Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme Spaanse kolonialisme

Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee. DEEL 17

Geschreven door Arnold van Wickeren

Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee. DEEL 17

De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640, De Portugezen in Bengalen, Portugezen, Spanjaarden en Hollanders in Siam en Achter-Indië

Voorwoord

Verantwoording

Glossarium

Hoofdstuk 1. De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640

1.0. Dom Francisco da Gama, conde de Vidigueira (1622-1627)

1.1. Problemen tussen Engelsen en Nederlanders in Indië

1.2. Dom Frei Luís de Brito, Nuno Álvares Botelho en Dom Miguel de Noronha, conde de Linhares

1.3. Pedro da Silva en António Telles de Menezes (1627-1640)

1.4. De Carreira da India

Portugese avonturiers in de de Golf van Bengalen

Hoofdstuk 2. De Portugezen in Bengalen

2.0. De Portugese vestiging in Hooghly en in Oost-Bengalen

2.1. De Portugese avonturier Filipe de Brito e Nicote

2.2. De opkomst van Sebastião Gonsalves Tibau

2.3. Kleinere vestigingen van de Portugezen in Bengalen

2.4 Portugese missionarissen in Bengalen

2.5. Portugese handel in Bengalen; de opkomst van rivalen

2.6. De ondergang van Filipe de Brito e Nicote en van Sebastião Gonsalves Tibau

2.7. De val van Hooghly

2.8. De terugkeer van de Portugezen naar Hooghly

Hoofdstuk 3. Portugezen, Spanjaarden en Hollanders in Siam en Achter-Indië

3.0. Portugezen en Hollanders in Siam

3.1. Portugezen en Hollanders in Achter-Indië

3.2. De expeditie van Veloso, Ruiz en Gallinato naar Cambodja

3.3. Cambodja onder Spaanse voogdij

3.4. Hollanders in Cambodja

Voorwoord

Als mijn geheugen mij niet bedriegt, maakte ik voor het eerst kennis met Arnold van Wickeren toen hij in 1998 in Porto een lezing gaf voor een groep Nederlandse en Vlaamse expats. De lezing ging over de Portugese ontdekkingsreizen. Opvallend waren het aanstekelijke enthousiasme en de indrukwekkende kennis van zaken waarmee hij over het onderwerp sprak. Ondanks alles wat hij erover gelezen had – directe bronnen, kronieken, scheepvaarthistorische werken, economische en politieke studies en nog veel meer – vertelde hij erover als over een nog altijd ongelofelijk en adembenemend avontuur. Bij die gelegenheid kocht ik een exemplaar van Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee (1994), de eerste versie in één kloek boekdeel van wat inmiddels is uitgegroeid tot een reeks van zeventien dunnere deeltjes, die samen zo’n 3.800 bladzijden beslaan. Een indrukwekkende onderneming, die nog niet ten einde is en die de auteur geheel zelfstandig uitvoert, en waarvan hij de uitgave financiert uit de privéverkoop van de boeken. Tegen kostprijs kunnen geïnteresseerden zo in het bezit komen van een reeks werken die de Portugese en vooral de Portugese overzeese geschiedenis behandelt op basis van een in de loop der tijd steeds verder verbrede keuze standaardwerken en studies in het Portugees, Italiaans, Spaans, Frans, Engels en Nederlands. De verwerking van dat brede aanbod aan soms zelfs voor vakhistorici moeilijk of niet toegankelijke literatuur maakt de reeks tot een unicum. Nooit eerder was in het Nederlands een zo uitgebreid en op zoveel terzake doende publicaties gebaseerd overzichtswerk over het onderwerp voorhanden. En dankzij eigen onderzoek en adviezen en suggesties van specialisten in de geschiedenis van de Portugese en Europese expansie wordt de verwerkte literatuur gaandeweg aangevuld en geactualiseerd. Voeg daarbij de voorbeeldige literatuuropgaves, de kaartjes en de uitgebreide registers en het resultaat is een onmisbaar en onovertroffen standaardwerk voor Nederlandse en Vlaamse historici, lusitanisten en geïnteresseerde leken. Het mag dan ook in geen openbare, universiteits- of vakbiliotheek ontbreken.

De ‘dikke Van Wickeren’ vult een lacune die tot voor kort schrijnend was. Kennis over Portugal en de Portugese expansie was in de Lage Landen vrijwel afwezig. Slechts enkele zeer schaarse lusitanisten interesseerden zich ervoor en van de vaderlandse expansiehistorici waren er maar enkelen in staat Portugees te lezen. Portugese historici publiceerden vrijwel uitsluitend in het Portugees en hadden weinig contact met de buitenwereld. Pas in de laatste decennia verandert deze situatie. Nederlandse vakhistorici bestuderen Portugese bronnen, ontmoeten Portugese collega’s op internationale congressen en werken samen aan publicaties. De vroegere afzonderlijke bestudering van de Nederlandse en de Portugese expansie heeft plaatsgemaakt voor internationaal onderzoek vanuit verschillende perspectieven, waarin zowel Europese als Arabische en Aziatische historici en specialisten ook op tal van andere gebieden samenwerken. Die internationalisering en diversificering wordt door Van Wickeren op de voet gevolgd, waardoor zijn reeks een verwerking van recente inzichten biedt die nergens anders op een zo toegankelijke wijze aanwezig is voor een breed publiek. Dat de auteur negen jaar nadat ik hem leerde kennen nog altijd met hezelfde enthousiasme en dezelfde brede belangstelling werkt aan dit project dat hij als zijn hobby blijft zien, toont een enorme wilskracht.

Dit deel, het zeventiende van de kleinere boekjes waarin Van Wickeren de Portugese expansiegeschiedens in chronologische en geografische eenheden nader uitwerkt en actualiseert, is wellicht het spannendste deel tot nu toe. Het behandelt in het eerste hoofdstuk de onttakeling van het Portugese imperium in Azië in de jaren 1622-1640. Bespoedigers van het verval zijn de op macht en geld beluste Portugese gouverneurs en onderkoningen in Goa, de niet minder inhalige en machtsbeluste, elkaar op leven en dood bestrijdende geestelijke ordes, de voor eigen rekening handeldrijvende en malverserende door de koning aangestelde factorijhoofden en een door chronisch geldgebrek en het uitblijven van versterkingen en materieel ondermijnd militair apparaat dat niet langer het hoofd kan bieden aan de Hollandse en Engelse kapers op de Indische kusten, die zich met steeds meer succes meester proberen te maken van militaire en commerciële sleutelposities in India en Oost-Azië.

De hoofdstukken 2 en 3 bevatten enkele van de sappigste episodes uit de rijkelijk geaccidenteerde aprocriefe geschiedenis van het Portugese machtsstreven in Azië: de lotgevallen en schurkenstreken van degenen die opereerden buiten het officiële circuit en als huurlingen, carrièremakers en handelaars de Lusitaanse Aziëpolitiek ondermijnden of regelrecht dwarsboomden en die alleen steunden als hen dat voor eigen gewin of lijfsbehoud uitkwam. Het is de geschiedschrijving over de keerzijde van het Portugese avontuur in Azië, die voor het eerst bekend werd door de lange tijd als fantasielectuur beschouwde Peregrinação (1614, Nederlandse vertaling Pelgrimsreis, 1992) 1) van Fernão Mendes Pinto, zelf een Portugees die zich als ‘geheime’ gezant en handelaar ver van de gebaande wegen in die boeiende clandestiene wereld had begeven en verschillende van de markantste kopstukken eruit kende. Wie nog twijfelt aan het waarheidsgehalte van wat Pinto vertelt over de politieke en militaire invloed die een van zijn personages door zijn schurkenstreken en bravourestukjes verwierf bij vorsten van Pegu, Siam en Birma, leze in hoofdstuk 2 van dit deeltje de ongelofelijke lotgevallen en machinaties van Filipe de Brito e Nicote en Sebastião Gonsalves Tibau. Daarna mag zij/hij oordelen in hoeverre ‘Pinto de leugenaar’ uit zijn duim zoog wat hij schreef over ‘de grote Diogo Soares die door het fortuin in het koninkrijk Pegu zo hoog was verheven dat hij de titel Broeder van de Koning kreeg, de hoogste en meest verheven onderscheiding die daar bestaat, met een inkomen van tweehonderdduizend cruzado’s, en die opperbevelhebber was van een leger van achthonderdduizend man en de hoogste machthebber was in de veertien koninkrijken die in die dagen onder de heerschappij van de koning van Birma stonden’ (zie Pelgrimsreis, hoofdstukken 181-193). Historische werkelijkheid en fictie lopen vrijwel naadloos in elkaar over. En zoals in hoofdstuk 3 blijkt gingen Spanjaarden, Nederlanders en Engelsen al evenmin erg ethisch te werk om een positie te veroveren in Achter-Indië en Siam.

Van Wickeren slaagt erin die voor de Nederlandstalige lezer onbekende geschiedenissen op een boeiende en overzichtelijke manier tot leven te wekken op grond van een gedegen bestudering van het beschikbare wetenschappelijke materiaal. Deel XVIII van deze monumentale eenmansonderneming is al in de maak… De schrijver verdient voor dit unieke levenswerk waaraan hij onvermoeibaar doorschrijft een onderscheiding. Wat zeg ik? Twee onderscheidingen: een Nederlandse en een Portugese.

Cete, 23 november 2007

Arie Pos

1) Zie http://www.literatuurplein.nl/boekdetail.jsp?boekId=205045

Verantwoording

Bij het schrijven van mijn door Hogeschool Alkmaar in 1994 uitgebrachte boek ‘Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee (ISBN 90-802098-1-3)’ moesten veel zaken onbesproken blijven, om het eendelige werk niet veel te omvangrijk te maken. Onvrede over deze beperking en het beschikken over veel meer vrije tijd dan toen ik nog werkte, zijn de redenen geweest mijn eerste boek uit te werken in afzonderlijke delen. Dat deze uitwerking geschiedt mede aan de hand van veel niet eerder geraadpleegde literatuur spreekt voor zich. In september 1996 is deel I verschenen en in de winter van 2008 is deel XVII gereed. Uit hoeveel delen van circa 250 pagina’s het totale werk zal bestaan laat zich thans nog niet schatten; ik hoop dat het mij gegeven zal zijn nog vele delen te schrijven. Deze verschijnen in een beperkte oplage en zijn bestemd voor universiteits- en andere openbare bibliotheken in Nederland en Vlaanderen, alsmede voor belangstellenden uit eigen kring. Met het uitbrengen van de delen staat mij geen commercieel doel voor ogen. Daarom is de uitvoering zo goedkoop mogelijk gehouden. In oktober 2006 leek een publieks-uitgave van de tot dan toe uitgebrachte en de nog te schrijven delen onverwachts binnen handbereik. Nadat ik ervaren had dat een commerciële uitgave van mijn werk onaanvaardbare concessies van mij zouden vergen, heb ik daarvan afgezien en ben op de oude voet voortgegaan.

Wat mij in de geschiedenis van Portugal van jongs af aan vooral fascineert zijn de voortrekkersrol die het heeft gespeeld in de ontdekking van de wereld en ’s lands maritieme expansie. Mijn boek gaat daarom voornamelijk over de verrichtingen van de Portugezen overzee in drie continenten. Het gaat dan om zaken als: de wereldwijde maritieme expansie in de vijftiende en in de eerste helft van de zestiende eeuw; de eerste tekenen van verval van de Portugese positie in Azië in de tweede helft van de zestiende eeuw en de vrijwel volledige teloorgang daarvan, mede door toedoen van de VOC, in de zeventiende eeuw; de strijd tegen de WIC om Brazilië en de Portugese gebieden in West-Afrika in de zeventiende eeuw; de bloei en het verlies van Brazilië in de achttiende, respectievelijk de negentiende eeuw; de uitbouw van het koloniale rijk in Afrika naar de binnenlanden aan het einde van de negentiende en in de eerste helft van de twintigste eeuw en het einde van de imperiale droom aan het begin van het laatste kwart van de vorige eeuw. Deze en soortgelijke zaken komen uitvoerig in dit werk aan de orde, terwijl de bespreking van de ontwikkelingen in Portugal zelf de noodzakelijke achtergrondinformatie geeft, waaruit het optreden overzee kan worden begrepen.

Bij het schrijven van elkaar opvolgende delen, is het soms gewenst zaken in te leiden met al dan niet samengevatte teksten uit voorgaande delen, waardoor enige overlap ontstaat. Er is temeer sprake van overlap als, zoals in mijn geval, het aantal deeltjes groot is, omdat de beschouwde periode soms maar enige decennia omvat. Daarom heb ik besloten te beginnen met deeltje XIII de te behandelen periode aanzienlijk te vergroten. Deel XIII en een aantal volgende delen omvatten dan ook de regeringsperioden van koningen Sebastião (1557-1578), kardinaal Henrique (1578-1580) en de Spaanse Habsburgers (1580-1640)

In de ‘Verantwoording’ van voorgaande delen is in zeer korte vorm vermeld wat de inhoud is van het betreffende deel en van voorafgaande delen. Deze methodiek leidt ertoe dat de verantwoording bij elk nieuw deel qua omvang toeneemt. Bij deel XV en volgende delen volsta ik ermee te zeggen dat in de delen I t/m XII wordt besproken de periode vanaf de prehistorie tot aan het overlijden van Dom João III in 1557, dat in deel XIII de gebeurtenissen aan de orde komen die uiteindelijk in 1580 hebben geleid tot de personele unie van de Spaanse en de Portugese troon en van het zestigjarige bestuur van de Spaanse Habsburgers over Portugal en zijn overzeese imperium. Deel XIII verhaalt voorts Sebastião’s rampspoed in Marokko, de ontwikkelingen van de Atlantische eilanden en West-Afrika in de periode 1560-1640, waarin de strijd om en het verlies van het Fortaleza de São Jorge da Mina centraal staat. Deel XIV gaat over de bemoeienissen van de Portugezen met Angola en Kongo in hetzelfde tijdvak en over de Portugezen aan de Swahilikust van 1560-1600. Deel XV behandelt de ontwikkelingen in en rond de Estado da India onder de capitães-gerais Dom Constantino de Bragança t/m Dom Francisco da Gama (1558-1600). Idealiter zou in deel XVI besproken zijn de geschiedenis van de Estado da India vanaf het begin van de zeventiende eeuw tot aan het herwinnen van de Portugese onafhankelijkheid in 1640. Gelet op de verhalende vorm waarin de materie wordt behandeld, met specifieke aandacht voor curieuze details aan de ene kant en de nog immer toenemende omvang van de geraadpleegde literatuur aan de andere kant, is dit een onmogelijke opgave gebleken. In deel XVI worden de ontwikkelingen in de Estado da India besproken tot aan de komst van Hollanders en Engelsen naar Azië, wat uiteindelijk de teloorgang van Portugals positie in dat werelddeel zal inluiden. Het derde, tevens laatste, hoofdstuk is gewijd aan de Portugezen aan de Tamilkust in de periode 1560-1680. In dit deel zijn buiten beschouwing gebleven het Portugese optreden elders in Azië, zoals op Ceylon, aan de Golf van Bengalen, in Birma, Siam, Achter-Indië, Malacca, de Molukken en de Banda-eilanden, Solor en Timor, in China (Macau) en Japan en tenslotte aan de Swahilikust, die aanvankelijk ook tot de Estado da India gerekend werd. In deel XVII zal de bespreking van de Estado da India worden voortgezet met de rampzalige periode 1623-1640, vervolgens komen in dit en in de volgende delen de overige genoemde onderwerpen aan bod.

Bij het schrijven van dit werk sta ik als een dwerg op de schouders van reuzen. Dezen hebben de oorspronkelijke bronnen ontcijferd en daaruit de soms tegenstrijdige gegevens geschift, geordend, geduid en van annotaties voorzien. Ik heb mij slechts tot taak gesteld uit de veelheid van boeken de meest bruikbare te kiezen. Naarmate ik al doende meer inzicht verwerf in de zeer uitgebreide bibliografie van de Portugese aanwezigheid overzee, wordt het kiezen uit de immer aanzwellende stroom studies, moeilijker. Aan de ene kant is de verleiding groot zoveel mogelijk gebruik te maken van literatuur waarin aandacht wordt geschonken aan de heldendaden, lotgevallen en euveldaden van individuele personen, omdat deze kleur geeft aan de historie. Maar aan de andere kant leidt te grote aandacht voor details ertoe dat ik het werk waaraan ik vele jaren geleden ben begonnen, niet zal kunnen voltooien. Ik moet dus schipperen en zal gedetailleerde beschrijvingen moeten afwisselen met stukken die een globaal overzicht verschaffen. Bij de keuze van te raadplegen literatuur staat Dr. B. N. Teensma mij met raad en daad terzijde; ook heeft hij mij een aantal boeken van zijn hand geschonken en mij gestimuleerd op de ingeslagen weg voort te gaan. Tenslotte heeft hij een lovend voorwoord bij deel XIII verzorgd. Voor dit alles zeg ik hem oprecht dank. Mijn erkenning gaat ook uit naar Prof. Dr. Leonard Blussé voor zijn bemoedigende reacties op de eerder verschenen delen en voor enige werken die ik van hem heb mogen ontvangen. Van Dr. Ir. Ernst van Veen en Dr. Arend de Roever ontving ik hun dissertaties. Beiden zeg ik oprecht dank voor de waardevolle aanwinsten van mijn boekenlijst. Voorts gaat mijn dank uit naar Arie Pos, die van meet af aan belangstelling voor mijn werk heeft getoond en die het voorwoord van dit deel heeft verzorgd. Voorts is hij zo behulpzaam geweest deel XVII zorgvuldig na te lopen op type- en taalfouten. Daarnaast heeft hij nog enige waardevolle correcties voorgesteld. Voor dit alles ben ik Arie Pos zeer dankbaar. Ook vermeld ik met genoegen de voortreffelijke website Dutch-Portuguese colonial history https://www.colonialvoyage.com/van Marco Ramerini. Deze site met zijn vele links vormt voor mij een bron van inspiratie en een uitstekende checklist voor zowel data als relevante literatuur. Marco Ramerini heeft mij ook voorzien van literatuuradviezen; heeft mij geattendeerd op relevante websites, zaken voor mij opgezocht en literatuur met mij uitgewisseld. Voor zijn vele blijken van vriendschap ben ik hem zeer dankbaar. Naast de website van Ramerini neemt het aantal bruikbare websites voortdurend toe. Vooral de Wikipedia, the free encyclopedia, blijkt hoe langer hoe meer een waardevolle bron van kennis te zijn. Tenslotte betuig ik mijn oprechte dank aan Pieter Jongepier, die mijn werk dermate waardeert dat hij het integraal op het Internet heeft gezet. Voor dit blijk van waardering en voor al het werk dat Pieter Jongepier op zich heeft genomen, ben ik hem zeer dankbaar.

Hierna volgt een opsomming van de bij het schrijven van dit deel vooral geraadpleegde literatuur; daarbij zijn de werken waaraan ik het meest heb gehad, vet vermeld. In het laatste deel van dit werk zal een volledige literatuurlijst worden opgenomen.

Voor deel XVII in zijn geheel zijn de volgende algemene handboeken geraadpleegd:

  • Leonard Blussé & Jaap de Moor: Nederlanders Overzee; de eerste vijftig jaar 1600-1650, Franeker, 1983;

  • Charles R. Boxer: The Portuguese Seaborne Empire 1415-1825, London, 1969;

  • Charles R. Boxer: The Dutch Seaborne Empire 1600-1800, London, 1965;

  • H.V. Livermore: A New History of Portugal, Cambridge U.K., 1966;
  • A.H. de Oliveira Marques: History of Portugal, Volume I & II, New York, 1976;

  • José Hermano Saraiva: História concisa de Portugal; Lisboa, 1979;

  • Ernst van Veen: Decay or Defeat? An inquiry into the Portuguese decline in Asia 1580-1645, Research School of Asian, African and Amerindian Studies Universiteit Leiden, The Netherlands, 2000;

  • VOC-Internet sites

  • Arnold van Wickeren: voorgaande delen van dit werk.

Naast deze boeken is voor het schrijven van elk hoofdstuk gebruikgemaakt van een aantal specifieke werken.

Voor hoofdstuk 1, over de Estado da India zijn dat:

  • Associação Nacional de Cruzeiros (A.N.C.), Batalhas e Combates da Marinha Portuguesa (Vol.V) van Saturnino Monteiro, waarvan het artikel “11 a 24 de Fevereiro de 1625” is gepubliceerd op de internetsite http://ancruzeiros.pt/anchistoria-comb-1625.html
  • Boxer, C.R.: From Lisbon to Goa, 1500-1750: studies in Portuguese Maritime Enterprise, Variorum Reprints, London, 1984;

  • Boxer, C.R.: Mary and Misogyny; Women in Iberian Expansion Overseas 1415-1815, Gerald Duckworth & Company Limited, Londen, 1975;
  • Boxer, C.R.: Race Relations in the Portuguese Colonial Empire 1415-1825, Clarendon Press, Oxford, 1963;

  • Danvers, Frederick Charles: The Portuguese in India, Volume II, W.H. Allen & Co. Ltd., London, 1894;

  • An Empire of Spices, op http://www.periclespress.com/Dutch_spices.html
  • Duffy, James: Shipwreck & Empire: Being an account of Portuguese maritime disasters in a century of decline, Harvard University Press, Cambridge, Massachusetts, 1955;
  • Guimarães Sá, Isabel dos ? (= de ?): Charity and Discrimination, The Misericordia of Goa, Itinerario volume XXXI (2007) number 2, Grafaria, Leiden, 2007
  • Halikowski Smith, Stefan,: Perceptions of Nature in Early Modern Portuguese India, Itinerario, volume XXXI (2007), number 2, Grafaria, Leiden, 2007
  • Hsiao-ting Lin: When Christianity and Lamaism Met: The Changing Fortunes of Early Western Missionaries in Tibet, Pacific Rim Report No. 36, University of San Francisco, op http://www.pacificrim.usfca.edu/research/pacrimreport/pacrimreport36.html
  • Hutt, Antony: Goa, A Traveller’s Historical and Architectural Guide, Scorpion Publishing Limited, Essex, 1988;

  • Lopes, António & Eduardo Frutuoso, A vida a bordo nas naus da Carreira da India, Texto inédito preparado em 1995 para publicação na obra História do Quotidiano em Portugal, então em produção pela Editorial Presença, mas que não chegou a ser editada

  • Al-Maamiry, A.H.: Omani-Portuguese History, Lancers Publishers, New Delhi, 1982;

  • Mac Leod, N.: De Oost-Indische Compagnie als zeemogendheid in Azië,1602-1650, 2 delen, Blankwaardt & Schoonhoven, Rijswijk (Z.H.), 1927;

  • Panikkar, K.M.: Malabar and the Portuguese: Being a History of the Relations of the Portuguese with Malabar from 1500 to 1663, D.B. Taraporevala Sons & Co., Bombay, 1929;
  • Penrose, Boies: Sea fights in the East Indies 1602-1639, Harvard University Press, Cambridge, Massachusetts, 1931;

Voor hoofdstuk 2, over De Portugezen in Bengalen, zijn dat:

  • Alden, Dauril: The Making of an Enterprise; The Society of Jesus in Portugal, Its Empire, and Beyond, 1540-1750, Stanford University Press, Stanford, California, 1996;

  • Campos, J.J.A.: History of the Portuguese in Bengal, Butterworth & Co. Ltd. Calcutta, 1919;
  • Danvers, Frederick Charles: The Portuguese in India, Volume II, W.H. Allen & Co. Ltd., London, 1894;

  • Kerr, Robert: A General History and Collection of Voyages and Travels, Arranged in Systematic Order: Forming a Complete History of the Origin and Progress of Navigation, Discovery and Commerce, By Sea and Land, From the Earliest Ages to the Present Time, W. Blackwood and T. Cadell, Edinburgh and London, 1824; http://explorion.net/r.kerr-general-history-collection-voyages-travels-6

Voor hoofdstuk 3, Portugezen en Spanjaarden in Cambodja zijn dit:

  • Bibliotheca Asiatica, Part III, Manuscripts of the Sixteenth and Seventeenth Centuries on the Spanish and Portuguese Catholic Missions and Martyrdoms, Commerce, Policy, and Colonial Administration in India, Japan, Siam, China and the Philippines, Maggs Bros, London, 1929

  • Internetsite: Chronology of Cambodian History op http://www.geocities.com/khmerchronology/1400.htm?200728

  • Groslier, Bernard Philippe et C.R. Boxer: Angkor et le Cambodge au XVIe siècle d’après les Sources Portugaises et Espagnoles, Presses Universitaires de France, Paris, 1958;

  • Morga, Antonio de: Sucesos de las Islas Filipinas, translated and edited by J.S. Cummins, Hakluyt Society, Cambridge University Press, London, 1972;

  • Pinto, Fernão Mendes: Peregrinação, vertaald door Arie Pos en uitgegeven onder de titel Pelgrimsreis, Uitgeverij de Prom, Baarn, 1992;

  • Valentijn, François: Oud- en Nieuw Oost-Indiën, deel III B, Uitgeverij Van Wijnen, Franeker, 2002;

Ook is veelvoudig en intensief gebruik gemaakt van het alsmaar toenemende aantal Internetsites, naast de hiervoor al vermelde sites, waardoor de tot voor kort gebruikte naslagwerken, als de Encyclopædia Britannica, Le Petit Robert des Noms Propres, 2003 en vele andere vervangen konden worden door zoeken en vinden op het Internet.

Velen hebben mij gestimuleerd voort te gaan met het bestuderen van en het schrijven over het gekozen studiegebied; anderen hebben mij daadwerkelijk geholpen. Tot degenen op wie ik een beroep kon doen om technische problemen met de P.C. te overwinnen behoren mijn oud-buurman Piet Vermaas RA. en mijn huidige buurman Kai de Jong. Hun zeg ik daarvoor dank. Het personeel van Multicopy in Heerhugowaard zeg ik dank voor de keurige verzorging van dit deel van mijn werk. Tenslotte spreek ik in het bijzonder mijn dank uit aan mijn vrouw, die – na mijn pensionering — mij weinig met huishoudelijke taken belast, maar mij alle gelegenheid geeft dit boek te schrijven.

De schrijver

Glossarium

Adil Khan: rechtvaardige heerser (van Bijapurr)

almirante: admiraal

Armada de Alto Bordo: vloot van grote schepen

arratel: gewichtseenheid gelijk aan 16 ounces à 28,349 gram = 453,584 gram

arroba: gewichtseenheid gelijk aan 32 arrateis, d.w.z. bijna 14,515 kg.

autodafe actus fidei (geloofsdaad); afkondiging en voltrekking door de wereldlijke macht van een vonnis van de inquisitie; ook verzoening van ketters met de Kerk

barca: bark

Batalhas e Combates da Marinha Portuguesa: Zeeslagen en gevechten van de Portugese Marine

big’ha: oppervlakte maat in India, variërend van een derde van een acre tot een acre

bluyas: grootgrondbezitters in Bengalen

Cabo da Boa Esperança: Kaap de Goede Hoop

capitania: erfelijk leen, door de Kroon gegeven aan de ontdekkers van eilanden en vasteland, die het gebied als capitão bestuurt

capitânia: vlaggenschip

capitão (kapitein): bevelhebber van een plaats, fort, garnizoen, of andere militaire eenheid

capitão-geral: is de rang van de capitão aan de Minakust, van de governador-geral van Brazilië en van de governador-general van de Estado da India

capitão-mor: bevelhebber van een vloot of eskader

captain: kapitein

caravela (karveel): langwerpig zeilschip van 60 tot 100 ton, met geringe diepgang en een hoog dek, een achterkasteel en twee of drie latijngetuigde masten

Carreira da India: Vaart op Indië

cartaz: door de Portugese factor verstrekt of gefiatteerd vrijgeleide aan hindoekooplieden of aan moslimkooplieden uit plaatsen onder Portugees bestuur of wonende in Cannanore, Cochin of Quilon, om bepaalde goederen te vervoeren naar een bepaalde bestemming

catur: klein roei- en zeilschip

Chaîne annamitique: bergachtig deel van Laos

Cinco Chagas: Vijf Wonden (van Christus)

Colégio da Santa Fé: College van het Heilig Geloof

comptoir: VOC-benaming voor factorij

conde: graaf

Convento de Santa Monica: Klooster van de Heilige Monica

Cortes: weinig frequent door de koning bijeengeroepen volksvertegenwoordiging, bestaande uit afgevaardigden van de adel, de geestelijkheid en de burgerijl

cosses: kleine Birmaanse oorlogsschepen uit de zeventiende eeuw

crown: de in 1526 geïntroduceerde gouden Engelse munt, later een zilverstuk ter waarde van vijf shillings of 60 pennies

Cruzado: oude gouden Portugese munt met een gewicht van 3,58 gram; een gehalte van 23,75 karaat en na 1514 een waarde van 400 reai

Dansk Ostindisk Kompagni: Deense Oost-Indische Compagnie

dorbar: functionaris in Bengalen die verantwoordelijk is voor het bewaken van de openbare orde

duque: hertog

English East India Company: Engelse Oost Indische Compagnie

Estado da India: ‘Staat van Indië”, naam voor het Império Português do Oriente, het geheel van Portugese havens, forten en steunpunten ten oosten van Cabo da Boa Esperança

falconet falcão: Portugees kanon van klein kaliber met lange loop voor ijzeren kogels

faujdar (fordar): titel van moslimheerser

farman: keizerlijk bevelschrift

feitor (factor): beheerder van de koopmansgoederen in een factorij of aan boord van een handelsschip

feitoria: factorij

Feringhis/Firingis: Arabische benaming voor Franken: naam voor Europeanen en dus ook voor Portugezen in Azië

fidalgo: zoon van iemand (filho d’algo), edelman

fidalgos da Casa Real: edelen van het Koninklijk Huis

fortaleza: vesting, kasteel

Fortaleza de Santiago de Sirião: Kasteel van Sint Jacobus van Syriam

fregata (fregat): snel zeilend oorlogsschip met drie masten

frei (broeder): geestelijke

fusta (fust): lang en plat roei- en zeilschip met twee masten

galeão/galeões [galjoen(en)]: Portugees oorlogsschip, veel gebruikt door piraten. Evenals de caravela redonda voorzien van latijn- en rondzeilen, maar met minder diepgang en tonnage (400-600 ton) dan de nau en daarom zeer wendbaar

galei (galé) : ondiep liggend lang en breed roei- en zeilschip voorzien van twee masten met latijnzeilen, gebruikt voor oorlogvoering en handelsvaart

galeota (galjoot): kleine galei (16 tot 20 riemen) en twee masten

godown: opslagplaats (aan de haven)

governador-geral: gouverneur-generaal

grab: Arabisch woord voor vaartuig

História Tragico Maritima: Tragische Maritieme Geschiedenis

jagīr: domein

Jalha/jalea: klein Bengaals oorlogsschip uit de zeventiende eeuw

jonk: Chinees koopvaardij- of oorlogsschip; voor en achter hoogoplopend; met platte boeg; gewoonlijk met drie masten en rechthoekig getuigde zeilen van biezen matten of katoen

kafir: Arabisch woord voor ongelovige

kalpathi: titel van de radja van Cochin

kolathiri: titel van de radja van Cannanore

lascar: inheemse soldaat in Malabar

lascarin: inheemse soldaat in Indië

légua: afstandsmaat waarvan de lengte, afhankelijk van de kroniekschrijver,varieert van 5,93 tot 6,66 km

mahal : paleis

Magh: Arakanees

melique: titel van vorsten in India

mestiço (mesties): afstammeling van een blanke vader en een Indische of Indiaanse moeder

mirza: moslimtitel voor heerser

mulheres de partido: prostituees

naik: in heel India veel voorkomende titel. Ook militaire rang

nau (kraak): ‘groot schip’, groot en breed zeilschip (800-2000 ton) met drie masten; de fokkenmast heeft een latijnzeil, de grote en de bezaansmast hebben dubbele vierkante zeilen; aanvankelijk gebruikt als vrachtvaarder in de Carreira da India, later aangepast tot oorlogsschip

naveta: wierookscheepje

nawwāb: legeraanvoerder

nayak: bestuurder van een beperkt gebied

Nossa Senhora da Assunção: O.L.V. van de Tenhemelopneming

Nossa Senhora da Baluarte: O.L.V. van het Bastion

Nossa Senhora de Belém: O.L.V. van Bethlehem

Nossa Senhora da Conceição: O.L.V van de Onbevlekte Ontvangenis

Nossa Senhora do Bom Despacho: O.L.V. van de Goede Beschikking

Nossa Senhora da Guia: O.L.V. Geleidster

Nossa Senhora da Quietação: O.L.V. van de geruststelling

Nossa Senhora da Rosa e Almas: O.L.V. van de Roos en Zielen

Nossa Senhora do Rosário: O.L.V. van de Rozenkrans

Nossa Senhora da Salvação: O.L.V. van de Verlossing

Nossa Senhora da Saúda: O.L.V. van de Gezondheid

Nossa Senhora da Serra: O.L.V. van het gebergte

Nossa Senhora do Sucesso: O.L.V. van de Goede Afloop

omrah: moslimheer

oyá (Siamees huá): hoofdman: adellijke titel, vergelijkbaar met hertog

padre: pater

Padroado Real: de exclusieve patronage van missieactiviteiten in gebieden die door de Heilige Stoel aan de Kroon van Portugal zijn toebedeeld

pagoda: gouden munt met de beeldenaar van Vishnu, ter waarde van 370 reais

pangéran: Javaanse titel gevoerd door prinsen en edellieden

pardau: gouden munt ter waarde van zes zilveren tangas, circa 360 reais. (Een zilveren pardau weegt 22 gram en heeft gedurende de eerste helft van de zestiende eeuw een waarde van 5 tangas of 300 reais.)

pataca: zilveren munt ter waarde van twee rupees en acht annas

patacho: 1. een soort tweemaster met vierkante zeilen aan de voormast en ‘fore and aft sails on the aftermast’ (jacht); 2. oorlogsschip van 200-400 ton uit de zestiende en zeventiende eeuw met een platte spiegel of vlak achterschip, dat later een meer ronde vorm zal krijgen

pikol: circa 120 pond

pink: platbodemd vissersvaartuig met ronde, brede boeg

porto grande: grote haven

porto pequeno: kleine haven

querena italiana: breeuwen en opkalefateren van een schip waarbij het schip niet in zijn geheel op de wal wordt gehaald, maar waarbij eerst een kant en daarna de andere kant wordt behandeld. Deze goedkope manier van werken leidt vaak tot broddelwerk, waardoor schepen in de problemen komen

quintal: gewichtseenheid van vier arrobas

real: koperen Portugese munt van weinig waarde

recolhimento: geestelijke afzondering

relação: relaas

repartimientos: beschikking over gratis werkkrachten

roteiro: zeilvoorschrift

Santa Casa da Misericórdia: ‘Heilig Huis van Barmhartigheid’, lekenbroederschap gericht op liefdadigheid

Santa Catarina do Ribamar: Heilige Catharina van de Zeekust

Santa Maria, Madre de Deus: Heilige Maria, Moeder van God

São João Baptista: Heilige Johannes de Doper

seraglio: woonruimte van echtgenoten en concubines in Turkse huishoudens (serail)

sjahbandar: havenmeester, houdt toezicht op de koophandel in de haven en int de daarop van toepassing zijnde heffingen

Societas Jesu: orde van de jezuïeten

tanga: zilveren munt van 60 reais, gebruikt in Goa

terranquins: roeischepen gebruikt voor oorlogsvoering in de Perzische Golf

thanadar: machthebber van Noakhali

topasses: dragers van een hoed (topa); gemeenschappen van inheemse christenen aan de Coromandelkust en in Bengalen, waaruit de Portugezen hun vrouwen kiezen

Trindade: Drievuldigheid

urca (hulk): groot en log koopvaardijschip

vice-rei: onderkoning

vliegboot : zeventiende eeuws groot vrachtschip (circa 600 ton) van Hollandse origine, met een hoog achterschip en een grote breedte op het breedste punt. De vliegboot heeft weinig diepgang, een of twee masten en is in het algemeen vierkant getuigd

xerafim: zilveren munt, aangemunt in Voor-Indië, met (gedurende de eerste helft van de zestiende eeuw) een gewicht van 22 gram en een waarde van 300 reais

yard: lengtemaat gelijk aan 0,91 m

zamorin: ‘Heer van de Oceaan’ Hindoevorst van Calicut

Hoofdstuk 1 De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640 1.0. Dom Francisco da Gama, conde de Vidigueira (1622-1627)

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

De overleving van de particuliere Portugese handel. De Portugezen aan de Tamilkust in de Periode 1560-1640

Deel 16 Index

Hoofdstuk 3.

De Portugezen aan de Tamilkust in de Periode 1560-1640

3.4. De overleving van de particuliere Portugese handel

Geschreven door Arnold van Wickeren

Volgens een niet gepubliceerd document in het Arquivo Nacional da Torre do Tombo benoemt koning Filipe I, Koning van Portugal Dom Francisco de Sá tot ouvidor voor de gehele Tamilkust. Deze nieuwe functionaris heeft zowel jurisdictie in burgerlijke als in strafzaken. Hij resideert in Punnaikayal, aangezien deze stad een grote christelijke bevolking, zowel Portugezen als inheemsen, heeft. Het sluitstuk van het gehele juridische systeem in de Estado da India is sedert 1544, evenals in Portugal, de Mesa de Relação (hooggerechtshof) in Goa. De ouvidor-geral en de desembargadores hebben zitting in de Mesa de Relação als vertegenwoordigers van de Kroon. Francisco de Sá is ondergeschikt aan het hooggerechtshof in Goa. Hij is de vertegenwoordiger van de Koning van Portugal die zijn juridische macht in de regio dient uit te oefenen. Het bestuur over Punnaikayal wordt dus rechtstreeks onder de Kroon gebracht. Een en ander gebeurt zonder toestemming van de locale nayaks omdat de Portugese stap niet is gebaseerd op territoriale, maar op sociale controle.

Nadat de Hollanders in Azië zijn gearriveerd en de Portugese aanwezigheid daar door hen wordt betwist, is er sprake van toenemend geweld en ongeregeldheden in de Portugese vestigingen. De benoeming van een nieuwe capitão gaat gepaard met het plegen van misdrijven. Een mestiço, een familielid van Francisco de Freitas, steekt zijn landgenoot Simão de Brito neer. Hij wordt onmiddellijk opgesloten in een kerk Later, wanneer de gekwetste persoon in São Tomé is gestorven, wordt een onderzoek ingesteld. Het onderzoeksrapport wijst de mestiço als schuldige aan en hij wordt gestraft. Hetzelfde overkomt Lopo Álvares de Moura, een rijke koopman die in 1594 de vrouw van een andere cassado heeft gekidnapt; hij wordt schuldig bevonden en eveneens gestraft. Het strafrecht blijkt dus redelijk effectief te werken.

Binnen de Portugese gemeenschap van São Tomé de Meliapor zijn verschillende facties en dit leidt tot conflicten, gewelddaden en onrust. Op18 februari 1595 geeft de capitão van de stad een proclamatie uit. Daarin gelast hij een einde te maken aan de gevechten tussen de burgers van de stad. Op 6 januari 1602 worden preventieve stappen ondernomen om het nog steeds doorgaande geweld door strijd tussen de facties te stoppen, door de arrestatie van criminele elementen. Desondanks blijven zich nog lang van tijd tot tijd schermutselingen in de stad voordoen. Dit blijkt uit de brief die Frei M. Roiz s.j op 3 september 1606 schrijft aan zijn generaal-overste in Rome. Hij laat weten dat de Portugezen al meer dan twee of drie jaren onderling ruziemaken en vechten. In een andere brief wordt opgemerkt dat zich tussen de casados in São Tomé de Meliapor veel gevechten tussen facties voordoen. De interne gevechten zijn van tijd tot tijd zo intensief dat zij de dimensies van een burgeroorlog aannemen. Voor het probleem van de tegenstellingen tussen de facties bestaat geen oplossing, omdat noch de rechter, noch de capitão beschikken over een politiemacht om de schuldigen te arresteren en te bestraffen. Op alle vrijdagen gedurende de vastentijd keren de priesters zich in hun preken tegen geweld en haat en sporen iedereen aan vredelievend te zijn.

Er worden vaak altijd klachten geuit over het gebrek aan rechtshandhaving (falta justica) in de Estado da India. Teneinde de situatie te verbeteren en de misdadigers te straffen. Benoemt de Koning van Portugal afzonderlijke ouvidores voor de steden Tuticorin, São Tomé en Nagapattinam. Het is de plicht van de rechters gerechtigheid te doen geschieden in alle voorkomende burgerlijke en strafzaken. Het ambt van ouvidor is zeer lucratief. Uit de tekst van een in oktober 1596 in Goa geschreven brief, blijkt dat de ouvidor zeer grote macht heeft. In de brief lezen we: “Als Simon een juridische opleiding heeft, denk ik dat je er goed aan zou doen voor hem een aanstelling te vragen als rechter of procureur des konings, want het gaat toch om jouw zoon, die zij zulk een baan niet kunnen weigeren. en deze mannen zijn hier koningen.”

Van de benoeming van een bisschop van São Tomé de Meliapor wordt verwacht dat dit een keer ten goede zal brengen in de sociale omgeving van de stad. De situatie verbetert echter maar weinig. In 1613 schrijft vice-rei Dom Jerónymo de Azevedo (1612-1617) aan koning Dom Filipe I dat er onder de Portugezen in de Estado da India een groot gebrek aan discipline heerst; zij verdringen zich om de opbrengsten van de handel. In São Tomé wonen zulke mensen, die het gewend zijn zonder beperkingen te leven. Moraliteit, waarheid en gerechtigheid hebben geen betekenis en de Portugezen zetten hun voor christenen onbetamelijke leven voort. De onderkoning klaagt dat de onrust en verdeeldheid tussen de fidalgos en de andere inwoners van São Tomé er de oorzaak van zijn dat de invloed van de Hollanders in Pulicat zozeer is toegenomen. In 1615 opperen de missionarissen in São Tomé de idee dat het nuttig zou zijn in de stad een garnizoen te legeren onder bevel van een capitão. Deze zou daarbij geholpen door zijn soldaten een einde kunnen maken aan de wetsovertredingen waaraan veel inwoners zich schuldig maken. De maatregel is ook nuttig om de groeiende invloed van de Hollanders, die steeds vaker naar Coromandel komen, het hoofd te bieden. De Conselho da Fazenda in Goa besluit in 1616 tot de bouw van een gefortificeerde militaire gevangenis in São Tomé. De Conselho da Fazenda voteert ook gelden voor de betaling van een officier die leiding geeft aan de bouw van de gevangenis. Tenslotte gaat de raad ook akkoord met een garnizoen, onder capitão Francisco de Oliveira als commandant, tegen een jaarsalaris van 10.000 reais, naast de gebruikelijke extra verdiensten en toelagen

De Portugese bewoners van Nagapattinam hebben gedurende de zestiende eeuw een vreedzamer bestaan, door het ontbreken van onrust en elkaar bestrijdende facties. Evenwel vanaf 1601 nemen ook in Nagapattinam de wanordelijkheden toe en de Koning van Portugal geeft opdracht de belhamels daarvoor te straffen. Vice-rei Aires de Saldanha verzoekt de rechter misdadigers zware straffen op te leggen en actie te ondernemen om met kracht de openbare orde in de stad te handhaven. Aangezien de Koning van Portugal vele klachten ontvangt over de capitães van de Portugese vestigingen, vooral over São Tomé, zendt hij een gedetailleerde questionnaire naar de Capitão van São Tomé, die hij dient te beantwoorden. De vragenlijst vraagt naar details over de handel in artikelen waarnaar grote vraag is in Portugal en ook naar het salaris en de particuliere inkomsten van de ambtenaren om hun actuele positie vast te stellen.

Ondanks de officiële Luso-Hollandse rivaliteit, wijdverspreid wanbestuur en geweld in de Portugese vestigingen, weet een groot aantal casados te overleven als scheepseigenaren, financiers, groot- en kleinhandelaren. Zij hebben niet alleen grote invloed in het gebied van de Golf van Bengalen, maar zij zoeken ook vaak samenwerking met Engelsen, Hollanders en Denen, ondanks dat zij hun politieke tegenstanders en potentiële rivalen in de Oriënt zijn. De commerciële invloed die de Portugese particuliere handelaren in de Golf van Bengalen uitoefenden heeft – zoals Jeyaseela laat weten – Sanjay Subrahmayam doen concluderen dat de Portugese invloed niet slechts beperkt was tot die gebieden die vielen binnen de territoriale jurisdictie van de Estado da India, maar dat deze zich uitstrekten over alle havens in Azië. Jeyaseela vervolgt zijn betoog: ”De idee van een handelsdiaspora is het eerst geïntroduceerd door Abner Cohen, is vervolgens uitgewerkt in de geschriften van Philip Curtin. Ook Fernand Braudel heeft zich in zijn studies ingelaten met dit gezichtspunt. Een onderzoek naar de betrekkelijk open handelsactiviteiten van de wisselende groepen Portugezen kan ons de idee van de handelsdiaspora in het gebied van de Golf van Bengalen en de reden voor de val van de officiële Portugese handel gedurende deze periode, helpen begrijpen. K.N. Chaudhuri heeft echter historici gewaarschuwd het denkbeeld van de handelsdiaspora als een analytisch instrument te gebruiken.” Gezegd kan worden dat het fenomeen van migratie van Portugese particuliere handelaren van de ene culturele zone naar de andere een belangrijk kenmerk is van de snelle expansie van de Portugese zeehandel. Daarnaast manifesteert zich de aanwezigheid van de Portugese diaspora in het groeiende economische formaat van Portugal als regionale dominante economische macht. De Portugese handelaren hebben hun eigen gemeenschappelijke identiteit met hun superieure religie, taal en hun westerse levensstijl. Vandaar dat de Portugezen in de handelszone van de Golf van Bengalen vallen binnen de omschrijving van een diaspora. Laat ons zien – schrijft Jeyaseela – hoe de Portugese handelaren in het begin van de zestiende eeuw te voorschijn komen als een diaspora en hoe zij doorgaan dit te blijven nadat de Portugese vestigingen in 1662 in handen van de Hollanders zijn gevallen.

Al in 1513 heeft Afonso de Albuquerque, de tweede capitão-geral van de Estado da India, laten weten dat de Portugezen vrij mogen handeldrijven in geheel Indië, zowel te land als ter zee en zij allen hielden zich bezig met het verkopen en kopen van handelswaren. Binnen Voor-Indië is de Tamilkust aan de Golf van Bengalen de favoriete streek voor particuliere handel door de Portugezen als zij in nauw contact staan met locale handelaren, in het bijzonder de mudaliars, de chettis en in zekere zin de marakkayars die zeer nuttig blijken te zijn als handelsagenten, makelaars en zelfs transporteurs. Veel van deze Portugese handelaren vinden de locale condities zeer aantrekkelijk, zodat zij, evenals de marakkayars inheemse vrouwen huwen en zich aan de Tamilkust vestigden. De casados komen naar voren als invloedrijke handelaren die nauwe betrekkingen onderhouden met inheemse kooplieden. Deze casados kunnen gemakkelijk geld lenen van de chettis in Coromandel. Zo leent bijvoorbeeld de handelaar Diogo Nuniz van twee chetti-handelaren respectievelijk 1.000 en 700 cruzados. Deze praktijk van het lenen van geld van inheemse kooplieden verdwijnt als zij zelf rijk genoeg zijn om schepen of kleine zeewaardige vaartuigen te bezitten. De zaken van Portugese particuliere handelaren kunnen door de handel floreren, dankzij de goede relaties met de inheemse kooplieden in Coromandel. De handelsactiviteiten van deze casados leveren de koninklijke schatkist weinig profijt op. Volgens een bepaald rapport dragen particuliere handelaren, zoals Gaspar Preto, Pedro Álvares de Mezquito, João Gomez, Álvaro de Castanheda, Lopo Correia, Matheus de Cunha, Symão de Cunha, Tristão Rodriguez en Pedro Álvarez de Setubal niet veel bij aan het inkomen van de Kroon. Veel van de Portugese handelaren die zich gevestigd hebben aan de Coromandelkust schijnen zich nimmer iets gelegen te hebben laten liggen aan de Koning van Portugal. Zij zijn er temeer tuk op samen te werken met inheemse handelaren om hun eigen belangen te dienen. Er worden daarom pogingen ondernomen om deze particuliere Portugese handelaren onder controle van de Estado da India brengen. Daarom wordt er in verschillende havens aan de Coromandelkust een capitão geplaatst. In het jaar 1537 zendt een aantal van deze particuliere Portugese handelaren een petitie aan de Koning van Portugal, waarin zij de vorst vragen een van hen, op permanente basis als capitão aan te stellen, die – zo schrijven zij – meer geschikt zal zijn hun belangen te bevorderen. De commerciële rivaliteit tussen de Portugezen en de Hollanders is in de zeventiende eeuw aan de Tamilkust bitter vergeleken met de rivaliteit tussen de Portugese en de moslimhandelaren in de zestiende eeuw. De Luso-Hollandse strijd tast de handel van beide partijen in de regio aan en plaveit de weg voor het verval van de Portugezen. Hoewel de particuliere Portugese handelaren er aan de Tamelkust in slagen te overleven bijna tot aan het midden van de achttiende eeuw. We zullen zien hoe de Portugezen hun particuliere handel voortzetten bij verandering van de omstandigheden.

De Hollanders arriveren in februari 1605 in Masulipatnam en zij verwerven van de sultan van Golkonda het recht in de haven handel te drijven. In 1613 vraagt Pieter Floris, de vertegenwoordiger van de Hollandse kooplieden, aan Ahmadu Khan, Masulipatnams havaldar, bij herhaling of zijn mensen zich in de stad mogen vestigen. Als een antwoord uitblijft, gijzelt Flores de zoon van Busbali Rao, Ahmadu Khans handelspartner en co-havaldar, Venkatadra geheten. In 1622 weten de Hollanders zich opnieuw het ongenoegen van de havaldar op de hals te halen. Deze, Mir Kassim geheten, bekleedt deze functie pas een jaar. De Hollanders nemen een Portugees schip, de Nossa Senhora da Bom Viagem, dat de haven van Masulipatnam is ingevlucht en bescherming heeft gevraagd aan de havaldar. Deze zegt de Portugezen bescherming toe en is furieus dat zijn orders in de wind zijn geslagen. De Hollanders, die inmiddels een factorij in Masulipatnam bezitten, brengen al hu bezittingen aan boord van hun schepen. De havaldar slaat het beleg voor de factorij en stopt de aanvoer van water en voedsel. De sultan van Golkonda geeft de Hollanders bevel het schip aan de Portugezen terug te geven, maar de zaak wordt uiteindelijk als volgt geregeld. De Portugese bemanning wordt vrijgelaten en de Hollanders betalen de sultan 5.000 pagodas, zijnde zijn aandeel in de buit. De problemen tussen de Hollanders en het bestuur van Masulipatnam slepen zich voort tot in 1623. Abraham van Uffelen, de factor van Masulipatnam en de chef over de operaties aan de Coromandelkust, is een aanmatigende man die zich arrogant gedraagt in zijn onderhandelingen met het stadsbestuur. Kennelijk is hij van oordeel – laat Sinnappah Arasaratnam weten (pag. 41) – dat de Hollandse belangen het beste verzekerd worden met agressie. Hij slaat de koninklijke bevelen in de wind, legt de wet naar eigen goeddunken uit, verscheept tabak, hoewel daarop een koninklijk monopolie rust en doet alles om zich gehaat te maken. De regering van Golkonda slaat terug met een verrassingsaanval op de Hollandse factorij in november 1623, neemt Abraham van Uffelen en zijn assistent gevangen, tezamen met drie inheemsen en zendt hen geketend naar Golkonda. Zij worden spoedig daarna vrijgelaten tegen betaling van 16.000 pagodas. Van Uffelen sterft spoedig daarna aan de verwondingen die hij bij het incident heeft opgelopen.

Op 26 april 1606 komen de Hollanders naar Pulicat en pogen van Jaggaradja, de locale heerser, toestemming te krijgen daar hun handelspost te vestigen. Als de onderhandelingen daarover stranden, veronderstellen de Hollanders dat de Portugezen een geheim verdrag hebben gesloten met de inheemse heerser. Geërgerd door deze terugslag, steken de Hollanders twee Portugese schepen in de haven van SãoTomé in brand. Later vestigen de Hollanders een factorij in Nizampatnam, aan de monding van de Krishna-rivier. De Europese aanwezigheid in Masulipatnam neemt in de loop van de zeventiende eeuw enorm toe. Het zijn vooral ongebonden vrije handelaren die zich in de stad vestigen. Veelal gaat het om Engelse kooplieden, maar ook om Portugezen, Armeniërs en joden die de stad Masulipatnam tot hun woonplaats maken. In 1625 vragen de Denen verlof een factorij in de stad te vestigen. Zij drijven handel in nauwe samenwerking met inheemse handelaren, die hun goederen transporteren naar Zuidoost-Azië. Zij hebben geregelde handelscontacten met Macassar, vanwaar zij kruidnagelen, muscaatnoten en sandelhout importeren voor de markt in Golkonda. In 1627 is sprake van een conflict tussen de Denen en hun Aziatische partners. De Denen blokkeren de haven van Masulipatnam en nemen een schip van de sultan van Golkonda. In de jaren twintig en dertig floreert de handel in Masulipatnam. Volgens Hollandse bronnen verlaten in 1628 in de maand september, een populaire maand om uit te zeilen, tien schepen Masulipatnam: twee gaan naar Pegu, drie naar Tenasserim, twee naar Arakan, twee naar Atjeh en een naar de Malediven.

De Hollanders trachten zich in 1610 opnieuw in Pulicat te vestigen en deze keer slagen zij erin hiervoor verlof te verwerven van Venkata II, Koning van Vijayanagar. In een poging de Hollanders uit Pulicat te verdrijven, zendt de aartsbisschop van Goa, Dom Frei Aleixo de Menezes, suo moto een gezant met een paard als gift voor koning Venkata II. In zijn brief van 10 december 1607, gericht aan de inmiddels tot gouverneur-generaal geroepen aartsbisschop, dringt de Koning van Portugal erop aan de beste betrekkingen met de heerser van Vijayanagar te onderhouden en daarbij de verdrijving van de Hollanders uit Pulicat te bewerkstelligen. Ruy Lourenço de Tavora, de gouverneur-generaal van de Estado da India (1609-1612) zendt Manual de Frias in 1610 erop uit om de Hollandse vestiging in Pulicat aan te vallen als de Hollanders beginnen de Portugese textielhandel te belemmeren. Volgens Ernst van Veen ontvangen de Hollanders die zich bij Pulicat gevestigd hebben in 1610 verlof hun factorij uit te bouwen tot een fort1 De aanval wordt vooralsnog uitgesteld. De commerciële rivaliteit tussen de twee Europese mogendheden wordt echter zo hevig dat de Portugezen in São Tomé op 9 juni 1612 besluiten Pulicat aan te vallen. Vice-rei Dom Jerónymo de Azevedo, of wellicht nog zijn voorganger, zendt een schip van Cochin naar São Tomé de Meliapor, om de Portugese aanvalsmacht op Pulicat te versterken. Het wordt toegevoegd aan de vloot bestaande uit schepen uit Nagapattinam en São Tomé de Meliapor, die in open zee slag met de Hollanders zullen leveren. De gecombineerde Portugese strijdkrachten van de westkust en van de oostkust van Voor-Indië vallen op 12 juni 1612 de gefortificeerde Hollandse factorij in Pulicat aan en plunderen haar. De aanvallers verwoesten de factorij en doden drie van haar employees. Anderen worden gevangengenomen, onder wie de Hollandse factor. Zij worden overgebracht naar São Tomé. Ook een deel van de handelswaren van de VOC vindt zijn weg naar São Tomé. De verwoesting van de Hollandse fortificaties in Pulicat tast het Hollandse prestige, in de ogen van locale sultans, in aanzienlijke mate aan2.

Uit de correspondentie die over de zaak gewisseld is tussen São Tomé de Meliapor en Lissabon blijkt dat de activiteiten van de Capitão van São Tomé het hof niet erg welgevallig zijn. Uit een van zijn in 1612 geschreven brieven, schrijft de Koning van Portugal aan zijn capitão-geral in Goa dat de Capitão van São Tomé de Meliapor de koninklijke orders niet heeft gehoorzaamd en zich gedragen heeft als een rebel. Op bevel van de capitão-geral neemt de bisschop van Meliapor de functie van capitão op zich en er wordt een onderzoek ingesteld naar de ongehoorzaamheid van zijn voorganger. In 1613 worden vanaf de westkust escorteringsvaartuigen naar Kanyakumari gezonden om cafilas in de Golf van Bengalen te beschermen en de zekerheid voor handelsvaartuigen aan de Tamilkust te waarborgen. Gouverneur-generaal Ruy Lourenço de Tavora benoemt in 1610 een Capitão voor São Tomé de Meliapor, om met de Hollanders in Pulicat te onderhandelen. Hij treedt in de plaats van zijn recalcitrante voorganger. Het wordt hem ook toegestaan er een afdeling soldaten op na te houden. De Portugese casados in de stad São Tomé zijn, evenwel, zeer gefrustreerd over de stand van zaken en zij verlangen dat Manuel de Frias gekozen wordt tot capitão van de stad. Ongeveer 1.500 tot 2.000 soldaten worden in in Coromandel gestationeerd om de dreiging van Hollandse aanvallen op Nagapattinam en São Tomé het hoofd te bieden.

De Hollanders beseffen dat zij in Pulicat een fort dienen te bouwen om de veiligheid van hun handelsactiviteiten te beschermen. In een poging de gunst en de steun te verwerven van de heerser van Vijayanagar in Vellore, geven zij de vorst kostbare geschenken en bijgevolg ontvangen zij op 12 december 1612 verlof een fort in Pulicat te bouwen. De Hollanders beginnen met de bouw van een fort, dat zij Casteel Geldria noemen. Nadat zij Pulicat versterkt hebben, slaan de Hollanders in 1613 het beleg voor São Tomé de Meliapor, uit wraak voor de eerdere verwoesting van hun factorij in Pulicat. De Nayak van Thanjavur komt de Portugezen te hulp als de Hollanders São Tomé aanvallen. Na São Tomé te hebben geplunderd keren de Hollanders terug naar Pulicat. In 1615 valt de beslissing Casteel Gelria te versterken, na het bezoek van een visitator-generaal, die naar Indië is gezonden om het gebrekkige bestuur van de VOC in Atjeh en Coromandel te onderzoeken. Danvers3 maakt melding van een aanval van inheemsen op São Tomé in 1615; zij bouwen er een fort, dat zij bewapenen en waarin zij een garnizoen van 600 man legeren. Zij hebben ook veel soldaten buiten de stad, die zij vanaf een pagode met kanonnen beschieten. Capitão Manuel de Frias belegert het garnizoen in het fort, dat door gebrek aan water al snel moet capituleren. Frias vindt in het fort, naast ander geschut, een enorm kanon dat kogels van 23 kilogram kan afschieten. In 1616 stelt de Engelse reiziger William Methwold vast dat de Hollanders zich als slechte buren gedragen tegenover de Portugese vestiging in São Tomé de Meliapor. Op 27 januari 1616 belegeren zij opnieuw São Tomé, maar zij keren zonder resultaat te hebben geboekt terug naar Pulicat. De Portugezen vallen in 1617 de Hollanders in Pulicat aan en deze keer steken zij twee schepen in brand van marakkayars, die de Hollanders bij hun handel helpen. De Koning van Portugal wenst de groeiende Hollandse commerciële activiteit aan de kust van Coromandel een halt toe te roepen en voor dit doel wordt een vloot uitgerust met fondsen verkregen uit de opbrengsten van de Kroon. De Luso-Hollandse rivaliteit om Pulicat wordt voortgezet tot 1619.

De inwoners van São Tomé de Meliapor zijn door bepaalde geschillen zo verdeeld geraakt, dat zij veten uitvechten door middel van duels, waarbij velen worden gedood. Vice-rei Dom Jerónymo de Azevedo, heeft ondertussen in juli 1616 Rui Dias de Sampaio benoemd tot capitão van de stad. Hij is met zeven vaartuigen en 250 soldaten in São Tomé aangekomen en herstelt snel de orde in de stad. De onderkoning zendt ook Pedro Gomes de Sousa met zes schepen naar São Tomé om de kust van Carriero te zuiveren. Pedro Gomes overvalt de stad Montepoli, waar hij grote verwoestingen aanricht en een aantal vrouwen en kinderen gevangenneemt, naast veel buit. Als Pedro Gomes terugkeert naar de kust, ontmoet hij een oude moor, die erover klaagt dat Cotamuza, de Koning van Golkonda, hem groot onrecht heeft aangedaan en hij zegt niet alleen te willen overgaan tot het christendom, maar biedt Pedro Gomes ook aan hem te laten zien hoe gemakkelijk het fort in Carriero genomen kan worden. Hoewel Pedro Gomes wordt gewaarschuwd dat de oude moor wel eens niet te vertrouwen is, accepteert hij zijn aanbod en gaat, vergezeld van een kleine strijdmacht, met hem mee om bezit te nemen van het fort. Als zij het fort tot op een légua zijn genaderd, wordt de kleine strijdmacht overvallen door 600 moren, die in hinderlaag hebben gelegen. Pedro Gomes en al zijn kapiteins, op een na, vinden de dood, tezamen met 130 soldaten; 25 Portugezen worden gevangengenomen en slechts 30 weten te ontkomen door te vluchten. Joseph Pereira de Sampaio brengt deze mannen en de schepen terug naar São Tomé. De moren zenden de gevangengenomen Portugezen naar de Koning van Golkonda, die erg ontstemd is dat zij zijn gebied op vijandige wijze zijn binnengevallen, terwijl er onderhandelingen werden gevoerd over het aangaan van een vriendschappelijke bondgenootschap. Maar nadat de Portugezen de koning hebben verzekerd dat zij geheel op eigen initiatief hebben gehandeld en dat hun regering daartoe geen opdracht heeft gegeven, laat hij de gevangenen vrij, op de enige conditie dat zij die zijn gevangengenomen in Montepoli ook naar hun woningen zullen worden teruggestuurd. Ook Rui Dias de Sampaio voert talrijke overvallen uit op de kust, waarbij inheemsen bij verrassing worden gevangengenomen. Na korte tijd wordt ook over hem gerapporteerd dat hij ongehoorzaam is geweest aan koninklijke orders en hij heeft zelfs op 20 februari 1619 zijn eigen schepen naar Pegu gezonden, terwijl in die tijd reizen naar Pegu en Ava verboden zijn, wegens de oorlog tussen de twee koningen van deze plaatsen. Zelf wanneer de kooplieden van São Tomé erover klagen dat de Hollanders hun reizen naar Malacca verstoren, onderneemt capitão Rui Dias de Sampaio hiertegen niets. Hij stelt vooral belang in Portugese schepen die naar Pegu zeilen, omdat deze handel zijn eigen particuliere inkomen verhoogt. Na afloop van zijn ambtstermijn in 1621 benoemt capitão-geral Fernão de Albuquerque tot Capitão van Meliapor António Manuel. Zijn voorganger betert zijn leven niet, Rui Dias de Sampaio onderneemt zelfs reizen naar Pegu (op 26 februari 1624) zonder daarvoor permissie te hebben ontvangen van vice-rei Dom Francisco da Gama, conde de Vidigueira (1622-1627). Er zijn voorts berichten dat hij ook illegale handel heeft bedreven met Pegu en met vele andere delen van Azië, tot aan zijn overlijden in 1629.

Maar ook zijn opvolger, António Manuel, blijkt corrupt te zijn, wat blijkt uit de brief die Frei Dom Luís de Brito, bisschop van Meliapor, schrijft aan koning Filipe III van Portugal (1621-1640). In zijn brief, gedateerd 2 januari 1622, schrijft hij: “Uwe Majesteit wordt armzalig gediend in de Estado da India, en niet in de laatste plaats als het gaat om oorlogszaken.” António Manuels daden als Capitão van São Tomé berokkenen de inkomsten van de Kroon veel schade. Hij blijkt ook voor eigen rekening te handelen in specerijen en maakt daarmee grote winsten. Er zij ook aan herinnerd dat António Manuel een slecht bestuurder is geweest. Ofschoon Goa schepen en soldaten naar Meliapor zendt om tegen de Hollanders te vechten, doet de capitão in deze niets. Aan de andere kant koopt hij een schip van de koning waarvan de waarde veel te laag is getaxeerd, wat verlies voor de koninklijke schatkist betekent en voordeel voor António Manuel. Hij ontvangt van de onderkoning in Goa een verlofbrief voor het maken van een reis naar Malacca, welke reis hem 7.000 cruzados winst oplevert. António Manuel exporteert textiel met een waarde van 4.000 cruzados, waarvan de helft in naam van de bisschop Frei Dom Luís de Brito. Al deze stiekeme praktijken van de capitão vergroten de schulden van de koninklijke schatkist in plaats van dat het de Kroon winst oplevert. Later koopt hij twee schepen aan, ofschoon hij wordt verondersteld zich niet met zulke transacties in te laten. Desondanks slaagt hij erin ieder van beide schepen te kopen voor 90 xerafins en hij ontvangt keurige certificaten uitgegeven door de escrivão van de haven. Bij een bezoek aan Goa rapporteert hij de autoriteiten dat alles in São Tomé op rolletjes loopt. In werkelijkheid zijn er grote spanningen in de stad door de Hollandse aanwezigheid en de grote verstoringen van de Portugese handel die daarvan het gevolg is. Zijn misdrijven worden zo onverdraaglijk dat bisschop Frei Dom Luís de Brito genoodzaakt is schriftelijk te vragen een onderzoek te doen instellen naar de misdaden van de capitão. De bisschop van Meliapor wordt verzocht António Manuel, voordat zijn ambtstermijn erop zit, af te zetten en in januari 1624 zelf de capitania Meliapor te gaan besturen. António Manuel wacht het onderzoek niet af. In augustus 1623 tracht hij te ontsnappen om aan een onderzoek te ontkomen. Zijn poging faalt, omdat het schip, waarop hij zich heeft ingescheept, ontploft.In het jaar daarop worden juridische stappen tegen hem ondernomen. De familieleden van António Manuel zijn zo verstandig te verhuizen naar Pulicat om bij de Hollanders hun fondsen te investeren. Na de dood van António Manuel worden zijn zonen en dochters op 16 februari 1625 onder voogdij geplaatst, maar de oneerlijk verkregen rijkdom kan niet worden toegewezen aan de Estado da India. Jeyaseela noemt dit “tekenend voor de groeiende rivaliteit tussen de monarchie en de adel of misschien de nieuwe klasse van rijke handelsfamilies.”

De fidalgo António Coelho wordt in 1621 aangewezen als Capitão van São Tomé en hij wordt belast met de verantwoordelijkheid de Hollanders uit Pulicat te verdrijven, Dit blijkt uit de brief gedateerd 24 februari 1621, waarin wordt gevraagd om een grote vloot om de groeiende Hollandse invloed in Coromandel tegen te gaan. Uit de brief blijkt ook hoe agressief de Hollanders zijn en voorts wordt er in de brief over geklaagd dat de Hollanders zich te buiten gaan aan intriges om het zaad van verraad tegen de Portugezen te zaaien in de harten van de locale heersers, alsmede in die van hindoe- en moslimhandelaren. De Hollanders vallen in augustus 1623 São Tomé aan. Een aantal Portugese soldaten wordt uit Cochin overgeplaatst naar Coromandel, om dienst te doen op de schepen die de Hollanders bestrijden. De laatsten veroveren evenwel São Tomé in augustus 1623, hetgeen mogelijk is omdat er geen sprake is van doeltreffend bestuur, laat staan en een doeltreffende verdediging in de chaotische stad. De Portugezen zijn genoodzaakt een fidalgo te benoemen om de Portugese inwoners van de stad weer in het gareel te krijgen. Hierna is het snel afgelopen met de Hollandse troepen in de stad, die op 23 september 1623 door de Portugezen wordt heroverd.

In 1625 wordt een nieuwe capitão benoemd voor São Tomé, Diogo de Mello de Castro. Om in 1627 de Hollanders in Pulicat te kunnen aanvallen mobiliseert hij een contingent van 200 soldaten en enkele schepen in Meliapor. Het benodigde bedrag wordt afgenomen van de gelden die op 4 april 1627 uit Portugal in Goa zijn ontvangen voor de opbouw van een vloot in Coromandel. De gemobiliseerde strijdmacht blijkt niet in staat om het hoofd te bieden aan de aanvallen van de Hollanders. In een brief die de vice-rei in 1628 aan Dom Filipe III, Koning van Portugal, schrijft wordt opgemerkt dat de vloot naar São Tomé de Meliapor is gezonden om tegen de Hollanders te vechten. De onderkoning verklaart voorts dat hij 20.000 pagodas, wat overeenkomt mat 60.000 xerafins, heeft uitgegeven om de Hollandse vestiging in Pulicat te veroveren. Hij vraagt de koning om toestemming om voor dit doel nog een 12.000 pagodas te mogen uitgeven. Voorts worden op 9 maart 1629 in Goa gelden gevoteerd voor de betaling van de salarissen voor de Portugese strijdkrachten en bijkomende uitgaven in Coromandel. Bijgevolg ontvangt Diogo de Mello de Castro, de Capitão van São Tomé, op 20 maart 1629 12.000 pagodas voor de bestrijding van de uitgaven voor de aanval op Casteel Geldria in Pulicat. De jaarlijkse brief van de jezuïeten in 1630 meldt dat de Hollanders hun aanvallen op de Portugezen in São Tomé meedogenloos voortzetten. Zij vallen een schip aan en brengen het tot zinken. Zij gaan ook door met het belemmeren van de handel van de Portugese vestiging van São Tomé. De Conselho do Estado da India in Goa besluit daarom in zijn vergadering van 11 augustus 1630 vier galjoenen naar Meliapor te zenden. Op 11 februari 1632 volgt Domingos da Câmara zijn voorganger Diogo de Mello de Castro op als Capitão van São Tomé. Ofschoon verschillende capitães zijn benoemd die allen de opdracht hadden ontvangen de Hollanders uit Pulicat te verdrijven, is geen van hen daarin geslaagd. De omvang van hun handelsactiviteiten neemt echter gestaag toe. In de brieven die de bisschop van Meliapor op 23 juni en 29 juli 1634 schrijft aan vice-rei Dom Miguel de Noronha, conde de Linhares, geeft hij schattingen van de zaken van de Hollanders in hun fort in Pulicat, die hij vergelijkt met de handel van de Portugezen. Daar de Portugezen grote behoefte hebben aan hulp van de Koning van Vijayanagar om de Hollanders uit Pulicat te verdrijven, benaderen zij Venkata III (1630-1641). Zij zenden in 1633 Frei Aleixo Mexia s.j. uit São Tomé naar de Koning van Vijayanagar. Hij bepleit bij de vorst namens de Portugese Capitão van São Tomé het Hollandse fort in Pulicat terug(sic) te geven aan de Portugezen. Als capitão Domingos da Câmara van Frei Aleixo Mexia verneemt dat koning Venkata de Portugezen goed gezind is, zendt hij de Koning van Vijayanagar rijke geschenken. Vervolgens ondertekenen de Portugese vice-rei, de conde de Linhares (1629-1635) en Venkata III, de Koning van Vijayanagar, een verdrag om de Hollanders te verdrijven. De koning verzekert de Portugezen te helpen door troepen te mobiliseren en de Hollandse vestiging in Pulicat van de landzijde aan te vallen, terwijl de Portugezen de aanval vanaf de zeezijde zullen lanceren. De Portugezen beloven op hun beurt de Koning van Vijayanagar 30.000 xerafins, twaalf paarden en zes olifanten te betalen voor de door de koning aangeboden hulp. De Portugezen zenden een vloot van twaalf schepen naar São Tomé, waar ook de noodzakelijke ammunitie en de toegezegde paarden en olifanten worden ontvangen. Er is afgesproken dat de aanval op de Hollanders op 17 maart 1635 zal worden ingezet. De leden van de Senado do Câmara van Nagapattinam hebben opdracht van de graaf van Linhares op 17 maart aan boord van de vloot te gaan om de aanval op Pulicat mee te maken. De Koning van Vijayanagar komt zijn afspraak Pulicat van de landzijde aan te vallen niet na. Terwijl de Portugezen er keer op keer niet in zijn geslaagd de Hollanders uit Pulicat te verdrijven, zijn de laatsten goed op de hoogte van de situatie bij de Portugezen in São Tomé, omdat Hollandse kooplieden daar vrijelijk mogen handeldrijven. Dit is ook nog de situatie in 1640 het einde van de in dit deel te bespreken tijdvak.

1 Zie Decay or Defeat? pag. 184

2 Zie Decay or Defeat? pag. 184

3 Zie pag. 173 van deel II

3.5 Aanvullende opmerkingen over Portugese vestigingen Devanampattinam, Nagapattinam en São Tomé de Meliapor en over de missieactiviteiten in deze steden

Categorieën
Britse kolonialisme Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

De val van Ormoez. Overige verwikkelingen in de Estado da India

Deel 16 Index

Hoofdstuk 2.

Overige verwikkelingen in de Estado da India

2.4 De val van Ormoez

Geschreven door Arnold van Wickeren

Sjah Abbas zoekt al jaren naar een gunstige gelegenheid om de Portugezen uit de Perzische Golf te verdrijven, maar dit kan niet worden gerealiseerd zonder de medewerking van de marine van een buitenlandse mogendheid en zonder dat er vrede heerst met de Turken. Wachtend op het geschikte moment om openlijk tegen hen op te treden, ontvangt de gouverneur van Shiraz opdracht zo nu en dan kleine schermutselingen met de Portugezen uit te lokken. De gouverneur aarzelt niet de opdracht van zijn meester uit te voeren en in 1602 verovert hij op de Portugezen Bahrein en al-Qatif, aan de overkant van de Perzische Golf. De gouverneur bedreigt ook de Portugese forten aan de kust van Moghistan, waaronder dat van Bandal.1. De militaire dreiging van het hof van Isfahan verontrust de Portugese capitão van Ormoez, die daarover aan koning Philips III (Filipe II) rapporteert. Deze zendt in antwoord op de klacht opnieuw António de Gouvea naar Perzië. Hij heeft een brief van Philips III bij zich. Hierin wordt gevraagd om teruggave van de bezette plaatsen en wordt de sjah gefeliciteerd met zijn op de Ottomanen behaalde overwinningen.2In 1614 veroveren de Perzen de Portugese forten in Moghistan, onder meer het fort van Gombrūn, waar de karavanen gevormd worden die met handelswaren uit Indië naar het binnenland van Perzië vertrekken. Aangemoedigd door dit succes verdrijven de Perzen de Portugezen ook uit Sohar en Corfaçao (Khor Fakkan), maar dit succes is van korte duur, omdat de capitão van de twee forten in Muscat, Ruy Freyre de Andrade, zowel Sohar als Khor Fakkan herovert. Sohar wordt in 1616 door de Portugezen bezet en wordt een van de belangrijkste feitoria in Oman.3

Aan het einde van het jaar 1614 belegert d’Emancoulibey, de opperbevelhebber van de gouverneur van Shiraz het eiland Kishm. Met behulp van, uit Engelse oorlogsschepen uitgeladen, zwaar geschut, wordt het Portugese fort bestookt. Nadat het garnizoen is gaan muiten, is Ruy Freyre de Andrade tenslotte gedwongen zich over te geven. De Portugezen worden met Engelse schepen naar Ormoez gebracht, nadat zij de gevangengenomen Arabieren hebben onthoofd, afgezien van de 15 of 20 die door Engelse matrozen zijn gered.. De val van het eiland Kishm alarmeert de Portugezen in Ormoez, Zij bieden sjah Abbas vrede aan, maar hij heeft daar geen oren naar. Cambar Beque, de khan van Lara, claimt van Ormoez achterstallige afdracht van belastingen, maar In werkelijkheid is de betaling hiervan opgeschort vanaf het moment dat Afonso de Albuquerque in 1514 Ormoez heeft bezet. Sjah Abbas voert de druk op Ormoez op; hij bemoeilijkt de handel van de stad aanzienlijk en hij neemt diverse Portugese koopvaarders in beslag. Er ontstaan met Perzië ook geschillen over de handel in zijde en de Portugezen weigeren de claims over dit onderwerp te erkennen. De sjah sluit een overeenkomst over de handel in zijde met de Engelse koning, James I. Begin november 1613 waarschuwt koning Philips III (Filipe II) de Portugese autoriteiten in Indië dat Robert Sherley in Engeland onderhandeld heeft over schepen voor een aanval op Ormoez en dat hij uit Europa is vertrokken, voorzien van een machtiging een verdrag over de handel in zijde met sjah Abbas aan te gaan. De Spaanse koning staat erop dat Ormoez tegen de Engelsen wordt gefortificeerd en hij verzoekt alles in het werk te stellen om de Engelse ambassadeur naar de sjah van Perzië in handen te krijgen. Iedere inspanning in die richting faalt evenwel, ofschoon de officier die met deze taak is belast, Dom Luíz da Gama, een zeer intelligent man is. Robert Sherley slaagt erin aan hem te ontsnappen en naar Perzië te reizen.

In 1614 pogen de factors van de Engelse East India Compagny in Surat de handel te openen met Perzië, nadat de Engelsen van Grootmogol Jahangir (1605-1627) toestemming hebben gekregen met zijn onderdanen handel te drijven. Het plan voor de handel met Perzië is afkomstig van Richard Steele, die naar Aleppo is gereisd om een schuld te innen van een koopman in die stad. Deze is naar Indië gevlucht en Richard Steele is hem dwars door Perzië gevolgd en is tenslotte in Surat aangekomen. In het rapport dat hij uitbrengt aan de factors ter plaatse, maakt hij melding van de grote voordelen die verwacht mogen worden van de handel met Perzië. Zij zijn het met hem eens en zenden hem en een zekere Crowther, een van de bedienden van de Compagny, naar Perzië, om de praktische uitvoerbaarheid van de plannen te onderzoeken. Zij dienen ook na te gaan welke uitvoerhavens bruikbaar zijn. Om hun uitgaven te kunnen betalen, worden zij voorzien van kredietbrieven op Sir Robert Sherley, die in Isfahan is gevestigd en wiens goede relatie met sjah Abbas voor het welslagen van het plan van Steele van groot nut zijn. De Engelse missie naar Isfahan, die ook waardevolle adviezen ontvangt van Sir Thomas Roe, de Engelse ambassadeur aan het hof van de Grootmogol, heeft ook brieven bij zich voor sjah Abbas en voor de gouverneurs van de provincies die zij moeten passeren. Richard Steele beschrijft de stad Jask, op 90 mijl van Ormoez, als een geschikte haven, vanwaar de handelsgoederen dwars door Perzië naar Aleppo en vervolgens naar Engeland vervoerd kunnen worden. Het plan wordt van harte aanbevolen aan de bewindslieden van de Compagny. In het volgende jaar zendt het Engelse agentschap in Surat een vaartuig met goederen naar Jask, waar de expeditie goed wordt ontvangen en zij een licentie ontvangt om de goederen aan land te brengen. Twee factors worden achtergelaten in Moghistan, terwijl Thomas Barker en Edward Connock, die de leiding hebben van de expeditie, doorreizen naar Isfahan. Bij aankomst van de Engelse karavaan in Isfahan, verzoeken de Engelse agenten de sjah dringend verlof een factorij te stichten in Gombrūn (Bandar Abbas), welke haven acht dagen reizen dichter bij Isfahan ligt dan Jask. Zij openen daar in 1613 een factorij. In 1617 schrijft de agent van de Engelse East India Compagny, in Isfahan, Connock, naar Engeland dat Jask een zeer geschikte plaats is voor het bouwen van een fort in Perzië en hij voegt eraan toe dat hij verwacht daar gemakkelijk toestemming voor te krijgen. Later, op 4 augustus van dat jaar, ontvangt sjah Abbas agent Connock in audiëntie, tijdens welke hij om wijn vraagt en hij drinkt op de gezondheid van de Koning van Engeland, die hij zijn oudere broer noemt. De sjah zegt ook dat hij diens vriendschap hogelijk waardeert en dat hij de Engelsen Jask, of iedere andere haven die zij zouden wensen, wil geven. Dit wordt gezegd in aanwezigheid van de Spaanse gezant, voor wie de vorst nog nooit een goed woord heeft overgehad. Het nieuws over de audiëntie wordt overgebracht naar Goa en Lissabon. Er worden opdrachten verstrekt dat tot iedere prijs dient te worden voorkomen dat de Engelsen gaan handeldrijven met Perzië. En om deze instructies kracht bij te zetten, wordt Ruy Freyre de Andrade met een vloot van vijf galjoenen naar Ormoez gezonden. Hij komt daar begin juni 1620 aan. Ondertussen is Mr. Connock als agent in Isfahan opgevolgd door Mr. Barker en de laatste heeft in 1618 drie firmaunds ontvangen en deze worden gevolgd door een verdrag, waarbij de Engelsen aanzienlijke handelsfaciliteiten in Perzië worden gegeven. Het volgende jaar leveren de agenten in Isfahan bij sjah Abbas een brief af van koning James I en suggereert de sjah zijn plan Ormoez op de Portugezen te heroveren.

Omdat de druk van Hollanders, Engelsen en Perzen op de Estado da India voortdurend toeneemt, heeft Lissabon besloten sterke vloten naar Indië te zenden. Als alle schepen Goa veilig zouden hebben bereikt, dan zouden de Portugezen – aldus Boxer – de bedreigingen met kans op succes het hoofd hebben kunnen bieden. Tegen het voorjaar van 1620 vertrekken acht schepen uit Lissabon. Eerst twee grote en logge urcas (hulken), de São João Baptista en de São João Evangelista, alsmede twee oorlogsschepen met platte spiegels, pataxos (pinassen): de Nossa Senhora da Conceição en de Nossa Senhora de Nazare; later gevolgd door vier grote naus (kraken): de Nossa Senhora do Paraíso, de Nossa Senhora da Conceição, de Nossa Senhora da Penha de Franca en de Santo Amaro. Kapitein Dom Francisco Lobo moet met zijn nau Nossa Senhora da Conceição naar Lissabon terugkeren. Van de overige zeven schepen komen er slechts drie: Nossa Senhora de Nazare, São João Baptista en Nossa Senhora da Penha de Franca in 1620 in Goa aan en de Nossa Senhora do Paraíso bereikt, na een reis vol pech, eerst in 1622 Goa. De overige drie schepen lijden schipbreuk; de pataxo Nossa Senhora da Conceição bij Malacca, de São Evangelista bij de Rio Luabo aan de kust van Oost-Afrika en de Santo Amaro bij Mombaça. Nog voor de omvang van de rampen, die de vloot van 1620 hebben getroffen, de autoriteiten in Lissabon volledig bekend is, zeilt de nieuwe vice-rei, Dom Afonso de Noronha, in het voorjaar van 1621, met een uitzonderlijk sterke vloot, uit. Zijn vloot bestaat uit vier naus: Nossa Senhora da Conceição, São Tomé, São Carlos en São José en zes galeãos (galjoenen): Trinidade, Misericordia, São Salvador, Santo André, São Simão en São João. De galjoenen zijn nauwelijks uitgevaren, als zij door een zware storm zo beschadigd worden dat zij moeten terugkeren, met uitzondering van de São João, die veilig in Goa aankomt. De naus bereiken de kust van Guinée en keren vandaar wegens windstilte terug. Dit is de eerste maal dat een nieuw benoemde capitão-geral van de Estado da India en dan nog wel een vice-rei, Goa niet weet te bereiken.

Sjah Abbas wendt zich na zijn verovering van Kishm direct tot de East India Compagny en vraagt de compagnie haar zeemacht bij de hervatting van de oorlog tegen de Portugezen in te zetten. Op zijn verzoek wordt 16 november gunstig beslist, tijdens een vergadering in Soualy, vlak bij Surat, onder voorzitterschap van Thomas Rostell. Er wordt besloten dat vijf grote oorlogsschepen en vier pinassen zich naar de Perzische Golf zullen begeven, om zich meester te maken van alle schepen die afhankelijk zijn van de Portugezen of van hun bondgenoot, de zamorin van Calicut, hun lading zal worden geconfisqueerd, hun bemanningen zullen worden gevangengenomen en het eskader van admiraal Ruy Freyre de Andrade zal worden aangevallen, zodra het is ontdekt. Van zijn kant geeft de sjah opdracht aan de gouverneur van de Fārs, Allāh Verdy Khān, en aan zijn zoon, Imam Qoly Khan, met hun troepen op mars te gaan. Als de Engelse schepen zijn aangekomen, begeven zij zich naar de kust. Vervolgens haasten zich functionarissen naar de Engelse commandanten, om hun hulp tegen de Portugezen in te roepen. Er wordt op 21 december aan boord van de Jona Whol4 opnieuw krijgsraad belegd, om de condities vast te leggen waaronder de Compagny steun zal verlenen. Bepaald wordt dat als het Portugese fort van Ormoez veroverd wordt, dit door de Engelsen zal worden bezet en dat de Perzen op hun kosten een ander fort bouwen. De geheven douanerechten zullen gelijk verdeeld worden en op Engelse goederen zullen geen rechten worden geheven. Gevangengenomen christenen komen aan de Engelsen en moslims worden aan de Perzen overgedragen. De Perzen dragen voor de helft bij in de kosten van het Engelse garnizoen in Ormoez. Dit geldt zowel voor de voeding, als voor de soldij en de vervanging van materiaal. Zij moeten bovendien voorzien in kruit en projectielen. Allāh Verdy Khān en zijn zoon komen op 8 januari 1622 aan in Mina, aan de kust van de Perzische Golf. Zij beginnen direct onderhandelingen met de Engelsen, met het doel een verdrag aan te gaan. Uiteindelijk wordt men het erover eens dat het kasteel van Ormoez zal worden bezet door Engelsen en Perzen tezamen, tot aan een definitief besluit van sjah Abbas en op goederen geleverd door de sjah en de gouverneur van Fārs zullen geen rechten geheven worden. Wat de behandeling van gevangenen aangaat, wordt een uitzondering gemaakt voor Ruy Freyre de Andrade, admiraal van de Portugese vloot, en voor Simão de Mila, gouverneur van Ormoez. Van krijgsgevangenen zal niet worden verlangd dat zij van geloof veranderen en de uitgaven gedaan voor kruit en projectielen, worden gelijk gedeeld. Zodra partijen het eens zijn gaan zij tot de aanval over.

Voordat aandacht besteed wordt aan de val van Ormoez, bezien we de vorderingen van de Engelsen in Perzië. In november 1620 zijn twee schepen van de East India Compagny, de Hart en de Eagle van Surat naar Jask gevaren, maar bij hun poging de haven binnen te varen, vinden zij deze geblokkeerd door de Portugese vloot van Ruy Freyre. Omdat deze superieur is aan de twee Engelse schepen, zijn de laatste verplicht terug te keren naar Surat. Daar voegen zich de London en de Roebuck bij de Hart en de Eagle en gezamenlijk keren de vier Engelse schepen terug naar Jask waarop 17 december 1620 een onbeslist gevecht plaatsvindt met de vloot van Ruy Freyre. De Portugezen, evenwel, geven toe en staan de Engelse schepen toe de haven van Jask binnen te varen en zelf trekken zij zich terug naar Ormoez om de opgelopen schade te doen herstellen. Kort daarna keren zij terug naar de rede van Jask om het gevecht te hervatten. Bij dit treffen wordt kapitein Andrew Shilling, die het bevel voert over de Engelse schepen, geveld door een schot in zijn schouder, tengevolge waarvan hij op 6 januari 1621 overlijdt. Op 28 december vindt er weer een zeeslag plaats en wordt de vloot van Ruy Freyre verslagen. Het succes van de Engelsen bij hun acties tegen de Portugese vloot doet hun prestige enorm stijgen en vergemakkelijkt de aankopen van Perzische zijde door hun factors. Mister Monnox heeft in die tijd een karavaan met honderden balen zijde van Isfahan naar Jask gezonden. De karavaan wordt in Moghistan tot stoppen gedwongen door Imam Qōli Khan, gouverneur van Shiraz. Hij beoogt hiermee niet de handel van de Engelsen te stoppen, maar hen te dwingen de Perzen te helpen tegen de Portugezen. Als in december 1621 opnieuw Engelse schepen in Jask arriveren, weigert de khan hen toe te staan de schepen te laden, tenzij zij er van tevoren mee instemmen de Perzen te helpen de Portugese agressie terug te dringen. Uiteindelijk zijn zij verplicht met deze voorwaarde in te stemmen. In overeenstemming met deze afspraak vertrekt een Engelse vloot, die bestaat uit vijf schepen en vier pinassen, onder bevel van de kapiteins Blithe en Weddel uit Surat, om de Portugese vloot in de Perzische Golf te ontmoeten. Ondertussen bereiden de Perzen een aan val op Ormoez met landstrijdkrachten voor.

De Arabieren, die de zijde van de Perzen kiezen, slagen erin de forten te Julfar en Dola op de Portugezen te veroveren. Omdat dit de bronnen zijn waaruit de Portugezen in hoofdzaak hun watervoorraden betrekken, Hierdoor geraakt het Portugese garnizoen in Ormoez al direct in de problemen. Ruy Freyre de Andrade verdeelt zijn vloot in tweeën; enige van zijn schepen laat hij in Ormoez en de andere neemt hij mee naar Kishm, op welk eiland hij een nieuw fort bouwt. Nadat dit werk op 8 mei 1621 is voltooid, zendt Ruy de Freire schepen uit om de nabijgelegen vijandelijke Perzische kust af te stropen; naast het vernietigen van 400 zeilen, steekt hij de steden Boami, Camir, Congua, Astan en Doçar in brand, terwijl hij in Niquilay vier schepen en meer dan 80 lange barken neemt of vernietigt. De Engelse vloot komt op 22 januari 1622 bij Ormoez aan en gaat die nacht tegenover de stad voor anker, op ongeveer twee léguas van het Forte Nossa Senhora da Conceição, in afwachting van de Portugese vloot, die bestaat uit vijf galjoenen en twintig fregatten en die de uitnodiging voor het aangaan van een gevecht aanvaardt. De schepen blijven echter vlak bij het fort liggen. De volgende dag, vernemen de Engelsen dat capitão-mór Ruy Freyre de Andrade, met de rest van zijn schepen, zich bij zijn nieuwe fort op het eiland Kishm bevindt. De Engelse vloot zeilt naar Kishm en weet het fort in korte tijd tot overgave te dwingen. Het schijnt dat Kishm al een aanval van het Perzische leger te verduren heeft gehad en dat zij het fort al behoorlijk in het nauw gedreven hebben en dat het garnizoen zich niet lang meer kan verdedigen. De Engelsen bieden Ruy Freyre eervolle voorwaarde voor overgave, maar hij weigert dit. Hij schijnt te hebben verwacht dat ’s nachts Portugese schepen zouden arriveren, om hem naar Ormoez te brengen en hij ontmantelt het fort. Nadat hij in zijn verwachting is teleurgesteld, stelt hij zijn mannen voor, het fort in brand te steken en een eervolle dood in het veld te vinden. Zijn mannen aanvaarden dit voorstel niet; zij voelen er niets voor hun leven voor een verloren zaak te geven. Zij beginnen te deserteren door van de muren van het fort in zee te springen om hun leven te redden. Verdere weerstand is onder deze omstandigheden zinloos, na een aantal vergaderingen en onderhandelingen geeft Ruy Freyre de Andrade zich op 1 februari 1622 over aan de Engelsen. Hij wordt als gevangene naar Surat overgebracht aan boord van de Lion. Hij weet echter ‘s nachts, met drie van zijn kameraden, te ontsnappen in een skiff, terwijl de Lion op de rede van Surat voor anker ligt. Nadat hij een schip heeft bemachtigd, keert hij terug naar Ormoez, om te ervaren dat de stad al gevallen is. Daarna zeilt hij door naar Muscat dat nog in Portugese handen is.

Nadat de Perzen op 20 januari 1622 de haven van Gombrūn en met behulp van 12 Engelse kanonnen, daarna ook het Portugese fort ter plaatse hebben veroverd, brengen Engelse schepen op 9 februari 3.000 Perzische soldaten naar het eiland Ormoez over. Bij een eerste aanval op de stad verliezen de Perzen 300 man, maar zij krijgen op 24 februari nieuwe moed, als de Engelsen de Portugese loopgraven binnendringen en de São Pedro, van 1.500 ton in brand schieten. Omdat de Portugese vloot niet over de middelen beschikt zich tegenover de Engelse vloot te weren, kappen de Portugezen de ankerkabel van de São Pedro. Telkens als de Perzen een nieuwe aanval lanceren doet het Portugese garnizoen een uitval en drijft de Perzen terug. Op 14 maart arriveert een vaartuig met moren die de zijde van de Portugezen gekozen hebben. Zij worden ontdekt en willen zich terugtrekken, maar krijgen van de generaal van het Perzische leger de verzekering dat hen niets zal overkomen, maar na de capitulatie van de Portugezen onthoofden de Perzen 24 van hen en zij voeren de overigen als slaven weg. Op 17 maart willen de aanvallers een doorbraak forceren; zij slaan met een mijn een bres in de stadsmuur en dringen in grote aantallen de stad binnen, maar zij stuiten op zulke Portugese tegenstand, dat zij zich moeten terugtrekken. Gedurende het beleg overlijdt de capitão van het fort. Hij wordt opgevolgd door Simão de Mello die voor een onmogelijke opgave staat. Zijn garnizoen wordt niet alleen verzwakt doordat manschappen sneuvelen, maar ook door de pest en de honger en het is daarom niet meer in staat krachtige uitvallen te doen. Simão de Mello begint met de Perzen te onderhandelen over vrede, echter zonder effect, want de strijd wordt voortgezet en de Perzen slaan met hun mijnen steeds grotere gaten in de stadsmuur. Luíz de Brito de Vasconcellos, die zich in het fort bevindt, is een van degenen die Ormoez wil opgeven en zo hun levens te sparen, Hij wordt aan een touw van de muur neergelaten om de Engelse captain te bereiken. Hij komt met de captain de voorwaarden, waarop de Portugezen zich zullen overgeven, overeen en hij keert terug naar de stad, om deze in werking te stellen. Simão de Mello wendt voor tegen overgave te zijn, waarop de soldaten beginnen te muiten (waarvan men gelooft dat deze bewust is uitgelokt door Simão de Mello) Hierop stemt Simão de Mello met capitulatie in. De stad wordt bijgevolg op 22 mei overhandigd aan de Engelsen en de gehele Portugese bevolking, bestaande uit 2.000 mensen van beide seksen en alle leeftijden, worden overgebracht naar Muscat, waarbij zij alle kostbaarheden in handen van de vijand moeten laten.

Het verlies van de rijke handelsstad Ormoez, met zijn Portugese douanekantoor, is vanzelfsprekend een ramp voor de Portugezen. Er volgt een rechtszaak, waarin verschillende officieren die bij het verlies van Ormoez betrokken zijn geweest, zich moeten verantwoorden. Rui de Freire de Andrade wordt verschoond van alle blaam, wat voornamelijk een gevolg zou zijn van zijn verdiensten geleverd in de Perzische Golf, waar zijn naam zeer gevreesd is bij de Arabieren. Dom Gonsalvo da Sylveira, capitão-mór van de galeien, wordt aangewreven dat hij de vijand niet bevochten heeft en geweigerd heeft zijn kapiteins te helpen; een van hen was Luíz de Brito de Vasconcellos die, na een proces dat enige maanden heeft geduurd, is veroordeeld tot acht jaar verblijf in Trincomalee op Sri Lanka, maar in 1643 is dat vonnis vernietigd. Simão de Mello, de capitão van het fort, wordt echter ter dood veroordeeld, maar als hij is ontsnapt naar het land van de moren, wordt het vonnis uitgevoerd door zijn beeltenis te vernietigen.

Overigens is het verlies van Ormoez voor de Portugezen geen aanleiding de strijd tegen de Perzen op te geven.

Op 23 juni 1622 voeren twee Hollandse schepen een aanval uit op Macau; zij beschieten niet alleen de stad, maar voeren ook een landing uit met de bedoeling Macau op de Portugezen te veroveren. De 800 Hollandse musketiers, ondersteund door Japanse soldaten. worden met grote verliezen verdreven door Lopo Sarmento de Carvalho, zoals zal blijken uit een uitvoerige bespreking van de gebeurtenissen in een volgend deel. In het jaar 1622 komt er ook een einde aan het gouverneurschap van Fernão de Albuquerque

1 Marco Ramerini situeert fort Bandal, dat volgens Bayani gebouwd is door de Perzen (pag. 76) in Bandar Abbas of in Bandar-e Kong.

2 In de Brief, gedateerd, Madrid, 17 januari 1607, die koning Philips III aan zijn ambassadeur Gouveau voor de “Hoogverheven en zeer machtige vorst Sjah Abbas, Koning van Perzië, onze zeer goede vriend, meegeeft, afficheert hij zichzelf als “Ik Dom Philippe, door de Gratie Gods Koning van de Spanjes en van de Oost en West Indiën en van de Eilanden en Provinciën van de Oceaan, Koning van Napels, Sicilië en Jerusalem, van de Algarven aan deze en gene zijde van de Zee van Afrika, Aartshertog van Oostenrijk en Hertog van Milaan

3 De Portugezen betrekken koper uit de nabijgelegen gebieden. Sohar blijft tot 1643 of 1645 in Portugese handen, als Imam Nassir ibn Murshid hen uiteindelijk verdrijft.

4 Deze merkwaardige naam noemt Bayani

Hoofdstuk 3. De Portugezen aan de Tamilkust in de periode 1560-1640 3.0 . De parelvisserij aan de Costa da Pescaria

Categorieën
Britse kolonialisme Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

Expedities van de East India Compagny naar Azië. Overige verwikkelingen in de Estado da India

Deel 16 Index

Hoofdstuk 2.

Overige verwikkelingen in de Estado da India

2.0. Expedities van de East India Compagny naar Azië

Geschreven door Arnold van Wickeren

Zoals Willem Barentsz en Jacob van Heemkerck in de jaren negentig van de zestiende eeuw vergeefs getracht hebben de zogenaamde noordoostpassage naar Oost-Indië te ontdekken, zo heeft John Davis al in de jaren 1585, 1586 en 1587 vergeefs de noordwestpassage pogen te vinden. De vernietiging van de invincible armada in 1588 door Sir Francis Drake heeft het zoeken naar de noordwestpassage overbodig gemaakt, omdat de route langs de Kaap voor Engelse schepen minder gevaarlijk is geworden dan zij voorheen was. Engelse schepen behoeven Spaanse en Portugese schepen niet meer te vrezen, nadat Engeland de Iberische vloten voor lange tijd heeft weggevaagd. Het land kan nu veilig gebruikmaken van de route rond Kaap de Goede Hoop, om de in Indië verworven rijkdommen te vervoeren1. Een tweede voorwaarde voor Engelse deelname aan de oosterse handel is de oprichting van de English East India Compagny (EIC), ook wel John Compagny genoemd. Deze vindt plaats bij Koninklijk Besluit van koningin Elizabeth op 31 december 1600. De EIC wordt opgericht als “The Governor and Compagny of Merchants of London Trading into the East Indies, door een verzameling ondernemende en invloedrijke zakenlieden. Zij verkrijgen een exclusieve volmacht voor de handel op Oost-Indië voor een periode van vijftien jaar. De Compagnie heeft bij de aanvang 125 aandeelhouders en een kapitaal van 72.000 Engelse ponden.

In deel XV2 is melding gemaakt van de eerste reis van de EIC, bestaande uit de schepen Ascension (260 ton), Hector (800 ton) Susan (240 ton) en Red Dragon (600-900 ton), benevens een jacht. Met deze vloot zijn admiraal James Lancaster en vice-admiraal Henry Middleton tegen eind april 1601 uit van Torbay vertrokken. Aan boord van het vlaggenschip Red Dragon bevindt zich een oude bekende in de persoon van John Davis, die zo naarstig heeft gezocht naar de noordwestpassage en die in 1598 als opperpiloot van Cornelis de Houtman met de Leeuw en de Leeuwin naar Atjeh is vertrokken en daar – zoals in deel XV is vermeld3 – tenauwernood is ontkomen aan gevangenschap. James Lancaster, is ook aangewezen als gezant van koningin Elizabeth naar diverse Oosterse heersers. Toen hij op 11 september 1603 in Engeland was teruggekeerd, blijkt het resultaat van Lancasters experimentele tocht zo succesrijk te zijn, dat er direct voorbereidingen worden getroffen voor een tweede reis. Aldus gaan de Engelsen een competitie aan met de Portugezen en de Hollanders om hun aandeel in de Oosterse handel te verwerven.

Aan het einde van het jaar 1604 verschijnt de tweede EIC- expeditie in Oost-Aziê. Zij wordt geleid door Henry Middleton. Hij is 25 maart 1604 uit Gravesend vertrokken met dezelf schepen (Red Dragon, Hector, Ascension en Susan) als waarmee hij in 1600, als tweede man onder James Lancaster, is uitgevaren. De vloot zeilt op 2 april langs Lizard Point (Cornwall) ankert op 24 april bij het eiland Maio, waar de expeditie een (koop)man, verspeelt aan de inheemsen. Op 17 juli wordt het anker uitgeworpen in de Saldanhabaai. Tijdens de vijf weken die de expeditie daar verblijft, herstellen 60 zeelieden die leden aan scheurbuik, maar de schipper van de Hector tevens de vice-generaal, mister Cole, verdrinkt in deze baai, die op 20 augustus wordt verlaten. Op 23 december 1604 arriveert Henry Middleton met zijn schepen op de rede van Bantam, met door de reis verzwakte en zieke bemanningen. Daar liggen zes Hollandse schepen en vier pinassen. Na vele begroetingen en het uitwiselen van nieuwtjes, dineert de Hollandse bevelhebber op oudejaarsavond met generaal Middleton. De volgende morgen, Nieuwjaarsdag 1605, gaat Middleton aan land met een brief en geschenken van koning James I, aan de Koning van Bantam, een jongen van dertien jaar. Op 18 januari 1605 vertrekt Middleton met de Red Dragon en de Ascension naar de Molukken. De beide andere schepen, de Hector en de Susan, zullen half februari, geladen met peper, van Bantam naar Engeland vertrekken. Bij Ambon aangekomen, waarvan het kasteel in Hollandse handen is, weigeren de bewoners, op hun bevel, de Engelsen kruidnagelen te verkopen. Middleton vervolgt met de Red Dragon zijn weg naar de Molukken, maar kapitein Colthurst zeilt met de Ascension naar Banda. Op 7 februari gooit Middleton het anker uit aan de kust van Veranula. De bewoners van dit eiland haten de Portugezen zozeer dat zij de Hollanders hulp hebben gevraagd om hen te verdrijven.

In die tijd voeren Ternate en Tidore oorlog met elkaar, waarbij Ternate wordt gesteund door de Hollanders en Tidore door de Portugezen. Bij de kust van Tidore komen twee coracora’s van Ternate op de Engelse schepen af. Zij worden achtervolgd door zeven coracora’s van Tidore. In een van de twee vluchtende coracora’s blijkt zich de sultan van Ternate met verschillende edelen en drie Hollandse kooplui te bevinden, die zeer bevreesd zijn voor de Tidorezen en die smeken hen te beschermen tegen hun vijanden, die geen genade met hun zullen hebben. Zij vragen ook de andere coracora, waarin zich ook Hollandse kooplieden bevinden, bescherming te bieden. Terwijl zijn boordschutter opdracht geeft op de Tidorezen te schieten, krijgen deze de tweede Ternataanse coracora te pakken. Zij jagen alle inzittenden over de kling, afgezien van drie man die tijdig overboord zijn gesprongen, naar de Red Dragon zijn gezwommen en door de Engelsen worden gered. De nauwelijks aan de dood ontsnapte sultan van Ternate wordt aan boord van de Red Dragon genomen. Middleton, die denkt dat de sultan het koud heeft, hangt hem een toga van zwart damast, gevoerd met ongeschoren fluweel en dichtgeregen met een gouden koord, om de schouders. Bij zijn vertrek behoudt de sultan het kostbare gewaad. Aangezien Middleton op weg is naar Tidore, smeken de Hollandse kooplieden hem de sultan niet in handen te laten vallen van zijn vijanden, waarvoor zij hem bergen kruidnagelen en andere zaken van Ternate beloven. Als Middleton bij Tidore aankomt, zendt de Portugese capitão een afgezant, Tomé de Torres, naar hem toe met een brief, waarin hij schrijft dat de sultan van Ternate en de Hollanders hen belasteren. Middleton wordt gevraagd geen geloof te hechten aan hun beschuldigingen. Als Middleton na zijn bezoek aan Tidore voor Ternate aankomt, zendt hij een gezant aan boord van het schip van de Hollandse admiraal. Deze ontvangt mister Grave zeer koel en verwijt hem dat de Engelsen met de Portugezen hebben samengespannen tegen de sultan van Ternate, maar als hem duidelijk wordt dat zijn beschuldiging onjuist is, geeft hij te kennen vals te zijn ingelicht door een overgelopen Gujarati. Als de sultan van Ternate lijkt bereid te zijn zaken met Middleton te doen en hem toe te staan een factorij op Ternate te stichten, dreigen de Hollanders, die de Engelsen uitmaken voor dieven en rovers, hem in de steek te laten en de zijde van Tidore te kiezen. Er ontstaat een fikse ruzie tussen Hollanders en Engelsen. De Hollanders geven – volgens Engelse bronnen te kennen dat “de Koning van Holland, zoals zij hun stadhouder noemen, op zee machtiger is dan alle andere christelijke machten, waarmee alle naties rekening hebben te houden.” Van Engelse zijde wordt hierop geantwoord dat als koningin Elizabeth de Hollanders niet bij hun opstand tegen Spanje zou hebben geholpen, zij – gebrandmerkt als rebellen en verraders – nog steeds slaven van Spanje zouden zijn geweest. Zij zouden boeken kunnen volschrijven over al het onrecht dat zij onze natie hebben aangedaan.”

Het onbevredigende bezoek van Henry Middleton aan de Molukken heeft tot gevolg dat de sultans van Ternate en van Tidore een brief schrijven aan de Koning van Engeland. De eerste herinnert koning James I (1603-1625) eraan dat hij Sir Francis Drake voor koningin Elizabeth een ring heeft gegeven. Hij beklaagt zich erover dat de Hollanders hebben verhinderd dat hij Henry Middleton een factorij heeft laten stichten; hij verontschuldigt zich hiervoor en hij belooft in het vervolg Engelse schepen beter te zullen ontvangen. De sultan van Tidore vraagt medelijden met hem te hebben en niet toe te staan dat zijn land wordt onderdrukt door Ternate en de Hollanders. De sultan verzoekt koning James hem hulp te zenden, onder commando van kapitein Henry Middleton of zijn broer David.

Terwijl Henry Middleton zich op Ternate en Tidore bevindt, ankert kapitein Colthurst op 20 februari bij Banda Neira. Hij blijft daar 22 weken, in welke tijd 11 man sterven, en is 16 augustus terug voor Bantam, waar het schip tot 6 oktober blijft. Op die datum vertrekken de Red Dragon en de Ascension tezamen naar Engeland. De schepen verliezen elkaar onderweg uit het oog, maar als de Ascension op 27 december in de Saldanhabaai aankomt, blijken daar de Red Dragon en de Hector te liggen. De Red Dragon heeft de Hector zeven dagen eerder dicht bij Kaap de Goede Hoop aangetroffen met nog slechts tien overlevenden aan boord. De rest van de bemanning, 53 man in totaal, is overleden sedert de Hector negen maanden geleden uit Bantam is vertrokken. Drie maanden na zijn vertrek uit Bantam, heeft dit schip het contact verloren met de Susan, van welk schip nooit meer iets is vernomen. Henry Middleton vertrekt op 16 januari 1606 met zijn drie schepen uit de Saldanha-baai naar Engeland. Op 1 februari zien de Engelsen Sint Helena, waar geankerd wordt en op 6 mei 1606 zijn de schepen terug bij Downs, waar zij acht dagen moeten wachten op een gunstige wind.

Kapitein Wiliam Hawkins, die de volgende reis van de English East India Compagny (EIC) naar Azië leidt, arriveert op 24 augustus 1608 met zijn schip Hector in de haven van Surat in Gujarat. In Surat, waar de Portugezen zeer veel invloed hebben, wordt alles verhandeld, van pauwenveren tot witte olifanten, van graan tot opium, van palmbladeren tot goud. Hawkins heeft 25.000 goudstukken bij zich voor de aankoop van kleding, die in Bantam tegen peper geruild moet worden. Hij heeft eveneens een brief bij zich van koning James I voor de Mogolkeizer Jahangir (1605-1627). Hawkins wordt eerst genegeerd en vervolgens beledigd; hij onderhandelt twee jaren vruchteloos over de stichting van een factorij en moet dan erkennen dat Engeland geen goederen kan leveren waarnaar in India vraag is. Hawkins wordt beroofd door de Portugezen en door de onderkoning van Gujarat, Mubroc Khan. Zij trachten hem ook meerdere keren te vermoorden. Op 1 februari 1609 weet de gezant aan zijn moordenaars te ontkomen door zich, beschermd door een escorte van Pathanen, op weg te begeven naar het hof in Agra, waar hij op 16 april veilig aankomt. Ofschoon Hawkins keizer Jahangir geen passend geschenk kan aanbieden, maakt hij een heel goede indruk op hem, die wordt nog versterkt doordat hij goed ï eten blijkt te spreken en bereid blijkt dagelijkse met de vorst van zijn wijn te genieten. Door Jahangir onder druk gezet aan zijn hof te blijven, wordt Hawkins aangesteld tot kapitein over 400 ruiters. Om hem tegen vergiftiging te beschermen, huwelijkt Jahangir zijn gewaardeerde gast uit aan een Armeens meisje van christelijke huize die, geholpen door haar slavinnen, zijn maaltijden bereidt. Hawkins neemt, gekleed als een moslimedelman, zijn plaats in temidden van de edelen aan het hof. Ondanls zijn hoge aanzien, slaagt hij er niet in handelsprivileges te verkrijgen. Zijn falen wordt mede toegeschreven aan de invloed van de Portugese jezuïeten aan het hof van de Mogolkeizer. Hawkins vertrekt tenslotte op 2 november 1611 uit Agra en 11 februari uit Surat, aan boord van een schip van Sir Henry Middleton. Zijn vrouw blijft, onder dwang van haar familie, in India achter. Vanuit Bantam keert Hawkins tenslotte naar Engeland terug, maar hij overlijdt voor hij daar aankomt. De ervaringen van Hawkins in Surat zijn te vergelijken met die van de Hollanders daar. Twee kooplieden van de VOC die in 1604 in Surat zijn achtergelaten zijn totaal genegeerd en zij hebben, om in leven te blijven, hun handelskapitaaltje moeten ‘opeten’. In 1606 arriveren weer VOC-kooplieden en wel drie, van wie er twee korte tijd later overlijden en de derde, David van Deijnsen, het leven zo zuur wordt gemaakt dat hij zich in 1607 een kogel door het hoofd schiet, nadat Nuño Botilho uit Goa de Mogol-gouverneur van Surat tegen hem heeft opgestookt. De Portugese invloed aan de Golf van Cambay is in die tijd zo sterk dat zij Engelse en Hollandse penetratie effectief weet te verhinderen.

De grote invloed die de Portugese jezuïeten op de Mogolkeizer van Hindoestan, Jahangir, hebben en de bijgevolg sterke positie, die de Portugezen aan de Golf van Cambay innemen, blijkt ook uit de ervaringen van de Engelsman Paul Canning, die in 1612 aan het hof van Jahangir in Agra verschijnt, met de bedoeling een Engelse handelspost in Surat te openen. Hij wordt eerst goed ontvangen, maar als de jezuïeten keizer Jahangir vertellen dat Canning geen gezant van de Koning van Engeland, maar een koopman is, wordt hij volkomen genegeerd en binnen de kortste keren is hij weer vertrokken. Hij zal in 1614 in Surat sterven.

Op 26 september 1611 werpt Henry Middleton, die de zesde reis van de English East India Compagny leidt, zijn anker uit voor de haven van Surat, maar hij wordt zo nauw bewaakt door de Portugese vloot, dat hij niet in staat is contact op te nemen met de wallekant en zijn schepen, de Trades Increase, de Darling en de Peppercorn en mogelijk nog een of meer andere schepen, kunnen noch brieven, noch voorraden ontvangen. Middleton heeft stricte orders ontvangen geen geweld tegen de Portugezen te gebruiken, tenzij dezen hem aanvallen en tot dat moment heeft zich nog geen botsing tussen de twee naties in Azië voorgedaan. Aangemoedigd door deze straffeloosheid, dringen de Portugese fregatten dicht naar de Engelse schepen op en zij houden ‘s nachts zorgvuldig de wacht tegen iedere poging de kleinere schepen te verrassen. Tenslotte zendt Middleton een inheemse boot met een brief naar de capitão-mór van de Portugese vloot. De brief bevat een waarschuwing tegen het verbreken van de vrede tussen hun respectieve vorsten en verklaart de redenen van de Engelse aanwezigheid voor Surat. De Portugese capitão-mór beantwoordt deze brief niet, maar biedt tenslotte aan Middleton naar Goa te brengen om te vernemen wat de onderkoning van de zaak zegt en zonder diens toestemming kan hij, verklaart hij, de Engelsen geen toestemming geven in Surat handel te drijven. In antwoord hierop vraagt Henry Middleton dat als de capitão-mór hem geen toestemming kan geven in Surat handel te drijven dan tenminste toe te staan dat kapitein Sharpeigh en zijn compagnons, die vanuit Agra in Surat zijn aangekomen, zijn voorraad handelswaren aanvullen. Dit, evenwel, weigert hij te doen, maar hij biedt aan de Engelsen naar Goa te brengen, vanwaar zij naar Engeland terug kunnen worden gezonden. Daar het wegens de waakzaamheid van de Portugezen niet mogelijk is verse levensmiddelen, wegens gebrek waaraan veel mannen aan boord van de Engelse schepen ziek zijn geworden, in te nemen, zendt Middleton instructies aan kapitein Sharpeigh enig vers voedsel naar zijn vloot te zenden, ongeacht de risico’s. Dit poogt hij bijgevolg te doen, maar de boot met voorraden wordt door de Portugezen genomen en de capitão-mór “zendt spottend zijn hartelijke dank aan kapitein Sharpeigh voor zijn zorg hem levensmiddelen voor zijn bevoorrading te zenden.” Op 12 oktober doet Middleton een andere poging een plaats te ontdekken waar zijn schepen dicht genoeg naar de oever kunnen worden gebracht om de landingsplaats met scheepsgeschut te bestrijken. Voor dit doel koerst hij zijn schepen naar het strand; de kleinere, voorafgegaan door hun boten die de diepte van de bodem peilen, gaan voorop, terwijl de Portugese fregatten hen voortdurend dicht bij de kust opwachten. Enige Portugese vaartuigen doen een poging een boot behorend tot de Darling van dit schip af te snijden, waarop de gezagvoerder van het vaartuig het vuur op hem opent. Hierop trekt de bemanning van een van de fregatten, ziende dat zij onder vuur komt te liggen, zijn boot aan de wal en, ofschoon de andere fregatten eerst een reddingspoging ondernemen, falen zij in dit opzicht en het vaartuig wordt door de Engelsen buitgemaakt.

De nu te bespreken ‘Zeeslag bij Swally’ zal de krachtsverhoudingen op zee radicaal wijzigen. Op 13 september 1612 zeilt een squadron van 16 Portugese fregatten naar Surat. Negen dagen later besluit captain Thomas Best, die met een Engels eskader, bestaande uit de galjoenen Red Dragon4, Hosiander, James en Solomon, in de Golf van Cambay is5, een ambassadeur naar keizer Jahangir in Agra te zenden, om toestemming te vragen in Surat handel te drijven en er een factorij te stichten. Als dat zou worden geweigerd, is hij van plan het land te verlaten, wat mede het gevolg zou zijn van het feit dat koning James I het charter van de EIC in 1609 heeft uitgebreid, in die zin dat besloten is het land binnen drie jaren te verlaten als er niet profijtelijk kan worden handelgedreven. Op 30 september ontvangt captain Best het nieuws dat twee van zijn mannen, Paul Canning (de purser) en Wiliam Chambers aan de wal gearresteerd zijn. Het ergste vrezend, houdt captain Best een schip aan dat behoort aan de gouverneur van Gujarat. Hij biedt aan het beslag op het schip op te heffen, in ruil voor zijn mannen. Op 10 oktober zeilt hij met zijn schepen naar Suvali, een stadje op ongeveer 12 mijl ten noorden van Surat. Hij doet dit, omdat de gouverneur (Sadar Khan?) in Rajput een opstand aan het neerslaan is, in een fort in de stad. Tussen 17 en 21 oktober, temidden van onderhandelingen, slaagt Best erin met de gouverneur een verdrag aan te gaan. Dit verdrag, dat door de keizer geratificeerd dient te worden, verschaft de Engelsen handelsprivileges. Op 27 november verneemt capitain Best van zijn mannen aan de wal dat er vier Portugese schepen onderweg zijn om zijn schepen aan te vallen. De Portugese vloot (vier grote galjoenen en 26 door roeiers voortbewogen barcas of fragatas), onder bevel van Nuno da Cunha, arriveren op 28 november en zij gaan buiten de haven voor anker, waarbij zij de Engelse schepen tussen henzelf en de stad inplaatsen. De volgende dag vindt er tussen de twee marines een schermutseling plaats, die geen van beide partijen veel schade bezorgdt. Op 30 november zeilt de Red Dragon van captain Best bij daglicht tussen de vier Portugese galjoenen door en schiet er drie van aan de grond, waarbij de Red Dragon aan de andere kant vergezeld wordt door de Hosiander. Uit het gebeurde blijkt dat in die tijd de Engelsen – evenals de Hollanders – de Portugezen hebben overvleugeld op het gebied van de maritieme technologie en techniek. De drie getroffen galjoenen drijven naar de zanderige kust, maar als ’s middags de vloed opkomt, trekken de fregatten de galjoenen weer vlot en strijden – volgens Danvers – de twee vloten nog vier uren met elkaar, totdat de invallende duisternis hen opnieuw noopt het gevecht te staken. Om 9 uur op de avond van dezelfde dag zenden de Portugezen een brandend fregat naar de Engelse schepen in een poging deze in brand te steken, maar de Engelse wacht is waakzaam en het fregat wordt door kanonvuur tot zinken gebracht, wat acht levens kost. Op de derde dag, schrijft Danvers, bereiden alle galjoenen zich voor op het enteren van de Engelse vaartuigen. Het Engelse eskader houdt zich afzijdig tot 5 december, als capitain Best naar Diu zeilt. Danvers voegt aan zijn bespreking van de Zeeslag bij Swally – een naam die hij niet noemt – nog het volgende toe: Nuno da Cunha, die heeft gehoord dat de Engelse vloot bij Castelete ligt, volgt haar en er wordt opnieuw twee dagen lang gevochten. Tijdens het gevecht zijn de Portugese schepen niet in staat de Engelse vaartuigen zo dicht te naderen dat zij deze kunnen enteren. De Engelse vloot zeilt na korte tijd weg en hijst de zwarte vlag ten teken dat haar kapitein is gesneuveld en gaat naar Surat

Tegen het einde van het jaar 1613 maakt Luíz de Brito e Mello bij Surat een schip uit Mecca buit en brengt het naar Goa. Het schip is eigendom van de Grootmogol is en heeft een zeer rijke lading aan boord, Grootmogol Jahangir (1605-1627) is hierover zo vertoornd dat hij het beleg slaat voor Damão en al het omliggende land verwoest. De Koning van de Deccan belegert, op instigatie van Jahangir de steden Chaul en Bassein, hopende de Portugezen helemaal uit Azië te kunnen verdrijven. Ook In 1614 is sprake van aanvallen van de Mogols op de Portugese bezittingen, waarbij zij Damão overspoelen

Aan de vijandelijkheden tussen de Portugezen en de Mogols wordt later aandacht besteed.

Op 1 maart 1614 zeilt opnieuw een Engelse vloot uit met bestemming Surat. De vloot bestaat uit de koopvaarders de New-year’s Gift, het admiraalsschip van 650 ton, aan boord waarvan zich de generaal, captain Nicholas Downton, bevindt, het vice-admiraalsschip Hector van 500 ton, de Merchant’s Hope van 300 ton en de Solomon van 200 ton. De schepen ankeren op 6 augustus in de Baai van Sint Augustinus op Madagascar en op 9 september in de Delisabaai op Socotra, waar de bezoekers door de koning worden ontvangen en waar ververst wordt. De Engelsen vernemen hier dat de Mogols zich hebben verenigd met de koningen van de Deccan, met het doel de Portugezen het land uit te jagen. Zij vernemen ook dat captain Best voor Swally een overwinning op de Portugese vloot behaald heeft. Als Downton op 14 september in Surat aankomt, arriveert daar een vloot van veertien Portugese fragatas of barcas. De Engelsen vernemen dat de nahob Mubroc Khan op dat moment het Portugese Damão belegert. Downton heeft ook een ontmoeting met Mr. Aldworth de chef koopman van de factorij in Surat, die erop hamert dat de nahob Mubroc Khan nu een vriend van de Engelsen is, omdat de Mogols thans in oorlog zijn met de Portugezen. Hoe dit ook zij, Mubroc Khan neemt het de Engelsen zeer kwalijk dat zij hem niet helpen met het bestrijden van de Portugezen, omdat hij niet wil begrijpen dat de Engelsen niet zonder enige aanleiding de Portugezen kunnen gaan bestrijden, zolang de koningen van Spanje en Engeland niet met elkaar in oorlog zijn. Op 31 oktober beginnen de Engelse schepen vers water in te nemen om te kunnen vertrekken, omdat Mubroc Khan hen – naar later blijkt op bevel van keizer Jahangir – niet toestaat handel te drijven, maar op 2 november komst Mr. Aldworth naar de vloot, met de boodschap dat de nahob hem vrije handel door heel het land heeft beloofd, onder zijn regering. De schepen beginnen textiel in te laden afkomstig van de factorij. Op 16 december wordt bericht ontvangen dat Portugese fregatten Gogo en veel naburige dorpen in brand hebben gestoken; ook zouden tien grote schepen hierbij betrokken zijn geweest. Op 23 december komen 21 Portugese fregatten, onder bevel van Dom Manuel de Azevedo, naar Surat. Kort hierna verlaat de onderkoning met zeven galjoenen de haven van Goa. Een van deze schepen is zo groot dat daarmee 230 mannen met hun wapenrustingen vervoerd kunnen worden. Naast deze galjoenen, bestaat de vloot uit twee pinks, een galei, een caravela en vijf andere vaartuigen. De gehele vloot is bemand met 1.400 Portugezen, zij telt een groot aantal stukken geschut, die echter worden bediend door ongeoefende schutters. De bedoeling is dat de enorme Portugese vloot de vier Engelse schepen in Surat vernietigt. Op 26 december laat captain Downton de Merchant’s Hope voor anker gaan op enige afstand van de andere Engelse schepen, om te zien of de Portugezen het schip aanvallen, wat uiteindelijk niet gebeurt. Op 27 en 28 december vinden lichte schermutselingen plaats. De Merchant’s Hope en ook de Solomon zoeken de andere twee Engelse schepen op en 29 december zeilt het gehele eskader naar de rede van Swally, waarbij het een beter contact heeft met Surat. Op 14 januari 1615 vernemen de Engelsen dat er opnieuw een grote vloot Portugese fregatten in Surat is aangekomen, het is de vloot die onder bevel staat van Luíz de Brito e Mello, en de wacht in het kraaiennest meldt kort daarna wederom de verschijning van een vloot fregatten, die de rivier bij Surat opvaart. Deze vloot staat onder leiding van Dom João de Almeida. De Engelsen, die veronderstellen dat de verschillende vloten van fregatten de voorhoede vormen van een nog veel grotere macht, brengen hun schepen in gereedheid voor de strijd. Bij het invallen van de duisternis op 18 januari ontwaren de Engelsen zes grote Portugese galjoenen en drie kleinere6 schepen, naast de zestig fregatten die al in Surat zijn. Nahob Mubroc Khan, die ernstig verontrust is door de omvang van de Portugese vloot, laat de sjabandar en andere autoriteiten van Surat, vice-rei Dom Jerónymo de Azevedo met kostbare geschenken verwelkomen en hij spant zich in om vrede tussen de twee partijen te stichten, maar de vice-rei, die vertrouwend op de superioriteit van zijn vloot, weigert welke regeling dan ook te aanvaarden, omdat hij hoopt, dat de inheemsen aan zijn genade zijn overgeleverd, nadat hij de Engelsen zal hebben verslagen.

Captain Downton verzint 20 januari 1615 een list. Hij laat de Merchant’s Hope zee kiezen, zodat de Portugezen denken dat het schip op de vlucht slaat. Het plan lukt, omdat de drie andere schepen de Merchant’s Hope op ruime afstand volgen. Als de onderkoning ziet dat een Engels schip vooruit is op de rest, geeft hij de twee pinks, de caravela en andere kleine vaartuigen bevel het Engelse schip aan te vallen. De bemanningen van de Portugese schepen enteren de Merchant’s Hope met grote besluitvaardigheid en tot tweemaal toe slagen zij er bijna in het schip te nemen, maar zij worden teruggedreven met verliezen tussen de 400 en 500 man, onder wie vele fidalgos, terwijl de Engelse verliezen gering zijn. De drie andere Engelse schepen dringen op hun beurt naar voren, om de nederlaag te voltooien en zij nemen drie aanvallende schepen. De Portugese bemanningen slagen erin te ontsnappen, maar niet dan nadat zij hun schip in brand hebben gezet, in de hoop dat ook de Merchant’s Hope vlam vat. Maar het lukt de Engelse zeelieden de brandende Portugese schepen van hun eigen schip af te duwen en de brandende schepen drijven naar de kust, waar zij rustig uitbranden. Tussen de Engelse schepen en de galjoenen worden kanonschoten gewisseld tot het donker wordt en de volgende morgen zeilt vice-rei Dom Jerónymo de Azevedo met zijn hele vloot naar Diu. Deze succesrijke weerstand van de kant van de Engelsen bemoedigt de nahob een Portugese poging vredesonderhandelingen aan te gaan, af te slaan.

Op 8 mei 1615 vertrekt de Hollandse koopman Pieter Gillisz van Ravensteijn te paard vanuit Masulipatnam aan de Coromandelkust naar Surat. Het doel van de tocht is een regeling te treffen met degenr die de koopwaar van Van Deijnsen in bewaring genomen heeft. Na een avontuurlijke tocht komen hij en zijn metgezel daar 19 juni aan. Van Ravensteijn wordt overal vriendelijk ontvangen, maar hij ontdekt al spoedig dat de Portugezen in Cambay oppermachtig zijn. Niet alleen doen 200 à 300 Portugese schepen jaarlijks havens van Cambay aan, maar Hierome Xaverius s.j. heeft op 7 juni 1615 een vredesverdrag gesloten met de Mogolkeizer Jahangir van Hindoestan, waarbij de Engelsen en Hollanders van de handel in Cambay worden uitgesloten, Terwijl er al vier Engelse schepen bij Surat liggen, arriveert op 28 september 1615, aan boord van de Red Dragon, onder captain Wiliam Keeling, een Engelse gezant naar de keizer van Hindoestan, in de persoon van Sir Thomas Roe (of Row.) Deze gezant is niet de eerste de beste. Hij is al schildknaap geweest van koningin Elizabeth (1558-1603) en hij is in 1605, door koning James I, tot ridder geslagen. Hij is bevriend met Henry, Prins van Wales en zijn zuster Elizabeth, In 1610 iheeft hij een expeditie geleid naar het Amazonegebied, maar hij heeft daar geen goud gevonden. De Engelsen worden, ondanks de aanwezigheid van hun gezant, zeer onaangenaam behandeld door de nahob Mubroc Khan (Mukarrab Khan), onderkoning van Gujarat. Zij worden bestolen en mishandeld en een enkeling wordt zelfs gedood. De autoriteiten in Gujarat benaderen de Engelsen niet allen vijandig; de gouverneur van Surat tracht vrede met hen te sluiten, opdat zij hun goederen in Surat aan land brengen en niet in het concurrerende Cambay. Dan komt het bericht dat de keizer de Engelse gezant wenst te ontvangen en Sir Thomas maakt, na een lange en zeer avontuurlijke reis, in 1616 zijn opwachting aan het hof van de Grootmogol Jahangir, die dan resideert in Kashmir. Zijn belangrijkste doel is het verwerven van bescherming voor de Engelse factorij in Surat. Aan het hof van Jahangir wordt Sir Thomas Roe, een man met aanzienlijk meer allure dan Wiliam Hawkins, eveneens de favoriet van Jahangir. Zijn status aan het hof wordt nog aanzienlijk verhoogd doordat hij ’s keizers drinkpartner wordt, omdat Jahangir, zoals alle afstammelingen van Babur, een groot wijndrinker is. Omdat Engelse schepen zich zowel in 1612, als in 1615 de meerdere hebben getoond van de Portugese vloot, is er sprake van een kentering in de Luso-Engelse machtsverhouding in de Indische Oceaan en deze neutraliseert de invloed van de jezuïeten aan het hof van keizer Jahangir. Er volgen jarenlange onderhandelingen tussen Sir Thomas Roe en keizer Jahangir. In 1619, na twee jaren en negen maanden, werpen de onderhandelingen vruchten af Jahangir was tot dan toe afhankelijk van de Portugese bescherming van het jaarlijkse pelgrimsschip naar Mecca. Na de overwinningen van captain Thomas Best en captain Nicholas Downton vertrouwt de keizer deze taak toe aan de kennelijk sterkere Engelsen. In ruil hiervoor mag Sir Thomas een Engelse handelsfactorij in Surat stichten. Dit is de eerste Engelse vestiging in Voor-Indië. Terwijl Sir Thomas in Kashmir met keizer Jahangir onderhandelt, weet de VOC in 1616, ook profiterend van de veranderde houding van de Mogol-bestuurders aan de Golf van Cambay ten opzichte van de Portugezen, een vestiging in Surat te stichten. Deze komt spoedig tot bloei, evenals verschillende kleine kantoren in het achterland van Gujarat. Als Hollanders en Engelsen al jaren veelvuldig de haven van Surat hebben aangedaan en er soms vele van hun schepen tegelijkertijd in de haven van Surat liggen, biedt de vice-rei Miguel de Noronha, conde de Linhares, de gouverneur van Surat 300.000 rupees aan als hij de Hollanders en Engelsen van de handel uitsluit. De gouverneur antwoordt dat zijn haven openstaat voor iedereen en dat het hem onverschillig is wie op zee de meeste macht uitoefent, als zijn haven maar ongemoeid gelaten wordt.

1 Desondanks heeft de 2e expeditie van de EIC, onder leiding van Henry Middleton, die 23 maart 1604 vertrekt, opdracht de noordwestpassage,te vinden en de 3e expeditie, die op 12 mei met de Hopewell, onder leiding van captain John Knigt is uitgezeild, keert terug van Labrador, nadat een uitgezonden expeditie niet is teruggekeerd.

2 Zie pagina 162

3 Zie pagina 203

4 De Red Dragon is het vlaggenschip geweest van Sir Henry Middleton, Thomas Best, Wiliam Keeling en andere ‘generaals’van de EIC. In 1619 is de Red Dragon door de Nederlanders veroverd, tijden Anglo-Nederlandse vijandelijkheden.

5 Het gaat om de negende reis naar Azië van de EIC

6 In tegenstelling tot Robert Kerr, aan wie de bijzonderheden van de reis van Nicholas Downton zijn ontleend, geeft Danvers de volgende samenstelling van de vloot van vice-rei Dom Jerónimo de Azevedo: zeven galjoenen, twee pinks, een galei, een caravela en vijf andere vaartuigen.

2.1 Expedities naar Perzië en China; de stad Goa en verlening van steun aan de Portugezen in Syriam

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

De vloot van Pieter Willemsz Verhoeff. De aanval van de Hollanders op de Estado da India

Deel 16 Index

Hoofdstuk 1.

De aanval van de Hollanders op de Estado da India

1.4 De vloot van Pieter Willemsz Verhoeff

Geschreven door Arnold van Wickeren

De vijfde VOC-vloot naar Indië, die aanvankelijk in maart 1607 zou vertrekken, zeilt eerst 22 december 1607 uit. De vloot staat onder bevel van admiraal Pieter Willemsz Ver Hoeff, (of Verhoeff) die in de slag bij Gibraltar vlagkapitein bij Heemskerck is geweest. Zijn vice-admiraal is Frans Hendriksz Wittert, die als zodanig is aangenomen en ook om in Oost-Indië te blijven. Bij afwezigheid van Wittert, zal Simon Jansz Hoen als vice-admiraal optreden. De vloot bestaat uit de volgende schepen: Geünieerde Provintiën, Amsterdam, het jacht de Paeuw, Zelandia of Zeeland, Hoorn en het jacht de Griffioen. Deze vier schepen en twee jachten hebben tot bestemming China; de Hollandia en het jacht den Arent gaan naar Ambon; de Roode Leeuw met pijlen heeft tot bestemming Patani; de Middelborch en het jacht de Valck gaan naar Banda; de Delft moet naar Johore en Gresik gaan en de Rotterdam tenslotte dient een bezoek aan Malabar. Bepaald is dat de jachten voor de handel of anderszins in Oost-Indië kunnen blijven. Ook nu is weer sprake van een echte oorlogsvloot, met 2.000 man, onder wie vele honderden soldaten, die zijn uitgerust met vele handwapenen, zoals musketten en korte en lange spietsen.

De vloot neemt de gebruikelijke route langs de Kaap en langs de oostkust van Afrika. Pieter Willemsz Verhoeff arriveert in juli 1608 met zijn negen schepen, vier jachten en 2.000 opvarenden. In de veronderstelling verkerend dat Moçambique in handen van Paulus van Caerden is gevallen, zeilt hij onbekommerd de haven binnen totdat de Portugezen hem met een kanonschot uit de droom helpen. Verhoeff laat zijn mannen direct een landing uitvoeren en treft voorbereidingen voor een aanval. Als zijn batterijen op de eerste dag losbranden, schiet Verhoeff een grote breuk in het fort. De Hollanders hadden hierdoor het fort kunnen binnendringen, als tot de aanval zou zijn overgegaan. Dit wordt echter verzuimd en ’s nachts wordt de niet door de Hollanders ontdekte breuk gedicht en is het gevaar geweken. De volgende morgen doen 25 Portugezen een uitval, doden 30 vijanden en keren allen veilig terug in het fort, met wapens, trommels en vaandels. Kort hierna heft Verhoeff het beleg op en vertrekt op 23 augustus 1608 naar Malabar. Voor Goa aangekomen, zendt Verhoeff de jachten Arent en Valck naar Coromandel, om daar zaken te doen. Zij dienen zich daarna bij de vloot die Malacca gaat belegeren te voegen. Verhoeff vernieuwt op 6 oktober het contract met de zamorin.Op 17 oktober bevindt de Hollandse vloot zich voor Cochin, maar daar blijkt niets te kunnen worden ondernomen. Verhoeff zendt de sloep van de Zelandia, met het contract dat hij met de zamorin heeft gesloten naar Bantam, een gevaarlijke, maar niet ongebruikelijke reis voor een barkas. Op 22 oktober is Verhoeff bij Sri Lanka. Hij stuurt het jacht Griffioen naar Atjeh, om inlichtingen in te winnen en die bij hem voor Malacca te brengen. De admiraal zendt het jacht de Paeuw op 16 november naar Kedah en Poeloe Pinang op te zien of bij deze plaatsen Portugese schepen liggen.

Op 23 november begint Verhoeff met zijn negen grote schepen aan de blokkade van Malacca, terwijl hij wacht op de terugkeer van zijn vier jachten. Als deze terug zijn, zou hij 1.000 man, met de benodigde artillerie aan wal kunnen zetten, waarbij hij rekent op de hulp van de radja van Johore. Verhoeff heeft Abraham van den Broeck, koopman van de Compagnie te Batoe-Sawar, al geschreven de radja te verzoeken binnen twee maanden een vloot met hulptroepen naar Malacca te zenden. De radja en zijn broer, de jang-di-pertoewan, hebben daarin weinig zin, omdat de Hollanders hen geen steun hebben geboden toen 24 Portugese vaartuigen Batoe-sawar hadden afgebrand en hen hadden genoodzaakt naar Bintan(g) te vluchten. Van een aanval op Malacca komt niets en Verhoeff verdeelt een paar maanden na aankomst voor Malacca zijn vloot. Hij zendt de Roode Leeuw met pijlen en de Griffioen naar Japan. Aan boord van beide schepen bevinden zich enige kooplieden. Te Batoe-sawar blijft Jacques Obelaer als opperkoopman. De rest van de schepen vertrekt in februari 1609 naar Bantam. Op 19 februari zendt Verhoeff vice-admiraal Wittert met de Amsterdam en de jachten Paeuw en Arent, over Makassar, naar de Molukken en hij gaat zelf met de rest van zijn schepen naar Banda.

Wittert stelt te Makassar de koopman Samuel Denis (Denijs) aan, om daar te beschikken over een tussenpost, vanwaaruit de Molukken van rijst en andere benodigdheden kunnen worden voorzien. De handel is daar nog meest in handen van de Portugezen van Malacca. Denijs timmert een nieuwe loge en tracht een nieuw pakhuis te krijgen van de kraeng van Gowa, die op dat moment oorlog voert met Boni. Na een overwinning in 1610 voert Gowa ook in Boni de islam in.

Wittert komt op 3 juni 1609 aan op Ternate. Hij sluit met de sultan een akkoord, waarbij deze zijn tollen en domeinen afstaat aan de Compagnie, terwijl de VOC de sultan ook in rekening brengt de kosten tot bevrijding van zijn land van de Spanjaarden. Wittert bouwt, met behulp van de Ternatanen ook een fort opt eiland Motir (fort Nassau), om zich van de kruidnagelenoogst op dit eiland te verzekeren. Het bevel over het garnizoen van 40 soldaten in fort Nassau wordt opgedragen aan kapitein Adriaen Clementsz Stolck. Op Makian zijn op dat moment drie forten, namelijk bij Tafasoho, Ngofakiaha en Tabelolo, met een bezetting van tezamen 120 soldaten, onder bevel van kapitein Apollonius, die de forten heeft gebouwd.

In het jaar 1608 brengen drie schepen van de East India Compagny, onder bevel van William Keeling, een bezoek aan Bantam. Hij komt in juli voor Priaman en in oktober voor Bantam, waar hij de Engelse factorij in treurige toestand aantreft; tegengewerkt door de Hollanders en bestolen door de Chinezen, verkeert zij in een ellendige staat van achteruitgang. Keeling weet met kalmte de zaken te verbeteren, vooral omdat hij goede betrekkingen aanknoopt met de Nederlandse factor in Bantam, Jacques l’Hermite. Als Verhoeff in Banda aankomt, treft hij daar kapitein Keeling, die in december van Bantam is vertrokken en die 8 februari 1609 voor Banda is gearriveerd, om op de eilanden in de omtrek foelie1 te kopen. Om vaste voet op Banda Neira, het grootste van de Banda eilanden, te verkrijgen, laat Verhoeff zijn mannen daar een fort bouwen. Omdat op Banda geen bestuurders zetelen, treedt een sjahbandar op als hun vertegenwoordiger, met wie Verhoeff een contract wil aangaan. Op 21 mei wordt afgesproken dat Verhoeff hiertoe op Neira van boord zal gaan. Hij gaat de volgende dag, met zijn ‘breeden raad’ en een compagnie soldaten aan de wal, waar hij niemand vindt. Een op onderzoek uitgestuurde assistent, die maleis spreekt, laat weten dat de sjahbandar bang geworden is van het grote aantal soldaten. Hij laat vragen of Verhoeff met niet meer dan tien of twaalf personen bij hem komt. Verhoeff voldoet aan het verzoek, maar zodra Verhoeff en de zijnen aankomen, worden zij door volk van de sjahbandar gedood. Bij elkaar worden 40 Nederlanders vermoord. Keeling wordt direct ervan verdacht medeplichtih te zijn aan de moord en men dwingt hem te vertrekken.

Bij afwezigheid van Wittert, neemt Simon Jansz Hoen, als vice-admiraal, het bevel opzich. Hij laat, tegen de verwachting der Bandanezen, Fort Nassau voltooien en hij voert op 13 juni met alle boten en 600 man een landing op Neira uit, om de moord te wreken. Een aantal Bandanezen wordt gedood, de rest neemt de vlucht en veel van hun eigendommen worden buitgemaakt. Hierop wordt tenslotte een ‘contract van eeuwige vrede’’ gesloten, De vrede zal echter niet lang duren. Hoen laat de schepen Rotterdam en Hoorn bij Banda en vertrekt met de Hollandia, Middelborch, Geünieerde Provintiën en Delft naar Ambon en de Molukken. Bij Ambon vindt hij dat het volk van Loehoe en Combello op de kust van Ceram zich niet houdt aan het in 1605 met Steven van der Haghen gesloten contract en het kost hem de grootste moeite de mensen ervan te overtuigen tegen dezelfde voorwaarden kruidnagelen te leveren als met hun vorst, de sultan van Ternate, is afgesproken. Voor Hoen van Ambon vertrekt, benoemt hij, na overleg met zijn ‘breeden raad’ de opperkoopman Jaspar Jansz tot opvolger van gouverneur Frederick de Houtman, maar de benoeming gaat niet direct in, omdat Frederick de Houtman nog lang niet vertrekt.

Aan het bezit van versterkte plaatsen in de Molukken wordt zowel door de Hollanders als de Spanjaarden veel waarde gehecht. Zo hebben de Spanjaarden op Ternate een halve mijl ten westen van Gammelamme, naast hun Fortaleza las Fuorsas del Rosario, nog een tweede fort gebouwd, waarna Hoen, als antwoord hierop, naast het fort in het plaatsje Malajoe, ook een tweede fort op Ternate heeft laten bouwen. Bedoeld is het fort bij Tacomi, dat ook wel Willemstadt wordt genoemd. Hoen laat de Grote Zon voor het tweede Nederlandse fort op Ternate twee zware stukken geschut2 van het eiland Banda halen. Het eiland Tidore is nog geheel in Spaanse handen, nadat Matelieff er in 1607 niet in is geslaagd de Spanjaarden van het eiland te verdrijven. In november gaat Hoen met de Hollandia en de Geünieerde Provintiën naar het eiland Batjan. Hij neemt daar dankzij de hulp van kapitein Apollonius Scotte en Jan Dircksz Lam het Spaanse fort op het eiland in. Bij de strijd om het fort zijn 36 Spanjaarden gesneuveld en raken tien Nederlanders gewond. Hoen sluit vervolgens een contract met de radja van Batjan. Kapitein Adriaen van der Dussen is de commandant van een garnizoen van 45 soldaten op Batjan. Hoen zeilt vervolgens naar Ternate en belooft de sultan hulp tegen Tidore, naar welk eiland hij begin januari 1610 koers zet. Hoen wordt echter ziek en overlijdt op 12 januari aan boord van de Hollandia. Omdat er geen opvolger voor Hoen is aangewezen en vice-admiraal Wittert zich in de Filippijnen bevindt, waarover later, ontstaat er een enorm gekrakeel tussen de scheepskapiteins. De kapiteins die aan boord van de Delft voor Malajoe liggen, laten 15 maart 1610 weten dat zij met 39 man van de Hollandia Tacomi hebben bezet. De Hollandia is naar Ambon gegaan, om kruidnagelen te laden. Onderweg hebben zij op het eiland Batjan met 50 man van kapitein Adriaen van der Dussen, aangevuld met 16 man van de Hollandia, het fort bij Laboean bezet. De Hollandia heeft enige dagen gekruist op schepen komende uit Manila. Zij hebben twee vaartuigen genomen en 50 Spanjaarden gevangen gemaakt. Hierdoor kunnen zij met de Spaanse bevelhebber van het Fortaleza las Fuorsas del Rosario onderhandelen over de vrijlating van de sedert 1608 gevangen zittende admiraal Paulus van Caerden. De Spaanse bevelhebber eist aanvankelijk de vrijlating van alle Spaanse gevangenen, de overdracht van Fort Malajoe, 6.000 gouden dukaten en de belofte dat Van Caerden nooit meer zal terugkomen. Tenslotte komen Van Caerden en nog tien andere Hollanders vrij, tegen betaling van 6.000 realen van achten, die Van Caerden zelf verschaft. Nadat Van Caerden door de Spanjaarden is overgedragen, neemt hij de leiding weer op zich, maar hij wordt, alweer door zijn eigen onvoorzichtigheid, begin juli op zijn schip de Goede Hope opnieuw krijgsgevangen gemaakt. Op 9 juli zenden de Spanjaarden Van Caerden naar Manila. Een dier dagen zijn ook kapitein Clements, commandant van het fort op Motir, de koopman Pieter Sijmonsz van de Delft en nog twee anderen het slachtoffer van hun onvoorzichtigheid. Zij gingen met de boot naar Tafasoho, maar worden door de Tidorzen aangevallen en onthoofd.

Zoals gezegd is vice-admiraal Wittert naar de Filippijnen vertrokken en wel op 23 september 1609. Zijn vloot bestaat uit de Amsterdam, den Arent3, de Paeuw en de sloep van de Delft. Het jacht de Valck wordt Van Caerden met brieven achterna gezonden. De eerste maanden doen zich vele kleine schermuselingen met de Spanjaarden voor, waarbij over en weer telkens enige doden of gewonden vallen. Maar op 25 april 1610 worden de drie schepen van Wittert overvallen door een Spaanse vloot die uit acht of negen schepen bestaat. De Spannjaarden overmeesteren in een hevig gevecht de Amsterdam en de Valck en schieten de Arent in brand. Admiraal Wittert wordt doodgeschoten en zo eindigt de tocht naar de Filippijnen voor de Hollanders in een fiasco.

Nadat Cornelis Matelieff, – zoals vermeld – in 1607 een vergeefse poging heeft ondernomen om het eiland Tidore op de Spanjaarden te veroveren, verschijnt – volgens Marco Ramerini op 16 juni 1608 admiraal Paulus van Caerden met zeven schepen en veel Ternataanse soldaten voor Tidore, om zich meester te maken van het door capitán Lucas de Vergaria verdedigde eiland. Van Caerden heeft evenmin succes. Zoals we zagen, is ook de aanval van Simon Jansz Hoen op Tidore in januari 1610 op een fiasco uitgelopen. Tidore blijft dus in Spaanse handen en zal dat – afgezien van een Hollandse verovering van fort Marieco in februari 1613 en een kortstondige bezetting daarvan, tot 1663 blijven. Desondanks zijn de Hollandse veroveringen in de Molukken aanzienlijk; het gebied van de Compagnie in de Molukken bestaat in 1610 uit het Fort Oranje in Malajoe, met 80 Europeanen en 3.000 inheemsen; Willemstadt of Tacomi, met 1.000 inwoners, waarbij zich steeds meer Ternatanen voegen, die de bescherming zoeken. Op Makian hebben de Hollanders in de eerste maanden van 1609 aan de westkust van het eiland bij het dorp Tafasoho het fort De Zeven Provinciën, dat vier bolwerken bezit, gebouwd, Bij Ngofakiaha, in het noorden van het eiland, is Fort Mauritius, dat eveneens vier bolwerken bezit, verrezen. In het zuidwesten van Makian, bij het dorp Tabelolo is het derde Hollandse fort verrezen. Dit fort Tabelolo heeft drie bolwerken. Tezamen hebben de drie Nederlandse forten 125 Europese en 8.000 inheemse inwoners. Fort Nassau op Motir heeft drie bolwerken, 50 soldaten en 2.000 inwoners. Kapitein, tevens opperkoopman, van Motir en Batjan is Apollonius Scotte. In het op de Spanjaarden veroverde fort op Batjan, dat de naam Fort Barnevelt heeft ontvangen. Is een garnizoen van 45 soldaten man gelegerd, onder bevel van kapitein Adriaen van der Dussen.

1 Dit is een merkwaardige mededeling, omdat foeli de bloesemblaadjes zijn van de muskaatnotenbomen,, die nooit afzonderlijk, maar altijd tezamen met de nuskaatnoten worden verkocht.

2 De Grote Zon dient eveneens twee zware stukken geschut naar Ambon te brengen

3 De Arent is eigenlijk bestemd om naar Coromandel te gaan, maar Wittert zond liever de Eendracht met de sloep van de Middelborch naar Bantam, om van daar met de Kleine Zon naar Coromandel te vertrekken.

Hoofdstuk 2. Overige verwikkelingen in de Estado da India 2.0 Expedities van de East India Compagny naar Azië

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

De verrichtingen van de admiraals Cornelis Matelieff de Jonge en Paulus van Caerden. De aanval van de Hollanders op de Estado da India

Deel 16 Index

Hoofdstuk 1.

De aanval van de Hollanders op de Estado da India

1.3. De verrichtingen van de admiraals Cornelis Matelieff de Jonge en Paulus van Caerden

Geschreven door Arnold van Wickeren

In het voorjaar van 1604 verlaat Dom Martim Afonso de Castro Lissabon met een vloot van vijf schepen, waarvan er echter een door de weersomstandigheden gedwongen is terug te keren, waardoor Dom Martim met slechts vier schepen in Goa aankomt. Direct na aankomst neemt hij het bestuur over van Aires de Saldanha. Dom Martim Afonso de Castro (1605-1607) neemt zijn plichten als onderkoning van Portugees Indië op zich op een moment dat de Portugese bezittingen serieus bedreigd worden door de Hollanders. Bij de aankomst van de nieuwe onderkoning zwerven nog steeds Hollandse schepen afkomstig van de eerste twee VOC-vloten, onder bevel van respectievelijk Wijbrant van Warwijck en Steven van der Haghen door de Indische archipel en wordt het vertrek van de volgende VOC-vloot, onder leiding van admiraal Cornelis Matelieff de Jonge, een 36-jarige Rotterdammer. voorbereid. Deze vloot bestaat uit elf schepen, het vlaggenschip Oranje, en de schepen: Amsterdam, Middelborch, Mauritius, Witte Leeuw, Zwarte Leeuw, Geünieerde Provintiën, Erasmus, Grote Zon, Nassau en Kleine Zon. Aan boord van de vloot bevinden zich, naast zeelieden, 200 soldaten. Was het de vloot van Wijbrandt van Warwijck toegestaan, naast het drijven van handel, ook steun te verlenen tegen de Portugezen aan de Koning van Ternate en aan de gouverneur van Ambon en diende de vloot van Steven van der Haghen een reeks inlandse vorsten hulp tegen de Portugezen te beloven, de vloot van Cornelis Matelieff de Jonge heeft primair een militair doel, namelijk het veroveren van Malacca en het vernietigen van de Portugese macht in Oost-Azië. Desondanks hebben de verschillende schepen allen een eigen commerciële bestemming, zoals Cambay, Coromandel, Ternate, Ambon en Banda, Bantam, Johore, Patani en China, want het is niet de bedoeling dat de handel onder de krijgsverrichtingen lijdt. Bovendien dient bij Mauritius en aan de kust van Madagascar gezocht te worden naar de Alkmaar, die in deze contreien is gebleven. Op 12 mei 1605 zeilt de gehele vloot uit. Op Mauritius wordt ververst, en van daar gaat het rechtstreeks naar Malacca, waar Matelieff op 30 april 1606 aankomt. Er liggen vier Portugese schepen voor Malacca, waarvan er een geladen is voor China. Matelieff geeft opdracht deze in brand te steken, maar zijn mannen beginnen te drinken en de schepen te plunderen en de schepen weten te ontsnappen. Ondertussen onderhoudt Matelieff ook betrekkingen met sultan Alauddin van Johore en in mei 1606 sluit hij een formeel pact met de sultan, gericht op de verdrijving van de Portugezen uit Malacca, In ruil daarvoor gaat Johore ermee akkoord dat de Hollanders Malacca voor zichzelf behouden en dat zij handeldrijven met Johore, Tenslotte komen de contractpartijen overeen dat men elkaars godsdienst zal respecteren. Op 8 mei 1606 ontscheept de admiraal Hollandse soldaten en matrozen, voor wie de operatie tot het laatst geheim is gehouden. Er landen ook 1500 soldaten van Johore. Matalieff laat zwaar scheepsgeschut uitladen om het Portugese vesting A Famosa te beschieten en slaat het beleg voor Malacca, waar het Portugese garnizoen, dat op dat moment uit nauwelijks 100 man bestaat en groot gebrek heeft aan vrijwel alles wat nodig is om een belegering te kunnen weerstaan. Bovendien hebben de verdedigers, die onder bevel staan van André Furtado de Mendoça, af te rekenen met verraad. Hun belangrijkste kanonnier op dat moment is een Hollandse huurling. De man blijkt niet alleen berichten uit te wisselen met zijn landgenoten, maar hij laat ook enige Portugese kanonnen in het fort uit elkaar barsten. Ook een moor in Portugese dienst blijkt een verrader te zijn. Beide verraders worden gedood en hun lijken worden over de muur gehangen. Ondanks de zwakke positie van hun tegenstanders en ondanks dat de belegeraars niet minder dan 50.000 kanonskogels in de stad doen neerkomen, wordt het beleg geen succes. Het Hollandse scheepsgeschut kan weinig uitrichten tegen de meters dikke muren van het fameuze Portugese fort en André Furtado de Mendoça blijkt hulp ontvangen van Japanse samurai, die zijn aangevoerd met schepen die een rood kenmerk dragen. De aanval eist zijn tol; velen raken gewond, maar nog meer Europeanen hebben last van tropische koortsen en op 16 augustus schepen de Hollanders, onder wie 300 gewonden en zieken, zich weer in. De Hollandse schepen zetten hun blokkade van de haven van Malacca voort.

Nadat het beleg en de blokkade van Malacca drie maanden en twee weken hebben geduurd, verneemt Matelieff dat er een grote Portugese armada, onder gezag van vice-rei Dom Martim Afonso de Castro zelf, nadert. De onderkoning heeft Goa in de maand mei van 1606 verlaten, met 12 of 14 galjoenen, 4 galeien, 15 of 16 fustas of fregatten, naast andere vaartuigen. Dom Martim Afonso is in juni voor Atjeh aangekomen. Daar heeft hij drie vijandelijke schepen met voorraden genomen. Hij heeft besloten Atjeh te tuchtigen, omdat het Hollandse schepen in de haven heeft ontvangen, ondanks de gemaakte afspraak dit niet te zullen doen. Dom Martim Afonso heeft op 29 juni troepen ontscheept in het zicht van een flinke Atjeese strijdmacht. De Portugezen en de Atjeeërs leveren twee hele dagen strijd met elkaar, maar als de eersten dan nog niet het overwicht op hun vijanden hebben behaald, trekt de onderkoning zijn troepen terug en neemt hen weer aan boord. Na een stormachtige reis, waarbij verschillende schepen verloren gaan, verschijnt de vloot van Dom Martim Afonso voor Malacca. Matelief heeft de belegering van Malacca, op de nadering van de vijandelijke vloot, afgebroken, zijn kanonnen weer ingeladen en is met zijn gehele vloot de Portugese armada tegemoet gezeild. De twee vloten ontmoeten elkaar op 14 augustus in de Straat van Malacca. De Portugese vloot beweegt zich in de richting van Cabo Rachado, waar 16 augustus een schotenwisseling plaats heeft. De volgende dag gaat de slag verder met een verrassingsaanval van de Nossa Senhora da Conceição op de Nassau, welk schip nog steeds voor anker ligt. Te ver verwijderd van de vloot wordt de Nassau door de bemanning van een tweede Portugees schip, de Santa Cruz, beklommen. Matelieff de Jonge’s schip, de Oranje, komt de Nassau te hulp maar komt door het tegenzitten van de wind in botsing met de Middelborch. De Portugezen vallen de Oranje en de Middelborch aan met de São Salvador en het galjioen van Dom Duarte da Guerra. Nadat de Oranje zich vrij heeft kunnen breken, geraken de São Salvador, het galjoen van Dom Duarte da Guerra en de Middelborch allen in brand. De drie schepen gaan allen op 18 augustus ten onder. De bemanningen van de Santa Cruz en de Nossa Senhora da Conceição weten ook de Nassau in vuur en vlam te zetten. Er volgt op dat schip een spectaculaire explosie; die het schip volledig in brand zet. Nadat het schip tot op de waterlijn is afgebrand, zinkt het 22 augustus 1606. Enkele dagen later besluit Matelieff de Jonge niet in te gaan op de Portugese uitnodiging de strijd te hervatten en hij verlaat het gevecht. De zeeslag heeft een zware tol geëst van beide partijen. De Nederlanders hebben 150 man verloren en zij hebben nog veel meer gewonden, de Portugezen hebben zelfs 500 doden te betreuren. Op 19 augustus heeft admiraal Matelieff de sultan van Johore gevraagd zijn vloot te mogen doen ankeren in de rivier van Johore, om de schade te kunnen herstellen er meer munitie te kunnen aanmaken. De sultan gaat hiermee akkoord, waardoor een einde komt aan de belegering van Malacca.

De onderkoning gaat met zijn vloot naar Malacca en hij neemt de schade van de belegering door de Hollanders op. De stad blijkt aanzienlijke schade te hebben opgelopen. De onderkoning zendt Dom Álvaro de Menezes met zeven galjoenen naar de omgeving van de Nicobaren, om de schepen, die uit Portugal verwacht worden op te vangen. Nuno Álvarez Pereira wordt met de andere vijf galjoenen naar Straat Singapor gezonden, om bepaalde vaartuigen te begeleiden die met levensmiddelen van Java op weg zijn naar Malacca. Als deze vijf galjoenen de vloot van Matelieff de Jonge ontwaren, weten zij niet hoe snel zij naar de haven van Malacca moeten terugkeren

In september 1606 hernieuwt Matelieff zijn pact met Johore en hij keert met negen schoongemaakte schepen terug voor Malacca. Dom Martim Afonso de Castro blijkt te zijn vertrokken, maar in de haven van Malacca vindt hij de vijf1 galjoenen onder bevel van Nuno Álvarez Pereira. Hij doet op 22 oktober een aanval met drie schepen, Oranje, Grote Zon en Geünieerde Provintiën op een van de Portugese galjoenen. Het schip moet het tegen de overmacht afleggen, maar omdat de schipper en het volk van de Grote Zon, die voor het prijsschip dienen zorg te dragen, dronken zijn, ontkomt het weer. Ondertussen is het Portugese eskader onder zeil gegaan. Twee Portugese schepen nemen de Amsterdam tussen zich in, maar deze schiet het ene schip in brand en doet het andere afdeinzen, terwijl de Mauritius het schip van de Portugese onderbevelhebber neemt. De volgende dag wordt het schip, dat door de Amsterdam is aangevallen door het volk verlaten gevonden en tezamen met de zoëven genoemde prijs wordt het in brand gestoken. De overige Portugese schepen zetten zich voor Malacca aan de grond. Op 30 oktober loopt Matelieff de rede op om ook deze in brand te steken, maar de Portugezen, begrijpende dat zij niet meer te redden zijn, doen het zelf. De gevangenen, 186 Portugezen en een gering aantal Hollanders worden over en weer uitgeleverd, met dienverstande dat voor de niet-gesneuvelde kapiteins van de galjoenen, Cristóvão Suarez, André Peso en Fernando Macado 5.000 ducaten losgeld betaald dient te worden.

Spoedig na dit verlies sterft vice-rei Dom Martim Afonso de Castro in Malacca. Verondersteld wordt uit verdriet om het verlies van zijn vloot. Hij heeft zijn hoge ambt op de dag van zijn overlijden precies 2½ jaar bekleed. Hij wordt opgevolgd door Dom Frei Aleixo de Menezes o.e.s.a., aartsbisschop van Goa, die geen vice-rei is, maar alleen capitão-geral. In hetzelfde jaar 1606 blokkeren de Hollanders ook de haven van Goa, gedurende het gehele seizoen, waardoor de retourvloot naar Lissabon niet heeft kunnen uitzeilen en Lissabon verstoken blijft van de aanvoer van specerijen. Tot overmaat van ramp vergaat de met peper geladen nau Nossa Senhora dos Mártides die een jaar eerder uit Indië is vertrokken op 15 september 1606 voor het fort Sáo Juliáo da Barra op een paar léguas van Lissabon.

Matelieff zet vervolgens koers naar Poeloe Boetang om de zeven andere Portugese galjoenen op te zoeken. Onderweg neemt hij bij Kedah een schip, neemt de lading eruit en laat het schip daarna in brand steken. Op 8 december vindt hij de Portugezen bij Boetang, maar deze liggen in een bocht dicht onder de wal, zodat voorkomen wordt dat de schepen met geschut of branders veel kwaad kan worden gedaan. Matelieff probeerde het zelfs niet2; door andere belangen voortgedreven, laat hij de Portugezen met rust en verzuimt daardoor de enige gelegenheid om zich meester van de zee te maken, wat hem niet door zijn superieuren in dank zal worden afgenomen.

De admiraal zendt zijn vice-admiraal, Olivier van de Vivere, met de schepen Amsterdam, Grote Zon en Witte Leeuw naar Atjeh en zelf vertrekt hij met de rest van de vloot naar Bantam. Daar laat hij de schepen Zwarte Leeuw en Geünieerde Provintiën achter en vertrekt met de rest van zijn vloot via Ambon naar Ternate.Hij beschikt over de schepen Oranje, Mauritius, Erasmus en Kleine Zon, alsmede over de Enckhuijsen en de Delft, welke schepen met Steven van der Haghen naar Indië zijn gekomen, en over het Duyfken, het jacht dat Wijbrant van Warwijck in Indië heeft achterfelaten, Matelieff komt 29 maart 1607 bij Ambon aan. Hij treft daar gezanten van de twaalfjarige sultan Modfar van Ternate, wiens vader, sultan Said Barakat in 1606 door de Spanjaarden gevankelijk naar Manila is gebracht. Zij roepen Matelieffs hulp in tegen de Spanjaarden. Bij de Molukken aangekomen, wil Matelieff op Tidore landen om de Spaanse bondgenoten van de Tidorezen van het eiland te verdrijven. Hij ontmoet in Jailolo op Halmahera de jonge sultan Modfar van Ternate, die 200 krijgers bij zich heeft. Matelieff neemt de Ternatanen aan boord en zeilt met hun naar Tidore, dat aanvankelijk verdedigd wordt door 30 Spaanse soldaten, aangevuld met Tidorezen. De landing wordt uitgevoerd met enige coracora’s, waarin 300 aanvallers hebben plaatsgenomen, Zij naderen het eiland onder dekking van het scheepsgeschut, maar de ontvangst door de Spanjaarden en de Tidorezen is warm en de aanvallers zijn genoodzaakt zich met verliezen terug te trekken. Omdat de Hollanders de wateren rond het eiland niet kennen en bang zijn op het rif vast te lopen en omdat gouverneur Juan de Esquivel enige Spaanse versterkingen heeft aangevoerd, wordt de aanval afgebroken, zodat de Spanjaarden op Tidore blijven. Matelieff gaat vervolgens naar Ternate, laat daar zijn mannen het vervallen fort in het plaatsje Malajoe opknappen, welk karwei 9 juni af is. Matelieff doopt het fort Oranje en legert daarin 47 man, onderbevel van Gerrit Gerritsz van der Buijs. Hij sluit een nieuw verdrag met de regering van Ternate over de levering van kruidnagelen. Matelieff verneemt ook dat er bij de invasie van de Spanjaarden, die nog steeds in fort Gammelamme zitten, nogal wat Ternatanen naar Halmahera zijn gevlucht. Hij laat deze mensen ophalen met de Enckhuijsen, Delft en Kleine Zon. Vervolgens laat hij deze drie schepen ieder met 44 koppen bemand, tot onderlinge bescherming voor Malajoe liggen. Met het oog op de moesson maakt hij haast om, volgens zijn instructie, naar China te gaan. Hij vertrekt op 12 juni met de Oranje, Erasmus, Mauritius en een jacht.

Drie dagen na Matelieffs vertrek, terwijl Fort Oranje nog niet af is en de kanonnen nog niet zijn geplaatst, komen Spanjaarden en Tidorezen in twee galeien en elf coracora’s het fort aanvallen. De aanval wordt echter afgeslagen. Op 25 juli wordt Fort Oranje opnieuw aangevallen, nu door 26 coracora’s, maar een kanonsschot is voldoende om de coracora’s tot achter de hoek bij Terloko te doen terugwijken. In september ziet Van der Buijs zich verplicht de Kleine Zon naar Menado te zenden, om daar rijst, varkens en ander voedsel te kopen, omdat het garnizoen op Ternare honger begint te lijden. Omdat de Hollanders nog maar nauwelijks in Menado zijn geweest, dient schipper Jacob Jansz Haen de koning “een verering aan te doen”. De Enckhuijsen, naar Halmahera gezonden, geraakt bij Saboego aan de grond en geraakt niet meer los. De Delft wordt onder tijdelijk bevel van stuurman Adriaen Cornelissen naar de Enckhuijsen gezonden, om de lading van het gestrande schip over te nemen, maar de stuurman die liever naar Ambon wilde gaan, doet het voorkomen als hij 5 januari 1608 bij Ambon aankomt dat hij door de wind en de stroming uit de koers is geraakt.

Terwijl de beschreven gebeurtenissen zich in de Molukken voordoen, zeilt Cornelis Matelieff de Jonge met zijn schepen Oranje, Erasmus, Mauritius en een jacht naar China, met welk land hij in Canton (Guangzhou) handel tracht aan te knopen. Dit lukt hem niet, omdat de Spanjaarden en Portugezen daar sterker zijn dan hij. Op 27 november is Matelieff voor Java. Het is de Nederlanders evenmin gelukt zich in hetzelfde jaar 1607 blijvend als kooplieden te vestigen op de kust van Fujian. Zij worden genoopt te vertrekken, omdat zij door de autoriteiten voor rovers en plunderaars worden gehouden. Matelieff brengt zelf nog een bezoek aan Patani. We besluiten de bespreking van de verrichtingen van de vloot van Cornelis Matelieff de Jonge, met nog enige opmerkingen over afzonderlijke schepen. De Witte Leeuw, welk schip eerder met andere schepen naar Atjeh is gezonden, vernieuwt daar het met de sultan gesloten contract; laat een journaal van Matelieff achter voor zijn opvolger en gaat daarna naar Bantam. De Grote Zon vertrekt van Atjeh voor een korte reis naar Coromandel en komt daarna aan voor Bantam. Op 3 december 1607 vertrekt dit schip naar Gresik om er rijst te kopen en naar Ternate te brengen, waar het garnizoen in Fort Oranje gebrek lijdt. Het schip komt juist op tijd om te beletten dat de Spanjaarden Fort Oranje zouden innemen. De Delft is weggegaan, de Kleine Zon heeft geen volk meer aan boord en de Enckhuijsen is voor Halmahera gestrand en daar gebleven.

Begin 1607 is Dom Estêvão de Ataide, capitão van Sofala en Moçambique, teruggekeerd van een expeditie naar Monomotapa, welks gelijknamige keizer hij behulpzaam is geweest een rebellie in zijn land te onderdrukken. De vorst heeft daarvoor de zilvermijnen in zijn gebied afgestaan aan de Kroon van Portugal. De bedoeling is dat de zilvermijnen, die de rijksten van geheel Azië3 zouden zijn, geëxploiteerd gaan worden en zilver gaan opleveren voor de aankoop van peper en (andere) specerijen. Korte tijd later, op 29 maart 1607, ankert de Hollandse admiraal Paulus van Caerden, met acht gewapende schepen en een strijdmacht van 1.500 man, in de haven van Moçambique. Paulus van Caerden die al in 1602 met de eerste VOC-vloot, bestaande uit 14 schepen onder bevel van Wijbrant van Warwijck, als koopman naar Indië is gekomen, is in mei 1606, als admiraal van de derde VOC-vloot, opnieuw naar Indië vertrokken. Zijn acht schepen: Banda, Bantam Ceylon, Walcheren, Ter Veer, Zierikzee, China en Patani, die in mei 1606 het zeegat van Texel zijn uitgezeild, hebben in september water ingenomen bij Cabo Lopes Gonçalves en opnieuw in november bij Ano Bom. Op het moment dat Van Caerden ankert bij Moçambique bestaat het garnizoen van het nieuwe Forte São Sebastião uit slechts 80 man; zij beschikken over weinig en dan nog inferieure stukken geschut die nauwelijks geschikt zijn dienst te doen. Met deze kleine strijdmacht treft Dom Estêvão alle mogelijke voorbereidingen voor de verdediging. Van Caerden voort al op 1 april een landing op het eiland Moçambique uit, waarbij slechts één Portugees, maar 800 ‘zwarten’, waaronder 125 Gujarati-matrozen worden gevangengenomen. Deze worden opgeborgen in het oude, niet meer in gebruik zijnde Forte de São Gabriel en in een kerk, terwijl het volk van de schepen in het klooster van São Domingo en in het kerkje São Gabriel worden ondergebracht. De gevangengenomen Portugees, die de Hollandse admiraal laat weten dat er spoedig schepen uit Portugal in Moçambique worden verwacht, deelt ook mede dat de muren van het Castelo de São Sebastião zeer dun en met zand zijn opgevuld. De goedgelovige admiraal besluit vier halve kartouwen aan land te brengen, om daarmee een bres in de muur te schieten. Omdat blijkt dat de vloot te weinig kogels bij zich heeft, worden zes nog lichtere stukken geschut uitgeladen. Zodra de Hollanders het fort beginnen te beschieten vallen de kanonschoten zo rijkelijk op de muren dat Dom Estêvão deze vrij van mannen wil houden; dat moedigt de Hollanders natuurlijk aan, maar een Hollandse kolonel die zich op zijn paard te dicht bij de muur waagt, krijgt prompt een kogel in het hoofd. Van Caerden tracht tegen de muren enige houten torens, die net zo hoog zijn als de kantelen, op te richten en in het donker van de nacht naar de muren te rollen. De poging wordt ontdekt door de verdedigers die de vijand aanvallen met vuurwerk dat de vijand dwingt zich terug te trekken. De volgende nacht hebben de Hollanders meer succes en weten zij hun torens vlak naast de muren te plaatsen. Er zeilen 25 Portugezen uit met de bedoeling de torens in brand te steken, maar zij worden teruggedreven. Ondanks dat zij niet in hun opzet zijn geslaagd, hebben zij enige vijanden gedood, zonder zelf verliezen te lijden. Merkwaardigerwijze hervatten de Hollanders een hele week hun aanval niet, ondanks dat de Portugezen hun torens hebben weten te verbranden. Nadat Van Caerden 25 doden en 70 à 80 gewonden te betreuren heeft, stelt hij een wapenstilstand voor. Deze wordt geaccepteerd. Terwijl het bestand van kracht is, verwijten zij de Portugezen dat deze niet meer zo moedig zijn als voorheen. Om dit verwijt te loochenstraffen, stelt Dom Estêvão een tweegevecht voor tussen 50 Hollanders en 25 van zijn eigen mannen. Het voorstel wordt door Van Caerden verworpen. Op 7 mei 1607 zendt Van Caerden een brief naar Dom Estêvão waarin hij dreigt de gehele omgeving te verwoesten, tenzij dit wordt afgekocht met en som geld. Dom Estêvão verwerpt dit voorstel, waarop de Hollanders hun dreigement uitvoeren en de hele stad in brand steken en nadat zij ook nog alle bomen hebben gekapt, heffen zij het beleg, dat twee maanden heeft geduurd, op. In deze tijd zijn – volgens Danvers – 13 Portugezen gesneuveld, terwijl de Hollanders 300 man zouden hebben verloren. Bij het verlaten van de haven wordt een van de Hollandse schepen, de Zierikzee, door een kanon van het fort lek geschoten. Van Caerden laat het wrak liggen, nadat hij alles van waarde eruit heeft laten halen. De gevangen inlanders worden naar de vaste wal overgebracht, behalve de Gujarati die bij Van Caerden in dienst treden. Voor hun vertrek plunderen de Hollanders nog twee schepen die op de rede liggen. De Hollandse vloot blijft tot 29 mei bij het Ilha de São Jorge liggen en zeilt dan naar het Comoren-eiland Mayotte, om te verversen. Zodra de vijand begin juni vertrokken is, arriveren drie schepen uit Portugal, onder bevel van Dom Hierome Coutinho, in de haven van Moçambique. Nadat Dom Hierome de bewoners van de verwoeste stad van het noodzakelijkste heeft voorzien, zet hij zijn reis naar Indië voort. De vloot van Van Caerden, die van 8 juni tot 17 juli bij Majotte heeft gelegen, keert terug naar Moçambique, om te zien of zij daar nog iets kan uitrichten. Van Caerden, die 4 augustus ziet dat er drie kraken dicht onder het kasteel liggen, ziet van actie af en vertrekt 26 augustus naar Goa. Bij het oversteken van de Indische Oceaan, maakt Van Caerden een Portugese kraak, de Nossa Senhora do Loretto, die op weg is naar Portugal, buit. De admiraal ontscheept 2 oktober 1607 in Sisardam de bij hem aan boord zijnde Gujarati, maar handel is daar niet mogelijk, omdat die in handen is van de Portugezen.

De Heren XVII zenden in april 1607 twee schepen naar Indië, een nieuwe Gelderland, met schipper Jan Jansz Mol en de Gouda, met nieuwe geheime instructies voor de admiraals Cornelis Matelieff de Jonge en Paulus van Caerden. De instructie houdt in dat de handelsbelangen aan de oorlogsbelangen ondergeschikt zijn. Deze koerswijziging komt bij Matelieff goed aan. Dat hij eind 1606 de zeven Portugese galjoenen bij Poeloe Boeton met rust gelaten heeft, heeft hij geweten aan de onduidelijkheid van het beleid van de Heren XVII in die tijd. Een en ander blijkt uit de brief die Matelief eind 1607 aan zijn opvolger Paulus van Caerden schrijft. “Dat de heren bewinthebbers de negotie willen postponeren ende eerst de oorloge bij der hant vatten daer doen se na mijn oordeel heel wijslijc aen, ende hadde ick sulcken ordre gehadt ic soude mijn best gedaen hebben, om anno 1606 in December de 7 galjoenen onder Poeloe Boeton nyet te verlaten sonder een proeff op gedaan te hebben ten goede oft quade ende bij soo verre als mij Godt de victorie met mijn 9 schepen tegen de 7 hadde gegeven, tsoude de Portugesen heel ten achteren gestelt hebben.”

De Heren XVII laten de Gelderland en de Gouda nog een andere boodschap overbrengen, namelijk de waarschuwing voor het uitreden van een Portugese vloot, “waaronder zich veel Duinkerkers zouden bevinden, die met Prinsenvlaggen, Hollandse kleding en zelfs Hollandse kapiteins onze schepen zouden kunnen verrassen en door dit bedrog zich van onze plaatsen in Indië meester te maken.” Als de Gelderland, op weg naar Bantam Tuticorin passeert, ziet de bemanning dat de Portugezen uit vrees voor een Hollandse aanval daar zelf hun kraak in brand steken. Op 27 december 1607 arriveert de Gelderland voor Bantam, waar admiraal Matelieff ligt. Hij opent de geheime instructie voor Van Caerden en zendt deze, vergezeld van zijn eerder genoemde brief met een sloep naar Malacca. Matelieff zendt de Gelderland naar de Molukken, waar het schip 17 maart 1608 voor Ternate aankomt. Matelieff heeft nog een andre beroemde brief geschreven, namelijk die van 12 november 1608 aan Hugo Grotius. Hij analyseert de situatie in Azië daarin scherp en toont een vooruitziende blik in wat met de specerijenhandel gaat gebeuren. Hij beveelt aan vriendschap te sluiten met de Koning van Makassar en hem de kruidnagelen uit de Molukken te doen verwerven, door hem aan te sporen de Banda eilanden te veroveren De VOC zou dan de specerijen uitsluitend van hem betrekken.

Wat de vloten van Matelieff en Van Caerden aangaat, kan het volgende worden medegedeeld. Matelieff vertrekt eind januari 1608 met zijn schepen Oranje, Mauritius, Geünieerde Provintiën en Zwarte Leeuw vanuit Bantam naar Nederland, nadat hij kort tevoren Jacques l’Hermitage de Jonge voor een periode van drie jaren tot directeur te Bantam heeft benoemd, als opvolger van Jan Willemsz Verschoor.

Paulus van Caerden, die een jaar later is uitgezeild dan Matelieff, keert nog niet terug naar Holland, maar zet met zijn zes schepen koers naar Ambon, waar hij op 10 maart aankomt. Vandaar vertrekt hij naar Ternate en arriveert daar op 18 mei 1608. Hij onderneemt een vergeefse poging het door de Spanjaarden bezette voormalige Portugese Fortaleza de São João Baptista bij Gammelamme, dat herdoopt is Fortaleza las Fuorsas del Rosario, te nemen. Daarentegen slaagt Van Caerden erin op 21 juli 1608 het fort te Tafasoho op het eiland Makian te bemachtigen. De admiraal verliest echter in juli door een zeebeving, die het gevolg is van de uitbarsting van de vulkaan Tafasoho twee van zijn zes schepen, de China en de Walcheren. Op 18 juli stelt Van Caerden kapitein Apollonius Scotte aan als commandant van het fort te Tafasoho. Van Caerden onderneemt dan met een klein vaartuig en slechts 74 man een tochtje naar Moro, het noordelijkste deel van Halmahera en ten oosten daarvan verovert hij een eiland dat Siauw geheten zou hebben, maar dat hoogstwaarschijnlijk Morotai is geweest en dat werd verdedigd door tien Spaanse soldaten. Toen admiraal Paulus van Caerden van deze onbelangrijke onderneming terugkeerde, raakte zijn schip in de Baai van Leleda bij twee Spaanse schepen verzeild. Van Caerden strijkt zijn vlag voor beide vijandelijke schepen en wordt gevangengenomen en opgesloten in het fort bij Gammelamme. Op 17 maart 1608 arriveert de Gelderland bij Ternate, waarna de Grote Zon, een schip van de vloot van Cornelis Matelieff de Jonge, naar Ambon en vervolgens naar Makassar vertrekt. De Grote Zon ligt van april tot juni 1608 voor Sambopo en komt 25 juni voor Bantam. Het schip maakt nog een reis, maar is 5 november 1608 weer voor Bantam en 28 januari 1609 voor Jacatra en vertrekt kort daarna naar Nederland. De Kleine Zon en de Gelderland zeilen van Ternate benoorden Celebes en Borneo om, naar Patani, onder Arent Maertsz, een reis die nog door geen VOC-schip was gemaakt Zij komen 29 november 1608 voor Bantam terug. Een maand later komt de Kleine Zon, onder Jan Dirckz Lam weer te Ambon aan. Korte tijd nadat Van Caerden in 1609 is vrijgekocht, geraakt hij, alweer door eigen onvoorzichtigheid, in juli 1610 opnieuw in Spaanse krijgsgevangenschap Dit keer zenden de Spanjaarden hem naar Manila, waar hij stenen moet sjouwen die worden gebruikt bij de bouw van een fort.

1 Het genoemde aantal van vijf galjoenen is ontleend aan Danvers; volgens Mac Leod (pag. 59) gaat het om zeven galjoenen en volgens de Wikipedia encyclopedia zelfs om tien schepen. Dit sluit dan weer aan bij Milford, die op pag. 67 spreekt over zeven galjoenen en drie galeien want de vierde is bij Cabo Rachado aan flarden geschoten.)

2 Curieus is dat Danvers op pag. 137 van zijn deel II vermeldt dat er bij Boetang een zware strijd ontstaat die Dom Álvaro de Menezes noodzaakt zich terug te trekken als hij drie schepen heeft verloren.

3 In die tijd werd de Swahilikust tot Azië en Sofala en Moçambique tot de Estado da India gerekend

1.4 De vloot van Pieter Willemsz Verhoeff

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

De verrichtingen van de vloot van Steven van der Haghen. De aanval van de Hollanders op de Estado da India

Deel 16 Index

Hoofdstuk 1.

De aanval van de Hollanders op de Estado da India

1.2. De verrichtingen van de vloot van Steven van der Haghen

Geschreven door Arnold van Wickeren

Anders dan de vloot van Wybrandt van Warwijck is de vloot waarmee Steven van der Haghen 18 december 1603 uitzeilt, een echte oorlogsvloot; zij heeft 1080 man aan boord en is zwaar bewapend; de schepen zijn uitgerust met halve kartouwen (zware kanonnen waarmee kogels van 24 pond kunnen worden verschoten), alsmede metalen stukken en gotelingen, die kogels van 9 pond afschieten, en bovendien grote en kleine steenstukken; zelfs het jacht van 30 ton is uitgerust met twaalf metalen stukken en gotelingen en zes grote en kleine steenstukken. De vloot heeft ook voor elke sloep die de schepen aan boord hebben twee kleine gotelingen bij zich. De reden van het zenden van een oorlogsvloot naar Indië is de mededeling van Wolfert Harmensz dat een grote Portugese oorlogsvloot uit Goa, onder bevel van André Furtado de Mendoça, de toegang tot Ternate blokkeert. Vermeldenswaard is dat Frederick de Houtman, die lange tijd in Atjeh gevangen gehouden is door sultan Alâ ad-din Ri’âjat Sjâh (1589-1604), opnieuw met deze vloot naar Indië vertrekt. Bijzondere bestemmingen zijn: Banda, Ternate, Patani en Cambay; bovendien dient ’t Hof van Hollandt naar Sofala te gaan; dit schip moet ook samen met de Medemblijck naar Mauritius en zo nodig naar de Baía de Antongil gaan, om te zoeken naar de Wachter, welk schip heeft deeluitgemaakt van de vloot waarmee Wolfert Harmensz in april 1601 is uitgezeild.

De vloot is niet alleen zwaarbewapend, maar Steven van der Haghen heeft ook tal van geheime opdrachten bij zich. Hij dient de ‘koningen’ van Cambay, Dabul, Calicut, Sri Lanka en Ternate hulp tegen de Portugezen te beloven en de sultan van Johore moet militaire bijstand beloofd worden om Portugees Malacca te veroveren. De verzegeling van de geheime instructies mag eerst op 45º NB worden geopend. Als uit deze instructies blijkt dat het de bedoeling is dat er ook strijd wordt geleverd tegen Spanjaarden en Portugezen, ontstaat er onrust op de vloot, omdat lang niet iedereen bij zijn aanmonstering ermee gerekend heeft dat hij wordt aangeworven als zeeman en als soldaat. De vloot van Steven van der Haghen ontmoet op de rede van het eiland Maio, een van de Kaapverdische eilanden, de schepen Zeeland en Dordrecht van de terugkerende vloot van Wybrandt van Warwijck. Admiraal van der Haghen slaagt er half maart 1604 niet in op Santiago verversingen te verkrijgen en bij het buureiland Fogo vindt hij geen geschikte ankerplaats. Als Kaap de Goede Hoop is gerond, verlaten de schepen ’t Hof van Hollandt en de Medemblijck de vloot om naar Mauritius of de Baai van Antongil1 te gaan. De andere schepen nemen water in kort na het passeren van Cabo Correntes. Bij het Castelo de São Sebastião op het Ilha de Moçambique ligt een kraak. Het jacht Duyfken zeilt er met 150 man op af. Terwijl de Portugezen met twaalf stukken geschut vanaf het kasteel de Hollandse schepen bestoken, waarbij diverse Hollanders de dood vinden, wordt de kraak, die 2.000 olifantstanden bevat, gelost. De Hollanders bemachtigene ook enige vaartuigen geladen met zwarte slavinnen. Zij zetten de vrouwen aan land. Aan de kust bij het eiland Moçambique worden van de zeer anti-Portugees gezinde zwarten citroenen gekocht, wat zeer nodig is, omdat vele opvarenden aan scheurbuik lijden. Een week later kunnen de Hollanders van de zwarten zoveel kippen kopen als zij willen. De tocht wordt voortgezet tot de vloot tegen het einde van september 1604 voor Goa is. Voor Calicut wordt een aanval van Portugese schepen afgeslagen Steven van der Haghen sluit, in naam van Prins Maurits en de Staten-Generaal, een offensief en defensief verbond tegen de Portugezen met de zamorin van Calicut, die zelfs een sterkte aan zijn nieuwe bondgenoten wil afstaan. Deze gaan echter op dat moment niet op het aanbod in. Bovendien zal het nog lange tijd duren voordat de VOC zaken kan doen aan de westkust van Voor-Indië. Op 4 november is de vloot voor Cranganore, waar zo’n anderhalf jaar geleden twee Zeeuwse kooplieden, die een adviesbrief om handel te drijven van de sultan van Atjeh bij zich hadden, door de Portugezen zijn gearresteerd en die zijn overgebracht naar Goa. Zij zijn daar ter dood veroordeeld en opgehangen. Op 13 november besluit Steven van der Haghen de schepen Zeeland en Enckhuijsen naar de Golf van Cambay te zenden, om daar te gaan handeldrijven en 12 december, als de resterende schepen zich tussen Sri Lanka en Sumatra bevinden, geeft de admiraal de Delft, welk schip de naar hun land terugkerende gezanten van de sultan van Atjeh aan boord heeft, opdracht naar Atjeh te zeilen. Met zijn zes resterende schepen, het Duyfken niet meegerekend, stevent Steven van der Haghen op Straat Soenda af en ankert voor Bantam. Nadat hij, in navolging van de Engelsen, in Bantam een handelspost heeft gesticht, zet hij met zijn vloot koers naar Ambon, waar hij vijf jaren geleden, op verzoek van de Orang Kaja’s van Hitoe en de Koning van Noessatel acht weken vergeefs heeft deelgenomen aan de belegering van het Portugese Fortaleza Nossa Senhora da Anunciada. Nu laat Steven van der Haghen op 21 februari 1605 het anker vallen voor dit Portugese fort. De angstige capitão, Gaspar de Melo, geeft het fort na twee dagen vrijwel zonder slag of stoot over aan de Hollanders. Zij reccnstrueren het fort, legeren daarin een garnizoen van 130 man en herdopen het in Fort Victoria. De Portugese gouverneur, Sancho de Vasconcelos, moet het veld ruimen en wordt opgevolgd door de eerste Hollandse gouverneur van Ambon, Frederick de Houtman. Steven van der Haghen sluit op 25 februari met de kapitein van Hitoe en met de andere Orang Kaja’s een overeenkomst die de VOC haar eerste soevereiniteitsrechten en het monopolie op kruidnagelen bezorgt, dit ten koste van de Portugezen. Niet alleen de lokale hoofden, maar ook de Portugezen die op Ambon willen blijven leggen een eed van trouw af aan de Staten-Generaal, aan de Prins van Oranje en aan gouverneur Frederick de Houtman. De Hollanders ontvangen in hun krachtmeting met de Portugezen waardevolle hulp van de inwoners van de naburige eilanden, die de Portugezen vijandig gezind zijn, omdat zij hun onverzadigbare hebzucht meer dan beu zijn. Daarom gaan zij gaarne met de nieuwkomers in zee en zijn zij hen behulpzaam bij het verdrijven van de Portugezen. Ondanks het Nederlandse garnizoen in Fort Victoria leven de bewoners in voortdurende vrees voor de wraak van de Portugezen sedert de Ambonezen met de VOC in zee zijn gegaan. Vooral de komst van de vloot van almirante André Furtado de Mendoça wordt gevreesd. Om deze reden heeft Jacob van Heemskerck al in juni 1601 het kleine Nederlandse garnizoen van 27 man van Ambon geëvacueerd, daarbij de Ambonese bondgenoten aan de wraak van de Portugezen overlatend.

In de maand april 1605 zendt Steven van der Haghen zijn vice-admiraal, Cornelis Bastiaensz met vijf schepen; Dordrecht, Amsterdam, West-Vrieslandt, Gelderland en Medemblijck naar Tidore. Als het Hollandse eskader op 2 mei voor Tidore aankomt, ziet de vice-admiraal daar twee Portugese kraken liggen. Valentijn vermeldt de namen van hun kapiteins: ‘Thomas de Torris’ en ‘Fernando Pereira de Sandi’. Drie dagen later eist Cornelis Bastiaensz de overgave van het Fortaleza dos Reis Magos, dat in 1601 zonder veel succes al door Jacob van Neck is beschoten. Het antwoord luidt dat het garnizoen zich tot de laatste man zal verdedigen. De vice-admiraal op de Dordrecht en schipper Jan Mol op de Gelderland slepen ieder onder hevig vuur uit de batterijen van het fort, een kraak weg. Na een bestorming van het fort door 150 man, onder bevel van kapitein Van der Perre en zeer harde strijd, waarbij 500 Ternatanen zich aan de zijde van de Hollanders hebben geschaard om van de partij te zijn als er gaat worden geplunderd, geven de Portugezen zich, na een taai verzet van 2 weken, op 19 mei 1605 over. Hun positie is onhoudbaar geworden als een van de torens van het fort uit elkaar gesprongen is, nadat de kruitkamer daarin is ontploft, waardoor vele tientallen Portugezen zijn omgekomen. De capitão vam het fort, Pedro Álvares de Abreu en kapitein ‘Pereira de Sandi’ van een van de naus (kapitein Torris van de andere nau zou al eerder in de strijd zijn gesneuveld), de overlevenden van het garnizoen en andere op Tidore zijnde Portugezen, bij elkaar 500 mensen wordt toegestaan met enige vaartuigen uit te wijken naar de Filippijnen. Cornelis Bastiaensz verdrijft met Ternataanse hulp de Portugezen ook van het eiland Makian. Hij laat het Fortaleza Reis Magos op Tidore tot de grond toe afbreken, want de Hollanders beschikken niet over voldoende manschappen om de Molukken te bezetten. Er wordt alleen een klein Nederlands garnizoen op Ternate achtergelaten.

Nadat Steven van der Haghen zijn vice-admiraal naar Tidore heeft gezonden, gaat hij zelf naar de Banda-eilanden. Toen Wolfert Harmensz in 1602 deze eilanden bezocht, heeft hij van de bewoners van het eilandje Pulau Ai een monopolie op de handel in nootmuskaat en foeliel gekregen. De bevolking van enkele andere eilanden verleent Steven van der Haghen in 1605 eveneens het monopolie op de handel in muskaatnoten en foelie. Maar deze verdragen zullen aan alle kanten door de Bandanezen ontdoken worden, omdat de VOC lage prijzen betaalt, onaantrekkelijke handelswaar meebrengt, onbekend is met de lokale etiquette en haar verbod op de handel met anderen (vooral Javanen) strak handhaaft. Tijdens zijn verblijf op in de Banda-archipel zendt Steven van der Haghen het Duifken naar het oosten om de zuidkust van Nieuw Guinea te verkennen. Kapitein Willem Jansz komt als eerste Europeaan terecht in Australië. Alle verhalen over eerdere waarnemingen van of landingen op de kust van dit continent door Portugese zeevaarders (zoals de voetstappen van Godinho de Erida aan de noordkust in 1601) zijn niet onomstotelijk te bewijzen

Het door de Kamer van Amsterdam uitgerede schip Delft, een jacht van 300 ton, onder bevel van schipper Willem Cornelisz Schouten, maakt wel een zeer spectaculaire tocht door de Oost. Nadat het de gezanten van de sultan van Atjeh naar Prins Maurits – zoals eerder vermeld – naar hun vaderland heeft teruggebracht, blijft kapitein Schouten tot in de maand februari 1605 nog voor Atjeh en zet dan koers naar Masulipatnam aan de Coromandelkust, welke stad in de jaren zestig van de zestiende eeuw tot grote bloei is gekomen. Daar aangekomen knoopt hij handelsbetrekkingen aan en laat 25 april opperkoopman Pieter Isaac Eijloff aan de wal gaan, waar zich al Portugezen gevestigd hebben. Er worden aan de Nederlanders belangrijke diensten bewezen door de islamiet Mir Kamaldi. “Hij hielp iedereen terecht en gaat de fielterijen der Golkondase mohamedaanse gouverneurs tegen.” Golkonda wordt in de jaren 1580-1612 geregeerd door sultan Mohammad Quli Qutb en de Hollanders verwerven van hem het recht handel te drijven in de haven van Masulipatnam. In de maand mei gaat Schouten naar de vloot voor Bantam en blijft daar tot november 1605. De Delft neemt de opperkoopman Paulus van Soldt, de koopman Dirck van Leeuwen, de onderkoopman Pieter Warkijn en de assistent Jacob IJsbrants aan boord en keert 4 november terug naar Masulipatnam. Wegens tegenwind is de Delft op 1 december weer terug voor Bantam. Het schip zeilt 4 december uit naar Straat Bangka, ontmoet daar 22 december de Amsterdam en de Dordrecht, onder vice-admiraal Cornelis Bastiaensz, die met een buitgemaakte Portugese kraak van Patani komt. Als kapitein Schouten zijn sloep uitzendt om water te gaan halen aan de rmonding van de rivier van Palembang wordt de sloep door inlanders overvallen, waarbij een Hollandse zeeman wordt gedood. Zonder nog ergens te ankeren komt de Delft 18 maart 1606 voor Atjeh aan, met veel ziek en verzwakt volk. Na de voor Atjeh bestemde lading te hebben gelost, vertrekt het schip 2 april, onder bevel van Van Soldt, naar Coromandelkust. Men wil eerst Nagapattinam (Nagapatnam), aandoen, maar om wat haast te maken besluit de scheepsraad door te varen naar Pulicat. Op 25 april worden enige ongeladen Portugese schepen, die op de rede van São Tomé liggen, in brand gestoken. De Naik van Karnataka of zijn gouverneur van het iets verderop gelegen Pulicat zendt verversingen naar de Delft en nodigt – volgens Mac Leod – de Hollanders uit in Pulicat te komen handeldrijven, tegen betaling van slechts 4% tol. Portugese bronnen vertellen een heel ander verhaal. Zij zeggen: Op 26 april 1606 komen de Hollanders naar Pulicat en pogen van Jagga-radja , de locale heerser, toestemming te krijgen daar een factorij te vestigen. Als onderhandelingen daarover stranden, denken zij dat de Portugezen een geheim verdrag hebben gesloten met inheemse heersers. Geërgerd door deze terugslag, steken zij twee Portugese schepen in de haven van São Tomé in brand. Later vestigen de Hollanders een factorij in Nizampatnam aan de monding van de Krishna-rivier. De Portugese lezing lijkt het waarschijnlijkst, want al na een paar dagen (30 april) vertrekt de Delft van Pulicat en arriveert 3 mei voor de havenstad Petapuli (Vetapolemu), nabij een van de mondingen van de Krishna-rivier, waarvan – volgen Mac Leod – de gouverneur, die de stad bestuurt voor de sultan van Golkonda, over handel spreekt. De kooplieden van de Delft worden met grote gastvrijheid, vreugdebetoon en feestelijkheid ontvangen. Van Soldt laat Dirck van Leeuwen en Pieter Warkijn zich te Petapuli vestigen en plaatst te Nizampatnam een assistent, namelijk Jacob IJsbrants. Van Soldt zelf maakt een reis naar Bagnagar, de hoofdstad van Golkonda en in augustus ontvangt hij van sultan Mohammad Quli Qutb een firman of vergunning handel te drijven in Petapuli en omgeving. Alle nabij de mondingen van de Krishna-rivier gelegen kantoren van de VOC, als Masulipatnam, Nizampatnam en Petapuli, dienen overigens te worden beschouwd als één vestiging. Op 15 september wordt de terugreis naar Bantam aanvaard met Pieter Isaac Eijloff aan boord, die het met Golkonda gesloten contract overbrengt. Op 29 september ankert de Delft bij Car Nicobar, het noordelijkste eiland van de Nicobaren, om water, brand- en masthout te halen. Hier worden op 4 oktober zes mannen verloren, die aan de wal door de inlanders overvallen en gedood worden. Op 12 oktober neemt de Delft, met veel overleg en door een juiste aanwending van het geschut en goede bezeildheid, een Portugees schip. Vermoedende dat een entering in het voordeel van de Portugezen zal aflopen, weet de schipper zo te manœuvreren dat hij steeds op de Portugees blijft jagen. Zijn roerganger van het roer afschiet en zijn tuig zo ontreddert dat de kapitein de zeilen strijkt. Na nog twee maanden, zonder land aan te doen, op zee te zijn geweest, komt de Delft op 12 december aan voor Bantam. In 1607 zeilt het schip achtereenvolgens naar Ambon, Gresik, Ambon, Banda en Ternate, waar de rest van het jaar verblijft. In 1609 gaat de Delft naar Ambon, laadt het schip nagelen in Kombello op Séran, zeilt naar Makassar, Gresik, Bantam, Ternate en Bantam, vanwaar het schip tenslotte op 15 oktober 1608 naar Nederland vertrekt.

Van de rest van de vloot waarmee Steven van de Haghen op 18 december 1603 uit Nederland is vertrokken, is bekend dat het Duyfken ook in Indië is gebleven en uiteindelijk in juli 1608 is vergaan. Hetzelfde is gebeurd met de West-Vrieslandt. Dit schip is, nadat het 25 augustus 1605 van Bantam naar patria is vertrokken, gestrand aan de kust van Madagascar. De bemanning is teruggekeerd naar Bantam. De Enckhuijsen is in Indië gebleven en is uiteindelijk gestrand bij Halmahera. Van alle in Nederland veilig teruggekeerde schepen is ’t Hof van Hollandt het eerst weerom. Het schip is niet verder geweest dan Madagascar en is begin april 1605 alweer bij Texel. De zeven andere schepen zijn allemaal van Bantam teruggekeerd naar het vaderland; de Gelderland op 25 augustus als eerste, te zamen met de gestrande West-Vrieslandt. Het vlaggenschip de Geünieerde Provintiën op 7 oktober en de Hoorn op 5 november 1505. Op 2 februari 1606 zeilen nog eens drie schepen van Bantam naar Holland; het zijn de Amsterdam, Dordrecht en Zeeland. Deze zes schepen komen allen in 1606 in Holland aan, met uitzondering van de Dordrecht, welk schip eerst in juni 1607 bij Goeree terug is. De Medemblijck tenslotte vertrekt pas 18 juli 1607 van Bantam en keert in mei 1608 in patria terug.

Terwijl de meeste schepen van de vloot van Steven van der Haghen naar het vaderland zijn teruggekeerd, gaat een van de resultaten van zijn optreden verloren. Terwijl de Hollanders zich verspreid hebben over de Molukken, daar factorijen hebben gesticht, maar militair zwak zijn, is Don Pedro de Acuña doende in de Islas de los Pintados een vloot op te bouwen om de Hollanders uit de Molukken te verdrijven. Deze vloot bestaat uit vijf schepen, vier galeien met een lantaarn op het achterschip (galeras de fanal), drie galjoten, vier sampans, drie funea’s, twee Engelse lancha’s, twee brigantijnen, een barca chata voor de artillerie en dertien fragatas met een hoog dek. De strijdmacht bestaat uit 1.300 Spanjaarden, met inbegrip van de vrijwilligers. Van de partij is ook een aantal Portugezen, overlevenden van de Hollandse bezetting van Tidore, alsmede 400 Filipino’s. De vloot vervoert een hoeveelheid artillerie en ammunitie. Alsmede voorraden voor negen maanden. De gouverneur zeilt aan het hoofd van de expeditie; tijdens zijn afwezigheid zal in Manila de Audiencia belast zijn met het bestuur.

Op 15 maart 1606 verlaat de vloot de Islas de los Pintados en arriveert later die maand voor Tidore, waar de sultan de Spanjaarden verwelkomt. Hij klaagt over zijn slechte behandeling door sultan Said Barakat van Ternate, een bondgenoot van de Hollanders op dat eiland. Aangevoerd door de sultan zelf, schepen 600 Tidorezen zich in op de Spaanse vloot, die 31 maart koers zet naar Ternate, waar het beleg wordt geslagen voor het voormalige Portugese Fortaleza de São João Baptista of Gammelamme. Het garnizoen, bestaande uit Hollanders en inheemse medestanders, doet een uitval naar de belegeraars, in de verwachting hen bij verrassing te kunnen verslaan, maar zij worden teruggeslagen door een compagnie Portugezen, onder leiding van João Rodrigues Camelo die, de Hollanders in hun vlucht achtervolgen en met hen het fort binnendringen. Na de Hollanders uit het fort te hebben gejaagd, worden zij ook uit de stad verdreven. Daarmee is Ternate onder Spaanse heerschappij gekomen. Don Pedro de Acuña gaat dan naar Tidore en Makian en verdrijft de Hollanders ook van deze eilanden, die voor de Spaanse Kroon in bezit worden genomen. De op Ternate aanwezige Hollanders en lieden afkomstig van het eiland Moro nemen na de Spaans-Portugese overwinning de vlucht, maar de laatsten keren spoedig terug om vrede te sluiten en om eer te bewijzen aan de Koning van Spanje. Don Pedro de Acuña zeilt terug naar de Filippijnen na op Ternate een garnizoen van 500 man te hebben achtergelaten en op Tidore 100 man te hebben gelegerd2. Aan boord van de Spaanse vloot bevinden zich de sultan van Ternate, Said Barakat, de kroon prins, zijn zoon en al zijn dignitarissen, in totaal dertig personen. Zij worden meegenomen naar Manila, hoewel zij daar goed en met de verschuldigde eerbied zullen worden behandeld, zijn zij gijzelaars. De gouverneur keert na zijn verovering van de Molukken 31 mei 1606 in triomf in Manila terug.

1 ’t Hof van Hollandt zal van Madagascar terugkeren naar Nederland, maar het jacht Medemblijck (250 ton) zal doorzeilen naar Indië; het zal daar blijven en uiteindelijk bij de Malediven vergaan

2 De Spaanse bezetting van enige specerijeneilanden zal standhouden tot 1663 (op het eiland Siau verblijft bovendien tussen 1671 en 1677 een klein Spaans garnizoen) De Spaanse aanwezigheid in de Molukken zal worden gekenmerkt door veelvuldige harde gevechten tegen de Hollanders, die vrijwel volledig meester zijn op zee en die qua bewapening, aantal soldaten en schepen superieur zijn. Bijna de gehele tijd hebben de Spanjaarden een trouwe bondgenoot in de sultan van Tidore en de Hollanders in de sultan van Ternate.

1.3 De verrichtingen van de admiraals Cornelis Matelieff de Jonge en Paulus van Caerden

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

De oprichting van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie; de eerste VOC-vloot naar Indië. De aanval van de Hollanders op de Estado da India

Deel 16 Index

Hoofdstuk 1.

De aanval van de Hollanders op de Estado da India

1.1. De oprichting van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie; de eerste VOC-vloot naar Indië

Geschreven door Arnold van Wickeren

In deel XV van dit werk is aandacht besteed aan de reizen van de zogenaamde voorcompagnieën van de VOC. In de jaren 1595-1602 hebben deze compagnieën, die in feite gelegenheidsondernemingen zijn geweest, omdat zij na terugkeer van de schepen weer werden opgeheven, niet minder dan 65 schepen naar Oost-Indië gezonden. Omdat de felle concurrentie tussen deze compagnieën, vooral tussen Zeeuwen en Hollanders, geenszins in het landsbelang was, hebben de Raadpensionaris van Holland, Johan van Oldenbarnevelt, en de stadhouder, Prins Maurits, zich beijverd de bewindhebbers van de voorcompagnieën tot samenwerking te bewegen, waardoor de Staten-Generaal de Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) hebben kunnen oprichten. De VOC, waarvoor uit alle lagen van de bevolking een kapitaal is ingelegd van ƒ 6.424.588, heeft zes kamers: Amsterdam, Zeeland, Enkhuizen, Delft, Hoorn en Rotterdam. De Compagnie wordt het octrooi of privilegie gewaarborgd van de handel op Oost-Indië, hetzij langs Kaap de Goede Hoop, hetzij westwaarts, door de Straat van Magalhães. Daartoe mag zij in de overzeese landen verbintenissen aangaan, “forteressen en verzekertheden” bouwen, gouverneurs, officieren van justitie en krijgsvolk aanstellen. Het octrooi, dat gedateerd is 20 maart 1600, machtigt de Compagnie ook schepen van Portugezen en Spanjaarden te nemen. De organisatie van de VOC, met haar zes kamers, is gedecentraliseerd.

De verdeling van de activiteiten over de kamers, zoals de bouw en uitrusting van schepen of de in- en verkoop van goederen, is nauwkeurig vastgelegd: Amsterdam de helft, Zeeland een kwart en de kleine kamers ieder een zestiende. Een kamer wordt bestuurd door bewindhebbers, dat is per kamer een vast aantal personen, die door de stedelijke overheid of, in het geval van Zeeland, de gewestelijke staten, worden gekozen uit kandidaten die door de reeds zittende bewindhebbers zijn voorgedragen uit meestal zeer kapitaalkrachtige aandeelhouders. Het bestuur van de VOC is opgedragen aan de Heren XVII. In dit college participeert Amsterdam met acht en Zeeland met vier bewindhebbers. De vier kleine kamers hebben ieder een bewindhebber in het bestuurscollege. Om te verhinderen dat de kamer van Amsterdam alleen de dienst uitmaakt, is bepaald dat de kamer van Zeeland, de kamers van de Maas en die van Noord-Holland om beurten het zeventiende lid van het bestuurscollege benoemen. De Heren XVII, die beurtelings in Amsterdam en in Middelborch bijeenkomen, vergaderen voor de eerste maal op 15 april in Amsterdam. Tot voorzitter van de gehele vergadering wordt gekozen de Amsterdamse bewindhebber Reinier Paeuw1. De volgende dag (16 april) besluit de vergadering een vloot van veertien2 schepen uit te rusten. Tot admiraal van de vloot wordt aangesteld Wybrandt van Warwijck, aan boord van de Mauritius, en tot vice-admiraal Sebald de Weert. Tot leden van de ‘breeden raad’ der vloot worden de admiraals en enige kooplieden en schippers (kapiteins) benoemd. De vloot is primair een handelsvloot die peper dient in te kopen in Bantam op Java en nagelen, foelie en noten op de andere eilanden, maar naast haar commerciële karakter, vormt de vloot ook een militaire macht die de ‘coninck’ van Ternate en de ‘gouverneur’ van Ambon assistentie dient te verlenen tegen de Portugezen. Wijbrandt van Warwijck vertrekt op 17 juni 1602 met de zes schepen van de kamer van Amsterdam, de twee schepen uit Enkhuizen en het jacht Papegaij van de rede van Texel; Sebald de Weert is al 31 maart met de drie Zeeuwse schepen van Wielingen vertrokken en de Eendracht, de Erasmus en de Rotterdam zeilen 18 juni uit. De oprichting van de VOC en de voorbereidingen voor de uitzending van een grote vloot van met kanonnen3 bewapende schepen ontgaat de Spanjaarden en Portugezen natuurlijk niet. Voor de onderkoning van de Estado da India vormen de vloten van de VOC een zeer serieuze bedreiging. We zullen daarom aan de verrichtingen van de schepen van de eerste vloten die de VOC naar Indië zendt de nodige aandacht schenken.

Wijbrandt van Warwijck zendt op 15 december 1602, als zijn gehele vloot zich in de buurt van Kaap de Goede Hoop bevindt, zijn vice-admiraal met vier schepen naar Sri Lanka; drie andere schepen gaan naar Atjeh en met de overige zeven schepen arriveert de admiraal op 29 april 1603 voor Bantam. Twee dagen nadat Joris van Spilbergen daar met de schepen Ram en Schaap uit Atjeh is aangekomen. Joris van Spilbergen is op 5 mei 1601, in dienst van de Compagnie van Balthasar de Moucheron, uit Veere naar de Oost uitgezeild. Van Warwijck zendt op 6 juni de Erasmus en Nassau van Bantam naar China. Op 1 augustus verschijnt Jacob van Heemskerck4 met de schepen Witte Leeuw, Alkmaar en een op de Portugezen buitgemaakte kraak voor Bantam. Op 20 augustus stelt de pangéran van Bantam de admiraal een huis tot kantoor beschikbaar, waarin hij Frans Wittert als hoofd, met Jacob Doensz van Groendijck en enige andere plaatst. Wybrandt van Warwijck zendt 29 augustus 1603 de Eendracht in gezelschap van Joris van Spilbergen, met zijn schepen Ram, Schaap en Lam, naar patria en 18 oktober 1603 vertrekken de Mauritius en Rotterdam, in gezelschap van Jacob van Heemskerck met de Alkmaar, Witte Leeuw en de door hem op 25 februari 1603 in Straat Singapore buitgemaakte Portugese nau Santa Catarina ook naar Nederland

Inmiddels is op 13 augustus het schip Ter Goes uit Sri Lanka in Bantam aangekomen met belangrijk nieuws. Sebald de Weert is, na aan het einde van het jaar 1602 bij Kaap de Goede Hoop de vloot met vier schepen verlaten te hebben, met zijn eskader naar Sri Lanka gezeild en voor Batticaloa voor anker gegaan. Vandaar is hij met zijn metgezellen, gezeten op de rug van olifanten, naar Kandy gereisd, waar hij door de koning, “een zeer beschaafd en rijk vorst, vriendschappelijk ontvangen en weelderig onthaald werd.” De vorst wil gaarne de Portugezen, die vestingen hebben in Colombo en Cruz de Gale (Galle), uit zijn land verdreven zien en daartoe roept hij de hulp in van Sebald de Weert. Deze vertrekt naar Atjeh, na de koning te hebben beloofd met meer schepen te zullen terugkeren. Sebald de Weert vindt in Atjeh de drie schepen de Wijbrandt van Warwijck naar Atjeh heeft gezonden, alsmede twee schepen van Balthasar de Moucheron uit Zeeland, Ram en Schaap. Hij keert op 3 april 1603 met zeven schepen en drie sloepen naar Sri Lanka terug, nadat hij Jan Decker als koopman in Atjeh heeft achtergelaten en twee Atjeese gezanten aan boord heeft genomen. De ontvangst in Batticaloa is opnieuw zeer hartelijk en met de Koning van Kandy, Vimala Dharma Surya wordt afgesproken dat deze te land tegen de Portugezen in Cruz da Gale zal optrekken, terwijl Sebald de Weert met zijn vloot deze stad van de zeezijde zal aanvallen en veroveren. Tijdens de voorbereiding van de veldtocht tegen Galle, verovert Sebald de Weert achtereenvolgens vier Portugese schepen. Hij neemt geen Portugese zeelieden gevangen, maar laat hen naar het Portugese Negapatão (Nagapattinam) aan de Coromandelkust vertrekken. Dit veroorzaakt – volgens Mac Leod – onvrede bij de Koning van Kandy. Vimala Dharma Surya brengt de Hollandse zeevoogd in Batticaloa begin juni een bezoek. Volgens Mac Leod zendt Sebald de Weert hem ter verwelkoming een gewapende troep van 200 man, met twee vaandels, twee trommen en twaalf trompetten naar de wal. De vice-admiraal doet een voetval voor de vorst, als hij hem ontmoet, maar deze vreest dat Sebald de Weert hem wil gevangennemen of doden. De zeelieden worden omsingeld en de vice-admiraal en 47 van zijn manschappen worden gedood.5

De schippers kiezen na de dood van de vice-admiraal Cornelis Pietersz tot zijn opvolger; deze gaat op de Zierikzee over en wordt door Vimala Dharma Surya vriendelijk behandeld. Hij zeilt naar Billigamme en vertrekt van daar op 31 juli 1603 naar Atjeh, waar hij op 9 augustus aankomt met vijf schepen: Zierikzee, Hollandia, d’ Sterre, Vlissingen en Hollandtsche Tuijn. (De Ram en het Schaap, welke schepen begin april 1603 door Sebald de Weert van Atjeh zijn meegenomen naar Sri Lanka, zijn van daar naar Nederland teruggekeerd.) De Hollandia, de Sterre en de Vlissingen zendt Cornelis Pietersz 17 augustus door naar Bantam en zelf gaat hij met de Zierikzee, de Hollandtsche Tuijn en het jacht Papegaij een week later naar Johore. Hij ankert 4 oktober 1603 voor de rivier van Johore. Van de koopman Jacob Buijsen, die door admiraal Jacob van Heemskerck is achtergelaten in Batoe-Sawar, de hoofdstad van Johore, verneemt Cornelis Pietersz dat er Portugese schepen in de rivier liggen. Hij besluit de Portugezen aan te tasten. Op 7 oktober zeilt hij de rivier op, beschiet de Portugese schepen en jaagt hen op de vlucht, waarna de sultan van Johore zich met een vloot van 5 galeien en 40 prauwen bij de Hollandse schepen voegt, om de Portugezen te vervolgen. Na een gevecht met de Portugese schepen op 10 oktober, zeilen deze een dag later weg. Cornelis Pietersz vaart weer de rivier op en ontvangt grote dank van de Jang-di-pertoewan, omdat hij hem van zijn vijanden, de Portugezen, verlost heeft. Op 13 oktober gaat Cornelis Pietersz met de Zierikzee en de Hollandtsche Tuijn onder zeil naar Patani en het jacht Papegaij zendt hij naar Bantam om tijding te brengen. Als de vice-admiraal op 3 november in Patani aankomt, treft hij daar de koopman Daniël van der Leck, die daar door admiraal Jacob van Neck is achtergelaten. Cornelis Pietersz treft ook het onzeewaardige schip Haarlem van Gaspar Groensbergen aan. Op 20 december 1603 vertrekt Cornelis Pietersz met de Zierikzee naar Bantam, terwijl de Hollandtsche Tuijn nog in Patani achterblijft om de lading peper van de Haarlem over te nemen. Daarna wordt de wordt de niet meer zeewaardige Haarlem inderdaad in brand gestoken.

Mac Leod merkt op dat de verrichtingen van de weinig genoemde tijdelijke vice-admiraal Cornelis Pietersz en zijn schepen belangrijk genoeg zijn om niet te worden vergeten. Hij vertrekt op 21 april 1604 met de Zierikzee en de Hollandtsche Tuijn naar Nederland. Hij heeft veel zieken op zijn schepen en overlijdt zelf op 29 september in een baai bij Kaap de Goede Hoop

We keren nu terug naar admiraal Wijbrandt van Warwijck. Wij hebben gezien dat hij zich eind augustus 1603 nog voor Bantam bevond. Hij vertrekt op 11 november van dat jaar, met vier schepen; de Hollandia, de Sonne, de Maene en Vlissingen, naar het Oost-Javaanse Gresik, onderweg zendt hij de Sonne door naar Ternate en hij zeilt met de overige schepen naar Johore, waar hij op 3 mei 1604 aankomt en waar hij verneemt dat de Erasmus en Nassau, die hij ongeveer een jaar eerder naar China heeft gezonden, voor Macau een Portugees galjoen hebben gelost en daarna in brand hebben gestoken. Op 20 mei zet de admiraal zijn reis voort; hij zeilt via Patani naar China. In de Zuid-Chinese Zee heeft hij te kampen met veel slecht weer en op 7 augustus 1604 gaat hij voor anker bij Pehoe, het noordelijkste grote eiland van de Pescadores, ten westen van Formosa. De Chinese autoriteiten die het gezag over de Pescodores uitoefenen en de Chinese vloot beletten6 Wijbrandt van Warwijck handel te drijven, maar de admiraal blijft desondanks tot 15 december 1604 in de Pescadores, in welke tijd hij de basis legt voor het aangaan van handelsbetrekkingen. Op weg naar Patani gaat Wijbrandt van Warwijck op 6 januari 1605 voor anker bij Poeloe Tjioeman. Hij zendt de Vlissingen naar Bantam. Dit schip verovert op 14 februari bij Pedra-branca (Straat Singapore) een Portugees schip en zet met deze prijs zijn reis voort. De admiraal die te kampen heeft met onophoudelijk stormweer, waardoor zijn touwen breken en hij ankers verliest, blijft ondertussen bij Tjioeman liggen en komt niet voor 16 maart in Patani, waar hij het geluk heeft een oude kraak, de Santo António, te bemachtigen, die onder oogluikende toestemming van de koningin van Patani, zonder gevecht aan hem wordt overgedragen. Hij laat de kraak vertimmeren, zodat het schip naar Nederland kan zeilen. In april keert de Vlissingen van Bantam terug en in september brengt dit schip de Santo António naar Johore. Op 27 oktober 1605 vertrekt Wijbrandt van Warwijck met zijn schepen Hollandia, Sonne en Maene van Patani en 12 november komt aan hij bij Johore, vanwaar hij op 12 december met de Vlissingen naar Bantam zeilt. Voor Johore ligt de Amsterdam, het schip van vice-admiraal Cornelis Bastiaensz, die in december 1603 is uitgezeild met de vloot7 van de Vlaming admiraal Steven van der Haghen. De vice-admiraal neemt de Santo António mee naar Bantam, waar hij een dag na Warwijck aankomt. Op 6 februari 1606 onderneemt de eerste admiraal van de VOC met zijn schepen Hollandia en Vlissingen en met de schepen Amsterdam, Dordrecht en Zeeland van de vloot van Steven van der Haghen de terugreis naar Nederland. In de Indische Oceaan maakt de Hollandia zoveel water dat de vloot op 6 april 1606 het eiland Mauritius moet aandoen. Daar wordt niet alleen de Hollandia, maar ook de eveneens lekke Dordrecht geheel opgetimmerd. De zeewaardige schepen Amsterdam, Zeeland en Vlissingen zetten op 20 april de thuisreis voort en Wybrandt van Warwijck ziet toe op de reparatie van de Hollandia en de Dordrecht. Bovendien verwacht hij nog het prijsschip Santo António. Als dat schip op 4 november nog steeds niet is gearriveerd, zet de admiraal de thuisreis voort met de beide andere schepen. Hij keert in de maand juni 1607 in het vaderland terug, maar liefst vijf jaren nadat hij is uitgezeild.

1 Aan de vergadering nemen deel: de acht Amsterdamse bewindhebbers: Reinier Paeuw, Gerard Bicker, Jan Jansz Carell, Jan Poppe, Francois van Houw, Dirck van Os, Isaac le Maire en Louys del Beque; vier Zeeuse leden: Jacob Boreel,Jan Lambrachtsz Cool, Everardt Becker en Gerard van Schoonhoven en tensloote: Dirck Gerardtsz Meerman (Delft), Pieter Lenaertsz Busch (Rotterdam), Cornelis Veen (Hoorn) en Willem Cornelisz de Jonghe (Enkhuizen). Het zeventiende lid ontbreekt deze eerste maal.

2 Deze schepen zijn uit Amsterdam: Mauritius (admiraalsschip), Hollandia, d’Sonne, d’Maene, d’Sterre, Nassau; uit Middelborch: Zierikzee (vice-admiraalsschip), Vlissingen en Ter Goes en voorts de Eendracht uit Delft, Erasmus en Rotterdam (uit Rotterdam) en de Hollandtsche Tuijn en de Maecht van Enckhuijsen uit Enkhuizen. Bij deze veertien schepen is het jacht Papegaij niet meegeteld.

3 Ieder groot schip heeft 4 metalen kanonnen aan boord, waarmee kogels van 24 pond verschoten kunnen worden

4 Admiraal Jacob van Heemskerck is op 23 april 1601, in dienst van een voorcompagnie, tezamen met vice-admiraal Wolfert Harmensz, met dertien schepen van Texel naar Indië vertrokken en hij heeft al een paar jarem rondgezworven. )zie deel XV, pag. 217-219

5 In de Wikipedia Encyclopedia staat een veel geloofwaardiger verhaal over de dood van Sebald de Weert en de zijnen. Er komt een kink in de kabel van het gezamenlijke militaire optreden tegen Galle tijdens een banket in juni in Batticaloa. Tijdens het banket, waaraan een groot deel van de bemanning van de VOC-schepen deelneemt, gedraagt het scheepsvolk zich ordeloos en toont weinig respect voor zijn gastheer, aan welke houding de Kandyanen zich vreselijk ergeren. Koning Vimala Dharma Surya wordt door een vrijwel beschonken Sebald de Weert onder druk gezet met hem aan boord van zijn schip (Zierikzee) te gaan. De koning wantrouwt de bedoelingen van zijn gast, want de uitgeoefende druk zou wel eens een bedreiging kunnen zijn voor zijn heerschappij en zijn leven. Vimala Dharma Surya weigert dus aan boord te gaan. Hierop beledigt de vast-houdende en dronken bevelhebber de koning. Deze poogt hierop Sebald de Weert te doen gevangennemen, maar hij verzet zich hiertegen zo furieus dat hij onmiddellijk wordt gedood en vele schepelingen met hem.

6

7 Het admiraalsschip, de Geunieerde Provintiën, en de schepen: Amsterdam, Gelderland, Delft, ‘t Hof van Hollandt en het jacht Duyfken zijn uitgereed door de kamer van Amsterdam; de Dordrecht en Zeeland zijn van de Zeeuwse kamer; de Hoorn, later aangevuld met de Medemblijck zijn van de kamer van Hoorn en de West-Vrieslandt en de Enckhuijsen van de kamer van Enkhuizen

1.2. De verrichtingen van de vloot van Steven vander Haghen

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

De vloot van André Furtado de Mendoça. De aanval van de Hollanders op de Estado da India

Deel 16 Index

Hoofdstuk 1.

De aanval van de Hollanders op de Estado da India

1.0. De vloot van André Furtado de Mendoça

Geschreven door Arnold van Wickeren

Natuurlijk zitten de Spanjaarden en Portugezen niet stil als vanaf 1598 een geregelde stroom van Hollandse schepen die op weg zijn naar Zuidoost-Azië op gang komt, wat een groot gevaar vormt voor het handelsmonopolie waarover de Portugezen in deze streken beschikken. Voor hen vormt deze situatie een zeer moeilijk op te lossen probleem. Een radicale oplossing voor het geschetste probleem zou zijn een blokkade van Hollandse havens door middel van een sterke vloot in de Schelde. Gelet op de krachtsverhoudingen van dat moment in Europa, dient dit te worden overgelaten aan Spanje, welk land echter niet in staat is gebleken een dergelijke blokkade uit te voeren. Zijn de Hollandse schepen eenmaal op volle zee, wat dus niet kan worden verhinderd, dan kunnen zij overal aan de kusten van Zuid- en Midden-Amerika, West- en Oost-Afrika en Voor-Indië, Sri Lanka en de Indische Archipel opduiken. Het is voor de Portugezen volstrekt onmogelijk alle locaties van hun hele uitgebreide territorium met voldoende sterke vloten te beschermen. Het enige wat kan worden gedaan is het concentreren van een grote vloot op een geschikte locatie in Azië en als er dan een Hollandse vloot verschijnt zou die kunnen worden vernietigd. Als er een voldoend aantal kraken van de verschillende compagnieën zal zijn vernietigd, zullen deze het zenden van schepen naar de Oriënt staken, is de redenering. Gunstige omstandigheden zijn, dat de Hollandse vloten uit een klein aantal schepen bestaan en dat zij bijna zonder uitzondering de bestemming Atjeh of Bantam hebben. Derhalve concentreren de Portugezen hun aandacht op deze kwetsbare punten. Binnen dit strategische kader lijkt het aanvankelijk voldoende te zijn een vloot van vier galeões (galjoenen) en enige fustas (fusten) voor verkenning nabij Straat Soenda te stationeren. Met eenzelfde vloot bij Atjeh en een derde soortgelijke reservevloot bij Goa zou de Estado da India voortdurend over twaalf galjoenen beschikken, wat overeenkomt met zijn financiële en logistieke mogelijkheden. Volgens Saturino Monteiro is het probleem niet van strategische, logistieke of financiële, maar van technische aard, wat hij als volgt toelicht. Aanvankelijk hebben de Portugezen hun suprematie ter zee in Azië gevestgd met het geschut van hun schepen, al na enkele jaren zijn zij overgegaan tot het enteren van schepen en het strijden met de blanke sabel. Het gevolg is dat bij de bouw van grote schepen nauwelijks sprake is van de technische vernieuwing en dat de fluitschepen van de Hollanders veel betere zeilers blijken te zijn dan hun Portugese tegenstanders.

De opbouw van een grote Portugese vloot die de Hollandse indringers moet vernietigen, begint aarzelend. Als in maart of april van het jaar 1600 in Goa wordt vernomen dat er veel Hollandse schepen op weg zijn naar Indië, heeft vice-rei Dom Francisco da Gama (1597-1600), met de moesson voor de deur, het grootste deel van zijn strijdkrachten ingezet om de machtige piraat Cunhale te vernietigen. Hij is nauwelijks in staat begin mei twee galeotas (galjoten) naar Malacca te zenden. Het schijnt dat de capitão van Malacca een van deze twee galjoten heeft gebruikt om de ambassadeur van Atjeh naar Goa naar zijn land terug te brengen. In september van hetzelfde jaar, als er strijdkrachten beschikbaar zijn die in de voorbije zomer niet zijn ingezet tegen Cunhale, wordt een relatief grote vloot, die bestaat uit twee galjoenen en drie galjoten, onder bevel van Dom Guterres de Monroy, naar Malacca gezonden. Wanneer de vloot daar is aangekomen, waarschijnlijk in november, voegt Dom Guterres nog een galjoot, die hij daar heeft aangetroffen, aan zijn vloot toe en vertrekt met deze schepen naar Ambon en Tidore, om de twee forten daar in staat te stellen zich te verdedigen, als zich daar Hollandse schepen zouden vertonen. Dit is een verstandig besluit, dat op korte termijn zoden aan de dijk zet. Wanneer Steven van der Haghen namelijk in mei 1601 tracht het Portugese fort op Ambon te veroveren, wordt hij met verliezen teruggeslagen en hetzelfde overkomt Jacob van Neck, wanneer deze de volgende maand eenzelfde actie tegen het fort op Tidore onderneemt. Zowel op de heenweg naar de Molukken als op de terugtocht, ontmoet de vloot van Don Guterres de Monroy geen Hollandse schepen.

De nieuwe vice-rei, Aires de Saldanha (1600-1605), die in het najaar van 1600 in Goa is gearriveerd, geeft absolute prioriteit aan de uitrusting van een vloot van grote zeeschepen, bestemd om permanent te opereren in Zuidoost-Azië, met het uiteindelijke doel de Hollanders daar te verdrijven. Het resultaat van zijn inspanningen is dat in april 1601 een nieuwe vloot met bestemming Malacca de haven van Goa verlaat. De vloot, die onder bevel staat van Dom André Furtado de Mendoça, bestaat uit vier galjoenen, een galei en achttien fusten. Aan boord bevinden zich 1.200 Portugezen en 2.000 soldaten uit Malabar en Canara. De vloot zeilt naar Malacca, om de eerder daarnaar toegezonden twee galjoenen en vijf galjoten op te nemen. Zij ontstaat een vloot die – volgens Saturino Monteiro – voor haar taak, de Hollanders uit de Indische Archipel te verdrijven, berekend is.

De benoeming van Dom André Furtado de Mendoça tot capitão-mór van de bedoelde vloot is krachtig aanbevolen door de vice-rei, evenals door vele bestuurders van het koninkrijk, zoals de leden van de Conselho do Estado da India. De uitverkorene bezit een enorm prestige door de vele overwinningen die hij heeft behaald. Daartoe behoort de zege op de Koning van Jaffna in 1591, die hij heeft vervangen door een katholieke vorst, die een vazal is geworden van de Koning van Portugal, en de overwinning op de piraat Cunhale. Saturino Monteiro denkt dat zijn benoeming tot capitão-mór André Furtado geen vreugde heeft bezorgd. Furtado zou een voorstander zijn van het enteren van vijandelijke schepen en het vechten met de blanke sabel en is behept met een groot wantrouwen tegen artilleriegevechten tussen grote schepen. Tot admiraal1 van de vloot wordt uitverkoren Tomé de Sousa Arronches en Salvador Pereira da Silva, die kortgeleden is teruggekeerd van de oorlog in Sri Lanka, wordt belast met het bevel over de schepen die ook met roeispanen kunnen worden voortbewogen.

Het plan de campagne van de vloot van Dom André Furtado de Mendoça, dat is beraamd in Goa, omvat, naar het schijnt, het verkrijgen van de medewerking van de sultan van Atjeh, die bewogen zou dienen te worden de Portugezen toestemming te geven een groot fort in zijn land te bouwen, waar Portugese schepen op weg naar Malacca voorraden zouden kunnen innemen. Ook zouden zij Hollandse schepen kunnen volgen van Atjeh naar Bantam, om hen te vernietigen. De vloot die ook tot taak heeft het heroveren van Ternate, van welk eiland de Portugezen in 1575 zijn verdreven door islamitische strijders afkomstig van het eiland Moro, die op dat moment de lakens uitdeelden op Ternate. Eventueel zal hiervoor de hulp kunnen worden ingeroepen van de Spanjaarden in Manila. Saturino Monteiro acht het inroepen van Spaanse hulp overigens ‘overdreven ambiteus’. De eerste vijand waarmee André Furtado wordt geconfronteerd is het slechte weer. Na het passeren van Cabo Comorin teistert een vreselijk onweer zijn vloot, waarbij schepen verloren gaan. Enige fusten lijden schipbreuk aan de kust van Sri Lanka; andere schepen verschuilen zich in Manar en in andere havens. De galei, vergezeld van zeven fusten, weet Colombo te bereiken. Een fust en drie galjoenen vervolgen hun weg naar Atjeh. Op dat moment is er gebrek aan mensen en materiaal voor het voeren van oorlog op Sri Lanka. De Portugese aanvoerder op Sri Lanka, Dom Jerónymo de Azevedo, heeft er weinig moeite mee zijn vroegere ondergeschikte, Salvador Pereira da Silva, ertoe te bewegen zijn schepen en manschappen enige tijd aan Sri Lanka te binden, waar zij van veel nut zijn. Naar het schijnt heeft de vice-rei, Aires de Saldanha, deze beslissing later goedgekeurd.

Aires de Saldanha, die Dom Francisco da Gama, conde de Vidigueira (1597-1600) als capitão-geral en vice-rei van de Estado da India is opgevolgd en die in het najaar van 1600 met een vloot van vier schepen uit Lissabon in Indië, gearriveerd, moet direct na aankomst in Indië aandacht schenken aan de situatie op Sri Lanka. In strijd met de bepalingen in het met de Portugezen gesloten verdrag, heeft de Koning van Jaffna hulp geboden aan de Koning van Kandy. Gelet op de vijandschap tussen de Portugezen en de Koning van Kandy, kan deze hulp niet worden getolereerd en de onderkoning geeft bijgevolg Manuel Barreto da Silva, de capitão van het garnizoen van het in 1560 in Manar (Mannar) gebouwde stenen Forte São Jorge, bevel de Koning van Jaffna opnieuw te onderwerpen. Manuel Barreto trekt tegen de vorst op met een legermacht van 1.000 man, waartegen de koning een strijdmacht van 12.000 man in het veld brengt. Voordat het echter tot vijandelijkheden komt, neemt Frei Manuel van São Matias de taak van bemiddelaar op zich. Hij slaagt erin een vriendschappelijke regeling tussen partijen tot stand te brengen en bloedvergieten te vermijden. Een jaar later is een diplomatieke oplossing niet mogelijk, omdat Dom Jéronymo de Azevedo dan in een hevige strijd is gewikkeld met Kandy.

Salvador Pereira da Silva zal later de hoofdmacht naar Malacca volgen en hij zal de stad onder gevaarlijke omstandigheden2 bereiken. Door het afstaan van schepen aan Dom Jéronimo is de vloot waarmee André Furtado uit Goa is vertrokken gereduceerd tot slechts vier galjoenen en een fusta. De drastische vermindering van het aantal schepen is een grote slag, die niet nalaat het moreel van de legermacht en van haar capitão-mór al direct aan het begin van de campagne negatief te beïnvloeden. André Furtado schijnt het verlies van een deel van zijn vloot meer te verwijten aan Aires de Saldanha dan aan Salvador Pereira da Silva.

Op 8 juni 1601 bereikt een van de galjoenen van de vloot van André Furtado Atjeh. Het grote schip is vergezeld van een fusta. Als op 19 juni een ‘nau uit Mecca’ de haven van Atjeh nadert besluit de kapitein van de fusta dat schip te veroveren, echter zonder een openlijke aanval in te zetten, want zulk een actie zou de Koning van Atjeh kunnen beledigen, terwijl het juist van groot belang is, zijn gunst niet te verliezen. Maar de poging loopt uit op een mislukking. Als de fusta verschillende keren is geraakt door artillerieschoten afgevuurd door zowel de nau uit Mecca als door het fort van Atjeh, dat zich haast het vuur te openen om de soevereiniteit van het land te onderstrepen, springt de bemanning overboord. De mannen worden waarschijnlijk gered door de sloep van het galjoen, die de geredden afzet op de kust, waar zij zich verbergen. De Portugezen hopen dat het incident geen grote gevolgen heeft, maar de sultan van Atjeh blijkt zeer misnoegd te zijn over het Portugese optreden, zozeer zelfs, dat toen hij inlichtingen had ontvangen over de nadering van een vloot uit de stad Jor, hij hen verdacht van samenspanning met de Koning van die stad om Atjeh aan te vallen.

Naar het schijnt zou André Furtado de Mendoça op 5 juli voor Atjeh zijn aangekomen met de andere drie galjoenen waarmee hij uit Goa is vertrokken. Op dezelfde dag vertoont zich voor de stad ook de vloot uit Jor. Na haar aankomst in Atjeh vertrekt deze laatste vloot echter onmiddelijk, want na een kort gevecht met Andréi Furtado is zij verplicht zich terug te trekken. Nadat is vastgesteld dat de Portugezen niets vijandigs in de zin hebben, begrijpt de sultan van Atjeh dat er geen sprake is van een afspraak tussen hen en de Koning van Jor en hij ontvangt André Furtado zeer goed. Niettemin willigt de sultan niet het Portugese verzoek in, een fort in de stad te mogen bouwen, om haar te kunnen verdedigen tegen aanvallen van de Hollanders. Deze weigering betekent dat André Furtado het eerste punt van zijn opdracht niet heeft kunnen volbrengen. Hij vertrekt vervolgens met zijn tot vier galjoenen gereduceerde vloot naar Malacca. Als hij daar is aangekomen, rust hij twee galjoten uit en zendt deze eind augustus naar Tidore om de verdediging van dat eiland te versterken. Wellicht zendt hij ook twee galjoten met hetzelfde doel naar Ambon. Vervolgens wijdt hij zich aan de reorganisatie van zijn eigen vloot, waarbij hij een nuttig gebruik maakt van de schepen die hij in Malacca aantreft. Het gaat met name om twee galjoenen en vijf galjoten, die in het voorafgaande jaar naar Malacca zijn gezonden. Ook legt André Furtado de hand op twee of drie naus en twee jonken van kooplieden en op enige fustas en op acht bantins die toebehoren aan de stad Malacca. De vloot die André Furtado in Malacca opbouwt, zal bestaan uit zes galjoenen, twee galjoten (afgezien van de twee die gedetacheerd zijn bij Ambon), twee fustas en acht bantins. De kraken en de jonken van kooplieden zijn waarschijnlijk alleen aan de vloot toegevoegd om deze schepen bescherming te bieden en niet om de vloot te versterken.

Tijdens zijn verblijf in Malacca ontvangt André Furtado vanzelfsprekend inlichtingen over de schepen van zijn oorspronkelijke vloot die, onder bevel van Salvador Pereira da Silva, zijn ingezet bij de strijd op Sri Lanka. André Furtado’s ergernis hierover geldt overigens meer Aires de Saldanha, die de inzet heeft goedgekeurd, dan Salvador Pereira da Silva, die zich heeft laten bepraten.. Dit blijkt uit de brief, gedateerd 25 maart 1603, die André Furtado daarover vanaf Ternate schrijft aan de gouverneur van de Filippijnen en waarin hij deze vraagt om hulp bij de herovering van dat eiland. In dezelfde brief beklaagt André Furtado zich bitter over zijn gebrek aan door roeiers voort te bewegen schepen, zonder dewelken hij zijn vloot niet kan ontplooien, noch de hem toevertrouwde opdracht kan uitvoeren.

De zes galjoenen waarover André Furtado beschikt, zijn – volgens Saturino Monteiro – heel snelle schepen, die scherp aan de wind kunnen zeilen en de Hollanders grote moeilijkheden kunnen bezorgen. Het gemis van de galei, waarmee André Furtado uit Goa is vertrokken is wel een reden om te klagen, want dit is een reëel gemis. Een galei, met haar kanonnen van groot kaliber, kan van groot nut zijn, om bij kalme zee, de achtersteven van vijandelijke schepen aan te vallen. De fustas lijken daarentegen niet van groot nut zijn, tenzij voor het uitvoeren van verkenningsopdrachten en landingsoperaties, maar deze taken kunnen ook worden uitgevoerd door de bantins uit Malacca. In feite heeft André Furtado weinig reden om te klagen. Als de vloot is uitgerust, verlaat zij op 1 december 1601 Malacca. Zij moet midden december voor Bantam zijn aangekomen en gaat voor anker bij het eilandje Pulo Pandjang, dat in het midden van de baai, recht tegenover de stad Bantam ligt.

Het schijnt dat de Portugezen al in die tijd erover hebben gedacht een fortaleza te bouwen op genoemd eiland. Lissabon zou gaarne de beschikking hebben over een groot fort in de nabijheid van Straat Soenda. Bovendien zouden de Portugezen dan aan de bestuurder van Bantam een grotere hoeveelheid goederen kunnen aanbieden. Desondanks staat deze de bouw van een fort niet toe. In Goa, daarentegen, heerst de idee dat essentieel is in de nabijheid van Straat Soenda te kunnen beschikken over een sterke vloot van grote zeeschepen om de Hollanders te kunnen bestrijden. Het is dat laatste denkbeeld dat uiteindelijk prevaleert. Daarom maakt de bouw van een fort in de nabijheid van Straat Soenda geen deel uit van de lijst opdrachten die aan de vloot van André Furtado is verstrekt Een paar dagen na de aankomst voor Bantam, voegen zich bij de Portugese vloot acht coracora’s van de Koning van Palembang, die in die tijd vazal is geweest van Java en die het voornemen heeft te profiteren van de Portugese aanwezigheid daar om oude rekeningen te vereffenen.

De eerste Hollandse schepen die de Portugese vloot in het vizier krijgt, moeten de Middelborch en de Zon zijn geweest. Deze schepen behoren tot de vloot van de Vereenigde Zeeuwse Compagnie van Gerard le Roy en Laurens Bicker, die op 28 januari 1601 naar Indië is uitgezeild. De twee schepen zijn door de Straat van Malacca op weg van Atjeh naar Bantam. Als zij de Portugese vloot voor Bantam zien liggen, zetten zij koers naar Ambon. Omdat de Hollandse fluitschepen veel sneller zijn dan de Portugese galjoenen en zij bovendien een voorsprong hebben, is André Furtado zo verstandig de fluiten niet te achtervolgen. Hij laat daarentegen de schepen bespieden door bantins. Deze bantins worden nadat zij zijn ontdekt door de Hollanders genomen onder de kust van Borneo; zij worden opgebracht naar Celebes en daar aan hun lot overgelaten.

Vrijwel op hetzelfde moment zeilt een andere Hollandse vloot langs Balimbing, aan de zuidwestpunt van Sumatra, Deze vloot staat onder bevel van Wolfert Harmensz en bestaat uit vijf schepen: de Gelderland (360 ton), Zeeland (360 ton) en Utrecht (240 ton) en uit de patachos (jachten) Wachter (130 ton) en Duifken (50 ton). Deze schepen maken deel uit van een vloot van dertien schepen. Het is de laatste grote vloot die enige samenwerkende voorcompagnieën, naar Oost-Azië zenden Zij staat onder bevel van Jacob van Heemskerck en Wolfert Harmensz en zij is op 23 april 1601 uitgezeild. Als Wolfert Harmensz door een Chinees vaartuig op de hoogte is gebracht van de aanwezigheid van een grote Portugese vloot van dertig zeilen, waaronder acht galjoenen, die de haven van Bantam blokkeert, roept hij ogenblikkelijk zijn scheepsraad bijeen. Hierin wordt besloten de tocht voort te zetten en slag te leveren als dat nodig mocht zijn. Het resultaat van dit besluit is dat de Hollandse vloot vastberaden Straat Soenda binnenvaart en bij het aanbreken van de dag van 25 december 1601 ontwaart de vloot twee Portugese galjoenen die voor anker liggen in de nabijheid van een punt ten noordwesten van het eiland Java. Het betreft het galjoen van Tomé de Sousa Arronches en een andere galjoen die daar de wacht houden. Natuurlijk geeft Wolfert Harmensz hun niet de gelegenheid te ontsnappen, maar hij bindt de strijd aan in de verhouding van vijf schepen tegen twee en hij nadert met al zijn zeilen de Portugese galjoenen. Tomé de Sousa, van zijn kant, laat de Hollandse schepen naderbij komen en op het geëigende moment, hijst hij zijn zeilen en vaart op vijandelijke schepen toe. Vanaf dat moment dienen de twee vloten de juiste positie in te nemen, bij een zwakke tot matige noordoostelijke wind en dan volgt een wederzijdse beschieting. Aangenomen wordt dat Tomé de Sousa de strijd aanbindt met de Gelderland en de Zeeland tezelfdertijd met het andere galjoen slaags raakt. Verondersteld is dat de Utrecht en de twee patachos niet de kans hebben gekregen een zodanige positie in te nemen dat zij aan de strijd hebben kunnen deelnemen. Als twee schepen, die over hetzelfde aantal kanonnen van hetzelfde kaliber beschikken, op zee een artillerieduel uitvechten, dan bepaalt het lot wie er wint. In dit geval is het lot de Portugezen gunstig gezind. Zonder dat hij een enkele man verliest, weet de bemanning van het schip van Tomé de Sousa een reeks treffers op de Gelderland te plaatsen, waarbij een groot deel van de tuigage van het schip wordt vernield en tenslotte ook het roer wordt getroffen. Korte tijd later ontploft een zwaar stuk geschut aan boord van het Hollandse admiraalsschip, wat de situatie nog meer verergert. Een Nederlandse bron3 vermeldt dat de schade op de Gelderland enorm is en dat de twee galjoenen daardoor kunnen ontkomen. Ondertussen licht de grote Portugese vloot, die bij het eilandje Pandjang ligt, het anker en zet, in het zicht van de Hollandse schepen, koers naar het noorden. Het is mogelijk dat Wolfert Harmensz aanvankelijk de bedoeling heeft gehad zijn kracht aan te wenden door dwars door de Portugese vloot heen te breken en koers te zetten naar de Molukken, omdat hij de toegang tot Bantam verspert vindt door de Portugese blokkade. Maar nu zijn vlaggenschip zwaar is beschadigd en hij een sterke concentratie van Portugese schepen voor zich heeft, kan worden verondersteld dat hij van gedachte is veranderd en besloten heeft terug te keren, om de schade aan zijn vlaggenschip te herstellen. Hoe dan ook, het staat vast dat Wolfert Harmensz de steven heeft gewend en de gegeven reden is de meest waarschijnlijke. Er is een onderzoek ingesteld naar de bewering dat Portugese schepen niet in staat zouden zijn geweest scherp bij de wind in formatie te zeilen, maar deze bewering is gebleken niet houdbaar te zijn. Zij geldt wellicht alleen in de nabijheid van de kust, op ongeveer een á anderhalve légua. van het eiland Pandjang, waar opgelopen schade het gemakkelijkst kan worden hersteld. De Portugese vloot, zeilend aan de lijzijde van de Hollandse vloot en dus meer profiterend van de wind, wil terugkeren en weer bij het eiland Pandjang voor anker gaan. In de positie waarin de beide vloten elkaar ontmoeten komen de wind en de stroming van de zijkant, terwijl de Hollandse vloot de wind vrijwel geheel opvangt, moeten de Portugese schepen het met af en toe een windvlaagje doen. In deze omstandigheden is het voor de Portugese schepen onmogelijk positie te kiezen jegens de vijand. Hierdoor gaat de dag van 26 december voorbij zonder dat er een schot wordt gelost, terwijl de twee tegenstanders zich moeten beperken tot het kijken naar het repareren van de schade die zij bij de strijd van de vorige dag hebben opgelopen.

Op 27 december besluit André Furtado een aanval te lanceren met zijn door roeiers voortbewogen schepen, waarover al eerder is opgemerkt dat het strijden met zulk soort schepen zijn voorkeur geniet. Het schijnt dat de aanval plaatsgrijpt met twee groepen schepen. Een daarvan bestaat uit een galjoot, een fusta, en wellicht drie of vier bantins. Het bevel over een van deze groepen berust bij André Rodrigues, uit de beroemde familie Palhota, en hij heeft de opdracht aan boord van de Gelderland te gaan. De commandant van de andere groep is Dom Francisco de Sousa, en deze dient met zijn mannen aan boord van de Utrecht te klimmen.

De zwakke plek van de Hollandse schepen is de achtersteven, vooral aan de kant waarvan de Portugezen komen. Zij ontberen echter de zware kanonnen waarmee galeien zijn uitgerust. De Hollanders beantwoorden de aanval met de weinige stukken geschut die zij op hun achtersteven hebben gemonteerd en met intens musketvuur. Na enige tijd willen de bemanningen van de galjoten en de fustas de batterijen van de vijandelijke schepen overboord gooien en hoewel dit meer tijd vergt dan gedacht, geven zij niet op. In iedere groep is het natuurlijk dat de galjoot zich aan een kant aan de vijandelijke nau heeft vastgemaakt, terwijl de fusta tracht hetzelfde te doen aan de andere kant. De entering wordt geen succes. De hevige golfslag, slaat de kleine roeischepen met hevige klappen tegen de zijkanten van de naus, waardoor het voor de Portugese soldaten heel moeilijk is in de stromende regen en hagelbuien aan boord van deze schepen te klimmen. De Hollandse musketiers schieten de Portugese aanvallers als lijsters van de stormladders. Waarschijnlijk sneuvelt het leeuwendeel van de aanvallers al voor zij zelfs maar het bovendek van de naus hebben bereikt. En de weinigen die dit wel lukt, onder wie André Rodrigues, zien zich daar aangekomen omringd door een groot aantal vijanden die niet alleen uitstekend zijn bewapend, maar ook bedreven zijn in de hantering van hun wapens. Ondanks de dappere tegenstand die de Portugezen bieden worden zij snel geliquideerd. Het schijnt dat van de troepen die aan boord van de twee galjoten waren slechts een armzalig tiental Portugezen aan de slachting heeft kunnen ontkomen; zij worden gevangenengenomen door de Hollanders. Later laat Wolfert Harmensz hen in een gebaar van ridderlijkheid terugkeren naar André Furtado, zonder daarvoor iets in ruil te verlangen. Wat de fustas betreft kan worden verondersteld dat de Portugezen erin zijn geslaagd, zij het door het overwinnen van grote moeilijkheden, de schepen los te maken van de naus en dat zij, naast vele doden en gewonden, ook de materialen voor de entering van schepen hebben ingeladen, omdat zij die willen meenemen. De bantins hebben zich moeten beperken tot het volgen van de aanval op enige afstand en hun rol eindigt met het vergezellen van de fustas bij hun terugtocht. De twee galjoten die zich hadden vastgemaakt aan de Gelderland en de Utrecht hebben na de mislukte aanvallen vrijwel geen mannen meer aan boord. Zij worden danook buitgemaakt door de Hollanders. De Utrecht verovert de fusta van Dom Francisco de Sousa. Aan boord van het schip bevinden zich dan nog 23 Portugese en 60 gekleurde zeelieden. De Wachter en het Duyfken veroveren samen de fusta van André Rodtigues Palhota. De Hollanders nemen uit beide schepen alles wat van hun gading is, en steken ze daarna in brand.

Deze niet geslaagde aanval die, ondanks betoonde moed en vastberadenheid van de kapiteins en de soldaten van de galjoten, moest worden afgebroken, toont eens te meer aan dat de schepen adequaat zijn geweest om te worden ingezet tegen de goedgebouwde en de van goed geschut en goede troepen voorziene Hollandse schepen. Alleen de onverantwoordelijkheid van André Furtado en van zijn kapiteins heeft ertoe geleid dat er een operatie is ontworpen en uitgevoerd die bij voorbaat gedoemd was te mislukken en die is geëindigd in het verlies van twee galjoten en vijftig man.

Op de 28e laat André Furtado de Mendoça, die er niet de man naar is het initiatief aan zijn tegenstander over te laten, twee coracora’s van Palembang transformeren in brulotes (branders) die gedurende de nacht van 28 op 29 december worden gedirigeerd naar een positie aan de loefzijde van de Hollandse vloot, met de bedoeling deze in brand te steken. Maar het is moeilijk in het donker afstanden te schatten. De twee branders worden gelanceerd, maar zij zijn al uitgebrand voordat zij de ankerplaats van de vijandelijke vloot hebben bereikt; zij richten dus in het geheel geen schade aan.

Nadat André Furtado alle kaarten waarover hij beschikte heeft uitgespeeld, weet hij niet meer wat hij moet doen. De volgende dag, 29 december, doorbreekt Wolfert Harmensz evenwel de impasse. Hij heeft de schade opgelopen in de slag van 25 december hersteld, hij gaat onder zeil en zet koers naar het noordoosten. André Furtado volgt zijn voorbeeld direct in de hoop hem te kunnen onderscheppen en tot een beslissend gevecht te kunnen dwingen. Halverwege de middag valt de wind geheel weg en de twee vloten blijven onbeweeglijk liggen. Zij kunnen geen schot lossen, zolang zij door de stroming naar het oosten worden gedreven.

Bij het aanbreken van de dag van 30 december steekt een matige westenwind op. Omdat André Furtado de vijand niet kan bereiken, ontvouwt hij een grote rode vlag om de vijand tot een gevecht te bewegen. Korte tijd later draait de Hollandse vloot bij, waardoor zij de indruk geeft dat de uitdaging wordt aanvaard en dat zij op hen toe komt zeilen. Maar dat is kennelijk niet de bedoeling van Wolfert Harmensz, die niet bepaald een ridder is, maar een bekwame zeeman, die zich bewust is van de belangen van de reders in wiens dienst hij vaart. Volgens de eerder bedoelde Hollandse bron lijkt de beslissende slag te worden uitgevochten niet op 30 december 1601, maar op nieuwjaarsdag 1602. Op die dag hijst “de Portugese admiraal de bloedvlag, maar het is tevergeefs, want “het scheepsvolk van de galjoenen wil niet aan het vechten komen, van het geschut der Hollanders versaagd zijnde.”

Saturino Monteiro stelt vast dat de Portugese vloot, meegesleept door de stroming, zich ten opzichte van Bantam aan de lijzijde bevindt, wat inhoudt dat zij zich zonder welk gevaar dan ook naar deze haven kan begeven. Daarom geeft zij het signaal om de steven te wenden. Alles overziende, begeeft de vloot zich daarna naar haar oude ankerplaats bij het eiland Pulo Pandjang.

Omdat de Portugese galjoenen maar heel weinig wind vangen en de stroom en de wind uit het westen komen, concludeert André Furtado, misschien een beetje gehaast, dat hij niets meer in Bantam kan uitrichten. Hij zendt de coracora’s van Palembang en de bantins van Malacca naar de respectieve steden terug en hij begeeft zich, met zijn zes galjoenen, zijn twee fustas en de koopvaarders die zich in zijn gezelschap bevinden, op weg naar Ambon. Saturnino Monteiro vindt dat om verschillende redenen, een ongelukkige beslissing. “In de eerste plaats laat hij het strijdtoneel over aan de Hollanders, wat de Javanen de indruk geeft dat de Portugezen door hen verdreven zijn, wat in aanzienlijke mate hun prestige ondermijnt en wat ons maakt tot een onderwerp van spot in de regio en dat juist op het moment dat wij de steun van locale vorsten nodig hebben om de Hollanders te bestrijden; op de tweede plaats, omdat daardoor de vloot wordt teruggetrokken van de fundamenteel strategische as Atjeh-Bantam, waarmee een gebied aan de buitenkant van de Portugese invloedssfeer, zoals het gebied rond Atjeh, de Straat van Malacca, Straat Singapore en Straat Soenda; wordt overgelaten aan de Hollanders; in de derde plaats, omdat het moeilijker wordt de vloot te bevoorraden nadat Malacca niet meer haar thuisbasis is.”

Het ware te wensen geweest dat de ervaringen opgedaan in de Zeeslag voor Bantam zo snel mogelijk aan de vice-rei zouden zijn gemeld en dat daarbij de aanbeveling zou zijn gevoegd onverrwijld te beginnen met de bouw van nieuwe galjoenen. Deze zouden kleiner kunnen zijn dan de bestaande schepen, maar het zouden wel betere zeilers moeten zijn, die in staat zijn Hollandse naus te achterhalen en met hen de strijd aan te binden. Saturino Monteiro laat in dit verband echter weten: “maar het is duidelijk dat de geopperde ideeën niet kunnen zijn opgekomen in het hoofd van André Furtado en zijn kapiteins, mannen met denkbeelden uit de voorbije eeuw, die niet in staat zijn de noodzaak te begrijpen van voortdurende ontwikkeling en van het permanent openstaan voor technische vernieuwingen.

André Furtado moet na de Zeeslag voor Bantam nog geruime tijd met zijn zes galjoenen en zijn twee fustas aan de kust, in de nabijheid van Bantam, zijn gebleven, omdat de noordoostpassaat hem tot in de maand mei, als de moesson draait, heeft verhinderd naar de Molukken te zeilen. Hij heeft moeten zoeken naar plaatsen om te kunnen ankeren en hij heeft kunnen profiteren van perioden van kalmte om de stad te naderen, waarbij de galjoenen worden gesleept door fustas en door hun eigen sloepen. Ook zal hij spionageopdrachten hebben laten uitvoeren. Op deze wijze te werk gaande, is het waarschijnlijk dat hij de Hollandse schepen verplicht heeft in de haven te blijven totdat hij de vier factorijen die de Hollanders in Bantam hebben, heeft kunnen verwoesten. André Furtado heeft waarschijnlijk kunnen verhinderen dat in Bantam andere Hollandse naus geladen worden en hij moet hebben gehoopt in de Molukken geladen Hollandse naus, die bijgevolg een geringere snelheid hebben dan schepen zonder lading, opnieuw te kunnen onderscheppen. Met andere woorden: de keer dat niet kon worden bereikt de vijand een beslissing op te dringen door middel van een zeeslag, hebben de Portugezen hun toevlucht genomen tot de strategie van de ”armada em potência”.

Monteiro besluit zijn uiteenzetting over de Slag voor Bantam met de opmerking: “het verloop van de Zeeslag bij Bantam van 1601 heeft de Portugezen een enorme frustratie bezorgd, op een moment waarop zij nog steeds de beschikking hadden over de noodzakelijke middelen, zowel aan mensen als aan materialen om een dijk op te werpen tegen de Hollandse invasie die hen dreigt te overweldigen. En zij hebben eens te meer laten zien dat het hen heeft ontbroken aan goede schepen, goede zeelieden en bovenal aan politieke leiders die de capaciteiten bezitten om innovaties door te voeren.”

André Furtado de Mendoça vertrekt in de loop van de maand mei met zijn vloot naar Ambon en komt op 9 februari 1602 op Hitoe aan. Hij laat de schade herstellen aan zijn vloot, waaraan hij nog twaalf coracora’s toevoegt. De coracora’s gebruikt Furtado voor zijn operaties in de wateren van Ambon, waarvan de bevolking in opstand is gekomen tegen het Portugese gezag en het Fortaleza Nossa Senhora da Anunciada in het nauw brengt. Hij ontzet het fort, onderwerpt het dorp Alang en een drietal andere dorpen op Hitoe en zijn troepen belegeren de verzetshaard Nao, dat zich na een week moet overgeven. De leiders van het verzet weten te ontkomen naar Ceram, maar negen nabijgelegen dorpen onderwerpen zich gewillig aan het Portugese gezag. De stokoude zeer aanzienlijke Tabadille raadt aan de ene kant zijn landgenoten aan zich tijdelijk aan de Portugese overmacht te onderwerpen, maar aan de andere kant vraagt hij naar de bergen gevluchte leiders vast te houden aan het verbond dat zij in het jaar 1600 hebben gesloten met admiraal Steven van der Haghen. Als zij dit hebben beloofd, geven zij zich over aan Furtado, die de laatste verzetshaard op Hitoe, Hitoe Lama, opruimt. De Koning van Noessanivel, Sinapati geheten, en de Orang Kaja van Oerimessing laten zich zelfs overreden zich te laten dopen. Zij ontvangen de namen Tomé de Sousa en Steven Teixeira, naar de oude Portugese landvoogd, die aan de veldtocht deelneemt. De Ambonese leiders, die veinzen zich bij de Portugese heerschappij neer te leggen, houden in het diepste geheim contact met de naar Ceram gevluchte leiders. Furtado landt onverwachts op het schiereiland Hovamel en de pati van Loehoe slaat de schrik om het hart. Valentijn laat weten dat hij André Furtado de Mendoça geschenken, “benevens een opgepronkte deerne, die hij veinsde zijn dochter te zijn en Bay Warnoesla noemde” toe te zenden. De pati geraakt door dit gebaar zo in de gunst bij Furtado dat hij de voor Furtado naar Hovamel uitgeweken leiders zonder problemen kan verbergen. André Furtado begeeft zich vervolgens naar Ihamahoe, een weerspannige en sterke plaats op het eiland Saparua. De bewoners bieden zoveel verzet dat de Portugezen tenslotte moeten afdruipen.

Het heeft André Furtado een halfjaar gekost om Ambon te pacificeren en hij heeft hulp gevraagd aan Malacca, maar deze blijft uit, wat niet verwonderlijk is, omdat de capitão van Malacca, Fernão de Albuquerque een persoonlijke vijand van André Furtado zou zijn. Desondanks vertrekt André Furtado naar de Molukken. Hij gebiedt dat alle coracora’s van de hoofdvestiging, benevens enige van de kust van Hitoe en van het eiland Oma hem volgen, als bewijs van hun onderwerping. Als André Furtado enige tijd op het eiland Ternate is, raakt zijn leger door zijn munitie heen en worden zijn manschappen geteisterd door ziekte en voedselgebrek. Hij laat hulp vragen aan de in mei 1602 in Manila gearriveerde nieuwe Spaanse gouverneur van de Filippijnen, Pedro de Acuña. André Furtado vraagt de gouverneur vooral om voedsel en munitie en een aantal Spaanse soldaten ter versterking van zijn uitgedunde rangen. Het verzoek aan de gouverneur, aan de Audiencia en aan religieuze orden wordt overgebracht door de jezuïet Andres Pereira, die wordt vergezeld door kapitein António de Brito Fogoça, Zij zijn van Ambon naar Manila gereisd steken de loftrompet over de Portugese vloot in de Molukken en zij verhalen enthousiast de heldendaden van haar bevelhebber. Zij verzekeren dat hun capitão-mór ook op Ternate zal slagen, mits de gevraagde hulp wordt verstrekt. Zij vinden een gewillig oor bij gouverneur Don Pedro de Acuña, die ridder is in de Orde van Sint Jan en deelnemer aan de Slag van Lepanto (1571) Hij die toch al van plan is op een geschikt moment een expeditie tegen Ternate, de gezworen vijand van de Spaanse bondgenoot Tidore, te ondernemen. Toen hij door Mexico trok, op weg naar zijn nieuwe standplaats Manila, heeft hij zijn plan besproken met iedereen met enige kennis van de Molukken en hij heeft Gaspar Gomez, een lekenbroeder jerzuïet, die tijdens het gouverneurschap van Gomez Perez Dasmarinas jarenlang in Manila en op de Molukken heeft gewoond, naar het hof in Madrid gezonden, om de zaak daar te bespreken. Eind 1602 vertrekt het schip Santa Potenciana, met drie grote fregatten en 150 goedbewapende Spanjaarden aan boord, naar Ternate, onder bevel van capitán Joan Xuarez Gallinato. De vloot, die in januari 1603 bij Ternate aankomt, heeft veel voedsel en andere noodzakelijke zaken aan boord, zoals 10.000 fanégas rijst, 1.500 aarden kruiken met palmwijn, 200 stukken gezouten rundvlees, 20 okshoofden sardines, conserven en medicijnen, 50 quintais kruit, kanons- en musketkogels, scheepstouwen en andere voorraden. Capitán Gallinato krijgt opdracht zich bij aankomst op Ternate onder bevel te plaatsen van André Furtado de Mendoça. De vloot is in veertien dagen bij Talangame, op twee léguas van het voormalige Portugese Fortaleza de São João Baptista of Castelo Gammelamme. De Spanjaarden vinden daar de Portugese bevelhebber met zijn galjoenen voor anker liggen, wachtend op de lang verbeide hulp. De verenigde strijdmacht slaat het beleg voor het kasteel, maar nadat het fort tien dagen lang is gebombardeerd en zwaar is beschadigd en de de vijand vele manschappen heeft verloren moet het beleg worden opgeheven, omdat het kruit op is. André Furtado keert terug naar Ambon, zonder maar een poging te ondernemen het Portugese gezag op Ternate te herstellen.

1 De almirante is, na de capitão-mór de tweede man op de vloot

2 Monteiro doelt hiermee waarschijnlijk op de eerste Hollandse blokkade van Malacca. Deze zou hebben plaatsgevonden in het seizoen 1602-1603, maar ik heb niet kunnen achterhalen welke Nederlandse schepen hierbij betrokken zijn geweest.

3 Bedoeld is Dodo’s en galjoenen, De reis van het schip Gelderland naar Oost-Indië, 1601-1603, bezorgd door Perry Moree, Walburg Pers, Zutphen, 2001

1.1 De oprichting van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie en de verrichtingen van de eerste VOC-vloot naar Indië

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

De expedities van de voorcompagniën

Deel 15 Index

Bijlage 1

1.0 De expedities van de voorcompagniën

Geschreven door Arnold van Wickeren

  1. Eerste Schipvaart van Cornelis de Houtman
  2. De reis van de Middelburgse Compagnie, onder bevel van Gerard le Roy
  3. De expeditie van de Veersche Compagnie onder leiding van oppercommies Cornelis de Houtman en ondercommies Guyon le Fort naar Atjeh
  4. Tweede Schipvaart van de Oude Compagnie (fusie van een nieuw opgerichte compagnie met de Compagnie van Verre), onder leiding van Jacob Cornelisz van Neck (admiraal) en Wybrandt van Warwijck (vice-admiraal)
  5. De reis van Jacques Mahu en Simon de Cordes (1598-1600) van de Rotterdamse Compagnie, met vijf schepen en 547 man
  6. Reis van Olivier van Noort (admiraal), Jacob Claes van Ilpendam (vice-admiraal) en Cornelis van Noort, met vier schepen en 248 man
  7. De eerste reis van Steven van der Haghen
  8. Reis van Pieter Both (admiraal) en Paulus van Caerden (vice-admiraal)
  9. Reis van Jacob Wilckens
  10. Tweede reis van Jacob Cornelisz van Neck
  11. Reis van Guillaume Senescal
  12. Reis van Gerard le Roy en Laurens Bicker
  13. De reis onder leiding van Jacob van Heemskerck en Wolfert Harmenz
  14. Eerste reis van ‘generaal’ Joris van Spilbergen

Eerste Schipvaart van Cornelis de Houtman

Uitreders de bewindvoerders van de Compagnie van Verre te Amsterdam: negen Amsterdamse kooplieden, te weten: Hendrik Hudde, Reynier Pauw, Pieter Dircxz. Hasselaar, Jan Jansz. Carel de Oude, Jan Poppe, Hendrick Buyck, Dirck van Os, Syvert Pietersz. Sem en Arent ten Grootenhuys

Schepen:

  • Mauritius, schipper Jan Jansz. Molenaar, commies Cornelis de Houtman, laadvermogen 460 ton;
  • Hollandia of Hollandsche Leeuw, schipper Jan Dignumsz, commies Gerard van Beuningen; laadvermogen 460 ton;
  • Amsterdam, schipper Jan Jacobsz Schellinger, commies Reinier van Hel, laadvermogen 260 ton;
  • Duyfken (pinas), schipper Simon Lambertsz Mau, laadvermogen 50 ton.

Opperpiloot is Pieter Dirksz. Keyzer; tot de bemanning behoort ook Frederik de Houtman.

Opdracht: trachten specerijen te kopen in de Oost.

Uitgezeild: 2 april 1595 van Texel met 249 man.

Teruggekeerd: 11 augustus 1597 met 87 man en zonder de Amsterdam.

Kort verloop van de reis

Via de Canarische eilanden wordt het onbewoonde Kaapverdische Ilha de Mayo bereikt, waar een groot aantal bokken wordt gevangen; op 4 juni passeert de vloot de evenaar voor de Braziliaanse kust; op 1 juli breekt scheurbuik uit; eerste sterfgeval; 2 augustus passage van Kaap de Goede Hoop; er wordt geankerd in de Aguada de São Bras, waar dag na dag vee met de zwarten wordt geruild; 6 september komen de schepen niet langs Kaap Sint Roman door sterke stroming en harde wind; veel moeite om aan de zuidwestkust van Madagascar zoet water te vinden; op 22 september vaart de pinas naar de Baía de Santo Agostinho, waar wel water is en de inwoners gaarne grote vette schapen en vette ossen afstaan voor tinnen lepels; terwijl de pinas op zoek is naar water en voedsel, worden elke dag gestorven zeelieden op een eilandje, met de toepasselijke naam het ‘Hollandse kerkhof’, begraven, onder wie ook schipper Jan Dignumsz, over wiens opvolging door Pieter Dirksz. Keyzer de commiezen Cornelis Houtman en Gerard van Beuningen vreselijk ruzie krijgen; op 12 oktober worden de zieken in de Baía de Santo Agostinho aan land gebracht om aan te sterken, maar zij worden door de zwarten aangevallen en uitgeschud, wat het einde van de vreedzame handel betekent. Daarom zeilen zij 14 december weg; de vloot wordt geteisterd door zware stormen en men is verplicht terug te keren naar Madagascar. De schepen ankeren 5 januari 1596 bij het eiland Santa Maria iets ten zuiden van de Baía de Antongil. Aanvankelijk kan er voldoende voedsel geruild worden, maar later verslechtert de verhouding met de zwarten en 12 februari zeilt men verder naar Straat Sunda; op 5 juni ankeren de schepen bij het eiland Engino, niet ver van Straat Sunda. Inheemsen zijn bereid de schepen naar Bantam te loodsen, waar de vier met 100 stukken geschut bewapende schepen op 22 juni het anker laten vallen. Omdat de sultan van Bantam kort tevoren tijdens een veldtocht overleden is en de nieuwe sultan, Abdulkadir, nog maar een kind is, onderhandelt Cornelis de Houtman – direct na aankomst – over de aankoop van peper met de rijksbestuurder Jajanagara. De Portugezen in Bantam moeten tot hun spijt ervaren dat Houtman en Jajanagara na enige maanden een akkoord bereiken, waarbij Bantam zich verplicht de Hollanders als eersten van peper te voorzien. Als er nog maar nauwelijks is gestart met het inladen van peper, ontstaan er al problemen over de prijs en protesteert Cornelis de Houtman tegen het laden van twee Portugese jonken met peper. Hij is zo tactloos om te eisen dat de peper uit de jonken gelost wordt, omdat de Hollandse schepen nog niet geladen zijn, waarbij hij dreigt de Portugese jonken te beroven. De jonken worden gelost, maar de Portugezen slagen erin de Jajanagara over te halen de Hollandse admiraal te doen gevangennemen, omdat deze te harde woorden heeft gesproken. Ondanks dat de Hollanders daarmee het leven van hun 5 september gearresteerde admiraal in gevaar brengen, beschieten zij daarop Bantam en leggen beslag op de twee Portugese jonken. Als op 7 september een twintigtal prauwen de Hollandse schepen omsingelt, laten de Hollanders opnieuw hun kanonnen spreken. Er wordt een ware slachting aangericht. Dit tweede bombardement op Bantam maakt weliswaar een einde aan de gijzeling van Cornelis de Houtman, maar het spreekt voor zich dat er na dit barbaarse optreden van het innemen van peper geen sprake meer kan zijn. Deze eerste poging van de Hollanders de Portugese positie in Azië aan te tasten heeft dus jammerlijk gefaald. Op 13 september, twee dagen nadat schipper Keyzer op de Hollandia gestorven is, zet Cornelis de Houtman koers naar de Molukken. Na een nieuw vergeefs bezoek aan Bantam, laat Houtman 13 november het anker vallen bij Jacatra, waar hij enige vriendelijke ontmoetingen heeft met de koning. De schepen zwerven daarna langs de noordkust van Java, passeren Japara, zijn op 2 december voor Tuban en gaan voor anker bij Sidajoe. Hier wordt de Amsterdam door inlanders overrompeld en de bemanning voor een deel uitgemoord en bij Arisbaja wordt een vaartuig van Madoerezen, die niets slechts in de zin hadden, beschoten. Nadat de expeditie op het eiland Bali goed is ontvangen dwingt de bemanning de kapiteins om terug te keren. De Amsterdam wordt omdat het schip lek is en omdat er te weinig manschappen over zijn om vier schepen te bemannen, in brand gestoken. Op 27 januari 1597 wordt de terugreis aanvaard. Deze verloopt voorspoedig; maar als men 25 mei op Sint Helena wil verversen, geeft Houtman bevel door te zeilen, omdat de Portugese retourvloot uit Indië bij Sint Helena ligt. Deze bestaat uit de naus São Simão, Conceição en São Filipe, terwijl de vertraagde Vencimento do Monte do Carmo zich na het passeren van de Hollandse schepen bij Sint Helena aankomt. Cornelis de Houtman en zijn 89 resterende Hollandse en 16 Aziatische bemanningsleden komen 11 augustus 1597 op rede van Texel aan De oogst aan specerijen is zo matig dat de kosten van uitreding van de vloot bij lange na niet zijn terugverdiend. Bovendien is een schip verloren gegaan, om van het verlies aan mensenlevens maar te zwijgen. Maar de Hollanders weten nu ook hoe zij in Indië moeten komen. En al in het volgende jaar zullen niet minder dan 22 schepen, verdeeld over zes expedities op avontuur naar de Oost uitzeilen. Deze reizen worden hierna summier besproken.

De reis van de Middelburgse Compagnie, onder bevel van Gerard le Roy

Uitreders: Adriaen Hendricksz ten Haeff, burgemeester van Middelburg,

  • J. de Waert, S. Langebercke, A. Bommensee en L. Bacx

Uitgezeild: 25 maart 1598

Schepen:

  • de Zon (580 ton), schipper Kornelis Adriaansz Valk
  • de Langebarke (300 ton), schipper Hans Huibrechtsz Tonnema
  • de Maan, waarvan geen laadvermogen en schipper bekend zijn.

De reis begint slecht; de Maan kapseist bij het afvuren van saluutschoten bij Dover. De Zon en de Langebarke verliezen elkaar uit het oog bij het passeren van de Kaap, maar bereiken beide Bantam. Als Wybrandt van Warwijck in november 1599 uit Ternate bij Jacatra aankomt, treft hij daar de twee Zeeuwse schepen aan, die al acht maanden voor Bantam hebben gelegen.

De expeditie van de Veersche Compagnie onder leiding van oppercommies Cornelis de Houtman en ondercommies Guyon le Fort naar Atjeh

Uitreders: Balthasar de Moucheron en vijf anderen

Uitgezeild: 28 maart 1598

Schepen:

  • de Leeuw, 400 ton,generaal‘ Cornelis de Houtman, kapitein Pieter Stokmans, commies Guyon le Fort, commies Jacques Boudens
  • de Leeuwin, 250 ton, kapitein Frederik de Houtman, oppercommies en tresorier Thomas Coymans, commies Jan van den Aertbrugge

Samenvatting van het “Kort verhaal van wat Frederik de Houtman is overkomen in Atjeh op het eiland Sumatra in de zesentwintig maanden die hij daar gevangen is geweest

Op 28 maart 1598 vertrekken de Leeuw en de Leeuwin uit Veere naar Indië. De expeditie wordt geleid door generaal Cornelis de Houtman. Voor hem en zijn broer is het, na de reis van 1595, de tweede maal dat zij naar Indië uitvaren.

De route

Er wordt vers water ingenomen op het Kaapverdische eiland São Nicolau, op 8 juli wordt de evenaar gepasseerd en van 21 juli tot 5 september wordt bij het eiland Fernando de Noronha de goede wind afgewacht. Op 10 november komt het land van Kaap de Goede Hoop in zicht en op 17 november gaan de schepen voor anker in de Baai van Sint Helena aan de kust van het huidige Namibië. Van 21 november tot 7 december liggen de schepen afgemeerd in de Saldanhabaai, waar veertien zeelieden door de wilden worden doodgegooid. Op 17 januari ontwaardt men Madagascar of Sint Laurens. Omdat Kaap Sint Roman (aan de zuidoostpunt van Madagascar, tegenwoordig: Kaap Andavaka) niet kan worden gepasseerd, ankert men in de Mauritiusbaai, voorheen Baía de Santo Agostinho, gelegen onder de keerkring aan de westzijde van Madagascar, waar men tot 24 maart blijft. Op 10 april wordt het Comoren-eiland Mayotte bereikt en op 8 mei vertrekt men van het naburige eiland Anjouan (thans: Ndzouani). Op 1 juni bereiken de schepen de Malediven, op 12 juni wordt Kaap Comorin waargenomen en op 1 juli zijn de schepen voor Atjeh.

De gevangenschap

De ontvangst van de Hollanders is aanvankelijk welwillend, ook van de zijde van de regende sultan Alâ ad-din Ri’ âjat Sjâh (1589-1604), die in 1601 zijn zoon tot mederegent heeft genomen. Eén ongunstige factor wordt wellicht niet terstond naar de juiste betekenis geschat: er bevindt zich een Portugees in Atjeh, Afonso Vicente, inwoner van Malacca, die de sultan van Atjeh persoonlijk kent en die – zo men de loods John Davis mag geloven, van Malacca is gekomen om de handel van de Nederlanders te dwarsbomen. Hij biedt zijn diensten aan Cornelis de Houtman aan en verzekert dat in Atjeh lading genoeg is te verkrijgen, In verband daarmee brengt Cornelis de Houtman, door de sultan daartoe uitgenodigd, een bezoek aan het hof. Hij wordt vereerd met een fraaie kris en hij ontvangt verlof tot het drijven van handel, waarna enige peper wordt geleverd en een der commiezen zich aan land mag begeven met koopwaren, waarvoor een pakhuis wordt aangewezen, terwijl de aankoop van peper door tussenkomst van de sjahbander dient te geschieden. Cornelis de Houtman vindt de gevraagde prijzen te hoog; hij klaagt hierover bij de sultan, die antwoordt dat er peper genoeg te krijgen is, mits de klager hem, de sultan wil bijstaan in zijn oorlog tegen de Maleise staat Johore. Er wordt een verdrag afgesloten, waarin is afgesproken dat de Hollandse schepen, tezamen met de armada van Atjeh, naar Johore zullen gaan, om daar vanaf zee de vestingwerken te beschieten. De Hollanders zullen niet deelnemen aan veldtochten over land en hooguit drie maanden wegblijven. Als beloning krijgen zij 2.000 baren peper; de helft vooruit en de andere helft na afloop van de aktie. De sultan belooft de Hollandse schepen van levensmiddelen te zullen voorzien, De pinas van de Leeuw is al een keer naar Pedir gevaren om rijst te halen en als hij voor de tweede maal naar Pedir gaat, arriveren enige vaartuigen uit Malacca, die Atjeese gezanten van Goa terugbrengen, onder begeleiding van de Portugese gezant Simão Nunes. De gezanten weten de sultan gunstig te stemmem jegens de Portugezen, die tegen hem betogen dat de sultan hen alleen te vriend kan houden als hij de Hollanders uit de handel weert. Afonso Vicente biedt de sultan een plan aan om de Hollandse schepen te overmeesteren en doet daarmee de kansen keren ten gunste van de Portugezen. Cornelis de Houtman laat zich aanpraten, ofschoon hij kan vermoeden dat Afonso Vicente vals spel speelt, dat de van om de Oost gekomen vaartuigen slechts peper hebben aangevoerd van Samalanga en hij heeft geen bezwaar om, op 11 september, de sjahbander met een aantal gewapende Atjeeërs op de Leeuw en de Leeuwin toe te laten, terwijl zij spijs en drank meebrengen om feest te vieren. Niet alle opvarenden zijn zo goed van vertrouwen als hun generaal. Davis en anderen nemen voorzorgsmaatregelen; ook op de Leeuwin zijn sommigen op hun hoede. De Atjeeërs hebben – volgens Davis – een licht vergif in hun spijzen en dranken gedaan, waardoor velen die ervan gebruikt hebben, uitzinnig werden zonder te weten wat er met hen aan de hand is. Bijna tegelijkertijd worden op beide schepen de Nederlanders door gewapende Atjeeërs overrompeld. Op de Leeuw vindt de overrompeling plaats in de kajuit van het schip, waar Cornelis de Houtman een der eerste slachtoffers is, maar als de aanvallers aan dek komen, worden zij door John Davis en anderen zo warm ontvangen, dat zij met achterlating van enige doden, onder wie de sjahbander, in de prauwen moeten vluchten. Wel trachten de prauwen door entering de schepen te overmeesteren, maar zij worden door het geschut verdreven. Op de schepen worden op dat moment 95 zeelieden gemist; zij vertoeven aan de wal of zijn met de pinas meegegaan naar Pedir. De eersten, onder wie Frederik de Houtman en Guyon Le Fort, krijgen het nu zwaar te verduren. Zij en 26 anderen, onder wie enige mannen van de pinas, worden gevangengenomen en geboeid. Het aantal vermoorde zeelieden is eveneens 28.

De zeelieden, plotseling van hun aanvoerders beroofd, zeilen naar Pedir om de pinas te redden, maar het vaartuig blijkt al door de Atjeeërs te zijn genomen. Er liggen daar elf Atjeese, vermoedelijk met Portugezen versterkte vaartuigen, die de Nederlandse schepen trachten te enteren, maar zij deinzen af als twee van hun vaartuigen in de grond worden geboord. Hierop mag de gevangen Guyon le Fort de schepen bezoeken, mits hij belooft terug te zullen keren, wat hij niet doet, omdat hij tot opvolger van Cornelis de Houtman blijkt te zijn benoemd. Dat Guyon le Fort zijn belofte te zullen terugkeren breekt, maakt de positie van Frederik de Houtman er niet gemakkelijker op. Het aanbod van de sultan dat Guyon le Fort overbrengt en dat ook Houtman te horen krijgt luidt: tegen overgaven van een van de schepen zullen alle gevangen Nederlanders worden vrijgelaten. Uiteraard weigert Houtman dit, maar Als hij is overgebracht naar Pedir, wordt getracht de gevangenen vrij te kopen, maar vijandig door de vloot van de sultan ontvangen, ziet men daarvan af. Guyon le Fort tracht vervolgens Tenasserim te bereiken, wat hem door tegenwind wordt belet. Hij doet de Nicobaren aan om zich te verversen en tracht dan Ceylon te bereiken, in de hoop daar rijst te kunnen kopen. Onderweg legt hij de hand op een met rijst geladen vaartuig, dat op weg is van Negapatnam naar Atjeh. Van de opvarenden wordt vernomen dat te Batticaloa aan de oostkust van Ceylon veel handel wordt gedreven, dat men daar lading en verversing zal kunnen vinden en dat de koning van die plaats vijandig staat tegenover de Portugezen. Het gelukt de Leeuw en de Leeuwin niet Ceylon te bereiken; tegenwind dwingt tot het aanvaarden van de thuisreis. Op 8 augustus 1600 komen de beide schepen in Vlissingen aan.

Op 19 september, een islamitische feestdag, wordt De Houtman onder druk gezet zich tot de islam te bekeren en hem wordt een mooie adellijke vrouw aangeboden. De Houtman weigert, maar een aantal gevangen Hollandse zeelieden wordt moslim. Op 31 juli 1600 doen vier Hollandse schepen, onder bevel van Jacob Wilckens Atjeh aan, maar als zij, door middel van een door Hans Decker en Lenard van Wormer geschreven en door een Portugese jongen bezorgde briefje, vernemen dat de sultan Hollandse zeelieden gevangen houdt, varen zij weg. De sultan is woedend en straft de betrokkenen. Ook een aantal tot de islam bekeerde Hollandse zeelieden komt om van ellende en honger. Op 15 november 1600 arriveert een Portugese priester die de sultan vraagt om ’s konings sterkste fort, Fort Lubock, in ruil waarvoor de Portugezen beloven samen met Atjeh tegen Johore te strijden. De sultan antwoordt dat de Portugezen Fort Lubock kunnen krijgen nadat zij Johore hebben verslagen. Op 31 december 1600 weet Frederik de Houtman, met vier andere Hollandse zeelieden de Verenigde Provinciën, het schip van admiraal Paulus van Caerden, te bereiken. Hij treft daar vijf andere gevluchte gevangenen. De admiraal en Frederik de Houtman spreken af dat de laatste terugkeert naar Atjeh, om de relatie met de sultan niet te schaden. De Houtman en Hans Decker worden aan land welkom geheten door Adam Vlaminck, die zich vergeefs inspant Houtman vrij te krijgen. Op 17 januari 1601 vluchten de zich aan land bevindende Hollanders, met achterlating van hun koopwaar, overhaast terug naar hun twee schepen. De enige achtergebleven jongeman, Philippus Dragon, wordt de volgende morgen dood in de rivier aangetroffen. Ook heeft de sultan Paulus van Caerden gedreigd hem de handen en voeten af te hakken. Na vruchteloos gepalaver over de levering van peper, vertrekt Van Caerden op 21 januari, uit vrees voor een aanslag op de schepen met branders en prauwen. Weer wordt Houtman onder druk gezet de islam te aanvaarden. Als hij dat weigert krijgt hij, naast handboeien, ook weer voetboeien om. Bovendien laat men hem vreselijk hongerlijden. Op 2 april 1601 komen drie Portugese schepen uit Bengalen, met rijst, katoen en linnengoed, in Atjeh aan, bij de plaats Rakang1, “waar heel veel Portugezen wonen en waar zij een fort hebben.” Op 25 mei wordt er met een zuidwesterstorm een Portugees schip, onder bevel van António Vaz, op het strand geworpen en breekt in stukken. Op 8 juni komen een Portugees schip en een fusta in Atjeh aan; de Portugezen aan boord van deze schepen blijken erop uit te zijn beslag te leggen op schepen afkomstig van de Rode Zee, waarover de sultan zich zeer kwaad maakt. Desondanks worden de twee Portugezen die aan land komen, groots door de sultan onthaald. Op 12 juni wordt gevreesd voor een aanval op Atjeh door een grote Portugese vloot, die echter na een week van grote spanning weer onder zeil gaat, tezamen met het schip en de fusta, die op 8 juni zijn gearriveerd. Op 5 juli komt weer een afgedwaald Portugees schip aan en weer worden twee man onthaald en krijgen een kleed. Op 20 juli komt de kapitein van een Portugees schip aan land, begeleid door muzikanten met schuiftrompetten en schalmeien. “Zij gingen met de priester naar binnen, waar zij werden onthaald en twaalf man op Atjeese wijze werden gekleed. Een dag later zijn weer Portugezen door de sultan ontvangen; zij worden gezeten op olifanten teruggebracht.” Op 23 juli gaan er weer Portugezen naar het hof; zij gaan later met de sultan uit rijden, terwijl de schalmeien klinken. Zij worden aan de rivier onthaald. Op 25 juli achtervolgen Atjeese prauwen een aantal prauwen van Johore, die twee Atjeese prauwen in brand hebben gestoken. Zij nemen wraak door de bemanningen van twee prauwen gevangen te nemen, voorbij de Aroebaai. Op 24 augustus arriveren vier Zeeuwse schepen, onder bevel van admiraal Jan Tonneman. Bij een bezoek van een Zeeuwse afvaardiging van de vloot aan de sultan op 25 augustus, laat deze eindelijk Frederik de Houtman vertrekken en komt er een einde zijn gevangenschap van 23 maanden.

1) Onbekend is welke plaats met Rakang wordt bedoeld.

Tweede Schipvaart van de Oude Compagnie (fusie van een nieuw opgerichte compagnie met de Compagnie van Verre), onder leiding van Jacob Cornelisz van Neck (admiraal) en Wybrandt van Warwijck (vice-admiraal)

Uitreders: acht Amsterdamse kooplieden, te weten: Gerryt Bicker, Vincent van Bronckhorst, Symon Jansz Fortuyn, Geurt Dircxz, Cornelis van Campen, Jacob Thomasz Van den Dael, Elbert Simonsz Jonckheyn en Jan Hermansz.

Uitgezeild: 1 mei 1598 van Texel met 560 koppen

Schepen:

  • Mauritius (admiraalsschip), laadvermogen 460 ton, schipper, Govert Jansz, commies, Cornelis van Heemskerck
  • Amsterdam (vice-admiraalsschip), laadvermogen 500 ton schipper, Cornelis Jansz Fortuyn
  • Hollandia of Hollandsche Leeuw, laadvermogen 460 ton, schipper, Simon Lambertsz Mau, commies, Uytenyn
  • Zeeland, laadvermogen 360 ton, schipper, Claas Jansz Melknap
  • Gelderland, laadvermogen, 360 ton, schipper, Jan Bruin, commies Hans Hendriksz Bouwer
  • Utrecht, laadvermogen, 240 ton, schipper, Jan Martsz
  • Vriesland, laadvermogen, 180 ton, schipper Jan Cornelisz, commies Wouter Willekens
  • Overijssel of jacht het Duyfken, laadvermogen 50 ton, schipper, Simon Jansz Hoen, commies, Arent Hermansz van Alkmaar

Kort verloop van de reis

De schepen passeren 24 juli de Kaap; de vloot raakt 5 augustus gesplitst. De Mauritius, de Hollandia en de Overijssel ankeren bij het eiland Santa Maria en in de Baía de Antongil. Na vijf dagen zeilen zij door naar Bantam, waar zij 23 november aankomen en goed ontvangen worden. De andere vijf schepen komen 17 september bij het eiland Mauritius aan, waar zij verversing vinden, en arriveren vijf weken later in Bantam. Als de Mauritius, de Hollandia en de Overijssel peper hebben geladen en ook de Vriesland peper heeft ingenomen, keert Jacob van Neck met deze vier schepen op 11 januari 1599 naar het vaderland terug. Aan de kust van Sumatra wordt water ingenomen. De schepen ankeren acht dagen bij Sint Helena, waar de “hoogbootsman wordt achtergelaten, omdat hij zich tegen zynen de schipper van Vriesland misgrepen had” Op 19 juli zijjn de vier schepen, na een reis van slechts 14 maanden en 18 dagen, terug bij Texel. Hun lading bestaat uit 400 lasten peper, 100 lasten nagelen en enige foelie, noten en kaneel. Op 27 juli wordt Jacob van Neck op grootse wijze in Amsterdam ingehaald.

De andere vier schepen zeilen op 8 januari, onder admiraal Wybrandtt van Warwijck en vice-admiraal Jacob van Heemskerck, van Bantam naar de Molukken. De expeditie is 13 januari voor Jacatra en wordt 21 januari goed ontvangen door de koning van Tuban. Bij Arisbaja op Madoera worden meer dan 40 zeelieden van de Amsterdam en de Utrecht door Cornelis de Houtman en de zijnen geprovoceerde Madoerezen gevangengenomen en bij een gevecht ter zee sneuvelen nog eens 25 Hollanders. Het loskopen van de gevangenen kost 2.000 rijksdaalders. De schepen zeilen op februari weg van Madoera en komen op 3 maart aan bij voor de kust van Hitoe. De bevolking geeft de Hollanders een huis om hun waren te bergen en laat weten lading te hebben voor twee schepen. Daarom vertrekt Jacob van Heemskerck met de Zeeland en de Gelderland naar Banda, waar Heemskerck op Neira een huis wordt aangeboden. Eind juni heeft Heemskerck zoveel foelie, noten en nagelen geruild, dat zijn twee schepen geladen zijn. Hij laat 20 man achter op Neira, neemt afscheid van de orangkaja’s en vertrekt 5 juli naar Holland. Hij ankert 8 december voor Sint Helena, blijft daar tot 1 januari 1600, is 15 april bij Dover en kort daarna bij Texel.

Wybrandt van Warwijck kan wegens de oorlog van de Ambonezen met de Portugezen nauwelijks kruidnagelen op Ambon ruilen; hij vertrekt daarom op 8 mei met de Amsterdam en de Utrecht naar Ternate, waar hij 22 mei ankert. De koning, Saidi genaamd, is vriendelijk, maar op zijn hoede en durft aanvankelijk niet aan boord van de Amsterdam te komen. De schepen worden met kruidnagelen geladen, nadat men het eens is geworden over de prijs. Op verzoek van de koning laat Van Warwijck een handvol mannen op Ternate achter en vertrekt 19 augustus 1599. Op 6 september is hij bij het eiland Oebi en op 13 november bij Jacatra, waar Van Warwijck twee Zeeuwse schepen, de Zon en de Langebarke aantreft, die al 8 maanden voor Bantam gelegen hebben. De Utrecht neemt op Java nog wat peper, foelie en nagelen in, waarna Van Warwijck op 21 januari 1600 afscheid van Bantam neemt. Op 17 mei is hij bij Sint Helena, maar omdat daar vier kraken van de rond de jaarwisseling uit Indië vertrokken Portugese retourvloot liggen, ankert Van Warwijck niet bij Sint Helena, maar vaart hij door naar Ascencion, waar de verversing tegenvalt. Twee of drie maanden later zijn deze laatste schepen van de vloot van acht ook thuis. Deze Tweede Schipvaart is buitengewoon geslaagd geweest, immers alle acht schepen zijn geladen met specerijen veilig teruggekeerd.

De reis van Jacques Mahu en Simon de Cordes (1598-1600) van de Rotterdamse Compagnie, met vijf schepen en 547 man

Uitreders: Pieter van der Haegen en Johan van der Veken

Uitgezeild:van het Goereesche Gat, de dato 27 juni 1598

Schepen:

  • de Hoop, het admiraalsschip, 500 ton, kapitein, Simon de Cordes;
  • de Liefde, 300 ton, kapitein Jacob Jansz Quaekernaeck, stuurman William Adams, een veelzijdig ontwikkeld man, commies Melchior van Santvoort;
  • het Geloof, 320 ton, kapitein Gerrit van Beuningen/Sebald de Weert, commies Jan Jansz Kloeck;
  • de Trouw, 220 ton, kapitein Balthasar de Cordes,
  • de Blijde Boodschap of het Vliegend Hert, 150 ton, kapitein Sebald de Weert/ Dirck Gerritsz Pomp, alias China

De expeditie

De schepen bereiken op 1 september 1598 Kaapverdische Ilha de Mayo, maar de mannen gaan aan land op het Ilha de Santiago, waar zij problemen krijgen met de Portugezen. Zij willen daarom 11 september verversen op het kleine Ilha de Brava, maar dat valt lelijk tegen. Na vier dagen zeilt de vloot verder. Op 24 september overlijdt Jacob Mahu en hij wordt opgevolgd door Simon de Cordes, een Amsterdamse koopman, terwijl Van Beuningen vice-admiraal wordt. Op 16 december komt de expeditie bij het Ilha de Ano Bom, waar zij Portugese inwoners uit hun huizen verdrijven. Op 6 april 1599 is de vloot bij Straat Magalhães, waar de mannen zeer te lijden hebben van de kou en velen omkomen. In een baai, die zij Baai van Cordes noemen, zien zij veel naakte wilden van tien of elf voet (rond de 3 meter) lengte. Dit zijn de Patagonische reuzen die de expeditie van Fernão de Magalhães ook heeft gezien (zie deel VII, pag. 221). Op 3 september bereiken de vijf schepen de Zuidzee. Het Geloof en de Trouw moeten, nadat zij 24 dagen zware stormen te verduren hebben gekregen, opnieuw beschutting zoeken in de Straat. De schepen blijven daar 20 dagen liggen, terwijl de bemanningen mopperen en er stemmen opgaan naar huis terug te keren. Op 16 december ontmoet Sebald de Weert volk van Olivier van Noort, die daags daarna zelf een bezoek bij hem aflegt. Sebald de Weert zeilt met het Geloof over de Atlantische Oceaan naar Holland terug en hij komt 13 juli 1600 met 36 van de oorspronkelijke 135 man bij Goeree. De andere schepen geraken weer in de Zuidzee.

De Blijde Boodschap wordt driemaal door de storm naar het zuiden gedreven, zelfs tot 57º ZB. Eerst doet het schip de Chiloé archipel aan, daarna meent de bemanning het Isla Mocha te zien, hoewel het isla de Santa Maria, de afspraakplaats is. Die vaart het schip voorbij en 17 november laat kapitein Dirck Gerritsz Pomp het anker van het zwaar gehavende schip vallen voor San Jago, de haven van Valparaiso. De kapitein en enkele anderen worden door de Spanjaarden gevangengenomen. Dirck Gerritsz. laat capitán Jerónimo de Molina het schip, in ruil voor 12.000 dukaten. Hij wordt uitvoerig verhoord en blijft nog jaren een gevangene van de Spanjaarden in Lima, die hem als buitengewoon intelligent en dus als gevaarlijk beschouwen. Hij en 5 of 6 resterende manschappen worden tenslotte geruild tegen de in 1600 in de Slag bij Nieuwpoort gevangengenomen Almirante de Aragón, Francisco de Mendoça. Dirck Gerritsz. wordt op 5 mei 1603 van Peru overgebracht naar Panama, waar hij 22 mei aankomt en zes weken vertoeft. Op 1 juli 1604 wordt hij in Lissabon gelost met 5 andere mannen uit Lima van de schepen van Pieter Verhaegen, namelijk: Cornelis Lamberts Matelief, stuurman; Pieter Tielemans, timmerman; Jacob Jacobsz Bol; Arent Jansen; Adriaan Pauwelsz timmerman. Zij vertrekken 21 juli met Tymon Barentsz uit Enkhuizen naar Holland, waar drie mannen hun vrouw met een ander getrouwd vinden. Twee jaar later zeilt Dirck Gerritsz. met Paulus van Caerden naar Indië.

Kapitein Balthasar de Cordes tracht met de Trouw vanuit de Zuidzee de Straat van Magalhães in te varen, wat niet lukt. Hij komt begin maart 1600 bij de Chiloé archipel terecht, waar de bemanning ruilhandel drijft met de indianen. Vervolgens vaart hij de binnenwateren tussen de eilanden binnen en hij gaat bij het stadje Castro voor anker. Deze stad is een kleine onverdedigde plaats en Cordes kan, behalve dat hij zijn mensen perfect bewapend heeft, rekenen op de steun van de indianen, die hij tot opstand tegen de Spanjaarden opgestookt heeft. Verraderlijk leidt Cordes corregedor Balthasar Ruiz de Pliego, capitán Pedro de Villagoya en anderen in Castro om de tuin, door hen te laten geloven dat de Hollanders zich bij hen zullen aansluiten, om tegen de indianen te strijden. Hij nodigt de beste kapiteins uit aan boord van de Trouw het krijgsplan van de komende strijd tegen de indianen te bespreken. Zodra de zes kapiteins aan boord zijn, laat Cordes hen allen onthoofden. Hij trekt met zijn manschappen de stad in en verzoekt alle Spanjaarden bijeen te komen in de kerk, zogenaamd om de indianen te doen geloven dat hij allen heeft gevangengenomen. De Nederlanders omsingelen de kerk, weldra gevolgd door de indianen. Hij laat alle mannen, tegen wie hij niets kan hebben, circa dertig in getal, vermoorden. De vrouwen en kinderen worden gevangengenomen en het stadje wordt grondig geplunderd. Onder de gevangenen bevindt zich een dappere vrouw, Doña Ines de Bazan, geboortig uit Osorno en weduwe van Juan de Oyarzun, capitán van Guipuzcoa. Zij sluit zich bij de mannen aan, om weerstand te bieden met de wapenen in de hand, als zij op het laatste ogenblik en opgesloten in de kerk tracht een late verdediging te beginnen, die zeer spoedig onmogelijk blijkt te zijn. Doña Ines de Bazan verliest desondanks niet de moed en besluit bij de eerste de beste gelegenheid aan de macht van de Hollanders te ontsnappen. Deze gelegenheid doet zich spoedig voor. Capitán Luis Perez de Vargas bevond zich met 25 man buiten Castro, toen de Hollanders door verraad de plaats namen. Nu wil hij zijn vrouw, zoons en schoonmoeder bevrijden. Hij stuurt soldaat Torres, zogenaamd als overloper naar het Hollandse kamp, om de nachtelijke aanval voor te bereiden. Doña Ines de Bazan biedt hem hulp door het schietkatoen van de geloste kanonnen vochtig te maken. Luis Perez de Vargas brengt zijn gewaagde onderneming tot een gelukkig einde, bevrijdt zeven vrouwen, herneemt de buit, doodt twee vijanden, verwondt Cordes en voert in triomf zijn standaard weg. Daarna verbergt hij zich in de bossen om aan de wraak van Cordes te ontsnappen. Helaas hebben Torres en Doña Ines de Bazan geen kans gezien tijdens de aanval van Luis Perez de Vargas te ontvluchten. Soldaat Torres laat hij ophangen en Doña Ines de Bazan laat hij op wrede wijze geselen. Balthasar de Cordes heeft in Castro een fort laten bouwen en bevindt zich daarin met 38 zeelieden, 3 Spaanse deserteurs en 600 met werpspiezen bewapende indianen, als Spaanse troepen, onder coronel Francisco del Campo het stadje Castro te hulp komen. Op 15 augustus van het jaar 1600 pleegt Francisco del Campo met 150 man een zeer goed voorbereide verrassingsaanval op het Hollandse fort en voordat Balthasar de Cordes weet dat er Spaanse versterkingen op Chiloé zijn aangekomen, dringen de Spaanse soldaten het fort al binnen. Maar voordat Francisco del Campo kan afrekenen met Balthasar de Cordes en zijn mannen, dient hij eerst af te rekenen met de indianen, die dapper weerstand bieden, maar als de helft van hen gesneuveld is, neemt de andere helft de vlucht. De in het nauw gedreven Hollanders weten ongezien uit het fort te geraken. Er zijn nog twaalf zeelieden over die de Trouw weten te bereiken. Cordes laat behalve zijn kanonnen, 26 gesneuvelden in Castro, waar zij zich zo buitensporig misdragen hebben, achter. De Trouw loopt aan de grond en verliest beide goede ankers. Balthasar de Cordes zendt twee van de vijf gevangengenomen Spanjaarden naar Francisco del Campo, als eerste stap naar onderhandeling over de overgave, want zonder anker kunnen de Hollandse piraten niet de Zuidzee insteken. Zij zoeken en vinden het laatst verloren anker, waardoor de situatie totaal verandert. Cordes schrijft coronel del Campo, dat hij er niet over peinst zich over te geven. Het zet de laatste drie Spanjaarden die hij nog aan boord heeft aan land; een van hen zal later op last van onderkoning Luis de Velasco y Castilla, marqués de Salinas, virrey de la Nueva España, worden terechtgesteld in la Concepcion, wegens overlopen naar de vijand. Met 22 man en een minimum aan proviand besluit Balthasar de Cordes over de Zuidzee naar de Molukken te varen. Van deze reis is niets bekend; we weten slechts dat de Trouw op 3 januari 1601 met 24 zeelieden en vier uit Zuid-Amerika meegenomen indianen bij Tidore aankomt. Hier krijgt hij een koekje van eigen deeg. De Portugezen ontvangen de Hollanders gastvrij en beloven hen kruidnagelen te zullen leveren, maar onverwachts doden zij alle leden van de bemanning, behalve schipper Swarte Teun en vijf andere zeelieden. Zij worden naar Goa gebracht. De Trouw wordt toegevoegd aan de twee schepen die de Portugezen bij Tidore hebben. Het zal Jacob van Neck niet lukken het schip te heroveren.

De Liefde komt aan bij het Isla Mocha, waar 26 zeelieden door inheemsen worden gedood. Simon de Cordes arriveert met de Hoop in de Chonos-archipel, waar hij vreedzaam handeldrijft. Op 7 november gaan beide schepen voor anker bij de inham van Arauco op 37º 09’ ZB. Daar doden de indianen drie mannen en bij een volgende ontscheping verliezen de Hollanders 23 man. Als de Hoop en de Liefde zich volgens afspraak verzamelen bij het isla de Santa Maria verneemt Simon de Cordes het bericht dat Dirck Gerritsz de Blijde Boodschap overgegeven heeft aan de Spanjaarden in Valparaiso. De resterende schepen, de Liefde en de Hoop, zeilen van Santa Maria in elkaars gezelschap de Stille Zuidzee over. De zeelieden komen bij Hawai, maar zij verversen daar niet. Wel zouden zeven opvarenden in een sloep aan land zijn gekomen. Zij zouden allen Hawaiaanse vrouwen hebben gehuwd. Kort na het passeren van Hawai zijn de schepen in zwaar weer terechtgekomen en is nooit meer iets van de Hoop vernomen. De Liefde weet tenslotte 19 april 1600 Japan te bereiken. Onder de 24 of 25 opvarenden bevinden zich kapitein Quaeckernaeck, stuurman William Adams en commies Melchior van Santvoort.

Reis van Olivier van Noort (admiraal), Jacob Claes van Ilpendam (vice-admiraal) en Cornelis van Noort, met vier schepen en 248 man

Uitreders: Huyg Gerritsz van der Buis, Jan Bennink, Pieter van Bevere in Rotterdam en de gebroeders Coekebacker uit Amsterdam

Uitgezeild: uit het Goereesche Gat, op 13 september 1598, met twee schepen en twee jachten

Opdracht: kapen van Spaanse schepen, kopen van porselein in China en specerijen in de Molukken.

Schepen:

  • Mauritius uit Rotterdam, admiraalsschip, 300 ton;
  • Hendrik Frederik,2 uit Amsterdam, 300 ton, kapitein Jacob Claes van Ilpendam;
  • Eendracht, uit Rotterdam, 50 ton, kapitein Jacob Jansz Huydekooper Hoop, uit Amsterdam, 50 ton, kapitein Pieter de Lint

Het verloop van de reis

De schepen doen het eiland Princípe aan en steken dan over naar Brazilië. Bij Rio de Janeiro ontstaan schermutselingen met de Portugezen. Hierbij verliest Olivier van Noort enige mannen. Veel stormen en de naderende winter doen hem een goede haven zoeken. Uiteindelijk vindt van Noort een beschutte ankerplaats bij het eiland Santa Clara. Bij Porto Desire gaat hij aan land en vindt enige met bogen en pijlen versierde graven, met veel kunstig gesneden schelpen onder de hoofden der doden, die van ongemene grootte zijn. Voordat de schepen hun tocht vervolgen, wordt Pieter de Lint aangesteld als opvolger van de overleden Jacob Huydekooper. Omdat het jacht de Hoop lek is, wordt het verbrand. De resterende drie schepen zijn 14 maanden na hun vertrek in de monding van Straat Magalhães. Olivier van Noort vaart op 25 november 1599 door het nauwste gedeelte van deze straat, die 7 mijlen breed en 110 lang is. De volgende dag neemt Van Noort, bij het passeren van de tweede engte vier jongetjes en twee meisjes mee, die naderhand, door het aanleren van de Nederlandse taal, van alles over hun land weten te vertellen. De schepen komen tenslotte in de Zuidzee, nadat Van Noort zijn vice-admiraal Jacob Claes van Ilpendam, wegens ongehoorzaamheid op een eiland aan wal heeft gezet. Hij wordt opgevolgd door Pieter de Lint, die op zijn beurt wordt vervangen door Lambert Biesman. Van Noort zeilt langs de kust van Chili naar het noorden en wordt op het Isla Mocha goed ontvangen. Bij het Isla de Santa Maria, wordt een Spaans schip, Bueno Jesus genaamd, genomen en later nog een ander schip veroverd. Van Noort steekt dan de Zuidzee in en koerst op de Ladrones (Marianas) eilanden af, waar zijn vloot op 15 september 1600 aankomt en waar hij voldoende verversing weet te krijgen, omdat zijn schepen de Spaanse vlag voeren, Schipper Arend Klaasz Kalkbuis zeilt met de Hendrik Frederik naar de Molukken, waar het schip in februari of maart 1601 aan de grond loopt en verloren gaat. Olivier van Noort zeilt met de Mauritius en de Eendracht verder naar Baja la Baja en vervolgens naar de Straat van Manila. Op 3 december 1600 gaan de Hollanders aan land op het eiland Capul, waarvan de inwoners voor de vreemdelingen de bergen zijn ingevlucht. De Hollanders weten niets beter te doen dan het dorp van de vluchtelingen in brand te steken. Van Noort verovert een Japans schip, dat hij weer laat gaan. Hij geeft de kapitein een paspoort in naam van prins Maurits mee. Vervolgens ankert Van Noort met de Mauritius en de Eendracht voor Manila. Als hij vijf etmalen voor Manila ligt, wordt hij op 13 december aangevallen door twee Spaanse galeras, de San Diego (capitana) en de San Bartolomeo (de almirante), beide galjoenen onder bevel van almirante Joan de Alcega. De strijd duurt zes uren en is buitengewoon hevig. Als de Eendracht van het strijdtoneel wegvlucht, wordt het schip achtervolgd en opgebracht door de San Bartolomeo, welk schip dus het strijdtoneel verlaat om het Nederlandse jacht te achtervolgen, in plaats van dat Joan de Alcega de San Diego bijstaat in zijn strijd met de Mauritius. De San Diego loopt in zijn gevecht met de Mauritius zoveel schade op dat het schip spoedig zal zinken. De Spanjaarden zijn van mening dat de Mauritius ook zo zwaar is beschadigd en zo weinig bemanning heeft overgehouden (15 man) dat het weinig kans maakt veilig thuis te geraken. Desondanks begint Olivier van Noort, zeilend op alleen zijn fokkezeil aan zijn thuisreis. Hij arriveert in Brunei, waar hij door zijn Chinese stuurman ervoor wordt gewaarschuwd dat de sultan eropuit is zijn schip te stelen, waarop Van Noort extra waakzaam is. Hij ontmoet in de Baai van Brunei op 3 januari 1601 een Japans schip uit Nagasaki. Het schip dat tussen Manila en Japan uit zijn koers is geraakt, heeft een Portugese kapitein, Manuel Luís, uit Porto, die in Nagasaki woont. Hij krijgt ook een Hollandse vlag en een dito paspoort. Als het optreden van Van Noort bekend wordt in Japan, verhoogt dit het prestige van de opvarenden van de Liefde. Olivier van Noort steekt over naar Java en komt op 28 januari bij Jurtan. Omdat daar geen lading voor hem is, zeilt hij 5 februari naar de Straat van Balamboeang, tussen Java en Bali en geraakt zodoende aan de zuidkant van Java. Hij zeilt langs de zuidkant van Java naar de Kaap. Neemt op 26 mei op Sint Helena water in en ontmoet op weg naar huis op 16 juni zes Hollandse schepen die, onder Jacob van Heemskerck, op weg zijn naar Indië. Hij meert op 26 augustus met nog slechts 45 man aan in Rotterdam, na een reis om de wereld. Gelet op zijn zware verliezen aan mensen en schepen en op zijn opdracht, is zijn reis heroïsch, maar niet erg succesrijk geweest.

De eerste reis van Steven van der Haghen

Uitreder: de Oude Compagnie, 3e equipage

Uitgezeild: 6 april 1599 van Texel

Schepen:

  • de Zon, 580 ton, schipper Cornelis Jansz Schouten, opperkoopman Jan Sas van Gouda
  • de Maan, 500 ton, schipper Cornelis Hendriksz
  • De Morgenster, 400 ton, schipper, Cornelis Jansz Melknap

Verloop van de reis

Steven van der Haghen wil verversen op het eiland Mayo, maar hij raakt daar in gevecht met de Portugezen en verliest enig volk. Na twee vergeefse pogingen van de Hollanders zich te wreken, koersen zij naar het eiland Princípe en vandaar naar Ano Bom. Nadat de kleine vloot Kaap de Goede Hoop is gepasseerd, trotseren de schepen op weg naar Madagascar verscheidene stormen. Op 27 oktober doet Steven van de Haghen eerst een onbekende haven op Madagascar aan en vervolgens de bekende Baía de Antongil. Hij vindt daar echter geen verversing, reden waarom hij op 21 december zijn reis vervolgt en tenslotte in februari 1600 eerst voor Lampon en op 13 maart voor Bantam ankert. Daar bevalt het hem ook niet, omdat de Bantammers praten over het heffen van zware tollen. Steven van der Haghen besluit 28 maart door te zeilen naar Ambon. Hij gaat op 2 mei met de Zon bij Ambon voor anker, maar zonder dat de mannen op de Zon dat merken, drijven de Maan en de Morgenster af in de richting van Banda. Eerst half mei ontvangt Steven van der Haghen bericht dat de beide andere schepen op Banda een goede lading verwachten in te nemen. De orangkaja’s van Hitoe en de koning van Noessatel dringen er bij Steven van der Haghen op aan hen te helpen in hun strijd tegen de Portugezen. Van der Haghen geeft tenslotte toe en de Hollanders belegeren tezamen met de Ambonezen acht weken lang het Portugese Fortaleza da Nossa Senhora da Annunciada op Leitimor, echter zonder resultaat. Steven van der Haghen sluit voor zijn vertrek met de Hitoeëzen een verbond, laat Jan Dircxz. Sonnenberg als bevelhebber van 27 vrijwilligers achter op het Kasteel van Verre, dat de Hitoeëzen bij Hatoenoekoe voor hem hebben gebouwd. Van der Haghen vertrekt 8 oktober naar Bantam, na de Hitoeëzen te hebben beloofd hen na drie jaren met meer hulptroepen te zullen helpen. Op 14 februari 1601 zeilt hij van Bantam weg en iIn oktober 1601 keren de Zon, de Maan en de Morgenster beladen met kruidnagelen, muskaatnoten en foelie in het vaderland terug.

Reis van Pieter Both (admiraal) en Paulus van Caerden (vice-admiraal)

Uitreder: Nieuwe Brabantsche Compagnie, Amsterdam

Uitgezeild 21 december 1599 van Texel

Schepen:

  • Hof van Holland, laadvermogen 360 ton, schipper Jacob Dirksz
  • Verenigde Landen, laadvermogen niet bekend, schipper Klaas Gerritsz
  • Nederland, laadvermogen niet bekend, schipper Ernst van Ommeren
  • Nassau, laadvermogen niet bekend, schipper Frederik Cornelisz

De vier schepen arriveren 6 augustus 1600 op de rede van Bantam, vanwaar Paulus van Caerden op 25 augustus met twee schepen langs de westkust van Sumatra naar Atjeh vertrekt en Pieter Both een halfjaar later met de twee andere schepen naar Patria zeilt. Paulus van Caerden slaagt er niet in Frederik de Houtman in Atjeh vrij te krijgen, noch om er peper te laden. Om zich schadeloos te stellen voor de penningen die hij op de nieuwe oogst heeft voorgeschoten, maakt hij zich meester van enige vreemde schepen. Hij vertrekt 21 januari van Atjeh naar Holland.

Reis van Jacob Wilckens

Uitreder: de Oude Compagnie, 1e eskader, 4e equipage

Uitgezeild 21 december 1599

Schepen:

Mauritius, admiraalsschip van Jacob Wilckens, 460 ton, schipper Govert Jansz

Hollandia, vice-admiraalsschip van Cornelis van Heemskerck, 460 ton, schipper Pieter Klaasz Nek

Vriesland, 180 ton, schipper Jacob Pietersz

Overijssel, 50 ton, schipper Thijmen Michelsz

Tweede reis van Jacob Cornelisz van Neck;

Uitreder: de Oude Compagnie, 2e eskader, 4e equipage

Uitgezeild 28 juni 1600

Schepen:

  • Amsterdam, admiraalsschip Jacob van Neck, 900 ton, schipper Simon Lambrechtsz Mau
  • Dordrecht, vice-admiraalsschip van Cornelis van Foreest, 900 ton, schipper, Dirk Mot
  • Haarlem, 350 ton, schipper Kornelis Klaasz
  • Leiden, 280 ton, schipper Hendrik Jansz
  • Delft, 300 ton, schipper Simon Jansz Hoen
  • Gouda, 50 ton, schipper Klaas Cornelisz

Het verloop van de reizen

De tien schepen van de vierde voyage varen niet allen tezamen uit. Wilckens vaart met zijn vier schepen eind 1599 uit en Jacob van Neck met zijn zes schepen een halfjaar later. De schepen van Wilckens komen, na een kort oponthoud voor Atjeh begin augustus 1600, op 1 september voor Bantam aan. De Mauritius en de Vriesland vertrekken op 14 januari 1601 geladen met peper naar Patria en in gezelschap van de schepen van de Oude Compagnie, 3e equipage onder admiraal Steven van der Haghen (Zon, Maan en Morgenster) en twee schepen van de Nieuwe Brabantsche Compagnie onder Pieter Both, te weten de Hof van Holland en de Verenigde Landen. Volgens het besluit van 26 november zouden de Hollandia en het jacht Overijssel, onder het gezag van Cornelis van Heemskerck, doorzeilen naar de Molukken. Van Heemskerck vertrekt 6 december 1600 van Bantam en arriveert 2 januari 1601 bij Ambon. Hij treft daar Dircxz Sonnenberg, kapitein van het Kasteel van Verre. In juni 1601 verlaten de Hollandia en de Overijssel Ambon, met medeneming van de bezetting van het Kasteel van Verre. Na een bezoek aan Bali te hebben gebracht, arriveren de schepen eind juli voor Bantam. Op 9 september 1601 wordt de terugreis naar het vaderland aanvaard. In Bantam blijft Jan Lambertsz Vloots met enkele gezellen achter.

De zes schepen onder Jacob van Neck doen 1 oktober Ano Bom aan, waar het Hollandse eskader door de Portugezen goed wordt onthaald. De Amsterdam, de Delft en de Gouda arriveren eind maart voor Bantam. De Delft wordt vrijwel direct geladen en keert spoedig daarop naar het vaderland terug, maar voor de andere schepen is er geen lading in Bantam. Admiraal Van Neck zeilt 2 april met de Amsterdam en het jacht Gouda door naar Ternate. Van Neck treft daar Frank van der Does, die bij de 2e voyage op het eiland is gebleven. De Amsterdam en de Gouda verlaten Ternate op 31 juli 1601, met achterlating van Jan Pietersz Snyer en Cristiaan Adriaensz den Dorst. Zij zeilen achter de Filippijnen om naar China en komen op 27 augustus in het zicht van Macau. Op 7 november bereiken de twee schepen Patani, waar de Hollanders zeer vriendelijk door de koningin ontvangen worden. Zij stelt een pakhuis ter beschikking en de Hollanders kunnen een lading peper innemen. Zij vertrekken van daar 23 augustus 1602 naar Bantam, na twee kooplieden in Patani te hebben achtergelaten. Midden november zijn de schepen voor Bantam en in 1603 zijn zij in Holland terug. De drie schepen Dordrecht, Haarlem en Leiden, die op de heenreis nabij Ano Bom zijn achtergebleven, komen op 9 augustus 1601 voor Bantam aan. De Dordrecht, het vice-admiraalsschip van Cornelis van Foreest, blijft daar om lading in te nemen en keert daarna naar het vaderland terug, tezamen met twee schepen van de Brabantsche Compagnie, de Zwarte Arendt en de Witte Arendt. De schepen Haarlem en Leiden zeilen nog in augustus 1601 door naar China. Zij staan onder gezag van Gaspar Groensbergen, koopman te Haarlem. De verschijning van de VOC-schepen voor de kust van Zuid-China in september veroorzaakt paniek in Macau. Bij een langdurige tocht langs de kusten van Achter-Indië en Indo-China ankeren de schepen aan de kust van Cambodja. De inlanders daar nemen in januari 1602 twaalf zeelieden van de Haarlem en elf van de Leiden, onder wie Groensbergen, gevangen. Zij worden vrijgekocht met twee metalen stukken geschut. Beide schepen komen eind december 1602 voor Patani aan. Vandaar vertrekken zij begin september 1603 naar Bantam. De Haarlem blijkt echter niet meer zeewaardig te zijn en moet terugkeren naar Patani. Daar krijgt Groensbergen gelegenheid koopmansgoederen uit de Haarlem over te laden in de Zierikzee, onder vice-admiraal Cornelis Pietersz, welk schip met 13 andere schepen is uitgereed door de VOC, die de vloot in december 1603 naar Bantam heeft doen vertrekken. De Haarlem wordt in januari 1604 in Patani verbrand. De Leiden arriveert 15 november 1603 voor Bantam en keert 27 januari naar Patria terug, waar het eind augustus 1604 aankomt, als negende en laatste schip van de 4e voyage.

Reis van Guillaume Senescal

Uitreder de Nieuwe Brabantsche Compagnie

Uitgezeild 28 juni 1600 van Texel

Schepen:

  • Zwarte Arendt en Witte Arend (laadvermogens en schippers onbekend)

De twee schepen gaan in augustus 1601 voor het Sumatraanse plaats Ticou voor anker. Enige zeelieden worden door inlanders gevangengenomen. De schepen vertrekken zonder dat zij zijn vrijgekocht. Zij komen in oktober 1601 voor Bantam aan en vertrekken in gezelschap van de Dordrecht, onder bevel van Cornelis van Foreest.

Reis van Gerard le Roy en Laurens Bicker

Uitreders: De Verenigde Zeeuwsche Compagnie (een samenwerking tussen de Veersche Compagnie en de Middelburgse Compagnie)

Uitgezeild 28 januari 1601 van Rammekens

Schepen:

  • Zeelandia, 600 ton, schipper Kornelis Bastiaansz
  • Langebarke, 300 ton, schipper Nicolaas Antheunisz
  • Zon, 580 ton, schipper Kornelis Adriaansz Valk
  • Middelburg, 400 ton, schipper Hans Huibrechtsz Tonnema

Het verloop van de reis

De vier schepen doen 7 juli het Comoren-eiland Anjouan aan. Gerard le Roy ontvangt daar van de koning van het eiland een in het Arabisch geschreven brief voor de sultan van Atjeh. De vloot arriveert 23 augustus 1601 voor Atjeh, waar de stemming jegens de Portugezen geheel blijkt te zijn is omgeslagen en de Nederlanders ras in aanzien zijn gestegen. De sultan laat daarom al zijn Hollandse gevangenen vrij, zonder op een losprijs aan te dringen. En zo wordt ook Frederik de Houtman eindelijk op 25 augustus vrijgelaten. Op 29 november 1601 vertrekken de Zeelandia en de Langebarke terug naar Zeeland, in gezelschap van twee gezanten van de sultan van Atjeh naar prins Maurits. Zij hebben een brief voor prins Maurits bij zich. De beide schepen keren op 6 juli 1602 in het vaderland terug.. De Zon en de Middelburg vertrekken in november 1602 van Atjeh naar Bantam. Op de terugweg naar Patria doen zij in februari 1603 Sint Helena aan

De reis onder leiding van Jacob van Heemskerck en Wolfert Harmenz

De vloot bestaat uit dertien schepen; vijf daarvan zijn uitgereed door de Oude Compagnie te Amsterdam en dit eskader staat onder bevel van Wolfert Harmensz; de andere acht schepen zijn uitgereed door de Eerste Verenigde Compagnie op Oost-Indië en de admiraal daarvan is Jacob van Heemskerck

Schepen onder bevel van zeevoogd Jacob van Heemskerck en onderzeevoogd Jan Grenier:

  • Amsterdam, laadvermogen 500 ton, schipper niet bekend;
  • Hoorn, laadvermogen niet bekend, schipper niet bekend;
  • Enkhuizen, laadvermogen niet bekend, schipper Willem van Westzanen;
  • Alkmaar, laadvermogen niet bekend, schipper Pieter Stokman;
  • Swarte Leeuw, laadvermogen niet bekend, schipper Adriaan Beek;
  • Witte Leeuw, laadvermogen 540 ton, schipper niet bekend;
  • Groene Leeuw, laadvermogen niet bekend, schipper niet bekend;
  • Rode Leeuw, laadvermogen niet bekend, schipper Pieter Klaasz.

Schepen van zeevoogd Wolfert Harmensz en onderzeevoogd Hans Bouwer

  • Gelderland (admiraalsschip), laadvermogen 360 ton, schipper Jan Bruin;
  • Zeelandia (vice-admiraalsschip), laadvermogen 360 ton, schipper Jan Kornelisz;
  • Utrecht, laadvermogen 240 ton, schipper Jan Martensz;
  • Wachter, laadvermogen 130 ton, schipper Gerrit Hendriksz Roobol;
  • Duifje (jacht), laadvermogen 50 ton, schipper, Willem Kornelisz Schouten.

Het verloop van de reis

De gezamenlijke vloot vaart op 23 april 1601 uit van Texel; op 8 mei, bij 45º NB, splitst de vloot zich in de Atjeese vloot onder bevel van Jacob van Heemskerck en de Molukse vloot onder leiding van Wolfert Harmensz In het noorden van de Atlantische Oceaan dwaalt vice-admiraal Jan Grenier, aan boord van de Swarte Leeuw, van de hoofdvlag af en ziet zich omringd door elf grote Spaanse schepen. Hij ontkomt omdat de Swarte Leeuw een zeer goede zeiler is. Hij zet zijn reis op eigen gelegenheid voort en arriveert op 15 december voor Atjeh. De rest van de Atjeese vloot gaat voor anker bij het eiland Santa Maria voor Madagascar en daarna in de Baía de Antongil. De vloot vertrekt daar op 14 oktober en een gedeelte van de vloot komt op 15 december aan voor Atjeh. De Hollanders worden daar goed ontvangen en zij drijven er handel. Op 13 januari 1602 breekt brand uit in de stad, waardoor de Nederlandse logie met goederen ter waarde van 4.000 gulden verloren gaat. Op19 februari vertrekken de schepen naar de stad Ticou, waar zij 8 maart aankomen en 32 bihar peper verkregen wordt. Het anker wordt gelicht op 28 maart en 4 april komen de schepen voor Bantam aan. Daar worden twee andere schepen van de vloot van Jacob van Heemskerck aangetroffen, dat van onderzeevoogd Grenier en de Hoorn. Bovendien wordt vernomen dat Heemskerck zelf naar de Molukken is gegaan om daar lading te halen. Op 16 april loopt ook het jacht Enkhuizen de haven van Bantam binnen met de tijding dat Jacob van Heemskerck bij Demak op Java strijd geleverd heeft met de inheemsen; waarbij achttien van zijn mannen zijn gedood en twaalf van hen zijn gevangengenomen, maar hij heeft zelf 70 inlanders gevangen gemaakt. De schepen Amsterdam, Swarte Leeuw, Hoorn, Groene Leeuw en de Enkhuizen of Bruinvisch3 besluiten, geladen met bijna 30.000 zakken peper van 60 pond en kleine hoeveelheden andere specerijen, naar het vaderland te vertrekken. De vijf schepen vertrekken op 11 mei van Bantam onder leiding van zeevoogd N. Schuurmans. Van 12 juni tot 8 september ankeren de schepen voor Mauritius en zij komen op 16 november aan bij Sint Helena, vanwaar zij op 23 december vertrekken en kort na 27 maart 1603 terug zijn bij Texel.

De schepen van Wolfert Harmensz verversen zich aan de kust van Madagascar en zeilen vandaar naar Straat Sunda, waar zij 26 december 1602 aankomen. Daar krijgt de admiraal bericht dat er 30 Portugese schepen, waaronder 8 galjoenen, onder bevel van Dom André Furtado de Mendoça, sedert enkele dagen voor Bantam liggen. Hierop gaan de schepen voor Palembang voor anker en Wolfert Harmensz roept zijn scheepsraad bijeen. De raad wil de strijd aanbinden met de Portugezen. Als de drie Hollandse schepen en de twee jachten op 27 december voor Bantam aankomen, liggen er twee Portugese galeien op wacht bij de ingang van de haven, onder de kapiteins Francisco de Sousa en André Rodrigues Paliota. Zij worden op 29 december overmeesterd. Ofschoon de Portugezen het voordeel van de wind hebben, durven zij niet op de Hollandse schepen af te komen, maar op 1 januari 1603 licht Wolfert Harmensz. zijn anker en vaart, gevolgd door zijn andere schepen, op de Portugese vloot af en hoewel “hun trotse zeevoogd de bloedvlag wel laat waaien, wil zijn volk, van het Hollandse geschut schrikkende, niet vechten” schrijft Valentijn. Op 3 januari arriveert het Nederlandse eskader op de rede van Bantam, wat de grote Portugese vloot juist had moeten verhinderen. Het prestige van de Hollanders is in Bantam door de gebeurtenissen enorm gestegen en dat van de Portugezen is daarentegen ontzettend gedaald. Wolfert Harmensz blijft nog een paar dagen voor Bantam en zeilt dan naar Jacatra, om de koning de geschenken van de prins van Oranje te geven. Via Tuban zeilen de schepen naar Ternate, waar een klein Portugees vaartuig, geladen met onder meer porselein en zijde, wordt genomen. Op 7 maart wordt koers gezet naar Banda, waar de schepen een week later aankomen. Nadat zij hun schepen geladen hebben, vertrekken zij 24 juni van Banda en nadat onder meer Celebes is gepasseerd, komt Wolfert Harmensz op 6 juli voor Tuban aan, waar hij de geschenken van de prins van Oranje aan de vorst overhandigt. Een paar dagen later komt Jacob van Heemskerck, aan boord van de Witte Leeuw en in gezelschap van de Alkmaar en een door hem genomen prijsschip bij Tuban aan. De schepen van Wolfert Harmensz blijven tot 13 juli met de Witte Leeuw en de Alkmaar voor Tuban liggen, zij komen 18 juli voor Jacatra en gaan 1 augustus voor anker in Bantam. Op 25 augustus keert Wolfert Harmensz met de Gelderland, de Zeelandia en het Duifje naar Holland terug. Bij het ronden van Kaap Agulhas raakt het Duifje uit het zicht van de andere twee schepen, die op 24 november bij Sint Helena aankomen. Daar treft Wolfert Harmensz. de vijf schepen van Jacob van Heemskerck onder bevel van zeevoogd Schuurmans aan. De zeven schepen vertrekken op 23 december van Sint Helena en komen op 9 januari 1603 op de rede van het eiland Fernando Lorentino, waar de schepen tot 22 januari blijven. Zij komen in april of mei behouden in het vaderland terug. Zij vernemen daar dat het Duifje ook al in Middelburg is teruggekeerd.

Eerste reis van ‘generaal’ Joris van Spilbergen

Uitgereed door de Compagnie van De Moucheron

Uitgezeild 5 mei 1601 uit Veere

Schepen:

  • Schaap (generaalsschip), laadvermogen 110 ton, schipper Pieter Cornelisz
  • Ram, laadvermogen 110 ton, schipper Guyon le Fort
  • Lam (jacht), laadvermogen? schipper Willem Jansz.

Het verloop van de reis

De vloot gaat voor anker bij Gorée en wisselt schoten met Portugese vaartuigen bij Portudale en Rufisque, waarbij Van Spilbergen ernstig gewond raakt., maar op 20 juni kan de reis worden voortgezet. Door de heersende stromingen geraakt de vloot aan de Graankust en in de Bocht van Biafra. Op 20 juli besluit de scheepsraad verversing te zoeken op São Tomé, maar in plaats daarvan komt Van Spilbergen bij Ano Bom, waar de Portugezen zich niet laten verrassen en een aanval afslaan. Op 29 juli wordt naar São Tomé teruggekeerd, maar ook daar worden de zeelieden op 31 juli door de Portugezen verdreven. Dan zeilen de schepen naar de eilandjes van Corisco, waar Balthasar de Moucheron kort tevoren een gewapende nederzetting heeft geplant. De vloot ankert daar van 2 tot 11 augustus en zeilt dan naar Kaap de Lopo Gonçalves, waar Van Spilbergen tot 30 augustus verblijft. Op 5 oktober besluit de scheepsraad van de vloot, die tegen de Benguelastroom moet optornen, dat naar de oostkust van Zuidelijk Afrika gevaren zal worden, om aan de kust van Sofala en tussen de Comoren eilanden fortuin te verwerven. Op 16 november ankeren de schepen eerst in de Sint Helenabaai en vervolgens in de Baai van Saldanha, die door Joris van Spilbergen wordt herdoopt in Tafelbaai. Op 23 december zeilt Van Spilbergen de Tafelbaai uit en een dag later verliest hij het contact met de Ram. Hij krijgt tijdelijk gezelschap van twee Franse schepen de Croissant en de Corbin van de Franse admiraal Michel Trotet Sieur de la Bardelière, die ook op weg zijn naar het Oosten. Opperpiloot van het Franse eskader is de Nederlander Wouter Willekens, iemand die in vroeger jaren al tot Japan is doorgedrongen, die de Eerste Schipvaart onder Cornelis de Houtman heeft meegemaakt en die als commies op de Vriesland heeft deelgenomen aan de Tweede Schipvaart onder Jacob van Neck. Hij stelt zijn kennis en ervaring thans in dienst van de Fransen, zoals hij zich later met de Spanjaarden zal pogen te verstaan. Op 21 februari komt Van Spilbergen aan bij Mohelli, een van de Comoren eilanden. Aanvankelijk worden de zeelieden vriendelijk ontvangen, maar ’s nachts roven de inheemsen twee van Van Spilbergens sloepen en nemen 28 man gevangen. Westelijke winden en gebrek aan victualiën dwingen de generaal zijn reis voort te zetten met achterlating van een deel van zijn bemanning. Hij steekt de Indische Oceaan over, passeert Kaap Comorin en Kaap Dondra en bereikt, zonder de Ram en zonder het Lam, dat 4 april van de vlag is afgedwaald, op 31 mei de rede van Batticaloa, waar de Ram op 3 juli eveneens zal belanden. (Het Lam zal veel later voor Atjeh worden teruggevonden)

De vorst van Batticaloa, die aan de Portugezen schatplichtig is, wil eerst niet geloven dat zijn gast geen Portugees is, maar hij ontvangt de generaal met veel vertoon van vriendschap. Door een vastberaden houding weet Joris van Spilbergen de vorst, die zowel de Portugezen als de maharadja van Kandy te vriend moet houden, voor zich te winnen. Hij stuurt een van zijn commiezen naar Kandy en als deze behouden met brieven en geschenken terugkeert, besluit hij zelf een bezoek aan de maharadja te brengen. Hij begeeft zich 6 juli op weg met een gevolg van tien personen. Als de generaal, na een ongetwijfeld vermoeiende reis, zijn doel bereikt heeft, weet hij zich met veel overleg aangenaam bij de vorst van Kandy te maken. Hij legt er de nadruk op dat hij een afgezant is van prins Maurits, die gekomen is om en bondgenootschap te sluiten tegen de gemeenschappelijke Portugese vijand. Hij verhaalt over de Slag bij Nieuwpoort en hij vereert de maharadja met een plaat, waarop prins Maurits, in volle wapenrusting, te paard is voorgesteld. De vorst van zijn kant opent het vooruitzicht op de stichting van een versterking op Ceylon om de vijand te bestoken. Met vele geschenken, beloften een bondgenootschap aan te gaan en brieven aan prins Maurits en bovendien bekleed met de rang en de volmacht van gezant van de vorst van Kandy, keert Van Spilbergen naar Batticaloa terug, waar hem nog wat kaneel en peper wordt achterna gezonden. Na nog wat ruilhandel te hebben gedreven en een paar kleine Portugese scheepjes te hebben vernield, zeilen het Schaap en de Ram op 2 september 1602 naar de Baai van Atjeh, waar Van Spilbergen de 16e het anker laat vallen en waar hij het Lam, dat deel uitmaakt van een Engels eskader van nog drie andere schepen van James Lancaster, terugvindt. Voorts verneemt Joris van Spilbergen het heuglijke bericht dat Frederik de Houtman is vrijgelaten en zich al op weg naar het vaderland bevindt. Joris van Spilbergen ontmoet in Atjeh nog een oude bekende, de Franse admiraal Michel Trotet Sieur de la Bardelière, met zijn schip le Croissant. Het andere schip waarmee hij op 18 mei 1601 uit Saint Malo is vertrokken, heeft op 2 juli 1602 schipbreuk geleden bij de Malediven. Later zal blijken dat een groepje opvarenden, onder wie kapitein François Pyrard de Laval, zich in veiligheid heeft weten te stellen als Pyrard, na vele avonturen, in 1611 in La Rochelle terugkeert.

James Lancaster heeft in Atjeh vernomen dat daar binnenkort de jaarlijkse nau met koopwaren uit São Tomé de Meliapor aan de Coromandelkust verwacht wordt. Hij neemt zich voor deze kraak te onderscheppen en van zijn kostbare lading te ontdoen. Hij weet te voorkomen dat de Portugezen in Atjeh de capitão van Malacca laten weten dat er Engelse kaperschepen voor Atjeh liggen. James Lancaster maakt zich juist gereed om met drie schepen van zijn eskader uit te varen om de kraak in de Straat van Malacca op te wachten, als op 16 september 1602 Joris van Spilbergen met zijn twee schepen, Schaap en Ram, arriveert. Joris van Spilbergen en Lancaster besluiten samen te werken bij het beroven van de kraak uit São Tomé. Op 21 september vaart het Anglo-Zeeuwse eskader uit; Lancaster met twee grote schepen en het Lam en Van Spilbergen alleen met het Schaap. Op 13 oktober krijgen zij de kraak in zicht. De volgende dag strijkt de Portugees zijn vlag ten teken van overgave op redelijke voorwaarden, die door Lancaster en Van Spilbergen humaan en zonder kleingeestigheid worden nagekomen. Het lossen van 1080 colli textiel, kleding, wapenen en ‘honderderlei fraaiiheden’ vergt een week, waarna het schip zelf, gelijk bedongen is, ter beschikking van de 600 opvarenden (mannen, vrouwen en kinderen) wordt gesteld, om ermee naar Malacca te zeilen. Na een stormachtige reis te hebben gemaakt, komen de schepen van het Anglo-Zeeuwse eskader van 3 tot 5 november terug op de rede van Atjeh. Voor Van Spilbergen is er weinig peper te koop, daar de Engelsen en Fransen, die voor hem gearriveerd zijn, eerder aan de beurt zijn. Daarom vertrekt hij 20 november naar het landschap Kedah, ten oosten van Penang. De moesson verhindert zijn plannen en hij verprutst een maand hoofdzakelijk tussen de Nicobaren eilanden. Op 25 december is hij voor Atjeh terug, waar de Engelsen en Fransen inmiddels zijn verdwenen. Van Spilbergen maakt zich tot 17 januari 1603 aangenaam bij de sultan, die gaarne een aantal uit de Portugese kraak gelichte textielgoederen aanneemt als betaling voor geladen peper. In feite is de peper duur gekocht, omdat Van Spilbergen tien mannen verliest door het omslaan van een sloep. Op 17 januari arriveren voor Atjeh twee schepen uit Zeeland, de Vlissingen en de Ter Goes, die deel uitmaken van een vloot van drie schepen waarmee vice-admiraal Seebald de Weert op 31 maart 1602 uit Zeeland is vertrokken. Het Zeeuwse smaldeel maakt deel uit van een grote vloot, waarvan de hoofdmacht, die 17 juni 1602 uit Nederland naar Indië is vertrokken, uit twaalf schepen bestaat. Seebald de Weert is zelf met zijn vice-admiraalsschip de Zierikzee naar Ceylon gezeild en heeft zijn beide andere schepen vooruitgestuurd naar Atjeh, waar hij later zelf ook zal aankomen. Van de opvarenden van de schepen van Sebald de Weert verneemt Joris van Spilbergen dat er vorig jaar een fusie tot stand is gekomen tussen alle voorcompagnieën en dat op 20 maart 1602 octrooi is verleend aan de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Op 7 maart 1603 overlijdt vice-admiraal Guyon le Fort onder niet opgehelderde omstandigheden. Er is sprake van ‘conspiratie streckende tot muyterije’, zodat Guyon le Fort wellicht geen natuurlijke dood is gestorven. Daags na zijn overlijden arriveren opnieuw schepen van de vloot van Wybrandt van Warwijck bij Atjeh; het zijn de Holland, de Ster en de Hollandse Tuin, die half december 1602 van de vlag zijn afgedwaald. Zij brengen het bericht mee dat Sebald de Weert is benoemd tot vice-admiraal onder Wybrandt van Warwijck. Joris van Spilbergen stelt het Schaap en de Ram onder bevel van Seebald de Weert, die daarmee over een vloot van zeven schepen beschikt. Op 30 maart 1603 brengen De Weert en Van Spilbergen samen een afscheidsbezoek aan sultan Alâ ad-din Ri’ âjat Sjâh. Seebald de Weert gaat naar Ceylon en Joris van Spilbergen naar Bantam, waar hij 27 april aankomt en een gesprek met Van Warwijck heeft en ook Lancaster nog aantreft en van hem het Lam terugkoopt, om het voor de thuisreis in te richten De laatste vertrekt 30 april, na een Engelse factorij in Bantam te hebben gesticht, waarin hij Master William Starkey heeft achtergelaten. Op 20 juni arriveert Jacob van Heemskerck met zijn schip de Witte Leeuw en de veroverde Portugese nau Santa Catarina, die hij toen het schip op weg was van Macau naar Malacca, op 25 februari 1603 in Straat Singapore veroverd heeft. Op 13 augustus ontvangen de voor Bantam verzamelde Nederlandse schepen van de bemanning van de uit Ceylon komende Ter Goes de droeve tijding dat Sebald de Weert en 47 van zijn mannen bij een incident in Kandy zijn vermoord. Joris van Spilbergen neemt op 30 augustus 1603 afscheid van Wybrandt van Warwijck en vertrekt met nog drie schepen naar het vaderland. Hij arriveert op 24 maart 1604 voor Vlissingen, waar hij verneemt dat zijn principaal Balthasar de Moucheron, met achterlating van de nodige schulden, vorig jaar naar Frankrijk is vertrokken, om daar de vaart op Indië te organiseren.

1) François Valentijn noemt het schip Frederik Hendrik, maar andere bronnen hanteren de naam Hendrik Frederik

2) Wat de overige drie schepen van Jacob van Heemskerk betreft is bekend dat de Alkmaar en de Witte Leeuw in 1603 uit Bantam zijn uitgezeild en dat zij in 1604 in Holland zijn teruggekeerd; de Rode Leeuw, evenwel, is niet naar Patria teruggekeerd.

1 Onbekend is welke plaats met Rakang wordt bedoeld.
2 François Valentijn noemt het schip Frederik Hendrik, maar andere bronnen hanteren de naam Hendrik Frederik
3 Wat de overige drie schepen van Jacob van Heemskerk betreft is bekend dat de Alkmaar en de Witte Leeuw in 1603 uit Bantam zijn uitgezeild en dat zij in 1604 in Holland zijn teruggekeerd; de Rode Leeuw, evenwel, is niet naar Patria teruggekeerd.

Deel 16: De aanval van de Hollanders op de Estado da India, Overige verwikkelingen in de Estado da India, De Portugezen aan de Tamilkust in de Periode 1560-1640

Categorieën
Britse kolonialisme Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

De komst van de Engelsen naar Indië. De komst van Hollanders en Engelsen naar Indië

Deel 15 Index

Hoofdstuk 3.

De komst van Hollanders en Engelsen naar Indië

3.2. De komst van de Engelsen naar Indië

Geschreven door Arnold van Wickeren

In dezelfde tijd dat Holland voorbereidingen treft om deel te nemen aan de directe vaart op Indië, bepleiten onderdanen van koningin Elizabeth hetzelfde te doen. Het schijnt dat in oktober 1580 diverse Engelse kooplieden de “Lords of the Council” een verzoekschrift hebben aangeboden, waarin wordt uitgelegd dat in de landen die grenzen aan de Indische Oceaan en de Chinese Zeeën, en in het Voor-Indisch schiereiland, er vele havens zijn die kunnen worden bezocht door Engelse schepen, en waar Engelse kleding en andere belangrijke manufacturen kunnen worden verkocht en producten uit die landen kunnen worden gekocht. Daarom verzoeken zij de koningin hun vergunning te verlenen drie schepen en drie pinassen uit te rusten en in te zetten in deze handel, zonder enige andere verplichting dan de betaling van belasting bij terugkomst. Dit verzoekschrift schijnt gunstig te zijn ontvangen, want in 1591 vertrekt kapitein Raymond met drie schepen, de Penelope, de Marchant Royal en de Edward Bonaventura voor een experimentele tocht naar Azië. Intussen, echter, heeft koningin Elizabeth in 1585 haar manifest, betreffende het aangaan van een bondgenootschappelijk verdrag met de Nederlanden, dat is geformuleerd als een nauwelijks verborgen oorlogsverklaring aan Philips II, uitgegeven. De koning van Spanje vat het manifest blijkbaar als zodanig op en hij vaardigt onmiddellijk een decreet uit om zowel alle Engelse, als Nederlandse schepen in zijn havens buit te maken, tezamen met de arrestatie van de bemanningen en de confiscatie van eigendommen. De diplomatieke betrekkingen tussen de twee landen zijn, evenwel, al verbroken sedert begin januari 1584, toen koningin Elizabeth, de Spaanse ambassadeur, de Mendoza, bevolen had het land te verlaten, als uitvloeisel van zijn betrokkenheid van Throgmortons samenzwering tegen haar, met het oogmerk de katholieke Mary Stuart, koningin van Schotland, op de Engelse troon te plaatsen. De ontdekking van de rol die de Spaanse ambassadeur in het complot heeft gespeeld, brengt Elizabeth ertoe haar vijandigheid tegenover El Rey Catolico te tonen en dit wordt gevolgd door het vertrek van 25 schepen, met 2300 soldaten, onder het commando van Sir Francis Drake, die Plymouth verlaat op 15 september 1585 en deze expeditie is gericht tegen de Spaanse koloniën en de Spaanse scheepvaart. De eerste plaats die het moet ontgelden is Ribeiro Grande, de hoofdplaats van het Kaapverdische eiland Santiago1 Dan steekt de vloot van Drake over naar de Nieuwe Wereld en plunderen zijn manschappen de steden Cartagena in Colombia, St. Augustine in Florida en San Domingo (Santo Domingo), Hispanolia. De gevolgen van zijn triomftocht in West-Indië zijn catastrofaal. Het vertrouwen in Spanje, zowel moreel als materieel gaat vrijwel verloren. De Bank van Spanje springt, de Bank van Venetië, (waarvan Philips II de belangrijkste debiteur is) gaat bijna failliet en de grote Duitse Bank van Augsburg weigert de Spaanse monarch verdere kredieten toe te staan. Zelfs Lord Burghley, Elizabeths belangrijkste minister, die nooit veel waardering voor Drake en zijn methoden heeft gehad, is gedwongen toe te geven dat “”Sir Francis Drake een gevreesd man is voor de Koning van Spanje.” In hetzelfde jaar (1585) gaat Thomas Cavendish, vergezeld door Sir Richard Grenville naar Amerika en bij terugkeer in Engeland onderneemt hij een ingewikkelde imitatie van Sir Francis Drakes omzeiling van de wereld. Hij zeilt uit op 21 juli 1586 met 123 man in drie schepen van Plymouth naar Zuid-Amerika. Hij bereikt de Patagonische kust, waar hij het huidige Puerto Deseado ontdekt; overigens zijn enige bijdrage van betekenis voor onze geografische kennis. Na het passeren van Straat Magalhães, valt hij Spaanse vestigingen en schepen aan langs de westkust van Zuid-Amerika tot aan Mexico. Tot zijn prijzen behoren het ‘schatgaljoen’ Santa Ana, dat hij 14 november 1587 heeft genomen aan de kust van Californië. Na de Filippijnen, de Molukken en Java te hebben aangedaan, rondt hij Kaap de Goede Hoop en arriveert op 9 oktober 1588 in Plymouth, met slechts een van zijn drie schepen, de Desire, maar met veel buit.2 Op 10 april 1591 zeilt Sir James Lancaster met drie schepen uit van Plymouth naar “de Oost-Indies”. Slechts een schip, de Edward Bonaventura, hetzelfde schip waarover hij in 1588, onder Sir Francis Drake, het bevel voerde tegen de Spaanse Armada, bereikt in juni 1592 het eiland Penang, ten westen van het Maleise schiereiland. Hij blijft daar tot september en plundert ieder schip dat hij tegenkomt. Hij keert in mei 1594 in Engeland terug, nadat hij ook zijn laatste schip verloren heeft.

Kapitein Raymonds expeditie zeilt op 10 april 1591 uit en, na veel avonturen, arriveren de overlevers, in augustus 1594, in Falmouth, zonder hun schepen. Ofschoon verliezen op zee de verwachtingen en speculaties van avonturiers niet voeden, moedigt de door kapitein Lancaster opgedane praktische ervaring andere avonturiers aan ook aan soortgelijke projecten deel te nemen. Bijgevolg wordt in 1596 een andere expeditie, bestaande uit drie schepen, voorbereid voor een handelsreis naar China, waarvoor koningin Elizabeth aanbevelingsbrieven meegeeft aan de Keizer van het Hemelse Rijk ten gunste van Richard Allen en Thomas Bromfield, kooplieden en burgers uit Londen. Deze vaartuigen, de Beer, de Beers Whelp en de Benjamin, onder commando van kapitein Benjamin Wood en voornamelijk uitgerust voor rekening van Sir Robert Dudley, Earl of Leicester, zeilen uit Engeland weg naar China. Een van de schepen schijnt aan de zuidkust van Afrika te zijn vergaan, terwijl de beide andere in juli aankomen in de haven van Titangone, op vijf léguas van Moçambique. De capitão van Sofala en Moçambique laat het nieuws van de aankomst van twee vreemde schepen door kapitein Gaspar Palha Lobo van de Nossa Senhora do Rosario overbrengen naar Goa. In Goa is men ontsteld door deze nieuwe bedreiging van wat men voor Hollandse schepen houdt. Er wordt een eskader van twee galjoenen, drie galeien en negen fustas, met 1500 man aan boord, onder bevel van Lourenço de Brito, naar Malacca gezonden, om de rijk beladen schepen uit China en Japan tegen mogelijke aanvallen van piraten te beschermen. In Malacca verneemt Brito dat de Engelse schepen inmiddels gesignaleerd zijn bij Cabo Comorin. Brito overlegt daarop met Martim Afonso de Mello Coutinho, capitão van Malacca en diens voorganger Francisco da Silva de Menezes. Unaniem wordt besloten dat de vloot naar Sunda, op West-Java zal zeilen. Brito berooft – tegen zijn instructies in – Chinese schepen van voedsel, wat zeer kwaad bloed zet bij de Javanen die hiervan horen. Als de Portugezen zorgeloos water innemen aan de kust van Java, doden de bewoners drie van hun kapiteins, Dom Luíz en Dom Jerónymo de Noronha en Ruy Diaz de Aguiar Coutinho. Zonder de schuldigen te straffen, keert Brito naar Malacca terug, waar hij 10 juli 1598 aankomt en tot 1 januari blijft, zonder zich nog te bekommeren om de aanwezigheid van de Engelse schepen. De Engelsen hebben een schip laten zinken en met het andere liggen zij in de haven van Quedá, op 60 léguas van Malacca. Bij terugkeer in Goa wordt Lourenço de Brito, die overigens een goede staat van dienst heeft, wegens plichtsverzuim door de Relação veroordeeld tot een hoge geldboete, die hij betaalt voor zijn vertrek naar Moçambique. Volgens P.A. Tiele hebben de Portugezen hun rivalen geen betere ontvangst kunnen bereiden dan door deze onberaden scheepstocht.

In 1599 hebben de Hollanders, die nu hun handel met het Oosten stevig op de rails hebben gezet, de prijs van peper voor de Engelsen verhoogd van drie pence per libra. tot 6 pence en 8 pence. De kooplieden van Londen beleggen op 22 september een vergadering, onder voorzitterschap van de Lord Mayor, met het oog op het treffen van maatregelen, om op uitgebreidere schaal dan voorheen, de handel tussen Engeland en Indië op poten te zetten en er wordt een Vereniging van Kooplieden-Avonturiers gevormd om een reis naar “de Oost-Indies” te ondernemen. Op 24 september wordt de eerste algemene vergadering van de Avonturiers gehouden, waarvan het resultaat is dat er een resolutie wordt aangenomen, waarin koningin Elizabeth wordt gevraagd hun project te ondersteunen. De officiële goedkeuring van de reis is getekend 16 oktober, maar politieke overwegingen met betrekking tot Spanje verhinderen het onmiddellijke vertrek van de expeditie en daardoor gaat een geheel seizoen verloren. Op 8 oktober 1600, zijn vier schepen, de Ascension (260 ton), de Hector (800 ton) De Susan (240 ton) en de Red Dragon (600- 900 ton) en een jacht gereed gemaakt voor de reis en zij zeilen tegen eind april 1601 uit van Torbay. Het commando over het eskader is opgedragen aan admiraal Sir James Lancaster, die zich aan boord bevindt van de Red Dragon en vice-admiraal John Middleton. James Lancaster is ook aangewezen als gezant van koningin Elizabeth naar diverse Oosterse heersers, voor wie hij brieven van haar bij zich heeft. De expeditie woordt al snel getroffen door pech; in het zuiden van de Atlantische Oceaan moet het jacht aan de golven worden prijsgegeven. Na het passeren van Kaap de Goede Hoop brengt Lancaster in april 1602 een bezoek aan de Nicobaren. Het Engelse eskader ontmoet het Zeeuwse jacht het Lam, dat 4 april is afgedwaald van de vlag van Joris van Spilbergen. Als de kapitein van het Lam, Willem Jansz. hoort dat James Lancaster ook op weg is naar Atjeh, verhuurt hij hem zijn vaartuig en hij voegt zich dus bij het Engelse eskader en komt daarmee in juni 1602 voor Atjeh aan. De Engelsen worden verwelkomd door de twee kooplieden die door Gerard le Roy en Laurens Bicker zijn achtergelaten en Lancaster heeft ook geen moeite door te dringen tot sultan van Atjeh, voor wie hij een aanbevelingsbrief van koningin Elizabeth heeft meegebracht en met wie hij een bondgenootschappelijk verdrag sluit. De peperprijzen vallen Lancaster echter bitter tegen, zodat de meegebrachte gelden niet toereikend zijn om een volle lading te verkrijgen en daar de ontvangen hoeveelheid bovendien gering is, zendt Lancaster het schip Susan, onder bevel van kapitein Henry Middleton, niet te verwarren met de vice-admiraal John Middleton, naar Priaman. Zelf is hij van plan zich meester te maken van een Portugese nau, die uit São Tomé de Meliapor in Atjeh wordt verwacht. In samenwerking met Joris van Spilbergen (zie bijlage) lukt hem dit. Lancaster zeilt verder naar Bantam, op Java, waar hij ook handelsprivileges van de koning verwerft en een factorij sticht. Hij zendt ook een commerciële missie naar de Molukken. Als Lancaster uit Bantam vertrekt, overhandigt de koning hem diverse passende geschenken voor koningin Elizabeth, tezamen met een brief waarin hij zijn tevredenheid uitdrukt dat er handelsrelaties tussen Engeland en zijn gebieden tot stand zijn gebracht en hij geeft bovendien te kennen dat hij de Spanjaarden als vijanden van beide naties beschouwt. Kapitein Lancaster keert op 11 september 1603 in Engeland terug en het resultaat van dit experiment blijkt zo succesrijk te zijn, dat er direct voorbereidingen worden getroffen voor een tweede reis. Aldus gaan de Engelsen een competitie aan met de Portugezen en de Hollanders om hun aandeel in de Oosterse handel te verwerven.

1 Zie deel XIII, pag. 117

2 Op zijn tweede Amerika-Pacific-reis, ondernomen in 1591, slaagt zijn vloot er niet in Straat Magalhães door te komen en sterft Thomas Cavendish bij zijn pogingen terug te keren naar Engeland

Hoofdstuk 4 De Carreira da India 4.0 De Carreira da India

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

De komst van de Hollanders naar Indië. De komst van Hollanders en Engelsen naar Indië

Deel 15 Index

Hoofdstuk 3.

De komst van Hollanders en Engelsen naar Indië

3.1. De komst van de Hollanders naar Indië

Geschreven door Arnold van Wickeren

De Staten van Holland en Zeeland, die het gehate Spaanse juk beu zijn, nemen op 29 maart 1580 een resolutie aan om nooit vrede te sluiten of onderhandelingen aan te gaan met de koning van Spanje op basis van zijn soevereiniteit over de Lage Landen. Dezelfde resolutie voorziet erin dat zijn naam – tot dan toe gebruikt in alle publieke akten – voor eeuwig zal worden doorgehaald, dat zijn zegel zal worden gebroken en dat de naam en het zegel van de Prins van Oranje daarvoor in de plaats zullen treden in alle organen en publieke documenten. Op 5 juli 1581 aanvaardt de Prins van Oranje de volledige autoriteit van Soeverein en hoofd van de Staat, zolang de oorlog met Spanje zal duren en op de 24e van dezelfde maand worden eden van trouw uitgewisseld tussen de Prins en de Staten. Twee dagen later, op 26 juli, publiceren de Staten-Generaal het Plakkaat van Verlatinghe, wat neerkomt op de afzwering van Philips II en de verklaring van onafhankelijkheid door de afgevaardigden van de Verenigde Provinciën. De Staten verklaren duidelijk dat hun afschuw van het Officie van de Inquisitie een van de belangrijkste oorzaken is van de afzetting van hun monarch en in de onderhandelingen tussen de gezanten van de Staten-Generaal en François-Hercule de Valois, Hertog van Anjou wordt opgemerkt, “De koning heeft getracht, onder het voorwendsel van handhaving van de roomse religie, met duivelse middelen de gehele gestrengheid van plakkaten en de Inquisitie in werking te stellen, terwijl de Inquisitie de eerste en ware oorzaak van al onze ellende is.”

Na de moord op de Prins van Oranje worden er serieuze beraadslagingen gehouden, of er een beroep op bijstand moet worden gedaan op Engeland of op Frankrijk, maar in het algemeen gaat de voorkeur uit naar Engeland. Er zijn agenten uitgezonden naar zowel Engeland als Frankrijk, om te voorzien, indien mogelijk, in een lichting troepen voor onmiddellijk gebruik; de poging heeft in Frankrijk geen succes, maar de Hollandse gemeente van de in Londen woonachtige gereformeerden stelt een bedrag beschikbaar van 9.005 florijnen, welk bedrag, met andere bijdragen, voldoende blijkt te zijn voor een regiment voetvolk, dat reeds korte tijd later in gedeelten aankomt in de Nederlanden. Walsingham, de minister van Koningin Elizabeth, bij de onderhandelingen met Holland, consulteert vaak Roger Williams, een oud-soldaat, die opmerkt als de juiste manier om Spanje aan te vallen ter sprake komt, “Ik ben er zeker van, dat als jij en Treslong, de Admiraal van de Staat, driemaal zeilen naar zijn Indië zenden, wij hem zullen dwingen zich te onthouden van verdere veroveringen en dat hij zich ermee zal moeten verzoenen dat andere vorsten leven als hij.” In Engeland wordt sterk gevoeld dat het toestaan dat de Verenigde Provinciën opnieuw onder het Spaanse juk komen, fataal zou zijn voor de religieuze en politieke belangen van Engeland en dat het toestaan dat Frankrijk in deze staten een overwicht zou krijgen nauwelijks minder schadelijk zou zijn. Koningin Elizabeth is een groot voorstander van een gezamenlijk protectoraat van Engeland en Frankrijk over de Nederlanden, maar in de tussentijd wordt William Davison door de Engelse Regering naar Den Haag gezonden om de gevoelens van de Staten-Generaal te peilen. De naar Frankrijk gezonden boodschappers, om de soevereiniteit over de Nederlanden aan te bieden aan koning Henri III, moeten na drie maanden naar Den Haag terugkeren, met een absolute weigering op hun verzoek. Eventuele annexatie van of het verwerven van de soevereiniteit over de Nederlanden zijn definitief van de baan. Het schijnt dat de koning van Frankrijk tijdens de onderhandelingen dubbel spel heeft gespeeld. Hij heeft recent van koningin Elizabeth de Orde van de Kousenband ontvangen, uit de handen van Lord Derby; nu poogt hij niet alleen de hem aangeboden soevereiniteit over de Nederlanden te ruilen tegen een mooie vergoeding voor de aanspraak van de koningin-moeder, Catharine de Medici, die erfgenaam is van de Portugese troon, maar hij stelt feitelijk pogingen in het werk de koning van Spanje ertoe te bewegen samen met hem een invasie in Engeland te ondernemen. Daarom kan veilig worden verondersteld dat Philips II, middelen heeft gevonden, koning Henri III ervan te weerhouden het aanbod te accepteren en tezelfdertijd heeft de diplomatieke druk van Engeland op hem hetzelfde effect. Afgezien hiervan, pogen agenten van Philips II in Frankrijk de bevolking van Parijs op te stoken tot een burgeroorlog, om dat land ervan te weerhouden zich te bemoeien met de belangen van de Nederlanden; en hij overweegt tezelfdertijd een invasie te ondernemen in Engeland. Zodra de onderhandelingen zonder resultaat zijn beëindigd, verliest de Engelse Regering geen tijd om de Staten vertrouwelijk te laten weten dat zij niet zonder bondgenoot zullen worden gelaten. De laatsten, die er geenszins bezwaar tegen hebben onderdanen van Koningin Elizabeth te worden, zijn niet in staat grote en belangrijke steden te verpachten, zoals Vlissingen, Brielle en andere, waarom was gevraagd, tot zekerheid voor de terugbetaling van de subsidies die Elizabeth van tevoren heeft gegeven. Zij geven er de voorkeur aan te betalen door het afstaan van soevereiniteit, boven betaling in geld, maar dit schikt Elizabeth niet.

Nadat de gezanten van hun niet-succesrijke missie naar Frankrijk zijn teruggekeerd, benaderen de Nederlandse gezanten in Engeland op 21 maart 1585 de ministers met het oog op de stichting van een Engels protectoraat. Op 22 april richten de Staten-Generaal een brief aan Koningin Elizabeth, waarin zij haar de soevereiniteit van de Verenigde Provinciën aanbieden. Na het bereiken van een goed onderhandelingsresultaat en na aankomst van frisse onderhandelaars uit de Nederlanden, wordt er op 12 augustus een verdrag gesloten, tussen de gezanten en de Lords of the Council, gericht op het ontzet van Antwerpen, in combinatie met een ander verdrag inzake permanente Engelse bijstand aan de Verenigde Provinciën. Het is een erkend feit dat de huidige oorlog van de Nederlanden de oorlog is van Engeland, van het protestantisme en van de Europese vrijheid en het is voor Engeland onmogelijk te vermijden dat het land daarbij betrokken raakt. Beide partijen trachten door onderhandelingen zich een goede uitgangspositie te verschaffen. Verder uitstel vindt plaats door behandeling in de Staten-Generaal, zodat het geratificeerde verdrag Engeland bereikt op 31 oktober 1585. Het tijdverlies veroorzaakt dat Antwerpen in handen valt van Spanje, voordat Engelse troepen kunnen worden ontscheept om dat te verhinderen. Er wordt nu besloten dat er een permanent Engels leger, bestaande uit 5.000 man voetvolk en 1.000 ruiters, op kosten van de Koningin, naar de Verenigde Provinciën zullen worden gezonden, en dat de steden Vlissingen en Brielle in Hare Majesteits handen zullen worden gegeven tot aan de algehele terugbetaling van het totaal van de daarvoor gedane uitgaven. De Engelse legermacht scheept zich in op 9 december 1585 in Harwich, onder commando van de Earl of Leicester, die ook vergezeld wordt door een afdeling lanciers, geworven op eigen kosten, een vloot van vijftig schepen en “the flower and chief gallants of England.” Deze expeditie bereikt Vlissingen op 19 december.

Tot aan die tijd zijn de Portugezen tevreden geweest met hun vloten Oosterse producten naar Lissabon te brengen, welke plaats druk wordt bezocht door handelsschepen van de Verenigde Provinciën, die over de middelen beschikken de handelsgoederen te distribueren over Noord-Europa. In het jaar 1585 beveelt Philips II dat alle Hollandse schepen, die op dat moment in Spaanse havens liggen, worden genomen, waarop de Staten-Generaal op 29 november het verbod uitvaardigt dat niemand met schepen en goederen waar dan ook naar toe mag zeilen in Spanje, Portugal, of welk eiland of plaats dan ook behorend aan de koning van Spanje, op straffe van verbeurdverklaring van schip en goederen, of de gezamenlijke waarde daarvan; en dat schippers of eigenaren van vaartuigen ook gestraft zullen worden als dit verbod met hun kennis en instemming wordt overtreden. Het verbod van de Staten-Generaal bewerkstelligt grote consternatie onder de kooplieden, aangezien, indien het strikt wordt uitgevoerd, de belangrijkste handel van de Nederlanden in handen van anderen zal komen. De Hollandse kooplieden zetten, om hun belangen veilig te stellen, hun handel op het Iberisch schiereiland voort met schepen onder neutrale vlag, Het verbod wordt, evenwel, lang voordat het wordt herroepen, nooit erg strikt afgedwongen. Maar soortgelijke verboden worden van tijd tot tijd uitgevaardigd en tussen 1585 en 1600 is door de Staten-Generaal wel tienmaal een verbod uitgevaardigd handel met Spanje en Portugal te drijven.

Vanaf 1565 hebben de Hollanders handel ontwikkeld met de landen in het noorden en tegen 1585 hebben zij het gebied van de Witte Zee bereikt. In 1581 ontvangt Gerard Mercator van Johan Belek een brief, waarin hij hem schrijft dat Cathay (China) via het noorden te bereiken is, door de al gedane ontdekkingen in die richting verder uit te breiden en korte tijd later stelt Balthasar de Moucheron aan Prins Willem van Oranje voor dat de regering steun zal verlenen aan het ondernemen van een expeditie via de noordelijke route naar China en Indië. De politieke stand van zaken in die tijd verhindert de Staten-Generaal om de gevraagde hulp te verlenen en het is niet eerder dan 5 juni 1594 dat de voorgenomen expeditie, onder bevel van Jacob van Heemskerck en Willem Barents, vertrekt. Indië blijkt echter niet via deze route te bereiken, maar in die periode heeft een man zitting in de Staten van Holland en West-Friesland aan wie de Hollanders veel dank verschuldigd zijn, niet alleen om de door hem verstrekte inlichtingen die hebben geleid tot hun deelname aan de handel met Indië, maar ook om zijn grote bijdrage aan de wetenschap en de vooruitgang van de beschaving. De bedoelde persoon is Jan Huygen van Linschoten. Hij is in 1563 geboren in Haarlem en is behept met een sterk verlangen tot reizen. Hij verlaat het ouderlijk huis op de leeftijd van 16 jaren en vertrekt naar Spanje, waar zijn broer woont en daarna naar Lissabon, waar hij in dienst treedt van de nieuw benoemde aartsbisschop van Goa, Dom Aleixo de Menezes o.e.s.a.. Na enige jaren in Lissabon te hebben gewoond, vertrekt hij met zijn werkgever naar Goa en verblijft daar van 1583 tot 1589 en klimt op tot boekhouder en secretaris van de aartsbisschop. Hij toont zich een zorgvuldig en ijverig waarnemer, hij vergaart een grote schat aan inlichtingen over bijna iedere tak van onderzoek, speciaal met inbegrip van de producten die de Portugezen in grote hoeveelheden via Cabo da Boa Esperança naar Europa transporteren. Van Linschoten keert in 1592 naar huis terug en in 1596 publiceert hij de resultaten van zijn jarenlange onderzoek, die begerig worden bestudeerd, niet alleen door wetenschappers, maar ook door kooplieden en zeevaarders. Hij publiceert ook een praktische handleiding van zijn reizen naar Indië voor zeevaarders. Hij beschrijft de route van Lissabon naar het Oosten, de stromingen, de passaatwinden, de moessons, de havens, eilanden, zandbanken, zich onderwater bevindende rotsen en gevaarlijke drijfzanden, en hij voegt aan zijn werk toe kaarten van landen en kusten, evenals verschillende astronomische en mathematische berekeningen. Linschoten is nog maar nauwelijks naar Holland teruggekeerd, of Amsterdamse kooplieden zenden, op advies van Peter Plancius, predikant en geograaf en een leerling van Gerardus Mercator, Cornelis de Houtman naar Lissabon, om verder onderzoek te doen naar de Indische handel; hij wordt gearresteerd voor het stelen van zeekaarten en keert na zijn vrijlating in 1594 terug naar Holland. Direct na zijn aankomst wordt er een vergadering belegd van de belangrijkste scheepseigenaren van Amsterdam, waarbij ook Peter Plancius aanwezig is. Als de belangrijkste vraag, de Indische handel, wordt besproken, wordt een resolutie aangenomen om spoedig een vloot naar Indië te zenden. Negen Amsterdamse kooplieden stellen gezamenlijk de noodzakelijke fondsen voor de expeditie beschikbaar. Zij richten de Compagnie van Verre op en zullen vier schepen doen vertrekken, schijnbaar voor een reis “naar de landen liggende aan de andere kant van Kaap de Goede Hoop.” Deze schepen – Mauritius, Hollandia of de Hollandsche Leeuw Amsterdam en het jacht of de pinas het Duyfken – zeilen op 2 april 1595 van de rede van Texel uit naar de Oost, onder bevel van Cornelis de Houtman en zijn eeuwige rivaal, de tweede koopman Gerrit van Beuningen. Zijn broer Frederik de Houtman is ook van de partij en Pieter Dircksz Keyzer is de loods. Deze schepen blijven bijna 2½ jaar weg. Uit financieel gezichtspunt is de expeditie niet erg succesrijk; de Amsterdam moest worden verbrand, omdat het schip volkomen ongeschikt was geraakt voor verder gebruik. De drie resterende schepen halen op de terugweg bij Sint Helena op 26 mei 1597 de Portugese retourvloot1, in en zij zijn 11 augustus2 1597 terug bij Texel, met slechts eenderde van de bemanning van de oorspronkelijke vier schepen. De vaart op Indië is echter geopend en er is een verdrag aangegaan met de koning van Bantam, de vorst van de belangrijkste peperhaven van West-Java.

In hetzelfde jaar dat de Hollanders hun eerste expeditie naar Indië zenden, legt Philips II, zonder enige waarschuwing, opnieuw beslag op alle Hollandse schepen, die zich in Spaanse wateren ophouden en hij confisqueert alle eigendommen van Hollandse kooplieden in het land. Hun boeken en papieren worden allemaal meegenomen, met de bedoeling daaruit het bedrag te achterhalen van de goederen en bedragen die men elkaar schuldig is en tevens aan de weet te komen in welke mate zij crediteuren van Spanjaarden of Portugezen zijn. Er wordt ook een proclamatie uitgegeven die behelst, dat geen Spaans onderdaan enige schuld aan een Hollander betaalt, op straffe van verbeurdverklaring van hetzelfde bedrag aan de kroon. Inlichtingen over dit onjuiste decreet bereiken Holland, via Sicilië en Antwerpen, waarop de Staten-Generaal op 12 augustus 1595 besluiten dat, om verder ongerief en verdere verliezen te voorkomen, hangende de ontvangst van verdere inlichtingen over dit onderwerp, alle betrekkingen met Spanje via zeevaart zullen worden opgeschort. Er worden bevelen gezonden naar de vijf Admiraliteiten (de Maas, Amsterdam, Zeeland, Friesland en het Noorderkwartier), die strikt verbieden dat schepen uit een Nederlandse haven uitvaren naar Spanje en Portugal en naar gebieden die afhankelijk zijn van de Spaanse Kroon. Later wordt het nieuws ontvangen dat alle in Spaanse wateren in beslag genomen schepen zijn geconfisqueerd en door de koning worden ingezet tegen de Hollanders, of tegen andere vijanden. De Staten-Generaal besluiten daarop, op 3 oktober 1596, dat teneinde de koning van Spanje alle middelen te onthouden die hij zou kunnen inzetten tegen het heil van de christenheid, alle schepen die worden gereedgemaakt om uit te zeilen naar Spanje, Portugal of Italië het dwingende bevel krijgen niet uit te zeilen. Een paar weken later, op 19 oktober, worden orders verstrekt aan de Admiraal van Holland en aan de afgevaardigden van de Admiraliteit een schip van de Maas te zenden naar het Kanaal tot aan Calais. Dit schip wordt bevolen, evenals alle andere Hollandse oorlogsschepen die het ontmoet, alle Hollandse schepen die zij zien en waarvan de kapiteins blijken op weg te zijn naar Spanje, Portugal of Italië, te verbieden hun reis naar ieder van deze landen voort te zetten, op straffe van het verlies van zowel het schip als de lading, en hen bevel te geven terug te keren naar Holland. Er worden ook schepen naar de Elbe en de Eems gezonden om dezelfde waarschuwing te geven aan Hollandse vaartuigen die daar worden aangetroffen. Dus in antwoord op de poging van Philips II de handel met Holland aan te tasten, nemen de Staten-Generaal de meest stringente maatregelen die zij maar kunnen bedenken, om verdere commerciële relaties tussen de beide landen te verbreken.

Dezelfde personen die ook de eerste reis onder Cornelis de Houtman hebben uitgereed, dus de bewindvoerders van de Compagnie van Verre, rusten wederom een vloot uit voor de “tweede schipvaart”. Deze vertrekt, onder bevel van admiraal Jacob van Neck en vice-admiraal Wybrandt van Warwijck op 1 mei 1598 met acht schepen en 560 koppen van Texel naar de Oost. Bovendien vertrekken dat jaar twee Zeeuwse expedities met twee en drie schepen, terwijl Mahu en Cordes met vijf en Olivier van Noort met vier schepen uit Rotterdam naar Oost-Indië vertrekken. Hiermee komt het totale aantal schepen die dat jaar naar Oost-Indië vertrekken op 22. Hieruit blijkt dat de Verenigde Provinciën vastbesloten zijn de veelbelovende onderneming voort te zetten. Uit de in de bijlage besproken reizen van de zogenaamde voorcompagnieën blijkt dat er al voor de oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) op 20 maart 1602, meer dan 60 schepen uit Holland en Zeeland naar Oost-Indië zijn gezonden. De Hollandse concurrenten komen niet alleen met grote vloten (de eerste VOC-vloot telt 12 schepen) naar de Oriënt om specerijen te verwerven waarop de Portugezen dachten het monopolie te bezitten, maar die men ook gaarne aan anderen verkoopt. De aanval van Wolfert Harmensz op de Portugese vloot van 30 schepen, die de Hollanders uit Bantam moest weren, op 3 januari 1603 heeft geleid tot een zeer smadelijke vlucht van de Portugese vloot naar Ternate. De nieuwkomers worden al van meet af aan zeer gevreesd door de Portugezen. Dauril Alden geeft daarvan een mooi voorbeeld. Als Nederlandse schepen3 zich in september 1601 voor Macau laten zien, ontstaat er zo’n paniek in de stad, dat overwogen wordt alle vrouwen en kinderen in veiligheid te brengen in het jezuïetencollege. Maar deze maatregel blijkt niet nodig te zijn; de sloep van een van de Hollandse schepen valt in handen van de Portugese verdedigers. De 20 inzittenden daarvan worden beschuldigd van piraterij en 17 van hen worden bijgevolg geëxecuteerd, maar niet dan nadat zij zich hebben bekeerd tot het katholicisme en de autoriteit van de paus hebben erkend.

1 bestaande uit de naus São Simão, Conceição, São Filipe en Vencimento do Monte do Carmo

2 16 dagen voordat de retourvloot de Taag binnenloopt

3 Het gaat om de Haarlem en Leiden uit de tweede vloot van Jacob van Neck, onder bevel van Gaspar Groensbergen

3.2 De komst van de Engelsen naar Indië

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

Vice-rei Dom Francisco da Gama (1597-1600). De komst van Hollanders en Engelsen naar Indië

Deel 15 Index

Hoofdstuk 3.

De komst van Hollanders en Engelsen naar Indië

3.0. Vice-rei Dom Francisco da Gama (1597-1600)

Geschreven door Arnold van Wickeren

Dom Francisco da Gama, conde de Vidigueyra, neemt direct na zijn aankomst in Goa in mei 1597 het ambt van onderkoning op zich. Vanaf het begin slaat de nieuwe gouverneur tegenover anderen zo’n hoge toon aan en hij gedraagt zich in het algemeen zo aanmatigend dat hij in korte tijd buitengewoon onpopulair is. Dom Francisco is vooral gehaat omdat hij zonder daarover van wie dan ook advies te vragen zijn eigen mensen op hoge ambtelijke posten benoemt. Hij staat hun toe hoge functies te bekleden, mits zij daarvoor geld op tafel leggen. Dus, in plaats van dat hij zich wendt tot mensen die door lange en efficiënte dienstverlening de gerechtvaardigde verwachting koesteren te worden bevorderd, vallen de begeerde functies in handen van volslagen onwaardige personen. Het valt niet te verwachten dat deze stand van zaken lang kan duren en de klachten klinken op het laatst zo luid dat Dom Francisco zich daarvoor niet langer doof kan houden. Nadat hij zich in de materie heeft verdiept, rectificeert hij de misbruiken door de kopers van ambten terug te geven wat zij voor hun functies hebben betaald en deze ambten te verlenen aan bekwamere mensen. In 1597 bouwt de Goanese engenheiro en architect Julio Simão, in opdracht van vice-rei Dom Francisco da Gama, de Arco dos Vice Reis, waarop deze kleinzoon van Vasco da Gama in 1599 een standbeeld van zijn grootvader heeft laten plaatsen.1

Catula, de koning van Orissa, heeft een bepaalde beroemde pagode die aan de Patanis behoort, ontwijd en geplunderd. De Patanis komen onverwachts in opstand, vallen hem aan en doden zijn zoon en 2.000 van zijn mannen. De Grootmogol zendt daarop Manasinza met een leger van 35.000 ruiters, 80.000 man voetvolk en met een groot aantal olifanten, uitgerust met kastelen en ander oorlogstuig. Deze strijdmacht dient de Patanis te onderwerpen. In Jassalor vallen alle inwoners, ongeveer 6.000 in getal, furieus over de vijand heen en aanvankelijk doden zij er velen, maar tenslotte geeft de numerieke overmacht van de vijand de doorslag en vinden bijna alle moedige inwoners van Jassalor de dood. De vijand dringt tenslotte Jassalor binnen, plundert de stad, waarna de rest van de Patanis zich onderwerpt aan de Mogols. Manazinza marcheert dan op tegen Orissa en Catula die niet in de positie verkeert zich tegen Manasinza te verzetten, biedt vrijwillig zijn onderwerping aan de Mogols aan. Nadat in 1597 een langdurige oorlog op Ceylon is geëindigd, waarvoor verwezen wordt naar een volgend deel, moet de graaf van Vidigueyra een ander probleem onder ogen zien en wel de komst van Hollandse schepen naar de Indische Archipel. Alvorens daaraan aandacht te schenken, dienen we stil te staan bij de politieke situatie in Europa in die tijd. Daarvoor wordt verwezen naar de volgende paragraaf.

Zoals gebruikelijk rust Dom Francisco da Gama, spoedig nadat hij het ambt van vice-rei op zich heeft genomen, twee eskaders uit. Een daarvan zendt hij uit naar de kust van Malabar en de andere vertrekt naar het noorden. De noodzaak daartoe is in belangrijke mate vergroot als uitvloeisel van de activiteiten van de piraat Kunhale Marakkayar, die, met de geheime instemming van de zamorin, ermee doorgaat de scheepvaart in deze zeeën aan te tasten. Het eskader bestemd voor de Malabarkust wordt geplaatst onder het bevel van Dom Luíz da Gama, broer van de onderkoning, en bestaat uit vijf galeien en 36 andere schepen, waarin zich bijna 2.000 zorgvuldig gekozen mannen bevinden. De vloot koerst langs de kust, waarbij zij plaatsen behorend aan de zamorin aanvalt en verwoest, uit wraak voor de verliezen die Kunhale heeft toegebracht aan Portugese schepen en om de zamorin ertoe te dwingen mee te helpen de piraat te vernietigen. Het eskader voor het noorden bestaat uit tien schepen, onder bevel van Luíz da Silva. Hij zeilt eerst naar het eiland Sangenes, dat een gebruikelijk toevluchtsoord is voor vaartuigen van piraten, maar als hij daar geen enkele piraat vindt, gaat hij daar met zijn mannen aan land en verwoest het eiland om de bevolking daarvan te straffen, omdat zij de piraten toestaat daar te ankeren. In de Rio Chapora treft Luíz da Silva vier paraos aan die toebehoren aan deze piraten. Hij neemt twee van deze vaartuigen en hij brengt een ander met zijn kanonnen tot zinken; veel bemanningsleden worden gedood, maar verschillende anderen vluchten het land op en van hen worden 200 man gevangengenomen en onthoofd. Hun hoofden worden aan de monding van de rivier opgezet als een waarschuwing aan anderen. Bij Chaul neemt Luíz da Silva een galjoot en verderop verovert hij een galei, waarin zich een neef van Kunhale Marakkayar bevindt. Van zijn manschappen worden er 200 gevangengenomen, van wie er 100 worden gedood, zonder dat aan Portugese kant doden te betreuren zijn. Volgens Danvers verschijnen in 1597 “twee Hollandse2 schepen die zijn doorgedrongen in de Oosterse zeeën, aan de Malabarkust. Zij richten daar en aan andere plaatsen enige lichte schade aan.”

De Kunhale, aangemoedigd doordat de zamorin hem toestaat straffeloos de schandelijke daden te begaan, waarmee hij zichzelf in hoge mate verrijkt, begint zich hoe langer hoe meer onafhankelijk op te stellen en hij noemt zichzelf ”Koning van de Moren van Malabar” en “Heer van de Indische zeeën. Deze betitelingen moeten de trots van de zamorin mateloos gekrenkt hebben, maar de Kunhale geeft spoedig een bewijs van zijn minachting voor degene wiens titels hij zo arrogant heeft aangenomen. Door de staart van een van zijn olifanten af te laten snijden en door een van zijn nairs zwaar te beledigen. De Portugezen laten er geen gras over groeien om de situatie uit te buiten en zij zetten de zamorin opnieuw onder druk om een overeenkomst met hen aan te gaan om de macht van de Kunhale te breken. Deze keer hebben zij meer succes en een verdrag over een gezamenlijke actie tegen de piraat is, zoals gezegd, aangegaan door Dom Álvaro de Abranchez, op instigatie van de Matias de Albuquerque. De tijd is nu aangebroken waarop Dom Francisco da Gama de artikelen van deze overeenkomst in werking stelt. De toestand van Kunhales fort is bewonderenswaardig aangepast aan de verdediging; het ligt namelijk bijna op de punt van een schiereiland, dat gevormd wordt door een bocht in de rivier Pudepatan (Kotta-rivier). In de drempel van deze rivier is een smalle kreek die naar het zuiden loopt, waar alleen maar lange vaartuigen tot de helft van hun lengte kunnen doordringen. De isthmus waarop het fort staat wordt aan de landzijde beschermd door een sterke muur, die zich uitstrekt van de kreek tot de rivier. De Kunhale heeft een grote voorraad levensmiddelen aangelegd en heeft alle mogelijke maatregelen genomen om de aanval die hij verwacht, te weerstaan. Zijn garnizoen bestaat uit 1.500 moren, allen uitgelezen en goedbewapende mannen, die hij heeft gelegerd op bepaalde punten van zijn verdedigingslijn. De kleine vaartuigen van de vloot nemen eerst positie in aan de monding van de rivier en zij vallen het fort aan met hun kanonnen met het oogmerk de verdedigers bezig te houden, zodat zij niet slaags raken met de troepen van de zamorin, terwijl deze hun posities innemen aan de landzijde van de fortificaties. Tezelfdertijd controleert Dom Ferdinão de Noronha de kust, om aanvoer van levensmiddelen of andere hulp voor het fort te verhinderen. Kort na het begin van de aanval, arriveert het eskader van Dom Luíz da Gama, dat bestaat uit vier galeien en 35 kleinere schepen. Deze vloot wordt vergezeld door tien vaartuigen die door particulieren zijn uitgerust op hun eigen kosten. Ook arriveren er drie andere schepen; zij zijn geladen met manschappen en ammunitie, die zijn gezonden door de stad Cochin, naast twee grote barken met grote kanonnen om het fort te bombarderen. De koning van Cochin, de kalpathi, altijd bang dat een toenadering tussen de Portugezen en de zamorin, tegen zijn belangen indruist, speelt een gemeen spel. Hij brengt het gerucht in omloop en draagt er zorg voor dat de Portugese commandanten dit vernemen, dat de zamorin een geheime afspraak met de Kunhale heeft gemaakt, die inhoud, dat zodra de Portugezen tot de aanval overgaan, de zamorin en de Kunhale zich gezamenlijk op hen zullen storten. Dit bericht faalt, evenwel, het beoogde effect te sorteren; want, terwijl het bericht niet wordt geloofd, leidt het gerucht ertoe dat de Portugese commandanten extra zorgvuldig te werk gaan. Zodra de gehele vloot zich tegenover het fort van Kunhale, heeft verzameld, wordt ontdekt dat, boven op alle al genoemde verdedigingswerken, een aaneengesloten rij naast elkaar varende galjoten de rivier voor het fort komt afdrijven, om een aanval van die kant te voorkomen. Er wordt, voorafgaand aan een algemene aanval, krijgsraad gehouden. Er wordt besloten dat de schepen in een linie de rivier op zullen zeilen, met het achterschip naar de kust, zodat de schepen de manschappen bij een aanval maximaal bescherming kunnen bieden. Voordat dit plan wordt uitgevoerd, wordt het eerst naar Goa gezonden, om de toestemming van de onderkoning te verkrijgen, en hij, instemmend met het aanvalsplan, zendt zijn broer opdracht dat het plan correct wordt uitgevoerd. Dom Luíz da Gama, evenwel, die overreed is door enige van zijn officieren, acht het gepast deze opdracht niet te gehoorzamen, en, onder het voorwendsel dat het oversteken van de rivierdrempel gepaard zal gaan met groot gevaar en wellicht tevens fataal zal blijken te zijn voor het succes van de gehele expeditie, onderneemt hij een aanval vanaf de kant van Ariole. Aan deze ongehoorzaamheid aan de opdracht is het falen van de gehele aanval hoofdzakelijk toe te rekenen. De zamorin, die de stad van de andere kant aanvalt, verzoekt om enige Portugezen ter assistentie naar hem te zenden, waarop Dom Luíz da Gama, denkende aan het gerucht dat eerder is vermeld, aarzelt aan dit verzoek te voldoen, tenzij in ruil gijzelaars worden gestuurd. Dit verzoek wordt direct door de zamorin gehonoreerd; hij zendt zes mannen van hoog aanzien, onder wie de prinsen van Tanur, Chalè en Carmene en de opperrechter van Calicut, waarop 300 Portugezen, onder bevel van Belchior Ferreira, tot zijn beschikking worden gesteld. Op de avond van de 3e mei 1598, gaan Portugese troepen aan land; als eerste gaat Luíz da Silva, met 600 man, onder wie major Dom António de Leyva. Het signaal voor beide legers met de aanval te beginnen, die is voorzien voor middernacht, is een brandende lans en de persoon die het signaal zal geven is Belchior Calaca. Hij, evenwel, zich vergissend in het afgesproken uur, geeft het signaal te vroeg, met het gevolg dat aanzienlijke verwarring ontstaat. Belchior Ferreira, die aan de kant van de zamorin strijdt, zet de aanval in met zijn 300 Portugezen en 5.000 nairs zodra hij de vlam ziet, maar hij wordt teruggeslagen met een verlies van 28 man. Luíz da Silva, die tegelijkertijd in de aanval zou gaan, beweegt zijn manschappen niet, omdat het afgesproken uur nog lang niet is aangebroken, hoewel hij paraat is en het signaal heeft gezien. Het geheel van arrangementen voor de aanval wordt derhalve danig gefrustreerd. Tegen de morgen besluit Luíz da Silva de plaats aan te vallen met de troepen onder zijn commando, maar zonder eerst zijn bedoeling af te spreken met Belchior Ferreira, en zich te verzekeren van de coöperatie van de strijdkrachten van de zamorin. Bijgevolg steekt hij de kreek van Balyçupe over met 500 man in 60 almadias. Benedict Correa, die als eerste aan land gaat, wordt onmiddellijk neergeschoten; Luíz da Silva, die volgt, wordt ook gedood, waarop het commando overgaat op Dom Francisco Pereira, die spoedig sneuvelt en die wordt opgevolgd door major Leyva. Zijn naam, evenals de namen van veel andere fidalgos, worden spoedig bijgeschreven op de lijst van gesneuvelden en de Portugese strijdkrachten worden korte tijd later verslagen en in zulk een verwarring gebracht dat 153 van hen deserteren en op de vlucht slaan. Het is nu duidelijk dat Dom Luíz da Gama een fatale fout heeft gemaakt door geen acht te slaan op zijn opdracht, aangezien hij, vanuit de door hem, in strijd met zijn opdracht, ingenomen positie niet in staat is de noodzakelijke ondersteuning aan de aanvallende partij te geven, omdat hij zijn vaartuigen aan de andere kant van het fort heeft liggen. Omdat hij niet over boten beschikt van waaruit hij zou kunnen landen, springt hij in het water en waadt naar de kant, zijn mannen oproepende hem te volgen. In deze poging aan land te komen, verliezen 300 man hun leven, waarbij de meeste van hen verdrinken; en ofschoon zij niet bij machte zijn Luíz da Silva’s manschappen te behoeden voor een nederlaag, wreken zij in zekere zin zijn dood door de stad binnen te dringen en voor een deel in brand steken, met inbegrip van de moskee en zij doden 500 moren en Malabaren, onder wie 40 man van aanzien. Hierna keren zij terug naar hun schepen. De aanval op Kunhale is dus van alle kanten mislukt, Dom Luíz da Gama keert terug naar Cochin, terwijl hij Dom Francisco de Sousa achterlaat om de ingang tot de rivier te bewaken. De laatste zet de zamorin onder druk om een andere aanval op de stad te wagen, waarbij Dom Francisco betoogt dat de laatste slachtpartij Kunhales strijdkrachten zozeer verzwakt heeft dat de stad gemakkelijk kan worden genomen. Er wordt een nieuwe aanval ingezet met 10.000 man, maar deze wordt eveneens afgeslagen. Als in Goa het nieuws wordt ontvangen over het afslaan van de tweede aanval, wordt Dom Luíz da Gama teruggezonden om met de zamorin af te spreken het beleg van Kunhale niet op te heffen, maar zijn positie voor de stad gedurende de winter te handhaven totdat de Portugese vloot volgend voorjaar kan terugkeren om de aanval te hervatten. Er wordt vervolgens zo’n overeenkomst gesloten, waarna Dom Luíz da Gama besluit Dom Ferdinão de Noronha met twaalf schepen achter te laten, om te verhinderen dat Kunhale vanuit zee bevoorraad wordt. Als Dom Luíz da Gama weer in Goa is teruggekeerd, wordt een beschuldiging tegen hem ingediend in verband met het mislukken van de aanval op Kunhale en hij wordt voor de rechter gebracht, maar vrijgesproken. Hierna wordt Dom Luíz da Gama naar Ormoez gezonden, omdat hij voor zijn vertrek uit Lissabon door de koning tot capitão van Ormoez is benoemd.

In het volgende jaar, 1599, richt de onderkoning wederom zijn aandacht op de oorlog tegen Kunhale, zodra hij de retourvloot van dat jaar en de gebruikelijke eskaders heeft doen vertrekken. Kunhale heeft zich, nadat hij de in 1598 tegen hem uitgezonden expeditie een nederlaag heeft toegebracht, bovendien getooid met de titels “Verdediger van het Mohammedanisme” en “Verdrijver van de Portugezen” en verschillende inheemse vorsten zijn begonnen te speculeren over wat de gevolgen zullen zijn als Kunhale tenslotte zou zegevieren over zijn vijanden. Vice-rei Dom Francisco da Gama belast André Furtado de Mendoça als bevelhebber van een nieuwe expeditie tegen Kunhale, die wordt uitgevoerd met drie galeien en 54 andere vaartuigen. Met deze vloot zeilt André Furtado naar zijn bestemming, nadat hij onderweg de koning van Banguel en de koningin van Olala heeft afgeraden Kunhale hulp te bieden, als zij van plan waren dat te doen; hij maakt ook vijf schepen uit Mecca buit, die Kunhale voorraden willen bezorgen. Nadat André Furtado bij Kunhale is aangekomen, heeft hij een onderhoud met de zamorin, waarvan het resultaat is, dat korte tijd later, in december 1599, een verdrag tussen beiden wordt gesloten. Hierin wordt bepaald dat de zamorin zolang als nodig is 1.000 werklieden voor het kamp en het beleg en 15 olifanten voor zolang het beleg zal duren ter beschikking zal stellen. Hij zal ook voorzien in al het noodzakelijke timmerhout, de nodige timmerlieden, zagers en andere handwerkslieden, 5.000 gewapende mannen voor de belegering en voorts vier schepen met zeelieden en lascars om de rivier te bewaken en te beschermen, naast 30 kleine boten voor hetzelfde doel en tenslotte 200 bijlen en 1.000 manden voor het beleg. André Furtado, van zijn kant, neemt op zich het fort van Kunhale direct te verwoesten als het zou worden ingenomen en zegt toe dat de zamorin de helft van het geld, de goederen en de artillerie die ter plaatse gevonden zal worden, zal ontvangen, terwijl al de andere wapenen die daar blijken te zijn het eigendom van de vinders zijn. De zamorin neemt voorts op zich een kerk en een feitoria te bouwen voor de Portugezen in Calicut. Nadat al deze regelingen zijn getroffen, stromen er uit Goa en andere plaatsen extra troepen en schepen (een galjoen, een galei, 11 schepen en 21 andere vaartuigen) toe, die extra ammunitie en 790 man aanvoeren. Voordat de operaties beginnen, inspecteert André Furtado de Mendoça de vijandelijke verdedigingswerken persoonlijk, geeft opdracht waar de verschillende batterijen te plaatsen en waar zijn bombardementskanon opgesteld dient te worden en hij maakt zich volkomen meester van de rivier. Zijn eerste operaties zijn gericht op enige buitenposten van de vijand, waaruit de moren snel verdreven worden. Daarna voert Kunhale zelf versterkingen aan en verdrijft de Portugezen uit de door hen veroverde buitenposten. Zodra André Furtado ziet dat zijn mannen moeten wijken, komt hij aan land om persoonlijk een nieuwe aanval te leiden, deze keer met succes; niet minder dan 600 moren worden gedood, terwijl de Portugezen twee kapiteins en negen soldaten verliezen. Hierna wordt de aanval op Fort Blanco ingezet en ofschoon deze op zich geen succes heeft, voelt Kunhale zich zozeer onder druk gezet, dat hij contact opneemt met de zamorin met de bedoeling hem om te kopen. Hij belooft de zamorin grote geschenken als deze bereid is bij de overgave van de plaats te accepteren dat de levens van al zijn mannen gespaard zullen worden. De zamorin heeft wel oren naar dit voorstel, maar zodra André Furtado in de gaten krijgt wat er speelt tussen Kunhale en de zamorin, zet hij een nieuwe aanval in op het vijandelijke fort, met al zijn beschikbare troepen. Hierop breekt de zamorin de onderhandelingen af en valt het Fort Blanco van de andere kant aan met 600 nairs. Na enige strijd dringen de aanvallers het fort binnen en het lager gelegen deel van de stad wordt geplunderd en in brand gestoken. Vervolgens worden batterijen ingezet tegen de bovenstad en het hoofdfort, waarbij grote verwoestingen worden aangericht en uiteindelijk blijkt de Kunhale niet meer in staat verdere weerstand te bieden. Hij geeft zich over op de enkele conditie dat zijn leven gespaard zal worden. Hij marcheert zijn fort uit met een zwarte sluier over zijn hoofd, terwijl hij zijn zwaard met de punt naar de grond richt. Hij draagt zijn zwaard over aan de zamorin, die het doorgeeft aan André Furtado. Kunhale wordt gevangengenomen en overgebracht naar Goa, waar hij, ondanks de voorwaarden waarop hij zich heeft overgegeven, ter dood wordt veroordeeld als een verrader van zijn koning, een piraat en een vervolger van de christenen. Hij wordt vervolgens onthoofd, tezamen met vele van zijn kompanen. Het fort van Kunhale en alle erbij behorende werken worden tot de grond toe neergehaald, overeenkomstig de voorafgesloten overeenkomst over dit onderwerp. We moeten nu een paar jaren teruggaan om te zien welke belangrijke gebeurtenissen zich elders in Portugees Indië hebben voorgedaan terwijl de macht van Kunhale vernietigd werd.

Rond het jaar 1597 arriveert Dom John de Samudio in Macau als bevelhebber van een Spaans schip. Hij bouwt een fort in de haven van Pinal, ondanks het verzet van en de protesten tegen zijn optreden van de zijde van Dom Paul de Portugal, die daar het bevel voert.3 In de jaren 1597 en 1598 duurt de oorlogssituatie op Ceylon, waar de Portugezen een leger van 20.000, van wie nog geen 1.000 Europeanen, in stand houden, voort.4

Sjah Abbas I (1588-1629) is sterk betrokken bij zijn strijd tegen de Ottomanen, hij wil hen met alle mogelijke middelen verslaan. Een gelukkige gebeurtenis helpt hem de politiek van zijn voorgangers te volgen. In 1598 arriveert een Engelsman, Sir Anthony Sherley (of Shirley), met zijn gevolg, aan het hof in Qazvin om zich in dienst te stellen van de sjah van Perzië. De bijzonder goede verstandhouding tussen sjah Abbas I en Sherley zal van beslissende invloed zijn op de Portugese positie in de Perzische Golf. Daarom wordt hieraan uitgebreid aandacht geschonken.

Sir Anthony Sherley, telg uit een roemrijk geslacht met deze naam, is in 1563 geboren in Wiston. Na zijn studie in Oxford te hebben voltooid, vertrekt hij in 1586 naar de Verenigde Provinciën en strijdt in 1591 met de graaf van Leicester, Sir Robert Dudley, in de Slag van Zutphen. In 1595 onderneemt hij, onder bescherming van de graaf van Essex, een expeditie tegen São Tomé en de Spaanse koloniën in Amerika. Twee jaren later wordt Sir Anthony door de graaf van Essex ter beschikking gesteld van Don Cesare d’Este, de natuurlijke zoon van de hertog van Ferrara, die paus Clemens VIII, het bezit van de hertogstitel betwist. Don Cesare heeft zich voor de komst van Sherley aan de paus onderworpen, waardoor de missie van Sherley niet meer van nut is. De graaf van Essex stelt hem dan voor zich naar Perzië te begeven om sjah Abbas te vragen of hij kan instemmen met een tegen de Ottomanen gericht verbond van christelijke vorsten en met het vestigen van commerciële relaties tussen Engeland en Perzië. Sir Anthony aanvaardt deze avontuurlijke missie zonder aarzeling. Hij scheept zich op 24 mei 1598 in Venetië in, met een gevolg van 25 personen, onder wie zich bevinden: zijn broer Sir Robert Sherley, kapitein Powel, John Howard, John Parrot, die in Lahore zal overlijden en een artillerist, bedreven in de kunst van het gieten van kanonnen. Sherley heeft zijn eerste audiëntie in Qazvin. De sjah die is teruggekeerd uit Khorāsān na een geslaagde campagne tegen de Oezbeken, ontvangt hem allerhartelijkst. Sherley is niet een echte gezant: hij gedraagt zich als iemand die carrière heeft gemaakt en die aan de sjah zijn diensten en die van zijn kompanen komt aanbieden Dankzij het vertrouwen van Allāh Verdy, opperbevelhebber van het Perzische leger, weet hij de tegen hem gerichte intriges te trotseren en een corps Perzische infanterie op te leiden dat in staat moet zijn het hoofd te bieden aan de Janitsaren. Ook dient dit corps sjah Abbas onafhankelijk te maken van de luimen van en de onrust onder zijn stamhoofden, op wie zijn leger steunt. Vervolgens stelt Sherley hem voor, om de vorst zijn volledige toewijding te bewijzen, met de vorsten van Europa een offensieve en defensieve alliantie tegen het Ottomaanse Rijk aan te gaan. Als waarborg voor zijn oprechtheid en goede trouw, biedt hij aan, bij zijn vertrek naar Europa, zijn broer Robert, wiens militaire talenten een grote hulp zullen blijken te zijn bij de campagne die gaat worden ondernomen, en vijf van zijn kompanen aan het hof van de sjah achter te laten. Sjah Abbas stemt met het voorstel in. Een ambassadeur van de Porte, die is gekomen om te praten over vernieuwing van de wapenstilstand die tussen het Ottomaanse Rijk en Perzië van kracht is, wordt zonder veel plichtplegingen de laan uit gestuurd en sjah Abbas biedt Sir Anthony aan deel te nemen aan de aanstaande campagne tegen de Ottomanen. Hij is van plan om het gezantschap van Sir Anthony te doen vergezellen van een van de voornaamste persoonlijkheden aan zijn hof, maar overwegingen van persoonlijke aard en bovendien de vereiste aanwezigheid van de uitverkorene aan het hof brengen sjah Abbas ertoe als metgezel van Sir Anthony te kiezen voor Hussein ‘Ali Beyk, een man van middelmatige bekwaamheid, Voorzien van geloofsbrieven5 voor de vorsten van Europa, neemt Sherley afscheid van de sjah, die resideert in Ispahan, en hij begeeft zich naar Rusland. Na een zeer gevaarlijke reis van zes maanden komt hij aan in Moskou en tijdens zijn verblijf in de stad krijgt hij te kampen met de ongelukkige procedures van de regering van de groothertog. Men wendt voor hem niet te erkennen als ambassadeur van de sjah; alle eerbewijzen en alle voorkeursbehandelingen worden gegeven aan zijn metgezel Hussein ‘Ali Beyk, die onder zijn gezag is gesteld; de brieven waarvan Sir Anthony de drager is, worden hem ontnomen en zij worden geopend; tenslotte wordt hem formeel verboden betrekkingen te onderhouden met in Moskou woonachtige Engelse kooplieden. Na een verblijf van zes maanden, ontvangt Sherley verlof Moskou te verlaten om zich naar Arhangelsk te begeven. Daar kan hij zich inschepen naar Stettin. Hij arriveert tenslotte in de herfst van het jaar 1600 in Praag, waar hij plechtig wordt ontvangen door keizer Rodolph II. Na een verblijf van drie maanden, verlaat Sir Anthony Praag om verder naar Rome te reizen. Daar aangekomen, wordt de ambassadeur van de koning van Perzië het object van een pompeuze ontvangst door de Heilige Vader, paus Clemens VIII. Hij verblijft in Rome tot de maand juli 1601. In die maand verlaat hij schielijk de Heilige Stad om zich in het geheim naar Venetië te begeven. De motieven voor dit overhaaste vertrek zijn een mysterie gebleven. Er is geopperd dat zijn papieren en de aan de diverse vorsten van Europa door sjah Abbas gerichte brieven, door een van de leden van het gezantschap zijn ontvreemd; zij zouden naar Istanbul zijn gebracht en bezorgd zijn aan de grootvizier. Zich niet veilig voelend, heeft Sherley gemeend zich onder de bescherming te moeten stellen van La Serenissima Repubblica di Venezia. Don Juan de Persia, van zijn kant, bevestigt dat Anthony Sherley een deel van de geschenken bestemd voor de christelijke vorsten in Moskou heeft verkocht aan Engelse handelaren die zich hadden gevestigd in de Baltische Haven van Moskou. Er zou een zeer hevige woordenwisseling hebben plaatsgehad in Siena, in tegenwoordigheid van de door paus Clemens VIII gezonden kardinaal, tussen Sherley en Hussein ‘Ali Beyk, toen deze de geschenken die men aan de paus had moeten geven, opeiste, maar die niet konden worden teruggevonden. Twee maanden later verlaat Hussein ‘Ali Beyk Rome. In Barcelona wordt hij ontvangen door de hertog van Feria, onderkoning van Catalonië, die hem begeleidt naar Valladolid, waar Philips III hem een plechtige audiëntie verleent. Tijdens zijn verblijf aan Spaanse hof, die twee maanden duurt, geraken twee leden van het gezantschap ‘Ali Qoli Beyk, zijn neef, en Urūdj Beyk zozeer bekoord door de pracht van de katholieke eredienst en het leven in Spanje, dat zij hun geloof vaarwel zeggen en christen worden. De koning en de koningin van Spanje treden op als hun peter en meter en geven aan hen de namen don Philippe en don Juan. De ambassadeur van Perzië besluit over zee naar zijn land terug te keren en hij laat de voorgenomen bezoeken aan de vorsten van Engeland, Schotland, Frankrijk en Polen wachten tot betere tijden. Nadat hij van Philips III een gouden ketting ter waarde van 500 ecu’’s en een bedrag van 10.000 dukaten om zijn reis te bekostigen, heeft gekregen, gaat hij naar Lissabon om zich daar begin 1602 in te schepen voor Cabo da Boa Esperança en Ormoez. Hussein arriveert in de loop van de herfst in Ormoez; van zijn terugreis naar Perzië is ons niets bekend.

In het voorjaar van 1598 is Dom Hierome Coutinho gereed om met een vloot van vijf schepen naar Indië te zeilen, maar dit blijkt niet mogelijk te zijn, omdat de monding van de Taag wordt geblokkeerd door een Engels eskader, onder bevel van de Earl of Cumberland, dat daar blijft liggen totdat het seizoen al te ver gevorderd is om nog uit te zeilen. Daarom is er in 1598 geen vloot uit Lissabon naar het Oosten vertrokken. Inmiddels heeft koning Philips zijn onderkoning in Indië een brief geschreven, gedateerd 10 maart 1598, waarin hij beveelt dat schepen van de retourvloot tot eind mei bij Sint Helena op elkaar moeten wachten, om sterker te staan tegenover Hollandse zeerovers. Vroeg in het jaar 1599 zeilt Dom Hierome Coutinho uit met vier schepen van de vloot van het vorige jaar. Hij wordt vergezeld door Simão de Mendoça, die het bevel voert over drie andere schepen. Zij brengen het bericht dat koning Philips II van Spanje (Dom Filipe I van Portugal) op 13 september 1598 in Madrid is overleden. Bij Sofala gaat een van deze drie schepen verloren en een andere nau levert op de terugweg een gevecht met twee Hollandse schepen nabij het eiland Sint Helena en zou in dit gevecht de overhand gekregen hebben. Dit laatste schip, de nau São Simão, onder bevel van kapitein Diogo de Sousa uit Viana, zou de rest van de thuisvloot vooruit zijn gesneld. Bij Sint Helena liggen twee Hollandse schepen6, ieder met twee rijen geschut, die op het eiland water aan het innemen zijn. Zij zenden een boodschap naar Diogo de Sousa, waarin directe overgave wordt verlangd, wil hij niet naar de andere wereld geholpen worden. Het enige antwoord dat Diogo de Sousa geeft is een kanonschot, dat direct wordt beantwoord door acht schoten van de vijand. De hevigheid van de beschieting door de Hollandse schepen alarmeert de Portugese bemanning zozeer, dat verschillende van hen trachten van het schip af te komen, maar nadat hen moet is ingesproken door de kapitein, keren zij naar hun posten terug en richten met hun kanonnen veel schade aan de vijandelijke schepen aan. Het gevecht duurt de gehele middag, de hele nacht en de volgende morgen, als de Hollandse schepen, die behoorlijke schade hebben opgelopen, wegzeilen, met achterlating van de watervaten. Kort na het gevecht arriveren de andere schepen van de retourvloot. Diogo de Sousa sluit zich bij hen aan en de schepen vervolgen hun reis gezamenlijk.

In het jaar 1600 arriveren vier schepen uit Lissabon in Goa, onder commando van Ayres de Saldanha, die de graaf van Vidigueyra als onderkoning zal opvolgen. Een van deze vier schepen zal gekaapt worden in de monding van de Taag. Op een van de andere schepen keert de afgetreden onderkoning naar huis terug, tot zeer grote tevredenheid van de bevolking van Goa, die zich niet inhoudt om haar afkeer van de conde de Vidigueyra te tonen, zodra deze zijn ambt heeft overgedragen. Boven op de belangrijkste poort van de stad staat een groot marmeren standbeeld van Dom Vasco da Gama en dit beeld wordt op een nacht door de bevolking naar beneden gegooid, waarbij het beeld in stukken breekt. Deze stukken worden op verschillende openbare plaatsen opgehangen. Op de dag dat de afgetreden onderkoning zich zal inschepen, gaan 40 goedbewapende mannen aan boord van zijn schip en zij hangen zijn beeltenis op aan de nok van de ra. Deze beeltenis is speciaal voor dit doel gemaakt en zij lijkt sprekend op hem, zowel qua gezicht als qua kostuum. Bij zijn aankomst aan boord informeert Dom Francisco wat die figuur aan de ranok voorstelt en hij krijgt het antwoord, “het is Uwe Hoogheid en zij zijn de mannen die het hebben gedaan”. Dom Francisco da Gama antwoordt “Niet meer, niet meer Indië.” Hij geeft bevel het portrait naar beneden te halen en in zee te gooien en daarna de zeilen te hijsen, maar hij is verplicht na twee dagen terug te keren, om gevogelte in te laden, omdat al het gevogelte dat voorheen aan boord is gebracht, vergiftigd blijkt te zijn. Dom Francisco zeilt opnieuw uit op 25 december 1600 en hij bereikt Lissabon al op 27 mei 1601. Hij heeft de reis dus volbracht in vijf maanden, in die jaren een ongelooflijk korte tijd. Er wordt gezegd dat de winden zo gunstig waren dat het onnodig is geweest gedurende de reis de zeilen ook maar een keer op te rollen, welk feit iemand de opmerking heeft ontlokt dat “de elementen de graaf kennelijk meer liefhebben dan de mensen.”

Het koninkrijk Pegu, dat tot dan toe niet van grote betekenis was, is tijdens de ambtsperiode van Dom Francisco da Gama uitgegroeid tot een van de grootste rijken in Azië. Hierop wordt later teruggekomen.

1 Hutt geeft als oorspronkelijk bouwjaar van de Arco 1543 en vermeldt dat de Arco in 1954 is herbouwd en in 1971 is gerestaureerd

2 Dit moeten de twee resterende Engelse schepen van de expeditie van kapitein Benjamin Wood zijn geweest, die door de Portugezen voor Hollandse schepen zijn gehouden. (Zie volgende paragraaf.)

3 Bij de behandeling van Macau, in een van de volgende delen, wordt op deze zaak teruggekomen

4 Zie de bespreking van de Portugezen op Ceylon, in een van de volgende delen

5 Sjah Abbas noemt Sir Anthonie Sherley in deze brieven zijn vriend, met wie hij dagelijks uit dezelfde schaal heeft gegeten en uit dezelfde beker heeft gedronken, zoals broers dat doen.

6 Het gaat hier vrijwel zeker om de Zon en de Langebarke van de Middelburgse Compagnie

3.1 De komst van de Hollanders naar Indië