broer van koning Afonso V. Hij is heer over alle ontdekte landen en eilan­den, gouverneur van de Orde van Christus, waaraan hij nog toevoegd de titel Meester van de Orde van Santiago, een nog rijkere orde dan de eerste. Fernando is wellicht de rijkste man van Portugal en hij beschikt daar­naast over de macht om de ontdekkings­reizen met kracht voort te zetten. Hij heeft echter tot zijn overlij­den in 1470 bijna uitslui­tend belangstel­ling voor Marokko. Bij zijn koninklijke broer komen de ontdek­kings­reizen op de derde plaats, na Marokko en zijn aanspraken op de troon van Castilië. Deson­danks verzamelt Afonso V alle kaarten, be­schrij­vingen en geografi­sche aante­kenin­gen van zijn overleden oom en ver­trouwt deze toe aan de Venetiaanse monnik Mauro, woonachtig in het Klooster van San Miguel de Murano, die van de koning de opdracht krijgt onder meer aan de hand hiervan een wereldkaart te vervaar­di­gen. Uitvoe­ring van de opdracht vergt drie jaar. De zuidpunt van Afrika komt op de kaart voor onder de bena­ming `Cavo di Diab’ (Helsgat). Ten noord­oosten daarvan zijn de plaatsen `Soffala’ en `Xengi­bar’, namen die de monnik waar­schijnlijk van Arabische kooplieden heeft verno­men. In de twee jaren na Henriques overlijden worden twee ontdek­kingsreizen ondernomen, die mogelijk nog door Henrique zijn voorbereid.

De eerste reis staat onder leiding van Diogo Gomes. Hij zeilt eind 1460 weg in een admini­stra­tieve functie. Hij heeft autori­teit over `alle stran­den van die zee’. Hij heeft opdracht indrin­gers, zijnde kapiteins die zonder toestemming van Henrique zijn uitgeva­ren van de kusten van Afrika te weren; handelscondities en wissel­koersen te onderzoeken en het smokkelen van wapens naar Afrikanen tegen te gaan. Diogo Gomes zeilt rechtstreeks naar het stadje Zaya in het gebied der Barbaci­ns. Hij treft hier twee karvelen aan, één onder Gonçalo Ferreira uit Oporto en de ander onder de Genuees Antonio de Noli. Beide kapiteins blijken het recht te hebben in deze streken handel te drijven. Gomes, die een lading paarden aan boord heeft, herstelt in Zaya de oude koers: twaalf slaven voor één paard. Deze koers is de laatste tijd niet steeds aangehou­den, hetgeen het handelsverkeer be­lemmerd heeft. Gomes verneemt dat een rijk beladen indrin­ger in de haven wordt verwacht. Hij beveelt Gonçalo Ferrei­ra het schip te onderscheppen. Deze slaagt hierin. Het schip blijkt inderdaad een waardevolle lading aan boord te hebben. Gomes zendt het, onder begelei­ding van Ferreira, met kapi­tein en al naar Lissabon. Hier wordt de kapitein, De Predo geheten, door de krijgsraad veroor­deeld. Hij wordt `in een kar tot martelaar gemaakt en levend in het vuur geworpen met zijn zwaard en zijn goud’. Als Diogo Gomes en Antonio de Noli uit Zaya vertrekken, varen zij niet langs de kust naar het zuid­oosten. Gomes ver­meldt dat hij op deze reis de beschikking heeft over een kwa­drant om `de Poolster te schie­ten’. Dat is de eerste maal dat bij een ontdekkingsreis sprake is van het gebruik van een kwa­drant. Gomes en Noli zeilen tegen de wind in de oceaan op en ne­men ter hoogte van Kaap Verde twee eilan­den waar. Later blijkt dat beide eilanden deel uitmaken van een gehele archi­pel, de Kaap­verdi­sche eilan­den. Diogo Gomes en Antonio de Noli hebben daarvan het grote eiland Sãntia­go en het veel kleinere Maio waargeno­men. Gomes eist de ontdek­king van de eilanden op, maar Antonio de Noli, die door beter weer eerder Lissa­bon bereikt, geeft zich voor de ontdekker van Santiago uit. In de daaropvol­gende jaren wordt de gehele Archi­pel ver­kend. De Ilhas de Cabo Verde blijkt te bestaan uit zes bo­venwindse eilanden: Santo Antão, São Vicen­to, Santa Luzia, São Nicolau, São Cristóvão en Sal en twee benedenwind­se: Santiago of São Jacobo en São Filipe. Afgezien van Sal, dat al veel langer be­kend is, wordt aan elk eiland de naam gegeven van de heilige op wiens of wier feestdag het is ontdekt. Later ontvan­gen de eilanden soms een andere naam; zo wordt São Cristóvão veran­derd in Boavista, terwijl de naam van het vul­caaneiland São Filipe gewijzigd wordt in Fogo (vuur). De groep eilanden telt naast de genoemde acht ook nog zeven kleine eilanden. Voorzo­ver zij boven­winds liggen heten zij thans: Raso en Branco, terwijl benedenwinds liggen: Maio, Brava, Rombos-Grande, Luis Carneiro en Cima. In 1462 landen de eerste Portu­gese kolonis­ten, onder leiding van Antonio de Noli en diens broer, op Santia­go. Zij stichten daar de oudste Europese stad in de tropen, Ribeira Grande, terwijl er ook een fort wordt ge­bouwd. Er wordt suiker­riet aange­plant in een poging het succes van eerdere vestigin­gen op Madeira te evena­ren. Antonio da Noli voert slaven uit Guinée aan om op de suikerplantages te werken. Het droge klimaat van de Kaapver­dische eilanden blijkt daarvoor echter minder geschikt te zijn.

De tweede reis, vermoedelijk in 1462 ondernomen, is een echte ontdek­kings­reis. Pedro de Sintra, die in 1460 door Henrique uitgestuurd reeds Serra Leôa heeft ontdekt, vaart op last van koning Afonso V opnieuw naar het zui­den `om nieuwe landen te vinden’. Hij zeilt uit met twee gewa­pende karvelen, het ene onder bevel van Soeiro da Costa, het andere onder zijn eigen leiding. Vanaf Serra Leôa wordt de kust zo goed mogelijk ver­kend. Sintra en Da Costa varen nog enige hon­der­den kilome­ters verder langs de kust van West-Afrika dan ooit ie­mand daarvoor heeft ge­daan. De kust die zij verkennen is boven­dien verre van gemakke­lijk. Tussen de monding van de Gambia en Cabo de Santa Ana, ten zuiden van Kaap Ledo, ligt negenhonderd kilo­me­ter kust­lijn, die vergeven is van de riffen, zand­banken en eiland­jes en verder nog gecom­pli­ceerd wordt door estuaria en moerassi­ge mangro­ven­wou­den. De karvelen passeren Kaap Santa Anna, op 736′ NB; 1255′ WL, en bereiken op 648′ NB; 1124′ WL een andere kaap, die de naam Kaap Monte ontvangt. Nog iets verder naar het zuidoosten, op 617′ NB; 10­46′ WL steekt weer een kaap in zee. Deze wordt Kaap Mesu­rado ge­doopt. Thans ligt hier Monrovia. Enkele mijlen voorbij Kaap Mesurado wordt de Mata de Santa Maria, een dicht oerwoud, bereikt, waarna de terugreis wordt aanvaard. Sintra en Da Costa noe­men de kust waar­aan Kaap Mesurado ligt de Costa da Malagu­eta (Pe­per­kust), omdat dit gebied mala­gue­ta, ook wel paradijskorrels of rode peper ge­noemd, voort­brengt. Malaguate is een specerij dat samen­gesteld is uit twee soorten zaden: Afromo­mum Mele­gue­ta en Afromo­mum Granum-paradi­si. Deze planten groei­en niet alleen aan de Peper­kust, maar komen ook veel voor aan de bovenlopen van de Gambia, de Serra Leone en de Niger. Omdat Aziati­sche peper erg schaars en dus peperduur is, vormt mala­gue­ta een zeer begeerd vervan­gings­middel. De Peperkust is een platte, soms moeras­sige kust met slechts enkele kleine baaien, maar met veel riffen en rotsen. Ofschoon de reis van Pedro de Sintra en Soeiro da Costa tot de belangrijkste en meest effectieve West­afri­kaanse reizen behoort, waarbij ook nog de Selva­gens eilan­den, drie onbe­woon­de rotsen ten noor­den van de Canari­sche eilanden zijn ont­dekt, krijgt de reis weinig aan­dacht. De belang­stel­ling en de middelen voor de ontdek­kings­reizen zijn sterk afgeno­men nu koning Afonso zich geheel op de strijd tegen Marokko concen­treert.

2.6 Handel aan de kusten van Guinée en Serra Leôa.

Categorieën
Portugees kolonialisme

Strijd met Castilië. Portugal ten tijde van Afonso V

Deel 2 Index

Hoofdstuk 2

Portugal ten tijde van Afonso V (1438-1481)

2.4 Strijd met Castilië

Geschreven door Arnold van Wickeren

Interventie in elkaars aangelegenheden is voor Castilië en Portu­gal niet onge­bruikelijk. Telkens als er tweedracht ontstaat in een van beide landen, lokt dit een reactie van het buurland uit. De rechtvaardiging daarvoor is een vage wens van de koningen van Castilië en Portugal het gehele Iberi­sche schiereiland te vereni­gen. Tijdens de regering van Enrique IV (1454-1474) beleeft Castilië turbulente tijden. De autoriteit van de koning wordt nauwelijks gerespecteerd en van zijn dochter en erfgenaam Juana wordt terecht of ten onrechte gezegd, dat zij de dochter is van een edelman, Beltrán de la Cueva. Vandaar haar bijnaam `Beltraneja’. Enrique heeft voor zijn dochter en voor zijn zuster Isabella verschil­lende huwelijkskandi­daten op het oog. De Portugese koning Afonso V, die we­duwnaar is, en zijn zoon João, de latere koning João II, behoren tot de promi­nentste kandida­ten. Isabella, begerig om te trouwen, treedt echter leeftijd in 1469 in het huwelijk met kroonprins Ferdinand van Aragón. Isabella is dan achttien en Ferdinand zeventien jaar oud. Als Enrique II in 1474 overlijdt, roept Isabella zich uit tot konin­gin van Castilië. De feodale partij in Cast­ilië, die vijandig staat tegen­over Isabella, biedt de Portuge­se koning de kroon van Castilië aan. Verwacht wordt dat Afonso V dan met Juana trouwt. Deze huwt Juana begin 1475 inderdaad en hij noemt zich koning van Léon en Castilië, daarmee de rechten van Juana op de Castili­aanse troon onderstre­pend. Dit betekent oorlog tussen Portugal en Castilië. Juana wordt door weinig Castili­aanse edelen gesteund. Velen aarzelen of zij voor Afonso zullen kiezen, of voor het jonge koppel Isabella en Ferdi­nand, dat hen met beloften, steekpen­ningen en morele argumenten aan zijn zijde tracht te krijgen. Afon­so valt in 1475 Castilië binnen, bezet het grootste deel van León, maar slaagt er niet in de vijand in 1476 bij Toro beslis­send te verslaan. Door zijn neder­laag ver­liest Afonso zijn aan­zien onder de Castiliaanse adel. Hij keert terug naar Portugal en tracht vergeefs interventie van Frankrijk uit te lokken. Afonso neemt dan, tegen de raad van zijn meeste adviseurs in, het onge­bruikelijke besluit koning Louis XI van Frankrijk persoonlijk te gaan overtuigen van de rechtmatig­heid van zijn aanspra­ken op de kroon van C­astilië.

Hij zeilt met twintig schepen naar Colliou­re en reist over land naar Tours, om de hulp van Louis XI tegen Castilië in te roepen. Afonso raakt in 1476 betrokken bij het eindspel in het bittere conflict tussen Louis XI en Karel de Stoute, hertog van Bourgondië. Afonso laat zich gemakke­lijk door beide kemphanen beïnvloeden en is diploma­tiek te onbe­kwaam om ook maar iets te kunnen uitrich­ten. Het gevolg is dat hij het verbruit zowel bij Louis XI, als bij Karel de Stoute. Hevig teleurgesteld doet Afonso in 1477 afstand van de troon van Portugal en scheept zich in voor een pelgrims­reis naar het Heilige Land. Louis behoedt hem voor dit avontuur door hem min of meer gedwongen naar Portugal terug te doen keren.

Afonso arriveert zwaar gedesillusio­neerd in zijn land. Zijn zoon João, die zichzelf enkele dagen eerder tot koning heeft uitgeroe­pen, geeft zijn nieuwe waardig­heid op en haalt zijn vader over de koninklijke macht weer te gaan uitoefe­nen. Portugal en Castilië trachten vanaf 1477 het geschil om de troon van Casti­lië door onder­handelingen op te lossen. Deze onderhandelingen, die aan Portugese zijde gevoerd worden door kroonprins João, worden in 1479 afgerond met het Ver­drag van Alcáçovas. Hetzelfde jaar waarin Ferdinand van Aragón de troon erft van Juan II van Aragón en Sicilië (1458-1479) en Aragón en Castilië verenigd worden. Isabel­la en Ferdinand regeren vanaf 1479 over geheel Spanje, voorals­nog met uitzondering van de kleine koninkrijken Navarra en Granada. Bij het Verdrag van Alcáçovas geeft Afonso de rechten van zijn vrouw op de Castili­aan­se troon op. Juana trekt zich diep teleurge­steld terug in een klooster, waar zij in 1530 zal overlijden. Na de terugkeer van Afonso in Portugal in 1477 tot aan diens overlijden in 1481 delen Afonso en João de koninklijke macht, waarbij João volle­dig belast is met het toezicht op de overzeese expansie.

2.5 De reizen van Diogo Gomes en Pedro de Sintra (1458-1462).

Categorieën
Portugees kolonialisme

Marokko. Portugal ten tijde van Afonso V (1438-1481)

Deel 2 Index

Hoofdstuk 2

Portugal ten tijde van Afonso V (1438-1481)

2.3 Marokko

Geschreven door Arnold van Wickeren

In het voorgaande is verslag gedaan van de poging van koning Duarte de Portugese aanwezigheid in het uiterste noor­den van Marokko uit te breiden. Het koninkrijk Fez, waartoe dit deel van Marokko behoort, heeft de Portugezen in 1437 bij Tanger een zware nederlaag toegebracht. Als Afonso V, na de dood van regent Pedro in 1449, zelf gaat regeren, is Ceuta nog steeds de enige Marok­kaanse stad die in handen is van de Portuge­zen. Naast de pogingen van Portugal tot militaire penetratie in het noorden van Marokko, ontwikkelen zich tegen het midden van de 15e eeuw ook commerciële relaties met dat land. Wij zagen reeds dat Gomes Pires, Diego Gil en Antão Gonçalves in 1447 de steven wendden naar de kust van de Sous, in het uiterste zuiden van Marokko, waar handelsbe­trekkingen werden aangeknoopt met de steden Tagaost en Massa. Er is echter meer. Enkele jaren na de ver­ove­ring van Ceuta hebben de Portu­gezen een Moors schip over­mees­terd, dat op weg was naar Anafé, een stad aan de Atlantische kust van Marokko, ter hoogte van het huidige Casablanca, om daar graan in te nemen. De inlichting dat er in Anafé graan te koop is, was van groot belang, omdat Portugal kampt met een struc­tu­reel graantekort en misoogsten leiden tot hon­gers­nood, tenzij er graan ingevoerd kan worden.

De gebroe­ders João en Luis Fernandes zijn vermoedelijk de eerste Portu­gezen die in 1450 of 1451 handelsbetrekkingen aanknopen met Anafé, welke stad reeds vanaf de 12e eeuw een belang­rijke exporthaven van Marokkaans graan is. De beide broers bezoe­ken ook Safi, een belangrijke handels­stad ten zuiden van Anafé. De gebroeders Fernandes wor­den in 1455 gevolgd door de hande­laren João Nunes en João Álvares, die in Anafé, in Safi en ook in Salé graan hopen te bemachtigen.

Nog in hetzelfde jaar doen ande­re Portugese kooplieden Safi aan; hun is het te doen om haiks (overge­waden voor vrou­wen), die zij aan de Mina-kust willen ver­handelen. Uit een docu­ment van februari 1455 blijkt, dat zich in 1455 reeds joden in Safi geves­tigd hebben. Zij zullen een be­langrijke rol spelen bij het vestigen en behouden van Portuge­se invloed in de stad. Voor het zover is, doet zich een incident voor, waaruit afgeleid zou kunnen wor­den dat de joden, althans van sommi­gen van hen, de zijde van de mos­lims te kie­zen. Op 26 februari 1456 confisqueert Afonso V de goe­de­ren van de koopman David Malon, woonach­tig in Lagos. Deze zou de kaïd van Safi een brief geschreven hebben, waarin hij hem ervan op de hoog­te brengt dat de koning van Portugal een karveel naar de stad zal zenden om handel te drijven. Het eigenlijke doel van het bezoek zou echter spionnage zijn, ten dienste van de voor­geno­men verovering van de stad. Vooralsnog blijft een Portuge­se aanval op Safi uit, maar Afonso van plan geweest is Safi bij verrassing in te nemen, is allerminst onwaarschijnlijk. De Portu­gezen hebben zich in 1445 op het eiland Arguim ge­vestigd; zij hebben er een factorij ge­sticht zijn doende een fort te bouwen. Kennelijk willen zij van Arguim een belang­rijk handelscentrum maken. In dit licht zou het verwerven van een steunpunt op de kust van Marokko in de rede liggen. Vanuit dit steunpunt, zouden handelsgoederen, aan de aard waarvan later aandacht zal worden besteed, naar Arguim kun­nen wor­den verscheept. En voorgenomen Portu­gese aanval op Safi lijkt temeer waar­schijnlijk, omdat Safi zich, vanaf 1450 ont­worstelt aan het gezag van de emir van Marrakech en onder de familie Far­hon in 1460 een vrijwel onafhankelijke status verwerft. Aldus Leon l’Africain, een historicus die in 1495 of 1496 gebo­ren is in Granada, is opgegroeid in Fez, tot 1516 in Marokko heeft gewoond en de rest van zijn leven slijt in Italië. In 1460 zal Afon­so V met de familie Farhon een verdrag over de levering van paarden aangaan.

Terwijl Afonso V zijn aandacht richt op de Atlantische kust van Marokko, dreigt Ceuta begin 1456 onder de verwoede aanvallen van de koning Moley Abdelac van Fez verloren te gaan. Paus Calixtus III, de nieuwe Borgia-paus, geeft in zijn bul Etsi cuncti van 16 februari 1456 de Portugese militaire orden opdracht kloosters in Ceuta te stichten met voldoen­de monni­ken om de stad tegen de moslims te verdedigen. Dit leidt tot de stichting van een klooster van de dominicanen, dat gewijd wordt aan de Heilige Geest. De paus roept ook op tot een nieuwe kruis­tocht tegen de ongelo­vi­gen, maar dit appél vindt in het alge­meen weinig weerklank, de tijd van de kruistochten is definitief voor­bij. Afonso V ontvangt de oproep echter met grote geest­drift. Hij laat de paus weten dat hij twaalfduizend soldaten gedurende een jaar op zijn eigen kosten tegen de Turken wil laten strijden. Ondanks de algemene afkeuring die dit aanbod in Portugal uitlokt, begint Afonso direct met de voorbereidingen. Hij koopt wapens en schepen en laat gouden munten slaan. Zijn enthousi­asme voor een kruis­tocht blijkt uit de naam van deze vrijwel zuiver (23,75 karaat) gouden munt van 3,58 gram, de cruzado. De intrin­sie­ke waarde van de cruzado staat er borg voor dat de munt in heel de christelij­ke wereld zal worden aanvaard. Of­schoon het gehal­te en het gewicht van de cruzado tachtig jaar ongewij­zigd zullen blijven, verandert de nominale waar­de door de schom­melin­gen van de zilverprijs, totdat de Cortés in 1472 de hinken­de stan­daard zal verlaten, nadat de zilve­ren munten al bijna geheel uit de circulatie zijn verdwe­nen. Naast de gouden cruza­do circule­ren dan nog slechts de koperen ceitis uit Ceuta.

Paus Calixtus III sterft in augus­tus 1458, terwijl zijn opvol­ger, Pius II, na verloop van tijd het plan voor de kruis­tocht opge­geeft. Afonso V, die wegens zijn militaire avonturen in Noord-Afrika later het epitheton `De Afri­kaan’ zal verwer­ven, heeft dan al een vloot van 280 schepen en meer dan 20.000 man bij­eengebracht. Hij wenst daarom de idee de strijd met de mos­lims aan te binden niet te laten varen. De vloot zeilt eerst naar Sagres, waar een landing wordt uitge­voerd en Henrique met veel ver­toon aan land wordt gezet. Daarna brengen de schepen een bezoek aan Lagos en steken vervolgens over naar Tanger om de goede wind af te wach­ten. De bij de Portugese aanval op Tanger van 1437 nog minderjarige koning van Fez, Moley Abdelac, bevindt zich niet in zijn hoofdstad Fez, maar drie dagreizen daarvandaan in de richting van Tafifelt. De vorst houdt zich daar op om bij verrassing het opstandige Tlemcen te kunnen innemen. De Portugezen vallen in 1458 overigens niet opnieuw Tan­ger aan, maar de veel kleinere havenstad Ksar es Segh_r (Alcá­cer Cegu­er), gelegen tussen Ceuta en Tanger. Op 17 oktober volgt een aanval op de met muren en torens geforti­ficeer­de stad en om midder­nacht geven de Moren zich over. Afonso staat hen toe met vrou­wen en kinde­ren en al hun bezit­tingen weg te trekken; slechts hun christe­lijke slaven moeten zij vrijlaten. Na dit be­scheiden resultaat van een groots opgezette onder­ne­ming, dat nochtans voor koning Abdelac een gevoelig verlies betekent, wordt van verdere aanvallen in Marok­ko afge­zien. Dom Duarte de Menezes, de natuurlij­ke zoon van Dom Pedro de Mene­zes, capitão van Ceuta, wordt com­mandant van Alcácer Ceguer. Direct na de verovering van de stad wordt de moskee getransformeerd in een kerk. De tranformatie van moskees heeft zich eeuwen geleden, tijdens de Re­conquista, voorgedaan in Portugal en zal zich later ook in andere veroverde plaatsen in Marokko voordoen. De capitão sluit vrede met de inwo­ners van de stad, die aan­vaarden dat iedere volwassen man jaarlijks een schatting van twee dobras aan de koning van Portugal betaald, terwijl een weduwe één dobra verschuldigd is. De inwoners verplichten zich niets tegen de Portugezen te onderne­men. Zij mogen zich niet voegen bij eventuele bele­ge­raars van Alcácer Ceguer of Ceuta.; zij mogen niet door middel van het ontsteken van vuren hun ge­loofsgeno­ten waarschuwen als de christenen zich opma­ken het achter­land in te trekken, enz. enz. Zurara vermeld dat de inwo­ners van Ksar es Seghir deze bepa­lingen aanvaarden. Ofschoon sommi­gen hun belofte schenden, houden velen zich daar­aan. Alcácer Ceguer is geen grote plaats; ongeveer tien jaar na de verovering betalen drie­honderd huishoudens schatting aan de koning van Portugal. Duarte de Mene­zes weer­staat twee bele­ge­ringen, waarbij de Marok­kaanse belege­raars steun krijgen van boog­schutters uit het koninkrijk Grana­da, zoals ook destijds het geval is geweest bij de belege­ringen van Ceuta. Over de verove­ring van Ksar es Seghir zijn we ingelicht door Zurara’s Chronica do Conde Dom Duarte de Menezes. Deze kroniek is geschreven in opdracht van Afon­so V, nadat Duarte de Mene­zes hem in 1464 in de Bergen van Bene­facu het leven had gered, waarbij hij zelf omgeko­men is. De kroniek omvat de periode 1458-1464, gedurende welke Dom Duarte capitão van Alcácer Cegu­er is geweest. Zij is in 1467/1468 op locatie geschreven. Volgens Robert Ricard vertoont de kroniek veel gebre­ken. Zo heeft Zurara zelfs ver­zuimd de datum van de verovering van Ksar es Seghir te ver­melden.

Afonso V bijt zich vast in Marokko. In 1460 wordt een expe­di­tie voorbe­reid, maar die loopt op niets uit. In novem­ber 1463 steekt Afonso weer over. De onderne­ming strandt op de muren van Tanger en met Pasen 1464 is de koning weer terug in Portugal. Hij richt thans zijn aandacht op de Atlantische kust van Marokko, in het bezonder op de haven­stad Anafé, welke haven de Portugezen, op zoek naar gra­an, sedert 1465 geregeld aandoen. En van de Portugese handelaren die in 1465 Anafé aandoet is Estevão da Gama. Hij is met een schip geladen met vijgen en dadels, vanaf de Algarve, naar Anafé gezeilt. Ver­momd als koopman brengt hij zijn waren in de straten van Anafé aan de man. In werke­lijkheid is hij een spion, die een veel door de Portugezen toegepaste vorm van spionage bedrijft. De verkenning van Anafé wordt in 1468 of 1469 gevolgd door een aanval op de stad, onder leiding van Dom Fernan­do, een broer van koning Afonso en de vader van de latere koning Manuel. De aanval slaagt, ondanks de sterke vestingwerken, waaronder een citadel. Anafé wordt geplunderd, terwijl vesting­wer­ken voor een groot deel door de Portuge­zen worden gesloopt.

In 1471 lijkt het tij voor aan­vallen in Ma­rokko gunstig, wegens de politieke instabili­teit in het koninkrijk Fez. De gelijknamige hoofdstad van het koninkrijk Fez wordt al geruime tijd belegerd door Mollexe­que, zodat er vanuit de hoofd­stad geen hulp gezon­den kan wor­den aan door de Portu­gezen be­dreig­de kust­ste­den. Mollexe­que, ook wel M_ley es-seikh of Muham­mad al-Shaykh genoemd, is heer van Arzila en een van de groten onder de Moren van het konink­rijk Fez. Hij neemt Fez in en wordt daar­mee de nieu­we koning van Fez. Voor het zover is, voert Afonso in augus­tus 1471 bij rustig weer een landing uit bij het veertig kilometer ten zuiden van Tanger gelegen Arzila. Hierbij verdrin­ken driehonderd man. Vervolgens maken hoge zeeën het de Portugezen onmo­gelijk de zware uitrus­ting aan land te brengen. Zij slagen er uiteindelijk in twee bom­bar­dons aan land te slepen, waarmee zij de van een citadel en stadsmu­ren voorziene stad Arzila beschieten. Hierdoor ontstaan zulke grote bressen in de ­muur, dat de aanval­lers de stad op 25 augustus, de feestdag van Sint Bartholomeus kunnen innemen. De buit heeft een waarde van 800.000 gouden dobras, terwijl twee vrouwen en een zoon van Mollexeque als gijzelaars naar Portugal worden gezonden. Zij worden in 1472 ingeruild tegen het stoffelijk over­schot van de in 1443 in gevangenschap in Fez overleden prins Fernando, dat zich in bezit is van Molei Belfaqueque en zijn zoon Molei Belfaça. Curieus is, dat de kroniekschrijvers, bij de inname van Arzila geen melding maken van de aanwezigheid daar van Genu­ese en Castiliaan­se koop­lieden, terwijl zij daar in 1437 wel waren. Drie dagen later, op de feest­dag van de kerkva­der Augus­ti­nus, bezetten de Portugezen Tan­ger, dat de mos­lims heb­ben opge­ge­ven nadat zij Arzila hebben verloren. Hier vallen de oudere zonen van de inmiddels overle­den Çalla­bemçalle, die onder bescherming staan van diens broer M_ley Buquer, in handen van de veroveraars. Ook deze gevan­gen worden als gijzelaars naar Portugal gezon­den. Kort na de ver­overing van Arzila wordt de moskee getrans­for­meerd in een kerk, de Igreja­ do São Barto­lomeu, terwijl in het paleis van Raisuni een kloos­ter van de franciscanen wordt gesticht, gewijd aan La Immacu­lada Con­cepción. Later is sprake van een tweede kerk in Arzila, de Ilamada de Santa Catalina en van een tweede klooster, dat bewoond wordt door dominicanen. Afonso V sticht in 1472 in het voormalige koninklijke paleis in Tanger een klooster van de franciscanen, gewijd aan Sint Antonius. Tanger zal later zelfs bis­schopsstad worden, met een kathedraal en zes andere kerk­gebouwen. De eerste bis­schop is een cister­ciënzer abt, Frei Nuno Álvares de Aguiar. Naast de kathe­draal De ver­ove­ring van Arzila en Tanger bete­kent het voor­lopig einde aan de expe­dities van Afonso naar Marokko. Hij gaat zich bemoeien met de oorlog in Castilië.

2.4 Strijd met Castilië.

Categorieën
Portugees kolonialisme

De reizen van Cà da Mosto

Deel 2 Index

Hoofdstuk 2

Portugal ten tijde van Afonso V (1438-1481)

2.2 De reizen van Cà da Mosto

Geschreven door Arnold van Wickeren

Onder de kapiteins die vanaf 1455 door Henrique op ontdek­kingsreis gezonden worden, bevindt zich een zekere Luigi Cà da Mosto, ook wel aange­duid als Alvise da Cá da Mosto, de zoon van een rijk Venetiaans koopman van twijfel­achtige reputatie, die uit de Venetiaanse republiek verbannen is. Cà da Mosto is naar zee getrokken om het verloren gegane fortuin van zijn familie terug te winnen. Hij heeft reeds enkele lange reizen ondernomen, onder meer naar Egypte en de Nederlanden. Als hij in 1454, aan boord van een Vlaamse koopvaar­dij­vloot, voor het slechte weer toevlucht moet zoeken in de haven van Sagres, zendt Henrique de van de Canarische eilanden verdreven Antão Gonçalves met mon­sters drake­bloedhars en suiker van Madeira en ivoor uit Senegal naar de Vlaamse schepen. Cà da Mosto hoort van de winstge­vende reizen die de Portu­ge­zen maken en waar­mee zij deze kostelijke handelswaar verkrijgen. Hij ver­neemt dat ook vreemde­lingen aan dit handelsver­keer kunnen deel­ne­men, mits hij daarvoor toestemming verkrijgt van Dom Henrique en diens voorwaar­den aan­vaardt. Als Cà da Mosto deze toe­stemming ver­krijgt, laat hij zijn handelsgoederen lossen en verlaat de Vlaamse han­delsvloot. Hij leeft tot het voorjaar van 1455 in Henriques huis, die hem alle kans geeft veel geld te verdienen, zonder daarbij geldelijk risico te lopen. Henrique zorgt voor een karveel en kosteloze handels­waar. Cà da Mosto moet als tegenprestatie beloven zo ver door te varen als hem redelijk voorkomt en hij moet toezeg­gen met een zo groot mogelijke lading terug te keren. De winst zal gelijkelijk gedeeld worden, eventueel verlies is geheel voor rekening van Henrique.

Op 22 maart 1455 vaart Cà da M­osto aan boord van het kar­veel van kapitein Vicente Dias uit. Hij zal van zijn bevin­dingen later een volledig ver­slag maken, dat onder de naam Paesinuo­va­mente ritrovati gepubli­ceerd zal worden. In drie dagen bereikt Cà da M­osto Porto Santo en in zes dagen Madei­ra. Van Porto Santo weet hij te melden dat de kolonis­ten hun welvaart danken aan de veeteelt en de uitvoer van honing en was. Op Madeira zijn vier nederzet­tin­gen, waarin achthonderd mensen leven. Behalve wijn en suiker voor de uitvoer, wordt tarwe verbouwd, is er bos­bouw voor de vervaar­diging van meubelen, terwijl er ook aan veeteelt wordt gedaan. Cà d­a Mosto bezoekt vervol­gens de Canari­sche eilan­den Gome­ra en Ferro. Daar ontdekt hij dat de meeste inheem­sen tot het katholi­cisme bekeerd zijn, het­geen ook het geval is op de naburige eilanden Lanza­rote en Fuerven­tura. Over de Afrikaanse kust kan Cà da Mosto het meest vertel­len. In de Marokkaanse havenstad Safi arriveert veel goud uit Guinée. Handelaren uit de rijke stad Marrakech zenden karavanen bestaande uit soms wel honderd kamelen, naar door zwarten bewoonde streken ten zuiden van de Sahara. De lading, waarvan de waarde soms oploopt tot boven achtdui­zend dinars, bestaat uit koper, kleding en wollen­stoffen, kettin­gen van glas, parelmoer en stenen, medicij­nen en parfums en ijzeren gereedschappen­. Op de terugweg worden goud en slaven meegeno­men. Meer naar het zuiden, in de Sous, wordt veel goudpoeder uit Zwart Afrika aange­voerd, terwijl in de dorpjes langs de rivier de Massa een levendige handel wordt gedreven tussen Berbers, Ara­bieren en Genuezen in huiden, schellak en was uit het Atlas­gebergte, in indigo uit Dar’a en in goud uit de Soedan. Nog iets zuidelijker is het grote dorp Aguiló het eind­punt van een karavaanweg waarover Arabieren goud aanvoeren uit Guin­ée. Bij Kaap Blanco (Cabo Branco) ontdekt Cà da Mosto de kara­vaan­route die loopt van de noordkust van Afrika naar Timboek­toe aan de Niger. De islamiti­sche kooplieden uit Noord-Afrika reizen over deze weg en ruilen in Tim­boektoe koperen en zilve­ren voorwer­pen, alsmede tarwe uit Barbarije tegen goud, mala­gueta-peper en slaven. Voor malagueta-peper, ook wel paradijksorrels genoemd, heeft Cáda da Mosto speciale belangstelling. Hij be­schrijft ook de route van Kaap Blanco naar Quarane: 250 kilo­me­ter op kame­len, daarna zes dagen te voet landin­waarts en vervolgens nog zes dagen naar Taghaza, waar rots­zout in grote blokken wordt gehouwen. Het gewonnen zout wordt door de Azenè­gues en Berbers in veertig dagen naar Timboek­toe ge­bracht en vandaar in dertig dagen naar Melli. De tocht gaat door een onher­bergza­me streek, waarin mensen en dieren vaak omkomen door de hitte en de droogte. Vanuit Melli wordt het zout op de hoofden van dragers vervoerd naar een niet nader genoemde plaats. De goudwassers en mijnwerkers willen zich niet vertonen aan degenen die zout komen bren­gen en daarvoor in ruil goud willen hebben. Cá da Mosto beschrijft de `zwijgende ruil’ met de volgende woorden:

‘Tutti quelli di chi è il sale, ne fanno monti alla fila, ciascu­no segnando il suo: e dappoi fatti i detti monti, tutti della caravana tornano indietro mezza giornato: dipoi viene un’altra generazione di Negri che non si vogliono lasciar vedere nè parlare; e vengono con alcune barcha grandi, che pare che escano d’alcune isole; e dismonta­no; e vedu­to il sale, mettenvi una quantitá d’oro all’incontro d’ogni monte (di sale); e poi tornano indietro, lasciando l’oro e il sale; e partiti che sono, vengono li Negri del sale; e se la quantitá dell’oro li piace, (prendono l’oro e lassano el sale; sel non ge piase) lasciano il detto oro col sale; e tornan­si indietro: e dipoi vengon gli Negri dall’oro: e quel monte che truovano senza oro, lo levano; e agli altri monti di sale tornano a mettero piu oro, se li pare, ovvero lasciano il sale. E a questo modo fanno la sua mercan­zia senza ver­dersi l’un l’altro, nè parlarsi, per una lunga e antica consue­tudine….

Iedere aanbieder van zout legt een hoopje daarvan neer, waarna de zoutkara­vaan zich een halve dagreis terugtrekt. Daarna arrive­ren per boot leden van de stam die zout wil kopen. Zij leggen bij ieder hoopje zout een hoopje poeder­goud neer dat zij in ruil voor het zout willen geven. Daarna vertrekken zij weer, terwijl de aanbieders van het zout terugkeren. Zijn zij tevre­den met de hoeveel­heid goud, dan nemen zij dit weg en laten het zout liggen; zijn zij niet tevre­den met de hoeveelheid goud dan laten zij het zout en en goud liggen. Vervolgens trekken zij zich terug en keren de negers van het goud weer terug. Zij nemen de hoopjes zout weg waarbij geen goud meer ligt. Bij de andere hoopjes zout voegen zij nog een kleine hoeveelheid goud toe als zij dat willen. Zijn zij niet bereid meer goud te geven dan halen zij het goud weg en laten het zout liggen. Geen van beide partijen krijgt de andere ooit te zien. Het goud volgt drie ver­schillende routes: één naar Cairo en Syrië; de tweede via Tim­boek­toe naar Tunis en de derde naar Marokko. Vanuit Noord-Afrika wordt het goud uitge­voerd naar Italië en ande­re landen rond de Middel­landse Zee. Cà da Mosto verneemt dat het handels­ver­keer door de Sahara aanzien­lijk vermin­derd is door de Portugese zeehandel. Vroeger werd de koopwaar van de kust­stre­ken alleen door kooplie­den die over land kwamen gekocht, maar nu vervoeren de Portuge­zen de door hen gekochte goede­ren over zee. Verder zuid­waarts, op het eiland Arguim, helpt Cà da Mosto mee aan de bouw van een fort dat op last van Henri­que wordt gecon­stueerd. Het dient om de Portugezen en hun koop­waar aldaar te beschermen tegen overvallen van de Moren. Hij merkt op dat Henrique het eiland verpacht heeft aan christe­nen, zodat alleen concessi­onarissen de Baai van Arguim kunnen bezeilen om met de Moren handel te drijven. Zij bezitten op Arguim fraaie huizen en factorijen. Voorts merkt Cá da Mosto op dat Arguim erin geslaagd is een deel van de handel door de Sahara vanuit Ouadane (Wadan) tot zich te trekken. De Arabie­ren uit deze plaats brengen klaarblijkelijk zwarte slaven – tussen de achthonderd en duizend per jaar – en tibar, dat wil zeggen goud in de vorm van poeder naar Arguim. De karvelen laden geregeld paarden uit, die de nomadische kameeldrijvers gaan verkopen in Guinée, alsme­de tarwe, want zij zijn altijd uitgehon­gerd. De Portugezen voeren voorts de volgende goederen aan: laken en linnen, haiks, tapijten en karpetten, zilver en zijden stoffen uit Granada en Tunis. ­De slaven worden tewerkge­steld op de planta­ges op Madei­ra en worden ook overge­bracht naar de onderbe­volkte Algarve.

Van Arguim steekt Cà da Mosto over naar de monding van de Senegal, waarvan hij met vele anderen denkt dat deze in verbin­ding staat met de Niger en de Nijl. De Portugezen drijven handel met de mensen uit deze streek. Cà d­a M­osto besluit tachtig kilome­ter verderop voor zichzelf handelscon­tacten te leggen. Hij maakt kennis met Budomel, een mo­hammedaanse neger en een zeer autocra­tisch heerser. Cà da Mosto ruilt met Budomel Spaan­se paarden, wollen kleding en Moorse zijde tegen slaven. Hij tekent aan dat de betrek­kin­gen tussen de Portuge­zen en de inheemsen in dit deel van Afrika zeer harte­lijk zijn. Cà d­a Mosto wordt door Budomel uitgeno­digd in zijn hoofdstad, bestaande uit rieten hutten, veertig kilometer landinwaarts gelegen en is vier weken diens gast. Het opper­hoofd nodigt zijn gast zelfs uit zijn moskee te bezoeken. Het Afrikaan­se opperhoofd wisselt met de Veneti­aan­se koopman gedachten uit over het chris­telijk geloof. De conver­satie is mogelijk door gebruik te maken van Portu­gees spreken­de Afrikaanse slaven, die Cà d­a Mosto, zoals iedere Portugese kapitein in die tijd bij zich aan boord heeft. Uit uitla­tingen van Budomel heeft Cà da Mosto opgemaakt dat slechts de vrees de greep op zijn eigen stam te verlie­zen, het stam­hoofd ervan weerhoudt zich te laten bekeren. Deze op zich onbeduidende observatie van Cà da Mosto is een schitterend voorbeeld van de naïvi­teit van de Europeanen tegenover Afrika­nen. Cà da Mosto onderkent niet dat Budomel slechts uit be­leefd­heid sympa­thie voor het geloof van zijn gast heeft getoond. Zou hij dat niet hebben gedaan, dan zou Bodumel zich naar Afrikaanse mores aan een ongehoorde grofheid tegenover zijn gast en handels­partner hebben schuldig gemaakt. De Portu­gezen zullen in hun contac­ten met Afrikanen dezelfde fout nog vele malen maken.

Terug aan de monding van de Senegal blijken daar twee andere karvelen te liggen. Het ene staat onder bevel van de Genuese kapitein Antoniotto Usodima­re en de kapitein van het andere is een van Henriques hofjonkers. Beide kapiteins sluiten zich bij Cà da Mosto aan. Samen varen zij overdag de kust langs, terwijl zij ‘s nachts – zoals in die tijd gebruikelijk – een eind uit de kust voor anker gaan. Na Kaap Verde gepas­seerd te zijn, komen de zeelie­den in het gebied van de Sérères en de Barbacins, met wier voorliefde voor giftige pijlen Álvaro Fernandez reeds heeft kennis­ge­maakt. Zij bereiken vervolgens de drie kilometer brede monding van de Gam­bia (1323’ NB), die in hetzelfde hoogland ont­spr­ingt als de Senegal. De karvelen zeilen de rivier op, die stroom­op­waarts nog breder wordt. Usodimare beweert dat driehon­derd légues, zijnde een dagreis, verderop het rijk van Preste Joam begint. Deze zou juist op dit moment een bezoek brengen aan de koning van Mali, dat in zes dagen vanaf de kust bereikt kan worden. In Mali zouden zich vijf christenen uit het land van Preste Joam bevinden. Als de karvelen de Gambia een eind zijn opgevaren, ont­moeten de zeevaar­ders een vloot ka­no’s, bemand door ongeveer hon­derd­vijftig negers die, bij wijze van groet, een regen van pijlen op de karvelen afschie­ten. Zij beant­woor­den de pijlen door schoten uit vier kanonnen. Dit doet de negers slechts kort terugdien­zen. Zij breken hun aanval pas af als een aantal hunner door kruisboog­scho­ten is gedood. Het blijkt volgens Cà da Mosto onmogelijk om op vriendschap­pelij­ke voet met deze mensen te komen. Zij laten de twee nog in leven gebleven tolken van Cà da M­osto weten, dat zij de blan­ken voor kanniba­len houden, omdat zij negers kopen om hen op te eten. De Venetiaan en zijn mannen trekken zich daarop terug en varen naar de monding van de Gambia. Hij doet daarop een belangrijke ontdek­king. `Tijdens ons verblijf aan de monding van de rivier’ schrijft Cà d­a Mosto, `zagen wij de Poolster slechts één keer. Daarna zonk zij zo diep weg dat zij de zee scheen te raken; zij stond blijkbaar maar één derde van een speer­schacht boven water. Daar zagen wij ook zes grote en wonder­baarlijk heldere sterren. Wij maten ze met het kom­pas. Wij meenden dat het De Grote Beer van het Zuidelijk Halfrond was. Het is niet onbegrij­pelijk dat wij dit sterren­beeld zagen alvorens wij de Pool­ster uit het oog verlo­ren….’ In feite zijn Cà da Mosto en de zijnen de eerste Europe­anen die het Zuiderkruis zien. Dit sterren­beeld doemt langzamer­hand aan de zuidelij­ke horizon op om op 15 NB geheel zicht­baar te worden. Uit het feit dat de zeevaar­ders voor hun metin­gen gebruik maken van een speer­schacht blijkt dat zij niet beschik­ken over een astrola­bi­um en een kwadrant. Of­schoon Cà d­a Mosto geen opmer­kelijke ontdek­kingen doet, is zijn grote ver­dienste dat hij zorg­vuldig aantekenin­gen maakt van alles wat hij ziet. Als hij jaren later zijn reiser­varingen te boek stelt, staat hem nog scherp voor ogen hoe hij voor de eerste maal leeuwen, olifanten en nijlpaar­den heeft gezien, hoe de vrouwen hun borsten uitrek­ten, omdat dat mooier stond, hoe zijn eerste struisvogelei heeft ge­smaakt en hoe hij aan de Afri­kaanse sterrenhe­mel beelden heeft ont­dekt, die hij nooit eerder had gezien.

Dom Henrique moet aangenaam verrast zijn geweest van Usodi­mare te vernemen dat het rijk van Preste Joam zich zo ver naar het westen uitstrekt. Hij geeft Usodimare en Cà da Mosto toestemming hun exploraties voort te zetten. Nog geen jaar na hun terugkeer in Portu­gal zeilen Cà d­a M­osto en Usod­ima begin mei 1456 opnieuw samen uit. De drie karve­len zeilen vanuit Lagos rechtstreeks naar Kaap Blanco. Overval­len door een zware storm worden de sche­pen dagen­lang uit de koers gedre­ven in zuidweste­lijke rich­ting en belanden op een groot, nog onontdekt eiland ter hoogte van Kaap Verde. Cà da Mosto zou ook op een naburig groot eiland zijn ge­weest. De eilanden zijn onbe­woond en mooi bebost; de zee er omheen zit vol vis – waaronder enkele reuze-exempla­ren – en er is zout in overvloed. Hij beroemt zich er met dit verhaal achteraf op de ontdekker te zijn van de Kaapverdi­sche eilanden. Een ontdek­king, waar­aan door historici getwijfeld wordt en die later opge­ist zal worden door Diogo Gomes en door Antonio da Noli. Als de storm is gaan liggen, zoeken de schepen bij Kaap Verde de kust weer op en zetten de reis in zuidelijke richting voort. Na een nieuw bezoek aan het gebied rond de monding van de Senegal zeilen Cà da Mosto en Usodimare naar de monding van de Gambia. Toen volgde een tocht stroom­op­waarts van negentig kilometer, hetgeen een bijzonder knappe prestatie is. Cà da Mosto noteert dat de zeevaarders talloze olifan­ten en nijlpaarden waarnemen en dat zij in contact trachten te komen met een daar wonende neger­stam. Hij knoopt han­dels­be­trek­kingen aan met de mansa (kon­ing) van Bati, die aan de linker kant van de Gambia leeft. Met hem ruilt hij Europese koop­waar tegen slaven, terwijl de mansa hem ook een beetje poeder­goud geeft. Cà da M­osto ontvangt veel ge­schen­ken, waaron­der gouden siera­den, fruit, bavia­nen en civet­katten en ruilt enige gouden ringen met een neger die in een uitgeholde boomstam naar zijn karveel is komen roei­en. In tegenstel­ling tot de mensen uit het gebied van de Sene­gal, die prak­tisch naakt liepen, dragen de Gambianen katoe­nen kleding en maken een meer beschaafde indruk. Cá da Mosto kee­rt na elf dagen terug naar de kust, omdat zijn mannen in het binnenland steeds meer door koorts geteis­terd worden, en hij vervolgt zijn tocht langs de kust van Guinée in zuidooste­lijke richting. Ter hoogte van de Ar­quipélago dos Bijagós, van welke archipel Cá da Mosto enkele eilanden aandoet, komt hij aan de mon­ding van een rivier die zo breed is dat hij en zijn mannen denken dat het een golf is. Deze Rio Grande is mogelijk het Canal do Gêba, bij het huidige Bis­sau, ge­weest. Dit is het verst bereik­te punt. Geen van de tolken die Cà da M­osto bij zich heeft, kan de taal van de in­heemsen in deze kon­treien verstaan. Hij be­spreekt dit probleem met zijn manschap­pen en besluit daar­na na Portu­gal terug te keren. `Met God als gids komen zij daar veilig aan.’

2.3 Marokko.

Categorieën
Portugees kolonialisme

Burgeroorlog; het monopolie op ontdekkingen en ver­overin­gen

Deel 2 Index

Hoofdstuk 2

Portugal ten tijde van Afonso V (1438-1481)

2.1 Burgeroorlog; het monopolie op ontdekkingen en ver­overin­gen

Geschreven door Arnold van Wickeren

In paragraaf 1.2 is melding gemaakt van feodale onrust in Portugal vanaf de troonsbestijging van de zesjarige Afonso V in 1438 tot aan het midden van de jaren veertig. De belangrijkste oorzaak daarvan is de oppositie die Afonso, graaf van Barcelos, voert tegen regent Pedro. Na een nieu­we periode van politieke­ onrust dwingt Barce­los, nu hertog van Bra­gança, regent Pedro in 1448 tot aftre­den. Hij is hiertoe in staat omdat hij zich aan het hoofd gesteld heeft van een samenzwe­ring waarbij de gehele bas­taard­fa­milie en vele adellij­ke landeige­naren betrokken zijn, terwijl de steun voor Pedro in het land is vermin­derd. Henrique heeft geen enkele poging ondernomen om zijn broer te hulp te komen en Pedro’s doch­ter, die gehuwd is met de jonge koning Afonso, is niet bij machte geweest om de loop van de gebeurtenissen te beïnvloeden. De sympathie van de burgers van Lissabon is voor de regent een te smalle machtsbasis gebleken. Pedro trekt zich terug in zijn hertogdom Coim­bra. Bragança, nog niet tevreden, beschuldigt Pedro vervolgens van gif­moord op zijn bro­ers, koning Duarte en João, en op zijn schoon­zus, konin­gin Leonor. De aanhangers van Pedro worden van hun functies ontheven; zijn beste vriend, Alvaro Vaz de Almada, wordt ontslagen als gou­verneur van het kasteel van Lissabon. De familie Bragança beraamt ook de jonge koning Afonso V opzij te schuiven om zelf aan de macht te komen. Als Afonso V in oktober 1448 in Lissabon aan­komt en de hertog van Bragança vraagt hem te begelei­den, bereiken Pedro geruch­ten over een com­plot. Hij begaat de fout om zijn kasteel in Coimbra te verla­ten om zich te verdedigen, terwijl Henrique in de Algarve blijft. Op Goede Vrijdag 1449 staat Pedro’s leger tegen­over dat van de hertog van Bragança. De laatste trekt plotseling over de bergen en bereikt via Covilhã het hof. Pedro besluit naar Lissabon te vertrekken, waar hij over veel aanhang beschikt. Op 24 mei 1449 verspert een leger van de koning en de hertog van Bragança hem bij Alfarrobeira (Estrema­dura) de weg. Pedro wordt in de borst getroffen door een pijl van een kruisboog. Hij sterft met Alvaro Paz de Almada aan zijn zijde. Bij het treffen zijn verder geen doden of gewonden te betreuren, zodat al spoedig over een moord op Pedro ge­sproken wordt. De opwin­ding hierover ebt echter snel weg.

Als zijn oom Pedro in 1449 in de burgeroorlog gesneuveld is, is Afonso V 17 jaar en kan zelf gaan regeren. De jonge koning wordt sterk be­nvloed zijn oom, Afonso, hertog van Bra­gança. Hij is niet in staat weerstand te bieden aan het­geen de familie Bragança van hem verlangt. Deze zwakheid van de koning stelt de familie Branganç in staat vijfen­dertig jaar lang ongeli­miteer­de macht en enorme rijkdom­men te vergaren, hetgeen er twee eeuwen later toe zal leiden dat het Huis Bra­gança aan de macht komt. Een andere oom van de koning is Henrique, hertog van Viseu. Bragança is een repre­sen­tant van de landadel en Henri­que verte­genwoor­digt de edelen die een expansie in Noord-Afrika voor­staan. Ko­ning Afonso zal zijn hele lange regeerperio­de, hij sterft in 1481, ernaar streven zowel aan de verlan­gens van de land­adel, als aan die van de expansio­nis­ten tegemoet te komen. De dood van Pedro markeert daarom het begin van het laatste grote feodale tijdperk, waarin de feodale heren de koning loven en prijzen, omdat hij hen de gelegen­heid geeft hun bezit­tingen te vermeerde­ren en hun macht te ver­gro­ten, ten koste van de macht van de kroon. De tevreden­heid van de adel wordt nog vergroot door de militaire avon­turen van Afonso, die de edelen in staat stelt eer, roem en buit op het slagveld te beha­len.

De campagnes van Afonso in Noord-Afrika kunnen niet worden losgezien van de poli­tieke context in Euro­pa. In 1452 wordt het Byzan­tijnse rijk van alle kanten door sterke Turkse legers be­dreigd. Constan­tinopel wordt reeds belegerd en zal op 29 mei 1453 voorgoed verloren gaan. Cyprus en Rhodos worden voortdu­rend bedreigd en de Hongaren staan onder grote Turkse druk. Deze situatie vervult paus Nicolaas V met grote zorg. Bij de zwakheid van de chris­tenheid in het Oosten, steekt de Portugese durf, de moslims geheel op eigen kracht buiten Europa te bestrij­den, wel heel gunstig af. Geen wonder dat Nicolaas V in zijn bul Dum diversas van 18 juni 1452 de door Portugal bewerkstelligde veroveringen noemt. De bul machtigt de koning van Portugal om Sarace­nen, heidenen en alle ongelo­vigen aan te vallen, zich van hun bezit­tingen meester te maken en hen tot eeuwige sla­vernij te dwin­gen. Deze pause­lijke be­moediging inspireert Afonso V tot het plan een oorlog tegen de ongelovigen te onderne­men, met het doel hen bekeren, dan wel tot slavernij te brengen. De ver­overingen van Portugal zullen dus verove­rin­gen van de kerk zijn. De pauselijke steun vormt natuur­lijk ook een stimulans voor de hervatting van de ontdekkingsrei­zen, waaraan in 1448 door het uitbreken van de burgeroor­log een voorlopig einde is geko­men. Toen met de dood van regent Pedro in 1449 een einde was gekomen aan de bur­geroorlog, hebben andere oorzaken de hervatting van de ontdek­kings­reizen verhinderd. Cast­ilië heeft zich in de vaart op Afrika als een concur­rent van Portugal opgeworpen. In juli 1449 ontvangt de hertog van Medina Sidonia van de Castiliaanse kroon de conces­sie om de Afri­kaan­se kust van Kaap Aguer tot Kaap Bojador te onderzoe­ken en er handel te drijven. Kort daarna verklaart Juan II van Castilië Afrika officieel als een `Castiliaan­se verovering’. Portugal kan zich deze aanma­tiging niet over zijn kant laten gaan. Er ontstaat in 1450 een geschil met Castilië, waarbij ook het oude geschil over het bezit van de Canarische eilanden nieuw leven wordt ingeblazen. Dit leidt ertoe dat de Portugese vloot nodig is om de Portugese belangen op de omstre­den groep eilanden veilig te stellen; er kunnen geen schepen gemist wor­den voor het onder­nemen van ontdek­kings­reizen. Voor Henrique is dit spijtig, omdat zijn belangstelling voor verdere exploratie van de kust van Afrika moet zijn aange­wakkerd door het be­zoek van een Ethiopische ambassadeur aan Lissa­bon in 1452.

In 1454 nemen de zaken voor Portugal een gunstige keer. Nadat Constantinopel in 1453 in Turkse handen is overge­gaan, ont­vangt het Portugese hof de ondubbelzinnige steun van paus Nicolaas V. In zijn bul Roma­nus Pontif­ex van 8 januari 1454­prijst hij Afonso V en Henrique uitbundig voor hun strijd tegen de onge­lovigen. De paus somt Henri­ques prestaties sinds 1419 op en bevestigt het absolute alleen­recht van de Portuge­zen, in ieder opzicht en in alle gebie­den die zij tot dusver ver­overd hebben en nog zullen veroveren, Indië hierbij inbegrepen. Nico­laas V ver­biedt alle andere landen in­breuk te maken op het monopolie van de Portu­ge­zen in alle gebieden die zij ontdekt of ver­overd heb­ben en waarmee zij handel drijven. Zij krijgen zelfs toestemming handel met de Saracenen te drijven. Door Roma­nus Pontifex voelt het Portuge­se hof zich gerech­tigd de ontdek­kingen en verove­rin­gen in naam van de gehele christen­heid, dus zon­der hulp van andere naties, voort te zetten. Bovendien eindigt met het overlij­den van Juan II in 1454 het geschil met Castilië. Op 5 oktober 1455 wordt de bul Romanus Pontifex in het Latijn en in het Portu­gees voorgelezen in de kathe­draal van Lissabon, in aanwe­zigheid van Franse, Engel­se, Castili­aanse, Galici­sche en Baski­sche vertegenwoordi­gers, die hiervoor speci­aal zijn uitge­no­digd. Paus Calixtus III zal in zijn bul Inter caetera van 13 maart 1456 de inhoud van Romanus Pontifex bevesti­gen. Als in 1455 in Portugal duidelijk is geworden dat de zwak­ke Castiliaanse koning Enrique IV, die Juan II in 1454 is opge­volgd, geen belang­stelling voor Afrika heeft, kan de draad van de ontdek­kings­rei­zen weer worden opgepakt, zij het aanvanke­lijk op kleine sch­aal, omdat tegelijker­tijd de Portu­gese positie in Marokko veilig gesteld dient te worden. Koning Afonso V heeft in die tijd vooral belangstelling voor Marokko. Hij wendt zijn mid­delen aan in de voorbe­rei­ding van een kruistocht tegen de moslims in Marokko. Boven­dien is Zurara in zijn Crónica do desco­bri­mento e conquis­ta da Guiné van 1452 van oordeel dat, nu de Portuge­se zee­vaarders de kust van Afrika zijn langsgeva­ren tot het huidige Sierra Leone (8 NB), `wat hierna zou ko­men niet zo vreselijk moeilijk en vermoei­end zou zijn’. De ver­gis­sing van Zurara is begrijpe­lijk, omdat – zoals reeds vermeld – op de land­kaar­ten uit die tijd het Afrikaanse continent zich veel minder ver naar het zuiden uitstrekt dan het later het geval zal blijken te zijn. Hoeveel ontdekkingreizen in de tweede helft van de jaren vijftig ondernomen zijn, is niet bekend. De enkele reizen die goed gedo­cu­menteerd zijn, worden hierna besproken.

2.2. De reizen van Cà da Mosto

Categorieën
Portugees kolonialisme

Het rijk van Preste Joam

Deel 2 Index

Hoofdstuk 1

Het begin van de maritieme expansie

1.6 Het rijk van Preste Joam

Geschreven door Arnold van Wickeren

De laatste expeditie die Zurara in zijn Cró­nica de descobri­mento e conquista da Guiné vermeldt is zowel qua doel als qua uitvoe­ring zeer curieus. Het doel is het vinden van het half-mythische Ethiopië, het rijk van een legendarische christenvorst, waarvan in de inleiding is ver­meld, dat dit één van de motieven van Henrique is bij het uitzenden van ontdek­kingsreizen. Hij koestert de hoop dat ergens een christe­lijk vorst zal worden gevonden die tezamen met de Portugezen de `ongelovi­gen’ zou kunnen bestrijden. Alvo­rens aandacht te schenken aan de laatste door Zurara be­schreven expeditie, wordt nagegaan waarop de hoop van Henrique stoelt in Ethiopië, waarvan de omvang en ligging onbekend­ is, een christelijke bondgenoot tegen de mos­lims te kunnen vinden.

Deze hoop is gebaseerd op een legende die voor het eerst in 1145 in christe­lijk Europa opduikt. De oor­sprong van de legende is een brief die Alberic de Trois Fontaines geschre­ven zou hebben aan Frederik Barbarossa en aan Manuel I Comne­nus, keizer van Byzanti­um. Volgens deze brief zou ergens in Azië een Nestoriaanse christe­lijke koning, ge­naamd Johannes, wonen, die grote wereld­lijke macht zou combi­neren met het priester­schap. Deze priester­-vorst Johannes, soms `Johannes de Presbyter’ genoemd, wordt door de Portuge­zen aangeduid als Preste Joam. Gemakshal­ve zal deze korte Portugese aandui­ding wor­den gehanteerd. Preste Joam zou een groot Per­zisch leger vernie­tigd hebben. Als hij de be­schik­king gehad zou heb­ben over voldoende boten dan zou hij zijn leger over de Tigris heb­ben gezet om de in het Heilige Land bedreigde kruisvaarders te ontzetten. In 1165 begint een brief langs de Europese hoven te circule­ren die Preste Joam aan de Europese vorsten ge­schreven zou hebben. Hierin zegt hij `Ik ben de koning der koningen. Mijn rijkdom, rechtschapen­heid en macht overtreft die van alle koningen onder de hemelen.’ Preste Joam beweert dat twee­nzeventig konin­gen aan hem onderworpen zijn. `In onze groot­heid heersen wij over de “drie Indiën” en onze macht strekt zich uit tot aan het verst verwijderde “vierde Indië”…… Er is niemand die even rijk is of meer onderdanen heeft als wij. Als wij tegen onze vijanden ten strijde trekken, gaan ons dertien wagens vooraf, in elk waarvan een groot gouden kruis, alsmede kostba­re stenen liggen. Ieder van deze wagens wordt gevolgd door duizend man gewapend voetvolk, onder hen niet begrepen degenen die de voorraden vervoeren.’

Uit het voorgaande blijkt dat de militaire macht van Preste Joam zo groot is, dat het zeer de moeite waard is hem tot bondge­noot te hebben; boven­dien is zijn rijkdom fabelachtig. Giganti­sche mieren, zo groot als kleine honden, graven goud uit, dat op de ruggen van olifanten, nijl­paarden en kamelen, `met een grote en machtige gestalte’ gela­den wordt voor transport naar de koninklijke schatkamers. De daken van Preste Joams paleis zijn van ebbenhout en de daknok­ken zijn versierd met gouden appels, die overdag schitteren en die ‘s nachts flonkeren als karbonkels en daardoor een krachtig licht verspreiden. De ramen van het paleis zijn van kristal en het blad van ‘s konings tafel is van goud en amethist en steunt op poten van ivoor. Iedere dag dineren dertigduizend man op kosten van Preste Joam. Deze wordt aan tafel bediend door 7 konin­gen, 62 herto­gen en 365 grafen. Met Preste Joam zitten aan tafel de patriarch van Sint Thomas, 12 aartsbisschop­pen en 20 bisschoppen. In zijn kapel zijn 365 abten aanwezig. `Als u zich afvraagt waarom onze verhevenheid zich niet bedient van hogere titels dan de bena­ming “priester”, weest dan niet ver­baasd….Wij hebben aan ons hof vele dienaren wier kerkelijke waardigheid blijkt uit hoge titels en ambten…..Daarom lijkt het ons ongeschikt als onze hoogheid zich zulk soort bena­min­gen aanmeet, of zich onder­scheidt met waardigheden waar­van er aan ons hof al zo velen zijn. Daarvoor hebben wij er in onze nederig­heid voor gekozen een minder verheven naam en een lagere rang aan te nemen.’

Verondersteld is dat de brief geschreven is om de ketterse Nestoriaanse kerk meer aanzien te geven, danwel dat het propaganda is om de Sara­cenen te alarmeren en om hun druk op de kruisvaarders van de 12e eeuw te verlich­ten. Voor paus Alexander III vormt de brief een aanleiding om de universe­le autoriteit van de katho­lieke kerk te verkon­digen. De paus zendt een boodschapper naar Preste Joam, maar deze gezant keert niet terug. In 1245 vertrekt de francis­caan Gio­vanni Plano Carpini, ook wel aangeduid als Piani de Carpini of Giovanni da Pian del Carpine, vanuit Lyon naar Karakorum, de hoofdstad van het Mongoolse rijk. Hij dient, in opdracht van paus Innocentius IV, de Mongoolse Kahn tot het christendom te bekeren, om Europa voor nieu­we aanval­len te vrijwaren. Hij keert na twee jaar onverrich­ter zake terug en beschrijft zijn waarnemingen met grote precisie in zijn Historia Mongalorum. Uit dit werk blijkt dat hij in de streken die hij heeft be­reisd geen spoor van Preste Joam heeft aange­trof­fen. Voor hem is dit aanleiding hem te plaat­sen in Indië, te midden van Thomis­tische christenen. In 1252 reist vertrekt Guillaume de Rubruquis (Wiliam of Rubruck), eveneens een franciscaan, naar Karakorum en weet vriend­schappelijke betrekkingen met de Mongolen te vestigen. In zijn reisverslag vermeldt hij dat de `Nestoriaanse herder’ gezocht moet worden bij Karakorum in Centraal-Azië en dat zijn broeder Ung recente­lijk verslagen is door Dzeng­his Khan. Marco Polo schrijft rond 1300 dat Preste Joam de Tar­taarse hoofdman Ung Khan is. Hij vermeldt daar­naast dat drie van de zes koningen van Abessinië het christelijke geloof aan­han­gen. De Europeanen die het reisverslag van Marco Polo lezen, zijn ongaarne bereid afstand te doen van het denk­beeld dat ergens in een van de `Vier Indiën’ een machti­ge potentiële bondgenoot tegen de moslims woont. Zij richten hun aandacht meer westwaarts op `India Tertia’, dus op Oost-Afri­ka. Het denkbeeld Preste Joam in Ethiopië te moeten zoeken, wordt aangewakkerd door de op­komst van de werkelij­ke en tot nu toe onbekende heerser van Ethiopië. Reeds in 1290 is er tussen Egypte en Genua een handelsverdrag afgesloten dat de verbin­dingen in het gebied van de Middellandse Zee zo heeft verbe­terd, dat de keizer van Abessinië in 1306 een gezantschap van dertig man naar Europa kan zenden. Ogenschijnlijk biedt de vorst aan de `koning van de Spanjes’ hulp aan in diens strijd tegen de ongelo­vi­gen; ongetwij­feld wenst hij echter als tegen­prestatie steun van de Europea­nen om de druk die zijn islamiti­sche buurlanden op Ethiopië uitoefenen te verminderen. De carto­graaf Giovanni da Carignano ondervraagt leden van het Ethiopische gezant­schap in Genua en schrijft een verslag over de inrichting van de Ethiopische staat en over het geloof en de gewoonten van de Abessiniërs. Een in de volgende eeuw ge­drukte samenvatting van het verloren gegane verslag van Carig­nano vermeldt `dat Preste Joam als patriarch is geplaatst over het volk van Abessinië en dat aan zijn gezag 127 aartsbis­dom­men, die 20 bisschoppen tellen, zijn onder­worpen…… Aan deze meest christelijke keizer wordt trouw bewezen door niet minder dan 74 konin­gen en een ontel­baar aantal prinsen, onder hen zijn niet begrepen de koningen die de wetten van Moham­med onder­hou­den, maar die zich in andere zaken aan de keizer onder­werpen.’

In 1321 verneemt een reiziger in Voor-Indië van Italiaanse kooplieden dat de weg naar Abessinië, het land van Preste Joam, open ligt. Deze reiziger brengt een bezoek aan Ethio­pië en meldt bij terugkomst in Europa dat de keizer van Ethiopië voortdurend in oorlog is met de moslims en dat dicht bij diens rijk het aartsparadijs moet zijn geweest. Rond 1330 beti­telt ook de domi­nicaan Jordan de Séver­ac, die vele jaren in Perzië heeft ge­woond en die op een zoek­tocht naar Voor-Indië noch een ko­ning, noch een hof, noch een leger tegen de ongelo­vigen heeft aangetroffen, de Negusa Ne­gasjt, de heerser over Ethio­pië, als Preste Joam. Op de kaart van Angelino Dul­cert uit 1339 is Preste Joam in Ethiopië geplaatst. In 1350 noemt de schrijver van het Libro del Conoscimento Preste Joam `Patriarch van Nubië en Abes­sinië’ en Abraham Cresques beti­telt op zijn kaart uit 1375 het gebied van de Opper Nijl als de seyño­ria del empe­rador de Ethiopia de la terra de preste iõhã. Op de Ethiopische kerken die Cresques afbeeldt wapperen vlaggen met drie krui­sen. Abraham Cres­ques’ zoon Jafuda, die zijn vader met het vervaar­digen van zijn wereldkaart geholpen heeft, is om­streeks 1420 in dienst van Dom Henrique. Hij moet diens belangstelling voor het vinden van o reino do Preste Joam hebben aange­moe­digd, opdat de mythische vorst tot een werkelijke bond­ge­noot van de Portugezen kan worden. Henrique is niet de enige in Europa die in contact wil treden met Ethiopië. Verschillende Europese vorsten zenden gezan­ten naar dit land. Ofschoon in de 14e eeuw enige dominica­nen via Nubië Ethiopië hebben weten te bereiken, lukt dat in de 15e eeuw niet meer. Dit is te wijten aan de vijandig­heid van de moslims in Egypte en aan de onher­berg­zaam­heid van de Egypti­sche en Nubische woestij­nen. Brieven komen niet aan, omdat afgezanten omkomen voor zij hun doel bereiken. In Ethiopië is de geschiedenis van de kruis­tochten vaag bekend. Ook heeft men weet van de in Europa levende verwachting dat Preste Joam het Heilige Land zal helpen bevrijden. Gebleken is dat de Ethiopiërs ook be­hoefte heb­ben aan contact met hun ge­loofsge­noten in Europa. In 1427 arrive­ren twee Ethiopische gezanten aan het hof van koning Alfonso de Grote (1416-1458) van Aragón met het voor­stel een bondgenoot­schap aan te gaan met Ethiopië. Alfonso beant­woordt het be­zoek door dertien hand­werkslieden naar Ethiopië te zenden (die allen onder­weg ster­ven) en hij over­weegt zelfs zijn dochter aan de negus uit te huwelijken. In 1441 verschijnen onverwacht twee Ethiopische afgezanten op het Concilie van Florence (1439-1449). Zij blijken afge­vaardigd te zijn door de Ethiopi­sche monni­ken in Jeru­zalem.

Henrique streeft ernaar het land van Preste Joam met sche­pen te bereiken. In dit verband is het van belang dat de middel­eeuw­se kaar­ten al spoedig het Afrikaanse conti­nent omringen met water, zij het dat later zal blijken dat Afrika zich veel verder naar het zuiden uitstrekt dan deze kaar­ten laten zien. Ofschoon een reis om Afrika heen naar het land van Preste Joam door deze vertekening niet al te moei­lijk lijkt te zijn, hopen de Portu­gezen met hem contact te kun­nen maken bij de exploratie van de westkust van Afrika. Henri­que locali­seert zijn potentiële christe­lijke bond­genoot voorbij het gebied waar de moslims invloed hebben. Als deze verwachting later niet blijkt uit te komen, denken de Portugezen Preste Joam te kunnen vinden door het opvaren van grote in de Atlanti­sche Oceaan uitstromende rivieren, die in verbin­ding zouden staan met de Nijl. Bij geen van de tot nu toe langs de westkust van Afrika ondernomen reizen heeft Henrique op­dracht gegeven het rijk van Preste Joam te zoeken. De eerste maal dat Zurara melding maakt van deze opdracht is als een vreemdeling, een hove­ling van de Deen­se koning Chri­stoffel III, Vallar­te (Wol­lert) gehe­ten, Henri­que vraagt om een karveel voor hem uit te rusten, waar­mee de Deen naar Guinée wil varen. Henri­que willigt het ver­zoek, dat hij in 1447 ontvangt, in en vraagt de Deen in con­tact te treden met de heer­ser over de Kaapverdi­sche negers. Henri­que veron­der­stelt dat deze een christen en wellicht Preste Joam is, danwel dat hij met de laatste in verbinding staat. Curieus is dat Henrique een vreemdeling met deze belangrij­ke opdracht belast. Kenne­lijk zijn de Portugezen zo zeer gefixeerd op het be­machti­gen van slaven dat Henrique geen van hen de opdracht toever­trouwt­. De reis loopt op een falikan­te mis­luk­king uit. De Deen is blijkbaar zo’n slechte zee­man dat het hem een halfjaar kost om Kaap Verde te bereiken, om vervol­gens door zijn bemanning vermoord te worden. Door binnenlandse onrust in Portugal komter in 1448 voorlopig een einde aan de ontdekkingsreizen.

2.1 Burgeroorlog; het monopolie op ontdekkingen en ver­overin­gen

Categorieën
Portugees kolonialisme

Handel en ontdekkingen in de jaren 1443-1447; de factorij op het eiland Arguim

Deel 2 Index

Hoofdstuk 1

Het begin van de maritieme expansie

1.5 Handel en ontdekkingen in de jaren 1443-1447; de factorij op het eiland Arguim

Geschreven door Arnold van Wickeren

Vroeg in het seizoen 1443 zendt Henrique Nuno Tristão naar het gebied rond Kaap Blanc. Als Tristão in de baai met de eilanden Adegeth en Garças aankomt, ziet hij vijfentwintig kano’s, waar­van de beman­ning met de benen in het water de ped­delaars helpt bij de voortbewe­ging. Tristão overvaart een van de kano’s en pikt veertien overleven­den uit het water op. Hij vaart dan naar een van de twee door hem ontdekte eilanden, waar de Portugezen nog eens vijftien slaven van­gen. Uiteinde­lijk keert Tristão met achtentwintig slaven terug naar Portu­gal. Hij is zeer ver­heugd dat zijn buit veel groter is dan op zijn eerste reis, temeer omdat hij deze met niemand behoeft te delen. Op de terugweg doet Tristão de haven van Lagos aan. Hij doet daar enthou­siast verslag van zijn geslaagde reis.

Het verhaal van zijn succesrijke reis inspireert een aantal koop­lieden extra zich in de slaven­handel te begeven. Op initia­tief van Lança­rote, de almoxarife (konink­lijk rentmees­ter) van Lagos, is er voor dit doel al een soort consortium gevormd. De deelne­mers hierin brengen fondsen bijeen om zes karvelen uit te rusten voor de jacht op slaven. Burgers kunnen tot dan op eigen initia­tief en voor eigen reke­ning schepen uitrus­ten voor de handels­vaart op West-Afrika, mits zij eenvijf­de deel van de behaal­de handels­winst aan de kroon afdragen. Van deze belas­ting zijn alleen regent Pedro en zijn broer Henrique vrijge­steld. Nu de slavenhandel veel profijt lijkt te gaan afwer­pen, wordt echter snel een einde gemaakt aan ongecontroleerde particuliere initia­tie­ven. Op 22 oktober 1443 kondigt Pedro een verbod af op de particu­lie­re vaart voorbij Kaap Bojador zonder toestemming van Henri­que. Ongehoor­zaam­heid zal leiden tot ver­beurd­ver­kla­ring van schip en lading. Bovendien krijgt Henrique het monopo­lie op de handel met Afrika ten zuiden van Kaap Bojador, zonder dat hij eenvijfde deel van de winst aan de kroon dient af te dragen. Pedro behandelt zijn jongere broer genereus, omdat hij, gelet op de verdeeldheid in Portugal, diens steun niet kan ontberen.

Henrique zendt in 1444 Nuno Tristão voor de derde maal op ontdek­kingreis uit. Thans dient hij het `Groene Land’ te vinden. Hij passeert het einde van 900 kilome­ter woestijn­achtige ­kust en komt aan een gebied `waar veel palmen zijn’. Vermoedelijk is Nuno Tristão de eerste die de noordzij­de van de delta van de Senegal (16 NB) bereikt. De Sene­gal blijkt de grens te vormen tussen het gebied van de Azenègues en de koninkrijkjes van de Ouolofs (Djolofs) van de Sene­gal en de Cayor. Deze rijkjes worden geregeerd door de dynastie van de Damels en staan even­eens onder invloed van de islam. Rond 1485 mengt Portog­al zich in een con­flict, dat is uitgebroken binnen de heersende kaste van het Djolof rijk. De Portugezen weten een van de leden van de kaste, die zij `Vorst Bemoym noemen, tot het christen­dom te bekeren, op de troon te plaatsen en tot een vazal van de koning van Portugal te maken. Bemoyn vindt echter kort na zijn troonsbestijging, onder mysterieuze omstandigheden, de dood. Waarschijnlijk zijn de Portugezen er niet in geslaagd eenzelfde invloed in de Djolof-staat te verwerven als later in het koninkrijk Congo. De Portugese aanwezigheid lijkt uitein­delijk de Djolof-staat verzwakt te hebben; het valt uiteen in de kleine koninkrijk­jes: Walo, Cayor, Baol, Sine en Saloum. Nuno Tristão keert met eenen­twintig gevan­ge­nen terug in Portugal.

Als Dinis Dias, een schild­knaap van João I en mogelijk een voorouder van de be­roemde Bartolo­meu Dias, van de derde expeditie van Tristão verneemt, vraagt hij Henri­que om een karveel om het nieuwe groene land te onder­zoeken. Hij krijgt zijn karveel en vaart, zonder dat hij één keer zijn zeilen behoeft te reven naar de monding van de Sene­gal, waarvan de Portuge­zen denken dat het een zijrivier van de Nijl moet zijn. Daar maakt hij enige gevange­nen en zeilt verder langs een met zand­heuvels afgezet­te kust. Hij komt op 1430′ NB aan een lage kaap, waar aan het einde van een groen, bebost schierei­land twee hoge heu­vels oprijzen. Dinis Dias noemt deze nog niet eerder waargeno­men kaap Cabo Verde (Groene Kaap). Er wonen Barbacins – onderda­nen van de bor (koning) van de Sine (rivier de Saloun) – en andere Sérères. Deze negervolken worden door de Portuge­zen Guineus (afgeleid van het woord dat de Berbers voor zwarten gebrui­ken) genoemd.

In 1444 jaar vragen Lançarote en zijn kompa­nen aan Henri­que toestem­ming met zes karve­len en onder de banier van de Orde van Christus uit te varen voor de slaven­jacht. Henrique geeft zijn toestem­ming gaarne, niet alleen omdat het hem aan midde­len ontbreekt om zijn monopoliepositie effectief te verdedigen, maar ook omdat hij zonder inspan­ning en zonder risico te lopen een kwart van de winst van ontvangt. Van de winst van zijn eigen expedi­ties valt Henri­que de helft toe. De almoxarife van Lagos en zijn compag­nons keren triomfan­telijk terug met 235 slaven; mannen, vrouwen en kinderen, die zij in een reeks woeste aanvallen op het eiland Naar en het naburi­ge Tider gevangen hebben genomen. Eerst wordt de kerk een keur uit de beste slaven aange­boden. Een van hen zal het tot fran­ciscaan in Cabo de São Vicente brengen. Wat de rest betreft, ontvangt Henri­que een briefje dat zegt `….het zou goed zijn hen uit de karvelen te halen en te plaatsen op die akker die buiten de stadpoort gelegen is, en hen daar in vijf groepen te verdelen volgens de gewoonte, opdat uwe genade dan kan komen uitzoeken aan welk deel u de voorkeur geeft.’ Zurara sch­rijft `Het was een fraai schouw­spel deze lieden bijeen te zien, want som­migen waren heel licht van huid, schoon van uiterlijk en lichaams­bouw; anderen waren min­der blank en leken meer op mulat­ten; weer ande­ren waren zo zwart als Ethiopiërs en zo lelijk van gezicht en lichaams­bouw dat men ze haast voor schepselen uit de onder­wereld zou houden.’ Kennelijk krijgt Zurara allengs medelijden met hun lot. Hij schr­ijft: `…welk hart is zo ver­steend dat het niet ineen­krimpt van deernis bij de aanblik van deze groep? Want sommigen lieten met betraant gezicht het hoofd hangen en zagen elkaar aan en steunden smarte­lijk.­…en het was nodig­om de vader van zijn zoon te schei­den, de man­nen van hun vrou­wen, broe­ders van b­roeders…..ieder ging daarheen waar het lot hem voer­de.’ Henrique, gezeten `op een mach­tig paard’, keek toe. Zijn vijfde deel – zes mannen, vrouwen en kinderen – werd met­een weggegeven, terwij hij `met groot genoegen dacht aan de redding der zielen die anders verloren zouden zijn ge­weest.’ Portugal betrekt al eeuwen slaven van de moslims in Noord-Afrika. Zij worden, voorzo­ver zij niet worden doorver­kocht aan Ara­gón en Castilië, tewerkgesteld op de plantages in Portugal of op Ma­deira, of zij dienen taken te verrichten in het huishouden van hun meester. Als we Zurara mogen geloven, vergaat het deze eerste grote groep door de Portugezen zelf gevangen zwarte slaven beter. Zurara schrijft over hen het volgen­de: ` Zij wor­den met vriendelijk­heid behan­deld, waar­bij geen verschil wordt ge­maakt tussen hen en vrijgebo­ren Portugese diena­ren. Bovendien worden nog jonge slaven onderwezen in de handel en zij die hebben bewezen hun bezittingen te kunnen beheren, worden in vrijheid gesteld en trouwen met vrou­wen uit het land. Zij ontvangen een toerei­kende bruidschat, alsof hun meester hun ouders zijn en uiteindelijk voelen zij zich verplicht hen in vrijheid te stellen uit erkentelijkheid voor de goede diensten die zij hebben geleverd. Weduwen behan­delen de jonge gevange­nen als hun eigen dochters en be­denken hen met legaten in hun testament, zodat zij later een goed huwelijk kunnen sluiten en beschouwd worden als volstrekt vrije vrouwen. Ik kan daaraan nog toevoegen dat ik nimmer heb vernomen dat een van de slaven, zoals andere slaven, in de ijzers is gesla­gen, noch heb ik ooit vernomen dat een van hen geen chris­ten wilde worden, of niet met grote vriendelijkheid behandeld is. Ik ben vaak door hun meesters uitgenodigd aanwezig te zijn bij de doop of het huwelijk van deze vreemdelin­gen, die met dezelfde ceremo­niën gepaard gingen als betrof het een kind of familielid.’

De bijzonder geslaagde tocht van Lançarote en de zijnen is het sein voor tal van expedities in de daarop volgende jaren, die tot de meest dyna­mische van het gehele tijdvak van ontdek­kingsrei­zen behoren. In 1444 stuurt Henri­que de land­jon­ker en huisge­noot van kinds­been af, Gonça­lo de Sintra, met een kar­veel op ont­dek­kingsreis. Hij krijgt de uitdruk­kelijke op­dracht rechtstreeks naar Guinée te varen. Sintra, die in 1441 met Antão Gonçalves heeft deelgeno­men aan de jacht op slaven in Rio do Ouro, tracht zijn opdracht te com­bineren met zijn zucht naar geldelijk gewin. Ten zuiden van Kaap Blanc gekomen ontdekt hij het eiland Ar­guim (2030′ NB), een prach­tige eiland met `oneindig veel koninklijke rei­gers’. Hij stelt zijn bemanning voor op Arguim op slaven­jacht te gaan. De meeste van Sintra’s mannen stem­men met het voorstel in. Omdat op Arguim slechts twee slaven wor­den gevan­gen, gaan de Portuge­zen aan wal op het eiland Naar. Bij lage eb steekt Sintra roekeloos een kreek over, verlaat zijn boot aan de ver­keer­de kant en wordt met vijf van zijn mannen afgesne­den van de rest van de zeelie­den. Het zestal wordt gedood. Nog voordat de overle­ven­den zijn terugge­keerd, vertrek­ken Antão Gonçalves, Diogo Afonso en Diogo Pires met drie karvelen. De Portugezen stuiten overal op wantrou­wen van de bewoners, die zeer op hun hoede zijn. Zij slagen er dan ook niet in handelsbetrekkingen aan te knopen met de Azen­ègu­es nabij de Rio do Ouro. Van het karveel van Diogo Pires is bekend welke handels­waar het aan boord heeft; het zijn 2.442 rollen linnen, gefabri­ceerd in de provin­cie Douro-e-Minho. De reis heeft toch een belang­rijk resul­taat. Een van de Portuge­se beman­ningleden, João Fernan­dez, die de taal van de Moren ver­staat, blijft voorlopig bij de Azenèg­ues achter om zveel mogelijk over hen aan de weet te komen, om daarover rapport uit te brengen aan Henri­que. Fernan­dez is in feite een antropoloog avant la lettre.

In 1445 komen de `handelsreizen’ naar West-Afrika goed op gang. In dat jaar vertrekt Antão Gonçalves voor de vierde keer naar de Rio do Ouro. Hij neemt een nieuwe route, door eerst Madeira aan te doen en daar zijn voorraad water en voedsel aan te vullen. Het beschikken over een ravitaille­ringsstation op weg naar Afrika is van groot belang. Het in Lagos aan boord geno­men verse fruit (sinasappelen en citroenen) is na een paar weken op. Knoflook is in overvloed aan boord om zijn vermeen­de genees­krachtige werking. Het voedsel van de zeelieden bestaat vooral uit gezouten vlees en vis, beide zo hard als een plank, alsmede sche­eps­be­schuit en ongegist brood dat krioelt van de maden. Niet alleen het meegeno­men eten bederft snel in de tropische hitte, hetzelf­de geldt voor het water, terwijl de wijn steeds meer verzuurt naarma­te de reis langer duurt. Desondanks verlicht het de pijn wanneer tandvlees en gewrichten zijn opge­zwollen door scheurbuik. Het bedorven eten en drinken, het ongedierte aan boord en de urine en uitwerpselen van de ratten veroor­zaakt zo’n stank in het ruim, dat het houtwerk met zee­wa­ter moet worden natgehou­den om de stank te verdrijven, zoals vissers al eeuwen doen. De opdracht aan Gonçal­ves luidt João Fernandez, die een aantal maan­den geleden vrijwillig bij de Azenègu­es is achtergebleven, te gaan ophalen. Gonçales weet Fernan­dez inderdaad te vin­den. Fernan­dez is met de Azenègues en de Berbers op seizoen­migratie geweest en weet daarvan onder meer te vertel­len dat de vrou­wen hun gezicht bedekken, maar hun lichaam naakt lieten, wat de kroniek­schrijver Zurara `beest­ach­tig’ vindt. Fernandez blijkt ook nauwkeurige waarne­mingen te hebben gedaan over de trek van ooievaars en zwalu­wen, die `uit Portu­gal’ in Afrika komen overwin­teren. Ook weet Fernandez te verhalen dat antilopen en gazellen de vijandigheid van de woes­tijn weten te weer­staan. Overi­gens is het feit dat Fernandez het harde woestijnle­ven heeft weten te overleven geen geringe prestatie.

Een andere gedenk­waardige reis uit 1445 is die van Gonçalo Pache­co, schat­meester van Ceuta. Onderweg doet hij een overval op de kust, bereikt het `Land van de Negers’, maar wordt door sterke tegenwind teruggedreven naar Kaap Blanc. Tijdens een slecht voorbereide landing wordt hij in een hinder­laag gelokt, waarbij zeven van zijn mannen wor­den gedood. Zij zouden zijn opgege­ten, maar Zurara meent dat slechts hun lever uit wraak is verorberd. Ook Lançarote, de almoxarife van Lagos wenst weer uit te varen. Hij stelt Henrique voor een grote expeditie uit te rusten naar de omgeving van Arguim en `de inboorlingen een lesje te ge­ven’ om de moord op Gonçale de Sintra het jaar daarvoor te wreken. De expeditie bestaat uit niet minder dan zevenen­twintig sche­pen: veertien uit Lagos onder aanvoering van Lançarote en diens schoonvader Sueiro da Costa, tien uit Lissabon, onder bevel van Dinis Dias, de ontdek­ker van Kaap Verde, en drie onder leiding van Texeira van Madei­ra. Zij zeilen weg met geen ander doel dan wraak en plunde­ring. Volgens plan verza­melen alle schepen zich bij Kaap Blanc. Vandaar gaan de leidende schepen naar Arguim, waar zij de terugkeren­de schepen van Pacheco’s expeditie ontmoeten. Deze wordt overge­haald mee te doen aan de onderwerping van het eiland Tider, ten zuiden van Arguim, omdat de islamitische bewoners van Tider de Portugezen last veroor­za­ken. Pache­co kan moeilijk voor de eer bedanken, maar omdat zijn voedsel­voorraden danig geslonken zijn, gooit hij eerst de helft van zijn slaven over­boord, zodat hij minder monden heeft te voeden. Een leger van bijna 280 man, verdeeld in drie groe­pen, verlaat de schepen om in volgbo­ten naar het strand te roeien. De strijd­macht be­staat uit voet­knechten en lan­siers, boogschut­ters en gewone solda­ten. Doordat de loodsen in het donker de positie verkeerd hebben be­paald, wordt het strand eerst tegen de dageraad bereikt. De vijand zich blijkt te hebben terugge­trokken, daarom moe­ten de Portugezen twaalf kilometer in de hitte door het zand afleggen. Als de aanval tenslotte wordt inge­zet, trekt de vijand zich opnieuw listig terug. De aanvallers weten niet meer dan acht man te doden en nemen er sle­chts vier ge­van­gen. Op de lijst van gesneu­velden komen alle kapiteins van de vloot van Lançaro­te voor. Zij hebben na­tuurlijk extra risico gelopen, omdat hun persoonlijke moed de gewone man­schap­pen heeft moeten inspire­ren. Na dit echec moet Lançarote, die gepocht heeft dat hij zonder daarvoor een prijs te betalen aan slaven kan komen, een toontje lager zingen. De expeditie zet dan koers naar de Rio do Ouro om daar Azenègues, vissers en kameel­drijvers, te verschal­ken. Hoeveel slaven er bij deze gelegenheid gemaakt worden, is niet bekend.

De Portugezen zijn reeds voor het uitbreken van de bur­ger­oorlog van 1438 op zoek geweest naar een geschikte plaats aan de kust van West-Afrika om een factorij (feitori­a) te stichten. Het gebied van de Rio do Ouro, waar zij veel han­deldrij­ven, leent zich daartoe niet. Het ligt buiten de grote karavaan­rou­tes en een factorij zal daarin weinig veran­dering brengen. Aan de kust bij Arguim is de situatie anders; daar wordt zout gewon­nen. Omdat zout van levensbe­lang is voor de Soedanezen doen karavanen deze kust veelvul­dig aan. Het eiland Arguim is derhal­ve een geschikte en veilige plaats voor een vesti­ging. Het jaar waarin op Arguim een factorij en een fort zijn gebouwd is moeilijk vast te stellen. Martin Behaim zou uit de mond van Diogo Gomes 1445 opgete­kend hebben. Dit moet waarschijnlijk 1455 zijn, omdat Zurara, die zijn kroniek in 1448 besluit, geen melding maakt van een fort op Arguim en Cà da Mosto (zie volgende hoofd­stuk) vertelt dat hij in 1455 heeft meegeholpen aan de bouw van een fort ter plaatse, dat daar op last van Dom Henri­que werd gebouwd. Aan de andere kant is aan de bouw van het fort de naam verbonden van Soeiro Mendes uit Évora, die in 1461 daar­toe opdracht van Afonso V heeft gekregen. De man­kracht en de gereed­schap­pen worden uit Portugal aange­voerd; de materia­len zijn van lokale oor­sprong. Waarschijnlijk is dat in 1455 een houten fort is gebouwd en in 1461 een stenen. De factorij, die de eerste Europese handels­post overzee is, dateert van voor 1455, maar van na 1448. Robert Ricard hanteert de volgende jaartallen: in 1443 is Arguim door de Portugezen bereikt; in 1445 wordt het eiland militair bezet en in 1455 is de handel er georganiseerd; tussen 1455 en 1461 wordt er een fort gebouwd. Er ko­men Portu­gese kolonis­ten, waarschijn­lijk burgers van Lagos en Madei­ra, alsmede Italianen, onder wie Venetianen, alsmede een priester, naar Arguim. De factorij wordt voor tien jaar, ongeveer van 1450 tot 1460, verpacht aan een Portu­gees handels­huis. In de eerste decennia van haar bestaan slaagt de factorij erin een deel van de handel door de Sahara vanuit Ouadane (Wadan) tot zich te trekken. De Arabie­ren uit deze plaats voeren jaarlijks achthonderd tot duizend slaven en daar­naast goudpoeder (tibar) aan. Verder­op in dit boek zal uitgebreid aandacht worden be­steed aan de positie van de factorij op Arguim in de tweede helft van de 15e eeuw.

Het jaar 1445 gaat niet uitsluitend heen met pogingen zoveel mogelijk Afrikaan­se slaven te bemachtigen en met de bezetting van Arguim; er wor­den ook nieuwe gedeelten van de kust van West-Afrika ontdekt. Álvaro Fernandez zeilt met een van zijn oom, João Gonçalves Zarco, een van de ont­dekkers en eerste ca­pitães (bestuur­ders) van Madeira, gekregen karveel naar Kaap Verde. Van­daar vervolgt hij zijn tocht langs een lage, beboste kust waartegen een zware bran­ding beukt. Hij bereikt een kaap dicht bij het estuarium van de Gambia, die hij Kaap van de Mas­ten (Cabo dos Mastros) doopt, omdat op deze kaap door orka­nen kaalge­plukte palmbo­men staan. De Cabo dos Mastros zal een bekend markatiepunt voor toe­kom­stige ontdek­kingsreizigers worden. Fernandez en zijn man­nen geraken enige malen in gevecht de wantrouwende Sérères. Deze zwarten houden hun hand steeds aan de boog­, waarmee zij giftige pijlen afschie­ten en enige expeditieleden ver­wonden. De Portuge­zen keren zonder buit naar hun karveel terug. Een andere zeevaar­der, Diogo Afon­so, richt in 1445 een groot houten kruis op bij Kaap Blanco, ten teken dat hij deze kust voor de koning van Portugal in bezit heeft genomen. Het houten kruis is een voorlo­per van de latere stenen zuilen, zoge­noemde pad­rões, die latere ontdekkingsreizigers op vele markan­te punten aan de kusten van Afrika zullen oprichten.

In 1446 vertrekt Nuno Tristão voor zijn vierde ontdekkins­reis. Hij zeilt ver voorbij Kaap Verde en ontdekt de monding van de Gambia op 1323′ NB en die van de Casamance op 1244′ NB. Nog iets verder naar het zuiden arriveert Tristão op 1221′ NB aan een kaap, die in 1462 door Pedro de Sintra Kaap Roxo zal worden genoemd. Bij deze Kaap buigt de kustlijn naar het zuidoosten en begint de kust van Guin­ée. Zeilend langs deze kust komt Tristão aan de monding van een rivier, die hij de Rio de São Domingos (Rio Cacheu) noemt. Nuno Tristão moet wel een zeer bekwaam zeevaar­der zijn geweest, want hij heeft in vijf jaar op vier reizen tien graden van de Afrikaan­se kust ont­dekt. Tristão roeit met tweeë­ntwintig van zijn man­nen in twee boten de Rio São Domingos op. In het zicht van een dorp wor­den de boten aangeval­len door een dozijn kano’s met in­heem­sen. Deze schie­ten met gifti­ge pijlen. Tristão en negentien metgezellen vinden de dood. De resterende drie zijn na aan de dood, maar overleven het gif van de pijlen die hen getroffen heb­ben. Kenne­lijk weten zij stroomaf­waarts drij­vend het schip te bereiken. Hierop bevin­den zich vijf scheeps­jon­gens. Tezamen met de drie zwaar gewonden, van wie er alsnog één overlijdt, wordt de terugreis aanvaard. Slechts voor­zien van een kompas en on­nauw­keurige zeekaarten, maar `geg­idst door Goddelijke kracht’ zeilen zij twee maanden zonder land te zien naar het noorden. Op het laatste deel van de reis ontvangen de zeven hulp van een piraat. Uiteindelijk komen zij aan in Sines, ten zuiden van Lissabon. Dit moet een van de dapper­ste zeerei­zen geweest zijn, die ooit zijn gemaakt.

In de jaren 1444 tot 1446 hebben de Portugezen de Sene­gal, Kaap Verde, de Gambia, de Casamance en de São Do­mingos en de tussen de mondin­gen van deze rivieren liggen­de delen van de kust van West-Afrika ontdekt. Niettemin nemen de moeilijk­heden toe en dat is niet slechts te wijten aan de moeilijker navigatie. De Sérères, die ten zuiden van Kaap Verde leven, spreken talen die volkomen verschil­len van de inheemse talen die de Portugezen kennen. Zij zullen zich moeten bedienen van zwarte tolken, die zij aanvan­kelijk ontbe­ren. Tot aan Kaap Verde zijn de negervol­ken in aanra­king gekomen met de islamiti­sche beschaving en is sprake van een zeker staatsver­band, mede omdat de bevolkings­dicht­heid daar tamelijk groot is. De Sérères daarente­gen zwerven in kleine groepen rond, immer met de pijl en boog in aanslag. De eerste reizen naar deze streken, die van Nuno Tristão en Alvaro Fern­andez zijn desas­treus verlo­pen. Bo­vendien is het klimaat in deze meer naar het zuiden gelegen streken moor­dend. Ondanks deze moeilijkheden zijn de Portu­gezen erin ge­slaagd tijdens een of meer na 1446 onderdenomen reizen in Sene­gam­bia een aantal slaven te kopen of te van­gen. Deze slaven worden ver­vol­gens in Portu­gal met het katholieke geloof ge­ndoc­tri­neerd en zij zullen bij het hervat­ten van de ontdek­kingsrei­zen in 1455 Cá da Mosto en later Da Noli, beiden Italianen in Portugese dienst, alsmede Portugese­ kapiteins als tolken dienen.

De giftige pijlen kunnen het enthousiasme in Lagos niet doven. In 1447 zeilen negen schepen uit Portugal en twee uit Madeira naar West-Afrika. Acht daarvan gaan opnieuw naar de Rio de São Domingos, waar vijf man dodelijk getrof­fen worden door gifpijlen. De overige drie schepen, onder bevel van Gomes Pires, Diego Gil en Antão Gonçalves, gaan handeldrij­ven aan de kust van Marokko. Ondanks het echèc van Tanger in 1437 nemen de handelsrelaties tussen Portu­gal en de Maghreb, onder de be­scherming van pauselijke bullen, in de jaren veertig toe. De Portuge­zen trachten dit te bereiken door aan hen loyale inheem­sen, die zij aanvan­kelijk als slaven naar Portugal hebben ge­bracht en soms tot het katholicisme hebben bekeerd, naar hun geboor­testreek terugbrengen. Zij moeten hun stamgenoten trachten over te ha­len met de Portuge­zen handel te drij­ven. De eerste po­ging om een inheemse voor zich te winnen is op een falikante misluk­king uitgelopen. Van de Azenègue Adahu, die door de Portuge­zen met veel egards behandeld is, werd nimmer meer iets verno­men. Ook de reis van Antão Gonçalves naar de Azenè­gues in 1447 (zijn vijfde) levert evenmin iets op; de hele kust van de Azenègues is de Portuge­zen vijandig ge­zind. Veel andere voor­malige gevange­nen die door Henrique royaal behan­deld zijn, brengen echter wel handelsbetrek­kingen tussen hun stam en de Portugezen tot stand. Het is de laatsten daarbij vooral te doen om goud en slaven, maar ook om andere produk­ten zoals verfstoffen, granen en suiker en om het ontsluiten van nieuwe afzet­markten voor Portuge­se produk­ten. Ofschoon slaven verkregen worden door overval­len op de kust uit te voeren, worden de meeste slaven verworven in ruilhandel met moslim­han­dela­ren of van de negers zelf. Ook als voor slaven een prijs moet worden betaald leveren de expe­dities ge­woon­lijk meer dan honderd procent winst op; de winst kan zelfs oplopen tot wel zeven­honderd procent. De belang­stelling van de Portu­ge­zen richt zich vanaf 1447 ook op de Sous, een rijk gebied in het zuiden van Marokko. Tagaost, de eerste stad van dit gebied, heeft zich ontwikkeld tot een entrepot van goederen die langs karavaan­routes uit het binnenland worden aangevoerd. De stad, die een gemengde bevolking heeft van Berbers, negers en halfbloe­den, is een centrum van de linnenindus­trie, dat in grote hoeveelhe­den geëxpor­teerd wordt naar Timboektoe en Oualata. Tagaost vormt het vertrekpunt naar het landinwaarts gelegen Ouadana (Wad­an), waaraan onder andere bordates, blauwe, rode en gele stoffen, Engels laken en linnen geleverd worden. De Portugezen weten een groot aandeel in deze handel te verwerven. In 1447 knopen zij ook handelsbe­trekkingen aan met Massa, een andere belangrijk handelscentrum in de Sous. Hier betrekken zij onder meer goud, slaven, suiker en indigo. Als Diogo Gil in 1447 in Massa arriveert, doet hij daar een voordelig handeltje met een gerepa­trieerde Moor. Hij ver­krijgt hierbij drie mannen uit Guinée en een leeuw, die om onbe­kende redenen naar Galway in Ierland wordt gezonden. Dit voorval is in drie­rlei opzicht exemplarisch. Het beves­tigt dat slaven ook in ruil verkre­gen worden; het toont aan dat de Portugezen baat heb­ben van het repatriëren van slaven en het laat zien dat de Portuge­zen uit Afrika verkre­gen goederen uitvoe­ren, zelfs naar uithoeken van Europa. Ook de door de Portugezen verkregen slaven worden doorgeleverd aan andere Europese landen. Van de ten minste duizend slaven, die tussen 1441 en 1448 naar Portugal worden ge­bracht, wordt wellicht het merendeel uitge­voerd naar Castil­ië, Aragón en andere lan­den. De overigen wor­den in Portugal en op Madeira tewerk ge­steld, meestal op de suikerriet­plantages en in de suiker­mo­lens. In het volgen­de decennium zal het aantal verworven slaven oplopen tot gemid­deld zeven- à achthon­derd per jaar. Omdat de slavenhandel zoveel winst oplevert, nemen daar­aan handela­ren uit vele Europe­se landen deel; vooral de Italianen zijn sterk verte­gen­woordigd.

1.6. Het rijk van Preste Joam

Categorieën
Portugees kolonialisme

De eerste slaven. Ontdekkings- en handelsreizen naar West-Afrika

Deel 2 Index

Hoofdstuk 1

Het begin van de maritieme expansie

1.4 De eerste slaven

Geschreven door Arnold van Wickeren

In 1441 is het rustig in Portugal. De onrust over het regent­schap van Pedro is voorlopig verdwenen en koningin Leonor zit veilig verbannen in Castilië. Dom Henri­que pakt, daarin gesteund door regent Pedro, de draad van de ontdekkings­reizen weer op. In dat jaar laat hij een klein schip uitvaren onder bevel van zijn kamer­heer, Antão Gonçal­ves. De zeer jeugdige Gonçalves krijgt op­dracht terug te keren met een lading huiden en olie van zeehon­den. Gonçalves bereikt zonder problemen de Rio do Ouro en voert met zijn twintig beman­ningsleden zijn opdracht uit. Niet helemaal tevre­den met de in zijn ogen onbetekenende lading, haalt hij zijn manschappen over enige gevange­nen voor Henrique te maken. Gonçalves gaat ‘s nachts met negen man aan land. Afgaande op hun gevoel gaan zij in het duister op weg. Bij het aanbre­ken van de dag vinden zij de sporen van onge­veer veertig men­sen. Uit de sporen blijkt dat deze men­sen zich van de zee verwijde­ren. Gonçal­ves en de zijnen moeten wegens gebrek aan water terug naar hun schip. Onderweg zien zij `een naakte man die met twee lansen in de hand een kameel achter­volgt’. Bij de nadering van de Portuge­zen dreigt de eenza­me wilde `vervaarlijk met zijn wapens en wil zich met hand en tand verdedigen. Afonso Goterres ver­wond hem echet met een speer­worp, waardoor de Moor dermate door angst wordt bevan­gen dat hij verslagen de armen opsteekt.’ Later op de dag treffen de Portugezen ook nog een vrouw in de duinen aan, die zij eveneens gevangen­nemen. Deze twee zijn de eerste Afrika­nen die in handen vallen van Portugezen.

Als de tien Portugezen met hun twee gevangenen terugke­ren aan de kust, zien zij een ander Portu­gees schip. Het blijkt niet een barca of barinel te zijn, maar – volgens de mededeling van Zurara – is hier sprake van een nieuw schee­pstype, het karveel (caravela). Zurara, de gebruikelijke benaming van Gomes Eanes de Azura­ra (1410?-1474?), is in zijn tijd de offici­le kro­niek­schrijver van Portu­gal. Hij heeft in 1452 van koning Afonso V opdracht gekregen een kro­niek van de ontdek­king en verovering van Guinée te schrij­ven. Hij maakt in zijn Cró­nica de descobri­mento e conquista da Guiné, dat hij eind 1452 voltooit, v­oor de eerste maal mel­ding van een kar­veel in het onderhavige ge­val. Een karveel is aanvankelijk een twee­master, maar spoedig een driemas­ter met latijnzei­len van gemid­deld vijftig ton en een bemanning van minsten twintig koppen. Het karveel is tamelijk breed en heeft daardoor een geringe water­verplaat­sing en weinig diep­gang, waardoor het zeer ge­schikt is om rivieren op te varen. Het gebruik van karve­len, voorlopig als enige natie, geeft de Portugezen een geweldi­ge technische voorsprong op andere zeevarende naties. ­De kapitein van het karveel is Nuno Tristão, die sinds zijn kinds­heid in de ver­trekken van Henri­que is opge­voed. Hij wordt vergezeld van enige Moor­se slaven van Henri­que, die moeten optreden als tolken. Tristão heeft de uitdrukkelijke opdracht gekregen enige inheemsen mee terug te bren­gen, die bruikbare aard­rijks­kundige gege­vens zouden kun­nen verschaf­fen. Tristão keurt goed dat Gonçalves op eigen houtje al enige gevange­nen heeft ge­maakt. Een ondervra­ging door de tolken levert niets op, omdat de gevangenen Berbers zijn. Zij spreken `Azenèguey van de Sahara’ en verstaan geen Arabisch. Tristão stelt een nieuwe raid voor. Hoewel Gonçalves vreest dat de aanval van de vorige nacht de gehele streek heeft gealarmeerd, stemt hij hiermee in. Met tien man van ieder schip overvallen de Portugezen te paard achter­eenvolgens twee kampen van in­heemsen. Onder het slaken van de traditionele strijd­kre­ten `Portu­gal’ en `Santiago’ (Sint Jacob) vallen zij hen overhoeds aan. Zij doden vijf man­nen en nemen er tien gevan­gen. Een van hen is een Berber die Adahu heet. Omdat hij opvalt door zijn kostbare kleding en fiere houding wordt hij door de Portugezen voor een Afri­kaans edel­man gehouden. Hij blijkt een bereisde man te zijn, die ook Arabisch spreekt en die Henri­que zeer waar­devol­le inlich­tingen zal kunnen verschaffen over het leven in het gebied waar hij woonde. Nuno Tristão is zo opgetogen over de buit, dat hij Antão Gonçalves tot ridder slaat; de eerste overzee geslagen ridder. Gonçalves keert met zijn lading huiden en olie en de eerste uit Afrika weggevoerde gevan­genen terug naar Portugal.

Tristão zet zijn reis voort, zoals hem is opgedragen. Hij passeert de Pedra da Galé, het verste punt dat mogelijk vijf jaar daar­voor door Afonso Gonçalves Baldaia en wellicht ook door Gil Eanes is bereikt. Hij komt op 21 NB aan Kaap Blanco (Cabo Branco), een dor voorgebergte dat uitloopt in een steile witte rotswand, met twee zeer gevaarlij­ke zand­banken voor de kust. Hier vindt hij wel voetspo­ren en verla­ten netten, maar geen mensen. Daarom heert Tristão naar huis terug. Bij zijn terugkeer in Portu­gal toont Tristão zich zeer opgetogen over de karveel. Door zijn geringe diepgang kan het tot dicht bij het strand komen, terwijl de traditionele barca en barinel uit de kust moeten ankeren en de beman­ning aan land kan komen door in een volgboot naar het strand te roeien. De caravela blijkt door zijn geringe diep­gang op het strand getrok­ken te kunnen worden. Hetgeen handig is om het schip te krengen en op te kalefateren. Hierbij wordt de scheepshuid van aangroeiingen ontdaan en de naden worden met pek dichtgesmeerd. Vooral in tropi­sche wateren hebben schepen snel last van de aangroei van algen op de scheepshuid, hetgeen de snelheid sterk doet afnemen. Het goed kunnen schoonkrabben van het schip is dus van veel belang. Het dichtsmeren van de naden om het maken van water tegen te gaan, is niet minder belangrijk. De terug­keer van de schepen van Antão Gonçal­ves en Nuno Tristão met gevange­nen doet de kritiek in Portugal, dat de ontdek­kingsrei­zen slechts geldver­spilling zijn, ver­stommen. Henrique ziet de gevangen­geno­men Berbers in de eerste plaats als een waarde­volle inlich­ten­bron over de handels­mogelijkhe­den in West-Afrika en Aduha schijnt hem inder­daad veel inlichtingen te hebben verschaft over: de kust, de karavaanrou­tes, de Sahara zelf en de slavenhandel. Anderen zien in de meegebrachte Berbers vooral goedkope arbeids­krachten. Hieraan is in Portugal na alle de pestplagen gedu­rende de eerste veertig jaren van de 15e eeuw (1415, 1423, 1432, 1435 en 1437-1438) groot gebrek.

Het vooruitzicht grote aantallen slaven uit Afrika te kunnen invoeren, wekt zo’n geestdrift dat het Henrique geen enkele moeite kost kapiteins en bemanningen te werven voor de expe­di­ties die hij nadien op touw zet. De reizen van 1441 mar­keren het begin van de slaven­handel aan de kusten van West-Afrika. Overigens zal spoedig blijken dat het verwer­ven van slaven in door moslims beheers­te gebieden geen eenvoudige zaak. De moslims zijn dappere strijders en heb­ben een goede militaire organisa­tie. Bovendien beheer­sen de Portu­gezen het achterland niet en zullen dat ook in de toe­komst nooit volledig beheersen, hetgeen echter een noodza­kelijke voorwaar­de is om de aanvoer van slaven naar de kust te verzeke­ren. Als eenmaal de kusten van Zwart-Afrika bereikt zijn, zal blijken dat daar, waar het bescha­vingspeil van de bewoners veel lager is dan in Noord-Afrika, gemakke­lijk grote aantallen slaven te verkrijgen zijn.

Naar aanleiding van de ontdekkingreizen aan het begin van de jaren veertig vraagt Henrique aan paus Eugenius IV voor de Portugese kroon een eeuwig patent `…van al het land dat zou worden ontdekt over deze, onze Oceaan Zee, van Kaap Bojador tot aan de Indiën’. Aldus laat de Portu­gese historicus João de Barros (1496-1570) ons weten in zijn Da Asia, Dos feitos que os Portuguezes fizeram no descobri­mento das terras e mares do Oriente, waarvan het eerste deel, Primeira Década da Asia, in 1539 verschijnt. Met `Indiën’ bedoelt Barros hier vermoe­de­lijk slechts `India Terti­a’, waarmee Afrika ten oos­ten van de Nijl, in die tijd wordt aangeduid. Ofschoon João de Barros niet de meest accura­te, maar wel de meest productieve historicus van zijn tijd is, wordt hij in latere werken vaak aangehaald. In veel gevallen vormen zijn geschriften de enige bron, ondanks twee andere kronieken: de Chronica d’El-Rei D.Afonso V van Rui de Pina, die nog ten dele door diens voorganger Zurara is geschre­ven, en de Chronica do Príncipe Dom Ioam van Damião de Góis, die de kroniek van Rui de Pina overlapt voor de jaren 1455-1481, toen João nog kroon­prins was. Volgens Barros negeert de paus het ver­zoek patent op land te geven. Hij biedt slechts aan `..allen die betrok­ken zijn bij ge­noemde oorlog, door aposto­li­sche autoriteit en door deze brie­ven, volle kwijt­schelding van zonden te geven, waarover zij eerlijk spijt hebben in hun hart.’

De Azenègue Adahu heeft Henrique voorgesteld hem en twee van zijn jonge stamgenoten te ruilen tegen tien zwarte slaven, die inlichtingen zouden kunnen verschaffen over han­delsmoge­lijkheden in gebieden ten zuiden van de Sahara. Henri­que neemt het aanbod aan, terwijl Gonçal­ves ook wel wat in de ruil ziet, omdat dan tien zielen voor Christus gered kunnen worden in plaats van drie. Als Antão Gonçalves in 1442 voor de tweede maal uitvaart naar Rio do Ouro heeft hij de drie Berbers aan­boord. Aangekomen bij dat deel van de kust dat Adahu aan­wijst, wordt deze aan land gezet nadat hij heeft beloofd spoedig het losgeld te doen bezor­gen. Adahu ziet men echter niet meer terug, maar een week later verschijnt er een afgezant op een witte kameel. Afge­sproken wordt dat de ruil de volgende dag zal plaatshebben. Op de afgesproken plaats worden honderd slaven ter inspec­tie aangeboden. Gonçalves kiest er tien uit en ontvangt als geschenk een schild van huid, een aantal struisvo­gel­eieren, die Henrique zich goed zal laten smaken, en een hoopje goudpoe­der. De aankomst van de eerste zwarte slaven, die door vreedzame ruilhandel verkregen zijn, alsmede het beetje goud wekken in Portugal grote verwachtingen.

1.5. Handel en ontdekkingen in de jaren 1443-1447; de factorij op het eiland Arguim

Categorieën
Portugees kolonialisme

Het echec voor Tanger; onrust in het land

Deel 2 Index

Hoofdstuk 1

Het begin van de maritieme expansie

1.3 Het echec voor Tanger; onrust in het land

Geschreven door Arnold van Wickeren

Gedurende de korte regeringsperiode van Duarte (1433-1438) bepleit zijn jongste broer Fernando in 1436 een expe­ditie tegen Tanger en Arzila in Marokko. Fernando’s plan wordt slechts gesteund door zijn broer Henrique. Hun broer Pedro en hun half­broer Afonso, graaf van Barce­los, zijn tegen de onder­ne­ming gekant en ook de op één jongste van de vijf broers, João, sluit zich aan bij het standpunt van Pedro en Barcelos. Koning Duarte neemt aanvankelijk een neutraal stand­punt in. De debat­ten binnen de koninklijke familie duren een jaar. Henrique weet koningin Leonor voor het plan te winnen en tenslotte stemt ook de koning ermee in. Er worden schepen gebouwd of ge­char­terd, munitie wordt aangemaakt en recruteringen worden bevolen, on­danks tegen­werking van Barcelos zeilen op 17 augustus 1437 twee vloten uit: één uit Porto, onder leiding van Henri­que en de ander uit Lissa­bon onder bevel van Fernan­do. Een be­trouwbare schat­ting over het aantal schepen is niet voor­handen. Of­schoon gemikt was op een leger van 14.000 man, lopen de schattin­gen over de omvang van de expedi­tie­macht van zes- tot tienduizend. Kenne­lijk is de veld­tocht niet populair. Duarte heeft aangedron­gen op een drieledige aanval, tegelijkertijd op Tanger, Ksar es Seghir (Alcácer Ceguer) en Arzila. Hij rekende hierbij op het verras­sings­ele­ment en de be­weeg­lijkheid van de vloot. Henri­que, die de aanval leidt, ver­werpt dit plan. Hij vaart in slechts vijf dagen naar de Baai van Algeci­ras en steekt dan in vol dag­licht naar Ceuta over, daarmee heel Marokko alarmerend. Om onduide­lij­ke redenen wordt de ontscheping van de strijd­macht weken uitge­steld. Ver­moede­lijk vindt de landing op 9 sep­tember plaats. Omdat de directe weg naar Tanger onbe­gaan­baar is, wordt Henrique gedwon­gen de omweg over Tétouan te maken.

Deze stad, ofschoon voorzien van een citadel met vijf bastions, geeft zich direct over, evenals El Fendek, halver­wege Tétouan en Tanger. Mogelijk bereikt Henrique op 13 september Tanger, waar de vloot van Fern­ando met voorraden en reserves bij het strand voor anker ligt. Pedro de Mene­zes, reeds meer dan twintig jaar belast met de verde­di­ging van Ceuta, raadt Henrique dringend aan te wachten met een aanval tot er ver­sterkingen uit Portugal zijn aange­voerd. Henri­que slaat deze goede raad in de wind. Zonder enig tactisch plan en zonder zelfs maar te willen wach­ten op de ontscheping van Fernando, valt Henrique Tanger aan. De stad wordt verde­digd door S_lah ibn S_lah (Çallabemçalla), die in 1415 Ceuta zonder slag of stoot aan Henrique heeft gelaten, maar zich nu vastberaden verde­digt. De Portugezen worden met zware verlie­zen terugge­slagen. Als Fernando’s zich bij Henri­que heeft gevoegd, wordt besloten kanonnen, belege­rings­ladders en beweegbare borstwe­ringen uit Ceuta te laten komen en Tanger op be­hoorlijke wijze te gaan belegeren.

Op 20 september wordt een tweede en zorgvuldiger uitge­dach­te aanval uitgevoerd. Helaas blijken de kanonnen te licht om daarmee veel te kunnen uitrichten. De aanval wordt gestaakt, nadat vijfhonderd aanvallers gedood of gewond zijn. Er wordt een schip naar Ceuta gezon­den om twee zwaardere kanonnen te gaan ophalen. Ondertus­sen vullen zich de omrin­gen­de heu­vels met een voortdurend groter wordende ontzet­tings­macht. Fernan­do advi­seert Henrique dringend het strand te behou­den, zodat zijn leger aan één flank gedekt wordt door de vloot. Henrique slaat ook deze raad in de wind; hij graaft zijn kamp in drie kilometer van de landings­plaats. Hij zet dan zijn hoofd­macht opnieuw in tegen S_lah ibn S_lah, terwijl zijn achterhoede de reusachtige ontzet­tingslegers bevecht. Het is onvermijde­lijk dat de Portuge­se aanvallers afgesneden raken van het strand. De aanvoerders van de Moren omsinge­len hun kamp en belege­ren Henrique en zijn mannen. Ondanks hun moedig verzet wordt hun positie hoe langer hoe meer onhoudbaar. Er wordt een plan ge­maakt ‘s nachts uit te breken naar de schepen, maar dit wordt om onbe­grij­pe­lijke redenen aan S_lah ibn S_lah verraden door Frei Mertim Vieyra, de biecht­vader van Henrique. De Portuge­zen, die bijna volledig omsin­geld zijn, zijn gedwongen zich over te ge­ven. De voorwaar­den van de capitulatie worden aan Marokkaan­se zijde onder­tekend door een groot aantal bevelhebbers. Onder hen zijn de roemruchte Lazeraque, algozil mor en regent voor Moley Abde­lac, de min­derjarige koning van Fez; diens broer Ma­nçor Bemzia, heer van Belez; S_lah ibn S_lah, heer van Tanger en Arzila, en Lahene, heer van Meknès en Salé. De verslagen Portugezen wordt toege­staan zich in te sche­pen, onder ach­terla­ting van Dom Fernando en twaalf edelen. Zij blijven als gijze­laars in Marokko en zullen worden vrijgela­ten als de Portuge­zen hun belofte hebben inge­lost Ceuta aan de Moren terug te ge­ven. Garant voor de overdracht stelt zich de Nasridische koning van Grana­da. Op zijn verzoek wor­den Dom Fern­ando en de zijnen in afwachting van de over­dracht onder­ge­bracht bij Genue­se en Castiliaanse kooplie­den in Arzila. Opmerkelijk is dat deze christenen in Arzila over een eigen godshuis beschikken. Wij weten dit, omdat de kroniek­schrijver vermeldt dat Frei Gil Mendes in deze kerk begraven wordt. Hij is de biechtva­der van Fernan­do, die in Arzila aan dysenterie overle­den is. Ceuta wordt uiteinde­lijk niet terug­gege­ven, omdat de kerk en koning Duarte van oordeel zijn, dat de inmid­dels christe­lij­ke stad, zelfs verhe­ven tot bisdom, niet aan de ongelovi­gen over­gedragen kan worden. Als in mei 1438 duide­lijk wordt dat de Portugezen hun toezegging niet nakomen, heeft dit kwalijke gevolgen voor de gijzelaars. Zij worden eind mei overgebracht naar Fez. Fernando wordt, gescheiden van de anderen, opgesloten in het Alçacer del Rey (koninklijk paleis) `in een gebouw zonder verdiepingen, waarin zich de latrines bevin­den van de eunuchen, die de Poort van Benbuziga­ry bewaken. Henrique en zijn aanhan­gers, die voor het lot van de gijzelaars vrezen, zijn voorstan­der van een nieuwe veldtocht in Marokko. De oorlogspartij weet koning Duarte daartoe echter niet te bewe­gen. Duarte, gekweld door wroe­ging om het lot van zijn jongste broer, wordt ziek, kwijnt weg en overlijdt in 1438 een te vroege dood. Fernando sterft, nog niet vrijgekocht, in juni 1443. Zijn secreta­ris, Frei João Álvares, wordt eerst in 1448 vrijge­kocht en keert in 1450 in Portugal terug. Henrique ver­zoekt hem een kroniek te schrijven van het verblijf van Fernando in Marokko. Het wordt een pathetisch relaas over diens lijden in gevangen­schap, onder de titel: Chroni­ca do Infante Santo D. Fern­ando. De hiervoor vermelde bijzon­derhe­den zijn indirect aan deze kroniek ontleend.

Bij het overlijden van Duarte is zijn zoon Afonso zes jaar oud. De koning heeft de domheid begaan zijn vrouw, Leo­nor van Aragón, aan te wijzen als regentes voor haar zoon, die onder de naam Afon­so V (1438-1481) de troon bestijgt. Zij geniet de steun van het grootste deel van de oorlogspartij, die wordt aangevoerd door haar zwager Henrique, hertog van Viseu, en Afonso, graaf van Barcelos, de onwettige zoon van João I en gehuwd met de doch­ter van Nuno Alva­res Perei­ra. Barcelos is derhalve een halfbroer van de over­leden koning Duarte en diens broers: Pedro, Henrique, João en Fernando. Pedro, hertog van Coim­bra, eist het regent­schap van de konin­gin-weduwe op. Hij vindt daarbij João, Mees­ter van de Orde van Santiago, en een groot deel van de bour­geoisie en de lagere klassen van Lissabon en andere steden aan zijn zijde. De geestelijkheid is verdeeld. In 1440 werpt Pedro zich op als regent. Zijn re­gentschap wordt uitge­daagd door Barce­los, die eist dat konin­gin Leonor een aandeel krijgt in het bestuur van het land. De situatie lijkt op die van de jaren 1383-1385. Toen echter vormde de adel een gesloten groep en genoot de steun van de overgrote meerder­heid van de bevol­king. Nu is de adel verdeeld, terwijl de edelen zich laten leiden door persoonlijke belangen en haat tegenover elkaar. Er is sprake van feodale tegenstellin­gen, zoals die in die dagen overal in Europa voorko­men. Henri­que werkt een compro­mis uit, dat Leonor aanvaardt en Pedro’s regent­schap legali­seert. Pedro heeft veel mee om een goed regent te zijn. Hij is niet alleen energiek, intelli­gent en cul­tuurmin­nend, maar hij heeft vanaf 1416 een oriënta­tiereis gemaakt door het Midden-Oosten en Europa. Hij heeft bezoeken ge­bracht aan de heilige plaatsen in Pale­stina en aan het hof van de Grote Turk; hij is met veel ceremo­nieel ontvangen door de Grote Sultan van Babylon; ter ere van zijn bezoek aan de Heilige Stoel heeft paus Martinus V de Portugese koningen het voorrecht toe­gekend bij hun kroning gezalfd te wor­den, welk voorrecht de konin­gen van Enge­land en Frank­rijk ook bezit­ten; hij heeft de hoven van de koningen van Hongarije en Dene­marken be­zocht en heeft in Venetië een copie ontvan­gen van Marco Polo’s reisver­slag. Als laatste land heeft Pedro in 1427 Engeland aangedaan en is door Henry VI opgeno­men in de Orde van de Kouseband, terwijl door zijn toedoen de Anglo-Portugese handel aanzien­lijk is toegeno­men. Pedro ziet de dwaa­sheid in van de pogin­gen territoria­le uitbreding in Marokko te zoeken. In plaats daar­van geeft hij een nieuwe impuls aan de maritie­me ex­pansie en de over­zeese handel. Barcelos verwerpt echter het door Henrique uitgewerkte com­promis, hetgeen nog tot veel problemen zal leiden. Leo­nor wijkt uit naar Alen­quer en later naar Castilië, en over­lijdt in 1445 in Toledo.

1.4. De eerste slaven

Categorieën
Portugees kolonialisme

Voorbij Kaap Bojador; de reizen van 1434-1436

Deel 2 Index

Hoofdstuk 1

Het begin van de maritieme expansie

1.2 Voorbij Kaap Bojador; de reizen van 1434-1436

Geschreven door Arnold van Wickeren

In het midden van de 14e eeuw is de westkust van Afrika bekend tot Kaap Non (Cabo Não), gelegen aan de kust van de Westelijke Sahara op 2835′ NB. Hoe­wel Kaap Non nauwelijks een barriëre vormt, zou voorbij deze kaap de `Groene Zee der Duisternis’ beginnen. Een term waar­mee de Arabie­ren de onbe­kende onmetelijke Atlanti­sche Oceaan, waarop zij zich niet wagen, aandui­den. De bena­ming `Groe­ne Zee der Duisternis’ is afkomstig van de grote Arabische historicus en geograaf Ibn Sa’id (1214-1274). De angst van de Arabieren is overgedragen op de Portugezen, terwijl de vermeende gevaren van de `Zee der Duisternis’ steeds groteskere vormen hebben aangenomen.

Men zou een zwarte huidskleur krijgen; er leefden monsters die de sche­pen zouden verzwelgen; de golven waren tiental­len meters hoog; wind en stroming waren niet te overwin­nen en uitein­delijk zouden de schepen van de aarde afstor­ten. De vrees van de aarde af te storten is ingegeven door het denkbeeld dat de aarde een platte schijf is, zoals de katholieke kerk in het verle­den heeft geleerd. Weliswaar weten ontwikkelde mensen inmid­dels beter, maar velen hebben de oude voor­stelling nog niet losgelaten en het bevaren van de `Zee der Duisternis’ zou in hun ogen een zekere dood betekenen. Zeventig jaar later raakt de kust bekend tot Kaap Bojador (2630′ NB) en dus begint de `Zee der Duisternis’ in Henri­ques tijd voorbij deze kaap.

De eerste expeditie die Henrique uitzendt om de kust van West-Afrika te verkennen, staat onder leiding van twee jonge land­jonkers, João Gonçalves Zarco en Tristão Vaz Teixeira. Zij moeten de kust onderzoeken voorbij Kaap Non, het verst gele­gen punt dat Portugese vissers en piraten op dat moment kennen. Het tweetal bevond zich op de vloot waarmee Henrique in 1418 het door de moslims belegerde Ceuta te hulp kwam. Zij hebben Henrique toen gevraagd hen een kans te geven zich te onderscheiden. Zarco en Teixeira krijgen in 1419 van hem opdracht uit te varen `….op zoek naar het land Guinée’ Dit immers is het gebied dat Abraham Cresques op zijn kaart uit 1375 heeft bestempeld als `het Land van de Negers’ waar de moslims hun goud vandaan halen. Zoals in deel I beschreven is, wordt de barca van Zarco en Teixeira door de storm de Atlantische Oceaan ingeblazen en landt het tweetal op het eiland Porto Santo, hetgeen reeds in 1420 leidt tot de koloni­satie van dit eiland en van het nabijge­legen Madeira, waardoor de exploratie van de kust van West-Afrika enige jaren wordt uitgesteld.

Vanaf 1422 zendt Henrique ieder jaar opnieuw jonge zeelie­den uit op ontdekkingstocht langs de kust van Marokko. De kapiteins zien ten zuiden van Kaap Non, waar de Sahara zich uitstrekt tot aan de Atlantische Oceaan, een ongastvrije kust, waar weinig vegetatie is en geen enkel teken van menselijke bewoning te bespeuren valt. Er kan dus geen handel gedre­ven worden en derhalve ook geen winst wor­den behaald. De kust voorbij Kaap Non is niet alleen deso­laat, maar ook gevaarlijk. Zij bestaat slechts uit scherpe kliffen en zanddui­nen. Bij westenwind kan het gebeuk van de hoge golven op de riffen al van ver gehoord worden. Van april tot oktober hangt er meestal een zeer dikke mist aan de kust. Verderop rond Kaap Bojador is de kustlijn heel laag, terwijl de zee wemelt van de zandbanken en ondiepten. Een mijl uit de kust geeft het peillood slechts een diepte van drie vadem aan. Duarte Pacheco Pereira, schrijft dat als een schip op veilige afstand uit de kust blijft, daar waar tien vadem water staat, de lage kust­lijn niet meer te onder­schei­den is. Pereira heeft in de jaren tachtig en negentig van de 15e eeuw vele grote reizen meege­maakt. Zijn reis­verslagen vormen een zeer belangrijke bron van kennis. In de jaren 1505-1508 schrijft Pacheco Pereira de Esmeraldo de Situ Orbis. Telkens als Pereira wordt aangehaald, wordt geci­teerd uit dit werk, dat hij zelf een boek over zeemans­kunst en cosmografie noemt. Het werk is voor de vaart op Indië van groot belang, omdat het tal van loodvoor­schriften (por­tolani) bevat. De winden en stromin­gen langs dit deel van de kust van West-Afrika komen hoofd­zakelijk uit het noorden; het is daarom gemak­kelijk langs de kust naar het zuiden te zeilen, maar aanzien­lijk moeilijker om langs de kust varend naar het noorden terug te keren. Geen van in totaal twaalf expedities die Henrique tussen 1422 en 1433 uit­zendt, boekt succes, in die zin dat geen van alle voorbij Kaap Bojador komt. De kapiteins zijn niet vastbesloten genoeg om hun op­dracht te volbrengen, waarbij de angst van de zeelie­den niet te zullen terugkeren als men zich te ver op de `Zee der Duisternis’ waagt zeker een grote rol heeft gespeeld, of zij bezwijken voor de verleiding voor een onderneming die direct profijt oplevert. Zij vallen schepen van moslims aan om deze te plunderen en voeren overvallen uit op kusten van moslimge­bied. Tweemaal heeft een expe­ditie een over­val gedaan op de kust van het islamitische koninkrijk Grana­da en een ander schip is zelfs in de Levant terecht gekomen. Het zwaarte­punt van de Portugese mari­tieme expansie ligt in de jaren 1419-1433 niet op de explo­ratie van Afrika’s westkust. Zoals reeds vermeld, krijgt de kolonisatie van de Madeira-archipel in 1420 voorrang. In 1424 en 1427 zendt Henrique grote en dus geldverslindende expedi­ties uit om vaste voet te verwerven op een of meer Canarische eilanden in de jaren 1427-1431 genieten vooral de Azoren Henriques aandacht. Vergeleken met deze onder­nemingen valt het eens per jaar uitrusten van een schip voor enige jongelui die de Afrikaanse kust moeten verkennen in het niet. Deson­danks raakt het geduld en het geld van Henrique op. Hij wil einde­lijk wel eens resultaten zien, te­meer omdat door de ontdekking van de Azoren een groot probleem is opgelost. In plaats van dat schepen die terugke­ren van West-Afrika moeten optornen tegen noordelijke winden en stromingen, kunnen zij beter een omweg maken over de Azoren. Van­daar kun­nen zij, profite­rend van gunsti­ge westenwinden, in korte tijd naar Portugal terugzeilen.

Koning João I overlijdt in 1433. Hij wordt opgevolgd door zijn oudste zoon Duarte (1433-1438). Over de korte regeer­perio­de van koning Duarte zijn wij ingelicht door Rui de Pina (1440?-1523?). Hij is in 1497 benoemd tot hoofdkro­niek­schrijver en tot guarda mor da Torre do Tombo (bewaar­der van de koninklijke archieven en bibliotheek) en is daar­mee de opvolger van de rond 1474 overleden Zurara. Hij heeft zijn Chroni­ca d’El-Rei D.Duarte ten dele overgeschreven van Zurara en zelfs voor een deel van diens illuste­re voor­gan­ger Fernão Lopes. Welke invloed de troon­bestij­ging van Duarte heeft op de onvrede van Henrique over het geringe resultaat­ van de ontdek­kingsreizen, is niet be­kend. Feit is, dat Dom Henri­que meer dan voorheen nu spoedig succes­sen ver­langt.

De jonge landedelman Gil Eanes krijgt in 1433 het comman­do over een barca en de uitdrukkelijke opdracht zo ver mogelijk voorbij Kaap Bojador te zeilen. Eanes vaart zonder proble­men dertig mijl voorbij Kaap Non en wendt dan de steven naar de Canarische eilanden. Hij vangt daar acht inheemsen (Guanches) en biedt deze bij zijn terugkeer in Lagos te koop aan. Tegen Henri­que zegt hij, dat zijn angst voor de `Zee der Duisternis’ hem belet heeft zijn opdracht uit te voeren. Het jaar daarop krijgt hij een nieuwe kans. Hij zeilt uit in een klein schip, met drie masten en lange ra’s, en met een bemanning van nauwelijks twintig man. Bij Kaap Juby (28 NB) aangekomen verlaat Eanes de kust en vaart, kennelijk omdat hij naviga­tiepro­blemen vreest, met een zeer ruime bocht om Kaap Bojador, waarvan men ten onrechte zegt dat het een reus­achtig voorge­bergte is, dat honderden kilometers in zee uitsteekt. Als Eanes ten zuiden van deze kaap weer de kust bereikt, vindt hij geen voor­ge­bergte, geen rif en ook geen gevaarlijke ondiepten. Hij be­treedt een woes­tijn­kust zonder enig teken van leven. Hij plukt voor Henrique een bloem, `roos van Maria’ geheten, en keert op 28 juli 1434 in Portugal terug met de heuglijke mededeling dat Kaap Boja­dor niet het einde van de wereld is en dat de kustlijn door­loopt naar het zuiden. In zijn reisver­slag ver­meldt hij zeld­zaam naïef dat de zee bij Kaap Bojador `even gemakkelijk is te bezeilen als het water thuis’.

In 1435 zendt Henrique Gil Eanes opnieuw uit, vermoedelijk weer in een barca. Aan de expeditie wordt een tweede schip toegevoegd. Dit is een in kustwateren gemakkelijk te hante­ren varinel, ook wel barinel genoemd. Kapitein hiervan is Henriques schenker, Afon­so Gonçal­ves Baldaia. De schepen zeilen voorbij Kaap Bojador en bereiken ergens op de kust van de Westelijke Sahara een kleine baai. In het zand vinden zij sporen van mensen en kame­len, het­geen duidt op de nabijheid van een dorpje of, op zijn minst, dat mensen met hun handels­waar de plaats passeren op weg naar of ko­mend van een punt aan de kust waar sche­pen een ligplaats vin­den. Boven­dien is de baai rijk aan vis. Daarom noemen zij die Angra dos Rui­vos (Ponenbaai). Als Baldaia na zijn terug­komst Henrique over de menselijke sporen in het zand inlicht, krijgt hij op­dracht bij zijn volgende reis te trachten enige mensen gevan­gen te nemen, zodat Henrique meer te weten kan komen over hun land. In 1436 wordt de varinel van Baldaia op­nieuw uitgerust. Het is mogelijk dat Gil Eanes ook nu weer van de partij is; zijn naam wordt echter niet genoemd in het verslag van deze reis. Baldaia neemt ook twee paarden mee, zodat hij het land voorbij het strand kan onder­zoeken. Aan­geko­men voor de kust van de Westelij­ke Sahara gaat Baldai­a voor anker in een gunstige baai. De paarden worden overboord gezet en zwemmen naar de wal. Hector Homem en Diogo Lopes, `adelij­ke jonge­lieden’ van zeven­tien jaar, rijden naar de oostkant van de baai en treffen daar negen­tien met speren bewapende mannen. Zij denken in hun jeugdige overmoed, omdat zij te paard zijn, enige gevange­nen te kunnen maken, zoals hun is opgedra­gen. Zij slagen daarin niet, komen zelf in het nauw en weten met moeite te ontkomen. Baldaia gaat nu met zijn boot aan wal, maar de speer­dragers zijn ge­vlucht. Om de tocht niet geheel te doen mislukken worden vijfduizend zeeleeu­wen ge­dood, een karwei waarin de zeelieden `veel behagen’ scheppen. De huiden worden als handelswaar ingela­den. Het is de eerste lading die in Afrika ten zuiden van Marokko aan boord is geno­men. Koning Duar­te en Henrique blijken later zeer inge­no­men te zijn met het dichte, zachte bont. Het duurt dan ook niet lang of een levendi­ge handel in huiden en dierlijk traan uit Afrika begint voor Portugal ruimschoots profijt af te werpen. Alvorens naar Portu­gal terug te keren, zeilt Baldaia eerst nog een eind verder in zuidelij­ke richting. Hij bereikt een diepe baai waarin hij een goede anker­plaat­s vindt. Baldaia houdt – dom genoeg – de zeearm voor de mon­ding van de legenda­rische Rio del Oro (Senegal) uit het Libro del Conos­ci­miento van een onbekende Castiliaanse francis­caan uit het midden van de vorige eeuw. Hij noemt de zeearm daarom Rio do Ouro. De vergis­sing en de naam­ge­ving ma­ken duide­lijk waar het de Portugezen vooral om te doen is. Zij zijn bovenal op zoek naar tibar (goud) dat zij in de Rio do Ouro in grote hoeveelheden verwachten te vinden. Na zijn `ontdek­king’ zeilt Baldaia terug naar Portugal. Later zal blijken dat Baldaia geen rivier ontdekt heeft, laat staan goud. Het zal nog zes jaar duren voor de Portugezen het eerste goud in han­den zullen krijgen. Overigens is niet zeker dat de baai die bij vergis­sing Rio do Ouro is ge­noemd, het verste punt is dat Baldaia heeft bereikt. Onzeker is namelijk of de afslach­ting van de zeeleeuwen heeft plaatsge­had bij de Rio do Ouro of in een meer noordelijk gelegen baai. Vast staat dat Baldai­a na de slachtpartij nog een eind langs de kust naar het zuiden is gevaren. Als de vellen bij de Rio do Ouro zijn ingeladen zou Baldaia (met Gil Eanes, volgens Oliviera Mar­ques) als eerste Portu­gees de kreefts­keerkring (2330′ NB) gepas­seerd zijn. Hij zou zelfs geko­men zijn tot 20­46′ NB. Hier heeft Baldaia op de kust een hoge rots waar­geno­men, die op een schip met riemen lijkt. Hij noemt de plaats daarom Pedra (rots) of Porto da Galé (Haven van de Galei).

Op verzoek van koning Duarte bepaalt paus Eugenius IV in zijn bul Rex regum van 8 sep­tember 1436 dat nieuw ver­overd land aan de koning van Portugal toe­komt, maar hij roept tevens de christelij­ke vorsten op de Portu­ge­zen bij te staan in hun strijd tegen de vijanden van de chris­tenheid. Hieruit kan worden afgeleid dat Duarte en Henrique aarzelen of de syste­matische ver­kenning van de west­kust van Afrika een exclu­sief Portu­gese zaak dient te zijn. Zij voelen zich min of meer verplicht andere landen, van de Repu­blica Christia­na, het gemene­best van chris­telijke naties, bij de ontdek­kingen te betrek­ken en nodigen de vorsten van deze landen daar­toe uit. Zij zullen daarbij hebben aangegeven dat de hulp niet tot territoriale aanspraken kan leiden. Er melden zich geen gegadigden, ook als de ont­dek­kingrei­zen in het volgende decen­nium profijt gaan opleveren. Hierop ziet het hof het indivi­due­le optre­den van Portu­gal gaarne erkend ziet door de paus. Pa­checo Pereira schr­ijft over deze zaak: `De Prins begon de ontdek­king ter ere Gods van Cabo de Nam en toen de eerste ne­gers naar zijn rijk ge­bracht werden leerde hij de waarheid over deze heili­ge openba­ring, hij schreef aan alle konin­gen van de christen­heid terwijl hij hen uitnodigde hem te helpen bij deze ontdek­king en verovering ter ere van Onze Heer, ieder van hen heeft een gelijk aan­deel in de winsten, maar zij, het niet van belang vindend, wei­gerden en deden afstand van hun rech­ten. De Prins zond dan naar de Heilige Vader, paus Eugenius IV, Fernam Lopez de Azeve­do, een heer uit zijn huis­hou­ding en een raadgever van koning Afon­so V, en Com­man­deur in de Orde van Christus, die de Pontifex de boodschap van de Prins en de weigering van de ko­nin­gen over­handigde, en al zijn verzoe­ken werden ingewil­ligd.’ Verschil­lende pausen zullen de Portugezen in de loop van vele decennia aanmoedi­gen onbeken­de streken te ont­dekken en de inwoners te bekeren. Na 1436 zullen de ontdek­king­reizen enige jaren gestaakt worden, omdat een veldtocht in Marokko en dy­nastieke verwikkelingen de aandacht van Henrique opei­sen.

1.3. Het echec voor Tanger; onrust in het land

Categorieën
Portugees kolonialisme

Het begin van de maritieme expansie. Ontdekkings- en handelsreizen naar West-Afrika

Deel 2 Index

Hoofdstuk 1

Het begin van de maritieme expansie

1.1 Het begin van de maritieme expansie

Geschreven door Arnold van Wickeren

In deel I van dit boek zijn niet alleen de verovering van Ceuta in 1415 en de pogingen van moslimzijde om de stad te heroveren uitvoerig besproken, maar het begin van de maritieme expansie kwam ook reeds ter sprake. Onder ver­wij­zing naar Deel I volgt van dit begin een korte samenvat­ting, aangevuld met enige opmerkingen over de drijfveren achter de snelle kolonisatie van de Atlantische eilanden en de maritieme expansie in het algemeen, ontleend aan het boek van Waller­stein.

Als Henrique in 1419 uit Ceuta is teruggekeerd, laat hij twee jonge landjonkers, João Gonçalves Zarco en Tristão Vaz Teixeira, uitvaren `…op zoek naar het land Guinée’. Zij komen op het eiland Porto Santo terecht, dat zij zeer ge­schikt achten voor kolonisatie. Het jaar daarop vertrekken zij, verge­zeld van de Genuees Bartolomeo Perestrello. Het drietal heeft ook een groep kolonisten aan boord. Porto Santo wordt in bezit genomen, evenals het nabij­gelegen veel grotere Madeira, dat zij vanaf Porto Santo hebben waarge­nomen. In 1425 vertrekt een grotere expeditie naar de twee eilanden, gevolgd door de gezinsleden van de eerste kolonis­ten en nieuwe emigranten, onder wie pries­ters. Tezelfdertijd heeft Henrique ook belangstelling voor de Canarische eilan­den, waar hij in 1416 Gonçalo Cabral reeds naartoe heeft gezonden om de zeestromingen daar te meten. In 1424 zeilt een grote vloot, met een paar duizend man, onder João de Castro naar Gran Canaria. De inwoners verzetten zich zo heftig dat het expe­di­tie zich onverrichter zake inscheept, terwijl een tweede expeditie in 1427 evenmin succes heeft. In hetzelfde jaar ontdekt Diogo de Silves de oostelijke gele­gen Azoren-eilanden Santa Maria en S.Miguel en mogelijk ook Terceira, Graci­osa, S.Jorge, Pico en Faisal, als hij ver­moe­delijk komend van Madeira, met het oog op de heersen­de winden, met een grote bocht naar het westen terugzeilt naar Portugal. Nadat Henrique in 1432 een expedi­tie, onder Frei Gonçalo Velho, naar de Azoren heeft gezon­den, wordt reeds in 1439 tot kolonisatie van Santa Maria en S.Miguel besloten. Een leidende rol hierbij speelt de Vlaming Jácome de Bruges. Er komen zoveel landge­noten van Jacob van Brugge naar de Azoren, dat deze lange tijd zullen wor­den aange­duid als de Vlaamse eilan­den. Met de inname van Ceuta en met de koloni­satie van de Atlanti­sche eilanden heeft Portu­gal de leiding geno­men van de Europese expan­sie en zal deze niet meer afgeven.

Waller­stein haalt Go­dinho en Joël Serrão aan, die veron­der­stellen dat de behoef­te aan land­bouw­grond de voornaam­ste drijf­veer voor de koloni­satie van de Atlanti­sche eilanden is geweest. Zij leveren aanvan­kelijk veel hout en na ontbos­sing granen, suiker, wijn en kleurstof­fen, voor de textiel­indus­trie. De invoer van tarwe is voor Portu­gal, met zijn structureel graantekort, letterlijk van levensbe­lang. Tarwe en hout worden in de 15e eeuw ook aange­voerd door Hanze-koop­lie­den en Bretons. Aan hout heeft Portu­gal, dat zelf weinig echte bossen heeft, grote behoef­te. Langzame maar gestage ont­bos­sing in West-Europa en de landen van de Middelland­se Zee heeft tot scha­arste aan hout geleidt. Een schaarste die vooral Venetië tegen het einde van de 15e treft. Suiker wordt in Portu­gal zelf voortge­bracht, sedert de Genuees Gio­van­ni della Padua in 1404 een koninklijke vergun­ning kreeg om een suikerriet­planta­ge in de Algarve aan te leggen. De Genue­zen, die erva­ring hebben met de produc­tie van suiker op Sicilië, nemen ook het initia­tief en verstrek­ken het kapitaal en de verwer­kings- en irriga­tie-technie­ken voor de productie van suiker op Madeira en de Azoren. Het klimaat op de Azoren blijkt daarvoor echter minder ge­schikt. Gelei­de­lijk aan ver­dringt op Madeira de suikerproductie de voort­brenging van tarwe en worden de Azoren korenschuur. Suiker dient, als bron van calorie­ën, ter ver­vanging van vetten. Dit is van belang omdat de con­sump­tie van vlees na 1400 in Europa af­neemt. Godinho merkt op dat uitbrei­ding van de visge­bie­den daar­om ook een voorname drijfveer achter de Portuge­se ontdek­kingsreizen is. Van zeer veel belang acht Godinho de behoefte aan edele metalen, niet alleen voor monetaire doelein­den bij een groeiende wereld­econo­mie, maar ook voor het aanmaken van siera­den voor de adel. De `kruis­vaar­ders­men­tali­teit’, dus de drang tot evange­lisatie, is waar­schijnlijk van weinig invloed op de maritieme expansie ge­weest. Hoewel beslis­singen van individuele Portu­ge­zen (en Span­jaar­den) soms ingegeven zijn door religieus fanatis­me, lijkt de wil de onge­lovi­gen te ker­stenen als motief voor de expansie een ratio­nalisatie te zijn. Temeer omdat deze rationalisatie aan het vaak geweld­dadig optre­den een verhe­ven doel verleent.

1.2. Voorbij Kaap Bojador; de reizen van 1434-1436

Categorieën
Portugees kolonialisme

Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee. DEEL 2.

Geschreven door Arnold van Wickeren

Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee. DEEL 2.

Ontdekkings- en handelsreizen naar West-Afrika, Portugal ten tijde van Afonso V (1438-1481), De maritieme expansie ten tijde van João II (1481-1495)

Verantwoording

Hoofdstuk 1. Ontdekkings- en handelsreizen naar West-Afrika

1.1. Het begin van de maritieme expansie

1.2. Voorbij Kaap Bojador; de reizen van 1434-1436

1.3. Het echec voor Tanger; onrust in het land

1.4. De eerste slaven

1.5. Handel en ontdekkingen in de jaren 1443-1447; de factorij op het eiland Arguim

1.6. Het rijk van Preste Joam

Hoofdstuk 2. Portugal ten tijde van Afonso V (1438-1481)

2.1. Burgeroorlog; het monopolie op ontdekkingen en ver­overin­gen

2.2. De reizen van Cà da Mosto

2.3. Marokko

2.4. Strijd met Castilië

2.5. De reizen van Diogo Gomes en Pedro de Sintra (1458-1462)

2.6. Handel aan de kusten van Guinée en Serra Leôa

2.7. De Mina-kust ontdekt; Castiliaanse concurrentie

Hoofdstuk 3. De maritieme expansie ten tijde van João II (1481-14­95)

3.1. Portugal onder João II; consolidatie van de monarchie

3.2. Marokko en Arguim

3.3. São Jorge da Mina

3.4. De eerste reis van Diogo Cão; contacten met Congo

3.5. De tweede reis van Diogo Cão

3.6. De reis van Bartolomeu Dias

3.7. Op zoek naar het rijk van Preste Joam

3.8. De betrekkingen met Congo

3.9. Christoffel Columbus; het Verdrag van Tordesillas

Verantwoording

In de `Verantwoording’ van Deel I van dit werk is uitvoerig ingegaan op de wordingsgeschiedenis van dit boek en op de bij het schrijven daarvan gevolgde werkwijze. Hier zij slechts vermeld, dat gede­tail­leerde deelstu­dies overwo­gen zijn, maar dat tenslotte het oor­spronkelijke onderwerp gehand­haafd is. Deze is, de gehele geschie­denis van Portu­gal, met een sterk accent op de heroï­sche tijdvak­ken van ontdek­kin­gen, ver­overin­gen en tenslot­te de strijd om het behoud van verwor­ven posi­ties, tegen vooral de Hol­land­se belagers. Gelet op het brede karakter van het boek en mijn leeftijd (1935) zou het werk niet voltooid kunnen worden als bij ieder deelon­der­werp de oor­spronkelijk litera­tuur en vrijwel alles wat daarna aan studies over dat onder­werp gepubli­ceerd is, zou worden betrokken. Er is daarom uitslui­tend gebruik­gemaakt van secun­daire litera­tuur, met dien verstan­de dat per deelon­der­werp, naast andere wer­ken, het best gedocu­menteer­de boek is, of de best gedocumen­teerde boeken zijn, geraad­pleegd. De selectie van deze werken is geschied aan de hand van de biblio­grafie en de verantwoor­ding in daarvoor geraad­pleegde boe­ken. Een daarbij onder­vonden probleem is, dat sommige boeken in geen enkele Nederlandse bibliotheek worden aangetroffen. Dit zou de reden kunnen zijn dat een bepaald werk node gemist wordt. In ieder deel is, per hoofdstuk of deel daarvan, aange­geven welke werken zijn geraadpleegd. In het laatste deel zal een volledige lijst van geraadpleegde literatuur worden opgeno­men. Er wordt gestreeft naar delen van circa tweehonderd pagina’s tekst. Hoeveel delen dat bij leven en welzijn zal opleveren, is nog niet te zeggen.

Omdat dit boek berust op literatuurstudie en niet op bron­nenon­derzoek, zal de lezer over het algemeen niet de eigen mening van de schrijver aantreffen. In belangrijk geachte gevallen, waarin door de onduidelijkheden of tegenstrijdig­heden in de oudst beschik­bare bron­nen, ruimte is voor verschillende interpretaties, zijn de verschillende opvat­tingen van historici naast elkaar vermeld. Soms is, beargu­men­teerd, geko­zen voor een bepaalde opvatting. Het boek bevat geen noten, omdat het geen proefschrift is en omdat het ontbreken van noten de lees­baarheid ver­groot.

De `Inleiding’ geeft een beknopte samenvatting van Deel I, voorzover relevant voor de lezer van Deel II. Bij het schrij­ven zijn drie nieuwe werken gebruikt. Het belangrijkste boek is het eerste deel van Immanuel Wallersteins werk The Mo­dern World-System, met de ondertitel Capita­list Agri­culture and the Origins of the European World-Economy in the Sixteenth Century. In dit boek worden de oorza­ken van de Europese expan­sie in de 15e eeuw en de Portugese leiding daarbij, bij wijze van aanloop tot het eigenlijke onder­werp van het boek, in een breed perspectief geplaatst. Het twee­de boek is Congo to Cape van Eric Axelson, waaraan enige saillante bijzonderheden werden ontleend, die in de samen­vatting zijn verwerkt. Hetzelfde geldt voor het derde boek: Portu­gal e o Mar, Viagens pelos Desco­bri­mentos van Rui Rasqui­ho en Jorge Barros, dat in 1983 in opdracht van de Raad van Europa ge­schreven ter gelegen­heid van de XVII Expo­sição Europeia de Arte, Ciênci­a e Cultura en dat in een kort bestek een uitstekende samenvat­ting geeft.

Nadat bij de verschillende hoofdstukken/paragrafen de literatuur is vermeld, toevoegen: wanneer uit de vermelde literatuur geciteerd wordt, of er anderszins naar verwezen wordt, is kortheidshalve slechts de achternaam van de auteur vermeld. Veel geraadpleegde auteurs citeren veelvul­dig uit, of beroepen zich op klassieke Portugese kronieken. Voorzover deze citaten of standpunten in dit boek zijn overgenomen, is daarbij ook slechts de achternaam van de kroniekschrijver vermeld, terwijl de kroniek en andere relevante zaken uit onderstaande opsom­ming blijken.

1.1. Het begin van de maritieme expansie

Categorieën
Portugees kolonialisme

De Azoren. Het begin van de maritieme expansie

Deel 1 Index

Hoofdstuk 5

Het begin van de maritieme expansie

5.8 De Azoren

Geschreven door Arnold van Wickeren

Deze archipel, die een lengte heeft van 600 kilometer en die op 1.500 kilometer van Portugal ligt, schijnt al bezocht te zijn door de Carthagers en de Arabieren, maar in de Middeleeuwen zijn de Azoren in vergetelheid geraakt. Portugese zeelieden hebben ervaren dat zij, terugkerend van de Canarische eilanden of Madeira, ervoor moeten oppassen niet te ver naar het westen te varen, waartoe zij geneigd zijn om piraten uit Castilë te ontwijken. Als zij dat doen, komen in wateren met ongunstige winden. Houden zij echter eerst een noordwestelijke koers aan, dan kunnen zij profiteren van de westenwind om snel naar Portugal te zeilen. Zodoende neemt kapitein Diogo de Silves, een dienaar van koning João I, in 1427 het meest zuidelijk gelegen Azoren-eiland Santa Maria waar. Daarna ziet hij São Miguel en op dezelfde reis wellicht ook nog vijf andere grote Azoren-eilanden. Dit blijkt uit een portolano die vermeld wordt door Charles de La Roncière en waarop aangegeven staan: l’ylla de Oesels (Santa Maria), l’ylla de Fruydols (São Michel), allebei in het zuidoosten, l’ylla de Inferno (Terceira), l’ylla de Guatrilla (São Jorge), l’’ylla de Sperto (Pico) in het centrum van de archipel, In feite is sprake van een herontdekking van de Azoren, niet alleen omdat de Carthagers en de Arabieren de eilanden al kenden, maar ook omdat de Archipel in de veertiende eeuw reeds bij toeval is ontdekt en al in 1381, zij het vaag, in kaart gebracht. Vermoedelijk heeft Silves de positie van de door hem waargenomen eilanden niet precies kunnen aangeven, want tussen 1427 en 1431 draagt Dom Henrique Gonçalo Velho Cabral, een ridder in de Orde van Christus, op om de `verre eilanden’ die staan aangegeven op de portolani van de Atlantische Oceaan te gaan ontdekken. Gonçalo Velho, die met twee schepen uit Sagres vertrekt, heeft onwaarschijnlijk veel geluk; hij vaart rechtstreeks naar de Formigasrotsen (formigas = mieren), die de uiterste voorposten van de Azoren vormen. Daarna laat het geluk hem in de steek.

Ondanks dat hij een groot deel van de Atlantische Oceaan afzoekt, neemt Gonçalo Velho geen eilanden waar en keert ontmoedigd naar Sagres terug. Het jaar daarop wordt hij opnieuw door dom Henrique erop uitgestuurd. Hij neemt op 15 augustus 1432 een onbewoond eiland waar dat Gonçalo Velho, op deze aan de Heilige Maagd gewijde dag, Santa Maria doopt. Als de expeditie op het eiland aan land is gegaan, geeft Gonçalo Velho zijn mannen opdracht daar een kleine kerk te bouwen, gewijd aan Nossa Senhora da Assumpção. Naast de kerk laat Gonçalo Velho ook een huis bouwen. Op 29 september ontdekt hij een tweede eiland, São Michel, daarna een derde, Terceira (officieel: Nosso Senhor Jesus Cristo), dat ook wel Bom Jesus wordt genoemd, voorts Faial (voorheen: São Dinis), midden in de archipel, en tenslotte Pico (officieel: São Luis). Op al deze eilanden treft hij havikken (acors in het Portugees) aan, naar welke vogels hij de gehele archipel noemt. Zelfs als Diogo de Silvés in 1427 zijn reis had voltooid, dan dient Gonçalo Velho Cabral toch te worden beschouwd als degene die de Azoren als capitão en in naam van de Orde van Christus, in bezit heeft genomen, zoals Béthencourt en La Salle dit hebben gedaan met de Canarische eilanden en Zarco, Vaz en Perestrelo met Madeira en Porto Santo. In de tweede helft van de jaren vijftig van de eeuw zijn de twee meest westelijk gelegen Azoren-eilanden van enige omvang ontdekt. Zij ontvangen de namen Corvo (afgeleid van Corvi Marini) en Flores (bloemen). De nog niet genoemde eilanden: São Jorge, (voorheen San Giorgio) en Graciosa waarvan de Italiaanse naam is gehandhaafd, zijn al eerder bij toeval ontdekt.

Gonçalo Velho begint de eilanden te koloniseren met eigen middelen. Hij brengt al in een vroeg stadium vee naar de eilanden Santa Maria en São Miguel (dat hij – volgens Zurara – voor een deel van dom Henrique heeft gekregen), varkens, ooien, geiten en zelfs koeien. Weldra groeit er ook graan op de eilanden, dat wordt geëxporteerd, evenals wedeblauw en een gekleurd korstmos, orcella. Bij koninklijke brief van 2 juli 1439 wordt dom Henrique gemachtigd de zeven tot dan toe ontdekte Azoren-eilanden, die een uitstekend klimaat hebben, met kolonisten te bevolken. Wat Santa Maria en São Miguel betreft, draagt dom Henrique dit recht over aan Gonçalo Velho, maar deze wacht daarmee nog zes jaren. Zurara schrijft hierover: ’In het jaar 1445 zendt de prins een ridder genaamd Gonçalo Velho… commandeur in de Orde van Christus (commandeur van Almourol), uit om twee andere eilanden dan Madeira te bevolken. Het gaat om afgelegen eilanden, die 170 léguas naar het noordwesten liggen.’ De Eilanden zullen, evenals Madeira en Porto Santo en met hetzelfde doel, in leen worden gegeven aan de Orde van Christus. Op het grote eiland São Miguel plant capitão Gonçalo Velho suikerriet aan. Anders dan bij Madeira, is het lastig de ontwikkelingen op de Azoren precies te volgen. Dom Pedro, Henriques oudere broer, schijnt een belangrijke rol te hebben gespeeld. Nadat koning dom Duarte in 1438 is overleden, en zijn broer dom Pedro, in naam van Afonso V het land regeert, begint hij – volgens Zurara – het eiland São Miguel te bevolken. De regent heeft het eiland ook zijn naam gegeven, ‘wegens zijn bijzondere devotie die hij altijd voor deze heilige heeft gehad.’ De kolonisten op de Azoren mogen, evenals die op Madeira, goederen vrij van belasting naar Portugal exporteren. Regent Pedro bevordert de groei en bloei van São Miguel door dit privilege in 1447 een eeuwigdurend karakter te geven. Uit het voorgaande blijkt dat dom Henrique ten aanzien van de Azoren de derde viool speelt, na Gonçalo Velho, de capitão van Santa Maria en dom Pedro. De kolonisatie van São Miguel stokt dan ook als dom Pedro in 1449 een gewelddadige dood is gestorven. Koning Afonso V geeft naar eigen goeddunken na 1449 de meeste eilanden van de Azoren aan zijn hovelingen en aan groten van zijn rijk die aan zijn hof verblijven. Terceira wordt op 2 maart 1450, op verzoek van dom Henriques zuster Isabel, hertogin van Bourgondië, in erfelijke leen gegeven aan een Vlaming, Josué van den Berghe; Corvo komt op 20 januari 1453 aan Afonso, de eerste hertog van Bragança, bastaard zoon van koning João I. Op 22 augustus 1460, kort na het overlijden van dom Henrique, komen de eilanden, Santa Maria, São Miguel, Terceira, Graciosa en São Jorge, evenals Madeira, aan Fernando, de jongere broer van Afonso V en hertog van Viseu. Pas in de jaren zestig worden Terceira, Graciosa, Faial en Pico bevolkt en verdeeld in capitanias. Omdat er in Portugal weinig animo is voor vestiging op de Azoren kunnen capitanias ook aan vreemdelingen gegeven worden. Twee Vlamingen worden capitão van de belangrijkste capitanias. Wilhelm van der Haagen wordt capitão van Terceira en Graciosa en aan zijn landgenoot Josse van Huertere worden Faial en Pico toegewezen. Zij nemen zoveel landgenoten mee, dat de Azoren jarenlang op kaarten worden aangeduid als `De Vlaamse eilanden’. Evenals Madeira leveren de Azoren houtproducten en delfstoffen, terwijl er vooral gevist wordt voor lokale consumptie. Na 1470 worden vee en tarwe uitgevoerd. Voor de productie van suiker is het klimaat ongeschikt, zodat er maar weinig slaven naar de Azoren worden gebracht.

Deel 2: Ontdekkings- en handelsreizen naar West-Afrika, Portugal ten tijde van Afonso V (1438-1481), De maritieme expansie ten tijde van João II (1481-1495)

Categorieën
Portugees kolonialisme

De Madeira-archipel. Het begin van de maritieme expansie

Deel 1 Index

Hoofdstuk 5

Het begin van de maritieme expansie

5.7 De Madeira-archipel

Geschreven door Arnold van Wickeren

De Madeira-archipel is zonder twijfel vanaf het midden van de veertiende eeuw bekend bij zeelieden uit West-Europa, maar deze eilanden worden slechts incidenteel aangedaan door Castiliaanse en Normandische zeelieden die rugkeren van de Canarische eilanden. Het voornaamste doel van hun bezoek is het verkrijgen van een rode verfstof, drakenbloed genoemd, die gebruikt wordt in de kledingindustrie. De ontdekking, of beter de herontdekking van de archipel is onbetwistbaar te danken aan Portugese zeelieden. Dom Henrique keert eind 1418 of begin 1419 terug van zijn tweede verblijf in Ceuta en neemt het ambt van gouverneur van de Algarve op zich. In zijn huis wonen twee jonge landjonkers, die volgens Zurara tot grote dingen in staat zijn: João Gonçalves Zarco en Tristão Vaz Teixeira. Zarco is een edelman – vervolgt de kroniekschrijver – die al aan vele roemrijke onderne-mingen heeft deelgenomen en in het bijzonder aan het ontzet van Ceuta, dat door de moren werd opgeheven op de dag dat de christenen daar aankwamen. Tristão Vaz is eveneens een ridder die betrokken is geweest bij de gebeurtenissen rond Ceuta. Hij is ‘een zeer stoutmoedig man, maar niet zo nobel als João Gonçalves.’ Dom Henrique roept Zarco, afkomstig uit het vissersdorp Matosinhos en een ervaren zeeman, en Tristão Vaz bij zich en geeft hen opdracht een barca, een klein kustschip met één vierkant zeil. uit te rusten. Het enthousiaste tweetal kiest direct het ruime sop. Zij zeilen met wind mee naar het zuiden, maar worden na een paar dagen overweldigd door een verschrikkelijke oostenwind, de Levantijn die regelrecht uit de Middellandse Zee waait en hen hulpeloos van de Afrikaanse kust de lege en onbekende Atlantische Oceaan injaagt. ‘Voortgestuwd door tegenwind, komen zij aan op een onbekend eiland, gelegen op 33° 7’ NB en op 2° 10’ WL. Zij bekijken het eiland, dat een omtrek blijkt te hebben van zeven léguas, nauwkeurig en noemen het Porto Santo, ongetwijfeld uit dankbaarheid aan een groot gevaar te zijn ontsnapt. ‘Terug in Portugal vertellen zij dom Henrique: het is een goed land, dat waard is te worden bevolkt. Zij hebben daarin zelf ook zin. Dom Henrique geeft direct opdracht het ondernemende tweetal te voorzien van alles wat zij voor de terugkeer naar het eiland nodig hebben. Zij zullen vergezeld worden door Bartolomeu Perestrelo, een edelman uit het huis van prins João. Hij is de zoon van Filippo Palastrelli, die in 1385 uit Plaisance naar Portugal is gekomen en daar midden in de burgerlijke revolutie is beland.’

Het kleine eskader van drie vaartuigen vertrekt uit de Algarve naar Porto Santo. Als de schepen op 900 kilometer ten zuidwesten van Lissabon zijn, nemen Zarco en zijn mannen opnieuw Porto Santo waar en zij zetten er voet aan wal. Er gaan ook 100 geselecteerde kolonisten aan land. Zij hebben levend vee, zaden en landbouwgereedschappen meegebracht. De eerste kolonisatie van Porto Santo loopt evenwel uit op een ecologische ramp. Over de oorzaak daarvan zijn alle kroniekschrijvers en historici het eens. Bartolomeu Perestrelo heeft een drachtig konijn gekregen dat hij in een kooi heeft vervoerd. Als de kolonisten huizen aan het bouwen zijn laten zij het konijn met haar jonkies los rondlopen. In korte tijd vermenig-vuldigen de konijnen zich in een ras tempo; zij verspreiden zich over het hele eiland en vreten dat kaal. Opnieuw gewassen zaaien heeft geen zin, want de konijnen verwoesten de nieuwe aanplant. De kolonisten moeten Porto Santo te verlaten. Dankzij de snelle vermenigvuldiging van de konijnen worden twee groepen onbewoonde eilanden ontdekt: de Desertas en de Selvagens. Boven deze rotsen verheft zich soms een duistere wolk in de vorm van een kolom, die de kolonisten van Porto Santo ‘de Mond van de Hel’ noemen, maar die desondanks een grote aantrekkingskracht op hen uitoefent. Als zij naar de rookkolom zeilen, zien zij nog een nieuw eiland, waar zij ankeren. Hun sloepen glijden langs de romp van hun vaartuigen en zij stappen uit aan het strand. Zij worden verwelkomd door inheemsen die hun minder wreed lijken dan die geduchte Guanches van de Canarische eilanden

João Gonçalves Zarco en zijn mannen (Antoine Gago, Gonçalo Aires, Rui Pais en anderen) beginnen direct met de exploratie van het eiland. De vorm daarvan is ovaal; de lengte bedraagt 58 en de breedte 22 kilometer. Geboren uit een lange periode van vulcanische activiteit, bestaat het eiland uit een plateau waar de lava grote basaltbrokken heeft gevormd. Op het hoogste punt bereiken deze een hoogte van 1.861 meter en zij vormen daar ‘een soort kasteel’, maar naar de buitenkant worden zij lager. De kust, vooral in het noorden wordt gekenmerkt door diepe ravijnen en steile rotspartijen. Zarco en de zijnen vinden ‘dit tweede eiland heel goed, vooral door zijn vele waterstromen, die over het gehele eiland water brengen. Het eiland heeft goede en gezonde lucht en vele vogels, die zich met de hand door de Portugezen laten pakken, en veel andere goede zaken.’ Op de feestdag van de Heilige Elisabeth (17 november) besluit Zarco het eiland officieel voor de koning in bezit te nemen. Omdat het overdekt is met jenever-besstruiken en er daardoor uitziet als een echt bos, besluiten de Portugezen het eiland Madeira (bos) te noemen. Deze naam ligt dicht aan tegen de naam Legname (hout) waaronder het eiland op Italiaanse kaarten uit die tijd staat aangegeven. Er zijn mannen die voorstander zijn van de naam Machico, de oorspronkelijke naam van het eiland, die verband houdt met de eerste legendarische ontdekking door een Engelsman, Robert Mac Kean, welke familienaam wellicht verbasterd is tot Mac Chico. Hij zou op deze plaats gestorven zijn aan de zijde van zijn geliefde, Anne Dorset. Het paar zou zich in Bristol met enkele matrozen hebben ingescheept met het oogmerk hun verboden liefde te beschermen. Zij zouden, onder de regering van Edward III, door een enorme windvlaag op de kust van Madeira zijn gesmeten. Na korte tijd in een hut van armzalige takken weerstand te hebben geboden aan weer en wind, zijn zij gestorven van liefde en uitputting en zij zijn door hun bemanning begraven onder twee houten kruisen. Hun compagnons in het ongeluk zouden zijn vertrokken naar verre horizonten, maar zij zijn op zee in handen gevallen van Barbarijse zeerovers en hun ongelukkige leven hebben gesleten in de baden van Marokko. Een slaaf, Juan de Moralès, een voormalige stuurman uit Sevilla, zou hun belevenissen en de locatie van het ontdekte eiland hebben vernomen, voortdat hij werd vrijgekocht door zijn rijke familie. Volgens de legende zou dezelfde Juan de Moralès stuurman bij Zarco zijn geweest. Volgens een andere legende zou de naam Machico aan het eiland gegeven zijn door de bootsman van een boot met die naam, die in Portugal leeft en wiens naam daadwerkelijk wordt genoemd in een acte van april 1379.

Verschillende tekenen op het eiland lijken de legende van Mac Kean te ondersteunen. Een van de metgezellen van Zarco, Rui Pais, ontdekt op het eiland daadwerkelijk de curieuze graven die blijkens de daarop geplaatste houten kruisen, van christelijke origine lijken te zijn. Zouden dit werkelijk de graven van Mac Kean en zijn verloofde zijn? Of hebben we te maken met de laatste rustplaats van de schipper van een barca uitgezonden door koning Fernando. Gaat het om een Engels of een Portugees graf? Men weet het niet.

Nadat Zarco het eiland summier heeft bekeken, installeert hij zich aan de zuidkust daarvan. Hij vindt de plaats uitnodigend, er stromen drie riviertjes en er groeien vruchten van uitstekende kwaliteit in overvloed. Hij vestigt zich op een plaats waar een overvloed aan venkel groeit. Hij geeft de plek de naam funcho (venkel), wat Funchal, de eerste Portugese vestiging op Madeira is geworden. Volgens een telkens doorvertelde overlevering zou daar een vuur aangestoken zijn om de bodem van begroeiïng te ontdoen, maar dat grijpt zozeer om zich heen dat de Portugezen genoopt zijn een rivier in te vluchten om aan de vlammen te ontsnappen. De reddende stroom heeft daarom nog lange tijd de naam Rio dos Soccoridos gedragen. Bepaalde tijdgenoten, zoals Diogo Gomes, bevestigen dat het vuur onder het struikgewas nog negen jaar heeft doorgesmeuld.

In de jaren 1419 tot 1425 hebben de Portugezen contact met de Madeira-archipel. Het lijkt ons – schrijft Michel Vergé-Franceschi – dat het gaat om louter particulier initiatief. Hebben Zarco, Vaz en Perestrelo vanaf 1419 steun van dom Henrique ontvangen? Zurara zegt van wel, maar men kan daaraan blijkens weergevonden archiefstukken terecht twijfelen. Volgens Zurara zou de prins direct mensen naar de archipel hebben gezonden. De kolonisatie van Madeira zou derhalve in 1420 zijn begonnen. Maar een document van dom Henrique zelf, gedateerd 18 september 1460, maakt duidelijk dat de kolonisatie van Madeira, Porto Santo en de Desartas 35 jaar eerder, dat is pas in 1425, vijf à zes jaar na de ontdekking, is begonnen. Van 1425 tot 1433 is er overigens van praktische steun van dom Henrique niet of nauwelijks sprake. Gedurende deze eerste periode schijnen de bevelen gegeven om Madeira productief te maken inderdaad te zijn uitgegaan van de oude koning zelf. Eerst na het onverwachte overlijden van dom João I op 14 augustus 1433, zal dom Henrique de Madeira-archipel ontvangen van de nieuwe koning dom Duarte. Het desbe-treffende koninklijke decreet is gedateerd 26 september 1433. Eerst vijftien jaren na de ontdekking begint dom Henrique de particuliere initiatieven van Zarco en zijn kompanen te steunen. De prins bewerkstelligt de werkelijke kolonisatie van de eilanden, waarnaar hij ook ambtenaren en kerkversier- selen zendt en voor het eerst een vorm van koloniaal bestuur opzet. Het eiland wordt verdeeld in twee capitanias. Het oostelijke deel van Madeira zal door dom Henrique eerst pas twintig jaren na de ontdekking worden toevertrouwd aan de autoriteit van Tristão Vaz Teixeira. De Portugese zeevaarder wordt op 8 mei 1440 capitão-donatário. Wat het westelijke deel (Funchal) betreft, daarvan zal Zarco niet eerder dan 1 november 1450 capitão-donatáo worden. Hij neemt op een laat tijdstip in zijn leven de naam Zarco de Câmara de Lobos aan, omdat hij een grot vol zeeleeuwen zou hebben gevonden. Deze nieuwe naam en het bijbehorende wapenschild zullen eerst worden erkend door koning Afonso V op 4 juli 1460, dus in het jaar waarin dom Henrique overlijdt.

Vanaf de jaren 1419-1420 tot aan het decennium 1440-1450, is de gerealiseerde ontginning, bebouwing, bevolking en kolonisatie van Madeira het werk van twee mannen, Zarco en Vaz, veel meer nog dan van dom Henrique. Dit blijkt zonneklaar uit de hervonden documenten. Zarco heeft zonder twijfel besloten Madeira te bevolken, zoals Jean de Béthencourt voor de Canarische eilanden kolonisten heeft aangetrokken. Zoals hij Normandiërs en mensen uit de Poitou heeft aangeworven zonder enige steun van de Franse koning, zo werft Zarco kolonisten op eigen kosten. Bartolomeu Perestrelo die pas – zoals gezegd – bij brief van 1 november 1446 door dom Henrique is benoemd tot capitão-donatário van Porto Santo, gaat op dezelfde wijze te werk. Het ambt van capitão wordt vervuld voor het leven en is bovendien erfelijk. Van de revenuen van hun capitania ontvangen de capitães een tiende deel van de aan de kroon toevallende tien procent. Zarco woont meer dan twintig jaar als heer-eigenaar en conquistador in Funchal. Daar verwelkomt hij met zijn vrouw dona Constança, zijn twaalfjarige zoon en zijn twee dochters, een cliëntele van familieleden en vrienden die in zijn sporen willen treden, met medebrenging van gereedschappen, planten, zaden, huisdieren, waaronder de onvermijdelijke zich snel vermeerderende konijnen. Zarco gedraagt zich twee of drie decennia als een geisoleerd levende kolonist en als een onafhankelijk planter. Hij geeft bevel een stuk land te ontdoen van de natuurlijke begroeiing en hij brengt het vervolgens in cultuur. De eerste wijnranken worden uit Kreta ingevoerd en zij leiden weldra tot een vermaarde wijngaard. De eerste stengels suikerriet, die van Sicilië komen, vormen het begin van de eerste mooi gelegen en bewaterde plantages. In het begin beslaan de suikerrietplantages drie kwadraat léguas, maar al spoedig bedekken zij een groot deel van het eiland. Wat de konijnen betreft, deze vermenigvuldigen zich gevaarlijk in de heidevelden en dreigen een werkelijke plaag te worden voor de landerijen, maar volgens Zurara verhinderen zij niet dat Porto Santo een graanproducent wordt, wat de Venetiaan Ca’ da Mosto later zal vaststellen. Deze laatste heeft opgemerkt dat Porto Santo, afgezien van granen, honing voortbrengt, die de beste ter wereld zou zijn. Het oordeel van Zurara is bepaald minder positief, hij schrijft: ‘De overvloed aan konijnen belet dat de cultures tot bloei komen. Men legt zich toe op de veeteelt en men verzamelt drakenbloed dat wordt verkocht in het koninkrijk en dat naar veel andere plaatsen wordt uitgevoerd.’

De kolonisatie van de Madeira-archipel verloopt traag en moeizaam. In Portugal wordt de kolonisatie van Madeira als een probleem ervaren; men vraagt zich af of het verstandig is kolonisten uit te zenden naar overzee, omdat Portugal, dat slechts 700.000 zielen telt, tobt met een groot tekort aan arbeidskrachten in de landbouw. Zurara spreekt over ongerustheid onder de bevolking en over kritiek die het verwen van kolonisten door Zarco losmaakt. ‘Wanneer de bevolking van de eilanden een vraagstuk wordt, ontstaat er zo’n gemopper dat het erop lijkt dat de mensen een deel van hun bezittingen moeten afstaan; zij gaan in hun gesprekken zover te verklaren dat het erop lijkt dat er nooit een einde komt aan de onmogelijke zaak.’ Men kan zich afvragen of ook niet dom Henrique zelf wordt aangestoken door het algemeen heersende scepticisme, want vóór 1433-1434, lijken de veroveraars van Madeira geheel op zichzelf te zijn aangewezen Maar Zarco volhardt met de hardnekkigheid van een man die hoe dan ook wil slagen en hij laat zich door niets daarvan afbrengen. Hij zendt boomtakken die getuigen van zijn ontdekking naar Portugal, evenals brokken steen, zakken met aarde om de vruchtbaarheid daarvan te bewijzen en tenslotte vruchten en lokale producten. Hij tracht op enkele wijzen de aandacht en belangstelling voor zijn ontdekking te trekken van lokale autoriteiten. En na het overlijden van koning João I op 14 augustus 1433 begint zijn situatie te veranderen. Op 26 september daarop erkent de nieuwe koning van Portugal, dom Duarte, de inspanningen van Zarco. De vorst brengt de Madeira-archipel onder toezicht van de staat en geeft de eilanden hun eerste juridische statuut. Dezelfde dag legt de koning bij brief, geschreven in Sintra, het spirituele belang van de eilanden Madeira, Porto Santo en Desertas (Deserta Grande, Bugio en Chão) in handen van de Orde van Christus, maar, op verzoek van dom Henrique, geniet hij de opbrengsten van de archipel. De bedoeling hiervan is dat dom Henrique, die de administrador e governador van deze rijke militaire orde is, extra inkomsten uit de export van Madeira en Porto Santo verwerft. Daarnaast is hij ook verantwoordelijk voor het geestelijk heil van de bewoners van Madeira en Porto Santo. Kort voor zijn overlijden zal hij de atchipel over-dragen aan de Orde van Christus, middels een acte, die gedateerd is, 18 september 1460.

Het jaar 1433 schijnt het eerste jaar te zijn waarin dom Henrique o Navegador zich werkelijk voor Madeira begint te interesseren. Zurara wekt de indruk dat hij zich tussen 1433 en 1440 over de situatie ter plaatse laat informeren. Hij merkt op: ‘Er bevinden zich (op Madeira) 150 burgers die er wonen, zonder mee te rekenen andere personen die zich daar bevinden, zoals kooplieden, ongehuwde mannen en vrouwen, jonge mensen, kleine jongens en meisjes die op het eiland zijn geboren en ook priesters en religeuzen en nog anderen die komen en gaan voor het drijven van handel en voor zaken waarvoor men het eiland niet voorbij kan varen.’ Gelet op de jaren waarin de capitães Zarco, Vaz en Perestrelo officieel belast zijn met het bestuur over hun capitania (1443, 1446 en 1450) moet worden geconcludeerd, dat het tijdvak waarin dom Henrique werkt aan de overzeese expansie niet begint in de jaren 1413-1415, zoals zo vaak wordt geloofd, en zelfs niet in 1419, in het verlengde van de tweede expeditie naar Ceuta, maar eerst in het decenium 1433-1443. Uit dom Henriques testament van 13 oktober 1460 blijkt dat hij de belangrijkste kerk van Madeira en die van Porto Santo en Desertas in dat jaar gesticht heeft, terwijl de belangrijkste beschikking van dom Duarte te zijnen gunste al is getroffen in 1433 en dat deze is aangevuld door pauselijke bullen van 8 januari 1445 en 8 januari 1454. Ondanks dat Madeira tot economische bloei is gekomen, onderkennen dom Duarte en dom Henrique eerst in 1433 de betekenis die het eiland heeft voor de maritieme expansie en de ontwikkeling van de nationale kracht en kunnen christenen uit andere landen zich niet meer zonder verlof van de Portugese autoriteiten op eilanden vestigen. Het heeft er – volgens Vergé-Franceschi – alle schijn van dat de kolonisatie en ontwikke-ling van de Madeira-archipel het gevolg is geweest van particulier initiatief, zoals dat ook het geval is met de Canarische eilanden. Het zal tot 1452 duren vooraleer dom Henrique een suikerraffinadeur naar Madeira zendt.

Regent Pedro steunt de ondernemingen van Henrique eveneens. Op 1 juni 1439 stelt hij hem, in naam van koning Afonso V (1438-1481), voor een periode van vijf jaar, vrij van het betalen van belasting over de export van de Madeira-archipel. Op 8 mei 1440 geeft dom Henrique het oostelijke deel van het eiland Madeira in leen aan Tristão Vaz Teixeira. Daarbij ontvangt deze uitgebreide economische voorrechten en politieke macht. Slechts het opleggen van de doodstraf en het als strafmaatregel amputeren van ledematen blijft een bevoegdheid van dom Henrique zelf. Nadat deze op 3 februari 1446 ook het monopolie op de handel met de Madeira-archipel en de politieke macht over deze eilanden verworven heeft, draagt hij bij beschikking van 1 november 1446 bevoegdheden over aan Bartolomeu Perestrelo, capitão-donatário van Porto Santo. Deze beschikking staat model voor beschikkingen die bij voortgaande kolonisatie zullen worden uitgevaardigd voor andere eilanden en in de zestiende eeuw ook voor Brazilië.

Na Henriques overlijden in 1460 geeft koning Afonso V de `Arquipélago da Madeira’ in leen aan zijn jongere broer Fernando en diens erfgenamen. In 1451 worden Funchal en Machico, de bestuurscentra van de capitanias van Madeira, verheven tot vila (kleine stad), terwijl de rechten en plichten van hun burgers worden vastgelegd in een koninklijke richtlijn (foral). In het begin leveren de eilanden, behalve hout, ook drakenbloed, wedeblauw en andere verfstoffen, die vanaf 1439 belastingvrij in Portugal mogen worden ingevoerd. Nadat er veel bos gekapt is en door middel van sluizen (levadas) en molens de waterhuishouding op orde is gebracht, bloeit de landbouw op. Vanaf 1450 exporteert Madeira jaarlijks minstens 3000 ton tarwe naar Portugal. Er is vee in overvloed en ook de wijnbouw komt tot ontwikkeling. In 1452 sluit Henrique een overeenkomst met een zekere Diogo Gomes de Teive voor het opzetten van suikerrietplantages en suiker- molens. Vier jaar later wordt voor het eerst suiker geëxporteerd naar Engeland. Er vestigen zich steeds meer Portugese handelaren op Madeira, het eiland trekt ook joodse en Genuese kolonisten. In de jaren zestig groeit Madeira uit tot een belangrijke suikerproducent voor de West-Europese markten en worden de eerste slaven, afkomstig van de Canarische eilanden, uit Marokko en uit West-Afrika op de suikerplantages ingezet. De bevolking neemt toe tot meer dan 2000 zielen. Er ontstaat een klasse van rijke grootgrondbezitters, die in Funchal en Machico wonen en het beheer van hun plantages overlaten aan beheerders.

5.8. De Azoren

Categorieën
Portugees kolonialisme

De Canarische eilanden. Het begin van de maritieme expansie

Deel 1 Index

Hoofdstuk 5

Het begin van de maritieme expansie

5.6 De Canarische eilanden

Geschreven door Arnold van Wickeren

De verovering van Ceuta in 1415 werkt als een katalysator voor verdere maritieme expansie. Al in 1416 geeft Henrique de zeeman Conçalo Cabral opdracht de oorzaak te vinden van de sterke stroming tussen de Canarische eilanden, waarvoor hij bijzondere belangstelling heeft. De missie van Cabral is de eerste wetenschappelijke expeditie van deze soort. Portugese aanspraken op de Canarische eilanden moeten wel omstreden zijn, omdat naast Portugezen ook zeelieden uit andere landen al verschillende reizen naar de Eilanden ondernomen hebben. Hieruit blijkt dat de maritieme expansie naar de wateren van de Atlantische Oceaan al vóór 1415 begonnen is.

De Canarische eilanden zijn in de Oudheid bekend onder de naam `Gelukkige Eilanden’. Omdat de Arabieren deze eilanden niet aandoen, raken zij daarna in vergetelheid. Aan het einde van de dertiende eeuw worden één of meer eilanden van de Archipel herontdekt, hetzij door de Genuese gebroeders Vivaldi, dan wel door een volgende Genuese expeditie die naar hen op zoek is. Het meest noordoostelijk gelegen eiland ontvangt de naam `Allegranza’, naar een van de galeien van de Vivaldi’s. Ergens tussen 1310 en 1330, mogelijk in 1312, doet weer een expeditie uit Genua de Eilanden aan, als we Charles de La Roncière mogen geloven. De leider daarvan, Lancellotto Malocelli die op zoek is naar de gebroeders Vivaldi, heeft de Canarische eilanden ontdekt ‘na het bestaan daarvan te hebben vernomen van enkele matrozen uit Cherbourg, die handeldrijvend aan de kusten van Spanje door een storm op de kust zijn gesmeten van eilanden die in de Oudheid bekend waren onder de naam ‘de Gelukkige’ en die sedertdien verschillende eeuwen verborgen zijn gebleven.’ Lancellotto Malocelli neemt een of meer eilanden voor Genua in bezit, Hij blijft daar enige jaren, bouwt een fort op Allegranza1, herdoopt het eiland in Lanzarote, de Castiliaanse vertaling van zijn eigen naam, en keert naar huis terug. Op de beroemde kaart van Angelino Dulcert uit 1339 worden het `Insula de Lanzarotus Marocellus’ en het Insula Forte Ventura voor het eerst genoemd.

In 1341 weten Italiaanse kooplieden woonachtig in Lissabon koning Afonso IV van het belang van een expeditie naar de Canarische eilanden te overtuigen. De koning bekostigt deze expeditie en wellicht organiseert hij haar ook. Op 1 juli 1341 varen twee schepen en een lichter uit. De bemanning is wonderlijk gemengd samengesteld Zij bestaat niet alleen uit Portugezen, maar ook uit Aragonezen, Castilianen en Catalanen, terwijl door de nauwe banden die de admiraal van de Portugese oorlogsvloot Emmanuele Pessagno met zijn vaderstad Genua onderhoud ook veel Genuezen en Florentijnen van de partij zijn. Het bevel over de schepen is zelfs opgedragen aan Italianen. Het ene schip staat onder leiding van de Florentijn Angiolino del Tegghia de Corbizzi; kapitein van het andere schip is een Genuees, Niccoloso de Recco. Het is, gelet op het optreden van de expeditieleden, kennelijk de bedoeling de Archipel te veroveren. Op het eerste eiland dat Niccoloso de Recco en zijn mannen aandoen wordt te midden van een bosje palmbomen een tempel ontdekt met een stenen afgodsbeeld. Recco laat het beeld naar zijn schip brengen. Op een ander eiland slaan de Europeanen een menigte duiven met stokken dood. Zij laten zich de duiven goed smaken. Het eerste van de Canarische eilanden dat Niccoloso de Recco aandoet, is waarschijnlijk Forteventura, dat in de Oudheid bekend was onder de naam Capraria. Dit en andere eilanden blijken bewoond te zijn door wilde stammen die nog in het Stenen Tijdperk leven. Deze mensen, Guanches geheten, bestaan uit twee stammen. De leden van de ene stam zijn tamelijk groot, hebben een lichte huid, blonde haren en blauwe ogen; zij die tot de andere stam behoren, zijn kleiner, hebben zwart haar, een donkere huid en zijn wellicht Berbers. De Guanches verzetten zich hevig tegen de indringers, zodat van verovering geen sprake kan zijn. Zij kennen geen pijl en boog, maar zij bestrijden hun tegenstanders furieus door hen te bekogelen met ruwe stenen of lange houten speren naar hen te werpen. Bij lijf aan lijf gevechten hanteren de Guanches stenen knotsen en houten sabels. Volstaan wordt met enige overvallen op dorpen, waarbij de primitieve heidenen van hun schamele bezittingen worden beroofd. De expeditie heeft vermoedelijk een bezoek gebracht aan alle dertien eilanden: Forteventura (Fuerteventura), Lanzarote, La Palma, Ferro (Hierro), Gomera, Tenerife, Gran Canaria en zes kleine eilanden, allen van vulkanische oorsprong. Het is waarschijnlijk dat op de terugweg de Madeira-archipel wordt waargenomen, terwijl Oliveira Marques het ook niet volledig uitgesloten acht dat de Azoren uit de verte zijn gezien. Als de schepen eind november in Portugal terugkeren, blijkt de expeditie niet geslaagd te zijn. Er is geen eiland veroverd en de buit is gering, hij bestaat uit: vier gevangenen, huiden van bokken, geiten en zeehonden, visolie, talk en verfhout en het stenen afgodsbeeld, waarover Vergé-Franceschi meldt dat het wellicht afkomstig is van het meest noordelijk gelegen Azoren-eiland Corvo. De expeditieleden weten een verhaal te vertellen over een `betoverde’ berg van 10.000 meter hoog; een schrome- overdrijving; de Pico de Teide op Tenerife is in werkelijkheid nog geen 4.000 meter hoog. Ondanks dat de Canarische eilanden rijk zijn aan goedkope slaven, verfstoffen en vis leidt de expeditie niet tot directe kolonisatie van de Archipel.

Hoewel Afonso IV paus Clemens VI in 1343 van Portugals expeditie op de hoogte brengt, wijst deze in zijn bul van 15 november 1344 de Archipel toe aan een Spaans edelman, Don Luis de España y de la Cerda, admiraal van Frankrijk, achterkleinzoon van Alfonso X van Castilië en kleinzoon van Louis IX. Hij noemt zich vorst van `La Fortuna’, wat de woede opwekt van de Engelse ambassadeur aan het pauselijke hof, die vindt dat slechts de Britse eilanden aanspraak kunnen maken op de omschrijving `Gelukkige Eilanden.’ Op 12 februari 1345 tekent koning Afonso vergeefs protest aan tegen de toewijzing van Archipel aan Don Luis.

Diffie geeft de door Afonso gehanteerde argumenten. Hij schrijft: het directe antwoord van Afonso IV van Portugal aan Avignon, gedateerd 12 februari 1345, geeft aan hoezeer hij gekant is tegen de toewijzing aan Don Luis. Hij brengt paus Clemens VI de volgende punten onder zijn aandacht: Inwoners van Portugal (nossos naturais) hebben als eersten de eilanden gevonden; zij liggen dichter bij Portugal dan bij het territorium van enige andere vorst en kunnen gemakkelijker veroverd worden vanuit Portugal dan vanuit enig ander land; hij (Afonso IV) heeft zijn eigen mensen (nossas gentes) en schepen uitgezonden, om de aard van het land van de eilanden te onderzoeken, heeft met geweld mensen, dieren en andere zaken genomen en naar Portugal gebracht; op het moment dat een armada gereed gemaakt werd om uit te zeilen naar de Canarische eilanden, met een grote hoeveelheid cavalerie en infanterie (cavaleiros e peões), is zijn bedoeling gefrustreerd door het uitbreken van oorlogen, eerst tussen Portugal en de koning van Castilië (1336) en later met de koning van de Saracenen (Slag aan de Salado van 1340). `Al deze dingen zijn bekend, omdat zijn ambassadeurs deze recentelijk onder de aandacht van Uwe Heiligheid hebben gebracht’.

Desondanks roept de Heilige Stoel de koningen en andere vorsten van de christenheid op Don Luis te helpen zijn nieuw verworven territorium in bezit te nemen. Don Luis verkrijgt van Humbert II van de Dauphiné de toezegging, dat deze hem een aantal schepen ter beschikking zal stellen voor de verovering van La Fortuna. Ook Pedro III van Aragón (1276-1285). biedt effectieve hulp aan in de vorm van enige galeien en staat toe dat de expeditie op Sardinië voorraden inneemt. Afonso laat paus Clemens in zijn brief van 12 februari 1345 weten dat hij niet de gevraagde hulp kan bieden, wegens gebrek aan middelen en omdat `we deze niet kunnen missen wegens de aan de gang zijnde en nog wel even durende oorlog tegen de ongelovige vorsten, onze perfide en gevaarlijke buren.’ `Niettemin nodigen wij Uwe Heiligheid uit ons dit project, waarmee ons volk zo welgemoed begonnen is, tot een goed einde te laten brengen, met voorrecht boven ieder ander.’

Uit christelijke bronnen is niets bekend van een Franse of Aragonese expeditie naar La Fortuna. De befaamde Arabische historicus Ibn Khaldoun vermeldt echter een grote Frankische expeditie, die de Canarische eilanden tracht te veroveren en de gevangengenomen Guanches verkoopt in Marokkaanse havens. Omdat alle Europese christenen door de Arabieren Franken worden genoemd, is het volgens Oliveira Marques zeer wel mogelijk dat de door Ibn Khaldoun bedoelde expeditie is uitgevoerd met galeien uit Aragón in dienst van Don Luis.

Diffie merkt op dat het een mysterie is dat Genuezen en Portugezen het initiatief voor de exploratie van de Atlantische Oceaan, na de expeditie van 1341, aan anderen overlaten, totdat Dom Henrique in 1416 belang-stelling voor de Canarische eilanden toont. Het zijn de Catalanen en Mallorcanen die na 1341 het roer overnemen. Diffie vermeldt de expedities in de jaren: 1342, 1346, 1352, 1369 en 1386, omdat daarover enige documentatie is bewaardgebleven.

Op 16 april 1342 ontvangt Francesco Desvalers (Francesch des Valers) van de vertegenwoordiger van de koning van Mallorca de opdracht met twee lichte schepen (cocas) naar de Canarische eilanden te zeilen. Het is niet zeker of de reis ook ondernomen is. Domingo Gual wordt eveneens in 1342 aangesteld tot kapitein van een enkele coca voor een voorgenomen reis met een semi-officieel karakter. Ook van hem is niet bekend of hij daadwerkelijk is uitgezeild. Inlichtingen over een reis die Jaime Ferrer verondersteld wordt in 1346 langs de Afrikaanse kust te hebben gemaakt, zijn eveneens vaag. Uit het onderschrift van de door Abraham Cresque rond 1375 vervaardigde Catalaanse kaart blijkt dat Jaime Ferrer op 10 augustus 1346 in een uxer of uixer voor een tocht naar de Rio do Ouro is uitgezeild. De kaart vertoont de afbeelding van een scheepje met één mast en roeispanen, dat naar de kust van Afrika wordt geroeid. Villadestes’ kaart van 1413 geeft dezelfde inlichtingen. Documenten uit de Mallorcaanse archieven die enig licht op de reis van Ferrer zouden kunnen werpen, ontbreken uitgerekend tussen de jaren 1345 en 1348. Het zou heel bijzonder zijn als een schip zo vroeg in de tijd ten zuiden zou zijn geweest van de Canarische eilanden en zou zijn teruggekeerd; het onder-schrift en de tekening op de kaarten zijn daarvan echter onvoldoende bewijs.

Op 1 mei 1352 wordt de Genuees Arnaldo Roger aangewezen als leider van een expeditie waaraan ook zijn landgenoten Juan Doria en Jayme Sagarra deelnemen, Beschermheer van de onderneming is Pedro III van Aragón en Catalonië. Terwijl mogelijke expedities van 1342 door particu-leren zijn ondernomen, heeft deze expeditie een missionair karakter. Roger ontvangt opdracht parochies te stichten, een kathedraal, kerken en steden te bouwen en nieuwe eilanden voor Aragón te ontdekken en te veroveren en in naam van Pedro III te besturen. Twee bullen van paus Clemens VI, die de Canarische eilanden heeft toegewezen aan Luis de España y de la Cerda, verlenen Juan Doria, Jaime Segarra en andere expeditieleden vergunning de Eilanden te kerstenen. Op 7 november 1351 benoemt paus Clemens VI de karmeliet Frei Bernardo tot eerste bisschop van de Archipel. De expeditieleden kunnen gebruikmaken van de hulp van gekerstende slaven, die op vorige reizen van de Serra i Ráfols (Catalaans voor de Canarische eilanden) zijn meegenomen. Zij hebben op Mallorca Catalaans leren spreken en zullen als tolken optreden. De luitenant-generaal van Mallorca, Guillén de Llagostera geeft ook zijn zegen aan de expeditie, Zowel van de verovering als van de kerstening komt weinig terecht; het is zelfs onzeker of de expeditie in 1352 is uitgezeild.

In de tweede helft van de veertiende eeuw wordt de exploratie van de Atlantische Oceaan door geen enkele groep of natie krachtig beoefend. De meest actieve reizigers zijn in die tijd Mallorcanen en Catalanen, die in de veertiende eeuw de Canarische eilanden vaak aandoen, overigens zonder daarop aanspraak te maken. De expansie van Catalonië richt zich slechts op de landen rond de Middellandse Zee. In 1309 hebben de Catalanen de sultan van Marokko geholpen zich van de havenstad Ceuta meester te maken, in ruil waarvoor de sultan heeft toegestaan een Aragonees garnizoen in de stad te legeren. De Catalaanse belangstelling is echter vooral oostwaarts gericht; Corsica, Sardinië, Sicilië, Malta, Griekse eilanden en Cyprus zijn het doel. Dat de Catalanen geen bedrei-ging voor de Portugese maritieme expansie in de Atlantische Oceaan vormen, wordt verklaard door het karakter van hun vloot. Deze bestaat uitsluitend uit door roeiers voortbewogen galeien, waarop zeilen van secundair belang zijn. Dit nu zijn bepaald geen schepen om de Atlantische Oceaan mee te bevaren. Het zijn de pausen, die trachten de missionering-te bevorderen, die zich nog het meest met de Archipel bemoeien. De bewoners van de Eilanden worden ook enigermate onderworpen; door wie en bij welke gelegenheden is niet bekend. Onder de hiervoor genoemde expedities behoort er een die beschikt over een pauselijke machtiging, in de vorm van de bul Ad hoc semper van paus Urbanus V (1362-1370), gedateerd: Viterbo, 2 september 1369. Urbanus V beveelt de bisschoppen van Barcelona en Tortosa tien seculiere en twintig reguliere geestelijken te zenden. Zij moeten kunnen preken in de inheemse taal van de Canarische eilanden. Van dit project is verder niets bekend, maar alleen al de veronderstelling dat dertig missionarissen, de taal van de eilandbewoners kunnen spreken, wijst op langdurige bemoeienis met deze eilanden.

In 1377 wordt een Biskajer, Martin Ruiz de Avendàano, een veteraan uit de Honderdjarige Oorlog, ervan beschuldigd de vrouw te hebben verleid van Zonzamas, de guanartème (chief) van het eiland Lanzarote en op 5 juni 1382 wordt het schip van Francisco Lopez, dat onderweg is van Sevilla naar Galicië, door een hevige rukwind op de kust, nabij de monding van het ravijn van Guinaguada, op Gran Canaria geworpen. Lopez en zijn bemanning verblijven zeven jaar op het eiland, maar dan worden zij ervan beschuldigd banden te onderhouden met de Spaanse avonturiers die de archipel plunderen. Zij worden ter dood veroordeeld en geëxecuteerd, nadat zij de gelegenheid hebben gehad een aangrijpend testament op te stellen en op te bergen in een leren koffer.

In 1386 is er sprake van de 5e Catalaans-Mallorcaanse expeditie. Zij is door paus Urbanus VI (1378-1389) toevertrouwd aan koning Pedro IV van Aragón (1336-1387) en zij wordt uitgevoerd door de `Pauperes Heremite.’ Hieruit blijkt dat de Heilige Stoel nog steeds belang stelt in de kerstening van de Canarische eilanden. Fernando Ormel, graaf van Urena, die ook het eiland Gomera bezoekt, wordt daar door de inheemsen gevangengenomen. Koning Amalahuije zendt hem terug naar Aragón.

Deze eerste reizen van Genuezen, Catalanen, Mallorcanen, Biskajers, Portugezen, Aragonezen en later ook van Castilianen hebben het nadeel dat zij al snel leiden tot slavenhandel, onder het voorwendsel dat de rebelse Guanches zich weigeren te bekeren. De missionarissen worden door hen niet altijd gewaardeerd. Zo is het lot van de door Pedro IV gezonden missionarissen ons niet bekend, tenzij we aannemen – hetgeen plausibel is – dat de dertien `fraires Chrestiens’ die in 1391 zijn vermoord, gedurende zeven jaar het geloof aan de bewoners van de Canarische eilanden hebben gepredikt.

In 1393 verschijnen de Castilianen op het toneel van de Canarische eilanden, met een reis die vermeld wordt in de kronieken van Enrique III van Castilië (1390-1406). Deze expeditie landt op Lanzarote en neemt de koning, de koningin en 160 andere eilandbewoners gevangen. Een niet genoemd aantal van hen wordt per schip overgebracht naar Spanje, tezamen met producten, die `een groot deel van de winst uitmaken van hen die daar geweest zijn.’ Bij terugkeer in Spanje laten zij de koning van Castilië weten dat de Eilanden zeer gemakkelijk en tegen geringe kosten zijn te veroveren. De leider van deze expeditie Gonzalo Pérez Martel2 had al drie jaar eerder van Castilië toestemming gekregen de Eilanden te bezetten. Een recht waarvan hij niet of slechts tijdelijk profiteert, Korte tijd later wordt Hernán Peraza, de tweede man van Pérez Martel, door zijn huwelijk met Doña Ines de las Casas, beschouwd als heer van de Canarische eilanden.

Het is volstrekt duidelijk dat tot 1402 geen enkel land zich in zodanige mate met de Canarische of andere Atlantische eilanden heeft ingelaten dat tot kolonisatie daarvan is overgegaan. De Genuees Malocelli, die al vóór 1330 op Lanzarote een fort heeft gebouwd, heeft rond het midden van de veertiende eeuw menige expeditie naar de Canarische eilanden geleid. Hoewel deze tochten onder auspiciën van Portugal zijn ondernomen, verschijnt de gehele Archipel in 1367 onder Genuese vlag op een kaart. De eerdere op exploratie gerichte inspanningen van Genuezen, Mallorcanen, Catalanen en tenslotte Portugezen hebben weliswaar geresulteerd in een aanzienlijke kennis van de Canarische eilanden, van Noord-Afrika en wellicht ook van de Madeira-archipel, maar definitieve kolonisatie van de Eilanden moet wachten tot in de vijftiende eeuw, als de Spanjaarden zich serieus op de Eilanden beginnen te vestigen en de Portugezen aan de vooravond staan van hun carrière als ’s wereld meest doortastende ontdekkingsreizigers.

Als in 1393 nieuws over de expeditie naar de Canarische eilanden van dat jaar de Castiliaanse koning Enrique III bereikt, verzoekt en verkrijgt de Franse ambassadeur en vertegenwoordiger van Charles VI (1380-1422), Robert de Braquement van Enrique toestemming de Eilanden te veroveren. De ambassadeur is er bovenal op uit zijn neef, Jehan (Jean) de Béthencourt, afkomstig uit het Normandische Grainville-la-Tenturière, waar hij rond 1360 geboren is, een betere positie te bezorgen. Béthencourt die geruïneerd is in de Honderdjarige Oorlog, is kamerheer van de hertog van Touraine, broer van koning Charles VI Hij bewapent in Harfleur drie schepen, waartoe hij hypotheek geeft op zijn landgoed in Grainville-la-Tenturière Zijn geldschieter is zijn oom Robert de Braquemont, de toekom- stige maréchal de France. Ofschoon Béthencourt primair een piraat is, tegen wiens plundering van Engelse schepen Londen heeft geprotesteerd, ontbreekt het hem niet geheel en al aan de mentaliteit van de kruisvaarders en die van de Reconquista. Dit geldt zeker voor zijn oom, die is gehuwd met Inès de Mendoça, dochter van de grootmeester van het koninklijke huis van Castilië. Bovendien is zijn nicht, Inès de Béthencourt, gehuwd met de alcade major van Sevilla, Guillem de Las Casas. De Normandische piraat heeft dus rechtstreekse en sterke familiebanden met het Spanje van de christelijke Reconquista. Béthencout bereidt zijn expeditie zorgvuldig voor; hij bewapent zijn schepen, werft soldaten aan, kiest met zorg zijn route uit, gaat te raden bij mensen afkomstig van de Canarische eilanden en hij neemt zelfs twee Guanches, een man en een vrouw, mee aan boord. Zij hebben zich bekeerd tot het katholicisme en zij hebben tot taak in de archipel plaatsen te herkennen en op te treden als tolken.

In 1402 lopen de drie schepen uit Harfleur de haven van La Rochelle binnen. Hier loopt Béthencourt een oude strijdmakker tegen het lijf, de uit de omgeving van Thouars in de Poitou afkomstge, Gadifer de la Salle, met wie hij in 1390, onder bevel van Louis de Bourbon, tegen de moren van Tunis heeft gevochten en waarvoor zij van de hertog van Touraine 300 goudfranken hebben ontvangen. Gadifer de La Salle heeft een respectabele staat van dienst als vechtersbaas opgebouwd. Hij heeft in het Duitse Rijk tegen de ongelovigen gevochten, heeft een bezoek gebracht aan de Teutoonse ridders in het oosten van Pruisen, hij heeft strijd geleverd tegen de Saracenen op Rhodes en in de Magreb. Zijn tijdgenoot Jean de Bueil, graaf van Sancerre, een geducht medestrijder van Jeanne d’Arc, bijgenaamd de ‘gesel der Engelsen’ en later (1450) admiral de France, vergelijkt Gadifer de La Salle in zijn Jouvencel met Du Guesclin. La Salle wil gaarne aan de expeditie van zijn oude strijdmakker deelnemen. Béthencourt gaat met hem in zee.

Nadat twee geestelijken, de benedictijner monnik Pierre Bontier van Saint-Jouyn-de-Marne en abbé Jean le Verrier aan boord zijn genomen, vertrekken de drie schepen, met de zegen van paus Benedictus XIII en een groot aantal priviléges voor de beide conquistadores, op 1 mei 1402 uit La Rochelle. In juni wordt de haven van Cádiz aangedaan. Een deel van de bemanning maakt van de gelegenheid gebruik te deserteren. In juli wordt Lanzarote, het meest oostelijk gelegen Canarische eiland bereikt. De Fransen treffen op Lanzarote veel dorpen aan met mooie huizen en mooie en nette vrouwen, die gekleed gaan in mantels die haast tot op de grond reiken. De vrouwen hebben allen drie mannen die om beurten hun echtelijke plicht vervullen. Als de dienstdoende echtgenoot een maand het bed heeft gedeeld met zijn vrouw, maakt hij plaats voor zijn opvolger. Béthencourt verneemt deze bijzonderheden van zijn tolken, die van veel waarde blijken te zijn in de communicatie met de Guanches. Béthencourt laat zijn mannen in het zuidwesten van het eiland een fort bouwen, dat hij uit bewondering voor Julius Ceasar Kasteel Rubicon noemt. Bovenop het fort plant Béthencourt zijn pennoen. Na de bouw van het fort kondigt hij in oktober zijn vertrek aan, terwijl er onder de leden van de expeditie onrust ontstaat, omdat een deel van hen eist te worden teruggebracht naar Normandië. Béthencourt belooft echter vóór Kerstmis 1402 met versterkingen naar Lanzarote te zullen terugkeren.

Tijdens de afwezigheid van Béthencourt exploreert La Salle met de twee resterende schepen de gehele archipel. Hij bezoekt achtereenvolgens de eilanden Fuerteventura, Hierro, Lobos, Gran Canaria, Gomera, Tenerife, het grootste eiland, en tenslotte la Palma, waarbij hij op elk van de eilanden enige dagen of zelfs weken verblijft. Zijn tweede man, Bertin de Berneval, die wat overhaast in Parijs is aangeworven, blijkt een grote boef te zijn en hij doet niet de minste moeite om dat te verbergen. Gesteund door enkele medestanders die God noch gebod kennen, neemt hij veertig Guanches gevangen. Juist op dat moment arriveert een Spaans vaartuig en Bernevel verkoopt zijn gevangenen aan de kapitein daarvan. De Guanches worden tenslotte vrijgelaten tegen overdracht van Fort Rubicon aan Berneval en de zijnen. De Spanjaarden plunderen het arsenaal en brengen artillerie, wapenrustingen, mondvoorraden, zakken meel, etc. aan land. La Salle en zijn eveneens uit de Poitou afkomstige landgenoten die hem zijn trouw gebleven staan herhaalde malen bloot aan de gewelddaden en vernederingen van de onverlaat en zijn trawanten, ondanks dat zij moord en brand schreeuwen. Uiteindelijk vertrekt Berneval aan boord van het Spaanse schip. Met de weinige getrouwen die hem nog resten, is La Salle overgeleverd aan de woede van de eilandbewoners. Hij weet weerstand te bieden aan koning Assche, dankzij een tweede fort, het Kasteel van Maloisel. Dit is het tot ruïne vervallen fort van Lancellotto Malocelli.

La Salle wacht tot kersmis 1402 op de terugkeer van Béthencourt, maar het jaar 1402 loopt ten einde zonder dat hij verschijnt. Eerst in juli 1403, zeven maanden later dan beloofd, verschijnt het profiel van een bark uit Honfleur aan de horizon. Aan boord van het afgeladen scheepje, dat gezonden is door Béthencourt, blijken zich Normandische kolonisten te bevinden. Het scheepje dat Sevilla heeft aangedaan, is sterk overladen doordat Juan de Las Casas (een familielid van Béthencourt) en de commandeur van de Orde van Calatrava, nog een aantal Castiliaanse soldaten ter verdediging van de kolonisten met hen heeft meegezonden.

Nadat Béthencourt Lanzarote heeft verlaten vraagt hij in Europa dringend om hulp, waarbij hij zich zelfs tot de Heilige Stoel richt. Tenslotte blijkt Enrique III bereid hem te helpen, omdat Castilië belang gaat stellen in de Canarische eilanden. Enrique ontvangt Béthencourt in November 1403 in Valladolid; de koning vleit de vroegere piraat en verleent hem de titel `koning van de Canarische eilanden. Ook biedt de vorst Béthencourt zijn bescherming aan. Deze erkent de koning van Castilië als zijn suzerein, hijj zal de archipel dus als leenheer van de Castiliaanse kroon besturen. Als tegenprestatie verleent Enrique III Béthencourt het recht munten te slaan en hij mag een vijfde van de waarde van de insulaire export als belasting heffen. Nadat Béthencour zich lang aan her Castiliaanse hof heeft laten ophouden, arriveert hij uiteindelijk in april 1404 op Lanzarote. La Salle laat hem weten dat de verovering van Lanzarote is voltooid en dat de guanartème om het doopsel heeft heeft verzocht. Resteert de verovering van het naburige eiland Fuerteventura. Als zij deze taak tot een goed einde hebben gebracht, bouwen zij er Fort Richeroque en de toren van Tarafalz.3

Béthencourt, een hard en onverzettelijk man, bagatelliseert de initiatieven van La Salle en hij beschuldigt hem van insubordinatie. Geërgerd, verlaat La Salle in augustus 1404 de Canarische eilanden, om de arbitrage in te roepen van de koning, maar Béthencourt vergezelt hem naar Castilië en bewerkstelligt dat al zijn aanspraken worden afgewezen. La Salle keert definitief terug naar Frankrijk, waar hij tegen 1415 sterft, na in 1409, nog op last van Jean II Boucicaut, de Franse gouverneur van Genua, een laatste expeditie met Genuezen naar de Canarische eilanden te hebben volbracht.

Béthencourt keert 7 oktober 1404 op Fuerteventura terug. Hij ondervindt hoe langer hoe minder steun van de Guanches, die de bemoeienis van buitenstaanders met hun land hoe langer hoe meer beu zijn. Zij komen in opstand tegen de bezetters, verwoesten Fort Richeroque na daaruit levens- middelen en munitie te hebben geroofd. Béthencourt past met succes een verdeel-en-heerspolitiek toe en onderdrukt met behulp van de Guanches van Lazanrote de opstand op Fuerteventura. Op 18 en 25 januari 1405 vragen de twee guanartèmes van het eiland om te worden gedoopt. Béthencourt bouwt een kerk in Normandische stijl, die wordt gewijd aan de Santa Maria de Betancuria. Daarna vertrekt hij, vergezeld door vier Guanches, naar Normandië, om nieuwe kolonisten te werven. Hij heeft succes; op 9 mei staat hij op het punt uit Honfleur uit te varen met twee barken, die 160 mannen en 23 vrouwen aan boord hebben. Béthencourt arriveert met de nieuwe kolonisten op Gran Canaria, waar hij tracht zijn taak als koloniaal bestuurder uit te oefenen. Hij verdeelt land onder de kolonisten en bevriende Guanches; hij legt de hand op de belangrijkste economische bronnen van het eiland, met name orcella4, hij stelt ruil-voeten vast; hij geeft de inheemsen vishaken, ijzeren voorwerpen, zoals kleine messen, en hij ontvangt hiervoor drakenbloed terug. Hannibal, de bastaardzoon van La Salle tracht zich met de handel te verrijken en maakt daarvan geen geheim en een andere compagnon van Béthencourt, Jehan Le Courtois, slaagt erin het fort Richeroque te hernemen. Men is ver verwijderd geraakt van het voornemen van de eerste kolonisten, in de eerste plaats het evangelie te verkondigen.

De mannen van Béthencourt maken van hun verblijf op de Canarische eilanden gebruik om de omgeving te verkennen. Op 6 oktober 1405 zeilen twee barken uit Honfleur, vergezeld van een Castiliaans vaartuig naar Kaap Bojador, aan de westkust van Afrika. De Europeanen zouden acht mijl van de kust een treffen hebben gehad met een enorme karavaan. Zij pochen dat zij niet minder dan 3.000 (sic!) kamelen hebben gedood of verwond. Zij keren met de verworven slaven5 naar Gran Canaria terug. Diffie plaats deze rooftocht al in 1402, wat voor hem een bewijs is voor de vroege aanwezigheid van Europeanen op de Canarische eilanden. Een ander bewijs daarvoor is voor hem het feit dat Béthencourt bij zijn latere verovering van enige eilanden Guanches met Castiliaanse namen bij zich heeft. We behoeven ons overigens niet te verbazen, dat kerstening en onderwerping kennelijk hand in hand gaan, zoals later veel volkeren in Afrika en Amerika ook van Europeanen zullen ondervinden.

Béthencourt tracht vanaf Gran Canaria het eiland La Palma te veroveren. De aanvallers landen bij de plaats Argyneguy. Hier vinden zij de koffer met het testament uit 1389 van Francisco Lopez en zijn kameraden, dat hen zeer beweegt. De Fransen overkomt op La Palma nog een onaangename verrassing. Plotseling worden zij overvallen door een groep Guanches die Castiliaanse schilden dragen. Afgezien van een lendendoek gemaakt van palmblad, zijn de Guanches naakt en hun lichamen zijn bedekt met tatoeages. Het gevecht is buitengewoon fel en binnen korte tijd liggen 22 kameraden van Béthencourt op de grond. Onder de gesneuvelden zijn Guillaume d’Auberbose, Hannibal, de zoon van La Salle en Jehan Le Courtois. Béthencourt wordt genoopt zich terug te trekken en zijn kleine strijdmacht haastig in te schepen. Maar hij wreekt zijn nederlaag kort daarna met een nieuwe aanval op La Palma en met een overval op het eiland Hierro, het koninkrijk van koning Armiche. Hij neemt 111 Guanches gevangen uit het gevolg van de koning en voert hen in slavernij.

Na deze moeilijke operatie, verlaat Béthencourt in december 1405 tijdelijk de archipel en begeeft zich naar Rome, om paus Innocentius VII te vragen de Canarische eilanden tot bisdom te verheffen en hij droomt ervan dat een van zijn familieleden in de toekomst zal worden benoemd tot herder van zijn diocees. Op 13 december 1405 biedt hij zijn omgeving in Kasteel Rubicon op Lanzarote een luisterijk afscheidsbanket, hij vertrouwt aan de twee priesters in de archipel de zielzorg van de christenen toe en tenslotte stelt hij zijn neef Maciot de Béthencourt aan als luitenant-generaal van de eilanden. Hij wordt ook belast met de rechtsbedeling. In Rome neemt hij van de Pontifex Maximus de benoeming in ontvangst van Alberto de Las Casas, een franciscaner monnik, tot ‘bisschop van Saint-Martial de Rubicon’ van het diocees van de Canarische eilanden. Vervolgens reist hij naar Italië, verblijft in Florence, waar hij op het Palozzo Vecchio wordt ontvangen als koning van de Canarische eilanden. Hij reist door naar Parijs, waar hij verhaalt over zijn daden en snoeft het christelijke geloof gebracht te hebben naar vier van de Canarische eilanden en wel ‘op eigen kosten’, met welke formulering hij te kennen geeft dat het Huis Valois niet de suzereiniteit over de door hem gekoloniseerde eilanden bezit. In tegenstelling tot La Salle, die de Franse kaart schijnt te hebben gespeeld, is Jean de Béthencourt voorstander van de Castiliaanse opper- heerschappij over de archipel.

Tot 1418 behoudt Jehan de Béthencourt zijn belangstelling voor en zijn aanspraken op eilanden Lanzarote en Fuerteventura, die sedert 1405, min of meer voor rekening van Castilië, worden bestuurd door zijn neef Maciot. In januari 1418 vraagt hij de Engelsen, die Normandië in die tijd hebben bezet, een vrijgeleide om twee gewapende schepen uit te zenden naar de Canarische eilanden. Hij verkrijgt zijn vrijgeleide en rust twee schepen een groot zeilschip en een walvisvaarder, uit. Zij zeilen met een bemanning van 66 koppen naar de Archipel. De schepen blijven daar enkele maanden en zouden met rijke lading zijn vertrokken. Op de terug-weg gaan beide schepen echter verloren, waardoor Jean de Béthencourt vrijwel geruïneerd is. Hij is gedwongen neef Maciot te vragen zijn eilanden- rijk geheel aan Castilië over te dragen en als hij in 1422 zal sterven, zal zijn nalatenschap zeer ingewikkeld blijken te zijn. Maciot de Béthencourt draagt op op 17 oktober 1418 zijn rechten en die van zijn ooms Jehan en Regnault de Béthencourt, op de eilanden Fuerteventura en Lanzarote en wellicht ook die op Hierro, zoals zijn oom hem heeft gevraagd en met instemming van Juan II (1406-1454), over aan twee Castiliaanse edelen: Enrique de Guzman, comte de Niebla, en Pedro Barba de Campos, maar ondanks dat blijft Maciot Heer en bestuurder van Lanzarote. Maciot is kennelijk een man met weinig scrupules, want op 9 maart van hetzelfde jaar heeft hij al een soortgelijke transactie gesloten met een Portugese gevolmachtigde van Dom Henrique O Navegador. Zurara bevestigt deze transactie voor wat Lanzarote betreft en hij noemt Maciot ‘Segnor de Lançarote, die het eiland heeft afgestaan aan Dom Henrique, waarvoor deze aan Maciot een jaarlijkse rente van 20.000 écus zal betalen. Dom Henrique, die de titel Senhor de Lançarote aanneemt, stelt de edelman Antão Gonçalves aan tot capitão van Lanzarote. Deze installeert zich, vergezeld van Álvaro Ornelas, een alcaide, een secretaris en een inner van belastingen, allen Portugezen, op het eiland. De Canarische eilanden blijven niet alleen een voorwerp van rivaliteit tussen Castiliaanse en Portugese zeelieden, maar zij worden eveneens begeerd door Italiaanse zeelieden, wat blijkt uit Genuese en Venetiaanse portolani. De Venetiaan Giacomo Giroldi voltooit een kaart, die hij dateert juni 1422; op deze kaart komen de Canarische eilanden nog niet voor. Maar in 1426, als hij een nieuwe kaart publiceert, zijn daarop wel de omtrekken van Lanzarota en Fuerteventura aangegeven. Verschillende Italiaanse zeelieden hebben deze en andere Canarische eilanden bezocht en hun ontdekkingen zijn terechtgekomen bij Giroldi. Op een andere Italiaanse kaart uit 1426, die de Genuees Battista Beccaro met Mallorcaanse inbreng heeft vervaardigd, zijn de Canarische eilanden eveneens aangegeven. De Luso-Castiliaanse spanning om de omstreden archipel wordt door Venetië en Genua met grote belangstelling gevolgd. De eerste keer dat Álvaro Ornelas tracht een deel van Gomera te veroveren, kunnen de Portugezen zich daar niet handhaven door hevige Castiliaanse tegenstand. Zij worden van het eiland verdreven, evenals van Lanzarote. Zij zullen zich richten op de verovering van terrae incognitae, zoals Madeira.

Op 29 augustus 1420 draagt Juan II Lanzarote, Fuerteventura en mogelijk ook Hierro over aan Alfonso de las Casas en verleent hem het recht andere eilanden in de Archipel te veroveren, voor zover deze niet in het bezit zijn van andere christenen. Op 15 november 1421 bepaalt Las Casas dat het bezit van de Archipel overgaat op zijn mannelijke erfgenamen. Feitelijk is sprake van een dubbele heerschappij over deze eilanden, hetgeen blijkt als de graaf van Niebla, als señor de las Canarias, op 8 juni 1422 vrijdom van belasting (franqueza de pecho) afkondigt voor Spanjaarden die zijn eilanden bezoeken.

Nadat in 1420 Madeira en Porto Santo zijn gekoloniseerd vat Dom Henrique het plan op om ook de Canarische eilanden te veroveren. Hij zendt in 1424 een grote vloot onder bevel van Fernando de Castro naar Gran Canaria. De vloot heeft 2.000 tot 2.500 man en 120 paarden aan boord. Hoewel de omvang van de vloot niet bekend is, kan het aantal schepen nauwelijks minder dan vijftig zijn geweest. De kosten van de grootscheepse onderneming zouden 34.000 dobras hebben bedragen. De Guanche-opperhoofden verzetten zich zo hevig en het terrein is zo moeilijk dat de aanval mislukt. Omdat er bovendien in het kamp van de aanvallers gebrek aan proviand ontstaat, scheept het kostbare expeditieleger, dat grote verliezen heeft geleden, zich weer in. Maciot onderneemt geen pogingen meer Canarische eilanden daadwerkelijk in bezit te nemen. Portugal daarentegen zendt in 1427 een tweede expeditie, die evenals de eerste, te maken krijgt met gebrek aan proviand en hevige tegenstand van de Guanches.

Op 25 maart 1430 verkoopt de graaf van Niebla zijn rechten op Lanzarote, Fuerteventura en wellicht ook Hierro aan Guillem de Las Casas, zoon van Alfonso de Las Casas, die in 1420 van Juan II het recht gekregen heeft andere eilanden in de Archipel te veroveren, voor zover deze niet in het bezit zijn van andere christenen. Hiermee komt een eind aan de tweevoudige eigendomstitel, die sedert 1418 heeft bestaan. Guillem voert een invasie uit op Lanzarote, neemt Maciot gevangen en zendt hem naar het eiland Hierro. Dom Henrique gaat zich nu weer met de Eilanden bemoeien, met welk recht is niet duidelijk. Hij gelast de bevrijding van Maciot en zijn overbrenging naar Portugal. In 1448 zal hij Maciots rechten op Lanzarote van hem kopen, ondanks dat deze het eiland niet bezit. Opnieuw is sprake van dubbele eigendom: Henrique/Maciot van Lanzarote en Guillem de Las Casas van de overige eilanden. In 1433 bevestigt Juan II van Castilië Guillem de Las Casas in de rechten die hij in 1420 aan zijn vader Alfonso gegeven heeft, met inbegrip van het recht eilanden in de Archipel te veroveren. De hem gegeven rechten tasten de opperheerschappij van Castilië over de Canarische eilanden niet aan. Kort na het overlijden van João I op 14 augustus 1433 (op de dag af 48 jaar na de eclatante overwinning op de Spaanse legers in de Slag van Aljubarrota) richt Henrique, die van zijn koninklijke broer Duarte ten aan-zien van de Canarische eilanden uitgebreide volmachten heeft gekregen, een petitie tot Juan II. Hierin vraagt hij de vorst hem het recht te verlenen de Canarische eilanden te veroveren. Een onhandige manoeuvre, omdat Henrique hiermee impliciet de Castiliaanse suzereiniteit over de Archipel erkent en Castilië met deze petitie tevens een rechtvaardiging geeft voor zijn latere claims tegen Portugal. Juan II weigert uiteraard aan dit verzoek te voldoen. Portugal zet de expedities naar de Eilanden onverdroten voort. Wellicht volgt in 1434-1435 een derde expeditie, om Maciot te bevrijden. Henrique doet ook een beroep op de paus die, kennelijk onkundig van de Castiliaanse aanspraken op de Canarische eilanden, aan zijn verzoek tegemoet komt. Juan II is woedend. Hij geeft Alfonso de Cartagena, bis-schop van Burgos, opdracht zijn aanspraak op de Canarische eilanden gedegen aan de Heilige Stoel uiteen te zetten. Omdat de inspanningen die Portugal zich getroost om vaste voet op de Eilanden te krijgen, de Castilianen zeer ongerust maken, vragen zij In 1434 paus Eugenius IV (1431-1447) een uitspraak te doen over het eigendomsrecht van de Eilanden. De paus, die de ontdekkingsreizen en veroveringen van Portugal ondersteunt, maar ook Castilië hiertoe aanmoedigt, maant in zijn bul Dudum siquidem van 31 juli 1436 Portugal de rechten van Castilië te respecteren, zonder deze rechten precies te definiëren. Koning Duarte van Portugal (1433-1438) ontvangt van paus Eugenius IV ook een brief, Dudum Cum Ad Nos, eveneens gedateerd Bologna, 31 juli 1436. Hierin herinnert de paus Duarte aan diens brief uit 1434, waarin de vorst de Heilige Stoel liet weten dat geen andere christelijke vorst aanspraak op de Canarische Eilanden maakt. Eugenius IV zendt deze brief in afschrift aan de bisschop van Burgos. De Portugezen menen uit de bul Dudum siquidem te moeten begrijpen dat Castilië de eilanden Lanzarote en Fuerteventura mag behouden, maar dat Portugal de vrije hand heeft op Gran Canaria, Tenerife, La Palma, Ferro en Gomera. Desondanks legt Portugal zich niet neer bij de pauselijke uitspraak, omdat de waarde van de Canarische eilanden door de Portugese ontdekkingen langs de kust van West-Afrika aanzienlijk is toegenomen. In zijn bul Romani Pontificis, van 6 november 1436 bekrachtigt Eugenius IV zijn brief en bul van 31 juli van dat jaar. De genoemde documenten uit 1434 en 1436 zijn de eerste waaruit blijkt dat de Heilige Stoel intervenieert in een Luso-Spaanse geschil. Tot dan toe heeft de paus de strijd van Portugal tegen de moslims altijd onvoorwaardelijk gesteund.

In de jaren 1436-1445 is er sprake van een impasse met betrekking tot de Canarische eilanden; Portugal houdt zich bezig met de exploratie van Afrika’s westkust en laat zijn aanspraken op de betwiste archipel even rusten. Maar in 1445 verkoopt Guillem de Las Casas zijn rechten aan zijn schoonzoon Hernán Peraza en deze bewapent om zijn aanspraken te ondersteunen.een sterke vloot. Om Peraza’s oogmerken te dwarsbomen, ontvangt dom Henrique van zijn broer regent dom Pedro (1438-1449), hertog van Coimbra, een koninklijke brief, gedateerd 3 februari 1446. Hierin wordt het alle inwoners van het koninkrijk verboden zich naar de Canarische eilanden te begeven en daar oorlog te voeren en handel te drijven, anders dan in opdracht van dom Henrique, heer van de gehele archipel, ten nadele van de Castiliaanse belangen. De tekst van deze oorkonde, schrijft Zurara, is in het boek tussengevoegd, aan de hand van de reeds door Afonso Cerveira geredigeerde tekst, aan de hand waarvan Zurara het verhaal vertelt.

Twee uit Guinée naar Portugal terugkerende caravelas van de vloot, waarmee Lanzarote en de zijnen op 10 augustus 1445 uit Lagos zijn uitgezeild, namelijk een caravela uit Tavira en een ander waaraan de naam Pivert is verbonden, ontmoeten de caravela van Álvaro Gonçalves de Ataíde, waarvan de kapitein, João de Castilla zich naar Guinée begeeft. Maar omdat het seizoen voor de vaart op Guinée verloopt, laat João de Castill zich door de opvarenden van de beide andere caravelas overhalen rechtsomkeerd te maken en met de bemanningen van drie caravelas op jacht te gaan naar slaven op Gomera, het eiland dat Maciot de Béthencourt in de jaren 1418-1420 vergeefs heeft trachten te veroveren. In 1445 is de situatie ingewikkeld: vier rivaliserende stammen staan tegenover elkaar. Twee daarvan zijn goede maatjes met de Castilianen en de andere twee met de Portugezen. Omdat de Guanches bekend staan om hun afschrik-wekkende wreedheid en de Portugezen veel Guanches op het strand zien, aarzelen zij aan land te komen en zij vragen de inheemsen, de verzekering dat zij veilig aan land kunnen komen, voordat zij in hun roeiboten stappen. Zij krijgen deze verzekering en worden officieel verwelkomd door twee kapiteins van Gomera, Bruco en Piste. Het tweetal is ontvangen aan het hof in Castilië en door de koning van Portugal. Zij zijn vooral zeer goed ontvangen door dom Henrique, die hun rijke kleding heeft gegeven, zij zijn lange tijd zijn gasten geweest, zijn met zijn schepen naar hun land teruggebracht en beschouwen zich als zijn dienaren. De sluwe Bruco en Piste bieden de Portugezen hun diensten aan bij overvallen op andere stammen. De Portugezen zijn verheugd over de verdeeldheid tussen de Guanches en begeven zich met hun gidsen naar La Palma. Als zij geland zijn, trachten zij zich meester te maken van herders die aan de kust hun armetierige en van hun wollen vacht ontdane schapen hoeden. De herders zijn lenig en zij zijn gewend met behulp van een stok of lanza de steile rotsen te beklimmem. Zij maken zich snel uit de voeten en trekken zich terug op een verbazend steile rotskam. Een vermetele Portugese ridder die de herders achtervolgt, glijdt uit en valt van grote hoogte te pletter. Ook veel Guanches vinden op dezelfde wijze de dood.

Bij deze actie onderscheidt zich Diogo Gonçalves, een page van Dom Henrique. Deze man is er zeer op gebrand zijn fortuin te herwinnen dat hij door een ongelukkig ongeval is kwijt geraakt. Op zijn trouwdag in Lissabon had hij veel goederen bijeengebracht om in zijn onderhoud te voorzien. Maar een brand veroorzaakt door onvoorzichtigheid van een van zijn dienaren, heeft alles wat hij bezat verwoest. Hij en de zijnen hebben het er levend afgebracht maar van hun bezittingen hebben zij niet meer kunnen redden dan de kleren die zij droegen. Diogo Gonçalves wil zoveel mogelijk Guanches bemachtigen om hen te kunnen verkopen en dom Henrique die hem na de brand te hulp is geschoten, te kunnen terugbetalen. Maar de ‘strijd wordt tamelijk gevaarlijk.’ De Guanches blijken verbazingwekkend krachtige tegenstanders te zijn.. Zij gooien vanaf de toppen van de rotsen een menigte stenen op hun vijanden en zij weten de teruggegooide stenen wonderlijk gemakkelijk te ontwijken, waarbij zij hun voeten niet eens verplaatsen. Bovendien ‘dragen de Guanches andere wapens die aangepast zijn aan hun beestachtig bestaan, te weten ijzeren lansen met puntige horens aan het eind en soortgelijke zaken, die ken-merkend lijken voor het eiland La Palma.’ Uiteindelijk nemen de aanvallers, van wie er diversen de dood hebben gevonden, die dag 17 Guanches gevangen, zowel mannen als vrouwen, onder wie een bijzonder grote vrouw, die de koningin geweest zou zijn van een deel van het eiland, wat de mythe van de Amazones doet herleven. De Portugezen zeilen met hun gevangenen terug naar Gomera, bedanken uitvoerig ‘degenen die hen hebben geholpen’ en keren met hun gevangenen terug naar Portugal. Het zijn de eerste Guanches die in Portugal aankomen. Zurara schrijft hierover: ‘Ik ben juist bij de prins (dom Henrique) in het koninkrijk van Algarve aangekomen, op het moment dat bewoners van de Canarische eilanden daar waren en ik zag goed hoe zij werden behandeld…..Ik geloof dat…..enkele van hen, die kwamen…in het koninkrijk gebleven zijn tot aan het eind van hun leven….en de prins verleende hen weldaden en beloningen.’

Niet alle bewoners van de Canarische eilanden hebben zoveel geluk. ‘João de Castilla….…kapitein van de caravela van Álvaro Gonçalves de Ataíde, die niet zoals de anderen in Guinée is geweest en die geen andere buit heeft verworven dan de gevangen bewoners van de Canarische eilanden…een erg magere buit…stelt zijn medekapiteins een lage list voor om de geringe buit aan te vullen.’ Als de caravelas van La Palma vertrekken zijn 21 Guanches van Gomera aan boord van de schepen gekomen in het vertrouwen dat zij zullen worden teruggebracht naar Gomera. Op voorstel van João de Castilla worden de Guanches gekidnapt en naar Portugal gebracht om daar als slaven worden verkocht. Als dom Henrique van de zaak hoort, is hij daarover zeer verontwaardigd. Hij zendt de Guanches `zeer rijk aangekleed’ terug naar Gomera, met een vloot van negen karvelen die in 1446 uitvaart en eerst Madeira aandoet om voorraden in te nemen. De vrede is van korte duur; in 1446 begint dom Henrique zijn schepen te bewapenen, om de Canarische eilanden te veroveren.

Álvaro de Ornelas ontvangt van dom Henrique toestemming om zich naar de Canarische eilanden te begeven. Op de heenweg doet hij Madeira aan, want vanaf 1445-1446 plegen Portugese expedities naar West-Afrika een kleine omweg te maken via Madeira, dat als een ravitaillerings basis geldt voor caravelas met bestemming Cabo Verde, de Rio Casamansa of de Rio Gambia. Op de terugweg van deze reis (Portugal-Madeira-Afrika) behoort het tot de goede gewoonten een aanval te ondernemen op de Canarische eilanden, om de Portugese rechten op de archipel tegenover die van Castilië te onderstrepen. Op Madeira leent Álvaro de Ornelas twee gevangen Guanches, die hem als gids moeten dienen. Hij bereikt vervolgens Fuerteventura, waar hij wenst te gaan wonen. Hij vertrouwt Afonso Marta, een schildknaap, de zorg toe zijn karveel naar Portugal terug te brengen; hij dient onderweg Madeira aan te doen, om er levensmiddelen in te nemen en om het eens te worden over de prijs van de twee geleende Guanches. Maar door sterke tegenwind wordt het karveel van Afonso Marta naar het estuarium van Lissabon geblazen, zonder dar hij erin slaagt Madeira te bereiken.

In Lissabon ontmoet hij João de Ornelas, schildknaap van de koning, een stoutmoedig man altijd verlangend naar grote daden, een edelman die page is geweest van koningen Dom João en dom Duarte. Hij is een neef van Álvaro de Ornelas en hij deelt met hem de eigendom van het karveel, waarmee Afonso Marta Lissabon heeft bereikt. Wanneer deze edelman ziet in weike toestand het karveel verkeert, begrijpt hij in wat voor situatie zijn neef zich moet bevinden. Hij laat het verfomfaaide karveel zeewaardig maken en hij haast zich, naast levensmiddelen, gewapende lieden aan te werven. João de Ornelas bereikt Fuerteventura met Diogo Vasques Portocarreiro, schildknaap des konings, en andere dappere mannen.

Op Gomera, spreekt Álvaro de Ornelas, aan wie de capitania Gomera is toegezegd, de notabelen van het eiland toe en hij vraagt hun hulp bij een aanval op La Palma, maar de samenwerking leidt niet tot resultaat. Korte tijd daarna brengen de Portugezen een twintigtal inheemsen bijeen, die door João de Ornelas zullen worden meegenomen naar Portugal. Tijdens de reis, die door ongunstige weersomstandigheden zozeer uitloopt, dat er een dramatisch tekort aan levensmiddelen ontstaat, zien de zeelieden zich genoodzaakt enkele van hun gevangenen op te eten. ‘Maar’ schrijft Zurara, ‘voordat deze extreme daad wordt voltrokken, staat God ons toe de haven van Tavira in het koninkrijk Algarve te bereiken.

Dom Henrique koestert voor de Canarische eilanden een niet aflatende belangstelling. Ook na 1435 duurt de dubbele eigendom daarvan voort. Maciot de Béthencourt houdt Lanzarote voor Henrique en Guillem de Las Casas en zijn opvolgers hebben Fuerteventura en Hierro in hun bezit. Beide kampen zijn ook verdeeld over het antwoord op de vraag aan wie de nog te veroveren eilanden toevallen. Guillem de Las Casas heeft zijn rechten vermaakt aan zijn schoonzoon Hernán Peraza. Zij gaan over op diens dochter Ines, die gehuwd is met Diego García de Herrera. Deze verovert in 1447 het eiland Gomera en bouwt daarop de Torre San Sebastián. De Portugezen claimen in die jaren overigens niet de soevereiniteit over het eiland Lanzarote, maar slechts de heerlijke rechten. Henrique ontvangt op 3 februari 1446 bij koninklijk besluit het monopolie op de handel met de Canarische eilanden (alsmede met West-Afrika ten zuiden van Kaap Bojador en met de Madeira-archipel), `omdat zoals bekend geen schip zich vanuit ons koninkrijk ooit naar deze eilanden mag begeven, tenzij Dom Henrique het zendt. Niemand gaat naar genoemde eilanden dan op zijn bevel, en zij die gaan, betalen (Henrique) een vijfde deel.’ Zij die zonder zijn toestemming gaan zullen zowel hun schip als de lading aan hem verliezen. Henrique heeft het monopolie op de handel met de Canarische eilanden, (en de andere genoemde gebieden) gekregen, om hem schadeloos te stellen voor de `grote uitgaven’ die hij voor de ontdekkingsreizen gemaakt heeft. Kort daarna, in 1447 of 1448, gaat dom Henrique opnieuw onderhandelingen met Maciot de Béthencourt. Hierbij is het een gelukkige omstandigheid dat Maria de Béthencourt in het huwelijk is getreden met een Portugees, Rui Gonçalves da Câmara, de jongere broer van João Gonçalves Zarco, de ontdekker van Madeira. De onderhandelingen lopen uit op een elegante en realistische overeen-komst, waarbij rekening is gehouden met ieders belangen, met die van Portugal en Castilië, van Maciot en van dom Henrique en tenslotte met die van de Canarische eilanden evenals met die van Madeira. Bepaald is dat Castilië de soevereiniteit over Lanzarote behoudt, maar dat dom Henrique het effectieve bestuur over het eiland van Maciot overneemt. Maciot behoudt zich voor zichzelf en voor zijn nakomelingen het recht voor de cessie terug te draaien ’als dat hun behaagt.’ Ondertussen zullen zij 20.000 witte reais ontvangen, elk jaar betaalbaar tegen Pasen, uit de opbrengsten van Madeira. Tenslotte wordt bepaald dat dom Henrique het eiland tegen aanvallen verdedigt, maar als hij Lanzarote zou verliezen, dient hij toch de jaarlijkse rente te storten. De inkt van het akkoord is nauwelijks opgedroogd als Castilië daartegen protest aantekent. Dom Henrique is derhalve gedwongen om zowel in 1450 als in 1451 een sterke vloot naar de Canarische eilanden te zenden om de Portugese belangen te beschermen. Toledo protesteert hiertegen in een lange brief die Juan II van Castilië aan dom Afonso V richt. Maar hierover zegt Zurara niets meer; hij besluit zijn Chronica de Guinée in 1448 Dom Henrique zendt zijn dienaren Álvaro Ornelas en Antão Gonçalves ieder met een karveel naar Lanzarote. Gonçalves is tot capitão benoemd en Henrique heeft zich getooid met de titel Senhor van het eiland. Dit wil niet zeggen dat hij de soevereiniteit over het eiland uitoefent, omdat Maciot de Béthencourt, het eiland heeft bestuurd onder Spaanse soevereiniteit.

Terwijl Maciot de Béthencourt zijn oude dag in vrede op Madeira slijt, wordt capitão Antão Gonçalves, die zich uitsluitend laat omringen door Portugese ambtenaren, vrijwel direct na aankomst door de Guanches van Lanzarote verdreven; hij zal evenwel terugkeren. Ondertussen begint Castilië, daartoe aangemoedigd door de paus, meer en meer interesse voor ontdekkingen en veroveringen te krijgen. Zo trachten e kapers niet alleen afbreuk te doen aan de Portugese zeevaart, maar in juli 1449 ontvangt de hertog van Medina Sidonia van de Kroon van Castilië de concessie de kust van Afrika tot Kaap Bojador te onderzoeken en er handel te drijven. Deze concessie leidt tot een geschil tussen Portugal en Castilië, waarbij ook het bezit van de Canarische eilanden weer in het geding is. Omdat Henrique zeer nadrukkelijk aanspraken op het gebied maakt, is zijn positie als `Senhor van Lanzarote’ veel bedreigender voor de Spaanse soevereiniteit dan Maciots gouverneurschap ooit is geweest. Juan II van Castilië tekent protest aan tegen Henriques bezetting van Lanzarote bij monde van zijn gezant Juan Iñigues de Atabe. Deze bezoekt vóór 1451 het Portugese hof bij twee gelegen-heden en verweert zich met kracht tegen de aanspraken van de koning van Portugal, die verlangt dat Hernán Peraza voor hem verschijnt om zijn rechten te bewijzen op de eilanden Fuerteventura en Hierro. In 1451 worden twee Spaanse karvelen onder bevel van Juan Iñigues de Atabe, overmeesterd door een vloot van Henrique. Op een van de karvelen bevindt zich Don Juan Cid, bisschop van de Canarische eilanden met diens gewapende escorte van 25 man. In hetzelfde jaar worden nog meer schepen uit Sevilla genomen door een Portugese vloot van vijf schepen, die Henrique rond het eiland Lanzarote heeft ingezet. `De vijf schepen kruisen rond de andere eilanden en nemen ieder schip uit Sevilla dat ze aantreffen en daarna zeilen ze terug om de schepen te overmeesteren die getuige (van de overval) zijn geweest.’ De taaiheid waarmee Henrique tracht de Canarische eilanden in handen te krijgen, wordt verklaard uit zijn voortdurende gebrek aan geld om zijn ondernemingen te financieren en de mogelijkheid slaven te betrekken van de eilanden, waardoor zijn geldzorgen zouden afnemen.

In 1452 is Atabe, vergezeld van Diego Gonçalves de Ciudad Real, weer in Lissabon, om te protesteren, zonder dat hij ook maar enige genoeg-doening ontvangt. Juan II refereert in zijn brieven aan koning Afonso V (1438-1481) aan de vele andere brieven `die ik u heb gezonden.’ Hij beklaagt zich bij Afonso dat gewapende lieden van acht Portugese karvelen en van een pinas, vee en andere dieren gestolen hebben en dat zij koop-lieden, zijnde Castilianen, op de Canarische eilanden hebben uitgeschud. Spanje blijft protesteren; het krachtigste protest komt in 1454 als Juan II serieus dreigt met maatregelen. In feite wordt Antão Gonçalves in dat jaar door de Castilianen verdreven van Lanzarote. Portugal is bezorgd met Castilië in conflict te raken over zowel de Canarische eilanden als over de aan de kust van Afrika ontdekte gebieden. In april of mei 1454 zendt Juan II een ambassadeur naar Portugal om te praten over een verzoek van Henrique de aanspraken van Diego García de Herrera op de Canarische eilanden te mogen kopen. Hij tekent verzet aan tegen Henriques aanspraken op de Eilanden en brengt ook Guinée ter sprake `dat onze verovering is.’ Afonso V en Henrique wensen daarentegen een duidelijke erkenning van Juan II dat de Eilanden Portugees zijn.

Het overlijden van Juan II op 21 juli 1454 en de bestijging van de troon van Castilië door Enrique IV (1454-1474) geeft Portugal wat Afrika betreft een voorsprong op zijn rivaal Castilië. Enrique IV toont zich namelijk niet geïnteresseerd in zijn aanspraken op de Canarische eilanden. In 1455 geeft hij de heerschappij over Gran Canaria, Tenerife en het nog in handen van de inheemsen zijnde La Palma aan Atoujia en aan Villa Real, twee Portugese graven die prinses Juana begeleiden op haar reis naar Spanje, waar zij in het huwelijk zal treden met Enrique IV. De twee graven verkopen hun rechten aan Henriques neef Fernando, Deze transactie vormt een ernstige inbreuk op de rechten van de familie Herrera die in het bezit is van de eilanden Lanzarote, Fuerteventura, Gomera en Hierro en die bovendien aanspraken bezit op de nog niet veroverde eilanden. De graaf van Villa Real heeft, op dringend verzoek van Afonso V, paus Pius II (1458-1464) gevraagd zijn recht op de Canarische eilanden te bevestigen en hij heeft de bevestiging ook verkregen.

De Canarische eilanden zijn het eerste gebied, vanwaaruit de Portugezen op grote schaal slaven betrekken. Hierin zijn de Castilianen, Fransen en Italianen hen overigens voorgegaan. Als vanaf 1460 de suikerrietplantages op Madeira tot ontwikkeling komen, stijgt de vraag van de Portugezen naar slaven. Castilië verdedigt zijn alleenrecht op de exploitatie van de rijk-dommen van de Canarische eilanden echter fel, zodat de Portugezen veelal slaven verwerven door overvallen op de kust en op slavenschepen van anderen. Deze piraterij is in die tijd heel gewoon in de wateren rond de Canarische eilanden. De aldus verworven slaven blijken betere vechters dan werkers te zijn. Zij worden daarom door de Portugezen ingezet in hun strijd met de Castilianen om de omstreden eilandengroep. Geen van beide Iberische mogendheden is in staat de ander volledig uit de Archipel te verdrijven. Portugal zal eerst in 1479 formeel afzien van zijn aanspraken op de Canarische eilanden. In dat jaar wordt het Verdrag van Alcáçovas gesloten, waarin Isabella la Cathólica (1474-1504) op haar beurt erkent dat de Kaapverdische eilanden, de Azoren en de Madeira-archipel Portugees bezit zijn.

  1. Michel Vergé-Franceschi spreekt van het eiland Titeroygatra (pag. 65). Deze schrijver gelooft niet dat Lancellotto Malocelli de herontdekker van de Canarische eilanden is; hij geeft de eer aan een lid van de in 1338 bekende Normandische familie Maloisel, waartoe kapiteins behoren die met hun Normandische galeien (drakkars) de oceaan bevaren.

  1. Vergé-Franceschi spreekt over de Biskajer Fernando Peraza Martel, heer van Almonaster, die vanaf 1385 op Lanzarote 170 gevangenen maakt.

  1. Deze versterkingen zijn aangegeven op de wereldkaarten van Giacomo Giroldi uit 1426 en Gabriel de Vallsecha, gedateerd 1439.

  1. orcella (Fr.orseille, Eng. orchil of archil) is een soort korstmos waaruit een rood-violette kleurstof wordt gewonnen.

  1. Vergé-Franceschi vermeldt niet dat er bij deze tocht slaven zijn verworven.

 

5.7. De Madeira-archipel

 

1 Michel Vergé-Franceschi spreekt van het eiland Titeroygatra (pag. 65). Deze schrijver gelooft niet dat Lancellotto Malocelli de herontdekker van de Canarische eilanden is; hij geeft de eer aan een lid van de in 1338 bekende Normandische familie Maloisel, waartoe kapiteins behoren die met hun Normandische galeien (drakkars) de oceaan bevaren.

2 Vergé-Franceschi spreekt over de Biskajer Fernando Peraza Martel, heer van Almonaster, die vanaf 1385 op Lanzarote 170 gevangenen maakt.

3 Deze versterkingen zijn aangegeven op de wereldkaarten van Giacomo Giroldi uit 1426 en Gabriel de Vallsecha, gedateerd 1439.

4 orcella (Fr.orseille, Eng. orchil of archil) is een soort korstmos waaruit een rood-violette kleurstof wordt gewonnen.

5 Vergé-Franceschi vermeldt niet dat er bij deze tocht slaven zijn verworven,

Categorieën
Portugees kolonialisme

Dom Henrique o Navegador (Prins Hendrik de Zeevaarder)

Deel 1 Index

Hoofdstuk 5

Het begin van de maritieme expansie

5.5 Dom Henrique o Navegador (Prins Hendrik de Zeevaarder)

Geschreven door Arnold van Wickeren

Gewoonlijk laat men het tijdperk van de Portugese maritieme expansie beginnen met de verovering van Ceuta in 1415. Een gebeurtenis die door verschillende historici wordt beschouwd als het begin van de Moderne Tijd in Portugal. Weliswaar is er van systematische Portugese ontdekkings- reizen eerst sprake in de vijftiende eeuw, maar dit neemt niet weg dat vanaf het midden van de veertiende eeuw reeds expedities naar Madeira en de Canarische eilanden zijn ondernomen, die als ontdekkingsreizen kunnen worden aangeduid. Ofschoon Portugezen daarin een rol spelen, nemen er ook buitenlanders aan deel: Italianen, Castilianen, Catalanen, Basken, Noord-Europeanen en zelfs moslims. Vooral de rol van de Italianen is groot. Zij beheersen de handel in een groot deel van de Middellandse Zee. Zij beschikken over de financiële middelen, de commerciële ervaring en een netwerk van internationale contacten. Als geldschieters, gidsen, adviseurs en ervaren zeelieden spelen Italianen een belangrijke rol bij Portugese expedities, ook in de vijftiende eeuw. Ofschoon uit het voorgaande gebleken is dat de voorwaarden voor het ondernemen van ontdekkingsreizen ruimschoots vervuld zijn en dat het de Portugezen evenmin aan redenen daartoe ontbreekt, kan er eerst sprake zijn van het systematisch ondernemen van zulke reizen als iemand deze met kracht bevordert. Deze rol zal worden vervuld door Dom Henrique (1394-1460), de veroveraar van Ceuta.

Hij is als derde zoon van João I en Filipa van Lancaster, op 4 maart 1394 in Porto geboren. Veel van zijn biografische gegevens kunnen ontleend worden aan de kroniekschrijver Zurara. Deze krijgt in 1452 van Afonso V opdracht een kroniek te schrijven over de ontdekking en verovering van Guinée. Zurara voltooit in 1452 zijn Crónica do descobrimento e conquista da Guiné, maar als hij tussen 1 december 1473 en 2 april 1474 overlijdt, heeft hij zijn Crónica de Dom Afonso V nog niet voltooid. Dit karwei zal worden voortgezet door zijn opvolger, Rui de Pina. In zijn Crónica do descobrimento e conquista da Guiné besteedt Zurara ruim aandacht aan de persoon en werken van Dom Henrique. Hierbij hemelt hij, evenals hij dat in zijn Crónica da tomada de Ceuta heeft gedaan, Henrique zozeer op, dat historici uit later tijd diens betekenis hebben moeten relativeren. Dit wil overigens niet zeggen dat Henrique zijn epiteton `de Zeevaarder’, hem in de negentiende eeuw verleend door de Engelse historicus R.H. Major, niet zou hebben.verdiend.

Zurara geeft een opsomming van Dom Henriques motieven voor het uitzenden van ontdekkingsreizen:

  1. de wens het land te kennen voorbij de Canarische eilanden en Kaap Bojador;

  2. de wens een bevolking te vinden van christenen, of enige havens om zonder gevaar te kunnen binnenvaren voor de handel die grote winst voor Portugal zou opleveren;

  3. het geloof dat de macht van de moren veel groter is dan in dat deel van Afrika algemeen wordt aangenomen en dat het nodig is er de grenzen van te bepalen;

  4. het feit dat er in 31 jaar geen christelijk koning is gevonden die hem uit liefde voor Jezus Christus zou willen helpen bij zijn oorlog tegen de moren;

  5. het verlangen het geloof in onze Heer Jezus Christus te doen toenemen en Hem al die zielen te brengen, die gered zouden kunnen worden;

  6. de inclinatie van de hemellichamen (zijn horoscoop), waardoor hij zich moet bezighouden met grote en nobele veroveringen en bovenal trachten die dingen te ontdekken die voor andere mensen verborgen zijn.

Deze motieven heeft Henrique vrijwel zeker zelf aan zijn kroniekschrijver gedicteerd, echter meer dan dertig jaar na het begin van de ontdekkings-reizen Het is zeer onwaarschijnlijk dat hem alle opgesomde motieven van meet af aan helder voor ogen hebben gestaan. Waarschijnlijker is dat Henrique meer zicht heeft gekregen op wat hij met de ontdekkingsreizen kon en wilde bereiken naarmate deze succesrijker werden en zich meer mogelijkheden gingen voordoen. Als de ontdekkingsreizen en het opbloeien van de handel op West-Afrika grote vruchten gaan afwerpen en de doel-stellingen van de Portugese maritieme expansie de steun hebben weten te verwerven van de Heilige Stoel, smelten deze samen tot een nationale onderneming. Hierbij wordt het simpele idee de moslims op hun eigen grondgebied te bestrijden, verbonden met meer gecompliceerde motieven. de wens tot wetenschappelijke vorsing, de hoop met de handel grote winsten te behalen en de drang het christelijk geloof te verspreiden.

Hedendaagse Portugese historici als Oliveira Marques en Magalhães-Godinho nuanceren de betekenis van Henrique voor de ontdekkingsreizen. Zij wijzen erop dat Dom Henrique lange tijd vooral belangstelling heeft gehad voor de verovering van Marokko en dat tussen 1415 en 1460 slechts eenderde van alle ontdekkingsreizen te danken is aan zijn initiatief; de overige reizen zijn gelanceerd door de opeenvolgende koningen: João I, Duarte en Afonso V, de regent Pedro, feodale edelen, handelaren en landeigenaren. Het mag dan waar zijn dat Zurara in zijn Crónica do descobrimento e conquista da Guiné te eenzijdig de nadruk heeft gelegd op de rol die Henrique bij de ontdekkingsreizen heeft gespeeld, vast staat dat zijn verdiensten voor de Portugese maritieme expansie groot zijn. Dit rechtvaardigt dat nader aandacht wordt besteed aan zijn persoon.

Dom Henrique heeft, evenals zijn broers, een uitstekende opleiding gehad. Hij is minstens even ontwikkeld als iedere middeleeuwse prins en hij heeft, gelet op de omvangrijke hofbibliotheek, altijd een keuze aan theoretisch materiaal bij de hand. Dom Henrique blijft zijn gehele leven ongehuwd; hij heeft geen belangstelling voor vrouwen. Deze eigenschap heeft hij overigens met zijn broers gemeen. Duarte en Pedro vermijden tientallen jaren een huwelijk en ook João blijft ongehuwd, evenals de jong gestorven Fernando. Zurare merkt, met een verwijzing naar Nuno Álvares Pereira, over Henrique op `..hij had dezelfde cultus voor maagdelijkheid, dezelfde afkeer van onzuiverheid, die hij de ergste zonde vond.’ Ook zou Henrique geneigd zijn geweest tot ascese. Bij de verovering van Ceuta is hij 21 jaar. Zijn dapper optreden daar is voor zijn vader aanleiding hem tot ridder te slaan en hem te verheffen tot hertog van Viseu en hem te belasten met het bestuur van Ceuta. Enige jaren later belast João I hem met het bestuur over de Algarve en verhuist hij naar Lagos, in die tijd de grootste stad van Algarve. De zeer beroemde Vila do Infante in Sagres nabij Cabo de São Vicente is voor de ontdekkings-reizen van minder betekenis geweest dan Lagos. Van de stad die Dom Henrique bij Cabo de São Vicente mag bouwen, komt weinig terecht; verder dan de stadsmuren en een kapel is hij niet gekomen. Henrique heeft belangstelling voor astrologie en astronomie, wiskunde en zeevaart- kunde. Hij verzamelt enige studenten, joodse geleerden en Italiaanse experts in de handel om zich heen en verwelkomt vreemdelingen die hem over allerlei zaken kunnen inlichten. Mogelijk is Henriques interesse voor ontdekkingsreizen gewekt door zijn wetenschappelijke belangstelling. Hij raakt zeer betrokken bij de zeevaart. Veel van zijn ridders en schild-knapen bezitten schepen en ontvangen van hem opdrachten voor gedurfde expedities; zonodig rust hij op eigen kosten een schip voor hen uit. De door hem verzamelde zeevaartkundige, geografische, volkenkundige en economische gegevens, die zijn kapiteins na hun thuiskomst van hun ontdekkingsreizen weten te melden, stelt hij ter beschikking van hen die nieuwe expedities leiden. Op die manier kan iedere nieuw uitgezonden kapitein beschikken over bijgewerkte kaarten en de meest recente kennis. Zij kunnen dan met een groter vertrouwen in de goede afloop en met meer kans op succes dan hun voorgangers, aan hun opdracht beginnen.

In 1419 arriveert in aan dom Henriques hof meester Jacomo de Mallorca. Hij is een instrumentmaker en cartograaf van naam. Wellicht is het dezelfde persoon als Jafuda Cresques, de zoon van Abraham, die in 1375 voor de Franse koning Charles V een schitterende atlas vervaardigd heeft. Deze Jafuda Cresques heeft 40 jaar eerder in dienst gestaan van de koning van Aragón. Niet zeker is of de aankomst van de cartograaf valt vóór of ná de eerste reis van Zarco en Teixeira. In het eerste geval heeft Henrique de jonge edellieden op zoek naar Guinée gezonden, nadat en wellicht omdat hij hun een door meester Jacomo recent vervaardigde portolano heeft kunnen meegeven. In het tweede geval is meester Jacomo wellicht ontboden om de resultaten van Zarco’s en Teixeira’s eerste reis op de portolani aan te geven. Diffie zegt hiervan het volgende: Het verhaal dat Henrique zich omringd zou hebben met wetenschappers is niet erg betrouwbaar. In dit verband wordt altijd het eerst gewezen op Jacomo de Mallorca, van wie wordt verondersteld dat hij dezelfde persoon is als Jafuda Cresques, zoon van Abraham Cresques, de vervaardiger van de Catalaanse kaart uit ongeveer 1375, die na zijn bekering tot het christendom bekend was onder de naam Jaime Ribas. De ontdekkingsreiziger, cartograaf, held en auteur Duarte Pacheco Pereira schrijft in zijn Esmeraldo de Situ Orbis (1505-1508), dat Henrique `iemand naar het eiland Mallorca, waar als eerste zeekaarten worden gemaakt, zendt op zoek naar meester Jacomo, een expert in de vervaardiging van zeekaarten, die met behulp van veel giften en beloningen overgehaald wordt naar zijn koninkrijk te komen, omdat men hem zulke kaarten, waarop alles staat wat in onze tijd bekend is, wil laten maken.’ Duarte Pacheco schrijft niet wanneer Jaime Ribas naar Portugal gekomen zou zijn. Een halve eeuw later vermeldt de befaamde historicus en kroniekschrijver, de auteur van de Décadas da Ásia (1552-1563) João de Barros (1496-1570) de aanwezigheid van Jaime Ribas in Portugal, echter in zulke bewoordingen dat het er de schijn van heeft dat hij deze heeft overgeschreven uit de Esmeraldo. Daartegen kan worden ingebracht dat Barros Jaime Ribas eigenschappen toedicht die niet door Duarte Pacheco zijn genoemd; Barros schrijft: hij was een man die `veel weet van zeevaartkunde en die zeekaarten en instrumenten maakt….die zijn kennis heeft onderwezen aan Portugese vaklieden.’ Ook João de Barros vermeldt niet wanneer Jaime Ribas naar Portugal zou zijn gekomen. Geen andere tijdgenoot heeft ook maar een woord aan Jaime Ribas besteed en hij wordt ook niet genoemd in de officiële documenten. Zurara noemt hem niet. Diffie citeert in dit verband `een van de voorzichtigste moderne historici’ Duarte Leite, die stelt dat de `beroemde zeevaartschool van Sagres’ een niet uitroeibaar sprookje is. Hij schrijft voorts, dat er ook voor het bestaan van een observatorium in Sagres geen bewijs gevonden is, dat dom Henrique geen speciale kennis had van: wiskunde, astronomie, cosmografie, cartografie, zeevaartkunde, scheepsbouw of van welk andere discipline dan ook. Voorts kan niet bewezen worden dat Henrique zich liet omringen door mathematici, cosmografen, cartografen of andere geleerden. Kort voor zijn overlijden in 1460 blijkt Henrique onbekend te zijn met de Catalaanse cartografie, waaruit blijkt dat Jaime Ribas weinig invloed in Portugal heeft gehad.

Dom Henrique zelf heeft een aantal malen aan veldtochten in Marokko deelgenomen, maar verdere reizen heeft hij nooit gemaakt. Daarentegen bezoekt zijn broer dom Pedro het Heilige Land, Syrië en Egypte en in de jaren 1425-1428 verschillende hoven in West- en Midden-Europa (Londen, Brugge, Keulen, Neurenberg, Praag, waar de koning van Bohemen en toekomstig Duits keizer Sigismund (1433-1437) hem verheft tot markgraaf van Trévise. Dom Pedro is daardoor meer dan Henrique bekend met de problemen in Europa. Ook andere familieleden maken reizen. De vervul-ling van Henriques politieke en militaire aspiraties, zijn gulheid en de grote omvang van zijn huishouden kosten veel geld. Hij verkeert dan ook voortdurend in financiële moeilijkheden en zint op mogelijkheden om zijn inkomsten te vergroten. Hij betrekt als gouverneur van de Algarve een groot deel van zijn inkomsten uit de visvangst en uit andere maritieme activiteiten, met inbegrip van handel en piraterij. Dom Henrique ontvangt tien procent van de opbrengst van door de vissers van Monte Gordo gevangen vis; hij verzekert zich van het monopolie op de vangst van tonijn door vissers uit heel de Algarve; hij heeft inkomsten uit de vangst van dolfijnen en bruinvissen en controleert bijna de gehele aanvoer van vis in Ceuta. Dom Henrique verzekert zich ook van het monopolie op de koraalvisserij en verwerft inkomsten uit de verf- en de zeepindustrie. Hij zal later ook profiteren van de landbouwopbrengst van nieuw ontdekt land en van de handel in slaven.

5.6. De Canarische eilanden

Categorieën
Portugees kolonialisme

Op zoek naar het rijk van Preste Joam

Deel 1 Index

Hoofdstuk 5

Het begin van de maritieme expansie

5.4 Op zoek naar het rijk van Preste Joam

Geschreven door Arnold van Wickeren

Al eeuwen lang leven in heel christelijk Europa de meest fantastische voorstellingen over het legendarische rijk van de priester-vorst Johannes (o reino do Preste Joam). Waar zijn rijk ligt, weet men niet, men zegt simpel dat het aan de andere kant van het land van de moslims ligt en daarom heeft men verondersteld dat João I van Aviz, die algemeen wordt beschouwd als een voortreffelijk strateeg, zich voorstelt de hand te reiken aan deze heerser, die weliswaar mythisch is, maar de reputatie heeft een christen te zijn. Daarmee zou hij een ideale bondgenoot zijn om de islam in de tang te nemen. De legende van het bestaan van de mysterieuze Preste Joam is in 1122 ontstaan in het Midden-Oosten. Nadat de kruistochten. op een mislukking zijn uitgelopen is de mythe aktueel geworden, omdat zij in het licht van de uitdaging van de Saracenen wordt gezien als een alternatief.

Het koninkrijk van Preste Joam wordt de eerste tijd verondersteld in Azië te liggen. Vanaf 1177 wint de hypothese veld, dat dit rijk gezocht dient te worden in Afrika, in Ethiopië, wat overigens plausibel lijkt, omdat. de naam ‘priester Jan’ inderdaad lijkt te stammen uit Ethiopië, een gebied dat al sedert de vierde eeuw gekerstend is en waarvan de keizer, die de priester-wijding heeft ontvangen, Zan wordt genoemd. Een christelijk vorst, die zwart zou zijn, is uiterst merkwaardig, omdat ‘zwart’ tot aan het einde van de vijftiende eeuw het kwaad symboliseert. (bij Zurara zijn de wreedste inheemsen altijd Zwarten, met dikke lippen, geweldig kracht en een boven-gemiddelde lengte) Jean Devisse en Michel Mollat noemen Preste Joam in hun Les Africain dans l’ordonnance chrétienne du monde, een van de zeldzaamste prestigieuze zwarte persoonlijkheden, wat hij gemeen heeft met de koningin van Saba, (zijn voorouder), Sint Mauritius en een van de magische koningen van Bethlehem.

Of de legende nu stamt uit Azië of uit Ethiopië doet er niet toe; de geschiedenis van Preste Joam is een van de meest hardnekkige mythes uit het middeleeuwse West-Europa. Zij is ontstaan in 1122, met het bezoek van een ‘aartsbisschop van de Indies’, Johannes geheten, aan paus Calixtus II (1119-1124) en in de loop van enkele eeuwen is zij alleen maar groter geworden. In 1141 gaat Gur Khan, de heerser van de Karakitai, die dat jaar de Perzische sultan Sanjar overwonnen zou hebben, door voor Preste Joam; vanaf die tijd wordt Preste Joam in Europa altijd beschouwd als een heerser die niet slechts een christen is, maar die ook al zijn vijanden kan overwinnen. In 1177 arriveert een Ethiopiër (of een Nubiër) in Rome. Hij presenteert zich aan de paus als een ‘gezant van Preste Joam’ Deze ambassadeur plaatst deze vorst voor de eerste maal in Afrika, maar de geografische bijzonderheden die hij verschaft zijn voor westerlingen, voor wie de Indies, Afrika, Azië en Cathay een groot onbekend gebied zijn, onbegrijpelijk en mysterieus. Aan het begin van de dertiende eeuw smelt Preste Joam samen met Toghrul, de Wang Khan van de Kerait, een Turks volk in Centraal-Mongolië dat nestoriaans is geworden. Maar Toghrul wordt in 1203 verslagen en gedood door Dzenghis Khan (1155-1227). De christenheid gelooft niet dat Preste Joam de overwonnen vorst kan zijn en vervangt hem door de overwinnaar Dzenghis Khan in eigen persoon en al helemaal als deze in 1221 de sultan van Khàrezm verslaat.

In 1245 vertrekt Giovanni dal Piano dei Carpini, een van de eerste discipelen van Sint Franciscus van Assisi, vanuit Lyon naar Karakorum, de hoofdstad van het Mongoolse rijk. Hij dient, in opdracht van paus Innocentius IV (1243-1254) de Mongoolse Kahn tot het christendom te bekeren, om Europa voor nieuwe aanvallen te vrijwaren. Hij keert na twee jaar onverrichter zake terug en beschrijft zijn waarnemingen met grote precisie in zijn Historia Mongalorum. Uit dit werk blijkt dat hij in de streken die hij heeft bereisd geen spoor van Preste Joam heeft aangetroffen. Voor Giovanni dal Piano dei Carpini is dit aanleiding Preste Joam te plaatsen in Indië, te midden van Nestoriaanse christenen. In 1252 vertrekt Guillaume de Rubroek (Wiliam of Rubruck), ook een franciscaan, naar Karakorum. Hij weet vriendschap-pelijke betrekkingen met de Mongolen te vestigen. In zijn reisverslag vermeldt hij dat de `Nestoriaanse herder’ gezocht moet worden bij Karakorum in Centraal-Azië en dat zijn broeder Ung recentelijk verslagen is door Dzenghis Khan. In 1258 openbaart zich een nieuwe Preste Joam aan de Europeanen: namelijk Khan Hulagu, die is gehuwd met een kleindochter van Toghrul, die dat jaar het califaat van Bagdad verwoest en die de christenen laat geloven dat hij hen te hulp zal komen in het Heilige Land. Er ontstaan steeds meer verhalen en het aantal potentiële kandidaten voor de moeilijke rol van Preste Joam neemt eveneens toe, gebaseerd op diverse hypothesen: Simon de Saint-Quentin beweert dat Preste Joam vereenzelvigd dient te worden met de christelijke koning van de Naiman of Kerait, een Turks-Mongools volk dat verslagen is door de Mongolen. Marco Polo, die rond 1300 schrijft, ziet de vermeende afstammelingen van Preste Joam in de nestoriaanse dynastie van de Turkse Öngüt in Mongolië.. Hij vermeldt ook dat drie van de zes koningen van Ethiopië het christelijke geloof aanhangen.

Als de khans aan het einde van de dertiende eeuw, overgaan tot de islam, richten de gedachten in Europa zich op andere mogelijkheden voor Preste Joam. Het denbeeld van een Ethiopische Preste Joam, die in de zevende eeuw door de islamitische expansie van de rest van de christenheid is afgesneden, komt als nieuwe theorie in de mode. Zijn rijk wordt weldra beschouwd als een soort aartsparadijs dat toegankelijk is voor gewone stervelingen. Het ligt temidden van een vijandige natuur, bevolkt met monsterlijke mensen. Desondanks gaat het om het machtigste gekerstende land ter wereld, waarin Venetianen en Portugezen belang stellen.

Preste Joam, rex et sacerdos, is bij het merendeel van de vorsten van Europa bekend door een apocriefe brief, die tot aan de Renaissance menig-maal is vertaald en gereproduceerd, als de beroemde ‘Lettre du Prêtre Jean à l’empereur Manuel’ {I Comnenus (1143-1180)}, aan wie de brief zou zijn geadresseerd in de volgende bewoordingen: “Wij, Preste Joam, zijn de koning der koningen, onze rijdom, rechtschapenheid en macht overtreft die van alle koningen onder de hemelen.” “Wij beloven en zweren te goeder trouw het graf van Onze Heer in het Beloofde Land te veroveren”. De brief is waarschijnlijk van Byzantijnse origine; verondersteld is dat hij is geschreven om de ketterse Nestoriaanse kerk meer aanzien te geven, danwel dat het propaganda is om de Saracenen te alarmeren en om hun druk op de kruisvaarders van de twaalfde eeuw te verlichten. Voor paus Alexander III (1159- 1181) vormt de brief een aanleiding om de universele autoriteit van de katholieke kerk te verkondigen. De paus zendt een boodschapper naar Preste Joam, maar deze gezant keert niet terug. Het denkbeeld Preste Joam in Ethiopië te moeten zoeken, wordt aangewakkerd door de opkomst van de tot dan toe onbekende heerser van Ethiopië. Al in 1290 heeft Egypte met Genua een handelsverdrag gesloten dat de verbindingen in het gebied van de Middellandse Zee zozeer heeft verbeterd, dat de keizer van Abessinië in 1306 een gezantschap van dertig man naar Europa kan zenden. Ogen-schijnlijk biedt de vorst aan de `koning van de Spanjes’ zijn hulp aan in diens strijd tegen de ongelovigen; maar ongetwijfeld wenst hij als tegenpres- tatie steun van de Europeanen om de druk die zijn islamitische buurlanden op zijn land uitoefenen te verminderen. De cartograaf Giovanni da Carignano ondervraagt leden van het Ethiopische gezantschap in Genua en schrijft een verslag over de inrichting van de Ethiopische staat en over het geloof en de gewoonten van de Abessijnen. Een in de volgende eeuw gedrukte samenvat-ting van het verloren gegane verslag vermeldt `dat Preste Joam als patriarch is geplaatst over het volk van Abessinië en dat aan zijn gezag 127 aartsbis-dommen, die 20 bisschoppen tellen, zijn onderworpen. Aan deze meest christelijke keizer wordt trouw bewezen door 74 koningen en een ontelbaar aantal prinsen, onder hen zijn niet begrepen de koningen die de wetten van Mohammed onderhouden, maar die zich in andere zaken aan de keizer onderwerpen.’

In 1321 verneemt een reiziger in Voor-Indië van Italiaanse kooplieden dat de weg naar Abessinië, het land van Preste Joam, open ligt. Deze reiziger brengt een bezoek aan het land en meldt bij terugkomst in Europa dat de keizer van Ethiopië voortdurend in oorlog is met de moslims en dat dicht bij diens rijk het aartsparadijs moet zijn geweest. Rond 1330 betitelt ook de dominicaan Jordan de Séverac, die vele jaren in Perzië heeft gewoond en die op een zoektocht naar Voor-Indië noch een koning, noch een hof, noch een leger tegen de ongelovigen heeft aangetroffen, de Negusa Negasjt, de heerser over Ethiopië, als Preste Joam. Ethiopië is een geheimzinnig land, want het is geheel afgesloten voor westelijk onderzoek, zelfs voor de dominicanen die onder het pontificaat van paus Johannes XXII (1316-1334) pogen Nubië (en misschien Ethiopië) te bereiken. De in de noordelijke provincie Tigre gelegen stad Aksum is het religieuze centrum van het land. In de kathedraal van Aksum zou verborgen zijn de Ark des Verbonds, die door Ménélik I, de zoon van koning Salamo en de koningin van Saba, zou zijn gestolen uit de Tempel in Jeruzalem.

De eerste cartograaf de het rijk van Preste Joam lokaliseert is de Genuees Angelino Dulcert die Ethiopië in 1339 situeert ten zuiden van Egypte. West-Europa tracht direct inlichtingen in te winnen: daartoe worden enige ‘zwarte monniken’ benaderd, omdat zij geregeld pelgrimsreizen maken van Ethiopië naar Jeruzalem, waar zij in een klooster verblijven. In 1350 noemt de schrijver van het Libro del Conoscimiento de todos los reynos Preste Joam Patriarch van Nubië en Abessinië’ en Abraham Cresques betitelt op zijn kaart uit 1375 het gebied van de Opper-Nijl als de seyñoria del emperador de Ethiopia de la terra de preste iõhã. Op de Ethiopische kerken die Cresques afbeeldt wapperen vlaggen met drie kruisen. De beroemde Arabische ontdekkingsreiziger uit Tanger Ibn Battūta bezoekt Perzië en Oost-Afrika en publiceert over zijn reizen in 1355 in Granada. Ook de historici Ibn al-Khatib en Ibn Khaldoun kennen de zuidelijke en oostelijke grenzen van de islamitische wereld. Abraham Cresques’ zoon Jafuda, die zijn vader met het vervaardigen van zijn wereldkaart geholpen heeft, is omstreeks 1420 in dienst van Dom Henrique. Hij moet diens belang-stelling voor het vinden van o reino do Preste Joam hebben gevoed, opdat de mythische vorst tot een werkelijke bondgenoot van de Portugezen kan worden. Henrique is niet de enige in Europa die in contact wil treden met Ethiopië. Verschillende Europese vorsten zenden gezanten naar dit land. In Frankrijk is het Jean, duc de Berry (1340-1416), die in navolging van de pausen, ambassadeurs naar Ethiopië zendt. Ofschoon in de veertiende eeuw enige dominicanen via Nubië Ethiopië hebben weten te bereiken, lukt dat in de vijftiende eeuw niet meer. Dit is te wijten aan de vijandigheid van de moslims in Egypte en aan de onherbergzaamheid van de Egyptische en Nubische woestijnen. Brieven komen niet aan, omdat afgezanten omkomen voor zij hun doel bereiken. In Ethiopië is de geschiedenis van de kruistochten vaag bekend. Ook heeft men weet van de in Europa levende verwachting dat Preste Joam het Heilige Land zal helpen bevrijden. Gebleken is dat de Ethiopiërs ook behoefte hebben aan contact met hun geloofsgenoten in Europa. In 1427 arriveren twee Ethiopische gezanten aan het hof van koning Alfonso de Grote (1416-1458) van Aragón met het voorstel een bondgenootschap aan te gaan met Ethiopië. Alfonso beantwoordt het bezoek door dertien handwerkslieden naar Ethiopië te zenden (die allen onderweg sterven) en hij overweegt zelfs zijn dochter aan de negus uit te huwelijken. In 1441 verschijnen onverwacht twee Ethiopische afgezanten op het Concilie van Florence (1439-1449). Zij blijken afgevaardigd te zijn door de Ethiopische monniken in Jeruzalem.

De vraag rijst of ook João I al vanaf 1415 heeft gepoogd het rijk van Preste Joam te bereiken. Michel Vergé-Franceschi vindt dit weinig waarschijnlijk. Vitorino Magalhães Godinho daarentegen acht 1415 te laat, waarbij hij erop wijst dat de legende reeds dateerd uit 1122. Vergé-Franceschi vindt dit irrelevant; waar het om gaat is, dat de middeleeuwse christenheid pas laat weet krijgt van Ethiopië, namelijk pas nadat de Portugezen tegen 1440, dus zeven jaar na het overlijden van João I, van hun reis naar de Niger zijn teruggekeerd met het verhaal dat het rijk van Preste Joam bereikt kan worden door rond het Afrikaanse continent te zeilen. Dus dom Henrique ontvangt eerst op zijn oude dag kennis van de ligging van Ethiopië. Het zal tot 1450 duren voordat Pietro Ranzano, een dominicaan van Sicilië, tijdens zijn verblijf in Napels, een zestigjarige landgenoot uit Messina, Pietro Rambulo, ontmoet. Deze Rambulo, bijgenaamd de Ethiopiër, blijkt in staat in nauwkeurige inlichtingen te verschaffen over dat vreemde, ver verwijderde land. Rambulo heeft zijn geboortestad tegen 1400 verlaten, heeft Spanje, Frankrijk en vervolgens Italië bezocht. Hij is in Venetië aan boord van een schip gegaan en is via Tunis en Alexandrië naar Cairo gereisd. Daar heeft hij een ambassadeur van de negus naar de sultan ontmoet en hij heeft de man vergezeld naar de negus. Hij is getrouwd met een Ethiopische, die hem zeven kinderen heeft geschonken, die katholiek zijn opgegroeid. Rambulo heeft tien jaren in Ethiopië gewoond en hij heeft in dienst van de keizer verschillende missies vervuld: naar Ceylon en Indië tot aan China. In 1450 is hij, na een halve eeuw van omzwervingen, belast met een nieuwe missie – naar Aragón – tijdens welke hij Napels aandoet en kennis maakt met de jonge Ranzano, die hij toevertrouwt: Ethiopië zou door de Saracenen Habbas worden genoemd en door de Latijnen Habbassia, dat wil zeggen Abessinië; het land is rijk; er komen mineralen in overvloed voor en ook katoen. Hij wijst zijn landgenoot precies hoe Abessinië bereikt kan worden, zij het summier: ‘van Alexandrië naar de Rode Zee en daarna de bergen in!’ Rambula verschaft ook enige inlichtingen over de politieke en bestuurlijke organisatie van het land: dat bestaat uit twaalf koninkrijken, die geregeerd worden door machtige vorsten, die gesteund worden door een groot leger, dat beschikt over 6.000 olifanten en een geduchte cavalerie. De opperste chef in het land is inderdaad Preste Joam, een afstammeling van de koningin van Saba en van wijze koningen. Aan het hoofd van de maat-schappij staan de priesters; en na hen komen de kooplieden; de bevolking leeft in miserabele omstandigheden in grotten en onder tenten en dieren-vellen. Men spreekt er Chaldeeuws en de religie is het christendom, omdat het land is gekerstend door de apostel Thomas.

Dom Henrique o Navegador zal er naar streven het land van Preste Joam te bereiken met schepen. In dit verband is het van belang dat Afrika op middeleeuwse kaarten al spoedig wordt omringd door oceanen, zij het dat het continent zich in werkelijkheid veel verder naar het zuiden uitstrekt dan op die kaarten is aangegeven. Ofschoon een reis om Afrika heen naar het land van Preste Joam door deze vertekening niet al te moeilijk lijkt te zijn, hopen de Portugezen met hem contact te kunnen maken bij de exploratie van de westkust van Afrika. Henrique lokaliseert zijn potentiële christelijke bondgenoot voorbij het gebied waar de moslims invloed hebben. Als deze verwachting later niet blijkt uit te komen, denken de Portugezen Preste Joam te kunnen vinden door het opvaren van grote in de Atlantische Oceaan uitstromende rivieren, waarvan de Portugezen denken dat zij in verbinding staan met de Nijl.

5.5. Dom Henrique o Navegador (Prins Hendrik de Zeevaarder)

Categorieën
Portugees kolonialisme

Voorwaarden voor het ondernemen van ontdekkingsreizen en redenen voor de maritieme expansie

Deel 1 Index

Hoofdstuk 5

Het begin van de maritieme expansie

5.3 Voorwaarden voor het ondernemen van ontdekkingsreizen en redenen voor de maritieme expansie

Geschreven door Arnold van Wickeren

Aan het einde van de dertiende eeuw zijn in de scheepvaart in het gebied van de Middellandse Zee drie vernieuwingen doorgevoerd zonder welke de ontdekkingsreizen niet mogelijk zouden zijn geweest. In de scheepsbouw hebben de zijroeren plaatsgemaakt voor een vast roer bevestigd aan de achtersteven en verbonden met de kiel. Het magne-tische kompas is door de Arabieren uit China naar Zuid-Europa gebracht. De derde vernieuwing betreft de introductie van zeekaarten of loods-voorschriften (portolani), waarop het verloop van de kustlijn en markante punten aan de kust zijn aangegeven. De vroegst bekende portolano is Lo Compasso de Navigare, getekend in 1250. Loodsvoorschriften verwijzen vaak naar het gebruik van een onmisbaar instrument, de zandloper (orologio a polvere). Dit dient om de tijdsduur van een bepaalde manoeuvre aan te geven. Zonder achterroer, kompas, zeekaart en zandloper zouden ontdekkingsreizen in het geheel niet mogelijk zijn geweest.

Tijdens de periode van maritieme expansie staan de ontwikkelingen niet stil. Zowel in de scheepsbouw, als in de zeevaartkunde doen zich belang- rijke vernieuwingen voor. In het begin van de vijftiende eeuw ontwikkelt zich uit de eenmaster met een groot vierkant zeil, via de weinig toegepaste tweemaster, de driemaster. Tevens worden de vierkante zeilen vervangen door driehoekige, zogenoemde latijnzeilen. Door aan de masten stengen te bevestigen, kan worden gebruikgemaakt van meerdere zeilen per mast.

Deze zeilen kunnen verschillende posities innemen, wat de zeilwaardig-heid vergroot. De moslims ontwikkelen in het begin van de vijftiende eeuw een nieuw type schip, de karib. De Portugezen brengen halverwege de eeuw aan de karib enige verbeteringen aan en zo ontstaat de caravela (karveel). Een driemaster van gemiddeld vijftig ton, waarvan de lengte niet meer is dan driemaal de breedte, terwijl voorheen een schip meestal vijfmaal zo lang was als het breed was. Door de grote breedte is de water-verplaatsing gering en is de karveel een goed en wendbaar zeilschip. Omdat de diepgang ook gering is, kan met een karveel de monding van een rivier opgevaren worden, vaak tot 300 kilometer landinwaarts. De bemanning bestaat uit minstens twintig koppen. Andere veel gebruikte scheepstypen zijn de barca (bark), de fusta (fust), de galé (galei) en de varinel (soort galei). Aan het einde van de vijftiende eeuw zal hieraan worden toegevoegd de nau (kraak), een grote, vaak vierkant getuigde driemaster. Dit laatste geldt niet voor de bazaanmast; het driehoekige bazaanzeil vergemakkelijkt de besturing bij weinig wind. De kraak heeft een hoge kampanje, waarmee voorkomen wordt dat het schip door achteropkomende rollers schade oploopt. De nau is het prototype van de galeão (galjoen). Was de karveel een uiterst geschikt schip voor de kust-vaart, Vasco da Gama zal in 1498 de oversteek naar Indië maken in naus.

In de tweede helft van de vijftiende eeuw krijgt de zeeman de beschik-king over drie belangrijke instrumenten voor de navigatie. Het astrolabium (astrolábio), een door de moslims uitgevonden instrument om de breedte-graad te meten, is vóór 1482 door Martin Behaim, een beroemd cartograaf, toepasbaar gemaakt voor de zeevaart. Het tweede instrument is het kwadrant (quadrante). De vroegste vermelding daarvan dateert uit 1465, als Diogo Gomes het gebruikt bij het bevaren van de Gambia. Astrolabium en kwadrant verbeteren, tezamen met de sextant (balestilha), de plaats-bepaling op zee gedurende de nacht. Portugezen en Spanjaarden ontlenen hun kennis van de astronomie en de op de wiskunde gebaseerde nautische toepassingen daarvan, aan de moslims. Deze gaan er, in navolging van de Grieken, al vroeg vanuit dat de aarde een bol is. In het Westen heeft het langer geduurd voordat dit denkbeeld aanvaard werd, waarover later. De omvang van de aarde is door de moslims berekend op ruim tachtig procent van de werkelijke omtrek. Na de verovering van door de moslims beheerste gebieden op het Iberisch schiereiland is een groot deel van hun wetenschappelijke resultaten vertaald in het Latijn. Aan het einde van de dertiende eeuw heeft Alfonso de Wijze van Castilië door een groep christelijke en joodse geleerden het Libros del Saber de Astronomia, een soort astronomische encyclopedie, laten samenstellen.

Uit de geocentrische astronomie van Claudius Ptolemaeus, de Griekse astronoom-geograaf uit Alexandrië, gepubliceerd in zijn Geographia, blijkt dat deze geleerde uit de tweede eeuw ervan uitgaat dat de aarde een bol is. Als dit denkbeeld in het Westen bekend raakt, wordt het daar verworpen. Lactantius Firmianus, de opvoeder van de zoon van keizer Constantijn de Grote, fulmineert tegen het idee van een bolvormige aarde en ontvangt voor zijn afwijzing in 325 op het Concilie van Nicaea de steun van de kerkvaders. De opvattingen van Firmianus zijn in de tweede helft van de vierde eeuw overgenomen door een indrukwekkende reeks kerk-vaders: Basilius, Hiëronymus, Chrysostomus, Gregorius en Augustinus. De laatste achtte de idee van een bolvormige aarde zelfs in strijd met de basis van het christelijk geloof. Het spreekt voor zich dat de uitspraken van zoveel gezaghebbende mannen eeuwenlang doorwerken op de heer-sende mening. In 827 vertaalt al-Haggag de Geographia van Ptolemaeus in het Arabisch. De vertaling ziet het licht onder de naam Kitâ al-Migisti (Het grootste boek). Eerst in 1175 verschijnt daarvan in Rome een vertaling in het Latijn, onder dezelfde naam; de Almagest. De vertaling is zeer onvolledig; veel wiskundige passages, die voor de Arabieren geen probleem hebben opgeleverd, en andere gedeelten van het boek zijn weggelaten. Niet de Almagest, maar een gepubliceerd uittreksel van Gherardo di Cremona’s versie daarvan brengt het idee van de aarde als bol weer in Europa terug. Het uittreksel is van de hand van John Holywood uit Halifax in Yorkshire, die verbonden is aan de universiteit van Parijs. Hij publiceert in 1230, onder de naam Sacrobosco, zijn Sphaera Mundi. Dit boek bestaat uit vier delen: het eerste deel beschrijft de aardbol; het tweede gaat over `cirkels, groot en klein’; het derde brengt systeem in het op- en ondergaan van de sterren en het vierde gaat over de beweging van de planeten. De Sphaera Mundi ontkracht meer dan enig ander boek de theorie van de platte aarde. Deze `bijbel’ van de scheepvaart tijdens de Renaissance zal drie eeuwen het standaardwerk over de aarde blijven. Ruim een eeuw later verschijnt een ander boek dat, evenals de Sphaera Mundi een ruime verspreiding in handschrift-uitgaven krijgt, in vele talen, waaronder het Spaans, wordt vertaald en in de zestiende eeuw zelfs wordt gedrukt. Het bedoelde boek is Mandeville’s Travels. Het is de eerste bestseller op het gebied van reisverhalen en een van de mooiste middeleeuwse vervalsingen. Sir John Mandeville is geen edelman en zelfs geen Engelsman. Het boek is waarschijnlijk in 1357 in Luik geschreven. De onbekende auteur geeft gedetailleerde beschrijvingen van hachelijke reizen die ontleend zijn aan de logboeken van anderen. Daarnaast heeft hij pure verzinsels opgenomen. Het werk is buitengewoon goed leesbaar, wat mede zijn grote populariteit verklaart. De volgende passage moet velen overtuigd hebben: `En de mens kan zeker door ervaring en verstandig gebruik van zijn geest bewijzen dat, indien iemand aan boord zou gaan van een schip dat de wereld zou gaan onderzoeken, hij met dat schip de hele wereld zou kunnen doortrekken zowel naar boven als naar beneden, hetgeen ik bewijs doordat ik het heb gezien.’ Deze en andere boeken leiden ertoe dat de geletterde bovenlaag in het Westen er aan het einde van de veertiende eeuw van overtuigd raakt dat de aarde inderdaad rond is. De opvattingen van de kerk werken echter nog zeer lang na. De massa van de bevolking houdt nog minstens een eeuw vast aan het denkbeeld van een platte aarde, waarvan men kan afvallen als men zich te ver op zee waagt.

In het begin van de veertiende eeuw is in Europa bekend dat goud en slaven langs karavaanwegen dwars door de Sahara worden aangevoerd naar de Noord-Afrikaanse handelssteden. Aan de hoven van Europa zijn berichten ontvangen van de hadj van vorst Mansa Musi van Mali, die tot zijn dood in 1332 heeft geheerst over een rijk dat zich uitstrekt van de Atlantische Oceaan tot de Niger en van het zuiden van de Sahara tot aan de oerwouden van West-Afrika. Dit kan worden afgeleid uit de Mallorcaanse kaart van Angelino Dulcert uit 1339, die een reproductie is van de wereldkaart van Angelino Dalorte, uit 1325. Op deze kaart zijn het rijk van Mansa Musi en de weg naar `het land van de negers’ aangegeven. De West-Afrikaanse kustlijn is in het midden van de veertiende eeuw bekend tot aan Kaap Non (Cabo Não), gelegen op 2835′ NB in het dorre gebied van Sidi Ifni, waarin het Anti-Atlasgebergte uitloopt. Als de Portugezen in het begin van de vijftiende eeuw aan hun ontdekkingsreizen beginnen, zijn Madeira en de Canarische eilanden door Europeanen bezocht en is een groter deel van de westkust van Afrika in kaart gebracht. Op de in 1375 ook op Mallorca in opdracht van de Franse koning Charles V `le Sage’ (1364-1380) vervaar- digde kaart, die wordt toegeschreven aan Abraham Cresques, zijn Kaap Bojador (2630′ NB) en de grote West-Soedanese steden Niani, Timboektoe en Gao reeds vrij nauwkeurig aangegeven en is bovendien vermeld dat er in West-Afrika een overvloed aan goud voorhanden is.

Niet alleen atlassen en kaarten vormen een bron van kennis; er is ook oraal overgeleverde kennis van het Noord-Afrikaanse binnenland tot aan de Opper-Niger en de Senegal. Deze is afkomstig van joodse kooplieden, die min of meer veilig tussen de moslims kunnen rondreizen. Zij zijn op de hoogte van de grote karavaanroutes en van de goederen die in hoofd-zaak geruild worden. Een zeer belangrijke route begint in de Talifelt, ten zuiden van het Atlasgebergte en loopt via Teghazza vrijwel recht naar het zuiden en dan via Araouane (Arwan) naar Timboektoe aan de Niger. Deze stad heeft vanaf het midden van de veertiende eeuw het grootste gedeelte van de handel door de Sahara tot zich getrokken en is daardoor tot grote bloei gekomen, ten nadele van het westelijker gelegen Oualata (Walāta). Teghazza ontvangt uit de omgeving van Dar’a en de Talifelt levensmiddelen, vooral dadels, uitrusting voor kopermijnen, vaatwerk en keramiek. Deze waren, alsmede het zeer belangrijke bij Teghazza uit rotsen gewonnen zout, worden in Timboektoe geruild tegen goud, slaven en andere produkten uit Zwart-Afrika. Vanuit Timboektoe voeren eveneens karavaanroutes naar Tunis, Tripoli, de Nijldelta, Bilma en via het Tsjaadmeer naar Suakin aan de Rode Zee. Er is ook een belangrijke meer westelijk gelegen noord-zuidroute. Deze verbindt de Zuid-Marokkaanse plaatsen aan de Atlantische Oceaan, in de Sous en de Anti-Atlas, via het knooppunt Sidjilmassa in de Westelijke Sahara met Tacrour, Aoudaghost en Ghana, welke steden in verbinding staan met Timboektoe. Vanuit Zuid-Marokko brengen karavanen van Berbers en anderen, koper (Ofran in de Anti-Atlas heeft, naast zilvermijnen, ook kopermijnen), stoffen, snuisterijen van glas en andere sieraden, parels, stenen, cauris (schelpen die dienen als geld) naar de steden Tacrour, Aoudaghost en Ghana. De Berbers krijgen daar-voor van gouddelvers en goudwassers van Bambouk, Gangaran, Manding en Bouré goud, slaven, gom en grijze amber (muskus). De Berbers ruilen slaven en maken ten zuiden van de Senegal zelf ook jacht op negers.

Het voorgaande is nog niet alles wat in het Westen over Afrika bekend is. Rond het midden van de veertiende eeuw is in Castilië door een onbekende franciscaan het Libro del Conoscimiento de todos los reynos geschreven. Uit dit boek blijkt dat het verloop van de kustlijn van de Golf van Guinée bekend is. Deze kennis is ontleend aan een Genuese ontdek-kingsreis waarvan in het Libro melding wordt gemaakt. In 1291 laat de capitalista Thedisio d’Oria de gebroeders Ugolino en Vadino Vivaldi de kust van Afrika verkennen. Zij varen met hun twee galeien langs de kust van Marokko. Niet zeker is of zij een of beide oostelijk gelegen Canarische eilanden waarnemen of zelfs aandoen, voordat zij verder langs de kust naar het zuiden varen. In de Golf van Guinée zou een van de twee galeien door inheemsen zijn overmeesterd. De andere galei zou gestrand zijn in de buurt van Mogadiscio, wat betekent dat een van de Vivaldi’s Afrika gerond zou hebben. Enige opvarenden zouden als gevangenen naar het hof in Ethiopië zijn gebracht. Daar is of wordt tijdens hun verblijf bekend dat een derde Vivaldi in de Rode Zee op zoek zou zijn naar Ugolino en Vadino. Of de Genuezen door de expeditie enige kennis van de oostkust van Afrika bereikt is niet bekend; vast staat dat Arabische geografen de oostkust van Afrika tot aan Kaap de Goede Hoop kennen.

In de veertiende eeuw heeft men in Europa vage en fictieve voorstellingen van eilanden in en aan de overkant van de Atlantische Oceaan. IJsland, Groenland en Newfoundland zijn, blijkens de beroemde Vinlandkaart1, vaag bekend. De kennis is afkomstig van Noorse expedities. De Vinland-kaart toont ten westen van Europa allerlei legendarische eilanden, zoals het `Eiland van de Zeven Steden’. Deze zouden gesticht zijn door zeven bisschoppen die zeven eeuwen geleden voor de moorse overweldigers gevlucht zijn van het Iberisch schiereiland. Zij zouden toen zeven diocesen gesticht hebben op een eiland dat zij ergens in de Atlantische Oceaan ontdekt hebben. Arabische `avonturiers’ zouden reeds voor de twaalfde eeuw een aantal bewoonde eilanden in de Atlantische Oceaan hebben aangedaan. Waarschijnlijk zijn dit de Canarische eilanden geweest. Andere Arabieren of zwarte kooplieden schijnen zout gewonnen te hebben op het eiland Sal, behorend tot de Kaapverdische eilanden. Moslims van het Iberisch schiereiland of uit Marokko zouden Madeira en de Azoren ontdekt of herontdekt hebben. De historicus Leo Wiener heeft zoveel overeen-komsten gevonden tussen de beschaving van Soedan en die van Zuid-Amerika voor de komst van de Spanjaarden, dat hij betoogt dat geïslami-seerde negers uit Soedan reeds Zuid-Amerika hebben ontdekt. Het feit dat er talrijke onbekende landen en eilanden zijn, moet sterk tot de verbeel-ding van velen in Portugal gesproken hebben. Hier staat tegenover dat algemeen geloofd wordt dat in de onbekende zeeën tal van monsters leven en dat ook andere gevaren de zeelieden daar bedreigen. Zo zou voorbij Kaap Bojador de `Zee der Duisternis’ beginnen. In deze zee is het altijd donker en er leven talrijke monsterlijke wezens. Schepen die zich daar zouden wagen, zouden bovendien te maken krijgen met enorme golven en vreselijke stormen. Niemand die zich voorbij Kaap Bojador zou wagen, zou het overleven. De angsten zijn ontleend aan oude voorstel-lingen van de aarde als een plat vlak, aan de rand waarvan allerlei monster- lijke wezens werden afgebeeld. In de Middeleeuwen worden de Portugezen en andere Europeanen weliswaar aangetrokken zich verder naar het zuiden en westen te begeven, maar zij worden daarvan weerhouden door de vrees nimmer te zullen terugkeren als zij zich te ver wagen. Eerst als deze vrees overwonnen is en er voldoende middelen en sterke drijfveren zijn om de onbekende wereld te verkennen zijn de voorwaarden voor het ondernemen van ontdekkingsreizen vervuld.

Portugal beschikt over een grote vloot vissersschepen aan de kust van de Algarve. De bemanningen zijn zeer ervaren, omdat zij veelal stammen uit geslachten die zich al generaties met de zeevaart en visvangst bezig-houden. Zij varen vaak voor rekening van de koning, edelen en kooplieden waarbij zij zich, op zoek naar rijke visgronden, steeds verder langs de kust van Noord-Afrika wagen. Als de vissers daartoe de kans hebben, maken zij ook wel plundertochten in moslimgebied of overvallen moslimschepen, die op hun beurt zich schuldig maken aan piraterij aan de kusten van Portugal. Veel vissers uit de Algarve zijn bereid de visvangst te verruilen voor andere taken als dit van hen verlangd zou worden. Technische vooruitgang en bekwame mankracht zijn niet voldoende voor het onder-nemen van systematische ontdekkingsreizen. Er doet zich in het begin van de vijftiende eeuw een bijzondere samenloop van omstandigheden voor die tot de ontdekkingsreizen zal leiden. Doordat de Europese goud-mijnen zijn uitgeput, bestaat er vanaf het midden van de veertiende eeuw groot gebrek aan goud voor het slaan van munten. De Europese vorsten zijn gedwongen het goudgehalte van de munten steeds verder te verminderen. In Portugal is dit vanaf 1360 het geval. De voortdurende muntverzwakkingen leiden tot grote prijsstijgingen. In Portugal is vanaf 1369 zelfs sprake van een galloperende inflatie. Als wegens gebrek aan goud, zilver wordt aangemunt, verdwijnen de gouden munten uit het verkeer (Wet van Gresham) en ontstaat er ook gebrek aan zilver. De geldcrises tasten de ontvangsten van de koning en van de feodale adel aan, die daarom naar mogelijkheden omzien om, eventueel door oorlog-voering, gepaard gaande met het verwerven van krijgsbuit of door plun-deringen, hun geslonken inkomsten aan te vullen. Dat de gedachten uitgaan naar Noord-Afrika is vanzelfsprekend: het is nabij, het is vijandelijk moslimgebied en er wordt in grote hoeveelheden goud ergens uit het binnenland van Afrika aangevoerd. Behalve goud heeft Marokko meer te bieden, bijvoorbeeld graan waaraan in Portugal gebrek is, maar ook: suiker van de opkomende suikerplantages in de Sous, slaven, verfstoffen en schellak voor de kledingindustrie, huiden en leer. Tenslotte leidt verovering van Marokko tot uitbreiding van de visgronden. Er bestaan in Portugal overigens overdreven voorstellingen van de rijkdommen van Marokko, wat later tot teleurstellingen zal leiden.

Naast economische redenen zijn er ook andere drijfveren die tot de maritieme expansie van Portugal leiden. Bij de edelen is de herinnering aan de kruistochten uit de twaalfde eeuw bewaard gebleven, terwijl de Reconquista achteraf in toenemende mate wordt beschouwd als een krruistocht. Hetzelfde geldt voor de Spaans-Portugese overwinning op de moren bij de Rio Salado in 1340. Door de verovering van Ceuta en latere aanvallen op Marokko als een kruistocht tegen de ongelovigen te zien, worden deze gerechtvaardigd door nobele doeleinden: de verdediging van het christendom tegen bedreigingen door niet-christenen; het aanvallen van ongelovigen om hen te vernietigen, waarmee voorkomen wordt dat zij hun valse geloof onder anderen verspreiden; het beveiligen van de materiële belangen van de christenen als bron van welvaart voor de gehele christen- heid; het redden van de zielen van de ongelovigen; het voeren van een openlijke oorlog, verraad, piraterij, overvallen en plundering en het maken van gevangenen om losgelden te kunnen vragen, zijn allemaal middelen die naar de opvattingen in die dagen geoorloofd zijn om de schone doelen te bereiken De warme steun van de Heilige Stoel voor een wrede en zuiver materialistische onderneming mag dan in onze dagen als huichelachtig worden ervaren, in het licht van de middeleeuwse opvattingen is dat niet het geval. Bij het denkbeeld de expansie vooral te zien als een kruistocht tegen ongelovigen en dan vooral tegen de moslims, sluit de volgende notie goed aan.

5.4. Op zoek naar het rijk van Preste Joam

1 Deze kaart is in 2002 gebleken een vervalsing te zijn.

Categorieën
Portugees kolonialisme

De strijd om het behoud van Ceuta

Deel 1 Index

Hoofdstuk 5

Het begin van de maritieme expansie

5.2 De strijd om het behoud van Ceuta

Geschreven door Arnold van Wickeren

Vanaf 1416 is dom Henrique gouverneur van Ceuta, maar hij woont niet in deze plaats, die doorgaat voor ‘de mooiste en meest bevolkte stad van Mauritanië.’ De Portugezen zijn inderdaad zeer onder de indruk van de grootte van deze moorse plaats, door de hoogte van haar vestingwerken, de schoonheid van haar minaretten, het aantal regenbakken en de beeld- houwwerken van haar fontein, die de moskeeën van drinkwater voorziet, door de omvang van haar fondouk, die een menigte Genuese kooplieden onderdak verschaft, en door de bekendheid van haar medersa. Henrique kan niet minder verbaasd zijn geweest door de rijkdom van de stad: handwerkslieden daarvan wijden zich aan de bewerking van leer, zijde, metalen, zoals ijzer en koper; anderen voorzien in hun levensonderhoud door zeeroverij, de haven blijkt een echte draaischijf te zijn tussen Afrika en Europa, een gigantisch entrepot waar Alexandrië parfums en stoffen uit Indië naartoe zendt en dat overschotten ontvangt uit Iberië, Frankrijk en Italië. Tijdens de straatgevechten hebben de Portugezen al iets kunnen zien van de omgeving van de stad en na Ceuta te hebben veroverd kijken zij vanaf de torenspitsen op de boomgaarden en tuinen buiten de stad en krijgen zij een idee van de vruchtbaarheid van de omgeving die bezaaid is met door de zon beschenen woningen temidden van grote wijngaarden.

Aanvankelijk heeft de verovering van Ceuta voor de Portugezen vooral symboolwaarde; het is immers de plaats waaruit Tāriq-ibn Ziyad in 711 is uitgevaren om het Iberische schiereiland te veroveren., maar na verloop van tijd dringt de economische, culturele en religieuze betekenis van het oude Septa zich aan iedereen op. Door het bezit van Ceuta kunnen de Portugezen paal en perk stellen aan de piraterij van de Barbarijse zeerovers. Zij kunnen de ankergelden, die de moorse havenkapitein heft op schepen van christelijke kooplieden, afschaffen en zij kunnen de export van Marokkaans tarwe naar Portugal, dat een tekort aan broodgraan heeft, faciliteren. Het bezit van Ceuta betekent het in aanraking komen met de moren van de Magreb, het beter leren kennen van hun navigatietechnieken, het verdiepen van de kennis die zij hebben van de wetenschappen die zij lang geleden hebben geïntroduceerd in het middeleeuwse Iberië: astronomie, geografie en cartografie. Het bezit van Ceuta geeft ook hoop dat de stad het uitgangspunt zal worden voor de verspreiding van het christendom langs de Afrikaanse kust, dat er een bisschop van Marokko zal worden benoemd, dat er in Ceuta een kathedraal zal worden gebouwd, dat er kerken en kapellen worden gesticht en dat dit de aandacht van de Heilige Stoel zal trekken. Het bezit van Ceuta betekent tenslotte de mogelijkheid dat de stad de eerste schakel zal worden van een groot Portugees overzees imperium en dit niet alleen om te wedijveren met Castilië, dat in 1399 gepoogd heeft Tétouan te bezetten en dat zich sedert 1404 op de Canarische eilanden genesteld heeft, ondanks de Portugese aanspraak op de eilanden op basis van de ontdekking in het verleden.

Zurara heeft in de jaren 1458-1463 een vervolg gegeven aan zijn Crónica da tomada de Ceuta, met zijn Chronica do Conde Dom Pedro de Menezes, bevelhebber in Ceuta van 1415 tot 1437, en met zijn Chronica do Conde Dom Duarte de Menezes, die van 1431 tot 1437 commandant ad interim van Ceuta is geweest. Deze twee kronieken bevatten tal van mededelingen over de onderlinge strijd tussen moorse vorsten, troonpretendenten en hun aanhangers. Zurara doet ook verslag van de belegeringen die Ceuta heeft te doorstaan. De kroniek van Dom Duarte bevat ook de geschiedenis van Ksar es-Seghir dat in 1458 door de Portugezen is veroverd en waarvan Dom Duarte de Menezes capitão is geweest totdat hij begin 1464 sneuvelt. Zodra de Portugezen Ceuta in handen hebben, besluiten Marokkaanse kaïds (notabelen, plaatselijke bestuurders, aanvoerders van clans en dergelijken), alsmede kaperkapiteins hen te gaan bestrijden. De bewoners van het directe achterland van de stad trekken de bergen in om niet tussen de strijdende partijen te geraken. Al gauw is de omgeving tot op 25 kilometer van de stad geheel verlaten. Voorlopig zijn de Marokkaanse `belegeraars’ niet sterk genoeg om de vijanden veel afbreuk te doen. Het blijft bij speldenprikken. Bekend is het verhaal van de landing van een kaperkapitein, bijgenaamd `(D)esnarigado’ (Afgesneden Neus) aan de zuidkant van Ceuta bij de Alminapoort. De kapers weten enige christenen te grijpen, die overigens spoedig bevrijd worden. Het voorval spreekt zo tot de verbeelding dat de veronderstelde landingsplaats sedertdien de Punta Desnarigado heet. Dat de Portugezen aanvankelijk weinig te duchten hebben, is te danken aan de verdeeldheid van hun tegenstanders. Dom Pedro ontvangt bericht dat de koning van Marokko, Mūley Abd Allāh, aan het hoofd van een legermacht zijn land verlaten heeft om tegen Ceuta op te trekken. Onderweg weten zijn raad-gevers hem echter over te halen de strijd aan te binden met het koninkrijk Fez, waarvan zijn broer, Abū Sa’id, koning is. Mūley Abd Allāh verovert Azamor, Anafé en Çallé en begeeft zich vandaar op weg om het beleg voor de hoofdstad Fez te slaan. Als Marokkaanse troepen die in Tanger verzameld zijn voor een aanval op Ceuta, dit nieuws vernemen, keren zij naar huis terug. Kort daarna betwisten de twee broers elkaar de troon van Fez en doen zich soortgelijke moeilijkheden om de troon van Marokko voor.

Muhammad VIII, koning van Granada (1417-1419; 1427-1430), door de Castilianen aangeduid als El Izquierdo (de linkshandige) ziet de onderlinge verdeeldheid in Marokko met lede ogen aan. Zijn scheepvaart ondervindt grote hinder van de aanwezigheid van de Portugezen in Ceuta; bijna dagelijks verliest hij schepen en manschappen aan hen. Hij zendt een gezant naar Marokko met het verzoek de onderlinge geschillen bij te leggen en zich met hem te verenigen tegen Ceuta, dat formeel aan de kroon van Granada zou behoren, ofschoon de stad voor 1415 schatting heeft betaald aan de koning van Fez. De oproep heeft succes, omdat de strijd om de troon van Fez inmiddels beslecht is; een van de twee troon-pretendenten heeft de ander verslagen en gedood. In 1418 gaat Ceuta serieus belegerd worden; een grote vloot van Granada blokkeert de haven en van alle kanten komen Marokkaanse `oudsten’ met hun troepen voor de stad aan. Onder de belegeraars bevinden zich troepen uit de ver afgelegen plaatsen Arzila, Tanger en Ksar es Seghir (Alcácer-Ceguer). Sommige eenheden zijn afkomstig uit nog veel verder verwijderde streken; zij zijn anderhalve maand onderweg geweest, zonder zich rust te gunnen. Het ziet er dus slecht uit voor Dom Pedro de Menezes en de zijnen. Hij doet een dringend beroep op Dom Henrique om hem versterkingen te zenden. De boodschap wordt overgebracht door Afonso Gracía de Queiros, die zich aan boord van een lichte feloek heeft begeven. Zurara schrijft dat Ceuta in 1419 wordt aangevallen door een grote strijdmacht van moren, die door de officieren die zijn belast met het terugkopen van gevangenen wordt geschat op een aantal van 100.000 man. Het beleg van de sedert vier jaren christelijke stad begint op 13 augustus. ‘Er waren daar troepen van de koning van Fez en de koning van Granada, en van de koning van Tunis en van de koning van Marokko en de koning van Bougie, met veel oorlogswerktuigen en stukken geschut.’ Als de belegeraars tot de aanval overgaan, concentreren zij zich op de toren van Fez, een van de bolwerken van Ceuta. Ofschoon de aanval furieus is, slaagt hij niet. De aanvallers zijn daardoor zo ontmoedigd dat zij geen volgende poging wagen, maar zich terugtrekken. De vloot van Granada, onder bevel van de Rey Esquerdo zelf, blijkt ook plotseling dwenen te zijn. Zodra dom Henrique de belegering van Ceuta verneemt, treft hij de vereiste maatregelen. Bijgestaan door zijn halfbroer, de graaf van Barcelos, zijn jongere broer, João, alsook van ‘veel andere leenheren en edelen,’ verzamelt hij ‘een imposant eskader’, verlaat Portugal, zeilt haastig door de Straat van Gibraltar en overmeestert op weg naar Ceuta een groot moors schip geladen met tarwe. De christenen ontschepen zich in Ceuta, waar dom Henrique twee maanden verblijft. De belegering duurt vijftien dagen, maar na verloop daarvan moeten de moren haar opheffen. Begin oktober trekken zij zich definitief terug en dom Henrique versterkt de verdedigingswerken aanzienlijk vergeleken met de eerdere toestand. Op de terugweg, in januari 1420, tracht zijn eskader zich meester te maken van Gibraltar, maar door het slechte weer moet hij dit doel opgeven. ‘Want de zee is overal, in elk seizoen, zeer gevaarlijk’, erkent Zurara, ‘en al helemaal op deze plaats, wegens de sterke stromingen die daar zijn.’ De christelijke vloot, voortgestuwd tot aan Cabo Gate bij Almeria, waar de schepen twee weken moeten blijven liggen. In deze tijd verliest dom Henrique door de storm een groot vaartuig en verschillende sloepen. Na de plaats te hebben verdedigd, zendt dom Henrique oorlogsschepen op de ongelovigen af die hier en daar aan de kust van het koninkrijk Granada grote verwoestingen aanrichten. Hij streeft – volgens Zurara – naar de beveiliging van de Spaanse kust voor zover in handen van de christenen en ook naar beveiliging van het meren-deel van de kooplieden die handeldrijven vanuit het oosten op het westen.

Een paar maanden nadat dom Henrique voor de tweede maal uit Ceuta is teruggekeerd, benoemt paus Martinus V hem, bij bul gedateerd 20 mei 1420, tot governador e administrador (en niet tot grootmeester, dat niet meer dan een titel is) van de Orde van Christus, de in 1319 op verzoek van koning Dinis door paus Johannes XXII gestichte religieus-militaire ridderorde. De Orde van Christus is van meet af aan schatrijk geweest, omdat zij de erfgenaam is van de immense bezittingen (Tomar, Santarém) van de in 1312 door paus Clemens V opgeheven Orde van de Tempel. De ridders van de Orde van Christus zijn, evenals die van Sint Benedictus van Aviz, onderworpen aan de regels van de Sint Benedictus en de regels van Cîteaux. De benoeming verschaft dom Henrique aanvullende opbrengsten in geld en goederen en geeft hem de beschikking over een strijdmacht om zijn grootse plannen te verwezenlijken. Het versterkt ook de banden tussen Portugal en de Heilige Stoel die overigens hecht zijn. Op verzoek van João I heeft paus Martinus al bij bul van 8 oktober 1418 dom Henriques broer, dom João, benoemd tot governador e administrador van de Orde van Santiago en paus Eugenius IV zal bij bul van 9 september 1434 dom Henriques jongste broer, dom Fernando, benoemen tot governador e administrador van de Orde van Sint Benedictus van Aviz.

Ceuta is voor het moment gered, maar er dreigen al snel nieuwe gevaren. Dom Pedro de Menezes ontvangt korte tijd later inlichtingen van een inwoner van Tarifa. Deze laat hem weten dat een stadgenoot die onlangs Málaga heeft bezocht, gezien heeft dat koning Muhammad VIII doende is zijn gehele vloot tegen Ceuta uit te rusten. Muhammad zou met de koning van Fez overeengekomen zijn dat hij Ceuta voor het koninkrijk Granada mag behouden als hij de Portugezen uit deze stad heeft verjaagd. Korte tijd later arriveert in Ceuta een boot, die de moren van Ksar es Seghir enige tijd terug op de Portugezen hebben buitgemaakt. Aan boord bevinden zich twee afgezanten van Hoseïn, kaïd van deze plaats, en de oorspronke- lijke bemanning van de boot. De afgezanten hebben brieven bij zich van de kaïd en van zijn neef, waarin het tweetal zich verontschuldigt voor het gebeurde. Dom Pedro bereidt de twee moren een grootse ontvangst. Zij krijgen daarbij zoveel wijn te drinken dat zij bereid zijn de graaf alle inlichtingen te verstrekken die hij verlangt. Zij bevestigen de alliantie tussen de koningen van Fez en Granada, gericht op een nieuwe belegering van Ceuta. De koning van Fez zou een gezant naar Granada hebben gezonden om de zaak te bespreken. De fusta waarmee deze gezant uit Granada terug-keert, wordt door de Portugezen overmeesterd. Helaas zien de passagiers en de bemanning kans te vluchten, maar uit de buit blijkt onmiskenbaar dat de Marokkaanse gezant zich aan boord heeft bevonden. Dom Pedro de Menezes gaat niet over een nacht ijs. Hij wenst de verkregen inlich-tingen te verifiëren. Hij zendt daartoe een van zijn mannen naar de kust van het koninkrijk Granada. Deze weet tussen Gibraltar en Estepona vijf muildierdrijvers te overmeesteren en mee terug te nemen naar Ceuta. Een van hen blijkt goed op de hoogte te zijn. Hij bevestigt niet alleen dat Muhammad VIII zich opmaakt om Ceuta aan te vallen, maar weet ook te vertellen dat Sālah ben Sālah, door Zurara aangeduid als Çallabemçalla, de koning van Granada als opperheer erkend heeft. Sālah ben Sālah zou Muhammad VIII beloofd hebben de schatting die hij vòòr 1415 aan de koning van Fez betaalde, na de herovering van Ceuta aan Granada te voldoen.

Het leger van Granada dat voor Ceuta arriveert, bestaat uit in de voort-durende strijd tegen Castilië geharde krijgers. Zij staan onder bevel van een neef van de koning, door de Portugezen aangeduid als `Moley Çaide’. Deze zou zeer bedreven zijn in het aanvoeren van de cavalerie. Zurara vermeldt hierbij dat de troepen, tegen hun gewoonte in, beschikken over pijlen met gif aan de punt. Het mag allemaal niet baten; Dom Pedro en zijn mannen richten onder de aanvallers een ware slachting aan. Onder de gesneuvelden bevinden zich ook verschillende aanvoerders; naast `Moley Çaide’ komen ook enige Marokkaanse aanvoerders van het eerste uur die de strijdmacht van Granada met hun troepen ondersteund hebben, om het leven. Zurara merkt op dat de strijd met Granada had kunnen worden vermeden als Juan II van Castilië, die in 1406 reeds op tweejarige leeftijd de troon heeft bestegen en tot 1454 heeft geregeerd, de kracht had bezeten het koninkrijk Granada te veroveren, hetgeen hij gemakkelijk had gekund. Als de `Rey Esquerdo’ de nederlaag verneemt, roept hij een soort oorlogsraad bijeen te Málaga. Hij neemt op zich zelf het beleg van Ceuta te leiden en de koning van Tunis te vragen hem, door het zenden van galeien, daarbij te ondersteunen. Dom Pedro die zeer goed geïnformeerd is over de plannen van Granada, neemt de vereiste tegenmaatregelen. Hierop moet Muhammad VIII zijn plannen laten varen.

Ongeveer tezelfdertijd (Zurara vermeldt nauwelijks jaartallen) worden de koning van Fez en al zijn zonen vermoord door de grootvizier. Deze daad veroorzaakt zoveel commotie en verdeeldheid in Marokko, dat Ceuta voorlopig weinig te duchten heeft. De lust de Portugezen te bestrijden is de Marokkanen bovendien vergaan door het recente echec voor Ceuta. Er staan echter telkens maraboes op die de heilige oorlog tegen de bezet-ters van Ceuta verkondigen. Een van hen, Abd er-Rahmān, begeeft zich naar `Gazulla’. `Dat is ver verwijderd van deze streek’ meldt Zurara. Hij slaagt erin 100 ruiters en 1.000 man voetvolk op de been te brengen, waarmee hij tegen Ceuta optrekt. Hij zou vier jaar dapper gevochten hebben, overigens zonder veel resultaat. Muhammad VIII van Granada geeft de moed nog niet op. Hij voert onderhandelingen met Çallabemçalla en een kaïd van Fez. Dit koninkrijk verkeert, na de moordpartij door de grootvizier, in een toestand van anarchie; drie gegadigden voor de troon beoorlogen elkaar vanuit verschillende gedeelten van het land. Dit geeft Muhammad VIII de gelegenheid zijn hegemonie duurzaam over het koninkrijk Fez te vestigen, hetgeen hem vier jaren van onderhandelingen kost. Het is de Rey Esquerdo echter niet vergund zijn plan Ceuta te veroveren uit te voeren. Als zijn `zeer grote en machtige vloot’ op het punt staat vanuit Málaga uit te zeilen, overlijdt de koning plotseling. Zurara geeft verderop in zijn kroniek een andere oorzaak van het niet uitzeilen van de vloot van Granada naar Ceuta. Muhammad VIII zou van de troon gestoten zijn, waarop hij is uitgeweken naar Tunis. Bouadil Esquerdo, `de vroegere koning van Granada’ keert terug in de kroniek als commandant van de Tunesische oorlogsvloot.

De verdeeldheid onder de moslims is voor de Portugezen uiteraard gunstig. Niettemin wordt Ceuta opnieuw aangevallen door moren uit `Gazulla’, die zich verenigen met allen die lust hebben de strijd weer aan te binden. Dit zal overigens de laatste maal zijn dat moren uit deze streek ten strijde trekken tegen Dom Pedro de Menezes, die in 1437 uit Ceuta vertrekt. De aanvallers bereiken niets. De moslimvorsten en kaïds blijven elkaar bestrijden en doden. Dom Pedro tracht hiervan voordeel te trekken. Hij verneemt dat Çallabemçalla belegerd wordt door de koning van Fez. Pero Gonçalves stelt Dom Pedro voor Çallabemçalla aan te bieden hem met behulp van Portugese troepen uit zijn benarde positie te bevrijden, op voorwaarde dat hij Ksar es Seghir afstaat aan de koning van Portugal. De koning van Fez dient eveneens hulp te worden beloofd op dezelfde voorwaarde en bovendien tegen betaling van een zekere som goud. Dom Pedro accepteert het plan, omdat – hoe de strijd tussen de moren onderling ook afloopt – het Alcácer Ceguer in handen van de Portugezen zal brengen. Pero Gonçalves, diens broer en Rui Gomes zeilen naar Arzila met geloofsbrieven voor Çallabemçalla en de koning van Fez. Bij Arzila aangekomen, maken zij hun vreedzame bedoelingen duidelijk. Hierop wordt een boot naar het Portugese schip gezonden om de brief voor Çallabemçalla af te halen. Deze betoont zich daarop uiterst hoffelijk. Hij zendt de gezanten schapenvlees, gevogelte en vruchten en laat weten dat zij de volgende dag zullen worden afgehaald. Pero Gonçalves blijft aan boord; de beide andere gezanten worden door Çallabemçalla persoonlijk verwelkomd. Zij moeten tot hun grote teleur-stelling vernemen dat de koning van Fez het beleg anderhalve dag eerder heeft opgeheven, omdat hij de sterkte van zijn tegenstanders vreesde. Het onderhoud wordt door dit onverwachte nieuws een anticlimam, de boodschappers kunnen Çallabemçalla slechts laten weten dat Dom Pedro de bedoeling had hem te hulp te komen. Maar na deze mislukte missie dreigen er weer andere problemen.

Terwijl Dom Pedro zich in Portugal bevindt, schrijft Rui Gomes hem dat de koning van Tunis zich bewapent om met een grote strijdmacht Ceuta aan te vallen. Rui Gomes voegt daaraan nog toe dat de koning van Tunis van alle moorse vorsten over de grootste vloot beschikt. Voorts spreekt hij de hoop uit dat – zo God het wil – de moren uit het koninkrijk Fez niet zullen toestaan dat de Tunesiërs hun territorium passeren, maar dat zij de koning van Tunis zullen bestrijden en dat de moren elkaar over en weer grote verliezen zullen toebrengen. Koning Bū-Amar van Tunis verlaat zijn rijk aan het hoofd van 700 ruiters en voorraden voor een dubbel aantal Tunesiërs. Op weg naar Ceuta krijgt Bū-Amar problemen met een volk dat Zurara aanduidt als `Alarves’, hetgeen er toe leidt dat de Tunesiërs zich in kommervolle omstandigheden in het koninkrijk Fez ophouden. Ook andere moslims strijden onderling. Çallabemçalla treedt hard op tegen stammen die nabij Ceuta wonen, omdat deze `barbaren’ plunderend door het land trekken en daarbij veel gevangenen maken. Met een beschrijving van deze laatste gebeurtenis, die zich omstreeks 1436 moet hebben voorgedaan, eindigt de Chronica do Conde Dom Pedro de Menezes.

De verovering van Ceuta in 1415 tast de handelspositie van de stad vermoedelijk aan. Ricard geeft als indicatie daarvoor, dat van activiteiten van in Ceuta gevestigde Genuese handelaren na de verovering van de stad niets bekend is. Ricard sluit niet uit dat de Genuezen Ceuta verlaten hebben, wegens het verval van de handel. Magalhães-Godinho heeft uit de productiecijfers van het munthuis van Ceuta daarentegen geconcludeerd dat Ceuta een belangrijk eindpunt van het Soedanese goud blijft. Er zijn ook berichten over Venetiaanse galeien die Ceuta korte tijd na de verovering aandoen en daar een overvloed aan goud en andere handelsgoederen aantreffen. Met het toenemen van de strijd om de stad gaat de Portugese handelspositie daar achteruit. Het eindpunt van karavaanroutes door de Sahara wordt door de moslims verlegd naar andere Noord-Afrikaanse havensteden: Melilla, Oran en Gazhouat. De Portugezen kunnen ook niet profiteren van de vaart op Granada, want dat organiseert nieuwe verbindingen met Noord-Afrika. Van het grote handelsentrepot waar Portugese goederen geruild kunnen worden tegen goud, slaven en ivoor komt weinig terecht. In financieel opzicht wordt Ceuta tot een last, omdat de kosten van de militaire inspanningen om de stad te behouden door het ontbreken van voldoende inkomsten steeds meer ten laste van de kroon komen. Er zijn aanwijzingen dat de handel van Ceuta onder Portugees gezag niet geheel teloor gaat. Ceuta ontwikkelt zich tot een belangrijke exporthaven van Marokkaans koper naar Portugal. Vanaf 1436 worden er veel koperen munten geslagen. Na de troonsbe-stijging van Afonso V in 1438 wordt er ook nog steeds goud aangemunt.

In 1418 of 1419 verblijft Henrique drie maanden in Ceuta. Hij hoort daar kooplieden, kameeldrijvers, zeelieden, slaven en herders uit over: de goudhandel uit het zuiden, de karavaanroutes, de grote rivieren en de negerrijken in het bekken van de Niger. Henrique komt aan de weet dat goederen afkomstig uit ver uit elkaar gelegen steden als Algiers, Tunis en Cairo langs reeds eeuwen bestaande karavaanwegen naar Timboektoe aan de Niger worden vervoerd om daar geruild te worden voor katoen, zijde, stoffen, malagueta-peper of paradijskorrels, olifantstanden en goud afkomstig uit de zuidelijker gelegen negerrijken. De kennis die Henrique op deze manier vergaart, is wellicht van grote invloed op de ontdekkings-reizen die hij daarna laat ondernemen. Reden waarom hij de geschiedenis is ingegaan als Dom Henrique o Navegador (Prins Hendrik `de Zeevaarder’).

In Portugal zelf zijn – zoals eerder vermeld – de meningen over de expansie in Marokko omstreden; elders in Europa is de verovering van Ceuta met groot enthousiasme ontvangen. Het prestige van Portugal als zeemacht is er enorm door gestegen. De paus zegent de onderneming achteraf en zegt zijn volledige medewerking aan een komende veldtocht in Noord-Afrika toe. Paus Martinus V (1417-1431) geeft op 4 april 1418 de bul Sane Charissimus uit, waarin hij alle christelijke vorsten en koningen oproept Portugal te ondersteunen in zijn strijd tegen de Saracenen en andere vijanden van de heilige naam van Christus. Portugal wordt door de paus beschouwd als het land dat, namens de hele christenheid, het voortouw neemt bij een kruistocht tegen de islam. Ook in Portugal wordt voortzet-ting van de strijd in Noord-Afrika niet als een louter nationale zaak gezien. Heel christelijk Europa zou daaraan moeten deelnemen; Portugal heeft het vuur ontstoken, maar iedere christelijke natie dient het mede brandende te houden. Het is noodzakelijk, zoals in de goede oude tijd van de kruistochten, alle krachten te verenigen en in te zetten tegen de gemeenschappelijke vijand. De Europese vorsten negeren evenwel de oproep van paus Martinus; ieder land heeft zo zijn eigen redenen om niet aan de strijd tegen de Saracenen in Noord-Afrika deel te nemen.

Omdat het bezit van alleen Ceuta voor Portugal van weinig waarde blijkt, pleiten sommigen, aangevoerd door de prinsen Henrique en Pedro, voor de verovering van meer steden in het Marokkaanse achterland. Met de verovering van het achterland hopen de voorstanders hiervan een aandeel in de goudhandel door de Sahara te kunnen verwerven, zodat niet lijdzaam behoeft te worden afgewacht hoeveel goud de Berbers naar Ceuta brengen. João I verzet zich met een deel van de adel tegen de plannen van de oorlogspartij. Het gezag dat de koning over zijn zonen heeft is zo groot, dat zij niet aan nieuwe militaire avonturen in Marokko beginnen tegen de zin van hun vader. Eerst als João in 1433 overlijdt is de weg vrij voor een nieuwe veldtocht in Noord-Afrika. Voorlopig echter heeft Portugal de handen vol om Ceuta te behouden. Het zal nog tot 1437 duren alvorens het land zich in een nieuw Marokkaans avontuur zal storten.

5.3. Voorwaarden voor het ondernemen van ontdekkingsreizen en redenen voor de maritieme expansie

Categorieën
Portugees kolonialisme

De verovering van Ceuta. Het begin van de maritieme expansie

Deel 1 Index

Hoofdstuk 5

Het begin van de maritieme expansie

5.1 De verovering van Ceuta

Geschreven door Arnold van Wickeren

Van de verovering van Ceuta is verslag gedaan door Gomes Eanes da Azurara, meestal aangeduid als Zurara. Hij is de zoon van een kanunnik van Coimbra en Évora en heeft zich kunnen scholen door koninklijke protectie. In 1434 – hij is dan vermoedelijk 24 jaar en werkt in de directe omgeving van koning dom Duarte (1433-1438) – wordt hij benoemd tot de officiële kroniekschrijver van het koninkrijk. Hij schijnt ‘archivaris’ te zijn geweest, totdat hij wordt betrokken bij het opstellen van de vele verzoekschriften die dom Henrique, ten bate van een groot aantal edelen en ridders die zijn dienaren zijn, richt aan zijn koninklijke broer, dom Duarte. Wellicht is hij ook de assistent, of op zijn minst een belangrijk medewerker, geweest van Fernão Lopes, die in 1418 is benoemd tot conservator van de Tôrre do Tombo, Portugals nationale archief. Zurara krijgt door deze aanstelling de mogelijkheid zich verder te bekwamen mogelijk eerst onder leiding van Fernão Lopes. In 1449 ontvangt hij van dom Afonso V (1438-1481) opdracht een kroniek te schrijven van de inname van Ceuta. Daarmee is Zurara de officiële kroniekschrijver van Portugal geworden. In 1451 wordt hij ridder van het huis van de koning en het jaar daarop volgt zijn benoeming tot commandeur in de Orde van Christus is. Op 14 juli 1452 wordt hij conservator van de kort daarvoor in een van de zalen van het paleis van Alcáçovas ingerichte koninklijke bibliotheek en op 6 juni 1454 volgt zijn benoeming tot opvolger van de bejaarde Fernão Lopes als conservator van de Tôrre do Tombo.

Zurara kwijt zich van zijn taak zijn Crónica da tomada de Ceuta te schrijven door nog in leven zijnde deelnemers aan de inname van Ceuta, onder wie de prinsen Pedro en Henrique te vragen naar wat zij daarbij hebben beleefd. Van deze twee is dom Henrique ongetwijfeld Zurara’s belangrijkste bron. Tussen september 1449 en 25 maart 1450 schrijft hij zijn kroniek. Hierin doet hij uitgebreid verslag van de inname van de stad en geeft hij een gedetailleerde beschrijving van Ceuta. Gelet op de snelle voltooiing van de kroniek en zijn grote bewondering voor Henrique, ligt het voor de hand dat hij vooral is afgegaan op hetgeen deze hem – bijna dertig jaar na dato – heeft medegedeeld. Mogelijk heeft hij diens rol nog wat aangedikt. Robert Ricard heeft aangetoond dat in Zurara’s kroniek ook vele feitelijke onjuistheden voorkomen. Zurara geeft bijvoorbeeld een overdreven voorstelling van de omvang van Ceuta, terwijl de beschrijving van de vestingwerken niet door later onderzoek kon worden bevestigd. Desondanks is Zurara’s kroniek een belangrijke bron van kennis.

Op 25 juli verlaat de vloot, met koning João, drie van zijn zonen, omringd door hun gewapende schildknapen, en een expeditiemacht van 50.000 man aan boord, Restello, uitgeleide gedaan door een juichende menigte op de kade. Zij bestaat uit 33 grote linieschepen (waarvan er vijf bewapend zijn door dom Pedro de Menezes), 27 galeien met drie en 32 met twee rijen roeiers en 120 kleinere vaartuigen. De koning en zijn zonen dragen geen rouw (wit), maar de stralende kleuren van de middeleeuwse oorlog. Onder trompetgeschal en getooid met schitterende banieren, dringt de voorhoede van de vloot door de engten van de Taag, viert de zeilen en gaat op weg naar Cabo de São Vicente. De koning, die zich aan boord van de galei van de graaf van Barcelos bevindt, draagt het commando over de vloot over aan dom Pedro. De reis verloopt dankzij de noordenwind voor-spoedig. Bij de kaap worden de marszeilen bakzeil gehaald bij wijze van groet aan de relieken van de heilige martelaar. Voorbij Sagres wordt de koers verlegd naar Lagos. Hiermee neemt João het risico dat de schepen de haven van Lagos niet kunnen verlaten als de wind naar het zuiden draait. ‘Tot op het moment van de koersverandering is de expeditie een meesterwerk van maritieme organisatie. Naar de maatstaven van die tijd, en de gigantische omvang van de expeditie in aanmerking nemende, is de logistiek volmaakt, de tijdsberekening onberispelijk en de discipline bewon- deringswaardig’, schrijft David Divine. Op 27 juli gaat João in Lagos aan wal en hij woont de mis bij in de kathedraal. De volgende dag deelt de koning het doel van de expeditie publiekelijk mee en João’s predikant, Frei João Xeira, maakt tijdens zijn preek de inhoud bekend van de bul die de koning heeft gekregen van paus Gregorius XII, voor allen die aan de ‘kruistocht’ deelnemen. Na de mis zeilt de vloot met lichte wind mee richting Faro. Hier zijn de schepen gedwongen tot 7 augustus te blijven dobberen door windstilte. Tijdens dit oponthoud dreigt aan boord van de galei van dom Henrique brand te ontstaan, doordat een lantaarn heeft vlamgevat. De prins gooit de lantaarn overboord, waarbij hij zijn handen zwaar verbrand. Dankzij verzorging met honing genezen de wonden snel. Op 9 augustus gaat de vloot in het zicht van de Marokkaanse kust voor anker bij Tarifa. De stad wordt voor de koning van Castilië bestuurd door de Portugees, Martin Fernandes Porto-Carero, een oom van dom Pedro de Menezes. Dom Henrique maakt van de gelegenheid gebruik zijn econoom, Fernando Álvares Cabral, die aan de pest lijdt en voortdurend ijlt, aan land te laten gaan. De volgende dag ankert de vloot, tot schrik van de moren, in Gibraltar en omgeving, in de Baai van Alcegiras.op ruim twintig kilometer van Ceuta. De aanval op Ceuta wordt vastgesteld op 12 augustus.

Divine laat weten: ‘Als de schepen ‘s nachts het anker lichten, is het mistig en heersen er lichte westenwinden. Door een combinatie van de wind en de oppervlaktestroming worden de schepen de Middellandse Zee in gedreven. Iets wat vele schepen onder soortgelijke omstandigheden later ook is overkomen. Sommige schepen komen helemaal bij Málaga terecht, terwijl een aantal galeien bij Ceuta aan lagerwal geraakt. De rest raakt verspreid in een reusachtige halvemaan in het westelijke smalle gedeelte van de Middellandse Zee. Als zij terugvaren naar Gibraltar om zich te hergroeperen slaat de Levantijn, de storm uit het oosten, fel toe. Vele schepen worden daardoor zwaar beschadigd.’ Vergé-Franceschi beschrijft het voorgaande aanzienlijk minder dramatisch. Hij schrijft: ‘Een flinke wind vertraagt het begin van de vijandelijkheden. De storm jaagt de linieschepen naar Málaga. Alleen de kleine vaartuigen en de galeien kunnen Ceuta bereiken door gebruik te maken van de riemen. De vloot raakt verdeeld; Estêvão Soares de Melo ankert zijn galeien, fluitschepen en kleine vaartuigen onder de forten van de plaats zelf.

De stad sluit ogenblikkelijk haar poorten en de Arabieren bezetten de stadsmuren, om de schepen te kunnen bekijken. Sālah ben Sālah, de moslimgouverneur van Ceuta, zendt haastig boodschappers naar Abū Sa’id, koning van Fez, om hulp te verkrijgen. Hij slaagt erin in korte tijd, dankzij zijn hulptroepen, een formidabele strijdmacht op de been te brengen van 100.000 man – volgens Vergé-Franceschi – een fabuleus cijfer, dat zonder enige twijfel door christelijke bronnen is overdreven om Portugals zege grootser voor te stellen dan zij in werkelijkheid is geweest. Sālah ben Sālah lost het eerste schot op de vloot die Ceuta belegert. Dom Henrique spant zich tezelfdertijd in de door de storm verspreide schepen terug te vinden en op.16 augustus is de gehele vloot weer verenigd. De landing wordt vastgesteld op de volgende morgen, zaterdag 17 augustus. Maar een tweede storm noopt de vloot opnieuw het anker te lichten. De galeien moeten zich terugtrekken in de Baai van Algeciras en de grote schepen bij Málaga. Sālah ben Sālah, die gelooft dat de Portugese vloot definitief is vertrokken, is zo onvoorzichtig de ontvangen versterkingen terug te zenden naar hun haardsteden, om uitgaven te besparen. Hij kiest ervoor slechts zijn eigen garnizoen te handhaven. Een fatale fout die hem nood-lottig zal worden. Dom Henrique verzamelt ten tweede male de verspreide schepen van de armada. Hij zou zelfs het grote schip van João Gonçalves Homem, dat door een vloedgolf averij heeft opgelopen, op sleeptouw hebben genomen en daarmee heeft hij het leven van de gehele bemanning gered. Als alle schepen opnieuw zijn verzameld in de Baai van Algeciras, aarzelt João I Ceuta aan te vallen. Verschillenden van zijn adviseurs interpreteren de twee doorstane stormen als twee nieuwe slechte voortekenen. Dom Henrique zou zijn vader telkens hebben aangespoord door te zetten en hem komt de eer toe als eerste voet aan wal te hebben gezet. Misschien heeft hij van zijn vader zelfs het commando gekregen over de troepen die aan land zijn gegaan, maar de bronnen zijn daarover onvoldoende duidelijk. Als de moren zien dat de vloot is teruggekomen, verlichten zij Ceuta, zoals gebruikelijk bij een gelegenheid als deze, zoveel mogelijk, om de vijand af te schrikken. Achter ieder venster en bij iedere deur brandt een kandelaar, zodat het lijkt of Ceuta een enorme stad is. Maar de Portugezen laten zich daardoor niet uit het veld slaan en ontsteken alle scheepslantaarns. De volgende dagen houden de twee tegenstanders elkaars bewegingen nauwlettend in de gaten. De landing wordt uiteindelijk vastgesteld op 21 augustus en de koning besluit de troepen te ontschepen aan de kant van de Alminawijk, een keuze die heel verstandig zal blijken te zijn. Sālah ben Sālah roept zijn adviesraad bijeen en organiseert de verdediging van de stad. Aan boord van de vloot bereiden ook de Portugezen zich voor op de strijd.

Martim Pais, eerste kapelaan van dom Henrique, geeft de absolutie aan alle strijders op een wijze die is voorgeschreven in de kruisvaardersbul. Dan gaat hij met de andere priesters aan land en reciteert met hen psalmen voor het Heilig Sacrament. Alle soldaten en matrozen gaan ter communie. Vervolgens houdt dom Henrique een toespraak, waaruit kan worden afgeleid dat de ontscheping daadwerkelijk onder zijn bevel heeft plaatsgevonden. Het opperbevel is in drieën gedeeld; de koning voert het bevel over de galeien en dom Pedro over de grote schepen. Diogo Cabra, de eerste-vaandeldrager van João I, geeft het signaal voor de landing. Deze begint slecht; koning João, bejaard en nog zeer beproefd door het recente overlijden van zijn vrouw, verwondt zijn been ernstig als hij van zijn galei in een sloep springt, om zijn mannen te monsteren. De prinsen dom Duarte, dom Pedro en dom Henrique, hebben meer geluk als zij, gevolgd door hun manschappen, in de sloepen springen om zich naar het strand te laten roeien. Niet minder dan 50.000 man zetten in een onbeschrijflijke verwarring voet aan wal Sālah ben Sālah ‘die de stad verdedigt, trekt zijn troepen samen aan het strand, vastbesloten de Portugezen de landing te beletten.’ Later zullen verschillende edelen de wanordelijke landing aangrijpen om hun eigen optreden te verheerlijken met de bewering als eerste voet aan wal te hebben gezet. João Fogace, intendant van het huis van dom Afonso, graaf van Barcelos, beweert de eerste te zijn geweest die met zijn sloep tot onder de muren van Ceuta is gekomen. Maar de ‘eerste Portugees die aan land is gesprongen, is volgens zijn eigen woorden, Rui Gonçalves, de latere intendant van prinses Isabel. Wat dom Henrique betreft, deze zou bij het aan land gaan enige vertraging hebben opgelopen. Om te voorkomen dat hij aan land moest waden, heeft hij verlangd dat er plankiers vanaf zijn sloep naar kust zouden worden gelegd, zodat hij droge voeten zou houden. Maar dit is mislukt door de beweging van de zee en hij zou met zijn eerste-vaandeldrager, Mem Rodrigues de Refoyos, en Estêvão Soares de Melo in een klein bootje naar de kust zijn gevaren, terwijl de trompetten klonken ten teken dat de algemene landing was ingezet en dat ‘de eerste bevelhebber van koninklijke bloede’ de Afrikaanse bodem heeft betreden.

Het treffen met de moren begint al aan het strand. Rui Gonçalves is een van degenen de met zijn lans een moslimaanvoerder doorboort. Dom Duarte, onderscheidt zich met Martim Afonso de Melo en Vasco Anes Corte Real aan zijn zijde. Volgens de zeer verwarrende berichten van de kroniekschrijvers dringen de christenen onweerstaanbaar naar voren: zij bezetten eerst het strand en dringen dan door tot aan de Alminawijk. Zij veroveren de porta da Almina, die van het strand leidt naar de oostelijke wijk van de stad, die zich uitstrekt over de lage hellingen van de, thans Monte Acho, Daarna trekken de Portugezen op naar de stadspoorten die de Alminawijk scheiden van de eigenlijke stad die op de istmus ligt, en nadat de moren de stad aan de aanvallers hebben overgegeven, begeven deze zich naar het fort van het kasteel. ‘Sālah ben Sālah vecht dapper, evenals de moren die hem omringen, maar zij moeten tenslotte wijken voor de hevige druk van de christenen, die in een vechtende kluwen met hun tegenstanders, de stad binnendringen. Deze muzelmannen leveren nog een laaste inspanning; zij hergroeperen zich in hun straten en verdedigen zich daar tot de avond valt.en zij moeten wijken.’ Vasco Anes Corte Real is de eerste die door de porta da Almina komt; hij wordt direct gevolgd door dom Duarte en dom Henrique. De moren trachten het binnen- dringen van hun tegenstanders in de stad te beletten door vanaf de stads-muur enorme stenen op hen te gooien. Vasco Martim de Albergaria krijgt zo’n kei op het vizier van zijn helm, maar hij doorsteekt met zijn lans de moren die dachten hem de voortgang te beletten. Vasco Fernandes de Ataíde en zijn oom Gonçalo Vasques Coutinho vallen een andere poort van de Alminawijk aan. Dom Henrique vertrouwt aan de graaf van Barcelos en aan Martim Afonso de Melo het commando toe over de troepen die zich moeten meestermaken van de verschillende havenwijken. Hijzelf en zijn broer Duarte veroveren de posten die de heuvels beheersen, ondanks de warmte van de stijgende zon. Dom Duarte maakt zich een voor een meester van de hoogten en komt tot aan Cesto, het hoogste punt van Ceuta.

João I, die zo ongelukkig is gewond geraakt, is uiteindelijk aan boord van zijn galei gebleven, waar hij zeer bekwaam de operaties van zijn zonen ondersteunt: hij vervult lichte vlootbewegingen om de vijand in verwarring te brengen omtrent zijn bedoelingen. João is een specialist in dit type listen, waardoor hij in dertig jaar is uitgegroeid tot een goed tacticus. De moren denken dat de koning nog een landing voorbereidt en zij maken troepen vrij om deze nieuwe aanval het hoofd te bieden. Bij deze fase van de strijd wordt de banier van dom Henrique als eerste door een poorten de stad binnengedragen. Dom Henrique wordt gevolgd door Dom Pedro; hij betreedt de stad tezamen met hofmaarschalk Pereira en verscheidene anderen, onder wie Lopo Dias de Sousa, in die tijd grootmeester van de Orde van Christus, en Rui de Sousa, zijn neef, die de moren met zoveel stoutmoedigheid en bravoure bestrijdt dat een van de stadspoorten zijn naam ontvangt. Nuno Martim de Silveira onderscheidt zich zozeer dat dom Duarte hem eigenhandig ter plaatse tot ridder slaat. Ook het optreden van Álvaro Gonçalves de Figueiredo, de grijsaard van 84 jaar, doet iedereen versteld staan. Dat geldt ook voor Gonçalo Lourenço, secretaris van het kabinet; hij zal door de koning zelf tot ridder worden geslagen. Dom Henrique achtervolgt de moren tot aan Aduana, de handelswijk van Ceuta, waar een aantal Genuese kooplieden pakhuizen en entrepots bezit. Gedurende vijf uren, zegt Zurara, strijdt hij ‘zonder verslapping’ aan het hoofd van 500 van zijn mannen. Daarna ‘slaat hij de straat rechtsaf in en daalt deze af om een aanval te kunnen ondernemen op het fort van het kasteel ‘dat wil zeggen aan de westkant van de stad ‘Aljazira’, thans Ceuta la Vieja.Na 2½ zware uren bereikt dom Henrique, slechts omringd door 18 soldaten, de muren van het kasteel. Zijn schildknaap, Fernando Chamorro, wordt daar zwaar aan zijn gezicht gewond. Zijn bewusteloze lichaam wordt op de grond gelegt en dom Henrique belet de moren het weg te slepen. Een van zijn andere strijdmakkers heeft minder kans: dom Henrique de Noronha vaandeldrager van de prins, wordt doorboord door de punt van een lans.

Er woeden ook gevechten bij de Poort van Fez. Hierbij onderscheiden zich dom João de Noronha (broer van de vaandeldrager), Pedro Vaz de Almada, Álvaro Mendes Cerveira, zijn broer Mendo Afonso, Álvaro Nogueira, Nuno Martim de Silveira, Vasco Martim de Carvalho, Gonçalo Vaz de Castelo-Branco, Gonçalo Nuno Barreto, Gil Vaz, João de Ataíde, Álvaro da Cunha, Nuno Vaz de Castelo-Branco (met zijn vijf broers), Diogo Fernandes de Almada en een Duitse baron. Omringd door vier soldaten komt dom Henrique aan bij het kasteel van Ceuta. Boven de toegangspoort bevindt zich een dubbele rij kantelen. Bij een man-tegen-man gevecht zal het kleine groepje strijders spoedig uitgemoord worden. ‘Er dreigt een bloedbad en een verschrikking.’ Het nieuws is zo alarmerend dat João I aan boord van zijn vloot gelooft dat zijn zoon al een paar uur geleden gedood is. Vasco Fernandes de Ataíde (zoon van dona Mecia Coutinho, de intieme vriendin van wijlen de koningin) die bekend staat om zijn rechtschapenheid, wordt door de vorst erop uit gestuurd om inlichtingen in te winnen over het lot van dom Henrique. Maar hij wordt gedood door een geworpen steen en het is uiteindelijk Garcia Moniz, de oud-huisonderwijzer van dom Henrique, die de prins levend en strijdend aantreft. Uiteindelijk komen de Portugese soldaten, die de overhand hebben gekregen, aan bij de grote moskee. Sālah ben Sālah, ten einde raad, laat zijn vrouwen, zijn kinderen en zijn rijkdommen buiten de stad brengen en hij brengt zichzelf in veiligheid door, omringd door zijn getrouwen, te paard Ceuta door de Noorderpoort te verlaten. Hij is niet zozeer verbaasd over de Portugese zege, maar meer over de geringe tijd die zijn tegenstanders nodig hebben gehad om de overwinning te behalen. De moorse soldaten van het garnizoen volgen het voorbeeld van hun aanvoerder. Enige tien-tallen inwoners evenwel zetten de strijd met de moed der wanhoop voort. Dom Fernando de Castro en zijn broer dom João geven diverse vrouwen en kinderen de gelegenheid door de poort van Álvaro Mendes te ontkomen om hen het leven te sparen. Dom Henrique plaats de stad onder toezicht van een Portugees bewakingscorps. João Vasques de Almada begeeft zich naar de torens van het kasteel, om daarop de banier van Lissabon te plaatsen. Op deze banier komt de beeltenis voor van São Vicente, de beschermer van de Portugese hoofdstad. De hoogste toren blijkt door de moren te zijn verlaten en het zijn een Bask en een Genuees die de poorten openen voor João Vasques, die de standaard op de top van de kantelen plaatst. De eerste-vaandeldrager van dom Duarte plant een andere banier op de toren van Fez, in de nabijheid van het kasteel.

De veroverde stad is genomen in een dag strijd, de plundering begint en de buit daarvan is verbazingwekkend groot: de christelijke soldaten brengen aan boord van de schepen ‘specerijen, kruidnagelen, gember, kostbare geneesmiddelen, rijke stoffen en zeldzame dranken. Als de koning de wapens van Portugal boven Ceuta ziet wapperen, komt hij tenslotte aan land. Omringd door dom Duarte, dom Pedro, dom Henrique en de graaf van Barcelos, betreedt hij plechtig de vrijwel door zijn inwoners verlaten stad. Overwinnaar van Ceuta in een enkele dag, laat hij de stad schoonmaken. De hagiografen beweren dat er in de strijd 2.000 tot 10.000 moren zouden zijn gedood; hun lichamen worden in zee gegooid. Vergé-Franceschi schijnt dit cijfer echter sterk overdreven. De kroniekschrijvers aan christelijke zijde – die zich slechts interesseren voor de adel – vermelden slechts acht gestorven edelen, vijf bij de poort waarvan Vasco Fernandes de Ataíde zich meester heeft gemaakt en drie in de stad. Maar het is natuurlijk niet gebleven bij gesneuvelde edellieden, al is het aantal in de strijd gevallen gewone soldaten en matrozen onbekend, evenals hun namen. Eenmaal in de stad, geeft João I opdracht de laatste overwonnen verdedigers af te voeren in slavernij. Daarna besluit hij zijn zege te laten weten aan de gouverneur van Tarifa, die van Portugese afkomst is. De boodschap wordt overgebracht door João Rodrigues Comitre. Een andere officier van het koninklijke huis, João Escudeiro, wordt naar Aragón gezonden om daar kond te doen van de grote christeljke overwinning..Wat Álvaro Gonçalves de Mata, intendant van de financiën van de koning, betreft, hij vertrekt naar Porto, om de onderdanen van João I aldaar te onderrichten over de formidabele victorie van hun heer. Twee dagen na de overgave van de stad, kunnen de naar de bergen gevluchte moren zich niet meer overgeven aan schermutselingen, want zij zijn teruggeslagen door de mannen van dom Duarte. Zij hebben vergeefs getracht de Portugezen te verdrijven.

Donderdag 21 augustus neemt de koning officieel bezit van de plaats. Op zondag 24 vindt de reiniging plaats van de grote moskee, die is veranderd in een christelijke kerk, die gewijd is aan de tenhemelopneming van de Heilige Maagd. Zout en water worden uitgestrooid op de mozaïekvloer. De muren worden besprenkeld met wijwater. De koning, de prinsen, de edelen en de soldaten nemen met een kaars in de hand deel aan een plechtig Te Deum. Frei João Xeira beklimt de preekstoel en beweegt de mannen door de kwaliteit van zijn preek. De klokken van de kerk van Lagos die eertijds door de moren zijn geroofd, worden op een van de minarets geplaatst en het geluid van het carillon vermengt zich met dat van de klaroenen en trompetten die tijdens de plechtigheden worden gebruikt. Aan het einde van de mis vindt er buiten de kerk een wapenschouw plaats De koning slaat zijn zonen met veel pracht en praal en in volgorde van hun geboorte tot ridder. Geknield voor hun vader, kussen dom Duarte, dom Pedro en dom Henrique beurtelings de hand van hun vader, nadat zij tot ridder zijn geslagen met hun eigen zwaard, dat ieder van hen heeft gekregen van hun op haar sterfbed liggende moeder. Hierbij geeft de koning ieder van zijn zonen met de platte kant van het blad van zijn zwaard een lichte tik op het hoofd en op de beide schouders. Daarna is het de beurt van de graaf van Barcelos. Allen dragen een harnas. Vervolgens slaat dom Pedro Álvaro Vaz de Almada tot ridder, evenals dom Henrique enige jonge edelen: dom Fernando, heer van Bragança, Gil Vaz da Cunha, Álvaro da Cunha, Álvaro Pereira, Diogo Gomes da Silva, Vasco Martim de Albergaria, Álvaro Fernandes Mascarenhas en João Gonçalves Zarco. Op 26 augustus roept de koning zijn adviesraad bijeen omdat hij overweegt een luitenant-generaal die hem in Ceuta vertegenwoordigt te benoemen. Hij aarzelt tussen Gonçalo Vasques Coutinho en zijn hofmaarschalk Pereira. Maar de eerste is bijna zestig jaar en de tweede wenst zich terug te trekken in een klooster dat hij pas in Lissabon heeft gesticht. Daarom wordt Martim Afonso de Melo voorgesteld als luitenant-generaal van Ceuta. Maar hij weigert het ambt! Dom Pedro de Menezes, graaf van Islo en Castilië en markies van Vila Real en Portugal, biedt zich dan aan de koning aan het ambt te vervullen en Rui de Sousa stelt zijn vorst voor ook ter plaatse te blijven met een detachement van 40 man. De koning aanvaart het aanbod en vernoemt uit dankbaarheid een van de poorten van de stad naar dom Pedro de Menezes. Hij wordt eveneens tot bevelhebber benoemd over de troepen die in Ceuta blijven. João I ontslaat hem van zijn eed van trouw, om daarmee zijn waardering uit te drukken voor zijn naam en zijn afkomst. De koning vormt vervolgens een garnizoen van 300 man en hij geeft het commando daarover aan zijn voormalige opper-jachtmeester, Lopo Vaz de Castelo-Branco. Dom Henrique kiest 300 andere mannen, onder bevel van João Pereira, uit, aan wie de bewaking van de toren genoemd naar de Heilige Maria van Afrika wordt toevertrouwd. Het garnizoen zal uiteindelijk 2.700 soldaten tellen. Om te waken over dit bezettingsleger en om te trachten moren uit de omgeving te kerstenen, kiest de koning ook enige geestelijken uit. Onder hen is de toekomstige bisschop van Marokko.

De Engelsman François Aymar, biechtvader van wijlen de koningin, heeft door haar overlijden zijn baan verloren. Omdat hij het volle vertrouwen van de koning heeft, aanvaardt hij de voordracht te worden benoemd tot bisschop van Ceuta en tot de eerste titulair bisschop van Marokko. De grote moskee wordt bij bul Romanus Pontifex van 4 april 1418 officieel veranderd in een kerk, die op 6 september 1420 zal worden verheven tot kathedraal. De bisschop heeft de opdracht in Ceuta definitief het christendom te vestigen. Hij creëert de kapel van Nossa Senhora do Vale, die een onderkomen biedt aan het standbeeld van Onze Lieve Vrouwe van Afrika. In 1420 verheft paus Martinus V de kluis van de franciscanen, gesticht door dom Pedro, tot klooster. Het resultaat daarvan is opmerkelijk. In zijn bul Etsi cunctos van 29 december 1442 zal paus Eugenius IV onderstrepen dat Ceuta de enige christelijke stad in Afrika is. Na aldus de militaire en geestelijk ver-antwoordelijken in Ceuta te hebben benoemd, begeeft João I zich op weg naar Portugal. De vloot verlaat Ceuta op 2 september 1415. Twaalf dagen na zijn zege, ankert de koning in Tavira in de Algarve, waar hij zijn vloot naar Lissabon zendt. De haven van de hoofdstad wemelt al snel van de galeien, transportschepen, soldaten en matrozen. De enorme troepenmacht wordt ontbonden in de Algarve en de Alentejo. De koning begeeft zich met zijn zonen naar Évora, waar zij door de bestuurders en de burgers aan de stadpoort worden ontvangen als christelijke helden. Na terugkeer van Ceuta beloont João I dom Pedro met de titel duque de Coimbra en dom Henrique wordt duque de Viseu e Senhor de Covilhã, omdat de heerlijkheid Covilhã deel van het hertigdom uitmaakt. Bovendien wordt Henrique bij koninklijke brief gedateerd, Estremoz 18 februari 1416, door zijn vader belast met alle zaken die te maken hebben met Ceuta en met de defensie van de stad. Pedro de Menezes zal slechts zijn vertegenwoordiger in de stad zijn en dat gedurende 22 jaar. Dom Henrique behoudt het bestuur over Ceuta tot 1451, als hij het bestuur overde stad overdraagt aan zijn oomzegger, dom Afonso V, zoon van zijn broer Duarte.

5.2. De strijd om het behoud van Ceuta