Categorieën
Portugees kolonialisme

Portugese avonturiers in de de Golf van Bengalen. De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640

Deel 17 Index

Hoofdstuk 1.

De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640

Portugese avonturiers in de de Golf van Bengalen (stuk is een vertaling uit Danvers II, pag. 123 e.v. Danvers,(Portuguese in Asia, II, 1834)

Geschreven door Arnold van Wickeren

Tijdens het bewind van vice-rei Aires de Saldanha (1600-1605) verwerven de Portugezen voor de eerste maal invloed in Arakan. Dit is te danken aan een zekere Salvador Ribeiro de Sousa, een van de vele Portugese huursoldaten, die aan het begin van de zeventiende eeuw, emplooi heeft gevonden bij de koning van een van de kleine staatjes, waarin “Chinees Indië” in die tijd is verdeeld. De in Guimarães geboren soldaat is tegen het einde van de zestiende eeuw naar Arakan gegaan, waar hij de functie van kapitein binnen de inheemse krijgsmacht verwerft. Een van zijn medebevelhebbers is Filippe de Brito e Nicote, geboren in Lissabon, maar in het bezit van de Franse nationaliteit en – anders dan Salvador Ribeiro de Sousa – een zeer ambitieus man. Xilimixa, koning van Arakan, die in het bezit is geraakt van de Kroon van Pegu, wil zijn dankbaarheid tonen aan de Portugezen die hem daarbij hebben geholpen. Hij geeft hen daarom de havenstad Syriam., gelegen op drie mijl van de monding van de rivier waaraan Pegu ligt. Filippe de Brito haalt Xilimixa over in Syriam een douanekantoor te stichten, zogenaamd om zijn inkomsten te vermeerderen, maar in werkelijkheid wil hij het douanekantoor veroveren wanneer het voltooid is, om het daarna te veranderen in een fort, dat kan dienen als operatiebasis voor de verovering van heel het koninkrijk. Zodra het werk is gedaan, zendt de koning een zekere Banadala naar Syriam, die het in het douanekantoor voor het zeggen krijgt. Omdat Banadala de bedoelingen van Filippe de Brito wantrouwt, fortificeert hij het kantoor en staat geen Portugees toe daarin nog een voet te zetten, met uitzondering van een pater dominicaan, genaamd Belchior de la Luz. Filippe de Brito, die dus in zijn aanvankelijke bedoelingen is gedwarsboomd, besluit met geweld bezit te nemen van het douanekantoor, voordat de verdedigingswerken zijn voltooid. Om dit doel te bereiken, doet hij met drie Portugese officieren (João de Oliva, Paul del Rego en Salvador Ribeiro) en vijftig manschappen een plotselinge aanval op het fort. Hij verdrijft Banadala, die naar een naburig eiland vertrekt, waar hij zich fortificeert. Brito brengt vervolgens een strijdmacht van duizend man op de been en hij legt beslag op de schatten van de pagode van Digan, zogenaamd om deze te bewaren. Zodra de koning het gebeurde verneemt, overweegt hij onmiddellijk Banadala te ontzetten; maar Brito, die een buitengewoon grote invloed op Xilimixa schijnt te hebben gehad, ontraadt hem om iets dergelijks te doen, omdat Banadala een heiligschennende rover is en hij biedt de koning zijn eigen diensten aan om de zaken met de Portugezen te regelen. De koning stemt direct met dit voorstel in, waarop Brito de noodzakelijke opdrachten geeft de fortificatiewerkzaamheden aan het zogenaamde douanekantoor te voltooien, onder zijn eigen gezag en met zijn eigen Portugezen.

Zodra rond de jaarwisseling van 1601 op 1602 de werkzaamheden voor de bouw van het Fortaleza de Santiago do Sirião een eind op streek zijn, vertrek Filippe de Brito naar Goa, na het bevel daarover te hebben overgedragen aan Salvador Ribeiro. Zijn bedoeling is het Fortaleza over te dragen aan de Portugese onderkoning in Goa. Voor zijn vertrek naar Goa, spelt Brito de koning van Arakan op de mouw dat de bedoeling van zijn reis is, de assistentie van de onderkoning te verkrijgen bij de verovering van Bengalen. Filippe de Brito stelt zich voor zijn vertrekt ook in verbinding met de vorsten van de naburige staatjes. Hij spiegelt ieder afzonderlijk voor dat de interventie van de onderkoning in de zaken in Arakan er gemakkelijk toe zal kunnen leiden dat hij, Filippe de Brito e Nicote, koning van Pegu zal worden. Enkele van de goedgelovige vorsten zenden alvast een ambassadeur naar Goa, om te bepleiten Brito de koningstitel te verlenen. Brito is nog maar nauwelijks vertrokken of de koning wordt zich bewust van zijn intriges. Vervuld van verontwaardiging daarover, geeft hij bevel alle Portugezen het land uit te gooien. Om dit te bewerkstelligen, stuurt hij Banadala met een vloot bemand met 6.000 soldaten op hen af. De vloot stuit op drie Portugese vaartuigen die niet meer dan 30 man aan boord hebben. Het bevel over de drie Portugese vaartuigen heeft Salvador Ribeiro. Zonder zelf ook maar één man te verliezen, doodt hij met een handvol manschappen een aantal vijanden, verovert veertig vaartuigen en jaagt de rest van de vloot op de vlucht. Xilimixa ontvangt assistentie van de koning van Prome en een gecombineerde krijgsmacht van 1.200 zeilen valt Syriam vanaf het water aan, terwijl 40.000 manschappen over land optrekken. Salvador Ribeiro heeft, met zijn geringe aantal landgenoten, bescherming gezocht in het fort, dat zij met heldenmoed verdedigen. Op een moment dat de vijand geen bestorming voorbereid, doen de Portugezen ’s nachts een uitval, waarbij zij een hevige aanval doen en de vijandelijke generaal doden en daarmee het gehele vijandelijke leger doen afdruipen.

Korte tijd later belegert Banadala het Fortaleza de Sanriago opnieuw, thans met een leger van 8.000 man en nadat hij zijn kanonnen heeft geplaatst, beschiet hij het fort de gehele dag en midden in de nacht nadert hij met zijn mannen het fort stilletjes en gaat tot de aanval over. Deze aanval wordt met evenveel vuur afgeslagen als waarmee hij is gelanceerd en de volgende morgen moet de vijand de lichamen van duizend gesneuvelden bergen. De vijand houdt het beleg acht maanden vol. Uit het Portugese garnizoen deserteren enige manschappen, maar om te voorkomen dat anderen hun voorbeeld volgen, laat Salvador Ribeiro alle Portugese schepen die in de haven liggen in brand steken.

Zodra vice-rei Aires de Saldanha verneemt wat er in Syriam gaande is, zendt hij versterkingen naar de stad. Als deze zijn aangekomen en Ribeiro ineens het bevel voert over 800 man, besluit hij tot de aanval over te gaan. Nadat hij daarvoor alle noodzakelijke voorbereidingen heeft getroffen, overvalt hij onverwachts de vijandelijke stellingen, waar hij dappere tegenstand ontmoet, maar na zware strijd zegevieren de Portugese wapenen opnieuw en Badanala’s leger is genoodzaakt te vluchten. Ribeiro laat alle borstweringen en verschansingen die de vijand voor zijn aanval heeft geconstrueerd verwoesten.

Nu het fort is bevrijd van de aanwezigheid van de vijand, staat Ribeiro zijn manschappen toe zich enige tijd te verspreiden. Hij houdt niet meer dan 200 man in de vesting. Terwijl de Portugezen zich in de streek hebben verspreid, slaat Banadala opnieuw het beleg voor het fort. Thans beschikt hij over een aantal mobiele kastelen en verschillende lanceerinrichtingen om vuurwerk mee af te schieten. De verdedigers worden serieus in het nauw gedreven en de uitslag van de strijd is uiterst twijfelachtig als er een brandende meteoor aan de hemel verschijnt. Dit verschijnsel boezemt de aanvallers zoveel angst in, dat zij op de vlucht slaan, waarbij zij hun mobiele kastelen achterlaten. De Portugezen weten niet hoe snel zij deze moeten vernietigen.

Naast het beschreven succes, boekt Ribeiro nog een ander succes. Hij zegeviert over koning Massinga in de provincie Camelan, waarbij de koning omkomt en het land grote schade oploopt, zowel bij de strijd te land als ter zee. Deze overwinningen doen de reputatie van de Portugezen bij de bevolking van Pegu enorm stijgen. Hierdoor stijgt de bereidheid van Portugezen in dienst van Pegu te treden aanzienlijk en weldra voeren Portugese officieren het bevel over 20.000 inheemsen. Het is niet slechts te danken aan zijn militaire successen, maar ook aan zijn zonnige humeur (reden waarom zij hem aanduiden als Changa, wat “Goede Man” betekent) dat Filippe de Brito e Nicote wordt uitgeroepen tot Koning. Omdat Brito nog steeds afwezig is, aanvaardt Salvador Ribeiro de kroon in naam van zijn landgenoot, maar zodra Filippe de Brito in Syriam is terug-gekeerd, neemt hij bezit van zijn koninkrijk in naam van de Koning van Spanje en Portugal. Het commando over Forteleza de Santiago do Sirião komt nu in handen van Roderigo Álvares de Sequeira, die het fort met succes weet te behouden tegen alle aanvallen, totdat het per ongeluk uitbrandt en alleen de kale muren blijven staan.

Filippe de Brito e Nicote schijnt onderkoning Aires de Saldanha al net zo gemakkelijk te hebben ingepalmd als Xilimixa. Hij heeft kennelijk net zo’n gevaarlijke invloed op hem uitgeoefend, als op de koning van Pegu, zodat hij niet alleen alles verkrijgt wat hij de vice-rei vraagt, maar ook nog in Goa in het huwelijk treedt met een nichtje1 van de onderkoning, dat is geboren uit een Javaanse vrouw. Filipe de Brito e Nicote ontvangt ook nog de zeer eervolle titel: “Bevelvoerder over Syriam, en Generaal van de verovering van Pegu.” Brito keert dan terug naar Syriam met versterkingen en zes schepen. Daar aangekomen, laat hij het uitgebrande fort herstellen, bouwt hij een kerk en zendt een kostbaar geschenk aan de Koning van Arakan, die hem met zijn aankomst in Syriam heeft gelukgewenst. Vervolgens geeft hij orders uit betreffende het douanekantoor daar, in overeenstemming met de instructies die hij van de onderkoning heeft ontvangen. Deze instructies hebben betrekking op alle schepen die de kust van Pegu aandoen en die zich allen in het douanekantoor hebben te melden. Als bepaalde schepen komende van de Coromandelkust weigeren deze orders te gehoorzamen, zendt Filippe de Brito zes schepen, onder bevel van Dom Francisco de Moura, om gehoorzaamheid af te dwingen. Deze taak wordt efficiënt volbracht en in één moeite door worden twee schepen, die toebehoren aan Atjeh genomen. De twee schepen blijken een zeer rijke lading aan boord te hebben. Als de Koning van Arakan ervaart welk gebruik de Portugezen van het douanekantoor in Syriam maken, wenst de koning in het bezit te komen van deze bron van opbrengsten en hij benadert de Koning van Taungu om hem bij deze onderneming te helpen. Als Filippe de Brito verneemt wat de Koning van Arakan van plan is, stuurt hij Bartolomeu Ferreira, bevelhebber van de vloot van kleine schepen erop uit om de twintig kleine jalias, die de Koning van Arakan voor de strijd heeft uitgerust, aan te vallen. De jalias worden zonder veel moeite verslagen en op de vlucht gedreven, waarop zij ontsnappen naar gebied van de Koning van Jangona. De vijand, die geërgerd is over zijn nederlaag, verzamelt 700 kleine vaartuigen met 4.0000 man, die hij plaatst onder het bevel van de zoon van de Koning van Arakan. Deze wordt bijgestaan door Ximicolia en Marquetam, zonen van de heerser van Pegu. Paul del Rego Pinheiro, wordt met zeven schepen en de nodige kleine vaartuigen tegen deze legermacht uitgezonden en nadat hij tien vijandelijke boten, die de rest van de van de vijandelijke vloot vooruit waren gesneld, heeft buitgemaakt, keert hij terug om de tien veroverde boten op een veilige plek te leggen, om vervolgens de vijand weer tegemoet te treden. Hij vindt echter de vijandelijke strijdmacht te sterk voor hem, maar nadat hij versterkingen heeft ontvangen, valt hij de vijand opnieuw aan en boekt de overwinning, waarbij hij verschillende vaartuigen buit maakt. De zoon van de Koning van Arakan vaart, in zijn haast om zijn leven te redden, een kreek binnen. Hier verovert Pinheiro de rest van de vijandelijke vloot en de prins vlucht weg over land; nadat hij 1.000 man verloren heeft. Pinheiro bezet vervolgens het fort van Chinim, waarin zich vele gevangenen, onder wie de vrouw van Banadala, bevinden.

Na dit succes kiest Filippe de Brito e Nicote met 14 kleine vaartuigen zee. Op deze vloot bevinden zich 60 Portugezen en 200 inheemsen uit Pegu. Brito zeilt een rivier op en verneemt dat de zoon van de Koning van Arakan zich met een leger van 4.000 man, waaronder 900 musketiers, in de buurt bevindt. Hij besluit hem aan te vallen. De vijandelijke troepen worden verslagen en hun aanvoerder wordt gevangengenomen. De Koning van Prome zendt nog 2.000 man hulptroepen om Arakan te helpen, maar deze lijden een zwaar verlies en zijn genoodzaakt zich terug te trekken. Na deze verschillende gevechtsrondes krijgt Filippe de Brito de kans om Syriam enige jaren in vrede te besturen.

Nadat Salvador Ribeiro, die Syriam heeft bestuurd tijdens de afwezigheid van Filippe de Brito, het bestuur weer aan hem heeft overgedragen, vertrekt hij naar Portugal, waar hij de rest van zijn dagen schijnt te hebben gesleten in een dorp in de provincie Minho. Zijn lichaam ligt in de kapittelzaal van een klein franciscanenklooster bij Alenquer, op 30 mijl van Lissabon, waar een inscriptie zijn naam en geschiedenis vermeldt. Portugese schrijvers hebben hem aangeduid als de Marcus Aurelius van het verval van Portugees Indië en menig dichter heeft zijn lof gezongen.

Er zij aan herinnerd dat Filippe de Brito de zoon van de Koning van Arakan, Xilimixa, heeft gevangengenomen. Xilimixa opent onderhandelingen met Brito gericht op de vrijlating van zijn zoon. De kwestie wordt voorgelegd aan de onderkoning in Goa en deze geeft opdracht de prins in vrijheid te stellen, zonder voor hem een afkoopsom te verlangen. Brito, evenwel, ziet zijn kans schoon de opdracht van de onderkoning in zijn eigen voordeel uit te leggen. Hij vraagt de koning van Arakan een bedrag van 50.000 crowns als prijs voor de vrijlating van diens zoon, onder het voorwendsel dat deze som de terugbetaling is van de kosten voor het inzetten van de Portugese vloot tegen die van Arakan, toen de koning van dat land Syriam met zijn jalias bedreigde. Brito’s opstelling betekent een zware belediging van de koning van Arakan, die vervolgens een kleine vloot tegen Syriam uitrust. Deze vloot wordt gemakkelijk verslagen, De koning neemt nu uit wraak een aantal katholieken gevangen, die hij met grote wreedheden bedreigt. Kort daarna sluit hij een pact met de koning van Taungu, die een legermacht van 10.000 man zendt om Syriam te belegeren. De koning zendt bovendien tegen Syriam een vloot uit van 800 zeilen. Paul del Rego valt deze vloot aan met 80 schepen, maar als bemerkt dat hij niet de overhand krijgt, blaast hij zichzelf en alle andere opvarenden op zijn schip op, om te voorkomen dat zij in vijandelijke handen vallen. De aanval houdt enige tijd aan en de Portugezen, wier aantal tot het uiterste is gekrompen, staan op het punt zich over te geven, als de Koning van Taungu, tengevolge van een niet opgehelderde oorzaak, op zekere nacht het beleg opheft en zijn troepen terugtrekt, waarop ook de vloot van de Koning van Arakan vertrekt.

Dankzij Brito’s succes bij de verdediging van Syriam, zijn enige naburige vorsten erop gebrand zijn vriendschap te winnen en een verbond aan te gaan met de koning van Portugal. De eerste die in deze zaak iets onderneemt, is de Koning van Taungu, die nog maar kort geleden de vijand van Brito was. Brito sluit met hem een vredesverdrag. Een andere vorst met wie Brito een overeenkomst sluit is de Koning van Martaban en om dit bondgenootschap nog meer te verstevigen, treedt Brito’s zoon in het huwelijk met de dochter van de koning. Vervolgens wordt de Koning van Taungu verslagen door en schatplichtig gemaakt aan de Koning van Ava . In plaats van dat Filippe de Brito zijn bondgenoot heeft bijgestaan, is dit voor Brito aanleiding het met hem gesloten verdrag te schenden. Met assistentie van de Koning van Martaban, rust hij een expeditie uit en valt Taungu binnen. Hij neemt de Koning van Taungu gevangen en keert dan met zijn gevangene terug naar Syriam. Hij heeft zijn gevangene bovendien een miljoen aan goud ontnomen. De Koning van Taungu protesteert tegen zijn behandeling en verklaart dat hij nog steeds een trouw vazal is van de Kroon van Portugal; maar aangezien Filippe de Brito zijn expeditie tegen Taungu uitsluitend heeft ondernomen om te kunnen roven, toont hij zich niet gevoelig voor de argumenten van zijn gevangene.

In het jaar 1605 is een zekere Sebastião Gonzales Tibao, een inwoner van het dorp van Santo António del Tojal, bij Lissabon, een man met een duistere uitstraling, scheepgegaan naar Indië en daar aangekomen, reist hij door naar Bengalen, waar hij eerst dient als soldaat, maar vervolgens een plek verovert in de zouthandel. Hij vervoert zijn koopwaar in een jalia, een kleine boot, waarmee hij aankomt in Dianga, een haven in gebied van de Koning van Arakan. Hij arriveert daar op een zeer kritiek moment, wat hem bijna zijn leven kost.

Het schijnt dat Filippe de Brito e Nicote, die zijn positie in Syriam heeft veiliggesteld, zijn macht wil uitbreiden door Dianga te veroveren. Om dit doel te bereiken, zendt Brito zijn zoon begin 1607, met enige vaartuigen naar Dianga, in de hoedanigheid van ambassadeur naar de Koning van Arakan, om hem te verzoeken Dianga aan hem over te dragen. Enige Portugezen die in die tijd in Dianga wonen en die Filippe de Brito niet goed gezind zijn, overtuigen de koning ervan dat Brito de stad alleen maar begeert om hem uiteindelijk zijn gehele koninkrijk af te nemen. De koning verlangt daarop dat Filippe de Brito zijn zoon, vergezeld van zijn officieren, naar zijn hof stuurt en als zij daar aankomen, laat hij hen allen vermoorden. Tezelfdertijd worden alle Portugezen die aan boord van de schepen zijn gebleven eveneens gedood, evenals 600 andere Portugezen die zich van geen gevaar bewust vreedzaam in Dianga. Een paar man ontsnappen naar de bossen, terwijl andere erin zijn geslaagd hun vaartuigen te bereiken en daarmee de zee opvluchten; onder hun bevindt zich Sebastião Gonzales.

Manuel de Mattos, die voorheen commandant was van Banguel of Dianga, maar die kortgeleden is gestorven, is ook Heer van Sundive Island geweest. Bij zijn overlijden is Sundive Island in handen gekomen van Fate Khan, een moor, di Mattos tijdens zijn afwezigheid het eiland heeft laten besturen, maar die, teneinde zijn positie te beveiligen alle Portugezen op het eiland heeft laten vermoorden, tezamen met hun vrouwen en kinderen, evenals de inheemsen die het katholieke geloof hadden omhelsd. Fate Khan verzamelt dan een aantal moren en Pathanen om zich heen, waarmee hij een vloot van veertig zeilen bemant. Sebastião Gonzales en degenen die met hem uit Dianga zijn ontsnapt, bezitten tien vaartuigen, waarmee zij piraterij bedrijven; zij leven van roof in de havens van Arakan. Hun buit brengen zij naar de havens van de koning van Batticaloa op Ceylon, met wie zij op vriendschappelijke voet staan. Fate Khan besluit deze rovers te vernietigen, door zijn vloot tegen hen uit te sturen en hij is zo zeker van zijn slagen dat hij op zijn kleuren schrijft: “Fate Khan, bij de gratie Gods, Heer van Sundiva, vergieter van christelijk bloed en vernietiger van de Portugese natie.” Fate Khan dacht de vloot van deze piraten te verrassen in een rivier op het eiland Xavaspur, maar zij, gewaarschuwd voor zijn nadering, zijn klaar om hem een warm welkom te bereiden. De twee vloten ontmoeten elkaar en leveren de gehele nacht een dapper gevecht en tegen de morgen is de vloot van Fate Khan volledig vernietigd, en iedere man aan boord is of gedood, of gevangen-genomen. Fate Khan bevindt zich ook onder de gesneuvelden.

De Portugese zeerovers, die op dat moment geen erkende leider hebben, kiezen Sebastião Gonzales Tibao tot hun chef, Deze komt met zijn landgenoten overeen, dat een poging zal worden ondernomen het eiland Sundiva in bezit te krijgen. Andere Portugezen uit Bengalen en uit naburige havens sluiten zich bij hen aan en Gonzales komt met de koning van Batticaloa overeen dat hij de helft zal krijgen van de opbrengsten van het eiland als hij hem assistentie verleent het eiland Sundiva in bezit te krijgen. De koning doet mee; hij zendt enige schepen en 200 paarden. In maart 1609 voert Gonzales het bevel over 40 schepen en 400 Portugezen, waarmee hij Sundiva aanvalt. De inwoners hebben echter tijdig gewaarschuwd en zij zijn dus in staat geweest voorbereidingen voor de verdediging te treffen en als de Portugezen komen, wordt hun landing bemoeilijkt door een groot aantal vastbesloten moren, aangevoerd door een broer van Fate Khan. Zij worden al gauw teruggedreven en zij slagen erin zich terug te trekken in hun fort, waarin zij enige tijd worden belegerd. De belegeraars raken door hun voorraden levensmiddelen heen, als Gaspar de Pina, kapitein van een Spaans vaartuig. De man wordt te verstaan gegeven dat hulp van hem wordt verwacht en hij gaat hiermee akkoord. Hij ontscheept ’s nachts 50 man en laat een groot aantal lichten zien en de Spanjaarden maken zoveel lawaai dat de verdedigers geloven dat er versterkingen op grote schaal zijn aangekomen. Het fort wordt onverwachts aangevallen en ingenomen en allen die zich in het fort bevinden worden ter dood gebracht. De inheemse bewoners van het eiland, die voorheen door de Portugezen zijn bestuurd, bieden hun onderwerping aan, maar Sebastião Gonzales is slechts bereid hun onderwerping te aanvaarden op voorwaarde dat zij alle vreemdelingen op het eiland aan hem uitleveren. Bij elkaar worden zo’n 1.000 moren voor hem gebracht en hij geeft opdracht hen het hoofd af te slaan. Sebastião Gonzales wordt dus de absolute heerser van Sundiva island, dat hij als een onafhankelijk vorst bestuurt.

De belangrijkste Portugezen die hem geholpen hebben bij de verovering van het eiland, behoren tot de eersten die daar grond krijgen toegewezen, maar later neemt Gonzales hen die ook weer af, als hem dit uitkomt. In plaats van dat hij de koning van Batticaloa de helft van de opbrengst van het eiland geeft, zoals hij met hem heeft afgesproken, verklaart hij zijn vroegere handelspartner en bondgenoot de oorlog. Gonzales’ rijkdommen en macht nemen nu snel toe en hij voert spoedig het bevel over 1.000 Portugezen, 2.000 goedbewapende inheemsen, 200 paarden en meer dan 80 vaartuigen, voorzien van een goed kanon. Sundiva is in die tijd een belangrijk handelscentrum, waar veel kooplieden naar toe komen, wat voor Gonzales aanleiding is op Sundiva een douanekantoor op te richten. De naburige koningen, die verbaasd zijn over zijn succes, zoeken nu zijn vriendschap, wat hij goedgunstig toestaat, maar van de koning van Batticaloa, van wie hij zoveel voordelen heeft ontvangen, neemt hij de eilanden Xavaspur en Patelabanga af. Hij neemt ook gebied af van andere vorsten en hij bezit spoedig uitgestrekte gebieden en oefent een vrijwel onbeperkte macht uit over de naburige vorsten.

Ongeveer in die tijd (1609) ontstaat er een twist tussen de Koning van Arakan en zijn broer Anaporam, omdat de laatste weigert de koning een bepaalde olifant die hij bezit, af te geven. De koning die ervaart dat hij niet kan zegevieren, noch door smeekbeden, noch door dreigementen, verdrijft zijn broer uit zijn koninkrijk en neemt het beest met geweld in bezit. Anaporam vlucht voor hulp naar Sebastião Gonzales. Deze onderneemt een poging hem te helpen, maar moet spoedig ervaren dat zijn strijdkrachten getalsmatig te gering zijn, om een machtig vorst als de Koning van Arakan, te kunnen bestrijden. Gonzales breekt de strijd af en keert terug naar Sundiva, vergezeld door Anaporam, die nu zijn vrouw, zijn familie , zijn kostbaarheden en zijn olifanten bij zich heeft. Gonzales treedt vervolgens in het huwelijk met de zuster van Anaporam, die het katholieke geloof heeft omhelsd. Korte tijd later sterft Anaporam, onder zware verdenking te zijn vergiftigd, en Gonzales maakt zich onmiddellijk meester van al zijn kostbaarheden, olifanten en goederen, zonder ook maar een deel daarvan aan zijn weduwe of zijn zoon te geven. Om het ontstane schandaal in de kiem te smoren, laat Gonzales de weduwe van Anaporam in het huwelijk treden met zijn broer António Tibao, die admiraal van zijn vloot is, maar deze intrige faalt, omdat de weduwe er niet toe kan worden overgehaald katholiek te worden. Vervolgens onderneemt Gonzales opnieuw een aanval op de Koning van Arakan en zijn broer António.maakt met slechts vijf schepen 100 vaartuigen buit die aan de Koning van Arakan behoren. De laatste sluit daarop vrede met Gonzales, die vervolgens de weduwe van Anaporam aan hem overdraagt. Zij zal kort daarna in het huwelijk treden met de Koning van Chittagong.

In die tijd (1609) laat Grootmogol Jahangir (1605-1627) zijn oog vallen op het koninkrijk Balua, wat de Mogols gevaarlijk dicht in de nabijheid van Sundiva zou brengen. Gonzales komt met de Koning van Arakan overeen het territorium van Arakan te verdedigen. De Koning brengt daarop een leger op de been van 80.000 man, waarvan de meesten musketiers zijn. In zijn leger zijn ook opgenomen 10.000 inwoners van Pegu, die vechten met zwaard en schild. Tenslotte telt ’s konings leger 700 olifanten, met kastelen en gewapende mannen op hun rug. De koning zendt overzee een vloot uit van 200 vaartuigen, die 4.000 man vervoeren, die zich voegt bij de vloot van Gonzales, die ook het bevel voert over de gezamenlijke zeestrijdkrachten. De afspraak is dat Gonzales zal trachten te verhinderen dat de Mogols het koninkrijk Balua binnendringen totdat het leger van de Koning van Arakan op het toneel verschijnt. Als het plan slaagt, zo is afgesproken, valt de helft van het koninkrijk Balua toe aan Gonzales. Deze heeft de Koning van Arakan, die zijn lepe streken kent, gijzelaars voor zijn vloot moeten geven, een neef van hemzelf en enige zonen van Portugese inwoners van Sundiva.

Gonzales slaagt er niet in zijn deel van de afgesproken verplichtingen na te komen en hij getroost zich geen inspanningen om de opmars van het Mogolleger te controleren. Verondersteld wordt dat Gonzales is omgekocht om de Mogolopmars niet te hinderen, of dat hij verradelijk heeft wraakgenomen voor het ombrengen van alle Portugezen in Banguel en Dianga. Hoe dit ook zij, de Koning van Arakan moet het alleen opnemen tegen de strijdkrachten van Jahangir. Hij slaagt aanvankelijk in hen uit Balua te verdrijven, maar zij keren in grotere aantallen terug naar Balua en zij brengen een volkomen nederlaag toe aan de Koning van Arakan, die op een olifant ontsnapt, met maar heel weinig volgelingen, naar het fort in Chittagong. Gonzales heeft de gehele gecombineerde vloot onder-gebracht in een kreek van het eiland Desierta. Hij nodigt alle kapiteins van de schepen die aan Arakan behoren uit bij hem aan boord te komen en hij laat hen allen terstond vermoorden, waarna hij ook nog al hun bemanningsleden laat doden of hen gaat gebruiken als slaven. Op deze wijze krijgt Gonzales de gehele vloot in zijn bezit en hij keert terug naae Sundiva. Zodra hij verneemt dat het leger van Arakan is verslagen, zeilt Gonzales met zijn vloot uit en vernielt te vuur en te zwaard alle forten langs de kust van Arakan, waarbij hij profiteert van het voordeel dat de verdedigers van de forten niet op een aanval zijn voorbereid, omdat zij van hem geen kwaad hebben verwacht, als gevolg van de tussen Gonzales en de Koning van Arakan heersende vrede. Hij vaart door naar Arakan, waar hij grote verwoestingen veroorzaakt en vele schepen, die aan verschillende naties behoren, in brand steekt. Ook het koninklijke jacht, een vaartuig van zeer grote afmetingen vervaardigd met buitengewoon vakmanschap en voorzien van met goud en ivoor opgesmukte decoraties.

Het besproken verraad en de onbeschaamdheid van de zijde van Gonzales, doet de Koning van Arakan in grote woede ontsteken. Hij steekt de gegijzelde neef van Gonzales op een spies en stelt zijn lichaam ten toon op een hoge plaats onder de poort van Arakan, zodat zijn oom hem zal zien als hij naar Arakan zou komen. Gonzales keert na de kuststreek van Arakan te hebben gebrandschat, naar Sundiva terug, volledig gewantrouwd en geminacht door zowel de Mogols als de Koning van Arakan en geteisterd door een sterk voorgevoel van naderend onheil dat hem zal overkomen.

In 1613 verslechteren de vooruitzichten voor Portugese handelaren in Pegu in rap tempo. Het geweld dat Filippe de Brito e Nicote heeft aangewend tegen de Koning van Taungu heeft de Koning van Ava, wiens vazal de laatste was, in woede doen ontsteken en hij heeft plechtig gezworen de belediging te wreken voor hij het tijdige met het eeuwige verwisselt. Bijgevolg trekt hij in 1613 tegen Syriam op met een leger van 120.000 man, dat wordt ondersteund door een vloot van 400 vaartuigen, die 6.000 van spiesen voorziene moorse strijders aan boord heeft. Filippe de Brito is in die tijd weinig op een aanval voorbereid; hij heeft de meesten van zijn mannen toegestaan naar Indië te gaan. En los daarvan heeft hij groot gebrek aan kruit. Om het laatste probleem op te lossen, stuurt hij een soldaat naar Bengalen om daar kruit aan te kopen, maar de soldaat smeert hem met geld. Hij zendt vervolgens iemand naar het Portugese São Tomé de Meliapor, maar dit heeft evenmin succes. De moeilijkheden van Filippe de Brito worden nog vergroot doordat zijn mannen roven en moorden en andere gewelddaden begaan. Dit laatste draagt niet weinig bij aan de moeilijkheden van zijn situatie.

Filippe de Brito e Nicote beschikt in Syriam over niet meer dan 100 Portugezen en 3.000 inheemsen. Wegens het niet beschikken over kruit, kunnen de kanonnen in de forten niet worden afgevuurd en de verdedigers nemen daarom hun toevlucht tot het uitgieten van kokende olie op de vijand. Er worden drie schepen uitgezonden tegen de vloot van de Koning van Ava. Bij het treffen met de vijand worden de opvarenden van een schip allen gedood en als de beide andere schepen terugkeren, hebben zij slechts geblesseerden aan boord. De vijand begint vervolgens met het ondermijnen van de verdedigingswerken van Syriam. Nadat de belegering 34 dagen heeft geduurd, smeekt Filippe de Brito om genade, maar zijn verzoek wordt genegeerd, aangezien de Koning van Ava heeft besloten hem een voorbeeldige bestraffing op te leggen. In zijn wanhoop vraagt hij zelfs de Koning van Arakan om hulp. Hij zendt de koning 50 vaartuigen, om hem te assisteren, maar deze worden alle door de belegeraars genomen.

Tenslotte onderneemt de Koning van Ava een aanval op het Fortaleza de Santiago de Sirião, dat furieus wordt verdedigd door het kleine Portugese garnizoen, maar na drie dagen van onophoudelijke strijd, moet het garnizoen capituleren, nadat 700 verdedigers zijn gedood. De winnaars valt ook de schat van een zekere Banna in handen. Filippe de Brito – het moet worden gezegd – heeft Banna altijd met de grootste eerbied behandeld. Brito wordt gearresteerd en voor de koning geleid. Deze geeft opdracht hem op een paal te steken en op een hoogte boven het fort te plaatsen, “zodat hij een beter uitzicht heeft,” zoals de koning zegt. Brito leeft nog twee dagen in deze toestand en hij heeft nog alle tijd zijn gemene streken te overdenken voordat de dood een einde aan zijn lijden maakt. Zijn vrouw wordt als een slavin naar Ava gezonden.

Francisco Mendez, en een neef van Brito, worden op dezelfde wijze behandeld en dus ook op palen gestoken. Banna, die de koning een beloning vraagt voor zijn schat, wordt in stukken gescheurd. De koning merkt daarbij op dat hij deze figuur, die de man heeft verraden, die hem altijd met achting heeft behandeld, nooit meer zal kunnen vertrouwen. Aanvankelijk is de Koning van Ava van plan geweest alle bewoners van Syriam te laten doden, maar later is hij zich milder gaan opstellen en zendt hij alle overlevenden als slaven naar Ava. Op zijn weg van Syriam naar Ava komt de koning langs Martaban. Hij verplicht de Koning van Martaban de man van zijn eigen dochter te doden, omdat hij de zoon is van Filippe de Brito e Nicote, zodat niemand uit dit vervloekte geslacht nog in leven is.

De koning van Ava, die de Portugezen in Syriam heeft verslagen, wil zich meester maken van al het naburige gebied. Hij wil gekroond worden in Bagou en daartoe zendt hij zijn broer, met een legermacht van 50.000 man, uit tegen Tavoy, dat hij verslaat en schatplichtig maakt. De broer van de koning trekt dan met een leger op naar het Siamese Tenasserim, met de bedoeling de koning van deze stad ook schatplichtig te maken. Cristóvão Rebello, die Cochin in Malabar is ontvlucht, omdat hij een misdaad heeft begaan, en die zich in 1614 in Tenasserim bevindt, wijdt zich geheel aan de zaak van de koning. Met slechts vier galjoten, bemand met 40 Portugezen en 70 slaven, valt hij de uit 500 zeilen bestaande vloot van de Koning van Ava aan. Hij drijft de vloot op de vlucht, na verschillende schepen in brand te hebben gestoken en 2.000 vijanden te hebben gedood. Als gevolg van deze actie staat de Koning van Siam de dappere Cristóvão Rebello toe, als erkenning voor bewezen diensten, een fort te bouwen op een door hem te kiezen plaats, waar ook in Siam.

Sebastião Gonzales Tibao, die zich heeft opgewerkt tot onafhankelijk soeverein van het eiland Sundiva, bevindt zich in 1616 in een moeilijke positie. Omdat hij hulp nodig heeft om zijn positie te kunnen handhaven, vraagt hij de vice-rei Dom Jerónimo de Azevedo in Goa om hulp. Wijzend op zijn onafhankelijkheid, zegt hij bereid te zijn deze positie op te geven en schatplichtig te worden aan Portugal en jaarlijks een galjoen rijst te betalen als erkenning van zijn vazalliteit. Bovendien biedt Sebastião Gonzales Tibao aan ook jaarlijks een galjoen met rijst naar Goa en een ander naar Malacca te zenden, op voorwaarde dat de onderkoning hem effectieve hulp biedt. Met betrekking tot zijn gedragingen in het verleden, betoogt Gonzales dat wat hij in het verleden heeft gedaan, niets anders is geweest als een wraakneming voor wat de Koning van Arakan de Portugezen in Banguel en Dianga heeft aangedaan. Als een extra prikkel om de bereidheid van de onderkoning hulp te bieden te stimuleren, laat Gonzales weten dat de Koning van Arakan een grote schat bezit en dat deze schat waarschijnlijk gemakkelijk kan worden buitgemaakt. Deze in een brief aan Dom Jerónimo de Azevedo genoemde argumenten doen de vice-rei besluiten de gevraagde hulp toe te zeggen.

Voor dit doel wordt een vloot uitgerust die bestaat uit 14 van de grootste galjoten, alsmede een flyboat? en een pink, onder bevel van Dom Francisco de Menezes Roxo De expeditie verlaat midden september 1616 Goa en arriveert op 3 oktober in Arakan. Vandaar wordt een galjoot vooruit naar Sundive gezonden, om Sebastião Gonzales Tibao in kennis te stellen van de nadering van de hulpvloot uit Goa.

De instructies die Dom Francisco ontvangen heeft luidt dat hij alvast de Koning van Arakan dient aan te pakken, zonder dat op de komst van Sebastião Gonzales Tibao behoeft te worden gewacht. Wanneer er op 16 oktober voorbereidingen voor een aanval worden getroffen, komt een enorme vloot de rivier afzakken, met voorop enige Hollandse vaartuigen. Een Hollandse pink vuurt het eerste schot af, waarna de uitbraak volgt van een algemeen vuurgevecht, dat de gehele dag aanhoudt en waarbij beide partijen aanzienlijke verliezen lijden. ’s Nachts drijft de vijand af en Dom Francisco besluit de aanval niet te hernieuwen totdat Sebastião Gonzales zich bij hem heeft gevoegd, maar deze ligt aan de monding van de rivier op hem te wachten. Tenslotte arriveert Gonzales met 50 goed uitgeruste schepen en hij is niet weinig woedend dat Dom Francisco al in de aanval is gegaan, zonder op hem te wachten. De twee vloten zijn nu gelijk verdeeld tussen Dom Francisco en Gonzales en tegen midden november zeilen zij de rivier op. Zij vinden de vijandelijke vloot voor anker liggen op een veilige plaats en besluiten de aanval te openen.

De strijd is nog maar net begonnen als de vloot van Arakan, verdeeld in drie squadrons, de rivier komt afzakken. Sebastião Gonzales is de eerste die de aanval weet op te vangen en zijn pink houdt een Hollands schip in de baai tegen. Dom Francisco wordt gedood doordat hij een musketkogel in zijn voorhoofd krijgt. Een signaal gegeven vanaf het schip van Dom Francisco, doet Gonzales terugtrekken van de strijd en als het laag tij wordt, rakende twee vloten van elkaar gescheiden. Maar van de galjoot van Gaspar de Abreu, die zich geïsoleerd tussen de Arakanese schepen bevindt, worden alle opvarenden gedood en het schip wordt in brand gezet. Gaspar de Abreu zelf wordt dodelijk gewond bij António Carvalho gebracht en sterft een paar dagen later. Dom Luiz de Azevedo, aan wie nu het commando toevalt, verzamelt alle schepen van de vloot en trekt zich terug naar Sundiva, vanwaar hij later naar Goa terugkeert, na te hebben verklaard dat hij daar voor hulp aan en bescherning van Gonzales beschikbaar blijft.

Kort daarna arriveert de Koning van Arakan met zijn strijdkrachten en neemt bezit van Sundiva. Met de verovering van Sundiva komt er een einde aan de betrekkingen van de Portugezen met deze gebieden en eindigt de bijzondere geschiedenis van Sebastião Gonzales Tibao.

Bron: http://www.hendrick-hamel.henny-savenije.pe.kr/Dutch/ouwerkrk1.htm

HET JACHT OUWERKERCK

Het schip Hollandia  kwam uit Nederland op 14 december 1626 in Batavia aan (Dagr. Bat. bl. 299). In de Generale Missieven van 9 november 1627 wordt dit schip “Groot Hollandia.” genoemd om het te onderscheiden van het vlaggeschip Hollandia. (Res. 15 september 1627) Het vertrok op 12 november 1627 weer van daar naar Nederland (Gen, Miss. 6 januari 1628). Op 3 mei 1626 was het jacht de Ouwerkerck ook uitgezeild, dat op 18 april 1627 in Batavia aankwam (Dagr. Bat.). De Ouwerkerck was 50 lasten groot en de schipper was Jouke Piers. Zowel de Hollandia als de Ouwerkerck stonden onder commando van Wijbrant Schram van Enkhuizen die op 2 januari 1627 te Batavia overleed als Raad Ordinaris (Dagr. Bat.). Volgens “Begin ende Voortgangh” (II, 1646, 20e stuk, bl. 18) , kwam de Ouwerkerck echter op 14 april 1627 aan.

Op 12 mei 1627 vertrokken van Batavia naar Taijouan, het schip de Heusden en de jachten Sloten, Ouwerkerck, Queda en Cleen Heusden. (Dagr. Bat. bl. 316). De commandant van de vloot was Pieter Nuijts, die bij Res. 30 april 1627 benoemd tot Gouverneur van Taiwan. De Ouwerkerck kwam op 23 juni 1627 in Taijouan aan en had op 16 Julie “een joncque ontrent 200 lasten groot, comende van Sangora [Havenplaats op de N.O. kust van Maleisie; Het kantoor van de VOC aldaar werd in 1623 opgeheven, (Gen. Miss. 1 februari 1623)] naer Cochin-China, soo de Chinesen seijden, ende in de riviere Chincheo [Amoij] thuis hoorende, met stijff 150 lasten peper ende partije nagelen geladen, aengehaelt, ontrent 70 Chinesen daer uijt gelicht ende 16 van sijn volck [onder wie de stuurman en zijn broeder] met noch 80 Chinesen daer in latende, met intentie om ons alles hier [Taijoan] ter handt te stellen; gemelte joncque is door storm van haer geraeckt ende tot op dato niet geparesseert, beduchtende verongeluckt is“. (Miss. Gouvr aan Gouvr Generaal dd. 22 juli 1627; zie ook Miss.wd Gouvr Johannes van der Hagen dd. 29 oktober 1627). De jachten Slooten, Ouwerkerck, Cleijn Heusden en Queda werden op 28 juli 1627 van Taijoan uitgezonden om te kruisen op de Portugese navetten, welke van plan waren van Macao naar Japan te zeilen. Bij Res. Taijoan dd. 12 oktober 1627 werd besloten “de twee cruijssende jachten Ouwerkerck ende Cleen Heusden na de rivier van Chincheo [Amoij] te ontbieden” terwijl bij Res. Taijoan dd. 25 oktober 1627 o.a. wordt gezegd: “Alhier geen behoorlijke macht (door het verdrijven van de jachten Ouwerkerck en Cleen Heusden) en zijn hebbende” Op 29 oktober 1627 berichtte de wd Gouvr van Taijoan naar Batavia dat “Ouwerkerck ende Cleen Heusden noch niet en sijn weder gekeert dat ons geen goet bedencken en geeft“. Volgens Res. Taijouan 6 november 1627 was het jacht Cleen Heusden toen al in Taijouan terug; de Ouwerkerck is echter nooit weer terecht gekomen: “Van Teijouhan sijn uijt cruijssen gesonden, omtrent Lamo ende Pedra Branca, de jachten Ouwerkerck, Slooten, Cleen Heusden ende Queda; maer hebben gants niet verricht. ‘t Jacht Ouwerkerck is niet weeder gekeert; van de chineesche roovers hebben verstaen dat Ouwerkerck omtrent Maccauw des nachts door eenige Portugeesche fusten overrompelt ende verbrant is; achttien coppen souden daervan gevangen, gelijck mede ‘t geschut becomen hebben, sijnde ‘t resterende volck alt’samen verongeluckt.” (Gen. Miss. 6 januari 1628).

Het jacht Ouwerkerck is ontrent Maccau van 5 galliotten, daerop toegemaeckt, besprongen; het hadde boven los cruijt gestroeijt dat als sij geentert wierden in den brant verden gesteecken, daerdoor de galliotten met verlies van veel volck mosten afleggen doch den brant gedaen zijnde ende haer zelven wat gerepareert hebbende, sijn alle gelijck hem aen boort gecomen ende soo veel volcx overgesmeeten dat sij ‘t selve verovert souden hebben ende alsoo Sr Ketting met haer van ‘t quartier sprack dat alreede gegeven was, is van een Portugees doorsteecken; het ander volck dit siende, sij weder om laege gesprongen en hebben het cruijt in brant gesteecken soo datter seer veel Portugijsen sijn gebleven ende evenwel noch tusschen 20 30 duijtschen in Maccau gevangen gebracht. Dus vertellen; de Poortugijsen; naer ick kan bemercken is ‘t Jacht tegens eenich riff comen vast te sitten; sij hebben naer ‘t jacht verbrandt was noch eenige stucken geschuts met duijckers daerwt becoomen soo dat Jan gadt niet weijnigh roncqueert” (Miss. Opperhoofd Hirado dd. 12 augustus 1628; Vgl. ook Dagr. Bat. 1628, bl. 389). Gouvr Pieter Nuijts was 14 juli 1627 van Taijoan naar Japan vertrokken en op 3 december 1627 weer naar Taijoan teruggekeerd. Hij schreef op 16 juni 1628 van de Stad Zeelandia aan Sr Nijenrode, die toen opperhoofd op Hirado was: ” ‘t Jacht Ouwerkerck met Sr Nicolaas Ketting is in een rivier verbrant en ‘t volck in Macao gevangen, zulks dat als wij met Woerden op den 20en dag na het vertrek van costi hier quamen te arriveeren, een zeer desolaten stand en plaetze zonder eenige navale macht vonden” (Valentijn IV, 2e stuk, 4e boek, 4e hoofdst., bl. 52 Vgl. ook in Dagr. Bat. 1 juni 1628, bl. 334 en 389).

“…. weshalven de schepen die van Taijouan nae Macao ordonneert, wel op hoede dienen te wezen, opdat geen affront incurreren off door branders g’abordeert worden, gelijck Ouwerkerck ao 1627 overvallen ende vernielt wierde” (Miss. regering Batavia naar Taijoan dd. 2 augustus, 1641) Vergelijk ook. Danvers,(Portuguese in Asia, II, 1834, bl, 227). “On the 10th June, 1627, four Dutch ships appeared before that port with the view of attacking a Fleet which had been prepared there for a journey to Japan…. The Dutch admiral’s ship was boarded and burnt, thirty-seven of the crew being killed and fifty taken prisoners. The guns, ammunition, treasury, and provisions were also secured. After the loss of this ship the other three vessels retired.“Zie ook nog C. A. Montalto de Jesus, (Historic Macao, 1900, bl. 77)

Sr Melchior van Santvoort [een vrij handelaar te Nagasaki] heeft desen nevensgaende brieff aen mij gesonden; is hem secretelijck behandicht door een Portugees van Maccou; daer wert seer ernstelijek antwoort van Sr van Santvoort geeijst; ‘t is [n.l, de schrijver van de brief] een man van ‘t jacht Ouwerkerck, soo d'<> Portugees weet te seggen.” (Miss. Hirado dd. 16 november 1631 aan d’E Willem Jansen. Nat. Arch. no. 11722). In de Gen. Miss. van 9 november 1627 lezen we ook: “Tegenwoordich weeten niet datter eenige Nederlanders bij den vijant in gants India van Mosambique aff tot in Manilha toe, Godt loff, gevangen sitten

Onder de 47 Hollanders die werden uitgewisseld tegen Portugese gevangenen en op 21 mei 1632 met het schip Buren van Makasar naar Batavia werden gebracht (Gen. Miss, 1 december 1632 en Miss. aan de kamer van Hoorn van dezelfde datum, Nat. Arch. No. 759) zullen ook opvarenden van de Ouwerkerck zijn geweest. (Vgl.: Dagr. Bat. 1631, bl. 13 en “‘t Is seecker, naer dat wij uijt d’onse verstaen die in Maccao hebben gevangen geseten” (Instructie voor Gouverneur Hans Putmans dd. Batavia ulto mei 1633. Nat. Arch. VV, I).

The Jacht OUWERKERCK

The ship Hollandia  came from Holland and arrived on December 14, 1626 in Batavia (Daily Register Batavia pp. 299). In the General Missives of November 9, 1627 this ship is called the “Groot Hollandia.” to distinguish it from the flagship Hollandia. (Resolution September 15, 1627) It left on November 12, 1627 back to Holland (General Missives January 6, 1628). On May 3, 1626 the jacht de Ouwerkerck had also sailed out, and it arrived on April 18, 1627 in Batavia (Daily Register Batavia). The Ouwerkerck was 50 lasts big and its skipper was Jouke Piers. Both the Hollandia as the Ouwerkerck were under the command of Wijbrant Schram from Enkhuizen, who died on January 2, 1627 in Batavia as Ordinary Counsel (Daily Register Batavia). According to “Begin ende Voortgangh” [Beginning and Progress (II, 1646, 20th piece, pp. 18) however, the Ouwerkerck arrived on April 14, 1627.

On May 12, 1627 left from Batavia to Taijouan, the ships the Heusden and the jachts Sloten, Ouwerkerck, Queda and Cleen Heusden. (Daily Register Batavia pp. 316). The commander of this fleet was Pieter Nuijts, who was appointed as Governor of Taiwan by Resolution of April 30, 1627. The Ouwerkerck arrived on June 23, 1627 in Taijouan and had on July 16, “hauled in a junk around 200 lasts big, coming from Sangora [Harbor on the North East coast of Malaysia, the office was removed in 1626, (General Missives February 1, 1623)] to Cochin-China, as the Chinese said, and belonging in the river Chincheo [Amoy], loaded with almost 150 lasts pepper and a shipment of cloves, taken out around 70 Chinese and leaving 16 of it’s people [amongst other the helmsman and his brother] with another 80 Chinese in it, with the intention to hand us everything here [Taijoan]; mentioned junk is drifted off from them by a storm and didn’t arrive until this date, fearing it perished.” (Missive Governor to General Governor dated July 22, 1627; see also Missive temporary Governor Johannes van der Hagen dated October 29, 1627). The jachts Slooten, Ouwerkerck, Cleijn Heusden and Queda were sent on July 28, 1627 from Taijoan to tack for the Portuguese naivetes, which were planning to sail from Macao to Japan. By Resolution Taijoan dated October 12, 1627 was decided “to summon the two tacking jachts Ouwerkerck and Cleen Heusden to the river of Chincheo [Amoy] while by Resolution Taijoan dated October 25, 1627 amongst other is said: “Here not and having an adequate power (because of the drifting off of the jachts Ouwerkerck and Cleen Heusden)” On October 29, 1627 reported the temporary Governor of Taijoan to Batavia that “Ouwerkerck and Cleen Heusden not yet having returned and nothing good is thought of it”. According to Resolution Taijouan of November 6, 1627 was the jacht Cleen Heusden already back in Taijouan; the Ouwerkerck was however never found back: “From Teijouhan were sent out tacking around Lamo and Pedra Branca, the jachts Ouwerkerck, Slooten, Cleen Heusden and Queda; but have altogether not performed. The Jacht Ouwerkerck has not returned; understood from the chinese robbers, that Ouwerkerck around Maccauw was taken by surprise and burned at night by some Portuguese Fusts [a ship type I don’t know how to translate]; of which eighteen heads were captured, like also having taken the artillery, the remaining people all together having perished.” (General Missives January 6, 1628).

The jacht Ouwerkerck is, around Maccau, raided by 5 galliots, especially equipped for that; it had, upstairs, sprinkled loose powder that, if they were grappled, would be set on fire, therefor the galliots had to lay off, with a lot of loss of people, however after having set the fire and having repaired themselves [meant is the ship] somewhat, are all at the same time climbed aboard and having thrown off that many people that they would have conquered the same and, like Sir Ketting spoke of it from the quarters, has been stabbed by a Portuguese, the other people, seeing this, jumped again downstairs and have put the powder on fire, so that many Portuguese have died and however between the 20 to 30 duijtschen [=Dutchmen] were brought imprisoned in Maccau. Thus tell; the Poortugijsen [=Portuguese]; as I can notice the Jacht got stuck against a reef; they have burnt the jacht and have retrieved some pieces of artillery with divers so that Jan hole not little snores [could mean anything, since it’s an expression I could not find back, with hole: ass could also be meant, therefor farting](Missive Chief Hirado dated August 12, 1628; Compare also Daily Register Batavia 1628, pp. 389). Governor Pieter Nuijts had left from Taijoan to Japan on July 14, 1627 and returned on December 3 1627 back to Taijoan. He wrote on June 16, 1628 from the city of    Zeelandia to Sir  Nijenrode, who was the chief in those days on Hirado: ” The Jacht Ouwerkerck with Sir Nicolaas Ketting has been burnt in a river and the crew caught in Macao such that as we came to arrive here with Woerden on the 20th day after the departure from the coast, found a very desolate stand and place without any naval power” (Valentijn IV, 2nd piece, 4th book, 4th chapter, pp. 52 Compare also in Daily Register Batavia June 1, 1628, pp. 334 and 389).

“…. wherefore the ships who are ordered from Taijouan to Macao, should be on alert, so that no insult will be suffered or by burners overtaken, like the Ouwerkerck ao 1627 was raided and destroyed (Missive Government Batavia to Taijoan dated August 2,1641) Compare also Danvers (Portuguese in Asia, II, 1834, pp, 227). “On the 10th June, 1627, four Dutch ships appeared before that port with the view of attacking a Fleet which had been prepared there for a journey to Japan…. The Dutch admiral’s ship was boarded and burnt, thirty-seven of the crew being killed and fifty taken prisoners. The guns, ammunition, treasury, and provisions were also secured. After the loss of this ship the other three vessels retired.” See further C. A. Montalto de Jesus, (Historic Macao, 1900, pp. 77)

Sir Melchior van Santvoort [a free trader at Nagasaki] has sent me this enclosed letter; has been handed to him secretly by a Portugees from Maccou; therein was a very serious answer from Sir van Santvoort; it is [the writer of the letter] a man from the jacht Ouwerkerck, as the Portugees knew to say.” (Missive from Hirado dated November 16, 1631 to the Noble Willem Jansen. Colonial Archives no. 11722). In the General Missives of November 9, 1627 we can also read: “Nowadays know not of any Netherlanders who, are with the enemy in entire India, from Mosambique off as far as Manilha, Godt praise, are imprisoned

Amongst the 47 Dutchmen who were exchanged against Portuguese prisoners and were brought from Makasar to Batavia with the ship Buren on May 21, 1632 (General Missives December 1, 1632 and Missive to the Chamber of Hoorn of the same date, Colonial Archives No. 759) will have been the the persons on board of the Ouwerkerck. (Compare: Daily Register Batavia 1631, pp. 13 and “‘It’s certain, as we understood from our people, those who were imprisoned in Maccao” (Instruction for Governor Hans Putmans dated Batavia the end of May 1633. Colonial Archives VV, I).  

1 Bastaardkinderen worden in die tijd vaak aangeduid als neef of nicht van hun verwekker

Hoofdstuk 2. De Portugezen in Bengalen 2.0. De Portugese vestiging in Hooghly en in Oost-Bengalen

Categorieën
Portugees kolonialisme

De Carreira da India. De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640

Deel 17 Index

Hoofdstuk 1.

De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640

1.4. De Carreira da India

Geschreven door Arnold van Wickeren

In deel XV is een heel hoofdstuk gewijd aan de Carreira da India; naast een algemeen gedeelte bevat dit hoofdstuk de verhalen van de schipbreuken van de schepen Aguia, Garça, Santa Maria de Barca, São Paulo, Santo Antonio, Santiago, São Thomé, São Francisco, Santo Alberto, Cinco Chagas en Santiago. Allemaal schepen die zijn vergaan in de zestiende eeuw en waarvan het relaas over de ramp en het lot van de opvarenden is opgenomen in de História Tragico Maritima, welk werk door James Duffy is geanalyseerd in zijn Shipwreck and Empire. Het gaat in dit deel om de lotgevallen van de volgende vier schepen de São João Baptista (1622), de Conceição (1621), de Nossa Senhora do Bom Despacho (1630; niet vergaan) en de Nossa Senhora de Belém (1635) die eveneens besproken zijn in de História Tragico Maritima en waaraan Duffy daarom ook aandacht heeft besteed.

De São João Baptista (1622)

De nau vertrekt, onder bevel van de onervaren kapitein Pedro de Moraes Sarmiento en in gezelschap van een ander schip, op 1 maart 1622 uit Goa, met een verrot roer, dat twee jaar veronachtzaamd aan het strand heeft gelegen. De auteur klaagt hierover bitter: “dit is de manier waarop in dit land schepen worden uitgerust.” Hij schrijft: “ik zeg dat omdat het gebrek aan een roer de oorzaak is geweest van onze ondergang.” Nadat de nau vijftien dagen op zee is, staat er 30 cm water in het ruim, maar omdat het schip pompen aan boord heeft voor een galeão, niet voor een nau, is het een onmogelijke taak het ruim helemaal schoon te maken. Wat het reserveroer betreft, verwerpt de kapitein, die nieuw is op de Carreira da India, de aanbevelingen van zijn officieren en ander ervaren personeel. Twee weken lang zwabbert het schip buiten controle over de woeste wateren, terwijl de timmerman een tweede roer voor de kapitein maakt. Als het klaar is en aangebracht gaat worden, slaat een golf het uit handen van de zeelieden die worstelen om het te bevestigen. Pas dan is Pedro de Moraes bereid andere noodmaatregelen te overwegen. Op 17 juli raken de São João Baptista en het andere schip, dat het vlaggenschip van de vloot is, van elkaar gescheiden in de wateren rond de Kaap. Enige mannen aan boord van het eerste schip zijn van oordeel dat de lichten van het vlaggenschip per ongeluk uit het oog verloren zijn; anderen bevestigen dat de officieren van de São João Baptista verantwoordelijk zijn voor het in de duisternis kwijtraken van het vlaggenschip. De auteur van het verhaal is geneigd de tweede lezing te accepteren, want hij verklaart dat hij elke nacht is opgestaan om naar de lichten van het vlaggenschip uit te kijken, maar hij heeft deze nimmer meer gezien. Wat de oorzaak van het afdwalen van de vlag ook mag zijn geweest, het alleen verder zeilende schip zal een gemakkelijk doel worden van Hollandse piraten. Twee dagen nadat het schip van de vlag is afgedwaald, ontmoet het twee Hollandse schepen. Er ontstaat een hevig gevecht dat 19 dagen aanhoudt en waarbij de strijdende schepen naar 42  ZB zeilen. Priesters aan boord maken zich tot spreekbuis van degenen die het schip aan de vijand willen overgeven. De kapitein zegt hun zich daarmee niet te bemoeien en zich bezig te houden met biechthoren. Niemand aan boord bekommert zich om de slaven. Eerst wanneer blijkt dat er onvoldoende gezonde slaven aan boord zijn om de pompen te bedienen, worden slaven een gespreksonderwerp. De beschieting en de daarop volgende storm, tijdens welke de São João Baptista zich van zijn belagers weet te ontdoen, takelen de nau zodanig toe dat het nauwelijks nog zeewaardig is, ook al omdat het schip geen roer heeft. Het schip wordt naar het noorden gedreven en op de morgen van 29 september nemen de bezorgde zeelieden de oostkust van Afrika waar, op ongeveer 33  ZB. Daar vinden de Portugezen een zandig strand en zij slagen erin het wrakkige schip op het strand te zetten.

Ondanks de hevige branding en het onbekende terrein, slagen de Portugezen erin het schip met betrekkelijk weinig verlies aan mensenlevens te evacueren en zelfs wat voorraden voedsel uit het wrak te redden. De volgende 36 dagen blijven de schipbreukelingen op het strand, waarbij zij weer op krachten komen en trachten met de kafirs ruilhandel aan te gaan. Dezen zijn al op de eerste dag van de aankomst van de vreemdelingen hen genaderd om voedsel met hen te kunnen ruilen. Zij hebben verschillende ceremonies van vriendschap getoond. Er wordt een kleine kapel van Chinese tapijten, afgezet met goud, opgetrokken, waar driemaal per dag de mis wordt gelezen. Uiteindelijk wordt besloten een poging te wagen Moçambique te bereiken. Er wordt gekozen voor een voettocht en niet voor een tocht per boot, omdat de officieren van de São João Baptista zweren dat het niet mogelijk is ooit een boot zee te doen kiezen door de branding en het kolkende tij aan dat deel van de kust. Gedurende die tijd, maakt de auteur, Vaz Dalmada, een man met vooruitziende blik, met zijn geweer lange wandelingen door het binnenland om zichzelf te trainen voor het werk dat wacht – en om zijn vrienden te voorzien van wildbraad. Tijdens de laatste dagen voordat de lange voettocht begint, verbranden de Portugezen het wrak van hun nau, om te voorkomen dat de kafirs de spijkers uit het wrak halen. Zouden zij daartoe de gelegenheid hebben, dan zouden zij geen of minder belangstelling hebben voor het metaal dat de schipbreukelingen met hen willen ruilen tegen vee.

Op 6 november trekken 279 overlevenden, verdeeld in vier compagnieën, ieder onder een eigen capitão, in de voortdurende stromende regen naar het noorden. Drie vrouwen, Beatriz Álvares da Fonseca, Dona Ursula Cardoso de Melo en haar moeder, en de zwaar gewonde Lobo da Sousa worden vervoerd in draagstoelen, gedragen door slaven en zeelieden. De eerste dagen van de mars zijn moeilijk omdat de overlevenden door een land moeten trekken dat doorsneden wordt door ontelbare woeste stromen die naar zee lopen. Er groeit geen graan in de streek en de schaarse voorraden raken al spoedig op. Een proces dat nog bevorderd wordt als al op de tweede dag na vertrek de kaffers al het vee verzamelen en stelen dat de Portugezen voor zich uit drijven. De gewapende soldaten en matrozen maken jacht op de dieven en slagen erin de zoon van een opperhoofd en veel andere inheemsen te doden. De groene velden gaan langzamerhand over in een rotsachtige halfwoestijn, die de energie van de voortploeterende stoet uitput. Op 20 november stort een jong meisje, wier vader aan boord van de nau is overleden en dat naar Portugal terugkeert om in het klooster in te treden, in van uitputting en honger. Zij wordt nog een dag lang gedragen door verschillende mannen in haar gezelschap, maar zij worden te zwak om lang met deze taak door te gaan. Ondanks haar klachten dat andere, zwaardere – en rijkere – personen in draagstoelen worden vervoerd, weet men niets anders te doen dan haar achter te laten. Haar wordt de biecht afgenomen en zij wordt aan de kant van de voortsjokkende stoet gelegd. Haar laatste woorden zijn: “Vader Bernardo, ik ben thans zeer bemoedigd dat God genade heeft met mijn ziel, want het is Zijn wil dat een nog zo jong mens zo veel ongeluk en moeilijkheden te verdragen krijgt, en het is Zijn wil dat zij mij hier in de woestijn aan de leeuwen en tijgers overlaten, zonder dat ook maar iemand toont medelijden met me te hebben, en dat is allemaal voor mijn redding.” Nadat zij deze woorden heeft uitgesproken, strekt zij zich uit op de grond, en bedekt zichzelf met een petticoat van zwarte tafzijde die zij draagt. Van tijd tot tijd, terwijl de mensen langs haar heenlopen, zegt zij na de petticoat van haar gezicht te hebben gehaald: “Oh, jullie wrede Portugezen die geen medelijden hebben met een jong meisje, Portugees als jullie zelf, en die haar hier laten als maal voor de dieren, moge de Heer jullie naar jullie huizen terugleiden.”

De volgende dagen vallen anderen uitgeput neer langs de weg. De kafirs hebben weinig met de Portugezen te ruilen en zij volgen de stoet, wachtend op een kans hun bezittingen te stelen. Een neger die de Portugezen gevangen hebben genomen nabij de plaats waar de São João Baptista is vergaan, vertelt dat de kafirs in een tocht van twintig dagen een goed bevolkt gebied kunnen bereiken, maar het kost de Portugezen twee maanden om hetzelfde gebied te bereiken. De schipbreukelingen ontmoeten ook verschillende slaven van de Santo Alberto, een schip dat in 1593 aan dezelfde kust is vergaan.1 Zij willen met hen handeldrijven. Onder hen bevindt zich een mulatto, de zoon van een Portugese zeeman van hetzelfde schip. De jongen vertelt de vreemdelingen dat zijn vader Diogo hen niet kan komen begroeten, want hij is de chef regenmaker van de stam, en het negeropperhoofd is bang dat zijn regenmaker met zijn landgenoten naar zijn eigen land zal vertrekken. Aan de andere kant zijn de voormalige slaven van de Portugezen niet altijd vriendelijk tegen hun voormalige meesters. Op 15 december zijn velen stervende van de honger. Er zijn mensen die zelfs de hoorns en de hoeven van het vee eten. Enigen eten giftige bessen en planten, wetende dat zij daarvan erg ziek zullen worden; anderen kopen een paar korrels rijst van hun spaarzamere landgenoten voor fantastische prijzen. Heel af en toe schiet Vaz Dalmada vogels. Hij deelt enige daarvan in het geheim met enige vrienden. Hij verbergt de rest om te vermijden dat er onrust ontstaat. Onder de overlevenden breken evenwel andere ruzies uit. Het gerucht bereikt capitão Pedro de Moraes dat een van zijn assistenten van plan zou zijn de kostbare stenen die de stoet bij zich heeft te stelen en daarmee met een kleine groep van dertig andere mannen de stoet te ontvluchten. De capitão verandert de plaats waar hij de kostbare stenen verstopt. Hij doet deze thans in zakken met rijst, waar zij gevonden worden door enige slaven die op zoek zijn naar voedsel. Zij vluchten weg met de gevonden stenen. Pedro de Moraes wijst ogenblikkelijk iemand aan die hij van de diefstal beschuldigt, evenals vier van zijn vrienden. Zelfs al houden zij onder martelingen vol dat zij onschuldig zijn, neemt de capitão zich voor hen te doen onthoofden. De waarheid komt aan het licht, maar de capitão, bang dat zijn gezag onder de overlevenden anders zal worden vernietigd, beweert dat de door hem beschuldigde persoon een onruststoker is en hij drukt zijn terechtstelling door tegenover de zich verzettende edelen en officieren. Er doet zich nog een andere wreedheid voor die de grenzen van wat menselijk is van de dragers van de draagstoelen nog verder oprekt. Ondanks de bedreigingen van de capitão, weigeren zij deze taak nog verder uit te voeren, Zij zeggen daarvoor te veel te zijn verzwakt. Deze bewering wordt onderstreept doordat een Portugese zeeman van zijn landgenoten wegloopt en zich aansluit bij de inheemsen. Voor de reizigers is de tijd aangebroken om hun positie te heroverwegen. Het is volstrekt duidelijk dat de trage voortgang van de stoet ten dele de oorzaak is van de uitputting van de dragers en dat door de trage voortgang de zieken en gewonden maar langzaam herstellen. Er wordt besloten dat de stoet niet meer mag worden opgehouden doordat individuele personen het tempo niet meer kunnen bijbenen. Zij die het tempo niet kunnen volgen dienen te worden achtergelaten. Onder degenen die met afgrijzen naar de verkondiging van deze nieuwe richtlijn luisteren, zijn Beatriz Álvarez, moeder van vier kinderen, en Dona Ursula, die drie kinderen, van wie de oudste elf jaar oud is, bij zich heeft. De nacht nadat het besluit is afgekondigd wordt doorgebracht met huilen en afscheid nemen, waarbij Beatriz Álvarez, Lobo de Sousa en andere verzwakte overlevenden vrede sluiten met hun medemensen en hun God. Verschillende slaven kiezen ervoor bij hun voormalige meesters te blijven in het kleine negerdorp, dat bij zonsopgang wordt verlaten door de andere overlevenden, die het stoffige pad naar het noorden nemen. De Portugezen passeren stam na stam, terwijl zij voortstrompelen langs de kust. Er zijn dagen dat er mensen sterven, als zij zo nu en dan een koe of een geit hebben kunnen ruilen en zo’n haast hebben daarvan te eten, dat zij soms te veel halfgekookt vlees eten en daarna bezwijken. De auteur beziet deze situatie met ironie en schrijft: “we waren bang te ervaren dat we dood gingen door niet te eten, terwijl we ook stierven door te veel te eten.” Onder de druk van de tocht, demonstreert Pedro de Moraes, altijd al een brute man, toenemende ongevoelige wreedheid. Hij heeft twee negerslaven, de een is een vrouw en de ander een jongen van nog geen twaalf jaar oud. Hij hangt deze op onder verdenking eten te hebben gestolen. Hij neemt ondoordachte beslissingen, die de ellende van de overlevenden nog vergroot en hij faalt enige verstandige beslissingen (zoals de strikte rantsoenering van voedsel en het verbod op het behalen van persoonlijke handelsvoordelen) te handhaven. Hij geeft opdracht een negerdorp tot de grond toe af te branden, als waarschuwing aan de stammen in de omtrek de Portugese macht niet te tarten. Een daad die er niet toe bijdraagt de vriendschap van de inheemsen te winnen. Integendeel, de waarschuwing resulteert in een stijgende vijandigheid tegen de langstrekkende stoet.

Ongeveer een week nadat de sterkere trekkers de zwakkere in het negerdorp hebben achtergelaten, laten twee slaven die in het dorp zijn achtergebleven zich weer zien in de voorttrekkende stoet. Zij worden gegrepen en prompt naar de mannen van Pedro de Moraes gebracht. Deze vinden een partij diamanten die zij verstopt hebben in hun kleding. Op aandringen van de Portugezen vertellen de slaven het armzalige verhaal van de mensen die in het negerdorp zijn achtergebleven. Nadat de anderen waren vertrokken, vormden de achtergebleven Portugezen een kamp en de slaven een ander. Vervolgens heeft een inheems opperhoofd wat vee het dorp ingedreven en ieder kamp heeft een paar koeien kunnen ruilen. De Portugezen eten eerst hun koeien op en lenen een halve koe van de slaven, waarbij zij beloven deze te zullen teruggeven als zij weer vee hebben kunnen ruilen. Als de inheemsen meer vee aanvoeren om te ruilen, geven de Portugezen de helft van een kalf en niet van een volwassen koe aan de slaven terug. Deze nemen daarmee geen genoegen en zij vragen de Portugezen een volwassen dier te slachten en daarvan de helft aan hen te geven. De Portugezen weigeren dit, zeggende dat er in dat geval meer vlees zal zijn dan gegeten kan worden en dat er kostbaar voedsel zal bederven voordat het kan worden gegeten. Om hun betoog te onderstrepen, slaat een van de Portugezen een slaaf in het gezicht. Gedurende de daaropvolgende nacht sluipen er enige slaven naar het Portugese kamp en doden met een assegaai de man die de klap heeft gegeven. Ofschoon de twee slaven zweren dat zij part noch deel hebben gehad aan wat zij hebben verteld, laat de capitão hen toch ophangen. De andere morgen zijn hun lichamen verdwenen; zij blijken te zijn opgegeten door de andere slaven en enkele Portugezen.

De volgende man die door Pedro de Moraes wordt opgehangen – een jeugdige Portugees die van de voorraad voedsel heeft gestolen – wordt begraven om verdere daden van kannibalisme te voorkomen. Gekweld door de honger, de bruutheid van hun capitão en de rondzwervende benden kafirs, trekken de ellendigen verder. Op 3 februari ontvangen zij wat gierst en zes geiten en opnieuw maakt het consumeren van een overvloed aan voedsel diverse mensen ziek. Iedere dag blijven een of twee Portugezen die niet meer kunnen volgen achter, soms bij een neger of Javaanse overlevende van een eerdere schipbreuk die in Afrika is blijven wonen, liever dan bij zijn meesters te blijven. De overlevenden hebben behoefte aan een ervaren gids en zij trachten deze voormalige dienaren te overreden of te dwingen als padvinders en tolken voor hen op te treden, maar het antwoord is altijd nee. Een man uit Malabar die christen is wordt verteld dat hij met de Portugezen zou kunnen terugkeren en dat hij er zeker van kan zijn dat hij daarmee zijn ziel redt. Zijn antwoord luidt dat het er niet toe doet waar hij is; God zal zijn ziel gedenken omdat hij een christen is. Het aantal doden stijgt, op een dag komen negen mensen van honger en kou om. Rond 1 april bereikt de groep Lourenço Marques om te ontdekken dat er al twee jaren geen schip uit Sofala is geweest om ivoor en amber op te halen en dat er geen enkele aanwijzing is dat er spoedig een schip kan worden verwacht. Er zit niets anders op dan verder naar het noorden, richting Sofala te trekken. Een kleine groep mannen en vrouwen kan niet meer verder en kiest ervoor in Lourenço Marques te blijven, onder de twijfelachtige bescherming van de plaatselijke koning, wiens voorgangers Manuel de Sousa Sepúlveda en de overlevenden van diverse andere schipbreuken hebben geterroriseerd. Onder degenen die achterblijven bevindt zich Dona Ursula, “een prachtige jonge vrouw, lichter en blonder dan een Vlaamse”, die standvastig heeft geleden onder duizend voorafgaande kwellingen om nu uiteindelijk haar leven te beëindigen op een door koorts geplaagde modderbank. Haar landgenoten nemen haar jongste zoon met zich mee, zodat de prachtige familie Cardoso de Melo niet helemaal zal verdwijnen in het zand van Afrika.

Korte tijd nadat de schipbreukelingen Lourenço Marques hebben verlaten, sterft Pedro de Moraes Sarmiento en Vaz Dalmada wordt tot capitão van het slinkende aantal overlevenden gekozen. De nieuwe leider toont meer verstand te hebben van organisatie dan zijn voorganger. Zich realiserend dat medewerking slechts het resultaat kan zijn van eerlijk optreden en begrip voor de rest van de deelnemers aan de overlevingstocht, verdeelt Vaz Dalmada de verantwoordelijkheden tussen een aantal mannen. Hij verordonneert dat slaven eerlijk behandeld dienen te worden en hij maakt regels die leiden tot een meer gelijkmatige verdeling van voedsel dat men verwerft. Hij stelt ook voor dat die gedeelten van het land waar de inheemsen de voorttrekkende Portugezen bedreigen ’s nacht over het strand zullen worden gepasseerd, zodat het tij de achtergelaten sporen uitwist.

Maar de overlevenden zijn nog maar enkele dagen onder hun nieuwe capitão verder getrokken, als op een avond een aanzienlijke groep negers het strand waar zij langs trekken blokkeert. De inheemsen laten de achterblijvers weten dat zij tijdens de nacht niet door het land mogen trekken; een standpunt dat door de capitão met verve van de hand wordt gewezen met de woorden: “de Portugezen hebben van niemand toestemming nodig om waar dan ook naar toe te gaan.” Deze trotse uitspraak steekt helaas geen hart onder de riem van Vaz Dalmada’s metgezellen. Er ontstaat onder hen een discussie over wat verstandiger is, de blokkade in het donker passeren, wat de capitão voorstelt, zodat de inheemsen niet kunnen zien met hoe weinigen de Portugezen zijn en hoe zwak zij zijn, of wachten tot de volgende morgen, zodat zij de bewegingen van hun tegenstanders kunnen zien. Vaz Dalmada wordt geheel overstemd en de Portugezen slaan hun tenten op aan het strand. De volgende morgen vindt een hevig gevecht plaats van meer dan duizend naakte inheemsen, die hun tegenstanders, een verzwakte groep Portugezen en de slaven die nog bij hen zijn, verre in aantal overtreffen. Wonder boven wonder sneuvelen maar enkele Portugezen Vaz Dalmada loopt echter wijf wonden op, van zijn voorhoofd tot aan zijn knieën; sommige wonden blijven twaalf dagen bloeden, totdat een vriendelijke zwarte de speerpunten uit de wonden trekt.

De naakte en aangeslagen overlevenden van de slag hergroeperen zich en wankelen naar Ponta da Barra, op ongeveer 24  ZB, waar zij door enige zwarten, die op goede voet verkeren met Lusitaanse handelaren, vriendelijk worden ontvangen. Capitão Francisco Vaz Dalmada neemt afscheid van zijn landgenoten om met inheemse gidsen zo snel mogelijk naar Sofala te reizen, om daar een vaartuig te verkrijgen dat zijn metgezellen kan komen ophalen. Bij het fort van Sofala aangekomen, zendt Vaz Dalmada een van de gidsen met een boodschap naar binnen. Hij vraagt daarin om een hemd en een broek, zodat hij zijn vrienden niet naakt onder de ogen behoeft te komen. Op 15 augustus wordt er een vaartuig langs de kust naar het zuiden gezonden om de groep overlevenden in Ponta da Barra op te pikken. Uiteindelijk bereiken 32 Portugezen Sofala; het aantal geredde slaven wordt niet in het verslag vermeld. Voordat de kleine groep passage boekt naar Moçambique, vermindert het aantal verder; een man wordt om onbekende redenen vermoord; een ander begaat een diefstal en vlucht de wildernis in om te voorkomen dat hij gearresteerd wordt; een derde man valt in de haven en verdrinkt. De rest van de groep komt veilig in Moçambique aan, waar zij hun eed inlossen. Zij gaan rechtstreeks van het schip in processie naar de kerk van Nossa Senhora da Baluarte.

De auteur Francisco Vaz Dalmada was een edelman en soldaat, die vele jaren in de Oost heeft doorgebracht. Halverwege de mars noordwaarts wordt hij tot capitão van de schipbreukelingen gekozen. Hij beveelt dat de slaven beloond dienen te worden voor hun hulp aan de Portugezen bij verschillende taken. Hij legt uit dat het zaak is de slaven niet meer als zodanig te beschouwen en te behandelen en hij verklaart dat dit het beste middel is om te voorkomen dat zij zich bij de kafirs aansluiten. Hij weet ook door zijn standvastigheid en moed enige van zijn metgezellen in veiligheid te brengen. Het verhaal is voor het eerst in 1625 in Lissabon gepubliceerd door Pedro Craesbeeck.

De Conceição (1621)

Dit schip verlaat Goa op 1 maart 1621. Al vroeg na het vertrek overlijdt de stuurman en de kapitein vindt bij een incident de dood. De pech leidt ertoe dat er nog minder samenwerking tussen de officieren van de Carreira da India is dan gebruikelijk. Het schip heeft 44 dagen nodig om de Kaap te passeren en het lukt tenslotte om bij hoge zeeën en grote stroming, en zonder zeilen, de Kaap te ronden. De officieren steunen in verrassende eensgezindheid allen het voorstel van de kapitein Sint Helena aan te doen voor het innemen van vers water. De beslissing wordt hevig bekritiseerd door Dom Luís de Sousa, die het niet kan laten zich te mengen in het bestuur van het schip. De kans op het ontstaan van twee partijen doet zich met name voor indien zich onder de passagiers een edelman bevindt die zich gaarne met de gang van zaken aan boord bemoeit en de kapitein niet van adel is. De officieren zitten dan met een loyaliteitsprobleem; zij komen klem te zitten tussen de edelman en hun kapitein. Soms loopt de situatie zozeer uit de hand dat het schip moet terugkeren, of zelfs verloren gaat. Zijn interventie doet spervuur van gekibbel ontstaan. Zulk soort geschillen leidt ertoe dat er van de ene dag op de andere twee kampen op een schip ontstaan, wat voortdurende onrust en onplezierige toestanden geeft. Als het schip van Sint Helena vertrekt, springt een helderziende kluizenaar overboord. Als hij met geweld wordt teruggebracht laat hij degenen die hem hebben overmeesterd weten dat hij niet aan boord van de Conceição wil zijn als het schip zinkt. De kluizenaar ontsnapt opnieuw van het schip op het eiland Terceira en hij wordt niet door zijn medeopvarenden gevonden. Velen van hen zullen omkomen in de strijd met Moorse piraten. De schepen die uit Lissabon zijn uitgestuurd om de koopvaarder veilig naar de Taag te begeleiden, worden overvallen door windstilte voordat zij contact met de Conceição hebben gemaakt. Het schip wordt daardoor een prooi van een vloot Marokkaanse vaartuigen. Het levert in het zicht van de haven van Lissabon twee dagen een gevecht met de Marokkaanse vloot. De Portugees raakt in brand omdat de gemakkelijk ontvlambare deklast vlam vat. De overlevenden worden naar Algiers gebracht om te worden verkocht. Er zullen niet meer dan vijftien man levend uit de Algerijnse gevangenschap terugkeren. Uit het verhaal blijkt overigens dat de Moorse piraten minder wreed zijn dan Europese christenen – en wellicht zou hun wreedheid nog minder zijn geweest als de kapitein van de Conceição niet in koelen bloede een van hun leiders, die eerder in de strijd was gevangengenomen, zou hebben gedood. Deze daad wordt door de verteller van het verhaal als pure moord beschouwd – maar de laatste scènes op het schip zijn een bloedige chaos. Op de dekken staan kisten met specerijen en kleding, die in de hitte van de strijd bedekt raken met kruit en vlamvatten. De Portugezen springen in zee, enigen van hen met brandende kleding, of in de boten van de moren, die hen ongastvrij weer eruit gooien. In de verwarring van de laatste momenten van de strijd stort de gehele Portugese sociale structuur ineen en er ontstaat een klasseloze maatschappij, waarin ieder afzonderlijk tracht te overleven. Het verhaal is afkomstig van João Carvalho Mascarenhas; het wordt in 1627 voor het eerst gedrukt in Lissabon door António Álvares.

De Nossa Senhora do Bom Despacho (1630)

Dit schip vertrekt op 4 maart 1630 uit Goa naar Lissabon, ondanks dat het schip onmiskenbaar overladen is. De opdracht het schip meer lading mee te geven dan is verantwoord, is mogelijk het gevolg van gepikeerdheid van de onderkoning over het verlaten van de vlag door de Nossa Senhora do Bom Despacho, nadat de vloot Moçambique had verlaten. Omdat het schip zo laat in het seizoen uit Goa is uitgezeild, zal het vijf maanden lang aan de zuidkust van Afrika tegen de stormen moeten optornen. Maar de reis begint voorspoedig. Al op 21 maart wordt de evenaar gepasseerd. De eerste storm woedt op 17 en 18 april en kort daarna staat 13 centimeter water in het ruim. Als op 8 mei de boegspriet in tweeën breekt, suggereren verschillende officieren kapitein Francisco de Melo terug te keren naar de kust van Moçambique. Tijdens een andere zware storm stijgt het water in het ruim op 23 mei, bij 21  ZB tot 23 cm. Het is dan noodzakelijk enige lading in zee te gooien, hoewel de slagzij naar bakboord hierdoor niet vermindert. En als het water in het ruim snel verder stijgt, barst de opgezwollen peper uit de containers en geraken de pompen verstopt. De kapitein geeft enige officieren direct het bevel het schip te inspecteren en zij bevelen het in de dichtstbijzijnde haven te doen binnenlopen, hoe eerder hoe beter. De kapitein verklaart publiekelijk dat hun aanbeveling verstandig is, maar omdat hij al zo dicht bij de Kaap is, geeft hij er de voorkeur aan deze te ronden en slechts terug te keren als dit niet zou lukken. De volgende dag, 24 mei, zijn de voorraden asfalt, lood en kaarsen uitgeput en andere voorraden dienen te worden geleend van een zusterschip, de São Gonçalo. De auteur van het verhaal prijst de bewonderenswaardige houding van de loods, die “tijdens al deze gevaren nimmer zijn plaats heeft verlaten, ondanks de regen en de koude.” Hij prijst ook vijf soldaten die een grote bijdrage leveren aan de redding van het schip. Hier staat tegenover de zelfzuchtige houding van de matrozen. Zij verzamelen wapens, om zich daarmee zonodig een plaats in de reddingsboot te kunnen bevechten. Vaak vormen in tijden van nood de gewone zeelieden kleine groepjes die op eigen redding uit zijn. Op 12 juni krijgt de wind op 35  ZB de kracht van een orkaan. En door het over het dek slaan van de golven stijgt het water in het ruim tot boven een halve meter. De volgende dag is de situatie zo hopeloos dat er plannen worden gemaakt om het schip in de dichtstbijzijnde haven aan de grond te zetten. Onderwijl wordt er voortdurend lading in zee gegooid en de zes pompen worden 24 uur per dag aan de praat gehouden. Op de morgen van 14 juni blijken de opvarenden van de Nossa Senhora do Bom Despacho zich alleen op de kolkende zee te bevinden; de andere schepen van de vloot blijken te zijn verdwenen. De auteur van het verhaal merkt hierover het volgende ironisch op: “De reden waarom zij ons alleen hebben gelaten moet wel zeer dringend zijn geweest, anders zou men een dergelijke weinig humane handelwijze niet van de Portugese natie verwachten.” De kapitein, die gedurende de gehele periode nooit het dek verlaat, bovenop een paar kratten slaapt en – als een gewone zeeman – de hand aan de pomp slaat, tracht de passagiers op te beuren, maar dat heeft niet veel succes. Onder de vrouwen vergiet menigeen veel tranen en zij richten hun blikken voortdurend naar de hemel en er heerst een dergelijk grote en totale verwarring, dat de mannen bang zijn slecht nieuws aan elkaar door te vertellen. En uit het nieuws dat wordt doorverteld blijkt dat iedereen zich gelukkig prijst als hij erin slaagt te bereiken dat hij in het zand aan het strand zou kunnen worden begraven.

Als het schip op 24 juni niet meer dan tien léguas ten oosten van Cabo da Boa Esperança is, steekt weer een zware storm op en is kapitein Francisco de Melo genoodzaakt zijn schip in een smalle baai te doen schuilen. Er wordt water ingenomen en de grootste gaten worden provisorisch gedicht. Vijf dagen later teistert een nieuwe storm het schip en blijvende verandering in de golfslag doen de officieren de kapitein aanbevelen overstag te gaan. Als deze manoeuvre wordt uitgevoerd tillen drie torenhoge golven de hoofdmast op en slaan alle daaraan verbonden zeilen weg, wat de Bom Despacho dreigt te doen vollopen. Het is op dit moment dat de auteur God ernstig vraagt nooit meer toe te staan dat christenen, in het bijzonder Portugese christenen, zulke zware beproevingen moeten ondergaan. Van de mannen die zich aan dek bevinden – veel meer mannen schuilen benedendeks voor de golven die over het schip slaan – blijft niet een ongekwetst. Bij het ochtendgloren wordt een groot kruisbeeld aan de mast bevestigd en de gehele bemanning knielt ervoor neer om Gods erbarming af te smeken. Tijdens de volgende uren luwt de storm voldoende om de kapitein de gelegenheid te geven een onderzoek in te stellen naar de laffe zeelieden die hun plichten tijdens de afgelopen nacht verwaarloosd hebben. Francisco de Melo tiert dat hij ten minste twee van hen zal laten ophangen, als voorbeeld voor de rest, maar zowel de passagiers als de andere officieren weigeren de identiteit van de boosdoeners te onthullen. Het ontbreekt de kapitein aan tijd om de zaak onder druk te zetten, want de Bom Despacho is er slecht aan toe en het is noodzakelijk een andere beschermde haven te vinden, waar het schip kan worden opgeknapt. Gedurende de gehele tijd dat de Bom Despacho een ramp boven het hoofd hangt, gaan er stemmen op de reis niet voort te zetten. Enige zijn afkomstig van de officieren op het schip, andere komen van priesters, die optreden namens andere passagiers. Velen bepleiten het schip ergens aan de grond te zetten en de kans te grijpen uit de handen te blijven van de Hollanders, die pas een kolonie aan de Kaap hebben gesticht. Men wil ook voorkomen in handen te vallen van negerstammen. Francisco de Melo wijst alle klachten en voorstellen met beslistheid van de hand.

De anderen putten moed uit de besluitvaardigheid van de kapitein. De edelen aan boord tonen zich ongewoon vrijgevig door hun voorraad drinkwater te willen delen met degenen wier voorraad is uitgeput of verloren gegaan. De vrouwen aan boord, met inbegrip van de adellijke dames, beginnen aandacht te schenken aan de zieken en aan het verzamelen van geteerde vezels om de bereikbare lekken in het schip te dichten. Verschillende officieren voelen zich zodanig opgebeurd dat zij hun vroegere twisten hervatten. Een officier voelt zich verplicht naar de kapitein te gaan met het verzoek een collega te doen ophouden met fluiten. Iedereen aan boord, evenwel, is voorbereid op wat onontkoombaar lijkt en er wordt voortdurend biechtgehoord, maar op 10 juli, rondt het schip, na vele vergeefse pogingen, eindelijk de Kaap met als enig incident een klein brandje aan boord.

Twee dagen later wordt de Bom Despacho overvallen door een andere storm en spoedig maakt het schip bijna een halve meter water. Er ontstaat een nieuw gevaar als versplinterd hout en vaten in het ruim de toegangen tot het ruim langdurig blokkeren, waardoor verhinderd wordt dat zonodig nog meer lading overboord wordt gegooid of de pompen kunnen worden bereikt om de waterhoogte in het ruim binnen aanvaardbare perken te houden. Gedurende de storm verlaten noch de kapitein, noch een van de andere officieren het dek en de priesters aan boord schenken getrouw aandacht aan de zieken en gewonden. De meeste kaneel is overboord gezet en van dat wat nog aan boord is verdeeld de kapitein het hem toekomende deel onder alle gewone zeelieden, om hen te bedanken voor hun trouwe diensten. Er hebben geen andere incidenten of belangrijke gebeurtenissen plaats als het schip zijn reis naar Luanda voortzet, behalve dat het hoofdzeil op het dek valt. Wonder boven wonder raakt niemand hierbij gewond. Als de zee kalm is vinden de passagiers en matrozen afleiding door te kijken naar vogels die het water induiken en met een vis in hun bek weer te voorschijn komen. Ook amuseren zij zich als zij aan de horizon enorme waterfonteinen zien spuiten. De Nossa Senhora do Bom Despacho is zo beschadigd dat het maar moeizaam Luanda, waar reparaties kunnen worden uitgevoerd, bereikt. Het schip arriveert op 5 augustus in Luanda. Als het daar aanlegt, stroomt het volk naar de haven om het te bekijken. En het is verbaasd dat een schip van deze afmetingen naar Indië vaart, want het is een van de grootste schepen die ooit de zeeën bevaren heeft. Er is opnieuw kritiek op de matrozen, die aan land niet meer luisteren naar de bevelen van de kapitein en zijn officieren.

De Nossa Senhora do Bom Despacho wordt in Luanda gelost en het ontvangt daar een querena italiana en wordt ook anderszins op de gebruikelijke provisorische wijze opgelapt. De kapitein houdt persoonlijk toezicht op alle uitgevoerde reparaties aan zijn schip en hij prijst zichzelf gelukkig dat hij de rest van zijn reis kan afleggen met een redelijk veilig schip. Precies acht maanden na aankomst zeilt de opgekalefaterde Bom Despacho uit Luanda weg. Kennelijk zijn niet alle lekken gedicht, want onderweg zijn de pompen dag en nacht in bedrijf. Als het schip, na een zeer moeizame reis, tenslotte op 4 juli 1631 in de haven van Lissabon aankomt, zijn de opvarenden dankbaar dat hen nieuwe stormen op de Atlantische Oceaan, die het schip ongetwijfeld hadden doen schipbreuk lijden, bespaard zijn gebleven. De havenautoriteiten die het schip inspecteren zweren dat zij nog nooit een schip in Lissabon hebben zien aankomen dat zozeer is toegetakeld. Uit de feiten opgesomd in het verhaal en uit de verspreide opmerkingen van de auteur, padre Nuno da Conceição, blijkt duidelijk dat de onwankelbare plichtsbetrachting van kapitein Francisco de Melo het schip naar zijn bestemming heeft gebracht. Zijn beslissing niet toe te geven aan de druk van de bemanning, de officieren en de edelen toen het schip in het grootste gevaar leek te verkeren, en zijn talent om tezelfdertijd de steun van bijna iedereen aan boord te behouden, zijn een bewijs voor het heroïsche karakter dat maar zelden een rol speelt in de pagina’s van de História trágico-maritíma. Het door Nuno da Conceição aan de hand van de roteiro van de stuurman geschreven verhaal is voor het eerst in 1631 door Pedro Craesbeeck uitgegeven.

Aan dek van de Nossa Senhora de Bom Despacho is in 1628, dus tijdens een eerdere reis, een autodafe gehouden, toen het schip op weg was naar Indië, de enige zitting van de inquisitie die ooit aan boord van een schip heeft plaatsgevonden. Aanleiding is het aanhouden van de edelman Francisco Pereira Pinto bij het bedrijven van een daad van sodomie. Hij wordt door de nieuwe vice-rei, Dom Francisco Mascarenhas, ter dood veroordeeld en vrijwel direct ter plaatse geëxecuteerd. Op welke wijze dit is gebeurd, is niet zeker. De gebruikelijke wijze van voltrekking van het vonnis van de inquisitie, door de veroordeelde op de brandstapel ter dood te brengen, zal wegens brandgevaar aan boord van het schip hoogstwaarschijnlijk achterwege zijn gebleven. Waarschijnlijker is dat besloten is tot een wijze van voltrekking van het doodvonnis die minder risico oplevert. De ongelukkige is waarschijnlijk voor de loop van een kanon gebonden en aan flarden geschoten.

De Nossa Senhora de Belém (1635)

“Het mooiste en best gebouwde en het grootste schip, dat ooit voor de Carreira da India is gebouwd vertrekt op 4 februari 1635 uit Goa. ” Bijzonder is dat het schip niet overladen is, zoals bij de meeste andere schepen op de Carreira da India het geval is. Zodra de ankers worden gelicht keert het schip zijn voorsteven niet naar de open zee, maar naar het land, hetgeen Gods manier is om de mensen aan boord te vertellen dat het schip een ongelukkig einde te wachten staat. Lange tijd zijn onverklaarbare voorvallen opgevat als een stille voorspelling van toekomstige gebeurtenissen. De auteur van het verhaal blijkt zich bewust te zijn van de problemen van een te zeer zuidelijke passage van de Kaap. Hij schrijft: “Bij een passage op zulk een zuidelijke breedte en zo ver in de open zee, is het gevaar altijd groter en de remedies zijn moeilijker”; dichter bij het land vinden de schepen meer bescherming en in april en mei (omdat de winden oostelijk en noordoostelijk zijn) is het beter de kust van de Kaap te naderen bij 30 of 33 graden, en, met het oog op stormen, niet heel ver in zee te zeilen. Na mei verandert de wind en de taak langs de steile en stormachtige voorgebergten in de open oceaan te zeilen, is haast onmogelijk voor een schip dat laat uit Indië is vertrokken.

De auteur laat weten:“Het schip loopt een groot lek op aan de kust van Afrika op 32 ZB, waardoor het na drie uren aan de grond loopt. In de drie uren dat het lekgeslagen schip nog zeilt, ontstaat er aan boord een wilde discussie over de situatie waarin men verkeert. De meerderheid van de mensen aan boord is van oordeel dat het schip het beste aan de grond kan worden gezet uit vrees dat het onder hen weg zal zinken.” De kapitein schrijft het hiermee niet eens te zijn; hij geeft bevel een anker uit te gooien. Ondertussen blijven enige opvarenden maar roepen dat ze zonder twijfel met zijn allen zullen verdrinken, tenzij het schip aan de grond loopt. Anderen beweren dat het ankertouw zal breken en dat het schip op de kust geworpen zal worden. Kapitein Cabreira slaagt er met behulp van een overlevende van de São João Baptista in het merendeel van de overlevenden ervan te overtuigen dat het ondernemen van een voettocht naar het noorden vrijwel gelijkstaat aan zelfmoord. Als het merendeel van de schipbreukelingen zich bij het standpunt van Cabreira aansluit, komt er een opmerkelijke geest van samenwerking over hen. Cabreira en een andere Portugees betogen dat “onze schipbreuk verschilt in ieder opzicht van andere scheepsrampen, omdat onder de overlevenden van de Nossa Senhora de Belém slechts vriendschap en harmonie leeft.” Het struikgewas rond het kamp wordt verwijderd, zodat de Portugezen niet plotseling kunnen worden overvallen door de inheemsen; er wordt een kerk gebouwd en een boerderij opgezet voor de koeien die zij hebben geruild en voor de zaden die zij hebben geplant. Cabreira laat zich lovend uit over het landschap; hij spreekt over een gematigd klimaat in het gebied waar zijn schip is gestrand, waardoor de schipbreukelingen weer snel op krachten komen. Uit veel andere beschrijvingen blijkt echter dat grote delen van het land uit een onvruchtbare woestenij bestaan. De kustregio ten zuiden van Lourenço Marques is dor en spaarzaam bevolkt, met nu en dan een dorpje van een nomadenstam. Er groeit maar weinig graan om de honger te stillen van overlevenden van scheepsrampen. Er meldt zich een neger afkomstig van de São João Baptista, die de schipbreukelingen komt begroeten. Hij geeft voor behulpzaam te zijn, maar later wordt ontdekt dat hij zaken heeft gestolen die uit de Nossa Senhora de Belém zijn gered. Een neger afkomstig van het laatste schip, heeft uit de schipbreuk voordeel behaald; hij weet namelijk te ontsnappen. Hij wordt daarom niet uitgenodigd per schip mee te gaan naar Angola. Aanvankelijk is de relatie tussen de Portugezen onder kapitein Cabreira en de zwarten in de omgeving van het kamp goed. Cabreira wordt zelfs de functie van regenmaker aangeboden, maar dan doet zich een incident voor, waardoor de relatie radicaal verandert. Een kafir die tracht een groot stuk hout met spijkers van het strand weg te slepen, wordt in zijn been geschoten door een paar oplettende Portugese zeelieden die het voorval zien. Cabreira tracht de opwinding die over het gebeurde onder de zwarten ontstaat te sussen door het gekwetste been te verbinden en de man naar zijn stam terug te sturen. De zwarten die tot nu toe vrijgevig en behulpzaam zijn geweest, kunnen de humane daad van Cabreira in het geheel niet waarderen en de verhouding tussen de schipbreukelingen en de zwarten verkoeld zeer. De Portugezen gaan eensgezind verder met het bouwen van twee kleine schepen van het sloophout van de Nossa Senhora de Belém. Na zes maanden zijn de scheepjes klaar. Op 20 januari 1636 nemen zij afscheid van hun tijdelijke woonplaats en terwijl de overlevenden kapitein Cabreira luidkeels toejuichen, steken de vaartuigen in zee. Maar als de twee scheepjes de volgende dag al terechtkomen in het gebied van de gebruikelijke stormen aan Cabo da Boa Esperança, verandert de stemming drastisch en Cabreira beklaagt zich bitter: “de schuld voor al deze moeilijkheden ligt bij mij, dat ik niet over land heb willen trekken, wordt mij thans verweten. Dit maakt mij ziek, omdat zelfs de priesters mij op de zaak aanspreken.” Ondanks dat de opvarenden tijdens de overtocht naar Angola de nodige ontberingen lijden, komen zij na een reis van 48 dagen in Luanda aan.

Het zeer wijdlopige en soms verwarrende verhaal is geschreven door kapitein Joseph de Cabreira, die zeer trots is op zijn prestatie. Het verhaal is voor het eerst gedrukt in 1636 en uitgegeven door Lourenço Craesbeeck

1 Zie deel XV, pag. 188 e.v.

Portugese avonturiers in de de Golf van Bengalen

Categorieën
Britse kolonialisme Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

Pedro da Silva en António Telles de Menezes (1627-1640). De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640

Deel 17 Index

Hoofdstuk 1.

De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640

1.3. Pedro da Silva en António Telles de Menezes (1627-1640)

Geschreven door Arnold van Wickeren

Op 12 april 1635 vertrekken twee naus uit Lissabon naar Indië. Aan boord van de Nossa Senhora da Saúde van capitão-mor António Telles de Menezes, bevindt zich de nieuwe vice-rei Pedro da Silva die de graaf van Linhares als vice-rei van de Estado da India is opgevolgd. De andere nau is de Santa Catarina de Ribamar, onder bevel van kapitein Luís de Castanheda de Vasconcellos. De beide naus arriveren tegen het einde van het jaar in Goa, waarop de graaf van Linhares direct de regering over Portugees Indië aan zijn opvolger overdraagt en zich inscheept op de Nossa Senhora da Saúde voor zijn reis naar huis. De Santa Catarina de Ribamar lijdt schipbreuk in het zicht van de haven; het slaat kapot tegen de rotsen van Cabo da Roca. De graaf van Linhares zeilt met de Nossa Senhora da Saúde naar Málaga, waar vele bemanningleden overlijden, veel lading wordt verspild en het schip zelf in stukken uit elkaar breekt. Van Málaga reist de graaf van Linhares naar Madrid, waar hij rijke geschenken aanbiedt aan de koning en de koningin. Aanvankelijk is hij met veel eerbetoon ontvangen, maar later wordt hij, evenals enige van zijn voorgangers, het slachtoffer van jaloezie en intrige en, als beloning voor zijn diensten in Indië, wordt hij veroordeeld tot gevangenschap voor bepaalde hem aangewreven delicten.

Pedro da Silva schijnt het te hebben ontbroken aan veel kwaliteiten die noodzakelijk zijn voor een gouverneur van Indië, Hij is van nature veel te gemakkelijk in het treffen van beschikkingen; als gevolg hiervan ontvangt hij de bijnaam ‘mole’, wat in het Portugees ‘week’ betekent. Hij schijnt zich bewust te zijn geweest van zijn ongeschiktheid voor de positie van onderkoning, want men heeft hem vaak horen verzuchten: “God vergeef degenen die mij hebben genoemd voor dit ambt, waarvoor ik niet geschikt ben.” Zijn benoeming is daarom ongelukkig geweest en al helemaal als we in aanmerking nemen met welke moeilijkheden de ‘onderkoning tegen wil en dank’ spoedig zal worden geconfronteerd.

De Hollanders, die aanvankelijk hun handel beperkten tot Java en de ten oosten daarvan gelegen eilanden, beginnen hoe langer hoe meer belangstelling te krijgen voor de Portugese bezittingen in Voor-Indië. Dit is vooral het geval nadat Anthonio van Diemen gouverneur-generaal Hendrik Brouwer (1632-1636) op 1 januari 1636 is opgevolgd. Onder Brouwer heeft de VOC veel afbreuk gedaan aan de Portugese handelsvaart, maar militair heeft Brouwer nauwelijks vorderingen gemaakt. Anthonio van Diemen (1636-1645) zal blijken een agressieve vechtersbaas te zijn, die zich ten doel stelt Ceylon, Malacca en zo mogelijk zelfs Goa op de Portugezen te veroveren. De eerste stad die zij aanvallen is São Tomé de Meliapor, waarvan zij de haven blokkeren en alle vaartuigen nemen die de haven willen aandoen of verlaten. Deze, eens de welvarendste stad van Voor-Indië, ziet door het Hollandse optreden zowel haar handel als haar bevolking teruglopen.

In 1635 ontmoeten twee Hollandse schepen in het noorden de Portugese vloot, die door de hevige wind enigszins uit elkaar geslagen is. De Hollanders maken dankzij de wind die in hun voordeel waait twee Portugese vaartuigen buit. In 1636 klaagt de onderkoning in een brief aan Lissabon dat de handel geheel in handen is gevallen van de Hollanders en dat, terwijl Indië het rijkste juweel aan de Portugese Kroon was, al haar forten verkeren in een staat van verval.

Ongeveer in die tijd (1636) biedt Venkata III, koning van Vijayanagar, de Portugezen aan het fort van Trevanampatinam aan hen over te dragen dan wel te verwoesten. Dit fort is door de koning van Maleisië gebouwd voor de Hollanders. Naar aanleiding van dit aanbod merkt Filipe III, koning van Portugal, op dat bovenal voorrang zal moeten worden gegeven aan het verdrijven van de Hollanders van de kust van Coromandel.

In maart 1636 zeilt capitão-mor António Telles de Menezes met zes galeões uit naar het noorden, in de verwachting dertien Hollandse schepen aan te treffen in de buurt van Surat. Een storm drijft zijn schepen terug naar Bombay en de vijand vermijdt een treffen door de haven van Dabul binnen te lopen. Van Bombay keert António Telles terug naar Goa en, terwijl hij zijn ankers uitwerpt op de rede van die haven, krijgt hij vier Nederlandse schepen in het zicht. Hij zeilt direct weer uit om zich met de vijand te meten. De vloten leveren twee dagen slag, waarna de Nederlandse schepen wegzeilen. Korte tijd later (begin november) komt een Nederlandse vloot van tien schepen op de Portugese schepen af, maar omdat de ongelijke krachtsver-houding António Telles te groot voorkomt, gaat hij een slag uit de weg en zoekt dekking in de haven van Goa. António Telles de Menezes schijnt verschillende maanden niet actief te zijn geweest, want eerst op 21 januari 1637 vernemen we over hem. Nadat hij door de Hollanders is uitgemaakt voor lafaard die bang is met hen de strijd aan te binden, vaart hij uit voor een ontmoeting met de Nederlandse vloot. Na een schotenwisseling van acht uren, zeilen de Nederlandse schepen weg, nadat zij naar het schijnt de nodige schade hebben opgelopen van de Portugese kanonnen. De twee vloten ontmoeten elkaar weer op 11 februari, wanneer 24 Portugese vaartuigen de vijandelijke vloot aanvallen, maar er vindt wederom geen beslissende actie plaats, ofschoon de Portugese schepen meester van het slagveld blijven en de Nederlandse schepen, evenals eerst, het gevecht afbreken. Van Diemen besluit door een blokkade van de haven van Goa de Portugezen zoveel mogelijk afbreuk te doen. De moessonwinden staan slechts een blokkade toe gedurende de maanden oktober tot half april. De Hollanders blijven met tien schepen voor Goa liggen en zij blokkeren de haven tot half april. Zij genieten daarbij het voordeel dat de sultan hun toestaat voedsel en water te betrekken in zijn havens, dus vlak bij Goa. Een ander voordeel voor de VOC is dat de schepen van de blokkadevloot buiten het bereik van de vele kustbatterijen van de forten bij Goa kunnen ankeren. De VOC-schepen behoeven dus niet voortdurend heen en weer te zeilen, wat niet wil zeggen dat de gehele blokkadevloot telkens een halfjaar lang voor Goa voor anker ligt. Sommige schepen verlaten tijdelijk het verband voor het uitvoeren van een handelsmissie, naar bijvoorbeeld Surat of Perzië. Ook wordt de blokkade soms onderbroken of met minder schepen voortgezet, omdat de vloot beter kan worden ingezet bij Ceylon. Zelfs als er veel VOC-schepen voor Goa voor anker liggen, dan wil dat nog niet zeggen dat de blokkade volledig is. Vooral de eerste jaren van de blokkade beschikken de Portugezen in Goa – zoals we zagen – over zoveel schepen, waaronder de grote veelal zwaar bewapende galeões, dat een massale uitbraak mogelijk is. Bovendien kunnen kleinere schepen, onder bescherming van de duisternis en dicht langs de kust varend, de haven van Goa, ongehinderd door de blokkade-vloot verlaten of daarin terugkeren. Gedurende de drie maanden dat de blokkade duurt, slagen de Hollanders er niet in ook maar een enkel Portugees schip te nemen. Zij maken slechts een vaartuig buit dat van een Portugese moor is. Bij de bespreking van de verschillende blokkades van Goa dient de lezer de geschetste omstandigheden in gedachten te houden.

Tijdens de eerste blokkade van 1636/1637 is driemaal een sterk Portugees eskader uitgevaren. De eerste maal, begin november, hebben beide partijen de strijd gemeden. Als in januari weer een eskader uitvaart, komt het – zoals we eerder zagen – tot een gevecht. De beide vloten vuren tegen de duizend schoten op elkaar af, waarvan verreweg de meeste geen doel treffen, of slechts de zeilen en de tuigage beschadigen. Twee galeões worden evenwel zwaar beschadigd, maar door het ongecoördineerde optreden van de Hollandse vloot weet deze geen duidelijke overwinning te behalen. De derde uitval, in februari, heeft door te weinig wind nauwelijks tot een treffen geleid. Na afloop van de blokkade zenden de Nederlanders een ambassadeur naar de Adil Khan om zijn steun te vragen bij het verdrijven van de Portugezen uit Goa en tegelijkertijd om toestemming te vragen een fort in Vingurla te mogen bouwen. Dit laatste verzoek wordt toegestaan en de Hollanders laten mensen achter die een factorij opzetten. De toestemming zich in Vingurla te vestigen schijnt echter korte tijd later te zijn ingetrokken. De Hollanders zenden ook een ambassadeur naar de Grootmogol om zijn hulp te vragen bij het verdrijven van de Portugezen. Na het sluiten van de wapenstilstand gaan de in Surat verblijvende Portugezen en Engelsen in de beste verstandhouding met elkaar om en zij maken de afspraak dat het de Engelsen is toegestaan, zonder dat de Portugezen hun daarbij een strobreed in de weg leggen, peper van de inheemsen te kopen. Een ander gevolg van het verdrag tussen Engelsen en Portugezen wordt duidelijk als in de haven van Goa arriveren captain Weddel en Nathaniel Mounteney van Courten’s Association, een in de jaren 1635-1650 met de EIC rivaliserende onderneming, gevestigd op het eiland Assuda bij Madagascar. Zij hebben een halssnoer en een medaillon als geschenken bij zich voor vice-rei Pedro da Silva. Deze, niet wetend dat zijn bezoekers niets van doen hebben met de Engelsen in Surat, geeft hun verlof een huis te huren in Goa en vandaaruit handel te drijven, mits zij de gebruikelijke belasting betalen. Vervolgens arriveren in oktober 1636 vijf Engelse schepen en deze blijven tot 8 februari 1637 in Goa. Daarvandaan gaan zij naar Surat en vervolgens naar Canara, waar zij aanbieden meer voor peper te betalen dan de Portugezen plegen te betalen. Wanneer deze dit vernemen, zijn zij zeer verontwaardigd. Captain Weddel zendt ook enige schepen naar Bhatkal (Baticala), terwijl hij een ambassadeur zendt naar Venkatappa Naik, de vorst van Bednur en de bestuurder van Onor (Honavar). De Engelsman geeft te kennen peper te willen kopen, waarna de Portugezen moeten vaststellen dat Venkatappa Naik zich tegenover hen gereserveerd opstelt, wat zij toeschrijven aan het optreden van de Engelsen, wat voor de hand ligt.

Kort hierna schrijft de onderkoning een brief over deze kwestie aan koning Filipe III van Portugal, gedateerd 5 oktober 1637. In deze brief merkt hij op dat het gedrag van de Engelsen na hun terugkeer in Indië niet bepaald bevorderlijk is voor de vriendschap van de Portugezen voor hen. Zij hebben niet alleen peper in Canara gekocht, wat door de Portugezen wordt geclaimd als hun territorium, maar zij hebben Venkatappa Naik en andere koningen tegen hen opgezet. De Engelsen1, zegt hij, hebben zich verbonden met een piraat genaamd Babia en zij hebben een factorij gesticht in Baticala dat valt binnen het rechtsgebied van Venkatappa Naik, met het doel peper van hem te kopen, waarvoor zij koper en lood afstaan, waarbij zij hogere prijzen geven dan de Portugezen. De Engelsen hebben Venkatappa Naik ook geschenken gegeven, waaronder een stuk artillerie. Dit alles bewijst, naar het oordeel van de onderkoning, dat de Engelsen bepaald niet het volk zijn waarmee de Portugezen commerciële betrekkingen kunnen aangaan, maar hij verkondigt een mening die zou moeten leiden tot verbreking van de wapenstilstand, maar dit zou allerminst in het belang zijn van de Portugezen.

Alle Portugese factors, wier handel kwijnende is, ontvangen in 1637 van vice-rei Pedro da Silva opdracht te vermijden dat er een breuk komt in eventuele commerciële relaties met de Engelsen. Indien hun schepen door slecht weer beschutting in een Portugese haven zoeken, dienen zij op alle mogelijke manieren te worden geholpen, maar het mag hun niet worden toegestaan daar handel te drijven of zich permanent te vestigen. Er wordt ook een verbod uitgevaardigd aan de Engelsen schepen te verkopen, hetzij groot of klein, ondanks dat de Portugezen eerder wel schepen aan de Engelsen hebben verkocht. Om de naleving van dit verbod te bevorderen, wordt het verboden schepen aan niet-Portugezen te verkopen.

In 1637 wordt er in Goa bericht ontvangen dat de Engelsen pogen een factorij te stichten in de haven van Covelong, twee léguas ten zuiden van de stad São Tomé, waarvoor zij al toestemming hebben gekregen van de Nayak (Naik) van de streek. Pedro da Silva beveelt de capitão-geral van Meliapor alles te doen wat mogelijk is om de uitvoering van het plan van de Engelsen te verhinderen en de vice-rei zendt met dit doel ook een ambassadeur naar Venkatappa Naik.

Als gevolg van de klachten over het optreden van de Engelsen aan hun president in Surat, antwoordt William Methwold de onderkoning in een brief gedateerd 25 juli 1637 dat hij de daden van captain Weddel volledig veroordeelt. Hij heeft de naam van de Engelsen in opspraak gebracht en ook de naam van de English East India Company in diskrediet gebracht. Mr. Methwold verwelkomt de mededeling van de onderkoning dat Engelse schepen altijd goed zullen worden ontvangen in Portugese havens en hij belooft dat Portugese schepen op dezelfde wijze door de Engelsen zullen worden behandeld. Hij informeert de onderkoning dat hij het aanbod van peper in Cannanore heeft verworpen om de Portugezen niet tegen het hoofd te stoten en hij voegt eraan toe dat hij altijd met één oog in de gaten zal houden dat zijn mensen zich tegenover de Portugezen vriendelijk zullen opstellen, terwijl hij met het andere oog de belangen van zijn mensen dient.

In dezelfde tijd dat er vriendelijke verhoudingen tot stand komen tussen de Portugezen en de Engelsen, blijft de verhouding tussen Portugezen en Hollanders zeer vijandig; tussen beide partijen heerst nog steeds de dodelijke animositeit als in de tijd dat de Hollanders voor het eerst in de Indische wateren verschenen. De onderlinge politieke verhouding tussen beide naties in Europa sluit in die tijd absoluut uit dat de onderlinge verstandhouding wat betreft de handel in Indië verbetert; geweld is het enige middel dat in deze zaak kan worden aangewend. Derhalve zien we dat de onderkoning in 1635 er krachtig bij de koning van Spanje op aandringt hem een voldoende sterke strijdmacht te zenden om de Hollanders te verslaan, waardoor – zegt hij – hun goede naam zal worden aangetast en zij van de handel in dit deel van de wereld zullen worden uitgesloten, “want zij worden overal hartgrondig gehaat en zij zijn alleen maar in staat handel te drijven door het aanwenden van geweld.”

De President van de Dansk Østindisk Kompagni, die de Portugezen goed is gezind, laat in 1637 Vice-rei Pero da Silva (1635-1639) weten dat de Hollanders een blokkade voorbereiden van Malacca, Ceylon en Goa. Deze inlichtingen gaan vergezeld van een aanbod van de Denen de Portugezen behulpzaam te zijn bij de verdediging van Negapattinam en Tranquebar, alsmede van een verzoek op Ceylon een factorij te mogen openen. Dit verzoek, dat niet goed is onderbouwd, houdt in dat de Denen aanbieden op Ceylon de Portugezen te helpen tegen de Hollanders, op voorwaarde dat het hen is toegestaan daar areca, olifanten en kaneel te kopen. De Raad van Portugal oordeelt dat deze zaak eerst kan worden beslist als er tussen de koningen van Portugal en Denemarken een vredesverdrag is gesloten. De komst van de Denen naar Indië heeft een lange en interessante voorgeschiedenis. Deze luidt als volgt:

In 1609 wordt de onderkoopman Marcelis Boschouwer door de eerste gouverneur-generaal van Nederlands Oost-Indië, Pieter Both van Amersfoort (1610-1614), met de Zwarte Leeuw van Coromandel naar Ceylon gezonden om aan de koning van Kandy brieven te overhandigen van de Staten-Generaal en van Prins Maurits, waarin mededeling wordt gedaan van het ingaan van het Twaalfjarig Bestand. Hij arriveert op 8 maart 1612 in Kandy en wordt daar zeer goed ontvangen. Koning Senarat (1604-1629), die grote achting voor Boschouwer koestert en hem ziet als een van zijn adviseurs, wil Boschouwer niet laten vertrekken en prest hem in Kandy te blijven door re dreigen het op 11 mei 1612 gesloten Hollands-Ceylonese handels- en bondgenootschappelijke verdrag te verscheuren als hij zou vertrekken. Op 9 mei 1615 krijgt Boschouwer verlof van Senarat over te steken naar de Hollanders in Coromandel om te zien of hij daar de beloofde hulp tegen de Portugezen zou kunnen verkrijgen. Boschouwer, die reist als officieel gezant van de ‘keizer’ van Kandy, arriveert op 9 juni in Masulipatnam. Hij verkeert in gezelschap van zijn Singalese vrouw, die hij de prinses van Mingone noemt omdat hij zelf de titel prins van Mingone voert, wat een van de vele titels is die Senarat hem heeft gegeven. Maar de directeur daar, Hans de Haze, vindt het geraden de prins van Mingone en zijn gade met zich mee te nemen naar Bantam om het verzoek van Kandy om militaire hulp voor te leggen aan Gerard Reynst, die Pieter Both in 1614 is opgevolgd als gouverneur-generaal. Doch bij aankomst in Batavia blijkt dat Reynst inmiddels is overleden. Op zijn verzoek reizen de prins en prinses van Mingone naar Nederland om persoonlijk bij de Heeren Bewindhebbers en bij prins Maurits te pleiten voor militaire hulp aan Kandy tegen de Portugezen. Marcelis Boschouwer, vergetende dat hij nog steeds een dienaar van de Heeren XVII is, blaast zich zo op als prins van een machtige vorst dat hij nul op het rekeest verkrijgt. Diep gekwetst vertrekt hij naar Denemarken, het land waarin in 1616 ook een Oost-Indische Compagnie is opgericht. Hij komt daar 16 juni 1617 aan. Op 30 maart 1618 wordt een verdrag gesloten tussen de ‘keizer van Ceylon’ en de Kroon van Denemarken. Koning Christiaan IV bekrachtigt dit verdrag niet alleen, maar hij belooft ook nog dit jaar een schip en een jacht beschikbaar te stellen om de gezant en zijn vrouw naar Ceylon terug te brengen. Er varen nog vijf andere Deense schepen uit. Deze worden, met een aantal gezinnen en een kleine troepenmacht, uitgezonden door de Dansk Østindisk Kompagni. Bevelhebber van de vloot is Gule Gedde, een Deense edelman. De zeven Deense schepen komen na 22 maanden rondgezworven te hebben, in welke tijd Marcelis Boschouwer is overleden, bij Ceylon aan, sommige schepen in de Baai van Batticaloa en andere in de Baai van Trincomalee, maar tenslotte vinden alle Deense schepen elkaar. Gule Gedde zendt enige dienaren naar ‘keizer’ Senarat om te vragen wat er moet gebeuren. Als de vorst verneemt dat de prins van Mingone is gestorven en tot welk bedrag deze uitgaven voor de defensie van Kandy heeft gedaan, ontkent hij glashard hem ooit opdracht te hebben gegeven zoveel geld uit te geven. De Denen begraven de prins van Mingone en diens eveneens overleden zoontje. De prinses van Mingone wordt met drie hofdames en een oude dienstmaagd naar Kandy gebracht, vanwaar zij na een verblijf van zeven jaar op verzoek van de Deense generaal Roeland Carpe door Senarat naar Trincomalee wordt gezonden. Nadat Gule Gedde zich ontdaan heeft van de prinses en haar gevolg, gaat hij bij Batticaloa afwachten op het definitieve antwoord van Senarat. Een Deens schip loopt aan de kust van Ceylon op een klip en breekt in stukken. De bemanning weet zich te redden en komt in kleine bootjes aan op de kust van Coromandel. Sommigen treden in dienst bij de Portugezen, anderen bij de Hollanders. De Denen, die op Ceylon niets meer te zoeken hebben, steken over naar de Coromandelkust en zij verkrijgen van de nayak van Tandzjaoer verlof in Tranquebar een factorij te stichten en een fort te bouwen. Nog in 1618 bouwen zij de vesting Dansburg.

Op 26 oktober 1637 vertoont een Hollandse vloot van 16 schepen van verschillende grootte, onder commando van admiraal Adam Westerwold, zich opnieuw op de rede van Goa. De Portugezen, denkende dat een aanval op Goa voor de deur staat, treffen alle voorbereidingen voor de ontvangst van de vijand, maar op 26 november zeilt de gehele vijandelijke vloot naar het noorden en bij Baçaim aangekomen, maken zij zich meester van een vaartuig dat daar wordt gebouwd. De Nederlanders keren korte tijd later naar Goa terug en op 4 januari 1638 zendt vice-rei Pedro da Silva een vloot uit om hen aan te vallen. De strijd barst om 8.00 uur in de voormiddag los en na een heftig gevecht wordt de vijand verdreven, na twee schepen te hebben verloren, tegenover de Portugezen een. Als de Portugezen hun overwicht aan vuurkracht en manschappen zouden hebben uitgebuit, zouden zij de slag zonder twijfel hebben gewonnen. Nu is het gevecht min of meer onbeslist geëindigd

Op 15 april 1638 sluiten Frei Fernando de Lahore, namens de Portugezen, en admiraal Adam Westerwold, namens de VOC, een verdrag waarin de vrijlating van belangrijke gevangenen wordt geregeld. Generaals worden vrijgelaten tegen generaals; bij ongelijke aantallen dient per generaal te worden betaald een losgeld van 200 patacas; voor admiraals geld hetzelfde, maar het losgeld bedraagt in dit geval 150 patacas; kapiteins die niet kunnen worden geruild, brengen 100 patacas op; voor leden van religieuze orden, niet zijnde een bisschop, aartsbisschop of patriarch, dient 40 patacas per persoon te worden betaald. Voor alle overige gevangenen die niet één op één kunnen worden geruild, is een losgeld van 10 patacas verschuldigd. Voor Portugese en Nederlandse vrouwen die in handen van de vijand vallen, wordt geen losgeld gevraagd.

In 1638 treft een Nederlandse vloot van zeven vaartuigen een Portugese vloot aan die in Puluhindin voor anker ligt. De Hollanders vallen hun vijanden zo krachtig aan dat zij alle Portugese schepen verwoesten. Slechts de bemanning van de helft van de schepen weet zich door te vluchten aan land in veiligheid te stellen. Met het oog op aanvallen als deze, realiseert onderkoning Pedro da Silva zich dat het zaak is de Hollanders met een krachtige aanval te verdrijven voordat zij zich stevig in Indië hebben gevestigd. Hij is verplicht door het treffen van buitengewone maatregelen nieuwe financiële bronnen aan te boren om de noodzakelijke fondsen voor dat doel te kunnen verwerven. Daartoe verkoopt hij alle benoemingen in overheidsdienst aan de hoogste bieders.2 Daartoe behoren ook de benoemingen tot capitão van forten, die in dit systeem, zonder twijfel, vaak in handen vallen van personen die volstrekt onwaardig en incompetent zijn. De toestemming voor het ondernemen van bepaalde handelsreizen, waarvan winst wordt verwacht, worden ook vaak verkocht. Wegens de grote behoefte aan contant geld, ontvangt de staat voor deze reizen vaak minder dan ontvangen zou zijn als de winst achteraf in de staatskas zou zijn gevloeid.

Als gevolg van de diefstal van drie Portugese vaartuigen in Diu, die zou zijn begaan door een Engelse piraat, zendt vice-rei Pedro da Silva een oorlogsschip uit om de piraat op te sporen. Aangezien de president van de EIC in Surat weigert enige genoegdoening te verschaffen voor deze belediging, wordt opdracht gegeven enige eigendommen van een Engelsman die zich in Goa heeft gevestigd weg te nemen en de zaak in handen te geven van het Tribunaal in de stad.

Het schijnt dat omstreeks die tijd (1638) de president van de EIC de Portugezen zou hebben voorgesteld voortaan hun handelswaren te vervoeren in Engelse schepen. Vice-rei Pedro da Silva laat de president daarop weten daar niet voor te voelen, want hierdoor zou niet alleen de Portugese reputatie worden aangetast, maar ingaan op het voorstel zou de gehele handel van de Portugezen in Engelse handen doen overgaan.

In 1638 baart de stand van zaken in Indië de Spaanse regering grote zorgen. Uit de rapportage ontvangen van de onderkoning blijkt dat de Nederlanders het monopolie hebben verworven van de handel met China vanaf de Baai van Cochinchina naar beneden tot aan de punt van Soenda aan toe. In Cochinchina en Tonkin hebben zij grote factorijen en zij hebben ook de handel geopend aan de rivier van Amoy, direct tegenover het eiland Formosa, waar zij peper ruilen tegen zijde, en vanwaar zij ook handeldrijven met Japan. Zij hebben ook factorijen opgezet in Cambodja, Siam, Borneo, Ambon, de Molukken, Jambi en Dandarquin en zij zijn heer en meester van de Banda-eilanden en van vele andere eilanden tot aan Atjeh. In de Golf van Bengalen drijven zij veel handel in de havens aan de kust van Gergelim, Masulipatam, Pulicat, Trivanapatam en andere factorijen boven Galle, evenals in het koninkrijk Bisnaga (Vijayanagar), Golconda en in de provincies van de Mogol en van de Adil Khan, naast de enorme handel met Surat, Perzië, de Straat van Mecca en de vele eilanden in de Oosterse Zeeën.

Om een halt toe te roepen aan de handel in jonge kinderen wordt er een wet ingevoerd die verbiedt kinderen onder de dertien jaar te verschepen naar Indië. Zijne Majesteit wijst de onderkoning er met klem op hoe belangrijk het is om Malacca te behouden, omdat alleen met Malacca in Portugees bezit er op gehoopt kan worden de handel met China en het zuiden te herkrijgen. Maar terwijl de koning veel woorden besteedt aan de stand van zaken in Indië, is Zijne Majesteit niet in staat hulp te zenden, aangezien hij recentelijk een grote vloot naar Brazilië heeft gezonden om de Nederlanders uit dat land te verdrijven. Pedro da Silva antwoordt dat het zonder hulp onmogelijk zal zijn het bestuur over Indië in handen te houden en hij merkt op dat als er geen strijdmacht kan worden gezonden, de Portugese bezittingen in het Oosten aan de wind zijn overgeleverd.

Op 15 november 1638 verschijnen de Nederlanders opnieuw voor Goa; zij blokkeren de haven met een vloot van elf schepen en zij zenden een ambassadeur naar de Adil Khan met het voorstel de Nederlanders te helpen met het verdrijven van de Portugezen uit zijn land. Het is aan de blokkade te wijten dat geen schip Goa kan verlaten en de onderkoning voelt zich niet krachtig genoeg om de strijd met de belegeraars aan te binden. Hij zendt een ambassadeur naar de Adil Khan om de vorst te vragen hem te helpen bij de verdrijving van de Hollanders. De ambassadeur heeft kennelijk weinig vertrouwen in zijn opdracht en faalt volkomen in de uitvoering daarvan. De Adil Khan staat niet alleen toe dat de Hollanders alsnog in het bezit blijven van hun factorij in Vingurla, maar hij onderhandelt ook over een andere factorij te Karwar, waar ook de Engelsen een plaats krijgen aangewezen om er een factorij te stichten.

In januari 1639 arriveert er in Goa een Portugese vloot die afkomstig is van Cabo da Boa Esperança. Het gaat hoogstwaarschijnlijk om de galeão São Bento, onder bevel van kapitein João Soares Vivas, en de Nossa Senhora da Conceição, onder João Cardoso de Almeida, die beiden in het voorjaar van 1638 uit Lissabon zijn vertrokken. Tezelfdertijd arriveren er ook schepen van de Coromandelkust. Alle schepen weten de blokkade te ontwijken en veilig de haven van Goa te bereiken. Nadat hij deze versterkingen heeft ontvangen, belegt Pedro da Silva een vergadering waarin hij voorstelt de vijand te gaan bestrijden. Maar de meerderheid van de vergadering is het niet eens met het voorstel van de onderkoning. Zij zien meer in het zenden van een sterke vloot naar Ceylon om dat eiland te ontzetten. De blokkade-vloot trekt zich in februari terug en zeilt ook naar Ceylon om de koning van Kandy bij te staan in zijn strijd tegen de Portugezen.

De blokkade 1638/1639 wordt door de Hollanders al in februari beëindigd. Goa is dus weer bereikbaar, maar gelet op de sterkte van de vijand in de naburige zeeën, dienen de Portugezen hun handelswaren naar het zuiden te vervoeren met kleine vaartuigen die door roeiers worden voortbewogen. Deze vaartuigen kunnen door dicht onder de kust te varen en door hun wendbaarheid en snelheid altijd aan de vijand ontkomen. De Portugezen zijn nu gedwongen tegenover de superieure Hollandse vijanden dezelfde tactiek toe te passen die de Moorse smokkelaars meer dan een eeuw geleden hebben moeten toepassen tegenover de toen oppermachtige Portugese vloot.

Dom António Telles de Menezes, de tweede man in Goa, wordt geconfronteerd met een belegering van Damão door inheemse troepen onder leiding van Oreng-Zeeb, terwijl de Portugese capitão van Damão overleden is. Hij zeilt in het voorjaar van 1639 met dertig kleinere schepen, waarop zich duizend man en twaalf stukken geschut bevinden, naar Damão om de verdediging van de plaats op zich te nemen. Korte tijd nadat de vloot is uitgevaren en Goa vrijwel onverdedigd heeft achtergelaten, overlijdt op 6 juni 1639 vice-rei Pedro da Silva. Hij wordt opgevolgd door Dom António Telles de Menezes, eerste graaf van Vila Pouca de Aguiar, die zich op dat moment in Damão bevindt. Dan verschijnt Cornelis Simonsz van der Veer op 30 september 1639 met de blokkadevloot van elf schepen voor Goa. Onder bescherming van het geschut van het in 1624 gebouwde fort in Mormugão liggen drie Portugese galeões. Naast de São Bonaventura zijn dat de nog geen jaar oude Bom Jesus, een in Goa gebouwd schip met 64 kanonnen, dat kogels afschiet van 18 tot 30 pond en dat 600 matrozen en soldaten kan vervoeren, en de São Sebastião, een tot galeão verbouwde nau, een schip met 54 kanonnen dat zich in 1625 in de Perzische Golf geweerd heeft tegen de Anglo-Hollandse vloot. Alleen de São Bonaventura is op 30 september bewapend; de andere twee galjoenen hebben op dat moment hun geschut niet aan boord. Negen Hollandse schepen zeilen naar de Mormugãobaai, zonder enige tegenstand te ontmoeten, want het fort verkeert door gebrek aan manschappen en ammunitie in een positie dat het zich niet kan verdedigen. De mannen van de Hollandse schepen slagen erin de twee niet bewapende galeões in brand te steken. Het grote kanon van de São Bonaventura draagt zover dat het schip niet te benaderen is. Bij het vuren ontstaat echter op het schip een brandje dat 300 vaten met kruit doet ontploffen. De explosie is een ware ramp en doodt zoveel manschappen dat de Portugezen bij elkaar 400 doden te betreuren hebben, tegenover de VOC ruim vijftig. Twee VOC-schepen worden echter zwaar getroffen.

Omdat de nieuwe onderkoning, Dom António Telles de Menezes, op het moment van zijn benoeming niet in Goa is, neemt een van de andere eventuele opvolgers, Dom Frei Francisco, de aartsbisschop van Goa, diens taken voorlopig op zich. Het eerste dat hij doet is bericht zenden naar Dom António Telles de Menezes om hem te laten weten dat hij benoemd is tot capitão-geral van de Estado da India, maar dat is voor de aartsbisschop geen reden om de zaken op hun beloop te laten. Zonder de aankomst van Dom António af te wachten neemt hij de in zijn ogen noodzakelijke stappen. Hij verliest geen tijd met de voorbereiding van het ontzet van Malacca. En voor dit doel rust hij twaalf oorlogs- en enige bevoorradingsschepen uit.

Op 13 augustus 1639 arriveert in Goa een ambassadeur van de nayak van Madurai, die de onderkoning in naam van zijn meester de verzekering geeft dat hij, indachtig de hulp die de nayak van de Portugezen ontvangen heeft bij het neerslaan van de opstand in het Marava-gebied in 1630, de koning van Portugal een fort aanbiedt in Uthear, in de streek Pampa of desgewenst elders, Hierin mogen, onder bevel van een Portugese capitão, vijftig Portugese soldaten en 100 lascars gelegerd worden. De nayak is ook bereid 3.000 pardaos te verstrekken voor het onderhoud van het fort. Voorts zegt de nayak toe op zijn eigen kosten een kerk te bouwen in Ramnad en zeven kerken tussen Pambam en Tondi. De nayak geeft iedereen die dat zou willen toestemming christen te worden en hij belooft de koning van Portugal kosteloos alle hulp te verstrekken die deze voor Ceylon zou verlangen, zowel wat manschappen als wat voorraden aangaat. Hij belooft voorts geen vriendschappelijke betrekkingen aan te knopen met de Hollanders en hen niet toe te staan zijn territorium te betreden en zijn havens te bezoeken.

Als in 1639 de Portugese capitão van São Tomé, ondanks het verdrag dat de onderkoning in Goa met de president van de English East India Company heeft gesloten, een Engels schip belet handel te drijven in São Tomé, is de tijd voor de Engelsen aangebroken om zelf een handelspost in de omgeving te stichten en dit temeer daar zij al een paar jaren uitzien naar een geschikte vestigingsplaats aan het zuidelijke gedeelte van de Coromandelkust. Francis Day stelt de Engelse gouverneur in Masulipatnam, Andrew Cogan, voor de post te vestigen een halve mijl ten noorden van São Tomé. Begin 1640 wordt het plan uitgevoerd en wordt tevens begonnen met de bouw van Fort Saint George, dat eind 1641 gereed is. Het fort telt twaalf stukken geschut. De Engelsen beschikken nu aan de kust van zuidelijk Coromandel over een even geschikte vestiging als de VOC in Pulicat.

Zodra Dom António zijn uitverkiezing tot gouverneur-generaal verneemt, keert hij terug naar Goa om zijn hoge ambt op zich te nemen. Dit is het geval op 4 oktober 1639. Dom António is buitengewoon kwaad dat zijn landgenoten in Goa de Hollanders de kans hebben gegeven de Bom Jesus en de São Sebastião in brand te steken zonder ook maar de minste weerstand te bieden en dat zij door onachtzaamheid het verschrikkelijke ongeluk met de São Bonaventura hebben laten gebeuren. Zijn korte ambtsperiode (1639-1640) geeft hem niet veel gelegenheid tegenslagen te boven te komen, want korte tijd nadat Dom António in Goa is teruggekeerd bereikt hem het bericht dat de Hollanders en de Atjeeërs hun strijdkrachten hebben gebundeld voor een aanval op Malacca, voor welke stad twaalf Hollandse oorlogsschepen en 25 Atjeese galeien zijn verschenen. Het gebrek aan fondsen in die dagen maakt het zeer moeilijk een efficiënte strijdmacht op de been te brengen om Malacca te ontzetten en terwijl Dom António desondanks alles op alles zet om dit doel te bereiken, arriveert in Goa João da Silva Tello de Menezes, conde de Aveiras, om het ambt van governador-geral op zich te nemen. De nieuwe vice-rei bereikt zijn bestemming in de galeão Santo António. Met hem arriveren João de Siqueira Varejão in de nau Atalaia; capitão-mor Pedro de Almeida Cabral in de nau Nossa Senhora da Rosa e Almas; Luís Ribeiro Pereira in de naveta Santa Maria Madre de Deus. Al deze schepen komen op 24 augustus in Goa aan. Tot de vloot van de vice-rei hebben ook nog behoord twee caravelas, die van de vlag zijn afgedwaald; zij bereiken hun bestemming op respectievelijk 15 mei en 7 juli 1641. De graaf van Aveiras aanvaardt zijn ambt op 20 september 1640 en neemt de volgende dag de regering van zijn voorganger over. Na het ambtszwaard aan zijn opvolger te hebben overgedragen, keert Dom António Telles de Menezes terug naar Portugal. Vrijwel direct na zijn ambtsaanvaarding schrijft de conde de Aveiras een brief aan Lissabon, waarin hij laat weten dat er dit jaar geen retourvloot geladen met specerijen van Goa naar Lissabon zal vertrekken, wat te wijten is aan gebrek aan mensen en geld. Met het oog op de situatie in Indië schrijft de afgetreden gouverneur-generaal dat er twee galjoenen zijn verbrand; dat Ceylon op het punt staat verloren te gaan. Malacca verkeert in een miserabele staat evenals de andere forten in de Estado da India, en hij voegt eraan toe dat als de vloot waarmee hij in Indië is aangekomen Goa niet zou hebben bereikt, waarschijnlijk alles in Indië verloren zou zijn gegaan.

Begin december 1639 zendt Cornelis Simonsz van der Veer, die het bevel voert over de blokkadevloot voor Goa, een gezant naar de sultan van Bijapur met het voorstel Goa door een gecombineerde aanval van land- en zeestrijdkrachten te veroveren. De sultan gaat hierop in en kan vrijwel direct 7.000 man in het veld brengen. Admiraal Van der Veer sneuvelt echter op 6 december in een onbeduidend gevecht met een Portugees vaartuig. Bovendien loopt een Hollands schip op de rotsen en moet als verloren worden beschouwd. Door deze rampen heerst er een zodanige verwarring op de blokkadevloot dat de gecombineerde aanval op Goa wordt afgelast. Goa ontkomt door het sneuvelen van de Hollandse vlootvoogd aan de meest serieuze bedreiging uit haar bestaan. Voor de Hollanders gaat de enige reële kans om de stad in handen te krijgen verloren. Ondanks dat zij afzien van een aanval op Goa worden de Portugezen in 1639 geconfronteerd met een indrukwekkende ontplooiing van de maritieme macht van de VOC. De vloot die Goa blokkeert en Ceylon aanvalt bestaat uit twintig schepen, met ruim 1.400 matrozen, ruim 800 Europese en ruim 250 Aziatische soldaten aan boord. Bovendien kruisen er tegelijkertijd nog tien schepen van de Compagnie voor de kust van Malacca. Dat de omvang van de VOC-vloten zozeer is toegenomen is te danken aan het zenden door de bewindvoerders van de Compagnie van respectievelijk 18, 20 en 26 schepen naar Indië in de jaren 1637, 1638 en 1639. Desondanks is gouverneur-generaal Anthony van Diemen van oordeel dat hij over te weinig schepen beschikt om de Portugezen overal doeltreffend te kunnen aanpakken.

In 1640 duiken er problemen op voor de Portugezen in de Perzische Golf. Arabieren werkzaam in het douanekantoor van Muscat hebben de Imam van die plaats verteld dat het Portugese fort aldaar in een zeer slechte staat van verdediging verkeert omdat het merendeel van de leden van het garnizoen is geplaatst op de vloot. De Imam valt het fort aan, maar hij wordt met aanzienlijke verliezen door het garnizoen teruggeslagen. De Portugezen die uit havens die dicht bij de Golf van Oman zijn gelegen koper exporteren, zullen nog enkele jaren in het bezit blijven van Sohar. Het zal tot 7 november 1643 duren voordat Imam Nassir ibn Murshid hen tenslotte uit Sohar zal verdrijven.

Terwijl de graaf van Aveiras nog op weg was naar Indië, vonden in Europa belangrijke politieke ontwikkelingen plaats die zullen leiden tot het herstel van Portugals onafhankelijkheid, waaraan al aandacht is geschonken in hoofdstuk 1 van deel XIII van dit boek. De lezers die niet over deel XIII beschikken, worden verwezen naar mijn Internetsite: Deel 13.

Desondanks volgt hierna de bespreking van de Portugese opstand tegen Spanje ontleend aan Danvers, omdat deze veelzeggende bijzonderheden bevat, die nog niet eerder ter sprake zijn gekomen.

Spanje, dat de machtigste staat in Europa is geweest, geraakt heel snel in verval; de welvaart die het land heeft genoten onder de regeringen van Karel V en Philips II, is verdwenen en zal nooit meer terugkeren. En het lot van Portugal is onlosmakelijk met dat van Spanje verbonden. Gedurende de regeringen van Philips III en Philips IV neemt een gevoel van onrust en ontevredenheid bij bepaalde Portugese edelen toe en deze wordt in het geheim gevoed door agenten van kardinaal Richelieu in het land. Frankrijk herstelt zich van de gevolgen van de burgeroorlogen in de zestiende eeuw en de politiek van zijn bestuurders is Spanje nog verder te verzwakken dan al het geval is en het land te helpen bij de neerwaartse beweging waarin zijn noodlottige politiek het land gebracht heeft.

Portugal heeft al symptomen van rebellie vertoond tegen de heersende machten: in 1634 heeft de bevolking van Lissabon geweigerd haar belastingen te betalen; in 1637 zijn er serieuze rellen uitgebroken in Évora, welke plaats vele maanden blijft verkeren in een staat van opstand; en over het gehele land vinden er constant aanvallen plaats op Spaanse soldaten en ambtenaren. Frankrijk laat nu zijn oog vallen op Portugal, om het land te helpen in zijn plannen tegen Spanje, zoals de Portugezen in Frankrijk het land bij uitstek zien om aan hen wezenlijke hulp te verlenen in hun strijd die het land op korte termijn zijn vrijheid moet doen herwinnen.

Bij het zoeken naar een leider van de overwogen revolutie houdt de bevolking van Portugal natuurlijk het oog gericht op João, hertog van Bragança, die de legitieme erfgenaam van de troon van Portugal is. Hij is gehuwd met Dona Luisa de Guzman, dochter van de hertog van Medina Sidonia, van welk huwelijk is gehoopt dat het de familie Bragança steviger aan Spanje zou binden. De hertogin is evenwel sedert haar huwelijk de Portugese zaak met hart en ziel toegedaan en omdat zij zich bewust is van de aanspraak van haar man op de troon van Portugal, is zij zeer bereid degenen te helpen en aan te moedigen die de revolutie voorbereiden om het Spaanse juk af te werpen.

In die tijd wordt Portugal bestuurd door Margaretha van Savoye, hertogin van Mantua en haar hof is, in tegenstelling tot de belofte van Philips II in de vergadering van de Cortes in Tomar, geheel gevuld met vreemdelingen, voornamelijk Spanjaarden en Italianen. De belangrijkste Portugees die deel uitmaakt van de raad van de hertogin van Mantua is Dom Sebastião de Mattos de Noronha, aartsbisschop van Braga, maar de hoogste bestuursmacht is toegekend aan Miguel de Vasconcellos de Brito, een man die intens wordt gehaat door zijn landgenoten.

De belangrijkste voorvechter van de rebellie is João Pinto Ribeiro, die, optredend met de volledige toestemming van de hertogin van Bragança, een complot opzet van leidende Portugese edellieden met het doel een revolutie op te zetten en de Spanjaarden het land uit te gooien. Het belangrijkste middel om deze edelen samen te brengen is de organisatie van grote jachtpartijen in Vila Viçosa, waarbij zij de gelegenheid hebben kennis te maken met hun toekomstige koning. Als de graaf van Olivares, de feitelijke machthebber van het Iberische schiereiland, tenslotte argwaan koestert over wat er gaande is, biedt hij de hertog van Bragança aan de stad Milaan te gaan besturen, wat de hertog afwijst, zeggende geen verstand te hebben van Italiaanse politiek. Olivares, die de hertog van Bragança een tijdje weg wil hebben, geeft hem opdracht een rondreis door Portugal te maken, in zijn hoedanigheid van hofmaarschalk, om de conditie van de defensiewerken te inspecteren. Deze reis geeft de hertog de gelegenheid kennis te maken met een groter deel van de bevolking, terwijl hij vermijdt in de verschillende vallen die men hem heeft bereid te trappen. Na opnieuw te zijn gedwarsboomd door de hertog, geeft Olivares hem de opdracht samen met het hoofd van de Portugese edelen dadelijk naar Madrid te komen om direct onder de koning te dienen door een rebellie in Catalonië neer te slaan.

De tijd lijkt nu duidelijk aangebroken dat een poging dient te worden ondernomen de vrijheid te verwerven, voor het te laat zal zijn. Dit realiseren de samenzweerders zich maar al te goed en zij ondernemen onmiddellijk actie in de zaak. Op de morgen van de eerste december 1640 verzamelen zij zich in de verschillende straten tegenover het paleis en op een vooraf afgesproken signaal gaat iedere samenzweerder naar de hem toegewezen plaats. Het hof van de onderkoning is geheel onvoorbereid zich te verdedigen; de Duitse en Spaanse schildwachten van het paleis worden zonder enig probleem overrompeld; een groep edelen, onder leiding van João Pinto Ribeiro, forceert de toegang tot het paleis en neemt de hertogin van Mantua gevangen.

Zodra de bevolking van Lissabon zich bewust wordt van wat er gaande is, staat zij op als een man en bewapent zich met alles dat te vinden is en arresteert iedere Spanjaard die zij kan vinden. Alle politieke gevangenen worden in vrijheid gesteld en een aantal jonge mannen roeit naar de Spaanse galjoenen in de haven en neemt gemakkelijk bezit van de schepen, omdat de meeste officieren al aan land zijn gearresteerd. Dom António de Almeida dwingt de hertogin een bevel betreffende de overdracht van het Kasteel van São Jorge te ondertekenen door te dreigen met het vermoorden van alle reeds gearresteerde Spanjaarden als zij dit zou weigeren.

Hierna wordt de aartsbisschop van Lissabon uitgeroepen tot luitenant-generaal van het koninkrijk en er wordt een Raad van State benoemd. De nieuwe regering zendt in alle richtingen koeriers uit om het nieuws van de succesrijke opstand wereldkundig te maken en zij geraakt in het vreedzame bezit van de belangrijkste forten en versterkte plaatsen rond Lissabon. De volgende dag neemt Afonso de Mello, in de naam van João IV en zonder dat er een druppel bloed vloeit, bezit van Elvas, de sterkste stad van Portugal. Op 3 december betreedt de hertog van Bragança Lissabon, temidden van algemene uitingen van vreugde en 15 december wordt hij plechtig gekroond in de kathedraal van de stad.

In de tijd dat Portugal zijn onafhankelijkheid verwerft, heeft het diverse bezittingen in het Oosten; in Afrika zijn dat de forten in Sofala en Moçambique en de stad Moçambique. Tussen de monding van de Rode Zee en de Perzische Golf bezitten de Portugezen het fort van Muscat. Tussen Bussora en het Indische schiereiland bezitten zij de forten van Bandel en Diu. En vandaar tot aan Cabo Comorin maken zij aanspraak op de forten in Damão, Assarim, Danu, São Geus, Agashi, Mahim, Manora, Trapor, Bassein met de stad Thana, Caranja, Chaul en Moro. Op het eiland van Goa hebben zij verschillende forten, evenals een fort in Bardes en in Rachol in Salsette; verder naar het zuiden zijn er nog de forten van Onor, Barcelor, Mangalore, Cannanore, Cranganore, Cochin en Quilon. Tussen Cabo Comorin en de Ganges bezitten de Portugezen forten in Negapattinam, São Tomé de Meliapor en Masulipatam. En verder oostwaarts hebben zij forten in Malacca, Macau en op het eiland Timor. Op Ceylon bezitten zij de forten van Colombo, Manar, Galle, Negombo en Jafnapatam.

Het is zaak dat de onderkoning in Goa op de hoogte wordt gesteld van de troonsbestijging van João IV. Daartoe verlaten op 30 maart 1641 twee schepen de haven van Lissabon. Het ene, de Nossa Senhora do Rosário, vermoedelijk een caravela, staat onder bevel van kapitein Manuel de Lis; het andere, de Nossa Senhora de Quietação, een zwaar bewapende nau, heeft – naast een bemanning van 250 koppen – 200 soldaten aan boord. Over de Quietação voert kapitein Sancho de Faria het bevel. Beide schepen hebben, volgens de gewoonte van die tijd, gelijkluidende documenten bij zich voor de autoriteiten in Goa, waaruit blijkt dat João IV de Portugese troon bestegen heeft. Manuel de Lis is als eerste op 2 augustus 1641 in de haven van Moçambique, waar het nieuws dat Portugal weer een eigen koning heeft met grote geestdrift wordt ontvangen. Als Lis op 6 september in de buurt van Goa aankomt, vindt hij de haven geblokkeerd door de VOC-vloot. Dit is de vloot van tien schepen die op 17 juli 1641 Nederland verlaten heeft om, onder bevel van Matthijs Hendriksz Quast, voor het zesde achtereenvolgende jaar de haven van Goa te blokkeren. Lis weet zijn negenjarige zoon André met de documenten waaruit blijkt dat João van Bragança tot koning van Portugal is gekroond en met de boodschap deze documenten aan de Vice-rei, de graaf van Aveiras, persoonlijk te overhandigen, op het strand van Salsette af te zetten. André bereikt Goa twee dagen later, juist als de zondagse hoogmis in de kathedraal van Santa Catarina wordt opgedragen. De jonge gaat naar binnen en schreeuwt het grote nieuws door de kerk. Aveiras laat André Lis bij zich brengen en neemt de documenten in ontvangst. Volgens Portugese bronnen is de graaf van Aveiras verheugd als hij de documenten gelezen heeft; Hollandse bronnen weten echter te vermelden dat de graaf partij kiest voor koning João IV als de aartsbisschop van Goa hem erop wijst dat hij, volgens een van de documenten die André heeft overhandigd, anders het bestuur aan hem dient over te dragen. Zodra het nieuws in Goa bekend is, wordt er uit dankbaarheid een plechtige hoogmis in de kathedraal gecelebreerd. De algemene vreugde in Goa en in de gehele Estado da India wordt mede ingegeven door de verwachting dat de oorlog met de Republiek nu voorbij is. Portugal en de Republiek zouden zich als bondgenoten tegen Spanje kunnen keren. De werkelijke intenties van de VOC zullen spoedig blijken. Als kapitein Faria op 22 september met zijn Quietação bij Goa aankomt, valt admiraal Quast het schip, ondanks dat het de bestandsvlag voert en Quast al op de hoogte is van de afscheiding van Portugal van Spanje, met vier of vijf schepen aan. Bij het gevecht sneuvelen bijna dertig Portugezen, onder welke kapitein Faria; aan de zijde van de VOC sneuvelen zestien man, maar een paar weken na het treffen bezwijkt admiraal Quast aan de tijdens het gevecht opgelopen verwondingen. De Hollanders veroveren de Quietação en noemen het schip ‘Amsterdam’. De onderkoning protesteert twee dagen later tegen het negeren van de bestandsvlag en verzoekt, onder overlegging van de uit Lissabon ontvangen documenten, om een wapenstilstand.

Hier eindigt de bespreking van de Estado da India. De draad zal in een volgend deel worden opgepakt met de bespreking van de jarenlange pogingen van de Portugezen om in Azië tot beëindiging van de vijandelijkheden te komen. Na een afzonderlijke § over de Carreira da India zal in hoofdstuk 2 aandacht worden geschonken aan de Portugezen aan de Golf van Bengalen. In hoofdstuk 3 ten slotte komen Siam en Achter-Indië aan de orde.

1 Hiermee bedoelt de onderkoning captain Weddel en Courtens Associatie.

2 Panikkar vermeldt dat de functie van een ‘minor’ capitão, wiens salaris over drie jaren niet boven £ 1.000 uitkomt,

£ 57.000 winst oplevert. (zie pag. 200)

1.4 De Carreira da India

Categorieën
Britse kolonialisme Franse kolonialisme Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

Dom Frei Luís de Brito, Nuno Álvares Botelho en Dom Miguel de Noronha, conde de Linhares. De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640

Deel 17 Index

Hoofdstuk 1.

De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640

1.2. Dom Frei Luís de Brito, Nuno Álvares Botelho en Dom Miguel de Noronha, conde de Linhares

Geschreven door Arnold van Wickeren

Er is niet veel bijzonders te melden over de korte regeringsperiode van Dom Frei Luís de Brito (1627-1628). Op Ceylon is de capitão van dat eiland, Dom Constantino de Sá e Noronha, in 1629 een fort aan het bouwen in Trincomalee, nadat hij in 1623 al een fort heeft gebouwd in Batticaloa. Een en ander leidt tot hervatting van de oorlog met Kandy, zoals we later zullen zien. Dom Frei Luís de Brito overlijdt in juli 1629. Als daarna de brieven waarin de opvolging geregeld wordt, geopend worden, kan daaruit – wegens spelfouten in de namen – met enige moeite worden opgemaakt dat Nuno Álvares Botelho de nieuwe capitão-geral van de Estado da India is. Zodra hij zijn ambt heeft aanvaard, verlaat hij op 2 augustus het paleis van de onderkoning in Goa en verplaatst hij zijn verblijf naar de kust, waardoor hij beter in staat is de voortgang van de voorbereidingen voor het ontzet van Malacca, dat ernstig wordt bedreigd door de sultan van Atjeh, in de gaten te houden. Onder zijn leiding wordt zo serieus gewerkt aan de uitrusting van een vloot, dat Nuno Álvares Botelho begin september een legertje van 500 goed getrainde artilleristen, naast een overvloed aan wapens en ammunitie, verzameld heeft. Daarnaast heeft hij dertig volledig uitgeruste vaartuigen klaarliggen om uit te varen. Nadat hij op 22 september het burgerlijke bestuur over Goa heeft overgedragen aan Dom Lourenço da Cunha, Nuno Álvarez Pereira het commando over militaire zaken op zich heeft genomen en Gonçalo Pinto da Fonseca zich heeft belast met het toezicht op de rechtsbedeling, zeilt de capitão-geral zelf uit om Malacca te ontzetten·.

Eerder is vermeld dat de graaf van Vidigueira teruggeroepen is naar Portugal en dat hem bevolen is zijn ambt over te dragen aan Dom Francisco Mascarenhas, maar deze heeft inmiddels Indië verlaten en is naar Spanje vertrokken. Nadat hij kennis heeft verkregen van zijn benoeming, is hij in 1628 met drie schepen uit Lissabon naar Goa vertrokken. Dom Francisco heeft enige interessante instructies bij zich. Zo moet hij onder meer een onderzoek instellen naar het functioneren van de bisschoppen in Indië, die op kosten van de staat leven, en hij dient het aantal bisschoppen te verminderen. Hij dient ook kritisch te kijken naar aanspraken en aspiraties van de jezuïeten. Voorts moet hij een onderzoek instellen naar de uitgaven van zijn voorgangers. Tenslotte dient hij te bezien of er bezuinigd kan worden op de uitgaven voor Justitie en Financiën. Een van de drie schepen bereikt zijn bestemming, maar de andere twee, waaronder het schip waarop de nieuwe onderkoning reist, zijn genoodzaakt naar Lissabon terug te keren. Na zijn terugkeer wordt Dom Francisco Mascarenhas ingezworen als lid van de Raad van Portugal, reden waarom hij afziet van zijn benoeming tot onderkoning.

In plaats van Dom Francisco Mascarenhas wordt Dom Miguel de Noronha, conde de Linhares, benoemd tot gouverneur en vice-rei van de Estado da India (1629-1635). De graaf van Linhares vertrekt in het voorjaar van 1629 uit Lissabon met drie naus en zes galeões. Een van de naus lijdt schipbreuk nabij Cabo da Boa Esperança, waarbij alle opvarenden, 400 mensen, omkomen. Spoedig nadat de graaf van Linhares in Goa is aangekomen, wordt daar het bericht ontvangen van de grote victorie die Nuno Álvares Botelho heeft behaald bij Malacca en dat hij direct daarna giften aan de sultan van Pahang heeft gezonden omdat deze de Portugezen in hun strijd tegen de Atjeeërs ondersteund heeft.

In 1629 schrijft de aartsbisschop van Goa1 de koning een brief, waarin hij Zijne Majesteit meedeelt dat, hoewel de Portugezen in de Indische wateren vele vijanden hebben, de grootste vijanden van de Estado da India de Portugezen zelf zijn. Omdat de staat de grootste moeite heeft Portugezen bereid te vinden voor uitzending naar Indië, maakt de koning bekent dat vanaf 1630 ook buitenlanders in dienst van de koning kunnen treden, om dienst te nemen in het Portugese leger in Indië en dat zij dezelfde soldij zullen ontvangen als de Portugezen.

In 1630 is de Portugese handel met Indië sterk verminderd, wat te wijten is aan Engelse en Nederlandse concurrentie. Omdat zijn rivalen zeer succesrijk zijn, besluit de koning van Spanje hun handelwijze te imiteren door ook een handelscompagnie op te richten. Bijgevolg wordt bij Koninklijk Decreet van 15 maart 1630 een handelscompagnie gesticht, waarin de koning zelf voor 1.500.000 cruzados deelneemt. De koning hoopt dat zijn onderdanen voor hetzelfde bedrag participeren. Alle gemeenten in Spanje en Portugal ontvangen een circulaire, die hen oproept in de nieuwe compagnie deel te nemen. Van de onderkoning in Indië wordt verwacht dat hij particulieren oproept in het kapitaal van de Compagnie te participeren, omdat de Compagnie de macht van de Europese concurrenten zal verzwakken. Ondanks de koninklijke aansporingen, neemt geen enkele particulier deel in het kapitaal van de Compagnie en slechts een handvol gemeenteraden ondersteunt de onderneming. De Compagnie wordt dus een volslagen mislukking en bijgevolg zal zij, na een kort en onbelangrijk bestaan, bij Koninklijk Decreet van 12 april 1633 weer worden opgeheven en zal de staat al haar bezittingen en schulden overnemen.

Na onderhandelingen in Madrid, sluiten de Kronen van Engeland en Spanje op 15 november 1630 een vredesverdrag. Desondanks maakt de Portugese gouverneur van Surat er bezwaar tegen het verdrag in werking te stellen. Van Iberische zijde wordt beargumenteerd dat, op basis van artikel 9 van het Verdrag van 1604, het de Engelsen niet is toegestaan naar Indië te komen, noch hebben zij het recht daar handel te drijven. En deze verboden worden bevestigd in de artikelen 3 en 8 van het Verdrag van 1630

Tijdens de onderhandelingen over het Verdrag van 1604 hebben de Spaanse gevolmachtigden grote druk uitgeoefend om de Engelse handel in Indië te doen erkennen als illegaal, maar zonder succes. De Engelse onderhandelaars hebben voorgesteld slechts akkoord te gaan met de proclamatie dat het Engelse onderdanen niet is toegestaan handel te drijven met Spaanse gebieden in Indië als daarin een uitzondering wordt gemaakt voor handel met inheemsen die niet onder gezag van koloniale machten staan. De Iberische onderhandelaars weigeren namens de Spaanse koning een belofte voor de handel in contrabande af te geven. Zij stellen zich ermee tevreden de gehele zaak buiten het verdrag te houden, ofschoon zij hun opvattingen op de conferentie duidelijk naar voren hebben gebracht.

Omdat de Engelsen geen handel met Indië drijven als andere verdragen dit verbieden, doet Philips IV van Spanje een beroep op Charles I van Engeland om al zijn schepen uit Indië terug te trekken en niet toe te staan dat daar nog iemand naar toe gaat. Dit is natuurlijk een ongepast voorstel. Zijne Excellentie de Koning van Spanje heeft het overwogen en vaak met zijn adviesraad besproken. Hij heeft besloten met dat voorstel in te stemmen, “daar de Koning van Engeland en de Koning van Spanje het hierover zijn eens geworden op 15 november 1630, zonder enige toevoeging of weglating, of een andere uitleg gevende aan wie dan ook, die niet in overeenstemming is met die vrede, desondanks zal worden begrepen dat er een wapenstilstand zal heersen en dat de wapens zolang zullen zwijgen als de meest illustere Koningen van Engeland en Spanje over en weer zullen verklaren, de een zowel als de ander, dat zij daarmee niet blij zijn en de vrede zal zes maanden duren nadat daarvan bericht zal zijn gegeven aan de al genoemde onderkoning van de Estado da India en aan de president van de Engelse natie in India, zodat de kooplieden de tijd hebben hun handelsgoederen terug te trekken.”

Onder alle vijanden van Portugal is er waarschijnlijk geen die de Estado da India meer kwaad doet dan de jezuïeten (en andere geestelijke orden) en hun arrogantie is tot zulk een hoogte gerezen dat de graaf van Linhares in 1631 aan koning Filipe III (Philips IV) schrijft dat hij heeft vastgesteld dat de priesters en monniken zijn orders negeren, maar hij stelt de koning er ook van op de hoogte dat de jezuïeten zich meester hebben gemaakt van Tuticorin en dat zij op hun eigen kosten benden van gewapende mannen erop nahouden, daarmee de regering trotserend; zij hebben zich de absolute meesters van Travancore en van de parelvisserij aan de kust gemaakt en feitelijk voeren zij op zee oorlog tegen de kapiteins van Zijne Majesteit. De onderkoning verklaart voorts dat de Estado da India meer schade ondervindt van de jezuïeten dan van zijn andere vijanden, als gevolg van het feit dat zij contact onderhouden met de Hollanders en met de moren. Bovendien soupeert de Societas Jesu een groot deel van de staatsinkomsten op. Zij zijn zover gegaan dat zij ook ontkennen dat de koning van Portugal heer van Indië is. En in het algemeen intrigeren zij in het Oosten tegen de regering van de Estado da India en zij stellen de koninklijke opdrachten ter discussie.

In 1631 zendt koning Filipe III van Portugal instructies aan de graaf van Linhares. Hij dient te trachten in contact te treden met de gouverneur van Ormoez, met het oogmerk deze plaats opnieuw in handen te krijgen voor de Kroon van Portugal. Vergeleken met dit ene project is al het andere van secundair belang en – indien nodig – mag het middel omkoping worden gebruikt. In overeenstemming met deze instructies, zendt vice-rei Dom Miguel de Noronha een zekere Dominic de Torale Valdez, een Spanjaard, naar Rui Freire de Andrade, de capitão-mor in de Perzische Golf, die zich in Muscat bevindt, om met hem te spreken over het onderwerp. Zijn opdracht mislukt, maar in plaats daarvan wordt een fort gebouwd in Julfar, in de buurt van een bekende parelvisserij, ongeveer 50 léguas van Muscat.

In 1633 rapporteert de graaf van Linhares aan de koning dat zich nieuwe concurrenten in de Indische wateren hebben gemeld. Het gaat om de Fransen die ook hun aandeel in de Oosterse handel komen opeisen2, nadat zij sinds het begin van de zeventiende eeuw al menig poging hebben gedaan de Indische wateren te bereiken. Uit het navolgende overzicht, dat onder meer is ontleend aan de Internetsite: http://www.histoire-genealogie.com/spip.php?article158, van pogingen daartoe, blijkt hoe moeizaam de Franse vaart naar Azië op gang is gekomen.

In 1601 rusten twee kooplieden uit Saint-Malo, Laval en Vitré geheten, twee gewapende schepen, Le Corbin en Le Croissant, uit voor een reis naar de nog door de Fransen te ontdekken Molukken. Ook François Pyrard de Laval, aan wie we het verhaal van de reis te danken hebben, is aan boord van Le Corbin. De twee schepen varen op 18 mei 1601 uit en zijn op 29 juni bij Anobom. De Portugezen daar openen het vuur, doden één man en nemen er vijf gevangen, die zij tegen een hoog losgeld vrijlaten. Nog juist voor het einde van het jaar wordt Cap de Bonne-Espérance gedubbeld en vaart men naar de Comoren. Le Croissant zeilt vandaar naar Atjeh, maar Le Corbin lijdt schipbreuk in de Malediven. De bemanning van Le Corbin wordt gered door de inheemse bevolking, maar de mannen worden behandeld als gevangenen. Zij worden verdeeld over de naburige atollen, waar zij het erg zwaar hebben. Pyrard bevindt zich met twee Franse maats op het eilandje Pandoué en wordt door zijn moedige houding al snel beschouwd als de heer van Pandoué. Na drie maanden neemt een officier van de koning van Malé hem mee naar zijn vorst. Deze behandelt hem goed en Pyrard, die inmiddels de landstaal heeft geleerd, beantwoordt al zijn vragen. De koning staat Pyrard toe met twee Franse en vijf Vlaamse lotgenoten te vertrekken aan boord van een schip uit Bengalen. Op weg naar Bengalen legt Pyrard op 5 februari 1607 een eed af dat hij een pelgrimstocht naar Santiago de Compostella zal maken uit dankbaarheid voor zijn redding. In Chartican (Chittagong) boekt Pyrard passage op een schip naar Calicut. Hij bereikt in februari 1608 Cochin, waar de Portugezen hem, als indringer in hun imperium, in het gevang gooien. Daar ziet hij de lijken van drie Hollanders. Dankzij bemiddeling door een jezuïet, aan wie Pyrard een hulpkreet uit de gevangenis heeft geschreven, wordt hij vrijgelaten. Hij komt ziek in Goa aan en wordt opgenomen in het ziekenhuis, ‘le plus beau hôpital au monde’. Pyrard belandt in Goa weer in het cachot, maar wordt vervolgens ingelijfd in het Portugese leger als gewoon soldaat, in welke hoedanigheid hij verschillende delen van Indië bezoekt. In de winter van 1609 boekt hij passage naar Lissabon, maar hij komt op 5 juni 1609 in Brazilië aan. Hij mag van geluk spreken, omdat niet minder dan 250 passagiers en matrozen onderweg zijn overleden, wat Pyrard vooral wijt aan de onhygiënische omstandigheden3 aan boord. Hij verblijft tot oktober 1610 in Brazilië en komt op 20 januari 1611 aan in Galicië, om zijn pelgrimstocht naar Santiago de Compostella te maken. Een maand later is François Pyrard in La Rochelle.

In 1604 is door handelaren uit Dieppe, met steun van de Vlaamse kapitein Gérard Le Roy, een maatschappij voor reizen naar Oost-Indië opgericht. De laatste bestuurt deze maatschappij tezamen met een financier, Antoine Godefroy, schatkistbewaarder van Frankrijk te Limoges. Zij draagt de naam ‘Compagnie de Le Roy et Godefroy.’ Zij ontvangt voor vijftien jaar het koninklijk monopolie voor de vaart op Indië. Haar agenten verwerven diverse schepen en vier ervan worden bewapend. Maar in 1609 heeft nog geen enkele expeditie Frankrijk verlaten, wegens de vijandschap van de handelaren van Saint-Malo, maar bovenal van de Hollanders.

In 1611 echter vragen Gérard Le Roy en Antoine Godefroy aan de regering op voorhand om vernieuwing van hun privilege. Dit verzoek wordt gehonoreerd en de compagnie wordt heropgericht voor een periode van twaalf jaren, maar dit sorteert geen enkel effect, want bij de eerste gelegenheid verlaat geen enkel schip Frankrijk. In 1615 trachten kooplieden uit Rouen, Jacques de Muisson en Ezéchéel Cahen, een compagnie voor de vaart op Indië op te zetten. Koningin Marie de Médici doet beide compagnieën fuseren en zij doet de ‘Compagnie van de Molukken’ het licht zien, waarbij de Compagnie gebaseerd is op patentbrieven, gedateerd 2 juli 1615. Deze laatste verlenen een privilege voor de handel op Azië voor achttien jaar. In 1616 vertrekt kapitein Lelièvre uit Honfleur uit deze haven met drie schepen en daarna verlaten twee andere schepen dezelfde haven, onder bevel van d’Antoine de Beaulieu en van de heer van Netz. Het zijn Le Montmorency en la Marguerite, die in 1617 Bantam op Java bereiken. Vandaar keren twee schepen van handelaren uit Saint-Malo naar Frankrijk terug. De Hollanders die ter plaatse aanwezig zijn, confisqueren of vernietigen van elk van beide expedities een schip. Desondanks zijn de Franse expedities rendabel.

De eerste concrete resultaten van de handel met Azië zijn dus het gevolg van de stichting van een compagnie in 1611 door Charles de Damville, Admiral de France, onder de naam van ‘Compagnie de Montmorency pour les Indes Orientales’. Zijn neef, Henri II de Montmorency, volgt hem in 1612 op en rust in 1613 één schip en in 1615 drie schepen uit met bestemming Indië, China en dichterbij zijnde eilanden.

De stichting van een factorij zal in 1617 plaats hebben in Pondicherry, wanneer de Saint-Louis, afkomstig uit Saint-Malo, de kust van Coromandel bereikt. Jean Pépin ontvangt van de nayak van Pondicherry toestemming om een fort te bouwen om de veiligheid van de Franse handel te verzekeren. Hij laat er een wacht achter en belooft spoedig te zullen terugkeren, wat hij overigens niet doet.

In 1619 komt er een fusie tot stand tussen de compagnie van de kooplieden uit Saint-Malo en de ‘Compagnie van de Molukken.’ Augustin Beaulieu vertrekt uit Honfleur met drie schepen, le Montmorency, l’Espérance en l’Ermitage. Hij keert terug met een enkel schip maar met een belangrijke lading. Bovendien heeft hij een factorij gesticht op Sumatra en hij heeft daar een douanevaartuig voor het belasten van de inter-Aziatische handel achtergelaten. Deze handel is voor de eerste maal profijtelijk voor de Fransen. Het douanevaartuig wordt geconfisqueerd door de Hollanders. In een relaas over zijn reis, dat Augustin Beaulieu na thuiskomst schrijft, noemt hij vaak Malacca en de belangrijke rol die de Portugese factorij in de regio speelt. Na zijn terugkeer in Le Havre, in 1622, moeten we opnieuw enige decennia wachten alvorens Franse schepen naar Zuidoost-Azië gaan om er handel te drijven.

In 1629-1630 presenteert Augustin Beaulieu een plan om de eilanden ten oosten van Madagascar te gaan exploiteren, waarbij Madagascar de uitvalsbasis zal zijn. Er wordt een compagnie van particuliere financiers gesticht die het oosten van Madagascar en de bedoelde eilanden (thans Reunion, Mauritius en Rodrigues) moet gaan exploiteren. In 1632 arriveert Rigault op Madagascar en in de jaren 1630-1632 heeft Gilles de Régimont een expeditie in de Indische Oceaan ondernomen en in 1635 associeert hij zich met kooplieden uit Dieppe om de Golf van Bengalen te bezoeken. Rigault onderneemt in de jaren 1635 en 1637, met behulp van lieden uit Dieppe, nog verschillende expedities in de Indische wateren.

In de jaren 1630-1632 onderneemt Gilles de Régimont verschillende tochten in de Indische Oceaan. Deze tochten zijn gerapporteerd aan Vice-rei Dom Miguel de Noronha, conde de Linhares. De rapportages hebben zijn bezorgdheid gewekt, die hij heeft willen delen met koning Filipe III van Portugal.

Er is nog een andere zaak die de onderkoning veel zorgen baart en dat is de volgende. Als er in Goa manschappen uit Portugal aankomen ter versterking van de Portugese strijdkrachten in Indië, vluchten zeer velen die de reis overleefd hebben naar een van de kloosters in Goa. Zij hopen hun leven en hun ziel te redden door zich te onttrekken aan de strijd en monnik te worden

De finale slag voor het Portugese prestige in Indië wordt ook uitgedeeld in 1633. Het schijnt dat de Mogol Shāh Jahān in zijn veldtochten tegen zijn vijanden meer tegenstand moet overwinnen dan hij verwacht heeft, zo ook nog recentelijk in de strijd van zijn troepen met de Adil Khan van Bijapur. De Grootmogol wijt dit aan de militaire steun die zijn vijanden van de Portugezen ontvangen en hij wil de Portugezen daarvoor straffen door hen uit Bengalen te gooien. Zij hebben zich daar in de stad Hoogly (Ugolim) gevestigd. In deze plaats wonen 200 Portugezen en 600 slaven, temidden van duizenden inheemse christenen, tegen wie Shāh Jahān een enorme strijdmacht inzet, zowel over land als over de rivier de Ganges. Het kleine Portugese garnizoen verdedigt zich dapper van 21 juni tot 29 september 1633, wanneer zij tenslotte verplicht zijn zich over te geven. De meerderheid van de nog in leven zijnde Portugese verdedigers worden gevangengenomen en naar Agra overgebracht, maar een klein aantal slaagt erin te ontsnappen. Zij fortificeren zich op een eiland tegenover hun vroegere fort. Zij zullen daar blijven tot in het jaar 1643, als zij naar Goa zullen worden gebracht door een expeditie die de vice-rei, de graaf van Aveiras, met dat doel heeft uitgestuurd. (In hoofdstuk 2 wordt op hierop teruggekomen.

Ondanks de geschillen over de interpretatie van het verdrag van 15 november 1630 tussen Londen en Madrid, sluit de graaf van Linhares in Goa op 20 januari 1635 een verdrag met de president van de English East India Company in India, William Methwold, waarin is vastgelegd dat er een staakt het vuren tussen Engeland en Portugal in India wordt overeengekomen en dat zij zich verenigen tegen gezamenlijke vijanden, wat niet slechts in het belang is van de onderdanen van beide staten, maar ook de faam van hun beider vorsten bevordert.

Wegens het gebrek aan schepen voor dienstverlening aan de Estado da India in Goa chartert de onderkoning in 1635 een Engels schip van Wiliam Methwold in Surat voor een reis naar China. Het schip is de London en het speciale doel van de expeditie is 4.000 quintais koper en ongeveer 100 stuks van ijzer vervaardigde stukken geschut naar Goa te brengen. Het gecharterde schip neemt in Goa een grote lading in, waartoe de bevolking van deze stad ook het hare gretig bijdraagt door zelfs de juwelen van hun vrouwen te verkopen om te voorzien in lading, omdat vervoer met een Engels schip grotere zekerheid oplevert dan vervoer met een Portugees schip. De onderkoning stelt in een brief aan de koning vast dat deze soort van handel vrijwel geheel in onbruik is geraakt en dat de bevolking de gelegenheid te baat neemt deze soort handel nieuw leven in te blazen “als gaat het om een generaal pardon.” Er gaan twee Portugese feitores aan boord van de London. Zij hebben de opdrac ht niet toe te staan dat de Engelsen aan land gaan in de havens die worden aangedaan, vooral niet in China. Dankzij een pas van de onderkoning kan het schip Malacca en Macau bezoeken. Bij aankomst op hun bestemming richten de Engelsen een verzoek aan de mandarijnen om hun schip op te meten,4 maar dit wordt belet door de Portugese factors aan boord. De Engelsen verrichten in China enige handel voor eigen rekening en zij vragen toestemming voor dat doel twee met pannen gedekte gebouwtjes te mogen opzetten; zij willen ook toestemming ontvangen volgend jaar naar China te mogen terugkeren en als een prikkel met hun verzoek in te stemmen, beloven de Engelsen de Chinezen drugs te zullen aanbieden voor de helft van de prijs die de Portugezen daarvoor vragen. Al deze omstandigheden in aanmerking nemende, geeft Pedro da Silva, die de graaf van Linhares als vice-rei (1635-1639) is opgevolgd, als zijn mening dat het zenden van de London naar China het slechtste is geweest wat de Portugezen hebben kunnen doen.

In hetzelfde jaar (1635) wordt voorgesteld een compagnie op te richten voor de handel met China en voor dit doel worden de inwoners van Indië aangemoedigd daarvoor eigen schepen ter beschikking te stellen, om inbeslagname door Europese vijanden te vermijden. Dit plan schijnt echter niet bij de Indische kooplieden in de smaak te zijn gevallen en er komt dan ook niets van het plan terecht. Voorheen hebben de inheemse handelaren de Handels-compagnie gevraagd goederen in hun schepen naar Europa te zenden, maar dit is afgewezen omdat, gelet op de wijze waarop de schepen van de Compagnie zijn uitgerust, het gevaar dat zij verloren gaan bijna zeker is. Aangezien de Compagnie inmiddels heeft opgehouden te bestaan, geeft de koning aan de onderkoning als zijn wens te kennen die Indische kooplieden ertoe over te halen goederen te transporteren in schepen van de koninklijke vloten.

Op 12 maart 1635 sluit de koning van Asarceta een vredesverdrag met de capitão van Damão. Hierbij is bepaald dat noch hij, noch zijn kapiteins een vijand van de Portugezen zullen ondersteunen; dat hij in tijden van oorlog hulp zal zenden aan de capitães en governadores van Damão wanneer daarom wordt gevraagd. En dat, in het geval hij een vijand de oorlog zal willen verklaren, hij daarvan eerst bericht aan de capitão zal geven, opdat deze de juistheid van de zaak kan onderzoeken en voorbereidingen kan treffen om hem (de koning) te ondersteunen.

Ongeveer tezelfdertijd treft de graaf van Linhares een regeling met de koning van Vijayanagar, Venkata III (1630-1641), waarbij de laatste zich verplicht de Portugezen te helpen de Hollanders uit Pulicat te verdrijven. De strijdkrachten van de koning zullen Pulicat over land aanvallen en de Portugezen vanuit zee. Voor zijn hulp ontvangt de koning 30.000 xerafins, twaalf paarden en zes olifanten voor zijn aandeel in de uitgaven. De koning van Portugal merkt op dat een succesrijke onderneming ertoe leidt dat de Hollanders worden beroofd van de kledinghandel in Coromandel en van de handel met het zuiden. Bijgevolg zenden de Portugezen een vloot van twaalf schepen naar Pulicat, maar Venkata III voert zijn deel van de afspraak niet uit, wat – zo legt hij later uit – te wijten is geweest aan onrust in zijn eigen gebieden, maar als de opstand zal zijn neergeslagen is hij bereid zijn deel van de afspraak na te komen. De Portugese vloot heeft inmiddels Pulicat verlaten en is op weg naar Tuticorin, om de nayak van Madurai te straffen en de jezuïeten ter plaatse schrik aan te jagen. De nayak heeft – op verzoek van de jezuïeten – een Portugese agent, die in Madurai salpeter wilde verwerven in ruil voor olifanten, gevangengenomen.

De onderkoning zendt opnieuw een vloot naar Pulicat, maar de koning van Vijayanagar komt opnieuw zijn afspraak niet na, waarop de graaf van Linhares als zijn mening geeft dat de vorst niet te vertrouwen is. Vervolgens valt Ventaka III Pulicat aan, maar al spoedig bereikt hij een onderhandelingsresultaat met de Hollanders en hij heft het beleg op, waarbij hij de Hollanders in het ongestoorde bezit van Pulicat laat. Zij zouden de vorst daarvoor 20.000 pardãos hebben betaald.

Als Shāh Jahān in 1635 de Deccan binnen valt, geeft koning Philips IV opdracht de Adil Khan en de Melique tegen de Grootmogol te helpen, om diens groeiende macht enigszins in bedwang te houden. De graaf van Linhares heeft bericht ontvangen dat Shāh Jahān Agra heeft verlaten aan het hoofd van 60.000 ruiters om de strijd met de Adil Khan aan te binden en hij heeft een ambassadeur vooruit gestuurd naar Meliques koninkrijk om de overgave van diens hele rijk en de betaling van dertig miljoen pagodas achterstallig tribuut te vragen. De Melique zou zich hebben omringd met adviseurs die op de hand zijn van de Grootmogol en de Portugezen vrezen dat de laatste erin zal slagen het koninkrijk van de Melique en Canara in zijn bezit te krijgen en hij zou vervolgens kunnen afdalen naar Portugees gebied.

Een van de laatste brieven van de graaf van Linhares, in zijn hoedanigheid van vice-rei van de Estado da India, aan de koning is gedateerd 30 november 1635. Hierin geeft hij een overzicht van de condities in Portugees Indië aan het einde van zijn regeringstermijn. Hij schrijft hierover het volgende. De koning van Japan is begonnen met de vervolging van de christenen, wat in hoge mate de handel van de Portugezen met dat land beïnvloedt. Deze handel wordt mede belemmerd door het feit dat veel individuele particulieren schulden bij de Japanners hebben opgebouwd tot bedragen groter dan 200.000 xerafins. Deze laatste moeilijkheid is evenwel gemakkelijk te overwinnen, omdat de Gemeenteraad van Macau de betaling van deze schulden heeft gegarandeerd.

De inwoners van Chincheo5 zijn, aldus de graaf van Linhares, tegen de Hollanders opgestaan en zij hebben hen verslagen. Zij hebben bij verrassing verschillende van hun vaartuigen genomen en hij spreekt de wens uit dat hierdoor een einde zal zijn gekomen aan de Hollandse handel met dat land.

De koning van Makassar staat in die tijd vriendschappelijk tegenover de Portugezen, maar vijandig tegenover de Hollanders. Hij heeft de eilanden van de Molukken en van Ambon, waarvan de bewoners de Hollanders verslagen hebben en hen enkel hun fort op het laatste eiland hebben gelaten, genomen. De koning van Makassar heeft een ambassadeur naar Goa gezonden om de Portugezen te vragen hem te helpen de Hollanders te verdrijven, waarbij hij hun het monopolie op de handel met zijn gebieden belooft. De onderkoning is echter niet in staat op dit aanbod in te gaan, omdat het hem ontbreekt aan een voldoende sterke zeemacht in Straat Singapore om het op te nemen tegen de Hollanders, die daar over een grote strijdmacht beschikken. De ambassadeur van Makassar verklaart dat de koning een strijdmacht naar Banda zal zenden om daar de muskaatnotenbomen te kappen, wat, zo wordt gedacht, een fatale klap voor de welvaart van de Hollanders zal zijn. Voor hen vormen de muskaatnotenbomen op Banda een zodanig grote bron van inkomsten dat zij hierdoor kunnen handeldrijven in India.

De onderkoning brengt de koning van Portugal het belang onder de aandacht hem een voldoende sterke strijdmacht te zenden om de Hollanders te verslaan, in welk geval, zegt hij, zij zozeer in diskrediet worden gebracht, dat iedereen zal weigeren nog zaken met hen te doen, want zij worden overal hartgrondig gehaat en zij zijn slechts in staat handel te drijven door middel van geweld en door het geven van bevelen. De vice-rei wenst ook de Hollanders in Mataram te imponeren om te verhinderen dat zij een overeenkomst met de koning van die plaats6 aangaan. De koning van Bantam heeft de Hollanders de oorlog verklaard en hij heeft een ambassadeur gezonden naar de Portugezen om hen een commerciële alliantie met hem aan te bieden. Aan de andere kant is de koning van Atjeh eerder op de hand van de Hollanders dan op die van de Portugezen.

De betrekkingen met de koning van Pegu hebben geresulteerd in de opening van de haven van Pegu voor de Portugezen. De nayaks van Guiga en Tanjore staan op vriendschappelijke voet; de havens van Bengalen staan ook open voor hun handel, waarmee de handel uit de haven van Cochin ook gediend is. De Portugezen staan echter niet op goede voet met de nayak van Madurai, tengevolge van de strafexpeditie die recentelijk tegen hem ondernomen is in Tuticorin. In Ceylon en aan de kust van Travancore verlopen de zaken in rust en vrede; de Kalpathi van Cochin en de Zamorin van Calicut staan op goede voet met elkaar en met de nayak van Viravada en de Kolathiri van Cannanore. De enige dringende zorg die in het rapport wordt geuit, betreft de vrees dat de Adil Khan zijn koninkrijk zal verliezen aan de Grootmogol, in welk geval de onderkoning vreest dat de Portugese gebieden in groot gevaar komen te verkeren.

De betrekkingen van de Portugezen met de Engelsen in het Oosten staan in schril contrast met die met de Hollanders. De onderkoning rapporteert kort voor zijn vertrek dat de Portugezen en Engelsen goed met elkaar omgaan: wij verkeren “in de beste verstandhouding met elkaar en de Engelsen verkopen ons koper tegen lagere prijzen dan we elders moeten betalen.” De graaf van Linhares merkt op dat er geen vrees bestaat dat de Engelsen misbruik zullen maken van de inlichtingen die zij hebben verkregen door het charteren van het schip de London, noch dat de Hollanders een breuk met de Engelsen zullen riskeren door de London buit te maken. Hij geeft echter als zijn mening dat het geen aanbeveling verdient de praktijk van het charteren van buitenlandse schepen voort te zetten.

In die tijd hebben de jezuïeten en andere religieuze orden een aanzienlijk overwicht in de Estado da India verworven en zij oefenen hun macht uit op een wijze die de regering in de grootst mogelijke verlegenheid brengt. De jezuïeten hebben op verschillende wijze het algemene toezicht op de bouw van forten in het noorden verkregen en zij weigeren zeer beslist rekening en verantwoording af te leggen van de daarmee verbandhoudende uitgaven, zodat het nodig is een speciale commissie in het leven te roepen om de zaak te onder-zoeken en aan wie ook geregeld dient te worden gerapporteerd. De invloed van de jezuïeten op de bevolking in het algemeen schijnt zeer aanzienlijk te zijn geweest en deze invloed wordt vaak voor het eigen particuliere voordeel aangewend, sedert het in 1635 nodig wordt gevonden het verbod uit te vaardigen religieuze orden legaten te geven of landerijen na te laten, zonder toestemming, “want als de religieuze orden rijk zijn, dan zijn de vazallen arm.” Ook wordt een poging ondernomen een einde te maken aan de bemoeienissen van de Societas Jesu met de parelvisserij aan de kust. Vanuit Portugal worden in die tijd bevelen ontvangen dat, wanneer de jezuïeten niet afzien van hun bemoeienis met de parelvisserij, de zielzorg voor de inheemse christenen zal worden toevertrouwd aan andere religieuze orden.

Het aantal monniken in India is de laatste tijd aanzienlijk gestegen, een omstandigheid die is bevorderd door de ruime toelage voor levensonderhoud die zij van de Estado da India ontvangen. De accumulatie van daardoor mogelijke besparingen heeft geleid tot aanzienlijke private bezittingen. De kloosterlingen baden in weelde, terwijl de regering een absoluut gebrek heeft aan fondsen om de soldaten te betalen. Het leger is vervallen tot een dergelijke staat van armoede dat veel soldaten zich voor een hap eten wenden tot de kloosters, terwijl andere soldaten zich aansluiten bij de monniken. De sollicitaties bij de kloosters schijnen zich niet te hebben beperkt tot de in Indië aanwezige soldaten. Velen zijn dit op voorhand van plan en anderen zijn van plan in dienst te treden van particuliere personen. Welke omvang de gesignaleerde praktijken hebben aangenomen, blijkt uit cijfers uit 1632: van de 1.500 man die dat jaar naar Indië zijn gezonden, zijn er na hun aankomst niet meer dan 500 beschikbaar om de koning te dienen. Het is daarom niet verrassend dat de graaf van Linhares bij de koning klaagt dat er genoeg schepen en wapens in Indië zijn, maar dat veel hiervan nutteloos is wegens gebrek aan manschappen. Noch hoeft het te verbazen dat, onder de hiervoor geschetste omstandigheden, er talrijke klachten worden geuit over de te grote aantallen jezuïeten en andere kloosterlingen en dat deze aantallen in geen verhouding staan tot het aantal ambtenaren en andere seculiere bewoners. Over Goa wordt in 1635 gerapporteerd dat er meer kloosterlingen zijn dan soldaten en burgers samen, terwijl er plaatsen zijn met niet meer dan vijftig inwoners en vier of vijf kloosters. De koning van Portugal aanvaardt deze feiten als voldoende oorzaak voor de schaarste aan manschappen voor de vloot en hij geeft bevel een speciaal lichaam in te stellen om het onderwerp te onderzoeken. Een in die tijd voorgestelde maatregel zou wellicht het probleem van het gebrek aan zeelieden en soldaten doeltreffend hebben kunnen bestrijden en dat is dat er voor gezorgd zou moeten worden dat soldaten op wie tijdelijk geen beroep wordt gedaan hun soldij of tenminste een deel daarvan zouden behouden, zodat zij niet door honger naar de kloosters gedreven worden. De monniken zijn echter niet de enigen die wat te verwijten valt en het is maar de vraag of zij alleen de Estado da India zozeer hebben kunnen ruïneren als is gebeurd. Er is nog een groep lieden die zich heeft verrijkt ten koste van de staat. Dat zijn de kapiteins in de Carreira da India. Er arriveren herhaaldelijk schepen in Goa die veel kinderen van een jaar of zes, zeven aan boord hebben. Zij komen naar Indië, hetzij om monnik te worden, dan wel om als page te worden toegevoegd aan het gevolg van adellijke personen. Voor de overtocht van deze jongetjes ontvangen de kapiteins geld van hun toekomstige werkgevers. Hierbij brengen de kapiteins voor hun rantsoenen hetzelfde bedrag in rekening als voor volwassenen.

Het gebrek aan geld is even groot als de bezorgdheid van de onderkoning voor het gebrek aan mensen. Wat dit betreft doet de koning de graaf van Linhares een oplossing aan de hand. Onder de gegeven omstandigheden zou de bevolking van Goa voor eigen rekening aan handelstransacties kunnen deelnemen. De onderkoning antwoordt Zijne Majesteit dat de mensen in Goa over het algemeen geen geld hebben om in handelstransacties te steken, maar hij doet al het mogelijke om aan de wensen van Zijne Majesteit tegemoet te komen. Het voorstel wordt stipt voorgelegd aan de kooplieden in Goa, maar zij antwoorden dat het plan thans niet uitvoerbaar is, sedert de handel van het land door de gewelddadige omstandigheden wordt bedreven met oorlogsschepen; en zij voegen eraan toe dat de vijand zo rijk is geworden door de verarming van de bevolking.

Uit zijn rapportage over zijn bestuur blijkt dat de graaf van Linhares de Portugese bezittingen in Indië in het algemeen achterlaat in een staat van vrede. Dit is echter niets anders dan de kalmte voor de storm, die een paar jaar later de Portugezen bijna al hun waardevolle bezittingen in de Oost zal kosten. De schatkist van de regering is leeg; de handel van de Portugezen is bijna volledig van hen afgenomen door de meer ondernemende Europese rivalen; hun leger is onderbemand en gedemoraliseerd; hun ambtenaren zijn corrupt en de bronnen van de staat worden ondermijnd door de jezuïeten en door andere religieuze organisaties. Dit is de erfenis die Pedro da Silva, de opvolger van de conde de Linhares als gouverneur van Portugees Indië, toevalt.

1 Wellicht is de briefschrijver Frei Sebastião de São Pedro, voorheen bisschop van Meliapor.

2 Bekend is dat al in het begin van de 16e eeuw een Franse corsair, Pierre Montdragon, langs Cap de Bonne-Espérance naar het Kanaal van Moçambique is gezeild en in 1526 hebben drie Franse schepen getracht via Straat Magalhães Cathay (China) en de Molukken te bereiken. Deze expeditie, die gefinancierd is door een Florentijnse bank met steun van François I, is georganiseerd door de Normandiër Ango met de broers Verazzani. Na een storm blijken de drie schepen te zijn verdwenen. De gebroeders Verrazani onderzoeken een stuk kust van Brazilië en slechts een bark dubbelt Cabo de Bonne-Espérance, doet de kust van Sofala aan, bereikt Sumatra en lijdt op de terugweg schipbreuk bij Madagascar. In mei 1528 rusten kooplieden ui Rouen La Marie-de Bon-Secours uit voor een tocht naar de Indische Oceaan. Het gewapende schip doet Diu aan, waar het door de Portugezen wordt genomen. In 1528 ondernemen de gebroeders Verazzani een nieuwe poging, die ook uitloopt op een echec. Het jaar daarop bewapent Jean Ango twee schepen voor Azië: La Pensée en Le Sacre. De schepen, die over Portugese loodsen beschikken, bereiken de kust van Zuidwest Sumatra, waar peper wordt ingekocht. Zoals in deel X, pag. 137 is vermeld, overlijden beide kapiteins aan de koorts. Uit het oogpunt van de navigatie gezien is de reis een succes, commercieel gezien zijn de resultaten armzalig. Het zal 70 jaar duren, voordat de Fransen zich weer in Azië laten zien.

3 Zie deel XV, noot pag. 171

4 De mandarijnen maten in de haven van Macau de schepen om havenbelasting en invoerrechten voor de handelswaar te berekenen. Direct contact met de mandarijnen bood de gelegenheidvia omkoping de handel te faciliteren.

5 Chincheo is de Portugese naam voor de kuststreek rond Amoy (Xiamen), tegenover Formosa, waar de machtige zeerover Zheng Zhilong alias Iquan in 1633 een Nederlands rskader uit de haven van Quemoy verjoeg, de Nederlandse Chinahandel in Fukien tijdelijk onmogelijk maakte en de Nederlandse positie op Formosa aan het wankelen bracht.

6 Wellicht bedoeld Danvers hier de plaats Mataram op het eiland Lombok

1.3 Pedro da Silva en António Telles de Menezes (1627-1640)

Categorieën
Britse kolonialisme Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

Problemen tussen Engelsen en Nederlanders in Indië. De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640

Deel 17 Index

Hoofdstuk 1.

De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640

1.1. Problemen tussen Engelsen en Nederlanders in Indië

Geschreven door Arnold van Wickeren

Danvers wijdt het afzijdig blijven van de Engelse schepen (op één na) bij de strijd van de Hollanders met de Portugese vloot op 24 augustus 1622 aan het niet erkennen van Jacob Dedel als hun admiraal. De zaak ligt echter veel ingewikkelder. De Engelsen en Hollanders hebben getracht in 1615 in Den Haag de tussen hen in Indië gerezen problemen op te lossen, nadat in 1613 onderhandelingen in Londen over hetzelfde onderwerp zijn mislukt. De conferentie in Den Haag heeft evenmin tot resultaat geleid. Een geschilpunt is dat de Hollanders van de Engelsen militaire steun tegen de Spanjaarden (en Portugezen) in Azië willen ontvangen, wat de Engelsen weigeren. Al in 1615 heeft de zeer anti-Engels gezinde Jan Pieterszoon Coen (1587-1629), die in 1615 de zaken van de VOC waarneemt en die op 30 april 1618 formeel tot de vierde1 gouverneur-generaal van de bezittingen van de VOC wordt benoemd, de Engelsen verweten altijd daar een handelspost te vestigen, waar de VOC eerst de weg geëffend heeft. Zij plukken zodoende steeds mede de vruchten van de inspanningen van de VOC. Coen heeft in 1615 al het besluit genomen de Engelsen uit de Molukken te verdrijven en hij heeft dit onomwonden aan de Engelse gezaghebber in Bantam, John Jourdain, laten weten. De Heeren XVII, de bewindhebbers van de VOC, willen liever de vrede met de Engelsen bewaren. In 1616 ontmoet een Hollandse vloot van negen schepen, onder bevel van Jan Dircksz Lam, vier Engelse schepen, onder Samuel Castleton, die op weg zijn naar de Molukken. Als de beide bevelhebbers elkaar niet goed zouden hebben gekend, zou er ongetwijfeld slag zijn geleverd. Nu zendt Lam een schip naar Ambon om voor de komst van de Engelsen te waarschuwen. De rest van deze § is, op enkele niet essentiële aanvullingen na, ontleend aan “An Empire of Spices” www.periclespress.com/Dutch_ spices.html

Op 25 december 1616 arriveert de Engelsman Nathaniel Courthope, bijgenaamd Mister Nutmeg, met de schepen Swan en Defence, van Sukadana op Borneo, waar hij factor was, bij het Banda-eiland Run. Op dat moment controleren de Hollanders vijf van de zes grotere2 Banda-eilanden, de enige producent van muskaatnoten. “De eilanden Ai, Gunung Api, Banda Neira, Lontor en Rozenjin hebben zich onderworpen. Run is de enige uitzondering”. Het verzet van de bewoners van Run en van het naburige eiland Ai tegen de komst van de Hollanders blijkt onverwachts sterk. De Bandanezen hebben in hun verzet tegen de Nederlandse kolonisatoren niet altijd alleen gestaan: ”De Engelsen hebben het hunne bijgedragen om de Nederlandse territoriale expansie te hinderen. Door de Bandanezen te helpen met de bouw van een fort en hen te trainen in het hanteren van het schieten met musketten en met het kanon.”

Op het eiland Ai hebben de Engelsen in augustus 1609 en factorij gevestigd, in het zicht van sterke Nederlandse militaire aanwezigheid. Wat de Engelsen een onderhandelingsobject verschaft is de niet te voorspellen krachtige tegenstand van de Bandanezen tegen de Hollanders. In mei 1609 hadden zij de Nederlandse admiraal Pieter Verhoeff uitgenodigd voor een gesprek met locale bestuurders op Neira over de bouw van een fort. De ongewapende Hollanders zijn aan de oostkant van het eiland in een bosje gelokt, waar 42 van hen, onder wie Verhoeff, gedood en daarna onthoofd zijn. Na het bloedbad tart William Keeting, een Engelse kapitein, niet alleen het bevel van Simon Hoen, de Nederlandse bevelhebber, het eiland binnen vijf dagen te verlaten, maar hij laat hem ook weten dat de Engelse factorij op het eiland Ai een blijvend karakter heeft.

Van de Bandanees-Engelse militaire samenwerking gaat een zekere dreiging uit en ondanks de militaire suprematie van de Hollanders is sprake van een ongemakkelijke vrede. Zij dulden tot 1615 de Engelse aanwezigheid op Ai and Run.

Op 14 mei 1615 landt een Nederlandse strijdmacht van bijna 1.000 Hollandse en Japanse soldaten op Ai. De tegenstand die zij ondervinden, steunt op Engelse fortificaties en op de bekwaamheid van Bandanese scherpschutters en is moeilijker te overwinnen dan verwacht. Bij het invallen van de duisternis hebben aanvallers het eiland veroverd, met uitzondering van een klein fort. In de stellige verwachting dat zij het fortje de volgende dag kunnen innemen, leggen zij zich te rusten. De Bandanezen lanceren echter de volgende morgen vroeg een aanval, wat de Hollanders zeer verrast. Gedemoraliseerd trekken zij zich terug en dan blijkt dat zij slechts strijdend hun boten kunnen bereiken. Liever dan de aanval, die hun 36 doden en 200 gewonden heeft gekost, te vernieuwen, zeilen zij naar Banda Neira. Het volgende jaar wordt uit Amsterdam het bevel ontvangen om het eiland Ai in te nemen en een nieuwe admiraal, Jan Dircksz Lam, wordt aangewezen dit bevel uit te voeren.

De Heeren XVII achten het van groot belang controle op het Banda-eiland Ai te verwerven. Verwerkelijking daarvan zal echter tot een conflict leiden tussen twee ambitieuze betrokkenen, Jan Pieterszoon Coen, de Hollandse gouverneur-generaal van de bezittingen van de VOC na 30 april 1618, en John Jourdain, hoofdfactor van de English East India Company, die tot een openlijke oorlog zal leiden.

Coen verdenkt de Engelsen ervan dat zij zich bemoeien met het verzet van de Bandanezen tegen de Hollanders en dat zij zelfs de moord op admiraal Verhoeff in 1609 gepland hebben. Hoe dan ook, hun betrokkenheid bij het verzet op Ai is onbetwist; zij hebben de Bandanezen getraind in het gebruik van musketten en zij hebben de overval op de Hollanders vanuit het fort beraamd. John Jourdain is vanaf 1613 een grote voorstander van de Engelse aanwezigheid in de Molukken. Ofschoon hij geen Hollandse wateren binnendringt met een vloot, althans niet tijdens zijn vroege avonturen, zendt hij onophoudelijk schepen naar streken waar de Hollanders handel drijven en hoewel hij niet aanstuurt op oorlog, is hij bereid de Hollanders voortdurend met Engelse aanwezigheid te confronteren en uit te dagen, en hij heeft de inheemsen enige keren opgestookt tegen het Nederlandse gezag. Coen, van zijn kant, is al even vastbesloten om Engelse aantasting van Hollandse handelsprivileges te doen stoppen. Hij negeert keer op keer instructies om aanvallen op de Engelse scheepvaart te staken.

Beiden, zowel Jourdain als Coen, voelen zich gesteund door hun respectieve hoofdkwartieren. Terwijl de Heeren XVII bezorgd zijn over oorlog met Engeland door Nederlandse acties in Indië, zijn zij bereid Coens fouten over het hoofd te zien, zolang hij erin slaagt met specerijen geladen schepen naar het vaderland te sturen.

Het falen van de Nederlanders op Ai moet Jourdains dromen over een Engelse overname van de handel in specerijen hebben aangewakkerd, want de Hollanders hebben zich militair kwetsbaar getoond, want ofschoon zij beschikten over alle voordelen van een moderne Europese macht, zijn zij verslagen door een half zo grote inheemse strijdmacht. In januari 1616 heeft Jourdain bij Bantam een vloot verzameld van vijf schepen. Jourdan beveelt naar de Banda-eilanden te zeilen. Als de vloot daar aankomt, beginnen de Engelsen zowel Ai als Run te fortificeren. Ondanks hun moed lijken de vijf schepen geen partij voor de twaalf Hollandse schepen die met 1.000 soldaten aan boord pas uit Nederland zijn aangekomen, nog gevolgd door een tweede vloot. De Hollanders zijn van mening dat de Engelse schepen de ingang tot de vaargeul blokkeren.

Jan Dircksz Lam, die het bevel voert over de Nederlandse vloot, beschikt waarschijnlijk over voldoende vuurkracht om zich toegang tot het eiland te verschaffen, maar hij spaart zich de moeite. De Engelse commandant, Samuel Castleton, biedt uiteindelijk aan het eiland Ai over te dragen als vergoeding voor een gunst die Lam hem een aantal jaren geleden bewezen heeft. Lam heeft toen, op verzoek van Castleton, een aanval ondernomen op twee Portugese schepen bij Sint Helena om de Engelse bemanning te redden die op het eiland was achtergelaten. De aanval heeft Lam een van zijn schepen gekost. Dit is het excuus dat Castleton aanvoert voor zijn houding. In ruil voor de terugtrekking van zijn vloot en het verstrekken van inlichtingen over de verdediging van Ai, ontvangt hij handelsrechten met het overgedragen eiland. Richard Hunt, de Engelse factor op Ai, wordt achtergelaten op het eiland met instructies van Castleton niet deel te nemen aan gevechten. De Engelse vloot zeilt vervolgens weg.

Met het vertrek van de Engelse vaartuigen raken de orangkayas’s in paniek en zij dragen zowel Ai als Run formeel over aan Richard Hunt en aan de Engelse Kroon. Ook de nieuwe Hollandse invasiemacht maakt maar weinig vorderingen door het taaie verzet en de hevige regenstormen. Het kost drie dagen om het eiland Ai te onderwerpen. De meeste Bandanezen weten te ontvluchten naar Run, ook Richard Hunt, die uiteindelijk passage vindt naar Bantam. Daar stelt hij Jourdan het document ter hand waaruit blijkt dat de Bandanezen Ai en Run aan de Engelsen hebben overgedragen.

Na Ai te hebben veroverd, is het belangrijkste doel van de Hollanders de blokkade van het eiland Run, in de hoop door uithongering de verdedigers tot overgave te dwingen. Daar er op Run maar weinig watervoorraden zijn en er op het eiland ook maar weinig voedsel groeit, zijn de vooruitzichten op succes hoog. Bovendien wordt hun strategische positie niet bedreigd op de andere Banda-eilanden. Met een oppervlakte van nog geen drie vierkante kilometer, is Run maar een eilandje van niets. De muskaatnotenbomen, waarmee bijna het gehele eiland is bedekt, vertegenwoordigen een fortuin, maar alleen als zij de markten van Europa of Azië kunnen bereiken.

Voor John Jourdan is een miniem stukje grond van 700-acre alles wat hij nodig heeft om een aandeel in de specerijenhandel te verwerven. Daarom benoemt hij in oktober 1616 Nathaniel Courthope tot commandant van twee schepen, de Swan en de Defence, en draagt hem op naar Run te zeilen. Hij komt daar op 23 december aan en al spoedig bereikt hij zijn eerste doel; een herbevestiging van het verdrag van overgave, gesloten met Richard Hunt. Elf orangkaya’s ondertekenen een nieuw verdrag aan boord van de Swan, waarin zij hun trouw aan de Engelse Kroon erkennen.

Courthope’s tweede doel is het eiland Run in staat van verdediging te brengen, in verband met een verwachte aanval van de Hollanders. Hij kan voor een deel steunen op de natuurlijke mogelijkheden het eiland te verdedigen, een reeks van kliffen aan de zuidelijke kustlijn die uitkijken op een laag gelegen rif. Op de in het oosten gelegen atol Nailika, echter, bouwt hij Fort Defence, met een batterij van drie kanonnen. Aan de westkant van het eiland bouwt hij het Fort Swan, ook met drie kanonnen. Plannen om nog aanvullend geschut op het eiland af te zetten, worden verhinderd als de met levensmiddelen terugkerende Swan door de Hollanders wordt veroverd en overgelopen leden van de bemanning wegzeilen met de Defence. De zware bewapening wordt nog verhoogd doordat Bandanese krijgers recentelijk zijn getraind als musketiers. De Hollanders ontdekken hoe effectief de verdediging van het eiland is als zij trachten te landen met een invasiemacht, nadat zij de Solomon hebben buitgemaakt. De Solomon is in 1618 bij Run gearriveerd om het eiland te ontzetten. De Bandanezen verslaan de invallers. Ondanks het behalen van enige militaire successen, heeft de blokkade effect op de verdedigers van Run, die moeten overleven op een dieet van rijst, vis en een pap bereid van sagomeel.

De Hollanders bevinden zich in een duidelijk nadelige situatie als een grote Engelse vloot in december 1618 voor Jakarta aankomt. Op dat moment is Jan Pieterszoon Coen in Jakarta een fort aan het bouwen, vooruitlopend op de verplaatsing van zijn hoofdkwartier van Bantam naar Jakarta, dat bestuurd wordt door de pangéran Wijayakrama. De verslechterde verhouding met de Engelsen in Bantam heeft daar tot gevechten geleid, waarbij doden en gewonden zijn gevallen. De verhouding tussen de Hollanders en de pangéran verslechtert als ook de Engelsen zich in Jakarta vestigen. De uitbouw van de VOC-loge tot een fort door de Hollanders leidt tot omsingeling van het fort door troepen van de pangéran, die bovendien steun van de Engelsen vraagt. Coen heeft de beschikking over maar zeven schepen en zeventig manschappen. De Engelsen hebben elf schepen en nog vier andere die zijn aangewezen de wacht te houden bij Bantam.

De Engelse commandant, Sir Thomas Dale, schijnt afkerig te zijn geweest van een gevecht; hij hoopt Coen te intimideren zodat deze zich overgeeft. Op 2 januari 1619 raken de twee vloten slaags. Coen trekt de volgende dag zijn schepen terug en zeilt met zijn vloot naar Ambon, waar zijn hoofdvloot voor anker ligt. Dale kiest niet voor een zeeslag, maar lanceert een aanval op het in aanbouw zijnde fort in Jakarta. De aanval wordt echter afgeslagen met behulp van 4.000 Bantammers die gekant zijn tegen een al te grote machtsontplooiing van hun rivaal Jakarta. De Bantammers eisen het fort op, maar de Hollanders weigeren dit over te dragen. De Engelsen brengen hun batterijen aan boord van hun schepen en hun vloot neemt haar toevlucht tot een blokkade. Coen keert van Ambon terug met zestien schepen. Hij verovert op 30 mei 1619 met duizend compagniesoldaten Jakarta, dat hij in brand laat steken. De al op 12 maart in Batavia herdoopte plaats kan nu uitgroeien tot de hoofdstad van de VOC in Indië. Als na enige maanden het ook de Engelsen blijkt dat hun blokkade niet effectief is, geeft Dale zijn vloot bevel naar India te zeilen. Hij zal op 19 juli 1619, een maand na aankomst in Masulipatam, aan de kust van Coromandel sterven.

Hoewel Dale’s vloot er niet in is geslaagd Jakarta te veroveren, Coen’s oorlogsschepen te vernietigen of Courthope op het eiland Run te ontzetten, schijnen de Engelsen desondanks een houding van zelfgenoegzaamheid, zelfs van overmoed te hebben aangenomen. Van hun kant gezien is de niet-verklaarde oorlog voorbij en is elk gevaar geweken. (Zij weten in die tijd niet dat er in juli 1619 in Europa een Anglo-Hollands vredesakkoord, dat een einde maakt aan de vijandelijkheden tussen de oorlogvoerende partijen, is ondertekend; dat wordt eerst in het voorjaar van 1620 in de regio bekend.) Voor Coen betekent de zeeslag voor Jakarta dat hij de opgelopen schade aan zijn schepen kan herstellen en dat hij zijn tactische concept opnieuw moet overdenken, maar het is geen signaal de strijd te staken. Vanaf dat moment patrouilleren Hollandse schepen niet meer alleen, maar met meerdere schepen samen.

Op 17 juli 1619 vallen drie Hollandse schepen twee Engelse vaartuigen aan die voor anker liggen in een haven op het Maleise schiereiland. Een van de schepen hijst de bestandsvlag, na een hevige actie die tot overgave had moeten leiden. Als de commandant zich laat zien, doodt een Hollandse scherpschutter de man met een schot in de borst. De gedode man is John Jourdain. Ofschoon het een ernstige inbreuk op de gedragscode betreft, zou Coen persoonlijk het bevel tot de aanval hebben gegeven. Coen geeft de Hollandse kapitein, Hendrik Jansen, een beloning in de vorm van een gouden ketting ter waarde van 1.400 gulden en de schutter ontvangt 100 reais. Patrouillerende Hollandse schepen nemen in augustus het Engelse schip Star, als het door Straat Soenda zeilt. In oktober veroveren andere patrouillerende Hollandse schepen vier Engelse schepen, de Red Dragon, de Bear, de Expedition en de Rose, in de Sumatraanse haven Tecu terwijl zij peper aan het laden zijn.

Tegen de tijd dat Coen een invasiemacht bijeenbrengt om eindelijk de Banda-eilanden te onderwerpen, hebben de Engelsen niet meer dan drie schepen beschikbaar om aan de expeditie deel te nemen. (De strijdende partijen zijn krachtens het Anglo-Hollandse verdrag, van juli 1619 verplicht hun strijdkrachten samen te voegen.) De Hollanders hebben dertien grote schepen, enige kleinere verkennings- vaartuigen en bijna veertig jonken en pramen. De strijdkrachten die aan land gaan zijn opgevoerd tot 1600 Europeanen, 250 man van het garnizoen van de Banda-eilanden, 300 Japanse veroordeelden uit Jakarta en 100 Japanse huurlingen.

Op 11 maart 1620 landt de strijdmacht op Lontor en de volgende dag heeft zij de controle over dit grootste eiland van de Banda-archipel verworven. De aanvallers hebben niet meer dan zes doden en 27 gewonden te betreuren. Als de Hollanders beginnen met de bouw van Fort Hollandia op het eiland, resulteren guerrilla-aanvallen in nog eens negen doden en 27 gewonden.

De ontvolking van de Banda-eilanden

Hoe groot zijn verliezen ook zijn, Coen is niet van plan terug te trekken. Zijn oplossing voor de voortgaande dreiging van een opstand van inheemsen, is deportatie, evacuatie of de hongerdood van de Bandanezen. Een schatting van de gevolgen van zijn optreden in die tijd gaat ervanuit dat de oorspronkelijke bevolking van 15.000 mensen gereduceerd is tot 1.000. Coen heeft zelf berekend, dat niet meer dan 2.500 mensen zijn omgekomen, hetzij door honger, hetzij door militair optreden, terwijl 300 mensen hebben kunnen vluchten.

Het voorwendsel voor de Hollandse acties is de inbreuk op het vredesverdrag dat de orangkaya’s ondertekend hebben bij de overgave van Lontor. Hierbij hebben zij zich verplicht hun gehele oogst aan de VOC te verkopen, maar sommige boeren hebben hun muskaatnoten zelfs met de Engelsen geruild voor kanonnen. Om zijn doel, de ontvolking van de Banda-eilanden, te bereiken, moet Coen een buitensporig geweld aanwenden, ofschoon de acties van zijn troepen bedoeld zijn de eilandbewoners te provoceren tot verzet, om daardoor Coens optreden te rechtvaardigen. De troepen krijgen bevel de onbeschermde dorpen te vernietigen en de inwoners in te delen in arbeidsgroepen.

Coen vestigt zijn hoofdkwartier in een van de dorpen op het eiland Lontor. De Hollandse plaatselijke commandant gebruikt het ontmoetingspaviljoen van het dorp als commandopost en legert troepen in de moskee, daarmee beide plaatsen in de ogen van de dorpelingen ontwijdend. Troepen die bij hun patrouilles uit zijn op plunderen, worden altijd in de beste inheemse woningen ingekwartierd. De boten en huizen van degenen die weigeren de op dat moment rottende muskaatnootvruchten te oogsten, worden verbrand, samen met de geplunderde lokale kostbaarheden.

Op 21 april 1621 slaapt de eerder bedoelde plaatselijke commandant in de moskee als een opgehangen lamp op de vloer kapot valt. Of de lamp nu uit zichzelf is gevallen of dat het een soort signaal is, de Hollanders denken dat het een signaal is voor een verrassingsaanval. Zij folteren een kind dat opbiecht dat de vallende lamp inderdaad het signaal voor een aanval is. De orangkaya’s worden gearresteerd en gemarteld totdat zij een samenzwering bekennen. Coen heeft eindelijk de rechtvaardiging om zijn plan uit te voeren.

Militaire patrouilles stropen systematisch het eiland af, steken dorpen in brand en nemen inwoners gevangen. Zij worden zo snel mogelijk bijeengedreven en naar Batavia overgebracht, waar zij die de reis hebben overleefd worden verkocht als slaven. De eerste naar Batavia vervoerde groep bestaat uit 883 mannen, vrouwen en kinderen. Velen die weigeren zich over te geven ontsnappen per boot, doden zichzelf door van Lontors kliffen te springen of sterven de hongerdood in het bos. Een groep van 45 orangkaya’s onder de gedeporteerden zal later worden geëxecuteerd voor deelname aan een veronderstelde samenzwering in Batavia.

Op de Banda-eilanden gelast Coen nog een serie arrestaties. De gearresteerden worden gemarteld aan boord van de Dragon, Coens vlaggenschip, en zij erkennen te hebben behoord tot het veronderstelde complot dat op 21 april een bloedbad had zullen aanrichten. Op 8 mei worden 44 man, onder wie acht orangkaya’s, gearresteerd en opgesloten in Fort Nassau. Er wordt een doodvonnis voorgelezen en zes Japanse samurai onthoofden de ongelukkigen en zij hakken hun lichamen in vier delen. Hun familieleden, verzameld als getuigen, worden gedwongen de executie af te wachten. Coen wordt later door de Heeren XVII officieel voor de executie berispt, maar dit belet hen niet hem te belonen met 3.000 gulden voor de onderwerping van de Banda-eilanden.

Korte tijd later zenden de Hollanders een strijdmacht van 25 schepen en 500 soldaten naar het Banda-eiland Run. Fort Swan wordt afgebroken en de daar aanwezige Bandanezen worden gedeporteerd. Het wordt de Engelsen toegestaan op het kleine atol Nailakka te blijven. Daarop hebben zij Fort Defence gebouwd, maar niet bij machte vanaf dit punt aan de handel deel te nemen, vertrekken de Engelsen na een paar jaar van het eilandje.

In 1623 wordt Coen vervangen door gouverneur-generaal Pieter de Carpentier. Coen zal echter in 1627 terugkeren en tot 1629 opnieuw gouverneur-generaal zijn. In zijn afwezigheid ontdekken de Hollanders opnieuw een samenzwering, deze keer op Ambon. In februari 1623 wordt een Japanse huurling gearresteerd na in het donker te zijn staande gehouden door een Hollandse schildwacht. Hij bekent een samenzwering met de Engelsen. De vijftien Engelse factors die daar verblijven worden gearresteerd en gemarteld totdat zij hun betrokkenheid bekennen. Zij worden vervolgens geëxecuteerd. Dit incident wordt bekend als het Bloedbad van Ambon. De Engelsen zijn over de gewelddaad zeer verontwaardigd en spreken zelfs over oorlog, maar zover komt het niet. Coen zelf overlijdt in 1630 in Batavia op de leeftijd van 42 jaar.

Met de verovering van de Banda-eilandBanda-eilanden hebben de Nederlanders zich verzekerd van de handel in specerijen. Engelse fouten, gecombineerd met geluk en Hollandse volharding, hebben hun de overwinning bezorgd. Hoewel de Engelsen in de recente krachtmeting de directe vijanden van de Hollanders zijn geweest, vechten beide naties om de erfenis van het rijk van de specerijen van de Portugezen.

Dit overzicht van de problemen tussen Engelsen en Nederlanders in Indië, dat is ontleend aan Engelse bronnen, wordt besloten met een overzicht van andere Nederlandse successen in Azië.

In januari 1641 wordt de Maleise stad Malacca, in 1511 veroverd door Afonso de Albuquerque, aangevallen door de Hollanders, die zich verzekerd hebben van de steun van Johore, het sultanaat aan de zuidelijke tip van het Maleise schiereiland. De stad zal, na zware gevechten, in juni 1641 vallen.

In juli 1601 hebben twee Hollandse schepen onder bevel van Joris van Spilbergen Ceylon aangedaan en de Hollanders zijn goed ontvangen door de Singalese heerser Wimala Dharma Suriya, die Hollandse steun zoekt tegen de Portugezen. Anderhalf jaar later, in november 1602, bezoekt een tweede Hollandse bevelhebber, Sebald de Weert, de haven van Batticaloa. Hij wordt eveneens goed ontvangen door de Singalese koning in de hoog in de bergen gelegen stad Senkadagala. De koning is bereid jaarlijks 9000 kilogram kaneel te leveren in ruil voor Hollandse hulp. De beloofde verbintenis wordt enige maanden later vernietigd door daden van De Weert. Terugkerend van Sumatra, weigert hij af te zien van het slachten van enige heilige koeien om zijn mannen te voeden. En nadat hij zijn soldaten de dieren heeft laten doden, wat een daad van heiligschennis is die niet licht over het hoofd kan worden gezien, nodigt hij de koning en zijn gevolg uit voor een feestmaal. Sebald de Weert wordt dronken en geraakt in een discussie met de koning, wat voor de Singalezen een affront betekent. Zij trekken hun zwaarden en doden alle Hollanders die aan het feestmaal deelnemen. Een andere groep van 300 Singalezen overvalt een groep Hollanders aan het strand. Bij elkaar worden 47 zeelieden gedood.

Raja Sinha II komt in 1628 in Kandy aan de macht. In1636 wil hij zo graag hulp tegen de Portugezen ontvangen dat hij bereid is de gebeurtenissen van 1603 te vergeten. Hij begint onderhandelingen met de Hollanders over het aangaan van een militair verbond. Zij bieden militaire assistentie aan, op voorwaarde dat zij alle kosten die zij daarvoor maken vergoed zullen krijgen. Bovendien krijgen de Hollanders het monopolie op belangrijke handelsgoederen

De Hollanders beginnen in 1639 hun militaire operaties met aanvallen op de aan de oostkust gelegen havensteden Trincomalee en Batticaloa. Trincomalee geeft zich zonder slag of stoot over aan Antonio Caen. Na de verovering van deze steden, richten zij hun aandacht op Kandy. In 1640 wordt Negombo, in het westen van het eiland, na zware strijd veroverd. De stad zal nog in hetzelfde jaar heroverd worden door de Portugezen, die Negombo tot 1643 tegen de Hollanders blijven verdedigen. Galle, aan de zuidpunt van het eiland, de havenstad die Lourenço de Almeida het eerst in 1505 heeft bezocht, is weliswaar gefortificeerd, maar wordt verdedigd door een klein garnizoen dat een tekort aan munitie heeft. Op 9 maart 1640 zijn de Hollanders in staat een strijdmacht van 700 man aan de zuidkust van het eiland aan land te zetten. Colombo zendt een ontzettingsmacht onder capitão Francisco de Mendonça. Nadat de Portugese aanvoerder is gesneuveld, vallen de Hollanders het Forte Santa Cruz in Galle aan en zij veroveren het op 13 maart. Beide zijden komen in 1645 een wapenstilstand overeen. Ondanks hun overeenkomst met Raja Sinha, houden de Hollanders Negombo en Galle na verovering in eigen handen, met het argument dat Kandy niet de gemaakte kosten voor militaire uitgaven heeft betaald.

De wapenstilstand op Ceylon wordt in 1652 verbroken. Een Portugese generaal die met pensioen is, Gaspar Figueira de Sepa, krijgt opnieuw het opperbevel en hij weet de Hollanders te weerstaan. In oktober 1655 wordt hij gedood en zijn leger verslagen in de Slag van Kalutara. Het restant van zijn leger trekt zich terug op Colombo. Het Fortaleza de Colombo, gebouwd in 1554, wordt verdedigd door een garnizoen van slechts 600 Europeanen en 200 inheemse soldaten. Ondanks een artilleriebombardement dat de buitenmuren verwoest, verliezen de Hollanders een schip en hebben zij 300 doden te betreuren bij de eerste aanval. Een Hollandse blokkade voorkomt dat Goa de stad kan ontzetten. De verdedigers houden het uit tot 10 mei 1656, op welke datum zij zich overgeven. Als het Fortaleza op 12 mei wordt ontruimd, zijn er nog maar 73 Portugese soldaten in leven. Het Tamil-koninkrijk in het noorden van het eiland zal in 1658 vallen.

Volgend op de verovering van Ceylon, beginnen de Hollanders, onder commando van Rijckloff van Goens, een campagne tegen de Portugese vestigingen in India. Tuticorin, bij de zuidelijke tip van India, valt in 1658. Negapattinam, aan de Coromandelkust in 1660. Cannanore, op de Malabarkust, valt in 1662, gevolgd door Cranganore en Cochin in 1663.

Cornelis Speelman zal in 1667 Makassar, op het eiland Celebes veroveren. Het sultanaat Bantam, op Java, zal in 1682 worden geannexeerd. Dit is de laatste in de reeks van expansionistische veroveringen. Zij zullen daarna nog alleen in 1693 Pondicherry, de Franse vestiging aan de Coromandelkust, veroveren, maar zij zullen die in 1699 weer verliezen aan de Fransen.

1 Aan Jan Pieterszoon Coen zijn voorafgegaan: Pieter Both (1610-1614), Gerard Reynst (1614-1614) en Laurens Reael (1616-1619).

2 Tot de Banda archipel behoren nog ten minste vier kleine eilandjes: Nailakka bij Run; Karaka tussen Gunung Api en Banda Neira; Sjahrir of Pisang bij Lontor en Baru Kapal bij Sjahrir.

1.2 Dom Frei Luís de Brito, Nuno Álvares Botelho, en Dom Miguel de Noronha, conde de Linhares

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

Dom Francisco da Gama, conde de Vidigueira (1622-1627). De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640

Deel 17 Index

Hoofdstuk 1.

De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640

1.0. Dom Francisco da Gama, conde de Vidigueira (1622-1627)

Geschreven door Arnold van Wickeren

In het jaar 1622 loopt de ambtstermijn van capitão-geral Fernão de Albuquerque af. Zijn burgerlijk bestuur van de Portugese bezittingen in het Oosten wordt goed beoordeeld, maar met zijn militaire operaties is hij niet erg gelukkig geweest, zoals blijkt uit het verlies van Ormoez. Zeer curieus is dat Fernão de Albuquerque tijdens zijn gehele ambtstermijn van drie jaren nimmer een brief van koning Philips III van Spanje = Filipe II van Portugal heeft ontvangen. De koning heeft op 29 april 1621 tot opvolger van de gouverneur benoemd Dom Afonso de Noronha. De nieuwe capitão-geral, tevens de laatste die door Philips III is benoemd, is gerechtigd de titel ‘vice-rei’ te dragen, wat hij ongetwijfeld te danken heeft aan zijn aanzienlijke geboorte. Het is Dom Afonso niet gegeven met zijn vloot, bestaande uit vier naus en zes galeões, Indië te bereiken. De nau Nossa Senhora da Conceição, waarover kapitein Dom Francisco Lobo het bevel voert, is evenals de andere drie naus gedwongen naar Lissabon terug te keren. De galeões komen in een vreselijke storm terecht, die de schepen behoorlijk toetakelt. Ofschoon de galeão São João in de storm zijn grote mast verspeelt en kapitein Luís Moura Rolim in Setubal de mast moet vervangen, is de São João de enige galeão die Goa weet te bereiken. Het arriveert daar op 27 september 1621. De andere galeões zijn gedwongen naar Lissabon terug te keren. Vier daarvan worden toegevoegd aan de kustbewakingsvloot en het kleinste galjoen, onder bevel van kapitein João Rodrigues da Cunha, wordt met gereedschappen voor de mijnbouw naar Moçambique gezonden, maar het schip vergaat bij de Baixos de Santa Anna. Dat de overige schepen niet in Indië aankomen, is een ernstige tegenslag voor de regering van de Estado da India, omdat de niet aangekomen naus aanzienlijke versterkingen aan boord hadden die onder de gegeven situatie broodnodig zijn.

De oprichting van de West-Indische Compagnie, op 3 juni 1621, vormt een grote bedreiging voor Brazilië en in ieder geval voor de Iberische scheepvaart op dat land. Gaspar de Guzmán y Pimentel, conde de Olivares y duque de Sanlúcar la Mayor (1587-1645), de feitelijke machthebber op het Iberische schiereiland ten tijde van koning Philips IV (1621-1665), Filipe III van Portugal (1621-1640), beseft, mede gelet op de voortdurende bedreigingen van de Iberische positie in Azië, terdege de zwakheid van het koninkrijk. Hij dringt er voortdurend op aan een permanente Spaans-Portugese verdedigingsmacht van 100.000 voetknechten en 10.000 ruiters te formeren en een vloot te bouwen om deze strijdmacht naar bedreigde kusten te vervoeren en om handelsschepen te escorteren. Het koninkrijk Portugal weigert de bevelen van de almachtige eerste minister te gehoorzamen en het land zal de verontwaardiging daarover zwaar te verduren krijgen. Hij dwingt het koninkrijk niet alleen uitgebreide verdedigingswerken te construeren, maar de stad Lissabon wordt gedwongen zich grote opofferingen te getroosten, om verschansingen en loopgraven aan te leggen die nimmer door soldaten zullen worden bezet.

Op een bepaald moment liggen er in de haven van Lissabon acht grote schepen, waarvan er echter maar twee zeewaardig zijn. Olivares geeft desondanks alle acht schepen het bevel de Taag te verlaten om de met specerijen en andere kostbaarheden geladen naus uit Indië naar Lissabon te escorteren. Hij geeft Dom Manuel de Menezes het commando over de uitzeilende vloot. Deze wijst zijn opdrachtgever op het grote gevaar van de opdracht, maar deze waarschuwing haalt niets uit. Het resultaat is zoals mocht worden verwacht. De vloot uit Indië wordt ontmoet, maar vervolgens slaat een storm de schepen van beide vloten uit elkaar en met uitzondering van het galjoen São Tiago, lijden alle schepen schipbreuk en de ramp is zo volledig dat ook de kostbare ladingen verloren gaan en bovendien maar zeer weinig opvarenden worden gered. De bemanningen van het schip onder bevel van Dom Manuel de Menezes zelf en die van het galjoen Santa Filipa zijn de enigen die de ramp overleven. Het verlies van zoveel schepen ruïneert de Portugese vloot en er dient een groot bedrag op tafel te komen, niet alleen om de verliezen te bestrijden van het vergaan van de retourvloot uit Indië. Het gaat daarbij niet alleen om de verliezen die de Koninklijke Schatkist lijdt, maar ook om de te bieden hulp, omdat de Portugese overzeese bezittingen nu wel zeer worden bedreigd.

In hetzelfde jaar dat Philips III van Spanje overlijdt (31 maart 1621) en Philips IV enkele dagen later de troon bestijgt, loopt het Twaalfjarig Bestand met Holland af en worden de Iberische havens opnieuw voor Hollandse schepen gesloten. De vijandelijkheden tussen Spanje en de Nederlanden worden direct hervat en de Hollanders verliezen geen tijd om een aanval op Portugees Macau uit te voeren, zoals aan het einde van het vorige deel al is vermeld. Danvers gaat als volgt verder met zijn betoog. “Philips IV is niet een man van groot moreel gewicht en hij beschikt evenmin over een sterk karakter; de macht van Spanje is over zijn hoogtepunt heen en zijn ontwrichting en verval hebben al ingezet; grote geesten, zoals die welke de monarchie waarover Philips II heeft geregeerd, hebben opgebouwd, zijn niet langer voor de staat beschikbaar en het proces van splijting en verval voltrekt zich in een rap tempo. Het is onvermijdelijk dat de Portugese staat wordt meegesleept in de ondergang van Spanje en als de Portugezen ongeveer negentien jaren later het Spaanse juk afschudden, is het te laat om de fouten uit het verleden te herstellen en Portugal dat de wereld radicaal veranderd en verbaasd heeft door zijn heroïsche daden moet het stellen met de herinnering aan zijn vroegere grootheid en genoegen nemen met een tweederangsplaats onder de Europese naties.”

Dom Francisco da Gama, conde de Vidigueira, verlaat na afloop van zijn driejarige ambtstermijn van gouverneur en onderkoning van de Estado da India in 1600 zijn standplaats, verwenst door de bevolking van Goa1. Hij heeft diverse keren op herbenoeming aangedrongen om de bevolking van Goa te bewijzen dat zij zich vergist heeft in de beoordeling van zijn daden tijdens zijn eerste ambtstermijn. Tijdens de regeringstermijn van Philips III heeft Dom Francisco geen succes met zijn pleidooi, maar Philips IV blijkt bereid zijn verzoek in te willigen. Nadat Dom Francisco zijn benoeming binnen heeft, schrijft hij Philips IV een brief, waarin hij hem eraan herinnert dat hij zijn benoeming heeft geaccepteerd nadat de functie van gouverneur van Portugees Indië aan drie anderen was aangeboden, die allen voor de eer hebben bedankt. Hieruit blijkt wel dat in het begin van de zeventiende eeuw de onderhavige functie niet zeer begeerd is. Later zal blijken dat Dom Francisco da Gama er ook verstandig aan zou hebben gedaan de functie niet te aanvaarden.

De nieuwe vice-rei vertrekt op 18 maart 1622 met de naus Santa Tereza de Jesus, São Carlos, São José en São Tomé, de volgende dag gevolgd door de galeões Trindade en São Salvador en de patachos São Pedro en Nossa Senhora do Rosário, onder bevel van Sancho de Tovar e Silva. Bij Natal wordt het schip van de onderkoning door de bliksem getroffen, maar het brandje wordt snel geblust en niemand raakt gewond. De São Tomé en de Trindade verlaten de vloot en zeilen op eigen gelegenheid naar Goa, waar zij op 22 en 24 augustus als eersten aankomen. Als de meeste schepen op 24 juli bij Moçambique zijn, ontmoet Dom Francisco vijf Nederlandse schepen: Goeden Fortuijn (admiraalsschip), het Wapen van Seelandt, Suijt-Hollandt, Noort-Hollandt en het Hert en vier Engelse schepen: Royal Exchange (vice-admiraalsschip), Royal Ann, Diamond en Dragons Claw. Admiraal van de gecombineerde vloot is de Hollander Jacob Dedel en vice-admiraal is de Engelsman Sir Humphrey Fitz. Op 24 augustus 1622 raken de Hollandse schepen slaags met de Santa Tereza, de São Carlos, de São José en de São Salvador. De Engelse schepen houden zich afzijdig (zie § 1.1), met uitzondering van de Royal Ann. De São José van kapitein Dom Francisco Mascarenhas wordt in een gevecht dat veertig uren duurt ernstig toegetakeld en als het op plunderen aankomt, zijn de Engelsen er als de kippen bij. De drie andere schepen trachten in het donker en zonder loods de haven van Moçambique binnen te sluipen. Dit lukt alleen kapitein Gonçalo de Siqueira de Sousa van de São Salvador, die in augustus behouden aankomt in Muscat en een jaar later Goa bereikt; de beide andere schepen, de Santa Tereza, die de onderkoning aan boord heeft, en de São Carlos, onder bevel van Dom Francisco Lobo, lijden schipbreuk bij Moçambique. Het eerste schip wordt door de Portugezen in brand gestoken; het andere wordt geplunderd, voordat het omslaat en zinkt. Op een bepaald moment ziet Jacob Dedel nog twee Portugese schepen verschijnen; het zijn de São Tomé en de Trindade. Hij tracht beide schepen te bereiken, maar zij weten te ontkomen. De beide schepen arriveren in augustus veilig in Goa. De São José zinkt tenslotte. Wat de beide patachos betreft, komt de São Pedro 24 augustus 1622, met een deel van de lading van de Santa Tereza en vermoedelijk ook met de vice-rei aan boord, in Goa aan. De Nossa Senhora do Rosário schijnt, na al dan niet Goa te hebben aangedaan, teruggekeerd te zijn naar Brazilië; het schip wordt bij Cadiz door de Turken veroverd en naar Algiers gebracht.

Het eerste dat de graaf van Vidigueira na aankomst in Indië doet, is de stand van zaken in de kolonie nauwkeurig onderzoeken en hij schrijft koning Filipe III menig brief over zijn bevindingen. Hij rapporteert dat alles in Indië in de slechtst mogelijke staat verkeert; dat de forten in een belabberde staat verkeren en dat het geschut veelal verdwenen is; dat Ormoez, eens de haven die de meeste winst opleverde van alle Portugese bezittingen in de Oost, verloren is gegaan en dat Cochin dat de meest welvarende stad is geweest, nauwelijks nog bedrijvigheid kent en zozeer is vervallen dat de stad zich niet tegen haar vijanden kan verdedigen, terwijl de vijanden van Portugal heer en meester in de Indische Oceaan zijn. Het enige dat de Portugezen te doen staat, is vrede sluiten met de Hollanders, zelfs al zouden zij daarvoor hun havens voor Hollandse schepen moeten openstellen. Tezelfdertijd merkt de bisschop van Cochin in een brief aan de koning op, dat de mensen die naar Indië gezonden worden geen echte soldaten zijn, daar zij eenmaal in gevecht zijnde de strijd zo snel mogelijk willen staken en zich uit de voeten maken.

Ondanks dat de regering van Portugees Indië alles doet om te verhinderen dat de Hollanders zich in Indië vestigen, schijnen bepaalde individuele Portugezen in verschillende plaatsen direct zaken met hen te doen en er zijn zelfs geestelijken die zich met deze illegale handel bezighouden, in de hoop dat hun positie waarborgt dat zij hiervan niet worden verdacht. De handel met de Hollanders neemt een zodanig hoge vlucht, dat hiertegen maatregelen dienen te worden genomen en daarom wordt bekend gemaakt dat iedereen die van illegale handel wordt beschuldigd, zal worden gestraft. De onderkoning adviseert de koning iemand naar Indië te zenden die, in zijn functie van algemeen inspecteur, het gehoorzamen aan de wetten afdwingt. Daarbij zou het niet alleen gaan om burgerlijke rechten. Alle soorten middelen worden aangewend om de legale handel te bevorderen. Onder meer is het dragen van bepaalde hoofddeksels verboden, omdat dit de verkoop van fijn linnen hindert. Tezelfdertijd gaat er in verschillende havens een procent extra belasting geheven worden om de forten van nieuwe artillerie te voorzien.

Een groot bedrag aan staatsinkomsten in Indië schijnt in de tijd naar verscheidene religieuze orden te zijn gegaan en hieraan refererend, merkt de graaf van Vidigueira in 1623 op, dat terwijl zij ondersteund worden door de overheid, zij zelf grote fondsen bezitten, terwijl de openbare kassen leeg zijn. Het aantal monniken is in de meeste plaatsen ook buitensporig talrijk. In Goa, merkt de onderkoning op, bedraagt hun aantal het dubbele van dat van andere Portugese inwoners en dit is eveneens het geval in andere plaatsen in Indië, zoals in Malabar. Cochin is niet alleen de zetel van een bisschop met de grote kathedraal van Santa Cruz, maar in de stad zijn ook kloosters van de jezuïeten, franciscanen, dominicanen, augustijnen en monniken van Sint Paulus en een seminarie. In het nabijgelegen Quilon, met zijn befaamde kerk van Sint Thomas, is een Santa Casa da Misericórdia, een hospitaal en zijn huizen van de jezuïeten en franciscanen. Namens de kerk zetelt er een vicaris-generaal.

In januari 1623 gaan drie Engelse en vier Hollandse schepen de haven van Goa blokkeren, om te verhinderen dat de Portugezen dat jaar met specerijen geladen schepen naar Portugal sturen. Vice-rei Dom Francisco da Gama heeft begin 1623 geen schepen in de haven van Goa liggen om de blokkade te doorbreken en hij kan niet anders dan de vijanden verduren, elke dag vrezend dat zij tot de aanval zullen overgaan. Maar als de tijd waarbinnen schepen aan de reis naar Portugal kunnen beginnen, verstreken is, zonder dat een schip heeft kunnen uitvaren, wordt de lokkade op 19 maart opgeheven.

In de eerste helft van de jaren twintig van de zeventiende eeuw moeten de Portugezen niet alleen machtige vijanden weerstaan, maar zij worden in die jaren ook achtervolgd door pech. Een en ander blijkt uit het onvermogen van Lissabon broodnodige versterkingen naar Azië te zenden; de schepen van de vloot van 1621 hebben – zoals vermeld – allen op een na rechtsomkeert moeten maken en de vloot uit 1622 is grotendeels vergaan in de strijd met de Hollanders. Op 24 maart 1623 zeilen twee vloten uit. Een onder bevel van Dom António Telo de Menezes; zij bestaat uit de naus São Francisco Xavier, Santa Isabel en Nossa Senhora da Conceição. Op dezelfde dag vertrekt Dom Filipe Mascarenhas met de drie galeões Santo André, Misericórdia en São Simão en de patachos São Braz en Nossa Senhora da Guia. Op de vloot bevinden zich 5.000 man die de Portugese gelederen in Indië moeten versterken. Danvers schrijft dat een schip gedwongen is naar Lissabon terug te keren en dat het vergaat in de monding van de Taag, maar dat de bemanning en de lading gered worden. Een tweede schip vergaat bij Sint Helena, maar de lading wordt gered en door andere schepen overgenomen. De derde nau en twee van de drie galeões gaan verloren bij Moçambique en een van de patachos lijdt schipbreuk aan de kust van Arabië door onbekwaamheid van de loods. Slechts een galeão en een patacho bereiken Indië. Charles Boxer geeft in zijn studie From Lisbon to Goa 1500-17502 een veel minder dramatisch beeld van de lotgevallen van deze vloot. De Santo André, het vlaggenschip van Dom Filipe Mascarenhas, bereikt als enige schip nog in het jaar van vertrek uit Lissabon zijn bestemming. Het arriveert al in oktober 1623 te Goa. De rest van de vloot is gedwongen in Moçambique te overwinteren. De beide andere galjoenen3 en twee naus, bereiken eerst in mei 1624 hun bestemming. Van de drie naus gaat de Santa Isabel op 24 januari 1624 door een plotselinge hevige rukwind bij Moçambique verloren. Van de beide patachos is de São Braz op 28 januari 1624 vergaan in Moçambique en de patacho Nossa Senhora da Guia wordt bij Cabo da Boa Esperança eerst toegetakeld door een Engelse coaster en vergaat dan aan de Arabische kust. Danvers mag dan wel een te somber beeld hebben geschetst, maar hij heeft ongetwijfeld gelijk dat van de 5.000 man versterkingen velen door ziekte zijn overleden, want een verblijf in het koortsverwekkende klimaat van Moçambique wordt veel door de reis verzwakte opvarenden fataal.

Dan keert het tij; op 2 september 1624 arriveren in Goa alle acht schepen: de naus Cinco Chagas en Nossa Senhora da Quietação en de galeðes São Francisco, São João, Santo António, São Pedro, São Tiago en Nossa Senhora da Conceição, die op 25 maart van dat jaar uit Lissabon zijn uitgezeild. Bovendien heeft de vloot, die onder bevel staat van João Pereira Corte Real, maar enkele lichamen van overledenen aan boord, terwijl de bemanning in uitzonderlijk goede gezondheid verkeert. De behouden aankomst van de schepen wordt in Goa met klokgelui gevierd. Eindelijk lijkt er een einde te zijn gekomen aan de rampspoed van de laatste jaren. Vijf galjoenen van de vloot van 1624 blijven in Indië; de graaf van Vidigueira zendt Nuno Álvares Botelho met deze schepen naar het noorden, waar zij worden toegevoegd aan de Armada de Alto Bordo, die in Goa en Bassein geformeerd wordt, om te worden toegevoegd aan de vloot van capitão-mor Rui Freire de Andrade, die de haven van Ormoez blokkeert. Zij dienen ook het hoofd te bieden aan de Anglo-Hollandse eskaders die – zo wordt verwacht – in december van Swally naar Gombrun zullen zeilen.

Vele bijzonderheden in het nu volgende verslag over het optreden van Nuno Álvares Botelho en Rui Freire de Andrade zijn ontleend aan Batalhas e Combates da Marinha Portuguesa (Vol.V) van Saturnino Monteiro, waarvan het artikel “11 a 24 de Fevereiro de 1625” is gepubliceerd op de internet-site: http://www.ancruzeiros.pt/anchistoria-comb-1625.html

Het bericht over het verlies van Ormoez bereikt het Schiereiland via Turkije en het gebied van de Middellandse Zee, in december 1622. Het veroorzaakt een enorme consternatie bij de bestuurders van zowel Spanje als Portugal. De toenmalige eerste minister van Philips IV (die de troon heeft bestegen in april 1621), de graaf van Olivares, een integer en energiek man, vastbesloten een halt toe te roepen aan corruptie en verval die zich verspreiden over het Spaanse hof, wil Spanje zijn vroegere grootheid hergeven.

Wat het verlies van Ormoez betreft, bestaat de reactie van Olivares daaruit dat hij Lissabon beslissende opdrachten geeft die erop neerkomen alle beschikbare hulpmiddelen in te zetten om onverwijld een zo groot mogelijke vloot uit te rusten en naar Indië te zenden, om het verloren terrein te heroveren. Het gaat hier klaarblijkelijk om een instinctieve reactie, die niet stoelt op een gedetailleerde analyse van de situatie en bovendien van de oorzaken die hebben geleid tot het verlies van het fort, namelijk het gebrek aan water op het eiland en het feit van de heerschappij ter zee, die in handen van de Engelsen is overgegaan.

Het resultaat van het door de graaf van Olivares genomen besluit is, dat op 2 maart 1623 drie naus, drie galeões en twee patachos de Taag afzeilen, met bestemming Indië. Het is overigens de bedoeling dat er nog meer galeões zullen worden uitgerust, die in september zullen uitvaren. Maar de reis loopt, zoals zo vaak in dat tijdvak het geval is, op een mislukking uit. De drie naus, die vertraging hebben opgelopen, zijn verplicht te overwinteren in Moçambique; een van de twee galeões en de twee patachos gaan verloren aan de oostkust van Afrika, alleen de galeões Misericórdia en Santo André vervolgen hun reis en bereiken Goa; de versterkingen die voor september zijn voorzien, vertrekken zelfs in hry geheel niet. In Indië zijn op dat moment vijf galeões: de São Sebastião, die in Damão is gebouwd, de São Francisco en de São Jerónimo, die in Baçaim van stapel zijn gelopen, en de Trindade en de São Salvador, die in 1622 uit Portugal zijn gekomen. Met de aankomst van de Misericórdia en de Santo André komt het totaal op zeven. Deze zeven galeões vormen een vloot van een redelijke omvang, bovendien liggen in Goa ook nog een zeker aantal urcas en patachos. Jammer genoeg is het op dat moment niet mogelijk al deze schepen te bewapenen, wegens gebrek aan artillerie, bedienaren van het geschut en Europese zeelieden. Dit probleem zou kunnen worden opgelost door het opgeven van forten die niet langer nodig zijn, maar vooral door de mensen en materiaal verslindende oorlog op Ceylon te staken en zowel de mensen als de kanonnen te gebruiken voor de vloot. Dit gebeurt echter niet, waardoor het tijdperk van verval en stagnatie wordt ingeluid.

Ondertussen spant men zich in Portugal in met het treffen van voorbereidingen om Indië te hulp te komen. En op 18 maart 1624 vertrekt, onder bevel van Nuno Álvares Botelho, weer een grote vloot. Zij bestaat uit twee naus en zes galeões, waarvan er vijf in Indië dienen te blijven. Anders dan wat de laatste jaren gebruikelijk is, bereikt de gehele vloot op 1 september 1624 Goa en vrijwel iedereen aan boord verkeert in goede gezondheid, wat tot grote opwinding in Goa leidt, omdat dit beschouwd wordt als een wonder. De zeer voorspoedige reis kan voor een groot deel worden toegeschreven aan de capitão-mor, een energieke, competente, eerlijke en tolerante man, die erin slaagt het vertrouwen, respect en sympathie van alle andere fidalgos aan boord te winnen. Met de ontvangen versterkingen, waarmee het aantal galeões in Indië op twaalf is gekomen, kan vice-rei Dom Francisco da Gama tenslotte een Armada de Alto Bordo samenstellen. Deze vloot zal eerst naar Surat moeten gaan, om de acht Engelse kraken en twee jachten die daar liggen te verdrijven. Zij dient vervolgens naar de Perzische Golf te gaan, om Ormoez te heroveren. Voor het uitvoeren van deze laatste taak dient de Armada de Alto Bordo zich te verenigen met de door roeiers voortbewogen vloot van Rui Freire de Andrade die men daar zal ontmoeten Om economische redenen en wegens gebrek aan personeel en artillerie, worden in Indië niet meer dan zes galjoenen uitgerust. Het zijn de volgende schepen: São Francisco (capitânia) met 48 stukken geschut en 350 man, welk schip in 1624 uit Portugal is gearriveerd; São Francisco (almiranta), 32 stukken en 250 man, gebouwd in Baçaim; São Sebastião, 40 stukken en 400 man, gebouwd in Damão; Trindade, 24 stukken en 250 man, in 1622 gearriveerd; São Salvador, 22 stukken en 200 man, in 1622 gearriveerd; Santiago, 22 stukken en 250 man, in 1624 gearriveerd; Misericórdia, 22 stukken en 200 man, in 1623 gearriveerd; Santo António, 22 stukken en 200 man, in 1624 gearriveerd. Het commando over de gehele vloot, die 226 kanonnen en 2.100 man aan boord heeft, wordt opgedragen aan Nuno Álvares Botelho. De Engelse kraken die zich, onder bevel van John Weddel, bij Surat bevinden zijn: de Royal James, met 48 stukken, de Jonas, met 44 stukken, de Star, 27 stukken, en de Eagle, met 22 stukken; de Hollandse kraken, onder bevel van Albert Becker, zijn de Zuid-Holland, met 46 stukken, de Nieuw Bantam, ook met 46 stukken, de Maagd van Dordrecht, met 24, en de Weesp, met eveneens 24 stukken geschut. Van de twee Engelse jachten, de Scout en de Spy, is de bewapening niet bekend. Ook is niet bekend hoeveel opvarenden de Engelse en Nederlandse schepen hebben, maar het zullen samen zeker minder manschappen zijn dan zich op de Armada de Alto Bordo bevinden. Bij elkaar heeft de Anglo-Hollandse vloot 281 kanonnen, wat 55 meer is dan waarover Nuno Álvares Botelho beschikt, nog afgezien van het geschut aan boord van de Engelse jachten. Saturnino Monteiro wijst vervolgens op de spanning die tussen Engelsen en Nederlanders bestaat, tengevolge van de massacre de Amboíno in 1623 dat de betrekkingen tussen Engelsen en Hollanders voor vele jaren belast.

Desondanks besluiten Weddel en Becker, wanneer zij vernemen dat de Portugezen in Goa doende zijn een grote vloot uit te rusten om hen te gaan bestrijden, hun gevoeligheden te laten rusten en zich gezamenlijk tegen de vijand te verdedigen. De Anglo-Hollandse vloot zeilt wellicht tegen eind december naar Ormoez. In haar gezelschap vertrekken van Surat twee Moorse naus en een Portugees vaartuig dat 11 november is buitgemaakt bij Chaul. Het wordt als derde jacht aan de vloot toegevoegd. Op 9 december 1624 vertrekt Nuno Álvares Botelho met zes van de acht galjoenen uit Goa naar Baçaim; daar aangekomen verneemt hij dat de Anglo-Hollandse vloot inmiddels Surat heeft verlaten en op weg is naar de Perzische Golf. Bang dat de vijand heeft weten te ontsnappen, laat hij de twee in Goa achtergelaten galjoenen ook naar Baçaim komen. Zij arriveren daar op 6 januari 1625, waarop hij begint aan zijn oversteek van de Arabische Zee. Maar dat blijkt geen pretje te zijn; de vloot wordt overvallen door een vreselijk onweer en komt 7 februari nogal toegetakeld in Muscat aan. De schade die de schepen door de storm hebben opgelopen wordt zoveel mogelijk hersteld en op 9 februari komt Nuno Álvares Botelho bij Ormoez aan en voegt hij zijn vloot bij de twintig galeotas en de twintig terranquins, zijnde met riemen voortbewogen vaartuigen van Rui Freire de Andrade, die doende is de Perzische kust te brandschatten en vervolgens daagt Nuno Álvares de Engelse en Hollandse schepen uit, die aan dezelfde kust ankeren. Zij aanvaarden de uitdaging en zeilen op de Portugese vloot toe. Op 11 februari 1625 ontstaat er, bij weinig wind, een algemeen gevecht tussen beide vloten van acht schepen elk, dat neerkomt op een lang aangehouden artillerieduel. De strijd wordt menigmaal verhevigd als door het opsteken van een windje de snelheid van de vijandelijke schepen toeneemt doordat zij de zijwind weten op te vangen. De Engelse en Hollandse kapiteins zijn daarin meer bedreven en zij bezitten een grotere tactische behendigheid dan de Portugese kapiteins. Desondanks krijgt geen van de partijen de overhand, omdat de grotere behendigheid van de vijandelijke kapiteins gecompenseerd wordt door de hulp die de Armada de Alto Bordo ontvangt van de roeischepen van Rui Freire de Andrade. Zij nemen de grote schepen zonodig op sleeptouw om deze een betere positie te verschaffen. Aan beide zijden vallen door de beschietingen vele doden en zwaargewonden. Onder de laatsten bevindt zich António Teles de Meneses, kapitein van de São Sebastião; hij wordt vervangen door Simão Quintal de Carvalho, kapitein van de São Jerónimo, wiens plaats wordt ingenomen door Manuel Quaresma Carneiro. Tijdens de nacht van 11 op 12 februari steekt de wind plotseling op en gaat er een frisse wind uit het noordwesten waaien, die de hele dag van 12 februari aanhoudt. De oorsprong van de noordwestenwind ligt in de onstuimige Arabische Zee, die een risico vormen voor de galjoten. Gegeven de windrichting is het voor de Portugese vloot onmogelijk om op de vijand toe te zeilen. De vijand ligt veilig beneden de wind. De Engelsen en Hollanders, wier schepen ernstig beschadigd zijn, hebben geen belang bij een gevecht bij de heersende weersomstandigheden. Daarom komen de beide vloten de gehele dag niet van hun plaats.

Op 13 februari vindt een tweede zeeslag plaats, opnieuw bij weinig wind. Deze slag ontwikkelt zich als de eerste en eindigt met identieke resultaten, dat wil zeggen, zonder voordeel voor een van beide zijden. Omdat zijn schepen veel schade in de tuigage hebben opgelopen, zeilt Nuno Álvares Botelho met zijn vloot naar het eiland Lareca (Lara), dat ten zuiden van Ormoez ligt, om de schade te herstellen en om water in te nemen. De Engelsen en Hollanders keren terug naar de Perzische kust om de lading van hun schepen aan te vullen. Omdat zij over nog maar heel weinig munitie beschikken, hebben zij er geen belang bij opnieuw het gevecht aan te gaan. Nadat de vijandelijke vloten zich hebben teruggetrokken naar de Perzische kust, roepen Nuno Álvares Botelho en Rui Freire de Andrade de kapiteins van alle schepen bijeen voor een vergadering. De meerderheid is van mening dat als de vloot bij Lareca blijft liggen de schepen in dit jaargetijde de kans lopen overvallen te worden door een van de talrijke onweders en dat het daarom zaak is zo spoedig mogelijk beschutting te zoeken in de haven van Muscat. De beide bevelhebbers willen daarvan niets weten, want als de Portugezen de wateren verlaten waar zij slag hebben geleverd, moeten de Perzen wel denken dat de Portugezen verslagen zijn.

Op 23 februari licht de Anglo-Hollandse vloot het anker en zij begint aan de terugreis naar Surat in gezelschap van twee Moorse kraken. Nuno Álvares Botelho bindt echter op 24 februari opnieuw de strijd aan met de Anglo-Hollandse vloot. Het nieuwe artillerieduel, dat plaats vindt in de Golf van Oman, heeft, hoewel het zeer hevig is, geen belangrijke gevolgen. De schade die de Portugese schepen in de eerdere gevechten hebben opgelopen, beletten hen dit keer voordeel te behalen op de vijand. De Engelse en Hollandse schepen dienen hun snelheid aan te passen aan de langzame bewegingen van de Moorse naus, die met hen vertrekken. Tijdens de nacht doven de Engelsen en Hollanders hun scheeps-lantaarns; zij breken de strijd met de Portugezen af en zeilen weg in zuidelijke richting, waarbij zij langs de Indische kust zeilen.

De volgende morgen zijn de vijandelijke schepen al erg ver weg. Nuno Álvares Botelho gaat met zijn vloot naar Corfação om de schade aan zijn schepen te herstellen. Rui Freire de Andrade keert met zijn roeischepen terug naar Perzië om verwoestingen aan de kust aan te richten. “Rest nog te vermelden dat de terugtrekking van de Engelsen en Hollanders hun prestige in de regio zeer ondermijnt. Daar staat tegenover dat het prestige van de Portugezen aanzienlijk toeneemt, niet alleen omdat zij meester van het slagveld zijn gebleven, maar ook wegens de uitwerking van de verwoestingen die de mede door roeiers voortbewogen schepen aan de kust van Perzië aanrichten waarmee de Perzen zich niet durven meten. Tenslotte besluit de sjah vrede met ons te sluiten, waarbij hij voor eeuwig de factorij in Congo, gelegen op het vasteland, niet ver van Ormoez, aan ons overdraagt. Aldus, dankzij het verstandige optreden van Nuno Álvares Botelho en Rui Freire de Andrade, die gebruikmaken van de helft van de vloot waarover zij beschikken, heroveren de Portugezen tijdelijk de heerschappij over de Perzische Golf en zij weten ook hun handel met Perzië grotendeels te herstellen. De stad Ormoez echter staat na het vertrek van de Portugezen voor een periode van toenemend verval, waarvan zij zich nimmer zal herstellen.”

Danvers vermeldt over de drie zeeslagen dat in het tweede gevecht twee Hollandse schepen onbruikbaar worden en dat de Portugezen veel doden en gewonden te betreuren hebben. Ook Nuno Álvares Botelho raakt gekwetst, Na de derde slag zijn de Portugese vaartuigen bijna al hun masten kwijt en zij hebben twee kapiteins en 40 soldaten verloren. De verliezen aan de kant van de Engelsen en Hollanders in de drie zeeslagen zouden 1.000 man zijn en er zouden drie schepen tot zinken zijn gebracht. Danvers laat de Anglo-Hollandse vloot ook na de derde slag terugkeren naar het eiland Comoran in de Perzische Golf. Ook volgens Penrose zeilt deze vloot naar Surat (zie pag. 253)

Penrose beschrijft nog een volgende zeeslag tussen Portugezen en Engelsen. Drie Engelse schepen, de Palsgrave, Dolphin en Lion, worden op 7 oktober 1625 opgejaagd door vier Portugese galjoenen, onder bevel van Nuno Álvares Botelho. De laatste krijgt het langzaamste Engelse schip, de Lion, te pakken met zijn snelste twee galjoenen. Het Engelse schip wordt behoorlijk toegetakeld; de Portugezen enteren het schip en steken het in brand. De aanvallers worden verjaagd en de branden geblust. De beide andere galjoenen leveren slag met de Palsgrave en de Dolphine. De Engelse schepen ankeren op 4 november bij Ormoez. Vier dagen later valt Rui Freire de Andrade de Lion met zijn fregatten aan. De Lion brengt twee fregatten tot zinken voordat de Portugezen het schip kunnen enteren. Als de Portugezen aan de winnende hand zijn, blazen de Engelsen de Lion op. De Engelse zeelieden die tijdig overboord zijn gesprongen, vallen in handen van Rui Freire, die 26 vijanden laat onthoofden. Bovendien zijn de lichamen van 42 Engelsen die zijn opgeblazen op de kust bij Gombrun aangespoeld en daar begraven.

De problemen van de Portugezen in Indië worden in de beschouwde jaren aanzienlijk vergroot doordat de Hollanders een gevaarlijk overwicht in de handel hebben verkregen en in 1623 laat koning Philips IV zijn vice-rei, de graaf van Vidigueira, weten dat hij zo spoedig mogelijk de inspanningen van de Engelsen, Hollanders en Fransen om zich de handel met Oost Indië, China en Perzië toe te eigenen, een halt dient toe te roepen, omdat dit van groot belang is voor de Kroon. Ervan uitgaande dat het in die tijd praktisch onmogelijk is de Engelsen en Hollanders met wapengeweld uit Indië te gooien, omdat hun kracht in Azië daarvoor veel te groot is en de Koninklijke Schatkist te zeer is uitgeput. Daarom dient list en toewijding te worden aangewend om hun handel te vernietigen, omdat de positie die zij in het handelsverkeer innemen de werkelijke bron van hun kracht is. Met het geschetste doel voor ogen wordt voorgesteld toe te staan dat peper en kaneel, kruiden die tot dan toe niet naar Perzië mogen worden gebracht, door een naar Hollands voorbeeld te vormen compagnie van samenwerkende Portugese kooplieden worden verhandeld en zij dienen in Perzië een overeenkomst met de sjah te sluiten om specerijen tegen zijde te ruilen. Voor alle relevante artikelen worden redelijke prijzen vastgesteld, opdat de compagnie kan blijven bestaan. Specerijen en kaneel kunnen verder worden vervoerd naar Moskou en naar Turkije, en vandaar kunnen deze artikelen via de haven São Nicolas en de Levant gedistribueerd worden over de noordelijke landen die tot nu toe door Holland bevoorraad worden. De handel van de Hollanders zal dus, naar wordt gehoopt, worden verwoest, of de Hollanders ondervinden zodanige concurrentie dat zij hun prijzen dienen te verlagen om hun marktaandeel niet geheel te verliezen. Ofschoon het plan bepaald ingenieus genoemd kan worden, schijnt nooit een poging te zijn gedaan om het in de praktijk te brengen.

Nadat Ormoez in 1622 voor de Portugezen verloren is gegaan, vestigen zij zich in 1623 in Bussora (Basra). Zij richten daar, aan het begin van de karavaanweg die de Perzische Golf verbindt met de Middellandse Zee, een feitoria in. Basra wordt ook de hoofdzetel van een religieuze communiteit en de plaats waar een seminarie wordt gevestigd.

In Goa wordt het bericht ontvangen dat de capitão van Sofala en Moçambique Nuno da Cunha in 1623 is overleden. Deze Nuno da Cunha is voorheen een inwoner van Goa geweest, die zichzelf evenwel in opspraak heeft gebracht. In 1611 heeft Dona Margarida de Mendonça over Nuno da Cunha een petitie aan de Kroon in Spanje gezonden, waarin zij de koning laat weten door Nuno da Cunha, een prominent fidalgo in Goa, te zijn verkracht. Hij heeft op het missaal en een crucifix gezworen met haar in het huwelijk te treden, maar uiteindelijk komt hij zijn belofte niet na. Zij en haar moeder verzoeken de koning Nuno da Cunha te veroordelen haar te trouwen. De Kroon vraagt vice-rei Dom Jerónimo de Azevedo zeer discreet een onderzoek in te stellen naar de klacht en Nuno da Cunha onder druk te zetten Dona Margarida te trouwen, als haar beweringen juist blijken te zijn. Boxer, aan wie deze geschiedenis is ontleend, schrijft niet te weten wat de uitkomst van het onderzoek was, maar Nuno da Cunha schijnt ongehuwd te zijn geweest toen hij in 1623 stierf.

In de zomer van 1624 zeilt Rui Freire de Andrade met zijn vloot van de basis Muscat naar het schiereiland Musandam om de oorlog tegen de Perzen, die nog steeds forten langs de kust bezitten, voort te zetten. Hij tracht te verhinderen dat er voedsel in Ormoez wordt aangevoerd en hij valt schepen aan die de haven van Ormoez willen aandoen of verlaten. Zijn gezamenlijk optreden met Nuno Álvares Botelho kwam al eerder ter sprake. Het volgende is ontleend aan de commentaren van Rui Freire de Andrade zelf en beschrijft4 de bestorming van Limah aan de oostkust van het schiereiland Musandam en tenslotte de aankomst bij het fort “Camufa”, Kumzar.

“Dit fort is gebouwd op de top van een heuvel buiten het bereik van onze artillerie, en zij wensen zich niet over te geven aangezien daarin een garnizoen van 400 Perzische soldaten is gelegerd; in tegendeel, zij vuren enige salvo’s met hun musketten op onze vloot, die het sneuvelen van acht Portugezen en de verwonding van vele andere veroorzaakt. Het schijnt de generaal toe dat deze oorlog onrechtmatig wordt voortgezet, dus geeft hij 300 goedbewapende Portugezen het bevel, onder hun eigen kapiteins, samen met een legermacht van 400 lascarins, onder leiding van Manuel Cabaco, te worden ontscheept op drie verschillende plaatsen, met de opdracht iedereen die zij in het fort zouden aantreffen met het zwaard te doden. Deze manschappen voeren snel en effectief de verschillende landingen uit, terwijl zij een regen van schoten moeten trotseren,.afgevuurd vanaf het fort met de bedoeling de landing te hinderen. Na de landing klimmen zij de heuvel op naar het fort, dat zij al bij de eerste aanval innemen, waarbij zij zich een weg banen met hun handgranaten. Zij doden allen met het zwaard die zij binnen aantreffen, zonder aanzien van leeftijd of sekse, en vervolgens steken zij de stad in brand en verwoesten het fort, waarbij zij geen leven sparen, noch een steen op de andere laten staan. Dit wordt allemaal verricht met het verlies van slechts zes gedode Portugezen en twaalf omgekomen lascarins, en iets meer gewonden. Nadat deze oorlogszuchtige furie is beëindigd, zeilt de generaal langs de kust en nadat hij Cabo Mussandam is gepasseerd, arriveert hij bij Camufa, waar hij goed wordt ontvangen door de inwoners van de stad, daar alle mannen vroeger hebben gediend als zeelieden op onze vloten of galeien in Ormoez, en zij zijn een volk dat nimmer ontrouw aan ons is geweest.”

De vijanden van Portugal in de Oost zijn rond 1625 zeer machtig geworden, zowel wat het aantal schepen als wat het aantal mensen aangaat. Bovendien zijn veel Nederlandse schepen groot en zij zijn zwaar bewapend. De moeilijkheden van de Portugezen worden nog vergroot doordat de opbrengsten van hun handel aanzienlijk zijn verminderd. Dit is het gevolg van smokkel op grote schaal, vooral in Goa en op Ceylon. Hierdoor ontbreken er fondsen voor het onderhoud en herstel van de vele Portugese forten in Indië. Om toch aan de benodigde fondsen voor het herstel van hun forten te komen, wordt het noodzakelijk gevonden de opbrengst van bepaalde schepen en reizen voor dit doel te bestemmen; maar deze komen soms ook ten goede aan bepaalde personen. In die tijd schijnt de Estado da India geen eigen inkomsten te hebben; veel dorpen bij Portugese vestigingen worden bevolkt door pachters, of de landopbrengst komt ten goede aan individuele personen. Als degenen die een bepaalde post in dienst van de overheid bekleden, sterven in de strijd met Europese vijanden, erft hun zoon maar vrij zelden zijn vaders functie en nog minder komt het voor dat de weduwe van een gesneuvelde overheidsdienaar die geen zoons bezit de functie van haar overleden echtgenoot gaat vervullen.

Het is enige tijd gebruikelijk weesmeisjes naar Indië te zenden. Zij zijn afkomstig uit de weeshuizen van Lissabon. De bedoeling is dat zij in Indië een echtgenoot vinden en voor hem gaan zorgen. Op deze wijze wordt de kolonie voorzien van Portugese vrouwen en wordt voorkomen dat Portugese mannen in Indië uitsluitend met inheemse vrouwen trouwen. In veel gevallen zijn deze wezen ook voorzien van een door de Estado da India verstrekte bruidsschat, die incidenteel de vorm heeft van een benoeming in overheids-dienst. Het is de bedoeling dat niet zij zelf, maar hun toekomstige echtgenoot de overheidsfunctie gaat vervullen. Er worden ook benoemingen verstrekt aan de dochters van inheemse ambtenaren die in het huwelijk treden, als beloning voor de diensten aan de Estado da India bewezen door hun ouders; in een geval heeft de bruidsschat de vorm van de benoeming tot gouverneur van Cranganore. Om de Estado da India niet al te zeer te belasten, wordt het in 1627 wenselijk geacht dit soort benoemingen te beperken, zodat een groter aantal benoemingen beschikbaar komt voor de verkoop. Zo wordt bepaald dat functies gegeven aan weesmeisjes slechts gelden voor drie jaren.

Tegemoetkomend aan de wens de Hollanders en Engelsen in de Indische wateren weerstand te bieden, neemt de conde de Vidigueira zijn toevlucht tot het plan kaperbrieven aan bepaalde inwoners van Cochin uit te geven. Zij krijgen daarmede verlof schepen uit te rusten om op rooftocht te gaan tegen ieder schip van deze naties dat zij ontmoeten. De onderkoning wenst niet alleen schepen, manschappen en fondsen om tegemoet te komen aan de dringende behoeften van de Estado da India, maar het geld dat op een of andere manier beschikbaar komt, wordt te vaak verkeerd aangewend of aan andere doeleinden besteed. Al lang geleden is er een belasting ingevoerd van 1 procent voor het onderhoud van geestelijken en voor andere vrome doelen, maar in 1621 is opdracht gegeven de opbrengst van deze belasting aan te wenden voor het onderhoud van vrouwen en kinderen van mannen die zijn omgekomen bij het vervullen van een publieke functie. Vervolgens wordt in bepaalde havens een extra belasting van twee procent geheven, om geld te verwerven voor de bouw van een vloot om de Hollanders uit Indië te gooien. Ondanks iedere voorzorgsmaatregel, blijft de situatie bestaan dat de opbrengsten van de Estado da India voor een zeer groot deel worden aangewend voor het levensonderhoud van grote aantallen priesters en verdwijnt door verduisteringen van de kant van personen die de hoogste posities in de regering bekleden.

In het jaar 1627 wordt de bouw van het enige vrouwenklooster in Goa, het Convento de Santa Mónica, voltooid. Aan het reusachtige complex is, op last van aartsbisschop Frei Aleixo de Menezes O.E.S.A., al in 1607 begonnen. Rond het begin van de zeventiende eeuw heeft de aartsbisschop nog twee opvanginstituties voor vrouwen, in dit geval jonge meisjes gesticht, namelijk het Recolhimento de Nossa Senhora da Serra en het Recolhimento de Santa Maria Madalena. Beide instellingen zijn bestemd voor vrouwen wier reputatie ernstig is geschaad omdat algemeen bekend is dat zij seksueel actief zijn buiten het huwelijk. In de eerste instelling worden mulheres de partido en concubines geplaatst. De tweede instelling is meer bestemd voor jonge ongehuwde moeders. Voor deze vrouwen is een huwelijk niet uitgesloten, zij het dat hun echtgenoten een lage sociale status hebben. Bijzonder is dat het bestuur over de beide Recolhimentos in handen wordt gegeven van de Santa Casa da Misericórdia5 in Goa. De aanmatigende arrogantie van de religieuze orden in Indië schijnt tenslotte een climax te hebben bereikt en er worden vervolgens instructies uit Portugal ontvangen, waarbij de aantallen personen behorend tot bepaalde kloosterorden zullen worden gelimiteerd. Deze instructie wordt een paar jaren later gevolgd door het verbod nieuwe kloosters te stichten.

Kort voor de afloop van de ambtstermijn van de conde de Vidigueira, rust de sultan van Atjeh een vloot van 35 galeien tegen Malacca uit. Dom Francisco Coutinho valt de vloot van Atjeh met 16 schepen aan. Hij steekt 34 galeien in brand en 3.000 Atjeeërs worden gedood of gevangengenomen. Tengevolge van de niet aflatende oorlogen met Atjeh en de rivaliteit met de Hollanders, is Malacca, dat eens de belangrijkste en bloeiendste handelshaven in de Oost was, gereduceerd tot een tweederangs haven, waarvan de inkomsten zijn verminderd tot 3.000 cruzados.

De regering van Macau verkeert niet in een betere positie. Op 10 juni 1627 verschijnen vier Hollandse schepen voor de haven. Zij zijn van plan de vloot die op het punt staat naar Japan te vertrekken, aan te vallen. Door gebrek aan geld en schepen is de capitão van Macau niet bij machte de vijand te weerstaan. Hierop rusten enige rijke kooplieden in de stad vijf schepen uit. Zij zeilen uit en vallen het Hollandse eskader aan. Het admiraalsschip6 wordt beschoten en in brand gestoken. Van de bemanning vinden 37 man de dood en 50 worden gevangengenomen. De kanonnen, de ammunitie, de schatkist en de voorraden worden ook in zekerheid gesteld. Na het verlies van een schip, trekken de drie andere schepen zich terug.

In het najaar van 1627 wordt er bericht uit Europa ontvangen dat de graaf de Vidigueira zijn ambt dient over te dragen aan Dom Francisco Mascarenhas, maar omdat deze officier ondertussen naar Spanje is teruggekeerd, draagt de graaf de Vidigueira het bestuur over aan Dom Frei Luís de Brito, bisschop van Cochin. De afgetreden vice-rei vertrekt met een van de in begin 1628 met specerijen geladen schepen naar Portugal. Ofschoon zijn bestuur in Indië opmerkelijk succesrijk is geweest, krijgt Dom Francisco da Gama bij zijn terugkeer in Lissabon allerlei aanvallen te verduren. Hij zou bepaalde wetten hebben genegeerd en hij zou tijdens zijn ambtstermijn verschillende ongeoorloofde uitgaven hebben gedaan. Uiteindelijk is de graaf tegenover de Kroon verantwoordelijk voor de terugbetaling van de niet toegestane uitgaven. Ook wordt Dom Francisco da Gama verweten dat hij het systeem van verkoop van bepaalde reizen heeft ingevoerd. De opbrengsten daarvan, die anders aan de Kroon zouden zijn toegevallen, zijn verdeeld over particuliere personen.

In 1601 zijn zowel koning Philips III van Spanje, als paus Clemens VIII zeer gebrand op het zenden van onderzoekers naar Cathay (China) en het winnen voor de Kerk van de volkeren ‘liggende tussen India en Cathay.’ Hun grandioze plannen worden niet eerder uitgevoerd dan in de jaren twintig7 van de zeventiende eeuw, als António de Andrade, de Portugese overste van de jezuïeten in Goa, aan de westkust van het Indische subcontinent, besluit een avontuur te lanceren, door over land via Kasjmir en Tibet naar China te reizen. Hij zal dan ook de eerste westerse missionaris zijn die Lhasa bereikt. Vroeg in het jaar 1624 vertrekt Andrade, vergezeld van broeder Manuel Marques, een opmerkelijke lekenbroeder, wiens naam een prominente plaats inneemt in het verhaal van de westerse exploratie van Tibet, van het keizerlijke hof van de Grootmogol in Agra in het noorden van India voor een ontdekkingsreis naar Tibet. In de herfst van 1624 bereiken Andrade en Marques, na een zware tocht over de bergkammen van de Himalaya, Tsaparang aan de bovenloop van de Sutley Rivier. Tsaparang is in die tijd de regeringszetel van Guge, een historisch Lamaïstisch koninkrijk waarvan het territorium min of meer samenvalt met het huidige district Gartok in West-Tibet.

De eerste ontmoeting tussen de westerse missionarissen en de Tibetanen schijnt veelbelovend te zijn. De Tibetanen begroeten Andrade en Marques met verrassende vriendelijkheid. In de loop van hun eerste verblijf, volgen de koning en de koningin van Guge dagelijks religieuze lessen en zij ontvangen van de jezuïeten dankbaar een voorstelling van de Heilige Maagd en het Kindeke. Dit koninkje is zo onder de indruk van Andrade dat hij op de avond van zijn terugkeer naar Goa, voordat de bergpassen afgesloten zullen zijn door de winterse sneeuwval laat in 1624, erop staat dat de missionarissen volgend jaar zullen terugkeren. In een brief over deze kwestie belooft de koning (Kri-bKra-Sis-grags-pa-Ide), ook hen te zullen beschermen op hun weg terug naar Noord-India. Andrade arriveert vroeg in 1625 terug in Goa, waar hij zijn ervaringen neerschrijft ten behoeve van de Provinciaal overste van de Jezuïeten. In zijn analyse noemt hij het hof in Guge een bijzonder goede omgeving om het geloof te verkondigen. Andrade heeft zich zo goed van zijn taak gekweten, dat de namen van drie andere priesters worden genoemd om hem te vergezellen op zijn tweede reis naar Tsaparang om daar een permanente missiepost te vestigen.

In augustus 1625 arriveren Andrade, Marques en pater Gonzales de Sousa weer in Tsaparang als een voorhoede, om daar de missiepost te openen. Zij beginnen op Pasen van het volgende jaar met de bouw van een permanente kerk, waarvoor de koning van Guge zelf de noodzakelijke fondsen heeft verstrekt en de plechtige ceremonie waarbij de eerste steen is gelegd met zijn aanwezigheid heeft opgeluisterd. Voordat het nieuwe kerkgebouw klaar is, arriveren de overige priesters, de paters João de Oliveira, Alano dos Anjos en Francisco Godinho. Een afgesplitste tak van de missie wordt spoedig daarna gevestigd in Rudok, 300 mijl ten noorden van Tsaparang, die wordt bemand door de nieuw aangekomen priesters. Volgens de rapportage van de jezuïeten zelf bedraagt het aantal lokale bekeerlingen in Guge in 1627 ongeveer honderd, onder wie de koningin, de kroonprins en enige andere belangrijke leden van de koninklijke familie. Zelfs de koning heeft Andrade toevertrouwd dat hij zich in de nabije toekomst wil laten dopen. Het mag een wonder heten dat de jezuïeten erin zijn geslaagd in het district Gartok, een streek waar het Boeddhisme en Lamaïsme een lange traditie hebben, een christelijk bruggenhoofd te vestigen.

Andrade moet naar Tsaparang gekeken hebben als naar een poort die leidt naar vele andere Lamaïstische koninkrijken in het gebied waar etnische Tibetanen wonen. Van Guge dringen de jezuïeten door naar het noorden naar Rudok en naar het westen naar Ladakh. Uit correspondentie van de jezuïeten blijkt dat er sprake is van missieactiviteiten ver naar het noorden in Kashgar, in Chinees Turkestan. Maar het meest opmerkelijke initiatief dat Andrade en zijn confraters hebben genomen, is dat wat in 1626 leidt tot de stichting van een buitenpost in Shigatse, de toenmalige zetel van het Tsang koninkrijk. De verloving van de dochter van de koning van Tsang met de kroonprins van Guge, zou Andrade, die een hartelijke vriendschap onderhoudt met de koninklijke familie van Guge, de mogelijkheid hebben geboden zijn missionaire taak uit te breiden tot Shigatse. In de zomer van 1626 bericht Andrade aan Goa dat hij van de Monarch van Tsang een koninklijk bevel en een invitatie heeft ontvangen. In het begin van 1628 ondernemen de jezuïeten Estêvão Cacella en João Cabral, op verzoek en aanbeveling van Andrade, de reis van Goa naar het Tibetaanse Tsang. De twee jeugdige jezuïeten reizen in werkelijkheid van Cochin in Malabar, waar zij werkzaam zijn, naar Bengalen, waar zij zich zes maanden op hun reis door Bhutan voorbereiden. Aan het einde van een verblijf van bijna acht maanden in Bhutan hebben Cacella en Cabral een ontmoeting met Shabdrung (heerser) Ngawang Namgyal (1594-1651), de stichter van Bhutan, wiens vooraanstaande grootvader door de Gelugpa Sekte (zie hierna) uit Tibet is verdreven. Cacella schrijft vanuit het Cheri klooster een uitgebreid rapport (Relação) naar zijn superieur in Cochin, waarin hij vertelt over de reis tot dan toe. Zij reizen door naar Shigatse (dicht bij de Brahmaputra) de residentie van de Panchen Lama en de plaats waar zich het grote Tibetaanse klooster Tashilhumpo bevindt. Hier worden zij hartelijk verwelkomd door de Karma Tenkyong, de heerser van Tsang. Als deze zijn ongebruikelijke gasten ontmoet, geeft de vriendelijke Karma Tenkyong de paters verlof het christelijke geloof te verkondigen in zijn Lamaïstische gebied en hij geeft de missionarissen genereus geld om dagelijks eten te kopen, zodat zij zich onbezorgd in Shigatse aan hun missionaire taak kunnen wijden. De missionarissen ondersteunende koning van Tsang gaat zelfs in op Cacella’s vrijmoedige suggestie een nieuwe reisroute tussen Shigatse en het noorden van India uit te zetten met het oogmerk de mogelijk florerende missieactiviteiten te bevorderen.

Waarom zijn de heersers van deze Lamaïstische koninkrijken zo enthousiast over de introductie van het christelijke geloof in hun rijken? Wat beweegt hen zo meegaand en hoffelijk op te treden tegenover de jezuïeten? Er moet wel sprake zijn van sterke politieke motieven bij de Tibetaanse monarchen en hun hoven achter hun steun aan de missionaire ondernemingen. Tegen de tijd dat Andrade en Marques Tsaparang bereiken, wordt de koning van Guge geplaagd door toenemende onrust en weerspannige kloostergemeenschappen in zijn gebied. De gehele situatie verslechtert nog meer als de onrust onder de monniken in het geheim wordt aangemoedigd door leden van de koninklijke familie. Aan het begin van de jaren twintig van de zeventiende eeuw hebben de hervormers van de Gele Hoed, bekend onder de meer formele naam van de Gelugpa sekte van het Lamaïsme, de overhand niet alleen in Guge, maar in heel Tibet. Met het groeiende aantal aanhangers van de Gele Hoed in Guge, zijn de kloosters in staat aanzienlijke hulpbronnen van hun volgelingen te verwerven. Zo heeft bijvoorbeeld de broer van de koning, als Lamachef, de koning lange tijd tegengewerkt door het aanwerven van Tsaparangs beste jongemannen voor de Gelugpakloosters, waarmee deze verloren zijn gegaan voor de militaire dienst. Vanzelfsprekend beschouwt de koning zulke activiteiten als een potentiële bedreiging van zijn seculiere heerschappij. Het inkomen van de Lamachefss neemt snel toe, zodat de Gelugpa sector een van de rijkste groepen binnen het koninkrijk dreigt te worden.

De koning van Guge aanvaardt het christendom als een tegenkracht tegen de Gelugpa, als een tegenwicht tegen zijn potentiële rivalen en als een versterking van zijn positie. Bij verschillende gelegenheden kiest de koning openlijk de zijde van Andrade. Hij staat de jezuïeten niet alleen toe aan zijn hof te prediken, maar hij verleent de missionarissen ook privileges en gunsten. De koning verliest onderwijl geen tijd om de Lamaïstische leer in diskrediet te brengen en zijn stijgende afkeer van de lama’s van de Gele Hoed te tonen. Hij staat de jezuïeten zelfs toe het Lamaïsme aan te vallen in publieke debatten tussen twee partijen. De openlijke kritiek op het Lamaïsme, die mogelijk is geworden door hun stijgende macht aan het hof, is ten dele verantwoordelijk voor het verlies van de gunst van ’s konings broer en van de monastieke autoriteiten die hij vertegenwoordigt. Er dreigt in Guge een politieke storm op te steken die het bestaan van het land bedreigt.

Aan het einde van de jaren twintig is de broer van de koning zo jaloers op de stijgende reputatie van Andrade dat hij een geheim complot smeedt om de christelijke invloed uit het koninkrijk te verwijderen. Terwijl de jezuïeten zich mogen verheugen in de steun van de koning, waaronder zijn financiële bijstand, en zij geraakt worden door de zichtbare getuigenissen van koninklijke sympathie, falen zij erin de groeiende publieke weerstand, uitgelokt door de ontevreden lama’s, waar te nemen. Het is onvermijdelijk dat de openlijke koninklijke gunst getoond jegens de vreemde missie de kloostergemeenschappen kwaad maakt en dat dit uiteindelijk zal leiden tot een botsing met de jezuïeten. In 1630 verliezen de jezuïeten invloed doordat António de Andrade is benoemd tot provinciaal overste van de Societas Jesu en dat hij mitsdien naar Goa vertrekt. Hij is de drijvende kracht van de missie geweest en haar voortdurende bron van inspiratie. Zonder zijn aanwezigheid is het nauwelijks mogelijk de grote invloed van de jezuïeten in Guge te handhaven. Als de koning later dat jaar ziek wordt, zien de dissidente Gele Hoed lama’s, geleid door de broer van de koning, hun kans schoon. Met geheime aanmoediging van de koning van het buurland Ladakh, staan de zittende clerus en de oorlogsmonniken op tegen de troon.

Het gevolg van de beroering van het jaar 1630 in Guge is een ramp, niet alleen voor de koning en zijn familie, maar ook voor de jezuïeten. De koning, de koningin en andere leden van de koninklijke familie worden gevangengenomen en zij worden naar Leh gebracht en er wordt nimmer wat van hen vernomen. Een prins van het hof van Ladakh wordt de feitelijke heerser van Guge, wat erop wijst dat Guge niet langer een onafhankelijk koninkrijk is, maar in het vervolg valt onder de suzereiniteit van Ladakh. De Tibetanen die zich tot het christendom hebben bekeerd krijgen het in de handen van de wraakzuchtige lama’s zwaar te verduren. Velen worden als slaven afgevoerd naar Ladakh. De kerkgebouwen en andere eigendommen van de kerk in Tsaparang en Rudok worden in brand gestoken en de vijf jezuïeten die op het moment van de aanval in Tibet zijn, zijn in feite de gevangenen van de uit Ladakh binnendringende lieden.

Het antwoord van Andrade in Goa op de ramp is dat hij zijn vroegere confrater in Tsaparang, Frei Francisco de Azevedo, een onderzoek laat instellen. Azevedo arriveert in de zomer van 1631 in Tsaparang en treft daar een situatie aan die zo beroerd is als hij zich heeft voorgesteld. Wat er over is van de missie van de jezuïeten is niet in staat de overgebleven gemeenschap van bekeerlingen te bedienen. Azevedo besluit de koning van Ladakh te benaderen om de evangelisatie in Tibet te kunnen voortzetten en de positie van de jezuïeten in Guge te herstellen. De koning van Ladakh stemt er tenslotte mee in dat er meer missionarissen uit Goa naar Tsaparang komen. Maar de jezuïeten zijn niet in staat hun voormalig aanzien in de stad te herstellen, vooral niet nadat de invloedrijke Andrade in 1634 is overleden, gevolgd door de dood van twee andere priesters als deze op weg zijn van Goa naar Tsaparang. De laatste poging om de missie in Guge te herstellen, strandt in 1640, als drie nieuwe priesters worden aangevallen bij hun binnenkomst in Tibet. Zij worden gedwongen rechtsomkeert te maken. Terugkijkend kan worden geconcludeerd dat Guge een christelijk land had kunnen worden, maar als reizigers uit het westen vele jaren later dit deel van Tibet bezoeken, treffen zij daar geen spoor meer van de vroegere kerstening aan.

In de hoofdstad van Tsang, Shigatse, vinden soortgelijke ontwikkelingen plaats als in Guge. Hier mengen de jezuïeten zich ook in plaatselijke religieuze en politieke intriges Bij het aanbreken van de zeventiende eeuw, hebben religieuze oorlogen geleid tot serieuze bedreigingen voor de Tibetaanse eenheid. Ofschoon in de jaren twintig de Gelugpa Sekte in de meeste Tibetaanse regio’s de overhand heeft, is de oude Katmapa Sekte dominant in enige delen van Zuid-Tibet, zoals in de streken Shigatse en Tsang. Als de paters Cacella en Cabral op 20 januari 1628 Shigatse bereiken, neemt de spanning tussen de Karmapa en de Gelugpa toe. Zowel koning Karma Tenkyong van Tsang en zijn Karmapa bazen streven ernaar hun aanzien tegenover de overal aanwezige Gelugpa kloostergemeenschappen te handhaven. Het is in hun belang de jezuïeten en de tot het christendom bekeerde Tibetanen als een tegenwicht te gebruiken tegenover hun machtige rivalen. Nadat Cacella en Cabral in Shigatse zijn aangekomen, heeft koning Tenkyong van meet af aan enthousiast op de activiteiten van de jezuïeten gereageerd.

Ondanks de voor de jezuïeten gunstige atmosfeer in Shigatse, wordt daar geen solide missionaire basis gelegd. De historische bronnen zijn te fragmentarisch om een definitieve conclusie te trekken over de reden waarom de jezuïeten tenslotte het koninkrijk Tsang hebben verlaten. Desondanks blijkt uit de correspondentie tussen Cacella en zijn superieuren in Goa dat de opstand van 1630 in Guge en de daaropvolgende ineenstorting van de missionaire inspanningen van de jezuïeten, de jezuïeten aan het denken hebben gezet of het verstandig zou zijn een stabiele gemeenschap van christenen te stichten in een Lamaïstisch rijk. Hun uiteindelijke conclusie moet negatief zijn geweest. Ondanks Karma Tenkyongs ijverige pogingen Cacella’s en Cabrals verblijf in Tsang te verlengen en wellicht een permanente missiepost in Shigatse te vestigen, wijzen de beide priesters de voorstellen van de koning af. In 1632 wordt het tweetal door Goa teruggeroepen en wordt de missiepost in Shigatse, na slechts korte tijd te hebben bestaan, verlaten.

1 Zie deel XV, pag. 150

2 Zie pagina’s 193-194.

3 Volgens O livro do Estado da India van Barreto de Rezende en António Bocarro komt de São Simão in Goa aan, maar volgens Dom Afonso Mendes, de Patriarch van Ethiopië, is het schip vergaan bij Moçambique, aldus Boxer.

4 Dit stuk is eind november 2006 ontleend aan de internetsite http://www.datainfo.com/hormuz/kumzar.htm

5 Zie deel X, pag. 22.

6 Volgens de VOC-site is op 12 oktober 1627 het gloednieuwe jacht Ouwerkerk van 100 ton door de Portugezen geënterd en in brand gestoken.

7 Afgezien van de reis van Bento de Gois, die 2 oktober 1602 uit Agra vertrekt naar Cathay, maar die China niet bereikt. (Zie § 2.1 van deel XVI)

1.1 Problemen tussen Engelsen en Nederlanders in Indië

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme Spaanse kolonialisme

Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee. DEEL 17

Geschreven door Arnold van Wickeren

Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee. DEEL 17

De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640, De Portugezen in Bengalen, Portugezen, Spanjaarden en Hollanders in Siam en Achter-Indië

Voorwoord

Verantwoording

Glossarium

Hoofdstuk 1. De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640

1.0. Dom Francisco da Gama, conde de Vidigueira (1622-1627)

1.1. Problemen tussen Engelsen en Nederlanders in Indië

1.2. Dom Frei Luís de Brito, Nuno Álvares Botelho en Dom Miguel de Noronha, conde de Linhares

1.3. Pedro da Silva en António Telles de Menezes (1627-1640)

1.4. De Carreira da India

Portugese avonturiers in de de Golf van Bengalen

Hoofdstuk 2. De Portugezen in Bengalen

2.0. De Portugese vestiging in Hooghly en in Oost-Bengalen

2.1. De Portugese avonturier Filipe de Brito e Nicote

2.2. De opkomst van Sebastião Gonsalves Tibau

2.3. Kleinere vestigingen van de Portugezen in Bengalen

2.4 Portugese missionarissen in Bengalen

2.5. Portugese handel in Bengalen; de opkomst van rivalen

2.6. De ondergang van Filipe de Brito e Nicote en van Sebastião Gonsalves Tibau

2.7. De val van Hooghly

2.8. De terugkeer van de Portugezen naar Hooghly

Hoofdstuk 3. Portugezen, Spanjaarden en Hollanders in Siam en Achter-Indië

3.0. Portugezen en Hollanders in Siam

3.1. Portugezen en Hollanders in Achter-Indië

3.2. De expeditie van Veloso, Ruiz en Gallinato naar Cambodja

3.3. Cambodja onder Spaanse voogdij

3.4. Hollanders in Cambodja

Voorwoord

Als mijn geheugen mij niet bedriegt, maakte ik voor het eerst kennis met Arnold van Wickeren toen hij in 1998 in Porto een lezing gaf voor een groep Nederlandse en Vlaamse expats. De lezing ging over de Portugese ontdekkingsreizen. Opvallend waren het aanstekelijke enthousiasme en de indrukwekkende kennis van zaken waarmee hij over het onderwerp sprak. Ondanks alles wat hij erover gelezen had – directe bronnen, kronieken, scheepvaarthistorische werken, economische en politieke studies en nog veel meer – vertelde hij erover als over een nog altijd ongelofelijk en adembenemend avontuur. Bij die gelegenheid kocht ik een exemplaar van Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee (1994), de eerste versie in één kloek boekdeel van wat inmiddels is uitgegroeid tot een reeks van zeventien dunnere deeltjes, die samen zo’n 3.800 bladzijden beslaan. Een indrukwekkende onderneming, die nog niet ten einde is en die de auteur geheel zelfstandig uitvoert, en waarvan hij de uitgave financiert uit de privéverkoop van de boeken. Tegen kostprijs kunnen geïnteresseerden zo in het bezit komen van een reeks werken die de Portugese en vooral de Portugese overzeese geschiedenis behandelt op basis van een in de loop der tijd steeds verder verbrede keuze standaardwerken en studies in het Portugees, Italiaans, Spaans, Frans, Engels en Nederlands. De verwerking van dat brede aanbod aan soms zelfs voor vakhistorici moeilijk of niet toegankelijke literatuur maakt de reeks tot een unicum. Nooit eerder was in het Nederlands een zo uitgebreid en op zoveel terzake doende publicaties gebaseerd overzichtswerk over het onderwerp voorhanden. En dankzij eigen onderzoek en adviezen en suggesties van specialisten in de geschiedenis van de Portugese en Europese expansie wordt de verwerkte literatuur gaandeweg aangevuld en geactualiseerd. Voeg daarbij de voorbeeldige literatuuropgaves, de kaartjes en de uitgebreide registers en het resultaat is een onmisbaar en onovertroffen standaardwerk voor Nederlandse en Vlaamse historici, lusitanisten en geïnteresseerde leken. Het mag dan ook in geen openbare, universiteits- of vakbiliotheek ontbreken.

De ‘dikke Van Wickeren’ vult een lacune die tot voor kort schrijnend was. Kennis over Portugal en de Portugese expansie was in de Lage Landen vrijwel afwezig. Slechts enkele zeer schaarse lusitanisten interesseerden zich ervoor en van de vaderlandse expansiehistorici waren er maar enkelen in staat Portugees te lezen. Portugese historici publiceerden vrijwel uitsluitend in het Portugees en hadden weinig contact met de buitenwereld. Pas in de laatste decennia verandert deze situatie. Nederlandse vakhistorici bestuderen Portugese bronnen, ontmoeten Portugese collega’s op internationale congressen en werken samen aan publicaties. De vroegere afzonderlijke bestudering van de Nederlandse en de Portugese expansie heeft plaatsgemaakt voor internationaal onderzoek vanuit verschillende perspectieven, waarin zowel Europese als Arabische en Aziatische historici en specialisten ook op tal van andere gebieden samenwerken. Die internationalisering en diversificering wordt door Van Wickeren op de voet gevolgd, waardoor zijn reeks een verwerking van recente inzichten biedt die nergens anders op een zo toegankelijke wijze aanwezig is voor een breed publiek. Dat de auteur negen jaar nadat ik hem leerde kennen nog altijd met hezelfde enthousiasme en dezelfde brede belangstelling werkt aan dit project dat hij als zijn hobby blijft zien, toont een enorme wilskracht.

Dit deel, het zeventiende van de kleinere boekjes waarin Van Wickeren de Portugese expansiegeschiedens in chronologische en geografische eenheden nader uitwerkt en actualiseert, is wellicht het spannendste deel tot nu toe. Het behandelt in het eerste hoofdstuk de onttakeling van het Portugese imperium in Azië in de jaren 1622-1640. Bespoedigers van het verval zijn de op macht en geld beluste Portugese gouverneurs en onderkoningen in Goa, de niet minder inhalige en machtsbeluste, elkaar op leven en dood bestrijdende geestelijke ordes, de voor eigen rekening handeldrijvende en malverserende door de koning aangestelde factorijhoofden en een door chronisch geldgebrek en het uitblijven van versterkingen en materieel ondermijnd militair apparaat dat niet langer het hoofd kan bieden aan de Hollandse en Engelse kapers op de Indische kusten, die zich met steeds meer succes meester proberen te maken van militaire en commerciële sleutelposities in India en Oost-Azië.

De hoofdstukken 2 en 3 bevatten enkele van de sappigste episodes uit de rijkelijk geaccidenteerde aprocriefe geschiedenis van het Portugese machtsstreven in Azië: de lotgevallen en schurkenstreken van degenen die opereerden buiten het officiële circuit en als huurlingen, carrièremakers en handelaars de Lusitaanse Aziëpolitiek ondermijnden of regelrecht dwarsboomden en die alleen steunden als hen dat voor eigen gewin of lijfsbehoud uitkwam. Het is de geschiedschrijving over de keerzijde van het Portugese avontuur in Azië, die voor het eerst bekend werd door de lange tijd als fantasielectuur beschouwde Peregrinação (1614, Nederlandse vertaling Pelgrimsreis, 1992) 1) van Fernão Mendes Pinto, zelf een Portugees die zich als ‘geheime’ gezant en handelaar ver van de gebaande wegen in die boeiende clandestiene wereld had begeven en verschillende van de markantste kopstukken eruit kende. Wie nog twijfelt aan het waarheidsgehalte van wat Pinto vertelt over de politieke en militaire invloed die een van zijn personages door zijn schurkenstreken en bravourestukjes verwierf bij vorsten van Pegu, Siam en Birma, leze in hoofdstuk 2 van dit deeltje de ongelofelijke lotgevallen en machinaties van Filipe de Brito e Nicote en Sebastião Gonsalves Tibau. Daarna mag zij/hij oordelen in hoeverre ‘Pinto de leugenaar’ uit zijn duim zoog wat hij schreef over ‘de grote Diogo Soares die door het fortuin in het koninkrijk Pegu zo hoog was verheven dat hij de titel Broeder van de Koning kreeg, de hoogste en meest verheven onderscheiding die daar bestaat, met een inkomen van tweehonderdduizend cruzado’s, en die opperbevelhebber was van een leger van achthonderdduizend man en de hoogste machthebber was in de veertien koninkrijken die in die dagen onder de heerschappij van de koning van Birma stonden’ (zie Pelgrimsreis, hoofdstukken 181-193). Historische werkelijkheid en fictie lopen vrijwel naadloos in elkaar over. En zoals in hoofdstuk 3 blijkt gingen Spanjaarden, Nederlanders en Engelsen al evenmin erg ethisch te werk om een positie te veroveren in Achter-Indië en Siam.

Van Wickeren slaagt erin die voor de Nederlandstalige lezer onbekende geschiedenissen op een boeiende en overzichtelijke manier tot leven te wekken op grond van een gedegen bestudering van het beschikbare wetenschappelijke materiaal. Deel XVIII van deze monumentale eenmansonderneming is al in de maak… De schrijver verdient voor dit unieke levenswerk waaraan hij onvermoeibaar doorschrijft een onderscheiding. Wat zeg ik? Twee onderscheidingen: een Nederlandse en een Portugese.

Cete, 23 november 2007

Arie Pos

1) Zie http://www.literatuurplein.nl/boekdetail.jsp?boekId=205045

Verantwoording

Bij het schrijven van mijn door Hogeschool Alkmaar in 1994 uitgebrachte boek ‘Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee (ISBN 90-802098-1-3)’ moesten veel zaken onbesproken blijven, om het eendelige werk niet veel te omvangrijk te maken. Onvrede over deze beperking en het beschikken over veel meer vrije tijd dan toen ik nog werkte, zijn de redenen geweest mijn eerste boek uit te werken in afzonderlijke delen. Dat deze uitwerking geschiedt mede aan de hand van veel niet eerder geraadpleegde literatuur spreekt voor zich. In september 1996 is deel I verschenen en in de winter van 2008 is deel XVII gereed. Uit hoeveel delen van circa 250 pagina’s het totale werk zal bestaan laat zich thans nog niet schatten; ik hoop dat het mij gegeven zal zijn nog vele delen te schrijven. Deze verschijnen in een beperkte oplage en zijn bestemd voor universiteits- en andere openbare bibliotheken in Nederland en Vlaanderen, alsmede voor belangstellenden uit eigen kring. Met het uitbrengen van de delen staat mij geen commercieel doel voor ogen. Daarom is de uitvoering zo goedkoop mogelijk gehouden. In oktober 2006 leek een publieks-uitgave van de tot dan toe uitgebrachte en de nog te schrijven delen onverwachts binnen handbereik. Nadat ik ervaren had dat een commerciële uitgave van mijn werk onaanvaardbare concessies van mij zouden vergen, heb ik daarvan afgezien en ben op de oude voet voortgegaan.

Wat mij in de geschiedenis van Portugal van jongs af aan vooral fascineert zijn de voortrekkersrol die het heeft gespeeld in de ontdekking van de wereld en ’s lands maritieme expansie. Mijn boek gaat daarom voornamelijk over de verrichtingen van de Portugezen overzee in drie continenten. Het gaat dan om zaken als: de wereldwijde maritieme expansie in de vijftiende en in de eerste helft van de zestiende eeuw; de eerste tekenen van verval van de Portugese positie in Azië in de tweede helft van de zestiende eeuw en de vrijwel volledige teloorgang daarvan, mede door toedoen van de VOC, in de zeventiende eeuw; de strijd tegen de WIC om Brazilië en de Portugese gebieden in West-Afrika in de zeventiende eeuw; de bloei en het verlies van Brazilië in de achttiende, respectievelijk de negentiende eeuw; de uitbouw van het koloniale rijk in Afrika naar de binnenlanden aan het einde van de negentiende en in de eerste helft van de twintigste eeuw en het einde van de imperiale droom aan het begin van het laatste kwart van de vorige eeuw. Deze en soortgelijke zaken komen uitvoerig in dit werk aan de orde, terwijl de bespreking van de ontwikkelingen in Portugal zelf de noodzakelijke achtergrondinformatie geeft, waaruit het optreden overzee kan worden begrepen.

Bij het schrijven van elkaar opvolgende delen, is het soms gewenst zaken in te leiden met al dan niet samengevatte teksten uit voorgaande delen, waardoor enige overlap ontstaat. Er is temeer sprake van overlap als, zoals in mijn geval, het aantal deeltjes groot is, omdat de beschouwde periode soms maar enige decennia omvat. Daarom heb ik besloten te beginnen met deeltje XIII de te behandelen periode aanzienlijk te vergroten. Deel XIII en een aantal volgende delen omvatten dan ook de regeringsperioden van koningen Sebastião (1557-1578), kardinaal Henrique (1578-1580) en de Spaanse Habsburgers (1580-1640)

In de ‘Verantwoording’ van voorgaande delen is in zeer korte vorm vermeld wat de inhoud is van het betreffende deel en van voorafgaande delen. Deze methodiek leidt ertoe dat de verantwoording bij elk nieuw deel qua omvang toeneemt. Bij deel XV en volgende delen volsta ik ermee te zeggen dat in de delen I t/m XII wordt besproken de periode vanaf de prehistorie tot aan het overlijden van Dom João III in 1557, dat in deel XIII de gebeurtenissen aan de orde komen die uiteindelijk in 1580 hebben geleid tot de personele unie van de Spaanse en de Portugese troon en van het zestigjarige bestuur van de Spaanse Habsburgers over Portugal en zijn overzeese imperium. Deel XIII verhaalt voorts Sebastião’s rampspoed in Marokko, de ontwikkelingen van de Atlantische eilanden en West-Afrika in de periode 1560-1640, waarin de strijd om en het verlies van het Fortaleza de São Jorge da Mina centraal staat. Deel XIV gaat over de bemoeienissen van de Portugezen met Angola en Kongo in hetzelfde tijdvak en over de Portugezen aan de Swahilikust van 1560-1600. Deel XV behandelt de ontwikkelingen in en rond de Estado da India onder de capitães-gerais Dom Constantino de Bragança t/m Dom Francisco da Gama (1558-1600). Idealiter zou in deel XVI besproken zijn de geschiedenis van de Estado da India vanaf het begin van de zeventiende eeuw tot aan het herwinnen van de Portugese onafhankelijkheid in 1640. Gelet op de verhalende vorm waarin de materie wordt behandeld, met specifieke aandacht voor curieuze details aan de ene kant en de nog immer toenemende omvang van de geraadpleegde literatuur aan de andere kant, is dit een onmogelijke opgave gebleken. In deel XVI worden de ontwikkelingen in de Estado da India besproken tot aan de komst van Hollanders en Engelsen naar Azië, wat uiteindelijk de teloorgang van Portugals positie in dat werelddeel zal inluiden. Het derde, tevens laatste, hoofdstuk is gewijd aan de Portugezen aan de Tamilkust in de periode 1560-1680. In dit deel zijn buiten beschouwing gebleven het Portugese optreden elders in Azië, zoals op Ceylon, aan de Golf van Bengalen, in Birma, Siam, Achter-Indië, Malacca, de Molukken en de Banda-eilanden, Solor en Timor, in China (Macau) en Japan en tenslotte aan de Swahilikust, die aanvankelijk ook tot de Estado da India gerekend werd. In deel XVII zal de bespreking van de Estado da India worden voortgezet met de rampzalige periode 1623-1640, vervolgens komen in dit en in de volgende delen de overige genoemde onderwerpen aan bod.

Bij het schrijven van dit werk sta ik als een dwerg op de schouders van reuzen. Dezen hebben de oorspronkelijke bronnen ontcijferd en daaruit de soms tegenstrijdige gegevens geschift, geordend, geduid en van annotaties voorzien. Ik heb mij slechts tot taak gesteld uit de veelheid van boeken de meest bruikbare te kiezen. Naarmate ik al doende meer inzicht verwerf in de zeer uitgebreide bibliografie van de Portugese aanwezigheid overzee, wordt het kiezen uit de immer aanzwellende stroom studies, moeilijker. Aan de ene kant is de verleiding groot zoveel mogelijk gebruik te maken van literatuur waarin aandacht wordt geschonken aan de heldendaden, lotgevallen en euveldaden van individuele personen, omdat deze kleur geeft aan de historie. Maar aan de andere kant leidt te grote aandacht voor details ertoe dat ik het werk waaraan ik vele jaren geleden ben begonnen, niet zal kunnen voltooien. Ik moet dus schipperen en zal gedetailleerde beschrijvingen moeten afwisselen met stukken die een globaal overzicht verschaffen. Bij de keuze van te raadplegen literatuur staat Dr. B. N. Teensma mij met raad en daad terzijde; ook heeft hij mij een aantal boeken van zijn hand geschonken en mij gestimuleerd op de ingeslagen weg voort te gaan. Tenslotte heeft hij een lovend voorwoord bij deel XIII verzorgd. Voor dit alles zeg ik hem oprecht dank. Mijn erkenning gaat ook uit naar Prof. Dr. Leonard Blussé voor zijn bemoedigende reacties op de eerder verschenen delen en voor enige werken die ik van hem heb mogen ontvangen. Van Dr. Ir. Ernst van Veen en Dr. Arend de Roever ontving ik hun dissertaties. Beiden zeg ik oprecht dank voor de waardevolle aanwinsten van mijn boekenlijst. Voorts gaat mijn dank uit naar Arie Pos, die van meet af aan belangstelling voor mijn werk heeft getoond en die het voorwoord van dit deel heeft verzorgd. Voorts is hij zo behulpzaam geweest deel XVII zorgvuldig na te lopen op type- en taalfouten. Daarnaast heeft hij nog enige waardevolle correcties voorgesteld. Voor dit alles ben ik Arie Pos zeer dankbaar. Ook vermeld ik met genoegen de voortreffelijke website Dutch-Portuguese colonial history https://www.colonialvoyage.com/van Marco Ramerini. Deze site met zijn vele links vormt voor mij een bron van inspiratie en een uitstekende checklist voor zowel data als relevante literatuur. Marco Ramerini heeft mij ook voorzien van literatuuradviezen; heeft mij geattendeerd op relevante websites, zaken voor mij opgezocht en literatuur met mij uitgewisseld. Voor zijn vele blijken van vriendschap ben ik hem zeer dankbaar. Naast de website van Ramerini neemt het aantal bruikbare websites voortdurend toe. Vooral de Wikipedia, the free encyclopedia, blijkt hoe langer hoe meer een waardevolle bron van kennis te zijn. Tenslotte betuig ik mijn oprechte dank aan Pieter Jongepier, die mijn werk dermate waardeert dat hij het integraal op het Internet heeft gezet. Voor dit blijk van waardering en voor al het werk dat Pieter Jongepier op zich heeft genomen, ben ik hem zeer dankbaar.

Hierna volgt een opsomming van de bij het schrijven van dit deel vooral geraadpleegde literatuur; daarbij zijn de werken waaraan ik het meest heb gehad, vet vermeld. In het laatste deel van dit werk zal een volledige literatuurlijst worden opgenomen.

Voor deel XVII in zijn geheel zijn de volgende algemene handboeken geraadpleegd:

  • Leonard Blussé & Jaap de Moor: Nederlanders Overzee; de eerste vijftig jaar 1600-1650, Franeker, 1983;

  • Charles R. Boxer: The Portuguese Seaborne Empire 1415-1825, London, 1969;

  • Charles R. Boxer: The Dutch Seaborne Empire 1600-1800, London, 1965;

  • H.V. Livermore: A New History of Portugal, Cambridge U.K., 1966;
  • A.H. de Oliveira Marques: History of Portugal, Volume I & II, New York, 1976;

  • José Hermano Saraiva: História concisa de Portugal; Lisboa, 1979;

  • Ernst van Veen: Decay or Defeat? An inquiry into the Portuguese decline in Asia 1580-1645, Research School of Asian, African and Amerindian Studies Universiteit Leiden, The Netherlands, 2000;

  • VOC-Internet sites

  • Arnold van Wickeren: voorgaande delen van dit werk.

Naast deze boeken is voor het schrijven van elk hoofdstuk gebruikgemaakt van een aantal specifieke werken.

Voor hoofdstuk 1, over de Estado da India zijn dat:

  • Associação Nacional de Cruzeiros (A.N.C.), Batalhas e Combates da Marinha Portuguesa (Vol.V) van Saturnino Monteiro, waarvan het artikel “11 a 24 de Fevereiro de 1625” is gepubliceerd op de internetsite http://ancruzeiros.pt/anchistoria-comb-1625.html
  • Boxer, C.R.: From Lisbon to Goa, 1500-1750: studies in Portuguese Maritime Enterprise, Variorum Reprints, London, 1984;

  • Boxer, C.R.: Mary and Misogyny; Women in Iberian Expansion Overseas 1415-1815, Gerald Duckworth & Company Limited, Londen, 1975;
  • Boxer, C.R.: Race Relations in the Portuguese Colonial Empire 1415-1825, Clarendon Press, Oxford, 1963;

  • Danvers, Frederick Charles: The Portuguese in India, Volume II, W.H. Allen & Co. Ltd., London, 1894;

  • An Empire of Spices, op http://www.periclespress.com/Dutch_spices.html
  • Duffy, James: Shipwreck & Empire: Being an account of Portuguese maritime disasters in a century of decline, Harvard University Press, Cambridge, Massachusetts, 1955;
  • Guimarães Sá, Isabel dos ? (= de ?): Charity and Discrimination, The Misericordia of Goa, Itinerario volume XXXI (2007) number 2, Grafaria, Leiden, 2007
  • Halikowski Smith, Stefan,: Perceptions of Nature in Early Modern Portuguese India, Itinerario, volume XXXI (2007), number 2, Grafaria, Leiden, 2007
  • Hsiao-ting Lin: When Christianity and Lamaism Met: The Changing Fortunes of Early Western Missionaries in Tibet, Pacific Rim Report No. 36, University of San Francisco, op http://www.pacificrim.usfca.edu/research/pacrimreport/pacrimreport36.html
  • Hutt, Antony: Goa, A Traveller’s Historical and Architectural Guide, Scorpion Publishing Limited, Essex, 1988;

  • Lopes, António & Eduardo Frutuoso, A vida a bordo nas naus da Carreira da India, Texto inédito preparado em 1995 para publicação na obra História do Quotidiano em Portugal, então em produção pela Editorial Presença, mas que não chegou a ser editada

  • Al-Maamiry, A.H.: Omani-Portuguese History, Lancers Publishers, New Delhi, 1982;

  • Mac Leod, N.: De Oost-Indische Compagnie als zeemogendheid in Azië,1602-1650, 2 delen, Blankwaardt & Schoonhoven, Rijswijk (Z.H.), 1927;

  • Panikkar, K.M.: Malabar and the Portuguese: Being a History of the Relations of the Portuguese with Malabar from 1500 to 1663, D.B. Taraporevala Sons & Co., Bombay, 1929;
  • Penrose, Boies: Sea fights in the East Indies 1602-1639, Harvard University Press, Cambridge, Massachusetts, 1931;

Voor hoofdstuk 2, over De Portugezen in Bengalen, zijn dat:

  • Alden, Dauril: The Making of an Enterprise; The Society of Jesus in Portugal, Its Empire, and Beyond, 1540-1750, Stanford University Press, Stanford, California, 1996;

  • Campos, J.J.A.: History of the Portuguese in Bengal, Butterworth & Co. Ltd. Calcutta, 1919;
  • Danvers, Frederick Charles: The Portuguese in India, Volume II, W.H. Allen & Co. Ltd., London, 1894;

  • Kerr, Robert: A General History and Collection of Voyages and Travels, Arranged in Systematic Order: Forming a Complete History of the Origin and Progress of Navigation, Discovery and Commerce, By Sea and Land, From the Earliest Ages to the Present Time, W. Blackwood and T. Cadell, Edinburgh and London, 1824; http://explorion.net/r.kerr-general-history-collection-voyages-travels-6

Voor hoofdstuk 3, Portugezen en Spanjaarden in Cambodja zijn dit:

  • Bibliotheca Asiatica, Part III, Manuscripts of the Sixteenth and Seventeenth Centuries on the Spanish and Portuguese Catholic Missions and Martyrdoms, Commerce, Policy, and Colonial Administration in India, Japan, Siam, China and the Philippines, Maggs Bros, London, 1929

  • Internetsite: Chronology of Cambodian History op http://www.geocities.com/khmerchronology/1400.htm?200728

  • Groslier, Bernard Philippe et C.R. Boxer: Angkor et le Cambodge au XVIe siècle d’après les Sources Portugaises et Espagnoles, Presses Universitaires de France, Paris, 1958;

  • Morga, Antonio de: Sucesos de las Islas Filipinas, translated and edited by J.S. Cummins, Hakluyt Society, Cambridge University Press, London, 1972;

  • Pinto, Fernão Mendes: Peregrinação, vertaald door Arie Pos en uitgegeven onder de titel Pelgrimsreis, Uitgeverij de Prom, Baarn, 1992;

  • Valentijn, François: Oud- en Nieuw Oost-Indiën, deel III B, Uitgeverij Van Wijnen, Franeker, 2002;

Ook is veelvoudig en intensief gebruik gemaakt van het alsmaar toenemende aantal Internetsites, naast de hiervoor al vermelde sites, waardoor de tot voor kort gebruikte naslagwerken, als de Encyclopædia Britannica, Le Petit Robert des Noms Propres, 2003 en vele andere vervangen konden worden door zoeken en vinden op het Internet.

Velen hebben mij gestimuleerd voort te gaan met het bestuderen van en het schrijven over het gekozen studiegebied; anderen hebben mij daadwerkelijk geholpen. Tot degenen op wie ik een beroep kon doen om technische problemen met de P.C. te overwinnen behoren mijn oud-buurman Piet Vermaas RA. en mijn huidige buurman Kai de Jong. Hun zeg ik daarvoor dank. Het personeel van Multicopy in Heerhugowaard zeg ik dank voor de keurige verzorging van dit deel van mijn werk. Tenslotte spreek ik in het bijzonder mijn dank uit aan mijn vrouw, die – na mijn pensionering — mij weinig met huishoudelijke taken belast, maar mij alle gelegenheid geeft dit boek te schrijven.

De schrijver

Glossarium

Adil Khan: rechtvaardige heerser (van Bijapurr)

almirante: admiraal

Armada de Alto Bordo: vloot van grote schepen

arratel: gewichtseenheid gelijk aan 16 ounces à 28,349 gram = 453,584 gram

arroba: gewichtseenheid gelijk aan 32 arrateis, d.w.z. bijna 14,515 kg.

autodafe actus fidei (geloofsdaad); afkondiging en voltrekking door de wereldlijke macht van een vonnis van de inquisitie; ook verzoening van ketters met de Kerk

barca: bark

Batalhas e Combates da Marinha Portuguesa: Zeeslagen en gevechten van de Portugese Marine

big’ha: oppervlakte maat in India, variërend van een derde van een acre tot een acre

bluyas: grootgrondbezitters in Bengalen

Cabo da Boa Esperança: Kaap de Goede Hoop

capitania: erfelijk leen, door de Kroon gegeven aan de ontdekkers van eilanden en vasteland, die het gebied als capitão bestuurt

capitânia: vlaggenschip

capitão (kapitein): bevelhebber van een plaats, fort, garnizoen, of andere militaire eenheid

capitão-geral: is de rang van de capitão aan de Minakust, van de governador-geral van Brazilië en van de governador-general van de Estado da India

capitão-mor: bevelhebber van een vloot of eskader

captain: kapitein

caravela (karveel): langwerpig zeilschip van 60 tot 100 ton, met geringe diepgang en een hoog dek, een achterkasteel en twee of drie latijngetuigde masten

Carreira da India: Vaart op Indië

cartaz: door de Portugese factor verstrekt of gefiatteerd vrijgeleide aan hindoekooplieden of aan moslimkooplieden uit plaatsen onder Portugees bestuur of wonende in Cannanore, Cochin of Quilon, om bepaalde goederen te vervoeren naar een bepaalde bestemming

catur: klein roei- en zeilschip

Chaîne annamitique: bergachtig deel van Laos

Cinco Chagas: Vijf Wonden (van Christus)

Colégio da Santa Fé: College van het Heilig Geloof

comptoir: VOC-benaming voor factorij

conde: graaf

Convento de Santa Monica: Klooster van de Heilige Monica

Cortes: weinig frequent door de koning bijeengeroepen volksvertegenwoordiging, bestaande uit afgevaardigden van de adel, de geestelijkheid en de burgerijl

cosses: kleine Birmaanse oorlogsschepen uit de zeventiende eeuw

crown: de in 1526 geïntroduceerde gouden Engelse munt, later een zilverstuk ter waarde van vijf shillings of 60 pennies

Cruzado: oude gouden Portugese munt met een gewicht van 3,58 gram; een gehalte van 23,75 karaat en na 1514 een waarde van 400 reai

Dansk Ostindisk Kompagni: Deense Oost-Indische Compagnie

dorbar: functionaris in Bengalen die verantwoordelijk is voor het bewaken van de openbare orde

duque: hertog

English East India Company: Engelse Oost Indische Compagnie

Estado da India: ‘Staat van Indië”, naam voor het Império Português do Oriente, het geheel van Portugese havens, forten en steunpunten ten oosten van Cabo da Boa Esperança

falconet falcão: Portugees kanon van klein kaliber met lange loop voor ijzeren kogels

faujdar (fordar): titel van moslimheerser

farman: keizerlijk bevelschrift

feitor (factor): beheerder van de koopmansgoederen in een factorij of aan boord van een handelsschip

feitoria: factorij

Feringhis/Firingis: Arabische benaming voor Franken: naam voor Europeanen en dus ook voor Portugezen in Azië

fidalgo: zoon van iemand (filho d’algo), edelman

fidalgos da Casa Real: edelen van het Koninklijk Huis

fortaleza: vesting, kasteel

Fortaleza de Santiago de Sirião: Kasteel van Sint Jacobus van Syriam

fregata (fregat): snel zeilend oorlogsschip met drie masten

frei (broeder): geestelijke

fusta (fust): lang en plat roei- en zeilschip met twee masten

galeão/galeões [galjoen(en)]: Portugees oorlogsschip, veel gebruikt door piraten. Evenals de caravela redonda voorzien van latijn- en rondzeilen, maar met minder diepgang en tonnage (400-600 ton) dan de nau en daarom zeer wendbaar

galei (galé) : ondiep liggend lang en breed roei- en zeilschip voorzien van twee masten met latijnzeilen, gebruikt voor oorlogvoering en handelsvaart

galeota (galjoot): kleine galei (16 tot 20 riemen) en twee masten

godown: opslagplaats (aan de haven)

governador-geral: gouverneur-generaal

grab: Arabisch woord voor vaartuig

História Tragico Maritima: Tragische Maritieme Geschiedenis

jagīr: domein

Jalha/jalea: klein Bengaals oorlogsschip uit de zeventiende eeuw

jonk: Chinees koopvaardij- of oorlogsschip; voor en achter hoogoplopend; met platte boeg; gewoonlijk met drie masten en rechthoekig getuigde zeilen van biezen matten of katoen

kafir: Arabisch woord voor ongelovige

kalpathi: titel van de radja van Cochin

kolathiri: titel van de radja van Cannanore

lascar: inheemse soldaat in Malabar

lascarin: inheemse soldaat in Indië

légua: afstandsmaat waarvan de lengte, afhankelijk van de kroniekschrijver,varieert van 5,93 tot 6,66 km

mahal : paleis

Magh: Arakanees

melique: titel van vorsten in India

mestiço (mesties): afstammeling van een blanke vader en een Indische of Indiaanse moeder

mirza: moslimtitel voor heerser

mulheres de partido: prostituees

naik: in heel India veel voorkomende titel. Ook militaire rang

nau (kraak): ‘groot schip’, groot en breed zeilschip (800-2000 ton) met drie masten; de fokkenmast heeft een latijnzeil, de grote en de bezaansmast hebben dubbele vierkante zeilen; aanvankelijk gebruikt als vrachtvaarder in de Carreira da India, later aangepast tot oorlogsschip

naveta: wierookscheepje

nawwāb: legeraanvoerder

nayak: bestuurder van een beperkt gebied

Nossa Senhora da Assunção: O.L.V. van de Tenhemelopneming

Nossa Senhora da Baluarte: O.L.V. van het Bastion

Nossa Senhora de Belém: O.L.V. van Bethlehem

Nossa Senhora da Conceição: O.L.V van de Onbevlekte Ontvangenis

Nossa Senhora do Bom Despacho: O.L.V. van de Goede Beschikking

Nossa Senhora da Guia: O.L.V. Geleidster

Nossa Senhora da Quietação: O.L.V. van de geruststelling

Nossa Senhora da Rosa e Almas: O.L.V. van de Roos en Zielen

Nossa Senhora do Rosário: O.L.V. van de Rozenkrans

Nossa Senhora da Salvação: O.L.V. van de Verlossing

Nossa Senhora da Saúda: O.L.V. van de Gezondheid

Nossa Senhora da Serra: O.L.V. van het gebergte

Nossa Senhora do Sucesso: O.L.V. van de Goede Afloop

omrah: moslimheer

oyá (Siamees huá): hoofdman: adellijke titel, vergelijkbaar met hertog

padre: pater

Padroado Real: de exclusieve patronage van missieactiviteiten in gebieden die door de Heilige Stoel aan de Kroon van Portugal zijn toebedeeld

pagoda: gouden munt met de beeldenaar van Vishnu, ter waarde van 370 reais

pangéran: Javaanse titel gevoerd door prinsen en edellieden

pardau: gouden munt ter waarde van zes zilveren tangas, circa 360 reais. (Een zilveren pardau weegt 22 gram en heeft gedurende de eerste helft van de zestiende eeuw een waarde van 5 tangas of 300 reais.)

pataca: zilveren munt ter waarde van twee rupees en acht annas

patacho: 1. een soort tweemaster met vierkante zeilen aan de voormast en ‘fore and aft sails on the aftermast’ (jacht); 2. oorlogsschip van 200-400 ton uit de zestiende en zeventiende eeuw met een platte spiegel of vlak achterschip, dat later een meer ronde vorm zal krijgen

pikol: circa 120 pond

pink: platbodemd vissersvaartuig met ronde, brede boeg

porto grande: grote haven

porto pequeno: kleine haven

querena italiana: breeuwen en opkalefateren van een schip waarbij het schip niet in zijn geheel op de wal wordt gehaald, maar waarbij eerst een kant en daarna de andere kant wordt behandeld. Deze goedkope manier van werken leidt vaak tot broddelwerk, waardoor schepen in de problemen komen

quintal: gewichtseenheid van vier arrobas

real: koperen Portugese munt van weinig waarde

recolhimento: geestelijke afzondering

relação: relaas

repartimientos: beschikking over gratis werkkrachten

roteiro: zeilvoorschrift

Santa Casa da Misericórdia: ‘Heilig Huis van Barmhartigheid’, lekenbroederschap gericht op liefdadigheid

Santa Catarina do Ribamar: Heilige Catharina van de Zeekust

Santa Maria, Madre de Deus: Heilige Maria, Moeder van God

São João Baptista: Heilige Johannes de Doper

seraglio: woonruimte van echtgenoten en concubines in Turkse huishoudens (serail)

sjahbandar: havenmeester, houdt toezicht op de koophandel in de haven en int de daarop van toepassing zijnde heffingen

Societas Jesu: orde van de jezuïeten

tanga: zilveren munt van 60 reais, gebruikt in Goa

terranquins: roeischepen gebruikt voor oorlogsvoering in de Perzische Golf

thanadar: machthebber van Noakhali

topasses: dragers van een hoed (topa); gemeenschappen van inheemse christenen aan de Coromandelkust en in Bengalen, waaruit de Portugezen hun vrouwen kiezen

Trindade: Drievuldigheid

urca (hulk): groot en log koopvaardijschip

vice-rei: onderkoning

vliegboot : zeventiende eeuws groot vrachtschip (circa 600 ton) van Hollandse origine, met een hoog achterschip en een grote breedte op het breedste punt. De vliegboot heeft weinig diepgang, een of twee masten en is in het algemeen vierkant getuigd

xerafim: zilveren munt, aangemunt in Voor-Indië, met (gedurende de eerste helft van de zestiende eeuw) een gewicht van 22 gram en een waarde van 300 reais

yard: lengtemaat gelijk aan 0,91 m

zamorin: ‘Heer van de Oceaan’ Hindoevorst van Calicut

Hoofdstuk 1 De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640 1.0. Dom Francisco da Gama, conde de Vidigueira (1622-1627)

Categorieën
Portugees kolonialisme

Aanvullende opmerkingen over Portugese vestigingen Devanampattinam, Nagapattinam en São Tomé de Meliapor en over de missieactiviteiten in deze steden. De Portugezen aan de Tamilkust in de Periode 1560-1640

Deel 16 Index

Hoofdstuk 3.

De Portugezen aan de Tamilkust in de Periode 1560-1640

3.5. Aanvullende opmerkingen over Portugese vestigingen Devanampattinam, Nagapattinam en São Tomé de Meliapor en over de missieactiviteiten in deze steden

Geschreven door Arnold van Wickeren

In 1543 vragen de Portugezen tot het christendom bekeerde paravas, die hen hebben gediend, te komen wonen in hun vestiging Devanampattinam, om de haven te bevolken en te ontwikkelen. In 1585 stichten de Portugezen, met toestemming van Vaijyappa Krishnappa Nayak (1580-1593) van Gingee, een factorij in de plaats en in 1589 wordt in Devanampattinam met toestemming van de nayak, die ook beloofd heeft de Portugezen bescherming te bieden, een aarden fort gebouwd. Als de stad, gelegen tussen São Tomé de Meliapor in het noorden en Nagapattinam in het zuiden, groeit en bloeit, fortificeren de Portugezen Devanampattinam. Er ontstaat een vierkant fort, met muren aan vier zijden, om de Portugezen en hun koopwaar te beschermen. De Capitão van Devanampattinam woont in het fort. Naast de factorij herbergt het fort ook kerken en goedangs, o.a. zeven grote die voor salpeter zijn gebouwd. De huizen van de Portugese inwoners worden langs de zuidelijke muur van het fort gebouwd. Rond Devanampattinam liggen zeven door de Portugezen bestuurde dorpen: Manjakuppam, Thirupathiripuliyur, Thiruvendhipuram, Varakalpattu, Vandipalayam, Surappanchavadi en Singarathoppu. De Nayak van Gingee geeft Devanampattinam in 1608 aan de Hollanders en de Portugezen worden op 4 november 1609 uit de stad verdreven. Pas na het overlijden van de invloedrijke en zeer pro-Hollandse Achyutappa Chetti in 1634 trachten de Portugezen langs diplomatieke weg en met behulp van de Koning van Vijayanagar, Devanampattinam terug te krijgen. Nog in 1636 schenken zij de Nayak van Gingee twee olifanten en twee paarden en vragen zij hem hun Devanampattinam terug te geven. Omdat dit mislukt, wijken de meeste Portugese handelaren uit naar Porto Novo.

Devanampattinam wordt een belangrijk centrum van missionering zowel van de franciscanen als van de jezuïeten, omdat tegelijk met de Portugezen zich veel paravas in de stad gevestigd hebben. Frei Francisco Perez, een franciscaan, zou zich in 1574 bekommerd hebben om het geestelijk welzijn van de christenen in Devanampattinam, ofschoon hij de plaats bezoekt vanuit zijn woonplaats São Tomé. Volgens Portugese bronnen is ertussen 1580 en 1590 sprake van missionaire activiteiten in Devanampattinam die tot veel bekeringen leiden. Frei Francisco do Oriente, een andere franciscaan arriveert in 1581 uit Nagapattinam en vestigt zich blijvend in Devanampattinam. Hij bekeert daar veel mensen en bouwt de tweede kerk in de stad, nadat daar in 1574 al een kerk is gebouwd. De jezuïeten, evenwel, maken bezwaren tegen de bekering van hindoes door Frei Francisco do Oriente o.f.m. en klagen daarover bij de bisschop van Cochin, daar deze de evangelisatie heeft toevertrouwd aan hen. Frei Francisco do Oriente zou hebben geantwoord dat de franciscanen hun blik hebben verruimd tot missiewerk, naast de zielzorg onder de Portugese bevolking en dat er geen naijver dient te zijn bij het prediken van het Evangelie. Het geschil schijnt te zijn uitgegroeid tot zo’n serieus probleem dat Dom Matheus de Medina, de bisschop van Cochin de kwestie in zijn brief van 16 januari 1588 heeft gerapporteerd aan de Koning van Portugal. Uit een latere bron is gebleken dat de koning de zijde van de jezuïeten heeft gekozen en dat Dom Matheus zijn vicaris naar Devanampattinam heeft gezonden, die de zaak daar als een fait accompli heeft gepresenteerd. Manuel de Sousa Coutinho, capitão-geral do Estado da India, ontvangt van Filipe I, Koning van Portugal een brief, gedateerd 22 februari 1589, waarin de vorst hem opdraagt de franciscanen in Devanampattinam te vragen hun activiteiten te beperken tot de Portugees sprekende gemeenschap en deze niet uit te breiden tot de inheemsen. In dit verband schrijft Frei Gaspar de Lisboã o.f.m.een brief aan de Koning van Portugal, gedateerd, Goa, 23 november 1589, waarin hij zegt dat de bisschop van Cochin niet gerechtigd was Frei Francisco do Oriente te beschuldigen, want deze is een zeer gerespecteerd en geliefd man onder de inheemse bevolking voor zijn prijzenswaardige missiewerk. Daar veel Portugese particuliere handelaren zich ondertussen in Porto Novo hebben gevestigd, verhuizen enige franciscanen naar Devanampattinam om de zielzorg van de Portugese handelaren op zich te nemen. Als echter in 1607 een in Porto Novo wonende jezuïet wordt aangewezen als zielzorger van de Portugezen in deze stad, verlaten de franciscanen Meliapor voor goed.

De Portugese vestiging Nagapattinam in het nayakdom Thanjavur dateert uit de eerste helft van de zestiende eeuw. In 1542, als Sevvappa Nayaka (1532-1576) het land regeert, heeft Nagapattinam al een Portugese capitão. De plaats schiet als een komeet omhoog en maakt door haar internationale handel een periode van grote bloei door. Cesare Frederici schrijft in 1567 dat Nagapattinam dicht bij zee ligt en zeer groot is. Nagapattinam ligt tussen twee afvoerkanalen van de Kaveri rivier, de Uppanar in het zuiden en de Kudavaijar in het noorden. Op nog geen légua afstand is een markt tot ontwikkeling gekomen die zeer veel handelaren naar de plaats trekt. De voor een ambtstermijn van drie jaren benoemde capitão waakt over de Portugese en inheemse christenen en hij heeft het recht 1.400 xerafins belasting voor de nayak te innen. De Tamil-sprekende moslims, marakkayars genoemd, leven in hun eigen vestiging in het nabijgelegen Nagora, maar zij kunnen vrij naar Nagapattinam komen. Volgens Gasparo Balbi, een Italiaanse reiziger, hebben de Portugezen in 1582 een aarden fort opgericht. In 1594 zou er op een andere plaats een stenen fort gebouwd zijn, maar de Engelsman William Finch, die Nagapattinam in 1608 bezoekt, treft daar alleen een factorij, maar geen fort aan. De vice-rei, de conde de Linhares (1629-1635), spoort de casados aan Nagapattinam te fortificeren, om zich te beschermen tegen mogelijke aanvallen van de Hollanders. Een lokaal lichaam van vijf gekozen casados, machtige handelaren en leden van os eleitos de Negapatão, onderhoudt hartelijke relaties met het koninklijke hof in Thanjavur. Ofschoon Nagapattinam van oorsprong een zeehaven is, is de stad door middel van landroutes verbonden met marktcentra in het binnenland en uiteindelijk kan zelfs Goa over land vanuit Nagapattinam worden bereikt. Een andere route verbindt de stad via Thiruvarur met Thanjavur. Ook Cochin is over land verbonden met Nagapattinam, evenals met Tuticorin. Ondanks de aansporingen van de conde de Linhares weigeren os eleitos de Negapatão aanvankelijk zich te fortificeren, tegen Hollandse aanvallen, omdat zij problemen met de nayak willen vermijden. Bovendien vrezen zij dat Goa op den duur een steunpunt in de stad verwerft en dat de Koning van Portugal, in naam van de Iberische Kroon, een douanekantoor in Nagapattinam zal opzetten en dat de heffing van belastingen hun zaken zal schaden. Op 15 december 1635 benaderen de casados, die een Hollandse bezetting van de stad vrezen, de Nayak van Thanjavur met de vraag of zij fortificaties rond hun vestiging mogen bouwen. De nayak weigert echter. Kort hierna doet de Adil Khan van Bijapur een aanval op Thanjavur en de nayak zoekt bescherming bij de Portugezen in Nagapattinam, die hem helpen. Later, op 31 maart 1637, vragen de Portugezen de nayak opnieuw of zij zich in Nagapattinam mogen fortificeren. Deze keer komt de vorst naar hen toe en stelt enige minimale verbeteringen aan de fortificaties voor, maar deze zijn allerminst adequaat.

Als de handel in Nagapatinam tussen 1577 en 1630 floreert, neemt de Portugese bevolking toe. Veel Portugezen komen van andere plaatsen om zich in Nagapattinam te vestigen en er hun handel te drijven. De vestiging telt in 1577 60 casados, 200 Indo-Europeanen en 300 Indische christenen. Volgens Bocarro’s gegevens, wonen er in 1630 140 blanke casados en 360 topasses in Nagapattinam en in 1642 zal het aantal christenen zijn aangegroeid tot 700. Gedurende die periode zullen er in Nagapattinam meer Portugezen wonen dan in welke andere plaats aan de Tamilkust.

De zielzorg van de Portugezen in Nagapattinam wordt verzorgd door de franciscanen, wat blijkt uit een document, gedateerd 21 februari 1550. Later komen de jezuïeten ook naar Nagapattinam; zij kopen daar voor 500 dukaten grond om die te bebouwen.

Meliapor (Mylapore) bij de stad Madras (nu Chennai) was zelfs onder de middeleeuwse Cholas al een belangrijk handelscentrum van vooral Armeense kooplieden. De plaats is beroemd geworden na de komst van de Portugezen, die geloofden daar het graf van de apostel Sint Thomas te hebben gevonden. Zij vestigden zich rond het graf en noemden de plaats São Tomé de Meliapor. Volgens João de Barros vestigen zich in 1519 de eerste drie Portugese achterblijvers in São Tomé. Diogo Fernandez, een van de eerste casados in São Tomé, laat weten dat de inwoners van de stad de komst van de Portugezen verwelkomen, omdat zij bescherming bieden tegen de piraten. Veel casados, die oorspronkelijk zijn gaan handeldrijven in massagoederen aan de westkust van Voor-Indië, zoeken hun fortuin in São Tomé, waar zij zijn bevrijd van door de Kroon aan handelaren opgelegde beperkingen. In 1534 wordt Gaspar Correia getroffen door de uitbreiding van de stad sedert zijn vorige bezoek in 1531. In 1538 wonen er al 60 casados in de stad. Zij schrijven de koning Dom João III een brief waarin zij verlangen dat de post van capitão van de stad alleen gegeven wordt aan een casado uit São Tomé. De vice-reis Dom García de Noronha (1538-1540) en Dom Constantino de Bragança (1558-1561) stellen pogingen in het werk om de recalcitrante bevolking van São Tomé de Meliapor over te brengen naar de westkust, omdat zij niet willen dat de Portugezen zich over een te groot gebied verspreiden. Verreweg de meeste Portugezen weigeren zich te laten repatriëren. In 1550 wonen er van de ruim 6.000 Portugezen in Azië 600 aan de Coromandelkust en in 1559 is de bevolking van São Tomé al gestegen tot boven de 2.000 personen, met inbegrip van de inheemsen. In 1563 leven er 4.000 christenen in de stad, inclusief 60 oorlogsveteranen met hun gezinnen. In 1565 hebben meer dan 2.000 Portugezen de dienst aan de koning verlaten, omdat de onderkoning hen niet hun salaris of voedseltoelage betaalt. De meeste van hen vestigen zich, aangetrokken door de florerende handel, in São Tomé of in een andere plaats aan de Coromandelkust. Gasparo Balbi, die de stad op 29 mei 1582 bezoekt, laat weten dat São Tomé, waar de Portugezen wonen in huizenblokken met het gezicht op zee, omgeven is door een aardenwal. De hindoes wonen in de wijk Meliapor en zij worden geregeerd door de Koning van Vijayanagar, die ook een vertegenwoordiger in Meliapor heeft. De jezuïeten kritiseren in hun brieven van 1559 en 1563 de handelspraktijken van de Portugese kooplieden. Zij betichten hen van onwettige praktijken die uitsluitend gericht zijn op het maken van zoveel mogelijk winst. Zij zijn corrupt en hun morele peil is erg laag; vele van hen zijn hetzij criminelen, hetzij deserteurs. Wegens de wetteloosheid in de stad, is de Koning van Portugal in 1585 gedwongen een ouvidor aan te stellen om de activiteiten van de Portugese bewoners in het gareel te houden. In 1609 wordt São Tomé de Meliapor, evenals Goa en Cochin, verheven tot cidade, De autonomie van São Tomé wordt prompt erkent door capitão-geral do Estado da India. De Senado da Câmara van São Tomé wordt opgezet naar het model van Évora in Portugal. In 1614 wordt er voor het eerst een volkstelling gehouden. Er wordt een gevangenis gebouwd en op 26 december 1717 zal er een gevangenisdirecteur worden aangesteld. De alcaide-mór vervult de functie van hoogste politieautoriteit in het douanekantoor.

De tombe van Sint Thomas in de kerk in Meliapor wordt, volgens een brief van Frei Francisco Pina, gedateerd São Tomé, 11 december 1563, meer en meer het doel van een pelgrimsreis voor christenen uit Malabar, die een grote devotie voor de apostel Thomas koesteren. Naast de op 9 januari 1606 tot kathedraal verheven kerk van Sint Thomas, hebben de Portugezen nog een aantal kapellen en kerken in of bij São Tomé de Meliapor gebouwd. De Dominicanen hebben in 1635 binnen het fort de kapel van Nossa Senhora do Rosario gebouwd en de augustijnen hebben er de kapel van Santa Rita gesticht. Vlak buiten het fort ontstaan de kapel van Madre de Deus, die geconsacreerd wordt op 8 september 1576, de feestdag van Maria Geboorte en de kapel van São Lazaro, die in 1637 geheel op eigen kosten wordt herbouwd door Manuel Madeira. De derde kapel is gewijd aan Nossa Senhora de Descanção en door de inspanningen van Frei Pedro da Atongia o.f.m. is in 1516 al de kapel gebouwd van Nossa Senhora da Luz. Buiten de stad is in 1547 op de Monte de São Tomé de kerk van Nossa Senhora da Expectação geplaatst en in 1551 wordt door missionarissen op de chinna malai (Kleine Berg) een kapel gebouwd die bijna dertig jaar later voor rekening van Nuno Álvares de Faria wordt vergroot tot een kerk.

Wegens de Hollandse dreiging en de bloeiende handel voelen de inwoners van São Tomé voor fortificatie van de stad, maar niet op hun kosten. Koning Filipe II van Portugal laat zijn onderkoning in 1609 weten dat winst behaald met een handelsreis van drie schepen voor zijn rekening naar Malacca en Pegu kan worden gegeven aan de Senado da Cãmara en kan worden aangewend ter bekostiging van de fortificatie van São Tomé de Meliapor. Op 7 maart 1613 vragen de burgers de koning om additionele financiële middelen. Zij komen met het voorstel een douanehuis te stichten dat onder jurisdictie staat van de Koning van Vijayanagar en dat op alle goederen 4 percent belasting heft. De jezuïeten laten in hun jaarlijkse brief van 1610 weten dat een zekere Pillai van Kanchipuram, die is aangewezen door de nayak, in São Tomé opbrengsten van de haven int en deze afdraagt aan de schatkist van de nayak in Chandragiri. Als er enige gelden voor de fortificatie bijeen gebracht zijn, wordt met de uitvoering begonnen, maar in 1613 valt koning Venkata II van Vijayanagar (1586-1614) São Tomé aan, omdat het werk is gestart, zonder dat hem om toestemming is gevraagd. Capitão Manuel de Frias legt daarop het werk stil. Als Venkata II in oktober 1614 is gestorven, worden de werkzaamheden hervat. In januari 1612, maart 1613, januari 1614, 1615, 1616, worden telkens de opbrengsten van bepaalde handelsreizen naar Malacca en Tenasserim voor rekening van de Kroon bestemd voor de fortificaties. In zijn brief van 21 maart 1619 vraagt vice-rei, de conde de Redondo, de Capitão van São Tomé het werk te bespoedigen. In 1620 komen 4.000 pagodas additionele fondsen beschikbaar en in de jaren 1621 en 1625 wordt de bouwkas gespekt met de opbrengst van drie handelsreizen naar Tenasserim. In 1628 staat de Senado da Câmara van Macau winsten behaald in de handel met Japan af voor de bouw van fortificaties in São Tomé en in 1630 voteert de Senado da Câmara van Goa middelen voor hetzelfde doel en Frei António Simões in Goa bepleit zelfs een deel van de op de verkoop van peper gemaakte winst aan te wenden voor de fortificatie van São Tomé. Het plan voor de ontwikkeling van het fort en de stad São Tomé is getekend door Júlio Simão, de hoofdingenieur van de Estado da India en de opvolger van João Baptista Cairato, die zijn ontwerp op 18 februari 1621 klaar heeft. Het plan een openbaar plein in Meliapor te situeren, wordt op 19 maart 1621 aan het ontwerp toegevoegd. Er wordt direct begonnen met de bouw van de bastions, omdat gevreesd wordt dat de Hollanders voorbereidingen treffen voor een aanval op de stad. De inwoners zijn zo bang voor een Hollandse aanval dat zij 12 december 1625 pleiten voor fortificering in alle richtingen en op 22 maart 1627 vragen de casados om voldoende artillerie. Na de Hollandse aanval en de plundering van de stad in 1632, wordt er permanent een garnizoen van vijftig soldaten in São Tomé gelegerd. In 1635 is São Tomé omringd door muren met vier poorten, inclusief een porta da terra en een porta do mar, om de stad te beschermen. De poort aan de westkant is vlak bij de kerk van de franciscanen, die is genoemd naar Sint Franciscus van Assisi. In 1639 is São Tomé in alle richtingen volkomen beschermd. Er zijn negen bolwerken, genoemd naar zes heiligen: São Domingo, São Paulo, São Tiago, Santo António, Santo Agostinho en Madre de Deus, en drie notabelen: Francisco, de eerste onderkoning van Portugees, Salvador de Resende en João de Sousa. De bastions aan de zeezijde liggen 50 meter uit elkaar en die aan de landzijde 30 meter. In 1656 dienen de cidadas Goa, Cochin en São Tomé de Meliapor bij de ingang van de stad een plaquette aan te brengen met de tekst “Imaculada Conceição de Nossa Senhora, a Madre de Jésu Cristo”,omdat deze verplichting op 20 juni 1654, op koninklijk bevel is ingevoerd voor alle steden in Portugal. Meliapor is door wegen verbonden met vele plaatsen in het binnenland en ook met Goa, Cochin en andere havensteden, waaronder Nagapattinam, Punnnaikayal en Tuticorin. Buiten de westpoort wordt markt gehouden, waarvoor vele artikelen van buiten de stad worden aangevoerd en in het fort wordt een bazaar gehouden.

In 1566 brengt de eerste bisschop van Cochin1, Jorge de Themudi, zijn eerste herderlijke bezoek aan de Coromandelkust en verblijft 3½ maand in Meliapur. De bisschop maakt de decreten van het Concilie van Trente (1545-1563) bekend en introduceert drastische maatregelen voor de morele verheffing van de Portugese en inheemse christenen die in São Tomé wonen. Verschillende ‘zondaren’ moeten aan de deur van de kerk van Sint Thomas in Meliapor staan. Zij zijn gekleed in vodden, hebben een stok in hun hand en een label, waarop hun misdaad staat vermeld, om hun voorhoofd. Er is hen een geldboete opgelegd van 1.400 pardaus, welk bedrag voor het begaan van verschillende overtredingen wordt opgehaald. Het totale gecollecteerde bedrag wordt aan de bisschop overhandigd en deze schenkt het aan het al in 1538 gestichte Confraria de Nossa Senhora da Misericordia, veelal genoemd Santa Casa da Misericordia voor de bouw van een nieuw ziekenhuis in São Tomé de Meliapor.

De jezuïeten in São Tomé onderhouden hartelijke betrekkingen met de locale nayak, wiens naam niet bekend is, gevestigd. De nayak heeft de jezuïeten in 1571 enige eigendommen gegeven die 1.000 pardaus voor het onderhoud van de missionarissen opbrengen. In 1594 machtigt de nayak de jezuïeten van São Tomé jaarlijks 399 pardaus pacht te innen in het dorp Ezhunbur (Egmore). In 1575 worden de jezuïeten van São Tomé bezocht door de beroemde Frei Alessandro Valignano s.j. de provinciaal en visitator, die de missiposten van de Societas Jesu in geheel Azië bezoekt. Hij rapporteert dat zijn confraters in São Tomé zich voornamelijk bekommeren om de noden van de Portugezen, maar zij hebben tussen 1571 en 1575 ook 2.000 nieuw aangekomen hindoes bekeerd. Gedurende 1583 komen veel mensen uit het binnenland naar São Tomé en verkopen zichzelf aan de Portugezen, omdat hongersnood de regio teistert en deze intocht leidt tot een hausse aan bekeringen. In 1620 is het aantal jezuïeten in São Tomé de Meliapor gestegen tot acht. Aan het hof van Venkata II, Konng van Vijayanagar in Vellore verblijven ook drie jezuïeten. De vorst behandelt hen met grote welwillendheid. Hij begunstigt hen zoals een christenkoning in Europa zou doen, omdat deze jezuïeten een voorbeeldig leven leiden.

Dom Andre de Santa Maria, bisschop van Cochin is van mening dat de jurisdictie van het diocees Cochin een te groot gebied beslaat en hij stelt voor het diocees te splitsen, door aan de Coromandelkust een afzonderlijk diocees te stichten. Dom Filipe II, Koning van Portugal, is eveneens van de noodzaak daarvan overtuigd en hij vraagt paus Paulus V een nieuw diocees te vormen rond de plaats Meliapor. Zijne Majesteits petitie wordt aan de paus gepresenteerd door Eduardo kardinaal Farnese. Het diocees Meliapor wordt op 9 januari 1606 opgericht door paus Paulus V, overeenkomstig de wens van de Koning van Portugal door uitgifte van de pauselijke bul “Cedula Consistorialis”. Een Augustijn, Frei Dom Sebastião de São Pedro, wordt benoemd tot de eerste bisschop. De Igreja de São Tomé wordt verheven tot de status van Sedes Episcopalis (Sé) of kathedraal. Het nieuwe diocees Meliapor beslaat het gebied van de Coromandelkust, Orissa, Bengalen en Pegu en het valt onder het aartsdiocees Goa. De brief van de Koning van Portugal geadresseerd aan de bisschop van Meliapor, gedateerd, 28 februari 1606, vermeldt dat de salarissen en uitgaven van de geestelijken en vicarissen in de verschillende kerken in het diocees van São Tomé de Meliapor in het begin zullen worden vastgesteld voor een periode van vier jaren. Mede begrepen zijn de uitgaven voor pastorale bezoeken. Het stipendium van de bisschop, vastgesteld op 2.000 xerafins per jaar, wordt betaald door de koninklijke schatkist in Goa. De liturgische gewaden en de andere liturgische artikelen van de kerk worden hem overhandigd nadat zij per schip uit Lissabon zijn aangekomen. Voorts wordt in het Conselho do Estado da India in Goa een voorstel van vice-rei Martim Afonso do Castro (1605-1607) aanvaard onmiddellijk een huis en een residentie voor de bisschop van Meliapor te kopen. De bouw van een nieuwe residentie in Meliapor wordt uitgevoerd door de onderkoning in Goa in overleg met de aartsbisschop. Er wordt ook geld beschikbaar gesteld voor zaken die de bisschop nodig heeft of voor de kathedraal, zoals meubilair, karpetten en dergelijke. De koning bepaalt voorts in zijn koninklijke opdracht, gedateerd 13 maart 1606, dat de bisschop van Meliapor een bedrag van 700.000 reais per jaar ontvangt voor de handhaving van zijn diocees.

Vice-rei Dom Jerónymo de Azevedo verordonneert op 7 september 1612 dat in tijden van financiële moeilijkheden, de bisschop van Meliapor kan worden betaald uit in Goa beschikbare fondsen. Voorts wordt bevolen dat de uitgaven van de geestelijkheid in Bengalen en Pegu uit dezelfde fondsen mogen worden betaald. Verschillende liturgische artikelen en religieuze zaken die nodig zijn in de kerken van Nagapattinam worden op last van Dom Jeróronimo verstrekt, nadat de Koning van Portugal dit onderwerp in zijn brief van 14 september 1612 heeft aangeroerd. In 1606 zijn er vijf kapellen in Nagapattinam, gewijd aan Madre de Deus, São Jeróme, São Domingo, Nossa Senhora de Nazare en de kapel van de jezuïeten. In 1640 zijn er nog twee kerken bijgebouwd, de Igreja de São Miguel en de Igreja de Nossa Senhora da Saúde, De bisschop van Meliapor vraagt de Santa Casa da Misericordia in zijn brief van 20 februari 1614 alle hulp te bieden aan missionarissen. Vice-rei Dom Jerónymo de Azevedo vraagt de capitão van Nagapattinam om de fondsen die zijn toegewezen door de Koning van Portugal uit te betalen aan de missionarissen, zowel voor hun onderhoud, als voor de kerken in Nagapattinam. Om fondsen te mobiliseren die nodig zijn voor de propaganda van het geloof, verzoekt de bisschop van Meliapor de Santa Casa da Misericordia van Meliapor op 15 maart 1617 geldboetes op te leggen aan hen die misdrijven hebben begaan en hij suggereert daarbij dat de aldus verkregen fondsen zouden kunnen worden aangewend voor missiewerk. Voorts is bekend dat de graaf van Redondo, de onderkoning in Goa, de bisschop van Meliapor op 7 maart 1619 het idee aan de hand gedaan heeft trouwerijen te belasten en de opbrengst aan te wenden voor evangelisatie in het diocees Meliapor. Volgens een document gedateerd 15 januari 1633 wordt er een bedrag van 3.500 cruzados vrijgemaakt uit de schatkist in Goa en toegekend aan de bisschop van Meliapor voor evangelisatiewerk in het jaar 1633. Voor het jaar daarop komt eveneens een bedrag voor hetzelfde doel beschikbaar.

De jezuïeten spelen een belangrijke rol in de kerstening van hindoes in Madurai in het binnenland. Wij weten dat Frei Gonçalo Fernandes s.j. in 1595 naar Madurai is gezonden, om de zielzorg op zich te nemen van de omvangrijke parava-bevolking. Hem wordt gevraagd of het ook mogelijk is mensen uit andere kasten te bekeren. Daar Frei Gonçalvo Fernandes het vertrouwen weet te winnen van de nayak en van anderen, kan hij in 1596 enige hindoes bekeren. In 1598 stichten de jezuïeten een door hen geleid openbaar ziekenhuis in Madurai. In 1606 wijst de Koning van Portugal zelfs fondsen toe om de jezuïeten in staat te stellen evangelisatiearbeid in Madurai te ondernemen. Het jaarlijkse rapport van de jezuïeten van Madurai van 1608 spreekt over hun missioneringactiviteiten in plaatsen in het binnenland in deze periode. De invloed van Roberto Nobili s.j. op de groei van de Kerk in het binnenland van het Tamilland is enorm. Hij predikt het Evangelie aan de hogere hindoekasten in de vorm van upanyasams (religieus tractaten), ten dele zingend en ten dele teksten declamerend zoals locale heilige mannen doen. Roberto Nobili kleedt zich als een brahmin sanyasi en eet ook vegetarisch voedsel. Roberto Nobili, die gekleed gaat als een brahmin sanyasi ontkent dat hij een Portugees is en bevestigt dat hij een brahmin uit Rome is. Veel confraters treden in de sporen van Roberto Nobili en gedragen zich ook als sanyasis. De laatste missionaris die zich als sanyasi heeft voorgedaan, was Frei Arcolini s.j., die in 1670 is overleden. Frei Baltasar da Costa is de stichter van een groep die een andere methode van prediking van het geloof praktiseert. Hij predikt het Evangelie, gekleed in een oker gewaad, aan de lage bevolkingskaste. Hij wordt nagevolgd door João de Brito en andere confraters die ook het gewaad van een pandaraswami aantrekken. Het aantal bekeringen door de jezuïeten onder de hoge kaste in de missie van Madurai in 1644 bedraagt 1208 en die onder de lagere kasten 2975 en het totale aantal gekerstenden is in 1651 gegroeid tot 4183. Volgens Manuel Martins s.j. kan een brahmin sanyasi meer tot een hoge kaste behorende mensen bekeren dan drie of vier als pandaraswami geklede jezuïeten bij elkaar.

1 Het diocees Cochin is opgericht op 4 februari 1557 door

paus Paulus VI, door de afkondiging van de pauselijke bul

Pro Excellenti Praeeminentia.In hetzelfde jaar is het bisdom Goa een aartsdioces geworden door de Apostolische Constitutie “Etsi Sancta et Immaculata”

Deel 17: De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640, De Portugezen in Bengalen, Portugezen, Spanjaarden en Hollanders in Siam en Achter-Indië

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

De overleving van de particuliere Portugese handel. De Portugezen aan de Tamilkust in de Periode 1560-1640

Deel 16 Index

Hoofdstuk 3.

De Portugezen aan de Tamilkust in de Periode 1560-1640

3.4. De overleving van de particuliere Portugese handel

Geschreven door Arnold van Wickeren

Volgens een niet gepubliceerd document in het Arquivo Nacional da Torre do Tombo benoemt koning Filipe I, Koning van Portugal Dom Francisco de Sá tot ouvidor voor de gehele Tamilkust. Deze nieuwe functionaris heeft zowel jurisdictie in burgerlijke als in strafzaken. Hij resideert in Punnaikayal, aangezien deze stad een grote christelijke bevolking, zowel Portugezen als inheemsen, heeft. Het sluitstuk van het gehele juridische systeem in de Estado da India is sedert 1544, evenals in Portugal, de Mesa de Relação (hooggerechtshof) in Goa. De ouvidor-geral en de desembargadores hebben zitting in de Mesa de Relação als vertegenwoordigers van de Kroon. Francisco de Sá is ondergeschikt aan het hooggerechtshof in Goa. Hij is de vertegenwoordiger van de Koning van Portugal die zijn juridische macht in de regio dient uit te oefenen. Het bestuur over Punnaikayal wordt dus rechtstreeks onder de Kroon gebracht. Een en ander gebeurt zonder toestemming van de locale nayaks omdat de Portugese stap niet is gebaseerd op territoriale, maar op sociale controle.

Nadat de Hollanders in Azië zijn gearriveerd en de Portugese aanwezigheid daar door hen wordt betwist, is er sprake van toenemend geweld en ongeregeldheden in de Portugese vestigingen. De benoeming van een nieuwe capitão gaat gepaard met het plegen van misdrijven. Een mestiço, een familielid van Francisco de Freitas, steekt zijn landgenoot Simão de Brito neer. Hij wordt onmiddellijk opgesloten in een kerk Later, wanneer de gekwetste persoon in São Tomé is gestorven, wordt een onderzoek ingesteld. Het onderzoeksrapport wijst de mestiço als schuldige aan en hij wordt gestraft. Hetzelfde overkomt Lopo Álvares de Moura, een rijke koopman die in 1594 de vrouw van een andere cassado heeft gekidnapt; hij wordt schuldig bevonden en eveneens gestraft. Het strafrecht blijkt dus redelijk effectief te werken.

Binnen de Portugese gemeenschap van São Tomé de Meliapor zijn verschillende facties en dit leidt tot conflicten, gewelddaden en onrust. Op18 februari 1595 geeft de capitão van de stad een proclamatie uit. Daarin gelast hij een einde te maken aan de gevechten tussen de burgers van de stad. Op 6 januari 1602 worden preventieve stappen ondernomen om het nog steeds doorgaande geweld door strijd tussen de facties te stoppen, door de arrestatie van criminele elementen. Desondanks blijven zich nog lang van tijd tot tijd schermutselingen in de stad voordoen. Dit blijkt uit de brief die Frei M. Roiz s.j op 3 september 1606 schrijft aan zijn generaal-overste in Rome. Hij laat weten dat de Portugezen al meer dan twee of drie jaren onderling ruziemaken en vechten. In een andere brief wordt opgemerkt dat zich tussen de casados in São Tomé de Meliapor veel gevechten tussen facties voordoen. De interne gevechten zijn van tijd tot tijd zo intensief dat zij de dimensies van een burgeroorlog aannemen. Voor het probleem van de tegenstellingen tussen de facties bestaat geen oplossing, omdat noch de rechter, noch de capitão beschikken over een politiemacht om de schuldigen te arresteren en te bestraffen. Op alle vrijdagen gedurende de vastentijd keren de priesters zich in hun preken tegen geweld en haat en sporen iedereen aan vredelievend te zijn.

Er worden vaak altijd klachten geuit over het gebrek aan rechtshandhaving (falta justica) in de Estado da India. Teneinde de situatie te verbeteren en de misdadigers te straffen. Benoemt de Koning van Portugal afzonderlijke ouvidores voor de steden Tuticorin, São Tomé en Nagapattinam. Het is de plicht van de rechters gerechtigheid te doen geschieden in alle voorkomende burgerlijke en strafzaken. Het ambt van ouvidor is zeer lucratief. Uit de tekst van een in oktober 1596 in Goa geschreven brief, blijkt dat de ouvidor zeer grote macht heeft. In de brief lezen we: “Als Simon een juridische opleiding heeft, denk ik dat je er goed aan zou doen voor hem een aanstelling te vragen als rechter of procureur des konings, want het gaat toch om jouw zoon, die zij zulk een baan niet kunnen weigeren. en deze mannen zijn hier koningen.”

Van de benoeming van een bisschop van São Tomé de Meliapor wordt verwacht dat dit een keer ten goede zal brengen in de sociale omgeving van de stad. De situatie verbetert echter maar weinig. In 1613 schrijft vice-rei Dom Jerónymo de Azevedo (1612-1617) aan koning Dom Filipe I dat er onder de Portugezen in de Estado da India een groot gebrek aan discipline heerst; zij verdringen zich om de opbrengsten van de handel. In São Tomé wonen zulke mensen, die het gewend zijn zonder beperkingen te leven. Moraliteit, waarheid en gerechtigheid hebben geen betekenis en de Portugezen zetten hun voor christenen onbetamelijke leven voort. De onderkoning klaagt dat de onrust en verdeeldheid tussen de fidalgos en de andere inwoners van São Tomé er de oorzaak van zijn dat de invloed van de Hollanders in Pulicat zozeer is toegenomen. In 1615 opperen de missionarissen in São Tomé de idee dat het nuttig zou zijn in de stad een garnizoen te legeren onder bevel van een capitão. Deze zou daarbij geholpen door zijn soldaten een einde kunnen maken aan de wetsovertredingen waaraan veel inwoners zich schuldig maken. De maatregel is ook nuttig om de groeiende invloed van de Hollanders, die steeds vaker naar Coromandel komen, het hoofd te bieden. De Conselho da Fazenda in Goa besluit in 1616 tot de bouw van een gefortificeerde militaire gevangenis in São Tomé. De Conselho da Fazenda voteert ook gelden voor de betaling van een officier die leiding geeft aan de bouw van de gevangenis. Tenslotte gaat de raad ook akkoord met een garnizoen, onder capitão Francisco de Oliveira als commandant, tegen een jaarsalaris van 10.000 reais, naast de gebruikelijke extra verdiensten en toelagen

De Portugese bewoners van Nagapattinam hebben gedurende de zestiende eeuw een vreedzamer bestaan, door het ontbreken van onrust en elkaar bestrijdende facties. Evenwel vanaf 1601 nemen ook in Nagapattinam de wanordelijkheden toe en de Koning van Portugal geeft opdracht de belhamels daarvoor te straffen. Vice-rei Aires de Saldanha verzoekt de rechter misdadigers zware straffen op te leggen en actie te ondernemen om met kracht de openbare orde in de stad te handhaven. Aangezien de Koning van Portugal vele klachten ontvangt over de capitães van de Portugese vestigingen, vooral over São Tomé, zendt hij een gedetailleerde questionnaire naar de Capitão van São Tomé, die hij dient te beantwoorden. De vragenlijst vraagt naar details over de handel in artikelen waarnaar grote vraag is in Portugal en ook naar het salaris en de particuliere inkomsten van de ambtenaren om hun actuele positie vast te stellen.

Ondanks de officiële Luso-Hollandse rivaliteit, wijdverspreid wanbestuur en geweld in de Portugese vestigingen, weet een groot aantal casados te overleven als scheepseigenaren, financiers, groot- en kleinhandelaren. Zij hebben niet alleen grote invloed in het gebied van de Golf van Bengalen, maar zij zoeken ook vaak samenwerking met Engelsen, Hollanders en Denen, ondanks dat zij hun politieke tegenstanders en potentiële rivalen in de Oriënt zijn. De commerciële invloed die de Portugese particuliere handelaren in de Golf van Bengalen uitoefenden heeft – zoals Jeyaseela laat weten – Sanjay Subrahmayam doen concluderen dat de Portugese invloed niet slechts beperkt was tot die gebieden die vielen binnen de territoriale jurisdictie van de Estado da India, maar dat deze zich uitstrekten over alle havens in Azië. Jeyaseela vervolgt zijn betoog: ”De idee van een handelsdiaspora is het eerst geïntroduceerd door Abner Cohen, is vervolgens uitgewerkt in de geschriften van Philip Curtin. Ook Fernand Braudel heeft zich in zijn studies ingelaten met dit gezichtspunt. Een onderzoek naar de betrekkelijk open handelsactiviteiten van de wisselende groepen Portugezen kan ons de idee van de handelsdiaspora in het gebied van de Golf van Bengalen en de reden voor de val van de officiële Portugese handel gedurende deze periode, helpen begrijpen. K.N. Chaudhuri heeft echter historici gewaarschuwd het denkbeeld van de handelsdiaspora als een analytisch instrument te gebruiken.” Gezegd kan worden dat het fenomeen van migratie van Portugese particuliere handelaren van de ene culturele zone naar de andere een belangrijk kenmerk is van de snelle expansie van de Portugese zeehandel. Daarnaast manifesteert zich de aanwezigheid van de Portugese diaspora in het groeiende economische formaat van Portugal als regionale dominante economische macht. De Portugese handelaren hebben hun eigen gemeenschappelijke identiteit met hun superieure religie, taal en hun westerse levensstijl. Vandaar dat de Portugezen in de handelszone van de Golf van Bengalen vallen binnen de omschrijving van een diaspora. Laat ons zien – schrijft Jeyaseela – hoe de Portugese handelaren in het begin van de zestiende eeuw te voorschijn komen als een diaspora en hoe zij doorgaan dit te blijven nadat de Portugese vestigingen in 1662 in handen van de Hollanders zijn gevallen.

Al in 1513 heeft Afonso de Albuquerque, de tweede capitão-geral van de Estado da India, laten weten dat de Portugezen vrij mogen handeldrijven in geheel Indië, zowel te land als ter zee en zij allen hielden zich bezig met het verkopen en kopen van handelswaren. Binnen Voor-Indië is de Tamilkust aan de Golf van Bengalen de favoriete streek voor particuliere handel door de Portugezen als zij in nauw contact staan met locale handelaren, in het bijzonder de mudaliars, de chettis en in zekere zin de marakkayars die zeer nuttig blijken te zijn als handelsagenten, makelaars en zelfs transporteurs. Veel van deze Portugese handelaren vinden de locale condities zeer aantrekkelijk, zodat zij, evenals de marakkayars inheemse vrouwen huwen en zich aan de Tamilkust vestigden. De casados komen naar voren als invloedrijke handelaren die nauwe betrekkingen onderhouden met inheemse kooplieden. Deze casados kunnen gemakkelijk geld lenen van de chettis in Coromandel. Zo leent bijvoorbeeld de handelaar Diogo Nuniz van twee chetti-handelaren respectievelijk 1.000 en 700 cruzados. Deze praktijk van het lenen van geld van inheemse kooplieden verdwijnt als zij zelf rijk genoeg zijn om schepen of kleine zeewaardige vaartuigen te bezitten. De zaken van Portugese particuliere handelaren kunnen door de handel floreren, dankzij de goede relaties met de inheemse kooplieden in Coromandel. De handelsactiviteiten van deze casados leveren de koninklijke schatkist weinig profijt op. Volgens een bepaald rapport dragen particuliere handelaren, zoals Gaspar Preto, Pedro Álvares de Mezquito, João Gomez, Álvaro de Castanheda, Lopo Correia, Matheus de Cunha, Symão de Cunha, Tristão Rodriguez en Pedro Álvarez de Setubal niet veel bij aan het inkomen van de Kroon. Veel van de Portugese handelaren die zich gevestigd hebben aan de Coromandelkust schijnen zich nimmer iets gelegen te hebben laten liggen aan de Koning van Portugal. Zij zijn er temeer tuk op samen te werken met inheemse handelaren om hun eigen belangen te dienen. Er worden daarom pogingen ondernomen om deze particuliere Portugese handelaren onder controle van de Estado da India brengen. Daarom wordt er in verschillende havens aan de Coromandelkust een capitão geplaatst. In het jaar 1537 zendt een aantal van deze particuliere Portugese handelaren een petitie aan de Koning van Portugal, waarin zij de vorst vragen een van hen, op permanente basis als capitão aan te stellen, die – zo schrijven zij – meer geschikt zal zijn hun belangen te bevorderen. De commerciële rivaliteit tussen de Portugezen en de Hollanders is in de zeventiende eeuw aan de Tamilkust bitter vergeleken met de rivaliteit tussen de Portugese en de moslimhandelaren in de zestiende eeuw. De Luso-Hollandse strijd tast de handel van beide partijen in de regio aan en plaveit de weg voor het verval van de Portugezen. Hoewel de particuliere Portugese handelaren er aan de Tamelkust in slagen te overleven bijna tot aan het midden van de achttiende eeuw. We zullen zien hoe de Portugezen hun particuliere handel voortzetten bij verandering van de omstandigheden.

De Hollanders arriveren in februari 1605 in Masulipatnam en zij verwerven van de sultan van Golkonda het recht in de haven handel te drijven. In 1613 vraagt Pieter Floris, de vertegenwoordiger van de Hollandse kooplieden, aan Ahmadu Khan, Masulipatnams havaldar, bij herhaling of zijn mensen zich in de stad mogen vestigen. Als een antwoord uitblijft, gijzelt Flores de zoon van Busbali Rao, Ahmadu Khans handelspartner en co-havaldar, Venkatadra geheten. In 1622 weten de Hollanders zich opnieuw het ongenoegen van de havaldar op de hals te halen. Deze, Mir Kassim geheten, bekleedt deze functie pas een jaar. De Hollanders nemen een Portugees schip, de Nossa Senhora da Bom Viagem, dat de haven van Masulipatnam is ingevlucht en bescherming heeft gevraagd aan de havaldar. Deze zegt de Portugezen bescherming toe en is furieus dat zijn orders in de wind zijn geslagen. De Hollanders, die inmiddels een factorij in Masulipatnam bezitten, brengen al hu bezittingen aan boord van hun schepen. De havaldar slaat het beleg voor de factorij en stopt de aanvoer van water en voedsel. De sultan van Golkonda geeft de Hollanders bevel het schip aan de Portugezen terug te geven, maar de zaak wordt uiteindelijk als volgt geregeld. De Portugese bemanning wordt vrijgelaten en de Hollanders betalen de sultan 5.000 pagodas, zijnde zijn aandeel in de buit. De problemen tussen de Hollanders en het bestuur van Masulipatnam slepen zich voort tot in 1623. Abraham van Uffelen, de factor van Masulipatnam en de chef over de operaties aan de Coromandelkust, is een aanmatigende man die zich arrogant gedraagt in zijn onderhandelingen met het stadsbestuur. Kennelijk is hij van oordeel – laat Sinnappah Arasaratnam weten (pag. 41) – dat de Hollandse belangen het beste verzekerd worden met agressie. Hij slaat de koninklijke bevelen in de wind, legt de wet naar eigen goeddunken uit, verscheept tabak, hoewel daarop een koninklijk monopolie rust en doet alles om zich gehaat te maken. De regering van Golkonda slaat terug met een verrassingsaanval op de Hollandse factorij in november 1623, neemt Abraham van Uffelen en zijn assistent gevangen, tezamen met drie inheemsen en zendt hen geketend naar Golkonda. Zij worden spoedig daarna vrijgelaten tegen betaling van 16.000 pagodas. Van Uffelen sterft spoedig daarna aan de verwondingen die hij bij het incident heeft opgelopen.

Op 26 april 1606 komen de Hollanders naar Pulicat en pogen van Jaggaradja, de locale heerser, toestemming te krijgen daar hun handelspost te vestigen. Als de onderhandelingen daarover stranden, veronderstellen de Hollanders dat de Portugezen een geheim verdrag hebben gesloten met de inheemse heerser. Geërgerd door deze terugslag, steken de Hollanders twee Portugese schepen in de haven van SãoTomé in brand. Later vestigen de Hollanders een factorij in Nizampatnam, aan de monding van de Krishna-rivier. De Europese aanwezigheid in Masulipatnam neemt in de loop van de zeventiende eeuw enorm toe. Het zijn vooral ongebonden vrije handelaren die zich in de stad vestigen. Veelal gaat het om Engelse kooplieden, maar ook om Portugezen, Armeniërs en joden die de stad Masulipatnam tot hun woonplaats maken. In 1625 vragen de Denen verlof een factorij in de stad te vestigen. Zij drijven handel in nauwe samenwerking met inheemse handelaren, die hun goederen transporteren naar Zuidoost-Azië. Zij hebben geregelde handelscontacten met Macassar, vanwaar zij kruidnagelen, muscaatnoten en sandelhout importeren voor de markt in Golkonda. In 1627 is sprake van een conflict tussen de Denen en hun Aziatische partners. De Denen blokkeren de haven van Masulipatnam en nemen een schip van de sultan van Golkonda. In de jaren twintig en dertig floreert de handel in Masulipatnam. Volgens Hollandse bronnen verlaten in 1628 in de maand september, een populaire maand om uit te zeilen, tien schepen Masulipatnam: twee gaan naar Pegu, drie naar Tenasserim, twee naar Arakan, twee naar Atjeh en een naar de Malediven.

De Hollanders trachten zich in 1610 opnieuw in Pulicat te vestigen en deze keer slagen zij erin hiervoor verlof te verwerven van Venkata II, Koning van Vijayanagar. In een poging de Hollanders uit Pulicat te verdrijven, zendt de aartsbisschop van Goa, Dom Frei Aleixo de Menezes, suo moto een gezant met een paard als gift voor koning Venkata II. In zijn brief van 10 december 1607, gericht aan de inmiddels tot gouverneur-generaal geroepen aartsbisschop, dringt de Koning van Portugal erop aan de beste betrekkingen met de heerser van Vijayanagar te onderhouden en daarbij de verdrijving van de Hollanders uit Pulicat te bewerkstelligen. Ruy Lourenço de Tavora, de gouverneur-generaal van de Estado da India (1609-1612) zendt Manual de Frias in 1610 erop uit om de Hollandse vestiging in Pulicat aan te vallen als de Hollanders beginnen de Portugese textielhandel te belemmeren. Volgens Ernst van Veen ontvangen de Hollanders die zich bij Pulicat gevestigd hebben in 1610 verlof hun factorij uit te bouwen tot een fort1 De aanval wordt vooralsnog uitgesteld. De commerciële rivaliteit tussen de twee Europese mogendheden wordt echter zo hevig dat de Portugezen in São Tomé op 9 juni 1612 besluiten Pulicat aan te vallen. Vice-rei Dom Jerónymo de Azevedo, of wellicht nog zijn voorganger, zendt een schip van Cochin naar São Tomé de Meliapor, om de Portugese aanvalsmacht op Pulicat te versterken. Het wordt toegevoegd aan de vloot bestaande uit schepen uit Nagapattinam en São Tomé de Meliapor, die in open zee slag met de Hollanders zullen leveren. De gecombineerde Portugese strijdkrachten van de westkust en van de oostkust van Voor-Indië vallen op 12 juni 1612 de gefortificeerde Hollandse factorij in Pulicat aan en plunderen haar. De aanvallers verwoesten de factorij en doden drie van haar employees. Anderen worden gevangengenomen, onder wie de Hollandse factor. Zij worden overgebracht naar São Tomé. Ook een deel van de handelswaren van de VOC vindt zijn weg naar São Tomé. De verwoesting van de Hollandse fortificaties in Pulicat tast het Hollandse prestige, in de ogen van locale sultans, in aanzienlijke mate aan2.

Uit de correspondentie die over de zaak gewisseld is tussen São Tomé de Meliapor en Lissabon blijkt dat de activiteiten van de Capitão van São Tomé het hof niet erg welgevallig zijn. Uit een van zijn in 1612 geschreven brieven, schrijft de Koning van Portugal aan zijn capitão-geral in Goa dat de Capitão van São Tomé de Meliapor de koninklijke orders niet heeft gehoorzaamd en zich gedragen heeft als een rebel. Op bevel van de capitão-geral neemt de bisschop van Meliapor de functie van capitão op zich en er wordt een onderzoek ingesteld naar de ongehoorzaamheid van zijn voorganger. In 1613 worden vanaf de westkust escorteringsvaartuigen naar Kanyakumari gezonden om cafilas in de Golf van Bengalen te beschermen en de zekerheid voor handelsvaartuigen aan de Tamilkust te waarborgen. Gouverneur-generaal Ruy Lourenço de Tavora benoemt in 1610 een Capitão voor São Tomé de Meliapor, om met de Hollanders in Pulicat te onderhandelen. Hij treedt in de plaats van zijn recalcitrante voorganger. Het wordt hem ook toegestaan er een afdeling soldaten op na te houden. De Portugese casados in de stad São Tomé zijn, evenwel, zeer gefrustreerd over de stand van zaken en zij verlangen dat Manuel de Frias gekozen wordt tot capitão van de stad. Ongeveer 1.500 tot 2.000 soldaten worden in in Coromandel gestationeerd om de dreiging van Hollandse aanvallen op Nagapattinam en São Tomé het hoofd te bieden.

De Hollanders beseffen dat zij in Pulicat een fort dienen te bouwen om de veiligheid van hun handelsactiviteiten te beschermen. In een poging de gunst en de steun te verwerven van de heerser van Vijayanagar in Vellore, geven zij de vorst kostbare geschenken en bijgevolg ontvangen zij op 12 december 1612 verlof een fort in Pulicat te bouwen. De Hollanders beginnen met de bouw van een fort, dat zij Casteel Geldria noemen. Nadat zij Pulicat versterkt hebben, slaan de Hollanders in 1613 het beleg voor São Tomé de Meliapor, uit wraak voor de eerdere verwoesting van hun factorij in Pulicat. De Nayak van Thanjavur komt de Portugezen te hulp als de Hollanders São Tomé aanvallen. Na São Tomé te hebben geplunderd keren de Hollanders terug naar Pulicat. In 1615 valt de beslissing Casteel Gelria te versterken, na het bezoek van een visitator-generaal, die naar Indië is gezonden om het gebrekkige bestuur van de VOC in Atjeh en Coromandel te onderzoeken. Danvers3 maakt melding van een aanval van inheemsen op São Tomé in 1615; zij bouwen er een fort, dat zij bewapenen en waarin zij een garnizoen van 600 man legeren. Zij hebben ook veel soldaten buiten de stad, die zij vanaf een pagode met kanonnen beschieten. Capitão Manuel de Frias belegert het garnizoen in het fort, dat door gebrek aan water al snel moet capituleren. Frias vindt in het fort, naast ander geschut, een enorm kanon dat kogels van 23 kilogram kan afschieten. In 1616 stelt de Engelse reiziger William Methwold vast dat de Hollanders zich als slechte buren gedragen tegenover de Portugese vestiging in São Tomé de Meliapor. Op 27 januari 1616 belegeren zij opnieuw São Tomé, maar zij keren zonder resultaat te hebben geboekt terug naar Pulicat. De Portugezen vallen in 1617 de Hollanders in Pulicat aan en deze keer steken zij twee schepen in brand van marakkayars, die de Hollanders bij hun handel helpen. De Koning van Portugal wenst de groeiende Hollandse commerciële activiteit aan de kust van Coromandel een halt toe te roepen en voor dit doel wordt een vloot uitgerust met fondsen verkregen uit de opbrengsten van de Kroon. De Luso-Hollandse rivaliteit om Pulicat wordt voortgezet tot 1619.

De inwoners van São Tomé de Meliapor zijn door bepaalde geschillen zo verdeeld geraakt, dat zij veten uitvechten door middel van duels, waarbij velen worden gedood. Vice-rei Dom Jerónymo de Azevedo, heeft ondertussen in juli 1616 Rui Dias de Sampaio benoemd tot capitão van de stad. Hij is met zeven vaartuigen en 250 soldaten in São Tomé aangekomen en herstelt snel de orde in de stad. De onderkoning zendt ook Pedro Gomes de Sousa met zes schepen naar São Tomé om de kust van Carriero te zuiveren. Pedro Gomes overvalt de stad Montepoli, waar hij grote verwoestingen aanricht en een aantal vrouwen en kinderen gevangenneemt, naast veel buit. Als Pedro Gomes terugkeert naar de kust, ontmoet hij een oude moor, die erover klaagt dat Cotamuza, de Koning van Golkonda, hem groot onrecht heeft aangedaan en hij zegt niet alleen te willen overgaan tot het christendom, maar biedt Pedro Gomes ook aan hem te laten zien hoe gemakkelijk het fort in Carriero genomen kan worden. Hoewel Pedro Gomes wordt gewaarschuwd dat de oude moor wel eens niet te vertrouwen is, accepteert hij zijn aanbod en gaat, vergezeld van een kleine strijdmacht, met hem mee om bezit te nemen van het fort. Als zij het fort tot op een légua zijn genaderd, wordt de kleine strijdmacht overvallen door 600 moren, die in hinderlaag hebben gelegen. Pedro Gomes en al zijn kapiteins, op een na, vinden de dood, tezamen met 130 soldaten; 25 Portugezen worden gevangengenomen en slechts 30 weten te ontkomen door te vluchten. Joseph Pereira de Sampaio brengt deze mannen en de schepen terug naar São Tomé. De moren zenden de gevangengenomen Portugezen naar de Koning van Golkonda, die erg ontstemd is dat zij zijn gebied op vijandige wijze zijn binnengevallen, terwijl er onderhandelingen werden gevoerd over het aangaan van een vriendschappelijke bondgenootschap. Maar nadat de Portugezen de koning hebben verzekerd dat zij geheel op eigen initiatief hebben gehandeld en dat hun regering daartoe geen opdracht heeft gegeven, laat hij de gevangenen vrij, op de enige conditie dat zij die zijn gevangengenomen in Montepoli ook naar hun woningen zullen worden teruggestuurd. Ook Rui Dias de Sampaio voert talrijke overvallen uit op de kust, waarbij inheemsen bij verrassing worden gevangengenomen. Na korte tijd wordt ook over hem gerapporteerd dat hij ongehoorzaam is geweest aan koninklijke orders en hij heeft zelfs op 20 februari 1619 zijn eigen schepen naar Pegu gezonden, terwijl in die tijd reizen naar Pegu en Ava verboden zijn, wegens de oorlog tussen de twee koningen van deze plaatsen. Zelf wanneer de kooplieden van São Tomé erover klagen dat de Hollanders hun reizen naar Malacca verstoren, onderneemt capitão Rui Dias de Sampaio hiertegen niets. Hij stelt vooral belang in Portugese schepen die naar Pegu zeilen, omdat deze handel zijn eigen particuliere inkomen verhoogt. Na afloop van zijn ambtstermijn in 1621 benoemt capitão-geral Fernão de Albuquerque tot Capitão van Meliapor António Manuel. Zijn voorganger betert zijn leven niet, Rui Dias de Sampaio onderneemt zelfs reizen naar Pegu (op 26 februari 1624) zonder daarvoor permissie te hebben ontvangen van vice-rei Dom Francisco da Gama, conde de Vidigueira (1622-1627). Er zijn voorts berichten dat hij ook illegale handel heeft bedreven met Pegu en met vele andere delen van Azië, tot aan zijn overlijden in 1629.

Maar ook zijn opvolger, António Manuel, blijkt corrupt te zijn, wat blijkt uit de brief die Frei Dom Luís de Brito, bisschop van Meliapor, schrijft aan koning Filipe III van Portugal (1621-1640). In zijn brief, gedateerd 2 januari 1622, schrijft hij: “Uwe Majesteit wordt armzalig gediend in de Estado da India, en niet in de laatste plaats als het gaat om oorlogszaken.” António Manuels daden als Capitão van São Tomé berokkenen de inkomsten van de Kroon veel schade. Hij blijkt ook voor eigen rekening te handelen in specerijen en maakt daarmee grote winsten. Er zij ook aan herinnerd dat António Manuel een slecht bestuurder is geweest. Ofschoon Goa schepen en soldaten naar Meliapor zendt om tegen de Hollanders te vechten, doet de capitão in deze niets. Aan de andere kant koopt hij een schip van de koning waarvan de waarde veel te laag is getaxeerd, wat verlies voor de koninklijke schatkist betekent en voordeel voor António Manuel. Hij ontvangt van de onderkoning in Goa een verlofbrief voor het maken van een reis naar Malacca, welke reis hem 7.000 cruzados winst oplevert. António Manuel exporteert textiel met een waarde van 4.000 cruzados, waarvan de helft in naam van de bisschop Frei Dom Luís de Brito. Al deze stiekeme praktijken van de capitão vergroten de schulden van de koninklijke schatkist in plaats van dat het de Kroon winst oplevert. Later koopt hij twee schepen aan, ofschoon hij wordt verondersteld zich niet met zulke transacties in te laten. Desondanks slaagt hij erin ieder van beide schepen te kopen voor 90 xerafins en hij ontvangt keurige certificaten uitgegeven door de escrivão van de haven. Bij een bezoek aan Goa rapporteert hij de autoriteiten dat alles in São Tomé op rolletjes loopt. In werkelijkheid zijn er grote spanningen in de stad door de Hollandse aanwezigheid en de grote verstoringen van de Portugese handel die daarvan het gevolg is. Zijn misdrijven worden zo onverdraaglijk dat bisschop Frei Dom Luís de Brito genoodzaakt is schriftelijk te vragen een onderzoek te doen instellen naar de misdaden van de capitão. De bisschop van Meliapor wordt verzocht António Manuel, voordat zijn ambtstermijn erop zit, af te zetten en in januari 1624 zelf de capitania Meliapor te gaan besturen. António Manuel wacht het onderzoek niet af. In augustus 1623 tracht hij te ontsnappen om aan een onderzoek te ontkomen. Zijn poging faalt, omdat het schip, waarop hij zich heeft ingescheept, ontploft.In het jaar daarop worden juridische stappen tegen hem ondernomen. De familieleden van António Manuel zijn zo verstandig te verhuizen naar Pulicat om bij de Hollanders hun fondsen te investeren. Na de dood van António Manuel worden zijn zonen en dochters op 16 februari 1625 onder voogdij geplaatst, maar de oneerlijk verkregen rijkdom kan niet worden toegewezen aan de Estado da India. Jeyaseela noemt dit “tekenend voor de groeiende rivaliteit tussen de monarchie en de adel of misschien de nieuwe klasse van rijke handelsfamilies.”

De fidalgo António Coelho wordt in 1621 aangewezen als Capitão van São Tomé en hij wordt belast met de verantwoordelijkheid de Hollanders uit Pulicat te verdrijven, Dit blijkt uit de brief gedateerd 24 februari 1621, waarin wordt gevraagd om een grote vloot om de groeiende Hollandse invloed in Coromandel tegen te gaan. Uit de brief blijkt ook hoe agressief de Hollanders zijn en voorts wordt er in de brief over geklaagd dat de Hollanders zich te buiten gaan aan intriges om het zaad van verraad tegen de Portugezen te zaaien in de harten van de locale heersers, alsmede in die van hindoe- en moslimhandelaren. De Hollanders vallen in augustus 1623 São Tomé aan. Een aantal Portugese soldaten wordt uit Cochin overgeplaatst naar Coromandel, om dienst te doen op de schepen die de Hollanders bestrijden. De laatsten veroveren evenwel São Tomé in augustus 1623, hetgeen mogelijk is omdat er geen sprake is van doeltreffend bestuur, laat staan en een doeltreffende verdediging in de chaotische stad. De Portugezen zijn genoodzaakt een fidalgo te benoemen om de Portugese inwoners van de stad weer in het gareel te krijgen. Hierna is het snel afgelopen met de Hollandse troepen in de stad, die op 23 september 1623 door de Portugezen wordt heroverd.

In 1625 wordt een nieuwe capitão benoemd voor São Tomé, Diogo de Mello de Castro. Om in 1627 de Hollanders in Pulicat te kunnen aanvallen mobiliseert hij een contingent van 200 soldaten en enkele schepen in Meliapor. Het benodigde bedrag wordt afgenomen van de gelden die op 4 april 1627 uit Portugal in Goa zijn ontvangen voor de opbouw van een vloot in Coromandel. De gemobiliseerde strijdmacht blijkt niet in staat om het hoofd te bieden aan de aanvallen van de Hollanders. In een brief die de vice-rei in 1628 aan Dom Filipe III, Koning van Portugal, schrijft wordt opgemerkt dat de vloot naar São Tomé de Meliapor is gezonden om tegen de Hollanders te vechten. De onderkoning verklaart voorts dat hij 20.000 pagodas, wat overeenkomt mat 60.000 xerafins, heeft uitgegeven om de Hollandse vestiging in Pulicat te veroveren. Hij vraagt de koning om toestemming om voor dit doel nog een 12.000 pagodas te mogen uitgeven. Voorts worden op 9 maart 1629 in Goa gelden gevoteerd voor de betaling van de salarissen voor de Portugese strijdkrachten en bijkomende uitgaven in Coromandel. Bijgevolg ontvangt Diogo de Mello de Castro, de Capitão van São Tomé, op 20 maart 1629 12.000 pagodas voor de bestrijding van de uitgaven voor de aanval op Casteel Geldria in Pulicat. De jaarlijkse brief van de jezuïeten in 1630 meldt dat de Hollanders hun aanvallen op de Portugezen in São Tomé meedogenloos voortzetten. Zij vallen een schip aan en brengen het tot zinken. Zij gaan ook door met het belemmeren van de handel van de Portugese vestiging van São Tomé. De Conselho do Estado da India in Goa besluit daarom in zijn vergadering van 11 augustus 1630 vier galjoenen naar Meliapor te zenden. Op 11 februari 1632 volgt Domingos da Câmara zijn voorganger Diogo de Mello de Castro op als Capitão van São Tomé. Ofschoon verschillende capitães zijn benoemd die allen de opdracht hadden ontvangen de Hollanders uit Pulicat te verdrijven, is geen van hen daarin geslaagd. De omvang van hun handelsactiviteiten neemt echter gestaag toe. In de brieven die de bisschop van Meliapor op 23 juni en 29 juli 1634 schrijft aan vice-rei Dom Miguel de Noronha, conde de Linhares, geeft hij schattingen van de zaken van de Hollanders in hun fort in Pulicat, die hij vergelijkt met de handel van de Portugezen. Daar de Portugezen grote behoefte hebben aan hulp van de Koning van Vijayanagar om de Hollanders uit Pulicat te verdrijven, benaderen zij Venkata III (1630-1641). Zij zenden in 1633 Frei Aleixo Mexia s.j. uit São Tomé naar de Koning van Vijayanagar. Hij bepleit bij de vorst namens de Portugese Capitão van São Tomé het Hollandse fort in Pulicat terug(sic) te geven aan de Portugezen. Als capitão Domingos da Câmara van Frei Aleixo Mexia verneemt dat koning Venkata de Portugezen goed gezind is, zendt hij de Koning van Vijayanagar rijke geschenken. Vervolgens ondertekenen de Portugese vice-rei, de conde de Linhares (1629-1635) en Venkata III, de Koning van Vijayanagar, een verdrag om de Hollanders te verdrijven. De koning verzekert de Portugezen te helpen door troepen te mobiliseren en de Hollandse vestiging in Pulicat van de landzijde aan te vallen, terwijl de Portugezen de aanval vanaf de zeezijde zullen lanceren. De Portugezen beloven op hun beurt de Koning van Vijayanagar 30.000 xerafins, twaalf paarden en zes olifanten te betalen voor de door de koning aangeboden hulp. De Portugezen zenden een vloot van twaalf schepen naar São Tomé, waar ook de noodzakelijke ammunitie en de toegezegde paarden en olifanten worden ontvangen. Er is afgesproken dat de aanval op de Hollanders op 17 maart 1635 zal worden ingezet. De leden van de Senado do Câmara van Nagapattinam hebben opdracht van de graaf van Linhares op 17 maart aan boord van de vloot te gaan om de aanval op Pulicat mee te maken. De Koning van Vijayanagar komt zijn afspraak Pulicat van de landzijde aan te vallen niet na. Terwijl de Portugezen er keer op keer niet in zijn geslaagd de Hollanders uit Pulicat te verdrijven, zijn de laatsten goed op de hoogte van de situatie bij de Portugezen in São Tomé, omdat Hollandse kooplieden daar vrijelijk mogen handeldrijven. Dit is ook nog de situatie in 1640 het einde van de in dit deel te bespreken tijdvak.

1 Zie Decay or Defeat? pag. 184

2 Zie Decay or Defeat? pag. 184

3 Zie pag. 173 van deel II

3.5 Aanvullende opmerkingen over Portugese vestigingen Devanampattinam, Nagapattinam en São Tomé de Meliapor en over de missieactiviteiten in deze steden

Categorieën
Portugees kolonialisme

De importhandel van de Portugezen. De Portugezen aan de Tamilkust in de Periode 1560-1640

Deel 16 Index

Hoofdstuk 3.

De Portugezen aan de Tamilkust in de Periode 1560-1640

3.3. De importhandel van de Portugezen

Geschreven door Arnold van Wickeren

In het begin van de zeventiende eeuw trachten de Hollanders soms de medewerking te verkrijgen van ervaren Portugese handelaren en sommige Portugezen zijn daartoe bereid. Een van hen is Pero de Ataíde die de Hollanders helpt met het promoten van hun handel op Java. Hij adviseert hen daar specerijen te kopen zonder medeweten van de Javaanse handelaren om mogelijke oppositie van hun kant te vermijden. Aangezien naar de fijnere variaties van kleding van de Coromandelkust grote vraag is in geheel Zuidoost-Azië, zijn de Portugezen zeer belust op het monopoliseren van de handel daarin. Vandaar doen zij er alles aan om te verhinderen dat de Hollanders binnendringen in hun invloedssfeer. De moeilijkheden die Engelsen en Hollanders aan de Coromandelkust ondervinden zijn zo enorm dat zij in 1611 gedwongen zijn kleding te kopen in de regio Surat. De textielwaren uit Gujarat zijn alleen geschikt voor bulkhandel. Op 28 februari 1612 geeft de Koning van Portugal instructies uit om hindoekooplieden en hun schepen in Zuidoost-Azië te nemen als zij betrokken zijn bij de levering van kruidnagelen aan de Hollanders. Voorts realiseren de Hollanders zich spoedig dat de Portugezen de handel in kleding van Coromandel vast in handen hebben. De Portugese naus gaan door met het belemmeren van de Hollanders een steunpunt te verwerven voor hun bedenkelijke textielhandel in Pulicat. Zij kunnen zich de betekenis van de Portugese exporten van textiel uit Coromandel naar Zuidoost-Azië eerst in 1616 voorstellen. Bovendien zijn grote investeringen nodig om voort te gaan met de handel in textiel. De Portugezen moeten een deel van hun kapitaal besteden voor het verwerven van edelstenen, om de textielhandel te ontwikkelen. Er is toestemming vereist van de Conselho da Fazenda in Goa om kapitaal te steken in edelstenen. De Portugezen hebben nog een reden om de Hollanders te weren van de textielhandel in Coromandel, omdat alleen textiel uit Coromandel in de Molukken kan worden geruild tegen kruidnagelen. De Tamilhandelaren krijgen van de Portugezen de waarschuwing dat hun schepen worden verbrand als zij de Hollanders helpen met hun handel in kruidnagelen. Kruidnagelen die in Coromandel worden geïmporteerd, worden naar plaatsen in het binnenland gezonden om daar te worden verkocht met een zeer hoge winstmarge. Zo hoog dat Francisco Pelsaert, een reiziger in de vroege zeventiende eeuw (1627) opmerkt dat de prijs van kruidnagelen in de havens aan de Coromandelkust slechts 1,80 florins per pound is, terwijl kruidnagelen in Agra worden verkocht voor 3,84 florins.

De handel tussen Coromandel en de Molukken is zozeer van elkaar afhankelijk dat Henrick Brouwer, de Hollanse vertegenwoordiger in Japan, in 1612 de Coromandelkust beschrijft als de linkerarm van de Molukken. Dit is omdat de Hollanders zich ervan bewust zijn dat er zonder textiel uit Coromandel geen zaken met de Molukken kunnen worden gedaan. De Hollanders zijn ook geïnteresseerd in de handel in kruidnagelen en zij volgen de Portugese praktijk om vanaf 1612 contracten af te sluiten met de aanbieders. Zelfs de prijzen waarvoor textielwaren worden geruild voor kruidnagelen worden in deze contracten opgenomen. De condities die de Hollanders de inheemsen in de zeventiende eeuw contractueel opleggen, zijn echter, volgens Van der Hagen, de Hollandse factor op Java, viermaal strenger dan de condities die de Portugezen hen in de zestiende eeuw hebben opgelegd. Er ontstaat dus een hevige competitie tussen de Portugezen en de Hollanders om kruidnagelen van de Molukken te verwerven.

Ambon, een ander belangrijk centrum waar kruidnagelen worden aangeboden, ontvangt daarvoor textielwaren van de Coromandelkust. De handel met Ambon loopt over Malacca, dat het centrum is waar textiel uit Coromandel wordt herverdeeld. De Portugese commerciële contacten met Ambon worden sterk gestimuleerd als gevolg van de benoeming van António Pais tot Capitão van Ambon in 1562. Een brief van Dom Sebastião, Koning van Portugal (1557-1578), van maart 1565 aan vice-rei Dom António de Noronha, beklemtoont het belang van Ambon en stelt de bouw van een factorij op het eiland voor. Hem wordt ook gevraagd kruidnagelen te kopen in Ternate, waardoor de winst die behaald wordt met de handel in nagelen toeneemt. De moord op sultan Hairun van Ternate, op instigatie van de Portugese capitão Diogo Lopes de Mesquita, veroorzaakt echter in 1575 een opstand van de inheemse bevolking tegen de Portugezen. Hierdoor zijn de Portugezen genoodzaakt hun handelsactiviteiten in kruidnagelen te beperken tot het eiland Ambon. De export van textielwaren van Coromandel naar Ambon gaat voort en neemt in de loop der tijd toe met de bouw van een fort op Ambon door de Portugezen (1591) Kleding, vooral uit São Tomé, wordt geëxporteerd in ruil voor kruidnagelen. In 1595 komen de Hollanders voor het eerst in Indië aan en al gauw willen zij onderzoeken of zij textielwaren in Coromandel kunnen verwerven, om deze in Pulicat te exporteren, wat het verval van de Portugese kruidnagelhandel zou bespoedigen Volgens Portugese bronnen kopen de Portugezen van locale agenten in Pulicat zestig corjas beatilhas voor vijftien xerafins per corja, voor export naar Ambon. Voor dezelfde prijs worden veertig balen beatilhas verworven. Deze worden ook naar Ambon gezonden en de totale waarde van de vervoerde exportgoederen wordt in 1598 geschat op 3.192 xerafins. Echter met de val van de Portugese forten op Ambon en Tidore in 1605, stort de Portugese handel in kruidnagelen feitelijk in elkaar. Er zijn ook berichten over zeiltochten met kruidnagelen in 1625 van de Portugezen van Macassar op het eiland Celebes naar Nagapattinam. Kruidnagelen worden in grote hoeveelheden naar Macassar gebracht tot ongeveer het jaar 1632. De kooplieden van Macassar betalen op Ceram 100 reais per bahar kruidnagelen. In 1635 kosten kruidnagelen in Coromandel slechts 1,50 florins per pound en dit is veel goedkoper dan voorheen. De oorzaak daarvan is dat veel schepen uit Nagapattinam grote hoeveelheden kleding naar Macassar hebben gebracht. Dus de handel in kruidnagelen in Macassar is verbonden met Nagapattinam. Deze handel in kruidnagelen gaat zelfs door tot het jaar 1637. Bekend is dat twee schepen die betrokken zijn bij de handel in kruidnagelen in Macassar hun basis hebben in Nagapattinam. Er zijn cijfers beschikbaar over het aantal schepen dat tussen 1644 en 1652 betrokken is bij de handel in kruidnagelen tussen Nagapattinam en Macassar. Hieruit blijkt dat er vrijwel ieder jaar een schip uit Nagapattinam in Macassar aankomt en ook weer vertrekt. De handel in kruidnagelen tussen Nagapattinam en Macassar wordt voortgezet tot 1651-1652. De handel gaat daarna op kleinere schaal verder dan daarvoor, totdat de Portugezen in 1669 uit Macassar worden gegooid.

Peper is een ander artikel dat op grote schaal in de Indische Archipel geproduceerd wordt. Het eiland Sumatra heeft veel peperstruiken. Jambi is een van de belangrijkste centra waar peper wordt verhandeld. Peper wordt behandeld als een artikel behorend tot het koninklijk monopolie en zeiltochten ter verwerving van peper worden uitgevoerd met schepen van de Kroon en met particuliere schepen van Portugezen. Volgens O novo regimento para o trato di pimenta e de outras especiarias, gegeven te Évora op 1 maart 1570, start de Koning van Portugal met de uitgifte van verlofbrieven voor zulke reizen vanaf Coromandel om de Portugese handel in specerijen aan te moedigen en te faciliteren om effectief te kunnen concurreren met de Arabieren. De schepen van de Coromandel- en Portugese handelaren die van Nagapattinam en Nagore naar Atjeh zeilen om peper en andere specerijen te verwerven, ontvangen daarvoor gemakkelijk cartezas van de Portugese capitão van Nagapattinam, omdat zij zelf er belang bij hebben peper in Nagapattinam te kunnen verwerven, liever dan zelf reizen te ondernemen.

Laat ons bekijken hoe de nieuwe geliberaliseerde regelgeving eraan bijdraagt dat de Portugezen hun peperhandel consolideren. Ofschoon de Portugezen de route rond Cabo da Boa Esperança hebben ontdekt, zijn zij er pas in geslaagd de peperhandel van de Arabieren via de Rode Zee te belemmeren tegen het midden van de zestiende eeuw. Scheepsladingen peper worden verkregen in Malabar. In 1593 arriveert een Portugese ambassadoriale missie aan het hof van de sultan van Atjeh, met het oogmerk de handel in peper met Atjeh te kunnen openen. De missie boekt geen succes, omdat de sultan van Atjeh er niets voor voelt dat de Portugezen peper in zijn land kopen. De Koning van Portugal gelast de onderkoning in Goa op 24 maart 1605 nog slechts contracten voor de verkoop in Zuidoost-Azië van textielwaren uit Coromandel te sluiten als daarvoor peper en kruidnagelen worden verkregen. De contracten die onder deze voorwaarde worden afgesloten geven de prijzen aan waartegen textielwaren tegen peper worden geruild. Na de val van Malacca als een belangrijk handelshaven tegen het einde van de zeventiende eeuw, verleggen de Portugese kooplieden hun handelscontacten naar Atjeh. Er zij aan herinnerd dat het islamitische Atjeh befaamd is voor een speciaal soort lange peper. De Portugese politiek tijdens de eerste decennia van de zeventiende eeuw is erop gericht de handel in peper en specerijen uit de handen van moslimhandelaren, die vooral uit Atjeh komen, te nemen. Reizen van Nagapattinam naar Kedah worden uitgegeven voor de magere som van 1.000 cruzados. Particuliere Portugese handelaren die zaken doen vanuit Nagapattinam, worden ook aangemoedigd zaken te doen met alle havens van Zuidoost-Azië als de handel van Malacca afneemt. Dit geschiedt door de uitgifte van concessionele verlofbrieven voor reizen naar het sultanaat Kedah vanuit Coromandel. Niettemin hebben de pogingen van de Portugezen de peperhandel afhandig te maken van de moslims in Atjeh geen succes, voornamelijk omdat zij in die tijd niet in het bezit zijn van een douanekantoor in Kedah, dat een zekere mate van controle zou kunnen uitoefenen op de handelsactiviteiten van particuliere Portugese kooplieden daar. Een andere oorzaak is, dat Kedah, afgezien van het feit dat het een moslimstaat is, ver van Atjeh aan de overkant van de kust van Malacca ligt, wat het voor de Portugezen moeilijk maakt effectieve controle over Atjeh uit te oefenen.

Nadat koning Filipe I van Portugal heeft vernomen dat moslimkooplieden actief betrokken zijn bij een bloeiende peperhandel met Mecca, vraagt hij in 1585 vice-rei Dom Duarte de Menezes, conde de Tarouca, hen te beletten gebruik te maken van de landroute naar West-Azië die worden benut door Arabische handelaren voor het vervoer van peper en andere specerijen. Er worden ook instructies gegeven de schepen aan te vallen die betrokken zijn bij de peperhandel tussen Atjeh en Coromandel. De sultan van Atjeh, evenwel, verleent deze kooplieden in 1586 speciale privileges. De handel in peper van de Arabieren floreert tot 1598. Geschat wordt dat het volume aan peper dat Jedda vanuit Zuidoost-Azië bereikt, aan het einde van de zestiende eeuw meer is dan de hoeveelheid peper die door de Portugezen rond Cabo da Boa Esperança uitgevoerd wordt naar Lissabon. Uit Portugese berichten uit 1603 blijkt zonneklaar dat nog steeds kleding uit São Tomé geruild wordt voor peper uit Zuidoost-Azië. Volgens een ander bericht, gedateerd 10 oktober 1615, zijn twee schepen van marakkayars uit respectievelijk Kunimedu en Nagore, die witte kleding en pintados vervoeren, van Coromandel naar Atjeh gezeild om daar peper te halen. Op 24 november 1615 arriveren meer schepen uit Kunimeda en Nagapattinam in Atjeh om er peper te kopen. Er is ook sprake van oplopende spanning tussen de Portugezen en de Denen, nadat de laatsten zich op 20 november 1620 hebben gevestigd in het zeer dicht bij de Portugese post in Nagapattinam gelegen Tranquebar (Tharangambad). Bovendien stellen de Denen ook belang in de lucratieve handel in peper. De bisschop van Meliapor schrijft in een brief gedateerd 2 september 1624 dat de Denen twee naus naar de haven van het Siamese Tenasserim hebben gezonden, om daar te handelen in peper die uit Atjeh komt. In 1629 zijn de Portugezen in staat de Atjeese strijdkrachten die Malacca belegerden te verjagen. De Portugezen zijn dus in staat geweest hun positie in Malacca te consolideren en hun handel met de Coromandelkust te verbeteren. Volgens Portugese bronnen is peper in het begin van de jaren dertig in Nagapattinam in overvloed voorhanden. Er is dus in deze periode geen noodzaak om helemaal naar Zuidoost-Azië te zeilen om nog meer peper te verwerven. De Portugezen kunnen zich dus concentreren op het verkrijgen van kruidnagelen van de Molukken. Ofschoon vice-rei Pero da Silva, met het oogmerk de Hollanders uit Atjeh weg te houden, Francisco de Sousa de Castro op een vredesmissie naar de sultan van Atjeh zendt, wordt deze in 1638 door de sultan vermoord. Dit maakt voorgoed een einde aan de profijtelijke handel in peper met Atjeh.

De haven van São Tomé de Meliapor heeft tijdens de regering van koning Maulana Yusuf (1550-1580) directe commerciële contacten met Banten (Bantam) op Java. De Banten eilanden brengen muskaatnoten en mitsdien ook foelie voort, die worden geruild voor textielwaren uit Coromandel. De sjahbandar van Banten is een hindoe uit Meliapor. Hij heeft een Javaanse titel en zijn naam is Kiayi Vijayamangala. Hij is de eigenaar van verschillende schepen en is erg rijk geworden door de handel in kleding. Een andere chetti-koopman, eveneens afkomstig van Meliapor, treedt op als tolk aan het hof. Vanaf een bepaalde datum in het jaar 1604 weten we dat er Tamilkooplieden van de Coromandelkust als ambtenaren optreden. De sjahbandar van Banten moedigt de Tamil-handelaren aan omdat hij het monopolie bezit voor het kopen en verkopen van kleding uit Coromandel. Daarnaast weten we dat in 1608 een koninklijke belasting van acht percent, genoemd ruba ruba (ankergelden) wordt opgehaald op de schepen die van Coromandel komen om muskaatnoten te laden bij de sjahbandar in Banten. Uit Engelse documenten kan worden afgeleid dat ook enige partijen kruidnagelen in Banten worden geruild voor kleding uit São Tomé. Er is in Banten sprake van een stevige competitie tussen de Portugezen en de Hollanders. De Portugezen bemachtigen 23 balen beschilderde kleding en 200 zakken rijst van een Hollands schip dat uit Coromandel komt; de kleding en de rijst worden in Banten geruild voor muskaatnoten. De Hollanders intensiveren hun kleding aankopen aan de Coromandelkust om de Portugese textielhandel met Banten te ondermijnen, omdat muskaatnoten uitsluitend daar beschikbaar zijn. Onder de dreigende druk van de Hollanders, beramen de Portugezen nieuwe plannen om de hevige Hollandse aanval op te vangen. De Portugese competitie is dermate hevig dat de Hollanders in 1614 hun Coromandel kleding tegen veel lagere prijzen moeten verkopen dan wat zij in Coromandel daarvoor hebben moeten betalen, om in Banten te ruilen voor muskaatnoten.

Zelfs in de zeventiende eeuw gaan de Portugezen door met het ruilen van rijst tegen kaneel met Kandy. Padievelden aangelegd langs de rivieroevers van de Vellar trekken particuliere Portugese handelaren aan om in de rijsthandel te gaan en rijst te verschepen van Porto Novo naar gebieden waar voedseltekorten heersen. Er wordt ook kleding van de Coromandelkust naar Kandy gezonden en daar geruild voor kaneel. In 1602 wordt het handelaren uit Bengalen verboden rijst vandaar te exporteren, of kaneel van Sri Lanka te importeren in Bengalen. Schepen die worden betrapt op illegale handel in kaneel worden op zee door de Portugezen geplunderd. De Portugese capitães van São Tomé en Nagapattinam krijgen opdracht in de tussentijd de inheemsen af te houden van het vervoer van handelsgoederen naar Sri Lanka in ruil voor kaneel. De Koning van Portugal schrijft de vice-rei Aires de Saldanha in een brief, gedateerd 26 februari 1605, dat de inwoners van Sri Lanka afhankelijk zijn van de import van rijst uit Nagapattinam en hij geeft de vice-rei opdracht de Portugese capitão van Nagapattinam instructies te geven ervoor zorg te dragen dat er rijst naar Sri Lanka gezonden wordt. Daarom wordt er tot 1618 continue rijst geëxporteerd van Nagapattinam naar Sri Lanka om daarvoor kaneel en arekanoten te verkrijgen. Portugese handelaren worden aangemoedigd met hun eigen vaartuigen van Nagapattinam en São Tomé met rijst naar Sri Lanka te zeilen, om daarvoor zoveel mogelijk kaneel te verkrijgen. In 1630 zeilen zeven particuliere handelaren met rijst van Coromandel naar Sri Lanka en ruilen dat daar voor kaneel. De particuliere handelaren van Nagapattinam die gedurende het jaar 1635 zijn betrokken bij de rijsthandel hebben geweldige hoeveelheden kaneel aangevoerd in Nagapattinam en daar verkocht. Op één enkele dag (2 februari 1635), verkopen zij voor 50.000 pagodas kaneel. Er is gerapporteerd dat in 1636 de dochters van Manuel en Cosme Ledo, die dan in Nagapattinam wonen, hun geld uitlenen aan Francisco de Lima, die met zijn eigen schip deelneemt aan de handel in kaneel. De Vice-rei van de Estado da India, Pero da Silva, rapporteert de Koning van Portugal in zijn brief van 19 februari 1636 dat hij de Capitão van Nagapattinam opdracht heeft gegeven de grootst mogelijke hoeveelheid rijst naar Sr Lanka te zenden, opdat hij daarvoor alle kaneel ontvangt die daar beschikbare is. De handel in kaneel is zo winstgevend dat zelfs enige Portugese handelaren, zoals Francisco de Almeida, een casado die op Sri Lanka woont, zich meldt om kaneel aan de Hollanders te verkopen, die beloofd hebben hem een hogere prijs te betalen, zelfs al worden de Hollanders beschouwd als vijanden en rivalen van de Portugezen. Vice-rei Pero da Silva geeft de capitão van Nagapattinam op 1 september 1637 opdracht de surveillance te intensiveren, omdat veel schepen illegaal in kaneel handelen. Wat de natuur van de handel ook moge zijn, hetzij legaal of illegaal, er worden enorme hoeveelheden kaneel van Sri Lanka naar Nagapattinam gebracht om daar te worden verkocht. De Portugezen slagen er evenwel niet in de clandestiene handel in kaneel met Coromandel te stoppen. Arekanoten, die op Sri Lanka worden verscheept via Batticaloa en Thirikonamalai bereiken ook Nagapattinam. De noten, waarnaar veel vraag is bij het kauwen op betelblad, vindt zijn weg naar Thanjavur de koninklijke hoofdstad van de nayak-heerser, omdat er geen markt is voor deze noten. Van de haven van Nagapattinam worden zij via Thiruvarur vervoerd naar Thanjavur, de belangrijkste route over land.

Volgens Portugese bronnen gebruiken de Portugezen aan de Tamilkust het schip van Khwaja Marakkayar om er geregeld reizen naar Macau mee te maken. Andere schepen van de Portugezen, uit Goa en Cochin drijven ook handel met Macau via Nagapattinam, waar grote vraag is naar Chinese goederen. De schepen die deze reis maken, ondervinden altijd vertraging in Malacca, onder het voorwendsel van ongunstige winden die het vervolgen van de reis naar Cochin of Goa onmogelijk maakt, omdat inmiddels aan westkust van Voor-Indië de moesson is opgestoken. In werkelijkheid willen kapitein en zijn mannen Nagapattinam aandoen om daar hun Chinese goederen ten eigen bate te verkopen Dit bevordert de verkoop van Chinese waar, in het bijzonder van zijdebrokaat en porselein in Nagapattinam, waar dus een markt is voor deze producten. De bemanningsleden zweren samen met de kooplieden uit Coromandel en de Portugese capitão van Nagapattinam waardoor deze illegale handel een zeer lange tijd kan doorgaan. Portugese berichten uit die tijd maken vaak melding van zulke gevallen. In een geval wordt een partij zijde die in Macau 14.000 pardaus heeft gekost, in Nagapattinam verkocht. Dus om te voorkomen dat Chinese koopwaren in Nagapattinam worden gedumpt, wordt de Capitão van Malacca gemachtigd toezicht te houden op de lading van handelaren uit Coromandel met bestemming Nagapattinam. De florerende handel in 1580 in Chinese goederen met Nagapattinam, is vooral te danken aan de komst van Chinese jonken. Hierdoor neemt ook de piraterij in open zee aan de Coromandelkust toe. De marakkayars hebben hun toevlucht genomen tot piraterij, omdat zij beroofd zijn van mogelijkheden handel te drijven op open zee. De vice-rei, Dom Francisco Mascarenhas, conde da Villa da Horta, zendt in 1582 een vloot, onder bevel van capitão-mór António de Sousa Godinho, om de navios van de Portugezen en de jonken van de Chinezen te beschermen tegen de aanvallen van piraten. Zelfs deze vloot is niet in staat de piraterij te stoppen. De Portugese kooplieden in Nagapattinam doen vervolgens een beroep op de Koning van Portugal hun de noodzakelijke zekerheid te verschaffen tegen de piraterij. In 1587 geeft de koning toestemming voor nog een vloot aan de Coromandelkust. Deze zal uitsluitend worden ingezet om Chinese jonken die van en naar de haven van Nagapattinam zeilen te beschermen. Twee jaren later wordt additionele bescherming geboden aan schepen die zeilen tussen Nagapattinam en Macau door de vloot van Bengalen. De Conselho do Estado da India in Goa besluit additionele bescherming te geven aan kooplieden die handeldrijven tussen China en Coromandel. Elk jaar wordt hiertoe in augustus een vloot van zes galjoenen ingezet om deze taak uit te voeren. Directe commerciële contacten tussen Coromandel en Chinese havens herleven als de Portugezen zich gaan toeleggen op de handel in luxe artikelen. Handelaren zoals Ambrosio Borges zeilt in 1597 van São Tomé de Meliapor naar China en hij knoopt handelsbetrekkingen aan met China. Nagapattinam onderhoudt tot aan 1618 geregelde handelsbetrekkingen met China en de kooplieden brengen veel handelswaren mee uit dat land. Dankzij de grote vraag naar Chinese waren zoals zijde en porselein in Nagapattinam, zeilt menig schip naar Tenasserim en naar andere havens waar deze goederen verkrijgbaar zijn. De waren worden uit China aangevoerd via Cambodja en Laos. Zij bereiken via landroutes Tenasserim. In plaats van over grote afstand handel te drijven, via de haven van Malacca, handel te drijven met Macau, worden de waardevolle Chinese die begeert worden, door de Portugezen gekocht in Tenasserim. De Portugese handelaren in Coromandel boeken met deze reizen goede resultaten.

Tegen de tweede helft van de zestiende eeuw doet zich een significante verschuiving voor in de handel tussen São Tomé en de haven van Pegu, omdat de kooplieden uit Coromandel niet meer geïnteresseerd zijn in het ruilen van hun textielwaren tegen robijnen. In plaats daarvan vragen zij edele metalen als zilver en goud. Deze verandering kan hebben bijgedragen aan de verwoesting van de stad Vijayanagara in 1565. Deze grote gebeurtenis signaleert de val van de handel in juwelen in het zuiden van India. Ofschoon grote winsten worden gemaakt met reizen naar Pegu vanaf havens in Coromandel, beginnen de kooplieden tegen het einde van de zestiende eeuw moeilijkheden te ontmoeten. De activiteiten van koning Naresuans van Siam(1590-1605) leiden ertoe dat het land in 1591 een onafhankelijk koninkrijk wordt, los van de suzereiniteit van Birma. De Koning van Portugal verbiedt daarom Portugese handel met Pegu vanuit São Tomé en Nagapattinam. Dit verbod heeft tot doel gezonde betrekkingen met de heersers van Siam te onderhouden. De oorlog tussen Pegu en Arakan wordt voortgezet tot 1598, gedurende welke periode de Portugese onderkoning in Goa de status-quo handhaaft door handel met Pegu vanuit de havens in Coromandel te voorkomen. Zelfs een aan Mathias Carvalho Ferreira verleende cartaz om vanuit São Tomé een officiële reis te maken, kan niet worden uitgevoerd. Maar zijn zoon, João Ferreira da Costa vraagt de Koning van Portugal hem toe te staan de reis later te ondernemen. De particuliere Portugese handelaren in São Tomé en Nagapattinam gehoorzamen de koninlijke instructies niet erg strikt, maar gaan door met de handel in edelstenen met Syriam in de delta van de Irawaddy. Als de politieke condities in Beneden-Birma verbeteren, begint de handel in kostbare stenen tussen Syriam in het koninkrijk Arakan en São Tomé in het begin van de zeventiende eeuw te floreren. Alle navios die naar de Coromandelkust komen om Chinese goederen te kopen, doen vervolgens Syriam aan en gaan daarna naar Tenasserim. De Portugese capitão legt degenen die in 1608 Syriam niet aandoen straf op. Daarom doen de schepen uit Coromandel de haven van Syriam aan en gaan dan naar Tenasserim, betalen de heffing en laden hun handel uit in de haven. De vloot van Mendoça gaat in 1613 voort de schepen uit São Tomé en Nagapattinam bescherming te bieden, terwijl zij naar Syriam zeilt om in edelstenen te handelen. Als de handel tussen São Tomé en Syriam begint te floreren en er stemmen opgaan de factorij in Syriam te heropenen, tekent de bisschop van São Tomé hiertegen op 2 december verzet aan. Volgens hem is het nog te vroeg om een beslissing te nemen, omdat er nogmaals politieke onrust kan uitbreken. In die tijd vragen de Portugese handelaren uit São Tomé de Meliapor toe te staan dat zij hun handel met Pegu in edelstenen in 1613 weer oppakken. De Koning van Portugal verleent daarom de Portugese handelaren in 1614 toestemming een reis te maken naar Pegu, Mergui of Trang op zeer concessionele voorwaarden. Henrique de Sousa mag in 1614, tegen betaling van 366,66 xerafins een handelsreis maken van São Tomé naar Pegu; António Gonçalves mag, tegen betaling van 401,66 xerafins in hetzelfde jaar een handelsreis maken van Coromandel naar Mergui en Martim da Costa krijgt verlof van Coromandel naar Trang te gaan, tegen betaling van 573,33 xerafins. Het doel om toestemming tot het ondernemen van deze reizen te geven is de ontwikkeling van de handel in edelstenen en de verhoging van het koninklijk inkomen in het licht van de Hollandse competitie in Coromandel. De handel in juwelen van São Tomé de Meliapor met Pegu ontmoet na 1615 problemen, wat te wijten is aan de verwarrende politieke omstandigheden in Pegu. Pieter Floris, de reiziger in de tijd (1614-1615) klaagt dat het ontbreken van schepen om van Arakan naar de oostkust van Voor-Indië te geraken, heeft veroorzaakt dat de prijs van robijnen en diamanten is gestegen. De inwoners van Meliapor die bezorgd zijn om handel te drijven met Pegu, schrijven 29 december 1621 naar de Koning van Portugal om toestemming te vragen met Pegu in edelstenen te mogen handelen. Daar zij gen toestemming ontvangen, richten zij zich op 2 juli 1634 opnieuw in een petitie tot de koning; zij vragen verlof voor reizen naar Pegu, in een poging de handel nieuw leven in te blazen. Het jaar daarop wordt er slechts een reis ondernomen tussen São Tomé en Pegu. Edelstenen als safieren, robijnen topasen en halfedelstenen van Sri Lanka vinden in het begin van de zestiende eeuw hun weg naar Coromandel. De edelstenen van Sri Lanka met al hun fonkeling en doorschijnendheid zijn veel meer waard dan die van Pegu. Duarte Barbosa, de Portugese reiziger, laat weten dat hoge prijzen worden gevraagd voor perfecte robijnen en edelstenen. Zij die zijn beschadigd of een matte kleur hebben, worden verkocht tegen lagere prijzen. De handel in edelstenen tussen Coromandel en Sri Lanka floreert tot aan de val van Vijayanagar in 1565. Met het oog op de vervanging van de teloorgegane handel in edelstenen met Sri Lanka, kopen de Portugezen een groot aantal kattenogen die worden gevonden in het nayakdom Madurai. Zij zijn evenwel niet zo goed als de stenen van Sri Lanka. In de volgende periode gaat de handel in edelstenen teloor, tezamen met de val van São Tomé.

Volgens Engelse bronnen komt er in 1603 goud uit Atjeh naar Coromandel. Reusachtige importen van goud uit Zuidoost-Azië naar São Tomé zijn het gevolg van de noodzaak in São Tomé gestegen invoerrechten te betalen. Daarom schrijft de bevolking van São Tomé op 2 maart 1626 een brief naar de koning om verlaging van de heffing op in Malacca gekocht goud te vragen. De Koning van Portugal bepaalt dat er op goud en op andere kostbare metalen, die van Malacca naar Nagapattinam en naar andere havens aan de Coromandelkust worden gebracht, twee percent belasting geheven wordt. Ondanks de additionele belasting die in São Tomé geheven wordt, blijft er uit Malacca goud te worden ingevoerd. José Pinto Ferreira, de vedor da fazenda en Diogo Rasquino,de escrivão in Goa, ontvangen in het jaar 1629 goud uit São Tomé de Meliapor, dat daar in overvloed aanwezig is, om te worden aangemunt bij de Casa da Moeda in Goa. Luís Mendez, de boekhouder van de factorij in São Tomé maakt de aangifte van en de overdracht van goud van Meliapor naar Goa in orde en hij levert de certificaten en de andere documenten die verband houden met de overdracht aan.

In 1631 brengen de schepen die uit Malacca in Nagapattinam aankomen goud in katti ter waarde van 12.000 pagodas mee. Volgens een ander rapport vinden in 1635 105 marcos goud hun weg van Malacca naar São Tomé, zoals vermeld door Vicente Roiz Caravalho, de escrivão van de factorij van São Tomé de Meliapor. Volgens de boekhouding van het douanekantoor worden alleen al op 3 februari 1635 niet minder dan 404 xerafins, 1 tanga en 3 reais ontvangen als heffing op de import van goud. De goudinvoer van Meliapor levert zoveel winst op dat daarvan de salarissen van de ambtenaren van de Portugese factorij kunnen worden betaald. In die tijd is er altijd grote vraag naar goud aan de Tamilkust daar de pagodas die in circulatie zijn aangemunt zijn uit goud.

In de jaren 1576-1577 komt er een nieuwe vorm van samenwerking tot stand waarbij Portugese handelaren de hulp inroepen van Tamil-kooplieden om handel te drijven met Tenasserim om zilver te bekomen. Ofschoon Francisco de Aguiar zelf schepen bezit, zeilt hij altijd naar Tenasserim in gezelschap van marakkayar-kooplieden. De reizen worden ondernomen vanuit de haven van Nagapattinam door een verbond van marakkayar-kooplieden. Het privilege dat verleend is aan António da Cova, een fidalgo, wordt enthousiast ontvangen door de marakkayars. De Capitão van Nagapattinam is ook in staat zijn eigen private inkomen te vergroten van de winsten die met deze reizen worden gemaakt en waarvan hem een afzonderlijk deel toevalt. De Portugese capitães van Nagapattinam dragen daarom persoonlijk zorg voor de belading van de vaartuigen die deze reizen ondernemen. Hoewel Portugese inwoners van Nagapattinam tussen 1595 en 1599 protesteren tegen de interventie van de capitão, wat leidt tot een breuk in de vreedzame verhoudingen in de stad. Er komen klachten over deze zaak terecht bij de Koning van Portugal, omdat inspectie op de belading van schepen niet tot de taken van de capitão behoort. Later, als het systeem van het verlenen van privileges voor het ondernemen van bepaalde reizen is afgeschaft, is de positie van Capitão van Nagapattinam minder belangrijk geworden.

De Portugezen aan de Tamilkust trachten ook zilver te verkrijgen uit Japan. De handel in zilver is echter niet succesrijk wegens piraterij. Dit noopt vice-rei Dom Jerónymo de Azevedo (1612-1617) te verordonneren dat het met zilver geladen Portugese schepen die uit het Verre Oosten terugkeren, niet is toegestaan de open zee te bevaren zonder begeleiding. De onderkoning is van mening dat het niet zenden van schepen naar Japan ook zal resulteren in grote verliezen en hij vreest dat de handel in zilver wellicht in handen van de Hollanders zal vallen. Daarom wordt besloten de handel voort te zetten met oorlogsschepen, zodat zij niet het slachtoffer worden van piraterij. Verlofbrieven voor het ondernemen van reizen naar China en Japan worden gegeven naast andere hulp aan individuele kooplieden in Meliapor, na overleg met de lokale Senado da Câmara. Deze bepaling is met succes afgedwongen op 31 maart 1625. De regelgeving bepaalt voorts dat een bedrag van 5.000 taels zilver gegeven dient te worden aan Dom Jerónimo Coutinho, een Portugese inwoner van Meliapor, voor diens aandeel, aangezien hij het recht bezit door veiling de douanerechten te verzamelen. Dom Jerónimo Coutinho uit de stad Meliapor heeft in 1634 het privilege ontvangen reizen naar Japan en Manila te ondernemen. Hij heeft voorts een afspraak gemaakt met Afonso de Morais, die toen woonachtig was in Macau om de handel tussen Meliapor en Macau te faciliteren. De Portugese capitão van Macau geeft daarom prioriteit aan reizen naar China en Japan. De Portugese ambtenaren van Macau voeren ook een systeem in, waarbij 5.000 taels zilver worden bijeengebracht voor iedere reis naar de gefortificeerde kust van Meliapor. Het zilver dat ver weg uit Mexico en Peru komt, bereikt via Manila de havens van Coromandel, omdat de Portugezen er zeer op gebrand zijn handel te drijven in edele metalen.

Een paar Portugese rapporten uit de vroege zeventiende eeuw maken melding van handel in koper, dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor het gieten van kanonnen. Filipe I, Koning van Portugal (1580-1598) geeft vice-rei, Mathias de Albuquerque(1591-1597) opdracht alle handelaren en Portugese kapiteins die naar China zeilen daarvandaan zoveel koper te doen meebrengen als mogelijk is. Om het verzamelen van koper te bevorderen, bepaalt de vice-rei dat voor schepen die uit het Verre Oosten terugkeren de douanerechten in het vervolg niet meer worden geheven in contant geld, maar in een overeenkomstige hoeveelheid koper. Met het oog op de bedreiging van de zijde van de Hollanders die de Estado da India te verduren heeft, gelast vice-rei Dom Frei Aleixo de Menezes in 1608 dat de vloten aan de Coromandelkust en zeven oorlogsschepen bescherming dienen te bieden als een schip uit Macau rijke lading uit China en Japan aanvoert. Er worden aanzienlijke hoeveelheden koper van de havens van China en Japan naar Meliapor gebracht. Schepen brengen ook voor 100.000 picos koper naar Manila. De Spaanse gouverneur van Manila is echter zeer bezorgd over de gevaren die de schepen lopen, vooral van de kant van piraten. Andere belangrijke importen van metalen in Devanampattinam bestaat uit lood, zwavel, aluin en kwikzilver van Sumatra en Borneo.

Andere importen bestaan onder meer uit aromatische stoffen, bitterwaren? (astringents), cosmetica en parfums. Sandelhout-pasta wordt verkregen van het hout van een boom en het wordt geïmporteerd uit Atjeh, Het is vermaard voor zijn verkoelend effect op het menselijke lichaam. Roberto Nobili s.j., de befaamde missionaris somt drie verschillende soorten sandelhout op: witte, rode en gele. De rode variant groeit in Tamilnadu, terwijl de andere variëteiten van Timor en Java komen. De gele variant wordt beschouwd als de beste van allemaal. Het sandelhout dat in ruil voor kleding vanaf Timor naar Coromandel wordt gebracht, wordt door de Tamils Timuran paccai genoemd. Volgens Fernão Guerreiro s.j. brengen Portugese kooplieden uit Coromandel op hun terugreis luxe zaken mee, zoals aloëhout of adelaarshout, waarvan de rook wordt gebruikt om kleding te parfumeren. Ook amber wordt in Coromandel uit Siam ingevoerd. De beroemde geurstof wordt op zee verzameld onder de handelsnaam ambergis, dat is afkomstig uit het lange darmkanaal van potvissen. Uit Arakan worden grote hoeveelheden muskus ingevoerd.

De tweerichtingenhandel tussen de Coromandelkust en de diverse havens in Azië, blijkt ook gunstig te zijn voor de textielproducenten, want het stelt kooplieden in staat lak uit Pegu mee terug te nemen naar Coromandel waar het zeer vaak wordt gebruikt bij het verven van kleding. Voorts wordt lak ook ingevoerd uit Martaban, zoals Duarte Barbosa heeft laten weten. De wortel van de Changplant, die een fijne rode kleurstof bevat, wordt veel gebruikt. Sapanhout en brazielhout worden ook gebruikt bij het verven van kleding in de streken rond Chandragiri en São Tomé. Verfwortels, die in Mannar en op Sri Lanka worden verzameld van een wilde struik, door de Portugezen genoemd chaya ver, naar het Tamilwoord voor kleur, worden eveneens in Coromandel ingevoerd. In 1582 is gerapporteerd dat zeven bahars verfwortels naar Coromandel zijn uitgevoerd. Voorts is er scharlakenrode verfstof uit West-Azië ingevoerd in Pulicat, om te worden gebruikt om stoffen rood te verven.

De haven van São Tomé ontvangt veel van zijn zegelwas uit Siam. Zegelwas wordt eveneens in de textielindustrie aangewend. De Portugezen importeren benzoë, dat in medische toepassingen wordt gebruikt als ontsmettingmiddel en waar een grote vraag naar is. Kamfer is een van de belangrijkste zaken die door hindoekooplieden worden ingevoerd uit het Sumatraanse Barus. Kamfer wordt hoofdzakelijk naar Pulicat gebracht in cylinders gemaakt van bamboestengels en het wordt algemeen gebruikt bij de toebereiding van gebak. Tegen of aan het begin van de zeventiende eeuw beginnen de Portugezen uit het Verre Oosten onbewerkt goud en zilver (bullion) aan de Tamilkust in te voeren. In de vroege zeventiende eeuw doet zich een dramatische verandering voor als de Portugezen en de VOC vechten om het verkrijgen van bullion, textielwaren en specerijen. De Portugezen hebben nooit de handel in peper kunnen monopoliseren. Bovendien hebben zij de handel in peper via landroutes bedreven door de Arabieren ook niet kunnen stoppen. De ruil van bullion voor goederen, geïntroduceerd door de Portugezen en de Hollanders, kan niet lang standhouden, omdat daarvoor de beschikbare hoeveelheden bullion niet toereikend zijn. In de zeventiende eeuw vervalt de handel voor de Portugese Kroon meer en meer, omdat de aandacht in het gebied van de Golf van Bengalen vooral moet worden gericht op het bestrijden van de Hollanders. Gezegd kan worden dat de Portugezen zich al veel eerder het belang hebben gerealiseerd van de import van goud van Malacca naar de Tamilkust, terwijl de import van zilver en koper van de Tamilkust later zijn gekomen. Zij hebben deelgenomen aan de levendige handel in edelstenen uit Pegu en Sri Lanka. Echter bij de opening van de directe handel van Coromandel met China, hebben de Portugezen grote hoeveelheden zilver en koper van China en Japan in Coromandel ingevoerd. Er moet sprake zijn geweest van een zeker evenwicht tussen de waarde van de massagoederen die uit de havens van Coromandel zijn geëxporteerd en de waarde van de bullion die uit de landen van het Verre Oosten zijn geïmporteerd.

3.4 De overleving van de particuliere Portugese handel

Categorieën
Portugees kolonialisme

De exporthandel van de Portugezen in massagoederen. De Portugezen aan de Tamilkust in de Periode 1560-1640

Deel 16 Index

Hoofdstuk 3.

De Portugezen aan de Tamilkust in de Periode 1560-1640

3.2. De exporthandel van de Portugezen in massagoederen

Geschreven door Arnold van Wickeren

Vanaf ongeveer het midden van de zestiende eeuw worden in Goa gebouwde naus via Pulicat naar Malacca gezonden. Later, als Nagapattinam opkomt als de belangrijkste Portugese haven aan de Coromandelkust, worden verschillende naus ingezet voor reizen van Nagapattinam, via Malacca, naar China. Francisco Xavier beschrijft in zijn brief van 10 mei 1546 de reis van São Tomé naar Ambon die hij in 1545 heeft gemaakt. De nau van 400 ton is eerst naar Malacca gezeild. Daar is Xavier van eind september tot eind december gebleven. Hij is doorgereisd naar Ambon en blijft daar van februari tot juni 1546, Hij bezoekt ook Ternate (juli-september) en Moro (september-december). Naus die van Cochin naar Malacca gaan, zeilen altijd rond Sri Lanka, omdat het in Straat Palk wemelt van de zandbanken.

Ook in die tijd zijn kapiteins van schepen meer op eigen voordeel uit dan op voordeel voor de koning. Cristóvão Álvarez, bijvoorbeeld, zeilt in een schip van de koning heen en terug van Coromandel naar Malacca en bezorgt de koning weinig profijt, maar zelf verdient hij aanzienlijk aan de reis. Kapiteins en ambtenaren kunnen zich in Coromandel, Bengalen, Malacca en Oost-Azië gemakkelijk onrechtmatig verrijken, omdat de macht van de Estado da India in wat Winius betitelt als het ‘Shadow Empire’ zwak is. In de jaren veertig van de zestiende eeuw verleent de Kroon aan leden van de hoge adel in Indië het monopolie op de handel in bepaalde goederen. Zij moeten dan wel zelf het schip uitrusten, waarvoor zij een startsubsidie van 3.000 cruzados van de Kroon kunnen krijgen. Later kan ook de lagere adel van de regeling profiteren. Het systeem wordt geen succes; de opkomende handelsklasse keert zich tegen de oneerlijke concurrentie en de missionarissen maken ook bezwaren. Het schijnt dat het systeem van reizen in dienst van de Kroon of het koninklijke monopolie wordt vervangen door een nieuw systeem, waarbij ingeschreven kan worden op het privilege een bepaalde handelsreis te mogen maken. Het privilege om handelsreizen te mogen ondernemen, wordt aanvankelijk uitsluitend gegeven aan fidalgos. Later, vanaf 1580, introduceert de Portugese Kroon een ander systeem bij de uitgifte van concessies op handelsreizen. Dit wordt gegeven aan particuliere Portugese kooplieden. Het systeem van zeereizen in de Estado da India hangt dus af van de politieke besluitvorming in Lissabon. We zullen hierna nog zien hoezeer de privileges gegeven aan fidalgos voor het ondernemen van reizen in Coromandel afwijken van de concessies gegeven aan particuliere kooplieden. Aangezien capitãogeral Afonso de Albuquerque (1509-1515) een politiek van centrale controle en staatsmercantilisme in Portugees Azië heeft gevolgd, maar zijn opvolger Lopo Soares de Albergaria (1515-1518) daarentegen de particuliere handel heeft bevorderd, beweegt de Portugese handelspolitiek in Indië zich immer tussen deze verschillende systemen. Stephen Jeyaseela haalt Sanjay Subrahmanyam aan, die schrijft dat het systeem particuliere kooplieden naar reizen te laten dingen, opkomt in de jaren vijftig van de zestiende eeuw en dat het zijn hoogtepunt bereikt rond 1570.

“In een aantal havens wordt de concessionaris niet het exclusieve recht gegeven de reis te ondernemen, maar in plaats daarvan wordt hij aangesteld als de capitão-mór van de vloot die uit een bepaalde haven vertrekt naar een bepaalde bestemming…..Hij geniet het voorrecht goederen te kopen, te verkopen, te laden en te lossen vóór iemand anders….In een ander aantal havens, de zogenaamde portos coutados, geniet de concessionaris het exclusieve recht handel te drijven over een bijzondere route, waarvan zowel de haven van vertrek als die van aankomst deel uit maken…De handel van Coromandel naar Malacca, evenals die van Coromandel naar Pegu behoren in het laatste kwart van de zestiende eeuw tot deze soort concessie. Dus met dit systeem van concessies zien wij voor de eerste maal de effectieve introductie van een systeem van monopolisering van handelsroutes door de Portugese Kroon in de Golf van Bengalen.”

Zowel de jezuïeten als de fidalgos keren zich, om verschillende redenen, tegen de pogingen van de Estado da India handelsroutes te privatiseren. In de eerste plaats heeft de opkomende handelsklasse uitgezien naar een mogelijkheid haar welstand en sociale status te verhogen. De capitães-mores genieten, afgezien van het inkomen dat zij met hun eigen handel verdienen, bij benadering 24.000 reais per jaar uit de koninklijke schatkist, wat overeenkomt met 9% van het inkomen van de Estado da India. In de tweede plaats kan de oppositie van de jezuïeten worden toegeschreven aan hun antimonopolistische gezindheid, sedert zij tot de financiers van de Portugese handel in de Estado da India behoren. In 1567 hebben de kerkelijke autoriteiten in Goa het koninklijke bevel, zeilprivileges uitsluitend te verlenen aan kapiteins behorend tot de lage adel, veroordeeld. Deze privileges worden door Subrahmanyam “reisconcessies” genoemd, volgens Jeyaseela ten onrechte, wat blijkt uit ”Cazos diversos e varios que Correm pelas partes da India com suas resolluções pelo padre Francisco Rodrigues da Companhia de Jesus, Goa, 1571”, dat wordt bewaard in het Arquivo Nacional da Torre do Tombo. Dit document verschaft ook de details van weer een ander systeem van handelsreizen, waarbij het verleende privilege de verplichting inhoudt goederen voor rekening van de Kroon te vervoeren. Deze voorwaarde wordt bedongen omdat de capitão-mór het recht heeft de handelswaren te selecteren en daarvan de prijzen vast te stellen. De capitão-mór ontvangt betaling voor het escorteren van schepen tijdens de reis. Padre Francisco Rodrigues s.j. heeft dit systeem veroordeeld, omdat het volgens hem ingaat tegen het Canonieke Recht. Hij stelt dat de capitães-mores bereid zijn hun eigen ziel te verkopen. Verontwaardiging over het systeem doet nieuwe handelsroutes opkomen, van Coromandel naar Atjeh, Martaban, Perak, Kedah en Tavoy, hetgeen de verdiensten van de Estado da India aantast. Vandaar dat deEstado da India in de jaren tachtig van de zestiende eeuw meer controle wenst uit te oefenen op de handel van private kooplieden. De zeilconcessies moedigen Portugese handelaren aan, terwijl zij eerder reizen hebben vermeden om te ontsnappen aan de talloze opgelegde verplichtingen en dan vooral de betaling van heffingen en hoge vrachttarieven aan de capitães-mores.

In deel XI is uitgebreid aandacht geschonken aan de rijstexport van Coromandel naar Sri Lanka, Malabar en Malacca. In dit deel wordt volstaan met een aantal opmerkingen die specifiek slaan op de beschouwde periode (1560-1640). Nadat de aartsbisschop van Goa in 1569 heeft kennisgenomen van de rijstexport van Coromandel naar Sri Lanka, beschrijft hij Coromandel als de ‘keel van Sri Lanka” waar rijst en ander voedsel vandaan komen, zonder dat hij melding maakt van jaren waarin wegens misoogsten weinig rijst wordt geëxporteerd. In 1581 klaagt de Capitão van São Tomé bij de capitão-geral erover dat de bloeiende rijsthandel van Masulipatnam met Malacca, de Portugese rijsthandel van Meliapor heeft aangetast. Niettemin tracht de bisschop van Meliapor in 1610 het aanbod van rijst veilig te stellen in een poging de rijsthandel van São Tomé met Malacca te doen herleven. Zijn inspanningen hebben niet veel succes. Het jaar daarop, evenwel, rapporteert de Capitão van Malacca dat er rijst wordt aangevoerd uit Nagapattinam en dat dit voornamelijk te danken is aan de inspanningen van de bisschop van Meliapor. Overigens is rijst in Nagapattinam goedkoop. Als rijstcultures in het achterland van de haven van Devanampattinam schade oplopen, zorgt de bisschop van Meliapor ervoor dat 300 gantas rijst uit Nagapattinam worden aangeboden in Devanampattinam. Inheemse handelaren brengen in 1612 voldoende zendingen rijst naar de haven van São Tomé. Veel schepen die rijst naar Malacca vervoeren, worden buitgemaakt door de Hollanders uit Pulicat, wat te wijten is aan de commerciële rivaliteit. Onder deze omstandigheden is de rijsthandel van de Portugezen in São Tomé niet winstgevend.

Pulicat is tot in de jaren zestig van de zestiende eeuw de dominante haven voor de handel van de Coromandelkust met Malacca. Het verval van Pulicat en zijn internationale handel zou het gevolg zijn van de val van het Hindoerijk Vijayanagar in de Slag van Talikota. Dit is niet een goed verdedigbare oorzaak, omdat de Portugezen tegen die tijd gestart zijn met het handeldrijven met Malacca direct vanuit São Tomé. Voorts is de handel met Malacca vanuit Pulicat verbonden met Goa, wat de rol van inheemse handelaren in de handel op Malacca direct vanuit Pulicat beperkt. Gemakshalve verdelen de Portugezen alle scheepvaart naar Goa en Pulicat is niet meer dan een aanloophaven bij de reizen naar Malacca. Zelfs de terugreis van Malacca naar Pulicat zijn voor inheemse handelaren niet profijtelijk, omdat de schepen geen andere havens in Coromandel aandoen, maar vanuit Pulicat rechtstreeks naar Goa zeilen. Inheemse handelaren in Pulicat zijn genoodzaakt hun handel en hun zaak te verplaatsen naar São Tomé. De kooplieden in Coromandel die handeldrijven met Malacca, betalen de vrachtpenningen vooruit en zij verzekeren zich ervan dat zij de terugreis maken in hetzelfde schip. Aangezien zulke faciliteiten in São Tomé beschikbaar zijn sedert de jaren zestig, geven inheemse handelaren er de voorkeur aan Pulicat te verlaten en zich neer te laten in São Tomé, om deel te nemen aan de groeiende commercie. De verschuiving van de Portugese handelsactiviteiten naar São Tomé veroorzaakt slechts een gradueel verval van Pulicat. In deze tijd groeit São Tomé uit tot een belangrijk commercieel aan de Coromandelkust, waar zich rijke kooplieden gevestigd hebben.

Sedert de Middeleeuwen wordt textiel vervaardigd in verschillende plaatsen in het achterland van Pulicat, zoals Tiruvottiyur, Manali, Kunrattur, Poonamallee, Velacheri, Adambakkam, Kottur, Ezhumbur (Egmore) en Koyambedu. Geweven stoffen die zijn geproduceerd in plaatsen ver in het binnenland, zoals Kanchipuram, Manimangalam, Thirukachiyur, Uttiramerur, Acharapakkam Thirukazhukunram en Thirukaz en bereiken de haven van São Tomé de Meliapor, wat te danken is aan de vraag van de Portugezen naar exportgoederen. Beschilderde kleding wordt vervaardigd in het dorp Mambalam, waar vele ververs en schilders wonen. Al deze soorten textiel worden naar São Tomé gezonden om te worden geëxporteerd. Portugese bronnen vermelden aan de Coromandelkust verschillende typen kledingproducten, waarbij verschillende productiemethoden worden aangewend, zoals larvado (met een patroon), desperdios (afval), estampado (gestempeld ontwerp), tecido (waterproof). De bronnen geven ook de namen van verschillende stukken textiel, zoals tapis, sarassas en morins. Afgezien van deze typen, worden er morins geproduceerd in vele plaatsen, zoals São Tomé de Meliapor, Nagapattinam en Kunimedu. Witte kleding vervaardigd in Masulipatnam wordt eveneens vanuit havens aan de Coromandelkust geëxporteerd. Beschilderde kleding wordt geproduceerd in Krishnapattinam en Durgarajapattinam. Blauwe kleding wordt mouris of morins genoemd. Taferciras is bekend als tapisarassa, de gekleurde delen worden gebruikt voor rokken voor mannen en vrouwen. Beatilhas is zeer fijne mousseline en de lengte varieert tussen 14 en 23 meter. Biromes worden bairami genoemd en in Chinese teksten staat deze witte kleding bekend als bai-lan- u. Comunivas staan ook bekend als cotonias, de katoenen kleding in twee kleuren. Diopogins bekend als Drongans is textiel in twee specifieke kleuren: rood en wit, rood en groen en rood en blauw. Sarassas is textiel met beschilderde patronen van afbeeldingen van gebladerte of vogels. Chila of chela is witte of gele katoenen kleding met zwarte en witte strepen, waarvan de gemiddelde grootte 55 el is. Guingons bekend als ginghams is simpele katoenen kleding die enigszins grof is.

Portugese documenten vermelden dat te exporteren textiel uit Coromandel altijd verpakt is in bundels van 120 stuks kleding. De aan- en verkoopprijs van blauwe kleding is overgeleverd, maar die van andere textiel, zoals die van kleding uit Java en Maleisië, beschilderde, bedrukte en witte kleding is niet beschikbaar. De verkoopprijs van blauwe kleding geproduceerd in de regio Kunimedu-Devanampattinam is in Malacca zeer hoog, daar de streek befaamd is voor de voortbrenging van de beste soort indigo, waarmee uitstekende ververs blauwe kleding produceren. De morins uit de regio São Tomé nemen de tweede plaats in en deze worden gevolgd door Nagapattinam, dat de derde plaats inneemt en waarvan blauwe kleding het goedkoopst is in Malacca. De overzeese handel van de haven van São Tomé met Malacca is beginnen te bloeien met de introductie van de verstrekking van zeilprivileges aan edellieden. In 1560 ontvangt João Rebello zo’n privileges en het jaar daarop Luís Mendes de Vasconcellos, in 1562

Is Pero Henriques aan de beurt en het volgende jaar Martim Cantilho de Vasconcelos en Luís Cristôvão Lobo, in 1564 is Pedro de Sousa de gelukkige en in 1565 ontvangt Jorge de Menezes een zeilprivilege. Uit het feit dat alle geprivilegieerden, op Pedro de Sousa na, twee reizen ondernemen, kan worden afgeleid dat er geregeld reizen van São Tomé naar Malacca worden ondernomen. De Capitão van Malacca trekt voordeel uit de handel, want hij selecteert de goederen die door kooplieden uit Coromandel zijn aangevoerd. Hierbij eigent de capitão zich ook wel eens iets toe wat hem zeer goed bevalt. Hij verrijkt zich dus en de kooplieden worden beroofd van een deel van hun inkomen uit de handel. In de brief die Frei Lourenço Paes s.j op 3 december 1568 schrijft aan Leão Henriques wordt bevestigd dat het gedrag van de Capitão van Malacca de groei van de handel uit São Tomé zeer belemmert.

Na de val van het hindoerijk Vijayanagarin 1565 grondvesten de Qutub Shahi bestuurders hun koninkrijk stevig in Golkonda en zij stellen belang in de ontwikkeling van de haven van Masulipatnam, welke stad in de eerste helft van de zestiende eeuw geen belangrijke haven voor de oceaanhandel is geweest; de groei en bloei van de stad dateert uit de jaren zestig1. Regio’s waarmee Masulipatnam in die tijd handeldrijft zijn Atjeh en de Birmaanse en Siamese kust. De verspreiding van de Portugese invloed langs de Birmaanse kust is een tijdelijke terugslag voor de scheepvaart van Masulipatnam. Zij zijn gedwongen cartezas te kopen van de Portugezen, die in staat zijn de handel te beperken. Het bestuur over Syriam door de Portugese avonturier Filipe de Brito (1599-1613) is in het bijzonder hinderlijk voor kooplieden uit Golkonda. Maar als een herleefde Taungu dynastie onder koning Anak-Hup-Lau verslaan de Portugezen en heroveren in 1613 Syriam. Het nieuws van de herovering van Syriam wordt in Masulipatnam met gejuich ontvangen en de moslimschippers kunnen nu ongehinderd naar de kust van Birma zeilen. Dit is het begin van een lange periode van intensieve handel tussen Masulipatnam en de havens van Birma en Siam. De sultan van Golkonda zendt zijn boodschappers naar Malacca om de Portugese capitão te vragen zijn handel te verleggen naar Masulipatnam. De Capitão van Malacca verhindert het vertrek van een nau da carga, die op het punt staat uit te varen naar São Tomé. Voorts geeft hij het schip van de moslims ogenblikkelijk toestemming te vertrekken naar Masulipatnam. De lading van een geconfisqueerd schip wordt uitgeladen en overgebracht naar het moslimschip. Alle 29 kooplieden woonachtig in São Tomé krijgen van de Capitão van Malacca opdracht in 1567 naar Masulipatnam te zeilen, in plaats van naar São Tomé. De Capitão van Malacca verplicht de rest van de kooplieden naar de Coromandelkust terug te keren aan boord van een oud schip, dat eigendom is van de capitão zelf, maar niet dan nadat hij van hen de kosten van de overtocht heeft geïnd. De kooplieden zijn dus genoodzaakt zich hoge uitgaven op de hals te halen voor hun terugreis naar Coromandel. In 1570 worden Portugese particuliere handelaren aangemoedigd handelsreizen te ondernemen van São Tomé naar Malacca, waarbij het aantal reizen voor ieder van de gegadigden wordt beperkt tot twee, op voorwaarde dat zelfs als de eerste reis verlies latend is geweest, de tweede reis de koopman zijn verlies dient goed te maken. De volgende particuliere handelaren verwerven een zeilprivilege voor twee reizen: Simão Abreu Pereira (1577), Andre Teles de Menezes en Francisco de Sousa (1584), Nuno Pereira de Miranda (1585), Afonso Delgado de Brito en Jorge de Menezes (1587). De zeilprivileges worden verleend voor bepaalde routes, waarop niemand anders, met inbegrip van inheemse kooplieden van Coromandel, gebruik mogen maken. Dit systeem van zeilprivileges ontzegt inheemse scheepseigenaren het recht op deze routes te zeilen en er handel te drijven. Dit verbod prikkelt de Tamilhandelaren om hierover met de Portugezen in dispuut te gaan. Uiteindelijk leidt deze politiek tot achteruitgang van de inheemse scheepvaart in de handel tussen São Tomé en Malacca gedurende deze periode. Enige geleerden, zoals Sanjay Subrahmanyam en Om Prakash, schrijft Jeyaseela, brengen naar voren dat er van de kant van de Koning van Portugal gepoogd wordt op deze reizen een vaste winst te verzekeren. Zij hebben de netto gemiddelde winst van een Coromandel-Malacca reis berekend op 6.000 cruzados. In bepaalde gevallen is het minimum bod een bedrag van 4.000 cruzados niet te boven gegaan. Er kan geen vaste opbrengst worden verwacht, daar het bod varieert van jaar tot jaar en van persoon tot persoon. De daling van het bedrag dat wordt geboden geeft slechts aan dat de handel tussen de Coromandelkust en Malacca in deze periode achteruit gaat. Bovendien is het invoerrecht verhoogd van zes naar acht procent. Deze verhoging sluit tevens in de heffing van additionele belasting op goederen anders dan specerijen, behoudens belasting geheven voor de fortificatie van Malacca. Dit resulteert in een zekere teruggang van het aandeel van handelaren uit Coromandel in de handel met Malacca. De tot acht procent verhoogde belasting op goederen anders dan specerijen, geheven in de haven van Malacca, doet Javaanse handelaren afhaken van de handel in textiel van Coromandel in Malacca na 1574. Zelfs zij die voorheen ontheffing hadden van de betaling van uitvoerrechten, worden nu gedwongen tot betaling. Geleidelijk aan daalt ook het inkomen van het douanekantoor in Malacca. Handelaren uit Coromandel kunnen hun producten niet verkopen en de Javaanse kooplieden kopen de textielwaren niet, omdat zij te duur zijn. De handel tussen São Tomé en Malacca kwijnt tot 1591. De inwoners van Malacca verzoeken daarom de Koning van Portugal de plotseling verhoogde invoerrechten te verlagen om de handel weer tot leven te brengen. Dom Filipe I, Koning van Portugal (1580-1598), vraagt op zijn beurt inlichtingen inzake de gevraagde verlaging in de heffing van de belastingen in Malacca aan zijn capitão-geral in Goa. De vorst wenst ook te vernemen wat de invloed daarvan is op de schatkist van Malacca en op die van de Kroon.

Enige jaren later (1590) worden de moeilijkheden die kooplieden uit São Tomé ondervinden, onder de aandacht van de Koning van Portugal gebracht. In 1591 geeft koning Filipe I zijn capitão-geral in Goa opdracht dat de invoerrechten op goederen die handelaren uit São Tomé naar Malacca transporteren, afgedragen dienen te worden in São Tomé en niet in Malacca. In 1596 beveelt koning Filipe I zijn vice-rei Matias de Albuquerque de invoerrechten in Malacca te verlagen van acht naar zes procent. Aldus geschiedt, maar de verwachte commerciële opleving in Malacca blijft uit.

De escrivão van de feitoria in Malacca laat de koning weten wat daarvan de oorzaak is. Hij schrijft dat handelaren in São Tomé die goederen naar Malacca willen exporteren, sedert 1598 daarvoor onontkoombaar eerst toestemming dienen te ontvangen van ambtenaren van de alfândega in Malacca. Het douanekantoor dient dus alle handelsreizen van São Tomé naar Malacca te autoriseren, wat een grote klap is voor de groei van de handel tussen beide plaatsen. In april 1598 grijpt vice-rei Dom Francisco da Gama, conde da Vidigueira in de zaak in. Hij bepaalt dat er handelsreizen tussen Coromandel en Malacca mogen worden gemaakt zonder toestemming van de alfândega in Malacca. Niettemin geven de handelaren uit São Tomé er de voorkeur aan hun handel nieuw leven in te blazen door naar andere havens, waar de voorwaarden beter zijn, te zeilen.

De handel tussen Coromandel en Malacca is op zijn dieptepunt aan het einde van de zestiende eeuw. Op 15 januari 1601 geeft Filipe II, Koning van Portugal (1598-1621) zijn onderkoning Aires de Saldanha (1600-1605) instructie een andere manier te zoeken om deze handel te bevorderen. De Portugese capitães van Malacca maken gebruik van de diensten van Tamil-handelaren; zij lenen in 1601 geld van hen en soms worden zij aangesteld als factor. De poging van capitão- geral Dom Frei Aleixo de Menezes, aartsbisschop van Goa, in 1608 verbeteringen in de situatie aan te brengen, hebben in het geheel geen succes. Enige particuliere kooplieden, zoals Luís Ferreira, hebben textiel uit Coromandel naar Malacca vervoerd. Voorts blijkt een zekere Pero Fernandes betrokken te zijn in de particuliere kledinghandel met Malacca. De handel in textiel van São Tomé wordt georganiseerd door capitão Francisco Correia de Brito, die textiel uitvoert naar Bantam en de Molukken. Volgens rapportage van 13 augustus 1607 hebben de Portugezen in dat jaar drie zendingen textiel uit São Tomé en tien uit Pulicat ontvangen. Engelse bronnen uit die tijd vermelden dat in São Tomé niet alleen lijnwaad wordt vervaardigd, maar ook de bijbehorende kali gesso (stukjes glas). Voorts wordt er calico kleding in São Tomé gemaakt. De hongersnood die Coromandel in 1630 teistert, veroorzaakt de dood van veel wevers in de streek van São Tomé en Pulicat, wat ook de voortbrenging van kleding aantast. De export van textielwaren uit São Tomé naar Malacca wordt hervat in 1634. Omdat de Hollanders niet in staat zijn met de Portugezen te concurreren in de handel in textiel, zoeken zij een gelegenheid om Malacca te veroveren. Zelfs nog in 1634 betrekken de Portugezen, die niet beschikken over centra in het achterland van Coromandel waar zij handelswaar verzamelen, kleding van hindoehandelaren, die op hun beurt de kleding betrekken van de wevers in de dorpen in het binnenland. De bisschop van São Tomé schrijft in 1635 dat de stad São Tomé, die een van de welvarendste handelshavens van Indië is geweest, zo zeer is achteruit gegaan, dat er nog maar weinig mensen wonen, terwijl de stad ook niet over handelskapitaal beschikt. Enige jaren later laten de Hollanders zich plotseling in de regio São Tomé zien. Zij pogen textielwaren te kopen van personen met wie de Portugezen zaken hebben gedaan in Ponneri toen zij meer textiel nodig hadden om hun handel te verbeteren. Bekend is dat de Hollanders in de jaren veertig met de wevers contracten hebben gesloten en dat zij deze vooruit betalen voor de vervaardigen van bedrukte kleding.

Ofschoon de Portugezen zich al in 1525 in Nagapattinam hebben gevestigd en van meet af aan vanuit de stad rijst exporteren, onder meer naar Malacca, heeft Nagapattinam zich later ontwikkeld tot een belangrijke uitvoerhaven van textiel. Ofschoon de export van textiel al eerder begonnen is, dateren de eerste gegevens hierover uit 1584. In dat jaar onderneemt Artur Gallejo de Castelo-Branco, de Capitão van Nagapattinam, serieuze pogingen geweven stoffen te verzamelen in de dorpen van de wevers in het achterland van Nagapattinam, om de handel met Atjeh een zetje in de rug te geven. Hij maakt met groot succes contact met de aanbieders van textiel. Hij is in staat verschillende variëteiten textielwaren te kopen, zoals morins (blauwe kleding), pintados (beschilderde kleding) en pachavelões (kleding met goudbrocaat), in het achterland van de haven van Nagapattinam te kopen. De kleding die bestemd is te worden uitgevoerd naar Sri Lanka, dient officieel te worden ingeklaard. Hiervoor dient renda da chapa (stempelrecht) te worden betaald, wat de Portugezen enig inkomen verschaft. Muthu Krishnappa Nayaka (1594-1614), de heerser van Gingee, toont belangstelling nog een andere haven in zijn koninkrijk tot ontwikkeling te brengen, naast Devanampattinam, dat de enige haven in zijn land is vanwaaruit de Portugezen textiel exporteren. Zijn voorouders, in het bijzonder zijn grootvader Tupaki Krishnappa Nayaka (1567-1578) en zijn vader Kondama Nayaka (1580-1593) hebben eerder de Portugezen verlof gegeven zich neer te laten in Devanampattinam en vandaaruit handel te drijven. De eerste commerciële belangstelling van de Portugezen voor Porto Novo gaat terug tot het jaar 1597, als het hof van Muthu Krishnappa Nayaka in Gingee wordt bezocht door Frei Nicolau Pimentil s.j. De haven wordt ontwikkeld aan de monding van de rivier de Vellar. Hij nodigt de Portugezen uit zich te vestigen in deze op 11º 30’ NB gelegen haven die naar de vorst Krishnapattinam wordt genoemd. De naam Porto Novo is blijkbaar gegeven door de Portugezen toen zij de handel vanuit deze nieuwe stad gingen starten. De stad is vandaag de dag in de streektaal bekend als Parangipettai. Het dorp Agaram in de omgeving van Porto Novo is bewoond door de hindoes en de Portugese vestiging is ontstaan aan de kust. Er is in Porto Novo geen factorij gesticht en er is geen capitão benoemd specifiek voor Porto Novo. De particuliere handelaren bedrijven handel in textiel zonder enige controle uitgeoefend door Portugese ambtenaren. De welvaart van de haven doen de Hollanders vragen of zij zich ook in Porto Novo mogen vestigen, maar dat wordt door de nayak geweigerd. Dit is vermeld in de brief die vice-rei Aires de Saldanha op 28 november 1604 aan de Koning van Portugal schrijft. Naast de Portugezen bedrijven ook de chetti-handelaren de textielhandel, wat in de jaren dertig tot de groei van de textielhandel in Porto Novo bijdraagt. De overheersing van chettis in Porto Novo zet zich vele jaren voort als een zekere Seshadri Chetti optreedt als hoofd van de handelaren in Porto Novo.Voorts is er bewijs voorhanden dat in 1640 textielwaren, zoals witte enrolladas, sarassas en tafericas, van Porto Novo naar de haven van Nagapattinam worden gebracht Aangezien er veel katoenvelden in het achterland van Porto Novo zijn, worden lange kleding vooral daar geweven. Naast lange kleding, worden er ook andere soorten kleding in Porto Novo geproduceerd, zoals morins (blauwe kleding) en beatilhas (sluiers). De gehuchten Manampathi, Agaram en Ariyaghosti in de omgeving van Porto Novo komen op als belangrijke centra om kleding te weven, te drogen en te bleken. Het bleken van kleding wordt op grote schaal beoefend in Bhuvanagiri, omdat deze plaats aan de oevers van een rivier ligt waar goed water beschikbaar is. Er wordt textiel uit ververwijderde plaatsen als Udayarpalayam en Salem naar Porto Novo gebracht, waar douanerechten en tol wordt geheven. Textielwaren van verschillende soort, zowel bedrukt als geweven, naast blauwe kleding en guineas, worden van de dorpen in het achterland naar Devanampattinam gebracht. Dus al deze havens aan de Coromandelkust ontwikkelen zich tot belangrijke afvoerkanalen voor textiel die in het onmiddellijke achterland worden vervaardigd.

De toeneming van de textielproductie, wat te danken is aan de vraag van de Europese handelscompagnieën en de ruime winstmarge op de handel in kleding oefenen grote aantrekkingskracht uit op Portugese handelaren zich in de handel in textiel te begeven. João Álvares is een rijk en befaamd casado in Nagapattinam die in 1620 handeldrijft in textiel met Atjeh. Hij is het die de Koning van Portugal in 1621 inlicht over de sultan van Atjeh die Malacca tracht te veroveren en die poogt hulp te verkrijgen van de sultan van Johore om het beleg te slaan voor de Portugese haven en stad. Gonçalo Perreira is een fidalgo die in 1624 vanuit Nagapattinam particuliere handeldrijft in textielwaren met de Siamese havens Tenasserim en Mergui. Domingos de Seixas is een leidende handelaar die in 1632 textiel verhandelt en suiker in Nagapattinam importeert. Matrym Costa Falcão, de zoon van Estêvão Rebello is een particuliere handelaar de opereert vanuit Nagapattinam en in 1637 handelt hij in textiel met Trang. António de Mendoça de Brito, een inwoner van Nagapattinam, koopt in 1639 een schip en hij zendt het schip dat voornamelijk met textielwaren is geladen, naar Malacca. Pedro Vaz is een casado in Nagapattinam die handelt in textiel met Macau en daar permanent is gaan wonen. Zijn naam is gevonden in het register van de permanente bewoners van Macau, onder de datumlijn 3 oktober 1640.

Slaven worden populair als handelsartikel aan de Coromandelkust in de zeventiende eeuw met de komst van de Hollanders. Het sultanaat Atjeh koopt slaven om de peperplantages uit te breiden en ook om deze te werk te stellen in de tinmijnen. De Hollandse machthebber Jan Pieterszoon Coen acht de handel in slaven aan de Coromandelkust zelfs belangrijker dan die in textiel. De hongersnoden van 1618 en 1620 in Coromandel doet menig slachtoffer in de greep van de slavernij belanden. Het leidt ook tot export van de slachtoffers van deze hongersnoden voor slavenarbeid. Het is gemakkelijk slaven van de Coromandelkust te verkrijgen als de mensen daar bereid zijn zichzelf of hun kinderen als slaven te verkopen om de ontberingen van de hongersnood te overleven. Voor hen is slavernij te verkiezen boven de dood. Geschat wordt dat binnen twee jaren niet minder dan 15.000 à 20.000 slachtoffers van de hongersnood naar Atjeh worden gebracht. In december 1622 worden niet minder dan 1.000 zulke slachtoffers, meest vrouwen en kinderen, uitgevoerd van Coromandel naar Batavia. Een andere groep van 700 slachtoffers van de honger worden ook naar Batavia gezonden. Nog een ander Hollands schip vervoert een paar weken later nog eens 200 mensen naar Batavia. Gedurende de volgende twee jaren, 1623 en 1624, worden respectievelijk 1123 en 928 inheemsen naar Batavia geëxporteerd. Het aanbod van slaven droogt op als de levensomstandigheden in Coromandel verbeteren, waardoor de Hollandse slavenhandel achteruit gaat. Dit noodzaakt de Hollanders later (1626) ertoe vier schepen naar Arakan te zenden om daar slaven te kopen. Zij keren met 250 slaven terug in Coromandel, vanwaar zij geëxporteerd worden naar Batavia en Atjeh. De slaven die in Atjeh worden verkocht, leveren een aanzienlijke winst op. De Hollanders participeren dus actief in de export van slaven, terwijl de Portugezen dit niet doen, omdat de missionarissen daar tegen zijn. Soms worden mensen zelfs gekidnapt, om te worden verkocht als slaven. Augustin de Beaulieu, een reiziger in de zeventiende eeuw, heeft gerapporteerd dat hij een paar slaven uit Nagapattinam in Atjeh heeft ontmoet. Deze slaven vragen hem op 2 maart 1621 hen te redden uit de handen van hun eigenaars door deze het bedrag te betalen dat hij voor hen heeft betaald. Hij kan evenwel slechts vier christenslaven die voorheen burgers zijn geweest van Nagapattinam, redden. De Santa Casa da Misericórdia van Nagapattinam betaalt hem 400 reais voor de verplichtingen die hij zich op zijn hals heeft gehaald. Augustin de Beaulieu roept op 23 maart 1621 de hulp in van Kunzhali Marakkayar, die hem helpt zijn missie met succes te volbrengen. De Portugezen aan de Tamilkust verbieden de handel in slaven in Tuticorin en in Nagapattinam om humanitaire redenen. Het aanbrengen van mensen om als slaven te worden verkocht wordt op 28 juni 1632 in Tuticorin en Nagapattinam verboden. Het verbod wordt doorgevoerd met behulp van de missionarissen.

1 Zie Sinnappah Arasaratnam pag. 25, die Subrahmanyam citeert

3.3 De importhandel van de Portugezen

Categorieën
Portugees kolonialisme

De handel in strategische goederen (paarden, olifanten en salpeter). De Portugezen aan de Tamilkust in de Periode 1560-1640

Deel 16 Index

Hoofdstuk 3.

De Portugezen aan de Tamilkust in de Periode 1560-1640

3.1. De handel in strategische goederen (paarden, olifanten en salpeter)

Geschreven door Arnold van Wickeren

Aangezien Surappa (1550-1586), de Nayak van Gingee, tribuut moet betalen aan de Koning van Vijayanagar, dient hij belastingen te innen in het gebied dat onder zijn jurisdictie staat. Hij heeft ook dringend behoefte aan olifanten voor zijn leger. Daarom moedigt hij de Portugezen aan zich te vestigen in de op zijn grondgebied liggende havenstad Devanampattinam en hij vraagt hun hem olifanten aan te bieden. Op 13 maart 1580, benoemt Dom Filipe I, Koning van Portugal, Damião Paes tot resident capitão in Devanampattinam, waar de eerste Portugezen zich al in het tweede decennium van de zestiende eeuw gevestigd hebben. De benoeming van Damião Paes markeert het begin van de Portugese activiteiten in deze haven en haar achterland. De stad zal door de komst van de Portugezen snel tot bloei komen. Hoewel Damião Paes zijn ambt drie jaren bekleedt, wat gebruikelijke is, verlengt de vice-rei in Goa in 1584 zijn ambtstermijn met nog eens drie jaren, gedurende welke periode hij de handelsfactorij herbouwt, met toestemming van de Nayak van Gingee,

Er zijn enige inheemsen die ook betrokken zijn bij de handel in olifanten en zij bieden deze dieren te koop aan aan de Nayak van Gingee. Een van hen is de makelaar Linganna, over wie gezegd wordt dat zijn onderhandelingen met de Koning van Kandy over de import van olifanten in de haven van Devanampattinam, zijn mislukt. Bij een andere gelegenheid zou hij twee olifanten uit Sri Lanka (een grote en een kleine) niet aan land gebracht hebben in de Portugese haven van Devanampattinam, maar is hij doorgezeild naar Pulicat, omdat hij in Kandy ruzie heeft gekregen met een havenbeambte uit Devanampattinam, die daar verbleef. De particuliere Portugese kooplieden in Devanampattinam stellen geen belang in de handel in olifanten, omdat aan deze dieren moeilijk te komen is. Op 9 november 1608 verschijnt een Hollands schip, dat in 1607 is uitgezeild, geplaagd door tegenwind in de Golf van Bengalen, in Devanampattinam. Het schip krijgt toestemming van een havenambtenaar, onder controle van de Nayak van Gingee, in de haven voor anker te gaan. Pieter Gerritsz Bourgonje, de kapitein van het schip, gaat direct na aankomst met drie man naar Gingee, de hoofdstad van het nayakdom. Zij bereiken Gingee op 26 november 1608. Muthu Krishnappa Nayak (1597-1624) ontvangt zijn bezoekers met grote vreugde en hij geeft hun op 30 november een vergunning om in Devanampattinam handel te drijven, daar de Portugezen er niet in zijn geslaagd aan de vraag naar olifanten van de nayak tegemoet te komen. Volgens een brief van een jezuïet ontvangt de nayak de Hollanders zeer gastvrij en hij vraagt hun hem zo spoedig mogelijk olifanten aan te bieden, omdat hij die dringend nodig heeft. De Hollanders, die ervaren dat de Portugezen sterk in Devanampattinam aanwezig zijn en dat zij ook op goede voet staan met de havenambtenaar van Muthu Krishnappa Nayaka, pogen de noodzakelijke stappen te ondernemen om de nayak olifanten te kunnen aanbieden en zo zijn gunst te winnen. De Hollanders geven de nayak rijke geschenken en het resultaat daarvan is dat de Portugezen op 4 november 1609 uit Devanampattinam verdreven worden. De Hollanders hebben de Koning van Kandy ook kostbare geschenken gegeven om zich van de levering van olifanten te verzekeren. Volgens Nederlandse bronnen worden tegen 1 mei 1610 in Thirupathiripuliyur drie olifanten verwacht. De Koning van Kandy heeft ook zijn gezant naar de Hollanders gezonden met een gouden ring bezet met blauwe stenen als aanvulling op vijf zakken kaneel. Voorts wordt er afgesproken dat de Hollanders van nu af aan maatregelen treffen om tien tot twaalf olifanten te kunnen aanbieden, om aan de wensen van de Nayak van Gingee tegemoet te komen.

In de tussentijd treffen de Portugezen eveneens maatregelen om de Nayak van Gingee van olifanten te kunnen voorzien, in een poging de Hollanders uit Devanampattinam te laten verdrijven, waarna zij de nayak zullen verzoeken de haven aan hen terug te geven. In die tijd (1616) heeft de Koning van Ava in Birma zijn boodschappers naar Rui Dias de Sampaio, de Portugese capitão van São Tomé gezonden. Hij sluit op 29 december 1616 een verdrag met de Koning van Ava over het aanbieden van olifanten die de Portugezen nodig hebben om in Coromandel te ruilen tegen textiel. Er worden vervolgens olifanten uit Siam en Ava naar de Coromandelkust gebracht. In dezelfde tijd slagen de Portugezen in Sri Lanka erin te verhinderen dat Kandy olifanten aan de Hollanders verkoopt. De vriendschappelijke betrekkingen die tussen de Nayak van Gingee en de Hollanders bestaan, belemmeren de verkoop van olifanten aan de nayak door de Portugezen en de teruggave van de haven van Devanampattinam aan hen. De Portugezen die contact hebben met de Koning van Kandy en van hem olifanten hebben ontvangen, verkopen deze aan de Nayak van Thanjavur.

De Portugese inspanningen om aan de westkust van Voor-Indië aan voldoende salpeter te komen om aan de vraag van de Casa da Pólvora te voldoen, hebben niet veel succes. De Portugezen zijn dus genoodzaakt ook salpeter te kopen aan de Coromandelkust. De Koning van Portugal heeft sedert 1588 herhaalde malen instructies gezonden aan gouverneur Manuel de Sousa Coutinho (1588-1591) om salpeter naar Portugal te exporteren. Hij heeft de gouverneur ook gevraagd hartelijke betrekkingen aan te knopen met Muthu Veerappa (1606-1623), de Nayak van Madurai. In de koninklijke opdracht van 29 november 1606 wordt bevolen jaarlijks tien of elf pipas salpeter uit Indië naar Portugal te exporteren. In 1630 worden Domingos Carneiro, een cassado woonachtig in Barcelor, en Fernão Carvalho uit Cochin, benoemd tot makelaars van de Portugese Oost-Indische Compagnie voor de aankoop van salpeter in Indië. De makelaars worden later van hun taken ontheven en de Estado da India begint in de verschillende productiecentra zelf salpeter in te kopen. Deze stap wordt gezet met het oogmerk salpeter aan te

kopen op grote schaal en tegen lagere kosten. Als de oesterbanken aan de Visserijkust opdrogen, laten de Portugezen die hun handelsactiviteiten aan deze kust willen uitbreiden, hun oog vallen op de salpetervoorraden in het gebied van de Nayak van Madurai. Omdat de parelvisserij tussen 1605 en 1621 stil ligt, moedigen de Portugese autoriteiten de casados in Tuticorin aan hun aandacht te richten op de handel in salpeter. Uit de Assentos do Conselho do Estado da India in Goa blijkt dat in het achterland van de haven van Tuticorin de meeste salpeter te vinden is. Het is daarom zaak voor de export van salpeter in Tuticorin de functie van Capitão e Ouvidor in te stellen. Als gevolg daarvan wordt Pedro Soares de Brito, die in Cochin woont, door vice-rei Dom Miguel de Noronha, conde de Linhares (1629-1635) benoemd tot capitão van Tuticorin. Zijn belangrijkste taak is het verwerven van salpeter in de regio te bevorderen; hij wordt dan ook betiteld als O Contrador de salitre em toda de Pescaria.

Er zijn ook salpetermijnen in de omgeving van Madurai. De hier gewonnen salpeter dient slechts tweemaal te worden gekookt, voordat hij voldoende zuiver is. Elders moet de verkregen salpeter driemaal of zelfs viermaal gekookt worden om dezelfde graad van zuiverheid te verkrijgen. Volgens de getuigenissen die beschikbaar zijn, staan de nayaka-heersers van het zuiden van het subcontinent, in het bijzonder Vitula Nayak en anderen aan de westkust en Tirumalai Nayak (1627-1659) van Madurai, de Europeanen niet toe salitre branco of salitre preto te verwerven, alvorens hun eigen verlangens zijn vervuld. Dit is een van de voornaamste redenen van de moeilijkheden die de Portugezen ondervinden bij het kopen van salpeter in deze streek. Er zijn niet voldoende bewijzen dat de Nayak van Madurai betrokken is bij de vervaardiging van kruit. De groeiende behoefte aan kruit en ammunitie in Indië en Portugal doet de vraag naar salpeter stijgen. De uitbraak van de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) in Europa doet de export van salpeter van Indië naar Portugal versnellen. De prijs van salpeter op de markt fluctueert in deze periode tussen een halve rupee en zes rupees. Bovendien brengt salpeter op de markt van Lissabon een winst op van 200 procent. De grote winst op de Europese markt leidt tot hevige concurrentie tussen de Portugezen, Hollanders en Denen die met elkaar wedijveren om salpeter te verkrijgen uit Madurai.

In 1629 rebelleert Kutten Situatie, de Marawa-heerser van Ramnad, tegen de politieke autoriteiten van de Nayak van Madurai. Daarom is Tirumalai Nayak van Madurai gedwongen de hoofdstad van zijn rijk te verplaatsen van Tirucirapalli naar Madurai en hij marcheert op tegen de rebelse heerser. Hij verovert, daarbij het Marava-gebied, met hulp van de Portugezen. Een brief van 8 november 1630, geschreven door de vice-rei in Goa, de graaf van Linhares, bevestigt dat de Portugese troepen de Nayak van Madurai steun verlenen. De Portugezen die de nayak tijdelijk hulp verlenen, kunnen daardoor weldaden van hem verkrijgen. De nayak stemt erin toe zijn banden met de Hollanders te verbreken en hen niet toe te staan zijn gebieden te betreden om er handel te drijven en hun schepen niet toe te staan de havens van zijn koninkrijk te bezoeken. De Hollanders in Pulicat, evenwel, hernieuwen hun inspanningen om hun betrekkingen met Tirumalai Nayak van Madurai te verbeteren om hen in staat te stellen salpeter in zijn koninkrijk te verwerven. Zij nemen zich ook voor de Portugese vestiging in Tuticorin nog hetzelfde jaar aan te vallen. De Conselho do Estado da India op zijn beurt vraagt de inwoners van Tuticorin de Hollanders te weerstaan. Aan de andere kant bieden de Denen in 1631 Tirumalai Nayak van Madurai aan jaarlijks 3.000 cruzados te betalen voor het bouwen van een opslagloods bij Tuticorin voor de uit de regio verkregen salpeter. Al deze ontwikkelingen worden uitvoerig bediscussieerd in de zitting van de Conselho do Estado da India op 18 augustus 1631. Zich realiserend dat de Nayak van Madurai salpeter bezit, zendt de graaf van Linhares een agent naar Madurai om daar te gaan wonen en zorg te dragen voor een geregelde aanvoer van salpeter. In deze omstandigheden komen enige overheidsdienaren aan het hof van de Nayak van Madurai in conflict me de Portugese agent in Madurai. Voorts zorgen de missionarissen ook voor problemen, omdat zij zowel de geestelijke als de materiële belangen van de paravas behartigen. Maar de aanstelling van een Capitão e Ouvidor in Tuticorin brengt de activiteiten van de jezuïeten onder controle. De Portugese agent die in Madurai woont om de aankoop van salpeter te faciliteren wordt, op verzoek van de Portugese missionarissen, plotseling gearresteerd. De beschuldigingen die zij tegen de agent aanvoeren, blijken onwaar te zijn en er komt aan het licht dat de man geen verrader is. Deze keer van zaken verstevigt de positie van de Portugese gezagsdragers die daardoor in staat zijn betere relaties met de Nayak van Madurai te vestigen.

Met het oog op het sluiten van een contract inzake de levering van salpeter, schrijven zij de Nayak van Madurai op 3 februari 1633 een brief. In de daarna bereikte overeenkomst stemt de nayak ermee in de Portugezen salpeter te verkopen voor 27½ xerafins per lokale bahar en voor elke in de haven van Tuticorin aangevoerde olifant 662 xerafins te betalen. De handelspartners verplichten zich voorts de over en weer begeerde goederen aan elkaar te leveren met uitsluiting van anderen. De overeenkomst wordt bestreden door de Portugese Capitão van Sri Lanka, Diogo de Mello de Castro, die de olifanten dient te zenden. Hij is van oordeel dat de Portugese Kroon geen goede zaken doet, omdat de prijs van salpeter te hoog en die van olifanten te laag is vastgesteld. Bovendien is hij van oordeel dat Bengaalse kooplieden bereid zijn salpeter tegen lagere prijzen te leveren. Er wordt echter een compromis bereikt waarbij Sri Lankaanse olifanten worden geruild voor salpeter uit Madurai. Het volgende jaar (1634) sluit de graaf van Linhares opnieuw een overeenkomst met de Nayak van Madurai, waarbij opnieuw Sri Lankaanse olifanten worden geruild tegen salpeter. Deze overeenkomst wordt ook beschouwd onvoordelig voor de Portugezen te zijn. Deze keer klaagt de Capitão van Sri Lanka in een brief aan de Koning van Portugal erover dat de Portugezen niet de enige kopers van salpeter zijn, omdat de nayak ook salpeter verkoopt aan de Hollanders. De Capitão van Sri Lanka verbiedt daarom de export van olifanten naar Madurai. Hij heeft hiervoor een weinig overtuigend argument; volgens hem is het transport van olifanten naar Tuticorin te riskant, wegens de heersende hongersnood en droogte in Tuticorin, Madurai en Sri Lanka. Als de Portugezen, op basis van de hernieuwde overeenkomst, in november of december 1634 olifanten in Tuticorin moeten aanvoeren, kunnen zij niet aan hun leveringsverplichting voldoen en eind januari 1635 hebben zij nog niet geleverd. Daarom kunnen zij van de Nayak van Madurai geen salpeter kopen. Het contract 1.000. quintais salpeter te ruilen voor Sri Lankaanse olifanten, wordt opgeschort, zonder verhoging van de prijs per olifant, want deze is in het verdrag gefixeerd op 620 xerafins. Als de Portugezen tegen deze prijs geen olifanten kunnen leveren, vervalt het contract.

António de Meirelles Andrade, dezelfde Portugese Capitão e Ouvidor van Tuticorin, die partij is geweest in het voorgaande contract, is er erg op gebrand het salpetercontract met de Nayak van Madurai te vernieuwen. Hij slaagt erin op 8 februari 1635 een contract te sluiten, waarbij de nayak belooft salpeter tegen 25 xerafins de bahar te zullen leveren. De nayak is deze keer bereid ook genoegen te nemen met iets kleine olifanten dan gebruikelijk, waarbij de prijs afhankelijk is van de hoogte van de dieren. Voorts wenst hij de dieren in ontvangst te nemen in Tuticorin en hij zal zelf zorgdragen voor hun vervoer naar Madurai. Uit een document dat bewaard wordt in het Arquivo Historico Ultramarino in Lissabon, blijkt dat de Portugezen er meer dan eens niet in zijn geslaagd olifanten aan te bieden. De nayak echter blijkt bereid te zijn, in plaats van olifanten andere goederen voor de door hem geleverde salpeter te aanvaarden, zoals: stukgoederen, textiel of zijde, fluweel uit Ava met een rand van goud, metalen, zwavel uit Siam, goudpoeder uit China, lood, diverse soorten juwelen, kruidnagelen en ivoor. In 1635 ontvangt Tirumalai Nayak van Madurai van de Portugezen al deze en andere goederen, zoals halskettingen en snoeren. De Portugezen betrekken In hetzelfde jaar salpeter van de Nayak van Madurai, die zij van Tuticorin naar Goa vervoeren en vandaar naar Portugal exporteren. Hetzelfde is het geval in 1636. Ofschoon de prijs van salpeter fluctueert tussen 7 en 10½ xerafins per quintal in 1638, gaan de Portugezen door met salpeter te kopen, waartoe zij elk jaar hun contract met de Nayak van Madurai verlengen. Zij hebben geen andere keus dan salpeter te kopen tegen de verhoogde prijs.

Ook een jezuïet, Gaspar de Aguiar, houdt zich bezig met de handel in salpeter. Van hem is bekend dat hij op 22 maart 1638 salpeter van de Nayak van Madurai koopt. De capitão in Tuticorin, die daartoe op 11 oktober 1638 instructies ontvangt van de onderkoning in Goa, Pero da Silva (1635-1639), sluit een overeenkomst met de Nayak van Madurai. De capitão vraagt de Nayak van Madurai de heffingen op de schepen die uitzeilen van Tuticorin te verlagen, om de exporthandel te bevorderen.

De Nayak van Madurai die geregeld salpeter aan de Portugezen verkoopt, geeft er in 1639 de voorkeur aan olifanten met slagtanden uit Sri Lanka te ontvangen, liever dan olifanten met een vastgelegde minimum hoogte. Diogo Mendez de Brito, de Capitão van Sri Lanka, krijgt daarom het bevel bovenal op olifanten met slagtanden te doen jagen. Op 13 augustus 1639 zendt Tirumalai Nayak van Madurai zijn vertegenwoordiger Ramappa naar vice-rei Pero da Silva in Goa met het voorstel een geregeld aanbod van salpeter te verzekeren voor Portugese militaire hulp tegen de Marava-heerser die opnieuw in opstand is gekomen. Pero da Silva gaat niet op het voorstel in, omdat hij vreest dat als de Nayak van Madurai door het verslaan van de Maravas wordt aangemoedigd Sri Lanka te veroveren. Hoewel de vice-rei zich kan verheugen op de verandering in de handelsvooruitzichten met Madurai, kan hij natuurlijk niet een mogelijke verovering van Sri Lanka uitlokken, omdat dat het Portugese prestige in de regio en het kaneelmonopolie zou aantasten. De Madurai-nayak is zelfs bereid de Portugezen toe te staan een fort te bouwen in Pampan of – als zij dit wensen – in een andere plaats aan de zuidoostkust. Zij mogen daarin 50 Portugese soldaten en 100 lascars legeren. De nayak biedt bovendien aan 3.000 pardaus te betalen voor het onderhoud van de lascars. Voorts belooft de nayak een kerk te bouwen in Rameshwaram en in zeven andere plaatsen tussen Pampan en Tondi en al zijn onderdanen toe te staan het christelijke geloof te aanvaarden. Ofschoon de prijs die de Nayak van Madurai bereid is te betalen voor uitgebreide militaire hulp voor de Portugezen zeer aantrekkelijk is, verwerpen zij het aanbod. De nayak is daarover zeer teleurgesteld en hij neemt zich in 1640 voor de salpeterhandel van de Portugezen in Madurai te belemmeren.

De Portugezen die handeldrijven met havens aan de Coromandelkust en dan vooral met Thirmalairayanpattinam en Nagore, hebben van Sevvappa Nayaka van Thanjavur (1532-1576) toestemming zich in Nagapattinam te vestigen. Als tegenprestatie beloven de Portugezen paarden, die zij hebben ingevoerd uit West-Azië, over te brengen van de westkust naar Nagapattinam. In dit verband is het van belang dat in Kanyakumari aan de Coromandelkust Portugezen wonen die gespecialiseerd zijn in de handel in paarden die uit West-Azië komen. Er zijn ook in Cochin casados die deelnemen aan de export van paarden naar Nagapattinam. Aangezien de Nayak van Thanjavur vreselijk verlegen zit om paarden, zendt hij zijn mensen naar Nagapattinam om daar aan de Portugezen te vragen wanneer de paarden aankomen. Volgens Portugese bronnen worden enige paarden ziek door het ongunstige klimaat al voordat zij in Nagapattinam kunnen worden aangeboden of verkocht. Ofschoon de marakkayars traditioneel met Sri Lanka handelen in rijst en textiel, gaan zij Sri Lankaanse olifanten exporteren naar het zuiden van Voor-Indië, omdat de vraag naar olifanten daar zeer groot is. Zij voeren veel olifanten aan in Nagapattinam. Enige marakkayars hebben zich gespecialiseerd in het vervoer van olifanten en een van hen, Chilay Marakkayar heeft zijn schip op verzoek van de onderkoning beschikbaar gesteld voor het transport van olifanten naar Goa, Omdat olifanten uit Sri Lanka zich gemakkelijker laten temmen dan andere olifanten, worden zij zeer begeerd door de Nayak van Thanjavur en door andere heersers in het zuiden van Indië, die olifanten nodig hebben voor hun leger. De prijs van de beste en meest zorgvuldig getrainde olifanten bedraagt 1000 à 1500 cruzados. Enkele malen geven de Portugezen olifanten cadeau aan heersers in het zuiden van Voor-Indië en in een geval is zelfs sprake van een gift van drie olifanten aan de Nayak van Thanjavur.

Gedurende de tijd dat de Portugezen in Nagapattinam de zeeën beheersen staan zij erop dat handelaren cartazes kopen van de Portugese capitão, op basis waarvan zij gerechtigd zijn bepaalde handelsreizen te ondernemen. Enige handelaren, zoals Khawaja Marakkayar uit Nagapattinam, die handeldrijft met Macau, verkrijgt deze cartazes van de Portugezen na betaling van het vastgestelde bedrag. Maar er zijn voorbeelden van schepen die in Nagapattinam door de Portugezen worden aangevallen en geconfisqueerd, omdat de kapiteins zich niet gehouden hebben aan alle voorwaarden die de Portugese Capitão van Nagapattinam in de cartaz heeft opgenomen. Scheepseigenaren zijn verplicht in Nagapattinam een cartaz te kopen om goederen te mogen transporteren naar een bepaalde in de cartaz vermelde haven. Als hetzelfde schip op de terugweg goederen naar Nagapattinam meebrengt, dient het zich te melden bij het Portugese douanekantoor en daar een bepaald bedrag te betalen aan belasting op de import van goederen. Hoewel een cartaz wordt uitgegeven voor een nominaal bedrag van een tanga per cartaz, is het handelaren in Coromandel verboden bepaalde soorten goederen te vervoeren, omdat deze goederen onderdeel zijn van het koninklijke monopolie. Raghmumatha, Nayak van Thanjavur (1580-1630), die zich ergert aan de wijze waarop de Portugezen cartazes uitgeven, legt op 27 januari 1625 in Nagapattinam beslag op een Portugees schip. De interventie van de nayak is te wijten aan zijn ergernis over het feit dat een bepaald schip dat in december 1624 met handelswaren Nagapattinam wilde verlaten, geen cartaz heeft verkregen.

Uit Portugese documenten blijkt dat de Nayak van Thanjavur meer belangstelling heeft voor het kopen van olifanten dan de Nayaks van Gingee en Madurai. Zijn redenen daarvoor blijken echter niet uit de documenten. António Vaz Pereira, de Capitão van Nagapattinam, sluit in 1607 met de Nayak van Thanjavur een overeenkomst, die de vorst garandeert dat alle door de Portugezen in Nagapattinam aangevoerde Sri Lankaanse olifanten aan hem zullen worden verkocht, om aan zijn vraag te voldoen. In 1614 schrijft vice-rei Dom Jerónymo de Azevedo (1612-1617) aan de Nayak van Thanjavur dat hij het alleenrecht heeft op het kopen van olifanten van de Portugezen. Venkatapatidevaraya II, de titulair keizer van Vijayanagar (1586-1614) heeft helemaal geen belangstelling voor olifanten. De Nayak van Thanjavur wenst dat de olifanten worden afgeleverd in Thanjavur en alleen als dit het geval is, zorgt hij voor betaling. De heerser van Kandy, die zich het belang van de handel in dieren niet realiseert, staat de Portugezen die zich bezighouden met de handel in olifanten, toe deze dieren naar de Nayak van Thanjavur te verschepen uit elke haven van Sri Lanka. Deze handel gaat voort tot 1620. Enige uit Coromandel naar Sri Lanka vertrekkende schepen kunnen 14 of 15 olifanten vervoeren. Deze naus zijn bijzonder sterk. De voorstevens van de naus zijn zodanig gebouwd dat de schepen zich in nauwe kanalen kunnen bewegen en olifanten veilig van Sri Lanka naar de Tamilkust kunnen brengen. In 1622 worden zes olifanten naar Nagapattinam gebracht en zij worden verkocht voor het totaalbedrag van 3990 xerafins. De Nayak van Thanjavur zou op 18 februari 1630 de Portugezen opnieuw hebben gevraagd om Sri Lankaanse olifanten. De Portugezen gaan hierop in als de nayak belooft hen te helpen bij de verovering van Pulicat, de belangrijkste vestiging aan de Coromandelkust. In 1631, als de Portugezen salpeter, waarnaar hun vraag op dat moment maximaal is, aan het kopen zijn van Tirumalai Nayak van Madurai, besluiten zij te stoppen met de levering van olifanten aan de Nayak van Thanjavur. Vanaf dat moment worden schepen die olifanten uit Sri Lanka aanvoeren, naar de haven van Tuticorin gedirigeerd, om in ruil voor salpeter te worden verkocht aan Tirumalai Nayak van Madurai, in plaats van dat olifanten voor de Nayak van Thanjavur in Nagapattinam lossen.

De betrekkingen tussen de nayaka-heersers van Thanjavur en de Portugezen zijn in deze tijd zeer hartelijk. De bisschop van Meliapor beschrijft in een van zijn brieven uit 1610 de gaarne geboden hulp van de Nayak van Thanjavur aan de Portugese bewoners van São Tomé, als de lokale autoriteit van die plaats ten onrechte een grote som geld als belasting vraagt, waarmee hij voordeel trekt uit de politieke instabiliteit en chaos die de regio treft. De nayak is in deze zaak te hulp gesneld toen hij daartoe door de Portugezen werd benaderd, ofschoon het geschil niet behoorde tot een aangelegenheid die viel binnen de jurisdictie van het Nayakdom van Thanjavur. Uit waardering voor de tijdige hulp gegeven aan de burgers van São Tomé, dankt Filipe II (1598-1621), Koning van Portugal, de Nayak van Thanjavur in een brief, gedateerd 20 februari 1612. Vice-rei Dom Jerónymo de Azevedo antwoordt in zijn brief van 21 januari 1613 aan de Koning van Portugal dat de door de Kroon aan de Nayak van Thanjavur gezonden brief aan hem is overhandigd. De brief was eerst aan de bisschop van Meliapor gezonden en die heeft er voor gezorgd dat hij bij de Nayak van Thanjavur is terechtgekomen.

Als de belasting die de onderdanen van de Nayak van Thanjavur hun vorst verschuldigd zijn, niet tijdig in de koninklijke schatkist stroomt, komt de nayak in persoon naar Nagapattinam, om toezicht uit te oefenen op de inning van belastingen. Hij int ook belastingen van de Portugese inwoners. Eens, toen de Adhikari van Nagapattinam een onredelijk groot bedrag aan belasting van de Portugezen vroeg (1632), zonden dezen een gezantschap naar het hof van de Nayak in Thanjavur en de zaak werd op vriendschappelijke wijze door de nayak opgelost ten gunste van de Portugezen. Een aanzienlijk gedeelte van de door de Nayak van Thanjavur verzamelde belasting wordt jaarlijks als tribuut aan de Koning van Vijayanagar gezonden. Frei Coutinho s.j. die kennis draagt van de schatting die de Nayak van Thanjavur aan de Koning van Vijayanagar zendt, zegt hierover in zijn brief van 11 oktober 1608, dat het tribuut van de Nayak van Thanjavur bestaat uit 50.000 cruzados, naast alle andere zaken.

In overeenstemming met de hindoetraditie, schijnt de Nayak van Thanjavur zeer tolerant te zijn geweest tegenover andere religieuze groepen in zijn koninkrijk. Zijn afkeer is meer gericht tegen de tijdelijke macht van vreemdelingen en dan nog alleen wanneer die zijn eigen macht aantast. De Portugezen gebruiken de haven van Nagapattinam sinds 1581 als een marinebasis voor de verzending van wapens en ammunitie voor hun militaire operaties in Sri Lanka. De Nayak van Thanjavur geraakt van deze clandestiene activiteiten op de hoogte, maar veel later, omdat de Portugezen deze operaties in het diepste geheim uitvoeren. Raghmumatha Nayak verneemt wat er gaande is als Sankili, de heerser van Jaffna, in 1615 zijn hulp inroept. De Nayak van Thanjavur komt de heerser van Jaffna daadwerkelijk te hulp als de Portugezen in Nagapattinam een strijdmacht inschepen om in te zetten tegen Jaffna. Nagapattinam wordt in 1617 aangevallen door de nayak. Veel Portugezen vluchten 15 maart 1617 naar Cochin. Een leger van 1.000 man, geleid door Varunakulathan, de hoogste legerchef, wordt door de Nayak van Thanjavur gezonden, om de Koning van Jaffna bij te staan. Aangezien de Portugese casados van Nagapattinam een aanzienlijke hoeveelheid wapens en ammunitie naar hun landgenoten in Sri Lanka hebben gezonden, wordt de Koning van Jaffna in 1619 verslagen. Hij wendt zich opnieuw voor militaire hulp tot de Nayak van Thanjavur. Deze zendt een leger van 2.000 man dat op 5 december 1620 bij Mannar aan land gaat. Tenslotte worden de Portugezen pas verslagen door strijdkrachten van de nayak als opnieuw op 18 februari 1622 een contingent soldaten van Thanjavur Jaffna heeft bereikt.

Strijdkrachten van de Nayak van Thanjavur marcheren in 1632 tegen Nagapattinam op in een poging de plaats te verwoesten. De belangrijkste reden van de plotselinge aanval is dat de Portugezen doende zijn met het verwijderen van grote kolommen zwart gesteente uit een van de tempels in Nagapattinam. Zij willen het verkregen materiaal gebruiken voor de constructie van hun eigen bouwwerken. Na dit incident is de nayak verheugd de Engelsen te kunnen uitnodigen, zich in Nagapattinam neer te laten. De Engelse schepen, die op 9 juli 1638 arriveren, worden, op last van Vijaya Raghumatha, Nayak van Thanjavur (1630-1673), een grootse ontvangst bereid door de lokale adhikari. De Conselho do Estato da India in Goa bespreekt de gang van zaken in Nagapattinam en hij veroordeelt de actie van de Nayak van Thanjavur. De Portugezen die in Nagapattinam wonen, willen zich later fortificeren. De Nayak van Thanjavur die de plannen verneemt, wil dit beletten. Daartoe trekt hij in juni 1641 tegen de stad op. De Portugese inwoners van Nagapattinam laten de strijdkrachten van de nayak in een hinderlaag lopen en zij maken verschillende stukken artillerie buit. Tengevolge van deze politieke gebeurtenissen, beleven de handelsactiviteiten in die tijd vele hoogte- en dieptepunten.

De Portugese diplomatieke relaties met de Nayak van Gingee beginnen na de nieuwe ontwikkeling van de Hollandse alliantie met de nayak in 1608. De Portugezen reageren vlot op de situatie en het nieuws bereikt het hof van de Koning van Portugal en deze schrijft een brief aan koning Venkata III van Vijayanagar die dan in Vellore verblijft. Deze antwoordt dat hij de Nayak van Gingee heeft opgedragen de Hollanders uit Devanampattinam te verdrijven. Vice-rei Dom Frei Aleixo de Menezes, aartsbisschop van Goa, onderneemt direct stappen om de Hollanders uit Devanampattinam te verdrijven. De bisschop van Meliapor en de Senado da Câmara van São Tomé combineren hun inspanningen in 1609 met hetzelfde doel. Zij vaardigen Frei Nicholas Levanto, de rector van het Seminarie van São Tomé, af naar het koninklijke hof in Vellore te gaan, om te pleiten voor de verwijdering van de Hollanders uit Devanampattinam. Frei Levanto, die de missie onderneemt, rapporteert in een brief aan de bisschop van Meliapor dat de Koning van Vijayanagar heeft beloofd het Portugese fort in Devanampattinam op de Hollanders te veroveren en het terug te geven aan de Portugezen. Deze hebben evenwel geen succes met de verdrijving van de Hollanders uit Devanampattinam in weerwil van de gecombineerde diplomatie van de Kerk en de Staat zowel in Portugal als in Indië.

We hebben een glimp gezien van de ingewikkelde betrekkingen tussen de nayaks aan de ene en de Portugezen en Hollanders aan de andere kant en we hebben ook een voorbeeld gezien van de rivaliteit tussen deze twee Europese machten en van hun pogingen de controle te verwerven over de havens aan de kust en invloed aan de koninklijke hoven in het achterland. Aangezien de salpetervoorraden op het Iberisch schiereiland beperkt zijn, is de militaire kracht van het land afhankelijk geworden van buitenlandse importen, vooral ten tijde van oorlog. De Portugezen doen hun uiterste best salpeter te bekomen van de Nayaks van Gingee en Madurai. De handel in salpeter wordt een zaak van uiterste urgentie en de Portugezen nemen maatregelen om een constante aanvoer in Tuticorin te verzekeren. De militaire doeleinden van de nayak en de commerciële activiteiten van de Portugezen worden meer bepaald door de omstandigheden dan door welk lange termijn doel dan ook. Ofschoon Tirumalai Nayak van Madurai betere contractvoorwaarden aanbiedt door handig de voordelen van de situatie uit te buiten, om zijn eigen doel te bereiken, aanvaardt de onderkoning in Goa deze niet, omdat hij vreest dat de Portugese aanwezigheid en handel in Sri Lanka daardoor getroffen en ontregeld wordt. Bovendien staan de Portugezen in die tijd in Coromandel al onder grote druk van een machtige commerciële rivaal, de Hollanders. Voorts wordt de Luso-Hollandse rivaliteit flink aangewakkerd door openlijke zeeslagen in de Golf van Bengalen, wat niet bevorderlijk is voor vreedzame handel in strategische goederen.

De Nayak van Thanjavur handhaaft zijn houding van toegewijd heerser die zijn gebied beschermt tegen politieke inbreuken. Hij wordt net als heersers op het subcontinent geconfronteerd met een nieuwe soort agressie en wel, verovering door middel van overzeese handel en bekering van de bevolking. Ofschoon de Portugezen zeer bekend zijn met de nieuwe politieke strategie die gebruik maakt van een nieuw brandstofmengsel, bestaande uit overzeese handel en kanonneerbootdiplomatie, staan zij onder grote militaire druk door de dreigende verovering van Goa en Malacca en zijn zij daarom niet in staat hun gezag aan de Tamilkust te handhaven. De Estado da India is niet in staat controle uit te oefenen op en bescherming te bieden aan particuliere Portugese handelaren die zich hebben verspreid over de hele Tamilkust. De Portugezen handhaven hun afzonderlijke identiteit als kooplieden en concentreren zich op de overzeese handel vanuit de havens van Tuticorin, Devanampattinam en Nagapattinam. Zij die handeldrijven met Sri Lanka blijven tegemoetkomen aan de vraag van de Nayak van Thanjavur naar olifanten en de handel bloeit vooral door wederzijds begrip. De nayak is de enige die de opbrengsten van de haven van Nagapattinam int en hij zal dit blijven doen tot aan de dood van de laatste heerser van Vijayanagar, Venkata III, in 1642. Het jaar daarop zullen de Portugezen een alfândega opzetten en zullen zij beginnen met de inning van haven- en liggelden, omdat zij zich bewust zijn van de politieke veranderingen die zich hebben voorgedaan. Daar de Nayak van Thanjavur bevrijd is van zijn verplichting een jaarlijks tribuut af te dragen aan Venkata III, de titulair vorst van Vijayanagar, staat hij de Portugezen toe zelf de haven van Nagapattinam te beheren.

Opgemerkt dient te worden dat de handel van de Portugezen in strategische goederen verschillende fasen heeft gekend. De nayak-heersers volgden eerst een opendeurpolitiek bij de handel, door Portugese handelaren uit te nodigen aan hen paarden te verkopen. In deze eerste fase is de aard van de handel er een waarbij Portugese handelaren streven naar winstmaximalisatie. De tweede fase breekt aan als de Portugezen er weet van krijgen dat er aan de Tamilkust salpeter beschikbaar is.. Hierdoor krijgt het handelspatroon van de Portugezen een geheim motief. Zij beginnen de nayaks olifanten aan te bieden in ruil voor salpeter, dat zij naar Europa exporteren voor de productie van kruit. Deze manier van handeldrijven gaat gepaard met vele diplomatieke contacten met de hoven van de nayak-heersers. In de derde fase brengen de Portugezen een andere handelspolitiek in de praktijk; als de Hollanders aan het begin van de zeventiende eeuw aan de Coromandelkust verschijnen, zenden zij missionarissen naar de nayaks om te onderhandelen over handelsvoorwaarden. De hindoe Vijayanagara-heersers behandelen zowel de Portugezen als de Hollanders op dezelfde wijze, zonder onderscheid tussen hen te maken. De goede diensten van de missionarissen en dan vooral van de jezuïeten zijn door de Portugezen op groter schaal gebruikt om succes te hebben bij en te wedijveren met de Hollandse rivalen die in het begin van de zeventiende eeuw gaan deelnemen in de handel aan de Tamilkust. De jezuïeten spelen een invloedrijke rol aan de hoven van de Nayaks van Gingee, Thanjavur en Madurai. De Portugese bestuurders aan de Tamilkust gebruiken derhalve spirituele krachten om de handel en de diplomatie te vergemakkelijken.

3.2 De exporthandel van de Portugezen in massagoederen

Categorieën
Portugees kolonialisme

De parelvisserij aan de Costa da Pescaria. De Portugezen aan de Tamilkust in de Periode 1560-1640

Deel 16 Index

Hoofdstuk 3.

De Portugezen aan de Tamilkust in de Periode 1560-1640

3.0. De parelvisserij aan de Costa da Pescaria

Geschreven door Arnold van Wickeren

In § 3.0 van deel XI is geschreven over de kerstening van de parelvissers (paravas) aan de Costa da Pescaria, over hun uitbuiting door de Capitão e feitor da Pescaria, waartegen de jezuïeten opkomen en capitães-gerais maatregelen treffen, op bevel van koning João III, tot wiens onderdanen de bekeerde paravas sedert 1532 worden gerekend. Voorts is aandacht geschonken aan de bloeiende paardenhandel van de Portugezen en aan hun verdrijving in 1559 uit hun fort in Vedelai door Vittala Raya, een neef van Rama Raya, de machthebber van Vijayanagar. De Portugezen bereiken tenslotte Mannar, waar zij zich in 1560 zullen vestigen. Ook is in voorgaande delen (deel X, § 3.8 en deel XI, § 3.1) aandacht geschonken aan de Portugese – vooral commerciële – activiteiten aan de Coromandelkust. In deel XI kwamen vooral ter sprake de plaatsen Nagapattinam Pulicat, en São Tomé de Meliapor in de eerste helft van de zestiende eeuw. In de periode die in dit deel aan de orde is, ligt het accent op de soorten goederen die vanuit Coromandel worden uitgevoerd en in Coromandel worden ingevoerd.

Ofschoon de invasie van Vijayanagar de Portugese handel enige tijd aantast, blijven de Portugezen opereren vanuit de haven van Kilakkarai en organiseren zij daar de parelvisserij, die zij tegen piraten beschermen met drie of vier catamarans, die gewoonlijk dertig strijdbare mannen aan bood hebben. De kosten hiervan bedragen 12.000 à 20.000 reais. Het salaris van de Capitão da Pescaria is vastgesteld op 120.000 reais. De escrivão, met standplaats Kilakkarai, die ervoor dient zorg te dragen dat de Kroon haar aandeel uit de parelvisserij ontvangt, krijgt 40.000 reais. Het totale bedrag van de uitgaven wordt in mindering gebracht op de gezamenlijke opbrengst van alle parelvissers van Kilakkarai en Vedelai. Afgezien van de genoemde vaste bedragen die door de inwoners van Kilakkarai in geld dienen te worden betaald, dienen deze ieder jaar vier parels van een bepaald gewicht aan de Portugese Kroon af te dragen. Ook van de bevolking van Vedelai wordt in de jaren 1564-1572 aanvullend belasting in natura geheven ten bate van de Kroon. Zij dienen 20 kurus oesterschelpen af te dragen. Enige jaren later droogt de opbrengst van parels van de Costa da Pescaria geheel op, omdat de parelvisserij zich naar andere plaatsen heeft verplaatst. Volgens de Orçamento do Estado da India is parelvisserij vanaf 1574 in Kilakkarai niet meer mogelijk, omdat zij verplaatst is naar het eiland Mannar. Onderkoning Dom Constantino de Bragança bouwt in 1560 in Mannar het grote vierkante Forte de São Jorge, waarin tachtig Portugezen wonen. In 1582 wordt Jorge de Mello de Castro tot capitão van Mannar benoemd; hij dient toezicht uit te oefenen op de parelvisserij ter plaatse. Evenals in Kilakkarai dienen de parelvissers in Mannar ook een vast bedrag per jaar aan de Portugezen af te dragen. Dit bedrag wordt in 1595 verhoogd door vice-rei Matias de Albuquerque. Het bestaat dan uit twaalf parels van verschillende grootte en veertig kurus oesterschelpen. Als de parelvisserij verplaatst wordt naar de oesterbanken van Mannar, verhuizen de Portugezen daar ook naartoe en zij blijven daar tot aan het einde van de zestiende eeuw.

Vishwanatha Nayak, de heerser van Madurai (1559-1565), ergert zich aan de bemoeienis van de Portugezen met de parelvisserij, omdat zijn inkomsten daardoor aanzienlijk zijn gedaald. De paravas beschouwen zichzelf als Portugese onderdanen en zij dragen hun belasting rechtstreeks af aan de capitão van Punnaikayal (Punicale), in welke stad de Portugezen in 1551 twee ziekenhuizen en een seminarie onderhouden. De paravas hebben in 1551 erin toegestemd de Nayak van Madurai 70.000 pardaus, wat neerkomt op een dag vissen, te betalen. Maar de betaling van het tribuut heeft zeer onregelmatig plaatsgevonden, vandaar dat de nayak zich voorneemt de Portugezen aan te vallen. Als hij met zijn leger Punicale binnenvalt, slaan de Portugezen voor de enorme overmacht op de vlucht. Veel Portugezen ontkomen, onder wie de Capitão e feitor da Pescaria, maar hun huizen en boten worden in brand gestoken. Vittala Raya, de legerchef uit Vijayanagar, heeft in 1553 eveneens de Portugezen in Punicale aangevallen, aangezien de achterstallige schatting tot een hoog bedrag is opgelopen en er niets wordt ontvangen. Deze keer strijd de Portugese vloot, die met 670 man aan boord uit Cochin is gekomen, tegen het leger van Vittala Raya. Desondanks worden de Portugezen verslagen en velen, onder wie missionarissen, worden gevangengenomen. Er wordt een grote som van 100.000 panams als losgeld gevraagd, maar de paravas betalen slechts een deel daarvan en verkrijgen desondanks de vrijlating van de gevangenen.

De Nayak van Madurai valt in 1560 opnieuw Punicale aan en hij eist als jaarlijks tribuut de opbrengst van twee dagen duiken. In een brief die Frei Luís Francisco s.j. aan zijn medebroeders in Coimbra en in Évora schrijft, laat hij hen weten dat in augustus 1560 de Koning van Vijayanagar met een leger van 20.000 man Punicale heeft aangevallen. Een groepje aanvallers heeft Frei Francisco Durão s.j. gevangengenomen, hem van zijn kleding ontdaan en zijn handen op zijn rug gebonden. De paravas hebben 50 pardaus betaald om de jezuïet los te kopen. Bij hetzelfde incident loopt Frei João de Misquita s.j. twee wonden en een por met een zwaard op. Ofschoon de paravas bereid blijken te zijn 1.000 pardaus te betalen om hem los te kopen, stemmen zijn bewakers niet met zijn vrijlating in. Frei Henrique Henriques verschuilt zich met een aantal parava-kinderen en parava-vrouwen verspreid over een groot aantal boten op zee, uit vrees te worden gevangengenomen. In 1562 doen moslimpiraten een aanval op de plaats Punicale. Zij maken 22 boten van de Portugezen en de paravas buit en keren met hun buit, waaronder drie kleine olifantjes, naar Malabar terug. Een Portugees detachement soldaten, onder bevel van Dom Duarte de Menezes, levert strijd met de piraten en in 1567 geeft vice-rei Dom António de Noronha de Capitão da Pescaria opdracht manschappen te betalen als zij in de moeilijke jaren in Portugese militaire dienst treden. Punicale staat dus frequent bloot aan bedreigingen en plunderingen. Cesare Frederici, die de kust kort na 1563 bezoekt, vermeldt dat de vissers nog steeds aan de vertegenwoordiger van de Koning van Portugal toestemming vragen naar oesters te mogen duiken en dat de ‘Madurai Nayakas’ er kennelijk niet in zijn geslaagd de opperheerschappij over de kust te verwerven. Volgens de Portugese historicus Diogo de Couto is de val van het hindoerijk Vijayanagar een grote slag voor de Portugese handel, hoewel het leger van Vijayanagar dat de Portugese vestiging in Punicale heeft aangevallen en geplunderd, nooit erg nuttig is geweest voor de Portugese handel aan de Visserijkust, zelfs niet lang voor de Slag bij Talikota in 1565. De frequente aanvallen op Punicale, waar de Capitão da Pescaria Coutinho in 1552 is verslagen door de Badages die het fort hebben ingenomen, maar dat in 1553 is heroverd door een vloot uit Malabar, nopen de Portugezen hun aarden fort ter plaatse te vervangen door een sterk stenen fort. Een hierop betrekking hebbend document, gedateerd 20 april 1560, dat berust in het British Museum in Londen, vermeldt dat het fort in Punicale een grote bevolking heeft van Portugese inwoners en enige inheemse vissers, maar het zwijgt over de naam van het fort, ofschoon de Portugezen gewend zijn hun forten namen te geven. Naar verluid zouden 40 Portugese soldaten en een garnizoen inheemse troepen in 1562 in het fort gestationeerd zijn en daarmee is het stenen fort in Punicale uitgegroeid tot de belangrijkste Portugese post aan de Zuidoostkust van het Indische subcontinent. In de jaren 1559 tot 1579 verplaatst de parelvisserij zich van de oevers bij Punicale naar het eiland Mannar, wat het verval van de stad tot gevolg heeft. In 1570 wordt de Visserijkust getroffen door een hongersnood. Om de nood van de armsten te lenigen, richt Frei Henrique Henriques s.j tehuizen op, waar dagelijks meer dan 50 personen gevoed worden. Bishop R. Caldwell vermeldt dat padre João de Faria in 1578 enige religieuze boeken (o.a. Doctrina Cristiana en Flos Sanctorum) aan de Visserijkust drukt, meer dan een eeuw voordat opnieuw sprake is van in het Tamil gedrukte teksten, wat in 1679 in Cochin gebeurt.

Vice-rei Dom Constantino de Bragança, die.- zoals gezegd – in 1560 op het eiland Mannar het Forte de São Jorge heeft laten bouwen, is aan het einde van het jaar 1580 van plan daar de paravas te laten wonen die op dat moment te lijden hebben van de invallen van Veerappa Nayak van Madurai (1572-1596). Volgens het Regimento de Mannar van 1582, bedraagt de opbrengst van de parelvisserij in Mannar 64.000 panams, waarvan een bedrag van 4.000 panams gegeven wordt aan de jezuïeten, om hun uitgaven te bestrijden. De parelvisserij in Mannar levert tegen het einde van de zestiende eeuw 9.000 pardaus op. De parava-christenen zijn naar Mannar verhuisd, om te ontsnappen aan de tirannie van de Nayak van Madurai. De provinciaal van de jezuïeten stelt voor dat alle paravas die verspreid wonen in verschillende plaatsen langs de kust, hun woonsteden verkopen en huizen gaan bouwen in Virapandyanpattinam om daar veilig bij elkaar te gaan wonen. Veel paravas die daarvoor niets voelen, migreren naar de Coromandelkust en anderen zoeken hun geluk in Mannar op Sri Lanka.

De eerste maal dat er sprake is van een Portugese vestiging in Tuticorin is in de jaren 1542-1544, hetgeen blijkt uit brieven van Francisco Xavier, die hij daar heeft geschreven. Tuticorin heeft dan al een Portugese gouverneur, die wellicht ook de gouverneur is van de andere Portugese vestigingen aan de Visserijkust, want Xavier spreekt altijd over de gouverneur in enkelvoud. Mogelijk gaat het om dezelfde functionaris die later Capitão da Pescaria wordt genoemd. In zijn brief, gedateerd Alendale, 5 september 1544, gericht aan Mancias in Punnaikayal, heeft Xavier het over een aanval van de gevreesde Badages op de gouverneur van Tuticorin. Hij schrijft: “Ik heb juist het meest verschrikkelijke nieuws vernomen over de gouverneur (van Tuticorin.), dat zijn schip verbrand is en dat zijn huis aan de kust ook door vuur is verwoest, dat hij zelf, volledig uitgeschut, geestelijk gebroken en in uiterste armoede zich op de eilanden heeft teruggetrokken. Xavier vraagt de Mancias de gouverneur – uit naastenliefde – snel te hulp te komen, door het zenden van vaartuigen uit Punicale, gevuld met mensen, voorraden voedsel en fris drinkwater De jezuïet schrijft ook dat hij de pantangats (hoofdmannen) van Combutur en Bembare in de meest dringende bewoordingen heeft opgeroepen hun plicht tegenover hun gouverneur te vervullen door hem alle mogelijke hulp te verlenen. Xavier dringt er nogmaals op aan veel vaartuigen te zenden om de zeer vele christenen die door dezelfde ramp zijn getroffen naar het vasteland terug te brengen. De genoemde problemen worden opgelost, maar niet duidelijk is op welke manier.

Twee maanden later schrijft Xavier opnieuw een brief aan Mancias: “Zeg aan N. Barbosa (de gouverneur of de Capitão da Pescaria) voor mij geen andere persoon aan te stellen voor de parelvisserij in Tuticorin, die bezit heeft genomen van de huizen van de in ballingschap verkerende christenen; aangezien de koning en de vice-rei mij hiermee belast hebben, verbied ik dit stellig.” Om de briefstijl van Xavier te begrijpen, dient te worden bedacht dat hij een Koninklijk Commissaris is met buitengewone bevoegdheden. In die tijd ontvangt Xavier een bevel van de koning dat de parelvisserij geheel in handen van de christenen dient te worden gebracht. Gaspar Correa, de auteur van Lendas da India, die omstreeks 1560 schrijft, noemt Tuticorin en Manapadu de plaatsen met de meeste christenen. Rond 1584 bouwt Pedro Gonçalves, de vicaris van Cochin, in Tuticorin een grote parochiekerk, gewijd aan Nossa Senhora do Nascimento.

De aanvallen van de Koning van Vijayanagar op Punicale in 1560 om belasting op te eisen, nopen de Portugezen hun commerciële activiteiten te verplaatsen naar Tuticorin. Zij oefenen toezicht uit op de parelvisserij in Tuticorin dat als plaats voor de parelvisserij in 1570 tot grote bloei komt, wat bevestigd wordt in een brief van 6 december 1577, die Henrique Henriques s.j. schrijft aan zijn generaal-overste in Rome. De stad heeft een beroemde haven, die de vorm heeft van een paardenhoef met de opening gekeerd naar de Golf van Mannar. De belasting op de visserij wordt geïnd door de Pandya-heerser van Tuticorin, die hartelijke betrekkingen met de Portugezen onderhoudt. In het jaar 1587 bedraagt de opbrengst van de parelvisserij 161 quintais zaadparels en acht parels. De opbrengst wordt meestal geëxporteerd van de Tamilkust naar Lissabon. De Pandya-chief van Tirunelveli eist ook 1.000 panams belasting van de paravas van Tuticorin in jaren dat er niet gevist wordt, zoals in 1596 als er geen oesterbanken zijn. Woedend over hun weigering deze te betalen, plundert de Pandya-chief Alagan Perumal Athivirarama, alias Srivallabha II (1564-1606), de haven van Tuticorin en in 1603 neemt hij de rector van de jezuïeten in de stad gevangen. De paravas verlaten Tuticorin en vestigen zich in omliggende dorpen en besluiten niet naar de stad terug te keren. Zij trotseren de Pandya-heerser, aangezien zij de Koning van Portugal aanvaard hebben als hun vorst en deze hen bescherming biedt en zich bekommert om hun welzijn.

De seizoengebonden parelvisserij is in hoge mate afhankelijk van de omstandigheden. De verbanning van de Societas Jesu van de Visserijkust voor een periode van zestien jaren in 1605 wegens een geschil met de onderkoning in Goa hindert een soepele gang van zaken bij de parelvisserij. In die tijd wordt Pedro Soares de Brito aangewezen als capitão van Tuticorin. Hij dient de rust in de stad te waarborgen en er de normale situatie te herstellen. Ofschoon hij succes heeft bij zijn pogingen de vrede in de stad te herstellen, staat hij machteloos in de oplossing van het geschil tussen jezuïeten en franciscanen over de controle op de parochiekerk van São Pedro in de stad. Uit de brief van 17 december 1585 van Frei Valignano,de generaal-overste van de Societas Jesu, blijkt dat Dom Matheus de Medina, de bisschop van Cochin, de twee vicarissen uit Punnaikayal en Tuticorin heeft teruggetrokken en besloten heeft geen enkele priester naar deze twee plaatsen te zenden. De bisschop is woedend, omdat de aan de Parelvisserskust machtige jezuïeten zijn herderlijke aanwijzingen naast zich neerleggen, wat ook een van de oorzaken is van hun geschillen met de franciscanen. Rond 1590 stichten de jezuïeten in Punnaikayal een ziekenhuis, dat geleid wordt door Frei Gonçalo Fernandes. Het hospitaal is zeer populair, omdat arme patiënten er gratis medische verzorging en voedsel krijgen. Uit documenten blijkt dat in 1611 de parelvisserij al zes jaar achtereen stil ligt, als gevolg van de geschillen. De Bruggeling Jacques de Coutre, die de Visserijkust in 1611 bezoekt, bevestigt dit. De parelvisserij, die in 1621 is hervat, levert dat jaar een winst op van 12.000 xerafins. De paravas en de Portugezen tonen zich zeer enthousiast als de parelvisserij in Tuticorin in 1621 wordt hervat, vooral als blijkt dat de oesterbanken een overvloed aan oesters opleveren. Slechts een paar jaar later (1624) beginnen Portugese kooplieden in Cochin parels te kopen in Tuticorin. Dit blijkt uit de brief die vice-rei Dom Francisco da Gama, conde de Vidigueira, dat jaar aan de Koning van Portugal schrijft. In hetzelfde jaar landen Hollanders uit Pulicat bij Tuticorin. De lokale bevolking belet dat zij de stad binnendringen en zij sturen direct bericht naar de vice-rei in Goa en vragen hem stappen te ondernemen om de Hollanders uit Tuticorin te weren. Eerst in 1658 zal de stad in handen vallen van de Hollanders.

De jezuïeten, die in 1605 van de Visserijkust verbannen zijn wegens onder meer een geschil met de bisschop van Cochin, Dom Andre de Santa Maria, komen pas terug in 1630. Een andere reden voor hun verbanning is geweest hun bemoeienis met de belastingheffing; zij hebben de paravas opgestookt geen belastingen en heffingen te betalen aan de Portugese autoriteiten. Van Frei Rubino s.j. is bekend dat hij naar de hoofdstad van de Nayak van Madurai is getogen om hem te vragen de jaarlijkse belasting te verlagen van 1.000 naar 800 pagodas. De nayak stemt in met het verzoek en verlaagt de belasting zelfs tot 500 pagodas. In 1627 zou de nayak achterstallige belasting over drie jaren hebben kwijtgescholden. In 1631 vraagt de Nayak van Madurai de paravas 1.000 pardaus belasting te betalen. Later, als de opbrengst van de parelvisserij te gering is om de kosten goed te maken, geeft hij de paravas ontheffing van betaling van belasting. Vier jaren later (1634), als de parelvisserij wordt hervat, breken er vechtpartijen uit tussen verschillende groeperingen paravas. De vice-rei, Dom Miguel de Noronha, conde de Linhares, moet zelfs een vloot naar Tuticorin zenden om de situatie onder controle te brengen. De Nayak van Madurai, die verneemt dat de parelvisserij is hervat, zendt een marakkayar naar Tuticorin om daar voor hem belasting te innen en aan hem op te sturen. De tollenaar, die van de Nayak van Madurai een maandelijks salaris geniet van 60 chakrans, ontvangt in Tuticorin hier en daar giften, met inbegrip van parels van sommige duikers. Hij geniet ook voordelen; zoals het gebruik van zeven bemande boten voor de parelvisserij, maar hij slaagt er niet in zijn taak te volbrengen, omdat de paravas doorgaan met het betalen van belasting aan de Portugezen. De tonis van Punicale gaan altijd naar Tuticorin, waar de parelvisserij onder bescherming staat van de Portugese capitão. In 1634 en 1637 gebruiken de Portugezen gewapende vaartuigen om de kust te beschermen en zij verhinderen de door de Nayak van Madurai gezonden marakkayar naar oesters te laten duiken. De nayak zendt in 1638 soldaten naar Tuticorin die in gevecht raken met de Portugezen. Hij verlangt afgifte van de door tonis opgeviste parels. De Portugezen zijn niet van plan de opbrengst van 1638 te delen. Omdat het conflict niet wordt opgelost, wordt er het volgende jaar niet naar parels gevist. De Portugese kroniekschrijer António Bocarro laat enige jaren later weten dat de situatie in het gebied van Kilakkarai-Mannar verandert ten gevolge van nieuwe politieke ontwikkelingen, als de Sethupathis hun controle over de regio vestigen De parelvisserij blijft een belangrijke bron van inkomen voor de Portugezen, waardoor zij hun macht aan de Visserijkust versterken.

In 1552 heeft de Capitão da Pescaria bepaald dat de handel in oesterschelpen een koninklijk monopolie is, dat de paravas van de handel uitsluit. Koning João III heeft de beperkingen later verlicht en de paravas in staat gesteld hun eigen handelscontacten te onderhouden. Enige rijk geworden paravas bouwen talrijke champanas voor het ondernemen van handelsreizen naar Bengalen, waar de schelpen meer opbrengen dan elders. De prijs van oesterschelpen, die voor 1536 slechts vijf panams bedroeg, stijgt tot vijftien of twintig panams, waardoor het inkomen van de paravas enorm stijgt. De oesterschelpen van hoge kwaliteit worden in Bengalen verwerkt tot ornamenten en die van lage kwaliteit worden aan de Visserijkust gebroken en door kalkbranders, de zogenaamde karaiyalars, verwerkt tot ongebluste kalk. Deze ongebluste kalk wordt voornamelijk gebruikt in de woningbouw in de regio. Maar parels vormen natuurlijk het belangrijkste handelsartikel in de haven van Kilakkarai. Blijkens een inscriptie ter plaatse is daar in 1531 een parelmarkt en de lucratieve handel trekt kooplieden uit diverse delen van het land aan. De nayaka-heerser van de streek ontvangt een halve panam voor iedere honderd parels die daar worden verkocht. De kooplieden zitten met hun weegschalen naast elkaar in de straten parels te verkopen, waarbij scharlaken rode zaden dienst doen als gewichten. De verkochte parels bereiken de stad Vijayanagara, waar de kapitaalmarkt van Vijayanagar is. Er is een route over land die loopt van Vijayanagara naar Rameshwaram, die de steden Chidambaram en Madurai aandoet, waardoor de binnenlandse handel bloeit. Kayal, dat na de bekering van de paravas Palayakayal wordt genoemd, heeft zijn eigen parelmarkt. Reizigers zoals Duarte Barbosa1 spreken vol lof over de handel in parels, die in handen is van de traditionele handelsklasse van chettis, die de parels sorteren naar gewicht, vorm en kwaliteit en de verkoopprijzen vaststellen. Jan Hughen van Linschoten, die in de jaren tachtig reist, spreekt over twee typen parels, die door de Portugezen worden onderscheiden: de perolas (parels) en aljofre (zaadparels, waarvan de prijs een stuk lager ligt. In het begin van de zestiende eeuw worden parels met een gewicht van ongeveer 700 ounces van Indië naar Portugal verscheept. De schepen van de retourvloten in de jaren tachtig komen met grote hoeveelheden parels, tot een maximum van 1696 arrobas, in Lissabon aan. De Portugezen in Cochin, vanwaar de retourvloten naar Lissabon vertrekken, verwerven zaadparels en parels van Palayakayal en Kilakkarai. Volgens Jacques de Coutre, die de Visserijkust in 1611 bezoekt, heeft Tuticorin de befaamste markt voor parels, waar niet minder dan 15 variëteiten parels worden verkocht. De mensen zijn altijd op zoek naar de meest perfecte en beste parels, bij onder meer de fameuse koopman Veera Pandi Chetti. Verschillende documenten die worden bewaard in het Arquivo Historico Ultramarino in Lissabon, vermelden Portugese aankopen van zaadparels of aljofre, in Kilakkarai en de export daarvan naar Portugal. De kleinste stukjes aljofre worden tot poeder gestampt en aangewend voor medicinale doeleinden. De groeiende Portugese commerciële invloed wordt veroorzaakt door de kerstening van de paravas in Kayal en de daarmede langzaam tanende mosliminvloed in het gebied. De Arabische en Tamil moslims die zich niet meer veilig voelen, verlaten Kayal en zoeken hun geluk in Kayalpattinam. De Portugezen in Punicale sluiten zich aan bij het monopolie van de parelvisserij en genieten daarvan inkomsten. Koning Dom Sebastião heeft het inkomen van de paravas uit de parelvisserij naar boven begrensd op een tiende deel van de totale opbrengst. Het schijnt dat de Portugezen er in de zestiende eeuw naar streefden de handel in enige producten te monopoliseren en de handel in andere goederen te controleren en te belasten. De Portugezen zijn er niet opuit aan de Visserijkust een keten van factorijen en forten op te zetten en geregeld kustbewakingspatrouilles uit te zenden en daarmee de handel te domineren, zoals zij dat aan westelijke kusten doen. Zij controleren echter wel de zeehandel aan de Tamilkust van Kilakkarai tot Rameshwaram omdat daar parels beschikbaar zijn. Kayal en Kilakkarai zijn verreweg de meest dominante havens aan de Costa da Pescaria. De andere kustplaatsen waar paravas wonen, zoals Manappadu, Alandalai, Vaippar, Vembar, Ovari en Virapandyanpattinam, zijn dienstbaar aan de Portugese handelsplaatsen Punicale en Vedelai. Van alles wat de zee zou kunnen opbrengen, profiteren de Portugezen in deze streek uitsluitend van de parelvisserij en dat gedurende de gehele zestiende eeuw. De marakkayars zijn gedegradeerd tot de rol van kleine kooplieden, piraten en smokkelaars die vooral handeldrijven met Sri Lanka. De Portugezen breiden aanvankelijk hun aanwezigheid in het gebied van Kilakkarai uit onder de bescherming van Tumbichi Nayaka. Dat zij zich voortdurend aan de kust kunnen handhaven, hangt af van de gunst van de nayaka-vorst. De onderkonig in Goa oefent slechts indirecte invloed uit over het gebied van de parelvisserij en hij pakt nooit de ontwikkeling aan van Vedelai na de inval van Vijayanagar van 1559. Hoewel de vestiging van de Portugezen in Vedelai het moslimnetwerk van vrije handel in de zestiende eeuw voor een groot deel vernietigd heeft, vertrekken de moslims niet uit Kilakkarai naar andere plaatsen, omdat Kilakkarai een belangrijk centrum voor de parelvisserij blijft. Onder Portugese heerschappij ontwikkelt ook Punicale zich tot het belangrijkste centrum voor de parelvisserij. De plaatsen waar zich Portugezen vestigen, ondergaan grote veranderingen, want de casados bouwen huizen en trouwen met inheemse vrouwen en nemen zich voor permanent aan de kust te blijven wonen in plaatsen die hun belang ontlenen aan hun rol in de handel en de parelvisserij, Maar de parelvisserij verplaatst zich naar het eiland Mannar, waardoor het belang Punicale en Vedelai taant.

In Fernão Guerrero’s “Relaçðes anuais” van de Missies aan de (Visserij)kust (1604) wordt de nayak betiteld als “De Heer van dit land”, die hof houdt in Madurai en wiens soevereiniteit over de kust is beëindigd door de aanspraken van de Portugezen. Maar in 1609 betalen de paravas hun belasting niet aan de Portugezen, maar aan de vertegenwoordigers van de regering van Madurai. Bisschop Barreto klaagt er in 1615 over dat de bevolking wordt onderdrukt door de Nayak van Madurai.

1 Zie deel V, pag. 46

3.1 De handel in strategische goederen (paarden, olifanten en salpeter)

Categorieën
Britse kolonialisme Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

De val van Ormoez. Overige verwikkelingen in de Estado da India

Deel 16 Index

Hoofdstuk 2.

Overige verwikkelingen in de Estado da India

2.4 De val van Ormoez

Geschreven door Arnold van Wickeren

Sjah Abbas zoekt al jaren naar een gunstige gelegenheid om de Portugezen uit de Perzische Golf te verdrijven, maar dit kan niet worden gerealiseerd zonder de medewerking van de marine van een buitenlandse mogendheid en zonder dat er vrede heerst met de Turken. Wachtend op het geschikte moment om openlijk tegen hen op te treden, ontvangt de gouverneur van Shiraz opdracht zo nu en dan kleine schermutselingen met de Portugezen uit te lokken. De gouverneur aarzelt niet de opdracht van zijn meester uit te voeren en in 1602 verovert hij op de Portugezen Bahrein en al-Qatif, aan de overkant van de Perzische Golf. De gouverneur bedreigt ook de Portugese forten aan de kust van Moghistan, waaronder dat van Bandal.1. De militaire dreiging van het hof van Isfahan verontrust de Portugese capitão van Ormoez, die daarover aan koning Philips III (Filipe II) rapporteert. Deze zendt in antwoord op de klacht opnieuw António de Gouvea naar Perzië. Hij heeft een brief van Philips III bij zich. Hierin wordt gevraagd om teruggave van de bezette plaatsen en wordt de sjah gefeliciteerd met zijn op de Ottomanen behaalde overwinningen.2In 1614 veroveren de Perzen de Portugese forten in Moghistan, onder meer het fort van Gombrūn, waar de karavanen gevormd worden die met handelswaren uit Indië naar het binnenland van Perzië vertrekken. Aangemoedigd door dit succes verdrijven de Perzen de Portugezen ook uit Sohar en Corfaçao (Khor Fakkan), maar dit succes is van korte duur, omdat de capitão van de twee forten in Muscat, Ruy Freyre de Andrade, zowel Sohar als Khor Fakkan herovert. Sohar wordt in 1616 door de Portugezen bezet en wordt een van de belangrijkste feitoria in Oman.3

Aan het einde van het jaar 1614 belegert d’Emancoulibey, de opperbevelhebber van de gouverneur van Shiraz het eiland Kishm. Met behulp van, uit Engelse oorlogsschepen uitgeladen, zwaar geschut, wordt het Portugese fort bestookt. Nadat het garnizoen is gaan muiten, is Ruy Freyre de Andrade tenslotte gedwongen zich over te geven. De Portugezen worden met Engelse schepen naar Ormoez gebracht, nadat zij de gevangengenomen Arabieren hebben onthoofd, afgezien van de 15 of 20 die door Engelse matrozen zijn gered.. De val van het eiland Kishm alarmeert de Portugezen in Ormoez, Zij bieden sjah Abbas vrede aan, maar hij heeft daar geen oren naar. Cambar Beque, de khan van Lara, claimt van Ormoez achterstallige afdracht van belastingen, maar In werkelijkheid is de betaling hiervan opgeschort vanaf het moment dat Afonso de Albuquerque in 1514 Ormoez heeft bezet. Sjah Abbas voert de druk op Ormoez op; hij bemoeilijkt de handel van de stad aanzienlijk en hij neemt diverse Portugese koopvaarders in beslag. Er ontstaan met Perzië ook geschillen over de handel in zijde en de Portugezen weigeren de claims over dit onderwerp te erkennen. De sjah sluit een overeenkomst over de handel in zijde met de Engelse koning, James I. Begin november 1613 waarschuwt koning Philips III (Filipe II) de Portugese autoriteiten in Indië dat Robert Sherley in Engeland onderhandeld heeft over schepen voor een aanval op Ormoez en dat hij uit Europa is vertrokken, voorzien van een machtiging een verdrag over de handel in zijde met sjah Abbas aan te gaan. De Spaanse koning staat erop dat Ormoez tegen de Engelsen wordt gefortificeerd en hij verzoekt alles in het werk te stellen om de Engelse ambassadeur naar de sjah van Perzië in handen te krijgen. Iedere inspanning in die richting faalt evenwel, ofschoon de officier die met deze taak is belast, Dom Luíz da Gama, een zeer intelligent man is. Robert Sherley slaagt erin aan hem te ontsnappen en naar Perzië te reizen.

In 1614 pogen de factors van de Engelse East India Compagny in Surat de handel te openen met Perzië, nadat de Engelsen van Grootmogol Jahangir (1605-1627) toestemming hebben gekregen met zijn onderdanen handel te drijven. Het plan voor de handel met Perzië is afkomstig van Richard Steele, die naar Aleppo is gereisd om een schuld te innen van een koopman in die stad. Deze is naar Indië gevlucht en Richard Steele is hem dwars door Perzië gevolgd en is tenslotte in Surat aangekomen. In het rapport dat hij uitbrengt aan de factors ter plaatse, maakt hij melding van de grote voordelen die verwacht mogen worden van de handel met Perzië. Zij zijn het met hem eens en zenden hem en een zekere Crowther, een van de bedienden van de Compagny, naar Perzië, om de praktische uitvoerbaarheid van de plannen te onderzoeken. Zij dienen ook na te gaan welke uitvoerhavens bruikbaar zijn. Om hun uitgaven te kunnen betalen, worden zij voorzien van kredietbrieven op Sir Robert Sherley, die in Isfahan is gevestigd en wiens goede relatie met sjah Abbas voor het welslagen van het plan van Steele van groot nut zijn. De Engelse missie naar Isfahan, die ook waardevolle adviezen ontvangt van Sir Thomas Roe, de Engelse ambassadeur aan het hof van de Grootmogol, heeft ook brieven bij zich voor sjah Abbas en voor de gouverneurs van de provincies die zij moeten passeren. Richard Steele beschrijft de stad Jask, op 90 mijl van Ormoez, als een geschikte haven, vanwaar de handelsgoederen dwars door Perzië naar Aleppo en vervolgens naar Engeland vervoerd kunnen worden. Het plan wordt van harte aanbevolen aan de bewindslieden van de Compagny. In het volgende jaar zendt het Engelse agentschap in Surat een vaartuig met goederen naar Jask, waar de expeditie goed wordt ontvangen en zij een licentie ontvangt om de goederen aan land te brengen. Twee factors worden achtergelaten in Moghistan, terwijl Thomas Barker en Edward Connock, die de leiding hebben van de expeditie, doorreizen naar Isfahan. Bij aankomst van de Engelse karavaan in Isfahan, verzoeken de Engelse agenten de sjah dringend verlof een factorij te stichten in Gombrūn (Bandar Abbas), welke haven acht dagen reizen dichter bij Isfahan ligt dan Jask. Zij openen daar in 1613 een factorij. In 1617 schrijft de agent van de Engelse East India Compagny, in Isfahan, Connock, naar Engeland dat Jask een zeer geschikte plaats is voor het bouwen van een fort in Perzië en hij voegt eraan toe dat hij verwacht daar gemakkelijk toestemming voor te krijgen. Later, op 4 augustus van dat jaar, ontvangt sjah Abbas agent Connock in audiëntie, tijdens welke hij om wijn vraagt en hij drinkt op de gezondheid van de Koning van Engeland, die hij zijn oudere broer noemt. De sjah zegt ook dat hij diens vriendschap hogelijk waardeert en dat hij de Engelsen Jask, of iedere andere haven die zij zouden wensen, wil geven. Dit wordt gezegd in aanwezigheid van de Spaanse gezant, voor wie de vorst nog nooit een goed woord heeft overgehad. Het nieuws over de audiëntie wordt overgebracht naar Goa en Lissabon. Er worden opdrachten verstrekt dat tot iedere prijs dient te worden voorkomen dat de Engelsen gaan handeldrijven met Perzië. En om deze instructies kracht bij te zetten, wordt Ruy Freyre de Andrade met een vloot van vijf galjoenen naar Ormoez gezonden. Hij komt daar begin juni 1620 aan. Ondertussen is Mr. Connock als agent in Isfahan opgevolgd door Mr. Barker en de laatste heeft in 1618 drie firmaunds ontvangen en deze worden gevolgd door een verdrag, waarbij de Engelsen aanzienlijke handelsfaciliteiten in Perzië worden gegeven. Het volgende jaar leveren de agenten in Isfahan bij sjah Abbas een brief af van koning James I en suggereert de sjah zijn plan Ormoez op de Portugezen te heroveren.

Omdat de druk van Hollanders, Engelsen en Perzen op de Estado da India voortdurend toeneemt, heeft Lissabon besloten sterke vloten naar Indië te zenden. Als alle schepen Goa veilig zouden hebben bereikt, dan zouden de Portugezen – aldus Boxer – de bedreigingen met kans op succes het hoofd hebben kunnen bieden. Tegen het voorjaar van 1620 vertrekken acht schepen uit Lissabon. Eerst twee grote en logge urcas (hulken), de São João Baptista en de São João Evangelista, alsmede twee oorlogsschepen met platte spiegels, pataxos (pinassen): de Nossa Senhora da Conceição en de Nossa Senhora de Nazare; later gevolgd door vier grote naus (kraken): de Nossa Senhora do Paraíso, de Nossa Senhora da Conceição, de Nossa Senhora da Penha de Franca en de Santo Amaro. Kapitein Dom Francisco Lobo moet met zijn nau Nossa Senhora da Conceição naar Lissabon terugkeren. Van de overige zeven schepen komen er slechts drie: Nossa Senhora de Nazare, São João Baptista en Nossa Senhora da Penha de Franca in 1620 in Goa aan en de Nossa Senhora do Paraíso bereikt, na een reis vol pech, eerst in 1622 Goa. De overige drie schepen lijden schipbreuk; de pataxo Nossa Senhora da Conceição bij Malacca, de São Evangelista bij de Rio Luabo aan de kust van Oost-Afrika en de Santo Amaro bij Mombaça. Nog voor de omvang van de rampen, die de vloot van 1620 hebben getroffen, de autoriteiten in Lissabon volledig bekend is, zeilt de nieuwe vice-rei, Dom Afonso de Noronha, in het voorjaar van 1621, met een uitzonderlijk sterke vloot, uit. Zijn vloot bestaat uit vier naus: Nossa Senhora da Conceição, São Tomé, São Carlos en São José en zes galeãos (galjoenen): Trinidade, Misericordia, São Salvador, Santo André, São Simão en São João. De galjoenen zijn nauwelijks uitgevaren, als zij door een zware storm zo beschadigd worden dat zij moeten terugkeren, met uitzondering van de São João, die veilig in Goa aankomt. De naus bereiken de kust van Guinée en keren vandaar wegens windstilte terug. Dit is de eerste maal dat een nieuw benoemde capitão-geral van de Estado da India en dan nog wel een vice-rei, Goa niet weet te bereiken.

Sjah Abbas wendt zich na zijn verovering van Kishm direct tot de East India Compagny en vraagt de compagnie haar zeemacht bij de hervatting van de oorlog tegen de Portugezen in te zetten. Op zijn verzoek wordt 16 november gunstig beslist, tijdens een vergadering in Soualy, vlak bij Surat, onder voorzitterschap van Thomas Rostell. Er wordt besloten dat vijf grote oorlogsschepen en vier pinassen zich naar de Perzische Golf zullen begeven, om zich meester te maken van alle schepen die afhankelijk zijn van de Portugezen of van hun bondgenoot, de zamorin van Calicut, hun lading zal worden geconfisqueerd, hun bemanningen zullen worden gevangengenomen en het eskader van admiraal Ruy Freyre de Andrade zal worden aangevallen, zodra het is ontdekt. Van zijn kant geeft de sjah opdracht aan de gouverneur van de Fārs, Allāh Verdy Khān, en aan zijn zoon, Imam Qoly Khan, met hun troepen op mars te gaan. Als de Engelse schepen zijn aangekomen, begeven zij zich naar de kust. Vervolgens haasten zich functionarissen naar de Engelse commandanten, om hun hulp tegen de Portugezen in te roepen. Er wordt op 21 december aan boord van de Jona Whol4 opnieuw krijgsraad belegd, om de condities vast te leggen waaronder de Compagny steun zal verlenen. Bepaald wordt dat als het Portugese fort van Ormoez veroverd wordt, dit door de Engelsen zal worden bezet en dat de Perzen op hun kosten een ander fort bouwen. De geheven douanerechten zullen gelijk verdeeld worden en op Engelse goederen zullen geen rechten worden geheven. Gevangengenomen christenen komen aan de Engelsen en moslims worden aan de Perzen overgedragen. De Perzen dragen voor de helft bij in de kosten van het Engelse garnizoen in Ormoez. Dit geldt zowel voor de voeding, als voor de soldij en de vervanging van materiaal. Zij moeten bovendien voorzien in kruit en projectielen. Allāh Verdy Khān en zijn zoon komen op 8 januari 1622 aan in Mina, aan de kust van de Perzische Golf. Zij beginnen direct onderhandelingen met de Engelsen, met het doel een verdrag aan te gaan. Uiteindelijk wordt men het erover eens dat het kasteel van Ormoez zal worden bezet door Engelsen en Perzen tezamen, tot aan een definitief besluit van sjah Abbas en op goederen geleverd door de sjah en de gouverneur van Fārs zullen geen rechten geheven worden. Wat de behandeling van gevangenen aangaat, wordt een uitzondering gemaakt voor Ruy Freyre de Andrade, admiraal van de Portugese vloot, en voor Simão de Mila, gouverneur van Ormoez. Van krijgsgevangenen zal niet worden verlangd dat zij van geloof veranderen en de uitgaven gedaan voor kruit en projectielen, worden gelijk gedeeld. Zodra partijen het eens zijn gaan zij tot de aanval over.

Voordat aandacht besteed wordt aan de val van Ormoez, bezien we de vorderingen van de Engelsen in Perzië. In november 1620 zijn twee schepen van de East India Compagny, de Hart en de Eagle van Surat naar Jask gevaren, maar bij hun poging de haven binnen te varen, vinden zij deze geblokkeerd door de Portugese vloot van Ruy Freyre. Omdat deze superieur is aan de twee Engelse schepen, zijn de laatste verplicht terug te keren naar Surat. Daar voegen zich de London en de Roebuck bij de Hart en de Eagle en gezamenlijk keren de vier Engelse schepen terug naar Jask waarop 17 december 1620 een onbeslist gevecht plaatsvindt met de vloot van Ruy Freyre. De Portugezen, evenwel, geven toe en staan de Engelse schepen toe de haven van Jask binnen te varen en zelf trekken zij zich terug naar Ormoez om de opgelopen schade te doen herstellen. Kort daarna keren zij terug naar de rede van Jask om het gevecht te hervatten. Bij dit treffen wordt kapitein Andrew Shilling, die het bevel voert over de Engelse schepen, geveld door een schot in zijn schouder, tengevolge waarvan hij op 6 januari 1621 overlijdt. Op 28 december vindt er weer een zeeslag plaats en wordt de vloot van Ruy Freyre verslagen. Het succes van de Engelsen bij hun acties tegen de Portugese vloot doet hun prestige enorm stijgen en vergemakkelijkt de aankopen van Perzische zijde door hun factors. Mister Monnox heeft in die tijd een karavaan met honderden balen zijde van Isfahan naar Jask gezonden. De karavaan wordt in Moghistan tot stoppen gedwongen door Imam Qōli Khan, gouverneur van Shiraz. Hij beoogt hiermee niet de handel van de Engelsen te stoppen, maar hen te dwingen de Perzen te helpen tegen de Portugezen. Als in december 1621 opnieuw Engelse schepen in Jask arriveren, weigert de khan hen toe te staan de schepen te laden, tenzij zij er van tevoren mee instemmen de Perzen te helpen de Portugese agressie terug te dringen. Uiteindelijk zijn zij verplicht met deze voorwaarde in te stemmen. In overeenstemming met deze afspraak vertrekt een Engelse vloot, die bestaat uit vijf schepen en vier pinassen, onder bevel van de kapiteins Blithe en Weddel uit Surat, om de Portugese vloot in de Perzische Golf te ontmoeten. Ondertussen bereiden de Perzen een aan val op Ormoez met landstrijdkrachten voor.

De Arabieren, die de zijde van de Perzen kiezen, slagen erin de forten te Julfar en Dola op de Portugezen te veroveren. Omdat dit de bronnen zijn waaruit de Portugezen in hoofdzaak hun watervoorraden betrekken, Hierdoor geraakt het Portugese garnizoen in Ormoez al direct in de problemen. Ruy Freyre de Andrade verdeelt zijn vloot in tweeën; enige van zijn schepen laat hij in Ormoez en de andere neemt hij mee naar Kishm, op welk eiland hij een nieuw fort bouwt. Nadat dit werk op 8 mei 1621 is voltooid, zendt Ruy de Freire schepen uit om de nabijgelegen vijandelijke Perzische kust af te stropen; naast het vernietigen van 400 zeilen, steekt hij de steden Boami, Camir, Congua, Astan en Doçar in brand, terwijl hij in Niquilay vier schepen en meer dan 80 lange barken neemt of vernietigt. De Engelse vloot komt op 22 januari 1622 bij Ormoez aan en gaat die nacht tegenover de stad voor anker, op ongeveer twee léguas van het Forte Nossa Senhora da Conceição, in afwachting van de Portugese vloot, die bestaat uit vijf galjoenen en twintig fregatten en die de uitnodiging voor het aangaan van een gevecht aanvaardt. De schepen blijven echter vlak bij het fort liggen. De volgende dag, vernemen de Engelsen dat capitão-mór Ruy Freyre de Andrade, met de rest van zijn schepen, zich bij zijn nieuwe fort op het eiland Kishm bevindt. De Engelse vloot zeilt naar Kishm en weet het fort in korte tijd tot overgave te dwingen. Het schijnt dat Kishm al een aanval van het Perzische leger te verduren heeft gehad en dat zij het fort al behoorlijk in het nauw gedreven hebben en dat het garnizoen zich niet lang meer kan verdedigen. De Engelsen bieden Ruy Freyre eervolle voorwaarde voor overgave, maar hij weigert dit. Hij schijnt te hebben verwacht dat ’s nachts Portugese schepen zouden arriveren, om hem naar Ormoez te brengen en hij ontmantelt het fort. Nadat hij in zijn verwachting is teleurgesteld, stelt hij zijn mannen voor, het fort in brand te steken en een eervolle dood in het veld te vinden. Zijn mannen aanvaarden dit voorstel niet; zij voelen er niets voor hun leven voor een verloren zaak te geven. Zij beginnen te deserteren door van de muren van het fort in zee te springen om hun leven te redden. Verdere weerstand is onder deze omstandigheden zinloos, na een aantal vergaderingen en onderhandelingen geeft Ruy Freyre de Andrade zich op 1 februari 1622 over aan de Engelsen. Hij wordt als gevangene naar Surat overgebracht aan boord van de Lion. Hij weet echter ‘s nachts, met drie van zijn kameraden, te ontsnappen in een skiff, terwijl de Lion op de rede van Surat voor anker ligt. Nadat hij een schip heeft bemachtigd, keert hij terug naar Ormoez, om te ervaren dat de stad al gevallen is. Daarna zeilt hij door naar Muscat dat nog in Portugese handen is.

Nadat de Perzen op 20 januari 1622 de haven van Gombrūn en met behulp van 12 Engelse kanonnen, daarna ook het Portugese fort ter plaatse hebben veroverd, brengen Engelse schepen op 9 februari 3.000 Perzische soldaten naar het eiland Ormoez over. Bij een eerste aanval op de stad verliezen de Perzen 300 man, maar zij krijgen op 24 februari nieuwe moed, als de Engelsen de Portugese loopgraven binnendringen en de São Pedro, van 1.500 ton in brand schieten. Omdat de Portugese vloot niet over de middelen beschikt zich tegenover de Engelse vloot te weren, kappen de Portugezen de ankerkabel van de São Pedro. Telkens als de Perzen een nieuwe aanval lanceren doet het Portugese garnizoen een uitval en drijft de Perzen terug. Op 14 maart arriveert een vaartuig met moren die de zijde van de Portugezen gekozen hebben. Zij worden ontdekt en willen zich terugtrekken, maar krijgen van de generaal van het Perzische leger de verzekering dat hen niets zal overkomen, maar na de capitulatie van de Portugezen onthoofden de Perzen 24 van hen en zij voeren de overigen als slaven weg. Op 17 maart willen de aanvallers een doorbraak forceren; zij slaan met een mijn een bres in de stadsmuur en dringen in grote aantallen de stad binnen, maar zij stuiten op zulke Portugese tegenstand, dat zij zich moeten terugtrekken. Gedurende het beleg overlijdt de capitão van het fort. Hij wordt opgevolgd door Simão de Mello die voor een onmogelijke opgave staat. Zijn garnizoen wordt niet alleen verzwakt doordat manschappen sneuvelen, maar ook door de pest en de honger en het is daarom niet meer in staat krachtige uitvallen te doen. Simão de Mello begint met de Perzen te onderhandelen over vrede, echter zonder effect, want de strijd wordt voortgezet en de Perzen slaan met hun mijnen steeds grotere gaten in de stadsmuur. Luíz de Brito de Vasconcellos, die zich in het fort bevindt, is een van degenen die Ormoez wil opgeven en zo hun levens te sparen, Hij wordt aan een touw van de muur neergelaten om de Engelse captain te bereiken. Hij komt met de captain de voorwaarden, waarop de Portugezen zich zullen overgeven, overeen en hij keert terug naar de stad, om deze in werking te stellen. Simão de Mello wendt voor tegen overgave te zijn, waarop de soldaten beginnen te muiten (waarvan men gelooft dat deze bewust is uitgelokt door Simão de Mello) Hierop stemt Simão de Mello met capitulatie in. De stad wordt bijgevolg op 22 mei overhandigd aan de Engelsen en de gehele Portugese bevolking, bestaande uit 2.000 mensen van beide seksen en alle leeftijden, worden overgebracht naar Muscat, waarbij zij alle kostbaarheden in handen van de vijand moeten laten.

Het verlies van de rijke handelsstad Ormoez, met zijn Portugese douanekantoor, is vanzelfsprekend een ramp voor de Portugezen. Er volgt een rechtszaak, waarin verschillende officieren die bij het verlies van Ormoez betrokken zijn geweest, zich moeten verantwoorden. Rui de Freire de Andrade wordt verschoond van alle blaam, wat voornamelijk een gevolg zou zijn van zijn verdiensten geleverd in de Perzische Golf, waar zijn naam zeer gevreesd is bij de Arabieren. Dom Gonsalvo da Sylveira, capitão-mór van de galeien, wordt aangewreven dat hij de vijand niet bevochten heeft en geweigerd heeft zijn kapiteins te helpen; een van hen was Luíz de Brito de Vasconcellos die, na een proces dat enige maanden heeft geduurd, is veroordeeld tot acht jaar verblijf in Trincomalee op Sri Lanka, maar in 1643 is dat vonnis vernietigd. Simão de Mello, de capitão van het fort, wordt echter ter dood veroordeeld, maar als hij is ontsnapt naar het land van de moren, wordt het vonnis uitgevoerd door zijn beeltenis te vernietigen.

Overigens is het verlies van Ormoez voor de Portugezen geen aanleiding de strijd tegen de Perzen op te geven.

Op 23 juni 1622 voeren twee Hollandse schepen een aanval uit op Macau; zij beschieten niet alleen de stad, maar voeren ook een landing uit met de bedoeling Macau op de Portugezen te veroveren. De 800 Hollandse musketiers, ondersteund door Japanse soldaten. worden met grote verliezen verdreven door Lopo Sarmento de Carvalho, zoals zal blijken uit een uitvoerige bespreking van de gebeurtenissen in een volgend deel. In het jaar 1622 komt er ook een einde aan het gouverneurschap van Fernão de Albuquerque

1 Marco Ramerini situeert fort Bandal, dat volgens Bayani gebouwd is door de Perzen (pag. 76) in Bandar Abbas of in Bandar-e Kong.

2 In de Brief, gedateerd, Madrid, 17 januari 1607, die koning Philips III aan zijn ambassadeur Gouveau voor de “Hoogverheven en zeer machtige vorst Sjah Abbas, Koning van Perzië, onze zeer goede vriend, meegeeft, afficheert hij zichzelf als “Ik Dom Philippe, door de Gratie Gods Koning van de Spanjes en van de Oost en West Indiën en van de Eilanden en Provinciën van de Oceaan, Koning van Napels, Sicilië en Jerusalem, van de Algarven aan deze en gene zijde van de Zee van Afrika, Aartshertog van Oostenrijk en Hertog van Milaan

3 De Portugezen betrekken koper uit de nabijgelegen gebieden. Sohar blijft tot 1643 of 1645 in Portugese handen, als Imam Nassir ibn Murshid hen uiteindelijk verdrijft.

4 Deze merkwaardige naam noemt Bayani

Hoofdstuk 3. De Portugezen aan de Tamilkust in de periode 1560-1640 3.0 . De parelvisserij aan de Costa da Pescaria

Categorieën
Portugees kolonialisme

De vice-reis Dom Jerónymo de Azevedo en Dom João Coutinho, conde de Redondo (1611-1619). Overige verwikkelingen in de Estado da India

Deel 16 Index

Hoofdstuk 2.

Overige verwikkelingen in de Estado da India

2.3. De vice-reis Dom Jerónymo de Azevedo en Dom João Coutinho, conde de Redondo (1611-1619)

Geschreven door Arnold van Wickeren

De eerste daad van de nieuwe onderkoning is de publicatie van een verbod nog enige schuld te betalen die is aangegaan door zijn voorganger. Deze, evenwel, weigert Indië te verlaten totdat regelingen zijn getroffen voor hun volledige kwijting. Dit is zeer belangrijk, niet alleen wegens de eer van Ruy Lourenço zelf, maar het is ook in het belang van de Staat, daar zij deze schulden is aangegaan, uitsluitend ten dienste van de regering. Als de Staat deze schulden thans niet erkent, zal het voor iedere toekomstige onderkoning onmogelijk zijn fondsen ten behoeve van de Estado da India te verwerven. Uiteindelijk wordt dit onjuiste verbod dan ook ingetrokken en er worden regelingen getroffen voor de betaling van de publieke schulden aangegaan door vice-rei Ruy Lourenço de Tavora.

Dom Henrique de Noronha, de Portugese commandant aan de kust van Malabar, vreest voor enige problemen met Ventapanaique, in wiens gebied de door de Portugese forten beheerste plaatsen Barcelor en Onor liggen. Hij verenigt de koningen van Banguel, Sierra en Carnate tegen Ventapanaique, ogenschijnlijk voor hun eigen veiligheid, maar in werkelijkheid voor een betere bescherming van de Portugese bezittingen in hun nabijheid. André Coelho, die door de onderkoning met drie schepen eropuit is gezonden, om Pulicat en Syriam te ontzetten, wordt door slecht weer naar Colombo verzet, waar zijn schepen op de rotsen te pletter slaan, de bemanningsleden worden echter allen gered. In 1613 verwerven de Portugezen de nominale autoriteit over het eiland Sri Lanka, hoewel zij hun gezag niet kunnen laten gelden in het in de bergen gelegen koninkrijk Kandy, dat zich in 1612 met de Hollanders verbonden heeft tegen de Portugezen1. Evenals elders in de Estado da India dient in de verschillende havens van Sri Lanka 7% invoer- en uitvoerheffing te worden betaald, ad valorem van de betreffende goederen.

In 1613 worden opnieuw problemen veroorzaakt door de thanadar van Chaul. Abdala Carima, dit uit wraak voor de door de Portugezen toegebrachte, maar door hemzelf over zich afgeroepen verliezen in het voorafgaande jaar. Hij heeft enige moren ingehuurd, die wonen in Caranja en die vertrouwelijke betrekkingen met de Portugezen daar onderhouden, om Baltasar Rabello de Almeida, de capitão van het Fortaleza de Santa Maria do Castelo in Chaul te doden. De moordenaars, geleid door Xarife Melique, verrassen de capitão aan het avondmaal en nadat zij hem en zijn schoonzuster hebben gedood, sluiten zij zich op in het fort; maar de Portugezen, die de poorten hebben opengebroken, brengen de moordenaars om met het zwaard. Hierna marcheert Abascan, een generaal van de vijand, met een groep mannen naar Caranja, om de dood van de samenzweerders te wreken. De Portugezen zijn niet in staat te verhinderen dat de moren de stad Chaul intrekken; daar verspreiden zij zich en beginnen lukraak te plunderen en te moorden. Simão Rangel, die bemerkt dat de moren geen aanvoerder hebben, overvalt hen plotseling met zeventien man en Ferdinão de Sampayo e Cunha, die de vermoorde Baltasar Rabello als capitão is opgevolgd, komt met enige mannen uit een andere richting; de vijand wordt volledig verslagen en een groot aantal van hen worden daarbij gedood. Hierna verwoest Ferdinão de Sampayo hun land, waarbij hij 3.000 gevangenen maakt. De Nizam ul-Mulik, ziende dat de Portugezen bij deze krachtmeting betrokken zijn, denkt hen nog meer in verlegenheid te brengen door de oorlog uit te breiden tot Salsete do Norte en Agashi, waarop Ruy Freyre de Andrade, die met een eskader voor de kust kruist, ook die kant op gaat. Hij treft een aantal moren in een dorp tussen Caranja en Thana; hij doodt een aantal van hen en jaagt de rest op de vlucht. Vanuit Thana zendt hij enige schepen naar Agashi, om dat te ontzetten. Agashi, dat wordt belegerd door de moren, verkeert in groot gevaar, niet alleen door de vijandelijke bedreiging, maar ook wegens spanningen tussen de inwoners. De verdedigers van Agashi, die worden aangevallen door 2.000 moren, zijn gedwongen beschutting te zoeken in het klooster van São Francisco. Freire de Andrade brengt alle vrouwen en kinderen in veiligheid; hij neemt hen aan boord en brengt hen over naar Baçaim. Ook het in 1556 gebouwde ronde fort van Manora wordt door de vijand belegerd. Freire de Andrade zeilt naar het fort, slaat zich met zijn mannen door een groot aantal belegeraars heen en weet het fort te bereiken. Het met zijn mannen versterkte garnizoen doet een uitval en verdrijft de belegeraars, waarna Freire de Andrade naar Thana terugkeert. Xarife Melique heeft nog meer troepen tegen Agashi uitgezonden en de Portugezen daar verkeren in groot gevaar. Freire de Andrade is verplicht terug te keren om hen hulp te bieden. Hij haalt de daar nog verblijvende Portugezen op en brengt hen naar Baçaim. Hier landt Freire de Andrade en omdat hij vergezeld wordt door de commandant van het fort en door manschappen van de noordelijke en de Diu-vloot, is hij sterk genoeg om een groep moren die zich ophouden in de buurt van Baçaim te verjagen. Vervolgens is de aanwezigheid van Freire de Andrade vereist in Damão. Het schijnt dat de Koning van Sarceta groepen ruiters en voetknechten heeft uitgezonden, die alles wat zij vinden in de dorpen rond Baçaim meenemen of verwoesten. Freire de Andrade, die beschikt over 200 manschappen uit Damão, Mahim en Trapor overvalt plotseling ’s nachts 600 slapende vijanden. Nadat hij een aanzienlijk aantal van hen heeft gedood, trekt hij terug met een aanzienlijke hoeveelheid buit en hij verwoest alles wat zijn mannen niet kunnen meenemen. Op hun terugtocht worden de Portugezen door ongeveer 700 vijanden gevolgd, maar zij slagen erin Damão in goede orde te bereiken. De macht van Xarife Melique neemt voortdurend toe en in mei 1613 is Nuno da Cunha, met dertien schepen en 400 uitgelezen soldaten van Goa naar Bassein (Baçaim) gezeild, om Ruy Dias de Sampayo als capitão-mór van de noordelijke vloot op te volgen.. Nuno da Cunha komt aan bij de stad Galiana, waar de vijand strijdkrachten heeft. Hij zet daar een aantal mannen aan land. Zij dringen de verdedigingswerken van de vijand binnen, maken enige kanonnen buit en doden een aantal vijanden. Dan keren de soldaten, die in de ontmoeting slechts een man verloren hebben, terug naar hun schepen.

In 1613 wordt in Goa Velha – voorheen Gopokkapattana, dus niet te verwarren met Velha Goa – het Pilar Mosteiro gesticht; dit klooster is nog steeds een bloeiend en belangijk religieus en opvoedkundig centrum voor christelijke missionarissen. De kerk bevat de relieken van een Goanese heilige, Frei Agnelo d’Souza, die in 1927 is gestorven. In 1613 wordt tevens hard gewerkt aan de kerk en het klooster van Santa Monica, met de bouw waarvan in 1607 is begonnen Het is het enige klooster in Goa voor nonnen die een beschouwend leven leiden. Het beroemde klooster wordt ook wel genoemd het Mosteiro Real, wegens de koninklijke patronage. De kloostergebouwen zijn gerestaureerd en worden gebruikt door het in 1964 gestichte Mater Dei Instituut voor de theologische opleiding van nonnen van verschillende congregaties.

In 1613 vertrekt João Cayado de Gamboa met drie galjoenen van Goa naar Michael de Sousa Pimentil, die zich met vier schepen in de Chinese wateren bevindt. De zeven schepen dienen de Portugese handel met China te beschermen tegen de Hollanders, die in deze contreien zeer sterk zijn. Een van de drie galjoenen wordt door extreem stormachtig weer de kust op gedreven nabij Shang-ch’wan, 60 léguas van Macau. Slechts 80 opvarenden worden gered en 200, van wie circa 60 Portugezen, komen om. De overlevenden weten Macau te bereiken, waar de andere twee galjoenen wel veilig zijn aangekomen. Zodra de onderkoning in 1613 verneemt dat de Portugese avonturier Filippe de Brito e Nicote in Syriam belegerd wordt door de Koning van Ava, zendt hij Diogo de Mendoça Furtado met vijf galjoten naar Syriam om hem te ontzetten. Als hij onderweg Martaban arriveert, treft hij daar een vloot van twintig vaartuigen in de rivier, die na een hevig gevecht, de vlucht nemen, afgezien van vier al buitgemaakte schepen. Van de opvarenden daarvan verneemt Diogo de Mendoça Furtado dat Syriam inmiddels gevallen is en dat Filippe de Brito2 e Nicote zich in handen van de Koning van Ava bevindt.

Dom Luíz da Gama, de capitão van Ormoez, heeft de Perzen op het vaste land zwaar beledigd, waarop dezen een vloot van 300 barcas zenden om de haven van Bandel in te nemen, met de bedoeling de watertoevoer naar Ormoez af te snijden. Ferdinão da Silva, de capitão-mór in Ormoez, zeilt uit om de Perzische vloot te verspreiden, maar gedurende de strijd raakt zijn kruitmagazijn in brand en wordt zijn schip opgeblazen. Dom Nuno Álvarez Pereira volgt hem op en verdrijft de Perzen met aanzienlijke verliezen. Sjah Abbas I van Perzië verontschuldigt zich tegenover de onderkoning voor de zaak, bewerende dat de poging ondernomen is door de sultan van Lara en zonder zijn instemming. Francisco Lopez Callegros neemt bij Malacca een Hollands vaartuig, dat een rijk Portugees schip heeft buitgemaakt. Er ontstaat grote teleurstelling in Goa als daar bekend wordt dat vier naar Indië uitgevaren schepen, die de Portugese militaire aanwezigheid in Azië tegen de Engelsen en Hollanders moesten versterken, vijf maanden nadat zij uit Lissabon zijn vertrokken, gedwongen zijn naar Lissabon terug te keren. Dom Hierome de Almeida, die terugkeert met de retourvloot van vorig jaar, ontmoet bij Sint Helena vier grote Hollandse schepen. Er ontstaat een gevecht, waarbij het Hollandse admiraalsschip tot zinken wordt3 gebracht. De broer van de Koning van Ava bedreigt het Siamese Tenasserim, om de stad schatplichtig te maken. In Tenasserim bevindt zich de piraat Cristovão Rabello, die uit Cochin is gevlucht wegens begane misdaden. Hij beschikt over vier galjoten, bemand met 40 Portugezen en 70 slaven. Hij biedt Tenasserim zijn hulp aan en verslaat met zijn kleine strijdmacht de vloot van de Koning van Ava van 500 zeilen. Hij jaagt de vijandelijke vloot op de vlucht, nadat hij verschillende schepen heeft verbrand en 2.000 vijanden heeft gedood. De Koning van Siam is zozeer onder de indruk van de Portugese overwinning dat hij Cristovão Rabello verlof geeft om een fort te bouwen op een door hemzelf uit te zoeken plaats. Bovendien biedt de koning Diogo de Mendoça Furtado, die met zijn eskader in de buurt is, de titel ‘graaf’ aan, met een gepast inkomen. Furtado slaat het aanbod van de koning af, wat te wijten is aan de vele problemen elders die zijn aandacht eisen. Hij zeilt naar Malacca en op weg daarheen verwoest hij de plaatsen Quedah en Parles te vuur en te zwaard.

Dom Diogo de Vasconcellos zeilt in 1614 met een eskader van 17 zeilen van Goa naar Chaul. Hij neemt Dom Manuel de Azevedo, die benoemd is tot capitão van Diu, aan boord. Onderweg landt hij aan de monding van de Rio Sifardam, in het gebied van Xarife Melique, en verwoest een stad op haar oevers. Bij aankomst in Diu, neemt Dom Manuel de goederen van zijn voorganger, Sebastião de Macedo in beslag, omdat deze nog een schuld aan de Staat heeft. Vervolgens treft hij voorbereidingen voor een aanval op Por, om de bevolking van die plaats te straffen voor de schade die zij met hun acties de handel van Diu hebben toegebracht. Gaspar de Mello e Sampayo ondersteunt de expeditie met zijn vloot, maar hij heeft grote problemen de stad te bereiken. De stad ligt namelijk aan een smalle kreek die de schepen slechts een voor een kunnen bevaren, waarbij zij een regen van kogels en pijlen, die achttien leden van de bemanning doden, moeten incasseren. Bij het bereiken van Por, wordt de stad direct aangevallen en wordt er een gat in de muren geschoten. De aanval vindt plaats met twee groepen: een gaat de stad binnen door het gat in de muur en de andere groep beklimt de muur aan de andere kant van de stad. Na enige zware straatgevechten, wordt de vijand teruggedrongen. Enige vluchten de stad uit, anderen vluchten het fort in het centrum van de stad in en een aantal vijanden is gedood. Degenen in het fort bieden 40.000 crowns als de Portugezen afzien van een bombardement, maar dit wordt verworpen en de aanval wordt voortgezet. Maar daarmee hebben de Portugezen geen succes, zij worden teruggeslagen en heffen de belegering op. Zij plunderen de stad en verbranden haar. Hierbij zouden 1.000 vijanden zijn gedood en 300 gevangengenomen. Diogo de Vasconcellos verlaat Diu en zeilt met negen schepen naar de monding van de rivier van Agashi, waar hij wordt aangevallen door zestien paraos van Malabar. Zonder ook maar een man te verliezen, doodt Diogo de Vasconcellos een aantal vijanden, maakt een aantal gevangenen en maakt alle paraos buit. Dom Manuel de Azevedo wordt als capitão van Chaul opgevolgd door Ruy Freyre de Andrade, die daarvoor capitão van Damão is geweest. Omdat de bewoners van de omgeving van Chaul de Portugezen vijandig gezind zijn, krijgt Ruy Freyre de Andrade het consigne alle nodige stappen te ondernemen om de fortificatie van de plaats te verbeteren; maar, omdat er maar weinig manschappen in het fort zijn, doet hij geen poging de vijand aan te vallen. Bijgevolg richt hij nieuwe verdedigingswerken op en, na een aantal boeren te hebben getraind, doet hij een uitval naar de vijand, die hij zware verliezen toebrengt en dwingt zich terug te trekken.

In 1614 wordt ook Bassein belegerd en Gaspar de Mello, de capitão-mór van het eskader in het noorden van de Arabische Zee, dat uit 16 zeilen bestaat, nadert de stad en met zijn hulp wordt de vijand genoopt zich met aanzienlijke verliezen terug te trekken, na een hele dag van zware gevechten, waarin de Portugezen geen enkele man hebben verloren. Nadat Bassein is ontzet, zeilt Gaspar de Mello naar het fort van Manora, vier léguas van de monding van de rivier van Agashi, dat een beleg ondergaat van de Decariis. De ruggengraat van zijn strijdmacht bestaat uit 700 Portugezen. Bij aankomst bij Manora, trekt Gaspar de Mello een nacht uit om het vijandelijke kamp te verkennen en blijkt de vijandelijke strijdmacht veel groter is dan hij heeft verwacht. Maar op de terugweg houdt hij zichzelf voor dat de vijand veel minder talrijk is dan hij in feite is en hij laat zijn mannen de vijand bij verrassing aanvallen nog voor de dag begint. Veel van hen vinden de dood en de rest, niet in staat te ontdekken met hoe weinig de aanvallers zijn, vlucht in paniek. Het beleg van Manora is opgeheven, zonder dat ook maar een man gesneuveld is. Van Manora gaat Gaspar de Mello naar Damão, dat opnieuw wordt belegerd door de Koning van Sarceta. En nadat hij geholpen heeft de plaats te ontzetten, waarbij zijn mannen de vijand voor zich uit drijven en enige bossen en boomgaarden kappen, zonder daarbij verzet te ondervinden. Van Manora keert Gaspar de Mello terug naar Chaul en terwijl zijn mannen zich voegen bij die van Ruy Freyre de Andrade, marcheren zij naar de bovenstad van Chaul om een bos nabij de plaats te verwoesten. Hier ontmoeten zij een aantal vijanden en er ontstaat een verwoed gevecht, waarvan de Portugezen als overwinnaars terugkeren. Gaspar de Mello gaat vervolgens weer naar Bassein, waar hij Pinto de Fonseca vergezelt in een expeditie om het fort van Assarim, dat ligt op de top van een hoge berg, te ontzetten. Dit wordt doeltreffende tot stand gebracht en 200 wagenladingen worden met succes de plaats binnengebracht, ofschoon het in het omliggende land wemelt van de vijanden. Bij Coche moeten de Portugezen een tegenslag incasseren. Francisco Sodré die met 300 man in 13 schepen van Diu is uitgevaren, vertoont zo’n groot gebrek aan militaire bekwaamheid, dat zijn aanval wordt afgeslagen en hij gedwongen is zich naar zijn schepen te haasten.

In 1614 beginnen de strijdkrachten van de Mogols de Portugese bezittingen aan te vallen en Cojenitamo, de commandant van Surat, verschijnt plotseling met 800 ruiters en enige olifanten in de omgeving van Damão, nadat hij het land heeft overspoeld en dorpen in brand heeft gestoken. Een kleine groep Portugezen poogt hun oprukken te stoppen, maar nadat zij in een hinderlaag zijn gelokt, vindt de hele groep de dood. De vijand krijgt de beschikking over frisse troepen, die oprukken tegen Damão, maar tegen die tijd arriveert Luíz de Brito e Mello met zijn eskader van veertien schepen en 350 soldaten. De laatsten komen spoedig aan land en nadat zij zich hebben verenigd met de 200 soldaten van het garnizoen van Damão, 70 ruiters en 1.000 man inheemse troepen, trekken zij op tegen de vijand die, niettegenstaande hun numerieke overwicht gedwongen wordt zich terug te trekken, met een verlies van 400 man, onder wie Dalapute Rao, hun opperbevelhebber en twee olifanten. Luíz de Brito achtervolgt hen tot aan Broach; hij trekt de stad binnen en steekt haar in brand, eveenals de schepen die hij daar aantreft. Op de terugweg van Broach, pleegt Luíz de Brito een aanval op Barbute, een stad die behoort aan de Resbuto, dat na een hard gevecht, waarin de vijand 450 man verliest, wordt ingenomen en in brand gestoken. Luíz de Brito e Mello gaat dan naar Bassein, daar ontmoet hij Dom João de Almeida, capitão-mór van het eskader van Diu. Met deze versterkingen besluit António Pinto de Fonseca, capitão van Bassein, een aanval te ondernemen op het vijandelijke kamp. De Portugese strijdkrachten bestaan uit 1.500 man, terwijl de vijand beschikt over 1.000 ruiters en 1.500 voetknechten, binnen een stelsel goed aangelegde loopgraven. De Portugezen nemen zich voor de vijand onverwachts aan te vallen, maar zij, die dit hebben vernomen van enige verraders in de stad, zijn voorbereid op de aanval. De Portugezen forceren, evenwel, met succes de toegang tot de loopgraven, waarbij zij slechts lichte verliezen lijden. De meerderheid van de vijand vindt de dood en er zouden slechts 500 man zijn ontsnapt. Bij deze actie wordt de omgeving van Bassein en het eiland Salsete do Norte gezuiverd van vijanden, die het de afgelopen twee jaren geteisterd hebben.

Vice-rei Dom Jerónymo de Azevedo is nu verplicht de positie van de Portugezen in Indië onder ogen te zien, in het licht van de gelijktijdige oorlogstoestand tegen hen van de Mogols en van Xarife Melique, de commandant van Ponda; hij heeft bovendien goede redenen te veronderstellen dat de Adil Khan van Bijapur Xarife Melique werkelijk hulp biedt. Dom Jerónymo zendt daarom António Monteiro Corte Real als ambassadeur, met een geschenk naar de Adil Khan en geeft hem ook een geschenk mee voor diens gunsteling Xarife Melique. António Monteiro begeeft zich daarom naar Vizapor en vraagt de Adil Khan Xarife Melique in Ponda gevangen te zetten. Hij vraagt ook de Hollanders, die hebben getracht een factorij in Vizapor te stichten, het land uit te gooien. Dankzij de hulp van Vicente Ribeiro, een Portugees, die daar woont en die aanzienlijk belang heeft bij Xarife Melique, worden beide verzoeken ingewilgd.

In deze tijd (1614) bezit de zamorin van Calicut het koninkrijk van Opper Cranganore en hij wenst daaraan toe te voegen de stad Cranganore, die in handen is van de Portugezen. Binnen de muren van Cranganore bevindt zich ook de pagode waarin de voormalige koningen van Malabar werden gekroond. De zaken worden nog meer gecompliceerd, doordat de Koning van het kleine eiland Paru, vertrouwende op zijn vriendschap met de zamorin, een serie aanvallen op de Portugese scheepvaart in de rivieren tussen Cochin en Paliporo onderneemt. Waarschijnlijk heeft hij zich hierbij laten opstoken door de kalpathi van Cochin, wiens betrekkingen met de Portugezen op dat moment niet erg hartelijk zijn Vice-rei Dom Jerónymo de Azevedo zendt Dom Lopo de Almeida met een galei en tien andere schepen om Cranganore te ontzetten. Zijn eerste aanval betreft de Koning van Paru, die zich al snel onderwerpt en wordt gedwongen vrede te sluiten. Vervolgens wordt een ambassadeur met geschenken naar de kalpathi en de zamorin gezonden, zij ontvangen de giften, maar vermijden een overeenkomst met de Portugezen aan te gaan. In 1614 wordt Manuel Mascarenhas Homem naar Sri Lanka gezonden, met de uitdrukkelijke opdracht het drieste optreden van de Portugezen tegenover de Singalese bevolking te beteugelen.

In Mombaça verkeren de Portugezen in een slechte staat. Sultan Hazem wordt vervolgd door zijn oom Manganaje, die de troon wil bemachtigen en door de capitão, Manuel de Mello Pereira, die zich de rijkdommen van de sultan wil toeëigenen. Het tweetal werkt samen om bepaalde valse beschuldigingen tegen de sultan in te brengen. Zij worden aan de onderkoning in Goa voorgelegd. Deze zendt Simão de Mello Pereira, om Manuel de Mello Pereira op te volgen. De nieuwe capitão krijgt het bevel mee sultan Hazem te arresteren en hem naar Goa te zenden. Nadat de sultan kennis heeft gekregen van hetgeen men met hem van plan is, vlucht hij uit Mombaça naar Arabaya om te vermijden dat hij wordt gearresteerd. De gouverneur, Simão de Mello Pereira, evenwel, laat de sultan vermoorden door omkoping en nadat hij het hoofd van zijn slachtoffer heeft laten afhakken, zendt hij dat naar Goa. Nadat de sultan op deze gewelddadige wijze van het toneel is verdwenen, wordt zijn oom Manganaje door Simão de Mello Pereira op de troon geplaatst. Hij moet de troon delen met Melinde, de broer van de vermoorde sultan.

Tegen het einde van het jaar 1614 arriveren vier schepen uit Lissabon in Goa; het vijfde schip van de vloot is aan de kust bij Malindi verloren gegaan. Erger is dat van de 3.000 man die aan boord van deze vloot zijn gegaan, nog niet de helft in Indië aankomt.

De sterfte aan boord van de uit Lissabon naar Indië zeilende naus is niet alleen afhankelijk van de beschikbaarheid en de kwaliteit van het eten en drinken aan boord, maar ook en misschien nog meer van de hygiënische situatie op de schepen. Naarmate de passagiers en bemanningen langer zijn overgeleverd aan ongunstige omstandigheden, dus naarmate de reis langer duurt, is de sterfte hoger. Het ontbreekt veelal aan verse groenten en fruit en ook de kwaliteit van aan boord voorradige water gaat snel achteruit. Het in tonnen bewaarde water vormt spoedig een bron van bacteriën, Het gebrek aan hygiëne aan boord maakt velen ziek. De mensen leven opeengepakt in bedompte ruimten, temidden van ratten en ander ongedierte. Arme passagiers zijn veroordeeld, zonder noemenswaardige beschutting tegen de elementen, dag en nacht aan dek te verblijven. Bijzonder ernstig is dat velen hun dagelijkse behoeften doen in de ruimen en dat zij niet de moeite nemen daarvoor aan dek te gaan. Als schepen genoodzaakt zijn te overwinteren aan de kust van Oost-Afrika heeft dat ook invloed op de mortaliteit. Vele door de reis verzwakte mensen zijn bijzonder vatbaar voor tropische ziekten als zij maanden lang in Moçambique, aan de ongezonde Swahilikust de moesson moeten afwachten, om naar Indië te kunnen oversteken. Dit zogenaamde overwinteren kost velen het leven.

De grote sterfte is een zeer serieuze tegenvaller voor de onderkoning, die dringend behoefte heeft aan iedere soldaat, in een tijd waarin de Portugezen in Indië van alle kanten worden aangevallen. Met de retourvloot van 1614 loopt het ook zeer slecht af: een schip gaat verloren bij de Maladiven; het tweede lijdt schipbreuk op het Azoren-eiland Fayal, waarbij 260 opvarenden, onder wie de geredden van het eerste schip omkomen. Alleen het derde schip komt veilig in Lissabon aan. Met de geringe versterkingen die de onderkoning heeft ontvangen, besluit hij persoonlijk een expeditie te leiden naar het noorden, tegen de Engelse en Hollandse vloten, die zich daar zouden ophouden. Hij zendt Dom Manuel de Azevedo met 22 zeilen vooruit. Deze wordt bij Surat vergezeld door Luíz de Brito en Dom João de Almeida met hun respectieve eskaders. Zij tweeën zetten troepen aan land die landerijen rond Cifandum en Diva verwoesten, waarna zij oprukken naar Broach en Gogo, welke beide plaatsen zij plunderen en in brand steken, evenals zes grote schepen in de baai. Vandaar rukken zij op naar Patane en op hun nadering vluchten alle inwoners uit de stad de bossen in. Daardoor valt Patane in Portugese handen en wordt de stad in brand gezet, zonder dat ook maar enige tegenstand wordt ondervonden. Kort nadat Dom Manuel de Azevedo is uitgezeild, verlaat de onderkoning met zeven galjoenen de haven van Goa. Naast deze galjoenen, bestaat de vloot uit twee pinks, een galei, een caravela en vijf andere vaartuigen. De gehele vloot is bemand met 1.400 Portugezen, zij telt een groot aantal stukken geschut, die helaas worden bediend door ongeoefende schutters. De bedoeling is dat de enorme Portugese vloot vier Engelse schepen vernietigt, die voor Swally liggen. In § 2.0 is gebleken dat deze poging op een mislukking is uitgelopen.

In hetzelfde jaar van de tweede nederlaag bij Swally (1615) ontvangt de onderkoning van Dom Luíz da Gama, capitão van Ormoez, dat het fort van Comorão, bij Bandar Abbas, zowel vanaf het land, als vanuit zee, op bevel van sjah Abbas, belegerd wordt door een Perzische strijdmacht van 14.000 man, omdat de Portugezen geweigerd hebben bepaalde belastingen die zij verschuldigd zijn aan de sultan van Lara, te betalen. Sjah Abbas heeft Lara veroverd en beschouwt zich als degene die recht heeft op de af te dragen belasting. Andreu de Quadros, capitão van Comorão beschikt over slechts enkele manschappen om de aanval af te slaan en het fort is bovendien slecht voorzien van artillerie; bijgevolg is hij na zwak weerstand te hebben geboden, genoopt zich over te geven aan de vijand. Kort nadat de plaats door de Perzen is bezet, arriveert Michael de Sousa Pimentil met negen schepen. Hij is door de onderkoning gezonden om Comorão te ontzetten, maar als hij ervaart dat het fort al gevallen is, doet hij geen poging het fort te heroveren en zeilt verder naar Muscat.

In de eerste decennia van de zeventiende eeuw schijnt de financiële situatie in de Estado da India onbevredigend en zelfs zeer verward te zijn geweest. De onderkoningen ontvangen bij herhaling instructies uit Lissabon de voor de aankoop van specerijen beschikbaar gestelde gelden slechts aan te wenden voor het doel waarvoor deze bestemd zijn. Daarnaast hebben vele officieren grote schulden aan de Staat. Uit een en ander kan worden afgeleid dat er in Portugees Indië een groot gebrek aan contant geld is geweest. Het gebrek aan fondsen is klaarblijkelijk zo groot dat om middelen te verwerven voor het onderhoud en de reparatie van bepaalde forten het de gewoonte wordt, als de nood erg groot is, schepen uit te zenden met de bedoeling de winsten die met de respectieve reizen behaald kunnen worden van tevoren te besteden aan specifieke objecten. De rijkdommen van de kloosters zijn reeds aan de Staat geleend en opgegaan in de algemene uitgaven voor het bestuur en in de tijd dat de geldmiddelen het meeste nodig zijn voor de strijd met de Engelsen en Hollanders, zijn de geldbronnen van de Portugezen op hun laagste stand. De mensen worden aangemoedigd hun belasting te betalen in koper, omdat dat gebruikt wordt voor het gieten van kanonnen en in bepaalde havens wordt zelfs Chinees koper aanvaard. Het komt echter nogal eens voor dat koperen kanonnen worden gestolen uit de forten waarin zij zijn geplaatst, als gevolg waarvan in 1634 zal worden bepaald dat alle kanonnen van ijzer dienen te zijn.

De schepen die Lissabon in 1614 verlaten, vervoeren de instructie voor vice-rei Dom Jerónymo de Azevedo dat hij alle hoge ambten dient te verkopen, omdat er geen andere middelen zijn om de regering van de nodige geldmiddelen te voorzien. Als deze maatregel van kracht wordt, leidt hij tot veel ontevredenheid, niet alleen omdat velen, op basis van een lange staat van dienst, meenden recht te hebben op promotie, worden teleurgesteld, maar ook omdat het bezit van geld het enige criterium is geworden een hoog ambt te vervullen, waardoor hoge functies vaak in handen komen van volstrekt onbekwame personen.

In 1615 wordt in Panjim, naast het voormalige paleis van de Sabayo, het gebouw van de Secretaria opgetrokken. Het zal worden gebruikt om er de nieuw aangekomen gouverneur te huisvesten, voordat deze plechtig in Goa werd ingehaald. Ook de vertrekkende gouverneur, die zijn ambt heeft overgedragen aan zijn opvolger, verblijft tot zijn daadwerkelijke vertrek in de Secretaria. Nadat Goa-stad, vanaf 1543 frequent wordt geteisterd door cholera- en malaria-epidemieën, is de Secretaria de belangrijkste residentie van de gouverneur-generaal.

Bij onderhandelingen die Hierome Xaverius s.j. is aangegaan met Grootmogol Jahangir wordt een verdrag, gedateerd 7 juni 1615, gesloten tussen de monarch en de Portugezen, gericht op het weren van Engelsen en Hollanders uit Voor-Indië. De volgende artikelen van het document geven uitleg aan de bedoeling van het verdrag.

Aangezien de Engelsen en Hollanders, onder het mom kooplieden te zijn, naar dit land zijn gekomen om zich hier te vestigen en aangezien hun aanwezigheid in de buurt van Voor-Indië allen grote schade zal brengen, is nu overeengekomen dat noch koning Jahangir, noch de Vice-rei van de Estado da India, enige commerciële betrekkingen zal hebben met de hiervoor genoemde naties, noch zullen zij hen toelaten tot hun havens of hun schepen bevoorraden met levensmiddelen. De thans in het land aanwezige Engelsen zullen het land met hun goederen verlaten, via Masulipatnam.

Ter bevordering van de vrede en ter regeling van alle geschillen, zullen de door Mogols en Portugezen geleden verliezen worden vergeten. Vanaf deze datum zal er vrede tussen hen heersen en het zal de Portugezen vrijstaan handel te drijven, over land en via de zee, met de havens en gebieden van koning Jahangir. Op gelijke wijze zal het de vazallen van genoemde koning vrijstaan handel te drijven met de havens en gebieden van de Koning van Portugal. Koning Jahangir zal alle Portugese gevangenen die geen moor zijn geworden, vrijlaten en de Vice-rei zal alle onderdanen van koning Jahangir die geen christen zijn geworden, vrijlaten.

De Malabaren die piraten zijn en die in hun levensonderhoud voorzien door diefstal, zal niet worden toegestaan de havens van een van beide koningen binnen te varen en, zouden zij dit doen, dan is het de Portugezen toegestaan welke haven of rivier ook waar de Malabaren ook zouden zijn, binnen of op te varen, en hen te overmeesteren.

Dit Vredesverdrag zal op geen enkele wijze de rechten die de Koning van Portugal heeft, belastingen in Diu te heffen van schepen die de Baai van Cambay bevaren, beïnvloeden; in tegendeel, hij zal dezelfde rechten als tot nu toe.”

Bij de vereniging van de Kronen van Spanje en Portugal in 1580 zijn de overzeese posities van beide landen zo strikt gescheiden gebleven dat zelfs handel tussen het Portugese Macau en de Spaanse vestigingen op de Filippijnen verboden werd. Maar als de Hollandse positie in Indië machtiger wordt, beveelt koning Philips III (Filipe II) dat het in het belang van beide Kronen is dat de Spaanse en Portugese strijdkrachten in het Oosten verenigd worden, om hen te verdrijven. In 1615 vraagt Dom João da Silva, de commandant van de Spaanse vestiging te Manila, bijstand vチn de Portugezen om de Molukken tegen de Hollanders te beschermen. Dit verzoek wordt vervolgens ingewilligd en vice-rei Dom Jerónymo de Azevedo zendt Francisco de Miranda de Anriques met een vloot van vier galjoenen naar de Molukken. Deze schepen zijn, naar het schijnt, in hoofdzaak te zijn bemand door veroordeelden, van wie een aantal in Goa deserteerd, zodra zij een voorschot op hun betaling hebben ontvangen, en anderen nemen de benen in Malacca, welke haven Francisco de Miranda, in strijd met zijn opdracht aandoet en waar stiekem Dom Gonçalo da Silva, de bisschop van Malacca, aan boord wordt genomen. De galjoenen van Francisco de Miranda de Anriques raken betrokken bij de strijd tegen de vloot van de sultan van Atjeh en zij moeten het afleggen tegen een Hollandse vloot.4 Hierna keert Francisco de Miranda terug naar Goa, waar hij voor het gerecht wordt gebracht, omdat hij – in strijd met zijn instructies – niet rechtstreeks is doorgevaren naar Manila, maar eerst Malacca heeft aangedaan, maar hij wordt vrijgesproken wegens betoonde moed in het gezicht van de vijand. Zodra João da Silva verneemt dat de galjoenen die naar Manila waren gezonden om hem hulp te bieden, niet meer mogen worden verwacht, zendt hij ammunitie naar de vloot in Malacca en hij waarschuwt de Portugezen ter plaatse voor de nadering van Hollandse schepen. Deze arriveren echter eerst na het verlies van de Portugese galjoenen. Kort nadat Dom João da Silva de Portugezen in Malacca gewaarschuwd heeft voor de nadering van Hollandse schepen, zeilt Dom João da Silva uit met tien grote galjoenen en als hij uit Pulatinam wegzeilt, treft hij de Portugese schepen die uit China komen, die hij begeleidt naar Malacca, waar hij in grote stijl ontvangen wordt. Kort na zijn aankomst wordt Dom João ziek en zeven dagen later overlijdt hij, evenals enige andere officieren van zijn eskader. Met zijn dood vervliegt de hoop van de Portugezen de Hollanders te kunnen verslaan met de hulp van zijn schepen.

In 1615 wordt door Gonzalo Pinto da Fonseca in Damão een vredesverdrag gesloten tussen de Portugezen en koning Choutia, die aanspraak maakt op enige landerijen die gerekend worden Portugees gebied te zijn. Hij geeft zijn claim op en na ratificatie van het vredesverdrag dient Choutia de Koning van Portugal met 1.000 voetknechten en 100 ruiters en voorts wordt overeengekomen dat zijn zoon in Damão gaat wonen en dat hij het commando over een eskader op zee krijgt,

In 1616 rust de onderkoning een eskader, bestaande uit twaalf schepen en evenveel kleine vaartuigen, uit voor het noorden. Aan boord van de vloot bevinden zich twintig fidalgos, die dienen als vrijwilligers. Capitão-mór van de vloot is Ruy Freyre de Andrade. Deze vloot komt eind oktober in Surat aan. De officier die de stad in naam van de Grootmogol Jahangir bestuurt, zendt de Portugese admiraal als gift aan hem twee vaartuigen die geladen zouden zijn met vers voedsel, maar bij inspectie blijken de schepen, naast zijde, vele kostbare curiositeiten te bevatten. Na overleg met zijn kapiteins, neemt Ruy Freyre de Andrade slechts een stuk ‘cambolin’, met een waarde van 20 pardaos en retourneert de rest aan de nabob, met de boodschap dat hij klaarstaat zijn meester te dienen als had hij de hele gift geaccepteerd. De kapiteins stemmen ermee in dat de cambolin zal worden geschonken aan een schone dame; Hippolito Furtado, de minnares van Ruy Freyre. De vloot zeilt van Surat naar Cambay en bovendien inspecteert Ruy Freyre het fort in Diu en hij bezoekt vervolgens Gogo, welke stad – eens een groot commercieel centrum van de moren – vorig jaar verwoest is door de Portugezen. Eind december 1616 verlaat de vloot Cambay, de grootste die sedert vele jaren de Golf van Cambay heeft bezocht. Als de vloot Damão heeft aangedaan, komen de schepen in een zware storm terecht, waarin vier schepen verloren gaan. Twee schepen vergaan met man en muis; van het derde schip overleeft slechts een man, maar van het vierde schip wordt de gehele bemanning gered. Het grootste deel van de vloot bereikt Bassein, maar acht koopvaarders verliezen het contact met het konvooi en gaan naar Chaul, waar zij arriveren tezamen met vier paraos van piraten, die twee koopvaarders nemen. De resterende zes schepen sluiten zich in Bassein weer bij het konvooi aan, waar Ruy Freyre de Andrade bevel geeft de baarden van de soldaten aan boord van de zes schepen af te knippen, omdat deze schepen zijn lichten niet hebben gevolgd. Daarna keert de gehele vloot terug naar Goa.

De Malabar-vloot, onder bevel van Dom Bernardo de Noronha, zeilt naar Cranganore, dat wordt aangevallen door de zamorin. De vloot arriveert op tijd om drie Hollandse schepen die daar in de buurt zijn, ervan te weerhouden hulp te bieden aan de zamorin; zijn nairs worden gedwongen zich terug te trekken. Na Cranganore te hebben ontzet, zendt Dom Bernardo Dom Henrique de Sousa met elf schepen naar Calicut, bij welke stad hij een groot schip van de zamorin, dat geladen is om naar Mecca te zeilen, in brand steekt. Hierna bezoekt Dom Bernardo de forten aan de Malabar- en de Canarakust en keert terug naar Goa.

In 1616 zeilt Dom Manuel de Menezes met drie kraken van Lissabon naar Indië. Een nau loopt een lek op en moet terugkeren naar Lissabon. Tijdens een storm aan de kust van Guinée worden de twee resterende naus van elkaar gescheiden; een daarvan arriveert uiteindelijk veilig in Goa, maar Dom Manuels vaartuig ontmoet bij het eiland Madagascar vier Engelse schepen, waarvan de bevelhebber laat weten dat hij aan boord van zijn schip wil komen. In plaats van dit toe te staan, zendt Dom Manuel een man, op wiens oordeel hij kan vertrouwen, om de sterkte van de Engelse schepen te bekijken. De man keert terug en rapporteert dat Dom Manuels schip alleen al aan de Engelse capitania zijn handen vol zal hebben. Dom Manuel zendt daarop een boodschap naar de Engelse commandant. Hij laat hem daarin weten dat aangezien hun koningen op voet van vrede met elkaar verkeren, er geen redenen lijken te zijn waarom hun onderdanen deze vrede zouden verbreken. De Engelsen negeren de boodschap van Dom Manuel en als hun kleinste schip de Portugese nau passeert, neemt Dom Manuel het schip onder vuur, waarop alle vier Engelse schepen de nau aanvallen. Als de nacht valt vervolgt Dom Manuel zijn koers en de andere morgen bevindt de nau zich bij het Comoren-eiland Mayotte voor de kust van Oost-Afrika. De Engelsen volgen de nau en als de wind wegvalt, kan Dom Manuel niet wegkomen en wordt hij tot hervatting van het gevecht gedwongen. Al spoedig verliest de kraak in de strijd haar masten, waarop de opvarenden zich trachten in veiligheid te stellen op het eiland Angaziya. De Engelse admiraal waarschuwt Dom Manuel dat hij zijn ondergang tegemoet gaat en hij belooft hem, wanneer hij zich overgeeft, de gehele bemanning in Surat aan land te zetten, vanwaar zij over land naar Goa kunnen reizen. Maar het enige antwoord dat Dom Manuel zich verwaardigt te geven, is dat de bezorger van meer van zulke boodschappen zal worden opgehangen. De nau, meedrijvend op het tij, strand tussen twee rotsen, waarop de opvarenden in zee springen en zich aan land in veiligheid stellen. Daar worden zij door Kafirs ontdaan van hun kleding; velen sterven van ontbering en blootstelling aan de elementen, maar de meerderheid arriveert tenslotte, na zware ontberingen te hebben doorstaan, in Mombaça, waar zij verblijven op kosten van de stad, totdat zich een gelegenheid voordoet hen weg te zenden. Zij gaan op 10 september 1616 in Mombaça aan boord van een schip dat op weg is naar Goa, waar zij tenslotte aankomen.

Als de handel in de Arabische haven Sohar de Portugese belastingontvangsten in Ormoez en Muscat serieus aantasten, wordt besloten hiertegen stappen te ondernemen. Bijgevolg zendt vice-rei Dom Jerónymo de Azevedo een galei en vijf andere vaartuigen, onder bevel van Dom Francisco Rolim naar Sohar. Hij dient zich met zijn eskader te voegen bij de vloot van vijf schepen van Dom Vasco da Gama in Muscat. Sedert het in 1581 door de Turken verwoeste fort Merani5 in Muscat in 1588 door Belchior Álvares6 is herbouwd, is Muscat een belangrijk militair steunpunt van hen in de regio van de Perzische Golf. Dom Vasco is een bondgenootschap aangegaan met een zekere Amer, de chef van een naburige Arabische stam, die enige grieven koestert tegen Mahomet, de Koning van Sohar, en die met een strijdmacht van 1.200 man tegen Sohar optrekt. Bij aankomst van de vloot bij Sohar, gaan de Portugezen aan land en nemen bezit van enige moskeeën, om daarin beschutting te vinden, totdat hun kanonnen ook aan land zijn gebracht. Eerst wordt een op een heuvel gelegen fort aangevallen en Mahomet, de commandant van het fort, wordt gedood door een musketschot, maar de nacht valt in voordat de verovering is voltooid. De volgende morgen worden de loopgraven rond het fort veroverd. Kort daarna wordt een moskee bezet en uiteindelijk capituleert de stad. Daar worden veel vrouwen en kinderen gevangengenomen en wordt een aanzienlijke buit gevonden. Kort daarna geeft ook het fort zich over en ‘s konings broer, die is gearresteerd, wordt ter dood gebracht. De Portugese troepen, beroven en doden het garnizoen, in strijd met de capitulatievoorwaarden als zij wegmarcheren en, ofschoon is afgesproken dat er geen gevangenen zullen worden gemaakt, pakken de Portugese soldaten verschillende meisjes mee, onder het voorwendsel dat zij katholiek zullen worden opgevoed.

In 1617 wordt Lourenço Perez de Carvalho met versterkingen uitgestuurd naar Sri Lanka, waar de Portugezen behoorlijk in het nauw zijn gedreven, zoals blijkt uit de beschrijving van de gebeurtenissen aldaar in een volgend deel. De Chinezen dreigen de Portugezen in 1617 uit Macau te verdrijven, wegens hun ergernis gevende levenswijze. Zie hierover in een volgend deel.

Robert Sherley heeft bij zijn bezoek aan Spanje namens sjah Abbas aangeboden Spanje het monopolie in de handel in zijde te willen verlenen. De koning wenst nu te doen onderzoeken hoe serieus dit aanbod genomen dient te worden. De sjah heeft de Koning van Spanje in een brief ook gevraagd hem geen geestelijken meer als ambassadeurs te zenden, maar een heer van aanzien, “want hij zal beter weten hoe te handelen in een zaak als deze en zijn koning zal beter gediend worden, omdat een religieus man buiten zijn cel is als een vis buiten het water.” In overeenstemming met dit verzoek wordt Don García da Silva y Figueroa, een Spaans edelman, naar hof van de sjah gezonden. De ambassadeur heeft een zeer fraai geschenk voor sjah Abbas bij zich. Het is een rijk en prachtig kunstwerk van goud en zilver dat met zeldzaam bekwaam vakmanschap is vervaardigd en dat bezet is met kostbare stenen. Hij vertrekt aan het begin van 1614 van Madrid naar Lissabon en reist vandaar naar Goa, waar hij in oktober 1614 aankomt en waar hij verdere instructies zal ontvangen. Bayani vermeldt7 dat de ambassadeur in Goa niet de behandeling ontvangt die hij wenst. De Portugezen daar zijn jaloers te zien dat een Castiliaan benoemd is tot ambassadeur en dat zij de gezant van El Rey Católico moeilijkheden in de weg leggen. Vice-rei Dom Jerónymo de Azevedo, die hem beschouwt als “beoordelaar en controleur van zijn gedrag” verhindert hem te vertrekken. Hij houdt hem bijna drie jaren in Goa, zonder te overleggen met de Spaanse regering. De ambassadeur besluit, zonder toestemming af te wachten, Goa te verlaten. Hij vertrekt op 17 maart 1617 aan boord van een kleine bark naar Ormoez, waar hij de gehele zomer onder zeer ongemakkelijke omstandigheden verblijft. Hij weet tenslotte het vasteland van Perzië te bereiken en reist van Bandal via Lār naar Shiraz, waar hij gastvrij wordt ontvangen door de gouverneur van de stad. Hij verblijft daar 14 maanden, wachtend op de instructies van sjah Abbas, die in Māzandarān verblijft en niet veel haast heeft hem te ontvangen. Don Garcia da Silva y Figueroa vertrekt 5 april 1618 uit Shiraz en komt dertien dagen later aan in Isfahan, waar hij tot 18 mei verblijft. Hij ontvangt daar verlof zich naar Qazvin te begeven, in welke stad zich het hof bevindt. Twee dagen later wordt hij door sjah Abbas ontvangen, maar de audiëntie leidt niet tot enig resultaat. Hij keert terug naar Isfahan, waar hij de hele winter en een deel van de zomer van 1619 woont. Don García da Silva y Figueroa verkeert in de omstandigheden waarin hij zijn regering niet kan informeren over wat zich heeft voorgedaan tijdens zijn eerste audiëntie bij de sjah, noch kan hij om geldelijke ondersteuning vragen tengevolge van de verwarring die op dat moment in de leiding en het bestuur van Ormoez heerst. De moeilijkheid een koerier te doen vertrekken is meer en meer de oorzaak van de buitengewone alertheid van Dom Luíz da Gama, Capitão van Ormoez, voor zaken die de doortocht van koeriers verhinderen. Enige augustijnen die in Isfahan werkzaam zijn, keren zich openlijk tegen de Spaanse ambassadeur, wat mogelijk is toe te schrijven aan zijn persoon dan wel verband houdt met diens opdracht. Don Garcia da Silva y Figueroa onderneemt begin september een nieuwe demarche, ondanks de antipatie van sjah Abbas tegenover de Spaans-Portugese regering. Hij zendt Frei Melchior des Anges met een brief van Philips III, die hem over een landroute is gebracht door de geestelijke, Frei Jean Thadée du Saint-Esprit. In deze brief roert Philips III zowel het contract over de handel in zijde aan, als het tegen de Ottomaanse macht in de Rode Zee gerichte zeemacht. En de Conselho de Portugal heeft besloten dat Frei Melchior deze brief niet aan de ambassadeur mag geven, als de sjah deze niet in ontvangst wil nemen. Frei Melchior gaat naar Farah-Abād waar zich het hof bevindt. Hij wordt daar zo slecht ontvangen, dat de sjah hem zelfs niet wil spreken, maar zich ermee tevredenstelt zijn secretaris te laten zeggen, dat hij geen vloot in de Rode Zee nodig heeft, noch belangstelling heeft voor het aangaan van een handelsverdrag inzake zijde, want hij heeft vrede gesloten met het Ottomaanse Rijk en kan daarom alle zijde uit zijn rijk naar Aleppo en Istanbul zenden en hij zal geen duimbreed veroverd gebied behoeven terug te geven. Met dit antwoord verlaat Frei Melchior Perzië, om rapport uit te brengen aan de Raad van Portugal. Aan het begin van de zomer van het jaar 1619 ontvangt sjah Abbas in een plechtige audiëntie de gezantschappen van Spanje, van de Grootmogol, van de Khan van Boechara, van de Groothertog van Moskou en van de Kozakken van de Perekop. Tijdens deze audiëntie, die voor Spanje niets oplevert, vraagt Don Garcia da Silva y Figueroa vergeefs om teruggave van de Perzische veroveringen op het koninkrijk Ormoez, te weten: Bahrein, Queixome (Kishm) en Comorão (Gombrūn of Bandal). Garcia da Silva y Figueroa verlaat de Perzische hoofdstad op 2 augustus 1619 en hij komt 19 oktober van dat jaar in Ormoez aan. Tot zover het ingekorte relaas van Bayani; Danvers legt het accent op de kosten van de ambassadeur. Hij schrijft: volgens hem heeft Don Garcia da Silva y Figueroa bij zijn vertrek een cheque bij zich van 20.000 crowns, die geïnd kan worden bij het douanekantoor in Ormoez, in aanvulling op wat hij heeft ontvangen als ‘startkapitaal’. Als hij in Goa aankomt, heeft sjah Abbas een ambassadeur naar Spanje gezonden; het is dus tijd dat Don García doorreist naar Perzië. Desondanks verblijft hij enige tijd in Goa, gedurende welke tijd hij de nodige uitgaven heeft verricht. Om deze te bestrijden vraagt hij de onderkoning om een voorschot van 30.000 dukaten. Dom Jerónymo de Azevedo kan moeilijk weigeren de ambassadeur een groot deel van dit bedrag te verstrekken. Don García wacht het winterseizoen in Goa af en hij hoopt in het voorjaar naar Perzië te kunnen doorreizen, maar van een daadwerkelijk vertrek van Don García is niets bekend en het is zeer twijfelachtig of hij überhaupt ooit naar dat land is afgereisd, aldus Danvers.

Dom Jerónymo de Azevedo heeft instructies van de koning ontvangen een missie naar Madagascar te zenden om uit te vinden of daar nog Portugezen zijn die na een schipbreuk mogelijk de kust van dit eiland hebben weten te bereiken. De onderkoning heeft in januari 1614 Paul Rodriguez da Costa met een caravela naar Madagascar gezonden, tezamen met een aantal soldaten, twee jezuïeten en enige tolken. Deze expeditie bereikt haar bestemming midden april. Paul Rodriguez sluit, bij het rondzeilen van het eiland, een vriendschapsverdrag met Sanamo, de Koning van een eiland nabij Masialage, die toestemming geeft het Evangelie in zijn gebied te prediken. Er worden ook vriendschappelijke betrekkingen aangegaan met de koningen van Casame, Sadia en andere plaatsen. Als Paul Rodriguez in Matacassi aankomt, verneemt hij daar dat bepaalde Portugezen daar niet ver vandaan een stenen stad hebben gebouwd, waarin zij enige tijd gewoond hebben, maar inmiddels zijn zij allen overleden. In Matacassi wordt een kleine kapel gebouwd voor de twee jezuïeten en vier andere Portugezen, die daar worden achtergelaten. De koning heeft beloofd een van zijn zoons als gijzelaar met Paul Rodriguez mee te geven, om de veiligheid van de achtergelaten Portugezen te verzekeren, maar als de tijd gekomen is zijn belofte waar te maken, komt de koning hierop terug. Er worden pogingen ondernomen een van de zonen van de koning in handen te krijgen en enige Portugese soldaten slagen erin de favoriete elfjarige zoon van de koning te grijpen. De koning tracht hem te redden, maar dit wordt verhinderd en het kind wordt meegenomen naar Goa. Bij zijn doop ontvangt hij de naam Andreu Azevedo en hij wordt overgedragen aan de jezuïeten om te worden opgevoed. Na een verblijf van een paar jaren in Goa, zendt de onderkoning de jongen op 17 september 1617 terug naar zijn vader en bij aankomst in Porto Santa Lucia wordt hij met de grootste vertoon van blijdschap ontvangen door de koning en de koningin. Pedro de Almeida Cabral, die de jonge prins naar huis brengt, heeft bevel de koning mee te nemen naar Goa en als hij dit weigert, een van zijn andere zoons te grijpen. Omdat de koning nog maar een andere zoon heeft, die echter nog te jong is om op reis te gaan, neemt Pedro de Almeida een neef van de koning, Anria Sambo, mee naar Goa, waar hij bij zijn doop de naam Jerónymo ontvangt. Later wordt de jongeman naar huis teruggebracht in een pink, onder bevel van Manuel Freire de Andrade. Hij vervoert in zijn schepen, naast honderd soldaten, twee jezuïeten en een geschenk met een waarde van 4.000 dukaten voor de koning en de prins. Danvers vermeldt dat Manuel Freire al in februari 1617 vertrekt, wat niet klopt met het voorgaande, en dat hij bij aankomst bij het eiland van ‘Del Cisne’ drie in de monding van de rivier gezonken schepen ziet. Na aan land te zijn gegaan, stuiten zij op zo’n twintig Hollanders, die de goederen bewaken die zij uit de wrakken hebben weten te redden. Zij worden na enige tegenstand te hebben geboden, overweldigd en de meeste goederen worden overgebracht naar de Portugese schepen. Daarbij zijn ladingen kruidnagelen, peper, wapens, ammunitie en levensmiddelen. Wat moet worden achtergelaten, wordt verbrand. Als Manuel Freire de Andrade in de haven van Porto Santa Lucia aankomt, melden zich de twee daar achtergelaten jezuïeten bij hem. Zij verkeren in slechte gezondheid en vertellen dat de vier met hen achtergelaten Portugezen allen gestorven zijn. Manuel Freire zendt daarop de koning voor hem meegebrachte brieven en een geschenk en de koning laat hem een hoeveelheid vers voedsel en zes slaven bezorgen, maar hij weigert zelf een bezoek aan de schepen te brengen. Het blijkt dat Dom Andreu zich heeft bekeerd tot de islam en ook wordt ontdekt dat de koning zoekt Manuel Freire te doden. Hij zou hiertoe zijn aangezet door een van de Singalese slaven van de jezuïeten die de koning ervan overtuigd heeft dat de Portugezen hem zeker zullen beroven van zijn koninkrijk. Er ontstaat een situatie waarbij de zwarten de Portugezen bekogelen met stenen en beschieten met pijlen, hetgeen beantwoord wordt met musketschoten en nadat enige zwarten zijn gedood, worden hun lijken als waarschuwing aan de rest, opgehangen aan de bomen. Manuel Freire de Andrade vertrekt daarna naar Goa, met medeneming van de neef van de koning, Dom Jerónymo, en zijn broer, die bij de schermutselingen is overmeesterd. De jezuïeten besluiten ook terug te keren naar Goa.

Tegen het eind van 1617 arriveren vier schepen uit Lissabon in Goa. Aan boord bevindt zich Dom João Coutinho, conde de Redondo, die Dom Jerónymo de Azevedo als onderkoning zal opvolgen. De afgetreden onderkoning keert naar Portugal terug in hetzelfde schip dat zijn opvolger naar Goa heeft gebracht. Bij aankomst in Lissabon wordt hij direct gearresteerd en in een kerker geworpen. Hij wordt met zeer weinig respect behandeld en, na een lang verblijf in de kerker wordt hij berecht op beschuldiging de Hollanders niet te hebben bestreden. Na zijn veroordeling wordt hij met nog minder respect behandeld dan daarvoor. Bij zijn ambtsaanvaarding was vice-rei Dom Jerónymo de Azevedo een zeer rijk man, maar door zijn vrijgevigheid is hij als een arm man teruggekeerd. Danvers, aan wiens boek deze bijzonderheden ontleend zijn, vervolgt zijn relaas als volgt8 “Van wat voor soort recht sprake mag zijn geweest bij zijn opsluiting en bij de tegen hem ingebrachte beschuldigingen, desondanks is het onmogelijk enige sympathie te koesteren voor iemand die de hem toevertrouwde macht zozeer heeft misbruikt voor het plegen van de grootste wreedheden die de menselijke geest zich maar kan voorstellen. Op het hoogtepunt van zijn succes op Sri Lanka heeft hij moeders gedwongen hun kinderen tussen molenstenen te werpen en nadat zij hen hebben zien omkomen, zijn zij zelf onthoofd. Hij heeft veroorzaakt dat soldaten kinderen op de punten van hun lansen hebben gezet en terwijl hij hen heeft horen schreeuwen, heeft hij hen bevolen te luisteren hoe deze hanen kraaiden, waarbij hij duidde op de gelijkenis van de naam van dit volk, Galas geheten, en het Portugese woord voor hanen, galos. Hij heeft veel mannen door soldaten van de Malvana brug laten gooien, om te zien hoe zij door krokodillen werden verslonden; en deze schepsels werden het zo gewoon op deze wijze te worden gevoerd, dat zij op een fluitsignaal hun koppen boven water staken in de verwachting eten te zullen krijgen.

Als Dom João Coutinho, conde de Redondo het ambt van onderkoning op zich neemt, is er een oorlog aan de gang in Mangalore, waar Salvador Ribeiro capitão is. Met de hulp van Dom Diogo Coutinho, de Portugese opperbevelhebber in Malabar, treedt hij in het veld tegen 11.000 inheemsen, die hij verslaat, waarbij hij zelf maar zes man verliest. De Koning van Banguel (district), die op vriendschappelijke voet met de Portugezen verkeert, is echter niet in staat zich te beschermen tegen zijn vijand Ventaca Naik. Hij laat de verdediging over aan de Portugezen, die António de Saldanha daarvan de leiding geven. Dom Francisco de Menezes de Baçaim, die met additionele strijdkrachten naar hem gezonden is, wordt bij zijn landing in 1617 aangevallen door de moren. Aanvankelijk zijn zij aan de winnende hand, maar uiteindelijk worden zij verslagen en op de vlucht gedreven. Een strijdmacht van 300 Portugezen en 1.000 inheemsen wordt achtergelaten, om de inheemse bevolking onder de duim te houden. Kort hierna worden de Portugezen aangevallen door een strijdmacht van Canarezen en de onderkoning zendt daarom Francisco de Miranda Anriques met acht schepen en versterkingen naar het strijdtoneel. Zij arriveren daar in augustus 1617 en bij de gevechten die volgen verliezen de Portugezen 800 en de vijand 4.000 man. Francisco de Miranda heeft een rijk schip uit Mecca, dat toebehoort aan de koningin van Olala, genomen. Zij wreekt deze daad met het zenden van een aantal manschappen om de vijand te helpen. Deze belegert het fort van Banguel en steekt de stad in brand. Er volgt een ontmoeting, waarin beide partijen zware verlezen lijden, maar de Portugezen beweren dat zij in de strijd voordeel hebben behaald. Francisco de Miranda onderneemt een aanval op het fort van Olala, maar wordt teruggeslagen en is genoopt zich terug te trekken. Aan het begin van het jaar 1618 overvalt Ventaca Naik met 12.000 Canarezen plotseling Luíz de Brito e Mello, die Dom Francisco de Miranda te hulp komt. Hij doodt beide officieren, tezamen met 180 Portugezen en 60 slaven.

Om de belangen van de Portugezen in Indië te beschermen zendt de graaf van Redondo een ambassadeur naar Grootmogol Jahangir. Deze verzoekt de vorst noch Engelse, noch Hollandse schepen in zijn havens toe te laten. Het resultaat van de missie is dat Jahangir het embargo opheft dat hij heeft gelegd op 200 Portugese schepen die in zijn havens liggen en hij ziet af van het voeren van oorlog tegen Damão en Diu.waarvoor hij reeds 30.000 ruiters heeft vrijgemaakt uit het leger waarmee hij wil optrekken tegen de Perzen, die zijn gebieden zijn binnengevallen

In het voorjaar van 1618 verlaten drie schepen en twee vliegboten9 Lissabon, voor een reis naar Indië, onder bevel van Dom Christophor de Noronha. Een van de vliegboten, die de rest van de vloot vooruit is, ontmoet bij Cabo da Boa Esperança zes Engelse schepen en wordt door de Engelsen buitgemaakt. De Engelse admiraal, die van de Portugezen aan boord van het veroverde vaartuig verneemt dat nog meer Portugese schepen in aantocht zijn, wacht hun komst af en wanneer zij arriveren, deelt hij Dom Christophor de Noronha mee, dat hij van zijn koning opdracht heeft van de Portugezen bezittingen ter waarde van 70.000 buit te maken, als vergoeding voor de schade veroorzaakt door vice-rei Dom Jerónymo de Azevedo aan vier Engelse schepen in de Baai van Surat. Dit bedrag wordt onmiddellijk door Dom Christophor betaald, tezamen met een extra bedrag van 20.000 dukaten voor verdeling onder de bemanningen van de Engelse schepen. Als Dom Christophor in Goa aankomt, wordt hij gearresteerd door de onderkoning, die hem als gevangene terugzendt naar Lissabon.

Op 10 november 1619 sterft de graaf van Redondo aan een gezwel op zijn rug, waarvan de aard is bestudeerd door de kundigste doktoren van Goa. Hij wordt begraven in de Igreja dos Reis, een légua rivierafwaarts, waarin zijn vader ook begraven is en wat de gebruikelijke begraafplaats is voor gestorven onderkoningen. Wanneer, na het overlijden van de graaf van Redondo, de opvolgingsbrieven worden geopend, blijkt de eerste naam die te zijn van Fernão de Albuquerque, een heer van 70 jaar, die al 40 jaar in Goa woont. Hij gaat het ambt bekleden van capitão-geral, zonder de titel vice-rei te voeren en ofschoon hij ongetwijfeld een grondige kennis bezit van de Estado da India, is men algemeen van oordeel dat hij, gelet op zijn leeftijd, nauwelijks de kracht en de energie bezit die nodig is om de bedreigde Portugese positie in Azië te verdedigen.

1 Zie de bespreking van Sri Lanka in een volgend deel

2 Aan de avonturen van Filippe de Brito e Nicote zal in een volgend deel aandacht worden besteed.

3 Van deze mededeling van Danvers (pag. 163 van deel II) heb ik geen bevestiging kunnen vinden

4 Zie daarvoor een volgend deel, waarin aandacht is geschonken aan Portugees Malacca

5 Fort Merani, met de bouw waarvan in 1552 João de Lisboa al is begonnen, ligt aan de westzijde van Muscat, terwijl aan de oostkant van de stad (bij Matrah of Matara) – volgens Sergeant – Fort São João ligt.

6 Belchior Álvares heeft niet alleen het fort herbouwd, maar is daarvan in 1588 ook de eerste capitão geworden

7 zie pp 70 en 71

8 zie deel II, pag. 198

9 En vliegboot is een lang vaartuig met een platte romp, gebouwd voor het vervoer van bulkgoederen. Het is een goedkoop te bouwen schip, met een kleine bemanning

2.4 De val van Ormoez

Categorieën
Portugees kolonialisme

Een Perzisch gezantschap naar Europa; De capitães-gerais Dom Frei Aleixo de Menezes, Dom André Furtado de Mendoça en Ruy Lourenço de Tavora (1607-1612). Overige verwikkelingen in de Estado da India

Deel 16 Index

Hoofdstuk 2.

Overige verwikkelingen in de Estado da India

2.2. Een Perzisch gezantschap naar Europa; De capitães-gerais Dom Frei Aleixo de Menezes, Dom André Furtado de Mendoça en Ruy Lourenço de Tavora (1607-1612)

Geschreven door Arnold van Wickeren

Sjah Abbas, de grote monarch, begerig naar roem en verlangend de erfenis van zijn voorvaderen met nieuwe veroveringen te kunnen vergroten, is voortdurend erop uit een beslissende militaire nederlaag toe te brengen aan de Ottomanen, die ondanks vele geleden nederlagen, een geduchte vijand voor hem zijn gebleven. De sjah denkt een nieuwe poging te moeten ondernemen om de Europese vorsten te verenigen in een verbond gericht tegen het Ottomaanse Rijk en hij wil tegelijkertijd zijn volk doen profiteren van de gelegenheid zeer voordelige handelsbetrekkingen aan te gaan. De sjah besluit een gezantschap naar Europa te zenden. Zijn keuze valt op Robert Sherley, die altijd een toegewijd dienaar is geweest en die zich heeft onderscheiden in de tegen de Ottomanen geleverde gevechten in Azerbeidzjan en Armenië (De sjah heeft Robert Sherley in 1607 in het huwelijk doen treden met de dochter van een hoge militair uit Circassië.). Tot het gezantschap behoort ook de dienaar aan zijn hof, Tchanguiz Beyk Roūmlū en bovendien belast hij padre Gouvea, die nauwelijks tijdig in Isfahan heeft kunnen arriveren, aan de lange en gevaarlijke reis naar zijn vaderland deel te nemen, om zijn soeverein Philips III te vragen zich aan zijn belofte te houden een tegen de Turken gericht verbond aan te gaan. Na de noodzakelijke instructies te hebben ontvangen, begeeft de ambassadeur zich op weg, met zijn geloofsbrieven bestemt voor de christelijke vorsten. Het gezantschap verlaat Perzië in de loop van februari 1608. Het trekt door Rusland en komt aan in Krakow. Hier wordt het gezantschap plechtig ontvangen door koning Sigismond III. In Praag slaat keizer Rodolphe II Robert Sherley tot ridder en kort daarna verleent hij hem de titel graaf van Palatin. Robert verlaat Praag en komt zondag 27 september 1609 in Rome aan. Tijdens de audiëntie, die hem direct wordt verleend, overhandigt hij de brief van sjah Abbas aan paus Paulus V. In deze brief geeft de sjah te kennen te willen deelnemen aan een tegen de Ottomaanse macht gericht verbond. Van Rome, bereikt hij Milaan en Genua, waar, hij zich inscheept naar Barcelona, waar hem wordt verzocht de orders van het hof af te wachten. De koning en de hertog van Lerma zien het gezantschap met een zekere bezorgheid arriveren. De secretaris Prado vertrouwt Francis Cottington, de ambassadeur van Engeland toe dat men al zo vaak gedupeerd is door lieden komende uit zeer verre landen, dat Zijne Majesteit heeft besloten, zich te laten overtuigen dat Sherley werkelijk een ambassadeur is, alvorens hem te ontvangen. Overigens voegt hij aan zijn woorden toe “hebben wij geen hoge dunk van zijn wijsheid, toen wij zagen dat zijn hoofd bedekt is met een tulband. Sherley die zijn tijd verdoet met wachten is verplicht zijn gezantschap op eigen kosten te verplaatsen naar Aranjuez, waar zich het Spaanse hof bevindt. Zijn eerste audiëntie wordt hem verleend in de loop van de maand januari 1610. Sherley heeft twee brieven van sjah Abbas voor Philips III bij zich In een van de brieven die is opgenomen in de verhalen over de grote oorlogen van padre Gouvea, vraagt de sjah koning Philips een hoge prelaat te zenden voor alle (Armeense) christenen in zijn land. Robert Sherley tracht in zijn kwaliteit van ambassadeur van het Perzische hof tijdens een conferentie de Spaanse regering te doen besluiten zich aan te sluiten bij een tegen de Porte gerichte alliantie. ”De koning antwoordt hem kort en bondig; de koningin van haar kant voegt hem enkele onbenulligheden toe.” Robert Sherley beklaagt zich in bewoordingen bij de hertog van Lerma over de onverschilligheid van het vorstenpaar. Verscheidene maanden, waarin Robert in onzekerheid verkeert, passeren. Beïnvloed door de rijke giften die de vertegenwoordigers van Perzië en padre Gouvea hebben meegebracht, staat het Spaanse hof welwillend tegenover Robert Sherley, maar de regering van Philips III wil noch in oorlog geraken met de Turken, noch de uitvoerrechten van 23%, geheven op exporten uit Lissabon met bestemming Perzië opheffen. Men vraagt zich af of het aanbod Spanje het monopolie op de handel in zijde te geven, dat Robert Sherley doet, serieus gemeend is. Vertwijfeld door zijn pogingen de koning te overtuigen en verlangend een gunstig antwoord te ontvangen, begeeft Sherley zich naar Madrid, waar hij het verlangen te kennen geeft naar Engeland te gaan. Robert Sherley heeft zijn afscheidsaudiëntie in maart 1610. De koning geeft hem, naast antwoordbrieven aan de sjah, een bedrag van 4.000 dukaten, maar de omstandigheden verplichten hem om tot de zomer van 1611 in Spanje te blijven. Het laatste deel van zijn verblijf in Madrid is moeilijk; zijn broer Anthony, keert berooid terug uit Napels en Robert wordt er bovendien van beschuldigd van plan te zijn naar Engeland te gaan om tegen de Spaanse monarchie samen te zweren. Deze beschuldiging dient serieus te worden genomen, want hij heeft al eerder het vaste voornemen geuit naar het Engelse hof te gaan om koning James de commerciële voordelen aan te bieden, die hij vergeefs voorgesteld heeft aan de Spaanse regering. Robert begint te vrezen dat men zal trachten zich middels vergif van hem te ontdoen. Zijn stappen om verlof te krijgen het Spaanse grondgebied te mogen verlaten, zijn strikt genomen nutteloos, evenwel, in weerwil van de machinaties van zijn broer Anthony, slaagt Robert erin Spanje in de loop van de maand juni van het jaar 1611 in het geheim te verlaten en in de maand augustus reist hij naar Engeland, waar hij 1 oktober door koning James in Hampton-Court in audiëntie wordt ontvangen en de koning een brief van sjah Abbas overhandigt. De brief van de sjah en de voorstellen van Sherley missen hun uitwerking niet; twaalf dagen na de audiëntie laat de koning vier kooplieden, leden van de EIC de voorstellen onderzoeken en vraagt de koning hun advies. “Sir Robert Sherley, schrijft Mr. Chamberlain aan Sir Dudley Carrington, assistent bij verschillende conferenties, maar ik betwijfel of deze projecten slagen, want de weg erheen is lang, de voordelen zijn onzeker en wij verwoesten er onze handel met de Turken mee. De kooplieden die handeldrijven met de Levant protesteren tegen de voorstellen van Sherley, die zich bovendien te verdedigen heeft tegen aantijgingen van Spaanse zijde. Het verblijf van de gezant van Perzië in Londen strekt zich uit over anderhalf jaar. De Engelse regering streeft naar het aangaan van een overeenkomst met Perzië, die niet alleen de beide heersers bindt, maar ook hun opvolgers. De Koning van Engeland is bereid een deel op zich te nemen van de kosten van het uitrusten van een pinas om Sherley naar Indië te brengen. De officieren aan boord van dit bewapende schip ontvangen de opdracht zich ervan te vergewissen dat de Engelse vloot in staat is de ondernemingen van de Spanjaarden te verijdelen en zij dienen ook te laten weten of de rapporten van de handelaren geloofd kunnen worden. Robert Sherley verlaat Engeland in de maand november van 1614 en hij begeeft zich naar Agra, naar het hof van de Grootmogol en in de maand juni van het volgende jaar is hij weer terug in Isfahan.

Tchanguiz Beyk, de Perzische ambassadeur naar de Koning van Spanje, blijft tot 1613 in dat land; hij is aanwezig bij de begrafenis van koningin Marguerite en keert met een Spaans gezantschap naar Perzië terug. Als hij in 1614 in Isfahan aankomt, wordt hij gearresteerd en ter dood veroordeeld, omdat hij zich bij het vervullen van zijn opdracht te weinig heeft ingespannen. Danvers, die de ambassadeur aanduidt als Danisbeque Sedefable, deelt mee dat de ambassadeur, met het Spaanse gezantschap, via Goa naar Perzië terugkeert en dat vice-rei Dom Jerónymo de Azevedo aan de mooie en kostbare geschenken van koning Philips nog specerijen ter waarde van 12.000 crowns toevoegt en hem bovendien briljant vermaak biedt. De onderkoning zendt ook naar Perzië Frei D. F. de Gouvea, bisschop van Sirene, die eveneens uit Spanje is aangekomen om in Perzië het Evangelie te verkondigen. De missionaris reist niet verder dan Ormoez, omdat de Perzen hem niet gunstig gezind zijn en hij vreest dat de animositeit nog zal toenemen als de ambassadeur zijn antwoord zal hebben afgeleverd. Danvers laat weten dat sjah Abbas Danisbeque Sedefable laat executeren, zodra hij van het onbevredigende antwoord van koning Philips III heeft kennisgenomen. Bovendien verplicht hij 6.000 Armeniërs die in Perzië leven, hun geloof af te zweren.

Aan het begin van het jaar 1609 zeilt Dom João Pereira Froja, conde de Feyra, met zes schepen, naar Indië, om daar het ambt van onderkoning op zich te nemen. Hij wordt vergezeld door Dom Cristovão de Noronha, met acht galjoenen. Deze vloten varen uit op 29 maart, maar het is Dom João niet gegeven Indië te bereiken, want hij sterft op 15 mei, waarop het commando over de gehele vloot overgaat op Dom Cristovão de Noronha. Het lichaam van de conde de Feyra wordt teruggezonden naar Lissabon, waar het 24 juli 1609 aankomt.

Het behoeft geen verbazing te wekken – schrijft Magalhães-Godinho (pag. 776) – dat de Mogol het recht verkregen heeft ieder jaar vanuit Diu een groot schip naar Mecca te zenden, zonder twijfel met pelgrims – 700 personen in 1609 – maar ook met een rijke lading zijde en zijdenstoffen en andere zeldzame en kostbare zaken, voor een waarde van 2 miljoen cruzados aan goud in dat jaar. Voor 1581 betaalde de Mogol de Portugezen in Diu douanerechten, die zelfs ooit 18.000 pardaos bedragen hebben, te betalen in larins. In 1609 vraagt de Mogol de onderkoning hem een groot schip beschikbaar te stellen voor een reis naar Jedda. Het verzoek wordt ingewilgd. De reis van 1609 wordt gemaakt onder bescherming van een cartaz, getekend door Dom Frei Aleixo de Menezes, aartsbisschop van Goa en capitão-geral. Het schijnt dat het schip overigens geen smokkelwaar, dus specerijen heeft vervoerd, maar andere schepen, die jaarlijks dezelfde reis maken, hebben deze waarschijnlijk wel gedaan.

De aartsbisschop van Goa, Dom Frei Aleixo de Menezes, die de in Malacca overleden Martim Afonso de Castro in 1607 als gouverneur-generaal is opgevolgd, heeft dit ambt 2½ jaar bekleed. Hij wordt in 1609 op zijn beurt opgevolgd door Dom André Furtado de Mendoça. Diens benoeming tot capitão-geral van de Estado da India wekt grote verwachtingen in de moeilijke tijden die de Portugezen doormaken. De nieuwe gouverneur onderscheidde zich al in menig actie: hij volgde Dom Sebastião als 16-jarige naar Marokko, hij kwam daarna naar Indië en ontzette als commandant van tien schepen het fort van Barcelor, dat belegerd werd door koning Sincarnoboro, hij nam veel schepen van Mecca, hij versloeg de grote generaal Contimuza, verwoeste een andere vloot bij Manar, waarbij hij veel schepen buitmaakte, hij versloeg de Koning van Jaffna, die in opstand was gekomen en vernietigde bij Malabar een vloot die de Portugese scheepvaart veel schade berokkende, hij beëndigde de belegering van Colombo door Raja Singha, verwoeste het fort van Kunhale, nam deze piraat en zijn neef gevangen en bracht hen naar Goa, leverde slag met de Hollanders voor Bantam en verdreef hen van Ambon, veroverde enkele sterkten op de eilanden Ibo, Nao en Veranula en terwijl hij capitão van Malacca was, doorstond hij een belegering van vier maanden door de Hollanders, die werden gesteund door elf inheemse vorsten. André Furtado onderscheidt zich door de buitengewone eenvoud in zijn optreden en zijn beleefdheid tegenover iedereen die hij ontmoet. Kort na zijn ambtsaanvaarding verschijnen aan de horizon een groot aantal tamelijk grote schepen. Verondersteld wordt dat het om de Hollandse vloot gaat. André Furtado heeft een aantal uitgeruste en bemande schepen gereed liggen om direct tegen de vijand te kunnen optreden. De gewaarschuwde gouverneur rent naar de kust en binnen een paar uur zijn de eerste schepen tot vechten gereed en hij merkt op”Nu zullen zij zien hoe André Furtado met deze lichte vaartuigen hun driedeksschepen entert. Die tijd is nu gekomen.” Grote aantallen Portugezen melden zich aan om de gouverneur in deze verwachte onderneming te volgen, maar op het moment dat de zeilen worden gehesen om uit te varen, komt het bericht dat de naderende schepen geen vijanden zijn, maar schepen uit Portugal, die de nieuwe capitão-geral Ruy Lourenço de Tavora escorteren. Hij is de opvolger van de eind oktober 1609 op weg naar zijn standplaats overleden vice-rei, conde de Feyra. Ruy Lourenço de Tavora is eind oktober 1608 uit Lissabon vertrokken met vier galjoenen en een karveel en hij heeft overwinterd bij het eiland Ibo, aan de Swahilikust, ten noorden van Pemba. Kort na de aankomst van de nieuwe gouverneur in Goa, arriveert nog een tweede vloot, bestaat uit vijf schepen, onder Dom Manuel de Menezes, in de haven en begin 1610 komen nog eens drie schepen aan, onder bevel van Luís Mendes de Vasconcellos, zodat de gouverneur voorzien is van een grotere vloot dan gebruikelijk. Dankzij de voortuitziende blik van zijn voorganger, is vloot beter uitgerust en bemand dan vroeger gebruikelijk was.

In Indië krijgen de Portugezen in 1610 te maken met toenemende problemen. In Chaul hebben zij van doen met de moor Abdala Carima, thanadar van de Nizam-ul-Mulik, die grote vijandschap jegens de Portugezen koestert, omdat hij door hen de helft van zijn land verloren zou hebben. Deze Abdala Carima gedraagt zich tegenover de Portugezen zo onbeschaamd, dat de capitão van het fort in Chaul, Dom Francisco Rolim, zich daarover beklaagt bij de Nizam-ul-Mulik. Deze klacht wordt, evenwel, beantwoord met een dreigement een vloot tegen hem uit te rusten, welk dreigement nog wordt onderstreept met de mededeling dat de Hollanders reeds in deze zeeën zijn gearriveerd. Dit blijkt geen loos dreigement te zijn, want hij doet onmiddellijk dertig paraos, die op rooftocht gaan en zich storten op alles wat aan de Portugezen behoort. De thanadar die steun ontvangt, denkt veilig verder te kunnen gaan en nadat men hem heeft ingelicht dat Jorge Henrique het bos is ingegaan, volgt hij hem en doodt hem. Daarna gaat de thanadar naar de woning van Jorge Henrique en neemt bezit van diens vrouw en dochters. Deze gewelddaad stookt de bevolking van Chaul op; zij verlangt van Dom Francisco Rolim dat hij actieve stappen onderneemt om de belediging te wreken. Hij toont enige tegenzin een oorlog te beginnen, want hij heeft daarvoor geen opdracht ontvangen van de onderkoning en daarnaast heeft hij maar weinig soldaten tot zijn beschikking. Hij zwicht in zoverre dat hij ’s nachts twee officieren met zestien soldaten uitstuurt. Zij ontdekken dertig moren bij de pagode van Ramaceyra, van wie zij de helft doden en zich dan terugtrekken. Pedro Cornejo overvalt met dertig man het dorp Tal en nadat zij de inwoners hebben gedood, branden zij de huizen neer en laten twee vaartuigen in de haven zinken. Om verdere agressieve actie van de zijde van Abdala Carima te voorkomen, wordt het wenselijk geacht Pedro Cornejo persoonlijk te straffen en dientengevolge marcheert Dom Francisco Rolim met 350 man, verdeeld in drie groepen de bovenstad van Chaul binnen; een groep wordt geleid door hemzelf, de tweede door Michael de Abreu en de derde door Calleyros. Abreu trekt eerst een smalle straat in, die naar een plein leidt, waar de vijand zich ophoudt. Bij het eerste vijandelijke vuur vinden Michael de Abreu en twee soldaten de dood. Dom Francisco baant zich een weg naar de open ruimte en valt de vijand aan; hij doodt een groot aantal van hen en jaagt de rest op de vlucht. Bij het huis van Abdala Carima aangekomen, blijkt hij te zijn gevlucht. Zijn huis wordt in brand gestoken; hetzelfde lot ondergaat een gehele straat, omdat de moren daar vanuit de ramen op de Portugezen hebben geschoten. Bij het verlaten van de stad verwoest Dom Francisco de landelijke omgeving, doodt iedereen die hij ontmoet en vernietigt alles wat leeft. Er is dus een oorlog uitgebroken in Chaul en beide zijden versterken hun respectieve strijdkrachten, ter voorbereiding van gevechten op grotere schaal. Er vinden verschillende schermutselingen plaats, waarin de Portugezen beweren voordeel te hebben behaald, maar dan arriveert Dom Francisco de Sotomayor met de noordelijke vloot en laat drie vaartuigen in Chaul achter om de stad te versterken. Met deze versterkingen trekt Dom Francisco op tegen de moren. António Furtado de Mendoça gaat, vergezeld door twee man te ver vooruit, om de vijandelijke positie te inspecteren en wordt gedood; de hoofdmacht van de Portugezen valt daarop in een hinderlaag, lijdt hevige verliezen en is genoodzaakt zich terug te trekken. Bij dit treffen wordt Gonçalo de Abreu gedood.

In 1612 wordt er bericht uit Portugal ontvangen dat de Hollanders doende zijn een grote vloot bijeen te brengen om Malacca aan te vallen. Gouverneur Ruy Lourenço de Tavora zendt Diogo de Mendoça Furtado met acht galjoenen naar Malacca om de plaats te versterken. Bij de bespreking van Malacca, wordt hierop teruggekomen. Op 11 maart 1612 sluiten de Hollanders een verdrag met de Koning van Kandy, hetgeen de Portugese positie op Sri Lanka, zoals we later zullen zien, aantast. Aan het einde van het jaar 1612 arriveren drie schepen uit Lissabon in Goa. Een van de schepen heeft het bericht aan boord dat Dom Jerónymo de Azevedo de opvolger zal zijn van capitão-geral Ruy Lourenço de Tavora; hij zal de titel onderkoning voeren Dom Jerónymo keert terug van Sri Lanka naar Goa en neemt op 24 december 1612 het zwaard van zijn voorganger over. In oktober van hetzelfde jaar zeilen twee caravelas van Lissabon naar Goa, gevold door een galeão, die António Pinto de Fonseca, die is uitgezonden als Visitor e Proveditor van de forten in Azië, naar Indië brengt. Tenslotte vertrekt er in december 1612 nog een galeão naar Indië.

2.3 De Vice-reis Dom Jerónymo de Azevedo en Dom João Coutinho, conde de Redondo (1611-1619)

Categorieën
Portugees kolonialisme

Expedities naar Perzië en China; de stad Goa en steunverlening aan de Portugezen in Syriam. Overige verwikkelingen in de Estado da India

Deel 16 Index

Hoofdstuk 2.

Overige verwikkelingen in de Estado da India

2.1. Expedities naar Perzië en China; de stad Goa en steunverlening aan de Portugezen in Syriam

Geschreven door Arnold van Wickeren

Philips III zet de politiek van zijn vader, Philips II, ten aanzien van Perzië voort. Hij geeft zijn onderkoning, Aires de Saldanha, en de aartsbisschop van Goa, Aleixo de Menezes, opdracht een religieuze missie naar Perzië te zenden. De aartsbisschop, zelf een augustijn, kiest de ordebroeders: Jeróme da Cruz, Christofe do Santo Espirito en António de Gouvea uit, om zich naar het hof van sjah Abbas te begeven. Deze missie vertrekt 15 februari 1602 uit Goa en arriveert 4 september in Mashhad, waar zich het hof bevindt. De sjah zendt ter begroeting van de missionarissen de belangrijkste officieren van zijn hof, aan het hoofd waarvan zich bevindt Robert Sherley. De drie missionarissen worden vrijwel direct in audiëntie ontvangen. Sjah Abbas, die eerst zeer welwillend staat tegenover de paters augustijnen die hij vergezelt naar Isfahan, is weldra gechoqueerd door de onbescheiden ijver van de missionarissen en door de ruzie die ontbrand tussen twee gezanten van paus Clemens VIII, Diego de Miranda en Francisco da Costa, die hij vergeefs tracht te verzoenen. Sjah Abbas is aan de ene kant geërgerd door de houding van de missionarissen die hun geloof willen begunstigen en aan de andere kant dient hij een bondgenootschap aan te gaan met hun koning en geestelijk leider. Dit vereist van hem handig diplomatiek manoeuvreren. Na van padre Gouvea de verzekering te hebben gekregen dat de onderkoning van de Estado da India geen enkele expeditie naar de kusten van de Perzische Golf zal zenden, laat hij een van zijn officieren, Allāh Verdy Beyk, met padre Gouvea naar Spanje vertrekken, om koning Philips III een brief te overhandigen.

Aan het begin van de zeventiende eeuw is Cataio of Cathay (China) voor de Portugese een groot geheimzinnig land, waarvan zij het idee hebben dat er veel moren en ongelovigen temidden van christenen wonen, met andere woorden Cataio zou het echte land kunnen zijn van Preste Joam do Oriente, de mythische christenvorst wiens rijk aanvankelijk verondersteld werd in Azië te liggen.1 In 1602 besluit vice-rei Aires de Saldanha, op verzoek van Frei Nicolau Pimentil, de visitor-generaal van de jezuïeten in Indië, over land een expeditie uit te zenden naar Pequim (Beijing). De leiding van deze belangrijke expeditie wordt toevertrouwd aan broeder Bento de Góis s.j. Deze is in 1562 geboren in Vila Franca do Campo, op het Azoren-eiland São Miguel. Hij is als soldaat naar Indië gekomen en is in 1588 in Goa ingetreden in de orde van de Societas Jesu. De broeder is – ondanks de gebrekkige geografische kennis van die tijd – voor de moeilijke en delicate missie uitgekozen wegens zijn reeds getoonde kwaliteiten tegenover keizer Akbar, die de broeder jezuïet als zijn vriend heeft behandeld. Bento de Góis heeft bovendien niet alleen grote praktische kennis van de Perzische taal, maar hij weet moeilijke taken met nederigheid te vervullen. Zijn eerste etappe leidt naar Agra, het hart van Hindoestan, waar padre Júlio Xavier, een neef van de befaamde Francisco Xavier s.j., al jaren verblijft aan het hof van de grootste Mogolkeizer Jalal-ud-din Muhammad Akbar (1556-1605) door wiens invloed een Mogolinvasie in Portugees gebied is voorkomen. Bovendien is het aan deze keizer te danken dat Goa alle in Lahore verblijvende Portugese gevangenen heeft kunnen vrijkopen. Broeder Bento dient in Agra te vragen naar de weg die hij het best kan volgen en hij dient daar ook de onmisbare helpers te werven. Omdat hij vermomd als moslimkoopman zal reizen, wordt hij aan het hof van de Grootmogol van de noodzakelijke handelswaar voorzien. Bento de Góis, die reist onder de naam ‘Abdulah Isai’ (isai wil in het Armeens zeggen christen) vertrekt op 2 oktober 1602 uit Agra naar Lahore. Op deze tweede etappe van zijn reis sluit hij zich aan bij zijn confraters Júlio Xavier en Manuel Pinheiro. De jezuïeten genieten een diplomatieke status, omdat zij formeel deeluitmaken van een gezantschap van keizer Akbar. Bento de Góis wordt vergezeld van twee Grieken; de ene, genaamd Lião Grimão, is een priester, en de ander, Demetrius, is een koopman. Het is de bedoeling dat beiden meereizen naar Pequim. Zij zijn gewend aan reizen over grote afstanden. Het gezelschap wordt aangevuld met Isaac, hij is een Armeense koopman en christen, die ook Perzisch en Turks spreek. Isaac zal zich ontpoppen als een zeer trouwe dienaar, die tot het einde van de reis zijn meester zal volgen. Bento de Góis heeft, behalve geld en handelsartikelen, geloofsbrieven bij zich voor de christenen in Cataio en andere voor de paters van de Societas Jesu, die wonen in Pequim, het einddoel van de reis. Bento de Góis, alias Abdula Isai, is goed vermomd als moors koopman en hij kan zonder veel gevaar te worden ontmaskerd, uitgestrekte moslimstrekken doortrekken. Hij draagt een cabaia, heeft een touca op het hoofd en aan zijn gordel heeft hij een kort zwaard. Tenslotte heeft hij ook een boog en pijlen bij zich. Een beschrijving en de resultaten van de reis blijken uit een aantal brieven, die de jezuïeten onderweg hebben gezonden naar hun superieuren. Zij zijn gepubliceerd door Fernão Guerreiro s.j. in zijn Relações Anuais, waaruit het volgende kan worden afgeleid.

De expeditie, die – zoals gezegd – 2 oktober 1602 uit Agra is vertrokken, bereikt 8 december Lahore. Bento de Góis, de twee Grieken en Isaac sluiten zich bij hun vertrek uit Lahore naar Kabul aan bij een karavaan. Gezeten op kamelen reizen zij via de steden Attock, Peshawar, Kafiristan, en Jigdilik naar Kabul in Afghanistan. Onderweg lijden de reizigers grote ontberingen en moeten zij serieuze moeilijkheden overwinnen. De priester Lião Grimão verlaat in Kabul de expeditie en keert terug naar Agra, omdat hij niet is opgewassen tegen de ontberingen van de reis. In Kabul zoekt Góis naar een mogelijkheid om langs de bergketen van de Himalaya heen te trekken, want het is veel te moeilijk over het hoge gebergte heen te komen. Bento de Góis en de zijnen zijn verplicht acht maanden In Kabul te blijven, om te wachten op een karavaan die dezelfde route gaat volgen als zij. Bij zijn vertrek uit Kabul komt Bento de Góis op dezelfde of een soortgelijke weg over de Centraal-Aziatische hoogvlakte als waarover, meer dan drie eeuwen geleden, Marco Polo heeft gereisd; hij volgt het stijgende pad naar Pamir, reist via Tachkourghan en klimt omhoog naar het “Dak van de Wereld”. De expeditie bereikt Yarkande, dat eveneens een etappeplaats was van de beroemde Venetiaan. Op 2 februari 1604 schrijft broeder Bento aan het hof van de Koning van Cascar in Hircande een brief aan pater Júlio Xavier s.j. in Agra, Hij laat hem weten 40 dagen nodig te hebben gehad om de volkomen onbevolkte Pamechwoestijn door te trekken. In deze woestijn zijn vijf paarden gestorven, omdat men er nauwelijks kan ademhalen. De remedie hiertegen is de mond van deze dieren in te smeren met knoflook, ajuinen en abrikozen. De woestijn wordt bovendien onveilig gemaakt door woeste en wrede dieven, die karavanen overvallen. Aan het hof van Yarkande, een belangrijk handelscentrum, wordt de expeditie zeer goed ontvangen, maar in Yarkande, waar de expeditie maanden en misschien wel een jaar moeten wachten, verkeren de expeditieleden soms ook in groot gevaar. Bento de Góis wacht in Yarkande op een andere karavaan uit Cathay, omdat hij heeft gehoord dat in deze karavaan de Italiaanse jezuïet Matteo Ricci, die in Pequim woont, reist. Het wordt hem ook duidelijk dat Cataio (Cathay) en China een en hetzelfde land zijn. Als de reis wordt voortgezet, blijft Demetrius, die besloten heeft niet verder te reizen, achter en trekken Bento de Góis s.j. en Isaac met zijn tweeën door naar het koninkrijk Chalis Zij trekken door het zuidelijke bekken van de Tarim, met de halteplaatsen Maralbachi, Aksu, Kutcha, en Turfan, dat ligt aan de noordelijke tak van de zijdeweg. Later zullen in Turfan, waar later Tochaarse en Parthische teksten gevonden zijn. Na Koumoul te zijn doorgetrokken, komen zij in Quiacion, waar zij een deel zien van de beroemde muur, die China scheidt van Tartarije. Zij arriveren achter in het jaar 1606 in Sü-chou aan de Gobiwoestijn, waar Bento de Góis zijn handelswaar voor 2.500 crowns van de hand doet. Hij zendt bericht van zijn aankomst aan Frei Matteo Ricci in Pequim.2 Deze stuurt João Fernandez, een novice van de bekeerlingen, naar Sü-chou, om Bento de Góis te begeleiden naar Pequim. Fernandez komt tegen het eind van de maand maart van het jaar 1607 bij Bento de Góis en Isaac aan. Het drietal begeeft zich op weg naar Pequim, maar Bento de Góis wordt ziek en overlijdt op 11 april 1607. Er bestaat een sterk vermoeden dat hij is vergiftigd door moren, die de drie reizigers hebben gevangengenomen en beroofd; onder meer van een deel van het kostbare dagboek van Bento de Góis. Zij hebben ook Isaac en João Fernandez ernstig mishandeld en drie maanden gevangen gehouden. Nadat Isaac en Fernandez het lichaam van de overleden Bento de Góis. met eerbied hebben begraven, reizen zij samen naar Pequim. Van het reisverslag van Goís heeft Isaac niet veel weten te redden, maar van wat er nog van het dagboek over is, wordt aangevuld met mededelingen van Isaac, die een goed geheugen blijkt te hebben, en gegevens uit de brieven die Matteo Ricci tijdens diens reis van Bento de Góis heeft ontvangen, door hem omgewerkt tot een nieuwe versie van het dagboek. Hierbij geeft de Perzische weergave van Chinese geografische namen van Isaac aan Matteo Ricci de nodige problemen. Isaac keert uit China terug naar Goa aan boord van een Portugees schip, dat ter hoogte van Singapore door de Hollanders wordt geënterd, maar zijn reisverhaal dat ze zelfs in Holland willen publiceren, bezorgt hem de vrijheid en hij keert in 1609 bij zijn gezin in Goa terug. Bento de Góis is de eerste Europeaan die vanuit Hindoestan het Aziatische hooggebergte is doorgetrokken en de tweede die, sedert Marco Polo (1275) Oostelijk Turkestan is doorgetrokken.

Om Goa beter te beschermen tegen Hollandse aanvallen, laat Aires de Saldanha in 1604 beginnen met de bouw van een machtige vesting aan de monding van de Rio Mandovi, waar de Rio Nerul in de Mandovi stroomt. In de vesting, Forte Aguada genaamd, kunnen schepen water innemen en worden gedokt en er staan in het fort niet minder dan 79 kanonnen, met allen naar het zuiden gerichte lopen, opgesteld. Het bouwen van het in 1612 voltooide fort is overigens niet de enige bouwactiviteit onder vice-rei Aires de Saldanha; in 1602 komt de nieuwbouw van het ook al in 1587 herbouwde klooster van de augustijnen gereed. Hetzelfde geldt voor de bijbehorende kerk, een van de rijkste en mooiste van Velha Goa. En in 1605 wordt de Basilica minores de Bom Jesus, waarmee in 1594 begonnen is, voltooid en geconsacreerd.

Ofschoon kort na de eeuwwisseling twee prachtige grote kerken aan de vele schitterende bouwwerken in Goa worden toegevoegd, is de stad over haar hoogtepunt heen. Sedert 1590 daalt het aantal Portugese inwoners door emigratie naar vooral de Golf van Bengalen, die grote aantrekkingskracht uitoefent op particuliere Portugese handelaren, die de strijd aan de westkust van Voor-Indië willen ontlopen. Er hebben zich al in 1518 Portugese handelaren gevestigd in Chittagong en Dianga. De belangrijkste vestigingsplaats is echter het door de Portugezen gestichte Hooghly, gelegen aan de gelijknamige rivier, ten noorden van Calcutta in de delta van de Ganges. Na 1580 heeft Hooghly zoveel Portugezen aangetrokken dat de stad in 1603 is uitgegroeid tot 5.000 zielen, terwijl in Bandel, bij Hooghly, een groot augustijnenklooster is verrezen. Het aantal Portugezen dat tussen 1590 en 1600 Goa heeft verruild voor de Golf van Bengalen bedraagt 2.000. In 1598 wordt het aantal Portugezen en hun afstammelingen, dat in Chittagong en in de Birmese kuststreek Arakan woont, geschat op 2.500. In Birma zijn ook in trek de steden Pegu, Martaban en Syriam. Ook op Celebes (Makassar) en in Siam (Ayuthia) vestigen zich veel particuliere Portugese handelaren.

In 1601 verneemt vice-rei Aires de Saldanha dat een Portugees fort gelegen in Syriam, een havenstad in het koninkrijk Arakan aan de Golf van Bengalen, belegerd wordt door een grote vijandelijke troepenmacht en dat Salvador Ribeiro de Sousa het fort met een klein garnizoen manhaftig verdedigt. Zodra de onderkoning verneemt wat er in Syriam gaande is, zendt hij versterkingen naar de stad. Als deze zijn aangekomen en Ribeiro ineens het bevel voert over 800 man is de Portugese positie in Syriam gered. In 1602 arriveert de uit Guimarães afkomstige avonturier Filippe de Brito e Nicote uit Syriam in Goa. Fillipe de Brito, die veel invloed in het koninkrijk Arakan schijnt te hebben, laat de onderkoning weten dat het zijn bedoeling is het Fortaleza de Santiago do Sirião aan de onderkoning over te dragen, als een uitvalsbasis voor de verovering van Pegu. Filippe de Brito e Nicote schijnt onderkoning Aires de Saldanha al net zo gemakkelijk te hebben ingepalmd als de Koning van Arakan, Xilimixa, voor zich heeft weten te winnen. Hij verkrijgt van de onderkoning alles waarom hij vraagt, maar hij treedt ook nog in Goa in het huwelijk met een nichtje3 van de onderkoning, dat is geboren uit een Javaanse vrouw. Filipe de Brito e Nicote ontvangt ook nog de zeer eervolle titel: “Bevelvoerder over Syriam, en Generaal van de verovering van Pegu.” Filippe de Brito keert dan terug naar Syriam met zes schepen met versterkingen. Daar aangekomen, laat hij het door een ongeluk uitgebrande fort herstellen, bouwt hij een kerk en zendt een kostbaar geschenk aan de Koning van Arakan, die hem met zijn aankomst in Syriam heeft gelukgewenst.

1 Zie deel I (tweede herziene druk) pag. 189 e.v.

2 In ee afzonderlijk hoofdstuk in een later deel zal aandacht worden geschonken aan de missie van de jezuïeten in Beijng

3 Bastaardkinderen worden in die tijd vaak aangeduid als neef of nicht van hun verwekker

2.2 Een Perzisch gezantschap naar Europa; de capitães gerais Dom Frei Aleixo de Menezes, André Furtado de Mendoça en Ruy Lourenço de Tavora (1607-1612)

Categorieën
Britse kolonialisme Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

Expedities van de East India Compagny naar Azië. Overige verwikkelingen in de Estado da India

Deel 16 Index

Hoofdstuk 2.

Overige verwikkelingen in de Estado da India

2.0. Expedities van de East India Compagny naar Azië

Geschreven door Arnold van Wickeren

Zoals Willem Barentsz en Jacob van Heemkerck in de jaren negentig van de zestiende eeuw vergeefs getracht hebben de zogenaamde noordoostpassage naar Oost-Indië te ontdekken, zo heeft John Davis al in de jaren 1585, 1586 en 1587 vergeefs de noordwestpassage pogen te vinden. De vernietiging van de invincible armada in 1588 door Sir Francis Drake heeft het zoeken naar de noordwestpassage overbodig gemaakt, omdat de route langs de Kaap voor Engelse schepen minder gevaarlijk is geworden dan zij voorheen was. Engelse schepen behoeven Spaanse en Portugese schepen niet meer te vrezen, nadat Engeland de Iberische vloten voor lange tijd heeft weggevaagd. Het land kan nu veilig gebruikmaken van de route rond Kaap de Goede Hoop, om de in Indië verworven rijkdommen te vervoeren1. Een tweede voorwaarde voor Engelse deelname aan de oosterse handel is de oprichting van de English East India Compagny (EIC), ook wel John Compagny genoemd. Deze vindt plaats bij Koninklijk Besluit van koningin Elizabeth op 31 december 1600. De EIC wordt opgericht als “The Governor and Compagny of Merchants of London Trading into the East Indies, door een verzameling ondernemende en invloedrijke zakenlieden. Zij verkrijgen een exclusieve volmacht voor de handel op Oost-Indië voor een periode van vijftien jaar. De Compagnie heeft bij de aanvang 125 aandeelhouders en een kapitaal van 72.000 Engelse ponden.

In deel XV2 is melding gemaakt van de eerste reis van de EIC, bestaande uit de schepen Ascension (260 ton), Hector (800 ton) Susan (240 ton) en Red Dragon (600-900 ton), benevens een jacht. Met deze vloot zijn admiraal James Lancaster en vice-admiraal Henry Middleton tegen eind april 1601 uit van Torbay vertrokken. Aan boord van het vlaggenschip Red Dragon bevindt zich een oude bekende in de persoon van John Davis, die zo naarstig heeft gezocht naar de noordwestpassage en die in 1598 als opperpiloot van Cornelis de Houtman met de Leeuw en de Leeuwin naar Atjeh is vertrokken en daar – zoals in deel XV is vermeld3 – tenauwernood is ontkomen aan gevangenschap. James Lancaster, is ook aangewezen als gezant van koningin Elizabeth naar diverse Oosterse heersers. Toen hij op 11 september 1603 in Engeland was teruggekeerd, blijkt het resultaat van Lancasters experimentele tocht zo succesrijk te zijn, dat er direct voorbereidingen worden getroffen voor een tweede reis. Aldus gaan de Engelsen een competitie aan met de Portugezen en de Hollanders om hun aandeel in de Oosterse handel te verwerven.

Aan het einde van het jaar 1604 verschijnt de tweede EIC- expeditie in Oost-Aziê. Zij wordt geleid door Henry Middleton. Hij is 25 maart 1604 uit Gravesend vertrokken met dezelf schepen (Red Dragon, Hector, Ascension en Susan) als waarmee hij in 1600, als tweede man onder James Lancaster, is uitgevaren. De vloot zeilt op 2 april langs Lizard Point (Cornwall) ankert op 24 april bij het eiland Maio, waar de expeditie een (koop)man, verspeelt aan de inheemsen. Op 17 juli wordt het anker uitgeworpen in de Saldanhabaai. Tijdens de vijf weken die de expeditie daar verblijft, herstellen 60 zeelieden die leden aan scheurbuik, maar de schipper van de Hector tevens de vice-generaal, mister Cole, verdrinkt in deze baai, die op 20 augustus wordt verlaten. Op 23 december 1604 arriveert Henry Middleton met zijn schepen op de rede van Bantam, met door de reis verzwakte en zieke bemanningen. Daar liggen zes Hollandse schepen en vier pinassen. Na vele begroetingen en het uitwiselen van nieuwtjes, dineert de Hollandse bevelhebber op oudejaarsavond met generaal Middleton. De volgende morgen, Nieuwjaarsdag 1605, gaat Middleton aan land met een brief en geschenken van koning James I, aan de Koning van Bantam, een jongen van dertien jaar. Op 18 januari 1605 vertrekt Middleton met de Red Dragon en de Ascension naar de Molukken. De beide andere schepen, de Hector en de Susan, zullen half februari, geladen met peper, van Bantam naar Engeland vertrekken. Bij Ambon aangekomen, waarvan het kasteel in Hollandse handen is, weigeren de bewoners, op hun bevel, de Engelsen kruidnagelen te verkopen. Middleton vervolgt met de Red Dragon zijn weg naar de Molukken, maar kapitein Colthurst zeilt met de Ascension naar Banda. Op 7 februari gooit Middleton het anker uit aan de kust van Veranula. De bewoners van dit eiland haten de Portugezen zozeer dat zij de Hollanders hulp hebben gevraagd om hen te verdrijven.

In die tijd voeren Ternate en Tidore oorlog met elkaar, waarbij Ternate wordt gesteund door de Hollanders en Tidore door de Portugezen. Bij de kust van Tidore komen twee coracora’s van Ternate op de Engelse schepen af. Zij worden achtervolgd door zeven coracora’s van Tidore. In een van de twee vluchtende coracora’s blijkt zich de sultan van Ternate met verschillende edelen en drie Hollandse kooplui te bevinden, die zeer bevreesd zijn voor de Tidorezen en die smeken hen te beschermen tegen hun vijanden, die geen genade met hun zullen hebben. Zij vragen ook de andere coracora, waarin zich ook Hollandse kooplieden bevinden, bescherming te bieden. Terwijl zijn boordschutter opdracht geeft op de Tidorezen te schieten, krijgen deze de tweede Ternataanse coracora te pakken. Zij jagen alle inzittenden over de kling, afgezien van drie man die tijdig overboord zijn gesprongen, naar de Red Dragon zijn gezwommen en door de Engelsen worden gered. De nauwelijks aan de dood ontsnapte sultan van Ternate wordt aan boord van de Red Dragon genomen. Middleton, die denkt dat de sultan het koud heeft, hangt hem een toga van zwart damast, gevoerd met ongeschoren fluweel en dichtgeregen met een gouden koord, om de schouders. Bij zijn vertrek behoudt de sultan het kostbare gewaad. Aangezien Middleton op weg is naar Tidore, smeken de Hollandse kooplieden hem de sultan niet in handen te laten vallen van zijn vijanden, waarvoor zij hem bergen kruidnagelen en andere zaken van Ternate beloven. Als Middleton bij Tidore aankomt, zendt de Portugese capitão een afgezant, Tomé de Torres, naar hem toe met een brief, waarin hij schrijft dat de sultan van Ternate en de Hollanders hen belasteren. Middleton wordt gevraagd geen geloof te hechten aan hun beschuldigingen. Als Middleton na zijn bezoek aan Tidore voor Ternate aankomt, zendt hij een gezant aan boord van het schip van de Hollandse admiraal. Deze ontvangt mister Grave zeer koel en verwijt hem dat de Engelsen met de Portugezen hebben samengespannen tegen de sultan van Ternate, maar als hem duidelijk wordt dat zijn beschuldiging onjuist is, geeft hij te kennen vals te zijn ingelicht door een overgelopen Gujarati. Als de sultan van Ternate lijkt bereid te zijn zaken met Middleton te doen en hem toe te staan een factorij op Ternate te stichten, dreigen de Hollanders, die de Engelsen uitmaken voor dieven en rovers, hem in de steek te laten en de zijde van Tidore te kiezen. Er ontstaat een fikse ruzie tussen Hollanders en Engelsen. De Hollanders geven – volgens Engelse bronnen te kennen dat “de Koning van Holland, zoals zij hun stadhouder noemen, op zee machtiger is dan alle andere christelijke machten, waarmee alle naties rekening hebben te houden.” Van Engelse zijde wordt hierop geantwoord dat als koningin Elizabeth de Hollanders niet bij hun opstand tegen Spanje zou hebben geholpen, zij – gebrandmerkt als rebellen en verraders – nog steeds slaven van Spanje zouden zijn geweest. Zij zouden boeken kunnen volschrijven over al het onrecht dat zij onze natie hebben aangedaan.”

Het onbevredigende bezoek van Henry Middleton aan de Molukken heeft tot gevolg dat de sultans van Ternate en van Tidore een brief schrijven aan de Koning van Engeland. De eerste herinnert koning James I (1603-1625) eraan dat hij Sir Francis Drake voor koningin Elizabeth een ring heeft gegeven. Hij beklaagt zich erover dat de Hollanders hebben verhinderd dat hij Henry Middleton een factorij heeft laten stichten; hij verontschuldigt zich hiervoor en hij belooft in het vervolg Engelse schepen beter te zullen ontvangen. De sultan van Tidore vraagt medelijden met hem te hebben en niet toe te staan dat zijn land wordt onderdrukt door Ternate en de Hollanders. De sultan verzoekt koning James hem hulp te zenden, onder commando van kapitein Henry Middleton of zijn broer David.

Terwijl Henry Middleton zich op Ternate en Tidore bevindt, ankert kapitein Colthurst op 20 februari bij Banda Neira. Hij blijft daar 22 weken, in welke tijd 11 man sterven, en is 16 augustus terug voor Bantam, waar het schip tot 6 oktober blijft. Op die datum vertrekken de Red Dragon en de Ascension tezamen naar Engeland. De schepen verliezen elkaar onderweg uit het oog, maar als de Ascension op 27 december in de Saldanhabaai aankomt, blijken daar de Red Dragon en de Hector te liggen. De Red Dragon heeft de Hector zeven dagen eerder dicht bij Kaap de Goede Hoop aangetroffen met nog slechts tien overlevenden aan boord. De rest van de bemanning, 53 man in totaal, is overleden sedert de Hector negen maanden geleden uit Bantam is vertrokken. Drie maanden na zijn vertrek uit Bantam, heeft dit schip het contact verloren met de Susan, van welk schip nooit meer iets is vernomen. Henry Middleton vertrekt op 16 januari 1606 met zijn drie schepen uit de Saldanha-baai naar Engeland. Op 1 februari zien de Engelsen Sint Helena, waar geankerd wordt en op 6 mei 1606 zijn de schepen terug bij Downs, waar zij acht dagen moeten wachten op een gunstige wind.

Kapitein Wiliam Hawkins, die de volgende reis van de English East India Compagny (EIC) naar Azië leidt, arriveert op 24 augustus 1608 met zijn schip Hector in de haven van Surat in Gujarat. In Surat, waar de Portugezen zeer veel invloed hebben, wordt alles verhandeld, van pauwenveren tot witte olifanten, van graan tot opium, van palmbladeren tot goud. Hawkins heeft 25.000 goudstukken bij zich voor de aankoop van kleding, die in Bantam tegen peper geruild moet worden. Hij heeft eveneens een brief bij zich van koning James I voor de Mogolkeizer Jahangir (1605-1627). Hawkins wordt eerst genegeerd en vervolgens beledigd; hij onderhandelt twee jaren vruchteloos over de stichting van een factorij en moet dan erkennen dat Engeland geen goederen kan leveren waarnaar in India vraag is. Hawkins wordt beroofd door de Portugezen en door de onderkoning van Gujarat, Mubroc Khan. Zij trachten hem ook meerdere keren te vermoorden. Op 1 februari 1609 weet de gezant aan zijn moordenaars te ontkomen door zich, beschermd door een escorte van Pathanen, op weg te begeven naar het hof in Agra, waar hij op 16 april veilig aankomt. Ofschoon Hawkins keizer Jahangir geen passend geschenk kan aanbieden, maakt hij een heel goede indruk op hem, die wordt nog versterkt doordat hij goed ï eten blijkt te spreken en bereid blijkt dagelijkse met de vorst van zijn wijn te genieten. Door Jahangir onder druk gezet aan zijn hof te blijven, wordt Hawkins aangesteld tot kapitein over 400 ruiters. Om hem tegen vergiftiging te beschermen, huwelijkt Jahangir zijn gewaardeerde gast uit aan een Armeens meisje van christelijke huize die, geholpen door haar slavinnen, zijn maaltijden bereidt. Hawkins neemt, gekleed als een moslimedelman, zijn plaats in temidden van de edelen aan het hof. Ondanls zijn hoge aanzien, slaagt hij er niet in handelsprivileges te verkrijgen. Zijn falen wordt mede toegeschreven aan de invloed van de Portugese jezuïeten aan het hof van de Mogolkeizer. Hawkins vertrekt tenslotte op 2 november 1611 uit Agra en 11 februari uit Surat, aan boord van een schip van Sir Henry Middleton. Zijn vrouw blijft, onder dwang van haar familie, in India achter. Vanuit Bantam keert Hawkins tenslotte naar Engeland terug, maar hij overlijdt voor hij daar aankomt. De ervaringen van Hawkins in Surat zijn te vergelijken met die van de Hollanders daar. Twee kooplieden van de VOC die in 1604 in Surat zijn achtergelaten zijn totaal genegeerd en zij hebben, om in leven te blijven, hun handelskapitaaltje moeten ‘opeten’. In 1606 arriveren weer VOC-kooplieden en wel drie, van wie er twee korte tijd later overlijden en de derde, David van Deijnsen, het leven zo zuur wordt gemaakt dat hij zich in 1607 een kogel door het hoofd schiet, nadat Nuño Botilho uit Goa de Mogol-gouverneur van Surat tegen hem heeft opgestookt. De Portugese invloed aan de Golf van Cambay is in die tijd zo sterk dat zij Engelse en Hollandse penetratie effectief weet te verhinderen.

De grote invloed die de Portugese jezuïeten op de Mogolkeizer van Hindoestan, Jahangir, hebben en de bijgevolg sterke positie, die de Portugezen aan de Golf van Cambay innemen, blijkt ook uit de ervaringen van de Engelsman Paul Canning, die in 1612 aan het hof van Jahangir in Agra verschijnt, met de bedoeling een Engelse handelspost in Surat te openen. Hij wordt eerst goed ontvangen, maar als de jezuïeten keizer Jahangir vertellen dat Canning geen gezant van de Koning van Engeland, maar een koopman is, wordt hij volkomen genegeerd en binnen de kortste keren is hij weer vertrokken. Hij zal in 1614 in Surat sterven.

Op 26 september 1611 werpt Henry Middleton, die de zesde reis van de English East India Compagny leidt, zijn anker uit voor de haven van Surat, maar hij wordt zo nauw bewaakt door de Portugese vloot, dat hij niet in staat is contact op te nemen met de wallekant en zijn schepen, de Trades Increase, de Darling en de Peppercorn en mogelijk nog een of meer andere schepen, kunnen noch brieven, noch voorraden ontvangen. Middleton heeft stricte orders ontvangen geen geweld tegen de Portugezen te gebruiken, tenzij dezen hem aanvallen en tot dat moment heeft zich nog geen botsing tussen de twee naties in Azië voorgedaan. Aangemoedigd door deze straffeloosheid, dringen de Portugese fregatten dicht naar de Engelse schepen op en zij houden ‘s nachts zorgvuldig de wacht tegen iedere poging de kleinere schepen te verrassen. Tenslotte zendt Middleton een inheemse boot met een brief naar de capitão-mór van de Portugese vloot. De brief bevat een waarschuwing tegen het verbreken van de vrede tussen hun respectieve vorsten en verklaart de redenen van de Engelse aanwezigheid voor Surat. De Portugese capitão-mór beantwoordt deze brief niet, maar biedt tenslotte aan Middleton naar Goa te brengen om te vernemen wat de onderkoning van de zaak zegt en zonder diens toestemming kan hij, verklaart hij, de Engelsen geen toestemming geven in Surat handel te drijven. In antwoord hierop vraagt Henry Middleton dat als de capitão-mór hem geen toestemming kan geven in Surat handel te drijven dan tenminste toe te staan dat kapitein Sharpeigh en zijn compagnons, die vanuit Agra in Surat zijn aangekomen, zijn voorraad handelswaren aanvullen. Dit, evenwel, weigert hij te doen, maar hij biedt aan de Engelsen naar Goa te brengen, vanwaar zij naar Engeland terug kunnen worden gezonden. Daar het wegens de waakzaamheid van de Portugezen niet mogelijk is verse levensmiddelen, wegens gebrek waaraan veel mannen aan boord van de Engelse schepen ziek zijn geworden, in te nemen, zendt Middleton instructies aan kapitein Sharpeigh enig vers voedsel naar zijn vloot te zenden, ongeacht de risico’s. Dit poogt hij bijgevolg te doen, maar de boot met voorraden wordt door de Portugezen genomen en de capitão-mór “zendt spottend zijn hartelijke dank aan kapitein Sharpeigh voor zijn zorg hem levensmiddelen voor zijn bevoorrading te zenden.” Op 12 oktober doet Middleton een andere poging een plaats te ontdekken waar zijn schepen dicht genoeg naar de oever kunnen worden gebracht om de landingsplaats met scheepsgeschut te bestrijken. Voor dit doel koerst hij zijn schepen naar het strand; de kleinere, voorafgegaan door hun boten die de diepte van de bodem peilen, gaan voorop, terwijl de Portugese fregatten hen voortdurend dicht bij de kust opwachten. Enige Portugese vaartuigen doen een poging een boot behorend tot de Darling van dit schip af te snijden, waarop de gezagvoerder van het vaartuig het vuur op hem opent. Hierop trekt de bemanning van een van de fregatten, ziende dat zij onder vuur komt te liggen, zijn boot aan de wal en, ofschoon de andere fregatten eerst een reddingspoging ondernemen, falen zij in dit opzicht en het vaartuig wordt door de Engelsen buitgemaakt.

De nu te bespreken ‘Zeeslag bij Swally’ zal de krachtsverhoudingen op zee radicaal wijzigen. Op 13 september 1612 zeilt een squadron van 16 Portugese fregatten naar Surat. Negen dagen later besluit captain Thomas Best, die met een Engels eskader, bestaande uit de galjoenen Red Dragon4, Hosiander, James en Solomon, in de Golf van Cambay is5, een ambassadeur naar keizer Jahangir in Agra te zenden, om toestemming te vragen in Surat handel te drijven en er een factorij te stichten. Als dat zou worden geweigerd, is hij van plan het land te verlaten, wat mede het gevolg zou zijn van het feit dat koning James I het charter van de EIC in 1609 heeft uitgebreid, in die zin dat besloten is het land binnen drie jaren te verlaten als er niet profijtelijk kan worden handelgedreven. Op 30 september ontvangt captain Best het nieuws dat twee van zijn mannen, Paul Canning (de purser) en Wiliam Chambers aan de wal gearresteerd zijn. Het ergste vrezend, houdt captain Best een schip aan dat behoort aan de gouverneur van Gujarat. Hij biedt aan het beslag op het schip op te heffen, in ruil voor zijn mannen. Op 10 oktober zeilt hij met zijn schepen naar Suvali, een stadje op ongeveer 12 mijl ten noorden van Surat. Hij doet dit, omdat de gouverneur (Sadar Khan?) in Rajput een opstand aan het neerslaan is, in een fort in de stad. Tussen 17 en 21 oktober, temidden van onderhandelingen, slaagt Best erin met de gouverneur een verdrag aan te gaan. Dit verdrag, dat door de keizer geratificeerd dient te worden, verschaft de Engelsen handelsprivileges. Op 27 november verneemt capitain Best van zijn mannen aan de wal dat er vier Portugese schepen onderweg zijn om zijn schepen aan te vallen. De Portugese vloot (vier grote galjoenen en 26 door roeiers voortbewogen barcas of fragatas), onder bevel van Nuno da Cunha, arriveren op 28 november en zij gaan buiten de haven voor anker, waarbij zij de Engelse schepen tussen henzelf en de stad inplaatsen. De volgende dag vindt er tussen de twee marines een schermutseling plaats, die geen van beide partijen veel schade bezorgdt. Op 30 november zeilt de Red Dragon van captain Best bij daglicht tussen de vier Portugese galjoenen door en schiet er drie van aan de grond, waarbij de Red Dragon aan de andere kant vergezeld wordt door de Hosiander. Uit het gebeurde blijkt dat in die tijd de Engelsen – evenals de Hollanders – de Portugezen hebben overvleugeld op het gebied van de maritieme technologie en techniek. De drie getroffen galjoenen drijven naar de zanderige kust, maar als ’s middags de vloed opkomt, trekken de fregatten de galjoenen weer vlot en strijden – volgens Danvers – de twee vloten nog vier uren met elkaar, totdat de invallende duisternis hen opnieuw noopt het gevecht te staken. Om 9 uur op de avond van dezelfde dag zenden de Portugezen een brandend fregat naar de Engelse schepen in een poging deze in brand te steken, maar de Engelse wacht is waakzaam en het fregat wordt door kanonvuur tot zinken gebracht, wat acht levens kost. Op de derde dag, schrijft Danvers, bereiden alle galjoenen zich voor op het enteren van de Engelse vaartuigen. Het Engelse eskader houdt zich afzijdig tot 5 december, als capitain Best naar Diu zeilt. Danvers voegt aan zijn bespreking van de Zeeslag bij Swally – een naam die hij niet noemt – nog het volgende toe: Nuno da Cunha, die heeft gehoord dat de Engelse vloot bij Castelete ligt, volgt haar en er wordt opnieuw twee dagen lang gevochten. Tijdens het gevecht zijn de Portugese schepen niet in staat de Engelse vaartuigen zo dicht te naderen dat zij deze kunnen enteren. De Engelse vloot zeilt na korte tijd weg en hijst de zwarte vlag ten teken dat haar kapitein is gesneuveld en gaat naar Surat

Tegen het einde van het jaar 1613 maakt Luíz de Brito e Mello bij Surat een schip uit Mecca buit en brengt het naar Goa. Het schip is eigendom van de Grootmogol is en heeft een zeer rijke lading aan boord, Grootmogol Jahangir (1605-1627) is hierover zo vertoornd dat hij het beleg slaat voor Damão en al het omliggende land verwoest. De Koning van de Deccan belegert, op instigatie van Jahangir de steden Chaul en Bassein, hopende de Portugezen helemaal uit Azië te kunnen verdrijven. Ook In 1614 is sprake van aanvallen van de Mogols op de Portugese bezittingen, waarbij zij Damão overspoelen

Aan de vijandelijkheden tussen de Portugezen en de Mogols wordt later aandacht besteed.

Op 1 maart 1614 zeilt opnieuw een Engelse vloot uit met bestemming Surat. De vloot bestaat uit de koopvaarders de New-year’s Gift, het admiraalsschip van 650 ton, aan boord waarvan zich de generaal, captain Nicholas Downton, bevindt, het vice-admiraalsschip Hector van 500 ton, de Merchant’s Hope van 300 ton en de Solomon van 200 ton. De schepen ankeren op 6 augustus in de Baai van Sint Augustinus op Madagascar en op 9 september in de Delisabaai op Socotra, waar de bezoekers door de koning worden ontvangen en waar ververst wordt. De Engelsen vernemen hier dat de Mogols zich hebben verenigd met de koningen van de Deccan, met het doel de Portugezen het land uit te jagen. Zij vernemen ook dat captain Best voor Swally een overwinning op de Portugese vloot behaald heeft. Als Downton op 14 september in Surat aankomt, arriveert daar een vloot van veertien Portugese fragatas of barcas. De Engelsen vernemen dat de nahob Mubroc Khan op dat moment het Portugese Damão belegert. Downton heeft ook een ontmoeting met Mr. Aldworth de chef koopman van de factorij in Surat, die erop hamert dat de nahob Mubroc Khan nu een vriend van de Engelsen is, omdat de Mogols thans in oorlog zijn met de Portugezen. Hoe dit ook zij, Mubroc Khan neemt het de Engelsen zeer kwalijk dat zij hem niet helpen met het bestrijden van de Portugezen, omdat hij niet wil begrijpen dat de Engelsen niet zonder enige aanleiding de Portugezen kunnen gaan bestrijden, zolang de koningen van Spanje en Engeland niet met elkaar in oorlog zijn. Op 31 oktober beginnen de Engelse schepen vers water in te nemen om te kunnen vertrekken, omdat Mubroc Khan hen – naar later blijkt op bevel van keizer Jahangir – niet toestaat handel te drijven, maar op 2 november komst Mr. Aldworth naar de vloot, met de boodschap dat de nahob hem vrije handel door heel het land heeft beloofd, onder zijn regering. De schepen beginnen textiel in te laden afkomstig van de factorij. Op 16 december wordt bericht ontvangen dat Portugese fregatten Gogo en veel naburige dorpen in brand hebben gestoken; ook zouden tien grote schepen hierbij betrokken zijn geweest. Op 23 december komen 21 Portugese fregatten, onder bevel van Dom Manuel de Azevedo, naar Surat. Kort hierna verlaat de onderkoning met zeven galjoenen de haven van Goa. Een van deze schepen is zo groot dat daarmee 230 mannen met hun wapenrustingen vervoerd kunnen worden. Naast deze galjoenen, bestaat de vloot uit twee pinks, een galei, een caravela en vijf andere vaartuigen. De gehele vloot is bemand met 1.400 Portugezen, zij telt een groot aantal stukken geschut, die echter worden bediend door ongeoefende schutters. De bedoeling is dat de enorme Portugese vloot de vier Engelse schepen in Surat vernietigt. Op 26 december laat captain Downton de Merchant’s Hope voor anker gaan op enige afstand van de andere Engelse schepen, om te zien of de Portugezen het schip aanvallen, wat uiteindelijk niet gebeurt. Op 27 en 28 december vinden lichte schermutselingen plaats. De Merchant’s Hope en ook de Solomon zoeken de andere twee Engelse schepen op en 29 december zeilt het gehele eskader naar de rede van Swally, waarbij het een beter contact heeft met Surat. Op 14 januari 1615 vernemen de Engelsen dat er opnieuw een grote vloot Portugese fregatten in Surat is aangekomen, het is de vloot die onder bevel staat van Luíz de Brito e Mello, en de wacht in het kraaiennest meldt kort daarna wederom de verschijning van een vloot fregatten, die de rivier bij Surat opvaart. Deze vloot staat onder leiding van Dom João de Almeida. De Engelsen, die veronderstellen dat de verschillende vloten van fregatten de voorhoede vormen van een nog veel grotere macht, brengen hun schepen in gereedheid voor de strijd. Bij het invallen van de duisternis op 18 januari ontwaren de Engelsen zes grote Portugese galjoenen en drie kleinere6 schepen, naast de zestig fregatten die al in Surat zijn. Nahob Mubroc Khan, die ernstig verontrust is door de omvang van de Portugese vloot, laat de sjabandar en andere autoriteiten van Surat, vice-rei Dom Jerónymo de Azevedo met kostbare geschenken verwelkomen en hij spant zich in om vrede tussen de twee partijen te stichten, maar de vice-rei, die vertrouwend op de superioriteit van zijn vloot, weigert welke regeling dan ook te aanvaarden, omdat hij hoopt, dat de inheemsen aan zijn genade zijn overgeleverd, nadat hij de Engelsen zal hebben verslagen.

Captain Downton verzint 20 januari 1615 een list. Hij laat de Merchant’s Hope zee kiezen, zodat de Portugezen denken dat het schip op de vlucht slaat. Het plan lukt, omdat de drie andere schepen de Merchant’s Hope op ruime afstand volgen. Als de onderkoning ziet dat een Engels schip vooruit is op de rest, geeft hij de twee pinks, de caravela en andere kleine vaartuigen bevel het Engelse schip aan te vallen. De bemanningen van de Portugese schepen enteren de Merchant’s Hope met grote besluitvaardigheid en tot tweemaal toe slagen zij er bijna in het schip te nemen, maar zij worden teruggedreven met verliezen tussen de 400 en 500 man, onder wie vele fidalgos, terwijl de Engelse verliezen gering zijn. De drie andere Engelse schepen dringen op hun beurt naar voren, om de nederlaag te voltooien en zij nemen drie aanvallende schepen. De Portugese bemanningen slagen erin te ontsnappen, maar niet dan nadat zij hun schip in brand hebben gezet, in de hoop dat ook de Merchant’s Hope vlam vat. Maar het lukt de Engelse zeelieden de brandende Portugese schepen van hun eigen schip af te duwen en de brandende schepen drijven naar de kust, waar zij rustig uitbranden. Tussen de Engelse schepen en de galjoenen worden kanonschoten gewisseld tot het donker wordt en de volgende morgen zeilt vice-rei Dom Jerónymo de Azevedo met zijn hele vloot naar Diu. Deze succesrijke weerstand van de kant van de Engelsen bemoedigt de nahob een Portugese poging vredesonderhandelingen aan te gaan, af te slaan.

Op 8 mei 1615 vertrekt de Hollandse koopman Pieter Gillisz van Ravensteijn te paard vanuit Masulipatnam aan de Coromandelkust naar Surat. Het doel van de tocht is een regeling te treffen met degenr die de koopwaar van Van Deijnsen in bewaring genomen heeft. Na een avontuurlijke tocht komen hij en zijn metgezel daar 19 juni aan. Van Ravensteijn wordt overal vriendelijk ontvangen, maar hij ontdekt al spoedig dat de Portugezen in Cambay oppermachtig zijn. Niet alleen doen 200 à 300 Portugese schepen jaarlijks havens van Cambay aan, maar Hierome Xaverius s.j. heeft op 7 juni 1615 een vredesverdrag gesloten met de Mogolkeizer Jahangir van Hindoestan, waarbij de Engelsen en Hollanders van de handel in Cambay worden uitgesloten, Terwijl er al vier Engelse schepen bij Surat liggen, arriveert op 28 september 1615, aan boord van de Red Dragon, onder captain Wiliam Keeling, een Engelse gezant naar de keizer van Hindoestan, in de persoon van Sir Thomas Roe (of Row.) Deze gezant is niet de eerste de beste. Hij is al schildknaap geweest van koningin Elizabeth (1558-1603) en hij is in 1605, door koning James I, tot ridder geslagen. Hij is bevriend met Henry, Prins van Wales en zijn zuster Elizabeth, In 1610 iheeft hij een expeditie geleid naar het Amazonegebied, maar hij heeft daar geen goud gevonden. De Engelsen worden, ondanks de aanwezigheid van hun gezant, zeer onaangenaam behandeld door de nahob Mubroc Khan (Mukarrab Khan), onderkoning van Gujarat. Zij worden bestolen en mishandeld en een enkeling wordt zelfs gedood. De autoriteiten in Gujarat benaderen de Engelsen niet allen vijandig; de gouverneur van Surat tracht vrede met hen te sluiten, opdat zij hun goederen in Surat aan land brengen en niet in het concurrerende Cambay. Dan komt het bericht dat de keizer de Engelse gezant wenst te ontvangen en Sir Thomas maakt, na een lange en zeer avontuurlijke reis, in 1616 zijn opwachting aan het hof van de Grootmogol Jahangir, die dan resideert in Kashmir. Zijn belangrijkste doel is het verwerven van bescherming voor de Engelse factorij in Surat. Aan het hof van Jahangir wordt Sir Thomas Roe, een man met aanzienlijk meer allure dan Wiliam Hawkins, eveneens de favoriet van Jahangir. Zijn status aan het hof wordt nog aanzienlijk verhoogd doordat hij ’s keizers drinkpartner wordt, omdat Jahangir, zoals alle afstammelingen van Babur, een groot wijndrinker is. Omdat Engelse schepen zich zowel in 1612, als in 1615 de meerdere hebben getoond van de Portugese vloot, is er sprake van een kentering in de Luso-Engelse machtsverhouding in de Indische Oceaan en deze neutraliseert de invloed van de jezuïeten aan het hof van keizer Jahangir. Er volgen jarenlange onderhandelingen tussen Sir Thomas Roe en keizer Jahangir. In 1619, na twee jaren en negen maanden, werpen de onderhandelingen vruchten af Jahangir was tot dan toe afhankelijk van de Portugese bescherming van het jaarlijkse pelgrimsschip naar Mecca. Na de overwinningen van captain Thomas Best en captain Nicholas Downton vertrouwt de keizer deze taak toe aan de kennelijk sterkere Engelsen. In ruil hiervoor mag Sir Thomas een Engelse handelsfactorij in Surat stichten. Dit is de eerste Engelse vestiging in Voor-Indië. Terwijl Sir Thomas in Kashmir met keizer Jahangir onderhandelt, weet de VOC in 1616, ook profiterend van de veranderde houding van de Mogol-bestuurders aan de Golf van Cambay ten opzichte van de Portugezen, een vestiging in Surat te stichten. Deze komt spoedig tot bloei, evenals verschillende kleine kantoren in het achterland van Gujarat. Als Hollanders en Engelsen al jaren veelvuldig de haven van Surat hebben aangedaan en er soms vele van hun schepen tegelijkertijd in de haven van Surat liggen, biedt de vice-rei Miguel de Noronha, conde de Linhares, de gouverneur van Surat 300.000 rupees aan als hij de Hollanders en Engelsen van de handel uitsluit. De gouverneur antwoordt dat zijn haven openstaat voor iedereen en dat het hem onverschillig is wie op zee de meeste macht uitoefent, als zijn haven maar ongemoeid gelaten wordt.

1 Desondanks heeft de 2e expeditie van de EIC, onder leiding van Henry Middleton, die 23 maart 1604 vertrekt, opdracht de noordwestpassage,te vinden en de 3e expeditie, die op 12 mei met de Hopewell, onder leiding van captain John Knigt is uitgezeild, keert terug van Labrador, nadat een uitgezonden expeditie niet is teruggekeerd.

2 Zie pagina 162

3 Zie pagina 203

4 De Red Dragon is het vlaggenschip geweest van Sir Henry Middleton, Thomas Best, Wiliam Keeling en andere ‘generaals’van de EIC. In 1619 is de Red Dragon door de Nederlanders veroverd, tijden Anglo-Nederlandse vijandelijkheden.

5 Het gaat om de negende reis naar Azië van de EIC

6 In tegenstelling tot Robert Kerr, aan wie de bijzonderheden van de reis van Nicholas Downton zijn ontleend, geeft Danvers de volgende samenstelling van de vloot van vice-rei Dom Jerónimo de Azevedo: zeven galjoenen, twee pinks, een galei, een caravela en vijf andere vaartuigen.

2.1 Expedities naar Perzië en China; de stad Goa en verlening van steun aan de Portugezen in Syriam

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

De vloot van Pieter Willemsz Verhoeff. De aanval van de Hollanders op de Estado da India

Deel 16 Index

Hoofdstuk 1.

De aanval van de Hollanders op de Estado da India

1.4 De vloot van Pieter Willemsz Verhoeff

Geschreven door Arnold van Wickeren

De vijfde VOC-vloot naar Indië, die aanvankelijk in maart 1607 zou vertrekken, zeilt eerst 22 december 1607 uit. De vloot staat onder bevel van admiraal Pieter Willemsz Ver Hoeff, (of Verhoeff) die in de slag bij Gibraltar vlagkapitein bij Heemskerck is geweest. Zijn vice-admiraal is Frans Hendriksz Wittert, die als zodanig is aangenomen en ook om in Oost-Indië te blijven. Bij afwezigheid van Wittert, zal Simon Jansz Hoen als vice-admiraal optreden. De vloot bestaat uit de volgende schepen: Geünieerde Provintiën, Amsterdam, het jacht de Paeuw, Zelandia of Zeeland, Hoorn en het jacht de Griffioen. Deze vier schepen en twee jachten hebben tot bestemming China; de Hollandia en het jacht den Arent gaan naar Ambon; de Roode Leeuw met pijlen heeft tot bestemming Patani; de Middelborch en het jacht de Valck gaan naar Banda; de Delft moet naar Johore en Gresik gaan en de Rotterdam tenslotte dient een bezoek aan Malabar. Bepaald is dat de jachten voor de handel of anderszins in Oost-Indië kunnen blijven. Ook nu is weer sprake van een echte oorlogsvloot, met 2.000 man, onder wie vele honderden soldaten, die zijn uitgerust met vele handwapenen, zoals musketten en korte en lange spietsen.

De vloot neemt de gebruikelijke route langs de Kaap en langs de oostkust van Afrika. Pieter Willemsz Verhoeff arriveert in juli 1608 met zijn negen schepen, vier jachten en 2.000 opvarenden. In de veronderstelling verkerend dat Moçambique in handen van Paulus van Caerden is gevallen, zeilt hij onbekommerd de haven binnen totdat de Portugezen hem met een kanonschot uit de droom helpen. Verhoeff laat zijn mannen direct een landing uitvoeren en treft voorbereidingen voor een aanval. Als zijn batterijen op de eerste dag losbranden, schiet Verhoeff een grote breuk in het fort. De Hollanders hadden hierdoor het fort kunnen binnendringen, als tot de aanval zou zijn overgegaan. Dit wordt echter verzuimd en ’s nachts wordt de niet door de Hollanders ontdekte breuk gedicht en is het gevaar geweken. De volgende morgen doen 25 Portugezen een uitval, doden 30 vijanden en keren allen veilig terug in het fort, met wapens, trommels en vaandels. Kort hierna heft Verhoeff het beleg op en vertrekt op 23 augustus 1608 naar Malabar. Voor Goa aangekomen, zendt Verhoeff de jachten Arent en Valck naar Coromandel, om daar zaken te doen. Zij dienen zich daarna bij de vloot die Malacca gaat belegeren te voegen. Verhoeff vernieuwt op 6 oktober het contract met de zamorin.Op 17 oktober bevindt de Hollandse vloot zich voor Cochin, maar daar blijkt niets te kunnen worden ondernomen. Verhoeff zendt de sloep van de Zelandia, met het contract dat hij met de zamorin heeft gesloten naar Bantam, een gevaarlijke, maar niet ongebruikelijke reis voor een barkas. Op 22 oktober is Verhoeff bij Sri Lanka. Hij stuurt het jacht Griffioen naar Atjeh, om inlichtingen in te winnen en die bij hem voor Malacca te brengen. De admiraal zendt het jacht de Paeuw op 16 november naar Kedah en Poeloe Pinang op te zien of bij deze plaatsen Portugese schepen liggen.

Op 23 november begint Verhoeff met zijn negen grote schepen aan de blokkade van Malacca, terwijl hij wacht op de terugkeer van zijn vier jachten. Als deze terug zijn, zou hij 1.000 man, met de benodigde artillerie aan wal kunnen zetten, waarbij hij rekent op de hulp van de radja van Johore. Verhoeff heeft Abraham van den Broeck, koopman van de Compagnie te Batoe-Sawar, al geschreven de radja te verzoeken binnen twee maanden een vloot met hulptroepen naar Malacca te zenden. De radja en zijn broer, de jang-di-pertoewan, hebben daarin weinig zin, omdat de Hollanders hen geen steun hebben geboden toen 24 Portugese vaartuigen Batoe-sawar hadden afgebrand en hen hadden genoodzaakt naar Bintan(g) te vluchten. Van een aanval op Malacca komt niets en Verhoeff verdeelt een paar maanden na aankomst voor Malacca zijn vloot. Hij zendt de Roode Leeuw met pijlen en de Griffioen naar Japan. Aan boord van beide schepen bevinden zich enige kooplieden. Te Batoe-sawar blijft Jacques Obelaer als opperkoopman. De rest van de schepen vertrekt in februari 1609 naar Bantam. Op 19 februari zendt Verhoeff vice-admiraal Wittert met de Amsterdam en de jachten Paeuw en Arent, over Makassar, naar de Molukken en hij gaat zelf met de rest van zijn schepen naar Banda.

Wittert stelt te Makassar de koopman Samuel Denis (Denijs) aan, om daar te beschikken over een tussenpost, vanwaaruit de Molukken van rijst en andere benodigdheden kunnen worden voorzien. De handel is daar nog meest in handen van de Portugezen van Malacca. Denijs timmert een nieuwe loge en tracht een nieuw pakhuis te krijgen van de kraeng van Gowa, die op dat moment oorlog voert met Boni. Na een overwinning in 1610 voert Gowa ook in Boni de islam in.

Wittert komt op 3 juni 1609 aan op Ternate. Hij sluit met de sultan een akkoord, waarbij deze zijn tollen en domeinen afstaat aan de Compagnie, terwijl de VOC de sultan ook in rekening brengt de kosten tot bevrijding van zijn land van de Spanjaarden. Wittert bouwt, met behulp van de Ternatanen ook een fort opt eiland Motir (fort Nassau), om zich van de kruidnagelenoogst op dit eiland te verzekeren. Het bevel over het garnizoen van 40 soldaten in fort Nassau wordt opgedragen aan kapitein Adriaen Clementsz Stolck. Op Makian zijn op dat moment drie forten, namelijk bij Tafasoho, Ngofakiaha en Tabelolo, met een bezetting van tezamen 120 soldaten, onder bevel van kapitein Apollonius, die de forten heeft gebouwd.

In het jaar 1608 brengen drie schepen van de East India Compagny, onder bevel van William Keeling, een bezoek aan Bantam. Hij komt in juli voor Priaman en in oktober voor Bantam, waar hij de Engelse factorij in treurige toestand aantreft; tegengewerkt door de Hollanders en bestolen door de Chinezen, verkeert zij in een ellendige staat van achteruitgang. Keeling weet met kalmte de zaken te verbeteren, vooral omdat hij goede betrekkingen aanknoopt met de Nederlandse factor in Bantam, Jacques l’Hermite. Als Verhoeff in Banda aankomt, treft hij daar kapitein Keeling, die in december van Bantam is vertrokken en die 8 februari 1609 voor Banda is gearriveerd, om op de eilanden in de omtrek foelie1 te kopen. Om vaste voet op Banda Neira, het grootste van de Banda eilanden, te verkrijgen, laat Verhoeff zijn mannen daar een fort bouwen. Omdat op Banda geen bestuurders zetelen, treedt een sjahbandar op als hun vertegenwoordiger, met wie Verhoeff een contract wil aangaan. Op 21 mei wordt afgesproken dat Verhoeff hiertoe op Neira van boord zal gaan. Hij gaat de volgende dag, met zijn ‘breeden raad’ en een compagnie soldaten aan de wal, waar hij niemand vindt. Een op onderzoek uitgestuurde assistent, die maleis spreekt, laat weten dat de sjahbandar bang geworden is van het grote aantal soldaten. Hij laat vragen of Verhoeff met niet meer dan tien of twaalf personen bij hem komt. Verhoeff voldoet aan het verzoek, maar zodra Verhoeff en de zijnen aankomen, worden zij door volk van de sjahbandar gedood. Bij elkaar worden 40 Nederlanders vermoord. Keeling wordt direct ervan verdacht medeplichtih te zijn aan de moord en men dwingt hem te vertrekken.

Bij afwezigheid van Wittert, neemt Simon Jansz Hoen, als vice-admiraal, het bevel opzich. Hij laat, tegen de verwachting der Bandanezen, Fort Nassau voltooien en hij voert op 13 juni met alle boten en 600 man een landing op Neira uit, om de moord te wreken. Een aantal Bandanezen wordt gedood, de rest neemt de vlucht en veel van hun eigendommen worden buitgemaakt. Hierop wordt tenslotte een ‘contract van eeuwige vrede’’ gesloten, De vrede zal echter niet lang duren. Hoen laat de schepen Rotterdam en Hoorn bij Banda en vertrekt met de Hollandia, Middelborch, Geünieerde Provintiën en Delft naar Ambon en de Molukken. Bij Ambon vindt hij dat het volk van Loehoe en Combello op de kust van Ceram zich niet houdt aan het in 1605 met Steven van der Haghen gesloten contract en het kost hem de grootste moeite de mensen ervan te overtuigen tegen dezelfde voorwaarden kruidnagelen te leveren als met hun vorst, de sultan van Ternate, is afgesproken. Voor Hoen van Ambon vertrekt, benoemt hij, na overleg met zijn ‘breeden raad’ de opperkoopman Jaspar Jansz tot opvolger van gouverneur Frederick de Houtman, maar de benoeming gaat niet direct in, omdat Frederick de Houtman nog lang niet vertrekt.

Aan het bezit van versterkte plaatsen in de Molukken wordt zowel door de Hollanders als de Spanjaarden veel waarde gehecht. Zo hebben de Spanjaarden op Ternate een halve mijl ten westen van Gammelamme, naast hun Fortaleza las Fuorsas del Rosario, nog een tweede fort gebouwd, waarna Hoen, als antwoord hierop, naast het fort in het plaatsje Malajoe, ook een tweede fort op Ternate heeft laten bouwen. Bedoeld is het fort bij Tacomi, dat ook wel Willemstadt wordt genoemd. Hoen laat de Grote Zon voor het tweede Nederlandse fort op Ternate twee zware stukken geschut2 van het eiland Banda halen. Het eiland Tidore is nog geheel in Spaanse handen, nadat Matelieff er in 1607 niet in is geslaagd de Spanjaarden van het eiland te verdrijven. In november gaat Hoen met de Hollandia en de Geünieerde Provintiën naar het eiland Batjan. Hij neemt daar dankzij de hulp van kapitein Apollonius Scotte en Jan Dircksz Lam het Spaanse fort op het eiland in. Bij de strijd om het fort zijn 36 Spanjaarden gesneuveld en raken tien Nederlanders gewond. Hoen sluit vervolgens een contract met de radja van Batjan. Kapitein Adriaen van der Dussen is de commandant van een garnizoen van 45 soldaten op Batjan. Hoen zeilt vervolgens naar Ternate en belooft de sultan hulp tegen Tidore, naar welk eiland hij begin januari 1610 koers zet. Hoen wordt echter ziek en overlijdt op 12 januari aan boord van de Hollandia. Omdat er geen opvolger voor Hoen is aangewezen en vice-admiraal Wittert zich in de Filippijnen bevindt, waarover later, ontstaat er een enorm gekrakeel tussen de scheepskapiteins. De kapiteins die aan boord van de Delft voor Malajoe liggen, laten 15 maart 1610 weten dat zij met 39 man van de Hollandia Tacomi hebben bezet. De Hollandia is naar Ambon gegaan, om kruidnagelen te laden. Onderweg hebben zij op het eiland Batjan met 50 man van kapitein Adriaen van der Dussen, aangevuld met 16 man van de Hollandia, het fort bij Laboean bezet. De Hollandia heeft enige dagen gekruist op schepen komende uit Manila. Zij hebben twee vaartuigen genomen en 50 Spanjaarden gevangen gemaakt. Hierdoor kunnen zij met de Spaanse bevelhebber van het Fortaleza las Fuorsas del Rosario onderhandelen over de vrijlating van de sedert 1608 gevangen zittende admiraal Paulus van Caerden. De Spaanse bevelhebber eist aanvankelijk de vrijlating van alle Spaanse gevangenen, de overdracht van Fort Malajoe, 6.000 gouden dukaten en de belofte dat Van Caerden nooit meer zal terugkomen. Tenslotte komen Van Caerden en nog tien andere Hollanders vrij, tegen betaling van 6.000 realen van achten, die Van Caerden zelf verschaft. Nadat Van Caerden door de Spanjaarden is overgedragen, neemt hij de leiding weer op zich, maar hij wordt, alweer door zijn eigen onvoorzichtigheid, begin juli op zijn schip de Goede Hope opnieuw krijgsgevangen gemaakt. Op 9 juli zenden de Spanjaarden Van Caerden naar Manila. Een dier dagen zijn ook kapitein Clements, commandant van het fort op Motir, de koopman Pieter Sijmonsz van de Delft en nog twee anderen het slachtoffer van hun onvoorzichtigheid. Zij gingen met de boot naar Tafasoho, maar worden door de Tidorzen aangevallen en onthoofd.

Zoals gezegd is vice-admiraal Wittert naar de Filippijnen vertrokken en wel op 23 september 1609. Zijn vloot bestaat uit de Amsterdam, den Arent3, de Paeuw en de sloep van de Delft. Het jacht de Valck wordt Van Caerden met brieven achterna gezonden. De eerste maanden doen zich vele kleine schermuselingen met de Spanjaarden voor, waarbij over en weer telkens enige doden of gewonden vallen. Maar op 25 april 1610 worden de drie schepen van Wittert overvallen door een Spaanse vloot die uit acht of negen schepen bestaat. De Spannjaarden overmeesteren in een hevig gevecht de Amsterdam en de Valck en schieten de Arent in brand. Admiraal Wittert wordt doodgeschoten en zo eindigt de tocht naar de Filippijnen voor de Hollanders in een fiasco.

Nadat Cornelis Matelieff, – zoals vermeld – in 1607 een vergeefse poging heeft ondernomen om het eiland Tidore op de Spanjaarden te veroveren, verschijnt – volgens Marco Ramerini op 16 juni 1608 admiraal Paulus van Caerden met zeven schepen en veel Ternataanse soldaten voor Tidore, om zich meester te maken van het door capitán Lucas de Vergaria verdedigde eiland. Van Caerden heeft evenmin succes. Zoals we zagen, is ook de aanval van Simon Jansz Hoen op Tidore in januari 1610 op een fiasco uitgelopen. Tidore blijft dus in Spaanse handen en zal dat – afgezien van een Hollandse verovering van fort Marieco in februari 1613 en een kortstondige bezetting daarvan, tot 1663 blijven. Desondanks zijn de Hollandse veroveringen in de Molukken aanzienlijk; het gebied van de Compagnie in de Molukken bestaat in 1610 uit het Fort Oranje in Malajoe, met 80 Europeanen en 3.000 inheemsen; Willemstadt of Tacomi, met 1.000 inwoners, waarbij zich steeds meer Ternatanen voegen, die de bescherming zoeken. Op Makian hebben de Hollanders in de eerste maanden van 1609 aan de westkust van het eiland bij het dorp Tafasoho het fort De Zeven Provinciën, dat vier bolwerken bezit, gebouwd, Bij Ngofakiaha, in het noorden van het eiland, is Fort Mauritius, dat eveneens vier bolwerken bezit, verrezen. In het zuidwesten van Makian, bij het dorp Tabelolo is het derde Hollandse fort verrezen. Dit fort Tabelolo heeft drie bolwerken. Tezamen hebben de drie Nederlandse forten 125 Europese en 8.000 inheemse inwoners. Fort Nassau op Motir heeft drie bolwerken, 50 soldaten en 2.000 inwoners. Kapitein, tevens opperkoopman, van Motir en Batjan is Apollonius Scotte. In het op de Spanjaarden veroverde fort op Batjan, dat de naam Fort Barnevelt heeft ontvangen. Is een garnizoen van 45 soldaten man gelegerd, onder bevel van kapitein Adriaen van der Dussen.

1 Dit is een merkwaardige mededeling, omdat foeli de bloesemblaadjes zijn van de muskaatnotenbomen,, die nooit afzonderlijk, maar altijd tezamen met de nuskaatnoten worden verkocht.

2 De Grote Zon dient eveneens twee zware stukken geschut naar Ambon te brengen

3 De Arent is eigenlijk bestemd om naar Coromandel te gaan, maar Wittert zond liever de Eendracht met de sloep van de Middelborch naar Bantam, om van daar met de Kleine Zon naar Coromandel te vertrekken.

Hoofdstuk 2. Overige verwikkelingen in de Estado da India 2.0 Expedities van de East India Compagny naar Azië

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

De verrichtingen van de admiraals Cornelis Matelieff de Jonge en Paulus van Caerden. De aanval van de Hollanders op de Estado da India

Deel 16 Index

Hoofdstuk 1.

De aanval van de Hollanders op de Estado da India

1.3. De verrichtingen van de admiraals Cornelis Matelieff de Jonge en Paulus van Caerden

Geschreven door Arnold van Wickeren

In het voorjaar van 1604 verlaat Dom Martim Afonso de Castro Lissabon met een vloot van vijf schepen, waarvan er echter een door de weersomstandigheden gedwongen is terug te keren, waardoor Dom Martim met slechts vier schepen in Goa aankomt. Direct na aankomst neemt hij het bestuur over van Aires de Saldanha. Dom Martim Afonso de Castro (1605-1607) neemt zijn plichten als onderkoning van Portugees Indië op zich op een moment dat de Portugese bezittingen serieus bedreigd worden door de Hollanders. Bij de aankomst van de nieuwe onderkoning zwerven nog steeds Hollandse schepen afkomstig van de eerste twee VOC-vloten, onder bevel van respectievelijk Wijbrant van Warwijck en Steven van der Haghen door de Indische archipel en wordt het vertrek van de volgende VOC-vloot, onder leiding van admiraal Cornelis Matelieff de Jonge, een 36-jarige Rotterdammer. voorbereid. Deze vloot bestaat uit elf schepen, het vlaggenschip Oranje, en de schepen: Amsterdam, Middelborch, Mauritius, Witte Leeuw, Zwarte Leeuw, Geünieerde Provintiën, Erasmus, Grote Zon, Nassau en Kleine Zon. Aan boord van de vloot bevinden zich, naast zeelieden, 200 soldaten. Was het de vloot van Wijbrandt van Warwijck toegestaan, naast het drijven van handel, ook steun te verlenen tegen de Portugezen aan de Koning van Ternate en aan de gouverneur van Ambon en diende de vloot van Steven van der Haghen een reeks inlandse vorsten hulp tegen de Portugezen te beloven, de vloot van Cornelis Matelieff de Jonge heeft primair een militair doel, namelijk het veroveren van Malacca en het vernietigen van de Portugese macht in Oost-Azië. Desondanks hebben de verschillende schepen allen een eigen commerciële bestemming, zoals Cambay, Coromandel, Ternate, Ambon en Banda, Bantam, Johore, Patani en China, want het is niet de bedoeling dat de handel onder de krijgsverrichtingen lijdt. Bovendien dient bij Mauritius en aan de kust van Madagascar gezocht te worden naar de Alkmaar, die in deze contreien is gebleven. Op 12 mei 1605 zeilt de gehele vloot uit. Op Mauritius wordt ververst, en van daar gaat het rechtstreeks naar Malacca, waar Matelieff op 30 april 1606 aankomt. Er liggen vier Portugese schepen voor Malacca, waarvan er een geladen is voor China. Matelieff geeft opdracht deze in brand te steken, maar zijn mannen beginnen te drinken en de schepen te plunderen en de schepen weten te ontsnappen. Ondertussen onderhoudt Matelieff ook betrekkingen met sultan Alauddin van Johore en in mei 1606 sluit hij een formeel pact met de sultan, gericht op de verdrijving van de Portugezen uit Malacca, In ruil daarvoor gaat Johore ermee akkoord dat de Hollanders Malacca voor zichzelf behouden en dat zij handeldrijven met Johore, Tenslotte komen de contractpartijen overeen dat men elkaars godsdienst zal respecteren. Op 8 mei 1606 ontscheept de admiraal Hollandse soldaten en matrozen, voor wie de operatie tot het laatst geheim is gehouden. Er landen ook 1500 soldaten van Johore. Matalieff laat zwaar scheepsgeschut uitladen om het Portugese vesting A Famosa te beschieten en slaat het beleg voor Malacca, waar het Portugese garnizoen, dat op dat moment uit nauwelijks 100 man bestaat en groot gebrek heeft aan vrijwel alles wat nodig is om een belegering te kunnen weerstaan. Bovendien hebben de verdedigers, die onder bevel staan van André Furtado de Mendoça, af te rekenen met verraad. Hun belangrijkste kanonnier op dat moment is een Hollandse huurling. De man blijkt niet alleen berichten uit te wisselen met zijn landgenoten, maar hij laat ook enige Portugese kanonnen in het fort uit elkaar barsten. Ook een moor in Portugese dienst blijkt een verrader te zijn. Beide verraders worden gedood en hun lijken worden over de muur gehangen. Ondanks de zwakke positie van hun tegenstanders en ondanks dat de belegeraars niet minder dan 50.000 kanonskogels in de stad doen neerkomen, wordt het beleg geen succes. Het Hollandse scheepsgeschut kan weinig uitrichten tegen de meters dikke muren van het fameuze Portugese fort en André Furtado de Mendoça blijkt hulp ontvangen van Japanse samurai, die zijn aangevoerd met schepen die een rood kenmerk dragen. De aanval eist zijn tol; velen raken gewond, maar nog meer Europeanen hebben last van tropische koortsen en op 16 augustus schepen de Hollanders, onder wie 300 gewonden en zieken, zich weer in. De Hollandse schepen zetten hun blokkade van de haven van Malacca voort.

Nadat het beleg en de blokkade van Malacca drie maanden en twee weken hebben geduurd, verneemt Matelieff dat er een grote Portugese armada, onder gezag van vice-rei Dom Martim Afonso de Castro zelf, nadert. De onderkoning heeft Goa in de maand mei van 1606 verlaten, met 12 of 14 galjoenen, 4 galeien, 15 of 16 fustas of fregatten, naast andere vaartuigen. Dom Martim Afonso is in juni voor Atjeh aangekomen. Daar heeft hij drie vijandelijke schepen met voorraden genomen. Hij heeft besloten Atjeh te tuchtigen, omdat het Hollandse schepen in de haven heeft ontvangen, ondanks de gemaakte afspraak dit niet te zullen doen. Dom Martim Afonso heeft op 29 juni troepen ontscheept in het zicht van een flinke Atjeese strijdmacht. De Portugezen en de Atjeeërs leveren twee hele dagen strijd met elkaar, maar als de eersten dan nog niet het overwicht op hun vijanden hebben behaald, trekt de onderkoning zijn troepen terug en neemt hen weer aan boord. Na een stormachtige reis, waarbij verschillende schepen verloren gaan, verschijnt de vloot van Dom Martim Afonso voor Malacca. Matelief heeft de belegering van Malacca, op de nadering van de vijandelijke vloot, afgebroken, zijn kanonnen weer ingeladen en is met zijn gehele vloot de Portugese armada tegemoet gezeild. De twee vloten ontmoeten elkaar op 14 augustus in de Straat van Malacca. De Portugese vloot beweegt zich in de richting van Cabo Rachado, waar 16 augustus een schotenwisseling plaats heeft. De volgende dag gaat de slag verder met een verrassingsaanval van de Nossa Senhora da Conceição op de Nassau, welk schip nog steeds voor anker ligt. Te ver verwijderd van de vloot wordt de Nassau door de bemanning van een tweede Portugees schip, de Santa Cruz, beklommen. Matelieff de Jonge’s schip, de Oranje, komt de Nassau te hulp maar komt door het tegenzitten van de wind in botsing met de Middelborch. De Portugezen vallen de Oranje en de Middelborch aan met de São Salvador en het galjioen van Dom Duarte da Guerra. Nadat de Oranje zich vrij heeft kunnen breken, geraken de São Salvador, het galjoen van Dom Duarte da Guerra en de Middelborch allen in brand. De drie schepen gaan allen op 18 augustus ten onder. De bemanningen van de Santa Cruz en de Nossa Senhora da Conceição weten ook de Nassau in vuur en vlam te zetten. Er volgt op dat schip een spectaculaire explosie; die het schip volledig in brand zet. Nadat het schip tot op de waterlijn is afgebrand, zinkt het 22 augustus 1606. Enkele dagen later besluit Matelieff de Jonge niet in te gaan op de Portugese uitnodiging de strijd te hervatten en hij verlaat het gevecht. De zeeslag heeft een zware tol geëst van beide partijen. De Nederlanders hebben 150 man verloren en zij hebben nog veel meer gewonden, de Portugezen hebben zelfs 500 doden te betreuren. Op 19 augustus heeft admiraal Matelieff de sultan van Johore gevraagd zijn vloot te mogen doen ankeren in de rivier van Johore, om de schade te kunnen herstellen er meer munitie te kunnen aanmaken. De sultan gaat hiermee akkoord, waardoor een einde komt aan de belegering van Malacca.

De onderkoning gaat met zijn vloot naar Malacca en hij neemt de schade van de belegering door de Hollanders op. De stad blijkt aanzienlijke schade te hebben opgelopen. De onderkoning zendt Dom Álvaro de Menezes met zeven galjoenen naar de omgeving van de Nicobaren, om de schepen, die uit Portugal verwacht worden op te vangen. Nuno Álvarez Pereira wordt met de andere vijf galjoenen naar Straat Singapor gezonden, om bepaalde vaartuigen te begeleiden die met levensmiddelen van Java op weg zijn naar Malacca. Als deze vijf galjoenen de vloot van Matelieff de Jonge ontwaren, weten zij niet hoe snel zij naar de haven van Malacca moeten terugkeren

In september 1606 hernieuwt Matelieff zijn pact met Johore en hij keert met negen schoongemaakte schepen terug voor Malacca. Dom Martim Afonso de Castro blijkt te zijn vertrokken, maar in de haven van Malacca vindt hij de vijf1 galjoenen onder bevel van Nuno Álvarez Pereira. Hij doet op 22 oktober een aanval met drie schepen, Oranje, Grote Zon en Geünieerde Provintiën op een van de Portugese galjoenen. Het schip moet het tegen de overmacht afleggen, maar omdat de schipper en het volk van de Grote Zon, die voor het prijsschip dienen zorg te dragen, dronken zijn, ontkomt het weer. Ondertussen is het Portugese eskader onder zeil gegaan. Twee Portugese schepen nemen de Amsterdam tussen zich in, maar deze schiet het ene schip in brand en doet het andere afdeinzen, terwijl de Mauritius het schip van de Portugese onderbevelhebber neemt. De volgende dag wordt het schip, dat door de Amsterdam is aangevallen door het volk verlaten gevonden en tezamen met de zoëven genoemde prijs wordt het in brand gestoken. De overige Portugese schepen zetten zich voor Malacca aan de grond. Op 30 oktober loopt Matelieff de rede op om ook deze in brand te steken, maar de Portugezen, begrijpende dat zij niet meer te redden zijn, doen het zelf. De gevangenen, 186 Portugezen en een gering aantal Hollanders worden over en weer uitgeleverd, met dienverstande dat voor de niet-gesneuvelde kapiteins van de galjoenen, Cristóvão Suarez, André Peso en Fernando Macado 5.000 ducaten losgeld betaald dient te worden.

Spoedig na dit verlies sterft vice-rei Dom Martim Afonso de Castro in Malacca. Verondersteld wordt uit verdriet om het verlies van zijn vloot. Hij heeft zijn hoge ambt op de dag van zijn overlijden precies 2½ jaar bekleed. Hij wordt opgevolgd door Dom Frei Aleixo de Menezes o.e.s.a., aartsbisschop van Goa, die geen vice-rei is, maar alleen capitão-geral. In hetzelfde jaar 1606 blokkeren de Hollanders ook de haven van Goa, gedurende het gehele seizoen, waardoor de retourvloot naar Lissabon niet heeft kunnen uitzeilen en Lissabon verstoken blijft van de aanvoer van specerijen. Tot overmaat van ramp vergaat de met peper geladen nau Nossa Senhora dos Mártides die een jaar eerder uit Indië is vertrokken op 15 september 1606 voor het fort Sáo Juliáo da Barra op een paar léguas van Lissabon.

Matelieff zet vervolgens koers naar Poeloe Boetang om de zeven andere Portugese galjoenen op te zoeken. Onderweg neemt hij bij Kedah een schip, neemt de lading eruit en laat het schip daarna in brand steken. Op 8 december vindt hij de Portugezen bij Boetang, maar deze liggen in een bocht dicht onder de wal, zodat voorkomen wordt dat de schepen met geschut of branders veel kwaad kan worden gedaan. Matelieff probeerde het zelfs niet2; door andere belangen voortgedreven, laat hij de Portugezen met rust en verzuimt daardoor de enige gelegenheid om zich meester van de zee te maken, wat hem niet door zijn superieuren in dank zal worden afgenomen.

De admiraal zendt zijn vice-admiraal, Olivier van de Vivere, met de schepen Amsterdam, Grote Zon en Witte Leeuw naar Atjeh en zelf vertrekt hij met de rest van de vloot naar Bantam. Daar laat hij de schepen Zwarte Leeuw en Geünieerde Provintiën achter en vertrekt met de rest van zijn vloot via Ambon naar Ternate.Hij beschikt over de schepen Oranje, Mauritius, Erasmus en Kleine Zon, alsmede over de Enckhuijsen en de Delft, welke schepen met Steven van der Haghen naar Indië zijn gekomen, en over het Duyfken, het jacht dat Wijbrant van Warwijck in Indië heeft achterfelaten, Matelieff komt 29 maart 1607 bij Ambon aan. Hij treft daar gezanten van de twaalfjarige sultan Modfar van Ternate, wiens vader, sultan Said Barakat in 1606 door de Spanjaarden gevankelijk naar Manila is gebracht. Zij roepen Matelieffs hulp in tegen de Spanjaarden. Bij de Molukken aangekomen, wil Matelieff op Tidore landen om de Spaanse bondgenoten van de Tidorezen van het eiland te verdrijven. Hij ontmoet in Jailolo op Halmahera de jonge sultan Modfar van Ternate, die 200 krijgers bij zich heeft. Matelieff neemt de Ternatanen aan boord en zeilt met hun naar Tidore, dat aanvankelijk verdedigd wordt door 30 Spaanse soldaten, aangevuld met Tidorezen. De landing wordt uitgevoerd met enige coracora’s, waarin 300 aanvallers hebben plaatsgenomen, Zij naderen het eiland onder dekking van het scheepsgeschut, maar de ontvangst door de Spanjaarden en de Tidorezen is warm en de aanvallers zijn genoodzaakt zich met verliezen terug te trekken. Omdat de Hollanders de wateren rond het eiland niet kennen en bang zijn op het rif vast te lopen en omdat gouverneur Juan de Esquivel enige Spaanse versterkingen heeft aangevoerd, wordt de aanval afgebroken, zodat de Spanjaarden op Tidore blijven. Matelieff gaat vervolgens naar Ternate, laat daar zijn mannen het vervallen fort in het plaatsje Malajoe opknappen, welk karwei 9 juni af is. Matelieff doopt het fort Oranje en legert daarin 47 man, onderbevel van Gerrit Gerritsz van der Buijs. Hij sluit een nieuw verdrag met de regering van Ternate over de levering van kruidnagelen. Matelieff verneemt ook dat er bij de invasie van de Spanjaarden, die nog steeds in fort Gammelamme zitten, nogal wat Ternatanen naar Halmahera zijn gevlucht. Hij laat deze mensen ophalen met de Enckhuijsen, Delft en Kleine Zon. Vervolgens laat hij deze drie schepen ieder met 44 koppen bemand, tot onderlinge bescherming voor Malajoe liggen. Met het oog op de moesson maakt hij haast om, volgens zijn instructie, naar China te gaan. Hij vertrekt op 12 juni met de Oranje, Erasmus, Mauritius en een jacht.

Drie dagen na Matelieffs vertrek, terwijl Fort Oranje nog niet af is en de kanonnen nog niet zijn geplaatst, komen Spanjaarden en Tidorezen in twee galeien en elf coracora’s het fort aanvallen. De aanval wordt echter afgeslagen. Op 25 juli wordt Fort Oranje opnieuw aangevallen, nu door 26 coracora’s, maar een kanonsschot is voldoende om de coracora’s tot achter de hoek bij Terloko te doen terugwijken. In september ziet Van der Buijs zich verplicht de Kleine Zon naar Menado te zenden, om daar rijst, varkens en ander voedsel te kopen, omdat het garnizoen op Ternare honger begint te lijden. Omdat de Hollanders nog maar nauwelijks in Menado zijn geweest, dient schipper Jacob Jansz Haen de koning “een verering aan te doen”. De Enckhuijsen, naar Halmahera gezonden, geraakt bij Saboego aan de grond en geraakt niet meer los. De Delft wordt onder tijdelijk bevel van stuurman Adriaen Cornelissen naar de Enckhuijsen gezonden, om de lading van het gestrande schip over te nemen, maar de stuurman die liever naar Ambon wilde gaan, doet het voorkomen als hij 5 januari 1608 bij Ambon aankomt dat hij door de wind en de stroming uit de koers is geraakt.

Terwijl de beschreven gebeurtenissen zich in de Molukken voordoen, zeilt Cornelis Matelieff de Jonge met zijn schepen Oranje, Erasmus, Mauritius en een jacht naar China, met welk land hij in Canton (Guangzhou) handel tracht aan te knopen. Dit lukt hem niet, omdat de Spanjaarden en Portugezen daar sterker zijn dan hij. Op 27 november is Matelieff voor Java. Het is de Nederlanders evenmin gelukt zich in hetzelfde jaar 1607 blijvend als kooplieden te vestigen op de kust van Fujian. Zij worden genoopt te vertrekken, omdat zij door de autoriteiten voor rovers en plunderaars worden gehouden. Matelieff brengt zelf nog een bezoek aan Patani. We besluiten de bespreking van de verrichtingen van de vloot van Cornelis Matelieff de Jonge, met nog enige opmerkingen over afzonderlijke schepen. De Witte Leeuw, welk schip eerder met andere schepen naar Atjeh is gezonden, vernieuwt daar het met de sultan gesloten contract; laat een journaal van Matelieff achter voor zijn opvolger en gaat daarna naar Bantam. De Grote Zon vertrekt van Atjeh voor een korte reis naar Coromandel en komt daarna aan voor Bantam. Op 3 december 1607 vertrekt dit schip naar Gresik om er rijst te kopen en naar Ternate te brengen, waar het garnizoen in Fort Oranje gebrek lijdt. Het schip komt juist op tijd om te beletten dat de Spanjaarden Fort Oranje zouden innemen. De Delft is weggegaan, de Kleine Zon heeft geen volk meer aan boord en de Enckhuijsen is voor Halmahera gestrand en daar gebleven.

Begin 1607 is Dom Estêvão de Ataide, capitão van Sofala en Moçambique, teruggekeerd van een expeditie naar Monomotapa, welks gelijknamige keizer hij behulpzaam is geweest een rebellie in zijn land te onderdrukken. De vorst heeft daarvoor de zilvermijnen in zijn gebied afgestaan aan de Kroon van Portugal. De bedoeling is dat de zilvermijnen, die de rijksten van geheel Azië3 zouden zijn, geëxploiteerd gaan worden en zilver gaan opleveren voor de aankoop van peper en (andere) specerijen. Korte tijd later, op 29 maart 1607, ankert de Hollandse admiraal Paulus van Caerden, met acht gewapende schepen en een strijdmacht van 1.500 man, in de haven van Moçambique. Paulus van Caerden die al in 1602 met de eerste VOC-vloot, bestaande uit 14 schepen onder bevel van Wijbrant van Warwijck, als koopman naar Indië is gekomen, is in mei 1606, als admiraal van de derde VOC-vloot, opnieuw naar Indië vertrokken. Zijn acht schepen: Banda, Bantam Ceylon, Walcheren, Ter Veer, Zierikzee, China en Patani, die in mei 1606 het zeegat van Texel zijn uitgezeild, hebben in september water ingenomen bij Cabo Lopes Gonçalves en opnieuw in november bij Ano Bom. Op het moment dat Van Caerden ankert bij Moçambique bestaat het garnizoen van het nieuwe Forte São Sebastião uit slechts 80 man; zij beschikken over weinig en dan nog inferieure stukken geschut die nauwelijks geschikt zijn dienst te doen. Met deze kleine strijdmacht treft Dom Estêvão alle mogelijke voorbereidingen voor de verdediging. Van Caerden voort al op 1 april een landing op het eiland Moçambique uit, waarbij slechts één Portugees, maar 800 ‘zwarten’, waaronder 125 Gujarati-matrozen worden gevangengenomen. Deze worden opgeborgen in het oude, niet meer in gebruik zijnde Forte de São Gabriel en in een kerk, terwijl het volk van de schepen in het klooster van São Domingo en in het kerkje São Gabriel worden ondergebracht. De gevangengenomen Portugees, die de Hollandse admiraal laat weten dat er spoedig schepen uit Portugal in Moçambique worden verwacht, deelt ook mede dat de muren van het Castelo de São Sebastião zeer dun en met zand zijn opgevuld. De goedgelovige admiraal besluit vier halve kartouwen aan land te brengen, om daarmee een bres in de muur te schieten. Omdat blijkt dat de vloot te weinig kogels bij zich heeft, worden zes nog lichtere stukken geschut uitgeladen. Zodra de Hollanders het fort beginnen te beschieten vallen de kanonschoten zo rijkelijk op de muren dat Dom Estêvão deze vrij van mannen wil houden; dat moedigt de Hollanders natuurlijk aan, maar een Hollandse kolonel die zich op zijn paard te dicht bij de muur waagt, krijgt prompt een kogel in het hoofd. Van Caerden tracht tegen de muren enige houten torens, die net zo hoog zijn als de kantelen, op te richten en in het donker van de nacht naar de muren te rollen. De poging wordt ontdekt door de verdedigers die de vijand aanvallen met vuurwerk dat de vijand dwingt zich terug te trekken. De volgende nacht hebben de Hollanders meer succes en weten zij hun torens vlak naast de muren te plaatsen. Er zeilen 25 Portugezen uit met de bedoeling de torens in brand te steken, maar zij worden teruggedreven. Ondanks dat zij niet in hun opzet zijn geslaagd, hebben zij enige vijanden gedood, zonder zelf verliezen te lijden. Merkwaardigerwijze hervatten de Hollanders een hele week hun aanval niet, ondanks dat de Portugezen hun torens hebben weten te verbranden. Nadat Van Caerden 25 doden en 70 à 80 gewonden te betreuren heeft, stelt hij een wapenstilstand voor. Deze wordt geaccepteerd. Terwijl het bestand van kracht is, verwijten zij de Portugezen dat deze niet meer zo moedig zijn als voorheen. Om dit verwijt te loochenstraffen, stelt Dom Estêvão een tweegevecht voor tussen 50 Hollanders en 25 van zijn eigen mannen. Het voorstel wordt door Van Caerden verworpen. Op 7 mei 1607 zendt Van Caerden een brief naar Dom Estêvão waarin hij dreigt de gehele omgeving te verwoesten, tenzij dit wordt afgekocht met en som geld. Dom Estêvão verwerpt dit voorstel, waarop de Hollanders hun dreigement uitvoeren en de hele stad in brand steken en nadat zij ook nog alle bomen hebben gekapt, heffen zij het beleg, dat twee maanden heeft geduurd, op. In deze tijd zijn – volgens Danvers – 13 Portugezen gesneuveld, terwijl de Hollanders 300 man zouden hebben verloren. Bij het verlaten van de haven wordt een van de Hollandse schepen, de Zierikzee, door een kanon van het fort lek geschoten. Van Caerden laat het wrak liggen, nadat hij alles van waarde eruit heeft laten halen. De gevangen inlanders worden naar de vaste wal overgebracht, behalve de Gujarati die bij Van Caerden in dienst treden. Voor hun vertrek plunderen de Hollanders nog twee schepen die op de rede liggen. De Hollandse vloot blijft tot 29 mei bij het Ilha de São Jorge liggen en zeilt dan naar het Comoren-eiland Mayotte, om te verversen. Zodra de vijand begin juni vertrokken is, arriveren drie schepen uit Portugal, onder bevel van Dom Hierome Coutinho, in de haven van Moçambique. Nadat Dom Hierome de bewoners van de verwoeste stad van het noodzakelijkste heeft voorzien, zet hij zijn reis naar Indië voort. De vloot van Van Caerden, die van 8 juni tot 17 juli bij Majotte heeft gelegen, keert terug naar Moçambique, om te zien of zij daar nog iets kan uitrichten. Van Caerden, die 4 augustus ziet dat er drie kraken dicht onder het kasteel liggen, ziet van actie af en vertrekt 26 augustus naar Goa. Bij het oversteken van de Indische Oceaan, maakt Van Caerden een Portugese kraak, de Nossa Senhora do Loretto, die op weg is naar Portugal, buit. De admiraal ontscheept 2 oktober 1607 in Sisardam de bij hem aan boord zijnde Gujarati, maar handel is daar niet mogelijk, omdat die in handen is van de Portugezen.

De Heren XVII zenden in april 1607 twee schepen naar Indië, een nieuwe Gelderland, met schipper Jan Jansz Mol en de Gouda, met nieuwe geheime instructies voor de admiraals Cornelis Matelieff de Jonge en Paulus van Caerden. De instructie houdt in dat de handelsbelangen aan de oorlogsbelangen ondergeschikt zijn. Deze koerswijziging komt bij Matelieff goed aan. Dat hij eind 1606 de zeven Portugese galjoenen bij Poeloe Boeton met rust gelaten heeft, heeft hij geweten aan de onduidelijkheid van het beleid van de Heren XVII in die tijd. Een en ander blijkt uit de brief die Matelief eind 1607 aan zijn opvolger Paulus van Caerden schrijft. “Dat de heren bewinthebbers de negotie willen postponeren ende eerst de oorloge bij der hant vatten daer doen se na mijn oordeel heel wijslijc aen, ende hadde ick sulcken ordre gehadt ic soude mijn best gedaen hebben, om anno 1606 in December de 7 galjoenen onder Poeloe Boeton nyet te verlaten sonder een proeff op gedaan te hebben ten goede oft quade ende bij soo verre als mij Godt de victorie met mijn 9 schepen tegen de 7 hadde gegeven, tsoude de Portugesen heel ten achteren gestelt hebben.”

De Heren XVII laten de Gelderland en de Gouda nog een andere boodschap overbrengen, namelijk de waarschuwing voor het uitreden van een Portugese vloot, “waaronder zich veel Duinkerkers zouden bevinden, die met Prinsenvlaggen, Hollandse kleding en zelfs Hollandse kapiteins onze schepen zouden kunnen verrassen en door dit bedrog zich van onze plaatsen in Indië meester te maken.” Als de Gelderland, op weg naar Bantam Tuticorin passeert, ziet de bemanning dat de Portugezen uit vrees voor een Hollandse aanval daar zelf hun kraak in brand steken. Op 27 december 1607 arriveert de Gelderland voor Bantam, waar admiraal Matelieff ligt. Hij opent de geheime instructie voor Van Caerden en zendt deze, vergezeld van zijn eerder genoemde brief met een sloep naar Malacca. Matelieff zendt de Gelderland naar de Molukken, waar het schip 17 maart 1608 voor Ternate aankomt. Matelieff heeft nog een andre beroemde brief geschreven, namelijk die van 12 november 1608 aan Hugo Grotius. Hij analyseert de situatie in Azië daarin scherp en toont een vooruitziende blik in wat met de specerijenhandel gaat gebeuren. Hij beveelt aan vriendschap te sluiten met de Koning van Makassar en hem de kruidnagelen uit de Molukken te doen verwerven, door hem aan te sporen de Banda eilanden te veroveren De VOC zou dan de specerijen uitsluitend van hem betrekken.

Wat de vloten van Matelieff en Van Caerden aangaat, kan het volgende worden medegedeeld. Matelieff vertrekt eind januari 1608 met zijn schepen Oranje, Mauritius, Geünieerde Provintiën en Zwarte Leeuw vanuit Bantam naar Nederland, nadat hij kort tevoren Jacques l’Hermitage de Jonge voor een periode van drie jaren tot directeur te Bantam heeft benoemd, als opvolger van Jan Willemsz Verschoor.

Paulus van Caerden, die een jaar later is uitgezeild dan Matelieff, keert nog niet terug naar Holland, maar zet met zijn zes schepen koers naar Ambon, waar hij op 10 maart aankomt. Vandaar vertrekt hij naar Ternate en arriveert daar op 18 mei 1608. Hij onderneemt een vergeefse poging het door de Spanjaarden bezette voormalige Portugese Fortaleza de São João Baptista bij Gammelamme, dat herdoopt is Fortaleza las Fuorsas del Rosario, te nemen. Daarentegen slaagt Van Caerden erin op 21 juli 1608 het fort te Tafasoho op het eiland Makian te bemachtigen. De admiraal verliest echter in juli door een zeebeving, die het gevolg is van de uitbarsting van de vulkaan Tafasoho twee van zijn zes schepen, de China en de Walcheren. Op 18 juli stelt Van Caerden kapitein Apollonius Scotte aan als commandant van het fort te Tafasoho. Van Caerden onderneemt dan met een klein vaartuig en slechts 74 man een tochtje naar Moro, het noordelijkste deel van Halmahera en ten oosten daarvan verovert hij een eiland dat Siauw geheten zou hebben, maar dat hoogstwaarschijnlijk Morotai is geweest en dat werd verdedigd door tien Spaanse soldaten. Toen admiraal Paulus van Caerden van deze onbelangrijke onderneming terugkeerde, raakte zijn schip in de Baai van Leleda bij twee Spaanse schepen verzeild. Van Caerden strijkt zijn vlag voor beide vijandelijke schepen en wordt gevangengenomen en opgesloten in het fort bij Gammelamme. Op 17 maart 1608 arriveert de Gelderland bij Ternate, waarna de Grote Zon, een schip van de vloot van Cornelis Matelieff de Jonge, naar Ambon en vervolgens naar Makassar vertrekt. De Grote Zon ligt van april tot juni 1608 voor Sambopo en komt 25 juni voor Bantam. Het schip maakt nog een reis, maar is 5 november 1608 weer voor Bantam en 28 januari 1609 voor Jacatra en vertrekt kort daarna naar Nederland. De Kleine Zon en de Gelderland zeilen van Ternate benoorden Celebes en Borneo om, naar Patani, onder Arent Maertsz, een reis die nog door geen VOC-schip was gemaakt Zij komen 29 november 1608 voor Bantam terug. Een maand later komt de Kleine Zon, onder Jan Dirckz Lam weer te Ambon aan. Korte tijd nadat Van Caerden in 1609 is vrijgekocht, geraakt hij, alweer door eigen onvoorzichtigheid, in juli 1610 opnieuw in Spaanse krijgsgevangenschap Dit keer zenden de Spanjaarden hem naar Manila, waar hij stenen moet sjouwen die worden gebruikt bij de bouw van een fort.

1 Het genoemde aantal van vijf galjoenen is ontleend aan Danvers; volgens Mac Leod (pag. 59) gaat het om zeven galjoenen en volgens de Wikipedia encyclopedia zelfs om tien schepen. Dit sluit dan weer aan bij Milford, die op pag. 67 spreekt over zeven galjoenen en drie galeien want de vierde is bij Cabo Rachado aan flarden geschoten.)

2 Curieus is dat Danvers op pag. 137 van zijn deel II vermeldt dat er bij Boetang een zware strijd ontstaat die Dom Álvaro de Menezes noodzaakt zich terug te trekken als hij drie schepen heeft verloren.

3 In die tijd werd de Swahilikust tot Azië en Sofala en Moçambique tot de Estado da India gerekend

1.4 De vloot van Pieter Willemsz Verhoeff