Categorieën
Portugees kolonialisme

Ontdekkingstochten naar het Noorden. Reizen naar de Nieuwe Wereld

Deel 6 Index

Hoofdstuk 2

Reizen naar de Nieuwe Wereld

2.1 Ontdekkingstochten naar het Noorden

Geschreven door Arnold van Wickeren

In paragraaf 2.8 van Deel II is aandacht geschonken aan de verkenningstochten in het noorden van de Atlantische Oceaan. Onder meer kwamen ter sprake de tochten van Diogo de Teive in 1452 en die van João Vaz Corte-Real en Álvaro Martins Homem tegen 1474. Bij beschikking van 28 oktober 1499 geeft Manuel João Fernandes Lavrador (boer) op Terceira toestemming trabalhar de ir buscar e descobrir algumas ilhas de nossa conquista (op zoek te gaan naar en te ontdekken: enige eilanden aan onze kant van de demarcatielijn). De kosten van de expeditie dienen te worden gedragen door João Fernandes, maar als beloning wordt hem een capitania beloofd naar het voorbeeld van Madeira. Van de door João Fernandes gemaakte verkennings-tocht(en) is geen verslag overgeleverd, maar dat er één of meer tochten hebben plaatsgevonden en dat daarbij resultaat is geboekt, blijkt uit verschillende aanwijzingen. Zo is bekend dat een landeigenaar op Terceira in 1506 de zonen van João Valadão gerechtelijk vervolgt, omdat deze land van hem in bezit heben genomen, tijdens zijn afwezigheid, omdat `ik en João Fernandes Lavrador door de Koning onze Heer gemachtigd waren ontdekkingsreizen te maken, waaraan we ruim drie jaar hebben besteed.’ Als in het begin van de 16e eeuw voor Groenland de naam `Labrador’ op de kaarten verschijnt, wordt aangenomen dat João Fernandes dit eiland zijn naam heeft gegeven. In welk jaar João Fernandes en Pedro de Barcelos Groenland hebben ontdekt en daar aan land zijn gegaan, is al lange tijd een punt van onderzoek en discussie. In navolging van Damião Peres, houdt Diffie het op 1500 of 1501. Anderen zijn van mening dat de tocht van het tweetal voorafgegaan is aan de reis die de Venetiaan Giovanni Cabote (John Cabot), in dienst van Engelsen uit de havenstad Bristol, in 1497 of 1498 heeft ondernomen. De expeditie van Giovanni Cabote ontdekt het grote ten zuidwesten van Groenland gelegen schiereiland, zoals blijkt uit een anonieme kaart van omstreeks 1525. Hierop staat dit schiereiland aangegeven als `Terra do Lavrador’ en in de legenda is in het Spaans vermeld `Tierra del Labrador laqual fue descubierta por los ingleses de la vila de bristol e porq el q dio el aviso della era labrador de las islas de los açores le quido este nombre’ Uit deze tekst leiden sommige historici af dat de expeditie van João Fernandes Lavrador en Pedro de Barcelos is voorafgegaan aan die van Giovanni Cabote en dat de benaming `Lavrador’ of `Labrador’ zich gehecht heeft aan het betreffende schiereiland, dat door Giovanni Cabote en zijn metgezellen is ontdekt. Deze lezing veronderstelt dat João Fernandes al op ontdekkingstocht is geweest, voordat koning Manuel hem bij succes een capitania beloofd heeft. Dit is, zoals hierna zal blijken, niet ongebruikelijk.

Op 12 mei 1500 staat koning Manuel Gaspar Corte-Real toe zijn, tot dan toe voor eigen rekening ondernomen, ontdekkingsreizen in de buurt van Newfoundland voort te zetten. Hij is daarmee in de voetsporen getreden van zijn vader, João Vaz Corte-Real, donatário op Terceira, die kort voor 1474, tezamen met Álvaro Martins Homem het Terra dos Bacalhaus (Kabeljauwland), thans Newfounland, heeft ontdekt. Gaspar verkrijgt het op zijn erfgena-men overgaande recht zijn eventuele ontdekkingen, of dit nu eilanden zijn dan wel vasteland is, verder te onderzoeken, te besturen en de vruchten ervan te plukken. Dit blijkt uit de legenda van de beroemde anonieme en in deel II (zie pagina 162) besproken Cantino-kaart of Cantino-atlas uit 1502. Op deze kaart wordt ten minste één eiland voor de kust van Terra Nova (Newfoundland) aangeduid als `Terra Corte-Real’.

Volgens de kroniekschrijver Damião de Goís vertrekt Gaspar Corte-Real in het voorjaar van 1500 met één schip. Hij vindt een koud land met hoge bomen, dat hij Terra Verde noemt. De bevolking wordt omschreven als `barbaars en wild,’ blank als zij jong zijn, maar bruinig als zij ouder worden. Gaspar leert hen goed genoeg kennen om te ervaren dat zij zeer jaloers zijn wat hun vrouwen betreft. Een en ander komt overeen met de beschrijving van Newfoundland ten noorden van Cape Breton, dezelfde streek die Cabot heeft bezocht. Uit de verwarde en tegenstrijdige gegevens die over de avonturen van Gaspar Corte-Real bestaan, is door sommigen opgemaakt dat hij ver-moedelijk nog in 1500 de oostkust van Groenland heeft bezocht; hij zou daarna Kaap Farewell aan de zuidpunt daarvan gerond hebben en is vervolgens langs de westkust van dit eiland naar het noorden gezeild, totdat ijsbergen hem verdere voortgang hebben belet. Toen zou hij zijn teruggekeerd naar Lissabon, waar hij vermoedelijk in de eerste helft van oktober 1501 is aangeko-men. Als deze lezing juist is, dan is Gaspar Corte-Real, afgezien van de Noormannen, de eerste Europeaan die wellicht in aanra-king is gekomen met Eskimo’s. Mogelijk is Gaspar al veel eerder van deze tocht teruggekeerd, want volgens Damião de Goís zeilt hij in april of mei 1501 opnieuw uit, dit keer met drie schepen en in gezelschap van zijn oudere broer Miguel. De beste inlichtingen over deze reis zijn, volgens Diffie, te vinden in de vanuit Lissabon geschreven brieven van Pietro Pasqualigo en Alberto Cantino, respectievelijk de gezant van Venetië en de geheim agent van Ercole d’Este, hertog van Ferrara, naar wie de Cantino-atlas is genoemd. Gaspar Corte-Real bereikt Labrador, Newfoundland en Nova Scotia en geeft vele opvallende plaatsen aan de kusten namen, die tot op de dag van vandaag in verbasterde Engelse vorm voortleven. Gaspar zeilt alleen naar het zuiden, om de kust van Newfounland nauwkeurig te onderzoeken, terwijl de beide andere schepen vanaf de oostkust van Newfoundland naar Portugal terugkeren, met vijftig slaven, een hoeveelheid balken en andere objecten, zoals zilveren oorringen en het blad van een Venetiaans zwaard, die de Indianen kennelijk van de expeditie van Cabot hebben gekregen.

De bemanningen van de twee in Portugal aangekomen schepen vertellen dat zij in een bomenrijk en dichtbevolkt land zijn geweest, waarvan de wateren voor de kust rijk zijn aan vis. Deze beschrijving is in hoge mate van toepassing op Newfoundland. Als Miguel al vele maanden in Portugal terug is, wordt nog steeds op de terugkeer van zijn broer gewacht. Miguel stelt de koning voor opnieuw uit te varen voor een nauwkeurige zoektocht naar Gaspar. De koning, die daarmee instemt, verleent Miguel zekere rechten op tijdens de zoektocht eventueel te ontdekken gebieden in het geval Gaspar niet of dood teruggevonden zal worden. Miguel vertrekt 10 mei 1502 met twee schepen. Eenmaal daar aangekomen waar hij zijn broer vermoedt, verlaat hij het andere schip, om alleen op onderzoek uit te gaan. De kapitein van het andere schip wacht te vergeefs op zijn terugkeer. Noch van hem, noch van enig ander lid van zijn bemanning wordt ooit meer iets gezien of vernomen. Koning Manuel zendt, nadat duidelijk is dat beide broers vermist zijn, nog een expeditie uit, om naar hen te zoeken. De zoektocht levert niets op. In de jaren daarna varen geregeld Portugese schepen naar Newfoundland, om daar op kabeljauw te vissen. Desondanks wordt nimmer een spoor van Gaspar en Miguel Corte-Real gevonden. In 1506 worden beide broers en de bemanningsleden van hun schepen officieel dood verklaard.

De dramatisch verlopen reizen van de gebroeders Corte-Real zijn voorlopig de laaste tochten naar het Noorden. Vermoedelijk eerst in 1519 worden de wateren van de Golfo de São Lourenço weer bezocht door een Portugese expeditie. Zij is uitgerust door degenen die daarbij financieel belang hebben, zoals in die tijd gebruikelijk is bij expedities die naar het Westen gezonden worden. De leiding van de onderneming berust, blijkens een koninklijke brief uit 1521, bij João Álvares Fagundes. Nimmer is opgehelderd wat deze expeditie heeft bijgedragen aan de ontdekking van de kust van continentaal Amerika en van de vele eilanden voor de kust. De vele verschillende eilanden, die in de desbetreffende documenten worden opgesomd, zijn vanzelf-sprekend bekend bij die ontdekker die op de betreffende capitania juridische en financiële rechten kan doen gelden. Een Portugese kaart uit 1519 vermeldt bij de in het estuarium van de Saint Lawrence gelegen eilanden Onze Mil Virgens (Elfduizend Maagden). Op een koninklijke kaart uit later tijd worden deze eilanden aangeduid als `Ilhas Fagundas.’ Hieruit blijkt dat João Álvares Fagundes formeel als de ontdekker van de eilanden in de Golfo de São Lourenço is erkend en dat het hem is toege-staan de eilanden te onderzoeken en te exploiteren. Kaarten uit het begin van de 16e eeuw tonen Portugese vlaggen overigens niet alleen op Newfoundland, maar ook op Groenland en Labrador. Deze gebieden worden op deze kaarten aangeduid als `Terra del Rey de Portuguell’.

De onnauwkeurigheid waarmee in die tijd lengtegraden worden bepaald, verklaart waarom Newfoundland en de Gulf of Saint Lawrence beschouwd worden als gebieden die, op basis van het Verdrag van Tordesillas, op de Portugese wereldhelft liggen, ofschoon zij in werkelijkheid op de Spaanse hemisfeer liggen. Koning Manuel voelt zich dus gerechtigd over de betreffende gebieden te beschikken, ofschoon Castilië, dat met Portugal twist over de exacte ligging van de demarcatielijn, zich ook opmaakt om de gebieden te gaan exploiteren en wel met behulp van een Portugese zeeman, Estêvão Gomes geheten. Deze ontvangt in 1525 van de Spaanse kroon opdracht via het noordwesten de doorgang van de Atlantische Oceaan naar de Grote Oceaan te zoeken. Alhoewel hij daarin niet slaagt, verwerft hij enige bekend-heid door zijn activiteiten in de streken tussen Newfoundland en de Chesapeake Bay voor de kust van de Verenigde Staten. Een deel van deze gebieden is al eerder door Fagundes ontdekt, maar Estêvão Gomes verkent en exploiteert ze grondiger.

2.2 Ontdekkings- en handelsreizen naar Brazilië; het begin van de kolonisatie van Brazilië.

Categorieën
Portugees kolonialisme

São Tomé & Principe; Ano Bom en Fernando Po

Deel 6 Index

Hoofdstuk 1

De Atlantische eilanden

1.4 São Tomé & Principe; Ano Bom en Fernando Po

Geschreven door Arnold van Wickeren

Het Ilha de São Tomé en het kleinere Ilha de Santo Antão (later Principe) zijn hoogst waarschijnlijk ontdekt in de maanden december 1472 en januari 1473. De onbewoonde dicht bij de evenaar gelegen eilanden ontvangen veel regen en zijn zeer vruchtbaar. Voor Europeanen is het klimaar echter zeer onge-zond. Een poging de eilanden in het midden van de jaren tachtig te koloniseren, loopt op een mislukking uit. Tegen het eind van de 15e eeuw doen Álvaro de Caminha en António Carneiro, beiden koninklijke vazallen en behorend tot de lage adel, opnieuw een poging de eilanden te koloniseren. Deze capitães weten hun capitania goed te organiseren en trekken vogels van diverse pluimage aan. Naast ervaren ambachtslieden, trekken de eilanden ook arme Portugezen en degradados. Tot de kolonisten behoort een aantal jonge joden, die van hun ouders zijn wegge-haald en met geweld tot het christendom zijn bekeerd. Voor het verrichten van het zwaardere werk worden zwarten van Fernando Po en het vasteland aangevoerd. De eilanden ontwikkelen zich snel. São Tomé en Santo Antão worden belangrijke suikerprodu-centen en leveren ook palmolie; de economie is mede gebaseerd op de veeteelt. Er komt maar een klein aantal Portugese vrouwen naar de eilanden, zodat de nakomelingen van de eerste kolonisten vrijwel allen gemengd bloed hebben. Er ontstaat al snel een inheemse aristocratie van halfbloeden, die de controle over de eilanden verwerft. São Tomé wordt berucht om de daar heersende sociale onrust. Al in 1517 komen de mulatten en slaven voor het eerst in opstand tegen de grootgrondbezitters.

De handelaren van São Tomé zijn beruchte slavenhalers, waarbij zij er niet voor terugdeinzen door hun hebzucht de goede betrek-kingen van koning Manuel met Afrikaanse heersers te frustreren. De beroemde kroniekschrijver Duarte Pacheco Pereira, voor wiens uitzonderlijke verdiensten verwezen wordt naar paragraaf 1.6 van deel IV, meldt dat zij in 1505 inbreuk maken op de tussen het Portugese en het Congolese hof gemaakte afspraken, dat alle Congolese slaven worden uitgevoerd via de haven Mpinda. Hiermee onthouden zij de Congolese vorst de belasting die hij op de export van slaven in Mpinda heft. Vooral Fernão de Mello, de capitão van São Tomé is berucht om zijn intriges, waarmee hij koning Afonso I van Congo misleidt en bedriegt, met het doel steeds grotere aantallen slaven in handen te krijgen. In 1514 zendt de koning van Benin een gezant naar koning Manuel, onder meer om zich te beklagen over het hebzuchtige gedrag van de slavenhalers uit São Tomé aan de kust van Benin.

Ook bestuurlijk ontwikkelt São Tomé zich snel. In 1504 is er al sprake van de eerste parochie, die twintig jaar later is uitgegroeid tot een vila. Om meer grip op de situatie te krijgen, zal de capitania São Tomé in 1522 worden opgeheven en wordt het eiland een kroondomein. In 1534 zal het ook een bisdom worden. Het diocees van de bisschop van São Tomé zal zich dan uitstrek-ken langs de kust van West-Afrika van Guinée tot aan Kaap de Goede Hoop. De vila wordt in dat jaar verheven tot stad. São Tomé en Principe ontwikkelen zich tot tussenstations voor Portugese schepen zeilende naar, of komende van Indië. Later zal São Tomé een verzamelstation worden voor slaven, die naar Brazilië worden getransporteerd.

Het Ilha de Ano Bom is op 1 januari 1484 ontdekt door Diogo Cão. Al voor 1510 heeft zich er een groepje kolonisten gevestigd onder leiding van de edelman Jorge de Melo, de eerste capitão van Ano Bom. Het Ilha de Fernando Po tenslotte, is in 1472 ontdekt door Fernão do Pó. Hij heeft het eiland, met zijn karak-teristieke Pico Basile, een vulkaankegel van 3008 meter hoogte, aanvankelijk Formosa (prachtig) willen noemen, maar het eiland is desondanks vernoemd naar zijn ontdekker. Anders dan alle hiervoor genoemde eilanden, is Fernando Po bewoond. De zwarte bewoners, Boebi’s geheten, verzetten zich heftig tegen Portugese kolonisten; daarom wordt van kolonisatie afgezien. Fernando Po wordt een leverancier van slaven voor São Tomé.

2.1 Ontdekkingstochten naar het Noorden.

Categorieën
Portugees kolonialisme

De Kaapverdische eilanden en Opper Guinée

Deel 6 Index

Hoofdstuk 1

De Atlantische eilanden

1.3 De Kaapverdische eilanden en Opper Guinée

Geschreven door Arnold van Wickeren

De ontdekking van de onbewoonde Arquipélago de Cabo Verde wordt door verschillende zeevaarders opgeëist. Kort nadat in 1460 Antonio (de) Noli, een Genuees in Portugese dienst, van een reis naar West-Afrika in Portugal is teruggekeerd, verschij-nen de `isole di Antonio’ op een kaart. Voor de Venetiaan Alvise de Ca’ da Mosto, die in 1456 door Dom Henrique op een inspec-tiereis is uitgestuurd, is deze vermelding aanleiding de ontdek-king van de Kaapverdische eilanden Bonavista en Santiago voor zichzelf en voor zijn medekapitein de Genuees Antoniotto of Antonio Usodimare, op te eisen. Aan Ca’ da Mosto’s bewering wordt echter weinig geloof gehecht en Antonio de Noli krijgt de eer de eilanden Santiago en Maias (later Maio) ontdekt te hebben, ondanks dat ook Diogo Gomes, in wiens gezelschap Noli uit West-Afrika naar Portugal is teruggezeild, claimt op deze terugweg maar liefst vijf eilanden (Boa Vista, Santiago, Sal, Maias en São Cristovão) ontdekt te hebben. De overige zeven eilanden zijn rond het einde van 1461 ontdekt door Diogo Afonso.

In 1462 leiden Antonio de Noli, die tot capitão is aangewezen, en zijn broer Bartholomeu een groepje kolonisten, dat zich vestigt op Santiago en daar de plaats Ribeira Grande sticht. Vier jaar later krijgen deze kolonisten verlof om handel te drij-ven met Guinée en voeren zij zwarte slaven aan. Deze worden tewerkgesteld op de suikerriet- en katoenplantages en in de kledingindustrie van Santiago. Ofschoon er enkele blanke vrouwen overkomen uit Portugal, ontstaat er in de archipel al spoedig een gemengd ras. De volksplanting op Santiago, die verdeeld is in twee capitanias, doet het goed en al spoedig ontwikkelt Santiago zich tot het handelscentrum met Opper-Guinée. Portugese kolonisten en handelaren steken over naar de kust, om daar handel te drijven. De oorspronkelijke kolonis-ten worden spoedig gevolgd door avonturiers, afvalligen en andere veroordeelden die hun burgerlijke vrijheden verloren hebben. Deze lieden, aanvankelijk aangeduid als lançados, maar later bekend als tangomaus, krijgen van koning João II verlof zich op de Kaapverdische eilanden te vestigen. Hun manier van optreden is niet bevorderlijk voor de handel van Santiago met het vasteland. De lançados trekken zich niets aan van de Portugese wetgeving; hun afstammelingen zullen tot in de 19e eeuw een ergernis voor Lissabon vormen. De kolonisten van Santiago en de lançados vestigen zich soms in bestaande dorpen, temidden van de zwarte bevolking, maar zij stichten ook een reeks blanke handelsposten aan de kust ten zuiden van Cabo Verde, zoals Beziguiche op het Ilha das Palmas (Gorée) en Rufisque, Rio Fresco, Portudal en Joala aan Senegalese kust, alsmede Cacheu en Bissau in het latere Portugees Guinée. Deze en niet genoemde handelsposten bestaan soms maar korte tijd, maar de geschiedenis van Cacheu en Bissau zet zich voort tot in onze tijd.

In 1476 doet de Spaanse admiraal Carlos de Valera een aanval op de Portugezen op Santiago. De kleine sterkte Ribeira Grande wordt daarbij verwoest en Antonio de Noli wordt met enkele andere kolonisten gevangengenomen. Om te ontkomen aan gevangenschap, loopt Noli over naar de Spanjaarden en wordt daarop in zijn waardigheid herstelt. Hij is sedertdien gouverneur van Santiago in naam van koningin Isabella. In het Verdrag van Alcáçovas (1479) erkent Isabella echter Portugals soevereiniteit over de Kaapverdische eilanden.

Afgezien van Santiago hebben zich kolonisten gevestigd op Fogo en Maio. Zij kampen echter met grote moeilijkheden. De eersten die in de jaren zestig naar Fogo zijn gekomen, behoorden tot het huishouden van Dom Fernando, de broer van koning Afonso V. Zij verlaten bijna allen het eiland en pas in 1510, als Fogo een eigen capitão krijgt, wordt dit eiland effectief bevolkt. Maio kampt met soortgelijke problemen. Eerst wordt de capitania verkocht; daarna grijpt de koning in en verdeelt, om de immigratie te stimuleren, het eiland in twee capitanias.. Boa Vista blijft tot in de 16e eeuw verlaten. Er leven echter wel dieren, vooral geiten, maar ook paarden, muildieren en kippen, waarvan de capitão de vruchten plukt. De andere zes eilanden (Santo Antão, São Vicente, Santa Luzia, São Nicolau, Sal en Brava) blijven, evenals vijf kleine eilandjes, tot aan het einde van de 17e, of tot de 18e eeuw onbewoond. Omdat er ook op deze onbewoonde eilanden vee graast, leveren zij huiden, vet en vlees op voor hun in Portugal verblijvende rijke buraucraten, van wie later enige tot de adelstand verheven worden.

De Kaapverdische eilanden hebben een mild klimaat, maar ontvangen weinig regen; de Archipel kent lange perioden van droogte. Naast suikerrietplantages ontstaan er katoenplantages en komt de kledingindustrie tot ontwikkeling. Op de eilanden groeit een soort korstmos, urzela, waaruit een purpere kleurstof wordt gewonnen. Deze kleurstof wordt niet alleen gebruikt in de kledingindustrie, maar wordt ook geëxporteerd In 1469 verleent Afonso V het monopolie op deze export aan twee Spanjaarden, Juan en Pedro de Lugo. De producten van de kledingindustrie vormen de voornaamste handelswaar van de Kaapverdianen langs de kusten van Guinée en aan de Minakust. Naast kleding en kleurstoffen exporteren de Kaapverdische eilanden katoen, suiker, zout (Sal), vis, fruit en kruiden. De op de stranden van de eilanden ruim voorhanden zijnde schelpen van de trompethoorn-slak doen op het vasteland dienst als geld. Voor fraaie schelpen ontvangen de Portugezen niet alleen ivoor en slaven, maar zelfs goud. Omdat te grote export van schelpen naar het vasteland daar tot inflatie leidt, verbiedt Afonso V, bij decreet van 24 juli 1480, de particuliere export van deze schelpen. Overtreders van dit verbod wacht geseling, confiscatie van hun goederen en verlies van hun burgerlijke rechten. João II (1481-1495), die meer grip op de gang van zaken in Guinée uitoefent, laat de capitães van de Kaapverdische eilanden weten dat zij dienen te gehoorza-men aan de koninklijke inspecteur, die hun boeken komt onder-zoeken en die nagaat in hoeverre hun optreden legaal is. De capitães wordt te verstaan gegeven dat zij deze door de koning gezonden functionaris alle gevraagde medewerking dienen te verschaffen, op straffe van het verlies van hun capitania. Vanaf dit moment zijn de capitães onderworpen aan toezicht, controle en zo nodig bestraffing. De kroon zal de macht van de capitães later nog verder inperken. In 1534 zullen de eerste corrigadores (juridische ambtenaren) op de eilanden verschijnen en in 1600 zullen de capitães plaatsmaken voor koninklijke gouverneurs.

Santiago bereikt een zekere mate van welvaart. Dit is mede te danken aan de (slaven)handel met Guinée en aan het feit dat het eiland voedsel levert aan Portugese schepen, die op weg zijn naar Indië, of die uit Indië terugkeren naar Portugal. Zij vinden vooral in Ribeira Grande een uitstekende ankerplaats en kunnen water, maïs, vlees, vis en fruit innemen. Zo is van Vasco da Gama bekend dat hij in 1497 vijf dagen ankert in de haven van Praia de Santa Maria op Santiago; de vloot van Pedro Álvares Cabral houdt zich in 1500 eveneens op in de wateren van de Kaapverdische eilanden, waar het schip van Vasco de Ataíde spoorloos verdwijnt, nabij het eiland São Nicolau. In 1504 doet Afonso de Albuquerque op de terugweg uit Indië een van de Kaapverdische eilanden aan, om er zijn zwaar lekkende schip te breeuwen. Ribeira Grande groeit uit tot een vila en wordt in 1533 enigszins voorbarig betiteld als stad, als het is aangewezen tot Sedes Episcopalis van het bisdom Cabo Verde. De bisschop van Kaapverdië oefent ook zeggenschap uit over de gebieden aan de westkust van Afrika, van Marokko tot aan Guinée.

Tijdens de 16e eeuw streeft Portugal naar het handhaven van vreedzame betrekkingen met belangrijke potentaten in het binnenland van Opper-Guinée. Als er geen stammenconflicten heersen, floreert de handel. Portugese en handelsagenten van gemengd bloed bewegen zich vrij in het stroomgebied van de Senegal en de Gambia. Zij huwen vaak inheemse vrouwen en brengen hun leven door in het binnenland. Deze Afro-Portugezen gaan soms geheel op in de Afrikaanse gemeenschap. De kust van Guinée worden gesplitst in een aantal gebieden, waarop het handelsmonopolie, tegen betaling van een jaarlijkse pachtsom aan de kroon, voor perioden van drie jaar gegund wordt aan verschillende concessionarissen. Het Portugees wordt de lingua franca van Opper-Guinée en zal dat in veel streken blijven lang nadat de Portugese handelshegemonie is teloorgegaan.

1.4 São Tomé en Principe; Ano Bom en Fernando Po.

Categorieën
Portugees kolonialisme

De Azoren. De Atlantische eilanden

Deel 6 Index

Hoofdstuk 1

De Atlantische eilanden

1.2 De Azoren

Geschreven door Arnold van Wickeren

De ontdekking van de onbewoonde Arquipélago dos Açores is maar ten dele bekend en strekt zich uit over een periode van 25 jaar. Het meest zuidelijk gelegen eiland Santa Maria en vermoe-delijk ook het grootste eiland São Miguel zijn in 1427 herontdekt door Diogo de Silves. Vijf andere eilanden: Terceira, São Jorge, Pico, Faial en Graciosa zijn bij verschillende gelegenheden in het volgende decennium ontdekt. De vulkanische archipel dankt zijn naam aan de door de zeelieden op rotsen waargenomen vogels, die zij voor Açores (havikken) hebben aangezien; in werkelijkheid ging het om milhafres (wouwen).

De ver in de Atlantische Oceaan gelegen eilanden vormen een natuurlijk vertrekpunt voor ontdekkingstochten naar de Nieuwe Wereld. In 1452 vertrekken Diogo de Teive en de uit Palos afkomstige Pedro Velasco van het Azoren-eiland Faial. Zij zeilen 150 leguas naar het zuidwesten, zonder iets te ontdekken. Op de terugweg naar Faial ontdekken zij de meest westelijk gelegen Azoren-eilanden Flores en Corvo. Daarmee is de gehele Archipel bekend (zie deel II, pag. 135). Het tweetal zeilt opnieuw uit, nu naar het noordwesten. Jaime Cortesão houdt het voor mogeijk dat zij op die tocht Newfoundland hebben ontdekt. In 1474 zeilen João Vaz Corte-Real en Álvaro Martins Homem eveneens vanaf de Azoren naar de noordelijke Atlantische wateren en ontdekken Terra dos Bacalhaus (Kabeljauwland), thans Newfoundland (zie deel II, pag. 136). De Azoren zijn nog in een ander opzicht van maritiem belang. Bij het bevaren van de Atlantische Oceaan blijkt al snel dat schepen, die vanuit de Golf van Guinée op de terugweg zijn naar Portugal, er verstandig aan doen niet tegen de wind in langs de kust van West-Afrika naar het noorden te zeilen, maar over te steken naar de Azoren, om vandaar voor de wind naar Portugal te varen. Vanzelfsprekend kunnen schepen op deze route zonodig water en vers voedsel op een Azoren-eiland

innemen, of er zieke bemanningsleden achterlaten. Een voor-beeld van dit laatste doet zich voor in 1499, als Vasco da Gama zijn doodzieke broer Paulo in Angra op Terceira achterlaat. Met specerijen geladen kraken uit Indië, schepen met suiker van de Kaapverdische eilanden en São Tomé, karvelen met malagueta of paradijskorrels (zie deel II, pag. 115) uit Guinée of goud van de Minakust en tenslotte schepen uit Brazilië, die aanvankelijk vooral brazielhout vervoeren, vormen op weg van de Azoren naar Portugal een begeerd doel voor piraten. Tegen 1520 jagen Franse piraten zo fanatiek op Portugese koopvaarders, dat vanaf dat jaar jaarlijks een eskader karvelen naar het eiland Terceira gezonden wordt om de thuisvarende schepen te escorteren.

Ofschoon de Azoren vruchtbaar zijn en een mild klimaat hebben, komt de kolonisatie maar langzaam op gang. Tegen 1439, of wellicht pas in 1445 (zie Deel I) vertrekken de eerste kolonisten, gezinnen uit Estremadura, Alto Alentejo en de Algarve, naar Santa Maria en São Miguel. Zij staan onder leiding van Gonçalo Velho Cabral, beoogd capitão van Santa Maria, Het begin van de kolonisatie van de overige eilanden, met uitzondering van het zeer afgelegen Flores en het bovendien kleine Corvo, begint eerst in de jaren zestig van de 15e eeuw. Het laatste eiland dat bevolkt wordt is Graciosa. Dankzij de inspanningen van de capitães Pedro Correia en Vasco Gil Sodré vestigen zich aan het begin van de 16e eeuw kolonisten op dit eiland. Omdat de animo onder de Portugese bevolking zich op de Azoren te vestigen gering is, wordt de komst van andere Europeanen naar de eilanden aangemoedigd. Er vestigen zich Genuese kooplieden, terwijl het aantal Vlaamse immigranten zo groot is, dat de Azoren nog lange tijd op kaarten als de `Vlaamse eilanden’ betiteld worden. Een zekere rivaliteit tussen de capitães op de verschil-lende eilanden bevordert hun bloei. Terwijl er in 1450 nog geen enkele vila is, bedraagt het aantal vilas rond 1500 al ten minste vijf: Terceira (2), São Miguel (2) en São Jorge (1). Vijftig jaar later

zal het aantal vilas gestegen zijn tot twaalf: São Miguel (5), Terceira (3), São Jorge (3) en Graciosa (1). Bovendien zijn Angra op Terceira (thans Angra do Heroísmo) en Ponta Delgada op São Miguel uitgegroeid tot steden. Zij erven het model van de gemeentelijke organisatie van Lissabon. Het gunstig gelegen Ponta Delgada op São Miguel, nog steeds de hoofdstad van de Azoren, heeft al snel de oorspronkelijke hoofdplaats Vila Franca do Campo overvleugeld. Vila Franca wordt bovendien in 1522 door een aardbeving verwoest.

Aanvankelijk exporteren de Azoren houtproducten en blauwe en paarse kleurstoffen voor de textielindustrie. Nadat gebleken is dat graan uitstekend wast en dat de opbrengst van suikerriet tegen-valt, ontwikkelen de Azoren zich tot een echte graanschuur. Het graan wordt niet alleen geëxporteerd naar Portugal, dat daaraan een chronisch tekort heeft, maar ook naar Marokko. In 1506 worden de Portugese forten in Azamor, Mazagão, Safi en Agadir van graan uit de Azoren voorzien. In 1534 vindt Eugenius IV de Azoren belangrijk genoeg om het diocees Angra te stichten. Het omvat alle negen eilanden, waarover de jurisdictie aan de bisschop van Funchal ontnomen wordt.

1.3 De Kaapverdische eilanden (en Opper-Guinée).

Categorieën
Portugees kolonialisme

De Madeira-archipel. De Atlantische eilanden

Deel 6 Index

Hoofdstuk 1

De Atlantische eilanden

1.1 De Madeira-archipel

Geschreven door Arnold van Wickeren

De van vulkanische oorsprong zijnde onbewoonde eilanden van de Arquipélago da Madeira, bestaande uit Madeira, het veel kleinere Porto Santo en de nog kleinere Ilhas Desertas, zijn al in 1420 in opdracht van Dom Henrique o Navegador (Prins Hendrik de Zeevaarder) gekoloniseerd. Madeira, dat 51 kilometer lang en 32 kilometer breed is en een oppervlakte heeft van 740 km², is destijds verdeeld in twee capitanias, zijnde erfelijke lenen. Capi-tães-donatários (gouverneurs) daarvan werden de herontdekkers van de Archipel, de edellieden João Gonçalves Zarco en Tristão Vaz Teixeira. Capitão van Porto Santo werd de tot de hofhouding van Prins Hendrik behorende uit Piacenza afkomstige jonge edelman Bartolomeu Perestrel(l)o, wiens dochter doña Felipa Perestrello y Moniz later in het huwelijk zal treden met Christoffel Columbus. Het document, gedateerd 1 november 1446, waarbij de prins Porto Santo aan Perestrello overdraagt, staat model voor de wijze waarop elders overzee, vooral in Brazilië, het bestuur over nieuw verworven territorium ingericht zal worden. De capitão krijgt de zeggenschap over de productiemiddelen, zoals door paarden- of waterkracht aangedreven graanmolens, voor-zover die voor anderen dan het gezin van de molenaar werken. Hetzelfde geldt voor bakovens. Als de capitão zout voor de verkoop bezit, is hij de enige die dat mag verkopen, overigens tegen een door Henrique vooraf vastgestelde prijs, De capitão is bevoegd tot het heffen van belasting, in de vorm van een heffing op water. Hij is ook belast met de rechtspraak, zowel in civiele als in strafzaken, alsmede met de executie van straffen, niet zijnde de doodstraf, of het afhakken van ledenmaten. Het opleggen en doen uitvoeren van deze zware straffen is voorbehouden aan Dom Henrique, aan wie Perestrello ook een tiende deel van economische opbrengsten van Porto Santo dient af te dragen.

De kolonisatie van de eilanden, wordt een succes, wat mede te danken is aan de grote vruchtbaarheid van vooral Madeira. Aanvankelijk exporteren de eilanden hout, honing, was en andere bosproducten. Na de ontbossing van Madeira worden vooral graan en wijn uitgevoerd, terwijl er ook veeteelt is. Tegen het midden van de 15e eeuw wordt Madeira een belangrijke suiker-producent. Dit gaat ten koste van de graanproductie. Volgens Duarte Pacheco Pereira en João de Barros heeft Dom Henrique suikerriet naar Madeira laten overbrengen vanuit Sicilië, maar Valentim Fernandes schrijft tussen 1505 en 1508 dat de prins suikerrietstekken laat halen uit Valencia, dat al in moslimtijd een centrum van de suikerproductie is. Hij verleent de Valenciaan James Timer, mestre de açúcar, in 1478 een concessie tot het verbouwen van suikerriet op Madeira. De productie van suiker, die veelal plaats heeft op kleine en middelgrote boerderijen, neemt een grote vlucht. Bij decreet van 21 augustus 1498 wordt de jaarlijkse suikerexport gelimiteerd op 120.000 arrobas. Van dat jaar zijn ook enige exportcijfers bekend; naar Lissabon, Vlaanderen en Constantinopel worden respectievelijk 7000 40.000 en 15.000 arrobas suiker uitgevoerd. Wijn is dan het tweede exportproduct. De economische bloei van Madeira en Porto Santo trekt veel kolonisten; niet alleen Portugezen, maar ook buitenlanders, zoals Genuese kooplieden. De belangrijkste buitenlanders de zaken doen op of met Madeira zijn: de Genuees João António Cesare, de in Lissabon wonende Paulo de Negro, Luis Doria, Urbano en Bautista Lomelino en António Spínola, die in 1490 is genaturaliseerd. Er bestaat een zekere spanning tussen de veelal Portugese kolonisten en de buitenlandse koop-lieden. In 1472 wordt er in de gemeenteraad van Funchal en in

de Cortes over geklaagd dat de suikerhandel geheel in het bezit is van de Genuezen en de joden. Als koning Manuel in 1498 Portugese kooplieden wil bevoordelen, worden de Florentijnse handelaren Bartolomeu Marchioni en Jerónimo Sernigi als Portugezen aangemerkt. Naar schatting bestaat de bevolking van Madeira en Porto Santo (de andere eilanden zijn niet blijvend bewoond) voor tien procent uit zwarte slaven. Zij werken in overgrote meerderheid op de tien grootste suikerrietplantages. Aan het einde van de 15e eeuw bedraagt het aantal inwoners van Madeira en Porto Santo tezamen al meer dan 20.000 zielen. Funchal aan Madeira’s zuidkust, is de hoofdstad van de Archipel. Met haar 5.000 inwoners is de stad groter dan Leiria, Tomar en Faro en evengroot als Braga. Het bestuur van Funchal en de stedelijke organisatie van de stad zijn nagevolgd van Lissabon. Er worden steeds meer concelhos (gemeenten) gesticht en rond het begin van de 16e eeuw zijn er al acht vilas (kleine steden) op Madeira, dat Portugal in het klein is.

Vanaf 1445 nemen kooplieden van Madeira deel aan stroop­tochten naar West-Afrika, waar zij slaven halen voor de grote suikerrietplantages. In die tijd wordt Madeira ook een station voor de ravitaillering van schepen op weg naar Afrika. Schepen die schade hebben opgelopen, kunnen op Madeira gerepareerd worden. Een halve eeuw later onderhoudt Madeira handelsbe-trekkingen met Vlaanderen en met andere Europese landen en bouwt het zelf schepen, onder meer voor de Carreira da India. De capitães van Madeira verlenen de Portugese garnizoenen in Marokko zonodig economische en militaire steun. Bekend is de poging van 1489 fort Graciosa bij Larache te behouden (zie Deel III, pag. 48). In 1514 vraagt Manuel paus Leo X Funchal te ver-heffen tot bisdom, waarbij hij wijst op het bestaan van acht vilas op Madeira. In 1514 neemt de eerste bisschop, Diogo Pinheiro, bezit van zijn diocees. Onder zijn jurisdictie valt niet alleen de Madeira-archipel, maar alle overzeese gebieden van Portugal.

1.2 De Azoren.

Categorieën
Portugees kolonialisme

Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee. DEEL 6

Geschreven door Arnold van Wickeren

Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee. DEEL 6

De Atlantische eilanden, Reizen naar de Nieuwe Wereld, De betrekkingen met Noordwest-Afrika, De betrekkingen met Congo en Angola, De Swahili-kust (1515-1521), De Estado da India, Expansie van het Império Português (1515-1521)

Verantwoording

Hoofdstuk 1. De Atlantische eilanden

1.1. De Madeira-archipel

1.2. De Azoren

1.3. De Kaapverdische eilanden en Opper Guinée

1.4. São Tomé & Principe; Ano Bom en Fernando Po

Hoofdstuk 2. Reizen naar de Nieuwe Wereld

2.1. Ontdekkingstochten naar het Noorden

2.2. Ontdekkings- en handelsreizen naar Brazilië; het begin van de kolonisatie van Brazilië

Hoofdstuk 3. De betrekkingen met Noordwest-Afrika

3.1. Portugals relatie met Marokko

3.2. De factorij op het eiland Arguim

3.3. Het goud van Guinée en Serra Leôa

3.4. De goudhandel aan de Minakust

3.5. De betrekkingen met het koninkrijk Benin

Hoofdstuk 4. De betrekkingen met Congo en Angola

4.1. De eerste contacten met Congo

4.2. Dom Afonso bestijgt de troon van Congo

4.3. Het regimento van Simão da Silva

4.4. Congo onder Afonso

4.5. De eerste contacten met Angola

Hoofdstuk 5. De Swahili-kust

5.1. Sofala en Moçambique (1515-1521)

Hoofdstuk 6. De Estado da India

6.1 Stand van zaken bij het overlijden van Albuquerque

6.2 Lopo Soares de Albergaria opvolger van Albuquerque

6.3. Albergaria’s mislukking in de Rode Zee

6.4. Verdere ontwikkelingen onder Albergaria

6.5. Capitão-geral Diogo Lopes de Sequeira

6.6. Dom Manuel overleden

Hoofdstuk 7. Expansie van het Império Português (1515-1521)

7.1. De Malediven

7.2. Ceylon

7.3. Malacca

7.4. De Molukken en de Kleine Soenda-eilanden

7.5. Sumatra

7.6. De Golf van Bengalen en Coromandel

7.7 Siam

7.8 China

7.9. Ethiopië

Verantwoording

Bij het schrijven van mijn door Hogeschool Alkmaar in 1994 uitgebrachte boek Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee (ISBN 90-802098-1-3) moesten veel zaken onbesproken blijven, om het eendelige werk niet te omvangrijk te maken. Onvrede over deze beperking en het beschikken over veel meer vrije tijd dan vóór mijn VUT zijn de redenen om het oorspronkelijke boek, aan de hand van veel nog niet eerder geraad-pleegde literatuur, uit te werken in afzonderlijke delen. De delen, waarvan het totale aantal niet vooraf is bepaald, hebben een omvang van 220 à 240 pagina’s. Zij verschijnen in een beperkte oplage en zijn bestemd voor bibliotheken en voor geïnteresseerden uit eigen kring. Met de uitgifte van de delen wordt geen commercieel doel nagestreefd. Daarom is de uitvoering zo goedkoop mogelijk gehouden.

Ofschoon de geschiedenis van Portugal als speler op het Europese toneel interessant genoeg is, gaat mijn belangstelling toch vooral uit naar de verrichtingen van de Portugezen overzee; daarop ligt het accent in dit boek. Het gaat dan om zaken als: de wereldwijde maritieme expansie in de 15e en de eerste helft van de 16e eeuw; het langzame verval van de Portugese positie in Azië in de tweede helft van de 16e eeuw en de vrijwel volledige teloorgang daarvan, door toedoen van de VOC, in de 17e eeuw; de strijd tegen de WIC om Brazilië en de Portugese gebieden in West-Afrika in de 17e eeuw; de bloei en het verlies van Brazilië in de 18e, respectievelijk de 19e eeuw; de uitbouw van het koloniale rijk in Afrika naar de binnenlanden aan het einde van de 19e en in de eerste helft van de 20e eeuw en het einde van de koloniale droom een kwart eeuw geleden. Deze en soortgelijke zaken komen uitvoerig in dit werk aan de orde, terwijl de ontwikkelingen in Portugal zelf de onontbeerlijke achtergrondinformatie verschaffen, waaruit het optre-den overzee kan worden begrepen.

De opzet van het werk tot en met het voorliggende deel is als volgt. In deel I is de Portugese geschiedenis behandeld vanaf de prehistorie tot en met de verovering van Ceuta in 1415. Tevens komen in deel I aan de orde: de strijd met Castilië over het bezit van de Canarische eilanden en de kolonisatie van de Madeira-archipel en van de Azoren in de eerste helft van de 15e eeuw. Deel II bevat een ruime samenvatting van deel I en beschrijft voorts de regeringsperioden van Afonso V (1438-1481) en João II (1481-1495). Ook de maritieme expansie aan de kusten van Afrika tot en met de reis van Bartolomeu Dias in 1488 en de betrekkingen van João II met Congo worden

in deel II besproken. Het tijdvak van Manuel I (1495-1521), waarin de maritieme expansie een wereldwijd karakter krijgt, vergt meerdere delen. In deel III komen aan de orde de binnenlandse gebeurtenissen en de expansie in Marokko, terwijl ook de eerste reis van Vasco da Gama naar Indië (1497-1499) en de reis van Pedro Álvares Cabral naar Brazilië en Indië (1500-1501) uitvoerig aandacht krijgen. Deel IV is geheel gewijd aan de expansie in het gebied van de Indische Oceaan in de periode 1501-1509; het eindigt met het aftreden van de eerste onderkoning van de Estado da India, Dom Francisco de Almeida en de ambtsaanvaarding van zijn opvolger Afonso de Albuquerque. Deel V is geheel gewijd aan de verrichtingen van Albuquerque (1509-1515). Onder meer worden besproken: de verovering van Goa en van Malacca, het vestigen van de Portugese heerschappij over Ormoez, de vrede met Calicut, de vergeefse aanval op Aden en het bijna volledig verwerven van het monopolie op de handel in specerijen. De bespreking van het tijdvak van Manuel I wordt in het voorliggende deel VI besloten met een behandeling van de maritieme expansie in Afrika en in de Nieuwe Wereld, met de boeien-de verwikkelingen in het Império Português in Azië en het uitzwermen van de Portugezen over Oost-Azië in de jaren 1515-1521. Tenslotte wordt het verblijf van het Portugese gezantschap in Ethiopië in de jaren 1520-1526 besproken.

Anders dan de voorgaande delen, bevat deel VI geen algemene inleiding, waarin voorafgaande ontwikkelingen worden samengevat. Daarentegen wordt in deel VI ieder behandeld onderwerp afzonderlijk ingeleid, met een samenvatting van voorafgaande gebeurtenissen. Ofschoon een aantal keren wordt verwezen naar een gedetalleerde beschrijving van voorafgaande gebeurtenissen in eerder verschenen delen, kan deel VI zonder bezwaar los van de voorafgaande delen gelezen worden.

Bij het schrijven van dit werk heb ik als het ware op de schouders gestaan van mijn voorgangers, dus van degenen die de soms tegenstrijdige gege-vens uit de oorspronkelijke bronnen hebben geschift, geordend, vertaald en van annotaties hebben voorzien. Aan mij de taak uit de veelheid van boeken de meest bruikbare te kiezen. Hierbij heb ik enige waardevolle adviezen mogen ontvangen van Dr. Benjamin N. Teensma, die mij ook een aantal werken van zijn hand heeft doen toekomen. Mijn dank gaat ook uit naar Prof. Dr. Leonard Blussé voor zijn bemoedigende reacties op de eerder verschenen delen, Ook van hem heb ik in dank enige werken mogen aanvaarden. Tenslotte heb ik literatuuradviezen mogen ontvangen van Marco Ramerini uit Florence. De vele data over de Portugese maritieme expansie die hij op het Internet heeft gezet en waaruit zijn passie voor het onderwerp

blijkt, vormen een waardevolle checklist voor mij. Ik zeg hem dank zowel voor zijn gegevens als voor zijn adviezen. Hierna volgt een opsomming van de bij het schrijven van dit deel vooral geraadpleegde literatuur; daarbij zijn de werken waaraan ik het meest heb gehad vet vermeld. In het laatste deel van dit werk zal een volledige literatuurlijst worden opgenomen. Om de leesbaarheid van het boek te bevorderen, is afgezien van het opnemen van voetnoten. Zaken die andere schrijvers soms in voetnoten opnemen, zoals tegenstrijdigheden in de verschillende kronieken, zijn vaak in de tekst verwerkt. Alle voorkomende persoons- en geografische namen zijn in de index opgenomen. Enige geografische kaarten en een verklarende woorden-lijst completeren het geheel.

Bij het schrijven van deel VI zijn de grote lijnen zijn uitgezet aan de hand van enige werken over de historie van Portugal, waarin de hoofdlijnen van de expansiegeschiedenis zijn vermeld. Deze boeken zijn:

H.V. Livermore: A New History of Portugal, 1966;

A.H. Oliveira Marques: History of Portugal, 1978,

en twee werken van beperkte omvang:

J.H. Saraiva: História concisa de Portugal, 1979;

J. Schubert: A evolução história de Portugal, 1982.

Vervolgens is een aantal boeken bestudeerd over de Portugese expansie-geschiedenis in het algemeen. Het zijn:

C.R. Boxer: The Portuguese Seaborne Empire 1415-1825, 1969;

C.R. Boxer: Race Relations in the Portuguese Colonial Empire 1415-1825, 1963;

C.R. Boxer: Mary ans Misogyny; Women in the Iberian Expansion Overseas 1415-1825, 1975;

B.W. Diffie and G.D. Winius,: Foundations of the Portuguese Empire, 1415-1580, 1977;

D. Divine: The Opening of the World, 1973;

V.Magalhães-Godinho: L’economie de l’empire Portugais aux XVe et XVIe siècles, 1969;

D. Peres: A história dos descobrimentos portugueses, 1982;

D. Peres: História dos Descobrimentos Portugueses, 4a edição, 1992;

E.G. Ravenstein: A journal of the first voyage of Vasco da Gama, 1497-1499, Hakluyt Society, 1898;

R. Rasquilho e J. Barros: Portugal e o Mar, Viagens pelos

Descobrimentos, 1983;

A.da Silva Rego: Portuguese Colonization in the Sixteenth Century,

A Study of the Royal Ordinances (Regimentos), 1959;

H.E.J. Stanley: The tree voyages of Vasco da Gama and his viceroyalty (from the Lendas da India of Gaspar Correa) Hakluyt Society, 1869;

I.Wallerstein: The Modern World-System: Capitalist Agriculture and the Origins of the European World-Economy in the Sixteenth Century, 1974;

Ook zijn enige speciaal aan de ontdekkingsreizen gewijde wetenschappelijke tijdschriften geraadpleegd:

Historia, janvier 1985, No. 456 (1000 ans pour découvrir la terre);

National Geographic, vol. 181, no 1, january, 1992;

National Geographic, vol. 182, no. 5, november 1992;

Bij het schrijven van afzonderlijke hoofdstukken en paragrafen zijn boeken bestudeerd die de Portugese aanwezigheid in een bepaalde regio tot onderwerp hebben. Deze werken worden hierna opgesomd, waarbij het betreffende hoofdstuk of de betreffende paragraaf tussen haakjes is vermeld.

J.P. Calogeras: A history of Brazil, 1939 (2.2);

B.W. Diffie: A History of Colonial Brazil, 1500-1792, 1987 (2.2);

W.B. Greenlee: The voyage of Pedro Álvarez Cabral to Brazil and India, Hakluyt Society,1936 (2.2);

V. de Carvalho: La domination portugaise au Maroc du XVème aux XVIIème siècle (1415-1769), 1942 (3.1);

R. Ricard: Études sur l’histoire des Portugais au Maroc, 1965 (3.1);

D. Castlereagh: The Great Age of Exploration, 1971 (3.2);

J. Duffy: Portugal in Africa, 1962 (hfdst. 3 en 4);

J. D. Fage: A History of Africa, 1978 (hfdst. 3 en 4);

J.D. Fage: An Atlas of African History,1978 (hfdst. 3 en 4);

R. Olivier: The Cambridge History of Africa, Volume 3 (1050-1600),1977 (hfdst. 3 en 4);

R. Olivier & M. Crowder: The Cambridge Encyclopedia of Africa, Volume 3 1050-1600, 1981 (hfdst. 3 en 4);

R. Olivier & J.D Fage: A short history of Africa, 1988 (hfdst. 3 en 4);

R. Olivier: The Middle Age of African History, 1967 (hfdst. 3 en 4);

J. Vogt: Portuguese Rule on the Gold Coast 1469-1682, 1979 (3.4);

W.E.F. Ward: A History of the Gold Coast, 1948 (3.4);

C.W. Newbury: The Western Slave Coast and its rulers: European trade and administration among the yoruba and adja-speaking peoples of South-Western Nigeria, Southern Dahomey and Togo, 1961 (3.5);

A. Ryder: Benin and the Europeans 1485-1897, 1969 (3.5);

A. Axelson: Congo to Cape, Early Portuguese Explorers, 1973 (hfdst. 4);

  1. Scholefield: The Dark Kingdoms, 1975 (hfdst. 4);

D. Birmingham: The Portuguese Conquest of Angola, 1965 (hfdst. 4);

  1. Axelson: Portuguese in South-East Africa 1488-1600, 1973 (hfdst. 5);

A.J. Wills: An Introduction to the History of Central Africa, 1980 (hfdst. 5);

D. Barbosa: Livro, 1516 (hfdst. 6);

J. Cortesão: História dos Descobrimentos Portugueses, Vol 3, 1979 (hfdst. 6);

  1. F.C. Danvers: The Portuguese in India, Vol I, 1894 (hfdst. 6 en 7);

A. Hutt: GOA, A Traveller’s Historical and Architectural Guide, 1988 (hfdst. 6);

K.M. Panikkar: Malabar and the Potuguese: Being a History of the Relations of the Portuguese with Malabar from 1500 to 1663, 1929 (hfdst. 6);

N.M. Pearson: The Portuguese in India (The New Cambridge History of India), 1987 (hfdst. 6)

R.B. Serjeant: The Portuguese off the South Arabian Coast, 1963 (6.3 en 6.5);

K. Bayani: Les relations de l’Iran avec l’Europe Occidentale à l’epoque Safavide, 1937 (6.5);

M.A.P. Meilink-Roelofsz: Asian trade and Europian Influence in the Indonesian Archipelago between 1500 en about 1630, 1962 (hfdst. 7);

G.B. Souza: The Survival of Empire: Portuguese Trade and Society in China and the South China Sea, 1630-1754, 1986 (hfdst. 7);

P.E. Pieris: Ceylon and the Portuguese 1505-1658, 1920 (7.2);

H. Bokemeyer: Die Molukken: Geschichte und quellenmässige Darstellung der Eroberung und Verwaltung der Ostindische Gewürszinseln durch die Niederländer, 1888 (7.4);

C. Corn: A Narrative of the Spice Trade, 1998 (7.4);

B.N. Teensma: De roep van Ophir: Portugezen op Sumatra in de zestiende eeuw, 1979 (7.5);

J.J.A. Campos: History of the Portuguese in Bengal, 1919 (7.6);

A.P. Phayre: History of Burma, 1883 (7.6);

J. de Campos: Early Portuguese Accounts of Thailand (artikel.), 1959 (7.7);

H.R.H. Rajanubhab: The introduction of Western Culture in Siam (artikel), 1959 (7.7);

T’ien-Tsê Chang: Sino-Portuguese trade from 1514 to 1644 A synthesis of Portuguese and Chinese sources, 1969 (7.8);

F. Álvarez: Narrative of the Portuguese Embassy to Abyssinia during the years 1520-1527, vertaald door Lord Stanley of Alderley, Hakluyt Society, 1881 (7.9)

Een veel geraadpleegd naslagwerk is de Multimedia Edition van de Encyclopædia Britannica ’99 en de aanvullingen daarvan op het Internet.

Velen hebben mij gestimuleerd bij het schrijven van dit deel; anderen hebben mij daadwerkelijk geholpen. Ing. Rob Struyk en Piet Vermaas RA dank ik voor hun technische bijstand, als mijn onhandigheid met het gebruik van de computer mij voor problemen stelde. Ik betrek mede in mijn dank Fred Niesten en Fred de Groot van de repro-afdeling van Hogeschool Alkmaar, die mij in de gelegenheid hebben gesteld uit bibliotheken geleende boeken te kopiëren en die ook dit deel hebben gedrukt. Tenslotte spreek ik in het bijzonder mijn dank uit aan mijn vrouw, die – na mijn vervroegde uittreding uit het arbeidsproces – mij weinig belast met huishoudelijke taken, maar mij alle gelegenheid geeft dit boek te schrijven.

De schrijver

1.1. De Madeira-archipel

Categorieën
Portugees kolonialisme

Sofala in de jaren 1509-1515. De kust van Oost-Afrika

Deel 5 Index

Hoofdstuk 7

De kust van Oost-Afrika

7.1 Sofala in de jaren 1509-1515

Geschreven door Arnold van Wickeren

In 1509 vraagt António (de) Saldanha, wiens eerdere helden­daden in deel IV zijn beschreven, koning Manuel of deze hem benoemt tot capitão van Sofala en Moçambique, omdat hij ervan overtuigd is de goudhandel tot ontwikkeling te kunnen brengen. Hij komt 26 augustus van dat jaar in Moçambique aan, hetgeen al spoedig leidt tot klachten van capitão Diogo Vaz, dat Saldanha hem als een almoxarife behandelt. Vervolgens reist Saldanha door naar Sofala, waar hij tot mei 1510 zal blijven. In deze perio­de laat hij het fort in Sofala voorzien van een groot waterreser-voir, waardoor het gemakkelijker een langdurige belegering kan doorstaan. Saldanha is zeer teleurgesteld te ervaren hoe weinig goud uit het binnenland Sofala bereikt, terwijl deze haven voor de komst van de Portugezen jaarlijks 30.000 miticais exporteerde. Saldanha keert in maart 1511 terug in Sofala, om een onderzoek in te stellen naar de oorzaken van het uitblijven van de aanvoer van goud, terwijl Sofala toch de aangewezen uitvoerhaven is voor goud uit zowel de goudstreek Manica in het directe achter­land van de stad, als uit Butua, de belangrijke goudstreek in het noorden van het huidige Transvaal.

Op zeker moment rapporteren met de Portugezen samenwer­kende moslims Saldanha dat `koning’ Maulide, geheel tegen zijn gewoonte, in het geheim zijn residentie in het binnenland heeft verlaten en de Rio Inhamoninca is overgestoken. Daarop zendt Saldanha een zekere Muhammad naar Maulide. Deze overhan­digt hem een boodschap, waarin hem gevraagd wordt wat hij in zijn schild voert. Maulide betuigt zijn trouw aan de Portugezen en belooft spoedig te zullen terugkeren. Hierop vertrekt Saldanha gerustgesteld op 17 juni 1511 voor een bezoek aan Malindi. Maulide keert echter niet terug en omdat de aanvoer van goud volledig stagneert, zendt Bertolemeu Perestrêlo, feitor en plaats­vervangend capitão, op 15 augustus Muhammad, vergezeld van een lokale christen met een geschenk naar Maulide, om hem aan zijn belofte te herinneren. Maulide stelt zijn terugkeer afhan-kekelijk van de verbanning van enige moslims naar Kilwa. Perestrêlo roept de moslims van Sofala en omgeving bijeen om een nieuwe sjeik te kiezen. Zij weigeren dit uit vrees voor de wraak van Maulide. Deze is verder de rivier opgevaren, om vanuit Pandene de stamhoofden te inspireren tot een opstand, gericht tegen de Portugezen in Sofala. Maulide laat sambuks die graan naar Sofala brengen, overvallen en hij laat kooplieden uitschudden. Maulide versterkt zijn positie verder door dochters van de naburige stamhoofden te huwen. Perestrêlo besluit mili-tair tegen hem op te treden. In de nacht van 7 september laat hij 25 man, zijnde de helft van het garnizoen, achter in het fort, dat een belegering van een jaar kan doorstaan. Hij scheept zich met de andere helft van zijn manschappen in op twee sambuks, die ongezien Pandene bereiken. Maulide, die volkomen verrast is, slaat de uitnodiging mee te gaan naar Sofala af en wordt daarop gedood. Perestrêlo laat de moslims daarop een andere vorst kiezen, die niet de titel `koning’, maar slechts die van `sjeik’ mag voeren. De op 9 september in het fort verzamelde moslims kiezen Quyunbe, een neef van Maulide, tot sjeik. Hij belooft de Portugezen trouw te zullen zijn. Perestrêlo biedt hem geschen-ken aan in de vorm van kleding en zegt hem toe te zullen beplei-ten dat koning Manuel hem tot koning zal verheffen.

Het karveel Conceição wordt erop uitgestuurd om overal langs de kust te verkondigen dat Quyunbe tot sjeik is gekozen. Het doel daarvan is de opstandige stamhoofden ertoe te bewegen de vijandelijkheden tegen de Portugezen en hun handel te staken. Dat lukt niet overal. De inwoners van Angoche, een aanloopha­ven tussen Sofala en Moçambique, weigeren Portugese schepen te bevoorraden. Pogingen dit met geweld af te dwingen, leiden tot de dood van enkele Portugezen. Op last van gouverneur Afonso de Albuquerque moet Saldanha Angoche met de grond gelijkmaken. Saldanha land met 60 man; 30 van het garnizoen in Sofala en 30 bemanningsleden van twee vaartuigen. Ondanks dat zij tegenover naar schatting 1.200 vijanden staan, weet de kleine legermacht Angoche te verwoesten en de twee of drie schepen in de haven in brand te steken. De sjarif die verant­woordelijk wordt gehouden voor het verzet van de inwoners tegen de Portugezen wordt gevangengenomen. Hij moet echter spoedig worden vrijgelaten, in ruil voor de kapitein van een Portugees schip, dat voor Angoche is gestrand. Bij de aanval wordt de alcaide van Moçambique gedood en enkele andere Portugezen lopen verwondingen op.

De verwoesting van Angoche zet zoveel kwaad bloed dat de aanvoer van levensmiddelen naar Sofala en Moçambique vrijwel tot stilstand komt. Omdat de sjeik van Angoche 12.000 onderda­nen heeft, vreest Saldanha zelfs dat Moçambique zal worden aangevallen. Hij versterkt het garnizoen met 30 man. Van gevan­genen uit Angoche verkrijgen de Portugezen veel inlichtingen over de goudhandel. Moslims uit deze stad, onder wie zich ook kooplieden uit Kilwa, Mombaça en Malindi bevinden, zeilen vermomd als vissers in het geheim met hun sambuks naar de mondingen van de Cuama (Zambezi). De kostbare handelswaar wordt daar overgeladen in kano’s van uitgeholde boomstammen, waarmee zes léguas de rivier wordt opgevaren. Waar verder varen onmogelijk is, worden de goederen, onder afdracht van `invoerrecht’ aan een in aanzien staande kafir, over korte afstand vervoerd naar een andere rivier. De goederen, meest kleding uit Gujarat, wordt met andere kano’s over een afstand van 20 léguas vervoerd naar Otonga, een grote plaats bij een gelijk­namige heuvel, die bezocht wordt door inheemsen en islamiti­sche kooplieden. Uit het voorgaande leiden de Portugezen af, dat Otonga dicht bij Sena, een plaats aan de Zambezi, moet zijn. Capitão Saldanha bericht zijn superieuren dat met twee kleine karvelen de handelsvaart van de moslims tussen Angoche en de Zambezi kan worden belet. Hij acht het onmogelijk de moslims geheel van de kust te verdrijven, daarvoor zijn zij veel te talrijk. Niet minder dan 10.000 van hen zwermen uit over de gebieden van de Monomotapa. Omdat zij uitstekend op de hoogte zijn van de geografische en commerciële situatie in het achterland, zouden zij beter kunnen worden ingeschakeld als tussenper­sonen in de goudhandel.

Saldanha neemt het initiatief voor de exploratie van het binnen­land. Dit wordt toevertrouwd aan António Fernandes. Hij is afkomstig uit Santarém en heeft dienst gedaan in Congo. Fernandes is een degradado die in 1501 door Cabral in Kilwa is achtergelaten, met een brief voor zijn opvolger João da Nova Castela, die hem daar na een paar maanden heeft opgepikt. Omdat hij in Kilwa het nodige over de goudhandel heeft verno­men, ligt het voor de hand dat hij in 1505 met Pero de Anhaia naar Sofala is gekomen. Fernandes heeft een dubbele opdracht. Omdat de aanvoer van gierst en rijst in Sofala gedurende het jaar 1511 veel te wensen overlaat, waardoor de rantsoenen van het garnizoen bij tijd en wijle moeten worden verlaagd, dient hij na te gaan in welke streken aanvullende levensmiddelen te verkrijgen zijn. Daarnaast moet hij ontdekken waar de vindplaatsen zijn van het goud, waar het per slot van rekening allemaal om begonnen is. António Fernandes vertrekt waarschijnlijk in januari 1511 voor een eerste tocht van vier maanden naar de binnenlanden. Begin 1513 vertrekt hij voor zijn tweede tocht van ruim anderhalf jaar. Deze zal hem onder meer in het land van de Monomotapa brengen. Hij is daarmee de eerste blanke die het tegenwoordige Zimbabwe bereikt. Fernandes verkrijgt voor zijn prestaties ver­moedelijk zijn vrijheid terug, want hij wordt later op de betaalstaat van het fort in Sofala niet meer aangeduid als degradado, maar als `timmerman’. Het belang van de door Fernandes verrichte exploratie is zo groot, dat zijn aanbevelingen – volgens Axelson – al spoedig de Portugese politiek beïnvloeden. Duffy wijst er echter op dat Fernandes’ advies een factorij te stichten aan de bovenloop van de Save (Sabi), dicht bij de goudmijnen van Manica, waardoor de aanvoer van goud had kunnen toenemen, juist niet wordt opgevolgd.

Gaspar Veloso, een klerk van het fort in Sofala, heeft de ontdekkingen van de `descobridor do Monomotapa’, zoals hij António Fernandes aanduidt, opgeschreven, maar niet in volg­orde van diens reizen, zodat naar de gevolgde route en de wijze van vervoer (zoveel mogelijk per kano, maar ook te voet over bergpaden en hoogvlakten) ten dele slechts geraden kan worden. Bovendien kan worden aangenomen dat Fernandes niet alle door hem genoemde opperhoofden zelf heeft bezocht; hij zal ook inlichtingen verkregen hebben van anderen. Veloso heeft genoteerd: in het directe achterland van Sofala heerst opper­hoofd Makandara, zijn gebied levert voedsel en ivoor; twee dagen verder heerst `koning’ Mazira, wiens land ook voedsel op­brengt. Quiteve, weer drie dagreizen verder, is eveneens een voedselproducent; vier dagen daarvandaan wordt de dienst uit­gemaakt door Embia, die door Fernandes een struikrover wordt genoemd. Drie dagen verder, waar de Rio Revue van het hoogland stroomt, heerst Inhacouce, zijn gebied levert ivoor. Vijf dagreizen verderop ligt een de kraal van een heerser die abu­sievelijk ook met de naam Inhacouce wordt aangegeven. Hij is een `kapitein’ van de Monomotapa en zijn wil is wet in een groot gebied. In zijn land is een grote markt (sembaza). Deze wordt bezocht door moslim-handelaren, wier handelswaren worden betaald met afgewogen goud. Zes dagen verder regeert koning Manhiqua een goudland, dat geïdentificeerd is als Manica, het gebied rond het huidige Umtali. Vier dagen van Manica woont koning Amçoce. Overal in zijn land wordt goud gedolven. Dit droge gebied, waarmee de streek tussen de rivieren Pungue, Chitora en Mazoe bedoeld moet zijn, moet voedsel invoeren. Vier dagreizen daarvandaan heerst de koning van Barue. Zijn land levert ivoor, maar het aanwezige goud komt van elders. Drie dagen verder woont de koning van Betomgua, wiens gebied ook geen goud produceert. Fernandes heeft het vermoedelijk over het Tonga-volk in de vallei van de Zambezi. Inhaperapara heerst vier dagen verder. Hij is een groot koning, wiens land goud voort­brengt. Koning Boeçe, eveneens een machtig vorst, woont vier dagen van Inhaperapara, maar het in zijn gebied aanwezige goud is ingevoerd. Fernandes schijnt in vier dagen van koning Boeçe naar koning Mazofe, aan de Mazoe gereisd te zijn. Deze ontvangt de helft van al het goud dat in zijn land gewonnen wordt. Vandaar zou hij in vijf dagen Embire, een nieuw van gestapelde stenen gebouwd fort, hebben bereikt. Bij dit fort, Camanhaia genaamd, `kan altijd de Monomotapa, de grootste vorst van allen, aan wie iedereen tot Sofala gehoorzaamt, worden gevonden’. Omdat het onmogelijk is in vijf dagen van de Mazoe naar Embire te reizen, wordt betwijfeld of Fernandes werkelijk bij de residentie van de Monomotapa is geweest.

Vanuit Embire onderneemt Fernandes reizen in verschillende richtingen. Na tien dagen bereikt hij de koning van Butua. In zijn land is alluviaal goud te vinden en hij is even machtig als de Monomotapa, met wie hij altijd op voet van oorlog verkeert, weet Fernandes te melden. Op een andere reis bereikt Fernandes in zeven dagen koning Mombara, in wiens land veel koper is. Dit koper wordt in baren voor verkoop naar Monomotapa gebracht, door kleine, slecht geproportioneerde, niet erg donkere mensen, met schapenstaarten. Het is duidelijk dat Fernandes hier doelt op Hottentotten, over wie hij nog weet te melden dat zij vee houden en dat zij hun gestorven stamgenoten opeten en in hun plaats een koe begraven. Als zij koper willen ruilen voor andere goede­ren dan leggen zij de baren koper neer en trekken zich terug. De gegadigden voor het koper leggen ruilwaren, in de vorm van kleding, bij de baren. Als de Hottentotten tevreden zijn over de ruil nemen zij de kleding weg. Zijn zij ontevreden, dan maken zij dat met gebaren vanuit de verte kenbaar, waarna eventueel kleding wordt toegevoegd, of de ruil niet door gaat.

Vijf dagen van Embire ligt het goudland van koning Inhoqua. Fernandes brengt daaraan geen bezoek, omdat daar stammen­oorlogen woeden en omdat hij geen geschenken meer heeft. Op een van zijn reizen keert Fernandes van Monomotapa over een alternatieve route terug via het land van koning Monzambia. Dit land brengt katoen voort, dat in het land van de Monomotapa verkocht wordt. Zeven dagreizen verder bereikt hij Quitengue, dat grenst aan Batongua. Dit land, waar een zijrivier van de Zambezi doorheen stroomt, is rijk aan goud en ivoor. António Fernandes beveelt aan hier een fort met een factorij te bouwen op een eiland in deze rivier, op tien dagreizen van Monomotapa. Deze factorij zou al het goud en ivoor uit zowel Monomotapa als Quiteve tot zich kunnen trekken, terwijl deze goederen thans met sambuks naar Angoche worden gebracht. Er is wel een brigantijn nodig om de route te bewaken. Fernandes reist van Quitengue naar Batongua en vandaar bereikt hij in vijf dagen Barue, dat ook goud voortbrengt. Na een reis van nog eens twintig dagen arri­veert hij in Sofala. Fernandes is van zijn eerste reis teruggekeerd met zwarten die voorheen te angstig waren geweest om naar de factorij in Sofala te komen. Zij hebben 100 miticais goud als geschenk voor de capitão en 900 miticais om te verhandelen meegebracht. Bij zijn terugkeer van zijn tweede, langere, reis, die vertraagd is door stammenstrijd en overstromingen, wordt hij vergezeld door meer zwarten. Zij hebben ook meer goud bij zich.

Saldanha wordt als capitão van Sofala en Moçambique opge­volgd door Simão Miranda de Azevedo, een edelman, krijgsman, dichter en diplomaat. Miranda arriveert met zijn staf eind septem­ber of begin oktober 1512. Hij heeft instructies van Manuel bij zich Kilwa te ontruimen, zoals Afonso de Albuquerque de vorst heeft aanbevolen (zie deel IV, pag. 130).

De capitão-geral heeft Manuel ook aangeraden de handel met Sofala aan het bevriende Malindi te laten. Miranda mag dit regelen, mits Malindi voor dit recht 50.000 miticais goud betaalt en bovendien een waarborgsom van 40.000 miticais geeft. Mocht de handel met Sofala niet aan Malindi komen, dan dienen de moslims uit Sofala verdreven en Angoche van zijn handel te wor­den beroofd. Het garnizoen in Sofala moet tot 40 man worden teruggebracht.

Als Miranda de reiservaringen van António Fernandes verneemt, besluit hij, ongetwijfeld op diens advies, vriendschappelijke be­trekkingen aan te knopen met de zwarte heersers in het binnen­land, om daarmee te bereiken dat handelaren ongehinderd uit het binnenland naar Sofala kunnen reizen. Miranda houdt de relaties goed door, volgens oud gebruik, zijn zwarte vrienden met geschenken te bedenken en hen ieder halfjaar voor het open­houden van de handelswegen te betalen. Dit werkt goed, vooral nadat de zwarte heersers Manuels vlag hebben ontvangen en bijgevolg als zijn vazallen worden beschouwd. De Portugezen ervaren echter ook dat sommige zwarte `koningen’, denkende genereus te zijn, goud ter waarde van slechts 10 of 12 miticais geven, in ruil voor een geschenk van 40 miticais.

Moslim-handelaren uit Angoche blijven met hun vaarten op de Zambezi inbreuk maken op het beoogde Portugese goudmono­polie. Miranda klaagt dat grote schepen uit Cambay, Mogadiscio, Brava, Pate, Lamu, Malindi en Mombaça elk jaar koopwaren aanvoeren, die met kleine bootjes naar Angoche worden ge­smokkeld. Hij vraagt Afonso de Albuquerque een brigantijn, om de haven van Angoche te blokkeren. Albuquerque geeft er echter de voorkeur aan dat intensief gepatrouilleerd wordt langs de kust bij Mombaça.

De aanvoer van goud naar Sofala blijft beperkt. In de acht maanden van november 1512 tot midden 1513 wordt niet meer dan 7.000 miticais ontvangen. Slechts 500 miticais is direct uit het binnenland aangevoerd; de rest is afkomstig van lokale han­delaren in Sofala. De handel is gering ondanks dat er in het binnenland vrede heerst en ondanks dat de Monomotapa vrij­heid van handel heeft gegarandeerd. Pero Vaz Soares, de feitor in Sofala geeft daarvoor een goede verklaring. Hij schrijft koning Manuel dat het goud in kleine hoeveelheden over een zeer groot gebied gewonnen wordt (zie bijlage deel IV). Omdat de goudwin­ning voor iedereen open staat, beschikken zeer velen over zo weinig goud dat het niet de moeite loont een lange gevaarlijke reis naar Sofala te ondernemen, om het goud daar te verkopen. Dit is de reden dat moslim-handelaren door het binnenland reizen en op lokale markten in Manica en Mokaranga goud ruilen tegen de fel begeerde kleding en kralen, waarmee zij de winning van goud, dat de zwarten nauwelijks interesseert, stimuleren. Om de kosten van de factorij in Sofala te drukken, beveelt Pero Vaz Soares aan de capitão, wiens zijn salaris een derde van alle uitgaven voor het fort bedraagt, te ontslaan en daar, afgezien van het garnizoen, slechts de factor en twee klerken te handhaven. Soares acht twee karvelen in Sofala nodig; een om de kust te bewaken en het andere voor de kusthandel en het aanvoeren van levensmiddelen.

Miranda besluit het voorstel van António Fernandes te aan­vaarden. Dit voorstel houdt in, de Zambezi te gaan gebruiken als toegang tot het binnenland. Hij zendt een karveel, met een factor, een klerk en handelsgoederen, naar een opperhoofd dat een eiland bezet in een van de rivierarmen in de delta van de Zambezi, vermoedelijk de Luabo. Met hem moet vriendschap en vrede gesloten worden. Miranda heeft de kapitein geïnstrueerd dat eerst alleen de klerk en één ander bemanningslid aan land mogen gaan. Pas als na het sluiten van een verdrag de kapitein en zijn gehele bemanning worden uitgenodigd aan land te komen, om het opperhoofd te bezoeken, mag daaraan gevolg gegeven worden. Deze instructies worden in de wind geslagen. Zonder dat gijzelaars worden genomen, gaat een groot deel van de bemanning aan land. Het opperhoofd, dat onder zware druk staat van Swahili-handelaren, geeft deze islamitische nakomelin-gen van zwarte vrouwen en Arabische kooplieden toestemming de zich aan land bevindende Portugezen te overvallen en te doden, hetgeen ook gebeurt. De in het karveel achtergebleven bemanningsleden worden aangevallen vanuit sambuks. Zij weten met hun bombarden en kruisbogen de aanval af te slaan. Daarna kappen zij de ankerkabel en ontsnappen zo aan hun belagers. De Portugezen zijn zeer verontwaardigd over het gebeurde en vrezen dat het incident deel uitmaakt van een samenzwering van moslims uit Angoche en Sofala.

Miranda heeft meer succes met het zenden van gezanten naar het binnenland, om contact te maken met de heersers daar. Een van hen is António Fernandes, die begin 1513 voor zijn tweede reis vertrekt. Hij vaart de benedenloop van de Zambezi op en komt, dertig léguas van de zee en vier dagreizen van vindplaat­sen van het goud, daar waar de Zambezi en de Shire samen­vloeien, bij koning Onhaqouro. Deze blijkt zeer goed op de hoog­te te zijn van het optreden van de Portugezen tegen de moslims. De vorst ontvangt Fernandes gastvrij en vertelt hem over de handelsroute vanuit Angoche naar Monomotapa. Fernandes schenkt de koning een vuurwapen en trekt verder naar Monomotapa. Hij bereikt – zoals eerder vermeld – Embire met het grote fort Camanhaia. De aantekeningen van Fernandes over zijn verblijf in Monomotapa zijn verloren gegaan. Damião de Goís, een met Desiderius Erasmus bevriende humanist en schrijver van de Crónica do Felicíssimo Rei Dom Emanuel en de Crónica do Príncipe Dom João, geeft een beschrijving van de hoogvlakte, waar de Monomotapa of Mwene Mutapa een vorm van opperheerschappij uitoefent over een confederatie van Makalanga-stammen, zonder dat de opperhoofden zich als zijn vazallen beschouwen. De Makalanga is een Shona-volk dat, komende uit gebieden ten zuiden van de Zambezi, in de 12e eeuw het grondgebied van het huidige Zimbabwe in bezit heeft genomen. Goís schrijft: `in het midden van dit land is een fort van zware stenen aan de binnen- en aan de buitenkant; het is een heel merkwaardig en goed geconstrueerd bouwwerk, waarbij, zoals beweerd wordt, geen specie tussen de stenen te zien is…..In andere districten…..zijn ook op dezelfde manier forten ge­bouwd. In al deze forten heeft de koning kapiteins.’ Duffy is een van degenen die betwijfelt of António Fernandes zelf de residen-tie van de Monomotapa heeft bezocht. Hij merkt op dat er geen bewijs is dat de Portugees Great Zimbabwe, de `grote om­muurde hoofdstad’ van de Monomotapa is geweest. Fernandes blijkt immers vooral geïnteresseerd te zijn in de handelsroutes vanuit Monomotapa en in de koperhandel van het Mombara-volk.

De politiek van Miranda werpt uiteindelijk vruchten af. Dit succes is mede toe te schrijven aan zijn zeer gewetensvolle en goudeer­lijke factor Pero Vaz Soares, die in de jaren 1513 en 1514 25.029 miticais goud en 51.000 miticais ivoor ontvangt. Miranda en Soares zijn zo succesrijk dat zij in december 1514 niet minder dan 20.000 miticais goud naar Indië kunnen zenden, terwijl de vorige zending van begin 1513 maar 1.000 miticais bedroeg. Ook de aanvoer van gierst heeft zich in deze periode hersteld. Koning Manuel is, na jarenlange teleurstellingen over de goudhandel, zeer ingenomen met Miranda’s beleid in Sofala. Hij juicht vooral de vriendschappelijke betrekkingen met het binnenland toe. Ook het plan om de handel van Angoche af te snijden heeft zijn warme steun. De koning stelt de grootte van de garnizoenen in Sofala en Moçambique vast op 66 man, waarvan niet meer dan 12 op Moçambique-eiland zullen verblijven. Omdat de grootste bedreiging van Sofala uit zee komt, laat de koning het fort van de zeezijde beschermen door een aardenwal met palissaden. Ook de verkondiging van het christendom dient in Oost-Afrika krachtig bevorderd te worden, ondanks protesten van de moslims dat de Portugezen hun slaven bekeren. Daartoe doen de franciscanen al vroeg hun intrede. Bekend is dat zij zich al voor 1512 in Kilwa gevestigd hebben, omdat zij deze stad in 1512, tezamen met het Portugese garnizoen verlaten. De aanwezigheid van francisca­nen in Sofala is voor het eerst in 1515 gerapporteerd.

Simão Miranda de Azevedo sterft in maart 1515 in Sofala. Pero Vaz Soares, die op dat moment alcaide-mor is, gaat optreden als capitão van het fort, totdat op 1 oktober 1515 Cristovão Távora als nieuwe capitão arriveert. Er is over de maanden januari tot september 1515 veel bekend van het leven in het fort in Sofala, omdat de Pedro Lopes, een klerk onder factor Miguel do Vale, nauwgezet alle ontvangsten en uitgaven van de factorij in deze periode heeft genoteerd en de boekhouding bewaard is geble­ven. De factor heeft 5.934 miticais goud ontvangen; 5.100 miticais in ruil voor kleding uit Cambay en de rest vrijwel geheel voor kralen. Niet minder dan 1.872 miticais goud is afkomstig van een sjarif uit Sofala, die als tussenpersoon dienst doet. Een andere handelaar bezoekt het fort niet minder dan 33 maal. Er wordt goud betrokken van acht Afrikanen uit het binnenland. Onder hen zijn lieden uit Inharouro en Onhaquoro. Enkele keren meert in Sofala een schip uit Portugal aan. Het brengt naast le­vensmiddelen (olijfolie, azijn, suiker, kaas en kweepeerjam) brie­ven en nieuws uit het verre vaderland. Dit is een gebeurtenis, waarnaar lang van te voren wordt uitgezien. De aankomst van een schip doorbreekt het saaie bestaan in Sofala, waar – anders dan in Indië – sexuele contacten met inheemse vrouwen verbo­den zijn. Naast goud betrekken de Portugezen voedsel in het nabije binnenland. Het gaat om gierst, rijst, kippen, geiten, kokos­noten en honing. Dit laatste product is uitsluitend bestemd voor de zieken in het hospitaal. De aanvoer van gierst laat in deze periode veel te wensen over. Misschien dat daarom tochten wor­den ondernomen naar Bangoe aan de monding van de Buzi. Er worden niet minder dan acht van zulke tochten met een karveel of met sambuks gemaakt. Aan de bemanning wordt steeds een agent van de factor, een klerk, een plaatselijke loods en circa zes lokale zeelieden toegevoegd. Drie van zulke expedities staan onder leiding van António Fernandes, als beloning voor zijn ont­dekkingstochten. De expedities naar Bangoe leveren in negen maanden bijna 100 arrobas ivoor op. Onder de uitgaven van het fort zijn ook opgenomen geschenken voor bevriende Moren en Afrikanen in het binnenland, alsmede prijzengeld voor de winnaar van de zondagse schietwedstrijden met de kruisboog. Klerk Pedro Lopes vermeldt trots dat hij tweemaal gewonnen heeft, wat hem per keer een prijs van een halve mitical goud heeft opgeleverd. Als Cristovão Távora het bevel in Sofala overneemt, wordt aan hem 8.400,75 miticais goud overgedragen.

Deel 6: De Atlantische eilanden, Reizen naar de Nieuwe Wereld, De betrekkingen met Noordwest-Afrika, De betrekkingen met Congo en Angola, De Swahili-kust (1515-1521), De Estado da India, Expansie van het Império Português (1515-1521)

Categorieën
Portugees kolonialisme

Afonso de Albuquerque overleden

Deel 5 Index

Hoofdstuk 6

Malabar in de jaren 1513-1514

6.7 Afonso de Albuquerque overleden

Geschreven door Arnold van Wickeren

Albuquerques trouwe strijdmakker Dom Garcia de Noronha heeft al eerder te kennen gegeven dat hij naar Portugal wenst terug te keren. Albuquerque ziet zijn neef niet gaarne vertrekken, temeer omdat hij zich de laatste tijd niet goed voelt. Uiteindelijk zeilt Dom Garcia op 10 augustus 1515 uit. Hij heeft de kostbaarste van Sjah Isma’il ontvangen geschenken voor koning Manuel bij zich. Dom Garcia heeft ook vijftien mannelijke leden van het konings­huis van Ormoez aan boord die allen, onder omstandigheden, aanspraak kunnen maken op de troon. Hij dient hen af te leveren aan de capitão van het fort in Goa. Deze krijgt de opdracht hen streng te bewaken, maar hen overigens goed te behandelen. Albuquerque wil voorkomen dat deze troonpretendenten onrust kunnen zaaien tegen de gehate koning Turan Shah, die immers zijn broer Ceifadim heeft laten vermoorden en die daarom door velen wordt beschouwd als een usurpator. Omdat Albuquerque ook weinig vertrouwen in hem heeft, behoedt hij hem voor mis­stappen, door de twee jonge zonen van Ceifadim achter de hand te houden als alternatief voor de troon.

Albuquerque zendt van Ormoez António da Fonseca en Aires de Magalhães met 10.000 xerafins naar Goa. Zij zijn benoemd tot feitor, respectievelijk escrivão. Zij krijgen opdracht de daar aan­wezige schepen zonodig te doen repareren en grote hoeveel­heden voorraden en munitie te verzamelen. De bedoeling is dat zij beginnen met de uitrusting van een grote vloot, om daarmee volgend voorjaar Aden te veroveren. De gouverneur-generaal zendt Fernão Martins Evangelo als gezant naar de koning van Lara, die de koning van Portugal als zijn souverein erkent.

In zijn brief aan koning Manuel van 22 september 1515 verdedigt Albuquerque zijn beslissing Ormoez te bezetten, voordat hij Aden veroverd heeft. Hij wijst op de commerciële voordelen van het bezit van Ormoez, met zijn grote handel op Basra. Met Ormoez in Portugees bezit is de toegang tot de Perzische Golf voor de Moorse scheepvaart afgegrendeld, terwijl steeds meer heersers in deze contreien zich onderwerpen aan de Portugese opper­heerschappij. De gouverneur schrijft ook de blokkade van de Rode Zee niet uit het oog te verliezen. Hij zal vijf schepen naar de Rode Zee zenden, maar voor de verovering van Aden heeft hij meer schepen en troepen nodig dan waarover hij op dat moment kan beschikken.

De ziekte van Albuquerque wordt zo erg dat hij nog nauwelijks zijn huis in Ormoez verlaat. Op 26 september roept hij al zijn kapiteins bij zich en laat hen, in het bijzijn van Pero de Alpoym, de secretário da India, trouw zweren aan degene aan wie hij zijn bevoegdheden zal overdragen, totdat koning Manuel een opvol­ger zal hebben benoemd. Op 20 oktober benoemt hij zijn neef Pero de Albuquerque, de zoon van Jorge de Albuquerque, tot kapitein van het fort op Ormoez, met een jaarsalaris van 400.000 reais en 200 quintais peper. Hij geeft het fort de naam Nossa Senhora da Conceição en benoemt Manuel da Costa als feitor en Manuel de Sequeira en Diogo de Andrade als escrivães. Na aldus de zaken in Ormoez geregeld te hebben, vertrekt hij op donderdag 8 november 1515 met de Flor da Rosa naar Goa. De Flor da Rosa wordt vergezeld door twee grote galeien, een kar­veel en de brigantijn Santiago. Onderweg maakt de gouverneur zich zorgen over de aanstaande expeditie naar Aden, waarvan de verovering, naast het bezit van Malacca en Ormoez, de hele specerijenhandel vast in Portugese handen zou brengen.

Terwijl Albuquerque onderweg zijn einde voelt naderen, wacht hem in Kalhat een zeer onaangename verrassing. Daar passeert een Moors oorlogsschip met volle zeilen. Als het is ingehaald, blijkt het uit Diu te komen en met brieven voor Albuquerque op weg te zijn naar Ormoez. De brieven vertellen dat in Indië een vloot bestaande uit twaalf schepen uit Portugal is gearriveerd. Daarmee is Lopo Soares de Albergaria, een gezworen vijand van Albuquerque, aangekomen. Hij is benoemd tot capitão-mor in Indië, hetgeen betekent dat hij het opperbevel over de gehele vloot heeft gekregen. Koning Manuel blijkt Diogo Mendes de Vasconcelos en Diogo Pereira, een van samenzweerders in Cochin, tot capitão, respectievelijk feitor in Cochin te hebben aangesteld, terwijl ook nieuwe kapiteins voor al de andere forten zijn benoemd. Het is Albuquerque, voor wie dit nieuws een bitte­re deceptie moet zijn, duidelijk dat zijn tegenstanders, die hem al jaren bij de koning belasteren en zijn daden kritiseren, uiteindelijk het pleit gewonnen hebben. Er is zelfs een brief, waarin de auto­riteiten van Ormoez wordt geadviseerd eventueel met de over­dracht van het fort te wachten totdat voor Albuquerque een op­volger zal zijn benoemd. João de Barros schrijft dat Albuquerque na van het bovenstaande te hebben kennisgenomen en mede gelet op zijn naderende einde, verzucht zou hebben: `Tempo é de acolher à Ingreja; e assim fico eu mal com el-rei por amor dos homens, e mal com os homens por amor de el-rei’ (`Het is tijd om mij tot de kerk te wenden, want ik blijf de boosdoener in de ogen van de koning omwille van de mensen en de boosdoener in de ogen van de mensen omwille van de koning.’) Als Sjah Isma’il, die grote waardering voor Albuquerque heeft en niet weet hoe ziek hij is, verneemt hoe slecht hij door zijn koning is behandeld, schrijft hij hem dat hij graag van zijn diensten gebruik zou maken en dat hij hem tot een van de grootsten van zijn rijk zal maken.

Op 6 december vraagt Albuquerque, in zijn laatste brief aan koning Manuel, dat de vorst niet dient te vergeten wat hij alle­maal voor Indië heeft gedaan. Het enige dat nog rest is het af­grendelen van de Rode Zee, laat hij weten. De Flor da Rosa ankert in de avond van zaterdag 15 december in Goa. De gou­verneur laat Pero de Alpoym, die hij als executeur aanwijst, op­schrijven dat hij begraven wenst te worden in de door hemzelf in Goa gebouwde kapel van Nossa Senhora da Conceição, maar dat hij zijn lichaam later wil zien bijgezet in de Ingreja da Graça in Lissabon, omdat in deze kloosterkerk van de augustijnen zijn voorvaderen begraven liggen. Het zal tot 1566 duren voordat aan deze wens voldaan zal worden. Koning Manuel zal namelijk wei­geren Albuquerques gebeente naar Portugal te laten overbren­gen, omdat zich al gauw de mare zal verspreiden dat Goa alleen maar Portugees zal blijven, zolang Albuquerques stoffelijk over­schot daar rust. Daarna overweegt de stervende met de vicaris-generaal van Goa de gehele nacht het lijden van de Heer naar het evangelie van Johannes. Een uur voor zonsopgang op de morgen van 16 december 1515 overlijdt Afonso de Albuquerque, in de leeftijd van 53 jaar, volkomen uitgeput door zeer hard wer­ken en het ongezonde tropische klimaat. Zijn overlijden markeert het einde van de século maravilhoso die begonnen is met de inname van Ceuta in 1415.

Afonso de Albuquerque heeft het Portugese imperium in Azië een stevig fundament gegeven. Hij heeft de steden Goa, Malacca en Ormoez veroverd, vrede gesloten met Calicut en in deze vier plaatsen stenen forten gebouwd; het van aangestamp­te aarde gemaakte fort in Cannanore is in steen herbouwd en het in 1504 gebouwde fort in Cochin is vergroot. In al deze forten liggen bij zijn overlijden sterke en uitstekend bewapende garni­zoenen. Hij laat een vloot na van 50 vaartuigen: kraken, karve­len, galeien en fustas; niet meegeteld de vele kleine handels­vaartuigen. Veel van deze schepen zijn gebouwd door vakbe­kwame Portugezen en tot het katholicisme bekeerde Hindoes, op Portugese werven in Indië. Albuquerque heeft, door zijn politiek Portugezen te laten trouwen met Indische vrouwen, de steden Goa en Cochin voorzien van een rooms-katholieke Luso-Indische bevolking die de Portugese taal en cultuur heeft over­genomen en de Portugese zaak onvoorwaardelijk trouw is. De Portugezen in Indië onderhouden goede betrekkingen met de koninkri­ken Perzië, Cambay, Bijapur, Narsinga, Calicut, Cochin, Cannanore en Quilon, dat wil zeggen met alle grote en kleine potentaten tussen Ormoez en Ceylon, met welk laatste land de betrekkingen nog moeten worden aangehaald. Koning Manuel heeft gezanten en vaak zeer kostbare geschenken ontvangen van de koningen van Perzië, Pegu, Bengalen, Pedir, Pacém en Siam. Er zullen eveneens goede betrekkingen gevestigd worden met China en met de koningen van Java en de Molukken. Albuquerque heeft de Portugese maritieme suprematie, die zijn voorganger in de Indische Oceaan heeft gevestigd, uitgebreid tot de wateren van Oost-Azië. Hij heeft de handel in specerijen grotendeels in Portugese handen gebracht, zij het dat geen sprake is van een volkomen monopolie: de peperhandel uit Pedir en Pacém onttrekt zich aan de invloed van de Portugezen en menig Arabisch schip weet nog onopgemerkt de Rode Zee te bereiken. De Portugezen weten ook niet de smokkel over land te voorkomen, ofschoon het in dit geval om veel kleinere hoeveel­heden dan scheepsladingen gaat. Albuquerque is er echter niet in geslaagd Aden te veroveren, Mecca te verwoesten en het lichaam van de profeet Mohammed uit Medina te roven. Deson­danks zijn z’n toewijding en trouw aan zijn koning en zijn presta­ties zo groot, dat hij met recht het epitheton `o Grande’ heeft ver­diend. Dit in navolging van zijn grote voorbeeld Alexander de Grote, die tachtig van zijn generaals in Sousa met Aziatische vrouwen in het huwelijk heeft doen treden. Albuquerque heeft tegenover de Hindoes altijd veel tolerantie aan de dag gelegd; de enige smet op zijn blazoen is zijn vaak onbarmhartige optreden tegen moslims, zowel tegen militairen als tegen burgers, al zal dit optreden in zijn tijd nauwelijks zijn afgekeurd.

7.1 Sofala in de jaren 1509-1515.

Categorieën
Portugees kolonialisme

Bezetting van Ormoez; bondgenootschap met Perzië

Deel 5 Index

Hoofdstuk 6

Malabar in de jaren 1513-1514

6.6 Bezetting van Ormoez; bondgenootschap met Perzië

Geschreven door Arnold van Wickeren

In mei 1514 arriveert voor Ormoez een met handelswaar geladen vloot van vier schepen, onder bevel van capitão-mor Pero de Albuquerque, een neef van de gouverneur-generaal. De andere kapiteins zijn: Ruy Galvão, António Raposo en Jerónimo de Sousa. De feitor aan boord van de vloot is Tristão de Ga, terwijl João Teixeira als escrivão optreedt. De vloot is tegen het eind van 1513 naar Kaap Guardafui gezonden om de Moorse scheep­vaart naar de Rode Zee te hinderen. Bij Socotra is een Moors schip met uit Calicut uitgeweken kooplieden aangehouden. Het is ongemoeid gelaten, omdat een cartaz kon worden getoond. Tijdens het gehele seizoen heeft de vloot bij Socotra gekruist en menig rijkgeladen Moors schip buitgemaakt. De schepen zijn naar Ormoez gekomen, om daar te `overwinteren’. De nieuwe koning Turan Shah, is zijn broer Ceifadim (Sayf ed-Din) opge­volgd, nadat hij hem met vergif van het leven heeft beroofd. De koning zendt Hacem Ali naar de vloot, met de boodschap dat de stad ten dienste staat van de koning van Portugal. Pero de Albuquerque ontvangt Hacem Ali zeer vriendelijk en de volgen­de dag zendt hij feitor Tristão de Ga, vergezeld van Francisco de Albuquerque, een bekeerde joodse tolk, met een brief van zijn oom Afonso de Albuquerque naar de koning. De vorst wordt ver­zocht het met diens voorganger gesloten vredesverdrag te ratifi­ceren en de schatting over de laatste twee jaar te voldoen. Hem wordt ook gevraagd het door Afonso de Albuquerque in 1507 gebouwde, maar nog niet voltooide fort ter beschikking te stellen van Tristão de Ga, zodat deze daarin zijn koopwaar kan opslaan.

De koning weigert het fort over te dragen en stelt voor dat Tristão de Ga een ander pand als factorij uitzoekt. Wat de tribuut betreft, deelt de koning mee dat hij een gezant naar koning Manuel gezonden heeft, met een geschenk bestaande uit parels en andere kostbaarheden en dat hij in afwachting is van het antwoord van de koning van Portugal. Turan Shah zegt wel be­reid te zijn het verdrag te ratificeren. Pero de Albuquerque ziet vooralsnog af van geweld en in plaats van het fort verlangt hij het hospitaal of het douanekantoor als factorij. Omdat het hospitaal dient om pelgrims naar Mecca onder te brengen, kan de koning niet toestaan dat dit gebouw veranderd wordt in een fort en van overdracht van het douanekantoor kan ook geen sprake zijn. Uiteindelijk beveelt de vorst dat het gebouw dat gediend heeft als Portugese factorij, voordat het fort werd gebouwd, ook nu weer als zodanig zal dienstdoen. Gouverneur Reys Nordim (Raïs Nur ed-Din) stelt Tristão de Ga en João Teixeira de daarin in 1508 achtergebleven Portugese handelswaar ter beschikking, waarna de factorij in gebruik wordt genomen.

Op 7 juli zeilt Pero de Albuquerque van Ormoez weg, om de gelijknamige straat en de Perzische Golf te verkennen. Voor zijn vertrek laat hij koning Turan Shah weten dat hij over enige weken, als hij op weg gaat naar Indië, Ormoez weer zal aandoen en dat hij verwacht dat dan de schatting en de op goudblad geschreven ratificatiebrief kunnen worden afgehaald. Pero de Albuquerque verkent alle havens, eilanden en steden van de Perzische Golf tot aan het eiland Lulutem (Gazire-ye Lavan?) en bereikt zelfs Bahrein. Hij treft in een niet nader te identificeren haven Mirbuzaca, een kapitein van sjah Isma’il. Deze heeft 20 terradas van Ormoez buitgemaakt. Pero de Albuquerque vordert deze kleine oorlogsschepen van hem terug. Als hij 6 augustus weer bij Ormoez is, toont de koning zich blij verrast met de scheepjes, maar de schatting ligt nog niet klaar en de vorst blijft bij zijn weigering het fort over te dragen. Eerst nadat Pero de Albuquerque gedreigd heeft niet te vertrekken zonder de schat­ting ontvangen te hebben, betaalt de koning 10.000 xerafins, zich verontschuldigend dat hij niet meer kan betalen, want de koop­lieden van Ormoez zijn arm, omdat zij geen reizen durven te ondernemen uit vrees voor de Portugese vloot. Voor zijn vertrek naar Malabar waarschuwt Pero de Albuquerque de koning van Ormoez, geen gewapende Perzen tot het eiland toe te laten, omdat sjah Isma’il zich van Ormoez wil meestermaken. Pero de Albuquerque laat eveneens weten dat zijn oom Perzische militai­re infiltratie in Indië niet zal toestaan, maar dat hij Perzische kooplieden gaarne met hun paarden naar Goa ziet komen en dus niet meer naar Baticale, waarvan de haven ontmanteld is. Als Pero de Albuquerque op 28 september 1514 in Goa aankomt, treft hij daar de gezant van de koning van Ormoez naar koning Manuel. Hij komt uit Portugal en is op de terugweg naar Ormoez. Pero de Albuquerque laat zijn oom weten dat de zwakke koning van Ormoez, die volledig aan de leiband loopt van Reys Nordim, de suzereiniteit van sjah Isma’il heeft aanvaard en dat hij in navolging van zijn opperheer nog slechts de zonen van Ali (ibn Abu Talib), neef en schoonzoon van de Profeet en van diens dochter Fatima, als imams erkent. Een kapitein van Sjah Isma’il koerst met een vloot in de Perzische Golf en heeft het gemunt op vaartuigen van Ormoez, dat hij ook bedreigt. De capitão-geral verkeert op dat moment in zo grote geldnood, dat hij zijn troepen niet meer kan betalen. De rijke buit die zijn neef vergaard heeft, maar vooral de 10.000 xerafins van Ormoez komen hem dus goed van pas. De Perzische bedreiging van Ormoez is voor de gouverneur aanleiding zelf zo snel mogelijk naar Ormoez te gaan. Met het aanbreken van de noordoostmoesson in oktober kan de Indische Oceaan weer bevaren worden en breekt een tijd van grote activiteit aan. Albuquerque stuurt met specerijen gela­den schepen naar Portugal. Hij roept vervolgens capitão Jorge de Albuquerque uit Cochin terug en zendt hem met vier schepen en 200 man als nieuwe capitão naar Malacca. Als deze in Pacém arriveert, vraagt de sultan zijn hulp bij het onderdrukken van een rebellie. Omdat de sultan van Pacém een vriend van Portugal is, stemt Jorge de Albuquerque hiermee in, mits hij het karwei alleen mag klaren en de troepen van de sultan slechts toekijken. De capitão-mor laat zijn mannen een landing uitvoeren. De vijand wordt verslagen, waarna de troepen van de sultan het karwei inderdaad afmaken. Aangekomen in Malacca neemt Jorge de Albuquerque het commando over het fort over van zijn voor­ganger Ruy de Brito Patalim. Diens ambtstermijn is na drie jaar verstreken en hij vertrekt naar Goa. Pero Mascarenhas, capitão van Goa, gaat deze post in Cochin bekleden. Hij wordt in Goa opgevolgd door Dom João de Eça. Dom Garcia de Noronha komt in Goa aan met de in Cochin gerepareerde schepen, waarna Albuquerque begint aan het samenstellen en uitrusten van een grote vloot.

Uit de brieven die Albuquerque in oktober en november 1514 aan koning Manuel schrijft, brieven waarop het antwoord pas zal komen als de daarin ontvouwde plannen zijn uitgevoerd, blijkt hoezeer hij in dubio verkeert of hij eerst opnieuw een expeditie naar de Rode Zee zal ondernemen, of dat zijn eerste doel Ormoez zal zijn. Aan de ene kant zou hij gaarne een fort bouwen bij Aden, omdat deze plaats slechts drie dagen zeilen afligt van de Straat van Bab al-Mandab, waarvan de ingang niet geschikt is voor de bouw van een fort. Tegen een expeditie naar Aden en dus voor een naar Ormoez pleit dat Melique Az van Diu in het geheim Aden grote hoeveelheden artillerie heeft gezonden en dat de stad daardoor zozeer is versterkt dat de gouverneur denkt 4.000 à 5.000 man nodig te hebben om Aden te veroveren. Bovendien is Albuquerque niet tevreden met het bezit van Aden alleen; hij wil ook steunpunten in de Rode Zee verwerven en denkt daarbij aan Farsan bij Djedda, dat over een haven en goed water beschikt, aan de Dahlak-eilanden en aan het voor de kust van Ethiopië gelegen Massawa, omdat die stad de handelshaven van Preste Joam is. Ethiopië beschikt over een overvloed aan paarden, zodat in Massawa een cavalerie opgebouwd kan worden. Albuquerque zou van Massawa 500 ruiters kunnen overzetten naar Djedda en een verrassingsaanval op Mecca kun­nen laten uitvoeren, om de stad in as te leggen. Daarnaast wil hij de Afrikaanse havensteden Berbera en Zeila schatplichtig ma­ken. Hij klaagt in zijn brieven aan koning Manuel over een gebrek aan goede wapens: de ontvangen riemen voor de galeien zijn zelfs te kort voor galjoten en fustas; de spiesen breken gemakke­lijk en de borstplaten bevatten stukjes tin. In dit verband levert hij kritiek op de kapiteins die de soldaten onbruikbare wapens ver­kopen. Albuquerque ontvouwt ook een gedetailleerd plan op weg naar Aden de kust van Zuid-Arabië af te stropen. Hij wil ook ver­dragen afsluiten met de sultan van Cambay en met de malabar van Narsinga. In een bondgenootschap met de laatste wil hij de Turken in de Deccan bestrijden. De gouverneur meldt ook dat Melique Az hem een kostbaar juweel met de koninklijke scepter van Indië heeft gezonden. Maar de lepe tot de islam bekeerde Rus heeft een Portugees sprekende spion naar Goa gezonden, die zijn ogen en oren goed de kost heeft gegeven. Deze man, Cidiale geheten, is naar Goa gekomen als aanvoerder van een escorte van vier man, dat Diogo Fernandes de Béja en Diogo Teixeira bij hun terugkeer uit Cambay naar Goa heeft begeleid. Uit de brief van 27 november 1514 blijkt dat Albuquerque inmid­dels tot het inzicht is gekomen dat hij eerst Ormoez in handen moet zien te krijgen en daarna naar de Rode Zee moet gaan.

Kort voor de vloot zal uitzeilen, vraagt de zamorin van Calicut Albuquerque toestemming om twee schepen naar Aden te laten vertrekken. De gouverneur, die niet volsterkt uitsluit dat hij toch eerst naar Aden gaat, voelt er niets voor dat daar bekend wordt dat er een Portugese vloot in aantocht is. De zamorin blijft aan­dringen en krijgt zijn zin, op voorwaarde dat zijn schepen geen peper vervoeren en dat hij op zijn kosten, twee galeien voor Albuquerque bouwt. Na alle forten in Indië bevoorraad te hebben, heft de armada van Albuquerque op 21 februari 1515 het anker. De 26 schepen hebben 1.500 Portugezen en 700 soldaten uit Malabar aan boord. Capitão-mor Afonso de Albuquerque bevindt zich aan boord van het vlaggenschip Nazaré, waarvan zijn neef Vicente de Albuquerque kapitein is. Met hem zeilen uit de ons reeds bekende kapiteins: Pero de Albuquerque, Simão de Andrade, Diogo Fernandes de Béja, Jorge de Brito, Ruy Galvão, Fernão Gomes de Lemos, Duarte de Melo, Dom Garcia de Noronha, António Raposo, Lopo Vaz de Sampaio, Aires da Silva en Jerónimo de Sousa. Als de kroniekschrijver met João Gomes, Pero Ferreira en Francisco Pereira bedoeld heeft João Gomes de Abreu, respectievelijk Pero Ferreira Fogaça en Francisco Pereira Pestana dan zijn ook deze kapiteins ons bekend en resteren slechts de namen van tien nieuwe kapiteins: Pero en Silvestre Corço, Manuel da Costa, Vasco Fernandes Coutinho, Fernão Diniz, António Ferreira, João de Meira, João Pereira, Nuno Martins Raposo en Fernão de Resende. Aan het vertrek van de vloot is een discussie voorafgegaan over het doel van de expeditie. Veel kapiteins hebben gewezen op het verlangen van koning Manuel in Aden een vesting te laten bouwen. Nicolau Ferreira, koning Manuels ambassadeur naar de koning van Ormoez, brengt daartegen in dat Reys Nordim een Pers is en dat hij met zeven of acht neven alle zaken in Ormoez regelt. Zij zouden koning Turan Shah, kunnen vergiftigen en Ormoez aan Sjah Isma’il kunnen overgeven. Als de sjah van Perzië Ormoez eenmaal in handen heeft, is het daar gedaan met Portugals suzereiniteit. Uiteindelijk wordt besloten dat het doel van de expeditie Ormoez zal zijn en dat Aden moet wachten op een volgende gelegenheid. De vloot komt 25 maart bij Kuriyat aan en zeilt verder naar Muscat, waar water en voorraden worden inge­nomen. Albuquerque verneemt hier dat er een paar maanden geleden op Ormoez een opstand is uitgebroken. Reys Hamed, een neef van gouverneur Reys Nordim, heeft het fort en het paleis bezet en houdt de koning gevangen. Reys Hamed oefent nu de feitelijke macht uit in Ormoez en hij kan daarbij rekenen op 500 boogschutters uit Perzië. Albuquerque, begrijpend dat haast geboden is, zendt onverwijld zijn galeien en brigantijnen naar Ormoez. Hij wil beletten dat daar nog meer Perzen arriveren. Als hij met de rest van de vloot voor Ormoez aankomt, groet hij de stad met een artilleriesalvo. Reys Hamed schrikt hiervan zozeer dat hij de koning, alsmede Reys Nordim en zijn zonen, die hij inmiddels ook gevangengezet heeft, vrijlaat. Hij haast zich een afgezant, Hacem Ali geheten, met een welkomsgeschenk naar de capitão-mor te zenden. Hacem Ali wordt daarbij vergezeld door Miguel Ferreira, Albuquerques gezant naar Sjah Isma’il, die nog steeds op Ormoez verblijft. Ferreira deelt mee dat Abraham Beque, een van Sjah Isma’ils belangrijkste militairen, enkele dagen geleden met zeven dienaren op Ormoez is aangekomen, met de kennelijke bedoeling contact te zoeken met de sultan van Cambay. Na veiligheidshalve een gijzelaar aan boord te hebben genomen, zendt Albuquerque koning Manuels ambassadeur Nicolau Ferreira met een indrukwekkend escorte naar koning Turan Shah, om hem een brief van koning Manuel te overhandi­gen. Als Ferreira terugkeert, laat hij weten dat de koning volledig danst naar de pijpen van Reys Hamed. Albuquerque staat erop dat de overeenkomst die hij destijds met koning Ceifadim en Coja Atar is aangegaan, wordt nageleefd. Dit betekent dat het fort aan hem wordt overgedragen. Zo niet, dan dreigt de capitão-mor de stad volledig te verwoesten. De verschrikte koning zendt Reys Nordim naar Albuquerque. Hij stemt in met de overdracht, met uitzondering van het hospitaal. Albuquerque bedenkt Reys Nordim met een gouden ketting en geeft hem ook een geschenk mee voor de koning. Voorts eist hij dat de Portugese vlag op het koninklijk paleis wordt gehesen, als teken van vrede en vriend-schap. Zodra aan deze eis is voldaan brengt de gehele vloot met alle kanonnen een saluut aan de vlag en worden troepen ont­scheept, die op Palmzondag 1 april 1515 bezit nemen van het fort. De Portugezen versterken hun positie door stellingen met geschut aan de oever op te stellen, om een Perzische aanval te kunnen afslaan. Albuquerque laat iedereen in het land trouw zweren aan de koning en herstelt Reys Nordim in zijn ambt van gouverneur. Zijn grootste zorg is zich te ontdoen van Reys Hamed, diens broers en neven en al zijn andere aanhangers. Reys Hamed, die zich zelfs de sleutels van de schatkist heeft toegeëigend, zoekt op zijn beurt Albuquerque te doden.

Korte tijd nadat de Portugezen zich op Ormoez hebben ge­installeerd, vraagt de ambassadeur van Sjah Isma’il belet bij Albuquerque. Deze laat een groot plankier voor het fort timme­ren, dat met kostbare tapijten wordt belegd. Hierop worden onder een baldakijn twee zetels geplaatst. Deze zetels zijn voorzien van groene fluwelen kussens en de poten zijn bedekt met goud. Voor het platvorm worden 600 kruisboogschutters en musketiers opgesteld. Albuquerque zendt zijn neef Dom Garcia de Noronha, met al zijn ridders, fidalgos en kapiteins naar de ambassadeur, om diens escorte te begeleiden. De stoet van de ambassadeur, bestaat uit twee Moren te paard, gevolgd door jagers met pan­ters, zes paarden op rij met prachtige geschenken, twaalf Moren te paard met nog kostbaarder giften: gouden juwelen, fijne zijde en brokaat in zilveren schalen. Daarna volgen Albuquerques trompettisten en trommelslagers, de Portugese edelen, fidalgos en scheepskapiteins en tenslotte Dom Garcia de Noronha met de ambassadeur. Terwijl de stoet het fort nadert, vuurt de artille­rie van de gepavoiseerde vloot saluutschoten af. Albuquerque ontvangt de ambassadeur zeer hoffelijk en toont zich zeer inge­nomen met de geschenken en de brief van Sjah Isma’il voor koning Manuel. Tijdens een tweede gesprek, twee dagen later, laat de ambassadeur weten dat Sjah Isma’il nauwe vriendschap zoekt met de koning van Portugal en hij biedt Albuquerque enige plaatsen aan op de kust van Perzië, uit waardering van de sjah voor diens karaktereigenschappen. Daarna ontvouwt de ambas­sadeur een vierpuntenplan. Hij vraagt: afdracht van de in Ormoez op Perzische goederen geheven belasting; bevoorrading – vooral met schoon water – van Perzische pelgrimsschepen op weg naar Arabië; hulp bij de verovering van Guadaré, een plaats van de opstandige koning van Maçaram (Mekran?), die een vazal is van Sjah Isma’il; een factorij voor de Perzen op Ormoez en een haven in Indië waar Perzische kooplieden zich mogen vestigen. Albuquerque belooft later op deze vragen te zullen antwoorden.

Reys Hamed wijst alle uitnodigingen van Albuquerque af, uit vrees dat hem dit het leven zal kosten. Uiteindelijk wordt de koning uitgenodigd het fort te bezoeken. Onder diens gevolg mag Reys Hamed natuurlijk niet ontbreken. Afgesproken wordt dat gastheren en gasten allen ongewapend zullen zijn. Albuquerque geeft Dom Garcia de Noronha opdracht met vijftig man de toe­gang tot het fort te bewaken en niemand meer door te laten, nadat de koning, Reys Hamed en Reys Nordim binnen zijn. De Portugezen in het fort hebben een dolk onder hun kleding verbor­gen. Reys Hamed betreedt als eerste het fort om de situatie in ogenschouw te nemen. In strijd met de afspraak draagt hij een kort zwaard en heeft een dolk in zijn hand. Albuquerque laat Alexander de Ataide om zijn wapens vragen. Reys Hamed wei­gert deze af te geven en begeeft zich naar de uitgang, terwijl Ataide vergeefs tracht hem te bewegen terug te gaan. Daarop geeft Albuquerque zijn neef Pero de Albuquerque opdracht Reys Hamed tegen te houden en te doden. Op hetzelfde moment ont-vangt deze zoveel dolkstoten dat hij direct sterft. Albuquerque stelt de verschrikte koning gerust, door hem te zeggen dat hij niets te duchten heeft. Hierop dankt de koning hem, zeggende dat hij in hem een vaderfiguur ziet, die hem voor zijn bestwil van Reys Hamed verlost heeft.

Zodra de dood van Reys Hamed bekend wordt, bedreigen zijn aanhangers de koning, terwijl ze zeggen dat zij een zoon van de vermoorde koning Ceifadim op de troon willen zien. Opgestookt door Abraham Beque bezetten de opstandelingen het paleis en barricaderen dat. Reys Nordim weerhoudt de capitão-mor ervan het paleis aan te vallen en opent onderhandelingen met de rebel­len. Zij krijgen vrije aftocht naar Perzië als zij nog voor de avond valt het paleis verlaten. Abraham Beque overreedt hen dit aan­bod te accepteren. Albuquerque stelt daarna de koning en Reys Nordim, in aanwezigheid van Abraham Beque, weer in het bezit van het paleis. Vanaf dat moment regeert Albuquerque in feite Ormoez, omdat de koning in alles zijn raad opvolgt. De koning vaardigt op zijn verzoek een decreet uit, dat iedereen verbiedt wapens te dragen, behalve ‘s konings lijfwacht. Daarna worden alle overige sympathisanten van Reys Hamed van het eiland verdreven. Ook Abraham Beque vertrekt naar Perzië, omdat zijn plan Ormoez in handen van Sjah Isma’il te spelen, op een mis­lukking is uitgelopen.

Om de handel van Ormoez zo snel mogelijk te herstellen, verstrekt Albuquerque de plaatselijke handelaren een cartaz voor Indië. Zodra dit bekend raakt, vestigen zich veel koop­lieden van buiten Ormoez in de stad, die begint aan een nieuwe periode van commerciële bloei. Albuquerque wil het fort afbou­wen. Hij sluit met de koning een akkoord dat deze 120.000 xerafins betaalt als compensatie voor verlies van Portugese eigendommen tijdens de opstand. Het bedrag kan in termijnen worden betaald en wordt aangewend voor de voltooiing van het fort. Op zekere dag wordt het bericht ontvangen dat de Turken in Suez een vloot aan het uitrusten zijn, om Ormoez aan te vallen. Voor Albuquerque is dit bericht een mooie gelegenheid om alle artillerie waarover het eiland beschikt te confisqueren, met het argument dat de gevechtskracht van de vloot en de verdediging van het fort versterkt dienen te worden, om een eventuele Turkse aanval te kunnen weerstaan. De ambassa­deur van Sjah Isma’il geeft te kennen naar Perzië te willen terugkeren en vraagt Albuquerque naar diens antwoord op het vierpunten plan. Dit luidt: van afdracht van geheven belasting aan Sjah Isma’il kan geen sprake zijn; het geld is nodig voor de vloot, het leger en het bestuur, voor de koning van Ormoez en voor betaling van schatting aan de koning van Portugal. De waterplaats voor Perzische pelgrims naar Arabië is akkoord, evenals steun tegen de koning van Maçaram. Albuquerque stemt ook in met een Perzische factorij in Ormoez. Perzische handelaren mogen zich in Goa vestigen, maar als zij elders in Indië worden aangetroffen dan zullen zij zwaar worden gestraft en hun goederen zullen worden geconfisqueerd. De Perzische ambassadeur wordt op weg naar Perzië vergezeld door Fernão Gomes de Lemos. Hij is de gezant van Albuquerque naar Sjah Isma’il. Hij heeft geschenken bij zich in de vorm van acht geza­delde en schitterend opgetuigde paarden, karmozijnrood flu­weel, brokaat, gouden armbanden met robijnen, gouden juwe­len met kostbare stenen en tal van andere zaken. Opmerkelijk is dat Lemos ook wapentuig bij zich heeft: stukken artillerie, een halfdozijn lontroeren en veel kruisbogen, alsmede koper, tin en allerlei soorten specerijen. Albuquerque schrijft In een brief aan de sjah dat Lemos de werking van de wapens zal demonstre­ren. Hij laat de sjah weten dat hij vriendschappelijke betrekkin­gen met hem wil onderhouden en vraagt hem een ambassa­deur naar koning Manuel te zenden. Albuquerque wil samen met de Perzen de `Grote Sultan’ en het `Huis van Mecca’ bestrij­den. Hij wijst op de Portugese zegen over de Turken bij Diu en zegt bereid te zijn Perzische landoperaties tegen de `Grote Sultan’ te laten ondersteunen door de Portugese vloot. De gou­verneur doet de suggestie dat de sjah Caïro aanvalt en dat hij zich concentreert op Jeruzalem. Albuquerque vraagt de sjah hem te laten weten waar hij zijn vloot het beste kan inzetten, om de `Grote Sultan’ zoveel mogelijk schade te berokkenen. De twee gezanten verlaten Ormoez op 10 augustus 1515. In Gombrun (Bandar Abbas) aangekomen, stelt Abraham Beque, die `kapitein’ is van deze stad, veertig kamelen ter beschikking, om hun bagage naar Dragell te brengen. Dit kost overigens 135,5 xerafins. De karavaan bereikt Tarun, 100 mijl ten noord­westen van Gombrun. De gezanten worden hier twee dagen plezierig onderhouden door Mirgeladim. In één dag wordt Porcan bereikt, waar de ambassadeurs ook twee dagen blijven. Zij trekken dan verder naar een dorp van Abraham Beque en bereiken vervolgens een plaats met 1.500 inwoners, die jaarlijks 100.000 cruzados belasting betalen. Abraham Beque en Sjah Isma’il ontvangen hiervan ieder de helft. Op de zevende dag arri­veert de karavaan in Fasa, 120 mijl westnoordwest van Tarun. Het laatste dat van dit gezantschap is overgeleverd is, dat het twee léguas verder heel goed ontvangen is door de vrouw van Abraham Beque, die haar kamp heeft opgeslagen aan de oever van `een rivier met zout water’ en dat zij de gezanten, na een verblijf van enkele dagen, heeft voorzien van verse kamelen. Ook weten we dat Fernão Gomes de Lemos van zijn missie is teruggekeerd.

Het gevolg van de Portugese verovering van Ormoez en van het verschijnen van de Portugese vloot in de Perzische Golf is, dat vele heersers van eilanden in de Golf en steden aan de kust daarvan de suzereiniteit van de koning van Portugal erkennen. Mirbuzaca, een bevelhebber van Sjah Isma’il vraagt Albuquerque hulp bij de verovering van sommige eilanden en havens aan de kust. Hij biedt aan in ruil daarvoor een trouw aanhanger te zullen worden van koning Manuel. Hij zal ook schatting betalen en de Portugezen zoveel paarden en levensmiddelen leveren als zij willen ontvangen. De Portugezen maken een begin met de be­zetting van allerlei eilanden in en havens aan de Perzische Golf en maken Gombrun tot het centrum van hun handel met het Perzische binnenland.

6.7 Afonso de Albuquerque overleden.

Categorieën
Portugees kolonialisme

De betrekkingen met de buurstaten

Deel 5 Index

Hoofdstuk 6

Malabar in de jaren 1513-1514

6.5 De betrekkingen met de buurstaten

Geschreven door Arnold van Wickeren

Albuquerque ontvangt berichten uit Cambay dat Melique Az, van Diu, zich blijft verzetten tegen de bouw van een Portugees fort al­daar. Hij heeft daarop evenwel zijn zinnen gezet, omdat vanuit Diu de handel van Cambay met de Rode Zee beheerst kan wor­den. Hij heeft koning Manuel al in kennis gesteld van zijn plan in Diu een vesting te bouwen en hij heeft de vorst ook laten weten in de havensteden Danda en Chaul forten te willen bezitten. De Turken zijn via deze havens in de Deccan gepenetreerd en heb­ben in Danda een sterk fort. Voorlopig gaat het echter alleen om Diu. Albuquerque wil zijn doel bereiken door rechtstreekse onder­handelingen met sultan Mahmoed Begarha, aan wie Melique Az te gehoorzamen heeft. Daartoe zendt hij Diogo Fernandes de Béja en Diogo Teixeira als onderhandelaars naar de sultan. Zij hebben een schat aan geschenken bij zich: 20 van harnassen voorziene paarden, een gouden ketting ingelegd met emaille, een degen met een gouden greep, tien stukken zwart fluweel, groen brokaat uit Perzië en China, een vergulde waskom, zilve­ren vaatwerk en nog vele andere kostbaarheden. Om het gezant­schap extra luister bij te zetten, wordt het begeleid door een groot aantal inheemse voetknechten. Zodra de gezanten vertrokken zijn, zenden zij Pero Queimado, vergezeld van de Hindoetolk Ganapatu, naar Cambay, om voor het gezantschap met al zijn kostbaarheden een vrijgeleide van de sultan te verkrijgen.

De gezanten arriveren op 15 maart 1514 met enige vertraging in de haven van Surat. Pero Queimado blijkt daar nog niet te zijn teruggekeerd; daarom vragen de gezanten Destur Khan, de gou­verneur van Surat, toestemming hun geschenken uit te laden. Destur Khan, die reeds instructies heeft gekregen het gezant­schap goed te ontvangen, verwelkomt hen hartelijk. Hij blijkt ook al ervoor gezorgd te hebben dat zij op hun reis naar het binnen­land hun paarden kunnen verwisselen. Bovendien stelt hij de ge­zanten bagagewagens ter beschikking. Diogo Fernandes de Béja en Diogo Teixeira, die direct na hun ontscheping een bezoek aan Destur Khan hebben gebracht, zijn door hem ieder bedacht met een cabaya (zijden gewaad). Als zij op 28 maart verder reizen, wordt het gezantschap begeleid door Meacamadim, een kapitein van de koning die 30 boogschutters aanvoert. Op 4 april ontmoe­ten de twee gezanten in Champaner de al eerder genoemde invloedrijke figuur Milecopi, die hun adviseert op welke wijze zij sultan Mahmoed Begarha kunnen overhalen zijn toestemming te geven voor de bouw van een fort in Diu, hetgeen Melique Az de vorst ten sterkste ontraadt. Om te voorkomen dat de Portugezen Diu met geweld veroveren, heeft de sultan de stad zwaar laten fortificeren. Begeleid door een escorte van Milecopi, arriveren de gezanten in Ahmadabad, waar Mahmoed Begarha verblijft. Zij overhandigen de sultan de geschenken en Albuquerques brief, waarin deze aanbiedt de Portugese vloot zonodig ter beschikking van de vorst te zullen stellen. Zij vragen de sultan verlof in Diu een fort te bouwen. De volgende dag biedt Sodama Khan, de algozil van de sultan, Bakhar als vestigingsplaats van een fort aan. Diogo Fernandes slaat het aanbod af, zeggende dat de op­brengsten van een fort met douanehuis in Diu veel hoger zijn dan in Bakhar. Daar de sultan deelt in de opbrengst van de accijnzen, doet hij er wijs aan de Portugezen tot Diu toe te laten. Sodama Khan bespreekt het verzoek opnieuw met de sultan. Na drie dagen keert hij terug en zegt dat de Portugezen kunnen kiezen uit Broach, Surat, Mahim, Domus en Bakhar. Diogo Fernandes antwoordt dat hij niet bevoegd is een andere plaats dan Diu te accepteren. Een tweede audiëntie bij de vorst biedt ook geen uitkomst, omdat de sultan bang is dat de Portugezen vanuit Diu zijn handel met het Midden-Oosten zullen ruïneren. De gezanten keren onverrichter zake, met een brief en een escorte van de sul­tan, terug naar Surat, dat zij op 8 mei bereiken en waar zij de zuidwestmoesson afwachten. Op 15 september overhandigen zij Albuquerque de boodschap van Mahmoed Begarha.

In 1514 arriveert in Goa Retelim Chetim, de gouverneur van Barcelor en omgeving, als ambassadeur van de malabar. Op het gerucht van zijn nadering zendt Albuquerque de capitão van Goa, Pero Mascarenhas, met een escorte naar de gezant van de malabar, om hem naar Goa te begeleiden. De gezant wordt voor­afgegaan door Hindoes van groot aanzien. Zij zijn, onder balda­kijnen van zijde, gezeten op vier olifanten. Ieder van hen heeft een vergulde waskom, gevuld met parels, juwelen en kostbare stenen en andere kostbare geschenken voor Albuquerque bij zich. Deze ontvangt de gezant in de grote zaal van het paleis van de Adil Khan, die rijkelijk versierd is met krijgstrofeeën. Bij de ontvangst zit Albuquerque op een troon bedekt met karmozijn rood fluweel, waarboven zich een baldakijn bevindt. Hij wordt omringd door de fidalgos en andere personen van aanzien in Goa, alsmede door al zijn kapiteins. Na zijn geloofsbrieven te hebben aangeboden, overhandigt Retelim Chetim Albuquerque een brief van zijn vorst. De malabar verzoekt de Portugezen met hem ten strijde te trekken tegen de Adil Khan. De vorst roert ook de import van Arabische en Perzische paarden aan. De gou­verneur-generaal antwoordt dat hij de malabar militair wil steu­nen, op voorwaarde dat deze de soldij van de Portugese solda­ten tijdens de veldtocht betaalt. Albuquerque vraagt voor de doorvoer van paarden, die in Goa, Baticale of Barcelor arriveren, een jaarlijks bedrag van 30.000 cruzados.

Zodra de Adil Khan verneemt dat Krishna Deva Raya van Vijayanagar en de Portugezen een tegen hem gericht verbond zijn aangegaan, zendt hij een ambassadeur naar Goa, om te pleiten voor het behoud van de vrede en de import van paarden. Hij beklaagt zich erover dat de Portugezen, in strijd met het gesloten vriendschapsverdrag, Moorse schepen die de haven van Dabul aandoen, blijven plunderen. Met dit laatste heeft de Idalção gelijk. Duarte de Sousa kruist met een galei voor de haven van Dabul en plundert zelfs Moorse schepen die over een cartaz beschikken. Het Portugese optreden tegen Dabul is inge-geven door ergernis over het optreden van de Idalção. Deze tracht eenvoudige Portugese soldaten en matrozen, die in zijn handen vallen, tot desertie te bewegen. Als zij overlopen, worden zij met eerbewijzen overladen en gaan een aanzienlijk gemakke­lijker leven tegemoet dan zij hadden. Terwijl de ambassadeur van de Idalção in Goa verblijft, wacht Albuquerque op bericht uit Narsinga. Als dit uitblijft, laat hij de gezant van de Idalção op diens terugreis vergezellen door João Gonçalves de Castelo Branco. Hij moet de volgende boodschap overbrengen: de be­manning van de galei die voor Dabul kruist, bestaat uit muiters, die voor eigen rekening plunderen. Als zij worden aangepakt, zul­len zij naar de Idalção vluchten en daar een goed onthaal vinden, zoals de ervaring heeft geleerd. Voorts laat Albuquerque weten bereid te zijn paarden die in Goa arriveren aan de Idalção te verkopen als deze het vasteland rond Goa tot aan de heuvels van de Ghats overdraagt, dit om de militaire positie van Goa te versterken. De boodschap leidt ertoe dat de Idalção de in Bijapur verblijvende Portugese deserteurs laat arresteren en overdraagt aan de capitão in Goa. Afhankelijk van de omstandigheden waar­onder desertie heeft plaatsgevonden, worden de deserteurs opgehangen danwel begenadigd.

6.6 Bezetting van Ormoez; bondgenootschap met Perzië.

Categorieën
Portugees kolonialisme

Opstand in en aanval op Malacca

Deel 5 Index

Hoofdstuk 6

Malabar in de jaren 1513-1514

6.4 Opstand in en aanval op Malacca

Geschreven door Arnold van Wickeren

Begin 1514 arriveert Albuquerque uit Cochin in Goa. Hij treft daar ambassadeurs van de koningen van Pegu en Siam. Zij hebben brieven en geschenken bij zich. Uit de brieven blijkt dat de vorsten van deze landen vriendschap zoeken met de koning van Portugal en vreedzaam willen handeldrijven met Malacca. Met deze gezanten zijn ook António de Miranda en Manuel Fragoso uit Siam teruggekeerd. Koning Rama Tibodi II van Siam heeft veel belangstelling voor vuurwapenen en ontvangt gaarne militai­re steun van Portugal. Manuel Fragoso heeft ook een brief bij zich van Ruy de Brito Patalim, capitão van Malacca, die bericht over de gebeurtenissen in Malacca, na Albuquerques vertrek.

Ruy de Brito schrijft dat Pati Kedir, die Utimuti als leider van de Javanen in Malacca is opgevolgd, tegen het Portugese gezag in opstand is gekomen. Hij heeft een sterk fort gebouwd, van waar­uit hij, met een legermacht van 6.000 slaven van de weduwe van Utimuti, de stad heeft bedreigd. De laksamana heeft zijn zijde gekozen en heeft met zijn vloot getracht de aanvoer van levens­middelen te verhinderen. Een leger onder bevel van António de Pessoa heeft het fort veroverd en Pati Kedir is via de Muar naar het binnenland ontkomen. Hij is uiteindelijk naar Java gegaan, om Pate Unus, de moslimvorst van Japara om militaire hulp te vragen. In ruil waarvoor hij hem de heerschappij over Malacca heeft beloofd. Ruy de Brito heeft Fernão Peres de Andrade met zijn vloot erop uitgestuurd om de laksamana te bestrijden.

Pate Unus heeft wel oren naar het voorstel van Pati Kedir. Hij verzamelt een grote oorlogsvloot, waarvan de kern bestaat uit de grote jonken (tot 400 ton), waarin Japara gewoonlijk rijst naar Malacca uitvoert. Hierbij voegt Pate Cuçuf, de moslimheerser van Gresik zijn grote transportjonken, waarmee hij kruidnagelen, foelie en muskaatnoten van Banda en de Molukken haalt. De tot de islam bekeerde heersers van de Oost- en Middenjavaanse havensteden, die bijna zonder uitzondering afstammen van al dan niet uit Malacca afkomstige kooplieden, worden uitgenodigd hun aandeel in de opbouw van de vloot te leveren. Zelfs Demaks vazal Palembang op Sumatra ontkomt hier niet aan. Alleen het machtige en aristocratische Tuban, een vazal van Guste Pate, de Hindoevorst van Majapahit, houdt zich afzijdig. De vorst van Tuban, die stamt uit een voorname Javaanse familie, heeft welis­waar de islam aanvaard, maar hij is een weinig fanatiek moslim en de meeste inwoners van Tuban zijn nog Hindoe. Hij dankt zijn macht en rijkdom aan de heffingen op de in- en uitvoerhandel van Majapahit, die via Tuban verloopt. De vorst van Tuban wordt door de andere moslimheersers gehaat om zijn goede betrek­kingen met Majapahit en met de Portugezen. Ondanks de afzij­digheid van Tuban, dat niet over een eigen schepen, maar wel over een staand leger van 6.000 à 7.000 man beschikt, weet Pate Unus een grote strijdmacht te verzamelen. Hij arriveert in januari 1513 met Pati Kedir en met de laksamana van Malacca, die al enige tijd de aanvoer van voedsel naar Malacca heeft trachten te verhinderen, met 90 schepen en 10.000 man voor de monding van de Muar. Als de vloot voor Malacca verschijnt, zijn daar kort geleden versterkingen gearriveerd. António de Abreu is met twee schepen uit de Molukken teruggekeerd en Albuquerque heeft de kapiteins Francisco de Melo, Jorge de Brito en Martim Guedes met drie schepen, 150 soldaten en een grote hoeveel­heid oorlogstuig naar Malacca gezonden. De sterke Portugese vloot doet Pate Unus een nacht aarzelen de Muar op te varen. Fernão Peres de Andrade valt de vijandelijke vloot de volgende morgen aan en vernietigt deze vrijwel geheel. Pate Unus vlucht terug naar Java; Pati Kedir en de laksamana weten zich in het binnenland in veiligheid brengen. De nederlaag van de verenigde Javaanse vloot is compleet; Pate Unus keert met slechts drie jonken in Japara terug; Pate Cuçuf van Gresik is al zijn grote transportjonken kwijt; het opkomende Demak verliest zijn gehele vloot van 40 jonken; Palembang wordt wreed gestraft voor de hulp die het heeft geboden aan de Javaanse zaak; het verliest niet alleen zijn gehele vloot, maar ook alle leden van de adel, die bij de zeeslag zijn omgekomen. Bovendien ligt het land open voor Portugese wraakacties. Extra zuur voor de verslagen sul­tans is dat zij hun verloren gegane schepen niet meer kunnen vervangen door in Pegu gebouwde jonken. De overwinning van Fernão Peres de Andrade is wel vergeleken met de vernietiging van de oorlogsvloten van Egypte en Gujarat bij Diu in 1509. Weliswaar hebben de Portugezen na deze overwinning rond Malacca geen vloot meer te duchten, maar de stad blijft toch zeer kwetsbaar. Mahmoed Shah heeft zijn vloot in veiligheid kunnen brengen en kan daarmee de toevoer van levensmiddelen naar de stad afsnijden. Bovendien is Malacca van alle kanten omringd door vijandelijk gebied, omdat de Portugezen niet in staat zijn hun invloed over een groter gebied dan de naaste omgeving van de stad uit te breiden. Het kleine Portugal met zijn geringe bevolking mist te enen male de troepen om het in een land­oorlog op te nemen tegen de veel talrijker Aziaten.

6.5 De betrekkingen met de buurstaten.

Categorieën
Portugees kolonialisme

Problemen bij de kolonisatie; betrekkingen met Perzië

Deel 5 Index

Hoofdstuk 6

Malabar in de jaren 1513-1514

6.3 Problemen bij de kolonisatie; betrekkingen met Perzië

Geschreven door Arnold van Wickeren

Uit de brieven die Albuquerque in december 1513 aan koning Manuel schrijft, blijkt dat hij zich onvoldoende door hem gesteund weet. Hij heeft het over de valse berichten die sommige officieren in Indië aan de koning sturen. Hierin klagen zij over zijn bestuur. Manuel toont zich niet ongevoelig voor de kritiek van zijn vijan-den aan het hof en in Indië. Naar aanleiding van een brief van António Real schort de koning de uitvoering van de kolonisatie­politiek voor enige tijd op. Er zijn al zoveel brieven over deze zaak ontvangen, dat de adviseurs van Manuel het onderling niet eens zijn over de te volgen politiek. De schorsing is een grote slag voor Albuquerque, die bovendien door zijn vijanden wordt uitgebuit. Op 31 december 1513 schrijft hij Manuel: `Uwe Hoog­heids bevel de trouwerijen thans op te schorten, niet slechts in Goa, maar ook in Cochin en Cannanore. Deze zijn al een jaar opgeschort, wegens gebrek aan fondsen…’ Een jaar later, op 4 november 1514, zal Albuquerque de koning weer over deze zaak schrijven. Hij is er dan meer dan ooit van overtuigd dat koning Manuel beïnvloed is door António Real en anderen. Hij schrijft dit ook, onthult de geheime beweegredenen om zijn vertrouwen zozeer te beschamen en legt uit dat hij altijd met grote zorg vrouwen heeft uitgekozen die met zijn mannen in het huwelijk zijn getreden. Hij heeft niet toegestaan dat zij met donkere of losban­dige vrouwen uit Malabar zouden trouwen. Integendeel, hij heeft slechts `islamitische en brahmaanse vrouwen uitgezocht, die alle twee bekend staan om hun kuisheid en eerlijkheid’. Hiermee gaat Albuquerque in op de belangrijkste klacht van António Real. Real is van mening, dat Albuquerque zelf een leven leidt `slech­ter dan Mohammed zelf’ en dat de mannen en vrouwen die tot nu toe in het huwelijk zijn getreden van `de slechte soort’ zijn. Albuquerque onttrekt zich niet aan zijn verantwoordelijkheid. Hij houdt vol dat het kolonisatieplan in hoge mate tegemoet komt aan de voorstellingen van vele mannen, die bereid zijn zich in Indië te vestigen en daar te trouwen, zelfs zonder de bruidsschat en de hulp van de koning. Hij vat de toestand als volgt samen: `De reeds gehuwde mannen hebben daaraan in hoge mate goed gedaan, omdat het volk van Indië ziet dat zij van hun land houden, sinds zij daarop bomen hebben geplant, huizen hebben gebouwd, getrouwd zijn en kinderen hebben gekregen…..’ Bomen, huizen, huwelijken en kinderen: dit is inderdaad de beste garantie voor een blijvende, menselijke en betrouwbare kolonisa­tiepolitiek. De Portugezen besluiten hiermee in Indië door te gaan, zelfs tegen de adviezen van ‘s konings raadgevers in. Bij Albuquerques bevolkingspolitiek dient te worden aangetekend dat hij moeite heeft met de grote toestroom van Portugese en Castiliaanse joden. Hij vraagt koning Manuel zelfs toestemming hen te doden als zij zijn pad kruisen.

Terwijl de capitão-geral in december 1513 in Cannanore is, laat Fernão Martins Evangelo hem vanuit Diu weten dat daar een vaartuig is gearriveerd met een boodschapper van de Kadi van Caïro. Hij had geschenken bij zich voor de sultan van Cambay, voor de Adil Khan en voor al hun gouverneurs. Hen wordt gevraagd voortdurend oorlog te voeren tegen de christenen in Indië. Voorts wordt vernomen dat de sjeik van Aden alles in het werk stelt om de stad te versterken tegen een eventuele nieuwe aanval van de christenen. Tenslotte verneemt Albuquerque dat Coja Atar, de gouverneur van Ormoez is overleden. Hij schijnt voor zijn dood bij zijn koning ervoor gepleit te hebben de suzerei­niteit van sjah Isma’il Al-Safawi van Perzië te aanvaarden en tegemoet te komen aan diens wens de Portugezen op Ormoez een fort te doen bouwen. Eind 1513 tracht sjah Isma’il de relaties met zijn buurlanden te verstevigen en hun vorsten ertoe te bewe­gen de sjiitische versie van de islam te aanvaarden. Daartoe zendt hij zijn ambassadeurs naar de sultan van Cambay, naar de koning van Ormoez en naar de Adil Khan. Als deze laatste ge­zant in Dabul arriveert, reist hij door naar Cannanore, om ook zijn opwachting bij Albuquerque te maken en om hem een vrijgeleide te vragen naar Ormoez. Hij vraagt hem bovendien of hij hem een Portugese ambassadeur naar het hof van sjah Isma’il wil meege-ven. De gouverneur-generaal toont de Perzische ambassadeur de Portugese forten in Calicut en Cochin, bedenkt hem met ge-schenken, waaronder een goed gelijkend portret van hemzelf, dat hij speciaal voor dit doel heeft laten schilderen, en geeft hem Miguel Ferreira mee als ambassadeur. De twee gezanten reizen over Dabul, waar zich een gezant van de Adil Khan naar het Perzische hof bij hen voegt. Vandaar zeilen zij naar Ormoez, waar zij met veel eerbetoon worden ontvangen. In Tabriz aange-komen bewijst sjah Isma’il, die grote waarde hecht aan vriend-schap met Albuquerque, Miguel Ferreira zoveel eer, dat dit de jaloezie opwekt van de gezant van de Adil Khan. Sjah Isma’il toont veel belangstelling voor het koninkrijk Portugal en voor zijn machtige vloot in de Indische Oceaan, die de handelsvaart belet van alle schepen die niet over een cartaz beschikken. De sjah toont zich er voorstander van dat Perzië en de Portugese vloot in een gezamenlijke inspanning de `Grote Sultan’ van Egypte en het `Huis van Mecca’ vernietigen. De sjah laat Miguel Ferreira op zijn terugreis vergezellen door een Perzische gezant, die kostbare geschenken: prachtig opgetuigde paarden; zijden, met brokaat versierde, gewaden; met goud ingelegde wapens en een reeks andere kostbaarheden, met zich voert. Miguel Ferreira wordt op zijn terugweg naar Perzië op Ormoez door de koning en door gouverneur Reys Nordim (Raïs Nur ed-Din) met veel eerbetoon ontvangen. Hij is nog steeds op Ormoez als Albuquerque daar in maart 1515 zelf arriveert. Albuquerque houdt de Perzische paar­den zelf, maar verdeelt de overige geschenken over zijn kapi­teins. Als hij echter ziet hoe vorstelijk de meeste weggegeven ge­schenken zijn, koopt hij ze uit zijn eigen middelen terug, om ze door Dom Garcia aan koning Manuel te laten aanbieden.

6.4 Opstand in en aanval op Malacca.

Categorieën
Portugees kolonialisme

De handel met Malabar

Deel 5 Index

Hoofdstuk 6

Malabar in de jaren 1513-1514

6.2 De handel met Malabar

Geschreven door Arnold van Wickeren

De in Malabar aangekochte specerijen dienen betaald te worden met door de Portugezen uit Portugal aangevoerde goederen. Magalhães-Godinho heeft berekend dat voor de Portugese kroon naar Indië varende schepen tussen 1505 en 1515 handelsgoede-ren ter waarde van gemiddeld 50.000 cruzados aan boord heb-ben. Het gaat daarbij vooral om koper, maar ook om lood, koraal, kwikzilver, aluin en textiel, zoals fluweel uit Genua, scharlakenro-de stof uit Florence en Engels laken. De Portugezen moeten ech-ter ervaren dat zij een deel van de specerijen met edelen meta-len moeten betalen. Zo heeft de Casa da India in 1507 al kisten met 3.000 gouden cruzados met de Rainha Belém naar de factor in Cochin gezonden, terwijl de Nazaré in 1514, naast de hiervoor vermelde goederen, 4380 gouden cruzados en 3040 zilveren marcos, ter waarde van bijna 20.000 cruzados aan boord heeft. In Malabar is, evenals in Marokko, vooral zilver zeer begeerd. Vandaar dat de Portugezen in Brazilië en Angola desperaat op zoek gaan naar zilver. De naam `Rio da Prata’ in Zuid-Amerika drukt de begeerte naar dit edele metaal uit. Van alle specerijen die de Portugezen in Azië kopen, is peper verreweg het belang­rijkst; gember, kaneel, kruidnagelen, muskaatnoten, foelie en geneesmiddelen zijn ook van belang. Uit de door Magalhães-Godinho verzamelde cijfers blijkt dat de aangekochte hoeveelhe­den van jaar tot jaar sterk fluctueren. Uit de cijfers blijkt dat vooral de peperhandel in de loop van dertien jaar sterk is gestegen. Dit is het gevolg van een stijgende vraag, terwijl het aanbod zich daarbij gemakkelijk aanpast. De stijgende vraag naar peper, dat vooral als conserveringsmiddel wordt gebruikt en in de 16e eeuw niet als een specerij wordt gezien, hangt samen met de toene­mende vleesconsumptie in Europa in de 15e en 16e eeuw. Het aanbod kan vergroot worden, omdat eenmaal aangeplante peper geen verzorging behoeft. Het is het enige kruid dat zich leent voor massaproductie. Ondanks de sterk stijgende aanvoer van Aziatische peper in Lissabon overtreft deze niet de aanvoer van malagueta, de peper uit West-Afrika, aangeduid als paradijskor­rels. Deze soort peper is bovendien veel goedkoper. In 1506 kost malagueta 8 cruzados per quintal, tegenover 22 cruzados voor Aziatische peper. De prijs van een quintal kaneel is tezelfdertijd 33 en die van gember 19 cruzados. De toegenomen aanvoer van peper, andere specerijen en drogerijen in Lissabon heeft natuur­lijk een drukkend effect op de prijzen daarvan. Toch is de waarde van de invoer uit Malabar in 1512 achtmaal die van de goederen die daarvoor zijn afgestaan, met inbegrip van edele metalen.

Uit de beschrijving van de reizen naar Indië aan het begin van de 16e eeuw is gebleken dat de handel in Malabar niet uitsluitend een zaak is van de Portugese kroon. Al in 1499 heeft Manuel het initiatief genomen tot oprichting van een handelscompagnie. In deze compagnie, die voor een periode van vijf jaar is opgericht, kunnen ook particulieren deelnemen en het is zeer waarschijnlijk dat de reeds lang in Lissabon wonende puissant rijke Florentijnse zakenman Bartolomeu Marchione een van de particuliere deel­nemers in de compagnie is geweest. De investering van Manuel bedraagt 20.000 cruzados, waarvan de opbrengst bestemd is voor het klooster Nossa Senhora de Belém. Marchione richt in 1501 richt zelf een particuliere compagnie op. Van de vier sche­pen die dat jaar onder leiding van João da Nova Castela uitzei-len, varen er twee voor rekening van de kroon, een voor reke­ning van de compagnie, terwijl het vierde schip is bevracht door de edelman Dom Álvaro, broer van de hertog van Bragança. De artillerie, andere wapens, munitie en victualiën voor alle vier schepen zijn bekostigd door de kroon. De bemanningen van de vier schepen zijn Portugees, terwijl de officieren door de konink-lijke autoriteiten zijn benoemd, zij het dat de particuliere reders zelf hun kapiteins aanstellen. Het zijn Diogo Barbosa, een die-naar van Dom Álvaro en de Florentijn Messer Fernam Vinet. Het jaar daarop neemt Dom Álvaro met een schip deel in de vloot van Estevão da Gama. Kapitein is Dom Álvaro’s dienaar Lopo Dias. De naam van kapitein John de Bonagracia doet veronder-stellen dat ook Italiaanse kooplieden in de vloot van Estevão da Gama deelnemen. In 1503 voert de Florentijn Girolamo Sernigi het bevel over een schip. Hij is aangesteld door het Brugse han-delshuis Gualterotti en Frescobaldi. Bij hem aan boord bevindt zich de kroniekschrijver Giovanni da Empoli. Van de commercië-le vloot, die opgenomen is in de armada waarmee Francisco de Almeida in 1505 uitzeilt, behoren twee schepen aan de staat, het derde aan de Portugese kapitalist Fernando Noronha (Fernão de Loronha), terwijl drie andere schepen zijn uitgerust door een Duits consortium, waarin de handelshuizen, Fugger, Welser, Imhof en anderen deelnemen. Hun deelname bedraagt 36.000 cruzados, terwijl Marchione en andere Italianen met 29.400 cruzados in de onderneming participeren. Bij de reis van 1506 zijn betrokken: een groep Florentijnse kapitalisten, onder wie Marchione, een groep rijke Genuezen, een consortium gevormd door Welser en tenslotte de puissant rijke Portugese kapitalist Rui Mendes. Capitão-mor Tristão da Cunha schijnt een aandeel te hebben gehad in zijn schip Santo António en Job Queimado voert het bevel over zijn eigen schip. Van de vloot van maar­schalk Dom Fernando Coutinho van 1509 zijn verschillende schepen bevracht door kooplieden. Jorge Lopes Bixorda, die betrokken is bij de handel in brazielhout, en Francisco Corvinel dienen als kapitein op schepen waarvan zijzelf de reders zijn. De vloot van Diogo Mendes de Vasconcelos, die in maart 1510 op bevel van de koning uitvaart naar Malacca, is ook bevracht door particuliere reders. Hoewel kroniekschrijvers andere namen noe­men, zou Sernigi een van de kapiteins zijn geweest. Vaststaat dat Giovanni da Empoli als factor aan de tweede expeditie naar Malacca heeft deelgenomen, omdat hij daarvan verslag heeft gedaan in zijn Viaggio all’Indie Oriental. Niet alleen kooplieden participeren in de expedities naar Indië. Vasco da Gama is ge­rechtigd elk jaar voor 200 cruzados goederen in Malabar te doen ruilen tegen specerijen. Van Afonso de Albuquerque is bekend dat hij een deel van de bewapening van zijn vlaggenschip heeft bekostigd. In de vloot van Tri­stão da Cunha, die in 1506 is uitge­varen en in 1508 is teruggekeerd, hebben de volgende personen geïnvesteerd: António de Saldanha 1.000 cruzados, Francisco de Bobadilha 1.269, Dom Nuno Manuel 1.250, Rui Dias Pereira 850, Francisco Távora 370, Jorge da Silveira 300, Nossa Senhora de Belém 250, de grootmeester van de Orde van Aviz en zijn secretarissen ieder 100 cruzados.

Ten tijde van Albuquerque worden in de Estado da India sche­pen gebouwd. In Cochin loopt in 1513 de 800 ton metende Santa Maria do Monte Sinai van stapel, voor die tijd een zeer groot schip, hetgeen blijkt het volgende. De grootste schepen waarmee Cabral in 1500 is uitgevaren maten 200 à 300 ton. Voor de drie eskaders die in 1503 zijn uitgezeild zijn in diverse plaatsen sche­pen van verschillend tonnage gebouwd: in Ribeira bij Lissabon een schip van 700 en een van 500 ton; in Porto een van 450 ton; op Madeira twee schepen van 350 ton en in Setúbal een schip van 170 en een van 160 ton. Van de schepen die onder Afonso de Albuquerque dat jaar zijn uitgezeild mat de Espirito Santo 450 ton, de Santiago 300 ton, de São Cristovão 150 ton en de Catarina Dias 100 ton. De twee kraken waarmee João da Nova Castela en Vasco Gomes de Abreu in 1506 uit Cochin naar Lissabon zijn vertrokken maten elk 400 ton. Bij de vloot waarmee Jorge Pereira de Melo in 1512 is uitgevaren, bevond zich de nau da carga Santo António van 600 ton. In Albuquerques tijd zijn schepen van 500 ton ideaal, maar later zullen veel grotere naus worden gebouwd.

Albuquerque laat koning Manuel weten dat hij na de voltooiing van de forten in Calicut en Diu weer naar de Rode Zee zal gaan. Hij wil alle schepen in de haven van Suez in brand steken en daar drie Portugese schepen achterlaten, om te verhinderen dat vervangende schepen gebouwd worden. Albuquerque zegt er ook naar te streven forten te bouwen in Aden en Massawa, een eiland en haven aan de kust van Afrika, dat hij veroverd heeft. Nu Portugal in vrede leeft met alle Indische vorsten kan de gou­verneur-generaal zijn aandacht geheel richten op de handel en op de Rode Zee, omdat de handel baat heeft bij het afgrendelen van de toegang tot de Rode Zee. Hij vraagt koning Manuel dan ook grote hoeveelheden koopwaar naar Indië te zenden. Vermel­denswaard is Albuquerques verzoek opium te ontvangen. Een van de negatieve gevolgen van de aanval op Aden is namelijk het stilvallen van de aanvoer van dit artikel naar Indië. Dat is een strop, omdat opium daar zeer begeerd is. Nadat de prijs veracht­voudigd is, adviseert Albuquerque koning Manuel, in zijn brief van 1 december 1513, papavers die op de Azoren groeien ook uit te zaaien in Portugal, omdat `opium niets anders is dan het sap van de papaver’. Hij voegt hieraan toe dat hij elk jaar een scheepslading opium wil ontvangen en dat het niet om een onbelangrijke zaak gaat.

6.3 Problemen bij de kolonisatie; betrekkingen met Perzië.

Categorieën
Portugees kolonialisme

Vrede met Calicut; andere ontwikkelingen in Malabar. Malabar in de jaren 1513-1514

Deel 5 Index

Hoofdstuk 6

Malabar in de jaren 1513-1514

6.1 Vrede met Calicut; andere ontwikkelingen in Malabar

Geschreven door Arnold van Wickeren

Albuquerque zeilt rechtstreeks naar Diu. Hij wordt daar door Melique Az vriendelijk ontvangen. De vloot blijft zes dagen in Diu, waar de schepen, die vreselijk zijn aangegroeid doordat zij lang in tropische wateren in de vaart zijn geweest, worden gekrengd en opgekalefaterd. De Euxobregas blijft met handelswaar in Diu achter. Fernão Martins Evangelo wordt aangewezen als feitor en Jorge Correa als escrivão. De gouverneur zendt Ruy Galvão naar Goa en Jerónimo de Sousa naar Cannanore en Cochin, om de capitães in deze plaatsen de terugkeer van de vloot te mel­den. Albuquerque zelf zeilt met de rest van de vloot naar Chaul en treft daar Tristão de Ga. Deze is daar twee dagen eerder gearriveert, in gezelschap van een ambassadeur van Mahmoed Begarha, sultan van Cambay.

Tristão de Ga laat weten dat hij goed door Mahmoed Begarha is ontvangen. De sultan heeft hem een brief meegegeven voor Milecopi, een van de meest vooraanstaande lieden in zijn rijk. Hij geeft daarin te kennen dat hij de koning van Portugal wil dienen. Mahmoed Begarha weigert echter, op instigatie van Melique Az, aan het Portugese verzoek, zich in Diu te mogen vestigen, te vol­doen. Hij biedt als alternatief enige andere eilanden voor de kust aan. Tristão de Ga is slechts bevoegd Diu als vestigingsplaats te accepteren; hij kan dus niet ingaan op het andere aanbod. De ambassadeur van sultan Mahmoed Begarha vraagt Albuquerque namens zijn vorst of hij toestaat dat een aantal Gujarati-kooplie-den zich in Malacca vestigen. Hij wil ook een vrijgeleide voor schepen uit Cambay, die op Malacca varen. Tenslotte verzoekt de ambassadeur teruggave van de Meri, het grote schip dat Albuquerque in 1507 in de haven van Ormoez heeft buitgemaakt (zie deel IV, pag. 172). Albuquerque antwoordt dat hij Cambay nooit als een vijand behandeld heeft en dat zijn koning in vrede met Cambay wil leven; als Cambay schade heeft geleden, zoals het verlies van de Meri, dan is dat daaraan te wijten dat steun verleend is aan Portugals vijanden, zoals de sultans van Ormoez en Malacca. De Meri kan in Goa worden afgehaald, nadat het in Cochin is gerepareerd. Dit gebeurt ook. Milecopi, kennelijk een zeer invloedrijk man in Cambay, ontvangt een vriendelijke brief en een geschenk van Albuquerque, omdat hem er veel aan is gelegen een goede verstandhouding met het machtige Cambay te handhaven.

Albuquerque ontvangt bericht dat begin augustus met specerijen geladen schepen Calicut hebben verlaten. Hun bestemming is de Rode Zee. Zij hebben geprofiteerd van het opheffen van het beleg door Dom Garcia de Noronha, nadat deze zich met zijn schepen bij de vloot naar de Rode Zee had gevoegd. Zij zijn echter veel te laat in het seizoen uitgezeild. Een schip is gezon­ken bij het verlaten van de haven van Pandarane; twee andere vergaan in een zware storm in de buurt van Socotra. De rest van de schepen wordt, nadat een deel van de lading overboord is gezet, teruggedreven naar de kust van Cambay en zoekt be­schutting in de havens van dat land. Vlak bij Panane gaat weer een schip verloren. In de haven van Danda bij Chaul wordt een schip, dat 3.000 quintais peper en gember bevat, genomen; in de haven van Dabul liggen twee schepen uit Calicut. Albuquerque laat Lopo Vaz de Sampaio de haven van Dabul blokkeren, totdat de schepen zich met hun kostbare lading overgeven. In Baticale ligt ook een in Calicut geladen schip. António Raposo moet met een galjoot de haven blokkeren tot de kapitein zich overgeeft. De laatste twee schepen uit Calicut hebben beschutting gezocht in de haven van Mangalore. Fernão Gomes de Lemos vertrekt met een fusta en dezelfde orders als Sampaio en Raposo naar deze stad, waarmee alle in 1513 door Calicut uitgevoerde specerijen in Portugese handen zijn gevallen. Daarentegen weten Moorse schepen komende van Sumatra, Martaban en Bengalen zich in de Malediven schuil te houden. Hoewel Albuquerque de waarde van de in beslag genomen specerijen aan Calicuts kooplieden vergoedt, zijn velen door de gebeurtenissen geruïneerd.

Terwijl de havens van Dabul, Baticale en Mangalore door Portugese schepen geblokkeerd worden, zeilt Albuquerque door naar Goa, waar hij door de bevolking op grootse wijze wordt verwelkomd. Hem wacht nog een andere verrassing, namelijk de ambassadeur van Sjah Isma’il Al-Safawi aan het hof van de Idalção, die hem een geschenk komt aanbieden. Hieruit blijkt dat het sjiitische Perzië een goede verstandhouding nastreeft met de Portugezen, omdat het in hen mogelijk bondgenoten ziet tegen de veel talrijker soennitische moslims.

Francisco Nogueira, die tijdens de expeditie naar de Rode Zee tezamen met Gonçalo Mendes in Malabar is achtergebleven, om met de zamorin te onderhandelen over de bouw van een fort in Calicut, meldt dat niets is bereikt. De zamorin heeft als alternatief wederom Chaul voorgesteld, omdat de Moorse kooplieden in Calicut niet instemmen met de bouw van een Portugees fort. Nogueira betwijfelt of de bouw van een fort in Calicut mogelijk is, ook al zou de zamorin daarmee instemmen. Hij is van mening dat daarbij de aanwezigheid van Albuquerque, met zijn grote autoriteit, onmisbaar is om sabotage van de bouw in de vijandige stad te voorkomen. In dit verband wijst Nogueira ook op de intri­ges van Portugals bondgenoten, Cochin en Cannanore. De radja’s van deze steden spannen samen met Portugals vijanden in Calicut tegen de bouw van een fort aldaar, omdat een goede (handels)relatie van de Portugezen met de zamorin, hun eigen positie zal ondergraven. Voor Albuquerque is het verslag van Nogueira aanleiding zijn adviesraad te raadplegen. Dom Garcia en de meeste kapiteins zijn voor bouw van een fort in Calicut, desnoods met geweld. Anderen wijzen op de hoge kosten die het handhaven van een gefortificeerde factorij in een grote vijandige stad met zich brengt. Zij bepleiten voortzetting van de blokkade van de Moorse handel van Calicut met het Midden-Oosten, zonder daarbij de relatie met de zamorin te doen verslechteren. Zij pleiten ook voor handhaving van de goede betrekkingen met de radja van Cochin. Zij willen voor alles de aankoop van spe­cerijen niet in gevaar brengen en de belangrijkste uitvoerhavens daarvan zijn nu eenmaal Calicut en Cochin. Uiteindelijk valt het besluit nog een keer te trachten met de zamorin tot een vergelijk te komen. Dom Garcia vertrekt met vier eisen naar Calicut. Ver­langd wordt: een factorij annex fort, vlak bij de pier; onbeperkte leverantie van peper tegen de in Cannanore geldende prijs, alsmede de levering van gember; vergoeding van door de Portugezen geleden schade door plundering van hun handels­vaartuigen door Calicut en tenslotte een jaarlijkse bijdrage in de kosten van het Portugese garnizoen, gelijk aan de helft van wat de zamorin heft van de Moorse kooplieden in zijn haven.

Terwijl Dom Garcia naar Calicut gaat, brengt Albuquerque een bezoek aan Cochin. De radja beklaagt zich, onder overlegging van afschriften van Albuquerques briefwisseling met de zamorin, over de onderhandelingen met Calicut. Hij deelt mee dat zijn priesters hem hebben gezegd dat wat hij doet fout is. Hierop ontsteekt Albuquerque in grote woede. Hij laat de radja weten dat hij niet zijn priesters, maar de koning van Portugal dient te ge­hoorzamen. Bovendien verwijt hij de vorst, evenals de radja van Cannanore, zijn tegen hem gerichte intriges met Calicut, terwijl zij het behoud van hun onafhankelijkheid uitsluitend te danken heb­ben aan de Portugese wapenen. Zijn woede heeft weinig effect. De radja laat zich, door de Albuquerque vijandig gezinde kliek rond Lourenço Moreno en António Real, verleiden tot het schrijven van een lange brief aan koning Manuel. Hierin protes­teert hij tegen de voorgenomen vrede met Calicut. Manuel is gevoelig voor het standpunt van Albuquerques opponenten, om­dat maarschalk Dom Fernando Coutinho toch niet voor niets in Calicut gesneuveld is. Albuquerque brengt daartegen in dat Venetië streeft naar herstel van de vroegere handelsrelatie met Indië en dat Caïro vloten en troepen naar Indië zal blijven zenden, zolang Portugal en Calicut vijanden blijven. Albuquerque voert in zijn brief aan de koning nog andere argumenten aan. Calicut produceert veel gember, die eerst voor de Portugezen beschikbaar komt als de vrede is getekend. Calicut voert veel handel met Mecca, wat de Portugezen een doorn in het oog is. Deze handel kan beter bestreden worden als er vrede met dat land is dan in een oorlogssituatie.

Overigens gelooft men in Portugal dat Venetië met Egypte samenspant tegen de Portugese aanwezigheid in Indië, als dank voor de hulp die Portugal la Senerissima in 1501 tegen de Turken geboden heeft (zie deel III, pag. 222). Portugese rege­ringskringen beschuldigen Venetië ervan de `Grote Sultan’ te hebben geadviseerd een grote oorlogsvloot te bouwen en deze via de Rode Zee naar Indië te zenden. Zij beschuldigen Venetië er ook van uit Anatolië hout te hebben aangevoerd voor het bouwen van de Egyptische vloot en dat land zelfs voorzien te hebben van timmerlieden, breeuwers en kanonnengieters. Nog in 1517, als de vrede met Calicut is getekend, zal de Portugese ambassadeur in Londen zich tegenover Sebastiano Giustiniani erover beklagen dat de Signoria Egypte hulp biedt tegen de koning van Portugal.

Terwijl Albuquerque nog in Cochin is, ontvangt hij van Dom Garcia het bericht dat de zamorin blijft talmen met het geven van een definitief antwoord. Dit talmen is begrijpelijk, omdat de vorst beseft dat hij door de bouw van een Portugees fort toe te staan het `Paard-van-Troje’ binnenhaalt. De kapitein-generaal treedt dan in contact met de broer en troonopvolger van de zamorin, Nampiadiri geheten. Van hem is bekend dat hij de Portugezen welgezind is. Albuquerque stelt Nampiadiri voor zijn broer te ver­giftigen, om hem, met steun van de Portugezen, op te volgen. Als de zamorin inderdaad met vergif om het leven is gebracht, laat Nampiadiri Dom Garcia weten vrede met de koning van Portugal te willen sluiten. De nieuwe zamorin geeft ook toestemming een fort te bouwen, op welke plaats dan ook. Hij bedreigt inheemse Moren, die zich verzetten tegen de bouw van het fort, met de dood en recalcitrante buitenlandse Moren kunnen vertrekken, met medeneming van hun vrouwen, kinderen en bezittingen. Kort daarna tekent Dom Garcia een vredesverdrag met de zamorin. Albuquerque is zeer trots op het bereiken van de doorbraak met Calicut. Hij schrijft koning Manuel: `Het is zeker dat Nampiadiri de zamorin met vergif om het leven heeft gebracht, omdat ik hem in al mijn brieven gevraagd heb de zamorin met gif te doden en dat ik in een vredesverdrag met hem tot een vergelijk zal komen.’

Albuquerque geeft Tomé Fernandes opdracht direct met de bouw van het fort, dat dezelfde afmetingen krijgt als dat in Cochin, te beginnen. De fundamenten worden in de haven ge­legd. De vesting heeft twee torens aan de zeekant, waartussen een poort wordt aangebracht, om schepen tot binnen de muren door te laten. Hierdoor kunnen versterkingen worden aangevoerd zonder dat dit vanaf het land verhinderd kan worden. Aan de zeezijde wordt ook een bastion van drie verdiepingen gebouwd. Aan de landzijde zijn twee bolwerken, waartussen zich de hoofd-ingang bevindt. Zodra het werk zover gevorderd is, dat de bouwers zich kunnen verdedigen, wordt Francisco Nogueira tot capitão, Gonçalo Mendes tot feitor en João Serrão tot escrivão benoemd. Albuquerque vertrekt dan naar Cannanore. Daar aan­gekomen, vraagt hij de radja zijn Kazi te ontslaan, omdat deze op te goede voet staat met de Moren. De vorst voert bedenkingen tegen het ontslag aan. De gouverneur uit daarop een lange lijst van beschuldigingen, die aantonen dat de Kazi de Portugezen niet goed gezind is. De radja belooft een onderzoek te zullen instellen, maar Albuquerque eist het onmiddellijke ontslag van de Kazi en dreigt ermee schepen uit Cannanore voortaan geen bescherming meer te zullen bieden, als de radja niet toegeeft. De betrekkingen met Cannanore blijven na dit incident gespannen. De Kazi wordt in zijn vijandige houding tegenover de gouverneur overigens gesteund door Portugese officieren, die van oordeel zijn dat de handel in Cannanore verwaarloosd wordt en dat de factorij ten tijde van Albuquerque veel van haar betekenis heeft verloren. Duarte Barbosa bevestigt de achteruitgang van de han­del in Cannanore door koning Manuel in een brief te vragen de factorij meer handelswaar te sturen, omdat Portugese schepen die Cannanore aandoen daar nog geen drie dagen blijven en ongeladen doorvaren naar Cochin.

Albuquerque is naar Cannanore vergezeld door twee gezanten, die de zamorin naar koning Manuel zendt. Zij hebben een exem­plaar bij zich van het vredesverdrag, gedateerd Cannanore: 24 december 1513. Het verdrag is ondertekend door iedereen die wat in het koninkrijk Calicut betekent en het is verzegeld met een gouden zegel. De zamorin vraagt koning Manuel een gezant naar Calicut te zenden, om de vrede te bekrachtigen. De ambas-sadeurs van Calicut worden door Manuel met grote luister ontvangen en bij hun vertrek beloond met kostbare geschenken. Zij zijn diep getroffen door de vorstelijke pracht en gastvrijheid.

In het vredesverdrag zijn de volgende bepalingen opgenomen: de zamorin verkoopt alle specerijen en geneesmiddelen die zijn land exporteert aan de koning van Portugal, in ruil voor paarden, olifanten, koraal, zijdenstoffen, kwikzilver, vermiljoen, koper, lood, saffraan, aluin en andere goederen uit Portugal; de kopers van door de Portugezen aangeboden goederen en de specerijen ver­krijgende Portugezen betalen de zamorin de gebruikelijke belas­ting; de Portugezen ruilen alleen goederen in aanwezigheid van een toezichthouder namens de zamorin, die direct de verschul­digde belasting int; gember wordt direct betrokken van de produ­centen; voor peper wordt dezelfde prijs betaald als in Cannanore; de Portugezen verstrekken een cartaz aan alle schepen die Calicut aandoen; nairs, andere Hindoes en Moren worden niet berecht door de Portugezen, maar hun euveldaden worden ge­meld aan de zamorin, die de boosdoeners straft; Portugezen die zich tegenover een nair of een andere inwoner misdragen heb­ben, worden niet door de zamorin, maar door de capitão van het fort gestraft; de Portugezen verlenen de zamorin militaire steun, tenzij hij oorlogvoert tegen Cannanore of Cochin. De zamorin stelt de haven van Chalea, waar goedkoop teakhout in overvloed te vinden is, beschikbaar voor de bouw van Portugese schepen.

Tegen het einde van 1513 ligt de kraak Santa Maria da Serra, het vlaggenschip van de vloot waarmee Jorge de Melo Pereira 15 augustus 1512 in Goa is gearriveerd, in de haven van Goa gereed voor vertrek naar Lissabon. Het schip heeft deelgenomen aan de expeditie naar de Rode Zee en zal alleen de thuisreis aanvaarden, op welke reis één van de Maskarenen ontdekt zal worden. Aan boord bevindt zich de loods Domingos Fernandes. Hij zal de eer van de ontdekking krijgen. De Maskarenen (Ilhas Mascarenhas) zijn enige eilanden ten oosten van Madagascar. De drie grootste zijn bekend onder de namen Reunion, Mauritius en Rodrigues. De ontdekking van deze eilanden is een duistere zaak. De naam van de groep slaat op Pero Mascarenhas, een kapitein van de vloot van Dom Garcia de Noronha, die in 1512 van Moçambique naar Indië is gevaren, zonder dat van ontdek-king van eilanden sprake is. Kort na de terugkeer van de Santa Maria da Serra verschijnt op de kaarten een nieuw eiland onder een van de volgende namen: Cirne, Serra en Ilha de Domingos Fernandes. Damião Peres veronderstelt dat Serra staat voor Santa Maria da Serra, de officiële naam van een eiland dat ge­woonlijk wordt aangeduid als Cirne, overigens ook een naam van een Portugees schip uit die tijd. Op een kaart die wordt toege­schreven aan Pedro Reinel komt een ander eiland voor, onder de naam Santa Apolónia en Jorge Reinel vermeldt op zijn kaart voor het eerst de gehele groep Mascarenhas, waarvan de ont­dekking in de eerste helft van de 16e eeuw, in nevelen is gehuld.

Ofschoon het verdrag met Calicut niet lang zal standhouden, betekent het een keerpunt in de Portugese politiek ten opzichte van Malabar. Het markeert het falen en verlaten van de politiek, gericht op de verovering van Malabar van Kaap Comorin tot aan Mangalore, waarmee Francisco de Almeida is begonnen door zich te nestelen in Cochin. Hij heeft de stad zozeer in zijn macht gekregen, dat de onderdanige radja koning Manuel laat weten dat Cochin net zo Portugees is als Lissabon. In zijn brief van 11 december 1513 slaat de radja van Cochin een andere toon tegen koning Manuel aan. Hij toont zich bijzonder verongelijkt door het vredesverdrag met Calicut. Zijn voorganger heeft destijds van de Portugezen een gouden kroon ontvangen. Daarbij is hem beloofd dat de koning van Cochin de machtigste vorst van heel Malabar zou worden. Deze belofte wordt nu gebroken. In 1514 provo­ceert de radja van Cochin in Cranganore vijandelijkheden met Calicut, terwijl hij de zamorin een boodschap zendt, waarin hij laat weten dat hij de strijd begonnen is op aanraden van de Portugezen. In werkelijkheid is hij tot de aanval geïnspireerd door António Real en Lourenço Moreno, die Albuquerque een hak wil­len zetten. Dom Garcia de Noronha maakt bij zijn aankomst in Cochin volstrekt duidelijk dat de Portugezen niets met de nieuwe oorlog te maken willen hebben.

Albuquerque pleit bij koning Manuel voor het opgeven van Cannanore, dat niet eens een goede haven heeft en waar de handel van weinig betekenis is. Alle beschikbare Malabaarse peper en gember en alle edelstenen van Narsinga kunnen vanuit Calicut en Cochin worden geëxporteerd. Eind 1514 beveelt Manuel 1.500 quintais goede kaneel in Calicut te kopen en de factor in Cannanore opdracht te geven de aankopen van de daar aangeboden slechtere kwaliteit kaneel te verminderen. De radja van Cannanore is niet de enige die de dupe is van de handel van de Portugezen met Calicut; ook de koningin van Quilon ziet haar inkomsten verminderen, nadat ten tijde van Albuquerque zich in deze exporthaven van peper een ernstig incident heeft voorge­daan, dat Panikkar als volgt weergeeft. Kapitein João Homem ziet als hij in Quilon aankomt dat daar enige Moorse schepen met peper geladen worden. Hij neemt deze schepen in beslag. Zodra Homem vertrokken is, komt de bevolking, onder leiding van Bala Pillai in opstand tegen de Portugezen. Zij verwoesten de factorij en steken het bijbehorende huis in brand. Het Portugese personeel van de factorij, met inbegrip van factor António de Sá, sneuvelt in de strijd. Albuquerque die inziet dat de schuld voor het gebeurde bij de Portugezen ligt, verordonneert dat de handel met Quilon voortaan plaats heeft vanuit de factorij in Cochin. In deel IV (zie pag. 133) is, aan de hand van Danvers, melding gemaakt van een soortgelijk incident in 1505, dus nog ten tijde van Francisco de Almeida. Omdat daarbij dezelfde factor de dood vindt, lijkt het om dezelfde gebeurtenissen te gaan.

6.2 De handel met Malabar.

Categorieën
Portugees kolonialisme

De expeditie naar Aden en de Rode Zee. Albuquerque terug in Malabar

Deel 5 Index

Hoofdstuk 5

Albuquerque terug in Malabar

5.5 De expeditie naar Aden en de Rode Zee

Geschreven door Arnold van Wickeren

In januari 1513 is Albuquerque doende in Cochin een vloot te verzamelen voor een grote expeditie naar de Rode Zee. Hij zendt bericht naar Dom Garcia de Noronha, die voor Calicut kruist, de blokkade af te breken en zich met zijn schepen bij de vloot in Cochin te voegen. Als Dom Garcia 10 februari in Cochin aan­komt, meldt hij dat hij door de broer van de zamorin, die erfge­naam is van de troon van Calicut, is benaderd met de boodschap dat de zamorin vrede wil en de Portugezen toestaat een fort in Calicut te bouwen. Hij is op deze ouverture niet ingegaan en de zamorin zelf is ook op zijn aanbod teruggekomen, zeggende dat de Moren in de stad hem niet toestaan de Portugezen een fort te doen bouwen. Dom Garcia zet de blokkade voort, omdat hij vreest dat de zamorin er slechts op uit is enige met specerijen geladen schepen naar de Rode Zee te doen vertrekken. De kapi­tein-generaal, die met zijn vloot naar Goa is gezeild, zendt vervol­gens Francisco Nogueira en Gonçalo Mendes naar de zamorin. Zij hebben opdracht, binnen strikte marges, met de zamorin te blijven onderhandelen tijdens Albuquerques afwezigheid.

Nog voor Albuquerque naar de Rode Zee vertrekt stelt hij zijn ka­piteins in kennis van een aantal argumenten tegen het bezit van Goa, die koning Manuel in een recent ontvangen brief aanvoert. Albuquerque denkt dat het om een complot van António Real, Lourenço Moreno en Diogo en Gaspar Pereira gaat. De volgen­de argumenten worden aangevoerd: Goa zou een zeer onge­zond klimaat hebben; de Idalção zal niet in het verlies van zijn hoofdstad berusten, hetgeen een voortdurend kostbare oorlogs­inspanning vergt; voor het innen van belastingen op het vaste­land rond Goa zijn zoveel mensen nodig, dat de kosten de baten overtreffen; de Idalção zal bereid zijn koning Manuel elke schat­ting te betalen die gevraagd wordt, als de Portugezen hem zijn hoofdstad teruggeven. Na consultatie van zijn kapiteins weerlegt Albuquerque in een brief aan koning Manuel deze argumenten. Hij wijst Manuel erop dat hij Goa in ‘s konings opdracht heeft veroverd; dat dit Portugals prestige in Azië enorm heeft vergroot, hetgeen ertoe zal leiden dat er ook forten in Calicut en Diu zullen kunnen worden gebouwd en dat Goa vrijwel onneembaar is. Ook herhaalt de capitão-geral nog eens alle argumenten, waarmee hij de koning overtuigd heeft toestemming te geven Goa te verove­ren. Koning Manuel zal Albuquerque danken voor zijn brief die hem volkomen overtuigd heeft.

Nadat de gouverneur Pero de Albuquerque als nieuwe capitão naar Cochin heeft gezonden, legt hij half februari 1513 zijn plan­nen voor de expeditie naar de Rode Zee voor aan zijn kapiteins. Zij stemmen allen daarmee in. Op 18 februari vaart de vloot van twintig schepen uit. De capitão-mor bevindt zich aan boord van het schip van Diogo Fernandes de Béja, die zich al menigmaal heeft onderscheiden. De andere kapiteins die eerder lauweren in Indië hebben geoogst zijn: Simão de Andrade, Manuel de Lacerda, Dom João de Lima, Duarte de Melo, Dom Garcia de Noronha, Aires da Silva, Jorge da Silveira en Pero da Fonseca de Castro, als hij dezelfde is als kapitein Pero de Afonseca die heeft deelgenomen aan de definitieve verovering van Goa. Zij die zich voor de eerstemaal als bevelhebber roem kunnen vergaren zijn de kapiteins: Pero de Albuquerque, Ruy Galvão, João Gomes, kapitein van de karvelen, Fernão Gomes de Lemos, Gonçalo Pereira, António Raposo, Dom João de Sá, Lopo Vaz de Sampaio, Garcia de Sousa, Jerónimo de Sousa en Simão Velho. De vloot telt 1.700 Portugezen en 1.000 inheemse solda­ten. Bovendien zijn enige joden uit Caïro aan boord. Zij kunnen zonodig optreden als tolken. De vloot zeilt eerst naar Kaap Guardafui en vandaar naar Socotra. De schepen ankeren in de haven van Soco, waar water wordt ingenomen. De christenen ontvangen geschenken in de vorm van kleding en rijst, maar de huizen van de Moren worden platgebrand. Op Witte Donderdag, 24 maart, gaat de vloot voor anker op korte afstand van de haven van Aden, een ommuurde stad met ongeveer 50.000 inwoners. Gouverneur Mira Merjão, die onlangs van de `Grote Sultan’ 100.000 xerafins heeft ontvangen om de verdediging van de stad te versterken, laat de volgende dag vragen met welke bedoelin-gen de vloot gekomen is. De capitão-mor antwoordt dat hij naar Djedda en eventueel naar Suez of Tor zal gaan, om de vloot, die de sultan van Caïro tegen de koning van Portugal heeft uitgerust, op te zoeken. Mira Merjão biedt gevogelte, schapen, sinaasappe­len en citroenen aan en verklaart dat Aden toebehoort aan de koning van Portugal, maar weigert desondanks de poorten voor de Portugese troepen te openen. Albuquerque besluit hierop de stad in de vroege morgen van 26 maart aan te vallen. Garcia de Sousa, die zich in 1509 voor Malacca ook al heeft onderschei­den, wil de eerste zijn die voet zet op vijandelijke bodem. Hij be­loont zijn kapitein, die hem dit mogelijk maakt, met vijf português, zijnde goudstukken ter waarde van tien cruzados. Bij de landing moeten de aanvallers het laatste stuk door het water waden, Hierdoor wordt het kruit van de musketiers nat. Bovendien wor­den de naar het strand wadende soldaten vanaf de kust met kruisbogen beschoten. De aanval wordt ingezet en Dom Garcia de Noronha slaagt erin met een aantal van zijn mannen op de stadsmuur te komen en daar de vlag te plaatsen. Zij hebben gebruikgemaakt van speciaal in Cochin vervaardigde ladders, die zo breed zijn dat zes man naast elkaar naar boven kunnen klim­men. Fidalgos onder aanvoering van Albuquerque trachten aan de andere kant van de stad ook op de muur te komen. Hun lad­ders breken onder het gewicht van teveel manschappen, waar­door de aanval mislukt. Zij rennen daarna naar de andere kant van de stad, om de ladders van Dom Garcia, die zich nauwelijks op de muur kan handhaven, te benutten. Opnieuw breken de lad­ders onder het gewicht van teveel man. Hetzelfde overkomt het derde bataljon, onder leiding van João Fidalgo. Dom Garcia daalt met een aantal van zijn mannen van de muur af en dood een groot aantal Moren in de stad. Mira Merjão zelf jaagt met hon­derd man het groepje Portugezen terug naar de muur. Hierbij sneuvelt Jorge da Silveira en een aantal anderen lopen verwon­dingen op. Op een bepaald moment dringt een aantal aanvallers door een schietgat in de muur de stad binnen. Anderen volgen hen niet snel genoeg, zodat het groepje indringers langs dezelfde weg wordt teruggedreven. Omdat Albuquerque niet in staat is Dom Garcia de Noronha op de muur te hulp te komen, geeft hij de soldaten op de muur het bevel zich langs touwen van de muur te laten zakken. Garcia de Sousa weigert dit en vecht zich dood op de muur. Hij is een van de weinigen die tot het uiterste gaat. Ondanks dat Portugezen op de muur hebben weten te komen en zelfs de stad door een schietgat hebben weten binnen te dringen, is de aanval mislukt. Castanheda suggereert dat het de fidalgos heeft ontbroken aan de vaste wil Aden te veroveren, omdat zij `droomden’ over Ormoez. Als Albuquerque zijn mannen verza­melt om weer aan boord van de schepen te gaan, worden zij vanaf het eiland Sirah, een rots die ver boven de stad uitsteekt, met artillerie beschoten. Een dag nadat de troepen zich hebben ingescheept, zendt Albuquerque zijn neef Dom Garcia met een detachement naar Sirah. Het eiland, voorzien van verdedigings­werken, waaronder een toren, wordt gemakkelijk genomen. Hierbij wordt iedere Moor die niet naar de stad is gevlucht, met het zwaard gedood. Voordat de vloot wegzeilt, beschiet Dom Garcia vanaf Sirah enige tijd Aden, waarbij de stad veel schade lijdt. Bovendien worden 29 grote Moorse schepen in de haven geplunderd en daarna in brand gezet. Portugese bronnen ver­melden niet het aantal gesneuvelden van de mislukte aanval op Aden. De Arabische kroniekschrijver Tarikh al-Shihri schat het aantal gedode `Franken’ op 200; een andere Arabische bron noemt 100 gedode `ongelovigen’ en 50 gesneuvelde moslims.

Omdat Albuquerque niet over loodsen voor de Rode Zee be­schikt, acht hij het niet raadzaam met zijn gehele vloot deze on­bekende wateren binnen te varen. Hij zendt een bij Socotra buit­gemaakt schip uit Chaul vooruit. De kapitein van het schip, waar­op Albuquerque 20 Portugezen en een joodse tolk heeft ge­plaatst, krijgt opdracht bij de ingang van de Straat van Bab al-Mandab een loods aan boord te nemen. Er biedt zich een loods aan en met hem aan boord zeilt het schip uit Chaul de zeestraat binnen. Het wordt gevolgd door de gehele gepavoiseerde en vreugdeschoten afvurende vloot. Na ‘s nachts in de haven van Dhubab geankerd te hebben, zeilt de vloot naar het eiland Jebel Zuqur. Tegenover dit eiland gaan de schepen voor anker onder beschutting van het vasteland. Hier worden twee schepen uit de Afrikaanse havens Berbera en Zeila aangetroffen. Zij zijn met voorraden onderweg naar Djedda en hebben ook een aantal Abessijnse vrouwen en kinderen aan boord. Dezen zullen als sla­ven worden verkocht. Albuquerque bevrijdt deze ongelukkige in­woners van het land van Preste Joam en straft enkele Moren die niet zwemmend de kust hebben weten te bereiken, door hun handen, oren en neus af te kappen. Daarop zet hij deze onder­danen van de sjeik Mira Merjão van Aden aan land. De volgende dag worden vier grote schepen van de sultan van Carïo geladen met grote baren koper voor Indië, geplunderd en in brand gezet. Daarna vervolgt de vloot haar weg naar het eiland Kamaran.

Albuquerque heeft koning Manuel menigmaal uiteengezet wat hij in de Rode Zee wil bereiken. Hij stelt zich voor op de kust van het land van Preste Joam te landen, een smalle heuvelrug over te steken en op te rukken naar de bovenloop van de Nijl. Hij wil de loop van de rivier veranderen, zodat deze niet meer naar Egypte stroomt en dat land geruïneerd wordt. Om dit plan, dat een groot gebrek aan geografische kennis van het gebied verraadt, te kun­nen uitvoeren, heeft hij gevraagd om werklieden van Madeira. Deze hebben namelijk ervaring met het opblazen van rotsen bij de aanleg van de irrigatiekanalen voor de rietsuikerplantages op hun eiland. Albuquerque zou ook 400 ruiters in taforeas (inheem-se vaartuigen) bij de haven van Yembo (Yanbu al-Bahr) willen afzetten. Zij zouden naar Medina rijden, om de kostbaarheden en het stoffelijk overschot van de Profeet uit de tempel te roven. Deze buit zou worden teruggeven in ruil voor de overdracht van de Tempel in Jeruzalem aan de christenen.

Eind mei 1512 bereikt een koerier uit Mecca Caïro, na een reis van negen dagen op een drommedaris. Hij laat weten dat de Portugezen zich bij Kamaran bevinden, dat zij Suakin belegeren, dat de sjarif en het gehele garnizoen van Mecca naar Djedda zijn overgebracht, maar dat vrouwen en kinderen voor de verwachte aanval uit Djedda zijn geëvacueerd en dat de bevoorradingsroute naar Yemen is afgesneden. Qansuh al-Ghuri is totaal verbijsterd. Twee weken later stuurt hij 300 Mamelukken met kanonnen en vergezeld van smeden, fuseliers en boogschutters, naar Suez. Eind september worden opnieuw versterkingen naar deze stad gezonden. De sultan zou zich ook zelf naar Suez begeven heb­ben, om de voltooiing van zijn daar in aanbouw zijnde vloot te versnellen. De Portugese penetratie in de Rode Zee komt voor Qansuh al-Ghuri wel op een erg ongelukkig moment. Hij moet zich ook teweerstellen tegen sjah Is­ma’il Al-Safawi, die met een groot Perzisch leger Aleppo bedreigt. Qansuh al-Ghuri is ervan overtuigd dat de gelijktijdige Perzische en Portugese dreiging het gevolg is van een samenzwering tegen zijn dynastie, die binnen­landse steun geniet. Dit kost drie bevelhebbers het leven. De gouverneur van Damascus, die ter verantwoording naar Caïro is ontboden, redt zijn leven door het bevel te negeren.

De `Grote Sultan’ behoeft in 1512 de Portugezen niet al te zeer te vrezen. Tegenwind belet hun vloot nog verder naar het noorden te zeilen. Daardoor zijn de twee door koning Manuel zelf aange-wezen doelen, Djedda en Tor, onbereikbaar. Terwijl de vloot wacht op het draaien van de wind, wordt boven de Afrikaanse kust een brandend kruis waargenomen. Albuquerque ervaart dit als een Goddelijk teken het land van Preste Joam binnen te trek­ken. Dit plan ontmoet echter zoveel weerstand bij de bemanning, dat hij ervan moet afzien. Ongunstige winden houden de vloot tot eind juli bij Kamaran gevangen. Tijdens het verblijf daar worden veel zeelieden ziek van het ongezonde klimaat en een aantal van hen sterft. Albuquerque maakt van het oponthoud gebruik zijn schepen in optimale conditie te brengen. Bovendien zendt hij João Gomes met zijn karveel naar de Dahlak-archipel, die be­kend staat om zijn parelvisserij, en naar de Abessijnse havenstad Massawa. Hij moet inlichtingen over Djedda en Suez inwinnen en nagaan of de sjeik bereid is tot handeldrijven en in Massawa moet hij in contact zien te komen met Preste Joam. Albuquerque zeilt zelf met één schip naar de Yemenitische hoofdstad Ras Zebid. Hij verwacht in deze stad sjeik Mira Merjão te treffen. Hij wil met hem onderhandelen over de vrijlating van een aantal gevangen Portugezen. Wie zijn zij en hoe zijn zij in Aden beland?

In deel IV (pag. 207) is vermeld dat Duarte de Lemos vanaf april 1509 met zijn vloot, bestaande uit zeven schepen, waaronder een brigantijn, bij Malindi `overwintert’. Tijdens dit verblijf wordt de vloot in een pikdonkere juni-nacht door een zware storm overvallen. De schepen worden van hun ankers losgeslagen en door de wind en de stroming verzet naar de ingang van de Rode Zee. Als de brigantijn, onder bevel van kapitein Gregorio da Quadreira zich voor Aden bevindt, wordt het overmeesterd door de beman­ning van twee fustas. Alle Portugezen worden gevangengenomen en in Ras Zebid voor de sjeik gebracht. Deze laat hen onderbrengen in een drooggevallen rivierbedding, tezamen met andere buitenlandse gevange­nen. Als Albuquerque hen wil loskopen zijn nog maar vijf Portugezen in leven, onder wie kapitein Quadreira. Hij heeft zich, zijn positie realiserend, toegelegd op het goed leren van Arabisch en hij heeft zijn karige rantsoen kunnen aanvullen door voor de bevolking hoofddeksels te maken en die te ruilen voor dadels en rozijnen. Als Albuquerque in Ras Zebid arriveert, zendt hij een Moor, die hij met zijn gezin heeft gevangengenomen bij de overval op een Egyptisch schip, met een brief naar de sjeik. Albuquerque heeft de Moor beloofd hem en zijn gezin vrij te laten als hij in zijn opdracht slaagt. De man keert in gezelschap van enige soldaten van de sjeik terug en biedt 200 pardãos voor de vrijlating van zijn vrouw en kinderen, zonder ook maar met één woord over de krijgsgevangenen te reppen. Later deelt hij mede dat hij ruzie met de sjeik heeft gehad en dat zijn begeleiders hem verboden hebben over het mislukken van zijn opdracht te praten. Korte tijd hierna weet Quadreira te ontsnappen, door met een vooraanstaande Moor, die tegen de sjeik in opstand is gekomen, naar Medina te vluchten. Van daar begeeft hij zich naar Babylon, waarbij hij onderweg grote ontberingen lijdt. Hij weet de havenstad Basra te bereiken. Hier gaat hij aan boord van een terrada (een klein Indisch oorlogsschip) naar Ormoez. Daar is het gemakkelijk passage te verkrijgen naar Malabar. Uiteindelijk keert hij terug in Portugal, waar hij als minderbroeder intreedt in een kapucijnerklooster.

Eigenlijk zit alles tegen in de Rode Zee. Dat blijkt als João Gomes van de Dahlak-eilanden terugkeert. De sjeik van het eiland dat hij heeft bezocht, heeft hem laten weten dat er op zijn eiland geen handelaren, maar slechts krijslieden wonen. Voordat Albuquerque de Rode Zee verlaat, zendt hij een boodschapper over land naar koning Manuel. Het is een tot het christendom be­keerde Moor, die onopvallend door Afrika kan reizen. In de brief die hij bij zich heeft, doet Albuquerque koning Manuel verslag van zijn verrichtingen in de Rode Zee. Hij schrijft daarin: `het scheen mij toe Hoogheid dat op het gerucht van onze komst alle schepen verdwenen waren en dat zelfs de vogels het scheren over het water hadden gestaakt; zo bevangen en verlaten was de Rode Zee bij onze komst.’ Dit is geen grootspraak; 15 jaar nadat de Portugezen naar Indië zijn gekomen, hebben zij de zeemacht van de Arabieren volledig verwoest en kan Manuel zich terecht sieren met de titel: rei de Portugal e do Algarve, senhor da Guiné e da conquista, navigação e comércio de Etiópia, Arábia, Pérsia e India. Om te voorkomen dat de bood­schapper al direct argwaan wekt, wordt hij met ketenen om zijn enkels aan land gezet, zodat het lijkt of hij een van de vloot ontsnapte gevangene is. De man weet Portugal te bereiken en wordt door de koning ontvangen. Deze geeft hem een antwoord­brief voor de gouverneur-generaal mee terug.

De vloot verlaat 15 juli 1513 het eiland Kamaran en zeilt recht­streeks naar het eiland Perim, in de Straat van Bab al-Mandab, dat onbegroeid en verlaten is. Albuquerque richt er een groot houten kruis, gemaakt van een scheepsmast, op en noemt de plaats `Ilha da Vera Cruz’. Terwijl de capitão-mor met de rest van zijn vloot naar Aden zeilt, zendt hij Ruy Galvão met zijn kraak en João Gomes met zijn karveel naar Zeila. Zij moeten de plaats verkennen en de handelsmogelijkheden nagaan. In het geval de Moren hen niet met respect bejegenen, hebben zij verlof ieder schip in de haven in brand te steken. Na hun missie te hebben volbracht, moeten zij zich bij de rest van de vloot voegen. Terug voor Aden blijken daar veel schepen in de haven te liggen en het eiland Sirah is van meer fortificaties voorzien dan bij het eerste bezoek. Dom Garcia de Noronha krijgt weer opdracht Sirah te veroveren en Aden vanaf de hoogte te beschieten. Het eiland wordt snel genomen en Dom Garcia zet de `camelo’ op de toren en vuurt hiermee op de stad, waarvan veel huizen beschadigd worden. De kooplieden die met hun schepen in de haven liggen, bieden Albuquerque aan ieder gevraagd bedrag aan losgeld te betalen, mits hij hun eigendommen spaart. Zij krijgen te horen dat het Albuquerque niet om losgeld gaat, maar om de vrijlating van de christenen die de sjeik vasthoudt. Als deze wens niet wordt vervuld, zal ieder schip in de haven in brand worden gesto­ken. Als een antwoord uitblijft, besluit Albuquerque zijn dreige­ment uit te voeren. Omdat de brandstichters bij het uitvoeren van hun taak zich in het schootsveld van de vijandelijke artillerie zul­len bevinden, voelen de kapiteins niets voor de uitvoering van deze in hun ogen gevaarlijke opdracht, zonder dat daar een voor­deel tegenover staat. De capitão-mor, die geen man van loze dreigementen is, laat Fernão Afonso en Domingos Fernandes, onderofficieren op zijn schip, 100 man op de been brengen, om de opdracht uit te voeren. Begeleid door hemzelf in zijn skiff, roeien de mannen in hun sloepen naar de haven. Omdat het vrijdag-middernacht is, bieden de Moren nauwelijks tegenstand en de 30 man, die de wacht houden over de schepen, worden snel buiten gevecht gesteld. Op enige Moorse schepen wordt brand gesticht, maar het vuur slaat niet over op andere vaar­tuigen; er verbranden in totaal maar drie schepen. Als de brand­stichters, zonder dat een vijandelijk schot is gelost, zijn terugge­keerd, willen de kapiteins alsnog deelnemen aan de verwoesting van de vijandelijke handelsvloot. De capitão-mor, ziende dat de Moren inmiddels hun stellingen hebben ingenomen, weigert hier­voor toestemming te geven.

Als Ruy Gonçalves en João Gomes uit Zeila bij de vloot zijn teruggekeerd, melden zij vijandig in Zeila te zijn ontvangen. Zij hebben daarop twintig schepen in de haven in brand gestoken. Albuquerque zeilt met zijn gehele vloot op 4 augustus 1513 van Aden weg, zonder opnieuw een poging te doen de stad in te nemen. De reden waarom hij van een tweede aanval afziet, is niet bekend. Vaststaat dat een Portugees steunpunt aan of vlak bij de Rode Zee op weinig sympathie van de kapiteins en andere fidalgos kan rekenen. Het is er heet en ongezond; de aanvoer van voedsel en water lijkt problematisch en men bevindt zich overal omringd door vijandige Moren.

Het opgeven van de verovering van Aden betekent niet het opgeven van de blokkade van de Rode Zee. De blokkade is zo effectief dat de Caïreen Ibn Yias in maart 1514 in zijn dagboek schrijft, dat de haven van Djedda sedert zes jaar geen schip meer ontvangen heeft, doordat Europese piraten in de Indische Oceaan kruisen. Het zal overigens nog tot juli 1514 duren voor­dat de `Grote Sultan’ een nieuwe strijdmacht voor Indië heeft ge­vormd. In februari 1515 worden aanvullende contingenten onder de wapenen geroepen. Het vertrek van de troepen is voorzien tussen juni en augustus, maar het is uiteindelijk begin oktober als de vloot het anker licht.

6.1 Vrede met Calicut; andere ontwikkelingen in Malabar.

Categorieën
Portugees kolonialisme

Het eerste contact met Ethiopië. Albuquerque terug in Malabar

Deel 5 Index

Hoofdstuk 5

Albuquerque terug in Malabar

5.4 Het eerste contact met Ethiopië

Geschreven door Arnold van Wickeren

In november 1512 ontvangt de capitão-geral een boodschap van een in Dabul door de Moren gearresteerde Armeense christen, Mattheus geheten, die beweert een afgezant van keizerin Eleni van Abessinië naar de koning van Portugal te zijn. Albuquerque bewerkstelligt de vrijlating van deze wel heel bijzondere gezant. In Europa wordt aangenomen dat de heerser over Abessinië de legendarische priester-vorst of presbyter Johannes is, naar wiens rijk de Portugese ontdekkingsreizigers en conquistadores al bijna een eeuw op zoek zijn. Al hun pogingen om in contact te komen met Preste Joam zijn mislukt. Ook de reeds gememoreerde po­ging van João Machado en Luiz de Moura, opvarenden van de vloot van Cabral, om Ethiopië in 1500 vanuit Malindi over land te bereiken, is zonder resultaat gebleven. In april 1503 heeft koning Manuel de Spanjaard Antonio Lopes als ambassadeur naar Ethiopië gezonden. Hij heeft zich aan boord bevonden van het schip van Diogo Fernandes Pereira, dat op de heenreis naar Indië, nabij het eiland São Tomé, spoorloos is verdwenen. Tristão da Cunha heeft, op last de koning, in 1507 opnieuw enige mannen in Malindi achtergelaten, om vandaar uit in contact te komen met Preste Joam. Het zijn Fernão Gomes, João Sanchez en de Tunesiër Sid Mohammed. Het drietal wordt door de sultan van Malindi voorzien van gidsen en leeftocht, maar het binnen­land blijkt opnieuw ondoordringbaar. Zij keren terug naar Malindi en gaan vandaar naar de Portugese basis op het eiland Socotra. Zij worden in april 1508 opgepikt door een Portugees schip, dat voor Kaap Guardafui op Arabische koopvaarders jaagt. De kapitein die hen vervoert, is waarschijnlijk Francisco de Távora, die opdracht heeft in Malindi voedsel voor het garnizoen op Socotra te halen en die zich daarna bij Albuquerque dient te voegen. Tavora arriveert eind april bij Albuquerque, samen met Diogo de Melo en Martim Coelho, die hij bij Malindi heeft aangetroffen. Albuquerque, laat Tavora de drie mannen naar Filuk, bij Cabo Guardafui, brengen. Van hieruit weten zij Adel, een aan Ethiopië grenzende islamitische staat, en vervolgens het Ethiopische hof in Shoa te bereiken. Bij aankomst blijkt keizer Noad (1494-1508) juist te zijn overleden. Zijn opvolger, Lebna Dengel, is pas twaalf jaar. In zijn naam regeert de bekwam e en geliefde keizerin Eleni, een kinderloze weduwe van keizer Baeda Maryam (1468-1478). De boodschappers leggen aan de keizerin de moeilijke situatie uit waarin de Portugezen op Socotra verke­ren, namelijk gebrek aan aanvoer van voedsel en de voortdu­rende geruchten over de nadering van een Egyptische vloot.

Fernão Gomes en zijn metgezellen keren niet met een antwoord van Eleni naar het Portugese kamp terug; zij zouden (ruim) voor 1520 in Ethiopië zijn overleden. Pater Francisco Álvarez, schrijft in zijn beroemde Verdadeira informação das terras do Preste João das Indias (1540) echter dat van de door Tristão da Cunha gezonden gezanten, die hij aanduidt als Joam Gomez, de pries­ter Joane en een Moor, de Moor in 1520 nog in leven is en in het Ethiopische Manadeley woont. Dat Eleni wel oren gehad heeft naar een tegen de moslims gerichte militaire samenwerking met de machtige Portugezen, blijkt uit de voorstellen die zij, via haar ambassadeur Mattheus, aan koning Manuel doet. Nu is de idee van een kruistocht tegen de moslims in het algemeen en tegen Egypte in het bijzonder niet nieuw in Ethiopië. Keizers en gees­telijken hebben vaak protest aangetekend tegen de vervolgingen van christenen in Arabië en Egypte. Zelfs nadat de christelijke gemeenschappen tot onbeduidende aantallen gereduceerd zijn, vergeten de Ethiopiërs de wreedheden van de moslims niet. On­danks voortdurende ergernissen heeft de afstand tot Egypte en het obstakel dat de Rode Zee vormt, de Ethiopiërs van een aan­val op Egypte weerhouden. De wijdverspreide profetie, dat een kruistocht van Ethiopië tezamen met een Europese macht het einde van de islam zou betekenen, leidt tot het voorstel van Eleni tot een militair bondgenootschap. Eleni legt koning Manuel niet zozeer een militair plan voor; het is haar er meer om te doen het isolement, waarin Ethiopië verkeert, omringd als het is door vijandige islamitische staten, te doorbreken. Zodra Albuquerque de aankomst van gezant Mattheus in Dabul verneemt laat hij hem naar Goa overbrengen. Keizerin Eleni biedt koning Manuel troepen en voedselvoorraden aan om het `Huis van Mecca’ en de `Grote Sultan’ van Caïro met vereende krachten te vernietigen. De Portugezen mogen bepalen naar welke Ethiopische haven de aangeboden troepen en voorraden gezonden dienen te worden.

De Portugezen in Goa zouden zeer verheugd moeten zijn met de komst van de ambassadeur en zijn boodschap moet hen als mu­ziek in de oren klinken. Zij dromen immers al bijna een eeuw van een tegen de moslims gericht bondgenootschap met het rijk van Preste Joam. De tragiek is echter dat zij Mattheus niet geloven. Zij kunnen zich niet voorstellen dat Preste Joam een Armenier als zijn ambassadeur naar hen heeft gezonden. Zij houden hem voor een Moor en een spion van de `Grote Sultan’. Als de gezant ook nog beweert een stuk van het kruishout van Christus, afkom­stig van de gouverneur van Jeruzalem, als geschenk voor koning Manuel bij zich te hebben, houden zij hem voor een oplichter. Zij worden in hun mening gesterkt door het weinig diplomatieke optreden van de gezant, die over een opvliegend temperament beschikt. Albuquerque zelf ontvangt Mattheus hoffelijk en zendt hem dan door naar Cannanore, vanwaar spoedig een schip zal vertrekken naar Lissabon. Hij is zeer ingenomen met het vlotte vertrek van Mattheus omdat hij, na zijn boodschap vernomen te hebben, zijn plannen heeft gewijzigd en nu popelt Manuels toe­stemming te krijgen om Arabië en Egypte binnen te vallen, dit ondanks dat zijn invloedrijke vijanden in Cochin en hun mede­standers aan het hof zijn expansionistische politiek veroordelen. De kapitein van het schip waarmee Mattheus naar Portugal reist, Bernaldim Freire, behandelt hem slecht en in Moçambique wordt hij, op advies van Francisco Pereira, zelfs in de ijzers geslagen. Koning Manuel ontvangt de gezant goed en als deze zich be­klaagt over de tijdens de zeereis ondergane slechte behandeling geeft de koning opdracht Bernaldim Freire en Francisco Pereira in het Kasteel van Lissabon op te sluiten. Zij zullen eerst worden vrijgelaten als de gezant in 1515 naar zijn land terugkeert.

Dat koning Manuel met Albuquerque zeer gebrand is op een mili­tair bondgenootschap met Ethiopië en ook diens plannen steunt voor een aanval op Egypte, blijkt uit de samenstelling van het Portugese gezantschap naar het Ethiopische hof, dat op 7 april 1515 met de vloot van Lopo Soares de Albergaria naar Goa ver­trekt en vandaar zal doorreizen naar Ethiopië. Het gezantschap staat onder leiding van Dom Rodrigo de Lima. Met hem vertrekt Duarte Galvão, de eerste permanente Portugese ambassadeur in Ethiopië, die er in 1504 niet in is geslaagd paus Julius II de ernst van de Egyptische dreiging in de Indische Oceaan te doen inzien. Galvão, die een warm voorstander is van Albuquerques plan een kruistocht tegen Egypte te ondernemen, heeft een tweevoudige opdracht: hij dient een schatting te maken van de bijdrage die Ethiopië kan leveren aan een eventuele oorlog tegen Egypte en hij dient Eleni en de jonge keizer Lebna Dengel hun ketterij te doen afzweren en hun volk naar het katholicisme te lei­den. Duarte Galvão zal zijn standplaats niet bereiken; hij overlijdt onderweg op het eiland Kamaran.Tot het gezantschap behoort voorts de priester Francisco Álvarez, een eenvoudig en beminlijk man, zonder wetenschappelijke pretenties, wiens reeds genoem­de werk eeuwenlang de voornaamste bron van informatie over Ethiopië zal blijven. Met het gezantschap keert ook Eleni’s am­bassadeur Mattheus naar zijn land terug. Hij overlijdt kort na aankomst in Ethiopië, in het klooster van Bisam. Dom Rodrigo de Lima en de zijnen zetten hun tocht naar het voortdurend rondrei­zende hof van Preste Joam voort. Hun aankomst in Shoa in 1520 markeert het begin van een zeer langdurig bondgenootschap tussen Portugal en Ethiopië. Aan het zesjarige verblijf van het Portugese gezantschap in Ethiopië en aan de hartelijke Luso-Ethiopische betrekkingen die daarmee worden ingeluid, zal in volgende delen ruim aandacht zal worden geschonken.

5.5 De expeditie naar Aden en de Rode Zee.

Categorieën
Portugees kolonialisme

Het ontzet van Goa. Albuquerque terug in Malabar

Deel 5 Index

Hoofdstuk 5

Albuquerque terug in Malabar

5.3 Het ontzet van Goa

Geschreven door Arnold van Wickeren

In september 1512 beschikt Albuquerque over voldoende solda­ten en schepen om Goa te ontzetten, al verkeren lang niet alle schepen in goede conditie. Hij verlaat Cochin op 10 september met een vloot van vijftien of zestien naus. Een groot deel daarvan zendt hij, onder bevel van Dom Garcia de Noronha, rechtstreeks naar Goa. Dom Garcia dient de aanval op het fort te Benastarim, waar Rassel Khan zich met een grote strijdmacht verschanst heeft, voor te bereiden. Met de rest van de vloot zeilt de capitão-mor naar het noorden, om de verwachte vloot van de `Grote Sultan’ op te vangen. Als hij in Cannanore verneemt dat deze nog niet in aantocht is, zendt hij twee schepen terug naar Cochin en voegt zich met de overige bij Dom Garcia bij Benastarim. Dom Garcia is bezig onophoudelijk het vijandelijke fort en de andere versterkingen, die de Turken hebben aangelegd, te beschieten. De vijand beantwoordt het furieuze bombardement met gelijke munt. De Turken beschikken over een basiliks, een ouderwets, maar zeer groot kanon, dat bediend wordt door twee deserteurs; een Galiciër en een Castiliaan. Een welgemikt schot in de loop van het kanon doet het ontploffen, waarbij de twee deserteurs gedood worden. De Portugese schepen komen er ook niet zon­der kleerscheuren af. Op het schip van Aires da Silva worden enige kruitvaten getroffen. De daaropvolgende ontploffing blaast het dek, de brug en het voorkasteel van het schip weg. De bemanning, met uitzondering van de kapitein, springt in paniek overboord. De andere schepen worden doorzeefd met kogel­gaten en de zeilen zitten vol pijlen. Tijdens het bombardement dat acht dagen en nachten aanhoudt, ontdekken de Portugezen dat er een grote ossenkaravaan nadert om het Turkse garnizoen van ruim 9.000 man te bevoorraden. Aires da Silva en enige met gezellen rijden ‘s nachts te paard naar de karavaan. Zij overval-len en doden de bewakers en beroven de Turken van al hun verse voorraden. Voordat Albuquerque de algemene aanval op het fort in Benastarim gelast, brengt hij een bezoek aan Ela. Manuel de Lacerda overhandigt hem plechtig de sleutels van de citadel. Kort daarna ontvangt Albuquerque het bericht dat Rassel Khan zijn positie verlaten heeft en naar de stad oprukt. Manuel de Lacerda gaat met een afdeling ruiterij op onderzoek uit. Vanaf een heuveltop ontdekt hij het vijandelijke kamp beneden in het dal. Als Albuquerque dit verneemt, zendt hij Ruy Gonçalves en João Fidalgo met 300 infanteristen en 30 cavaleristen naar Lacerda toe. Hij moet zijn positie verdedigen, maar niet zelf in de aanval gaan. Albuquerque besluit, na krijgsraad te hebben gehouden, een uitval te doen. Drie compagnieën, geleid door Pero (de) Mascarenhas, Dom Garcia de Noronha en de capitão-mor zelf, trekken de vijand tegemoet. Bij de nadering van de Turkse strijdmacht, krijgt Pero (de) Mascarenhas opdracht zijn compagnie in een cirkel op te stellen, om de eerste aanval op te vangen. Zodra de strijd ontbrand is, valt Dom Garcia de Turken van de rechterkant in de flank aan, terwijl Albuquerque de linkerflank aanpakt. De Turken en hun inheemse bondgenoten moeten wijken. Zij trekken terug op het fort, dat zij de vorige dag verlaten hebben. De Portugese cavalerie weet een bataljon van 1.000 inwoners van Khorassam, van de vijandelijke hoofdmacht af te scheiden, waarop het afgesneden bataljon naar het fort in Gondolim vlucht. Velen verdrinken bij het oversteken van de rivier naar het vasteland. Dom Garcia de Noronha en Pero (de) Mascarenhas vallen de resterende vijanden met verdubbelde energie aan, om te voorkomen dat zij zich in het fort van Benastarim in veiligheid stellen. Een deel van de Turken weet het fort desondanks te bereiken. Vrezend dat de Portugezen al vech­tend het fort zullen binnendringen, sluiten zij de poorten voor hun achterhoede. De buitengesloten Turken trachten zwemmend het vasteland te bereiken. Voor zover ze niet verdrinken, of in de modder stikken, worden zij afgeslacht door Aires da Silva en zijn mannen, die met hun sloepen het overzwemmen te beletten. In hun overmoed trachten de Portugezen het vijandelijke fort binnen te dringen. Albuquerque beveelt deze poging te staken, omdat zijn troepen niet over artillerie beschikken en vele cavaleristen en 150 infanteristen inmiddels gewond zijn geraakt. Als iedereen zich buiten bereik van de vijandelijke artillerie bevindt, monstert Albuquerque zijn troepen. Hij besluit tot een gevechtspauze. Hij trekt zijn gehele leger in de stad terug, waar iedereen op verhaal kan komen en de gewonden kunnen worden verzorgd.

De gevechtspauze wordt ook gebruikt voor het vervaardigen van lange ladders en andere belegeringswerktuigen. Zodra deze gereed zijn, laat Albuquerque ze, onder begeleiding van kruis­boogschutters en musketiers naar Duas Arvores, een plek hal­verwege Ela en Benastarim, brengen. De volgende dag slaat het gehele Portugese leger, 3.500 man sterk, zijn kamp op bij Duas Árvores. De plek wordt versterkt met palissaden, waarachter het geschut wordt geplaatst. De artillerie blijkt het fort in Benastarim weinig schade toe te brengen en daarom wordt het geschut dichter bij de muren geplaatst. Nadat een afdeling van 400 Turken, die een uitval heeft gewaagd, met zware verliezen weer het fort zijn ingejaagd, wordt een deel van de muur min of meer in puin geschoten. Hierdoor is bestorming de volgende dag mo­gelijk. Voor het zover is, hijst Rassel Khan de witte vlag. Hij heeft een tekort aan voedsel en ammunitie. Bovendien weet hij dat ontsnappen niet mogelijk is. De meeste kapiteins willen alsnog aanvallen en Rassel Khan gevangennemen, maar Albuquerque wil hieraan geen levens opofferen. Hij laat Rassel Khan in vrede met het restant van zijn leger vertrekken, tegen overdracht van zijn wapenen, artillerie, paarden en de afvallige christenen. Tot dit laatste is Rassel Khan pas bereid nadat Albuquerque beloofd heeft hun levens te sparen. Extra zuur voor Rassel Khan is, dat er direct na zijn capitulatie een grote ontzettingsmacht met een overvloed aan levensmiddelen en ammunitie arriveert. De aan­voerder daarvan, Içufularij, maakt met zijn troepen rechtsomkeer als hij ziet dat het fort weer in Portugese handen is. Albuquerque laat het fort herstellen en versterken, legert er een garnizoen en voorziet dat van voldoende artillerie en andere wapens.

De aan de Portugezen overgedragen deserteurs, die de islam hebben aanvaard, worden voor hun verraad van God en hun koning zwaar gestraft. Zij moeten hun rechterhand, de duim van hun linkerhand, alsmede hun oren en hun neus missen. Hun voorman, Fernão Lopes wil, verminkt als hij is, niet zijn vroegere krijgsmakkers niet onder ogen komen. Hij vertrekt naar Portugal op een schip dat het onbewoonde eiland Sint Helena aandoet. Tezamen met een trouwe slaaf gaat hij daar aan land, om er de rest van zijn leven als kluizenaar te slijten. Als zijn vrienden zijn lot vernemen, zenden zij hem wortels, zaden van groenten, stek­ken van fruitbomen, pluimvee en andere vogels, varkens en gei­ten. Fernão Lopes en zijn gekleurde slaaf weten, twee eeuwen voordat Daniël Defoe zijn helden Robinson Crusoë en `Vrijdag’ schept, hun `kolonisatie’ tot een succes te maken. Als Portugese schepen later Sint Helena aandoen, vindt de bemanning daar, naast uitstekend water, verse groente en fruit, kippen, varkens en vooral geiten in overvloed. Sint Helena redt dan ook menig zee­man het leven, terwijl hij anders aan scheurbuik gestorven zou zijn. Sint Helena blijft een reddingsboei, totdat een wel erg kort­zichtige Jacob van Neck in 1599 zijn mannen al het pluim- en an­der vee laat doden en de fruitbomen laat kappen. Fernão Lopes verblijft vier jaar, maar mogelijk nog veel langer op Sint Helena.

Albuquerque, die na zijn overwinning door de bevolking van Goa is bejubeld, laat de forten in Benastarim, Panjim en Devarim, die de belangrijkste overgangen naar het vasteland bewaken, versterken. Manuel Fragoso krijgt het garnizoen in Panjim onder zijn bevel; Batião Rodriges wordt met zijn mannen gelegerd in het fort in Devarim en Pero Mascarenhas wordt benoemd tot capitão van heel Goa. Als eind oktober 1512 de noordoostmoes­son aanbreekt, kan de Indische Oceaan weer bevaren worden. Albuquerque geeft nu Garcia de Sousa opdracht met enkele schepen Dabul, de havenstad van de Idalção, te blokkeren en Dom Garcia de Noronha moet hetzelfde doen met de haven van Calicut, zolang er nog geen vergelijk met de zamorin getroffen is. Albuquerques gedachten gaan ook weer uit naar een expeditie naar de Rode Zee. Hij schrijft koning Manuel 30 oktober van drie joden uit Caïro vernomen te hebben dat de Mamelukse sultan van Egypte tracht de sjeik van Aden tot zijn vazal te maken, om dienst haven te kunnen gebruiken als uitvalsbasis voor de Egyptische vloot. Hij wil dit gevaar bezweren door nog hetzelfde seizoen en expeditie naar de Rode Zee te ondernemen. De koning antwoordt dat hij heeft vernomen dat in het vorige jaar twintig in Calicut met specerijen geladen schepen Mecca hebben bereikt. Albuquerque antwoordt zich erover te verbazen dat de koning geloof schenkt aan zulke lasterpraat; alle handelsschepen uit Calicut zijn onderschept en het bezit van Malacca betekent ook het einde van de Moorse handel tussen deze stad en Mecca.

De zegen behaald op de Idalção inspireert Indische vorsten tot het zenden van een gezant naar Goa. Een afgezant van de Idalção arriveert met vredesvoorstellen, die niet in alle opzichten aanvaardbaar zijn. Diogo Fernandes begeleidt de gezant op de terugweg met tegenvoorstellen. Garcia de Sousa krijgt bevel de blokkade van Dabul af te breken, nu er onderhandelingen gaan-de zijn. Er arriveert ook een gezant van Mahmoed Begarha, sul­tan van Cambay. Hij wil met de Portugezen een verdrag sluiten. Albuquerque zendt hem terug, vergezeld van Tristão de Ga. De laatste heeft geschenken bij zich voor de sultan van Cambay. Hij moet ook de wens van Albuquerque een fort in Diu te mogen bouwen, overbrengen en hij moet de sultan vragen kooplieden naar Goa te zenden en hen de andere Indische havens te doen mijden. Tenslotte moet hij de vorst vragen geen Egyptenaren en Turken in zijn havens toe te laten, omdat zij gezworen vijanden zijn van de koning van Portugal. Voor zijn vertrek worden de ge­zant uit Cambay de sterke vestingwerken in Goa en Benastarim, de volle paardenstallen en de overvloed aan artillerie en vele an­dere wapens getoond. De gezant wordt bovendien vergast op een demonstratie door Portugese kruisboogschutters en muske­tiers. Hij dient zijn vorst te zeggen er niet teveel op te vertrouwen dat de verdedigingswerken van Diu bestand zijn tegen de wape­nen van de Portugezen. Ook de malabar van Narsinga zendt een gezant met geschenken naar Albuquerque, Deze stuurt op zijn beurt Gaspar Chanoca naar Narsinga, om de malabar verslag uit te brengen van de zegen behaald in Benastarim. Chanoca moet de malabar ook vragen of de Portugezen in Baticale een fort mo­gen bouwen. In ruil hiervoor belooft Albuquerque alle paarden die Goa invoert te verkopen aan Narsinga en niet aan de Idalção. De malabar laat Albuquerque 60 draperieën en 25 zadels voor paar­den bezorgen. De vorst wenst ook in het bezit gesteld te worden van de gebieden rond Goa, waarvoor hij huur wil betalen, en hij wenst met spoed 300 paarden te ontvangen. Albuquerque, die natuurlijk geen gebied aan Narsinga kan overdragen, maar er op gebrand is hartelijke betrekkingen met de malabar te onder­houden, ontvangt de ambassadeur zeer voorkomend. Hij zegt hem dat zijn vorst de verlangde 300 paarden zal ontvangen voor een door hemzelf te bepalen prijs. De gezant vertrekt met deze boodschap en met kostbare geschenken voor de zijn vorst.

Ondanks dat Albuquerques kolonisatiepolitiek door zijn tegen­standers gekritiseerd wordt, neemt zijn geestdrift daarvoor niet af. Op 1 april 1512 heeft hij koning Manuel geschreven: `Komen we nu te spreken over de mensen die Uwe Hoogheid hier gaarne zou zien trouwen, wat mij een grote dienst aan God en aan Uwe Hoogheid lijkt. Er zijn in Goa zo velen die gaan trouwen, dat Uwe Hoogheid, als u dat zou zien, u zich erover zoudt verbazen. Ik zou zweren dat het Onze Heer zelf is die hierin beschikt en, om ons verborgen reden, het hart van de mannen naar het huwelijk leidt.’ António Real laat koning Manuel in een brief gedateerd: Cochin, 15 december 1512 echter weten: `Uwe Hoogheid zou zich moeten schamen voor alles wat hier gebeurt, omdat we soms denken dat u hem (Albuquerque) opdracht hebt gegeven alles te doen wat hij doet… Gelooft u mij, de gehuwde mannen is niet het soort dat Uwe Hoogheid getrouwd zoudt willen zien. Het zijn lieden van nederige geboorte, die getrouwd zijn met hun sla­vinnen, om het voordeel van de bruidsschat te verkrijgen, die door Uwe Hoogheid is toegekend’.

Er staan dus twee meningen over de kolonisatiepolitiek tegen­over elkaar. Albuquerque verdedigt de legitieme verbintenissen van zijn manschappen, die bereid zijn zich in Indië te vestigen. António Real daarentegen durft niet de huwelijkspolitiek zelf aan te vallen, omdat hij weet dat deze de zegen van de koning heeft, maar hij wil slechts fidalgos in het huwelijk zien treden. Hij wil door de vingers zien dat mannen met hun slavin leven en is voor­al zeer boos en beledigd als Albuquerque twee aantrekkelijke slavinnen van hem wegneemt, om hen aan Portugezen in Goa uit te huwelijken.

5.4 Het eerste contact met Ethiopië.

Categorieën
Portugees kolonialisme

De Egyptisch-Turkse dreiging

Deel 5 Index

Hoofdstuk 5

Albuquerque terug in Malabar

5.2 De Egyptisch-Turkse dreiging

Geschreven door Arnold van Wickeren

In augustus ontvangt Albuquerque aanzienlijke versterkingen uit Portugal. Op 20 augustus 1512 arriveert zijn neef Dom Garcia de Noronha met zes schepen. Hij wordt gevolgd door Jorge de Melo Pereira met acht schepen en een aanzienlijke troepenmacht. Hij brengt ook Gaspar Correia naar Indië, die secretaris van Albuquerque en kroniekschrijver zal worden. Zijn Lendas da India bevat 53 jaren geschiedenis van de Estado da India. De periode voorafgaande aan zijn komst naar Indië heeft Correia ontleend aan het dagboek van de priester Joam Figueira, die al met Vasco da Gama naar Indië is gekomen. De aankomst van de verster­kingen valt ongeveer samen met de ontvangst van een brief van Diogo Correa, capitão in Cannanore. Hij schrijft dat kooplieden hem hebben laten weten dat in Suez een grote vloot wordt uitgerust, om de Idalção te hulp te komen. Geruchten over een ophanden zijnde aanval van een sterke Moorse vloot duiken als­maar op. Zij vormen een van de grootste kwalen in Portugees Indië, omdat zij paniek veroorzaken onder de Hindoebevolking en onder de Portugezen, van wie velen deserteren. Zijj worden daarom vaak door moslimhandelaren verspreid.

De geruchten zijn niet volstrekt uit de lucht gegrepen. Nadat de Egyptische vloot in januari 1509 bij Diu is vernietigd (zie deel IV, pag. 193) zendt de `Grote Sultan’ van Caïro een aantal schepen, onder bevel van Muhammad Bey naar de Osmaanse haven Ayas. Zij moeten terugkeren met hout voor het bouwen van een nieuwe oorlogsvloot. De met hout geladen Egyptische schepen worden op de terugweg door Europese piraten belaagd, maar zij weten de aanval af te slaan en keren met hun kostbare lading terug in Egypte. Uit het vervolg van de gebeurtenissen kan wor­den afgeleid dat de piraten mogelijk vermomde Maltezer ridders van Rhodos zijn geweest. In juni 1510 zendt sultan Qansuh al-Ghuri opnieuw een vloot met hetzelfde doel, onder dezelfde bevelhebber, naar dezelfde haven. Als deze vloot, geladen met scheepstimmerhout, zeildoek, kabels, Turkse bogen en pijlen, de haven van Ayas verlaat, wordt zij overvallen door een eskader uit Rhodos. Dit eskader, bestaande uit zes schepen en vier galeien, staat onder bevel van de Portugese broeder André do Amaral. De Ridders van Malta begrijpen dat de Egyptische schepen tegen de christenheid gerichte materialen en uitrusting hebben geladen en zij hebben, mogelijk op instigatie van de Portugese leden, besloten het gevaar in de kiem te smoren. Ondanks dat de Egyptenaren zich duchtig weren, wordt hun vloot van 28 schepen op 23 augustus 1510 door de Ridders veroverd,. Hierbij vinden veel moslimsoldaten de dood.

Als het slechte nieuws Caïro heeft bereikt, is de consternatie daar groot. De sultan beveelt de arrestatie van de christelijke religieuzen en kooplieden in heel het rijk. Op hun bezittingen wordt beslag gelegd en er wordt hen bevolen van de Ridders van Malta teruggave van de buit te eisen. De Mamelukse sultan dreigt anders de Heilige Plaatsen te verwoesten, de daar levende monniken gevangen te nemen en hun bezittingen te confisque­ren. Hij roept ook de hulp in van de Porte en zendt Yumus Adili met een vloot naar het Ottomaanse rijk, om hout, ijzer en kruit te kopen. De vloot keert in januari 1511 uit Klein-Azië terug met 300 geweren, 30­000 pijlen, 40 vaten uitstekend kruit, 2.000 houten roeispanen, koper, wagens, kabels, touwen, ijzeren ankers en ander takelwerk. `De Porte heeft niets in betaling willen aanne­men.’ In 1512 wordt Hamid Maghribi met een opdracht naar Constantinopel gezonden. Sultan Selim I (1512-1520), die de politiek van zijn voorganger Bayezid II (1481-1512) volgt, stemt toe in het laden van `talrijke schepen met bronzen kanonnen, ijzer, hout, kabels en andere benodigdheden’. De vloot keert in december 1512 in Egypte terug. In dezelfde maand moet emir al-Husami Husain al-Kurdi (Mir Hocem), die in 1508 bij Chaul een overwinning op de Portugese vloot heeft behaald, maar in 1509 bij Diu is verslagen, zich verantwoorden voor zijn afwezigheid van zeven jaar. Mir Hocem kan slechts wijzen op de fortificatie van Djedda, waar zijn despotisch optreden overigens tot algeme­ne ontevredenheid heeft geleid, en op een vage afspraak met de sultan van Gujarat en met andere moslimvorsten in Indië. Deze bescheiden resultaten weerhouden Qansuh al-Ghuri er niet van opnieuw een vloot voor een expeditie naar de Indische Oceaan uit te rusten en de hand te leggen op de havens aan de Straat van Bab al-Mandab, Aden inbegrepen, deze te fortificeren en tot uitvalsbases van zijn vloot te transformeren. Het nieuws van deze oorlogsvoorbereidingen verneemt Albuquerque van Joodse kooplieden uit Caïro, die Goa bezoeken. Als Albuquerque in 1513 de Rode Zee zal binnenvaren, verwacht hij niet zonder reden de Egyptische vloot daar aan te treffen.

5.3 Het ontzet van Goa.

Categorieën
Portugees kolonialisme

Albuquerques schipbreuk; problemen in Malabar

Deel 5 Index

Hoofdstuk 5

Albuquerque terug in Malabar

5.1 Albuquerques schipbreuk; problemen in Malabar

Geschreven door Arnold van Wickeren

In december 1511 vertrekt Albuquerque met drie schepen en 100 Portugezen uit Malacca naar Malabar. De capitão-mor bevindt zich op zijn beroemde vlaggenschip, de Flor de la Mar, dat al diverse malen de reis van Portugal naar Indië en vice versa heeft gemaakt. Pero de Alpoym is kapitein van het tweede schip, de Trinidade. Het derde vaartuig is een jonk, waarop zich, naast enige Portugezen, veel Javanen, onder wie zestig geschoolde scheepsbouwers, bevinden. De Aziatische vrouwen en meisjes voor koningin Maria reizen met de Flor de la Mar. Onder de persoonlijke hoede van de capitão-mor reist ook een aantal jon­gelingen. Zij stammen uit de meest vooraanstaande families uit streken ten oosten van Kaap Comorin. Het eskader neemt begin 1512 een schip uit Gujarat, dat in Sumatra specerijen en genees­middelen heeft geladen. Giovanni da Empoli weet in zijn Viaggio all’Indie Oriental te melden dat de lading van het buitgemaakte schip in Cochin 30.000 cruzados opbrengt. De Flor de la Mar loopt ’s nachts, door onoplettendheid van de loods, op een klip in de Straat van Malacca, ter hoogte van het Ilha de Polvereira voor de kust van Sumatra. Het oude schip breekt direct in twee stuk­ken. Als de opvarenden van de Trinidade de angstkreten van hen die te water raken horen, begrijpen zij dat zich een ramp heeft voltrokken. Pero Alpoym laat ondanks de hoge zeeën het anker uitwerpen. Overgeleverd aan de elementen en aan de genade van de ankerkabel wacht hij tot het ochtendgloren. Als Albuquerque in zee terecht komt, neemt hij een van de jonge meisjes, de dochter van een slavin in Malacca, in zijn armen.

Hij laat twee matrozen, die met hem tussen de brokstukken van de Flor de la Mar in het water zijn beland, van planken en balken een vlot maken, dat met touwen bijeengehouden wordt. Het vier­tal brengt zich daarop in veiligheid. Voortbewogen met behulp van provisorische roeispanen blijft de capitão-mor, onder protest van de schepelingen, nog een tijd in de buurt van de wrakstuk­ken om te zien of hij nog meer schipbreukelingen kan redden. Daarna wordt naar de Trinidade geroeid. De rest van de be­man­ning van de Flor de la Mar heeft eveneens een vlot weten te maken, waarmee ook zij de Trinidade weten te bereiken. Uit het feit dat de bemanning van de Flor de la Mar de schipbreuk over­leeft, maar de Aziatische vrouwen en kinderen, afgezien van dat ene meisje dat Albuquerque zelf heeft weten te redden, omkomt, moet worden afgeleid dat het scheepsvolk alleen hun maats gered heeft en de `heidenen’ aan de golven heeft prijsgegeven. De schipbreukelingen worden met veel moeite, in aan touwen bevestigde manden, aan boord gehesen van de Trinidade. De Javanen aan boord van de jonk maken gebruik van de verwar­ring om de Portugese opvarenden te doden. Zij zeilen naar Pacém, waar zij door de rebellerende gouverneur goed worden ontvangen. Door de schipbreuk en het verlies van de jonk zijn bijna alle in Malacca verworven kostbaarheden verloren gegaan. In de golven zijn verdwenen: de kostbare versierselen waarmee olifanten bij bijzondere gelegenheden worden opgesmukt; met goud afgezette palankijnen, voor Albuquerques persoonlijke ge­bruik; een tafel waarvan de poten met goud zijn bedekt, die de malabar aan koning Manuel geschonken heeft bij de overdracht van door de Portugezen veroverd gebied bij Goa; grote hoeveel­heden juwelen en edelstenen, zes metalen leeuwen voor de graf­tombe van Albuquerque, die gestolen zijn van de graven van koningen van Malacca en tenslotte alle uitrusting. Slechts de gouden kroon, het gouden zwaard en de ring met een robijn, die de koning van Siam aan koning Manuel geschonken heeft, zijn behouden gebleven. Albuquerque zet met de Trinidade zijn reis naar Malabar voort. Aan boord is een groot tekort aan voedsel en water. De voorraden worden aangevuld door onderweg naar Cochin twee Moorse schepen te veroveren en te plunderen.

In de loop van februari 1512 komt de gouverneur-generaal aan in Cochin. De haven is sinds het vertrek van onderkoning Almeida verwaarloosd en het land verkeert in staat van burgeroorlog. Deze is het gevolg is van het overlijden van Unni Rama Varmah (Trimumpara), de radja die de Portugezen destijds verwelkomd heeft, maar die eind 1505 zijn overleden oudste broer is opge­volgd als Perumpatappu Muppil, een geestelijk ambt dat traditio­neel wordt bekleed door de oudste broer van de radja van Cochin. Nu de Muppil overleden is, dient de huidige radja, die van Vasco da Gama een door koning Manuel geschonken gou­den kroon heeft ontvangen, zijn plaats in te nemen, waardoor de troon van Cochin vacant komt. De Portugezen, die destijds de huidige radja de troon hebben doen bestijgen om zijn volgzaam­heid, voelen niets voor een troonswisseling. Manuel de Lacerda, capitão van Cochin, zet de radja onder druk zijn troon niet op te geven. Vrezend dat hij zal bezwijken onder de pressie van zijn familie wordt de radja praktisch onder Portugese bewaking huis­arrest opgelegd. Als Lacerda stelt dat de radja niet kan aftreden zonder toestemming van de gouverneur-generaal geraakt het land in rep en roer. De zamorin van Calicut kiest partij voor de familieleden van de radja en de bevolking, die niet met de traditie willen breken. Albuquerque strijdt enige tijd tegen de troepen van de zamorin, die het Portugese steunpunt Cranganore, ten noor­den van Cochin, aanvallen. Daarbij verwoest de zamorin de Syrische kerk in deze plaats, want hij ziet de Syrische christenen als bondgenoten van de Portugezen. Omdat andere dringender zaken Albuquerques aandacht vragen, staakt hij zijn operaties tegen de zamorin.

Naast de verwaarlozing van de haven, de politieke verwarring, de burgeroorlog en de inmenging van de zamorin daarin is er nog veel meer tijdens Albuquerques verblijf in Malacca en Cochin misgegaan. De belangrijkste schepen van de vloot zijn opgelegd. Met de blokkade van Calicut is danig de hand gelicht en er zijn zes schepen naar Portugal teruggezonden, zij het geladen met specerijen. Niet alleen de vloot is verzwakt, er zijn ook veel leden van het garnizoen op eigen initiatief naar andere garnizoenen overgestapt of gedeserteerd. Ook onder de leidende Portugezen in Cochin is de discipline ver te zoeken. Velen waren destijds niet gelukkig met de opvolging van Almeida door Albuquerque. Hun antipathie tegen de nieuwe capitão-geral is verder toegenomen toen hij Goa tot hoofdstad van de Estado da India verkoos, waar­door Cochin en daarmee hun eigen positie van minder bete­kenis werden. Een nog niet eerder genoemde overweging van de gouverneur om aan Goa de voorkeur te geven boven Cochin, is geweest dat hij niet wil dat de Portugezen bij de interne politieke verwikkelingen en de hofintriges van Cochin betrokken worden, zoals thans weer het geval is. Albuquerque neemt direct enige maatregelen om de veiligheid van de Portugezen in Cochin te verbeteren. Omdat het fort weinig beschutting biedt aan voor anker liggende schepen, laat hij bij de ankerplaats een borstwe­ring aanleggen. Deze sluit aan op de muur rond het fort. Hij laat ook verbeteringen aanbrengen om het fort beter tegen aanvallen vanaf het land te kunnen verdedigen. Ook moeten alle niet-chris­tenen die tussen het fort en de stad wonen, verhuizen, omdat sommigen van hen contacten onderhouden met heidenen en Moren, die in slaven handelen die hun meesters bestelen en met de buit ontvluchten.

Fidalgos in Cochin, als Diogo Pereira, maar vooral Lourenço Moreno en António Real, feitor en alcaide-mor in deze stad, zijn fervente tegenstanders van de capitão-geral. Al in de meermalen genoemde brief van 10 oktober 1510 heeft Albuquerque zich bij koning Manuel over hen beklaagd. Hij heeft gepleit voor een onderzoek naar de boekhouding van de factorij, omdat zij vooral hun eigen zakken spekken. Zoals al eerder vermeldt heeft het tweetal zich gekeerd tegen Albuquerques kolonisatiepolitiek. Zij hebben gebruikgemaakt van het voorrecht dat fidalgos hebben rechtstreeks brieven aan koning Manuel te schrijven. Gewoonlijk meten de briefschrijvers in zulke brieven de eigen voortreffelijk­heden breed uit, terwijl zij hun medeofficieren zwartmaken. In dit geval is dat niet anders. De eigen afwijkende visie in verschillen-de zaken wordt naar voren gebracht, terwijl het handelen en na-laten van Albuquerque aan de kaak wordt gesteld. Ongelukkiger-wijze hebben zij en dan vooral António Real, het oor van de koning. De vorst is gevoelig voor hun kritiek, omdat zij zijn opvat­ting delen dat Calicut met militair geweld onderworpen dient te worden. Albuquerque is echter van oordeel is dat hij over ten minste tweemaal zoveel oorlogsschepen en manschappen zou moeten kunnen beschikken als hij heeft, niet alleen om een open oorlog van Calicut te kunnen winnen, maar vooral om het daarna constant onder de duim te kunnen houden. Albuquerque heeft weinig vat op zijn opponenten. Omdat deze zich gesteund voelen door de koning, negeren zij zijn bevelen. Zij veroorloven zich ook voor eigen rekening zaken te doen met de Moren. Veel fidalgos die dit gedrag afkeuren, zijn gedwongen Cochin te verlaten, zonder dat zij een beroep hebben kunnen doen op Albuquerque, die in Malacca is. Een van hen, Simão Rangel, een man aan wiens bezonnen oordeel in belangrijke kwesties Albuquerque veel waarde hecht. Zij hebben hem in een klein vaartuig, naar Goa doen vertrekken. Het scheepje, een catur, is onderweg door enige parãos uit Calicut genomen. Het zijn overigens niet alleen leidende figuren in Cochin op wier handel en wandel veel valt aan te merken. Een berucht geval van zelfverrijking doet zich ook voor in Goa, waar een pater dominicaan zwaar zieken be­hulpzaam is bij het opmaken van hun testament, waarin hij zichzelf als erfgenaam aanwijst. Nadat gedurende lange tijd Cochin geen nieuws had bereikt over de verrichtingen van de vloot die naar Malacca was uitgezeild, hebben António Real en Lourenço Moreno het gerucht in omloop gebracht dat de gehele vloot is vergaan en dat de gouverneur daarbij is omgekomen. Het gevolg daarvan is dat de Moren in Cochin tegen de Portugezen gaan samenspannen. Nadat Albuquerque in februari 1512 be­houden in Cochin is teruggekeerd, een gebeurtenis die gevierd is met een plechtige dankmis, zijn deze intriges direct gestaakt.

Albuquerques langdurige afwezigheid en vooral het gerucht dat hij zou zijn overleden, hebben de Idalção geïnspireerd tot een poging Goa te heroveren. Hij heeft zijn aanvoerder Pulad Khan met een strijdmacht, bestaande uit infanteristen en cavaleristen, naar Goa gezonden. Palud Khan moet trachten Timoja gevangen te nemen en hij moet de Hindoe-bestuurder Milr Rao, die belast is met het innen van belasting in de districten op het vasteland, verdrijven. Milr Rao brengt 4.000 inheemsen op de been en beschikt over 50 ruiters. Hij laat een bergpas, die de vijand zal moeten passeren, bewaken door Hicarrhau. Pulad Khan, die de pas al in handen heeft als Hicarrhau daar arriveert, verslaat diens troepen, waarbij Hicarrhau en velen van zijn mannen worden gedood. Vervolgens overvalt Pulad Khan het legerkamp van Milr Rao. Deze vlucht naar Vijayanagar, waar hij goed door koning Krishna Deva Raya ontvangen wordt. Vandaar begeeft Milr Rao zich naar Onor. Als hij verneemt dat zijn broer, die zich van dit koninkrijk heeft meestergemaakt, overleden is, volgt hij hem op. Milr Rao zal de Portugezen blijven steunen. Kort na zijn vlucht overlijdt Timoja. Pulad Khan steekt, zonder nadere instructies van de Idalção af te wachten, zijn kamp op in Benastarim, waar­van capitão Rodrigo Rabello de Castelo Branco, de verdediging, verwaarloosd heeft, ondanks dat Albuquerque, hem voor zijn ver­trekt, bevolen heeft de plaats te versterken. Rodrigo Rabello zeilt met dertig cavaleristen naar Benastarim. Hij wordt gesteund door de algozil van Cannanore, die 400 nairs aanvoert. De kleine le­germacht doodt 1.500 Turkse en inheemse soldaten. Als Rodrigo Rabello, tezamen met Manuel da Cunha en enkele andere rui­ters de vluchtende vijand achtervolgt, valt hij in een hinderlaag en beide fidalgos worden gedood. De Portugezen zijn ontmoedigd door het sneuvelen van hun aanvoerder en trekken terug naar de hoofdstad Ela. Pulad Khan neemt zijn positie in Benastarim weer in, waar hij zich opmaakt Goa te belegeren.

Rodrigo Rabello’s natuurlijke opvolger als capitão van het fort is Francisco Pantoja. Omdat Pantoja weinig populair is, besluiten de fidalgos in Goa zelf een nieuwe aanvoerder te kiezen. Hun keuze valt op Diogo Mendes de Vasconcelos, die door de gou­verneur wegens insubordinatie is gevangengezet. Diogo Mendes wordt bevrijd en aanvaardt zijn ambt. Hij roept de hulp in van Manuel de Lacerda, de capitão van Cochin, die met een vloot de haven van Calicut blokkeert. Als Lacerda met zijn vloot bij Goa aankomt, is dat in rep en roer als gevolg van de nadering van Rassel Khan, de belangrijkste legeraanvoerder van de Idalção. Hij voert een enorme legermacht aan en beschikt over veel artil­lerie. Om een langdurige belegering te kunnen doorstaan, wor­den de fortificaties van Goa met grote spoed versterkt en de voorraden voedsel worden aangevuld met wat Lacerda heeft aangevoerd. Op dit kritieke moment keert Diogo Fernandes de Béja met zijn drie schepen uit Ormoez terug, hetgeen opnieuw versterking van de verdediging van Goa betekent.

Pulad Khan is zeer verontwaardigd dat de Adil Khan een hogere aanvoerder met het beleg van Goa heeft belast en omdat hij ook nog een hekel heeft aan Rassel Khan weigert hij zijn bevelen te gehoorzamen. Rassel Khan, die er niet zeker van is dat hij Pulad Khan kan dwingen, gaat hij naar de Portugezen en vraagt hen hem te helpen tegen Pulad Khan. Hij laat zich bij zijn bezoek vergezellen door de overloper João Machado en vijftien andere Portugezen. De meesten van hen zijn leden van Fernão Jaco’s schip de Santa Cruz, dat komende uit Socotra voor de kust van Gujarat schipbreuk heeft geleden. Onder hen bevindt zich ook Duarte Tavares, voorheen schildknaap aan het hof te Abrantes. Hij is op het eiland Choram door de Turken gevangengenomen. Rassel Khan zendt Duarte Tavares met een brief naar Diogo Mendes. Hierin laat de bevelhebber weten dat de Adil Khan vrede wenst met de Portugezen en hij vraagt de capitão samen met hem het verzet van Pulad Khan in het versterkte Benastarim te breken. Ofschoon Diogo Mendes er beter aan zou hebben gedaan de opstandige Pulad Khan tegen de sterkere Rassel Khan te verdedigen, zendt hij Diogo Fernandes de Béja met 200 man de rivier op naar Benastarim. Fernandes drijft Pulad Khan, tezamen met de troepen van Rassel Khan, zo in het nauw, dat Pulad Khan naar het vasteland vlucht en daar vergif inneemt. Nadat Rassel Khan zich op zijn beurt in Benastarim verschanst heeft, vraagt hij Diogo Mendes ijskoud of deze de Adil Khan tot Goa wil toelaten, omdat Goa nu eenmaal de hoofdstad van Bijapur is. Diogo Mendes weigert dit uiteraard en betreurt diep dat hij de verkeerde partij gekozen heeft. Rassel Khan slaat met 7.000 man het beleg voor Goa, dat verdedigd wordt door niet meer dan 1.200 soldaten. Als de verdedigers na enige tijd door honger worden gekweld, lopen verschillende Portugezen over naar de vijand. João Machado, die kennelijk spijt heeft van zijn desertie, kiest daarentegen nu de zijde van zijn landgenoten; hij arriveert in Goa tezamen met twaalf andere christenen. Als de nood begin 1512 zeer hoog is gestegen, arriveren Manuel de Lacerda en Diogo Fernandes de Beja met hun schepen; zij bren­gen voorraden en manschappen. De hoop van de belegerden wordt verder gevoed door de aankomst van kapitein João Serrão en van Cristovão de Brito die, nadat hij in Cannanore van het beleg van Goa heeft vernomen, met één groot en vier kleine schepen, geladen met versterkingen en voorraden, naar Goa is gezeild. Zodra Albuquerque, na zijn terugkeer uit Malacca in Cochin in februari 1512 verneemt dat Goa belegerd wordt, zendt hij een afgezant in een catur met een brief naar Goa, om capitão Diogo Mendes zijn behouden aankomst in Malabar te melden en hem een hart onder de riem te steken. Vanzelfsprekend stelt de gouverneur-generaal Diogo Mendes hulp in het vooruitzicht, maar daarop zal hij nog even moeten wachten, omdat het de capitão-geral op dat moment aan voldoende middelen ontbreekt om Goa te ontzetten.

Afgezien van de problemen in Cochin en het beleg van Goa, wordt Albuquerque na zijn terugkeer met nog een probleem geconfronteerd, namelijk de mislukte blokkade van Calicut en de gevolgen van het voortduren van de oorlogssituatie met de zamorin. In plaats van dat Calicuts handel vernietigd wordt, brengt de zamorin de Portugese handel veel schade toe, omdat hij zijn tactiek gewijzigd heeft. Hij laat niet langer grote schepen bouwen, om daarmee de Portugese vloot aan te vallen, waarmee hij toch geen succes heeft, maar hij heeft een grote vloot van kleine vaartuigen, parãos en caturs, laten bouwen. Vanaf de heu­vels bij Calicut wordt de kustvaart in de gaten gehouden. Zodra een Portugees of een handelsvaartuig van een van Portugals bondgenoten Cochin of Cannanore wordt waargenomen, worden tientallen parãos en caturs daarop afgestuurd. Deze methode is zo effectief dat Diogo Correa, capitão in Cannanore, geen kopra of voorraden meer naar Cochin durft te zenden. Als Albuquerque deze nieuwe ontwikkeling verneemt, laat hij in april 1512 de haven van Calicut effectief blokkeren, door twee karvelen en een fusta. Hij raakt er echter steeds meer van overtuigd dat het voort­duren van de vijandschap met Calicut allerminst in het belang van Portugal is. De enigen die daarbij garen spinnen zijn de radja’s van Cannanore en Cochin. Zij hebben legers bestaande uit 60.000 respectievelijk 30.000 nairs, maar zetten deze niet tegen Calicut in. Zij houden hun kruit droog en zij laten de kas­tanjes voor hen uit het vuur halen door de Portugezen. Dit alles schrijft Albuquerque aan koning Manuel en hij voegt daaraan nog toe dat zelfs een effectieve blokkade van Calicut, wat overigens niet mogelijk is, de zamorin niet op de knieën kan krijgen, omdat het land voldoende rijst opbrengt. Als er al tekorten zouden dreigen, staan handelaren uit Dharma Patanam en Cannanore klaar om die tekorten met grote leveranties op te heffen. Om dit te verhinderen zou de scheepvaart van bondgenoot Cannanore gestopt moeten worden, maar dat is geen reële optie.

5.2 De Egyptisch-Turkse dreiging.

Categorieën
Portugees kolonialisme

De Specerijen eilanden bereikt. De Molukken en de Banda-eilanden

Deel 5 Index

Hoofdstuk 4

De Molukken en de Banda-eilanden

4.2 De Specerijen eilanden bereikt

Geschreven door Arnold van Wickeren

De verovering van Malacca en de beheersing van de Indische wateren garanderen de Portugezen nog niet het monopolie op de handel in specerijen. Daartoe dienen zij door te dringen tot de Ilhas das Especiarias zelve. De Portugezen weten niet veel van deze eilanden. Albuquerque weet nauwelijks waar zij liggen. Uit Nicoló di Conti’s verslag: Viaggi in Persia, India e Giava, waarvan Valentim Fernandes in 1502, onder de titel: O livro de Nicolau Veneto, een Portugese vertaling heeft gepubliceerd, weet hij slechts dat vijftien dagen zeilen voorbij Java een groep eilanden ligt, waarvan er één Banda heet. Het zijn deze eilanden, die de zeer begeerde muskaatnoten, foelie en kruidnagelen voortbren­gen. Een andere Italiaan, Ludovico di Bologna, beter bekend als Varthema, heeft in de jaren 1502-1508 door de Oriënt gereisd en is daarna in Portugese dienst getreden. In zijn Itinerario, dat in 1510 is verschenen, noemt hij Banda een `isola molto brutta e trista’, terwijl hij de bewoners daarvan als `schurkachtig en beestachtig’ bestempelt. Ook op de inwoners van `Maluch’ heeft Varthema het niet erg begrepen. Hij noemt hen `nog veel erger dan die van Banda’.

Eind december 1511 zendt Albuquerque twee kraken en een kar­veel uit, om de Ilhas das Especiarias te ontdekken en daarmee handelsbetrekkingen aan te knopen. De expeditie staat onder leiding António de Abreu, die daarmee beloond wordt voor zijn moed bij de verovering van Malacca. Hij is kapitein van een van de kraken. Kapitein van de andere kraak is Francisco Serrão, die zich in 1509 heeft onderscheiden, bij Diogo Lopes’ expeditie naar Malacca. Simão Afonso Bisagudo voert het bevel over het karveel. Aan boord van het kleine eskader zijn ook twee Maleise stuurlieden en de Portugese loods Francisco Rodrigues, die een zekere faam geniet. De beroemde Spaanse kroniekschrijver Bartolomeu Leonardo de Argensola stelt in zijn Historia de la conquista de las islas Malucas (1609), dat Fernão de Magalhães met zijn vriend Francisco Serrão is uitgezeild, maar de Portugese kroniekschrijvers João de Barros, Fernão Lopes de Castanheda, Damião de Goís, Gaspar Correia en António Galvão vermelden allen Bisagudo als kapitein van het karveel. Argensola’s oordeel dient te worden toegeschreven aan nationaal chauvinisme, omdat vaststaat dat Magalhães op 12 juni 1512 in Lissabon is, hetgeen blijkt uit zijn handtekening onder een document van die datum. Albuquerque zendt, twee dagen voordat de schepen uitzeilen, een in Malacca gebouwde Chinese jonk naar de Molukken. De jonk vervoert handelsgoederen voor rekening van koning Manuel. Kapitein van de jonk is vermoedelijk de Hindoe Cocequirman. Met hem zeilt uit de koopman Nakoda Ismael, die ook wel wordt aangeduid als een Javaanse loods.

De Portugezen streven niet van meet af aan naar het verwerven van het monopolie op de handel met de Specerijen-eilanden; Curia Deva mag na 1511 zijn handel met de Molukken voortzet­ten, zij het op beperktere schaal. Ook uit het regimento dat Abreu en Serrão van Albuquerque ontvangen, blijkt duidelijk dat de Portugezen zich zo geruisloos mogelijk trachten in te voegen in de handel met Banda en de Molukken. In het regimento is be­paald, dat het Abreu en de zijnen verboden is jacht te maken of beslag te leggen op andere schepen. Zij mogen ook geen enkele haven aanvallen; mogen andere schepen niet beletten goederen te laden; zij dienen de kapiteins daarvan, ongeacht hun geloof, welwillend te behandelen en hen te helpen als de gelegenheid zich voordoet. Alleen de factor, zijn secretaris en vier anderen mogen ergens aan land gaan; uitsluitend zij onderhouden be­trekkingen met de bewoners van de te bezoeken havensteden. In iedere haven die wordt aangedaan, dienen geschenken te worden aangeboden aan de plaatselijke vorst en aan andere hooggeplaatste personen. De kapiteins moeten bij alle ruilhandel nauwgezet het voorbeeld volgen van niet-Portugese kooplieden en zij dienen de lokale zeden en gewoonten te respecteren. Het vooruitzenden van de met Aziaten bemande jonk, om de komst van de Portugese schepen aan te kondigen, bewijst ook hoezeer Albuquerque waarde hecht aan het welslagen van de expeditie. Een poging op weg naar Banda in Soenda Kalapa een verdrag af te sluiten met de Hindoevorst van Pajajaran mislukt deson­danks. De schepen zeilen langs de noordkust van Java, doen het Oostjavaanse Gresik aan, waar nog enige Javaanse loodsen worden geëngageerd en vervolgen hun tocht langs de noordkust van de Kleine Soenda-eilanden. Als de schepen door een hevige storm worden overvallen, blijkt in welk een slechte toestand de kraak van Serrão verkeert. Toch komen alle drie schepen behou­den bij Ceram aan.

De bemanningen gaan aan land bij Guli-Guli aan de uiterste oostpunt van het eiland. De inwoners van Ceram zijn primitieve mensen met zwart kroeshaar, die de harten van hun overwonnen vijanden op overwinningsfeesten verorberen. Inspectie van het schip van Serrão wijst uit dat het zo beschadigd en lek is, dat het niet meer naar Malacca kan terugkeren. Het wordt in brand ge­zet, nadat de Javaanse loodsen hebben verzekerd dat in Banda een vervangende jonk kan worden gekocht. De bemanning van Serrão’s schip stapt over op de andere schepen. De beide vaar­tuigen zeilen in twee dagen voor de wind naar het door de vul­kaan Gunung Api bewaakte eiland Neira in de Banda-archipel. Anders dan Varthema heeft laten weten, zijn de bewoners van Banda mooi, vriendelijk en belust op handel. Er wordt inderdaad een jonk gekocht. De Portugezen verblijven een maand in de Banda-archipel en ruilen er zoveel muskaatnoten, foelie en van elders aangevoerde kruidnagelen als zij in hun schepen kunnen bergen. Aan de twaalf Maleise bemanningsleden van Serrão’s jonk worden negen Portugezen van de andere schepen toege­voegd. Omdat het seizoen reeds te ver gevorderd is voor een reis naar de Molukken, wordt de terugreis aanvaard. In de Banda Zee geraken de schepen in een zware storm. De kraak en het karveel zeilen voorop en zullen veilig in Malacca aankomen. Op een kaart uit 1512, toegeschreven aan Francisco Rodrigues, komt voor het eerst het eiland Timor voor. Hieruit kan worden afgeleid dat dit eiland op de terugweg naar Malacca is ontdekt. António de Abreu deelt in Malacca mee dat de jonk van Serrão, die hij in de storm uit het oog verloren heeft, vermoedelijk met man en muis is vergaan. In werkelijkheid wordt deze jonk door een huizenhoge golf op een rif van het onbewoonde eiland Lucipara (Noesa Penjoe), in de Schildpad-archipel, gesmeten. Verschillende leden van de bemanning verdrinken, maar de rest weet het eiland te bereiken. Al gauw blijkt dat de zeelieden daar van honger en dorst zullen omkomen, als geen redding opdaagt. De Maleiers vertellen Serrão dat het in deze wateren wemelt van de piraten. Zij zullen zeker op het gestrande schip afkomen. Serrão verzint een list. De kostbare lading van de jonk wordt aan land gebracht. Terwijl de helft van de schipbreukelingen deze be­waakt, verbergt de andere helft zich in het struikgewas. Al gauw nadert een prauw met piraten, die denken in het groepje hulpe­loze schipbreukelingen een gemakkelijke prooi te hebben gevon­den. Op het juiste moment komt de andere helft van de beman­ning uit hun hinderlaag te voorschijn en met z’n allen worden de piraten overmeesterd. De specerijen worden zoveel mogelijk aan boord van de prauw geladen en zodra de Portugezen en hun Maleise vrienden daarmee dreigen te vertrekken, smeken de piraten hen niet aan hun lot over te laten. De overwinnaars laten zich vermurwen, op voorwaarde dat de piraten hen naar een bewoond eiland brengen. Twee dagen later arriveert de prauw bij Nusatelo (Noesa Tello) op het Ambonese schiereiland Hitoe. De hoofden van Ambon ontvangen de vreemdelingen met feesten en knappe jonge vrouwen. Nadat de Portugezen de werking van hun wapens en hun scherpschutterskunsten hebben getoond, vinden de Ambonezen hen bereid de leiding te nemen bij de op handen zijnde strijd tegen de inwoners van een vijandig dorp op het nabijgelegen Ceram. De veldtocht eindigt in een eclatante overwinning op de primitieve dorpelingen, waarbij allen die zich tegen de Europeanen hebben durven te verzetten, zijn afge­slacht. Serrão buit zijn zege uit; hij laat de Ambonezen niet alleen denken dat de Portugezen meesters zijn in de krijgskunst, maar laat hen ook in de waan dat zij over magische gaven beschikken.

De roem van hun wonderbaarlijke overwinning verspreidt zich als een lopend vuur door het eilandenrijk. De vorsten van de kruid­nagel­eilanden Ternate en Tidore haasten zich beiden de mach­tige vreemdelingen naar hun eiland te halen, om met hun hulp hun invloed in de regio uit te breiden. De sultan van Ternate overtroeft zijn rivaal van Tidore met ongelooflijk machtsvertoon. Hij zendt zijn broer Jubila met niet minder dan tien cora-cora’s naar Nusatelo. Deze oorlogsprauwen van tien ton hebben ieder honderd krijgers aan boord. Serrão en de andere Portugezen die de schipbreuk overleefd hebben, begeven zich aan boord van het vlaggenschip van Jubila. Op hun zesdaagse reis naar Ternate ontbreekt het hen aan niets.

De sultan van Ternate is bekend onder vele namen: Bayangulla, Bajan, Boleyse, Abu Lais en Abdul Hasan. Wij zullen hem, in navolging van de Portugezen, Boleif noemen. Deze ontvangt Francisco Serrão en de zijnen enthousiast en uit de brieven die Serrão later aan zijn vriend Fernão de Magalhães zal schrijven, blijkt dat hij van meet af aan meent het Paradijs gevonden te hebben. Hij is weg van de vulkanische kegelberg op Ternate, waarop de kruidnagelbomen groeien. Hij is verrukt van het weelderige landschap en de fauna en bewondert de witte kaka­toes en de kleurige papegaaien. Hij oordeelt ook gunstig over de inwoners van Ternate, die hem als een soort halfgod beschou­wen, en hij is ook gecharmeerd van de schoonheid van de vrou­wen. De sultan heeft een droom gehad, waarin hem geopen­baard is dat er in ijzer geklede mannen naar zijn rijk zouden komen, die zijn glorie en macht zouden vergroten. In de komst van de Portugezen en vooral in die van Serrão in zijn ijzeren harnas, ziet hij de vervulling van zijn droom. Het blijkt dat sultan Boleif meer Portugezen naar zijn land zou willen halen. Zij zou-den met hun vuurwapenen zijn militaire kracht doorslaggevend versterken. Hij belooft Serrão plechtig de Portugezen kruidnage-len te zullen leveren als Serrão, bij terugkeer naar Portugal, zijn koning ervan zou kunnen overtuigen op Ternate een fort te bou­wen. De sultan heeft over de radja van Cochin vernomen dat diens aanzien en rijkdom aanzienlijk zijn toegenomen, nadat de Portugezen in Cochin een sterkte hebben gebouwd. Vooruitlo­pend op de bouw van een fort zendt de sultan twee van Serrão’s mannen naar Malacca, met het verzoek meer Portugese mannen en wapens te zenden en een factorij te stichten voor de handel in kruidnagelen. Serrão zelf denkt er niet aan te vertrekken. Hij wil als vertegenwoordiger van koning Manuel op Ternate blijven en hij laat zijn landgenoten in Malacca weten dat zij er kruidnagelen kunnen komen laden. Natuurlijk wil Serrão, die tot één van de voornaamste adviseurs van de sultan is gaan behoren, van deze handel zelf ook profiteren. De relaties die sultan Boleif met de vreemdelingen aangaat, wekken de jaloezie van zijn rivalen; de heersers van Tidore en Batjan zouden de blanke vreemdelingen ook gaarne als handelspartners hebben verwelkomd.

De expeditie naar Banda van 1512, die Francisco Serrão en enige van zijn bemanningsleden op Ternate heeft gebracht, is de eerste in een hele reeks, die de Portugezen naar de Specerijen-eilanden zenden. Eind 1513 zendt de capitão van Malacca, Ruy de Brito Patalim, opnieuw drie schepen naar Banda. De schepen, onder de kapiteins António de Miranda de Azevedo, Domingos Gelez en Francisco de Melo, doen ook Ternate aan. Zij stichten daar een factorij en laten enkele kooplieden achter, om kruidnagelen te verwerven. Eind 1514 vertrekt António de Miranda opnieuw naar Banda, nu met één schip. Hij chartert op Banda verschillende jonken en keert in 1515 met volgeladen schepen in Malacca terug. Miranda heeft in 1514 waarschijnlijk de resterende Portugezen die met Serrão schipbreuk hebben geleden op Ternate aan boord genomen. Serrão zelf heeft, met instemming van sultan Boleif, geweigerd zich in te schepen, zeggende dat hij op Ternate van meer nut is voor de koning van Portugal dan waar ook. Als de schepen in 1514 met specerijen geladen in Malacca zijn teruggekeerd, vertellen de kapiteins dat Francisco Serrão op Ternate hoog aanzien geniet en het daar zo naar zijn zin heeft, dat hij weigert terug te keren naar Malacca. Deze boodschap wordt met gemengde gevoelens ontvangen. Aan de ene kant begrijpt men dat het verblijf van Serrão op Ternate voor de Portugese handel met dat land zeer nuttig en voorlopig wellicht zelfs onmisbaar is, maar aan de andere kant zijn z’n oude strijdmakkers jaloers op hem. Serrão blijft weigeren het bevel van de capitão van Malacca, direct naar Malacca terug te keren aan boord van een Portugees schip dat Ternate be­zoekt, op te volgen. Hij wordt daarom beschouwd als een deserteur. Serrão is inmiddels in het huwelijk getreden met een dochter van sultan Al­mansor van Tidore. Zij zal hem een zoon en een dochter schenken. Als Afonso de Albuquerque, die in 1510 voor Goa al heeft kennisgemaakt met de eigenzinnigheid van Serrão, van diens houding op de hoogte wordt gebracht, be­schouwt ook de gouverneur hem als een deserteur. Het hof schijnt deze mening te delen en dat schijnt mede een reden geweest te zijn dat Manuel in 1515 niet bereid is steun te verlenen aan het plan van Fernão de Magalhães, via een wes­telijke route naar zijn vriend Francisco Serrão op de Molukken te zeilen, waartoe Magalhães door de enthousiaste brieven van Serrão geïnspireerd is. Magalhães zal Ternate niet bereiken en zijn vriend dus niet ontmoeten. Hij zal – zoals bekend – eind april 1521, op weg naar de Molukken, omkomen op de Filippijnen, nadat hij in 1519 in Spaanse dienst aan zijn tocht begonnen is. Ook al zou hij Ternate bereikt hebben, dan nog zou hij Serrão daar niet hebben aangetroffen, omdat Serrão in het voorjaar van 1521 de gifdood gestorven is. Wie daarin de hand heeft gehad, is niet met zekerheid bekend. Wel wordt algemeen aangenomen dat hij door zijn huwelijk met een Tidorese prinses verstrikt is ge­raakt in de intriges van leden van de Molukse koningshuizen. Overigens zal sultan Boleif zijn lot enkele maanden later delen.

5.1 Albuquerques schipbreuk; problemen in Malabar.