Categorieën
Portugees kolonialisme

De Specerijeneilanden in het begin van de 16e eeuw

Deel 5 Index

Hoofdstuk 4

De Molukken en de Banda-eilanden

4.1 De Specerijeneilanden in het begin van de 16e eeuw

Geschreven door Arnold van Wickeren

Tegenwoordig worden alle eilanden en groepen van eilanden tussen Sulawesi (Celebes) en Nieuw-Guinea tot de Molukken ge­rekend. Al deze eilanden zijn van vulkanische oorsprong. Zij zijn

zeer vruchtbaar en op vele eilanden groeit de sagopalm. De gemakkelijk verkrijgbare sago vormt het volksvoedsel, dat wordt aangevuld met gevogelte. De Portugezen verstaan In de 16e eeuw onder de Ilhas das Especiarias slechts twee kleine groepen eilanden: de Banda-eilanden, enige kleine eilandjes ten zuiden van Ceram, en de eigenlijke Molucas, zijnde de ten westen van Halmahera gelegen eilanden Tidore, Ternate, Makian, Motir, Mareh en Hiri. Op deze eilanden groeien op de vulkaanhellingen kruidnagelbomen. Soms werd het grote eiland Batjan in die tijd ook tot de Molukken gerekend, omdat dit eiland jaarlijks 500 bahar kruidnagelen voortbrengt. Hetzelfde geldt voor de omge­ving van Gilolo, aan de westkust van Halmahera, waar sinds kort kruidnagelplantages zijn aangelegd. Tidore, het grootste eiland van de Molukken, heeft een oppervlakte van 116 km²; Ternate is 10 km² kleiner; Makian is half zo groot als Tidore; de oppervlakte van Motir is ongeveer 30 procent van die van Makian. Mareh en Hiri zijn nog veel kleiner. Tenslotte is het eilandje Maitara van belang; het is strategisch gelegen in de één mijl brede zeestraat tussen Ternate en zijn eeuwige rivaal Tidore. Tomé Pires schat de kruidnagelopbrengst van alle eilanden samen op 6.000 bahar per jaar en die van Tidore, Makian en Motir op 1.400, 1.500 en 1.200 bahar.

Als de Portugezen de Molukken bereiken heersen daar vier vor­sten: Aanvankelijk is de heerser van Gigolo de kolano moloco (koning van de Molukken), later is deze titel overgegaan op de koning van Ternate, terwijl de koning van Gigolo, die zijn vazal is geworden, het moet stellen met de titel djkomo kolano, dat wil zeggen: koning van de bocht (in Halmahera’s kustlijn). De koning van Tidore is de kiema kolano (bergkoning) en de koning van Batjan siert zich met de naam kolano madehe, oftewel, koning aan het einde (van de Molukken). De Maleise en Javaanse afne­mers van kruidnagelen halen deze specerij in de Molukken op, omdat de Molukse vorsten niet over handelsschepen beschik­ken. Zij hebben alleen coro-cora’s, grote oorlogsprauwen met outriggers, elk bemand met honderd krijgers. Daarmee bestrijden zij elkaar en houden hun vazallen onder de duim. Ternate, dat over de meeste cora-cora’s beschikt, heeft zijn macht naar het noorden, westen en zuiden uitgebreid. Aan de kolano moloco zijn onderworpen: Ternate, Hiri, de helft van Motir, en groot deel van Halmahera, het eiland Morotai, ten noorden daarvan, waarop Tidore ook aanspraak maakt, de oost- en noordkust van Celebes en de eilanden ten noordoosten en ten oosten daarvan, waar­onder Buru, de Ambon-groep en een groot deel van Ceram. Bovendien zijn de Bandanezen gehouden de kruidnagelen die zij in de Molukken komen halen, om deze op Banda door te verkopen, te betrekken van producenten op Ternate. De invloed van de sultan van Ternate zal zich in de 16e eeuw uitbreiden tot het zuiden van Mindanao en tot een aantal Kleine Soenda-eilanden. Ternate zal in die eeuw ook het kruidnagel-eiland Makian van Tidore verwerven. De vorst van Tidore heerst in het begin van de 16e eeuw ook over: Mareh, de helft van Motir, Makian, de oostkust van Halmahera, het oosten van Ceram, het westen van Nieuw-Guinea en over de eilanden tussen Nieuw-Guinea en Halmahera. De vorst van Batjen heerst over dit grote eiland en over de daarbij gelegen Obi-eilanden.

De Banda-eilanden produceren muskaatnoten en foelie, zijnde de bloesems van deze notenbomen. De twee belangrijkste eilan­den van de Archipel en de enige met havens zijn Banda (Lontor) en Neira. Het zijn markten en stapelplaatsen voor kruidnagelen, die de Bandanezen halen op Ternate en Batjen en in Gilolo. De Maleise en Javaanse kooplieden betalen voor een bahar foelie evenveel als voor zeven bahar muskaatnoten en vaak wordt foelie alleen in combinatie met muskaatnoten verkocht. De prijs van kruidnagelen is in het begin van de 16e eeuw gelijk aan die van foelie en bedraagt 3 à 3,5 cruzados. Omdat Banda nauwe-lijks voedsel voortbrengt, hetgeen overigens ten koste zou gaan van specerijen, moet de Archipel bijna alle voedsel importeren. Sago wordt, in ruil voor kleding, betrokken van de Aroe- en Kai-eilanden. Rijst en andere voedingsmiddelen worden in Banda aangevoerd door Javaanse en Maleise kooplieden, de kopers van specerijen. Naast sago betrekken de Bandanezen van de Aroe- en Kai-eilanden goud en gedroogde papegaaien en para-dijsvogels. Deze goederen worden betaald met textielproducten uit Bengalen. De vogelveren komen uiteindelijk terecht in Perzië en Turkije, waar zij dienen om de hoofdtooi te verfraaien. Banda importeert, naast door kleine handelaren aangevoerde goedkope kleding van Soembawa en textiel uit Bengalen, ook kostbare kleding uit West-Azië. Deze wordt betrokken van de groothandel uit Gresik. De Bandanezen (en Molukkers), laten hun specerijen ook betalen met luxegoederen, als kostbare kleding, koperen gongs, ivoor en fijn porselein. Anders dan de Molukkers, bren­gen de Bandanezen zelf specerijen naar Malacca. Zij zijn echter geen goede zeelui; hun schepen hebben houten ankers en worden meestal bemand door slaven, die bij het minste geringste gevaar zwemmend de kust trachten te bereiken. Bij aanvallen van buiten af, trekken de Bandanezen zich met hun bezittingen terug in een versterkt dorp in de bergen. Ten tijde van Pires zijn de kustbewoners van Banda al dertig jaar bekeerd tot de islam en hebben de mullahs aanzienlijke politieke invloed.

De Molukken zijn eerder dan de Banda met de islam in aanra­king gekomen. Slechts de vorsten en zij die direct contact heb-ben met Javaanse en Maleise islamitische handelaren, hebben het nieuwe geloof aanvaard. Zij zijn echter geen fanatieke mos­lims. De islam is op Ternate het meest aangeslagen; op Makian zijn veel minder moslims en de Tidorezen zijn nog heidenen, of­schoon de koning van Tidore moslim is geworden. Makian heeft de beste haven van heel de Molukken; bij Ternate kunnen hooguit twee of drie schepen ankeren en de haven van Tidore kan niet door zeeschepen worden aangedaan. Ternate betrekt voedsel van Motir en ijzeren bijlen, zwaarder en messen van de Banggai-eilanden. Van elders betrekt het eiland enig goud, ivoor, goedkope kleding en gedroogde papegaaien. Afgezien van Motir en in mindere mate Tidore en Makian, brengen de Molukken geen voedsel voort. De Molukkers moeten hun gehele oogst aan kruidnagelen afstaan om zich te kunnen voeden en kleden. Al­leen een kleine bovenlaag is welvarend en kan zich luxegoede­ren permitteren. Chinese kooplieden, die nooit Ambon, Ceram en Banda hebben aangedaan, zijn na de 14e eeuw ook niet meer in de Molukken gezien. Wel hebben zich Chinezen uit de Filippijnen op de Eilanden gevestigd. Het zijn tolken en taxateurs.

Er hebben zich in de Molukken, de Banda-archipel en op Ambon en Ceram ook veel Maleise en Javaanse Hindoe-kolonisten gevestigd. Zij wonen meestal aan de kust en de oorspronkelijke bewoners, de Alfuren, hebben zich, voor zover zij zich niet vermengd hebben met de nieuwkomers, veelal in het binnenland teruggetrokken. Het zijn vooral de kustbewoners die in de 15e en 16e eeuw overgaan tot de islam. De koning van Ternate is de eerste Molukse vorst die – vermoe­delijk in 1495 – het nieuwe geloof omhelst. Hij heeft zich daartoe naar Gresik begeven. Deze stad, in de nabijheid waarvan in 1415 de eerste Wali van Java, Malik Ibrahim, is begraven, is in de 15e eeuw uitgegroeid tot een belangrijk centrum van islamitische cultuur. In dit spirituele cen­trum heeft de vorst zich in de nieuwe leer te laten onderrichten. Zijn voorbeeld is spoedig gevolgd door de koning van Tidore en andere vorsten. Met de komst van de Portugezen begint een eeuwenlang proces van kerstening. Rond 1600 zullen er aan de kusten van Ceram, maar ook elders, bijvoorbeeld op Ambon en op de Banda-eilanden, moslims, christenen en heidenen wonen, hetgeen tot veel spanningen tussen deze groepen zal leiden.

4.2 De Specerijen eilanden bereikt.

Categorieën
Portugees kolonialisme

De consolidatie van de macht in Malacca

Deel 5 Index

Hoofdstuk 3

Malacca

3.5 De consolidatie van de macht in Malacca

Geschreven door Arnold van Wickeren

Duarte Fernandes, die als passagier op een Chinese jonk, als gezant van de koning van Portugal, naar de koning van Siam, in Ayuthia is gereisd, keert terug in Malacca en doet verslag van zijn wederwaardigheden. Fernandes en zijn gevolg zijn door 200 lansiers naar het paleis begeleid en zij zijn door de met veel pracht en praal omgeven koning Rama Tibodi II in grote stijl ontvangen. De koningin, de prinsessen en de hofdames, die zich rond de troon geschaard hadden, waren gekleed in zijde en brokaat en droegen prachtige gouden sieraden, met kostbare edelstenen. Fernandes heeft Rama Tibodi II, in naam van koning Manuel, een prachtig zwaard, waarvan het gevest is ingelegd met edelstenen, overhandigd. Hij heeft de vorst ook een bood­schap van Albuquerque gegeven. De koning van Siam heeft veel belangstelling voor Portugal getoond en juicht het toe dat de Portugezen de sultan van Malacca verdreven hebben, omdat deze vazal zijn trouw aan de koning van Siam heeft opgezegd. Nadat dienaren van Rama Tibodi II het Portugese gezantschap de Siamese hoofdstad Ayuthia hebben laten zien, keren Duarte Fernandes en de zijnen, in gezelschap van een gezant van de Siamese vorst, terug naar Malacca. De gezant heeft een brief bij zich voor koning Manuel, waarin Rama Tibodi II de Portugezen, voorraden, manschappen en handelsgoederen aanbiedt. De ge­zant uit Siam heeft ook kostbare geschenken, in de vorm van een gouden kroon, een gouden zwaard en een ring met een robijn, voor koning Manuel bij zich. De gezant wordt met veel eerbetoon door Albuquerque ontvangen. Als hij naar zijn land terugkeert, ontvangt hij, naast een persoonlijk geschenk, ge­schenken voor zijn koning, die hij uit naam van koning Manuel dient aan te bieden. Het bezoek van Duarte Fernandes aan de koning van Siam heeft het karakter gehad van kennismaking en uitwisseling van inlichtingen. Om de Luso-Siamese betrekkingen een stevig fundament te geven, laat Albuquerque de vertrekken­de Siamese gezant begeleiden door een tweede gezantschap naar Siam, Het staat onder leiding van António de Miranda de Azevedo. Hij moet Rama Tibodi II verslag uitbrengen van de Portugese verovering van Malacca en hem vragen Siamese kooplieden naar Malacca te zenden. António de Miranda vertrekt eind 1511 en neemt in zijn gevolg Manuel Fragoso mee. Deze heeft tot taak rapport aan Albuquerque uit te brengen over alle wetenswaardigheden van Siam. Het gezantschap doet onderweg de belangrijke havenstad Tanasserim aan, alvorens in Ayuthia te arriveren. Miranda zal twee jaar in Siam verblijven en zijn rapport persoonlijk naar Goa brengen. Hij ervaart dat de koning van Siam veel belangstelling heeft voor vuurwapens en voor militaire steun, omdat Siam bedreigd wordt door Chiang Mai. Hij zegt de gevraagde wapenen en militaire steun toe, in ruil voor Portugese handelsfaciliteiten in Siam.

Ook de sultan van het Sumatraanse Kampar, een vazalstaat van Malacca en een schoonzoon van Mahmoed Shah, zendt een boodschapper naar Albuquerque. Onder aanbieding van een geschenk laat de gezant weten dat zijn vorst een vazal wil worden van de koning van Portugal. Albuquerque dankt de sultan dat hij de koning van Portugal wil dienen, doet hem een geschenk toekomen en biedt hem militaire bijstand aan als hij die nodig heeft. Er arriveert in Malacca ook een gezant van de `koning van Java’. Welke Javaanse vorst de kroniekschrijver kan hebben bedoeld is niet duidelijk, maar hij deelt mede dat deze koning zeer gebeten is op Mahmoed Shah, wegens de slechte behandeling van Javanen in Malacca. Albuquerque geeft de gezant voor zijn vorst, naast andere geschenken, een van de olifanten mee die bij de strijd om Malacca zijn buitgemaakt. Ook arriveren er drie pangajaoas (grote roeiboten) uit Menangkabau, een koninkrijk aan de zuidpunt van Sumatra. De opvarenden hebben een grote som goud bij zich. Daarvoor wensen zij van de Portugezen Indische kleding te kopen.

Het Portugese bewind in Malacca leidt ertoe dat de stad helemaal tot rust komt en de handel ongekende hoogten bereikt. Op zeker moment besluit Albuquerque naar Malabar terug te keren, onder meer om de verdedigingswerken van Goa te vol­tooien. Dit is zeer tegen de zin van de handelaren; zij zijn van oordeel dat de persoonlijke aanwezigheid van de gouverneur-generaal voorspoed garandeert. Zij bieden hem zelfs goud, zilver en koopwaar, als hij besluit in Malacca te blijven. Uiteraard tever­geefs. Voor zijn vertrek benoemt Albuquerque tot capitão van het inmiddels voltooide fort Ruy de Brito Patalim. Hij legert er een garnizoen van 300 man en voorziet het fort van voldoende artille­rie. De gouverneur laat ter verdediging van de stad een aanzien­lijk deel van de vloot, met 200 soldaten, in Malacca achter. Fernão Peres de Andrade wordt bevelhebber van de vloot. Hij zal Ruy de Brito opvolgen als de capitão iets zou overkomen. In dat geval zal Andrades functie worden overgenomen door zijn onder­bevelhebber Lopo de Azevedo. António de Abreu moet ook in Malacca blijven, als hij van de Molukken is teruggekeerd. Ruy de Aranjo blijft feitor en alcaide en João Jorge en Francisco Cardoso worden benoemd tot almoxarifes. De verschillende bevolkings­groepen krijgen een eigen gouverneur. Ninan Chata voor de Hin-does, Regorage voor de moslims en Colascar voor de Javanen.

De capitão van Malacca, Ruy de Brito Patalim, of diens opvolger Jorge de Albuquerque, zendt in 1513 of in 1514 voor het eerst een schip naar China. João de Barros, de enige Portugese kro­niekschrijver die, zij het zeer summier, melding maakt van de tocht, noemt in dit verband de naam van Jorge Álvares, de factor aan boord van het naar China zeilende schip. Jorge Álvares landt op het eiland Tummên en richt daar een padrão met het wapen van koning Manuel op. Tijdens zijn verblijf op het eiland sterft zijn zoontje. De vader begraaft het kind aan de voet van de padrão. Als hij zeven jaar later het eiland weer bezoekt, overlijdt ook hij en wordt bij zijn zoontje begraven. Het eerste bezoek van een Portugees schip aan China wordt in 1515 door twee Italianen bevestigd. Andrea Corsali schrijft op 6 januari aan Giuliano de Medici over de reis. Hij meldt dat het de Portugezen niet werd toegestaan het vasteland van China te betreden, omdat `het tegen de gewoonte is vreemdelingen toe te laten’. De brief­schrijver heeft ook vernomen dat het goed handeldrijven is met de Chinezen, over wie de Portugezen zeer te spreken waren. Het zijn zeer bekwame mensen `di nostra qualitá’. Ook Giovanni da Empoli, die in 1515 in Malacca is geweest, bevestigt in een brief gedateerd: Cochin, 15 november 1515, de tocht naar China van een Portugees schip. Empoli is al even enthousiast over de handelsmogelijkheden met China als zijn landgenoot. Hij hoopt de `Grote Khan’, die hij `de koning van Cathay’ noemt, ooit zelf te bezoeken.

Als koning Manuel van Albuquerque vernomen heeft dat Malacca aan de Portugese bezittingen in Azië is toegevoegd, laat hij dat paus Leo X weten. De paus celebreert naar aanleiding van dit nieuws een solemnele dankmis. Er worden buitengewoon pom­peuze processies gehouden naar de kerken van Santa Maria del Popolo en Santo Agostino, waaraan de paus ook zelf deelneemt. Camillo Portio, een van de kanunnikken van de Sint Pieter, spreekt in het Latijn een oratie uit, waarin het karakter en de daden van de koning van Portugal geprezen worden. Deze vierin­gen worden echter nog overtroffen door de komst van het schit­­terende gezantschap dat koning Manuel naar Rome zendt. Het staat onder leiding van Tristão da Cunha, die in 1506 voor een zeer roemrijke tocht naar de Orient is uitgezeild. Hij is vergezeld van Jaco Pacheco en Giovanni de Faria, zeer eerbiedwaarde en gezaghebbende juristen, drie zonen en vele andere familieleden en vrienden. Het Portugese gezantschap wordt door de straten van Rome begeleid door een keur van kardinalen en andere prelaten. De Romeinse bevolking heeft minder oog voor de ge­zanten uit Portugal, dan voor de circustrein van exotische dieren die worden meegevoerd. Daaronder twee olifanten van geweldige afmetingen, twee luipaarden, een panter en andere ongewone dieren. In de stoet bevinden zich verschillende rijkelijk met tapis­serieën behangen Perzische paarden, die worden bereden door inheemsen in hun eigen exotische kledij. Er worden ook zeer kostbare geschenken meegevoerd, waaronder met goud en juwelen afgezette kazuifels, een met groot vakmanschap vervaar­digd altaarkleed, kelken en andere attributen voor de eredienst. De stoet wordt geopend door een heraut die het wapen van de Portugese soevereinen draagt. Aangekomen bij het raam, waar­achter de paus staat, laat men een olifanten knielen voor Zijne Heiligheid. Daarna demonstreert het beest hoe het met zijn slurf water kan opzuigen en daarmee de toeschouwers kan besproei­en. Zes dagen later wordt het gezantschap in een openbare audiëntie door Leo X ontvangen, bij welke gelegenheid de gehele processie nogmaals door de straten van Rome trekt. De paus, omring door vele kardinalen en andere prelaten, alsmede door de bij de Heilige Stoel geaccrediteerde ambassadeurs van andere naties en hofdignitarissen, hoort een oratie in het Latijn aan van Jaco Pacheco. Leo X antwoordt in dezelfde taal en prijst de koning van Portugal voor diens toewijding aan de Heilige Stoel. De paus pleit voor vrede in Europa, maar voor het gezamenlijk opnemen van de wapens tegen de Turken. Daarna biedt het gezantschap zijn giften aan, terwijl de verscheurende dieren de hun toegeworpen prooi verslinden. Eigenlijk had koning Manuel de Romeinse bevolking op de aanblik van een nog veel vreemder dier willen verrassen, maar bij het in Lissabon inschepen van een van de koning van Cambay verkregen rinoceros is iets misgegaan, dat het beest het leven heeft gekost.

4.1 De Specerijen-eilanden in het begin van de 16e eeuw.

Categorieën
Portugees kolonialisme

De verovering van Malacca (1511)

Deel 5 Index

Hoofdstuk 3

Malacca

3.4 De verovering van Malacca (1511)

Geschreven door Arnold van Wickeren

In april 1511 arriveert Albuquerque met een grote vloot in Cochin. Als de radja van deze plaats verneemt dat Albuquerque van plan is met deze vloot naar Malacca te gaan, tracht hij hem daarvan te weerhouden. De radja voert daarvoor drie argumenten aan: de situatie in Goa is in zijn ogen nog zo kritiek dat Albuquerques persoonlijke aanwezigheid daar vereist is; als de gouverneur met een groot deel van de Portugese vloot uit Malabar vertrekt, zal dit een aanval van de zamorin van Calicut op Cochin uitlokken, betoogt hij. Moorse handelaren in Cochin hebben de radja laten weten voor hun rijke handel met Malacca te vrezen als deze stad in Portugees bezit raakt. Albuquerque laat zich door de zorgen van de vorst niet van zijn plan afbrengen. Hij is wel bereid de deze te verminderen door de verdediging van Cochin te verster-ken. Hij geeft capitão Manuel de Lacerda nog twee grote en vier kleine schepen; legert meer manschappen in het fort in Cochin en voorziet hen van extra ammunitie.

Op 2 mei zeilt Albuquerque uit als capitão-mor van een vloot van 18 schepen. De vloot bestaat uit het vlaggenschip de Flor de la Mar, 14 kraken en karvelen, en drie galeien. Er zijn 1.400 solda­ten aan boord; 1.200 Portugezen en 200 Malabaarse boog­schutters, danwel 800 Portugezen en 600 in Malabar geronselde soldaten, zoals een andere bron zegt. Voorbij Ceylon loopt een galei in een storm aan de grond; de kapitein en de bemanning worden gered. De vloot gaat voor anker in de haven van het Noordsumatraanse Pedir. Daar worden vijf schepen uit Gujarat buitgemaakt. In Pedir melden zich João de Viegas en acht ande­re christenen. Zij zijn gevlucht uit Malacca, waar zij in 1509 met Ruy de Aranjo zijn gevangengenomen. João Viegas vertelt dat de sultan van Malacca hen met geweld tot de islam heeft willen bekeren en dat Naodabegea, een Moor uit Malacca, die daar met de sultan van Pacém was, de belangrijkste aanstichter is geweest van de samenzwering tegen Diogo Lopes de Sequeira. Als Albuquerque dit laatste verneemt, zeilt hij direct door naar Pacém en eist van de sultan daarvan Naodabegea’s uitlevering. De sultan zendt de gezochte echter direct naar Malacca, om de aantocht van de Portugese vloot te melden. Albuquerque zegt hij dat Naodabegea niet te vinden is en waarschijnlijk het land is ontvlucht. De vloot zet na deze mededeling koers naar Malacca. Op weg daarheen ontstaat een gevecht met de inzittenden van een inheemse roeiboot, waarbij de kapitein van dat vaartuig om­komt. Later blijkt deze kapitein de gezochte Naodabegea te zijn. Kort daarna worden twee grote jonken overmeesterd. Aan boord van een daarvan bevindt zich de sultan van Pacém, die op weg is naar een vorst op Java, om diens hulp te vragen tegen een op­standige gouverneur. Deze sultan vraagt thans de Portugezen hem weer in het bezit van zijn koninkrijk te stellen, in ruil waar­voor hij belooft een vazal van de koning van Portugal te worden en hem schatting te zullen betalen. De capitão-mor belooft aan het verzoek te voldoen, nadat de expeditie tegen Malacca tot een goed einde zal zijn gebracht. Hierop komt de nieuwe vazal aan boord van de Flor de la Mar. Hij zal Albuquerque als diens gast vergezellen naar Malacca.

Over de totale omvang van de vloot, waarmee Albuquerque tenslotte bij Malacca aankomt, bestaat onduidelijkheid. Over de 15 kraken en karvelen bestaat geen twijfel, maar over de rest wel. Bestaat deze uit de twee resterende galeien en zeven buit­gemaakte jonken, zoals uit het voorgaande kan worden afgeleid, of uit in totaal 15 buitgemaakte jonken, zoals een andere bron zegt? De vloot van 24 à 30 schepen komt op 1 juli voor Malacca aan. De Portugezen zien vanaf hun schepen de palissaden, die de ruimte omsluiten waar de goedangs (pakhuizen) liggen, maar de verdedigingswerken (een stadsmuur met vier poorten, ieder voorzien van een wachttoren) zijn aan het zicht onttrokken. De capitão-mor begroet de kosmopolitische handelsmetropool, waarvan het aantal inwoners wordt geschat op 100.000, met een salvo uit zijn kanonnen. Ofschoon de kanonnen naar zee zijn ge­richt, veroorzaakt het gebulder daarvan paniek in de stad en schrik onder de aanwezigen op de trouwpartij van de dochter van sultan Mahmoed Shah, die in het huwelijk treedt met de sultan van Pahang. Mahmoed Shah zendt de volgende dag een gezant naar de vloot, om de Portugezen te vragen met welke bedoelin­gen zij gekomen zijn. De gezant laat Albuquerque weten dat de sultan met hen vreedzame betrekkingen wil aangaan. Hij ver­klaart dat de aanval op de Portugezen in 1509 is gelast door bendahara Tun Mutahir, die de sultan daarvoor heeft laten om­brengen. Albuquerque, die de ware toedracht van het overlijden van de bendahara uit de brief van Ruy de Aranjo kent, veinst het verhaal te geloven en verzoekt om vrijlating van Aranjo en zijn metgezellen. Hij wenst ook een schadeloosstelling voor de koop­waren die zich nog in de Portugese factorij bevonden toen deze door de Maleiers veroverd werd. Hij suggereert dat de schade­loosstelling zou kunnen worden voldaan uit het nagelaten ver­mogen van de terechtgestelde bendahara. De sultan tracht tijd te winnen om zijn verdediging te organiseren, ofschoon Arabische en Gujarati-kooplieden hem voorspellen dat de Portugezen de stad niet durven aan te vallen. Albuquerque eist vrijlating van de gevangenen en schadeloosstelling als voorwaarden voor het aangaan van een vredesverdrag. Hij dreigt de stad aan te vallen, als aan deze voorwaarden niet wordt voldaan. De sultan aarzelt en gaat door met het organiseren van de verdediging. Als de capitão-mor ziet dat er aan de wal borstweringen worden opge­worpen, eist hij de ogenblikkelijke vrijlating van factor Aranjo en zijn mannen en vergoeding van de gestolen handelswaar. De kapiteins van vijf Chinese jonken, die in de haven liggen, komen aan boord van de Flor de la Mar en bieden de capitão-mor hun steun aan bij een eventuele aanval op Malacca. De Chinese kapiteins kiezen de zijde van de vreemdelingen, omdat zij door Mahmoed Shah zwaar onder druk zijn gezet hun jonken en bemanningen in te zetten bij een strafexpeditie tegen de piraten­staat Aru. Zij hebben dit verontwaardigd van de hand gewezen en zoeken nu bescherming bij de Portugezen. Albuquerque dankt de Chinezen voor hun aanbod, maar gaat daarop niet in. Wel zal hij gebruikmaken van hun sloepen bij het aan land zetten van troepen. De Chinezen zeggen hem toe jaarlijks meer dan honderd jonken met grote hoeveelheden handelswaar naar Malacca te zullen zenden, als de stad in Portugese handen zou geraken. Zij waarschuwen de capitão-mor voor de militaire kracht van de sultan, die over 20.000 soldaten en 3.000 stuks artillerie beschikt. Zij spreken ook over de met gif ingesmeerde werpspie­sen en pijlen die uit blaasroeren worden afgeschoten, voor ver­borgen loopgraven en getrainde krijgsolifanten. Aan de andere kant delen zij de capitão-mor mede dat hij kan rekenen op de sympathie van de buitenlandse kooplieden, die alles zouden ver­liezen bij plundering van de stad. Zij zullen er bij de sultan op aandringen om vrede te vragen en de sultan zal geen keus heb­ben, omdat de buitenlandse handel het levensbloed van Malacca is. Albuquerque is zich ervan bewust dat zijn in de strijd geharde troepen, die over beter geschut beschikken en die bovendien beschermd worden door hun harnassen met puntige helmen, zeker niet kansloos zijn tegen de Maleise overmacht, die deze bescherming moet ontberen. Hij nodigt daarom de Chinese kapiteins uit het verloop van de gebeurtenissen af te wachten.

Op een avond zet hij heimelijk enige afdelingen aan land, die de opdracht krijgen enige huizen aan de waterkant en een aantal schepen in de rivier in brand te steken. Daarbij dienen Chinese jonken en Indische dhows en feloeken te worden gespaard. Als deze opdracht wordt uitgevoerd, opent Albuquerque het vuur op de stad, om Mahmoed Shah verder onder druk te zetten. De sultan reageert direct. Hij laat de Portugese gevangenen vrij en via hen verzoekt hij Albuquerque de beschieting en de brand­stichtingen te staken. Hij zegt te zullen nadenken over de aange­boden vredesvoorwaarden. Ondertussen blijft de sultan de stad versterken. Ruy de Aranjo adviseert eerst de stad aan te vallen en dan over vrede te onderhandelen. Als hij ook verteld heeft over de martelingen, waaraan christenen in Malacca worden blootgesteld, besluit Albuquerque tot de aanval over te gaan.

Twee uur voor het aanbreken van de dag van 24 juli, worden de troepen in twee bataljons ontscheept. Het bataljon met Dom João de Lima, Gaspar de Paiva, Fernão Peres de Andrade, Bastião de Miranda, Fernão Gomes de Lemos, Vasco Fernandes Coutinho, Jerónimo Teixeira (die de stad nog uit 1509 kent), en andere fidalgos met hun manschappen gaat aan de kant van de moskee aan land. Albuquerque landt met Duarte da Silva, Jorge Nunes de Leão, Simão de Abreu, Pero de Alpoym, Dinis Fernandes de Melo, Simão Martins, Simão Afonso en Nuno Vaz de Castelo Branco, die als ex-gevangene zonodig de weg kan wijzen, en de rest van de troepen aan de stadkant. Van twee kanten rukken de aanvallers op naar de beroemde brug, die snel wordt genomen. Eenmaal op de brug blijken de Portugezen een gemakkelijk doel­wit te vormen voor de vijandelijke artillerie, die hen vanachter borstweringen van palissaden bij de toegangen tot de brug be­stookt. Aan de zijde van de moskee worden de Moren uit hun stelling verdreven. De sultan zelf komt hen met versterkingen, waaronder olifanten, te hulp en dwingt zijn mannen de in de steekgelaten posities weer te betrekken. Zij worden hieruit bij een nieuwe hevige aanval weer verdreven en de zwak verdedigde moskee wordt eveneens genomen. Ofschoon de tegenstand aan de andere kant van de brug zeer zwaar is, worden de vijandelijke stellingen uiteindelijk ook daar veroverd, waarbij vele Moren de dood vinden. Een Javaanse troepenmacht van 700 man, die te hulp snelt, wordt ingesloten en tot de laatste man vernietigd. Op zeker moment ziet Dom João de Lima dat Mahmoed Shah en zijn zoon Ala’ud’din, gezeten op olifanten, het strijdtoneel verla-ten. Zij keren echter spoedig terug, aan het hoofd van 2.000 man verse troepen. Dom João en de zijnen vallen met lansen de olifanten aan. De gewonde olifant waarop de sultan zit, haalt met zijn slurf zijn menner van zijn rug en vertrapt hem. De sultan, die ook gewond is, laat zich van de olifant zakken en verdwijnt, met zijn zoon en schoonzoon, de sultan van Pahang, in de menigte en weet te ontkomen. Ofschoon de Portugezen veel vijanden hebben gedood, hebben zij de stad nog niet veroverd; daarvoor is het aantal tegenstanders te talrijk. Albuquerque dirigeert zijn mannen terug naar de brug en laat aan beide zijden daarvan borstweringen opwerpen, om de stad redelijk veilig te kunnen be­schieten. Het paleis van de sultan, dat veel kostbaarheden en grote voorraden koopwaar bevat, moet het daarbij zwaar ontgel­den. Als de avond aanbreekt trekt Albuquerque zijn troepen terug op de schepen. Tegen middernacht geeft hij bevel de stad weer te beschieten. Deze beschieting met de bronzen eenschots­kanonnen houdt de gehele nacht aan. De kroniekschrijver Gaspar Correia heeft in zijn Lendas da India genoteerd: `het was een beangstigende ervaring om in de duisternis te horen dat de hele stad in rep en roer was, het geschreeuw en gegil, mensen met spullen op hun schouders, die met hun kinderen vluchtten zonder te weten waarheen.’

De volgende morgen laat de sultan Albuquerque vragen waarom hij zijn paleis heeft aangevallen. De capitão-mor antwoordt dat hij de hele stad in brand zal zetten, tenzij de sultan een vazal van de koning van Portugal wordt. Mahmoed Shah antwoordt ontwijkend en versterkt zijn verdediging. De brug wordt gefortificeerd en de borstweringen worden verhoogd en van tweemaal zo veel artille­rie voorzien, om een tweede aanval te kunnen afslaan. Omdat de eerste aanval weinig heeft opgeleverd en Albuquerque geen materiaal bij zich heeft om een fort te bouwen, betwijfelt hij of een nieuwe aanval gewaagd dient te worden. Hij overwint zijn twijfel, omdat hij terdege beseft dat afzien van de aanval betekent dat het beoogde Portugese monopolie op de specerijenhandel onbe­reikbaar zal zijn. Terwijl hij zich bezint op een tweede aanval, stellen de Moren alles in het werk om de vijandelijke schepen in brand te steken. Constante alertheid van de bemanningen be­zweert dit gevaar. De Chinese kapiteins delen mee dat zij, met de heersende gunstige moessonwinden naar China willen terug­keren. Albuquerque voorziet hen van levensmiddelen, geeft hen enige cadeaus en maakt van de gelegenheid gebruik een gezantschap onder leiding van Duarte Fernandes met hen mee te zenden, om de koning van Siam een brief te overhandigen. Hierin geeft Albuquerque te kennen vreedzame en vriendschap­pelijke betrekkingen met dat land te willen aangaan. Voordat een nieuwe aanval wordt gelanceerd, verklaart de meerderheid van de kapiteins zich tegenstander van de bouw van een fort in Malacca, zijnde de consequentie van de verovering van de stad. De capitão-mor betoogt echter dat de verovering van Malacca ertoe zal leiden dat de handel van de Moren en daarmee de welvaart van, Caïro en Mecca volledig zal worden geruïneerd en dat de Venetianen nog slechts in Lissabon specerijen zullen kunnen betrekken. Hij voegt daaraan toe dat de kosten die gemaakt moeten worden om Malacca te verdedigen en te besturen ruimschoots uit de te heffen belastingen kunnen worden bestreden. Bovendien zal de handel van Malacca sterk kunnen stijgen, door de grotere rechtszekerheid die Portugees bestuur met zich brengt. De meeste kapiteins laten zich overtuigen, waarop besloten wordt tot een nieuwe aanval.

Twee uur voor zonsopgang op de morgen van 10 augustus wor­den de officieren die de aanval zullen leiden met een trompet­signaal opgeroepen naar de Flor de la Mar te komen, om te biechten en de absolutie te ontvangen. Bij de eerste zonnestra­len ontscheept de capitão-mor zijn troepen, opnieuw in twee bataljons. Zij trotseren de explosies uit de bronzen esmerils, fal­conetten en sakers. Alle stukken geschut die ontworpen zijn door de uit Portugese dienst gedeserteerde Milanese kanonnengie­ters, in dienst van de zamorin van Calicut (zie Deel IV, par. 1.5). De bataljons rukken op onder dekking van het superieure ge­schut op de schepen. Albuquerque wil de talrijke verdedigers op de brug aanvallen vanuit de ronde top van de mast van een zeer hoge jonk. Hij zendt deze jonk, onder bevel van Antonio de Abreu, de rivier op. Het logge schip loopt vast op een zandbank, waar het negen dagen lang een gemakkelijk doelwit vormt voor de Maleiërs, die sloepen vol brandhout, pek en olie naar de jonk zenden, om het schip in brand te steken. De bemanning weet dit met alle mogelijke middelen te verhinderen. Nadat de jonk door een hoge vloedgolf is bevrijd, zeilt het schip onder zwaar vuur door naar de brug. Hierbij wordt kapitein Abreu zwaar in zijn gezicht getroffen. De schutters in de mast blijken echter veilig te zijn voor de gifpijlen en werpspiesen, die de verdedigers op de brug op hen richten. Deze verdedigers daarentegen vormen zelf een gemakkelijk doelwit voor de Portugese scherpschutters in de mast van de jonk. Zij trekken zich terug tot achter de palissaden aan de uiteinden van de brug, waarna de Portugezen een bruggenhoofd op de brug kunnen vestigen. Zij blijken daar bloot te staan aan giftige pijlen, die vanachter de palissaden op hen worden gericht. Als Albuquerque zich realiseert dat een aantal van zijn mannen daardoor gewond en stervende is, laat hij, op advies van Ruy de Aranjo, dik zeildoek spannen tussen op de brug in tonnen aarde verankerde palen. Het zeildoek blijkt een effectieve bescherming te zijn. De Portugezen versterken hun bruggenhoofd door troepen aan te voeren, barricaden op te werpen, daarachter hun kanonnen te plaatsen en deze tegen de felle zon met palmbladeren af te dekken. Onder dekking van hun superieure geschut en het aanheffen van de strijdkreet `Santiago’ dringen zij op naar de stellingen van hun vijanden achter de palissaden bij de toegangen naar de brug. In man tegen man ge­vechten worden de verdedigers daaruit verdreven. De vijanden die in de rivier terechtkomen, worden met lansen gedood door Portugezen in boten. Albuquerque geeft een van de twee batal­jons opdracht de moskee te bezetten, terwijl het andere bataljon de toegang tot de straat naar de brug in handen moet zien te krij­gen. Het tweede doel wordt zonder veel inspanning bereikt, maar de moskee wordt, anders dan bij de eerste aanval, zeer hardnek-kig verdedigd door een groot leger, dat over olifanten beschikt. Deze legermacht wordt aangevoerd door Mahmoed Shah zelf. Uiteindelijk wijken de verdedigers en slaan op de vlucht, achter­volgd door Portugezen, die op hun beurt weer achterna worden gezeten door een grote eenheid Moren. Als de Moren op het punt staan de Portugese achterhoede aan te vallen, schiet de capitão-mor met zijn bataljon te hulp. Als beide bataljons vere­nigd zijn, vechten zij zich terug naar de brug, die zij verder fortificeren. Nu zij de brug, met inbegrip van de borstweringen bij de toegangen en de moskee vast in handen hebben, kan de rest van de stad veroverd worden. De kapitein-majoor zendt vier grote barken de rivier op. Zij schieten met hun zware bombarden alle vijanden uit de omgeving van de brug en de veroverde stel­lingen. Het bombardement, waaraan ook andere schepen deel­nemen, houdt de gehele nacht aan en wordt daarna nog tien dagen voortgezet. Hierbij komen veel inwoners van de stad om het leven en wordt grote schade aangericht. Het aanhoudende bombardement maakt de toestand in de stad hoe langer hoe moeilijker. Sommige bevolkingsgroepen zijn bereid zich over te geven. De eersten die om genade smeken zijn afgezanten van kooplieden uit Pegu. Zij worden vriendelijk ontvangen en krijgen verlof te vertrekken, met medeneming van al hun bezittingen. Albuquerque zendt Ruy Nunez d’Acúnha (Rui da Cunha) als gezant naar de koning van Birma met hen mee. Hoe het hem is vergaan is niet bekend. Ook de kooplieden uit Coromandel wordt toegestaan ongehinderd uit te zeilen.

Op 24 augustus kan Malacca worden ingenomen. De vraag rijst hoe het mogelijk is dat een voor die tijd zeer grote stad met een vijandige bevolking en verdedigd door 20.000 soldaten, met niet meer dan 1.400 man kon worden veroverd. Ook als rekening wordt gehouden met de superioriteit van de Portugese artillerie, dan nog is sprake van een haast niet te geloven huzarenstuk. De verklaring is wellicht deze. De Portugezen vechten met ware doodsverachting tegen de `ongelovigen’. Zij geloven onwrikbaar dat het sneuvelen in zulk een strijd voor God en hun koning hen rechtstreeks naar het Hemelse Paradijs zal voeren. Hun helden­dood zal bovendien afstralen op hun zonen, die zelfs geacht wor­den de moed van hun vader te erven. Hij die niet versaagt op het slagveld en daarbij het leven laat, wordt aardse roem en hemelse glorie deelachtig. Wat kan een christenmens zich meer wensen? De motivatie om te vechten en daarbij eventueel het leven te ver­liezen is bij de soldaten van Mahmoed Shah bepaald minder groot. Het leger van de sultan bestaat uit Maleise, Sumatraanse en Javaanse huurlingen, die niet bereid zijn voor hun broodheer te sterven. Zij zijn massaal gedeserteerd toen zij stevig werden aangevallen.

De capitão-mor geeft zijn mannen verlof Malacca te plunderen, waarbij de levens van Moren en Maleiers niet gespaard behoe­ven te worden. Dit bevel leidt tot een waar bloedbad, waarvan veel mannen, maar ook vrouwen en kinderen het slachtoffer wor­den. Zij die zich overgeven worden gespaard, maar zij worden als slaven weggevoerd. Veel inwoners van Malacca vinden dus de dood of geraken in slavernij; vermoedelijk weet een veel gro­ter aantal de stad te ontvluchten en zich in de omgeving daarvan te verbergen, totdat de furie is uitgeraast en de discipline onder de Portugese troepen is hersteld. Bij het plunderen van de stad zijn de bezittingen van de rijke Hindoekoopman Ninan Chata op bevel van Albuquerque ontzien. Hij dankt dit aan de steun die hij Ruy de Aranjo en diens metgezellen gegeven heeft. De buit die de Portugezen in de stad in handen valt, is ongekend groot. Zij bestaat uit wapens: 3.000 artilleriestukken, waaronder 2.000 bronzen stukken en een zeer groot kanon dat de zamorin van Calicut aan Mahmoed Shah heeft gezonden, alsmede uit een enorm aantal kleine wapens. De Portugezen verwerven ook pakhuizen vol kostbaarheden, zoals prachtige sieraden, edelste­nen, zijden stoffen, tafels en stoelen waarvan de poten met een laag goud zijn bedekt, goudklompen, met reliëfpatronen versier­de howdahs met baldakijn voor het bereiden van olifanten, vergulde palankijnen en grote hoeveelheden peper, kruidnagelen nootmuskaat en kaneel. Tot de buit behoren ook zes grote bron­zen leeuwen, die Albuquerque voor zijn graftombe bestemt. Ook een aantal in borduurwerk gespecialiseerde vrouwen en mooie, jonge, vrouwen van adellijke afkomst behoren tot de oorlogsbuit. Een keur van de geconfisqueerde kostbaarheden zal aan koning Manuel worden gezonden. Ook de vrouwen zijn voor het hof bestemd. Na de verovering van Malacca wordt bovendien nog een jonk van Mahmoed Shah genomen. Het schip heeft een lading kleding uit Coromandel met een waarde van 12.000 tot 15.000 cruzados aan boord. Bij de strijd heeft een onbekend aantal Portugezen verwondingen opgelopen, waarbij vooral zij die getroffen zijn door in gif gedoopte pijlen er slecht aan toe zijn.

Albuquerque neemt maatregelen om de orde in de stad te her­stellen. Hij benoemt Ninan Chata tot bendahara over de Celaten, de oorspronkelijke bewoners van het schiereiland, en over de immigranten uit Quilon. Hij verheft Utimuti radja, een zeer rijke Javaanse handelaar, tot leider van de Moren. Verschillende kooplieden hebben op hun verzoek al een vrijgeleide ontvangen en langzamerhand keren meer handelaren naar de stad terug. Hetzelfde geldt voor de bevolking, die tijdens het bombardement en het bloedbad de stad is ontvlucht. De situatie kan zich echter niet normaliseren, zolang Mahmoed Shah zich nog met zijn ge­trouwen in de buurt van Malacca bevindt. Hij verblijft in het dorp Bertam Uli, een dagreis van de stad. De Portugezen, die jacht op hem maken, drijven hem verder het binnenland in. Mahmoed Shah stuurt een boodschapper naar het eiland Lingga in de Riau-Lingga-archipel, om zijn vazal te bewegen hem te helpen bij de herovering van Malacca. Ofschoon de vloot van Malacca vooral bemand wordt door de zeer oorlogszuchtige Orang Laut uit deze archipel, blijft steun uit. Als dit Mahmoed Shah duidelijk is, vlucht hij tezamen met zijn zoon en een aantal getrouwen dwars over het Maleise schiereiland naar zijn schoonzoon in Pahang aan de oostkust. Vandaar zendt hij zijn oom Nacem Mudaliair, naar de keizer van China, zijn opperheer, om diens hulp in te roepen tegen de Portugese veroveraars. Bij aankomst van de gezant in Guangzhou, zenden de provinciale autoriteiten een boodschap naar het hof in Nanjing. Nadat antwoord is ontvangen dat de ge­zant welkom is, haast Nacem Mudaliair zich naar Nanjing. Hij wordt goed aan het hof ontvangen en na een paar dagen ver­leent de Ming-keizer, wiens naam Su-tuan-ma-mo zou zijn, hem een persoonlijke audiëntie. De gezant verhaalt onder tranen de val van Malacca en vraagt de keizer zijn heer Mahmoed Shah in zijn rampspoed met een Chinese vloot te hulp te komen. De keizer voelt er weinig voor hulp te beloven, omdat hij niet van plan is zulk een belofte ook na te komen. Hij en zijn ministers hebben namelijk hun handen vol aan de voorbereiding van een expeditie om de Mongoolse invallers uit het land te verdrijven. Bovendien moet de keizer klachten ontvangen hebben van de Chinese kapiteins die Albuquerque voor Malacca hun hulp hebben aangeboden. De keizer heeft ongetwijfeld vernomen dat Mahmoed Shah hun onder druk heeft gezet hem te helpen in zijn strijd tegen Aru. Daarentegen hebben de `Franken’ de Chinese kapiteins juist zeer voorkomend behandeld. De keizer zendt de gezant weg en zegt hem te wachten op zijn antwoord. Tijdens het verblijf van Nacem Mudaliar in Nanjing overlijdt zijn vrouw. Als hij daarna ook nog bericht ontvangt dat de keizer niet aan zijn verzoek tegemoet komt, vertrekt de ongelukkige gezant teleur­gesteld naar huis. Hij overlijdt onderweg wellicht van verdriet, voordat hij Chinees gebied verlaat en wordt in China begraven.

Nadat Mahmoed Shah zijn oom naar China heeft gezonden, trekt hij zelf naar het zuiden van het Maleise schiereiland en sticht het koninkrijk Johore, met de hoofdstad op het eiland Bintan(g) in de Riau-Lingga-archipel. Gesteund door de hem trouw gebleven Orang Laut weet hij hier weer een belangrijk handelscentrum tot stand te brengen, dat Malacca concurrentie aandoet. Hij blijft zich beschouwen als de rechtmatige heerser van Malacca en onder­horigheden en blijft schatting ontvangen van zijn vazallen, die hem nog steeds als hun suzerein erkennen. Hij wordt de leider van een confederatie van Maleise en Sumatraanse moslimstaten en zal nog menig aanval op Malacca lanceren. In 1526 zullen de Portugezen zijn hoofdstad verwoesten. De sultan zal ook bij die gelegenheid aan gevangenneming weten te ontkomen, door naar Kampar op Sumatra te vluchten. Hij zal daar in 1528 overlijden.

Ruy de Aranjo wordt belast met de bouw van een vesting ten zuidoosten van de rivier de Muar. Hij beschikt over een overvloed aan bouwmateriaal, door stenen weg te halen van het verwoeste paleis van Mahmoed Shah, van verwoeste moskeeën en door ook de zerken van de koninklijke graftomben te gebruiken. De bouwers zijn 1.500 voormalige slaven van Mahmoed Shah. Zij zijn naar de omliggende bossen gevlucht en daar verzameld door de Portugezen. Thans zijn zij eigendom van de koning van Portugal. De vesting, die gemarkeerd wordt door een toren van vijf verdiepingen en de toepasselijke naam A Famosa krijgt, `boezemt met haar kanonnen en garnizoen de Maleiers perma­nent een gevoel van intense angst en verbazing in, dit tot meer­dere glorie van de Kroon van Portugal’. Boven de poort van het fort wil Albuquerque een gedenkteken aanbrengen, in de vorm van een steen, waarin de namen zijn uitgehouwen van de fidal­gos die zich bij de verovering van Malacca onderscheiden heb­ben. De vermelding van namen op de steen leidt tot zoveel jaloe­zie onder de bevelhebbers, dat Albuquerque op de achterzijde van de steen de volgende woorden laat beitelen: `Lapidem quam reprobaverunt aedificatores’ (`De steen die de bouwlieden ver­worpen hadden’; psalm 118, 22). De gedenksteen wordt zo geplaatst dat slechts de achterkant zichtbaar is. Er wordt in de stad ook een kerk gebouwd, gewijd aan Nossa Senhora da Anunciação (Maria Boodschap). Als de handel herleeft, blijkt er een groot gebrek aan geld te zijn. Albuquerque trekt de meeste Moorse munten in en laat, naast de tinnen twee caixes-stukken van de sultan, nieuwe tinnen munten met het teken van koning Manuel slaan: een dinheiro, tien dinheiros of soldo en tien soldos of bastardo. Het muntmateriaal wordt verkregen uit de tinmijnen in het binnenland, die eigendom worden van de koning van Portugal. Er worden ook zilverstukken geslagen: de malaquês of real branco, ter waarde van 720 reais, en de meio real, beter bekend als de cruzado de prata, die 360 reais waard is. Tenslotte komt er een goudstuk, de catholico in omloop. De waarde daar­van bedraagt 1.000 reais. Met deze muntslag is er, naast het Goanese, een tweede muntstelsel in Portugees Azië gecreëerd. De invoering van het nieuwe geld gaat met grote festiviteiten ge­paard. De voornaamste bestuurders van Malacca, trekken op rijkelijk met tapisserieën behangen olifanten door de stad en gooien na iedere proclamatie nieuwe tinnen, zilveren en zelfs gouden munten in de samengestroomde menigte.

Albuquerque heeft ook in Malacca duidelijk meer op met Hindoes dan met moslims. De moslimvoorman Utimuti radja, die ver in de tachtig is, neemt uit gekrenkte trots over zijn achterstelling con­tact op met sultan Mahmoed Shah, met het oogmerk hem weer op de troon te brengen. Albuquerque krijgt de briefwisseling in handen en ontdekt daardoor het verraad van Utimuti radja. De gouverneur roept zijn adviesraad bijeen en vraagt zijn mening over het verongelijkt zijn van Utimuti radja. De raad blijkt zo’n gunstig oordeel over hem te hebben, dat Albuquerque zwijgt over diens dubbelspel. Als Utimuti radja ervaart dat zijn activiteiten ongestraft blijven, put hij daaruit moed op de ingeslagen weg voort te gaan. Hij geeft de Moren, die in het district Upeh wonen, toestemming eigen munten te slaan en te gebruiken in plaats van het Portugese geld. Hij conspireert ook met de Moorse kooplie­den, die zich er bij Albuquerque over beklagen dat kleine een­heden Portugezen eertijds gevluchte, maar later naar Malacca teruggekeerde bewoners bestelen, ondanks dat deze mensen was beloofd dat hun leven en bezit daar veilig zouden zijn. Voorts maken de klagers er bezwaar tegen dat de Portugezen alle slaven van Malacca hebben genomen, ongeacht of zij aan de sultan, aan diens dignitarissen of aan kooplieden hebben toe-behoord. Tenslotte verwijten de Moren Albuquerque in het bin-nenland de bezittingen te hebben onteigend van degenen die met de sultan zijn uitgeweken. Utimuti radja buit zijn positie schaamteloos ten eigen bate uit. Hij beveelt kooplieden die hem dienen te gehoorzamen, hem goederen te verkopen tegen door hemzelf vastgestelde prijzen. Ook laat alle slaven op wie hij de hand kan leggen voor zich werken. Hij controleert bovendien alle rijstimporten en rijstvoorraden in Malacca. Ook weigert hij rijst aan andere kooplieden te leveren, om de prijzen op te drijven. Als de gouverneur dit alles ervaart, roept hij Utimuti radja bij zich. Zeggende dat hij wel niet goed zal zijn ingelicht, vraagt hij hem wat er van dit alles waar is. De oude man trekt zich weinig aan van de klachten, maar zet veel slaven in om zijn fortificatie in Upeh te versterken. Hij laat hun een gracht uitgraven en wallen met barricaden opwerpen. Albuquerque wordt gewaarschuwd dat er een zeer gevaarlijke toestand kan ontstaan als hij Utimuti radja zijn gang laat gaan. De capitã-mor ontbiedt hem, tezamen met zijn zoon, schoonzoon en kleinzoon, vastbesloten hen gevangen te nemen. Het viertal laat zich verontschuldigen. Korte tijd later roept Albuquerque de gezagsdragers in Malacca bijeen voor be­stuurlijke overleg. Zodra Utimuti radja en zijn verwanten het fort betreden, worden zij ontwapend en gearresteerd. Sommige van de tegen hen ingebrachte beschuldigingen wuiven zij weg; van andere zeggen zij, dat ze door de Hindoes verzonnen zijn, weer andere moeten zij wel toegeven. Het viertal wordt na een onder­zoek berecht en in het openbaar naar het schavot geleid en onthoofd. De in Upeh aangelegde fortificaties worden gesloopt.

3.5 De consolidatie van de macht in Malacca.

Categorieën
Portugees kolonialisme

Handelsstromen van en naar Malacca

Deel 5 Index

Hoofdstuk 3

Malacca

3.3 Handelsstromen van en naar Malacca

Geschreven door Arnold van Wickeren

De moesson- en passaatwinden maken het mogelijk dat koop­lieden uit Oost en West elkaar in Malacca ontmoeten. Ofschoon schepen uit Gujarat al in januari kunnen vertrekken, is de maand maart de beste tijd om naar Malacca uit te zeilen; dan kan namelijk geprofiteerd worden van de noordoostmoesson. Waar­schijnlijk wordt in de regel deze maand gekozen, zodat handela­ren van elders (Rode Zee, Arabië en Oost-Afrika), die ook afhan­kelijk zijn van gunstige winden, nog kunnen overstappen op Gujarati-schepen. Deze schepen kunnen maar kort in Malacca blijven; het is noodzakelijk dat zij voor eind mei terug te zijn in Gujarat, omdat daarna tot eind oktober aankomst of vertrek uit havens van Gujarat door de zuidwestmoesson niet mogelijk is.

Gedurende de laatste maanden van het oude en de eerste van het nieuwe jaar arriveren Chinese kooplieden met de noordoost­passaat in Malacca. Als zij vroeg zijn, kunnen zij nog doorzeilen naar Java, nadat zij een deel van de handelswaar in Malacca hebben gelost. De Chinezen kunnen dus langer in de haven blijven dan de Indiërs, maar zij moeten eind juni vertrekken, om met de zuidoostmoesson naar China te kunnen terugkeren.

Schepen uit Java, die ook gebruikmaken van de zuidoostmoes­son, arriveren tussen mei en september in Malacca. Zij moeten tot januari wachten om met gunstige noordwestelijke winden terug te keren. Soms blijkt dit al mogelijk in december of zelfs eind november. Gedurende hun oponthoud in Malacca ruilen de Javanen hun waren tegen goederen aangevoerd door de Indiërs, Chinezen en anderen. Dit verklaart waarom Malacca een stapel­plaats is. De handelswaren moeten een deel van het jaar opge­slagen worden ten behoeve van kopers die later arriveren. Daar­toe verblijven veel Javaanse handelaren permanent in Malacca. De periode van de grootste activiteit in Malacca schijnt de te zijn geweest de maanden tussen december en maart, als schepen uit zowel West-Azië, als uit het Verre Oosten de haven aandoen. Hieronder volgt een beschrijving van de handelsrelaties die Malacca aan het begin van de 16e eeuw onderhoudt met zijn handelspartners: Gujarat, Coromandel, Bengalen, Ceylon, Pegu, Kedah, Siam, Achter-Indië, China, Japan, de Filippijnen, Celebes (Sulawesi), Borneo, Sumatra, Java en enige Kleine Soenda-eilanden. Deze beschrijving verschaft ons ook inzicht in de betekenis van Malacca voor de Portugezen na de verovering van de stad in 1511, omdat onder Portugees bestuur het handelsnet­werk van Malacca grotendeels in stand blijft.

De belangrijkste handelspartner van Malacca is Gujarat. De handel tussen de twee landen is van zo’n grote betekenis, dat beide daaraan hun welvaart te danken hebben. De handelswaar die Gujarati-kooplieden, zowel moslims als Hindoes, in Malacca aanvoeren, bestaat voor een deel uit goederen die van elders naar de havens van Gujarat: Surat, Randar, Diu en Damão, zijn gebracht. Handelaren uit het Midden-Oosten – Arabieren, Turken en Armeniërs – kunnen evenmin als kooplieden uit Abessinië en Ormoez in één seizoen Malacca bereiken. Zij zeilen nooit voorbij Kaap Comorin. Gewoonlijk brengen zij hun handelswaren naar Gujarat en stappen daar over op Gujarati-schepen, met bestem­ming Malacca. Egyptische handelaren beschikken over door Venetiaanse kooplieden aangevoerde Europese goederen: edele metalen, wapens, glas en glaswaren, kralen, koraal, kwikzilver, vermiljoen en andere kleurstoffen, koperen spijkers en gekleurde wollenstoffen. In Gujarat worden ook handelswaren uit Arabië, Syrië en Oost-Afrika aangevoerd. Het gaat om: grote hoeveelhe­den opium, goud, zilver, parels, rozenwater, rozijnen, karpetten, paarden, zaden en granen. De goederen uit Perzië die Gujarat bereiken zijn: paarden, parels, goud, zilver, koper, zijde en aluin. Een deel van deze in Gujarat aangevoerde goederen wordt daar verhandeld of vindt zijn weg naar Malabar, om daar geruild te worden tegen vooral Malabaarse peper; de rest gaat naar Malacca, aangevuld met voortbrengselen van Gujarat; vooral textiel, maar ook kornalijnen, kralen, indigo, opium, zeep, aarde­werk en levensmiddelen als: graan, boter en gedroogd en gezou­ten vlees. Gujarati-handelaren kopen in Malacca: kruidnagelen, muskaatnoten en foelie van de Molukken en de Banda-eilanden, sandelhout uit Timor, goud uit Sumatra, kamfer uit Borneo en Sumatra en tin van het schiereiland Maleisië, porselein, muskus en zijde uit het Verre Oosten en vogelveren uit de Indonesische archipel. Tomé Pires deelt mee dat jaarlijks vier schepen uit Gujarat naar Malacca vertrekken, die ieder een lading ter waarde van 15.000 tot 30.000 cruzados aan boord hebben, afgezien van een zeer groot schip dat ieder jaar vanuit een haven van Gujarat vertrekt, met goederen ter waarde van 70.000 tot 80.000 cruza­dos. In 1510 vergaat een schip uit Gujarat op de terugweg uit Malacca, dat 2.000 bahar aan kruidnagelen, muskaatnoten en foelie en 1.000 bahar aan sandelhout en gomlak aan boord heeft. De waarde van deze goederen bedraagt niet minder dan 60.000 cruzados. Pires vermeldt dat schepen die naar Gujarat terugke­ren, goederen met een waarde van ten minste 21.000 cruzados vervoeren. Gujarati-kooplieden zeilen soms van Malacca naar het Chinese Hainan of naar havens aan de noordkust van Java.

Ook de handel van Malacca met de Coromandelkust is van grote betekenis. Klingalezen uit Pulicat en andere havens bren­gen grote hoeveel­heden katoenen kleding, van goedkoop tot kostbaar, naar Malacca. Naar deze kleding is veel vraag in de gehele Indonesische archipel, op het schiereiland Maleisië en in de rest van Voor-Indië. Op schepen uit Coromandel bevinden zich ook wel handelaren uit Malabar, dat geen directe handels­relatie met Malacca onderhoudt. Schepen uit Malabar brengen de volgende goederen naar Coromandel: peper uit het eigen land, rijst en kokosnoten van de Malediven en goederen uit Gujarat. Rijst en kokosnoten zijn belangrijk als Coromandel wordt getroffen door hongersnood, ten gevolge van periodiek optreden­de droogte. Deze voedingsmiddelen worden geruild tegen sla­ven; de slachtoffers van de droogte. In Coromandel stappen de kooplieden uit Malabar met hun koopwaar over op Klingalese schepen met bestemming Malacca. Zij reizen aan boord van geloofsgenoten, omdat Hindoes zich niet aan boord van schepen van moslims mogen begeven, om niet met onreinen in aanraking te komen. Handelaren uit Coromandel kopen in Malacca wit san­delhout, kamfer, aluin, parels, peper, muskaatnoten, foelie en kruidnagelen, goud, grote hoeveelheden koper, een beetje tin, alsmede Chinese goederen, als ruwe witte zijde, damast en bro­kaat. De Klingalezen verblijven van oktober tot januari in Malacca en zeilen dan terug. Pires meldt dat jaarlijks drie of vier schepen uit Coromandel naar Malacca komen, met goederen ter waarde van 12.000 tot 15.000 cruzados. Daarnaast vertrekken ieder jaar uit Pulicat een of twee grote schepen naar Malacca. De handels­waar die zij vervoeren, is 80.000 tot 90.000 cruzados waard.

De handel van Bengalen met Malacca is in hoofdzaak in handen van vreemde kooplieden: Arabieren, Parsi’s, Turken, Abessijnen en handelaren afkomstig van de westkust van Voor-Indië, vooral uit Chaul, Dabul en Goa. Zij rusten ieder jaar, voor de vaart op Malacca en Pasai (Pacém) voor gezamenlijke rekening, vier of vijf Arabische dhows en één of twee grote Chinese jonken uit. Een jonk heeft goederen ter waarde van 80.000 tot 90.000 cruza­dos aan boord. De export van Bengalen, dat zeer vruchtbaar is, bestaat uit rijst, suiker, gedroogd en gezouten vlees en vis, geconserveerde groente en gekonfijte vruchten, als gember en bovendien sinaasappelen, citroenen, vijgen en komkommers. Bengalen verbouwt katoen en beschikt over een zeer ontwik­kelde textielindustrie, waarvan de producten overal in het Oosten begeerd worden. Bengalen importeert uit Malacca kamfer, peper, kruidnagelen, foelie, muskaatnoten, sandelhout, zijde, parels, wit Chinees porselein, groen porselein uit de Liu-Kiu- eilanden of uit Japan, koper, tin, lood, kwikzilver, wat opium afkomstig uit Aden, witte en groene damast, karpetten, Javaanse krissen en zwaar­den, schelpen van porseleinslak, afkomstig van de Malediven, die in Bengalen als kleingeld gebruikt worden. Bovendien profite­ren handige kooplieden ervan dat goud in Bengalen aanzienlijk duurder is dan in Malacca, terwijl zilver daar juist goedkoper is. De winstmarge op de uit Malacca geïmporteerde goederen be­draagt 200 tot 300 procent, zodat de hoge Bengaalse import­heffing van 35 procent geen beletsel is voor deze importen. Overigens heeft Bengalen een aanzienlijk handelsoverschot met Malacca. Schepen uit dat land die doorzeilen naar Pacém laden daar alleen peper en zijde.

Ofschoon kooplieden van Ceylon slechts handeldrijven aan de kusten van Voor-Indië en dus Malacca niet aandoen, bezoeken – volgens Duarte Barbosa – elk jaar enkele schepen uit Malacca Colombo, waar olifanten, kaneel en juwelen worden gekocht.

Elk jaar zeilen in februari 15 of 16 grote jonken en 20 tot 30 klei­nere schepen uit Pegu naar Malacca en naar de peperhavens Pacém en Pedir op Sumatra. Zij arriveren in de maanden maart en april in Malacca. Pegu voert hoofdzakelijk luxe goederen uit, zoals edelstenen, robijnen van Arakan, zilver, muskus, gomlak, benzoë en levensmiddelen, als boter, olie, zout, uien en knoflook, maar bovenal rijst en suiker en tenslotte de door heel Azië ver­maarde inmaakpotten uit de stad Martaban. De Birmezen verko-pen in de havens die zij aandoen ook een deel van hun in Pegu gebouwde schepen, omdat Pegu beroemd is om zijn scheeps­bouw. De Birmezen kopen in Malacca Chinese waren, zoals een eenvoudig soort rood aardewerk en stoffen; beide soorten goe­deren zijn speciaal voor hen gemaakt. Daarnaast kopen zij zaad­parels, kwikzilver, koper, vermiljoen, kleine hoeveelheden kruid­nagelen, foelie en muskaatnoten, enig goud, al dan niet aange­munt tin en tenslotte schelpen van de porseleinslak, afkomstig van de Malediven of van Borneo. Begin juli zeilen de Peguanen uit Malacca naar Pacém of Pedir om peper te laden, om in augustus naar naar hun land terug te keren in de schepen die zij niet verkocht hebben. Overigens verloopt niet alle handel tussen West-Azië en Pegu via Malacca. Er bestaat een directe handels­relatie tussen Gujarat en de Birmese havens Martaban en Dagon (Rangoon).

De handel van Malacca met de nabijgelegen Siamese vazalstaat Kedah is van weinig betekenis en wordt bovendien onderbroken in oorlogstijd. De van Malacca afhankelijke tindistricten betrekken goud in Kedah, maar dit goud bereikt de markt in Malacca niet. Kedah produceert een bescheiden hoeveelheid peper, voor verkoop in Malacca, voor zover de peper niet rechtstreeks aan Gujarati- en Chinese kooplieden, die de haven van Kedah aan­doen, is geleverd. Mogelijk worden handelswaren uit Malacca in consignatie gegeven aan kooplieden in Kedah.

De handel van Malacca met Siam is volgens Pires en Ruy de Brito Patalim, de eerste capitão van Malacca, aanzienlijk. Siam is, naast landen als Bengalen, Pegu en Java, een belangrijke leverancier van levensmiddelen. In Malacca arriveren soms 30 jonken uit Siam met rijst, zout, gedroogde vis, arak en groente. Daarnaast ontvangt Malacca uit of via Siam gomlak, benzoë, sappanhout, lood, tin, zilver, goud, ivoor, cassia fistula, schalen vervaardigd van koperen of gouden ringen, waarin robijnen en diamanten zijn verwerkt, en tenslotte grote hoeveelheden goed­kope Siamese kleding. De Siamezen kopen van alles in Malacca, bovenal veel in Coromandel vervaardigde kleding, die speciaal gemaakt is voor de Siamese markt, en grote aantallen manlijke en vrouwelijke slaven. Overigens is Malacca bij lange na niet de belangrijkste handelspartner van Siam. Vanuit het zeer belang­rijke Tanasserim, aan de westkust van het schiereiland Maleisië, worden handelsbetrekkingen met West-Azië, vooral met Gujarat onderhouden, evenals met de Noordsumatraanse havens Pacém en Pedir en met Bengalen. De handel vanuit de Siamese havens aan de Golf van Siam is in hoge mate gericht op China en han­delaren uit dat land genieten privileges in bedoelde havens. De daar wonende kooplieden drijven ook handel met Achter-Indië­ (Cambodja, Campa en Cochin-China) en met Pacém, Pedir, Indragiri en Palembang op Sumatra en met Soenda op Java en mogelijk met nog andere eilanden van de Indonesische archipel.

De handel van Malacca met de landen in Achter-Indië is van weinig betekenis, omdat deze meer op China en Siam zijn gericht. Malacca exporteert naar Campa vooral goud uit Menangkabau en naar Cochin-China zwavel van Solor. Uit Achter-Indië betrekt Malacca ruwe en geweven zijde, bijna zuiver goud, zilver en Chinese producten. De handel met dit gebied heeft echter een sporadisch karakter.

De handel van Malacca met China is daarentegen van grote betekenis. Om de beginnen is de schatting die Malacca periodiek naar China zendt te beschouwen als een soort handel, omdat Malacca daarvoor in ruil Chinese producten met een zelfde totale waarde ontvangt. De uitvoer naar China bestaat uit peper, kost­bare houtsoorten, juwelen en andere edelstenen, alsmede uit veders van exotische vogels uit de Molukken, die verwerkt zijn tot kunstzinnige producten. Chinese groothandelaren, brengen met jonken, waarop al gebruikgemaakt wordt van het kompas, een grote verscheidenheid aan goederen naar Malacca. De lading bestaat uit muskus, rabarber, kamfer, parels, enig goud en zilver, grote hoeveelheden ruwe en geweven zijde, kostbaar handwerk als damast, satijn en brokaat en tenslotte katoenen stoffen. Pires somt bovendien op: aluin, salpeter, zwavel, koper, ijzer, grote hoeveelheden koperen gebruiksvoorwerpen, ketels van gietijzer en de gebruikelijke Chinese handnijverheidsproducten, als dozen met lakwerk, rijk gedecoreerde kasten, waaiers, haarspelden in de vorm van sieraden, maar ook goedkope zaken als koperen armbanden. Iedere jonk heeft ook een enorme hoeveelheid porselein en aardewerk aan boord. Tenslotte verkopen Chinese kooplieden in Malacca zout, welke handel hen schatrijk maakt. De Chinezen hebben veel belangstelling voor peper, dat zij ook in Pacém en Pedir en in het Siamese Patani kopen. Pires deelt mee dat jaarlijks tien jonkladingen peper aan de Chinese koop­lieden kunnen worden verkocht; Ruy de Aranjo meldt in 1510 dat jaarlijks acht tot tien jonken uit China naar Malacca komen, maar Ruy de Brito laat weten dat de Chinezen in 1513 met slechts vier jonken arriveren. Vergeleken met peper zijn de andere goederen die de Chinezen kopen: specerijen, geneesmiddelen, ivoor, tin, wierook, sandelhout, kornalijnen uit Gujarat en wollenstoffen, van weinig betekenis. De Chinezen behoeven in Malacca geen belasting te betalen; van hen wordt verlangd dat zij geschenken geven. De waarde daarvan, vastgesteld door `hun’ sjahbander, is zo hoog, dat Pires spreekt van chicanes. De Chinezen verzetten zich niet tegen deze functionaris, omdat zij ‘de gewoonten van het land’ respecteren. Handelaren uit Malacca doen ook goede zaken in China, zij het dat hun schepen niet verder mogen komen dan naar een eiland dat 20 tot 30 mijl uit de kust bij Guangzhou (Canton) ligt en waar iedere nationaliteit zijn vaste ankerplaats heeft. Hoewel de Chinese autoriteiten, die toezicht op de handel met buitenlanders uitoefenen, peper belasten met 20 procent, sandelhout met 50 procent en de overige goederen met 10 procent, voelen de kooplieden uit Malacca zich niet door hen afgeperst.

Afgezien van de Chinezen bezoeken ook andere bewoners van het Verre Oosten Malacca. Het zijn geheimzinnige lieden, die in Portugese bronnen Gores worden genoemd. Boxer houdt hen voor Japanners; Pires zegt dat het bewoners van de Liu Kiu-eilanden zijn, maar er zijn ook aanwijzingen dat het om bewoners van Taiwan gaat. Zij komen elk jaar met twee of drie schepen naar Malacca en bieden er Japanse producten aan. Hun aanbod bestaat uit: zijde, kostbare stoffen, porselein, koper, goud- en zilverpoeder, zwaarden en vele andere soorten wapens, casset­tes en dozen ingelegd met bladgoud, waaiers en papier; kortom allemaal typisch Japanse artikelen, maar ook rijst, uien en ande­re gedroogde groente, zoals peulvruchten. De Gores kopen in Malacca dezelfde producten als de Chinezen, naast grote hoe­veelheden Bengaalse kleding en in Malacca geproduceerde wijn. Zij prefereren soorten met een hoog alcoholgehalte. Zij ruilen de in Malacca verkregen goederen in China en Japan tegen goud en koper, welke metalen zij in Malacca weer te koop aanbieden. De Gores laten zich niet in met de slavenhandel en zij zullen nooit iemand uit hun eigen land als slaaf verkopen. Pires prijst hun eerlijkheid en schat hen hoger dan de Chinezen, al zijn het geen gemakkelijke lieden om zaken mee te doen; zij trekken snel hun zwaard als zij menen te worden tekortgedaan. De Gores drijven veel meer handel met de Filippijnen dan met Malacca. Zij zenden jaarlijks wel zes tot acht jonken naar deze archipel. Desondanks zijn zij daar minder talrijk dan de Chinezen.

Kooplieden uit de Filippijnen komen jaarlijks met twee of hoog­stens drie jonken naar Malacca. Zij kopen er goud van gering karaat, bosproducten en levensmiddelen, die soms ingevoerd zijn van Borneo. De Filippino’s brengen dezelfde producten naar Malacca als de bewoners van Borneo, reden waarom zij met hen over één kam geschoren worden. Later zullen de Portugezen een Filippino tot tumenggung benoemen. Hij zal zijn landgenoten aanmoedigen in Malacca te komen handeldrijven, waardoor de Filippijnen een belangrijker handelspartner van Malacca worden.

Malacca onderhoudt intensieve handelsbetrekkingen met zijn vazalstaten Indragiri, Kampar en Siak in Sumatra. Zij leveren goud, krijgslieden, al dan niet als tribuut, en peper uit het achter­land. Volgens Duarte Barbosa en Tomé Pires is de Sumatraanse peper inferieur aan die van Malabar. Pires schat de totale jaar­lijkse goudopbrengst van heel Sumatra op twee bahar. Vooral de Menangkabause havenstad Indragiri, dat een zeer ruime haven heeft, is van belang. Inwoners van de kuststaten van Sumatra komen in kleine proas naar Malacca met de producten uit hun land, om deze te ruilen voor kleding uit Coromandel en Gujarat. De kleding ruilen zij in de binnenlanden van Sumatra voor goud. Ruy de Aranjo schat in 1510 dat Malacca jaarlijks in totaal tien bahar goud ontvangt uit alle goudproducerende gebieden (Siam, Sumatra, Patani, Borneo) tezamen, daarbij inbegrepen het goud dat de Gores aanvoeren. Daarmee is Malacca de grootste goud­markt van Azië. Piraten uit het onafhankelijke Aru en uit de schat­plichtige staatjes Rokan, Rupat en Purim voorzien Malacca van grote hoeveelheden troeboek (gezouten kuit van elften), dat een delicatesse is. Zij leveren Malacca ook veel slaven. De handel met Pacém en Pedir is reeds besproken; resteert de handel met Palembang, dat een zeer belangrijke leverancier van voedsel is. Jaarlijks arriveren tien of twaalf grote jonken uit Palembang in Malacca, geladen met rijst, knoflook, uien, vlees, wijn en bospro­ducten, als: rotan, honing, was en benzoë. Kooplieden uit deze stad bieden ook slaven, katoen en enig goud en ijzer aan, in ruil voor grote hoeveelheden goedkope kleding uit Voor-Indië.

Door de opkomst van Malacca zijn de Javaanse havensteden hun directe handelsrelatie met kooplieden uit China en Gujarat kwijtgeraakt. Hun handel is vrijwel geheel gericht op Malacca, dat van Java voedsel, specerijen en kostbare houtsoorten ontvangt. Ieder jaar zeilen twee of drie jonken uit Malacca naar de havens van het Westjavaanse Soenda. Zij halen daar slaven, rijst en peper, die in de eerste helft van de 16e eeuw minder wordt gewaardeerd dan Malabaarse peper. De in de 16e eeuw zeer belangrijke peperhaven Bantam is aan het begin van deze eeuw nog een onbeduidende plaats; van meer betekenis is Soenda Kalapa (het latere Batavia), twee dagreizen van Dayo, de hoofd­stad van het Hindoerijk Pajajaran. Deze stapelhaven van binnen­landse producten wordt bezocht door schepen van Sumatra, Borneo, Celebes, Oost-Java en Malacca. Kooplieden uit Soenda Kalapa bezoeken ook Malacca. Zij brengen er slaven uit eigen land en van de Malediven, voedsel en peper. West-Java impor­teert voornamelijk geweven katoenen kleding uit Coromandel en Gujarat. Daarnaast worden ingevoerd arekanoten, rozenwater, pachak en zaden uit Gujarat. Met de opkomst van de mos­limstaat Demak, aan de noordkust van Midden-Java, neemt de uitvoer van voedsel naar Malacca, via de belangrijke havenstad Japara en het meer ten westen daarvan gelegen Cheribon, toe.

Van zeer grote betekenis voor Malacca is het Oost­javaanse Gresik, dat de import van specerijen van de Banda-eilanden en de Molukken controleert. Ieder jaar doen vier jonken van de machtige Hindoekoopman Curia Deva uit Malacca, op weg naar Banda en de Molukken, Gresik aan. De heerser van deze be­langrijke haven- en stapelplaats is Pate Cuçuf. Hij is uit Malacca afkomstig. Zijn moeders familie is geparenteerd aan die van de sultan en de bendahara van Malacca. Hij is zelf in Malacca opge­groeid en is zijn vader, Pate Adem, gevolgd, naar diens geboor­teplaats Gresik. Pate Cuçuf voegt aan de vier jonken van Curia Deva er vier van zichzelf toe. De acht jonken ruilen op Banda en de Molukken muskaatnoten, foelie en kruidnagelen voor textiel uit Gujarat, metalen en werktuigen, koper, kwikzilver, vermiljoen, lood, porselein en tal van andere zaken. Naast deze groothandel in specerijen is er ook sprake van particuliere handel, die voort­duurt tot aan de Hollandse tijd. Kooplieden uit Malacca, begeven zich als passagiers aan boord van de jonken naar de Molukken. Zij en ook bemanningsleden van deze jonken verkopen hun waren, vooral kleding, op Java tegen cash (koperen Chinese munten). Daarvoor kopen zij op Soembawa goedkope kleding, die zij op de Molukken en Banda ruilen tegen specerijen, die ook betaald kunnen worden met de resterende cash. De specerijen worden bij terugkeer in Malacca verkocht.

Ruy de Brito laat in 1514 weten dat jaarlijks drie jonken uit Borneo in Malacca arriveren. Deze schepen, die vermoedelijk uit Brunei komen, hebben voedsel, zoals vlees, vis, rijst en sago, alsmede bosproducten, als honing, was, rotan en pek, aan boord. Brunei levert ook schelpen van de porseleinslak, die door­verkocht worden aan Peguanen, alsmede aanzienlijke hoeveel­heden kamfer, verpakt in rotanstokken, goud van slechts 11 tot 14 karaat en tenslotte parels. De handelaren uit Brunei kopen in Malacca kleding uit Bengalen en Coromandel, gekleurd glas en kralen van kornalijn uit Gujarat en Chinese koperen armbanden. Zij ruilen de in Malacca verkregen goederen met stammen in het binnenland tegen stofgoud, dat weer in Malacca wordt geruild. Malacca ontvangt ook edelstenen, goud van 17 à 18 karaat en voedsel van de zuidkust van Borneo en levert daarvoor kleding uit Bengalen en zwarte benzoë uit Palembang.

Bewoners van Celebes bevaren de gehele Indonesische archi­pel en komen in hun lichte, maar goed gebouwde schepen zelfs in Pegu. De meesten van hen zijn piraten, die in hun metier zo succesrijk zijn, dat zij zelfs hun vrouwen meenemen naar zee. Alleen zwaarbewapende jonken zijn bestand tegen hun aanval­len. Zij verkopen hun buit, waaronder veel slaven, op verschillen­de dievenmarkten in de Indonesische archipel. Eerlijke kooplie­den van Celebes, door Pires bestempeld als Bugis, brengen een goede kwaliteit rijst en enig goud naar Malacca. Zij kopen daar, naast benzoë en wierook, vooral kleding uit Bengalen, Gujarat en Coromandel.

De Kleine Soenda-eilanden zijn voor kooplieden uit Maleisië en Java van groot belang, omdat hun expedities op weg naar de Molukken op deze eilanden water en vers voedsel kunnen inne­men. Afgezien van de reeds vermelde handel in kleding bestemd voor de Molukken, levert Soembawa sappanhout. Ofschoon de kwaliteit minder is dan die van Siamees hout, vindt het zijn weg naar China. De Kleine Soenda-eilanden leveren ook veel slaven, omdat kidnapping er wijd verbreid is. Flores levert zwavel, dat via Malacca aan Cochin-China wordt verkocht. De allergrootste at­tractie van de Kleine Soenda-eilanden vormt echter het sandel­hout van Timor, dat aangewend wordt in zalfjes en parfums en dat een grote rol speelt bij ceremoniële lijkverbranding. Sandel­hout groeit uitsluitend op Timor, zoals muskaatnoten alleen op Banda en kruidnagelen alleen op de Molukken groeien. De Timorezen komen niet met hun hout naar Malacca; handelaren uit Malacca verkrijgen het begeerde sandelhout door goedkope kleding uit Gujarat, artikelen van ijzer, zoals zwaarden, bijlen, messen en spijkers, alsmede gekleurde kralen, porselein, tin, kwikzilver en lood naar Timor te brengen.

Uit het voorgaande blijkt hoezeer Malacca, waar jaarlijks honderd grote en dertig tot veertig kleinere handelsschepen binnenlopen, de Aziatische handel tot zich heeft getrokken. Hierdoor zijn oude handelsrelaties soms verloren gegaan. Jonken uit China, die in de 14e eeuw de Molukken en Noordjavaanse havens aandeden, worden daar na de opkomst van Malacca niet meer gezien. Niet­temin loopt niet alle handel in Azië via Malacca. Ook in de 15e en in het begin van de 16e eeuw drijven de Chinezen handel met Achter-Indië, de Filippijnen, Siam en Brunei en onderhouden sommige van deze landen ook onderling handelsbetrekkingen. Pasai (Pacém) en Pedir op Noord-Sumatra zijn, naast Malacca, belangrijke havens, waar Gujarati, Klings, Bengali, Birmezen, Siamezen en Chinezen grote hoeveelheden peper kopen. Elk jaar bezoeken één tot drie schepen uit Gujarat de westkust van Sumatra. In de staatjes Priaman, Tiku en Baros ruilen kooplieden uit Gujarat kleding voor goud uit het Menangkabauwse achter-land, alsmede aloë, kamfer, benzoë, zijde, was, honing en ande-re levensmiddelen. Er bestaan commerciële betrekkingen tussen het expanderende Middenjavaanse Demak en zijn Sumatraanse vazalstaten Palembang en Jambi en tussen het Westjavaanse Soenda en Zuid-Sumatra. Gresik betrekt specerijen uit de Molukken en de Banda-eilanden en levert veel rijst en andere voedingsmiddelen, waaraan deze eilanden grote behoefte heb­ben. Ook hebben we al gezien dat Gujarat rechtstreekse han­delsbetrekkingen onderhoud met China (Hainan), Pegu (Dagon en Martaban), Siam, Java en Kedah. Het ligt voor de hand dat de Portugezen, wier kennis van de betekenis van Malacca, door de berichten van Tomé Pires, Duarte de Barbosa en Ruy de Aranjo, zeer is toegenomen, tot de conclusie komen dat het bezit van Malacca een onmisbare voorwaarde is voor het verwerven van het handelsmonopolie op specerijen.

3.4 De verovering van Malacca (1511).

Categorieën
Portugees kolonialisme

Malacca’s opkomst en positie in Zuidoost-Azië

Deel 5 Index

Hoofdstuk 3

Malacca

3.2 Malacca’s opkomst en positie in Zuidoost-Azië

Geschreven door Arnold van Wickeren

De bij dit hoofdstuk geraadpleegde auteurs verwijzen veel naar de Summa Oriental van Tomé Pires. Deze apotheker, met zijn grote kennis van de farmacie, is in 1511 in Malacca gearriveerd en heeft daarna het schierei­land Maleisië, Java, Sumatra, de Molukken, Banda en andere delen van de Oriënt bezocht. Hij heeft van zijn reizen en waarnemingen gedetailleerd verslag gedaan in zijn Summa Oriental, die hij tussen 1512 en 1515 ge­schreven heeft. Dit werk vormt, naast o Livro van Duarte Barbosa, een be­langrijke bron van onze kennis van vele Aziatische landen en streken in het begin van de 16e eeuw. Veel gegevens in dit hoofdstuk zijn indirect aan de Summa Oriental ontleend en vele malen wordt expliciet daarna verwezen.

Pires legt een direct verband tussen Srivijaya en Malacca. Het befaamde boeddhistische koninkrijk Srivijaya heeft vanaf de 11e eeuw de scheepvaart door de Maleise zeestraat beheerst, omdat het grote gebieden aan de oost­kust van Sumatra en ook een aanzienlijk deel van het Maleise schiereiland heeft omvat. Hetzelfde zal in de 15e eeuw het geval zijn met Malacca, dat dan de controle over de Maleise zeestraat zal verwerven. Srivijaya maakt, anders dan Malacca in de 15e eeuw, van zijn positie misbruik door de han­delsvaart van Arabieren en Perzen op China en de Chinese zeevaart op het Midden-Oosten en de Perzische Golf te dwingen zijn havens aan te doen. Van belang hierbij is dat de grote Chinese jonken op de terugweg hun lading hebben verrijkt met peper uit Malabar en op de heenweg moge-lijk op Java specerijen afkomstig van de Molukken en de Banda-eilanden (kruidnagelen, muskaatnoten en foelie) hebben ingenomen. De beheersing van de inter-Aziatische handel wordt nog vergroot doordat Srivijaya op het hoogtepunt van zijn macht, door middel van een vazalstaat op West-Java, ook Straat Soenda beheerst. In de 12e en 13e eeuw desintegreert Srivijaya onder druk van naar het zuiden opdringende Thais, die zich in steeds grote-re aantallen op het Maleise schiereiland vestigen. Tegen het einde van de 13e eeuw is Srivijaya gedegenereerd tot een door Chinese piraten beheerst staatje rond Palembang. Deze piraten terroriseren samen met de plaatselij-ke bevolking de scheepvaart door de Straat van Maleisië en veroorzaken dat schepen uit West-Azië, vooral uit Gujarat, de zeestraat mijden en hun weg vervolgen langs de westkust van Sumatra en door Straat Soenda.

In 1292 neemt Marco Polo aan de zuidpunt van de overigens desolate en verlaten kust van het Maleise schiereiland, daar waar later Singapore zal ontstaan, de versterkte stad Tumasik waar. In deze plaats hebben zich nogal wat Chinese piraten gevestigd; zij hebben zich vermengd met de plaatselijke bevolking. Met het toenemen van de Javaanse invloed in Zuid-Sumatra en Maleisië in de 14e eeuw komen de piratennesten Tumasik en Palembang onder druk te staan. Na 1377 doet Majapahit, het machtige Oostjavaanse Hindoerijk, waarvan de invloed zich op het hoogtepunt van zijn macht uitstrekt over grote delen van de Indonesische archipel, een aan­val op Sumatra. Een daar levende prins, Paramesvara, afkomstig uit het gebied Tana Malayu, een onder Javaanse invloed staande streek in Zuid-Sumatra, vlucht uit Palembang naar Tumasik, tezamen met zijn vrouw, die een Javaanse prinses is, en zijn aanhangers. Hij vermoordt de Siamese be­stuurder van de stad, maar moet opnieuw vluchten als de Thais een straf­expeditie tegen Tumasik ondernemen. Paramesvara bereikt rond 1402 met zijn getrouwen een riviermonding, waaraan mogelijk reeds een klein vissersdorp ligt. Hij geeft opdracht daar een stad te bouwen, die de naam Malacca ontvangt. De trouwste volgelingen van de stichter van Malacca zijn Celaten, de oorspronkelijke kustbewoners van het Maleise schiereiland en van de daarvoor liggende eilanden. Zij houden zich bezig met visvangst en piraterij. Volgens Pires gaan sommige Celaten de adel van de nieuwe staat vormen. De jonge nederzetting trekt veel nieuwkomers, die zich vermengen met de oorspronkelijke bewoners. Onder de bewoners zijn maar heel wei­nig boeren. De gevolgen hiervan zijn dat Malacca in hoge mate afhankelijk wordt van voedsel dat van elders moet worden aangevoerd en dat het directe achterland uit tropisch oerwoud blijft bestaan. De Chinese historicus Ma Huan deelt over de vroegste periode in de geschiedenis van Malacca mee, dat de brug over de Malaccarivier, die de stad zijn bijzondere karakter geeft, dan al bestaat. Op deze brug zullen later, zoals op de Ponte Vecchio in Florence, reeksen kleine winkeltjes gevestigd worden, waarmee de brug de ontmoetingsplaats voor kooplieden zal worden. Zij zal ook een grote rol spelen bij de verovering van Malacca door Afonso de Albuquerque.

Malacca beschikt over een haven die in elk jaargetijde bereikt kan worden. Er zijn geen gevaarlijke ondiepten, waarop schepen kunnen stranden. De haven heeft niet te lijden van verraderlijke winden, zoals de havens in Noord-Sumatra, die bloot staan aan de noordoostpassaat. Schepen vinden in Malacca het gehele jaar door een veilige ligplaats. De stad ligt aan het smalste gedeelte van wat later de Straat van Malacca zal gaan heten. De stad ligt bovendien op het punt waar alle scheepvaart uit de Chinese en de Java Zee, op weg naar de Indische Oceaan, of van West-Azië naar het Verre Oosten passeert. Ofschoon de meeste bewoners van Malacca van de visvangst leven, begrijpen Paramesvara en zijn naaste medewerkers dat groei en bloei van de stad afhankelijk is van de handel, die zij op alle moge­lijke manieren trachten te bevorderen. Chinese kooplieden die in de begin­tijd van de nieuwe stad met hun jonken de haven aandoen, vinden daar al pakhuizen binnen een houten omheining en een bemande wachttoren met een klok, die bij onraad geluid wordt. De enige export van Malacca bestaat uit tin, dat in het binnenland gewonnen wordt en in blokken wordt gegoten. Paramesvara wil van Malacca een handelsstad en stapelplaats maken. Hij beseft dat dit doel gediend wordt met het beheersen van de zeestraat. Hier­toe moet Malacca trachten aan beide zijden daarvan grote gebieden onder zijn controle te brengen, waarmee het dezelfde machtige positie zal berei­ken als zijn voorganger Srivijaya. Malacca groeit en bloeit en weldra vesti­gen zich kolonisten afkomstig van Siam, Java en Sumatra in de stad, later gevolgd door Bengalezen, Klingalezen uit Coromandel en handelaren uit andere streken van Voor-Indië, die op hun beurt de welvaart van de stad stimuleren. Al in 1403 stuurt de keizer van China de eunuch admiraal Jin Tsjing als zijn gezant naar de nieuwe staat. Jin Tsjing, die geschenken voor Paramesvara bij zich heeft in de vorm van kostbare zijden stoffen, waarin gouden bloemen zijn geweven, spreekt met hem over de macht en de voor­name positie van het Hemelse Rijk. Paramesvara, die vreest dat de Siamese aanspraak op de opperheerschappij over het Maleise schiereiland tot het onder de voet lopen van Malacca kan leiden, voelt er wel voor zich onder bescherming van de Chinese Ming-keizer te stellen en dit temeer daar de aan de keizer verschuldigde schatting nauwkeurig wordt gecom­penseerd door giften en eerbewijzen, terwijl Siam niets teruggeeft voor het goud dat het als tribuut ontvangt.

Paramesvara’s voornemen een vazal te worden van China dat bezig is zich, na het aan de macht komen van de Ming-dynastie (1368), te herstel­len van de Mongoolse overheersing, is mede het resultaat van de expansi­onistische politiek van de Ming-keizers. Zij trachten niet alleen de Chinese kusten te beschermen tegen overvallen van piraten, maar zij pogen ook hun politieke en commerciële invloed in zuidelijke richting uit te breiden. De overvallen op de Chinese kust zijn begonnen nadat de invasievloot van Kublai Khan, de Mongoolse overheerser van China, in 1281 bij het Japanse eiland Pinghu door een taifoen vernietigd is. De Japanners spreken van een Kamikaze (Goddelijke Wind). Deze wind heeft hen immers van de Mongoolse overheersing gered. Voor de Japanse overvallen op de kusten van China worden vooral leden van de feodale adel van het eiland Kyushu gerecruteerd, door het in verval verkerende shogunaat van Ashikaga, dat de raids ontkent. De overvallen op de Chinese kust nemen in aantal en intensiteit voortdurend toe en een eeuw later strekken zij zich uit van het schiereiland Liaotung in het noorden tot het eiland Hainan in het zuiden. De plaag wordt nog verergerd, doordat de Japanse overvallers, aangeduid als `Wako’, bij hun expedities de weg gewezen wordt door Chinese piraten en ontevredenen. De Wako dringen landinwaarts door tot bij de hoofdstad Nanjing. Zij schrikken bij hun plundertochten voor geen enkele wreedheid terug. Berucht is het opensnijden van zwangere vrouwen om het geslacht van het ongeboren kind, waarop weddenschappen zijn afgesloten, vast te stellen. Dezelfde praktijk is bevestigd door ooggetuigen van de Japanse overval op Nanjing in 1937. In de laatste decennia van de 14e eeuw zijn de Wako zo’n plaag geworden dat de Ming-keizers de kusten van Chekian en Fukien, tussen de mondingen van de Yangtze en de Parelrivier, laten fortifi­ceren, een activiteit die wel vergeleken is met de bouw van de Chinese Muur. De derde Ming-keizer, Yong Le (1403-1424), laat een grote vloot bouwen, mede om de Wako te bestrijden. In 1405 zeilt de befaamde eunuch Cheng-Ho voor de eerste maal met de `Grote Vloot’ uit. Deze telt 62 grote en meer dan 140 kleine schepen, waarop zich 27.800 man bevinden. Met deze formidabele macht veegt admiraal Cheng-Ho de Chinese kust schoon. De Wako vluchten naar hun vestingeilanden Goto, Tshushima en Iki, waar Cheng-Ho hen ongemoeid laat. De demonstratie van Chinese kracht is voor de Wako aanleiding een zoenoffer te brengen. Zij dragen twintig van hen als zondenbokken over aan de Chinese autoriteiten. De ongelukkigen worden in Ningpo door hun eigen begeleiders, aan wie keizer Yong Le de wijze van executie heeft overgelaten, op een laag vuurtje gegrild tot de dood erop volgt. Het optreden van Cheng-Ho in 1405 leidt overigens niet tot definitieve beëindiging van de Japanse piraterij. China zal daarvan nog de gehele 15e eeuw te lijden hebben.

Met de `Grote Vloot’ beschikken de Ming-keizers over een machtig instru­ment om China’s politieke en commerciële invloed uit te breiden over heel Zuidoost-Azië, hoewel zij geen imperialistische plannen hebben. De Grote Vloot vaart tussen 1405 en 1433 in totaal zevenmaal uit. Cheng-Ho, die de meeste van deze expedities leidt, bezoekt tal van landen, zoals: Cambodja, Campa en Cochin-China in Achter-Indië, de Indonesische archipel, Siam, Malacca, Ceylon, de Nicobaren, Pegu (Birma) Bengalen en Coromandel. Via Malabar en Gujarat dringt de Grote Vloot zelfs door tot de Perzische Golf, de Rode Zee en de kust van Oost-Afrika. Cheng-Ho heeft niet alleen de opdracht ontvangen de Wako te bestrijden en de landen die hij bezoekt Chinese bescherming aan te bieden, maar hij moet ook het gerucht natrek­ken dat Qian Wen, de neef en voorganger van keizer Yong Le, die door hem is afgezet, naar een land overzee is gevlucht. Veel later, onder een andere keizer, zal in een Boeddhistisch klooster een monnik worden ont­dekt die de eertijds gezochte Qian Wen blijkt te zijn. Cheng-Ho, die een uit­stekend diplomaat is, slaagt er bij zijn bezoeken aan vreemde landen in de meeste daarvan schatplichtig te maken de Chinese keizer. Ieder jaar arri­veert een stroom gezanten in China, om de Ming-keizer kostbaarheden en producten van hun land als tribuut aan te bieden. Omdat Cheng-Ho niet zal hebben nagelaten erop te wijzen dat het ‘s keizers gewoonte is de gezan­ten die schatting komen afdragen, geschenken aan te bieden, waarvan de waarde gelijk is aan het ontvangen tribuut, mag worden aangenomen dat zich ook veel pseudo-gezanten naar het keizerlijk hof in Nanjing begeven. Daar arriveren ook schepen uit het zuiden van China die schatting komen afdragen in de vorm van rijst. De gezanten, die van heinde en ver met tribuut op weg zijn naar Nanjing, genieten natuurlijk de bijzondere belang­stelling van de Wako.

Voor de derde expeditie van de Grote Vloot, die van 1409, dient Malacca als uitvalsbasis. Bij die gelegenheid zegt Paramesvara Cheng-Ho toe de keizer van China als zijn opperheer te erkennen. De koning van Siam behoort ook tot de vele vorsten in Zuidoost-Azië die de Ming-keizer als hun suzerein aanvaarden. In 1411 begeeft Paramesvara zich met een gevolg van 540 personen naar het keizerlijke hof in Nanjing, om in hoogst eigen persoon zijn schatting af te dragen. De keizer staat de prins een audiëntie toe en laat hem en de zijnen onderbrengen in het gebouw van de Raad van de Riten. De prins ontvangt daar buitensporige geschenken en het om­vangrijke gezantschap krijgt dagelijks ossen, geiten en wijn uit de keizerlijke provisiekamers aangeboden. Bij zijn vertrek ontvangt Paramesvara een gordel met edelstenen, gezadelde paarden, 3 kilo goud, 15 kilo zilver, 26 riemen met koperen munten, 400.000 koan in papiergeld, 300 stuks zijdegaas, 1.000 stuks gewone zijde en 2 stuks zijde met gouden bloemen. Bevrijd van het Siamese juk keert Paramesvara naar Malacca terug. De expansionistische politiek van China leidt ertoe dat grote aantallen Chinese kolonisten uitzwermen over geheel Zuidoost-Azië. Zij vestigen zich ook in Malacca, dat in 1414 voor de tweede maal door Cheng-Ho met zijn Grote Vloot wordt aangedaan. Door de komst van de Chinezen, die zich ver­mengen met de plaatselijke bevolking, neemt het belang van Malacca als handelscentrum verder toe. Nadat de zevende expeditie van de Grote Vloot in 1433 in China is teruggekeerd, komt er voor zestig jaar een einde aan de Chinese commerciële expansie; Chinese jonken worden na 1433 nog maar zelden in de Indische Oceaan gezien. Zij blijven wel de Indonesische wate­ren bezoeken, maar het meest westelijke punt dat zij bereiken is Malacca.

Over de oorzaak van deze ontwikkeling is veel gespeculeerd en volgens Charles Boxer is de vraag nog niet bevredigend beantwoord. Zijn de grote en logge Chinese jonken, die soms 300 man aan boord hebben, ongeschikt gebleken voor het bezeilen van de Indische Oceaan, of kunnen zij de con­currentie met de veel lichtere Arabische dhows niet aan? De grote jonken worden naarmate zij langer in de vaart zijn hoe langer hoe meer onhanteer-baar, omdat de Chinezen de gewoonte hebben een kapot dek niet te ver-vangen, maar er een nieuw dek overheen te leggen. Oude jonken hebben soms zeven deklagen. Is de maritieme expansie te kostbaar en dient China zijn militaire middelen vooral in te zetten tegen de Mongoolse dreiging? Wallerstein brengt hiertegen in dat de expedities terugkeren met grote hoe­veelheden producten uit de bezochte gebieden, naast overvloedige inlich­tingen over de geografie en de zeeroutes. Is de verplaatsing van het keizer-lijk hof van Nanjing naar Beijing in 1421 er de oorzaak van dat de belang­stelling voor de maritieme expansie afneemt? Zijn het de intriges van de Confuciaanse ambtenarij die de door hen gehate eunuchen hun expedities misgunnen, of is het de leer van Confucius, volgens welke China het kan stellen zonder uit vreemde landen aangevoerde curiositeiten, die leiden tot een meer isolationistische politiek, met andere woorden: is het Hemelse Rijk zichzelf genoeg? Noodzaken tenslotte de overvallen van de Wako tot het inzetten van de Chinese vloot in de Oostchinese Zee en willen de Ming-keizers de Chinese scheepvaart zoveel mogelijk beperken en strikt contro­leren, om eventuele hulp aan de Wako te verhinderen? Vast staat dat het Chinezen tenslotte verboden wordt nog langer op Japan te varen; een verbod waarvan de Portugezen later in hoge mate van zullen profiteren.

De heersers van Malacca trachten goede betrekkingen te onderhouden met het aangrenzende Siam. De expansionistische neigingen van de Thais leiden soms tot schermutselingen, maar gewoonlijk niet tot verbreking van de commerciële betrekkingen, waardoor de noodzakelijke aanvoer van levensmiddelen zou worden onderbroken. De relatie van Malacca tot het Javaanse Hindoerijk Majapahit is in de 15e eeuw van groot belang. De Javanen voeren niet alleen specerijen afkomstig van de Molukken aan, maar zij zijn ook onontbeerlijk als leveranciers van voedsel, vooral van rijst.

In de 13e eeuw zijn op de berghellingen van Noord-Sumatra pepercultures tot ontwikkeling gekomen. De belangrijkste uitvoerhavens van peper zijn Samudra-Pasai (Pacém) en het noordelijk daarvan gelegen Pidië (Pedir). Peper vindt gretig aftrek, vooral als conserveringsmiddel. Er ontstaat een bloeiende handelsrelatie tussen vooral Pacém en Majapahit, die grote aan­tallen Javaanse jonken geladen met rijst naar Pacém brengt, om daar peper te laden. De peper trekt ook kooplieden aan uit Bengalen, Gujarat en zelfs uit het Midden-Oosten. Zij brengen de islam naar Sumatra. Van Marco Polo weten we dat het Noordsumatraanse Perlak al in 1291 islamitisch is. Uit een grafsteen, gedateerd 1297, blijkt dat Malik-al Saleh, Samudra’s eer­ste sultan is geweest. Pacém ontwikkelt zich tot een centrum van theologi­sche studies. De laatste van de negen Wali’s en een van de beroemdste van Java, Sunan Gunung Jati, komt uit Pacém, dat eveneens een rol speelt bij de islamisering van Malacca. De opvolger van Paramesvara tracht een deel van de peperhandel van Pacém, dat te sterk is om te veroveren, met vreedzame middelen over te nemen. Dit lukt, omdat Malacca meer inwo­ners heeft dan Pacém en daardoor een betere afzetmarkt is voor Javaanse rijst. De komst van handelaren van Java naar Malacca, die voorheen hun rijst in Pacém aanboden, doet rijke Arabische en Bengaalse moslim-kooplieden, verhuizen van Pacém naar Malacca. Hun komst wordt bevor­derd door hen betere voorwaarden te bieden dan zij in Pacém hebben. De nauwe contacten die Malacca met Pacém onderhoudt, de vestiging van veel islamitische kooplieden in Malacca en het huwelijk van de Hindoevorst van Malacca met een Noordsumatraanse prinses leiden ertoe dat de vorst zich rond 1425 tot de islam bekeert. Hij noemt zich daarna Iskander Shah. Zijn voorbeeld wordt gevolgd door een groot deel van zijn onderdanen. Onder het bewind van Iskander Shah ontwikkelt Malacca zich tot een politieke macht van grote betekenis, het belangrijkste handelscentrum van Zuidoost-Azië en hèt centrum van waaruit de islam zich verspreidt. Islamiti­sche handelaren brengen hun monotheïstische geloofsovertuiging naar de kuststreken van Sumatra, Java, Zuid-Celebes, de Molukken, de Filippijnen en West-Irian. Iskander Shah bevordert stiekem de islamisering van de Noordjavaanse kuststeden en ondermijnt daarmee de macht van Majapahit. Desondanks weet hij de goede handelsrelatie met Majapahit, van welks rijstimporten Malacca afhankelijk is, in stand te houden, onder meer door de Hindoevorst van Majapahit schatting te blijven betalen.

De achterkleinzoon van Paramesvara, Muzaf­far Shah (1446-1459) be­noemt in 1456 de uiterst bekwame Tun Perak als bendahara. In hetzelfde jaar is Tun Perak de redder van Malacca, door in een hevige zeeslag bij Zuid-Johore de Siamese vloot te verslaan. Vanaf dat moment is Tun Perak, hoewel hij tussen 1456 en 1498 nimmer zelf sultan is geweest, de feitelijke bestuurder van Malacca en de drijvende kracht achter zijn commerciële en territoriale expansie. Vanaf het eerste decennium van zijn bestaan heeft Malacca getracht zijn invloed over het Maleise schiereiland en Sumatra uit te breiden. De verovering van het gehele Maleise schiereiland, tot aan de huidige grens met Thailand vindt echter in later jaren plaats. Zij gaat hand in hand met de verbreiding van de islam. De staat Perak, die op dat mo­ment al islamitisch is, gaat in 1460 deel uit maken van Malacca. Vervolgens wordt Pahang veroverd. Deze vazalstaat van Siam zal de uitvals­basis van Malacca tegen Siam worden. Later zal een lid uit een zijtak van Malacca’s koningshuis de troon van Pahang bestijgen. Pahang dient jaarlijks een bepaald gewicht aan goud als schatting aan Malacca af te dragen. In de volgende jaren wordt ook de opperheerschappij verworven over Trengganu en Kelantan, ten noorden van Pahang. Malacca durft echter niet door te stoten naar het machtige Patani. Weliswaar heeft Patani een Maleise bevolking, maar de Siamese invloed is er groot.

Er is Malacca veel aan gelegen de piraterij in de Straat van Singapore, die zijn handel bedreigt, uit te roeien. Daartoe brengt Malacca het zuidelijke deel van het Maleise schiereiland en het eiland Bintan onder zijn controle. De in deze streken wonende Celaten, die van hun broodwinning worden beroofd, worden gedwongen een deel van het jaar in de vloot van Malacca te dienen. De piraterij die uitgaat van de kleine staat Aru, aan de kust van Sumatra, blijkt veel moeilijker te bestrijden. De `koning’ van Aru, die de buit met zijn zeerovers deelt, verblijft in een vrijwel onbereikbare sterkte in het binnenland. Malacca slaagt er de hele 15e eeuw niet in Aru te onderwer­pen, net zo min als dat de Portugezen in de 16e eeuw zal lukken. Malacca sluit verdragen af met een reeks van tinproducerende plaatsen: Klang, Selangor, Perak, Bernam, Mangong en Bruas, waarbij deze plaatsen zich ertoe verplichten de sultan van Malacca elk jaar van een bepaalde hoeveel­heid tin te voorzien. Zij dienen Malacca ook voedsel te leveren. Het wordt met kleine prauwen aangevoerd. Het verwerven van de opperheerschappij over de tinproducenten brengt Malacca in conflict met Kedah, de graan­schuur van het Maleise schierreiland, dat de suprematie over een deel van de mijnen opeist. Kedah slaagt erin uit de greep van Malacca te blijven, maar moet erin berusten dat het de zeggenschap over de tindistricten ver­liest. In 1474 bestijgt ook in Kedah een sultan de troon. Malacca weet op Sumatra de gebieden tussen de Rokan- en de Jambirivier te onderwerpen. De kleine rijken Kampar, het goudproducerende Siak en Indragiri worden in 1477 vazalstaten. De opperheerschappij over Kampar, waar een lid van het koningshuis van Malacca de troon verwerft, verschaft Malacca de controle op de uitvoer van peper en goud uit Menangkabau. Ook de Riau-Lingga-archipel, met zijn oorlogszuchtige bevolking, de Orang Laut, wordt onder-worpen. Naast Celaten, vormen Orang Laut en bewoners van Rokan, dat vroeger tot Aru heeft behoord, de bemanning van Malacca’s oorlogsvloot.

Aan het einde van de 15e eeuw is Malacca uitgegroeid tot verreweg het belangrijkste handelscentrum van Oost-Azië, waarvan de faam zelfs is doorgedrongen tot in Europa. Honderden kooplieden uit Arabië, Perzië, Gujarat, Malabar, Siam, Bengalen, Coromandel, Pegu, China, de Liu-Kiu eilanden, de Filippijnen, Java, Sumatra, Borneo en Celebes bezoeken ieder jaar de stad. Vooral Gujarati-kooplieden komen in groten getale, zowel moslims als Hindoes. Vooral de laatsten staan bekend om hun handelsin­stinct; het zijn de Italianen van Azië, die ook vaak optreden als kredietver­schaffers. De handel is bijna geheel in handen van buitenlanders. Malacca zelf voert alleen vis uit, afgezien van als tribuut ontvangen goud en tin. Pires laat evenwel weten dat sultan Muzaffar Shah jonken laat bouwen en deze geladen met handelsgoederen doet uitzeilen. De eerste Portugezen die de stad bezoeken, Duarte Barbosa en Tomé Pires, zijn zeer onder de indruk van de commerciële bedrijvigheid in de stad. `Goederen van overal uit het Oosten worden hier aangetroffen; goederen van overal uit het Westen worden hier verkocht.’ Schrijft Pires. Het is hem ook duidelijk dat de bloei van Malacca, naast de gunstige ligging, te danken is aan een gematigd bestuur, dat de handel niet overdreven belast, zich strikt houdt aan de vastgestelde tarieven en zich laat leiden door religieuze tolerantie.

Afgezien van de sultan, is de bendahara de hoogste autoriteit in Malacca. Hij combineert de functies van kanselier, schatkistbewaarder en opperrech­ter, zowel in civiele als in strafzaken. De bendahara is dus een soort Eerste Minister. De laksamana is admiraal van de oorlogsvloot. De tumenggung heeft het bevel over de wacht en de jurisdictie over de stad; hij ontvangt ook alle import- en exportheffingen. De Maleise bevolking en de vreemde kooplieden wonen allen in hun eigen stadsdistrict. De vreemdelingen heb­ben hun eigen hoge bestuursambtenaar of sjahbander. De senior sjahban­der behartigt de belangen van de Gujarati-handelaren. Een andere sjah­bander die van de Klingalezen, Bengalezen en de kooplieden uit Pacém en Pegu, waarmee niet alleen de stad, maar het hele gebied rond de Golf van Martaban wordt bedoeld. De derde sjahbander gaat over de Javanen en over de kooplieden van de Molukken, Banda, Palembang, Borneo en de Filippijnen. De vierde sjahbander bemoeit zich met de Chinezen, de inwo­ners van de Liu-Kiu eilanden en de Japanners. De belangrijkste taak van de sjahbander is een oogje te houden op de kooplieden uit een bepaald land. Hij houdt ook hun markten en opslagplaatsen in de gaten en let erop dat zij met juiste maten en gewichten werken. Ook beslist hij in geschillen tussen nakoda’s (scheepskapiteins) en kooplieden. De handel in Malacca is zo lucratief dat de kooplieden nog wel eens in de verleiding komen gezag­hebbers steekpenningen te betalen, maar de mate van corruptie in de stad is zeker niet groter dan elders. De bureaucratie van Malacca zal vrijwel ongewijzigd worden overgenomen door de Portugezen. Dit geldt ook de tarieven, waarmee de import en export wordt belast, omdat bewezen is dat de handel daarbij floreert.

De welvaart van Malacca leidt ertoe dat de sultans grote fortuinen vergaren. Het vermogen van een van de voorgangers van Mahmoed Shah, sultan Alu’ud-in, is geschat op 140 quintais goud. De vorsten van Malacca be­steden hun rijkdom aan de bouw van moskeeën en paleizen, aan een grote zeer luisterrijke hofhouding, die onderworpen is aan een ingewikkeld en tot in details voorgeschreven hofceremonieel, en aan het erop nahouden van en zeer omvangrijke harem. De macht van de sultan is zo absoluut dat hij de dochters van zijn onderdanen, maar ook die van de buitenlandse koop­lieden kan opeisen voor zijn harem. Bovendien kan de sultan bij het overlij­den van een koopman beslagleggen op diens bezittingen. Het ambitieuze hof wordt geobsedeerd door oorlog en vrouwen en de intriges doen niet onder voor die in Italië ten tijde van de Renaissance. Het hof ontwikkelt zich tot een centrum van wetenschap en theologie. De voorwaarde daartoe is geschapen door de toevloed van moslim- en Hindoekooplieden; Chinese handelaren importeren ook het boeddhisme, taoïsme en confucianisme.

Na de Portugese mislukking in 1509 duurzame handelsbetrekkingen met Malacca aan te knopen, treedt bendahara Tun Mutahir in het huwelijk met de mooie Tun Fatimah, dit tot grote ergernis van sultan Mahmoed Shah, die de jonge vrouw voor zichzelf wil hebben. Een intrigant maakt misbruik van de ergernis van de sultan, door een verhaal op te dissen over de plannen van de bendahara de sultan ten val te brengen. De sultan reageert hierop met het overleveren van Tun Matahir en zijn familie aan de beul. Hij spaart echter de schone Tun Fatimah en haar broer. Als de sultan beseft dat hij in een val is getrapt, eist hij de doodstraf van de intrigant. Omdat de schade onherstelbaar is, raakt het hof en het volk bitter verdeeld over het lot van Tun Mutahir. De onschuldig gestorven bendahara was geen onomstreden figuur. Stammend uit een milieu van Klingalese kooplieden, is hij de vreem­de kooplieden altijd met de grootste welwillendheid tegemoet getreden. Hij genoot daarom bij hen groot respect. De in Malacca gevestigde handelaren waren minder enthousiast over de bendahara; zij verweten hem zijn hebzucht, arrogantie, corruptie, ijdelheid en trots. Zij hebben de verwijfde dandy intens gehaat. De opvolger van Tun Mutahir is bendahara Tun Mat, een oude man, met verlammingsverschijnselen in beide benen.

3.3 Handelsstromen van en naar Malacca.

Categorieën
Portugees kolonialisme

Het voornemen Malacca te veroveren

Deel 5 Index

Hoofdstuk 3

Malacca

3.1 Het voornemen Malacca te veroveren

Geschreven door Arnold van Wickeren

Diogo Mendes de Vasconcelos geeft te kennen naar Malacca te willen gaan, om zijn oorspronkelijke opdracht uit te voeren. Ruy de Aranjo, die onder Diogo Lopes de Sequeira factor in Malacca is geweest en daar in gevangenschap verblijft, heeft Albuquerque in een brief, gedateerd 6 februari 1510, een gedetailleerde beschrijving van de handel van Malacca verschaft. Hij heeft in de brief, die door zijn 18 medegevangenen ondertekend is, ook laten weten dat Malacca niet veroverd had kunnen worden als de plichtsgetrouwe en bekwame bendahara Tun Mutahir niet zou zijn vermoord, in opdracht van sultan Mahmoed Shah (zie par. 2.2). Thans is handel met Malacca wellicht wel met wapengeweld af te dwingen, maar daarvoor is een sterke vloot nodig. Dankzij de voorspraak van de invloedrijke Indische Hindoehandelaar Ninan Chata (Chetti) vergaat het de Portugese gevangenen in Malacca niet slecht, afgezien van de pogingen die zijn aange­wend hen met geweld tot de islam te bekeren. Ninan Chata, begrijpend dat zijn zaken er wel bij kunnen varen als hij bij de Portugezen in de gunst komt, heeft met succes bepleit de gevangenen enige vrijheid te geven, opdat zij met handeldrijven in hun eigen levensonderhoud zouden kunnen voorzien. Som­mige Portugezen verlichten hun gevangenschap door samen te wonen met een Maleise vrouw en de brieven die de gevangenen schrijven worden op verzoek van Ninan Chata door Moorse kooplieden bij de Portugezen in Malabar bezorgd. Nadat de gou­verneur-generaal de brief van Ruy de Aranjo gelezen heeft, ver­biedt hij Diogo Mendes naar Malacca uit te zeilen, omdat hij zijn opdracht niet `met vier verrotte schepen en twee roestige zwaar­den’ kan uitvoeren en hijzelf op dit moment niet over de middel­en beschikt hem voldoende hulp te bieden. Albuquerque belooft Diogo Mendes versterkingen, zodra dat mogelijk is en hij meent deze toezegging, omdat hij zelf ook een groot voorstander van de verovering van Malacca is. Hij heeft al op 19 oktober 1510, dus nog voor de eerste verovering van Goa, aan koning Manuel laten weten dat hij vernomen heeft dat de koning van Malacca zijn bendahara heeft laten vermoorden en hij heeft hieraan toe­gevoegd dat hij een vloot van acht schepen naar Malacca zal zenden. Tot capitão-mor over deze vloot zal hij benoemen Diogo Mendes de Vasconcelos,`in wie ik het groots mogelijke vertrou­wen heb’. Ruy de Aranjo zal daar opnieuw optreden als factor. De brief van 19 oktober is ook nog in een ander opzicht van be­lang. De gouverneur-generaal vraagt koning Manuel hem geen schepen meer te zenden, die heeft hij genoeg. Waar hij een schreeuwend gebrek aan heeft zijn 500 lansen en 200 spiesen voor de garnizoenen in de forten.

Diogo Mendes laat zich door het verbod van de gouverneur niet weerhouden toch uit te zeilen. Albuquerque zendt twee galeien achter hem aan. De kapiteins daarvan hebben opdracht Diogo Mendes’ schepen te doen terugkeren en deze bij een weigering tot zinken te brengen. Nadat drie schoten op Diogo Mendes’ schip zijn afgevuurd en bij het derde schot de hoofdmast is ge­broken, geeft hij zijn poging op. Bij terugkeer wordt hij gearres­teerd en in het fort opgesloten; al zijn officieren worden in de ijzers geslagen en in eenzaamheid opgesloten. Diogo Mendes de Vasconcelos en zijn kapiteins Dinis Cerniche en Pero Corresma worden later naar Portugal gezonden en de andere officieren blijven gevangen op hun eigen schepen.

Nadat de Portugezen zich stevig in Goa genesteld hebben, staat Albuquerque voor een moeilijke keuze. Welke politiek moet hij voeren om de Arabische handel in de Oosterse rijkdommen te vernietigen en een Portugees handelsmonopolie in Aziatische producten te vestigen? Er zijn twee mogelijkheden: er kan voor worden gekozen de Arabische handelsvaart te vernietigen door de zeestraten met eskaders te bewaken. Daartoe dient beschikt te worden over strategisch gelegen militaire steunpunten van waaruit de zeestraten snel te bereiken zijn. De andere mogelijk­heid is dat getracht wordt de gebieden in handen te krijgen waar de begeerde producten worden voortgebracht of verhandeld..

Albuquerque lijkt aanvankelijk voor de eerste optie te kiezen. Hij laat zijn hele vloot in gereedheid brengen om in april 1511 uit te varen naar de Rode Zee. Wellicht zegt hij zijn kapiteins bij Aden een fort te willen bouwen, omdat bekend is dat koning Manuel al enige keren daarop bij hem heeft aangedrongen. Bij de Baixos de Paduá krijgt hij de wind tegen en moet hij constateren dat het seizoen al te ver gevorderd is om zijn voornemen te kunnen uit­voeren. Hij keert naar Goa terug. Een van zijn kapiteins, Simão de Andrade, ontdekt vermoedelijk bij deze gelegenheid voor het eerst een belangrijk eiland van de Malediven. Het is echter de vraag of deze archipel al niet voor 1511 is ontdekt. In deel IV (zie pag. 40) is melding gemaakt van het verdwijnen van het karveel van João Fernandes de Mello, op het traject Dabul-Angediva. Mello is april 1502 uitgezeild met het eskader van Estevão da Gama en heeft onderweg het bevel over het schip van António do Campo overgenomen. Volgens Gaspar Correia belandt dat karveel door een storm in de Malediven, waar Mello sterft. De vaak in ongunstige zin in deel IV genoemde António do Campo, neemt opnieuw het bevel op zich en voegt zich in 1503 bij het restant van de vloot van Vicente Sodré (zie deel IV, pag. 70). Barros stelt echter dat het schip van João Fernandes door de storm teruggevoerd is naar Malindi en dat het daarna de over­steek naar Angediva heeft gemaakt, zonder de Malediven aan te doen. Goís deelt mee dat een inheems hoofd in de Malediven zich in 1518 verbitterd uitlaat over de Portugezen, die de bewo­ners van een of meer eilanden voorheen geterroriseerd hebben.

Terug in Goa geeft Albuquerque capitão Rodrigo Rabello de Castelo Branco nog enige instructies en zeilt dan door naar Cannanore. Na daar het fort versterkt te hebben, begeeft hij zich naar Cochin, met de bedoeling om vandaar een grote expeditie uit te rusten naar Malacca, de grootste stapelplaats voor spece­rijen en de belangrijkste transitohaven in Oost-Azië. Aangeno­men moet worden dat Albuquerque, die goed bekend is met de moessonwinden in de Indische Oceaan, bij het uitzeilen in april terdege beseft heeft dat hij de Rode Zee niet zou kunnen berei­ken en dat ook helemaal niet van plan is geweest. Hij heeft onge­twijfeld een krijgslist verzonnen, om het werkelijke doel van de expeditie geheim te houden, maar ook om degenen die klaar staan hem te verwijten, dat hij ongehoorzaam is aan het bevel van koning Manuel naar de Rode Zee te gaan, de wind uit de zeilen te nemen. Albuquerque heeft nog een tweede reden voor het veroveren van Malacca en wel wraak nemen voor wat daar Diogo Lopes is aangedaan en het bevrijden van Ruy Aranjo en de zijnen.

3.2 Malacca’s opkomst en positie in Zuidoost-Azië.

Categorieën
Portugees kolonialisme

De definitieve verovering van Goa

Deel 5 Index

Hoofdstuk 2

De eerste jaren van het gouverneurschap van Afonso de Albuquerque

2.5 De definitieve verovering van Goa

Geschreven door Arnold van Wickeren

Op weg naar Angediva ontmoet de vloot het eskader van Diogo Mendes de Vasconcelos. Hij is op 12 maart 1510 met vier sche­pen uit Lissabon vertrokken en heeft Malacca tot eindbestem­ming. Bij dit eskader heeft zich Francisco Marecos met zijn São Francisco aangesloten. Deze kapitein, die zich al onderscheiden heeft bij de expeditie van Vasco da Gama van 1502, is in 1509 opnieuw uitgezeild met de vloot van Dom Fernando Coutinho Zijn bestemming was toen niet Malabar, maar Moçambique, waar hij heeft `overwinterd’. De vijf schepen sluiten zich aan bij de grote vloot en deze bereikt op 17 augustus Angediva, om twee dagen later bij Onor te arriveren. Albuquerque heeft daar een ontmoeting met Timoja, die inmiddels op zijn thuisbasis is terug­gekeerd. Als de vloot op weg naar Cochin op 26 augustus bij Cannanore aankomt, waar Albuquerque een vriendelijk onder­houd met de radja heeft, verneemt hij dat er vanuit Suez een enorme Egyptische vloot is uitgevaren, om Goa te versterken. Voor de gouverneur is dit aanleiding het eskader van Diogo Mendes de Vasconcelos niet door te laten zeilen naar Malacca, maar voorlopig in Malabar te houden. Korte tijd later arriveert Duarte de Lemos, de bevelhebber aan de kusten van Oost-Afrika en Arabië, met vier schepen.

Lemos, die weinig successen heeft geboekt bij het bestrijden van de Arabische scheepvaart op weg naar de Rode Zee, is bereid Albuquerque bij de herovering van Goa te helpen, op voorwaarde dat daarna zijn eigen vloot ver­sterkt wordt, omdat het opvangen van Moorse vloten die de Rode Zee verlaten de beste wijze is om Goa te verdedigen.

Terwijl de vloot zich nog voor Cannanore bevindt, arriveert daar een boodschapper van sultan Mahmoed Begarha van Cambay. De vorst wenst vrede met de koning van Portugal en wil zelfs een bondgenootschap met hem aangaan, ofschoon hij in 1508 nog de hulp van de `Grote Sultan’ tegen de Portugezen heeft ingeroe­pen. De ambassadeur vraagt ook teruggave van een door de Portugezen genomen schip, dat aan zijn vorst toebehoort. De boodschapper laat tenslotte weten dat zijn koning een aantal Portugezen, die onder zijn bescherming in Cambay verblijven, naar Albuquerque zal laten vertrekken. Het zijn de overlevenden van de Santa Cruz, het schip van Fernão Jaco, dat komende uit Socotra in de Perzische Golf in moeilijkheden is geraakt en uit­eindelijk schipbreuk heeft geleden nabij Nabond, voor de kust van Cambay. Bij deze schipbreuk zijn Albuquerques neef, Dom Afonso de Noronha en vijf of zes anderen opvarenden verdron­ken, bij een poging zwemmend de kust te bereiken. De gouver­neur-generaal belooft de ambassadeur, na de herovering van Goa, Cambay te zullen bezoeken, om een verdrag met zijn sultan te sluiten. Vervolgens zendt Albuquerque Simão Martins met drie schepen naar de omgeving van Mont Delhi om uit te zien naar de Egyptische vloot. Gonçalo de Sousa wordt, met dezelfde opdracht, uitgestuurd naar de Luccadiven, een groep eilanden ten noorden van de Malediven, ter hoogte van Cochin. Albuquerque ontvangt nog meer versterkingen: op 8 september arriveert Lourenço Moreno met drie schepen in Cannanore. Hij wordt gevolgd door Gonçalo de Sequeira, die op 16 september met zeven schepen aankomt. Afgezien van het eskader van Diogo Mendes de Vasconcelos, is Albuquerques vloot uitgebreid met niet minder dan 14 schepen en 1.500 man.

De voorgenomen herovering van Goa wordt ook met diploma­tieke middelen voorbereid. Albuquerque zendt Lourenço Moreno door naar Baticale, dat een vriendschapsverdrag met Portugal wil aangaan; naar Timoja in Onor, om zijn hulp in te roepen; en naar de koning van Garçopa. Timoja laat weten dat de Adil Khan met zijn leger Goa verlaten heeft, om opstanden in het oosten van Bijapur te onderdrukken, zodat het tij zeer gunstig is om Goa aan te vallen. Albuquerque zou ongetwijfeld direct tot de aanval op Goa zijn overgegaan, als hem niet van de radja van Cochin het dringende verzoek bereikt zou hebben hem te helpen een door de zamorin van Calicut geïnspireerde opstand te onderdrukken. Alleen Albuquerques aankomst in Cochin op 26 september is voor de rebellerende neef van de radja aanleiding van zijn basis op het eiland Vypin weg te vluchten.

Nadat de zaken in Cochin zijn rechtgezet, roept Albuquerque zijn kapiteins daar op 10 oktober bijeen en vraagt hun instemming voor zijn plan Goa definitief te veroveren. Hij argumenteert dat de Idalção een tegen de Portugezen gericht verbond zou kunnen sluiten met de vorsten van Cambay en Calicut en bovendien hulp zou kunnen ontvangen van de `Grote Sultan’ van Egypte en dat het er dan slecht uitziet voor de Portugese positie in Indië. Verschillende kapiteins voelen niets voor het plan. De gouverneur-generaal, die in totaal over bijna veertig schepen beschikt, kan aarom antwoorden dat zij die het plan niet steunen niet aan de expeditie behoeven deel te nemen. Terug in Cannanore ontmoet Albuquerque Lourenço Moreno, die net van zijn missie naar Baticale is teruggekeerd. Hij meldt dat Baticale bij nader inzien geen verdrag wil aangaan met de Portugezen, zonder dat de malabar van Narsinga daarmee heeft ingestemd. De koning van Garçopa en Timoja hebben laten weten voorberei- dingen te treffen voor deelname aan een nieuwe expeditie tegen Goa.

Albuquerque zet in een brief aan koning Manuel, gedateerd 17 oktober 1510, uiteen wat het belang is van de verovering van Goa. Hij wijst erop dat het extreem rijke Goa op verschillende eilanden ligt en over een grote haven beschikt, waar schepen, ongeacht uit welke richting de wind waait, een veilige ligplaats vinden. Goa ligt vlak bij Angediva en daarmee zeer strategisch, omdat alle schepen van en naar Malabar dit eiland aandoen. Goa heeft voldoende bekwame scheepsbouwers, zodat het bezit van Goa het onnodig maakt vanuit Portugal scheepsbouwers, die bovendien slecht tegen het klimaat kunnen, te zenden. Nu de oorlogszuchtige Turken het in Goa voor het zeggen hebben, vormt de stad met zijn grote vloot en vele scheepswerven een voortdurende bedreiging voor de Portugese positie in Indië. Goa in Portugese handen zal de veiligheidssituatie enorm verbete­ren. Albuquerque wijst de koning erop dat Goa de sleutel is tot de Deccan, waarvan de koning zijn rijk verdeeld heeft in verschil­lende provincies, waarvan de meest Turkse en Perzische gou­verneurs elkaar voortdurend beoorlogen. Deze laatste opmerkin­gen slaan op het uiteenvallen van het sultanaat Bahmani; het ontstaan van de rivaliserende staten Ahmadnagar, Berar, Bidar en Bijapur en op het feit dat Yusuf Adil Shah, de overleden Adil Khan van Bijapur, een zoon was van de Osmaanse sultan Murad II. Tenslotte vraagt de gouverneur koning Manuel ten laste van de koninklijke schatkist geldmiddelen beschikbaar te stellen voor de verovering van Goa en voor de bouw van een fort aldaar.

Op de vloot van 23 schepen die in Cannanore bevoorraad wordt, schepen zich 1680 man in. Zij moeten het opnemen tegen 9.000 vijanden, voor een groot deel Turken. Aan de expeditie nemen vele kapiteins deel die ook al bij de eerste aanval op Goa en bij het debâcle in Calicut betrokken zijn geweest. De kapiteins die zich gekeerd hebben tegen een nieuwe aanval op Goa, zijn niet van de partij. Onder hen die in Cochin achterblijven, bevinden zich tijdens de vorige expeditie gestraften en kapiteins die de Turken geen of weinig weerstand hebben geboden. De kapiteins die al in Calicut of Goa gevochten hebben en ook nu weer aan de expeditie deelnemen zijn: de gebroeders Fernão Peres en Simão de Andrade, die na hun rebellie kennelijk weer in genade zijn aangenomen; Diogo Fernandes de Béja, Manuel de Lacerda, Dom Jerónimo en Dom João de Lima, Simão Martins, Duarte de Melo, Bastião de Miranda, Gaspar de Paiva, de alcaide-mor die voor zijn trouw kennelijk tot kapitein bevorderd is, en Francisco Pantoja. Naast deze elf `oude rotten’ zullen de volgende zeven kapiteins als bevelvoerders worden ingezet: Pero de Afonseca, Ruy de Brito Patalim, Manuel da Cunha, Jorge Nunes de Leão, António de Mattos, Afonso Pessoa en Francisco Pereira Pestana. Aan de daden van twee van hen: Ruy de Brito Patalim en Francisco Pereira Pestana, capitão van Sofala respectievelijk Kilwa, is in Deel IV al uitvoerig aandacht besteed. Tenslotte nemen aan de expeditie deel: Diogo Mendes de Vasconcelos en de andere kapiteins van zijn eskader: Dinis Cerniche, Pero Corresma en Baltasar da Silva.

De vloot neemt in Onor vers water en voorraden in. Timoja en de koning van Garçopa verstrekken Albuquerque gedetailleerde in­lichtingen over de sterkte van de Turken in Goa. Deze blijkt aan­zienlijk te zijn. Zij bevestigen dat de Adil Khan in het oosten van Bijapur een opstand aan het onderdrukken is. Hij is te ver weg om bij een aanval op Goa te hulp te kunnen snellen. Beide bondgenoten beloven te zullen deelnemen aan een aanval op Goa. Albuquerque twijfelt hieraan; hij denkt dat zij hun toch al slechte relatie met de Idalção niet nog meer willen belasten, in het geval deze als overwinnaar uit de strijd te voorschijn zou komen. Albuquerques twijfel aan zijn bondgenoten is de reden dat zijn vloot elf dagen voor anker ligt bij Angediva, wachtend op tekenen dat beiden in actie komen. Dan steekt de vloot over naar de monding van de Rio Mandovi. Manuel da Cunha wordt met zes schepen naar de zuidkant van het Ilha de Goa gestuurd, om bij Agasim contact te maken met de troepen van Timoja, die daar zou aanvallen. Van Timoja ontbreekt echter ieder spoor. Zonder nog verder te wachten op zijn hulp en op die van de koning van Garçopa, besluit Albuquerque Goa aan te vallen. De hele vloot vaart de Mandovi op, niet gehinderd door wrakken met stenen in de vaargeul, omdat de rivier twee nieuwe diepere vaargeulen heeft uitgeschuurd. Voor het fort van Ela aangekomen, aarzelt de capitão-mor enige dagen met het aan land zetten van troepen, omdat uit verkenning van de situatie en uit mededeling van een gevangengenomen Moor blijkt dat het fort en zijn garnizoen, onder bevel van Asad Khan Sufolarim, extreem sterk zijn. De capitão-geral overwint zijn aarzeling echter ogenblikkelijk als hij ziet dat er door de Turken met boomstammen versterkte aarden wallen worden aangelegd en daarop grote kanonnen worden ge­plaatst. Hij wil de Turken uit deze stellingen verdrijven en zijn mannen zich laten mengen onder de naar het fort vluchtende Turken, om op die manier het fort te veroveren. Op 25 november, de naamdag van Santa Catarina, vindt de aanval bij het ochtend­krieken plaats. Daartoe is de strijdmacht in drie compagnieën ge­splitst. De kapiteins Manuel da Cunha, Manuel de Lacerda, Dom João en Dom Jerónimo de Lima, Gaspar de Paiva en Pero de Afonseca behoren met Gaspar Cão, Fernão Feyo en veel andere fidalgos tot de eerste compagnie. Diogo Mendes, met zijn kapi­teins Dinis Cerniche, Pero Corresma en Baltasar da Silva, zijn, met de kapiteins Ruy de Brito Patalim en Jorge Nunes de Leão en met veel andere soldaten, ingedeeld bij de tweede compag­nie. De derde compagnie, die bestaat uit de overige kapiteins met hun mannen, wordt geleid door Albuquerque zelf. De eerste compagnie valt de vijandelijke stellingen aan, maar de Turken verdedigen zich zo hardnekkig dat een aanval van Albuquerques mannen op hun flank hen pas doet wijken. Al vechtend trekken zij zich terug op hun fort, waar hevige man tegen man gevech­ten plaatsvinden. Op het moment dat in het fort gestationeerde Turkse ruiters de overhand dreigen te krijgen, arriveert Diogo Mendes de Vasconcelos met zijn compagnie. Deze versterking geeft nog niet de doorslag. Eerst als de capitão-mor zijn troepen gehergroepeerd heeft en zich met nieuwe energie in de strijd stort, wijken de Turken. Als twee Turkse bevelhebbers gesneu­veld zijn, vluchten hun manschappen het fort uit, achtervolgd door Portugezen op buitgemaakte paarden. Anderen gooien zich in paniek van de muren, om aan hun belagers te ontsnappen.

Nu het fort in Portugese handen is, laat Albuquerque de poorten die naar Ela voeren sluiten en goed bewaken. Hij wil voorkomen dat groepen Portugese soldaten alvast in de stad gaan plunde­ren. Dit zou hen noodlottig zou kunnen worden. De verslagen Turken proberen hun leven te redden door van het eiland af te komen. De meesten vluchten in zuidelijke richting en trachten bij Agasim de rivier over te zwemmen. Hierbij verdrinken veel soldaten en paarden. Albuquerque laat de kapiteins hun posities bij de bewaking van het fort innemen en geeft de lagere rangen verlof de stad te plunderen, nu de Turken massaal de stad ontvluchten. Zij mogen alles nemen wat van hun gading is. Er worden onder meer 100 grote stukken geschut en een grote hoeveelheid andere artillerie, 200 paarden en veel munitie buitgemaakt. Nadat Ela geplunderd is, geeft de gouverneur zijn mannen opdracht het gehele eiland van Moren te zuiveren, waarbij vrouwen en kinderen niet gespaard behoeven te worden. Slechts de boeren moeten worden ontzien. De moslims slaan massaal op de vlucht, maar worden opgevangen en soms met het zwaard gedood, door naar het eiland terugkerende Hindoes, die eertijds gevlucht zijn voor de Turken, of door hen van hun land verdreven zijn. Albuquerque laat een groot aantal gevan­gengenomen moslims bijeenbrengen in een moskee, die in brand wordt gestoken.

De capitão-geral vestigt zijn residentie in het paleis van de Adil Khan. Tegenover het paleis laat hij een kapel, gewijd aan Santa Catarina, bouwen, omdat Goa op haar naamdag, 25 november, veroverd is. Het gaat het om een eenvoudig gebouwtje van leem en stro. Twee jaar later wordt dit vervangen door een stenen gebouw. De kapel zal later sterk worden vergroot en uiteindelijk uitgroeien tot de kathedraal van Goa.

Albuquerque doet in een brief van 22 december 1510 aan koning Manuel verslag van verovering van Goa. Hij schrijft onder meer dat 300 Turken zijn gesneuveld en dat 6.000 moslims zijn omge­bracht, om Goa te zuiveren van de Moren. Hij laat de koning weten dat zich nog Turkse troepen ten noorden van het Ilha de Goa, in forten bij Banda en Condal bevinden. Hij heeft Diogo Fernandes de Béja met galeien en parãos, waarin zich 300 man bevinden, op hen afgestuurd. Als de Turken ook daar verdreven zullen zijn, is het gehele gebied van Goa, `vanaf Cintácora in het zuiden in het bezit van Uwe Majesteit’. Hij maakt ook melding van zijn voornemen te verhinderen dat nog een Moor Goa binnen­komt. Tenslotte wil hij een vloot sturen naar de Rode Zee en naar Ormoez. De schepen die de Moren in Goa aan het bouwen zijn, laat hij afbouwen, omdat er voldoende bekwame timmerlieden en andere ambachtslieden in Goa zijn. Albuquerque pleit voor kolo­nisatie van Goa. Hij schrijft de koning: `We hebben hier alguas Mouras, mulheres alvas e de bom parecer (enige knappe blanke Moorse vrouwen) aangetroffen. Verschillende van onze man­schappen hebben hen ten huwelijk gevraagd, om zich hier te kunnen vestigen. Voor dat doel vroegen zij om geld en ik heb hen getrouwd, in overeenstemming met de opdracht die ik van Uwe Hoogheid ontvangen heb, en ik heb ieder van hen een paard, een huis, land en vee gegeven.’

De islamitische vrouwen over wie de gouverneur het in zijn brief heeft, behoren tot de in het fort van Goa bijeengebrachte vrouwen, wier Turkse mannen bij de eerste aanval van de Portugezen op Goa zijn gevlucht. De vrouwen zijn meegenomen op de vloot bij de daaropvolgende ontruiming van de stad en zijn met de tweede Portugese expeditie naar Goa teruggekeerd. Albuquerque is er bepaald geen voorstander van dat zijn man­nen in het huwelijk treden met de donkere Dravida-vrouwen uit het zuiden van het Subcontinent. Zij worden dikwijls aangeduid als `negerinnen’. Hij hoopt dat vooral fidalgos zullen trouwen met blanke moslim-vrouwen van goede huize. Koning Manuel heeft reeds gesanctioneerd dat mannen van karakter met een uitste­kende staat van dienst in het huwelijk treden met inheemse vrou­wen van goede huize. Maar uitgerekend fidalgos voelen er vaak niets voor zich in Goa te vestigen; zij hebben in Portugal te veel te verliezen. Daarentegen zijn matrozen, soldaten en degradados enthousiast over de geboden mogelijkheid in Indië een bestaan op te bouwen. Voor hen is het leven in het vaderland hard; zij hebben niets te verliezen en kunnen er niet op achteruit gaan, door in Indië te blijven. Veel andere manschappen leven echter liever in concubinaat met hun slavin, die zij tot hun amiga maken en die zij desgewenst kunnen verkopen en vervangen door een nieuwe amiga. Het spreekt voor zich dat veel Portugezen, levend in een maatschappij waarin in bepaalde kringen polygamie eerder regel dan uitzondering is, er meerdere amigas tegelijk op na houden, dit tot ergernis van de geestelijkheid. Albuquerque is, als groot voorstander van de kolonisatie van Goa, veel minder kritisch bij de selectie van vrouwen die in aanmerking komen voor een huwelijk met een niet-fidalgo. In eerste instantie zijn niet minder dan 450 Portugezen met inheemse vrouwen getrouwd en er zijn nog veel meer gegadigden, aan wier wensen niet direct kan worden voldaan, omdat daarvoor het geld ontbreekt. De van moskeeën en pagodes geconfisqueerde en aan de kapel van Santa Catarina gegeven landerijen zijn niet onuitputtelijk. Het enthousiasme van Albuquerque voor kolonisatie is niet erg realis­tisch; zijn mannen zijn zowel onbekend met de rijstteelt, als met de klimatologische omstandigheden. Velen willen zich wel in Goa vestigen, maar niet als boer. Aanvankelijk zijn de moslims en Hindoes niet erg ingenomen met huwelijken van hun dochters met de blanke meesters. Als de ouders zien dat zij goed behan­deld worden en door hun huwelijk vaak op de sociale ladder stijgen, neemt hun aanvankelijke scepsis aanzienlijk af. Hindoes behorend tot een hoge kaste blijven echter gekant tegen huwe­lijken van hun dochters met Portugezen. Albuquerque is zeer ingenomen met de gehuwde stellen, die hij, ondanks dat er maar heel weinig fidalgos onder hen zijn, waard vindt om een nieuwe generatie te vormen van gemengdbloedigen, maar gedrenkt in de Portugese cultuur en het rooms-katholieke geloof. Goa wordt als plaats van vestiging al snel zo populair dat zelfs gehuwde in Cochin en Cannanore wonende Portugezen overplaatsing naar Goa vragen.

Al snel rijst er verzet tegen het kolonisatieplan. Er zijn nogal wat Portugezen die van oordeel zijn dat het plan te voortvarend wordt doorgevoerd. Tot de scherpste critici van het kolonisatieplan be­horen Lourenço Moreno en António Real, respectievelijk feitor en alcaide-mor in Cochin. Zij nemen het Albuquerque kwalijk dat hij Cochin heeft verlaten en zich in Goa heeft gevestigd, waardoor hun eigen positie minder belangrijk is geworden. Zij schrijven rechtstreeks aan koning Manuel dat Albuquerque overdrijft en dat vooral de gehuwden zijn gunst genieten, terwijl velen van hen een lui leventje leiden. Deze kritiek is niet geheel ongegrond. Bovendien geven nogal wat inheemse vrouwen van Portugezen aanstoot, omdat zij niet gewend zijn aan monogamie.

Albuquerque, vast besloten om van Goa de nieuwe hoofdstad van de Estado da India te maken, zet alles op alles om de forti­ficaties zo snel mogelijk te herstellen en te versterken, voor het geval de Idalção een poging zou doen de stad te heroveren. Het gaat niet alleen om het grote fort bij Ela, voor het herstel waarvan onder meer de grafzerken van de Moorse begraafplaats worden gebruikt, maar ook om het fort in Panjim aan de monding van de Mandovi en bij Benastarim aan de oostkant van Goa-eiland. Bo­vendien worden ten noorden van het eiland verdedigingstorens gebouwd op de eilanden Chorão en Divar. Het zal twee jaar duren voordat alle fortificaties gereed zijn. Het schitterende paleis van de Adil Khan, waarin Albuquerque zijn residentie heeft ge­vestigd, wordt in de verdedigingswerken opgenomen.

Toen Goa nog in Turkse handen was, hebben de Portugezen de handel van de stad afbreuk gedaan ten gunste van Baticale, dat uitgegroeid is tot de belangrijkste haven voor de handel met Ormoez. Baticale is de voornaamste invoerhaven van paarden uit Arabië en Perzië geworden. Deze paarden zijn zeer begeerd voor de cavalerie van de Indische vorsten. Er is Albuquerque veel aan gelegen dat Goa zijn oude economische positie zo snel mogelijk herkrijgt. Goa moet weer de toegangspoort worden tot het Hindoerijk Vijayanagar. Hij laat verschillende kapiteins langs de kust patrouilleren. Zij hebben opdracht Arabische koopvaar­ders die zij op zee aantreffen, dringend te adviseren de haven van Goa aan te doen, terwijl de Portugese factors in Goa het consigne krijgen te zorgen dat zij altijd een overvloed aan peper, kruidnagelen, gember en ieder ander begeerd artikel in voorraad hebben. Ook het munthuis wordt weer in gebruik gesteld. Om de Arabische handel naar de Rode Zee te ruïneren, bevordert de gouverneur de handel met Ormoez, door deze haven als reisdoel in de cartazes van in Goa geladen schepen te vermelden. De kooplieden die desondanks koers zetten naar de Rode Zee riske-ren hun handel en hun leven. De gouverneur wil dat Goa ook zijn rol blijft vervullen als in- en uitvoerhaven van Bijapur. Hij schrijft de Idalção, de jeugdige Isma’il Adil Shah, een brief, waarin hij hem vraagt kooplieden uit zijn land met alle soorten handelswaar naar Goa te zenden. Hun veiligheid zal daar gegarandeerd zijn en zij kunnen onder meer Arabische paarden ruilen. Albuquerque biedt de jonge vorst ook zijn vaderlijke vriendschap aan en belooft hem, als hij dat zou willen, hem tegen zijn vijanden bij te staan. Albuquerques maatregelen om de handel in Goa te bevor­deren, zijn zo succesrijk dat zich spoedig weer Arabische koop­lieden vestigen in de kort daarvoor van moslims gezuiverde stad. De gouverneur staat dit toe, maar geeft de voorkeur aan de vesti­ging van vooraanstaande Hindoes. Hij bevordert dit door hen hui­zen en grond aan te bieden, in overeenstemming met hun bezit­tingen op het vasteland. Hij belooft de Hindoebevolking plechtig hun wettige gebruiken en gewoonten te zullen beschermen en hun rechtmatig verkregen eigendommen te erkennen. Het door de Hindoes opgezette bestuur van de stad neemt hij over en hij handhaaft veel Hindoe-ambtenaren in hun functie. Zij dienen natuurlijk verantwoording afleggen aan hun nieuwe meesters. De betrekkingen tussen de Portugezen en de Hindoebevolking zijn van meet af aan goed. De Portugezen hebben de Hindoes be­vrijdt van hun Moorse overheersers en worden ook als zodanig door hen tegemoetgetreden. Bovendien kiezen de Portugezen in individuele gevallen gevoelsmatig partij voor de Hindoes tegen de moslims.

De verovering van Goa heeft grote gevolgen voor de politieke verhoudingen aan de westkust van Voor-Indië. Sultan Mahmoed Begarha van Gujarat haast zich de Portugese schipbreukelingen vrij te laten. Hij zendt een gezant naar Goa om met Albuquerque over een vredesverdrag te onderhandelen en hij biedt hem de havenstad Diu aan, om daar een fort te bouwen. De gezant moet de boodschap aan zijn vorst overbrengen dat Albuquerque over vrede komt praten zodra de verdedigingswerken van Goa zijn voltooid. Mir Hocem, de admiraal van de `Grote Sultan’ die in Diu wacht op versterkingen voor de Moren in Goa, keert na het ver­lies van Goa ontmoedigd naar Djedda terug. Vandaar begeeft hij zich naar Suez waar een nieuwe vloot wordt uitgerust voor de strijd tegen de Portugezen in Indië. Nu Goa gevallen is, wordt van dit voornemen afgezien. De koning van Onor, die zijn broer Merlão van de troon gestoten heeft, geeft te kennen een bond­genootschap met de Portugezen te willen aangaan. Albuquerque kiest echter voor de wettige koning, die ook zijn hulp heeft inge­roepen. Hij ontvangt Merlão met veel eerbewijzen in Goa, her­stelt hem in zijn waardigheid en bezittingen en maakt hem tot een vazal van de koning van Portugal. De koning van Onor dient een jaarlijkse schatting van 40.000 pardãos te betalen.

Bij de stad Ela wordt een nieuw fort in Europese stijl gebouwd, met twee verdiepingen voor de artillerie en vierkante torens op de vier hoeken. De vesting domineert de stad en de Mandovi. Zodra dit fort en aanvullende fortificaties voltooid zijn, wordt Rodrigo Rabello de Castelo Branco tot capitão van het nieuwe fort benoemd. Hij beschikt over een garnizoen van 400 man, afgezien van 80 ruiters. Het fort wordt ruim voorzien van artillerie, munitie en voorraden. Duarte de Melo wordt benoemd tot bevel­hebber over een eskader van vier kraken en drie galeien. Hij moet daarmee langs de kust kruisen en Goa voorzien van alles wat nodig is.

Diogo Fernandes de Béja wordt door de gouverneur-generaal met drie schepen naar Socotra gezonden, om het Portugese fort daar te ontmantelen. Het onvruchtbare eiland, met zijn onbe­schutte havens en zijn vijandige bevolking, altijd bereid de hulp van de Moren in te roepen, kan gemist worden, nu Goa in Portugees bezit is. Op de terugweg van Socotra naar Malabar doet Diogo Fernandes Ormoez aan, om de schatting voor dat jaar op te halen. Nu de macht van de Portugezen zozeer versterkt is, wordt de tribuut zonder mankeren voldaan. Diogo Fernandes zal tijdig in Goa terugkeren om aan de nieuwe strijd tegen het leger van de Idalção deel te nemen.

Zodra de zamorin van Calicut verneemt dat de Portugezen Goa veroverd hebben, zendt hij gezanten naar Albuquerque. Zij laten weten dat de zamorin de gouverneur zijn vriendschap aanbiedt en hem toestaat in Calicut een fort te bouwen. Simão Rangel, die de gezanten in een fusta naar Calicut terugbrengt, dient de vorst te antwoorden dat Albuquerque alleen in Calicut een fort wil bou­wen als dat aan de haven gelegen is. De zamorin wijst deze lokatie af, maar zegt toe in te stemmen met de bouw van een fort in Chaul. Simão Rangel is niet bevoegd dit voorstel te accep­teren; hij keert onverrichter zake in Goa terug, met de mede­deling dat hij zeer betwijfelt of de zamorin de bouw van een fort in Calicut of Chaul werkelijk zal toestaan.

Dat Bijapur het verlies van Goa nog niet aanvaard heeft, blijkt als bericht ontvangen wordt dat Malique Aye, een bevelhebber van de Idalção, zich met een grote legermacht bij Banda en Condal ophoudt. Zijn bedoeling is de toegang tot het Ilha de Goa te for­ceren. Diogo Fernandes de Béja, die de oversteek moet beletten, brengt Malique Aye een zware nederlaag toe. Deze wijkt uit naar Divar, om vanaf dat eiland naar Goa over te steken. Hij stuit echter op een Portugese strijdmacht onder Gaspar de Paiva. Na opnieuw een smadelijke nederlaag te hebben geleden, ver­schanst Malique Aye zich bij Diocalim. Albuquerque zoekt de vijand nu zelf op, met 1.000 Portugese en 2.000 inheemse solda­ten. Hij verdeelt zijn strijdmacht in vier bataljons. Drie daarvan laat hij zich verbergen in het struikgewas en het vierde bataljon bestaande uit Hindoetroepen, moet Malique Aye uit zijn stelling en in de val lokken. Malique Aye, die het plan waarschijnlijk door­ziet, weigert zijn stelling op te geven. Na enige tijd zendt hij een afgezant naar Albuquerque om over vredesvoorwaarden te on­derhandelen, maar de gouverneur weigert de afgezant te ontvan­gen, omdat hij geen geloofsbrieven van de Idalção kan tonen.

Malacca. 3.1 Het voornemen Malacca te veroveren.

Categorieën
Portugees kolonialisme

De verovering en het verlies van Goa (1510)

Deel 5 Index

Hoofdstuk 2

De eerste jaren van het gouverneurschap van Afonso de Albuquerque

2.4 De verovering en het verlies van Goa (1510)

Geschreven door Arnold van Wickeren

Om het monopolie op de handel in peper en andere specerijen te verwerven is het niet voldoende de Arabieren uit Malabar te verdrijven. Ook moet voorkomen worden dat hun schepen, die in Pedir of Pacém op Noord-Sumatra peper hebben ingenomen, danwel specerijen in Malacca hebben geladen, via de Malediven, dus buiten het bereik van de Portugezen in Malabar, de Rode Zee bereiken. Daartoe wordt de toegang tot de Rode Zee bij Kaap Guardafui bewaakt en niet vergeefs. In het verleden zijn met de blokkade successen behaald: Álvaro Teles, een kapitein van de vloot van Tristão da Cunha, heeft in 1506 of begin 1507 bij Kaap Guardafui niet minder dan zes Moorse schepen buitge­maakt; Afonso de Albuquerque zelf heeft in december 1507 een Arabisch schip, dat van de Malediven op weg was naar de Rode Zee, onderschept en Francisco de Távora heeft in oktober of november langs de kust van Arabië het grote schip Mecca geno­men, terwijl twee Portugese schepen die hebben moeten over­winteren in Moçambique in diezelfde tijd een Moors schip voor Mogadiscio hebben veroverd.

De blokkade van de toegang tot de Rode Zee heeft ertoe geleid dat nog maar heel weinig specerijen Alexandrië of Beiroet bereiken. In de jaren 1502, 1503 en 1505 hebben Venetiaanse galeien slechts geringe hoeveelheden specerijen in deze havens kunnen laden; in 1504 kunnen zij in het geheel niets kopen en in 1506 komen hun galeien zelfs niet naar Alexandrië en vinden zij in Beiroet geen lading. Zodra de blokkade wordt opgeheven, slippen meest kleine vaartuigen de Rode Zee binnen. Zij zijn ‘s nachts in het diepste geheim geladen in de vele kleine havens van Malabar, die onmogelijk allen door de Portugese vloot bewaakt kunnen worden, en weten vlak onder de kust zeilend de Straat van Bab al-Mandab te bereiken. Ook de vloot van emir al-Husami Husain al-Kurdi (Mir Hocem), die in 1508 bij Chaul een overwinning op de Portugese vloot heeft behaald (zie deel IV, par. 3.5) en Diu heeft veroverd, heeft de Rode Zee kunnen verlaten toen het eskader dat de toegang tot de Straat van Bab al-Mandab blokkeerde eind 1508 of begin 1509 naar Malindi en Moçambique was teruggekeerd om voorra­den te halen voor Socotra. Omdat voorafgaande aan de Zeeslag van Diu Francisco de Almeida zijn vloot in de Indische Oceaan concentreert, weten in 1509 heel wat met specerijen geladen Arabische vaartuigen de Rode Zee en Alexandrië te bereiken. In januari 1510 slagen de Portugese eskaders er, ondanks het echec van Calicut, in de Rode Zee geheel voor de Arabische scheepvaart af te grendelen. Tot de buitgemaakte schepen be­hoort een uit Malacca naar de Rode Zee vertrokken Arabisch schip. Het heeft in Sumatra peper geladen, maar heeft ook kruid­nagelen, benzoë, zijde en katoen aan boord. Albuquerque zelf onderschept het schip, waarvan de lading 50.000 cruzados waard is. Ook in de jaren 1512-1515 zal de blokkade van de Rode Zee effectief blijken te zijn. Enkele uitzonderingen zijn het vermelden waard. De gebroeders Cherina en Mammale Mercar, gefortuneerde Hindoekooplieden in Cochin, wier handel door de Portugezen niets in de weg wordt gelegd, maken inbreuk op het embargo op de handel naar de Rode Zee. Cherina Mercar laat een met specerijen geladen schip, dat een cartaz heeft ontvan­gen voor Ormoez, naar Aden zeilen, waar zijn handel meer op­brengt. Hij verdedigt zich met het argument dat zijn schip door de storm uit de koers is geraakt. Mammale Mercar weet enige van de radja van Cochin ten onrechte verkregen cartazes te doen aftekenen door de Portugese capitão in Cochin. Dit bewijst dat sommige capitães aan bevriende kooplieden weinig kritisch een cartaz afgeven, dan wel dat zij zich door hen laten omkopen.

Albuquerque ontwikkelt grootse plannen, waarvan de uitvoering de Portugese positie in Azië moet versterken. Om het monopolie op de specerijenhandel echt te verkrijgen, dienen de Portugezen zich te vestigen op de verschillende voor de handel strategische punten. Het gaat in de eerste plaats om Aden, omdat die plaats de toegang tot de Rode Zee beheerst. Overigens is het plan om Aden te veroveren niet helemaal nieuw. Drie kapiteins: Fernão Soares, Diogo de Melo en Martim Coelho, die in 1507 hebben moeten `overwinteren bij Moçambique’, hebben toen ook al de verovering van Aden overwogen. Het tweede strategische punt is Ormoez, aan de ingang van de Perzische Golf, dat definitief onderworpen moet worden. De laatste transitohaven waarop Albuquerque zijn oog laat vallen is Malacca, de grote handels­metropool en overslaghaven in Oost-Azië. De Portugezen dienen zich daar te vestigen en de Arabieren uit de stad te verdrijven, om specerijen te verwerven tegen gunstiger voorwaarden dan zonder het bezit van Malacca mogelijk is.

Tot de plannen van Albuquerque behoort ook het verwerven van territorium waar de Portugezen het alleen voor het zeggen heb­ben. De gouverneur wil voor het voortbestaan van de Estado da India niet langer afhankelijk zijn van de grillen van de inheemse heersers, wier voorgangers de Portugezen verwelkomd hebben, maar die soms zelf weinig met deze vreemde indringers op hebben. Hij laat zijn oog vallen op Goa, dat veel voordelen biedt. De stad heeft een uitstekende haven en is zeer strategisch gele­gen. Het is de poort tot de moslimrijken in de Deccan en tot het Hindoerijk Vijayanagar. Met Goa in Portugees bezit kunnen deze rijken in bedwang worden gehouden. Goa ligt dicht bij Angediva, dat een vaste halteplaats is voor Portugese en andere schepen, die vanuit Afrika de Indische Oceaan zijn overgestoken. Zolang Aden en Ormoez nog niet in Portugees bezit zijn, kan Goa als uitvalsbasis dienen voor Portugese eskaders naar de Rode Zee en de Perzische Golf. Zij kunnen daarmee niet alleen Arabische koopvaarders de toegang tot deze wateren beletten, maar zij kunnen ook de uitgangen daarvan afgrendelen, om te verhinde-ren dat de vijanden van Portugal in Indië vanuit Egypte of Turkije militaire hulp ontvangen.

Omdat Goa op een eiland ligt, is de stad gemakkelijk en goed­koop te verdedigen tegen aanvallen vanuit zee, terwijl de stad vanaf de landzijde feitelijk onneembaar is. Het bezit van eigen territorium heeft ook het voordeel dat daar schepen kunnen wor­den gebouwd en gerepareerd, zodat de Estado da India voor zijn verdediging minder afhankelijk wordt van het verre vaderland. Albuquerque zal de verwerkelijking van zijn plannen, waarvoor hij de steun van koning Manuel krijgt, stap voor stap en in volgorde van prioriteit, nastreven. Of hij ook van plan is zijn nederlaag tegen Calicut, waarin maarschalk Coutinho hem tegen zijn zin heeft meegesleept, te wreken, is onzeker.

Albuquerque is, zodra hij van zijn in Calicut opgelopen verwon­dingen is hersteld, tegen het einde van januari 1510 begonnen met het uitrusten van een grote vloot. Daartoe brengt hij alle kraken, galeien en andere vaartuigen die zijn voorganger heeft opgelegd weer in de vaart. Daarna roept hij zijn kapiteins bijeen en deelt hen mee dat hij met een sterke vloot naar Socotra wil zeilen. Hij wil zijn vloot voegen bij de schepen van Duarte de Lemos, om met de verenigde vloot de Rode Zee binnen te dringen, op zoek naar de vloot van de `Grote Sultan’. Als hij de Egyptische vloot niet zou weten te vinden, wil hij Suez aanvallen, met het doel de Arabische handel met Voor-Indië te vernietigen. Jaime Cortesão vermeldt uitdrukkelijk dat het niet zeker is of Albuquerque al in 1510 plannen heeft de stad Aden aan te val­len, om daar een fort te bouwen, of dat hij elders aan de monding van de Rode Zee een fort wil bouwen. Albuquerque wil na zijn expeditie naar de Rode Zee naar Ormoez gaan, om de stad definitief te onderwerpen. Hij wil het fort voltooien, met de bouw waarvan in 1507 begonnen is (zie deel IV, pag. 174 e.v.).

Albuquerques vloot bestaat uit 23 schepen. Van de 22 kapiteins heeft de helft deelgenomen aan de expeditie tegen Calicut; het zijn: Dom António de Noronha, Fernão Peres de Andrade, Simão de Andrade, António da Costa, Francisco Pereira Coutinho, Jorge da Cunha, Manuel de Lacerda, Simão Martins, Duarte de Melo, Francisco de Sá, Francisco de Sousa Mancyas en de Florentijn Francesco Corvinel. Vijf kapiteins, die in Calicut heb­ben gestreden, zijn nu niet van de partij, omdat zij gesneuveld of aan een ziekte bezweken zijn, of omdat zij gebrek aan moed hebben getoond, danwel om een andere reden niet aan de ver­wachtingen hebben voldaan. Zij worden vervangen door perso­nen die wegens hun verdienste in Malabar het bevel over een schip hebben gekregen. Tot kapitein bevorderden en nieuw uit Portugal aangekomen kapiteins, die aan de expeditie deelne-men, zijn: Dom Jerónimo de Lima, Diogo Fernandes de Béja, Luis Coutinho, Jorge Fogaça, Bernaldim Freire, Francisco Pantoja, Aires da Silva en Jorge da Silveira. Tot de deelnemers aan de expeditie zouden ook behoord hebben kapiteins die met Diogo Lopes zijn uitgevaren naar Madagascar en Malacca. Dat Gonçalo de Sousa van de partij is geweest, is waarschijnlijk maar dat Jerónimo Teixeira en João Nunes zich met hun schepen bij de vloot hebben gevoegd, is in tegenspraak met hun vertrek naar Portugal na hun bezoek aan Malacca in november 1509.

Nadat Albuquerque in Malabar voldoende defensieve krachten heeft achtergelaten om niet verrast te kunnen worden, zeilt de vloot op 10 februari uit. Als de schepen op weg naar het noorden in Karwar bij Onor voor anker gaan, meldt zich Timoja bij de capitão-mor. Als Timoja verneemt dat de vloot op weg is naar de Rode Zee, om op zoek te gaan naar het restant van de vloot van de in 1509 bij Diu verslagen Mir Hocem, deelt Timoja mee dat het restant van deze vloot in Goa ligt. Er hebben zich daar veel Turken en Egyptenaren verzameld, die tijdens die zeeslag heb­ben kunnen ontsnappen. Door hun komst is het aantal Moren in Goa gestegen tot ongeveer duizend. Zij hebben niet alleen de schade aan hun resterende schepen hersteld, maar zijn ook begonnen met de bouw van een eskader naus naar Portugees voorbeeld, Bovendien zijn zij doende Goa te fortificeren. Zij zullen dus spoedig in staat zijn de Portugezen zowel op zee aan te vallen, als te land te weerstaan. De activiteiten van de naar Goa uitgeweken Moren genieten de steun van de Adil Khan van Bijapur, die bovendien een tegen de Portugezen gericht verbond zou kunnen sluiten met de sultan van Cambay en de zamorin van Calicut. Een verovering van Goa op dit moment zou alle gevaren bezweren. Het tijdstip is ook nog om een andere reden zeer gunstig. Sabayo Yusuf Adil Shah is onlangs overleden, hetgeen tot grote onrust in Goa en onenigheid onder de vorsten van de Deccan heeft geleid. De stad zou nu bij verrassing te nemen zijn, waarbij Timoja zijn vloot van fustas en een paar duizend manschappen beschikbaar stelt.

Na zijn kapiteins geraadpleegd te hebben, waarbij hij hun erop gewezen heeft dat Goa toegang geeft tot zowel het achterland van Bijapur, als tot Narsinga, besluit Albuquerque het advies van Timoja te volgen. Aan wie Goa na verovering zal toevallen, aan Timoja of aan de Portugezen, is mogelijk niet uitdrukkelijk tussen Albuquerque en Timoja van tevoren afgesproken. Later zal blijken dat Timoja ervan uitgaat dat hij Goa zal besturen, wellicht in naam van koning Krishna Deva Raya van Narsinga, tegen betaling van een jaarlijkse som aan Albuquerque. Wellicht heeft de gouverneur Timoja aanleiding gegeven dit te veronderstellen en is hij daarvan teruggekomen nadat hij zich na de verovering van Goa gerealiseerd heeft dat de stad zeer gemakkelijk te verdedigen is en dat het daarom zeer geschikt is als een permanente Portugese basis. Vooralsnog is er geen sprake van problemen tussen de gouverneur en Timoja. De laatste laat een landing uitvoeren door 2.000 man, onder aan-voering van zijn neef Mir Ali en de Moor Melique Çufecondal, die voor de Sabayo Goa ontvlucht is. De troepen van Timoja verwoesten het fort in Cintácora, nadat zij de artillerie hebben buitgemaakt. De bezetting is gevlucht toen de vijandelijke vloot het anker liet vallen. Albuquerque laat zijn neef Dom António de Noronha de monding van de Rio Mandovi peilen en zeilt vervol­gens met hem en verschillende andere kapiteins door naar Goa. Aangekomen bij Panjim, wordt uit het fort daar het vuur geopend, zonder schade aan te richten, omdat de artillerie te hoog is gericht. Dom António laat daarop zijn mannen met een furieuze aanval de Moren uit het fort jagen. De aanvallers nemen het geschut mee en steken daarna de gebouwen in brand. Hetzelfde lot ondergaat een andere reeds verlaten stel-ling. Bovendien wordt het paleis van de Adil Khan in Panjim ingenomen. De volgende morgen arriveren uit de hoofdstad Ela twee Moorse notabelen in een parão met een boodschap voor de gouverneur-generaal. Zij bieden aan de stad aan hem over te dragen en vazallen van de koning van Portugal te worden, in ruil voor garanties van beide zijden. Nadat de capitão-geral Dom António de stad heeft laten verkennen, antwoordt hij de Moren dat ook het fort van Ela aan hem dient te worden overgedragen. Hij verlangt ook uitlevering van alle Turken en andere Moren die de wijk hebben genomen en belooft de levens van de inwoners van Goa te sparen en hen goed te zullen behandelen. De Portugezen maken van het moment gebruik om met kleine vaartuigen een landing uit te voeren bij het bewuste fort. Als de kapitein daarvan zich realiseert dat hij niet ontkomt aan uitlevering van zijn geloofsgenoten, neemt hij de vlucht, de stad onbeschermd achterlatend. Daardoor breekt in Ela paniek uit en slaan de inwoners aan het plunderen. De gouverneur maakt van de verwarring gebruik door de volgende morgen, 4 maart, met 1.000 Portugese soldaten en 200 man uit Malabar Ela binnen te trekken. Hij ontvangt van acht vooraan­staande Moren de sleutels van het fort, waarin veel artillerie en voorraden worden aangetroffen. Er wordt ook beslag gelegd op 40 schepen, waarvan er veel nog in aanbouw zijn. Ook 16 fustas, grote hoeveelheden handelswaar en 160 paarden behoren tot de buit. De Turken en veel andere Moren blijken te zijn gevlucht, met achterlating van hun vrouwen en kinderen. Nadat de Moren ook verdreven zijn uit de forten van Banda en Condal, zijn de Portugezen heer en meester op het eiland Goa.

Albuquerques eerste zorg is het organiseren van de verdediging van het eiland tegen de verwachte heroveringspoging van de nieuwe Adil Khan Isma’il Adil Shah, de dertienjarige zoon van Yusuf Adil Shah, die door de Portugezen wordt aangeduid met de term Idalção. De forten van Banda en Condal worden in het bezit van de Hindoes gesteld, die deze houden voor de koning van Portugal. Albuquerque laat met man en macht een begin maken met het herstel van de overige verdedigingswerken. Hij bouwt ook opslagplaatsen voor graan en rijst, om schepen te kunnen bevoorraden in wat hij als de nieuwe hoofdstad van de Estado da India beschouwt.

Timoja wordt voor zijn hulp royaal beloond; hij ontvangt grond­gebied bij Mergeu, huizen in de stad en grote hoeveelheden han­delsgoederen. Bovendien wordt hij benoemd tot gouverneur van Goa, namens de koning van Portugal. Hij is zo ontgoocheld dat Albuquerque hem de stad niet overdraagt, dat hij Goa verlaat. Een groot aantal Hindoes volgt zijn voorbeeld. Albuquerque roept hem terug, geeft hem buiten het eiland Goa nog veel meer land, voor de verdediging waarvan de Portugezen zullen opdraaien, tegen betaling van 100.000 cruzados. Als Timoja ook nog publie­kelijk geëerd wordt door hem een kostbaar zwaard en een ring, als tekenen van zijn hoge ambt, te geven, legt hij zich erbij neer de stad namens de koning van Portugal te besturen. Hij dient een jaarlijkse schatting te betalen van 20.000 pardãos. De bewo­ners van de stad worden beschouwd als onderdanen van de ko- ning van Portugal en diens onderkoning in Indië, vanzelfsprekend dienen zij voortaan belasting te betalen aan het nieuwe gezag en niet meer aan de Adil Khan. Het blijkt dat de Adil Khan buiten­sporig hoge belastingen heeft geheven; reden waarom deze verlaagd worden tot het peil dat gebruikelijk was toen de stad nog toebehoorde aan de koning van Narsinga. Maatregelen als deze doen veel gevluchte Hindoes naar de stad terugkeren. Er blijkt ook een groot tekort te zijn aan geld. Albuquerque sticht een munthuis en geeft opdracht tot het slaan van gouden, zilveren en koperen munten. De gouden cruzados dragen het kruis van Christus; zij hebben een waarde van 34 vintens; de zilveren espera is 2 vintens, of 40 reais waard en de eveneens zilveren mea espera heeft derhalve een waarde van een vintem of 20 reais. Er worden ook koperen munten geslagen: de dinheiro en de leal, ter waarde van 3 dinheiros. Als op 12 maart een grote hoeveelheid geld is aangemunt, worden de nieuwe munten in omloop gebracht, onder intrekking van het geld uitgegeven door de Adil Khan. Bij de feestelijkheden waarmee dit gepaard gaat, worden handen vol nieuwe munten over de menigte uitgestrooid.

Kort na de inneming van Goa arriveren daar gezanten van sjah Isma’il Al-Safawi van Perzië en van gouverneur Coja Atar van Ormoez. Als zij de gewijzigde situatie ervaren, bieden zij hun ge­schenken voor de Adil Khan aan Albuquerque aan, waarbij zij te kennen geven een verdrag met de koning van Portugal te willen aangaan. De ambassadeur van Coja Atar verklapt dat het oor-spronkelijke doel van zijn missie was, steun van de Adil Khan te verwerven tegen de Portugezen. Als de gezanten naar hun land terugkeren, vergezelt Ruy Gomes hen met boodschappen van Albuquerque voor de sjah van Perzië en de koning van Ormoez. Coja Atar blijkt kort voor de aankomst van Ruy Gomes in Ormoez met vergif om het leven te zijn gebracht en de boodschap voor de sjah schijnt de vorst niet te hebben bereikt.

Als steeds meer tekenen erop wijzen dat de Isma’il Adil Shah, of beter Kamal Khan, zijn eerste minister, die als regent voor hem optreedt, niet berust in het verlies van Goa, vraagt een enkele potentaat in de omgeving de Portugezen om militaire steun, om zijn territoir te verdedigen; de meeste anderen onderhouden echter heimelijk contacten met Kamal Khan. Albuquerque zendt in april Francisco Serrão naar Cochin, om daar levensmiddelen te gaan halen. Serrão’s schip blijkt zo slecht te zijn, dat hij het laat repareren, voordat hij de terugreis naar Goa onderneemt. Deze eigenzinnigheid wordt hem door de gouverneur niet in dank afgenomen. In dezelfde maand begeeft Jorge da Cunha zich met 60 Portugese ruiters en 4.000 inheemse soldaten, onder Timoja, naar het eiland Divar, ten noorden van Goa. De expeditie wordt door Diogo Fernandes de Béja ondersteunt met drie schepen. Als deze troepen op 23 april op het punt staan van Divar over te steken naar het vasteland, wordt vernomen dat de Adil Khan met een grote legermacht bij Banda en Condal is aangekomen. Jorge da Cunha wordt naar Goa teruggeroepen. De gouverneur ont­vangt bericht van de koning van Garçopa, die hem steunt, dat de malabar van Narsinga de Adil Khan, die zijn hulp heeft ingeroe­pen, heeft laten weten aan de kant van de Portugezen te staan. De gouverneur inspecteert het hele eiland en legert troepen op alle punten waar de rivieren, die Goa-eiland omringen, bij laag water doorwaad kunnen worden. Gonçalo de Sousa wordt met 100 man, enkele ruiters en enig geschut bij Benastarim gelegerd; Jorge da Cunha bewaakt met 60 ruiters de passage bij Goa Velha; Mir Ali en zijn manschappen liggen bij Angim; Francisco Pereira en Francisco de Sousa Mancyas voeren 1.000 inheemse soldaten aan bij Gondolim; Dom Jerónimo de Lima ligt met 40 Portugezen, aangevuld met inheemse soldaten bij Agasim en Jorge Fogaça bewaakt met 40 man (inheemsen en Portugezen) een ander kwetsbaar punt. Dom António de Noronha kruist met een vloot van kleine vaartuigen op de rivieren, op zoek naar spionnen. Sufolarim, de Asad Khan of legeraanvoerder van de Adil Khan, slaat zijn kamp op bij Benastarim. Gonçalo de Sousa steekt de rivier over, om een moskee en enige huizen, die de vijand bescherming bieden tegen vuur van de Portugezen, te verwoesten. Hij keert behouden terug.

In de nacht van 1 mei arriveren enige boodschappers uit het kamp van de Adil Khan bij Albuquerque. Een van hen is een Portugees, João Machado die, na in ongenade te zijn gevallen, met de vloot van Cabral is uitgevaren. Deze heeft hem, tezamen met Luis de Moura, vanuit Malindi op weg gestuurd naar het hof van Preste Joam in Ethiopië. Het tweetal is onverrichter zake in Malindi teruggekeerd, hetgeen hun niet in dank zal zijn afgeno-men. Daarop heeft João Machado zijn diensten aangeboden aan de Adil Khan. Hij is daarmee een van de eerste van de vele Portugese soldaten die in de loop der tijd in dienst treden van een Aziatische heerser. Machado vraagt namens zijn heer ont­ruiming van Goa, zeggende dat zodra de aanval op de stad wordt geopend de moslimbewoners tegen de Portugezen in opstand zullen komen. Albuquerque antwoordt dat Goa behoort aan degenen die de zee beheersen en die in staat zijn te verhin­deren dat de `Grote Sultan’, wiens vloot door Francisco de Almeida is vernietigd, Goa hulp biedt. De gouverneur vraagt de Idalção hem toe te staan in Dabul een fort te bouwen. Nadat Machado veilig bij zijn nieuwe meesters is teruggekeerd, laat deze João Baldres, die als gijzelaar naar hem is gezonden, naar het Portugese kamp teruggaan. Baldres vertelt dat de moslims op het punt staan met vlotten naar Goa over te steken. Daarom geeft Albuquerque Timoja opdracht de vrouwen en kinderen van de gevluchte Egyptenaren en Turken in het fort van Ela te verza­melen, nadat Timoja eerst – met tegenzin – zijn eigen gezin daar heeft ondergebracht. Hij laat het vijandige kamp weten dat de vrouwen en kinderen van de Turken bij een aanval op de stad als slaven verkocht zullen worden. De Egyptische vrouwen en kinde­ren worden al direct in slavernij gevoerd, omdat de Portugezen vooral gebeten zijn op de `Grote Sultan’. De Portugezen, die tegenover het vijandelijke kamp bij Benastarim extra verdedi­gingswerken hebben aangelegd, weten enige weken alle aanval­len af te slaan. Als Albuquerque hoort dat Melique Çufecondal, de Moorse aanvoerder van Timoja, gemene zaak maakt met de vijand, laat hij de nietsvermoedende man ontbieden en levert hem over aan alcaide-mor Gaspar de Paiva, die hem opsluit in het fort van Ela.

In de pikdonkere nacht van vrijdag 17 mei voeren de Turken bij Agasim met 300 man een proeflanding uit. Zij keren op hun vlotten naar de eigen kant terug, zonder te zijn opgemerkt. Aangemoedigd door dit succes zetten zij 700 man over. Zij wor­den in de eerste ochtendschemer gezien door de bemanningen van de schepen van Dom António de Noronha, die het vuur op hen openen. Voor zover zij dit overleefd hebben, worden de Turken, op enkele na die ontsnappen, met het zwaard afge­maakt. Ter wijl deze slachting aan de gang is, landen elders 2.000 Turken. Zij worden ontdekt en aangevallen door 200 man onder bevel van Timoja’s kapitein Menaique. Hij moet zich terug­trekken, als niemand hem te hulp snelt. Zodra andere manschap­pen van Timoja de Turken in de gaten krijgen, lopen zij en masse naar hen over, om de stellingen van Gonçalo de Sousa tegen­over Benastarim in de rug aan te vallen. Zij doden Duarte de Sousa en vijf van zijn mannen. Gonçalo de Sousa, die tegen de overmacht kansloos is, ontsnapt in een parão naar Ela. Hiermee is het pleit beslecht. Francisco de Sousa Mancyas en Francisco Pereira Coutinho verlaten bij nadering van de Turken hun stellin-gen bij Gondolim en keren naar Ela terug. Jorge da Cunha en de zijnen trekken zich al vechtend ook terug op Ela. De Turken drin­gen de stad binnen. Na hevige tegenstand te hebben geboden, moeten Timoja en de Portugezen zich terugtrekken in het fort. Albuquerque slaagt erin de scheepsdokken en magazijnen in brand te zetten, voordat de Idalção met zijn hoofdmacht in Ela aankomt. Hij wil het fort verdedigen en versterkingen laten aan­voeren uit Cochin, maar bijna al zijn kapiteins willen zich zo snel mogelijk inschepen, om Goa te verlaten. Albuquerques plan wordt slechts gesteund door Dom António de Noronha en Gaspar de Paiva. Het wordt daarom niet uitgevoerd. Bovendien komt João Machado vertellen dat Albuquerque het fort niet tegen 40.000 vijanden kan verdedigen. De capitão-mor heeft dus in feite geen keus. Hij geeft opdracht Melique Çufecondal voor zijn verraad te onthoofden. Hetzelfde lot ondergaan 150 belangrijke Moren uit de stad. Bovendien worden de achillespezen doorge­sneden van de in de stallen verblijvende paarden en worden de arsenalen in brand gestoken. In de nacht van 19 op 20 mei sche­pen de Portugezen zich in, met medeneming van de artillerie uit het fort en de vrouwen en kinderen van de Turken. Onder hen bevinden zich ook enkele Indische meisjes, die zijn aangetroffen in het paleis van de Sabayo. Het is de bedoeling dat zij worden meegenomen naar Portugal, als geschenk voor koningin Maria.

De vloot zeilt naar Panjim. De Adil Khan vreest een aanval op het fort ter plaatse, dat de Portugezen ook hebben moeten prijs­geven. Omdat hij het garnizoen wil bevoorraden, zendt hij João Machado naar Albuquerque met de boodschap dat hij over vrede wil onderhandelen, maar de kapiteins willen nog maar een ding: zo snel mogelijk terugkeren naar het veilige Cochin. De loodsen en stuurlieden vinden uitzeilen in mei echter veel te gevaarlijk, omdat in die maand de zuidwestmoesson inzet. Bij wijze van proef wordt Fernão Peres de Andrade met de São João naar Angediva gezonden. Als het hem lukt de haven te verlaten, dient hij daar levensmiddelen voor de vloot te gaan halen. Bij een poging de monding van de Rio de Goa of Rio Mandovi over te steken, loopt het oude schip aan de grond en breekt in stukken. De opvarenden worden gered en het geschut en de andere uit­rusting worden in veiligheid gebracht. De kapiteins zijn er nu van overtuigd dat uitzeilen te gevaarlijk is. De opvarenden van de vloot gaan een tijd vol ontberingen tegemoet; de rantsoenen wor­den tot een minimum beperkt, omdat er veel te weinig voedsel aan boord is om alle monden gedurende langere tijd te voeden. Tot overmaat van ramp worden de schepen vanuit het fort in Panjim vaak beschoten. Om aan dit laatste een einde te maken, laat Albuquerque dit fort op 14 juni onverwachts overrompelen. De nog slaperige bezetting wordt bij een woedende aanval de vesting uitgejaagd en opgevangen en vernietigd door een ander Portugees regiment. Het geschut en de andere wapens van het fort worden aan boord van de vloot gebracht.

Albuquerque verneemt dat de Idalção een vloot van 25 parãos, fustas en andere kleine vaartuigen uitrust, met de bedoeling de Portugese schepen in brand te steken. Hij zendt Dom António de Noronha met kleine vaartuigen naar de stad om poolshoogte te nemen. De Moren, die de expeditie aanvallen, worden terugge­dreven. Dom António voert een landing uit, om een in der haast achtergelaten Portugees galjoot te water te laten. De Moren keren terug en schieten Dom António, die onvoldoende dekking van zijn eigen mensen krijgt, een pijl in de knie. Een paar dagen later, op 8 juli, overlijdt hij, nog maar 24 jaar oud, aan wond­koorts. Zijn stoffelijk overschot wordt begraven aan de voet van een boom. Het zal later herbegraven worden in Goa’s hoofdkerk. Kort na het overlijden van Dom António zendt de Idalção op-nieuw boodschappers naar Albuquerque, om over vrede te on-derhandelen. Nadat het gesprek met de eerste boodschapper zonder resultaat is gebleven, biedt de tweede gezant, Mustafa Khan, het havenstadje Çintácore en omgeving aan, in ruil voor vrede. Als Albuquerque dit aanbod afwijst, komt Mustafa Khan met een alternatief voorstel. De Adil Khan is bereid Goa aan Albuquerque te laten, tegen uitlevering van Timoja. Kennelijk gaat hij ervan uit dat de Portugezen Goa niet zonder Timoja’s hulp kunnen behouden. De gouverneur wijst dit onwaardige voor­stel af en zegt dat hij nog voor de zomer in het bezit zal zijn van Goa en ervoor zal zorgen dat Timoja een groot vorst zal worden in de Deccan.

Terwijl de vloot nog steeds in de Rio Mandovi voor anker ligt en de voedselsituatie nog meer verslechtert, wordt Rui Dias uit Alenquer erop betrapt dat hij ‘s avonds heimelijk het slaapvertrek betreedt van een van de meisjes uit het paleis van de Sabayo, met het oogmerk haar te beslapen. De reactie op dit voorval werpt enig licht op Albuquerques karakter. Hij beslist dat Rui Dias zal worden opgehangen in de Flor da Rosa, welk besluit veel verzet oproept. Francisco de Sá hakt op het laatste moment met zijn zwaard het touw door, waarop Rui Dias op het dek valt. Het voorval leidt tot groot tumult op de hele vloot. De broers Fernão Peres en Simão de Andrade en Jorge Fogaça protesteren tegen de executie en worden in de ijzers geslagen, welk lot – na onder­zoek – gedeeld wordt door Francisco de Sá. Als de rust is terug­gekeerd zendt de gouverneur vier schepen onder bevel van Dom João de Lima met zieke bemanningsleden naar Cochin. De schepen dienen terug te keren met levensmiddelen. Door de sterke wind en de geringe diepgang in de monding van de rivier kan het eskader niet uitzeilen. De schepen gaan, wachtend op een gunstiger gelegenheid, voor anker bij een zandbank in de riviermonding. Op 21 juli zeilt ook de rest van de vloot naar dit punt. De Idalção zendt daarop troepen in kleine vaartuigen naar de schepen, om het de Portugezen moeilijk te maken. Bovendien brengt hij aan de oever van Bardes, dat wil zeggen aan de noordkant van de rivier, een groot kanon in stelling. De Flor de la Mar en enkele andere schepen worden getroffen en er sneuvelt ook een aantal opvarenden. Albuquerque zeilt dan terug naar de ankerplaats voor Ela, hopende dat zich een gelegenheid voor­doet om opnieuw de stad in te nemen. Omdat zijn kapiteins daar niets voor voelen, geeft de gouverneur hen op 16 augustus 1510 opdracht weg te zeilen. De zuidwestmoesson, die gewoonlijk tot eind oktober waait, blijkt nu voldoende te zijn afgenomen om veilig de riviermonding uit te varen, waarop de gehele vloot koerszet naar het eiland Angediva.

In september of begin oktober 1510 veroveren de Portugezen ter hoogte van Mont Delhi een uit Aden komend schip. Het heeft een zeer kostbare lading, bestaande uit onder meer reukwater, koraal en textiel aan boord. De zich op het schip bevindende koop­lieden, naar het schijnt joden, hebben niet minder dan 10.000 xerafins bij zich.

2.5 De definitieve verovering van Goa.

Categorieën
Portugees kolonialisme

Toenadering tot Vijayanagar; tegenslag in Calicut

Deel 5 Index

Hoofdstuk 2

De eerste jaren van het gouverneurschap van Afonso de Albuquerque

2.3 Toenadering tot Vijayanagar; tegenslag in Calicut

Geschreven door Arnold van Wickeren

Maarschalk Dom Fernando Coutinho, een houwdegen zonder veel politiek inzicht, laat Afonso de Albuquerque door diens secretaris Gaspar Pereira in kennis stellen van zijn plan de stad Calicut te verwoesten. De maarschalk laat vragen wat de gouver­neur van dit plan vindt. Panikkar schrijft, in tegenstelling tot andere auteurs, dat Albuquerque niets voelt voor een aanval op Calicut, maar daarentegen van mening is dat de zamorin een eervolle vrede dient te worden aangeboden. Hierover zou de gouverneur reeds gecorrespondeerd hebben met de troonpreten­dent van Calicut. Voor Panikkars opvatting pleiten de contacten die Albuquerque onderhoudt met de Hindoe Timoja, de heerser van de havenstad Onor en meestal aangeduid als een piraat. Timoja, die eigenlijk Timmaya heet, is een vazal van de Krishna Deva Raya (1509-1529), de Hindoevorst van Vijayanagar, een rijk dat een groot deel van het zuiden van Voor-Indië omvat. De Portugezen noemen Vijayanagar Narsinga, naar de vorige vorst Vira Narasimha Raya II, met wie Francisco de Almeida al vriend­schappelijke betrekkingen heeft onderhouden. Later duiden zij Vijayanagar naar zijn hoofdstad aan als Bisnaga, terwijl zij de vorst daarvan de malabar noemen. Vijayanagar staat bloot aan invallen van zijn noorderburen, de moslimstaten Bijapur, Bidar, Berar en Ahmadnagar, vooral sinds Mahmoed II van Bahmani, de suzerein van de heersers van genoemde moslimstaten, zijn `vazallen’ in 1501 heeft opgeroepen een jihad (heilige oorlog) tegen Vijayanagar te beginnen.

De grote havenstad Goa aan de Canarakust, de belangrijkste invoerhaven in Voor-Indië van Arabische en Perzische paarden, heeft tot 1470 behoord aan Vijayanagar, maar de tegenwoordige Sjahbander (Heer van de Haven) is Yusuf Adil Shah, de Adil-Khan (Rechtvaardige Heerser) van Bijapur, door de Portugezen aangeduid als de Sabayo. De contacten die Albuquerque met Timoja onderhoudt zijn gericht op de herovering van Goa. De malabar hoopt Goa weer in handen te krijgen door de stad met Portugese hulp te laten heroveren door Timoja. Er is Krishna Deva Raya namelijk veel aan gelegen voor de invoer van Arabische paarden, wapens en munitie niet meer afhankelijk te zijn van het vijandige Bijapur.

Maarschalk Coutinho weet van geen wijken en voert daarbij aan dat koning Manuel hem speciaal naar Indië heeft gezonden om voor eens en voor altijd met Calicut af te rekenen. Albuquerque geeft met gemengde gevoelens toe. De radja van Cochin wordt over het plan geraadpleegd en gevraagd de zamorin van de landzijde aan te vallen. De radja, die de dreigende ondergang van zijn belager met enthousiasme verwelkomt, verleent alle medewerking: hij zendt twee brahmanen naar Calicut om te spio­neren; hij vindt enige van zijn vazallen bereid een oorlog tegen Calicut te beginnen, om troepen weg te lokken uit de stad en hij stelt de Portugezen 20 parãos beschikbaar, met welke vaartui­gen zij bij Calicut een landing kunnen uitvoeren. De spionnen keren terug met de boodschap dat de zamorin de stad heeft ver­laten, om in het binnenland oorlog te voeren, dat er maar een paar honderd nairs in Calicut zijn achtergebleven en dat er geen verdedigingswerken van enige betekenis aan de kust zijn aange­legd. Zij laten ook weten dat op de havenpier zes bombarden zijn geplaatst. Eind december 1509 schepen 2.000 Portugese en enige honderden Malabaarse soldaten zich in Cochin in. De vloot bestaat telt 20 oorlogsschepen, afgezien van de parãos van Cochin. Juist als de vloot zal uitzeilen, arriveert Vasco da Silveira uit Socotra, met het dringende verzoek Duarte de Lemos, opper­bevelhebber aan de kusten tussen Kaap de Goede Hoop en Gujarat, versterkingen te zenden. Daarvan kan op dat moment geen sprake zijn. Vasco da Silveira neemt daarentegen deel aan de expeditie tegen Calicut. Naast Dom Fernando Coutinho, diens adjudant Manuel Paçanha, Afonso de Albuquerque en Vasco da Silveira schepen zich tientallen andere edelen in. Onder hen zijn grote namen: Dom António de Noronha, evenals Dom Fernando een familielid van Albuquerque; Pero Afonso de Aguiar, die in 1502 of 1504 vreedzame handelsbetrekkingen met Sofala heeft gevestigd; Duarte de Melo, de energieke bouwer van fort São Sebastião in Moçambique; Simão de Andrade, die met Duarte Pacheco Pereira het koninkrijk Cochin zo hardnekkig tegen de zamorin verdedigd heeft, en diens broer Fernão Peres de Andrade. Ook de kapiteins die met de vloot van Dom Fernando in Malabar zijn aangekomen nemen aan de expeditie deel; het zijn: Rodrigo Rabello de Castelo Branco, Lionel Coutinho, die al met Vasco da Gama naar Indië is gereisd, Jorge da Cunha, Ruy Freire en Francisco de Sá. Ook van de partij zijn: Gonçalo de Almeida, Francisco Corvinel, een Florentijn, António da Costa, Francisco Pereira Coutinho, Gomes Freire, Manuel de Lacerda, Francisco de Sousa Mancyas, Simão Martins en Bastião de Miranda. De meesten van deze `helden’ uit de epische periode in de Portugese geschiedenis zullen in het verdere verloop van de gebeurtenissen een rol spelen. Aan boord bevinden zich bovendien de uit Pools-joodse ouders geboren Gaspar da Gama of Gaspar da India, de vroegere dienaar van de sjahbander van Goa, die door Vasco da Gama is meegenomen van Angediva die als tolk en adviseur dienst doet, en Gaspar Pereira, voorheen factor van Cochin en daarna secretaris van Dom Francisco en van diens opvolger. Ook vele andere fidalgos zijn van de partij.

De vloot komt 2 januari 1510 voor Calicut aan. De volgende morgen worden de troepen in twee bataljons ontscheept. Het ene bataljon staat onder leiding van de maarschalk; over het andere voert de gouverneur het bevel. De Portugezen steken enige dozijnen Moorse schepen voor Calicut in brand. De troe­pen onder bevel van Albuquerque veroveren de bombarden. De nairs trekken zich terug naar de stad. Dom Fernando die furieus is over het succes van zijn rivaal, dringt erop aan het paleis van de zamorin te veroveren en de stad te verwoesten. Albuquerque raadt aan de door de hitte zeer vermoeide soldaten eerst wat rust te gunnen, maar Coutinho zet zijn plan door. Hij dringt al vech­tend de stad binnen, steekt de hoofdmoskee in brand en rukt daarna op naar het paleis van de zamorin. Albuquerque, die ziet dat het aantal nairs voortdurend toeneemt en vreest dat zij de terugweg naar de schepen afsnijden, waarschuwt de maarschalk zich terug te trekken. Deze luistert niet en vecht zich naar het paleis. De wacht wordt overrompeld, waarop de Portugezen het paleis binnendringen en dat beginnen te plunderen. Nadat hij het aan de vlammen heeft prijsgegeven, geeft Coutinho, onder druk van het alsmaar groeiende aantal vijanden, bevel tot de terug­tocht. Hij belast Albuquerque met het bevel over de voorhoede en leidt zelf de achterhoede. Maar juist deze krijgt het bij de terugkeer naar de schepen het zwaarst te verduren. Er sneuve­len wel 70 fidalgos, onder wie de maarschalk zelf, zijn adjudant Manuel Paçanha, Vasco da Silveira, Lionel Coutinho en Filipe Rodriguez. Albuquerque loopt zware verwondingen op aan zijn arm en schouder en wordt door zijn mannen naar een van de schepen gedragen. Als niet tijdig versterkingen, onder bevel van Dom António de Noronha en Rodrigo Rabello de Castelo Branco op het strijdtoneel zouden zijn verschenen dan zou de ramp com­pleet zijn geweest. Nu wordt verder onheil voorkomen, omdat de nairs, in het zicht van verse troepen, van verdere achtervolging afzien. Hoeveel gewone Portugese soldaten en matrozen er gesneuveld zijn, is niet overgeleverd, evenmin als de verliezen onder de Malabaarse hulptroepen. De banier van de maarschalk is achtergebleven bij de commandant van de troepen van de zamorin en zelfs de vlag van Albuquerque is in zijn bijzijn door een nair buitgemaakt. Panikkar spreekt dan ook over het grootste militaire debâcle dat de Portugezen (tot dan toe) in Azië is over­komen. Een dag nadat het verslagen leger zich heeft inge­scheept, keren de schepen terug naar Cochin. Alleen de kapi­teins Jorge Botelho en Simão Afonso blijven met hun karvelen voor Calicut. Zij moeten de haven blokkeren, om te beletten dat met specerijen geladen schepen uitvaren naar de Rode Zee.

Albuquerque betreurt natuurlijk het verlies van zoveel fidalgos. Het sneuvelen van de maarschalk moet evenwel een hele op­luchting voor hem zijn geweest. Hij behoeft niet meer bang te zijn dat hij wordt gedwongen tot ondernemingen die niet stroken met zijn eigen inzichten. De gouverneur is zich na de nederlaag tegen Calicut meer dan ooit bewust van de kwetsbaarheid van de posi­tie van de Portugezen in Malabar, temeer daar zijn vijanden mili­tair gesteund worden door Egypte en Turkije en ook over de ken­nis en de middelen beschikken om schepen te bouwen. Hij tracht zich daarom te verzekeren van de steun van de Krishna Deva Raya van Vijayanagar. Hij zendt Frei Luiz naar de malabar met het aanbod de aanvoer van Arabische paarden uit Ormoez naar de havens van de moslimstaten van de Deccan af te snij­den ten gunste van Baticale, een haven van Narsinga. In ruil hiervoor vraagt Albuquerque steun van de malabar bij een even- tuele nieuwe Portugese aanval op Calicut. Hij vraagt hem ook in Baticale of in Mangalore een fort met factorij te mogen bouwen.

De aan de kust van Malabar gevestigde Portugezen verkrijgen kennis over het binnenland van Voor-Indië onder meer door de reizen die Duarte Barbosa vanaf 1504 naar Vijayanagar maakt. Toen Cabral in januari 1501 uit Cochin naar Portugal zou vertrek­ken, heeft hij Gil Fernandes Barbosa als factor in Cochin achter­gelaten, tezamen met een aantal landgenoten. Tot dit personeel van de factorij behoorde Duarte Barbosa, een neef van de factor. Hij is een zeer leergierig man; leert in korte tijd de taal van het land en heeft zeer veel belangstelling voor land en volk. Vanaf 1504 maakt Duarte Barbosa een aantal reizen naar Narsinga en brengt ook een bezoek aan de hoofdstad Bisnaga. In 1516 wor­den zijn bevindingen gepubliceerd, onder de titel `O Livro’. ‘Het boek’ van Duarte Barbosa bevat niet alleen bijzonderheden over Narsinga en Bisnaga, maar ook over de plaatsen en rijken aan de kusten van Oost-Afrika, Arabië, Voor-Indië en over de landen en eilanden van Zuidoost-Azië. Van al deze landen worden geo-grafische, etnografische, economische, historische en ook politie-ke bijzonderheden vermeld, naast een zeer levendige beschrij-ving van de mensen, hun activiteiten en religieuze gebruiken en verhandelingen over edelstenen en specerijen. Niet bekend is welke landen Barbosa, afgezien van Narsinga, zelf heeft be­reisd. Wij weten slechts dat hij met zijn zwager Magalhães is uitgevaren op diens tocht om de wereld en dat hij in 1521 op Cebu is gestorven. Duarte Barbosa schrijft met de in de 16e eeuw gebruikelijke overdrijving over Narsinga en Bisnaga. De koning zou over 900 olifanten en 20.000 paarden beschikken. Hij houdt er een staand leger van 100.000 man op na en in zijn pa­leis lopen 6.000 vrouwen rond, die evenals zijn soldaten betaald worden. Nadat hij een uitgebreide beschrijving heeft gegeven van de rituele lijkverbranding, waarbij de vrouw levend met haar gestorven man verbrand wordt, laat hij weten `…. quando el-rei morre se queimam com ele quatrocentas e quinhentas mulheres da própria maniera …’. (als de koning sterft 400 tot 500 vrouwen op dezelfde manier verbrand worden). Uit Barbosa’s beschrijving blijkt dat Narsinga een welvarend, dichtbevolkt land is. De hoofd­stad Bisnaga telt vele paleizen, heeft brede straten, waar veel volk loopt, en laat een grote verscheidenheid aan nering zien. De Portugezen zullen enige keren Krishna Deva Raya (1509-1529) steunen tegen zijn islamitische vijanden, hoewel zij zich gewoon­lijk buiten interne tegenstellingen in Indië houden. De grote Hindoevorst weet het tij te keren en veel aan de moslims verloren gegaan territorium te herwinnen.

2.4 De verovering en het verlies van Goa (1510).

Categorieën
Portugees kolonialisme

De eerste Portugese expeditie naar Malacca

Deel 5 Index

Hoofdstuk 2

De eerste jaren van het gouverneurschap van Afonso de Albuquerque

2.2 De eerste Portugese expeditie naar Malacca

Geschreven door Arnold van Wickeren

Diogo Lopes de Sequeira is, nadat hij op last van koning Manuel de oostkust van Madagascar heeft verkend (zie Deel IV), met zijn eskader doorgezeild naar Malabar. Als in Cochin de schade aan zijn schepen is hersteld, vervolgt hij zijn reis naar Malacca. Hij dient, in opdracht van koning Manuel, met dit belangrijkste com­merciële centrum in Oost-Azië handelsbetrekkingen aan te gaan. Daartoe moet hij in Malacca een factorij vestigen. De vloot van Diogo Lopes bestaat uit vijf schepen: het vlaggenschip van de capitão-mor; de Santa Clara, onder bevel van Jerónimo Teixeira; de schepen van Gonçalo de Sousa en João Nunes en een schip onder bevel van Nuno Vaz de Castelo Branco, dat Almeida aan Diogo Lopes’ eskader heeft toegevoegd, omdat Nuno Vaz al te nadrukkelijk de zijde van Albuquerque had gekozen, in diens conflict met Almeida. Een andere medestander van Albuquerque, die Almeida gaarne met Diogo Lopes ziet naar Malacca ziet ver­trekken, is Ruy de Aranjo of Rui de Araujo. Hij dient zich ook in te schepen. In augustus 1509 varen de vijf schepen uit. Aan boord van de vloot, die zwaar bewapend is, bevinden zich 200 matro­zen en soldaten. Met hen vertrekt een aantal slaven dat Maleis spreekt. Zij dienen in Malacca en elders als tolk optreden.

Onder de kandidaat-officieren aan boord bevinden zich twee mannen die zich grote en blijvende roem zullen verwerven. De eerste, Fernão de Magalhães, zal als eerste de aardbol omzeilen, en zijn vriend, vermoedelijk zijn neef, Francisco Serrão, zal als eerste Portugees het Molukken-eiland Ternate bereiken en zijn landgenoten in het bezit stellen van de handel in de voortbrengselen van de legendarische `Ilhas das Especiarias‘: kruidna- gelen, muskaatnoten en foelie. Magalhães is in 1480 als fidalgo geboren in Sabrosa (Trás-os-Montes) als zoon van Rui de Magalhães en Alda de Mesquita, die behoren tot de arme landadel van Noord-Portugal. Hij is in 1509 dus bijna dertig jaar oud.

Serrão is twee jaar jonger, heeft dezelfde maatschappelijke achtergrond en stamt ook uit Noord-Portugal. Magalhães is op twaalfjarige leeftijd hofpage bij koningin Leonor, de gemalin van koning João II, geworden. In 1495 dient Serrão ook als page aan het hof in Lissabon. Enthousiast gemaakt door de verhalen aan het hof over de eerste Portugese reizen naar de gebieden rond de Indische Oceaan, heb-ben de twee vrienden zich in 1505 aangemeld voor de dienst overzee. Zij hebben gevochten bij Cannanore en sedertdien loopt Magalhães mank. In november 1506 zijn zij met Nuno Vaz Pereira uit Indië vertrokken naar Sofala en zij hebben daar meegewerkt aan de bouw van het fort. In 1508 hebben zij deelgenomen aan de zeeslag bij Diu. Omdat zij elkaar in kritieke momenten te hulp zijn gekomen, hebben zij het er levend van afgebracht.

Op weg naar Malacca neemt Diogo Lopes als eerste Portugees de Nicobaren waar en ankert hij in de Noordsumatraanse peper­havens Pedir en Pacém, waar hij goed ontvangen wordt. Op 11 september komt de vloot bij Malacca aan. In de brede monding van de Muar, de rivier die de stad in tweeën deelt, liggen tiental­len Gujarati, Chinese, Maleise en Birmese schepen. De vreemde zeelieden worden aanvankelijk door de Maleise bevolking vrien­delijk ontvangen; zij worden namelijk aangezien voor `blanke Bengalezen’. De islamitische kooplieden uit Gujarat weten wel beter; zij herkennen in hen die vermaledijde Portugezen, die in Voor-Indië hun existentie en zelfs hun leven bedreigen. Zij besef­fen maar al te goed dat hen in Malacca een zelfde lot te wachten staat, als de Portugezen ook daar een machtspositie weten te krijgen. Sultan Mahmoed Shah ontvangt de weinig beschaafde nieuwkomers hoffelijk. Al op de derde dag na hun aankomst wordt een vredesverdrag met hen gesloten, dat hen toestaat aan land te komen, om met de bevolking handel te drijven. Daartoe is hen een gebouw ter beschikking gesteld, waarin de factorij wordt gevestigd. Ruy de Aranjo installeert zich daar met acht helpers. Er ontwikkelt zich een levendige handel tussen de Portugezen en de Maleise bevolking. De islamitische kooplieden uit Gujarat en hun Javaanse geloofsgenoten zijn daarover woedend. Zij laten geen gelegenheid voorbij gaan om de `ongelovigen’ bij Mahmoed Shah en zijn bendahara Tun Mutahir verdacht te maken. Zij beto­gen dat deze blanken zich aanvankelijk voordoen als vreedzame kooplieden, maar dat hun uiteindelijke doel is de sultan tot hun vazal te maken. Zij zijn over de houding van de sultan zo verbit­terd dat zij een samenzwering tegen het koningshuis opzetten. Een Perzische vrouw, die een van de `blanke Bengalezen’ tot minnaar heeft genomen, waarschuwt voor dreigend gevaar. Des­ondanks toont Diogo Lopes zich weinig ongerust over de oplo­pende spanningen in de stad. Ook Chinese Ming-kooplieden waarschuwen Diogo Lopes dat er iets broeit. Zij kiezen de kant van de vreemdelingen uit een zekere rancune jegens de autori­teiten in Malacca, die de Chinese handel zwaar belasten. Met Maleise vrouwen gehuwde en tot de islam overgegane Chinezen steunen daarentegen hun geloofsgenoten.

De Portugezen verspelen door hun onhandige optreden de aanvankelijke sympathie van het hof. Zij zijn onbekend met de paleisetiquette en weten niet met welk eerbetoon zij de sultan en diens bendahara tegemoet dienen te treden. Diogo Lopes heeft de onderhandelingen over het met de sultan af te sluiten verdrag niet zelf gevoerd; hij heeft dit overgelaten aan een delegatie, onder leiding van factor Ruy de Aranjo. Deze heeft de vorst ge­schenken aangeboden en hem gevraagd enige zo dicht mogelijk bij het water gelegen huizen beschikbaar te stellen, om daarin de Portugese factorij te vestigen. Tijdens de audiëntie heeft kapitein Jerónimo Teixeira de vorst luid en brutaal en op familiaire en dwingende toon toegesproken. Ofschoon de sultan aan de ver­langens van de Portugezen is tegemoetgekomen, heeft deze lompheid veel kwaad bloed gezet, zowel aan het hof als onder de bevolking. Nadat bijna twee maanden handel is gedreven, schof­feren de Portugezen het hof opnieuw. Diogo Lopes zelf poogt met zijn linkerhand, de hand die moslims gebruiken om zichzelf schoon te maken (een onreine hand dus), een gouden ketting om de hals van bendahara Tun Mutahir te hangen. De sultan kalmeert de ontzette hofhouding met de woorden: `die mannen weten niet beter’. Toch is deze nieuwe belediging er één teveel. Mahmoed Shah en zijn bendahara tonen zich opeens gevoelig voor de argumenten van de islamitische kooplieden en nemen zich voor de Portugezen uit Malacca te verdrijven.

Reeds de volgende dag zendt de sultan een gezant naar Diogo Lopes de Sequeira met de boodschap dat er grote hoeveelheden peper en andere goederen voor zijn vloot verzameld zijn. Hij be­hoeft alleen maar zijn boten en manschappen aan land te bren­gen om de handelswaar in te laden. Diogo Lopes zendt dan ongeveer honderd man in sloepen naar de kust en verdeelt de andere helft van zijn strijdmacht over zijn schepen. De inladers nemen de gereedliggende handelswaar in ontvangst, maar als zij zich daarmee naar hun sloepen willen begeven, wordt hen de pas afgesneden door grote aantallen Maleiers. Tegelijkertijd na­dert een grote vloot oorlogssampangs, die in het diepste geheim bij een naburig bebost eiland is bijeengebracht, de zwakbeman­de Portugese vloot. De vloot wordt ingesloten en de Maleiers klauteren razendsnel aan boord. Op dit kritieke moment treft Magalhães Diogo Lopes aan in de kapiteinshut, hoog boven de achtersteven van zijn schip. Hij zit ontspannen, met ontbloot bovenlijf, schaak te spelen met een handelaar uit Malacca. Het tweetal is omringd door een groot aantal gewapende Maleiers. Magalhães waarschuwt de commandant voor wat er zou kunnen gebeuren. Kort daarna ziet een wacht rook aan de kust en slaat alarm. Vanaf de schepen is te zien hoe een ordeloze menigte de Portugezen die hun sloepen trachten te bereiken, onderschept.

De kroniekschrijver Damião de Goís heeft de naïviteit van Diogo Lopes bekritiseerd door erop te wijzen dat de bevelhebber zich heeft gedragen `alsof hij in de haven van Lissabon was’. De zeelieden slagen erin de Maleiers van hun schepen te verjagen. Magalhães wetend dat een van de groepen inladers geleid wordt door zijn vriend Francisco Serrão slaagt erin met twee metgezel-len een roeiboot te veroveren, om zijn vriend te hulp te snellen. Serrão strijdt wanhopig met zijn mannen tegen een grote over­macht. Zijn puntige helm en zijn borstschild zijn al door zijn vijanden buitgemaakt. Hij zou zeker zijn omgekomen, als zijn vriend hem niet op het kritieke moment te hulp was gekomen. Magalhães en Serrão weten, tezamen met hun mannen en met gebruikmaking van hun zwaarden, een van de sloepen te her­overen. Ondanks een regen van pijlen met gif aan de punten, met blaasroeren afgeschoten uit de oorlogssampangs, weet de sloep de vloot te bereiken. Er blijven echter zestig man achter; zij zijn gedood of gevangengenomen. Diogo Lopes wacht een dag voor hij het anker licht, in de hoop dat hij zijn gevangengenomen landgenoten kan vrijkopen, maar de hoop is tevergeefs. Hij laat dan twee gevangenen door een boogschutter een pijl door het hoofd schieten, waarna hij de lijken aan land deponeert met de boodschap erop vastgepint: `Aldus nam de koning van Portugal wraak voor het verraad van zijn vijanden.’

Volgens een andere lezing zouden de Portugezen in de factorij voor een aanval zijn gewaarschuwd door een inheemse vrouw met contacten in de stad. Zij zou ook naar de schepen zijn ge­zwommen om alarm te slaan. Kort daarna wordt de factorij overvallen. De aanwezige Portugezen bieden hevige tegenstand, maar worden door de menigte overrompeld. Tijdens de belege­ring van de factorij bombarderen de schepen ‘s nacht de stad, om de volgende morgen te vernemen dat de factorij gevallen is. Diogo Lopes zendt dan een sloep naar de wal met een witte vlag, met het doel over vrede te onderhandelen. De sloep wordt be­schoten en keert terug naar de schepen, die daarop de ankers lichten. Een andere variant van de gebeurtenissen legt nog meer de nadruk op de zorgeloosheid van Diogo Lopes. Hij zou de helft van zijn strijdmacht walverlof hebben gegeven. Zij zijn met alle sloepen op één na naar de wal geroeid. Maleiers, die zeggen dat zij willen handeldrijven, klimmen aan boord van het schip van Gonçalo de Sousa. Deze en zijn officier Fernão de Magalhães vertrouwen de zaak niet. Sousa jaagt de ongenode gasten van boord en zendt Magalhães in de enige nog aanwezige sloep naar het vlaggenschip van Diogo Lopes, die met een Maleise hoofdman en omringd door gewapende Maleiers, zit te schaken. Dan klinkt van de wal `Verraad!, Verraad!’ Diogo Lopes springt op en laat de inheemsen van boord jagen, terwijl de langszij drin­gende sampangs ook de volle laag krijgen. Magalhães laat zich naar de wal roeien en weet onder zeer moeilijke omstandighe­den, 40 Portugezen, onder wie zijn vriend Serrão, te ontzetten, waarbij hij grote moed aan de dag legt. Diogo Lopes wacht een paar dagen om gevangenen uit te wisselen. Als de sultan dit wei­gert, vertrekt het Portugese eskader naar Colombo.

Onderweg naar Ceylon wordt in de Andamanse Zee een jonk aangevallen. De bemanningsleden van deze jonk weren zich zo dapper dat zij de Portugezen van hun schip verdrijven en uit wraak aan boord van een Portugees karveel klauteren. Zij hou­den Francisco Serrão tegen de mast. Het zwaard van Magalhães redt hem opnieuw van een zekere dood. Dankzij deze hulp blijft het aangevallen karveel behouden. Kort daarna veroveren de Portugezen een andere jonk, waarvan de bemanning minder ver-zet biedt. Na Colombo te hebben aangedaan, wordt het eskader gesplitst. Diogo Lopes zendt de kapiteins Nuno Vaz de Castelo Branco en Gonçalo de Sousa met hun schepen naar Malabar en zeilt zelf – wellicht in gezelschap van de kapiteins: Jerónimo Teixeira en João de Nunes – terug naar Portugal, om de koning verslag te doen van de rijkdommen van Malacca.

2.3 Toenadering tot Vijayanagar; tegenslag in Calicut.

Categorieën
Portugees kolonialisme

Albuquerque aanvaardt zijn ambt; Almeida gedood

Deel 5 Index

Hoofdstuk 2

De eerste jaren van het gouverneurschap van Afonso de Albuquerque

2.1 Albuquerque aanvaardt zijn ambt; Almeida gedood

Geschreven door Arnold van Wickeren

Terwijl Afonso de Albuquerque als gevangene in fort Santo Angelo in Cannanore verblijft, zeilt maarschalk Dom Fernando Coutinho naar Indië. Hij heeft van koning Manuel opdracht gekregen erop toe te zien dat Dom Francisco de Almeida, wiens ambtstermijn inmiddels is verstreken, zijn ambt overdraagt aan Albuquerque. Coutinho’s vloot, die 12 maart 1509 uitzeilt, bestaat uit 15 schepen. Hierop bevinden zich 3000 manschappen. Tot Dom Fernando’s kapiteins behoren: Rodrigo Rabello de Castelo Branco (Santa Clara), Lionel Coutinho (Flor de la Mar), Jorge da Cunha (Madalena), Ruy Freire (Garça), Francisco Marecos (São Francisco), Bras Reixeira (Ferroa) en Francisco de Sá, wiens schip niet bij naam bekend is. De eindbestemming van de vloot is Malabar, met uitzondering van de São Francisco het schip van Francisco Marecos, dat aan de kust van Oost-Afrika blijft.

Op instructie van koning Manuel dient de vloot rechtstreeks naar de nieuwe basis Moçambique te varen, zonder aan de zuidkust van Afrika water in te nemen. De Madalena is kennelijk met te weinig water uitgevaren, want al bij Guinée vraagt Jorge da Cunha de capitão-mor om enige vaten water, deze weigert. Jorge da Cunha besluit water in te nemen in São Bras, ook omdat de kwaliteit daarvan beter is dan die van het water in Moçambique. Het oponthoud in Mosselbaai is geen probleem, omdat de rest van de vloot enige tijd bij Moçambique zal liggen. De Madalena arriveert op vrijdag bij São Bras en zaterdag gaat Jorge da Cunha met 30 gewapende zeelieden aan land.

Op zoek naar water ontmoeten de Portugezen 20 of 30 inheem-sen. Jorge da Cunha geeft hen eten en drinken, waarna blank en zwart zich verbroederen. De Portugezen kopen schapen en brengen gevulde waterva-ten en ballast aan boord. Op zondag nadert een opperhoofd met een grote menigte zwarten. Een Portugees verliest zijn zwaard, waarop hij en zijn maats een zwarte grijpen, totdat het zwaard is teruggegeven. Als de zeelie-den ‘s maandags voor de laatste maal in hun sloepen naar de kust roeien, komen 500 zwarten dreigend op hen af. Jorge da Cunha houdt hen met een lans op afstand, totdat al zijn mannen in de sloepen terug zijn. Stenen en assegaaien doden twee en verwonden zeven zeelieden. In Moçambique wordt een onderzoek naar het incident ingesteld, waarbij Jorge da Cunha zich moet verantwoorden São Bras te hebben aangedaan.

Dom Fernando Coutinho arriveert – volgens Jaime Cortesão – op 29 oktober 1509 met zijn vloot in Cannanore. (Axelson beweert dat slechts één schip van deze vloot in oktober in Malabar is aan-gekomen en dat alle overige schepen hebben moeten `overwin-teren’ bij Moçambique.) Dom Fernando is stom verbaasd dat Albuquerque gevangen is gezet; hij beveelt hem direct vrij te laten. Daarna zeilt hij met hem naar Cochin, waar zij daags na aankomst worden opgewacht door de onderkoning met al zijn aanhangers. Bij een bezoek aan het fort op 4 november tracht de maarschalk Almeida en Albuquerque met elkaar te verzoenen, maar de laatste wil daarvan niets weten. Almeida, begrijpend dat hij zich niet langer tegen zijn abdicatie kan verzetten, draagt de macht over aan Albuquerque en scheept zich 5 november in op de Garça. Onder escorte van twee andere schepen, vertrekt hij op 19 november naar Portugal. Met Almeida vertrekken de drie voor Ormoez gedeserteerde kapiteins en de anderen die nadruk-kelijk zijn zijde hebben gekozen. In Deel IV is summier melding gemaakt van het sneuvelen van Dom Francisco in een gevecht met Hottentotten. Zijn tragische dood verdient meer aandacht. De gebeurtenis wordt daarom hierna uitvoeriger besproken en wel aan de hand van het gedetailleerde relaas van Eric Axelson.

Als de bemanningen van het eskader van Almeida eind februari 1510 in de Aguada de Saldanha (Tafelbaai) water hebben inge-nomen, zendt Dom Francisco ene Fernandes Labaredas met enige inheemsen mee naar hun dorp, om te vragen of de inwo-ners daarvan bereid zijn vlees te ruilen. Hij keert terug met een groot en vet schaap. Hierop stuurt Almeida hem met een dozijn metgezellen, die ruilwaren in de vorm van ijzeren voorwerpen en kleding bij zich hebben, terug naar het dorp om meer vlees te bemachtigen. De Hottentotten zijn zo blij met de zaken die de zeelieden hen aanbieden, dat zij direct een schaap voor hen slachten en bereiden. Terwijl Fernandes Labaredas zich nog in het dorp bevindt, loopt een dienaar van de onderkoning, Gonçalo Homem, naar diens metgezellen, die zich ophouden aan de rand van het dorp. Hij wil een van de Hottentotten gijzelen, om daar-mee het ruilen van schapen en runderen af te dwingen. Zodra een Portugees aanstalte maakt de beoogde gijzelaar – die onge-twijfeld goed behandeld en in de kleren gestoken zou zijn – beet te pakken, wordt hem een dolk op de keel gezet, terwijl zijn bela­gers hem waarschuwen zich kalm te houden. Voordat de opwin­ding kan worden gesust, schreeuwen de bedreigde zeeman en zijn maats om hulp naar Labaredas. De Hottentotten, die hun gastvrijheid beloond zien met vijandschap, omsingelen het kleine groepje Portugezen en verwonden hen door stenen te gooien. Als Homem met bebloed gezicht bij Almeida terugkeert biecht hij niet op wat de werkelijke oorzaak van het relletje is geweest, maar schuift de schuld daarvan geheel in de schoenen van de inheemsen, die geweigerd zouden hebben voedsel met hem te ruilen. Almeida belegt daarop een vergadering waarop, ondanks tegenkanting van drie van de meest ervaren kapiteins, besloten wordt het dorp te tuchtigen. De volgende morgen, 1 maart, lan-den bij het aanbreken van de dag 150 Portugezen een légua van de plaats waar water is ingenomen, aan wat in later eeuwen Woodstock beach is gaan heten. De Portugezen dringen het dorp met twee compagnieën binnen, grijpen een aantal kinderen en beginnen vee naar de kust te drijven. Nadat de Hottentotten van hun verbazing bekomen zijn, vallen zij, gewapend met ste­nen, lansen met verharde punten en assegaaien, furieus aan. Ofschoon zij maar met 80 man zijn, kunnen de Portugezen geen vat krijgen op de situatie, omdat de inheemsen alsmaar dekking zoeken achter hun vee en de zeelieden slechts over zwaarden en lansen beschikken. Veel schepenlingen raken gewond, maar zij weten al vechtend toch de oever te bereiken, om tot de ont­dekking te komen dat hun sloepen verdwenen zijn. Hun kamera­den zijn weggevaren, nadat een hevige wind is opgestoken. Ter­wijl hun beweeglijke aanvallers aangroeien tot 170 man, ploete­ren de in scheepstenue gestoken zeelieden door het rulle zand langs het strand. De Hottentotten bestoken hen, terwijl zij in een grote cirkel om de Portugezen heen dansen. Almeida, reeds ge­wond door een steen, wordt door een assegaai in zijn keel getrof­fen, terwijl hij wordt weggedragen. Hij sterft een ellendige dood. Elf kapiteins en in totaal 56 Portugezen komen om in het zand nabij de Tafelberg. De bekende kroniekschrijvers, Castanheda, Barros, Goís en Correia, maken allen melding van deze traumati­serende gebeurtenis, waarbij 170 wilden, 150 Portugezen, onder wie telgen uit de meest vooraanstaande adellijke families van het koninkrijk, verslagen hebben. Barros spreekt zelfs van de meest rampzalige gebeurtenis uit de Portugese geschiedenis. Het sneu­velen van Dom Francisco wordt in Portugal diep betreurd.

Als Albuquerque in oktober 1509 aantreedt als capitão-geral van de Estado da India, waaronder ook de Portugese steunpunten in Oost-Afrika vallen, is hij 56 jaar. Hij is de tweede zoon van de heer van Vila Verde, Zijn overgrootvader en grootvader aan zijn vaderszijde hebben vertrouwelijke ambten uitgeoefend aan het hof van de koningen João I en Duarte; zijn moeders vader is admiraal van Portugal geweest. Albuquerque heeft vanaf zijn achttiende jaar deelgenomen aan militaire expedities in Marokko. Hij is in 1471 betrokken geweest bij de verovering van Arzila en de inname van Tanger door Afonso V. Koning João II heeft hem benoemd tot opperstalmeester, wat hij gebleven is tot het overlij­den van João II in 1495. In 1489 heeft hij opnieuw in Marokko gediend en is hij één van de verdedigers van fort Graciosa ge­weest. Hij is in 1503 met een eigen eskader naar Malabar gezeild en heeft zijn kennis van Azië zeer vergroot door een schat aan inlichtingen in te winnen van enige mensen met grote en veel­zijdige kennis van het Oosten. Zijn getoonde doortastende optre­den tijdens de lange reis, aan het einde waarvan hem het gou­verneurschap van de Estado da India wacht, heeft aangetoond dat Afonso de Albuquerque door koning Manuel terecht voor dit hoge ambt is uitverkoren. Het is de bedoeling dat hij met Calicut afrekent en langs de gehele kust van Malabar steunpunten aan­legt, om de handel te kunnen beheersen en de Moren te kunnen bestrijden. Almeida is in dit opzicht niet erg doortastend opgetre­den. Albuquerque zal de fundamenten van het Portugese rijk in Indië leggen en zal daardoor de grote held van de Estado da India worden.

2.2 De eerste Portugese expeditie naar Malacca.

Categorieën
Portugees kolonialisme

Schipbreuken. De Carreira da India

Deel 5 Index

Hoofdstuk 1

De Carreira da India

1.2 Schipbreuken

Geschreven door Arnold van Wickeren

Ofschoon het aantal schipbreuken gedurende de eerste helft van de 16e eeuw zeker niet buitensporig hoog is, gaan toch heel wat schepen verloren, hetgeen blijkt uit de volgende opsomming. Tijdens de heenreis van Pedro Álvares Cabral in 1500 verdwijnt het karveel van Vasco de Ataíde spoorloos bij het Kaapverdische eiland São Nicolau en vergaan de karvelen van Aires Gomes da Silva, Bartolomeu Dias, Luis Pires en Simão de Pina met man en muis in een vliegende storm in het zuiden van de Atlantische Oceaan. Op Cabrals terugweg loopt de zwaar met specerijen geladen nau (kraak) El Rei van zijn tweede man, Sancho de Tovar, bij Malindi op een zandbank. Ofschoon de bemanning gered kan worden gaan schip en lading verloren. Cabral verliest dus zes schepen van de dertien waarmee hij is uitgevaren. João da Nova Castela heeft volgens enkele kroniekschrijvers op de terugweg één van zijn vier schepen bij Sint Helena verloren. Op de heenreis van Vasco da Gama in 1502 loopt de kraak Santa Elena van Pero de Mendoça bij Sofala op een zandbank. De bemanning en de lading worden gered, maar het schip moet worden opgegeven.

Van de zes (à acht) schepen die Vasco da Gama van zijn vloot van twintig schepen in Indië achterlaat, gaan de kraken van Vicente en Bras Sodré door eigen schuld bij de Kuria Muria-eilanden verloren. Slechts een deel van de beman-ning van het schip van Bras Sodré weet zich te redden. Van de drie eskaders van drie schepen die in 1503 uitzeilen, verdwijnt het schip of wellicht zelfs het hele eskader van Francisco de Albuquerque op de terugweg spoorloos; de schipbreuk heeft mogelijk plaatsgehad voorbij Sofala. Het schip van Diogo Fernandes Pereira, die in 1503 tezamen met António Saldanha en Ruy Lorenço is uitgezeild, vergaat op de heenreis in de Atlantische Oceaan, nabij het eiland São Tomé. Van de vloot van dertien schepen onder Lopo Soares de Albergaria, die in 1504 uit Portugal is vertrokken, vergaan twee schepen bij Socotra, terwijl Pero de Mendoça opnieuw schipbreuk lijdt, thans nabij de Angra de São Bras (Mosselbaai), aan de zuidkust van Afrika. Lopo de Abreu, die het vergaan van Mendoça’s schip ziet, kan wegens het zeer slechte weer geen hulp bieden.

Van de grote vloot van 22 schepen, waarmee Dom Francisco de Almeida in 1505 uit-zeilt, gaat een schip op de heemreis verloren in een storm bij Kaap Corrientes, terwijl João da Nova Castela op de terugweg zijn schip Flor de la Mar verspeelt, maar zichzelf in Angoche in veiligheid weet te stellen. Een deel van de bemanning wordt een jaar later door Pero de Anhaia berooid en verhongerd uit een sloep opgepikt. In 1506 verspelen Pero Barreto en Francisco de Anhaia, die in 1505 met Pero de Anhaia zijn uitgezeild, door eigen schuld ieder hun kraak als zij de haven van Kilwa willen binnenvaren. Zij en hun bemanningen worden gered. Van de vloot waarmee Afonso de Albuquerque en Tristão da Cunha in 1506 uit Portugal vertrekken, vergaat het schip van Ruy Pereira, als hij tracht Cabo do Natal (de noordpunt van Madagascar) te ronden. Een karveel van het eskader van zes schepen, waarmee Vasco Gomes de Abreu in 1507 uit Lissabon is uitgezeiild, loopt op een zandbank in de Angra de Beziguiche. Abreu bereikt Sofala en vertrekt van daar met zijn kraak São Romão, een karveel en twee andere, vermoedelijk kleine, vaartuigen. Daarna is niets meer van hem of zijn schepen vernomen. Van het eska-der van zes schepen dat hetzelfde jaar als Abreu, onder leiding van Jorge de Melo Pereira, uitzeilt, zijn geen schipbreuken gemeld. De laatste vloot waarvan de lotgevallen in Deel IV zijn behandeld en hiervoor zijn samengevat, is de vloot van 13 schepen, waarmee Jorge de Aguiar en Duarte de Lemos in 1508 uitzeilen. Zoals reeds vermeld, vergaat Jorge de Aguiar met zijn kraak São João bij Tristão da Cunha. Uit het voorgaande blijkt dat er van de vloten die in de jaren 1500-1508 naar de Indische Oceaan zijn vertrokken er 23 à 26 schepen verloren zijn gegaan. Op een totaal van 136, is dat 17 à 19 procent. De aantallen vergane schepen zijn in absolute termen te klein om afzonderlijke percentages te geven voor kraken en karvelen of voor geladen en ongeladen schepen, zo dit al mogelijk zou zijn.

In september 1505 krijgt Cide Barbudo opdracht te gaan zoeken naar overlevenden van het bij de Angra de São Bras vergane schip van Pero de Mendoça en naar de vermiste schepen van Francisco de Albuquerque. Hij vaart uit met een kraak die uit de kust moet blijven zeilen en een karveel, dat de kustlijn nauwkeurig dient te volgen. In de Angra de São Bras dienen twee degradados aan land te worden gezet om in acht dagen langs de kust naar Talhado (Kaap Seal) te lopen, waarbij zij naar overlevenden moeten uitzien. Als zij in hun opdracht slagen, krijgen zij gratie. De twee schepen moeten daarna naar de Bazaruto-eilanden zeilen, waar Francisco de Albuquerque wellicht schipbreuk heeft geleden. Als geen resultaat is geboekt, dient Barbudo navraag te doen in de stad Chiloane. Barbudo zeilt 19 november 1505 uit. Via Beziguiche arriveert hij 6 februari 1506 bij Tristão da Cunha. Hij verlegt zijn koers naar het oostnoordoosten en komt 3 maart aan in de Golfo das Areias, 300 léguas ten noorden van de Kaap. Pas op 18 april arriveert hij in de Aguada de Saldanha (Tafelbaai), waar zijn bemanning door gemoedelijke ruilhandel vee van de inheemsen betrekt. Barbudo neemt het bevel over het karveel op zich en plaatst Pedro Quaresma op de kraak. Zij beginnen op 26 april aan hun tocht langs de zuidkust van Afrika, tellen de padrões en bereiken op 2 mei de Angra de São Bras, die Quaresma herkent aan de door João de Nova gebouwde hut. De volgende dag tracht Barbudo de plaatst te bereiken waar Lopo de Abreu het schip van Pero de Mendoça heeft zien vergaan. Hij slaagt niet in zijn opzet wegens zware westenwind. Hij zet een degradado met de scheeps-jongen aan land, die te voet naar de plaats op weg gaan. Na drie dagen zijn zij terug, met het verhaal dat zij splinters van de mast en het skelet van een man gezien hebben. Quaresma schrijft in zijn rapport aan koning Manuel: `Ik weet niet of ik daaraan geloof moet hechten’. Het karveel blijft dertien dagen in Mosselbaai. In die tijd verkrijgt Barbudo geen verdere inlichtingen over de schipbreuk. Bij de Rio de Santa Lucia raken de twee schepen elkaar kwijt. Quaresma zoekt de kust af tussen Kaap Corrientes en Sofala, waar beide schepen elkaar weer treffen. Quaresma zeilt 14 juli naar Moçambique, waar hij 27 juli aankomt en Vasco Gomes de Abreu hulp biedt (zie deel IV, pag. 126-127). Of Barbudo de zandbanken in de Straat van Moçambique, die later bekend worden onder de naam Baixos da Judia, heeft afgezocht, is niet bekend.

2.1 Albuquerque aanvaardt zijn ambt; Almeida gedood.

Categorieën
Portugees kolonialisme

De route. De Carreira da India

Deel 5 Index

Hoofdstuk 1

De Carreira da India

1.1 De route

Geschreven door Arnold van Wickeren

In de loop der jaren wordt ervaren wat de gunstigste route van en naar Indië is en in welke maand bij voorkeur uitgezeild dient te worden. Duarte Pacheco Pereira (zie Deel IV) schrijft in 1505 in zijn Esmeraldo de Situ Orbis dat aan de heenreis het best in februari, maar niet later dan in maart, kan worden begonnen, ofschoon er ook voorbeelden zijn van schepen die pas in april zijn uitgezeild en toch een voorspoedige reis hebben gehad. Pacheco stelt dat vanaf Lissabon 200 léguas naar het zuidzuid-westen gezeild moet worden, waarna op 28 NB, dus in de buurt van de Canarische eilanden, de koers verlegd moet worden naar zuid ten oosten. Na 45 léguas komt op 25 NB de kust van West-Afrika in zicht. Deze moet gevolgd worden tot Cabo Verde, waarna in de Angra de Beziguiche vers water en hout kan worden ingenomen. Vervolgens dient 600 léguas naar het zuiden te worden gezeild, om bij 19 ZB de koers te verleggen naar het oostzuidoosten. Na 850 léguas te hebben afgelegd, wordt op 37 ZB een punt bereikt op 40 léguas ten zuidwesten van Kaap de Goede Hoop. Na het ronden daarvan kan langs de kust naar de Rio do Infante (Keiskama) worden gezeild. Bij gunstige wind kan vijftien of twintig léguas uit de kust gevaren worden.

Aanvankelijk wordt Beziguiche op het Ilha das Palmas (Gorée) als tussenstation in de Carreira da India gebruikt. Later blijkt dat vanaf de Canarische eilanden beter naar het zuiden kan worden gezeild, waarna op 5 of 6 NB, profiterend van uit noordoostelij-ke richtingen waai­ende winden, koers gezet wordt naar de kust van Brazilië, die op ruim 6 ZB in zicht komt. Langs de kust naar het zuiden zeilend, moet een smalle gordel van windstilte over-wonnen worden. Hierna wordt een gebied bereikt waar zuidoos-telijke winden waaien. Vanaf Cabo de Santo Agostinho kan bij het zeilen naar het zuiden geprofiteerd worden van de Brazilië-stroom.

Vanaf 20 ZB overheersen westelijke winden, die naar het zuiden in kracht toenemen. Daarom kan het best zo zuidelijk mogelijk naar Afrika worden overgestoken. Om er zeker van te zijn dat Kaap de Goede Hoop en Kaap Agulhas gepasseerd wor-den, dient langs de breedtegraad van 36 ZB naar het oosten te worden gezeild. Hierbij wordt op zeker moment de eilandengroep Tristão da Cunha waargenomen. In de latere jaren twintig van de 16e eeuw wordt kapiteins geadviseerd erop te letten dat Kaap Agulhas wordt opgemerkt, omdat als deze kaap na 1 juli wordt gepasseerd de reis het beste vervolgd kan worden langs de oost-kust van Madagascar en niet door de Straat van Moçambique. Later geldt dat deze viagem de fora genomen dient te worden als Cabo da Boa Esperança gepasseerd is na 20-25 juli. Schepen die na half oktober uit Portugal in de Indische Oceaan arriveren, kunnen niet nog hetzelfde jaar doorvaren naar Indië, omdat eind oktober de noordoostmoesson inzet. Zij moeten in Moçambique `overwinteren’, totdat vanaf begin april westelijke winden weer gaan overheersen. Omdat het klimaat in Moçambique zeer onge-zond is, kost het overwinteren veel zeelieden het leven.

Schepen kunnen het best begin december aan de terugreis uit Indië beginnen. Zij bereiken, profiterend van de noordoostmoes-son, Moçambique eind december of begin januari en kunnen vandaar onder gunstige condities hun reis vervolgen. Schepen die later uit Malabar vertrekken en niet voor eind februari bij Moçambique zijn, lopen kans dat zij vanaf maart of april te kam-pen krijgen met moessonwinden die uit het zuiden en zuidwesten waaien. Bovendien waaien de winden aan de zuidkust van Afrika in de periode april tot oktober overwegend uit westelijke richtin-gen, waarbij zij vaak tot stormkracht aanzwellen. Kapiteins kun-nen desondanks trachten hun thuisreis te vervolgen, waarbij zij aanvankelijk overwegend tegenwind hebben en op weg naar Kaap de Goede Hoop zonodig tijdelijk beschutting tegen stormen kunnen zoeken in de vele baaien aan de kust. Onder deze om-standigheden kunnen schipbreuken niet altijd vermeden worden. Naast de gevaren die het ronden van het Afrikaanse continent oplevert, vergt het aandoen van havens aan de kust van Oost-Afrika ook veel zeemanskunst, wegens de vele verraderlijke riffen en zandbanken voor deze kust. Deze ondiepten kosten ook de nodige offers, evenals vaak plotselinge hevige stormen in de Atlantische en de Indische Oceaan.

Vanaf 1514 beschikken de kapiteins en loodsen over het Livro das Roras van João de Lisboa. Het is het eerste roteiro (zeilvoor-schrift) waarop de kusten van Voor-Indië en Malacca staan aan-gegeven. Het boek bevat ook passages die eilanden in de Oost-indische archipel betreffen, waar nog nooit een Portugees schip is geweest en die overgenomen moeten zijn van Arabische zeil­voorschriften uit die tijd.

Curieus is dat de Portugese zeevaarders bijna twintig jaar nadat Bartolomeu Dias voor het eerst de zuidkust van Afrika bezeild heeft nog niet weten dat Cabo da Boa Esperança niet het meest zuidelijke punt van Afrika is. Duarte Pacheco Pereira schrijft in zijn Esmeraldo de Situ Orbis dat Cabo da Boa Esperança en Cabo de São Brandão (Cabo das Agulhas), het werkelijk zuide-lijkste punt, op dezelfde breedtegraad liggen. In zijn beschrijving van de Afrikaanse zuidkust, waarvan de vegetatie hem sterk doet denken aan die van Portugal, `omdat dat op dezelfde breedte ligt en een zelfde klimaat heeft’, verwisselt Pacheco Pereira het Ilhéu da Cruz, waar Bartolomeu Dias een groot houten kruis heeft opgericht, met de Penedo das Fontes, waar Dias zijn laatste padrão heeft geplaatst.

De omvang van de bocht waarmee de Kaap omzeilt wordt kan sterk variëren. Niet zelden komen schepen daarbij tot 40 ZB. Vasco Carvalho maakt het in 1504 wel erg bont. Hij bereikt in juli 47 ZB. De sneeuw ligt zo dik op het dek dat de bemanning er niet in slaagt het dek schoon te vegen; bovendien sterven acht zeelieden door de intense kou.

1.2 Schipbreuken.

Categorieën
Portugees kolonialisme

Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee. DEEL 5

Geschreven door Arnold van Wickeren

Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee. DEEL 5

De Carreira da India, De eerste jaren van het gouverneurschap van Afonso de Albuquerque, Malacca, De Molukken en de Banda-eilanden, Albuquerque terug in Malabar, Malabar in de jaren 1513-1514, De kust van Oost-Afrika (1509-1515)

Verantwoording

Inleiding

Hoofdstuk 1. De Carreira da India

1.1. De route

1.2 Schipbreuken

Hoofdstuk 2. De eerste jaren van het gouverneurschap van Afonso de Albuquerque

2.1. Albuquerque aanvaardt zijn ambt; Almeida gedood

2.2. De eerste Portugese expeditie naar Malacca

2.3. Toenadering tot Vijayanagar; tegenslag in Calicut

2.4. De verovering en het verlies van Goa (1510)

2.5. De definitieve verovering van Goa

Hoofdstuk 3. Malacca

3.1. Het voornemen Malacca te veroveren

3.2. Malacca’s opkomst en positie in Zuidoost-Azië

3.3. Handelsstromen van en naar Malacca

3.4. De verovering van Malacca (1511)

3.5. De consolidatie van de macht in Malacca

Hoofdstuk 4. De Molukken en de Banda-eilanden

4.1. De Specerijeneilanden in het begin van de 16e eeuw

4.2. De Specerijen eilanden bereikt

Hoofdstuk 5. Albuquerque terug in Malabar

5.1. Albuquerques schipbreuk; problemen in Malabar

5.2. De Egyptisch-Turkse dreiging

5.3. Het ontzet van Goa

5.4. Het eerste contact met Ethiopië

5.5. De expeditie naar Aden en de Rode Zee

Hoofdstuk 6. Malabar in de jaren 1513-1514

6.1. Vrede met Calicut; andere ontwikkelingen in Malabar

6.2. De handel met Malabar

6.3. Problemen bij de kolonisatie; betrekkingen met Perzië

6.4. Opstand in en aanval op Malacca

6.5. De betrekkingen met de buurstaten

6.6. Bezetting van Ormoez; bondgenootschap met Perzië

6.7. Afonso de Albuquerque overleden

Hoofdstuk 7. De kust van Oost-Afrika

7.1. Sofala in de jaren 1509-1515

Verantwoording

In mijn `Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen over-zee’ (ISBN 90-802098-1-3), dat eind 1994 door mijn werkgever Hogeschool Alkmaar werd uitgebracht, zijn veel belangwekkende zaken onbesproken gebleven. Vandaar dat het gebruikmaken van de VUT-regeling voor mij aanleiding is mijn oorspronkelijke boek, aan de hand van veel meer literatuur, uit te werken en uit te brengen in delen van ongeveer 220 pagina’s, waarvan het aantal niet van tevoren is bepaald. De delen verschijnen in een beperkte oplage en zijn bestemd voor bibliotheken en voor ande re belangstellenden. Met de uitgifte wordt geen commercieel doel nagestreefd. Daarom is de uitvoering zo goedkoop mogelijk gehouden.

Ofschoon Portugal als speler op het Europese toneel een boei­ende geschiedenis heeft, gaat mijn belangstelling toch vooral uit naar Portugals verrichtingen overzee; daarop liggen dus de accenten in dit boek. Het gaat dan om zaken als: de wereldwijde maritieme expansie in de 15e en de eerste helft van de 16e eeuw; het langzame verval van de Portugese positie in Azië in de tweede helft van de 16e eeuw en de vrijwel volledige teloorgang daarvan, door toedoen van de VOC, in de 17e eeuw; de strijd om Brazilië en de Portugese gebieden in West-Afrika tegen de WIC in de 17e eeuw; de bloei en het verlies van Brazilië in de 18e, respectievelijk de 19e eeuw; de uitbouw van het koloniale rijk in Afrika naar de binnenlanden aan het einde van de 19e en in de eerste helft van de 20e eeuw en het einde van de koloniale droom in onze tijd. Deze en soortgelijke zaken komen uitvoerig in mijn boek aan de orde. De bespreking van de ontwikkelingen in Portugal zelf en de verhouding van het land tot andere machten verschaffen de lezer de noodzakelijke achtergrondinformatie, van waaruit het optreden overzee kan worden begrepen.

In de verantwoording van deel IV heb ik laten weten dat het aan­vankelijk de bedoeling is geweest in elk deel, naast de binnen­landse situatie in een bepaald tijdvak, de Portugese verrichtingen overzee in de verschillende continenten gedurende datzelfde tijd­vak, te bespreken. Deze werkwijze zou de wereldwijde maritieme expansie van Portugal extra reliëf hebben gegeven. Vervolgens is medegedeeld dat deze werkwijze voor het eerste kwart van de 16e eeuw moest worden losgelaten, omdat Portugals machtsont­plooiing langs de kusten van de Indische Oceaan en in Oost-Azië in die tijd zo’n grote vlucht neemt, dat alleen de bespreking daar­van verschillende delen vergt, zodat niet in elk deel tevens de expansie elders in de wereld behandeld kan worden. Een redelijk uitvoerige beschrijving van de Portugese geschiedenis, met inbe­grip van de wereldwijde maritieme expansie, ten tijde van koning Manuel (1495-1521) vergt niet minder dan vier delen. In deel III is aandacht geschonken aan de binnenlandse situatie tijdens de regeringsperiode van Manuel en aan de Portugese positie in Marokko in hetzelfde tijdvak; daarnaast bevat deel III uitvoerige beschrijvingen van de eerste reis van Vasco da Gama naar Indië en van de reis van Pedro Álvares Cabral naar Brazilië en Indië. In deel IV zijn de expedities aan de orde gekomen die Manuel in de jaren 1501-1508 naar Oost-Afrika en Indië heeft gezonden. Ook de stichting van de Estado da India door Dom Francisco de Almeida, de eerste onderkoning van het Império Português do Oriente, is beschreven. Deel V gaat verder met de Portugese machtsontplooiing in Azië in de jaren 1509-1515, terwijl het tijd­vak van Manuel besloten zal worden met deel VI. Daarin zal de commerciële expansie in de Estado da India in Azië in de jaren 1515-1521 besproken worden en komen ook de verrichtingen van de Portugezen elders in de wereld, zoals in Marokko en Senegambia, langs de kusten van de Golf van Guinée en in Congo, Angola, Ethiopië, Brazilië en Noord-Amerika) aan de orde.

Mijn keuze om elk deel uit circa 220 pagina’s te doen bestaan, waardoor per deel vaak niet meer dan een beperkt tijdvak behan deld kan worden, brengt met zich mee dat bepaalde inleidende beschouwingen, zonder bezwaar ook in een of meer volgende delen opgenomen zouden kunnen worden. Dit zou echter tot vele dupliceringen leiden. Daarom heb ik ervoor gekozen de inlei­den de beschouwingen over de politieke en economische situatie van een bepaald gebied alleen op te nemen in dat deel, waarin ver slag wordt gedaan van de eerste aanraking van de Portugezen met dat gebied. In een volgend deel, waarin de inleidende beschouwing niet zou misstaan, wordt daarnaar verwezen.

Dit vijfde deel bevat, anders dan eerdere delen, geen samenvat­ting van het in voorafgaande delen behandelde geschiedenis van Portugal en zijn maritieme expansie, daarvoor wordt verwezen naar voorafgaande delen van dit werk; wel wordt in de inleiding een samenvatting gegeven van de resultaten van de in de delen III en IV besproken expedities naar de Indische Oceaan, omdat deel V daarop direct aansluit. Het korte eerste hoofdstuk van deel V bevat een verhandeling over de Carreira da India (Vaart op Indië) in de aan deel V voorafgaande periode en heeft mitsdien ook een inleidend karakter. De volgende hoofdstukken zijn in hoofdzaak gewijd aan de daden van de tweede capitão-geral (kapiteingeneraal; gouverneur) van de Estado da India, Afonso de Albuquerque (1509-1515). Dit deel omvat derhalve de tijdelijke en de definitieve verovering van Goa, de nieuwe hoofd­stad van het Império Português do Oriente, de verovering van het belangrijke Oostaziatische handelscentrum Malacca, het be­reiken van de Specerijen-eilanden, de eerste expeditie naar de Rode Zee en de vergeefse aanval op de havenstad Aden, de inbezitneming van de grote transitohaven Ormoez, aan de ingang van de Perzische Golf, en de pogingen het monopolie op de goudhandel van Sofala te bemachtigen.

Anders dan uit deze opsomming wellicht zou kunnen worden geconcludeerd, wordt in deel V niet alleen aandacht geschon­ken aan de militaire kant van het Portugese avontuur in Azië. De militaire inspanningen zijn vooral gericht op com­merciële doel­einden, zoals: het overnemen van de tussen­handel in Aziatische producten van de gehate moslims en van de Venetianen en het verwerven van het monopolie op de handel in peper en goud voor de Portugese kroon. Derhalve wordt ook ruim aandacht geschonken aan Aziatische handel en handelsstromen. Ook poli­tieke, nautische, religieuze en andere aspecten komen aan de orde. Zoals gezegd, gaat dit deel vooral over de verrichtingen van Afonso de Albuquerque `o Grande’ en over die van zijn soms illustere tegenspelers. Enkele malen is echter stilgestaan bij de soms opmerkelijke daden of wel zeer tragische lotgevallen van niet-hoofdrolspe­lers. Persoonlijk vind ik deze petites histoires het `zout in de pap’, al kan de lezer daar anders over denken. Om de lees­baarheid van het boek te bevorderen, is afgezien van het opnemen van voetnoten. De index omvat een register van alle in de tekst voorkomende personen en geografische namen. Enige kaarten en een verklarende woordenlijst completeren het geheel.

Bij het schrijven van dit werk heb ik als het ware op de schouders gestaan van mijn voorgangers, dus van degenen die de soms tegenstrijdige gegevens uit de oorspronkelijke bronnen hebben geschift, geordend, vertaald en van annotaties hebben voorzien. Aan mij de taak uit de veelheid van boeken de meest bruikbare te kiezen. Hierbij heb ik enige waardevolle adviezen mogen ont vangen van Dr. Benjamin N. Teensma, die mij ook een aantal werken van zijn hand heeft doen toekomen. Voor beide zeg ik hem dank. Mijn dank gaat ook uit naar Prof. Dr. Leonard Blussé voor zijn bemoedigende reacties op de eerder verschenen delen.

Bij de beschrijving van de handelsstromen in Azië is dankbaar gebruik gemaakt van het monumentale werk L’économie de l’empire Portugais aux XVe et XVI siècles van Vitorino Magalhães-Godinho, Paris, 1969 en van het zeer gedegen proef­schrift Asian Trade and European Influence in the Indonesian Archipelago between 1500 and about 1630 van Marie Antoinette Petronella Meilink-Roelofsz, ‘s-Gravenhage, 1962. De voor deel V relevante gedeelten van deze werken heb ik uitgeplozen. In aanvulling op deze boeken heb ik geraadpleegd: de inleiding van The survival of Empire: Portuguese Trade and Society in China and the South Chinese Sea, 1630-1754 van George Bryan Souza, Cambridge 1988 en Immanuel Wallersteins The Modern World-System: Capitalist Agriculture and the Origins of the European World-Economy in the Sixteenth Century, New York, 1974.

De beschrijving van de militaire campagnes zijn voor een belang-rijk deel ontleend aan The Portuguese in India van Frederick Charles Danvers, London, 1894. Hierbij heb ik telkens getwijfeld of ik de namen van de vele onderbevelhebbers die aan de ver-schillende expedities hebben deelgenomen, wel of niet zo over-nemen. Uiteindelijk heb ik dat wel gedaan, omdat de namen van sommigen van hen bij verschillende gelegenheden opduiken. Ik heb in die gevallen gerefereerd aan een of meer vroegere heldendaden van de betrokkene. Soms bleek in Danvers’ boek, dat vooral gebaseerd is op Gaspar Correia’s Lendas da India, sprake van inconsistenties, in die zin dat een kapitein zich op meerdere plaatsen tegelijk moet hebben bevonden; deze incon-sistenties zijn gesignaleerd.

De vermelde politieke en diplomatieke verwikkelingen zijn vooral ontleend aan de reeds genoemde werken van:

Godinho, Vitorino Magalhães: L’économie de l’empire Portugais aux XVe et XVIe siècles, S.E.V.P.E.N, Paris, 1969

en van

Danvers, Frederick Charles: The Portuguese in India, W.H. Allen & Co. Ltd., London, 1894

en voorts van:

Boxer C.R.: The Portuguese Seaborn Empire 1600-1800, Hutchinson & Co ltd, London, 1965;

Boxer C.R.: Race Relations in the Portuguese Colonial Empire 1415-1825, Clarendon Press, Oxford, 1963;

Cortesão, Jaime: História dos Descobrimentos Portugueses, Barbosa, Duarte: O Livro de Duarte Barbosa, Introdução e Notas de Neves Águas, Publiações Europa-America.

Geraadpleegde werken die speciaal betrekking hebben op de ontwikkelingen in Voor-Indië zijn:

Panikkar, K.M.: Malabar and the Portuguese: Being a History of the Relations of the Portuguese with Malabar from 1500 to 1663, Taraporevala Sons & Co., Bombay, 1929;

Pearson, N.M.: The Portuguese in India, Cambridge University Press, Cambridge, 1987.

Voor de expedities naar de Molukken zijn opnieuw geraad-pleegd:

L’économie de l’empire Portugais aux XVe er XVIe siècles van Vitorina Magalhães Godinho

en

Asian Trade and European Influence in the Indonesian Archipelago between 1500 and about 1630 van Marie Antoinette Petronella Meilink-Roelofsz

en voorts:

Bokemeijer, Heinrich: Die Molukken: Geschichte und quellenmässige Darstellung der Eroberung und Verwaltung der Ostindische Gewürszinseln durch die Niederländer, F.A. Brockhaus, Leipzig, 1888;

Corn, Charles: Sporen van het Paradijs; Het verhaal van de Specerijenhandel, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 1998.

Voor de contacten met Perzië en Zuid-Arabië is wederom gebruik gemaakt van:

L’économie de l’empire Portugais aux XVe et XVIe siècles van Vitorino Magalhães Godinho

en van

The Portuguese in India van Frederick Charles Danvers

en voorts van:

Bayani, Kwanbaba: Les relations de l’Iran avec l’Europe Occidentale à l’epoque Safavide, Université de Paris, 1937;

Serjeant, R.P.: The Portuguese off the South Arabian Coast, Oxford at the Clarendon Press, London, 1963.

Maatgevend voor de beschrijving van de ontwikkelingen aan de kust van Oost-Afrika is geweest het gedegen boek van:

Axelson, Eric: Portuguese in South-East Africa 1488-1600, C. Struik (PTY) LTD, Johannesburg, 1973.

Voor de eerste contacten met China heb ik ook bekeken:

Boxer C.R.: Fidalgos in the Far East 1550-1770, fact and fancy in the history of Macão, Martinus Nijhoff, The Hague, 1948;

T’ien Tsê Chang: Sino-Portuguese trade from 1514 to 1644: A synthesis of Portuguese and Chinese sources, Late E.J. Brill Ltd, Leyden, 1969.

De eerste aanraking met Ethiopië is vooral beschreven aan de hand van:

Beshah, Girma and Merid Wolde Aregay: The question of the Union of the Churches in Luso-Ethiopian Relations (1500-1632), Junta de Investigações do Ultramar and Centro de Estudos Históricos Ultramarinos, Lisbon, 1964.

Voor de vermelde nieuwe ontdekkingen is voornamelijk geput uit:

Peres, Damião: A história dos descobrimentos portugueses, Vertente, Porto, 1982;

Peres, Damião: História dos Descobrimentos Portugueses, 4a edição, Vertente, Porto, 1992.

Velen hebben mij gestimuleerd bij het schrijven van dit deel. Mijn dank gaat uit naar Rob Struyk, van wiens kantoorapparatuur steeds gebruikgemaakt kon worden, en naar Piet Vermaas, die desgevraagd telkens bereid bleek voor mij op het World Wide Web naar gegevens te speuren. Ik betrek mede in mijn dank Fred Niesten en Fred de Groot van de reproductie-afdeling van Hogeschool Alkmaar, die mij in de gelegenheid hebben gesteld uit bibliotheken geleende boeken te kopiëren en die ook dit deel hebben gedrukt. Tenslotte spreek ik in het bijzonder mijn dank uit aan mijn vrouw, die – na mijn vervroegde uittreding uit het arbeidsproces – mij nauwelijks belast met huishoudelijke taken, maar mij alle gelegenheid geeft dit boek te schrijven.

De schrijver

Inleiding

In de delen III en IV van dit boek is het eerste decennium van de Portugese maritieme expansie in Azië besproken. De resultaten van de expedities naar de Indische Oceaan in deze periode en de vestiging van de maritieme en commer­ciële machtspositie langs de boorden van deze Oceaan worden hier gememoreerd, als inleiding op de bespreking van de verdere expansie. Para-graaf 1.1 bevat een sa­men­vatting van de nega­tieve resultaten van de vroege expedities, in de vorm van verloren gegane schepen, tegen de achtergrond van klimatologische en nautische problemen die bij de Carreira da India (Vaart op Indië) overwon-nen moeten worden..

De Portugese maritieme expansie in Azië begint met de eerste reis van Vasco da Gama naar Indië (1497-1499). De resultaten van deze expeditie zijn bescheiden. De zeevaarders zijn in de drie door hen bezochte en door Arabieren gedomineerde han-delssteden aan de kust van Oost-Afrika verschillend bejegend. De bevolking, die min of meer islamitisch is, draagt sporen van Arabische, Perzische, Indische en Bantoe-voorouders. De cultuur is vooral Arabisch, maar bevat ook Perzische elementen. Ter onderscheiding van de Bantoes in het binnenland, worden deze kustbewoners in de literatuur aangeduid met de term Swahili, hoewel de Portugezen hen `Moren’ noemen. In Moçambique is de ontvangst nogal dubieus geweest.

Het belangrijke Mombaça is de Portugezen uitgesproken vijandig tegemoet getreden, maar met de sultan van het met Mombaça rivaliserende Malindi zijn vriendschappelijke betrekkingen aangeknoopt. Vasco da Gama is er niet in geslaagd handelsbetrekkingen met de zamorin van Calicut, de machtigste heerser aan de kust van Malabar, te vesti-gen. De radja van Cannanore, die zich aan de suzereiniteit van de zamorin tracht te onttrekken, bleek daarentegen zeer gebrand op het aangaan van handelsbetrekkingen met mogelijke nieuwe bondgenoten. Vasco da Gama heeft maar weinig specerijen meegebracht; bovendien is bijna tweederde deel van zijn beman-ning onderweg omgekomen, waardoor hij een van zijn drie schepen heeft moeten opgeven. Commercieel gezien is de reis evenwel een succes: niet alleen ligt de weg naar de spece-rijenmarkten van het Oosten open, maar de opbrengst van de meegebrachte specerijen is het zestigvoud van de betaalde prijs. Hierdoor zijn de kosten van de expeditie ruimschoots goed-gemaakt.

In maart 1500 zeilt Pedro Álvares Cabral met drie naus (kraken), tien caravelas (karvelen) en circa 1200 man uit voor de tweede expeditie naar Indië. Hij keert in juli 1501 terug met zeven schepen en niet minder dan 140 ton specerijen. Cabral is goed door de sjeik van Moçambique ontvangen, maar de sultan van Quiloa (Kilwa) heeft geweigerd zaken met hem te doen. Dit is jammer, omdat de sultan van Kilwa de suzerein is van de sjeik van de goudhaven Sofala en van enkele andere steden aan de kust van Oost-Afrika. Cabral heeft de vriendschappelijke relaties met de sultan van Malindi en de radja van Cannanore bevestigd en hij heeft tevens zeer hartelijke betrekkingen aangeknoopt met de radja van Cochin die, evenals de radja van Cannanore, tracht de opperheerschappij van de zamorin van Calicut af te schud-den. Cabral heeft in Cochin een factorij gevestigd. De aanvanke-lijke goede ontvangst in Calicut is uitgelopen op een onverhoed-se aanval op de factorij, waarbij vijftig Portugezen zijn omge-bracht. Cabral heeft daarop de stad gebombardeerd, welke agressieve daad de toon zet voor het Portugese optreden in de toekomst. Cabrals tweede man, Sancho de Tovar, heeft als eerste Portugese Zeevaarder op de terugweg uit Indië naar Portugal een bezoek aan de goudhaven Sofala gebracht.

Zonder de terugkeer van Cabral af te wachten, zendt koning Manuel in maart 1501 João da Nova Castela met vier schepen naar Indië. Deze haalt de betrekkingen met Cochin verder aan en krijgt van de radja van Cannanore toestemming een factorij te stichten. João da Nova vernietigt en plundert veel schepen van de zamorin van Calicut en keert met drie of vier rijkbeladen schepen in Portugal terug.

De expeditie die in het voorjaar van 1502 naar Indië uitvaart, telt vijftien schepen en staat onder bevel van Vasco da Gama. Kort daarna vertrekt een eskader van vijf karvelen, onder leiding van diens oomzegger Estevão da Gama, Het is de bedoeling dat Vasco da Gama’s tweede man Vicente Sodré, met een deel van de vloot in Indië achterblijft, om de posities van de Portugezen daar te beschermen en de Arabische scheepvaart in de Indische Oceaan zoveel mogelijk afbreuk te doen. In Oost-Afrika vestigt Vasco da Gama vriendschappelijke relaties met de sjeik van Moçambique, maakt de sultan van Kilwa schatplichtig en her-nieuwt zijn vriendschap met Malindi. Bovendien knoopt een van zijn kapiteins, Pero Afonso de Aguiar, goede handelsbetrekkin­gen aan met de sjeik van Sofala. Aan de Canarakust in Voor-Indië verwoest Vasco da Gama de stad Onor en onderwerpt hij Baticale. Hij zet in Cannanore en Cochin de handel op poten door met de radja’s van deze plaatsen vaste ruilverhoudingen tussen Portugese ruilgoederen en specerijen af te spreken. Bovendien gaat hij handelsbetrekkingen aan met de koningin van Quilon. Hij bombardeert Calicut opnieuw, terwijl Vicente Sodré een grote overwinning behaalt op de vloot van de zamorin.

In het voorjaar van 1503 vertrekken drie eskaders van drie sche-pen­ naar de Indische Oceaan. De eskaders van Afonso en zijn neef Francisco de Albuquerque gaan naar Malabar en dat van António (de) Saldanha moet de Arabische scheepvaart aan de kust van Oost-Afrika en bij de monding van de Rode Zee afbreuk doen. Francisco de Albuquerque stelt de verdreven radja van Cochin opnieuw in het bezit van zijn kleine koninkrijk en tuchtigt met zijn kapiteins diens ontrouwe vazallen. Hij krijgt van de radja toestemming een fort in Cochin te bouwen; het eerste Portugese fort in Malabar. Afonso de Albuquerque vestigt in Quilon de derde Portugese factorij aan deze kust. Als Afonso en Francisco de Albuquerque naar Portugal terugkeren, laten zij Duarte Pacheco Pereira met enige schepen en een kleine troepenmacht in Malabar achter, om Cochin tegen aanvallen van Calicut te be-schermen. Ruy Lorenço Ravasco, die met Saldanha is uitgezeild, onderwerpt Zanzibar en beiden plunderen veel Arabische schepen voor de kusten van Oost-Afrika, Arabië en Gujarat.

Lopo Soares de Albergaria, die in het voorjaar van 1504 met 13 schepen is uitgezeild, bombardeert twee dagen lang Calicut en versterkt de Portugese positie in Cochin, dat Duarte Pacheco met heldenmoed tegen verschillende grote aanvallen van zee en landstrijdkrachten van de zamorin en diens bondgenoten heeft verdedigd. Hij steekt Cranganore in brand, welke stad door Calicut tot uitvalsbasis tegen Cochin is gemaakt. Hierbij moeten de huizen van moslims en joden het ontgelden, maar de wonin-gen van de daar wonende Sint Thomaschristenen blijven ge­spaard. Albergaria verslaat een grote vloot van Arabische koop­lieden die met hun gezinnen Malabar willen ontvluchten, wegens het Portugese optreden tegen hun handel en hun leven.

Eind 1504 of begin 1505 komt koning Manuel tot de conclusie dat de partijen die het meest te leiden hebben van het Portugese optreden in Indië: Venetië, Egypte en Calicut hun krachten zouden kunnen bundelen, om de Portugezen met geweld van de Malabarkust te verdrijven. Om dit te voorkomen dient de Portugese militaire aanwezigheid in het gebied van de Indische Oceaan versterkt worden. De bedoeling is dat er langs de boor-den van de Indische Oceaan, naast de kwetsbare factorijen, forten verrijzen, waarin Portugal garnizoenen legert. Het geheel van fortificaties vormt de Estado da India, die namens de koning bestuurd zal worden door een capitão-geral (kapitein-generaal of gouverneur). Zeer gerespecteerde gouverneurs ontvangen de eretitel `Vice Rey’ (onderkoning). In Oost-Afrika zullen forten wor-den gebouwd in Kilwa en Sofala, omdat koning Manuel zich niet alleen wenst te verzekeren van het monopolie op de handel in specerijen van Malabar, maar ook van dat op de goudhandel van Sofala en Kilwa. Om in het schatplichtige maar vijandige Kilwa een fort te kunnen bouwen, zal de stad veroverd moeten worden. In Sofala kan wellicht van sjeik Yusuf toestemming voor de bouw van een fort worden verkregen. Lukt dit niet dan dient het fort er kwaadschiks te komen.

In maart 1505 vertrekt Dom Francisco de Almeida, die is aange-wezen als de eerste onderkoning van Portugees Indië, met een vloot van niet minder dan 22 schepen, waarop zich 1500 man schappen bevinden, naar Malabar. Hij verovert Kilwa, laat er een fort bouwen en legert er een garnizoen. Op weg naar Malabar plundert en vernietigt hij het vijandige Mombaça.

De Portugezen zijn aanvankelijk zeer ingenomen met het bezit van het rijke en prachtige Kilwa. Capitão Pero Fereira Fogaça raakt echter betrokken bij politieke verwikkelingen in de stad en bestrijdt de Arabische scheepvaart zo fanatiek dat de handel van Kilwa vervalt en de handelaren de stad verlaten, zodat deze steeds meer ontvolkt raakt. Bovendien hebben de Portugezen in Kilwa zeer veel moeite met de aanvoer van voldoende levens-middelen uit het vijandige achterland. Als zij hun politiek drastisch wijzigen, door overal langs de kust bekend te maken dat de handel van inwoners van Kilwa ongemoeid zal worden gelaten, keren veel Arabische handelaren naar de stad terug. Toch zullen de Portugezen Kilwa in 1512 verlaten, omdat de schatting en de andere inkomsten onvoldoende zijn om het garnizoen te voeden. In mei 1505 vertrekt een eskader van zes schepen, onder bevel van Pero de Anhaia, naar Sofala, om daar een fort te bouwen. Sjeik Yusuf geeft daarvoor toestemming, ondanks verzet van de Arabische handelaren in de stad. Een jaar later ondergaat het fort een belegering door een legermacht van zwarten, die zijn geworven door de Arabieren. De aanval wordt afgeslagen en sjeik Yusuf en veel Arabieren worden daarna bij een nachtelijke raid gedood. De nieuwe sjeik is een marionet van de Portugezen. De aanvoer van goud uit het binnenland, stokt aanvankelijk geheel en is daarna zeer bescheiden, doordat in het binnenland jarenlang een burgeroorlog heerst. Het weinige goud dat de kust bereikt, komt in handen van Arabieren in het naburige Angoche, omdat de Portugezen weigeren de Arabische handelaren van Sofala, die als tussenhandelaren zouden kunnen optreden, van goede ruilwaren (kleding uit Gujarat en glazen kralen) te voor-zien.

Almeida vernietigt Onor en bouwt een fort op het eiland Angediva, dat echter na een belegering door een vijandelijke vloot wordt opgegeven. De onderkoning wil zijn geringe strijd-krachten concentreren in Cochin en in Cannanore, waar hij met instemming van de radja eveneens een fort is verrezen. De zoon van de onderkoning, Dom Lourenço de Almeida, verslaat de vloot van Calicut voor Quilon en brengt een zeer geslaagd bezoek aan Ceylon. In Galle wordt een factorij gesticht, waarin Joane Mendes Cardoso als factor wordt geïnstalleerd,. De factor ontvangt van koning Jayawardhana van Kotte een eenmalig tribuut van 400 bahars kaneel en mag in de toekomst jaarlijks 150 bahars kaneel tegemoet zien. De factorij wordt echter ver-waarloosd. In 1506 boekt Dom Lourenço voor Cannanore een grote overwinning op de verenigde vloot van Turkije en vorsten van Malabar. Het jaar daarop steekt hij zeven Moorse schepen bij Chaul in brand, maar laat een sterke vijandelijke vloot bij Dabul ongemoeid, wat hem door zijn vader niet in dank wordt afgenomen. In 1507 opent de nieuwe radja van Cannanore, die anti-Portugees gezind is, na een Portugese provocatie, een aan-val op het fort ter plaatse. Lourenço de Brito slaat de aanval af en doorstaat een belegering van een halfjaar. Als Brito letterlijk al zijn kruit verschoten heeft en hij en zijn mannen de hongerdood nabij zijn, ontzet een eskader onder Tristão da Cunha het fort.

Tristão da Cunha is, met Afonso de Albuquerque, in april 1506 met een vloot van 14 à 18 schepen en 1300 man, uit Portugal vertrokken. De vloot moet voor Moçambique de noordoostmoes-son afwachten, reden waarom een expeditie naar het eiland Madagascar ondernomen wordt. De expeditie levert niets op. Cunha en Albuquerque plunderen Hoja aan de Tana; zij steken de Somalische havenstad Brava in brand, maar laten Mogadiscio ongemoeid, om het eiland Socotra te kunnen bereiken, voordat de noordoostmoessoen in alle hevigheid losbarst. Na verbitterde tegenstand van het garnizoen, onder bevel van Khawadjah Ibrahim, een zoon van de sultan van Qishn, wordt daar het Arabische fort op Socotra, op de Moren veroverd, waarna daarin een garnizoen gelegerd wordt. Daarna zeilt Albuquerque met vijf kraken, waarop zich 460 manschappen bevinden, langst de kust van Zuid-Arabië naar de zeer rijke overslaghaven Ormoez, in de monding van de Perzische Golf. Hij wordt goed ontvangen in Kalhat, aan de kust van Oman. Het vijandige Kuriyat en het tegenstribbelende Muscat worden verwoest; Sohar onderwerpt zich, maar Khau-Fakan (Orfacão) ondergaat het lot van Kuriyat en Muscat.

Albuquerque voert een stoutmoedige verrassings­aanval uit op het zwaar verdedigde Ormoez en op de vele Moorse schepen in de haven. Hierna verkrijgt hij van de regent Coja Atar toestem-ming in Ormoez een fort met factorij te bouwen. Bovendien zal Ormoez voortaan schatting betalen aan de koning van Portugal in plaats van aan de sjah van Perzië. Nadat Coja Atar door gedeserteerde Portugese matrozen is ingelicht over het geringe aantal mannen van Albuquerque en over de onvrede onder zijn kapiteins, legt de regent de bouw van het fort stil. De capitão-mor (kapitein-majoor) bombardeert Ormoez opnieuw en snijdt daarna de toevoer van levensmiddelen van het vasteland naar het eiland volledig af.

De hiervoor besproken verrichtingen van Albuquerque aan de Afrikaanse kust, bij Socotra, aan de kust van Oman, gevolgd door en zijn aanvallen op Ormoez en de eerste blokkade van deze stad, duren tot half mei 1508. Ondertussen zijn in het voorjaar van 1507 en in de lente van 1508 nieuwe vloten uit Portugal vertrokken en hebben zich aan de kust van Voor-Indië ontwikkelingen voorgedaan, die worden samengevat, voordat wordt teruggekomen op nieuwe daden van Albuquerque.

In het voorjaar van 1507 vertrekken twee eskaders van ieder zes schepen naar het gebied van de Indische Oceaan. Het ene staat onder bevel van Vasco Gomes de Abreu, de nieuwe capitão van Sofala, die bovendien tot taak heeft op Moçambique-eiland een fort te bouwen; het andere wordt geleid door Jorge de Melo Pereira. Bij hem aan boord is Duarte de Melo, de beoogde factor in Moçambique. Beide vloten bereiken zo laat in het seizoen de Indische Oceaan, dat ook de schepen met bestemming Malabar bij Moçambique moeten `overwinteren’. Van Abreu is bekend dat hij in Sofala is aangekomen, maar daarna ontbreekt van hem ieder spoor. Duarte de Melo begint alvast met de bouw van het fort in Moçambique, zonder de komst van Vasco Gomes de Abreu af te wachten.

In januari 1508 vecht Dom Lourenço de Almeida bij Chaul een zeeslag uit tegen een sterke Egyptische vloot, die hulp ontvangt van de vloot van Melique Az. De laatste is een tot de islam bekeerde Rus, die voor sultan Mahmoed Begarha van Gujarat of Guzerate, zoals de Portugezen zeggen, de havenstad Diu bestuurt. Diu is zeer strategisch gelegen en controleert de scheepvaart in de Golf van Cambay (Cambaía). Dom Lourenço wordt in het nauw gebracht en sneuvelt zelfs, terwijl zijn schip verloren gaat. Zijn kapiteins weten de haven van Chaul te ont-vluchten.

De vloot die in 1508 uit Portugal uitzeilt bestaat uit dertien schepen. Capitão-mor (kapitein-majoor) Jorge de Aguiar lijdt schipbreuk bij Tristão da Cunha. Zijn plaatsvervanger Duarte de Lemos houdt toezicht op de bouw van het fort op het eiland Moçambique. Hij laat daar, naast een kapel, ook een ziekenhuis bouwen, omdat veel zeelieden tijdens de gedwongen `overwinte-ring’ op Moçambique ziek worden. Lemos maakt Moçambique tot een echte halteplaats in de Carreira da India, door daar een scheepswerf te laten bouwen, waar schepen kunnen worden gerepareerd en zelfs gebouwd. Lemos sticht een factorij in het bevriende Malindi en bombardeert Mogadiscio. In april 1508 vertrekt Diogo Lopes de Sequeira met vier schepen. Hij heeft zeer gedetailleerde orders de oostkust van Madagascar te ver-kennen en moet daarna via Malabar naar Malacca zeilen. Van de verkenning van het eiland Madagascar en de aankomst in Malabar is verslag gedaan in Deel IV; de expeditie naar Malacca wordt in hoofdstuk 2 besproken.

Tijdens het beleg van Ormoez verwijten Albuquerques kapiteins hem onder meer dat hij in Ormoez een fort wil bouwen, zonder daartoe opdracht te hebben gekregen van koning Manuel. De geschillen tussen de kapiteins en hun commandant lopen zo hoog op dat drie kapiteins de blokkade verlaten, om zich over Albuquerque te gaan beklagen bij onderkoning Almeida. Ook João da Nova onttrekt zich later aan het commando van Albuquerque. De drie kapiteins vinden bij Dom Almeida gehoor voor hun grieven en de onderkoning desavoueert het optreden van Albuquerque tegenover Ormoez in een brief aan Coja Atar. De capitão-mor heeft door de desertie van al zijn kapiteins op één na het beleg moeten opheffen en is gaan `overwinteren’ bij Socotra. Hij neemt maatregelen om de acute voedselnood van het Portugese garnizoen op dat eiland te lenigen, maar trekt de conclusie dat het een ongeschikte plaats voor een garnizoen is. Socotra zal dan ook na de definitieve verovering van Goa wor-den opgegeven.

Albuquerques eskader van twee schepen, waarmee hij bij de uitgang van de Rode Zee jacht maakt op Arabische schepen, groeit aan met twee andere schepen, die een jaar na hem uit Portugal zijn vertrokken. Albuquerque wil met zijn vier schepen het beleg van Ormoez hervatten. Eerst tuchtigt hij de inwoners van Socotra, die tegen het Portugese garnizoen in opstand zijn gekomen en legt hen een schatting op in de vorm van aan het garnizoen te leveren levensmiddelen. Dan plundert hij Kalhat, dat zich bij zijn tweede bezoek tegen hem verzet. Voor Ormoez aangekomen, laat Coja Atar hem de brief lezen, waarin Dom Francisco de Almeida zijn optreden van Albuquerque afkeurt. Albuquerque, die de brief van de onderkoning als een dolkstoot in de rug moet hebben ervaren, begeeft zich naar Malabar, om het ambt van gouverneur-generaal van Almeida over te nemen. Als hij eind 1508 in Cannanore aankomt, is Almeida doende een grote vloot bijeen te brengen, om de nederlaag bij Chaul en de dood van zijn zoon te wreken. Hij weigert daarom zijn ambt aan Albuquerque over te dragen. De onderkoning zeilt met zijn aanzienlijke strijdmacht naar Diu, waar de Egyptisch-Turkse vloot zich ophoudt. Na eerst het moreel van zijn troepen te hebben vergroot door zijn manschappen de rijke stad Dabul te laten plun-deren, behaalt hij een klinkende overwinning op de vijandelijke vloot. Met deze overwinning is de Portugese thalassocratie, de op beheersing van de zeeën berustende Portugese hegemonie, een eeuw lang verzekerd. Dat de hegemonie veroverd en lange tijd gehandhaafd kan worden, is vooral daaraan te danken dat de Portugese schepen sedert 1501 zijn uitgerust met geschuts-poorten in de romp. Hierdoor kan meer en zwaarder geschut worden geplaatst, zonder de stabiliteit van het schip in gevaar te brengen. Op de terugweg naar Malabar maakt Almeida de koning van Chaul schatplichtig. Na zijn triomfantelijke terugkeer in Cannanore in maart 1509 weigert hij opnieuw zijn ambt aan Albuquerque over te dragen. Hij stelt daarentegen een onder-zoek in naar diens optreden en laat zijn beoogd opvolger na enige tijd zelfs gevangenzetten.

De Carreira da India: 1.1. De route

Categorieën
Portugees kolonialisme

Het goud van Monomotapa

Deel 4 Index

Bijlage: Het goud van Monomotapa

Geschreven door Arnold van Wickeren

Magalhães-Godinho geeft een uitgebreide verhandeling over de goudwinning en goudhandel in Monomotapa. Aan zijn exposé is het volgende ontleend.

Er zijn drie streken waar in de 15e, 16e en 17e eeuw goud wordt gewonnen: Mokaran­ga, Manica en Butua. Mokaranga komt gro­tendeels overeen met de hoogvlakte van Matabele, die in het noorden begrensd wordt door de Cuama of de Zam­bezi en in het zuiden door de Limpopo. De oostelijke hellin­gen van bedoelde hoogvlakte, liggende ten noordwes­ten van Sofala, vormen Manica, een gebied dat bereikt kan worden door de rivier van Sofala op te varen. Bar­ros heeft het over de streek Toroa bij de `grandes campi­nas’, die bevolkt wor­den door talloze kudden olifanten. Barros’ aan­dui­ding is vaag, omdat de grote vlakten zich uitstrekken langs de gehele kust van Kaap Corientes tot aan de Rio Espirito Santo bij Lourenço Mar­ques (Maputo). De koop­lie­den die de monomotapa geregeld bezoeken, vertellen dat goud van nog veel verder weg komt, uit een ander ko­nink­rijk; een vazal­staat van de Kaffervorst, die – volgens Duarte Barbo­sa – gezocht moet worden in de rich­ting van Cabo da Boa Espe­rança. Dit is ook wat de grote Franse ontdekkings­reizi­ger Jean Baptiste Tavernier tegen het mid­den van de 17e eeuw bedoeld heeft: `in bepaalde jaren komen Kaffers van nabij Kaap de Goede Hoop, uit het land Sabia, om in een reis van vier maanden brokjes goud van uitstekende kwaliteit, verzameld in het hooggebergte, naar Sofala te brengen. Uit hetzelfde land komen ook olifants­tanden.` Volgens Godinho moet de streek Toroa of Toloa, die het koninkrijk Butua of Abutua vormt, gezocht worden in het noor­den van Transvaal. Godinho merkt ook op dat de goud­mijnen van Noord-Transvaal, anders dan algemeen gedacht wordt, al in een vroeg stadium geëxploiteerd wor­den en dat hun goudproductie in het begin die van Mata­bele zelfs over­treft.

In het koninkrijk Butua en in Mokaranga zijn ruïnes van oude kastelen. Zij zijn gebouwd van reusachtige en zeer regelma­tig gevormde stenen, zonder dat daar metselwerk aan te pas is gekomen. De inheemsen geven aan deze constructies de naam zimbawe, dat `hof’ betekent, dat wil zeggen de zetel van de koning. Zij gebruiken deze naam ook om de plaats waar de monomotapa zich bevindt aan te duiden. Sommi­gen geloven dat het gaat om de schatkamers van de konin­gin van Saba. Barros, opmerkend hoeveel de zimbawes lijken op de bouwwerken van Acaxumo in Abessinië, aanvaardt deze mening zonder meer. Hij gelooft dat de naam Agisymba van Ptolemaeus overeenkomt met deze streek en dat het woord zimbawe van deze naam is afgeleid. Anderen schrijven de zimbawes liever toe aan koning Salo­mo; zij identificeren het bijbelse Ophir met Afura, de naam van het gebergte waarop de zimbawes zijn gebouwd. Beide opinies zijn onhoudbaar gebleken. Radiologisch onder­zoek heeft namelijk uitgewezen dat de zimbawes dateren uit de 6e-8e eeuw. Deze ontnuch­terende wetenschappelijke vaststelling neemt niet weg dat het 16e eeuwse denkbeeld, dat de goudwinning en goud­handel al vele eeuwen oud is, juist is. De Arabische goud­handel met Zuidoost-Afrika dateert van voor Mohammed en heeft zich tot in de 16e eeuw gecontinueerd; later zijn ook de Perzen tijdelijk in aanraking gekomen met de goudex­port van Monomotapa en nog veel later is deze vooral in handen gekomen van Moorse handelaren uit Gujerat.

Op de vlakten van Mokaranga bevinden zich de belangrijkste goudgroeven bij Dambarari, Ongoé, Mocraz, Macanca en Maramuca. Het allerzuiverste goud is dat van Chiroro, waar zich de belangrijkste mijn van het koninkrijk Monomotapa bevindt. In Mokaranga wordt ook goud uit rivieren gewon­nen. Het beste riviergoud, dat de vorm van gladde kiezel­steentjes ter grootte van kleine amandelen heeft, wordt verkregen in Ongoé, Macanca en Mocray. De streek Manica, dat als bergachtig en droog be­schre­ven wordt, vormt een immense goudmijn, maar de over­vloed aan goud weegt niet op tegen het lage gehalte daar­van. Ten noorden en ten oosten van de Zambezi wordt geen goud gevonden. Dit is het gebied van het koninkrijk Maravi, het directe achter­land van Moçambique en Quelima­ne, dat zich uitstrekt tot aan Mom­baça en dat bewoond wordt door de primitiefste stam­men. Direct aan de kust komt evenmin goud voor; voor goud moet men de rivieren tiental­len kilo­meters opvaren. Vanuit Sofala moet bijvoorbeeld eerst het gehele gebied van het koninkrijk van de Quiteve gepasseerd worden, alvorens de eerste goudgroeven worden bereikt. Als de Zambezi wordt opgevaren tot aan Sena komt men in het Batongo-koninkrijk Barue, dat zich van daar uitstrekt naar het westen en noorden tot aan Mokaranga. Dit gebied brengt een beetje goud op. Het noordelijk kustge­bied van Quelimane tot de plaats Mo­rombara, dat ligt ingeklemd tussen de rivier en het koninkrijk Maravi, biedt zijn bewo­ners, de Bogontas, in het geheel geen goud. De Bogon­tas beschikken noch over de middelen om goud te wassen, noch om mijnen te exploite­ren. Met het voorgaande is in grote lijnen de geografie van de goudwinning in de 16e eeuw geschilderd.

Het gele metaal komt in vier verschillende vormen voor: in de vorm van poeder, zo fijn als zand; in de vorm van korrels, soms heel klein en soms zo groot als de kralen van een ro­zenkrans; in de vorm van splinters, soms kort en dik en dan weer vergelijkbaar met dunne takjes. Goud in deze vorm is het zuiverst. Tenslotte wordt goud gewonnen uit stenige grond, die verpulverd wordt. Dit matuca-goud is het minst zuiver.

In Manica kan het gehele jaar door mijnbouw bedreven wor­den; in Mokaranga daarentegen moet de goudwinning be­perkt worden tot de maanden augustus, september en okto­ber, welke periode wordt aangeduid als de crimo. Eind okto­ber komt de moesson, die een eind maakt aan de ge­ma­tigde regens, die voorzien in het voor de werkzaamhe­den onmis­bare water. In november breken wolkbreuken los, die mijn­schachten en mijngangen onder water zetten en de mijn­bouw onmogelijk maken. Wanneer het seizoen van de crimo aanbreekt, bege­ven zich menigten Kaffers, bestaande uit hele gezinnen, naar de zones die uitgekozen zijn om te wor­den geëxploi­teerd. De mensen worden verdeeld over de verschillende dorpslokaties, waarbij iedere groep onder bevel staat van een leider. Iedere groep hakt een schacht, maron­do genoemd, uit. De doorsnede van een marondo heeft de lengte van een volwassen man. Binnen in de marondo wordt een trap aangelegd. Op de bodem van de schacht worden gangen uitgehouwen, die de ontdekte goud­aders volgen. Het goudhoudende gesteente wordt met hak­ken uitgehou­wen en de brokken, matacas geheten, worden in houten schalen verzameld. Op regelmatige af­stand van elkaar staan in de mijngangen en op de treden van de ma­rondo zwarten, die de gevulde schalen aan elkaar doorge­ven. De brokken goudhoudend gesteente worden aan de oppervlakte verpul­verd met behulp van een soort hamers. Uit het verkregen gruis kan op twee verschillende wijzen het gele metaal wor­den gewonnen. Door het goud uit te spoe­len, waarbij de aarde met het spoelwater wordt afgegoten en het zwaardere goud achterblijft, dan wel door de gruis­achtige aarde sterk in ketels te verhitten. Het goud smelt en zakt naar de bodem en laat zich na afkoeling gemakkelijk van de grond scheiden.

De beschreven mijnbouw, de in die tijd algemeen gang­bare methode, is verre van veilig. Het leven van de mijnwerkers is voortdurend in gevaar. Dikwijls stor­ten de gewelven of wanden van de mijngangen in en wor­den mijnwerkers bedol­ven, omdat de mijngangen niet gestut worden en het over­tol­lige water niet wordt weggepompt. Bij overvloedige re­gen­val kan het hemelwater de schachten en gangen onbe­lemmerd binnenstromen. Pater Manuel Barreto kon terecht schrijven: `Alguns marondos destes, e de infinito ouro, estão devolutos per falta de engenho pera esgotar a água.’ Vrij vertaald: `Een aantal van deze schach­ten en dus veel goud blijven ongeëxploiteerd door gebrek aan kennis om het water te weren.’ Een marondo levert 1.000 tot 2.000 pas­tas goudhoudende grond op. In uitzonderingsgevallen be­draagt de opbrengst 3.000 pastas. Uit een pasta wordt gemiddeld 100 mitkal (à 4,25 gram) goud gewonnen.

De wijze waarop goud verkregen wordt door het wassen van goudhoudend zand is uitstekend beschreven door de Frans­man Moc­quet, die de waargenomen methode ten on­rechte voor de enige manier van goudwinning hield. De Kaffers winnen het goud aan de voet van enkele gebergten, waar neerstortende beken goudhoudend slib met zich voe­ren. Bij ieder stroom­pje waarin de beek zich vertakt, bevindt zich een `Ethiopiër’, die met een soort net of zak al het door het st­roompje aange­voerde slib opvangt. Soms bevinden zich in het slib enige grote zeer zuivere stukken goud, met een gewicht dat in uitzonderingsgevallen kan oplopen tot een half­pond. De door de regen veroorzaakte erosie legt de goud­erts­houdende aders op de hellingen bloot. Deze spoe­len ver­vol­gens weg en goudhoudend slib en vlakke stukjes goud wor­den meege­voerd naar beneden en komen terecht in de stroo­mpjes van de zich in de laagvlakte vertakkende beken, maar bovenal in het bed van de rivier waarin de beken uit­stromen. Evenals op de hoger gelegen hellingen verzame­len de Kaffers hier al het goud, dat zij in de vorm van poe­der, splinters of brokjes aantreffen. Een enkele maal verza­melen zich een paar hon­derd zwarten, om een moeras droog te leggen, als zij er zeker van zijn in het slijk daarvan het gele metaal te vinden. De goudwassers kunnen zich het gehele jaar door aan hun werkzaamheden wijden, maar het regen­seizoen en de tijd die direct daarop volgt zijn klaarblij­kelijk het meest productief.

Over het algemeen wordt de voorkeur gegeven aan goud verkregen uit de rivieren boven goud dat gewonnen is in de mijnen. Toch is de kwaliteit van het goud uit de mijnen van Mokaranga gelijk aan of overtreft misschien zelfs die van de uit de rivieren van Manica gewonnen goud. In Manica is het riviergoud namelijk niet zo goed en het is, wegens het dro­ge klimaat, ook niet overvloe­dig aanwezig. In Manica gaat het vooral om mijngoud. Maar de Kaffers kunnen de bodem sle­chts omspitten tot een diepte van twintig empans (= 20 maal de afstand tussen duim en pink). Omdat er te vaak in Manica te weinig regen valt om voldoende water te heb­ben voor het uitspoelen van de gewonnen matacas, moeten deze vaak vervoerd worden naar plaatsen waar wel over voldoen­de regenwater beschikt kan worden. Om het ver­voer van matacas zo veel mogelijk te beperken, vangen de mijn­wer­kers regenwater op in een primitief soort water­reservoirs.

Uit het voorgaande blijkt dat het winnen van goud niet be­paald een pretje is; er moet veel werk verzet worden om weinig goud te verwerven. Als de Portuge­zen later zullen doordringen tot de vindplaat­sen van het goud, menende dat zij zonder moeite hun zak­ken kunnen vullen met zoveel goud als zij willen, raken zij snel ontmoe­digd, als zij zien met hoeveel moeite en gevaar de exploitatie van de goud­mijnen gepaard gaat en wat een tijdrovend en arbeidsintensief proces het wassen van goud is. Zij geven de mijnen, die de monomotapa hen welwillend heeft aange­boden, terug, we­gens de kostbare exploitatie en het magere rende­ment.

Niemand is bevoegd zonder koninklijke toestemming goud te winnen, op straffe van de dood. De monomotapa ontvangt echter geen aandeel in de goudwinning en hij heft geen belasting op de goudhoudende grond. De onderdanen van de mono­motapa zijn evenwel verplicht voor hun vorst en voor de andere groten van zijn rijk diensten te verrichten. Deze verplichting is nauwkeurig gereglementeerd, om willekeur tegen te gaan. Het is ook gebruikelijk dat de onderdanen hun vorst en de andere machthebbers kleine geschenken aanbieden, willen zij toegang tot hen hebben. Kooplieden op jaarmarkten zijn gewoon enige koopwaar apart te zetten, met de bedoeling deze aan de monomotapa te zenden. Hier­toe worden zij niet gedwongen, maar hij die zich niet aan deze gewoonte houdt, wordt een paria. Als de mono­motapa goud wenst te ontvangen, zendt hij een groep mijn­werkers, afhankelijk van hun aantal, enige runderen. De mijnwerkers drukken hun dankbaarheid voor het ondervon­den blijk van welwillendheid uit, door de monomotapa op hun beurt wat goud te schenken. De omvang van deze gift is naar boven beperkt tot een mitkal per mijnwerker. In plaats van goud af te staan, kan ook afgesproken worden dat een mijnwerker een bepaald aantal dagen diensten voor de monomotapa zal verrichten.

Het ontbreken van belastingheffing op de mijnbouw, heeft ongetwijfeld een bijdrage geleverd aan de ontwikkeling daarvan, maar is geen garantie tegen uitbuiting van de mijn­werkers. Als een marondo veelbelovend lijkt te zijn, komen economisch machtigen met hun mannen en slaven, om zich met geweld van het goud meester te maken, waar­bij zij de mijnwerkers tyranniseren. Het is onder deze om­standighe­den niet verbazingwekkend dat sommige mijnwer­kers de ertsader in de steek laten en zich tevredenstellen met een klein stukje goud, dat zij voor de hebzucht van de grote heren hebben kunnen verbergen.

Het gewonnen goud wordt geruild met blanke, mulato of zwarte Moorse kooplieden, die vanuit Sofala en Ango­che grote dorpen in het binnenland bereiken, door met hun koop­waar een rivier op te varen. Zij bieden in ruil voor goud katoentjes en glazen kralen en andere snuis­terijen aan. De kleding, die door de Bantoes zeer begeerd wordt, komt uit Gujerat, maar de kralen en andere snuisterijen worden ook wel uit het gebied van de Rode Zee aangevoerd. Duarte Barbo­sa laat weten dat de Moorse handelaren tot honderd maal de waarde van hun koopwaar in goud ontvan­gen, `want bij de ruil met de Kaffers wordt niet gewogen of gerekend’. Bo­vendien geven deze zelf weinig om goud. Niettemin heeft het goud waarover zij beschikken een zekere uitstraling van zichzelf, niet alleen op de vindplaatsen, maar ook als het in handen komt van een reeks van andere volke­ren, waarvan sommige (Arabieren en later de Portugezen) het zelfs uit de binnenlanden van Afrika komen halen.

Op de jaarmarkten die in het `keizerrijk’ Monomotapa of in andere koninkrijken worden gehouden, zijn de kooplieden aan geen enkele vorm van belasting onderworpen, simpel omdat er in het geheel geen belasting wordt gehe­ven. Daar­entegen komen de kooplieden bijeen, om de mono­mo­tapa­ gezamenlijk een geschenk aan te bieden. Het is een strikte regel van gewoonterecht dat de monomotapa of een andere machthebber een audiëntie weigert aan eenieder die hem geen cadeau heeft doen toekomen. De waarde van het cadeau dat de kooplieden de monomotapa periodiek aanbie­den, valt in het niet bij de omvang van de zaken die worden gedaan. Ook al heeft een geschenk weinig waarde, het is een bewijs van onderwerping en van goede wil. Om zich te verzekeren van voortdurende aanvoer van goud uit het bin­nenland naar de kust dienen de Arabische sjeiks van de kuststeden (en later de Portugese capitães) de monomotapa en diens vazallen jaarlijks een mooi geschenk te zenden.

De handel is over het algemeen zeer vrij. De sultan van Kilwa heft echter buitensporig hoge belastingen. Bij de toegang tot Kilwa betaalt een koopman afkomstig uit Indië (Cambay) een gouden mitkal per 500 katoentjes; vervolgens wordt hem tweederde van zijn lading ontnomen ten bate van de sultan en van het resterende derde deel moet hij, na onderzoek van de waarde, per 1.000 mitkal waarde 30 mitkal belasting betalen. Op de rechten geheven op 500 katoentjes in Mombaça komt de helft de sultan toe, maar ver­der behoeft niets betaald te worden. Bij aankomst in Sofala moet de koopman één op elke zeven katoentjes aan de douane afstaan. Bij terugkeer van het schip naar Kilwa of Mombaça dient per 1.000 mitkal ontvangen goud 50 mitkal belasting te worden betaald.

Deel 5: De Carreira da India, De eerste jaren van het gouverneurschap van Afonso de Albuquerque, Malacca, De Molukken en de Banda-eilanden, Albuquerque terug in Malabar, Malabar in de jaren 1513-1514, De kust van Oost-Afrika (1509-1515)

Categorieën
Portugees kolonialisme

De kust van Oost-Afrika (1507-1509). De verrichtingen van Afonso de Albuquerque, Tristão da Cunha en Dom Francisco de Almeida

Deel 4 Index

Hoofdstuk 3

De verrichtingen van Afonso de Albuquerque, Tristão da Cunha en Dom Francisco de Almeida

3.7 De kust van Oost-Afrika (1507-1509)

Geschreven door Arnold van Wickeren

Moçambique, gelegen op een langerekt koraaleiland in de monding van de Baía do Mossuril, ontwikkelt zich hoe lan­ger hoe meer tot een haven waar schepen op elkaar wach­ten en waar zij worden gere­pareerd, bemanningen op ver­haal ko­men, zie­ken her­stel­len en handelswaren worden overgela­den. Bo­vendien moe­ten bemanningen van schepen die te laat in de herfst aan de oostkust van Afrika arriveren bij Moçam­bique de noordoost­moesson afwachten. Geen won­der dat beslo­ten wordt van Moçambique een officieel tus­senstation te maken in de Car­riere da India en daar een huis te bouwen, waarin zeelie­den kunnen worden onderge­bracht. Moçam­bique zou ook kun­nen dienen als stapelplaats voor katoen­tjes uit Cambay, die in Sofala geruild worden tegen goud. Bo­ven­dien kan Moçambique de militaire basis worden, van waar­uit Sofa­la en Kilwa worden bevoorraad met artillerie, muni­tie en ande­re zaken. Tenslotte kan Moça­mbi­que de thuisha­ven zijn van een eskader dat moet verhin­deren dat schepen van de Mo­ren handels­goederen vervoeren naar ha­vens aan de oost­kust van Afrika en van­daar goud en ivoor naar de Rode Zee, de Perzi­sche Golf en Gujerat bren­gen. Het door­snij­den van de com­mer­ciële ban­den van Oost-Afrika met de Arabische We­reld, heeft naast het commer­ciële voor­deel, ten doel de in­heemsen van Sofala ontvanke­lijk te ma­ken voor de aanvaar­ding van het christen­dom.

Vasco Gomes de Abreu is de man die opdracht krijgt op Moçambique-eiland een fort te bouwen en een maritieme basis in te richten, in welke basis schepen van passerende vloten kunnen worden gerepareerd en bevoorraad en waar hun bemanningen op verhaal kunnen komen en kunnen­ herstellen van scheurbuik en andere ziekten. Hij zeilt als kapi­tein-majoor van zes sche­pen op 20 april 1507 de Taag af.

Zijn kapiteins zijn vermoe­delijk: Lopo Cabreira, Ruy Gonçalves de Valladares, zeilend met de São Simão, Rui de Brito Pata­lim, Martim Coel­ho en Diogo de Mello. Twee van deze schepen dienen te worden toege­voegd aan de vloot, waar­mee Afon­so de Albu­querque de monding van de Rode Zee blokkeert; de vier andere zijn bestemd voor patrouille­toch­ten langs de kust van Oost-Afrika. Het eskader van Vasco Go­mes de Abreu is een deel van een vloot van twaalf sche­pen; de kapiteins van de andere zes schepen zijn waar­schijnlijk: Jorge de Melo Pereira, op het vlaggeschip Bel­ém, Hen­rique Nunes de Leão (San­to António), Fernão Soa­res, Ruy da Cunha (São Gabriel) en de gebroeders Filip­pe en Jorge de Castro. Er is wei­nig informa­tie bekend over deze vloot: Nunes de Leão schijnt met een lek­kende Leitoa (dus niet met zijn eigen schip) naar Portugal te zijn teruggekeerd; De Belém heeft Indië bereikt, want Albu­querque heeft de onderkoning voor­gesteld met dit goede schip naar Portugal terug te ke­ren; Diogo de Mello en Martim Coelho hebben Albuquer­que verge­zeld bij zijn twee­de bezoek aan Ormoez en zij zijn met hem naar Cannanore gezeild. Fernão Soares is, mogelijk in gezel­schap van Ruy da Cunha, doorgevaren naar Indië, om Fran­cisco de Almeida de meer­malen geme­moreerde brief van koning Manuel te over­handi­gen. Zowel het eskader van Jorge de Melo Pereira, als dat van Vasco Gomes de Abreu schijnt – zoals hierna blijkt – bij Moçambi­que te hebben moe­ten `overwinteren’.

Het eskader van Abreu zet koers naar Bezi­gui­che, aan de kust van Senegal. Daar loopt het voorop­varende schip, een snel en licht kar­veel, in een misti­ge donkere nacht bij het naderen van de water­plaats, op een zandbank. De andere schepen gooien het anker uit, als de lantaarn van het karveel plotse­ling uit het zicht ver­dwijnt. Zij bereiken de volgende dag veilig Bezigui­che en treffen daar enige opva­renden van het karveel aan. Abreu bevrijdt de rest van de bemanning van het karveel en zeilt verder naar Sofala, waar hij op 8 september 1507 aankomt. Nuno Vaz Pereira, de door onder­koning Francisco de Almeida benoemde en pas in maart 1507 in Sofala aangetreden kapitein, is zwaar teleur­ge­steld alweer het veld voor Abreu te moeten ruimen. Hij heeft evenwel geen keus en vertrekt op 19 septem­ber.

Terwijl Abreu met zijn schip de São Romão in Sofala blijft, vervolgen de andere kapiteins van zijn vloot hun reis naar Moçambique. Optornend tegen hevige tegenwind arriveren zij bij de Primeira eilanden. Zij treffen daar het schip van Jorge de Melo Pereira. Het blijkt dat zijn eska­der, bestaande uit zes schepen, ook in het voorjaar van 1507 uit Por­tu­gal is vertrok­ken. Dit eskader heeft een weinig voor­spoedi­ge reis achter de rug. De sche­pen hebben aanvanke­lijk Cabo de Santo Agostinho aan de kust van Angola niet kunnen ron­den en thans be­schikt de bemanning van Jorge de Melo Perei­ra nauwelijks nog over drink­water. Er worden twee grote sloe­pen gestre­ken. Hier­mee gaat men op zoek naar een rivier­monding. Als de wind plotseling naar de goe­de hoek draait, vervolgen de schepen hun reis naar Moçam­bique. Een van de sloepen bereikt op eigen kracht ook de haven van Moça­mbi­que, waar drie schepen liggen die dit voorjaar uit Portu­gal ver­trokken zijn, maar die te laat in het seizoen Moç­ambi­que hebben bereikt, om hun reis te kunnen vervol­gen. Zij heb­ben geprobeerd tegen de noord­oostmoes­son in te zeilen. Begin december hebben zij moe­ten inzien dat dit onbegonnen werk is en zij zijn toen naar Moça­mbi­que terug­gekeerd.

Aan boord van het schip van Jorge de Melo bevindt zich een familielid, Duarte de Melo. Hij is uitverkoren factor te wor­den van de in Moçambique te bouwen factorij, als onderdeel van het daar te bouwen fort. De energieke Duarte de Melo is onmiddellijk na zijn aan­komst begonnen met de bouw van het fort. In het begin heeft hij daarbij weinig hulp, maar als de be­manningen van de vele voor Moçambique liggende schepen voldoende van de reis zijn hersteld en zich beginnen te vervelen, vindt Duarte de Melo hun kapiteins bereid hun bemanningen bij de bouw van het fort in te zetten. Duarte de Melo laat ook een brigantijn bouwen. Het vaartuig be­wijst direct zijn waarde. Als een pas gearriveerd schip bij het invaren van de haven aan de grond loopt, laat Duarte de Melo de brigantijn en enkele grote sloepen de lading van het gestrande schip overnemen. Bij opkomend tij geraakt het lege schip gemakke­lijk vlot en blijft behouden. Duarte de Melo kan niet op hulp van zijn almoxarife rekenen, zodat de man moet worden overgeplaatst, en hij ondervindt ook weinig steun van zijn eigen kapitein. Ondertussen ziet hij al zeven maanden uit naar de komst van de nieuw benoemde capitão van Moçam­bique, Vasco Gomes de Abreu. Van hem is bekend dat hij tijdens zijn verblijf in Sofala het fort daar heeft laten uitbrei­den met een grote ruimte en dat hij een karveel van 40 ton heeft laten bouwen. Hij heeft Rui de Brito Patalim aangesteld als waarnemend capitão in Sofala en is vervolgens met zijn schip en met medeneming van het karveel en twee andere vaartuigen vertrokken naar het ei­land Moçambique, om daar toezicht te houden op de bouw van het fort. Barros veronder­stelt dat de schepen met man en muis in een cycloon zijn vergaan, ofschoon er ook ge­ruchten zijn, dat Abreu naar Madagascar is gezeild, in de hoop dat daar kruidnagelen, gember en zilver te vinden zijn.

In Moçambique treedt als waarne­mer van Abreu op Duarte de Lemos da Trofa. Hij is op 9 april 1508 uit Portugal ver­trokken, als plaatsvervangend commandant van een vloot, onder bevel van zijn oom Jorge de Aguiar. Deze vloot zou in Moçambique gesplitst worden. Acht schepen dienen door te varen naar Indië, om daar specerijen te laden; Aguiar zelf, die aangewezen is als ca­pitão-mor van de zee van Ethiopië, Arabië en Perzië, moet met vijf schepen in de wateren tus­sen Sofala en Cambay patrouilleren. Aguiar is in deze functie de opvolger van Afonso de Albuquerque, die afgelost dient te worden, om Francisco de Almeida op te volgen als gou­verneur-generaal van Portu­gees Indië.

De vloot van Aguiar en Lemos heeft niet veel geluk. Nog maar nauwelijks op zee steekt er een storm op. Enige schepen geraken uit het zicht en van een ander schip breekt de hoofdmast af, waardoor het moet terugkeren naar Portu­gal. Van het vlaggeschip, de São João, breekt de top van de mast af, waardoor dit schip voor reparatie moet uitwijken naar het eiland Ma­deira. Aan de kust van Guinée wordt de vloot op­nieuw door een storm getroffen en in het zuiden van de Atlanti­sche Oceaan worden twee tezamen zeilende sche­pen over­rom­peld door een westerstorm. Het kleinere schip strijkt bijtijds de zeilen, maar de São João zeilt trots met volle zeilen ver­der. Vanaf het kleinere schip wordt de vol­gende morgen een van de eilandjes van Tristão da Cunha gezien, maar van de São João is nooit meer iets vernomen. Als er later in de buurt van Tristão da Cunha wrakstuk­ken van een schip worden waar­genomen, wordt verondersteld dat de São João zich in het nachtelijk duister op een van de kleine­re eilanden te pletter heeft gevaren, waarbij Jorge de Aguiar en zijn be­manning zijn omgekomen.

Duarte de Lemos rondt de Kaap op een breedte van 40. Hij krijgt de Afrikaanse kust in zicht ergens tussen Bartolomeu Dias’ Rio do Infante en Santa Lucia, wellicht in de Delagoa­baai, waar hij water inneemt aan de rivier waar João de Queiros is vermoord. Hier heeft hij een ontmoeting met het eskader van Diogo Lopes de Sequeira, dat op weg is naar Madagas­car. Lemos zeilt daarna door naar Sofala en gaat daar voor anker. Als hij een dag later de wind goed in de zeilen krijgt, vaart hij door, zonder contact met het fort te hebben gehad. Bij Angoche krijgt Lemos een week lang te maken met uit oostelijke richtingen waaiende winden. Er ontstaat zo’n tekort aan drinkwater, dat de rantsoenen tot een minimum moeten worden beperkt. Lemos rust twee grote sloepen uit, waarmee een moslimdorp wordt bereikt. De volgende mor­gen brengt een sambuk, gezonden door de sjeik van Ango­che, de bemanning kippen, gierst en zoete aardappelen. Bovendien brengen de opvarenden van de sambuk de kapi­tein de uitnodiging van de sjeik over hem te komen bezoe­ken, maar als de wind plotseling naar het zui­den ruimt, maakt Lemos van deze meevaller direct ge­bruik zijn reis naar Moçambique voort te zetten. Lemos arriveert op 19 augus­tus bij Moçambique in de ver­wachting zijn oom Jorge de Aguiar daar te zullen treffen. Als de verongelukte Aguiar niet komt opdagen, opent Lemos een afschrift van de brief van koning Manuel aan Vasco Gomes de Abreu. Uit de brief blijkt dat Abreu de instructies van Aguiar dient op te volgen. Lemos, die na verloop van tijd de hoop heeft opge­geven dat Aguiar nog komt opdagen, opent ook de brief van koning Manuel aan hem. In deze brief wordt hijzelf aange­wezen als de opvolger van Aguiar. Daar­mee is Lemos dege­ne die toezicht uitoefent op de bouw van fort São Sebastião op Moçambi­que-eiland. Duarte de Melo heeft al een toren van drie ver­die­pingen gebouwd. Lemos zet de bemanning van zijn eska­der ook in bij de voltooiing van het fort en eind septem­ber is het bouw­werk, waarin zich twee grote ruim­ten bevin­den, vrijwel gereed. Een groot huis in Moçambique wordt veran­derd in een ziekenhuis en er wordt ook begonnen met de bouw van een kapel, gewijd aan São Gabriel. Moçambique zal tot 1897 de hoofdstad blijven van Portugees Oost-Afrika.

Duarte de Lemos prijst in zijn rapport aan koning Manuel de toewijding van Duarte de Melo, `waarvoor hij een grote beloning verdient’. Over het personeel van het fort in Sofala is Lemos minder te spreken. Hij schrijft dat er in de factorij veel textiel, maar weinig goud is, ofschoon er wel veel goud in het land is. Hij wijst er ook met nadruk op dat de `Kaffers’ slechts belangstelling hebben voor katoentjes uit Cambay en kralen uit Malindi en dat de grote witte lappen textiel die de factorij aanbiedt absoluut niet aan hen te slijten zijn. De beschuldiging aan het adres van het perso­neel van de facto­rij in Sofala is waar­schijnlijk niet terecht. Lemos wijst zelf op de noodzaak dat de Portugezen zich met hun aanbod aanpas­sen aan de handelsmogelijkheden rond de Indi­sche Oce­aan. Bovendien duurt de onrust in het bin­nen­land voort en heeft Sofala veel last van de concurrentie van de Ara­bieren in Angoche. Al deze oorzaken beletten dat er goud naar Sofala stroomt. Ko­ning Manuel heeft al eerder opdracht gegeven tegen de `Moren van Angoche’ op te treden. Abreu heeft het daarvoor echter aan vol­doende middelen ontbroken. Lemos verklaart dat Angoche een `die­venhol’ is, omdat de Arabieren daar blijken te be­schikken over door de Portuge­zen uit Cambay aangevoerde kleding. In werkelijkheid zijn het Portugese zeelieden die deze kleding aan Angoche leveren. Zij ruilen deze tegen kippen. Over de eenvoudige moslims van Moçambique is Lemos wel te spre­ken; `zij werken als slaven voor een portie gierst’. Zijn be­zwaren gelden de ho­gere klassen, zoals de lokale Arabische handela­ren en de Arabieren die de kust bezoeken. Zij die­nen – vol­gens Lemos – allen verdreven te worden. Tenslotte bericht hij dat het mogelijk is van het aan de kust voorhan­den zijnde ebbehout schepen te bouwen tot 150 ton, mits de masten daarvoor worden aangevoerd uit Indië. Dit idee bespreekt Lemos met zijn kapiteins. Hierop wordt besloten op Moçambique eiland een werf in te richten voor het bou­wen en repareren van schepen voor de handel aan de kust. Lemos laat zijn kapi­teins ook weten van plan te zijn, in het spoor van Tristão da Cun­ha en Afonso de Albu­querque, naar de wateren te zei­len, waarvan de bewa­king was opgedragen aan Jorge de Aguiar.

Duarte de Lemos da Trofa verlaat Moçambi­que, in maart 1509 met zes schepen en de brigantijn. Hij zeilt naar Kilwa, waar hij op 21 maart Francisco Pereira Pestana benoemt tot capitão van het fort, welke functie vacant is geworden door het vertrek van zijn oom Pero Ferreira Fogaça, die aangewe­zen is als capitão van Socotra. Lemos neemt Fogaça bij zich aan boord, om hem naar Socotra te brengen. Zijn kennis van de lokale omstandigheden aan de kust komt goed van pas om de eiland-staten de Portugese suprematie opnieuw te doen voelen. De sultan van Mafia stemt ermee in een hoe­veelheid uitstekende pek, waarvoor het eiland bekend staat, in de vorm van schatting te leveren. Zanzibar is minder meegaand. De Portugezen stormen aan land en veroveren en plunderen de belangrijkste stad op het eiland. De heerser, een familielid van de sultan van Mombaça, trekt zich terug naar het vasteland. De sjeik van Pemba protesteert tegen levering van het gevraagde voedsel, zeggende dat Pemba te onvruchtbaar is om dat te kunnen leveren. Als hij de blik in Lemos’ ogen ziet, vreest hij dat Pemba het lot van Zanzibar zal delen. Hij laat een deel van het gevraagde bezorgen en vlucht nog dezelfde nacht, met veel van zijn mensen, naar het vasteland. De Portugezen vinden de stad de volgende dag verlaten. Op zoek naar vee, vinden zij in het binnenland enige stenen gebouwen met een aanzienlijke buit.

In Malindi richt Lemos in april 1509 de factorij in, tot stich­ting waarvan koning Manuel opdracht heeft gegeven. De aangewezen factor is met Jorge de Aguiar om het leven gekomen. Lemos benoemt daarom Duarte Teixeira tot fac­tor en voorziet hem van de nodige klerken en van een regi­men­to, waarvoor dat van de factorij van Moçam­bique model heeft gestaan. Lemos hoopt zijn reis naar Socotra voort te zetten, maar de stuurlieden van de zes schepen en van de bri­gantijn verklaren eendrachtig dat zulks, wegens de heersen­de te­genwind, voor half augustus niet mogelijk is. Daarom besluit Lemos in Malindi te `overwinteren’.

Gedurende deze periode keert Lemos voor korte tijd terug naar Moçambique. Als hij daar aankomt, arriveren daar ook twee kooplieden uit Malindi, met twee sambuks, geladen met meer dan 100.000 stuks kleding uit Cambay. Lemos geeft het tweetal een cartaz om met hun lading door te varen naar Ango­che. Hun agenten zorgen ervoor dat de handels­waar snel over de rivier naar het binnenland vervoerd wordt, waar de kleding geruild wordt tegen goud en ivoor. Als de nieuwe factor van Moçambique, Diogo Vaz, dit voor­val verneemt, aarzelt hij niet de hoofdinspecteur van de Casa da Mina e da Guinea van het optreden van Duarte de Lemos op de hoogte te brengen. In een brief aan de autori­teiten in Lissabon be­klaagt hij zich erover dat, terwijl de goudhandel in Sofala weinig voorstelt, er uit Portugal een capitão-mor komt, die haar helemaal de doodsteek toe­brengt. Diogo Vaz merkt ook op, dat het een wonder is dat Portugees Indië overleeft, omdat de Portugezen zich meer als vernietigers en rovers gedragen dan als conquistadores. `Weliswaar zijn het de Turken die oorlogvoeren tegen de koning van Portugal, maar de werkelijke “Turken” zijn wij Portugezen zelf, want nie­mand benadeelt Zijne Majesteit meer dan zijn eigen onder­danen.’

Duarte de Lemos verlaat met zijn schepen eind augustus 1509 Malindi. Mee­gevoerd door de stromingen bij Kaap Guardafui krijgt hij Zeila in het zicht. Hij keert terug naar Mogadiscio, maar de stad is te zeer gefortificeerd, om een gemakkelijke overwin­ning te kunnen behalen. Opnieuw op weg naar Socotra wordt de vloot door wind en stroming naar het noorden verzet. Lemos zet koers naar de kust van Arabië en bereikt de Perzische Golf. Vandaar zeilt hij voor de wind naar Socot­ra en levert Pero Ferreira Fogaça bij het fort af. De vloot keer dan terug naar Malindi, om er te overwin­teren en maakt onderweg een rijk schip buit. In Malindi houdt Lemos zich bezig met de zaken van Sofala, omdat hij nog steeds de `capitão-mor is van alle forten en vloten van Sofala tot Cam­bay en van de Perzische en de Arabische zeeën’. Weer naar het noorden zeilend, bombardeert Lemos Mogadiscio. Socot­ra blijkt bevoorraad door een schip uit Indië. Desondanks zijn Fogaça en veel mannen in het fort en op de schepen ernstig ziek. Lemos vaart door naar Indië, waar Almeida en Albu­querque met elkaar over­hoop liggen. Het twistpunt dat Lemos het meest aangaat, is Socot­ra. Albuquer­que wil Socotra opgeven, omdat het eiland onvol­doende opbrengt om het garnizoen te voeden en om­dat het geen be­schutte haven heeft. Deze factoren maken Socotra tot een onge­schikte basis. Almeida is het hiermee niet eens, omdat koning Manuel hem zelf opdracht gegeven heeft tot het bouwen van een fort op Socotra. Een van de eerste dingen die Albuquer­que doet als hij zijn func­tie heeft aan­vaard, is het opgeven van Socotra. Het besluit zal in 1512 in Lissa­bon bevestigd worden.

Koning Manuel besluit dat het Ilha de São Lourenço nader onderzoek verdient. Naast rapporten van anderen heeft João da Nova over Madagascar laten weten, dat het eiland iedere twee jaar bezocht wordt door `geklede mensen, die in grote schepen kwamen’. Er moet blijkbaar een aanleiding zijn voor deze mensen, om naar het eiland te komen en daarom dient een eskader dat op weg gaat naar Malacca het eiland te onderzoe­ken. Derhalve geeft koning Manuel in 1508 Diogo Lopes de Sequeira, commandant van vier schepen die op weg gaan naar Malacca, opdracht tot onderzoek van de westkust van het Ilha de São Lourenço, `omdat de andere kant reeds is waar­geno­men’. Hij moet zonder tussenstop in Beziguiche naar de Angra da Roca (Algoabaai), aan de kust van Zuid-Afrika, varen. Daar moet hij water en hout inne­men, zijn eskader verzamelen en zijn sche­pen repa­reren. Hij moet de kust van Madagascar, vanaf Cabo de Santa Maria aan een nauw­keurig onderzoek onderwerpen; na de Rio Tanana te zijn gepas­seerd, moet hij zijn on­derzoe­­­k­ ver­volgen tot aan Cabo de Tristão da Cunha (Da Cunha’s Cabo do Natal), aan de noord­punt van het eiland. Bij zijn onder­zoek van de kust moet hij speci­aal letten op ha­vens en hij heeft ook op­dracht pad­rões te plaat­sen. Hij moet ook uitkij­ken naar ste­den en dorpen en de inwoners daarvan moet hij monsters laten zien van spece­rij­en (kruid­nagelen, gember, nootmus­kaat, foelie en ben­zoë), goud en zilver. Hij moet nagaan of en waar deze zaken in het land worden gevonden en hij dient deze waren, indien moge­lijk, in zijn schepen te la­den. Als de begeerde goederen sle­chts in het binnenland voor­handen zijn, moet Sequeira nagaan of de relevante plaatsen over water­wegen bereik­baar zijn. Hij moet even­eens onder­zoeken wat voor soort goede­ren de inwoners in ruil willen ontvangen. Koning Manuel wil ook weten of de lokale heersers moslims of heide­nen zijn. Er moet ook gerap­porteerd worden over de handel van het eiland: uit welke landen komen de kooplie­den die het eiland­ bezoe­ken, of waar gaan de eilandbewo­ners zelf naar toe en welke goede­ren nemen zij dan mee? Als Diogo Lopes de Sequei­ra ten minste drie schepen met goede waren van Ma­dagascar weet te vullen, moet hij naar Portu­gal terug­ke­ren, maar wel via Moçambique. Als zou blijken dat daar goud ter waarde van meer dan 50.000 dobras in kas is, dient Sequei­ra het meer­dere mee te nemen naar Portugal. Als er geen goud zou zijn in Mo­çam­bique, maar wel in Sofala is, dan moet Se­queira het daar gaan ophalen. Zou hij niet meer dan twee schepen kunnen laden, dan moet hij deze direct naar Portugal terug­zenden, met alle verza­melde inlichtin­gen. In dat geval moet hij zelf zijn reis voort­zetten. Hij moet de Ilhas de Comoro, welke eilanden­groep kort na de verove­ring van Kilwa in 1505 al is waargeno­men, verkennen. Tenslotte dient Seque­ira, via Socotra, naar Cey­lon te gaan en vandaar door te zeilen naar Malacca.

Diogo Lopes de Sequeira zeilt 5 april 1508 uit Lissabon weg, tezamen met de Jerónimo Teixeira, kapitein van de kraak Santa Clara, en de kapiteins Gonçalo de Sousa en João Nunez. Hij heeft in de Delagoabaai, waar hij water inneemt, de reeds gememoreerde ontmoeting met het eska­der van Duar­te de Lemos da Trofa. Daarna zet hij koers naar São Lou­renço. Hij bereikt Cabo de Santa Maria op 10 augustus en schijnt langs de oostelijke kant van het eiland naar het noor­den te zijn gevaren. Een overlevende van de bemanning van het schip van João Gomes de Abreu geeft Sequeira veel inlichtin­gen over het koninkrijk Jujubaia, waarvan de inwo­ners ­een lichtere huid hebben dan alle andere bewoners van Madagas­car. Zij vertellen dat hun voorouders van overzee gekomen zijn. Zij bezitten boeken, die ze niet kunnen lezen, alsmede kaarten. In hun koninkrijk bevindt zich een zeer oud stenen gebouw. Maar hun land brengt geen zilver, goud of kruidnagelen voort en gember is er net genoeg voor eigen gebruik. Het enige product dat zij in overvloed bezitten is gom. Sequeira pikt aan de Rio Mata­tane nog enige overle­venden van Abreus expeditie op en er wor­den ook twee degradados ontdekt, in gezelschap van twee mannen uit Cambay, die dertig jaar eerder een schipbreuk overleefd hebben. Diogo Lopes de Sequeira vindt geen spece­rijen, geen edele metalen en de kust wordt zelden bezocht door schepen uit andere landen, omdat daartoe geen aanlei­ding is. Het enige dat de expeditie oplevert, is de ontdekking van een ruime baai met goed water, op de naamdag van Sint Sebastiaan. Van­daar de naam Baía de São Sebastião, kort daarna omgedoopt in Baía de Antongil. Het is wel dui­delijk dat Madagascar geen bron van grote rijkdom is. De enige hoop in Zuid­oost-Afrika is Sofala. Maar Sofala brengt nog altijd weinig goud op. Factor Pero Pessoa ontvangt van 8 maart 1508 tot 10 november 1509 slechts 5.806.000 reis aan goud, zilver en ivoor, in ruil voor kleding, kralen en andere ruilgoederen. De op­brengst van 6976 mitkal per jaar, is nauwelijks voldoende om de salarissen van het personeel van de facto­rij en de soldij van het garnizoen te betalen. De Portugezen blijven desondanks hopen op een herleving van de goudaanvoer.

Bijlage: Het goud van Monomotapa

Categorieën
Portugees kolonialisme

Dom Francisco de Almeida en Afonso de Albuquerque

Deel 4 Index

Hoofdstuk 3

De verrichtingen van Afonso de Albuquerque, Tristão da Cunha en Dom Francisco de Almeida

3.6 Dom Francisco de Almeida en Afonso de Albuquerque

Geschreven door Arnold van Wickeren

Als de drie kapiteins, die Albuquerque bij Ormoez in de steek hebben gelaten, in Cochin aankomen, beschuldigen Afonso Lopez da Costa, Manuel Teles Barreto en António do Cam­po hun kapitein-majoor van eigen­machtige optreden, ten over­staan van onder­koning Francisco de Almeida. Zij vragen hem hun aantijgingen te onderzoeken en hun een afschrift van de bevindingen van het onderzoek te geven, opdat zij de zaak aan koning Manuel kunnen voorleggen. De kapiteins willen dat de koning hen schadeloos stelt voor het onderga­ne onrecht en zij willen alsnog het hun toekomende aandeel ontvangen in de verworven buit, dat Albuquer­que hen zou hebben onthouden. Dom Francisco aanvaardt hun be­schuldi­gingen en benoemt een commissie van onderzoek, onder leiding van Gonçalo Fernandez. Ofschoon de commis­sie Albuquerques visie (nog) niet heeft vernomen, meent de onder­koning er goed aan te doen Albuquerque, in brieven aan koning Ceifa­dim en aan regent Coja Atar, te desa­voue­ren. Hij ver­werpt in deze brieven zijn optre­den tegen Ormoez volle­dig en schrijft de door Albuquerque gevan­genge­nomen Moren van Ormoez, die zich bij de drie kapi­teins aan boord hebben bevonden, te hebben vrijge­laten; hij rechtvaar­digt het optreden van Coja Atar tegen­over de Portugezen; hij verklaart dat Albuquerque, bevreesd voor zijn rechtsmacht, naar Socotra is gevlucht en zegt toe hem te zijner tijd te zullen straffen, zoals hij ver­schuldigd is. De onderkoning voegt bij zijn brief aan Coja Atar zeven cartazes voor sche­pen van Ormoez en vraagt koning Ceifadim niet te vergeten zijn ge­schenk aan koning Manuel ieder jaar te zenden.

Terwijl de drie gedeserteerde kapiteins Francisco de Almeida weten te overtuigen van de onrechtmatigheid van het optre­den van Albuquer­que tegen Ormoez, is Fernão Soa­res, waar­schijnlijk vergezeld door Ruy da Cunha, vanuit Portu­gal op weg naar Indië. Hij heeft op­dracht zich te voegen bij de sche­pen die de toe­gangen tot de Rode Zee en de Perzi­sche Golf con­trole­ren. Soa­res heeft een afschrift van een brief van koning Manuel voor de onderko­ning bij zich. In deze brief gelast Dom Manuel Dom Francis­co, na het ver­strijken van zijn ambtster­mijn, terug te keren naar Portugal, nadat hij zijn ambt en bevoegdheden heeft overge­dra­gen aan Afonso de Albu­querque­. De brief ver­oorzaakt vanzelfsprekend grote con­ster­natie bij de drie kapi­teins. Zij dringen er in hun angst bij Almeida op aan zijn ambt niet over te dragen.

Toen Afonso de Albuquerque, na zijn vertrek uit Or­moez, in Socotra was aangekomen, heeft hij zijn enig overgebleven kapitein, Francisco de Tavora, naar Malindi gestuurd om voedsel voor het garnizoen van fort São Miguel te gaan halen, terwijl hijzelf bij Kaap Guardafui jacht ging maken op Arabische koopvaarders. Na zijn missie volbracht te hebben, zou Francisco de Tavora ook naar deze kaap komen. Hij arriveert daar eind april 1508, in gezelschap van Diogo de Mello en Martim Coelho, die hij in Malindi heeft aangetrof­fen. Zij waren daar kort te voren uit Portugal aangekomen.

Op 15 mei 1508 zeilt Albuquerque met vier schepen naar Socotra, waar de bevolking tegen het Portugese garnizoen in opstand blijkt te zijn gekomen. Albuquerque tuchtigt de opstandelingen en dringt hen een verdrag op. Hierin wordt bepaald dat zij fort São Miguel een jaarlijkse schatting moe­ten betalen. Deze bestaat uit 600 schaapskoppen, twin­tig runde­ren en veertig zakken dadels. Om de zeewaardigheid van de Rey Grande te vergroten, acht Albuquerque het gewenst de hoge kastelen ten dele af te breken. De kapitein van de Rey Grande, Francisco de Tavora, die van plan zou zijn te deserteren en die voor Ormoez ook al eens van zijn func­tie is ontheven, wordt opnieuw vervangen door Diniz Fern­andes de Mello. Nadat het eskader bij Socot­ra de noord­oostmoesson heeft afge­wacht, zeilt het 15 augustus 1508 naar Kalhãt. De gozil van deze stad heeft Albuquerque een jaar geleden vriendschappelijk verwelkomd en is een vazal van koning Manuel geworden. Albuquerque laat informeren wie thans de stad bestuurt. Dit blijkt ene Xarafadin, een dienaar van Coja Atar, te zijn. De kapitein-majoor laat hem vragen naar zijn schip te komen voor overleg, maar Xarafa­din weigert dit. Albuquerque zet daarop zijn troepen aan land. Zij drijven de Moren de stad uit. Als deze zien met hoe wei­ni­gen de aan­vallers zijn, keren zij terug, om opnieuw verdre­ven te wor­den. Terwijl de Portugezen de stad aan het plun­deren zijn, dringen 500 Moren de stad door een van de poorten op­nieuw binnen. Zij verdelen zich in twee afdelin­gen, om de indringers te omsingelen. Hun opzet wordt tijdig doorzien en na hevige straatgevechten worden de Moren voor de derde maal verdreven. Hierna wordt Kalh_t, teza­men met alle schepen in de haven, in brand gestoken. Na de gevangenen de oren en de neus te hebben afgesneden, worden zij vrijge­laten en keren de Portu­gezen naar hun sche­pen terug.

Nog voor de aanval op Kalh_t heeft Albuquerque van een Moor, die hem een cadeau is komen brengen, vernomen dat de toestand in Ormoez zeer slecht is. Er is een groot tekort aan voedsel en water en een bepaalde bevolkingsgroep, Rustazes geheten, is door Coja Atar verdreven, nadat deze groep tegen de koning in opstand was gekomen. Nadat de kapi­tein-majoor de Moor met een ge­schenk heeft laten gaan, bespreekt hij het nieuws met zijn kapiteins, die hem aanra­den van de toestand te profite­ren.

Als het eskader de volgende dag bij Ormoez aankomt, her­vat Albuquer­que zijn blokkade. Hij pikt een visser op, die hem inlichtingen verschaft over de situatie in Ormoez. Coja Atar heeft, op het naderen van de Portugese vloot, alle non-combattanten naar het vasteland gezon­den en hij heeft de parãos en de andere vaartuigen in veiligheid gebracht. Hij heeft het fort versterkt met twee bolwerken en deze voor­zien van goede artillerie. Hij heeft ook andere voorbereidin­gen getrof­fen, om het fort een langdurige belegering te kunnen laten door­staan. Er wacht Albuquerque nog een andere zeer onaangename en vernederende verrassing bij Ormoez. Na drie dagen ontvangt hij een brief van Coja Atar. Hierin schrijft de gouver­neur dat onderkoning Francisco de Almeida zijn optreden tegen Ormoez veroordeelt en zijn bestraffing heeft aangekondigd. Coja Atar heeft afschriften van brieven van Dom Francisco, gericht aan koning Ceifadim en aan hemzelf, bijgevoegd. Deze brieven, die in vriend­schap­pelijke bewoordingen zijn gesteld, bevestigen wat Coja Atar aan Albuquerque schrijft. Deze voelt zich natuur­lijk verraden en besluit zich met alle kracht te verzetten. Hij verklaart de afschriften voor vervalsingen, omdat zij niet zijn onderte­kend. Coja Atar antwoordt dat de brieven van de onderko­ning echt zijn. Zij zijn voorzien van de authentieke handteke­ning en van het koninklijke zegel van Portu­gal. Albuquerque vraagt om betaling van de jaar­lijkse schat­ting. Coja Atar ant­woordt dat hij deze wil betalen, zodra er een vredessituatie is ingetreden. Daarvan is nu geen sprake, omdat Portugese oorlogsschepen een bedreiging vormen voor de handelssche­pen met bestemming Ormoez, waar­door aan de handel van de stad grote schade wordt toegebracht. Hij voegt aan zijn woorden nog toe dat de 100­.000 xerafim, die in Kalh_t zijn buit­ge­maakt, ruim­schoots opwegen tegen de misgelopen schatting van 15.000 xerafim. Hij maakt deze vergelijking, omdat Kalh_t aan de koning van Ormoez be­hoort. Bovendien laat Coja Atar weten over vol­doende manschappen, wapens en voorra­den te beschikken om de strijd aan te binden. Albu­quer­que, die natuurlijk des duivels is, wijst Coja Atar, in een lang verhaal, als de schul­dige aan voor de rampspoed die Ormoez getroffen heeft. Hij eist betaling van de sc­hat­ting binnen acht dagen en uitleve­ring van de vier Portu­gese deserteurs. Als aan zijn eisen niet wordt voldaan, bete­kent dit oorlog. Hij beschikt, met vier kraken, een galei en 300 soldaten, echter over te weinig middelen, om zijn be­drei­ging uit te voeren en heft daarom het beleg op. Albu­quer­que zeilt naar Indië en arriveert op 5 december 1508 in Cannanore.

Degene die de Portugezen `sjeik Ismael’ noemen, is sjah Isma’il Al-Safawi, de stichter van de Perzische dynastie der Safawiden en degene die in zijn land de sji’itische vorm van de islam tot staatsgodsdienst heeft gemaakt (1501). Sjah Isma’il is onder de indruk van de militaire kracht van de Portugezen. Hij ziet in hen mogelijke bondgenoten tegen het expande­rende Ottomaanse rijk, dat Perzië be­dreigt. Als zijn ambas­sadeurs bij Ormoez aankomen, om vriendschappelij­ke betrek­kingen met Albuquerque aan te knopen, is deze al naar Indië vertrokken.

Als Albuquerque in Cannanore Francisco de Almeida ont­moet is deze druk doende een vloot bijeen te brengen, om de Egyp­tische-Turkse vloot bij Diu aan te vallen en daarmee de dood van zijn zoon te wreken. Albuquerque verwijt de onder­koning tijdens zijn verblijf van twee jaar en acht maan­den op zee en zijn verovering van Ormoez nimmer enige steun van hem te hebben ontvangen. De verhouding tussen beide mannen verslechtert verder als Albuquerque de onder­koning verzoekt het bestuur aan hem over te dragen, omdat zijn ambtstermijn verstreken is en omdat de maand decem­ber een uitstekende maand is om aan zijn reis naar Portugal te begin­nen. Hij kan reizen op de comfortabele kraak Belém,­ die door zes schepen geëscorteerd kan worden. Almeida zegt van oordeel te zijn dat zijn ambtstermijn pas de vol­gen­de maand zal verstrijken en hij belooft dan te zullen aftre­den. Albuquer­que zendt kort daarna zijn secretaris, António de Sintra, naar Dom Francis­co met de docu­men­ten, waaruit blijkt dat het moment waar­op Almei­da dient af te treden al is aange­bro­ken. Nadat Almei­da dit moet erkennen, vraagt hij A­ntónio de Sintra de docu­menten geheim te hou­den, tot hij van zijn expeditie naar Diu is teruggekeerd. Als Albuquerque de reactie van Almeida verneemt, zendt hij António de Sin­tra opnieuw naar hem toe, met de boodschap dat Albuquer­que, zijnde gouverneur-gene­raal, het bevel over de vloot naar Diu opeist. Albuquerque verlaat Cannanore, waar de meeste kapiteins Almeida steu­nen, en komt op 14 december op de Cirne in Cochin aan. Factor Gaspar Pereira en andere officie­ren van de factorij dringen er bij Albuquer­que­ op aan direct de titel capitão-geral van de Estado da India te gaan voeren. Albuquerque weigert dit, om de Portugezen niet in twee kampen te verdelen. Al­meida schrijft een brief aan koning Manuel, waarin hij Albu­querque een aantal zaken aanwrijft­. Albuquerque geeft zijn lezing van de gebeurtenis­sen aan Dom Manuel door middel van het leveren van com­mentaar op de beschuldigingen van de onderkoning. Dom Francisco de Almeida verwijt Afonso de Albuquerque:

  • dat hij hem niet ogenblikkelijk bij zijn aankomst de docu­menten, waarin hij als zijn opvolger wordt aange­wezen, heeft getoond;

  • dat hij Socotra in de steek gelaten heeft, door zonder verlof van koning Manuel van daar te vertrek­ken;

  • dat hij een blokkade voor Ormoez heeft gelegd;

  • dat hij een verzoek van Coja Atar, om met hem te spre­ken, heeft genegeerd;

  • dat hij een slaaf heeft afgenomen van een Moorse koop­man uit Ormoez (een naar hem gevluchte chris­ten, zegt Albuquerque).

Gelet op de manier waarop de Portugezen in het algemeen de moslims behandelen, is het laatste verwijt van een zeld­zame pietluttigheid, dat de andere argumenten ontkracht.

Als de schepen van Fernão Soares en Ruy da Cunha vanuit de factorij in Can­na­nore geladen zijn, vertrekken zij naar Portugal, waar zij overigens nimmer zullen aankomen. Na hun vertrek kan Almeida ten strijde trekken tegen de Egyp­tisch-Turk­se vloot bij Diu, om de nederlaag en de dood van zijn zoon te wre­ken. Almeida’s vloot bestaat uit 19 sche­pen, met 1.600 matro­zen en solda­ten, van wie er 400 af­komstig zijn uit Malabar. Het inzetten van inheem­se troepen voor de Por­tu­gese zaak zal, naarmate militaire operaties de moge­lijkhe­den van het kleine en dun bevolkte Portugal te boven gaan, vaker worden toege­past, niet alleen in Azië, maar later even­eens in Brazilië en tot in de tweede helft van de 20e eeuw ook in Afrika.

Almeida zeilt via Angediva naar Dabul, toentertijd een rijke handelsstad. Als de vloot 30 december de haven van Dabul binnenloopt, blijkt het garnizoen voorbereid te zijn op een aanval. De onderkoning laat drie eenheden drie poorten tege­lijkertijd aanvallen. De verdedigers weren zich zo dapper dat Almeida een compagnie, onder Nuno Vaz Pereira, de stad op een onverwachte plaats laat aanvallen. De verdedi­gers voelen zich in de flank aangevallen en vluchten naar de moskee of naar de bergen. In de daaropvolgende vijf uren doden de Portugezen 1.500 verdedigers en verliezen zelf maar 16 man. De vol­gende morgen geeft Almeida het sein tot plundering. Hierbij worden de plunderaars gehinderd doordat er uit de stad op hen gevuurd wordt. Hierop laat de onderkoning de stad in enkele uren in puin schieten. De buit vertegenwoor­digt een waarde van 150.000 gouden duka­ten. De aanval op Dabul, die zo weinig te maken heeft met het doel waarvoor Almeida is uitgezeild, zou ondernomen zijn om de troepen buit te laten verwerven, om hun moreel te verho­gen voor de komende strijd. Na ook de schepen in de haven in brand gestoken te hebben, verlaat de vloot Dabul op 5 januari 1509. Kort daarna wordt een Turkse galei gekaapt, waarop zich een prachtige Hongaarse vrouw blijkt te bevin­den. Zij zal later in Cochin trouwen met Diogo Perei­ra. In de rivier bij Bom­bay wordt een bark uit Gujerat geplun­derd, waarmee de voorraden van de vloot een nood­zakelijke aanvulling onder­gaan. Op 21 januari wordt M_h_m bereikt. De bewoners zijn de bergen ingevlucht, zodat zon­der proble­men hout en ande­re voorraden kunnen worden ingenomen. Op 2 februari arri­veert Almeida bij Diu, waar Melique Iaz en Mir Hocem een vloot van 200 vaartuigen bijeen hebben gebracht, om de Portugese aanval op te van­gen. Na beraad met zijn kapiteins vaart Almeida in de loop van de volgende morgen de haven van Diu binnen, waarop een algemeen gevecht tussen beide vloten losbarst. Mir Hocem, die daarbij gewond is geraakt, verlaat zijn schip, om de koning van Cambay van het treffen op de hoogte te bren­gen. De Portu­gezen behalen een volledi­ge overwinning. Zij voegen vier schepen en twee galeien aan hun eigen vloot toe en verbranden alle overige schepen, na daaruit rijke buit verworven te hebben. Almeida laat Diu zelf met rust, omdat hij over onvoldoende middelen beschikt, de stad te verove­ren. De vaandels van de sultan van Egypte en van Mir Ho­cem worden later, als bewijs van de klinkende over­win­ning op de verenigde vloot van Egypte en Gujerat, naar Portugal gezon­den.

Als de slag gestreden is, zendt Melique Iaz, die niet zelf op het strijdtoneel aanwezig is geweest, de onderkoning een boodschapper, om hem met zijn overwinning te feliciteren. Dit gebaar is ongetwijfeld ingegeven uit vrees voor de wraak van de Portu­gezen, waaraan hij denkt te kunnen ont­snap­pen. Almeida, niet minder vilein dan de Rus, laat de bood­schapper weten dat hij op de eerste plaats zijn nederlaag bij Chaul heeft willen wreken. Nu dat gebeurd is, wenst hij de uitleve­ring van de Portugezen die bij Chaul zijn gevangenge­nomen. De onderkoning verlangt ook de overdracht van de artillerie van de nog in de haven van Diu liggende Egyptische sche­pen, terwijl deze schepen zelf in brand dienen te wor­den gestoken. Tenslotte wenst Almeida in Diu voorraden voor zijn vloot te kunnen kopen. Nadat Melique Iaz zeven­tien Por­tugese krijgsgevangenen heeft overgedragen en de schepen be­voor­raad zijn, keert Dom Francisco terug naar Malabar. Onder­weg maakt hij Nizamaluco, de koning van Chaul, scha­tplich­tig aan de Portugese kroon. Aanvankelijk heeft hij betaling van 50.000 cruzados ineens en een jaarlijk­se schatting van 10.000 cruzados geëist, maar Nizamaluco heeft Almeida ervan kunnen overtuigen dat hij niet meer dan 2.000 cruza­dos kan betalen.

Almeida wordt in Cannanore met veel eerbetoon verwel­komd en neemt brieven in ontvangst, waarin Portuge­zen in deze stad zich keren tegen de aanspraken van Albu­quer­que. De onderkoning zeilt triomfantelijk door naar Cochin. Al onderweg dringen de voor Ormoez gedeserteerde kapi­teins en anderen, die hun kant hebben gekozen, er bij hem op aan zijn bevoegdheden niet over te dragen. Almeida arriveert op 8 maart 1509 in Cochin, waar Albuquerque hem bij de eer­ste gelegenheid vraagt zijn functie over te dragen. Kort daarna bedreigt Almeida iedereen die de zijde van zijn rivaal kiest met gevangenisstraf. Gaspar Pereira, Albuquer­ques secreta­ris, heeft desondanks de moed de aanspraken van zijn mees­ter in het openbaar te verdedigen. Hij deelt Almeida ook mede dat de koning van Cochin weigert peper af te leveren. Dit wordt door Jorge Barreto, de officier die zich aanvan­kelijk voor de voltooiing van het fort bij Ormoez heeft uitgespro­ken, in aanwezigheid van de onderkoning, toege­schre­ven aan de intriges van de medestanders van Albu­querque. In werke­lijkheid is de koning van Cochin van oor­deel dat spe­cerijen alleen rechtmatig aan Albuquerque gele­verd kunnen worden. Almeida legt Albuquerque huisar­rest op en verbiedt hem elk contact met het vorstenhuis van Cochin en met zijn dienaren. Dit laatste is niet onbegrijpelijk, omdat Almeida heeft verno­men dat Trimumpara, de terugge­treden koning van Cochin, die bevriend is met Albuquerque, de twist met afgrijzen be­ziet. Albuquerque heeft zijn steun verworven en Trimumpara of zijn koninklijke broer over­we­egt zelfs een ambas­sadeur naar koning Manuel te zen­den, met de bood­schap dat Afonso de Albu­quer­que belet wordt zijn ambt te aan­vaarden.

Er arriveren vier schepen, onder bevel van Diogo Lopes de Sequei­ra, in Cochin. Het eskader is door koning Manuel uit­gezonden om Malacca te ontdekken. Tijdens dit bezoek vraagt Dom Francisco zijn trouwste aanhangers, onder wie Jorge Barreto en João da Nova, hem formeel te verzoe­ken niet af te treden. Almeida hoopt de koning van Cochin van het idee af te brengen een ambassadeur naar Portugal te zenden, als hij ziet dat de onderkoning aller steun geniet. Jorge Barreto roept de kapiteins bijeen en allen onderteke­nen een document, waarin Almeida verzocht wordt de macht niet aan Albuquerque over te dragen, alvorens koning Manuel van zijn optreden tegen Ormoez op de hoogte is gesteld. Het document wordt aan de koning van Cochin getoond, terwijl hem ook verteld wordt dat Albuquer­que in het geheim met de zamorin onderhandelt, om in Calicut een factorij te vesti­gen. De koning is niet te overtui­gen en laat onverbloemd weten dat hij het afkeurt dat Al­meida weigert zijn ambt aan Albuquerque over te dragen. Inmiddels ziet een aantal onder­tekenaars van het tegen Albuquerque ge­richte document in dat zij fout gehandeld hebben en zij verontschul­digen zich tegenover Albuquerque, zeggende dat zij onder druk van de onderkoning partij voor hem hebben gekozen.

Almeida streeft ernaar Albuquerque officieel in staat van beschuldiging te stellen. Daartoe nodigt hij Coja Atar uit iemand naar Cochin te zenden, om beschuldigingen tegen hem in te brengen, met de belofte dat recht gedaan zal worden. De akte van beschuldiging wordt opgesteld en in bewaring gegeven aan António de Sintra, die het document bij de eerste de beste gelegenheid naar Portugal dient te zen­den. Albu­querque, die bemerkt wat er gaande is, ver­mijdt alles wat de situatie nog verder kan verscherpen. Zijn vijan­den zitten echter niet stil. João da Nova en Jorge Barre­to zeggen Almei­da uit de woorden van João de Cristo, een broeder van de Orde van Sint Eloy, te hebben afgeleid dat Albuquerque door verraad tracht het fort in Cochin in han­den te krijgen en Jorge Barreto zoekt te doden. De broeder wordt in de kete­nen geslagen en in het fort gevan­gengezet. Hetzelf­de over­komt Gaspar Pereira en Ruy de Aranjo, wier huizen boven­dien worden verwoest. Albuquer­ques biechtvader, Francisco, een lid van de Orde van Avis, en Duarte de Sou­sa, die aan Albuquer­ques tafel eet, worden vergeefs onder druk gezet belastende verklaringen over hem af te leggen. António do Campo, die de taal van Malabar goed kent, toont Almeida een brief van Tri­mum­pa­ra gericht aan Albuquer­que, alsmede diens antwoord daarop. Uit de brief­wisseling blijkt dat het koningshuis van Cochin de aan­spra­ken van Albuquer­que steunt. Almei­da laat zijn oppo­nent, we­gens samenspan­ning tegen hem,­ arresteren. Hij wordt door Mar­tim Coelho naar Canna­nore gebracht, waar Lou­renço de Brito, de kapi­tein van Cannano­re, hem opsluit in de toren. De koning en de bevol­king van Cochin zijn ver­bijs­terd over de opsluiting van Afonso de Al­bu­querque. Almeida, die de wo­ning van zijn oppo­nent heeft laten ver­woes­ten, beveelt dat enige van zijn mede­stan­ders, Ruy de Aranjo en Nuno Vaz de Castelo-Branc­o met capitão-mor Diogo Lopes de Seque­ira naar Malacca vertrek­ken en van­daar naar Portugal zullen terugke­ren.

Op 29 oktober 1509 arriveert maarschalk Dom Fernando Coutinho, een neef van Albuquerque, met een vloot van vijftien schepen, in Cannanore. [Volgens Axelson arriveert (anders dan Cortesão schrijft) slechts één schip in de herfst van 1509 in Indië; alle andere schepen hebben moeten over­winteren in Moçambi­que.] Hij heeft de opdra­cht voor­raden en handels­waar die hij aan boord heeft, over te dra­gen aan kapitein-generaal Albuquerque. Coutinho is dan ook uiterst verbaasd te verne­men dat deze al drie maanden wordt ge­vangengehouden. Coutinho beveelt Albuquer­que direct in vrijheid te stellen en vertrekt een dag later met hem naar Cochin, waar zij daags na aankomst worden opge­wa­cht door de onderkoning en al zijn aanhangers. Bij een be­zoek aan het fort op 4 november tracht Coutinho de onder­koning en Albu­querque met elkaar te verzoenen, maar de laatste wil daarvan niets weten. Almeida realiseert zich dat de tijd voor de over­dracht van de macht is aangebro­ken, hetgeen ogen­blikkelijk gebeurt. Op 5 november trekt Dom Francisco de Almeida zich terug op het schip Garça, waar­mee hij vijf dagen later naar Cannanore vertrekt, verge­zeld van Jorge Barreto, Ant­ónio do Cam­po, Manuel Teles en anderen die zeer nadrukke­lijk zijn zijde hebben gekozen. De Garça en twee andere schepen zeilen 19 november uit naar Por­tu­gal. Het eskader ankert, voorbij Kaap de Goede Hoop, in de Aguada de Saldanha. Enige Portugezen trachten daar met de Hottentotten een aantal zaken te ruilen. Een dienaar van Dom Francisco behandelt twee inheemsen zo slecht dat zij hem de tanden uitslaan. Almeida snelt zijn dienaar met 150 man te hulp. De Portugezen achtervolgen de Hottentot­ten tot in hun dorp, waar zij enige stuks vee en een paar kinde­ren stelen. Op de terug­weg naar de schepen worden de Portugezen zo fu­rieus aangevallen door een groep van 170 zwarten, dat in een mum van tijd 50 van hen, onder wie de vroegere eerste onderkoning van de Esta­do da India, worden gedood. Hij krijgt een pijl door zijn keel, terwijl hij in het zand knielt. De niet ge­sneuvelde zeelie­den keren naar hun schepen terug en wachten af tot de Hotten­totten verdwe­nen zijn, om hun gevallen landgeno­ten te begraven. Het overlijden van Francisco de Almei­da wordt in Portugal zeer betreurd.

3.7. De kust van Oost-Afrika (1507-1509)

Categorieën
Portugees kolonialisme

De zeeslag voor Chaul (1508). De verrichtingen van Afonso de Albuquerque, Tristão da Cunha en Dom Francisco de Almeida

Deel 4 Index

Hoofdstuk 3

De verrichtingen van Afonso de Albuquerque, Tristão da Cunha en Dom Francisco de Almeida

3.5 De zeeslag voor Chaul (1508)

Geschreven door Arnold van Wickeren

Na jaren­lang geaarzeld te heb­ben, besluit de Mamelukse sultan van Egypte Q_ns_h al-Gh_r_, onder druk van de zamo­rin en de Arabi­sche kooplie­den in Calicut, de strijd aan te binden met de Portuge­zen, die met hun boycot van de Ara­bi­sche handel in spece­rijen hem niet alleen van een groot deel van zijn in­komsten hebben beroofd, maar ook zijn pres­ti­ge zeer hebben aange­tast. Met behulp van Venetië laat hij een vloot bouwen. Venetië levert daar­voor het hout. Of­schoon sche­pen van de Maltezer ridders van Rhodos, onder leiding van een Portu­gees, weten te verhinderen dat vele houttrans­por­ten hun bestemming bereiken, kan de sultan toch zes kraken en zes galeien bouwen. De Venetia­nen leveren ook techni­sche bijstand bij het bouwen en uitrusten van de Egyptische schepen, met de modernste bewapening. Het bevel over de vloot wordt opgedragen aan Mir Ho­cem (Mir Husayn). Een door Serjeant geciteerde Arabische bron spreekt over Husain Bey al-Kurd_, emir van de sultan van Egypte, wiens vloot zou hebben bestaan uit drie galjo­ten en drie schepen van een ander type. Onder de 1.600 ma­trozen en soldaten op de vloot bevin­den zich grote con­tingenten in de strijd zeer ervaren Veneti­anen, Turken en Levan­tijnen.

In de herfst van 1507 verlaat de Moorse vloot de Rode Zee, om zich bij Diu te voegen bij een vloot van 40 galeien, onder bevel van de tot de islam overgegane Rus Melique Iaz, die in dienst is van de koning van Guje­rat. Diu moet de uitvalsba­sis worden van de opera­ties tegen de Portuge­zen. Onder­weg naar Diu wordt de plaats Imbo aange­vallen en de sjeik daar­van wordt ge­dood. Daarna wordt de stad Ioda geplun­derd.

Natuurlijk heeft onderkoning Francisco de Almeida vernomen dat er een Egyptische vloot in aantocht is. Hij heeft dit ech­ter al zo vaak gehoord en telkens bleek het loos alarm te zijn, zodat hij geen bijzondere maatregelen heeft getroffen. Hij zendt zijn zoon Lourenço met acht schepen naar het noordelijk gelegen Chaul. Hij moet bescherming bieden aan uit Chaul terugkerende met produc­ten geladen sche­pen. Ook dient hij de Egyptische schepen, aan het bestaan waarvan nau­welijks geloof wordt gehecht, op te vangen. Lourenço de Almeida komt in januari 1508 in Chaul aan en wordt daar goed ontvangen. Als op zee een vloot opdoemt, veronder­stellen de Portu­gezen in Chaul dat dit het uit Ormoez ver­wachte eskader van Afonso de Albuquerque is. Als zij hun vergis­sing bemerken, is Mir Hocem de haven reeds binnen­geva­ren, in de verwach­ting dat de daar liggende Portugese schepen zich zonder meer aan hem zullen overgeven. De Portugezen hebben net voldoen­de tijd gehad om aan boord van hun schepen te gaan en de vijan­delijke vloot een warm welkom te bereiden. Anders dan de Portugezen in Indië gewend zijn, beantwoordt de vijand het Portugese vuur met goed gerichte schoten, uit geschut dat niet voor de eigen artillerie onderdoet. Nadat tot zons­onder­gang is gevochten, waarbij aan weers­zijden veel slach­toffers zijn gevallen, is de slag onbeslist. De volgende morgen hervatten de moslims de aanval. De Portugese kapiteins hebben de opdracht ieder een vijandelijk schip te enteren. Slechts de bemanningen van twee galeien slagen erin hun directe tegenstander buiten gevecht te stellen, nadat zij de gehele bemanning daarvan met hun zwaarden hebben afge­maakt.

Op het moment dat Dom Lourenço de overhand lijkt te krij­gen, komt de grote vloot van kleine vaartuigen, onder bevel van Melique Iaz in zicht. Lourenço de Almeida zendt twee galeien en drie karvelen op deze vloot af, om te verhin­deren dat zij Mir Hocem te hulp komen. Deze opzet gelukt tijdelijk. De vloten van Dom Lourenço en Mir Hocem wisse­len artille­rieduels uit tot de avond valt, waarbij beide partijen op­nieuw grote verliezen lijden. De Portugese kapiteins ontra­den Dom Lou­renço de strijd tegen zulk een sterke tegen­stan­der voort te zetten, maar deze wil van het staken van het gevecht niet weten en de volgende morgen wordt de strijd opnieuw hervat, waar­bij nu ook de grote vloot van Meli­que Iaz aan de aanval deel­neemt. Het vlaggeschip van Dom Lourenço over­vaart enige in de rivier­bodem geslagen palen en maakt daar­door zoveel water dat het dreigt te zinken. Tot over­maat van ramp wordt Dom Lourenço kort daarna ernstig ge­wond, doordat een zware kanonskogel zijn bovenbeen treft. Hij geeft op­dracht de wond te verbinden, maar hij is te zwaar gekwetst om op de been te blijven. Hij laat zich daar­om aan de hoofd­mast van zijn kraak binden en blijft, met schier bovenmense­lijke kra­cht, zijn manschappen aanmoedi­gen. Na ver­loop van tijd wordt hij opnieuw door een zware kanons­kogel getrof­fen. Deze verbrijzelt zijn rug. Terwijl hij sterven­de is, enteren de Moren zijn vlaggeschip, dat spoedig daar­na zinkt. Slechts 19 bemanningsleden daarvan over­leven de strijd. Zij worden gevan­genge­nomen en naar Cam­bay gezon­den. `Sommigen’ schrijft Barros ` zijn dodelijk gewond, maar hopen in leven te blij­ven’. Een van hen is de scheepsjongen André Fern­andes, die zich twee dagen lang geheel alleen vanuit een van de man­den van het kraaienest verdedigd heeft en die door zijn gevangenne­ming aan de hongerdood ontsnapt. Onder de gesneu­vel­den be­vindt zich de beroemde loods voor de vaart op Indië Pero Eanes, bijge­naamd o Gu­anchino, die zijn erva­ringen heeft opge­no­men in zijn Regi­mento do Cruzeiro do Sul. Het overlij­den van Lou­renço de Almeida en het verlies van het vlagge­schip is voor de Portu­gese kapiteins aanlei­ding het gevecht af te breken. Zij weten uit de haven van Chaul te ontkomen en keren recht­streeks terug naar Cochin.

Bij de strijd zijn 140 Portugezen omgeko­men, terwijl bijna eenzelf­de aantal gewond is ge­raakt. Mir Hocem heeft ook zware verliezen geleden, maar de overwin­ning is aan hem, hetgeen het aanzien van de vloot van de Egypti­sche sultan enorm doet stijgen en bij de moslims in Malabar de hoop doet herleven dat de Portugezen geheel uit Indië kunnen worden verdreven, als de moslims over een militaire uitrus­ting kunnen beschikken, die gelijkwaardig is aan die van de Portugezen.

3.6. Dom Francisco de Almeida en Afonso de Albuquerque

Categorieën
Portugees kolonialisme

De kust van Oman en de aanval op Ormoez (1507-1508). De verrichtingen van Afonso de Albuquerque, Tristão da Cunha en Dom Francisco de Almeida

Deel 4 Index

Hoofdstuk 3

De verrichtingen van Afonso de Albuquerque, Tristão da Cunha en Dom Francisco de Almeida

3.4 De kust van Oman en de aanval op Ormoez (1507-1508)

Geschreven door Arnold van Wickeren

Albu­quer­que, die tot taak heeft het garnizoen op Socotra te bevoorraden, vertrekt dezelfde dag, na de mos­keeën op Socotra hun bezittingen te hebben ontnomen en deze aan de ker­ken te hebben geschonken. Hij wordt verge­zeld door de kapi­teins­ Francisco de Tavora, João da Nova, Manu­el Teles Barreto, Afonso Lopez da Costa en António do Campo. Hij beseft dat zijn strijdmacht van vijf kraken en een kar­veel, waarop zich 460 ma­tro­zen en solda­ten bevinden, niet sterk genoeg is voor operaties tegen Aden en Jeddah en begeeft zich op weg naar Ormoez, omdat hij beseft dat het bezit daarvan de Portugezen de controle over de scheep­vaart van en naar de Perzische Golf verschaft. Vanaf Farta­que (R_’s Fartak), aan de zuid­kust van het Ara­bisch schier­eiland, houdt hij een oostelijke koers aan. Hij passeert Dofar (Zuf_r) en de Kuria Muria eilanden, waar de gebroeders Sodré zo jammerlijk zijn omge­komen en waar zijn eigen eskader maar ter nau­wernood aan schip­breuk ont­snapt. In de haven van R_’s al-Hadd worden dertig tot veertig vissers­schepen uit Ormoez, Kalh_t en andere plaatsen in brand gestoken. Het eskader zeilt, op weg naar Ormoez, de Golf van Oman bin­nen en gaat voor anker bij Calai­ate (K­alh_t), gele­gen tussen Ra’s al-Hadd en Muscat; een mooie en sterke stad en een belangrijke stapel­plaats in de handel op Indië. De vreem­delingen worden door de gozil (gou­ver­neur) van Kalh_t, dat afhankelijk is van Ormoez, vriendelijk beje­gend. Hij heeft er geen be­zwaar tegen een vazal van de koning van Portugal te worden, zelfs als men in Or­moez daartegen gekant zou zijn. Albuquer­que bevoorraadt in Kalh_t de vloot en staat erop voor de le­vens­midde­len te betalen, ofschoon de gozil deze wil schenken. Albuquerque ontdekt in de haven een schip uit Aden en laat het nemen. Na interventie van de gozil geeft hij het schip tegen een losgeld terug aan de eigenaar. Albu­quer­que ver­laat het gastvrije Calaiate op 22 augustus en bevindt zich spoedig voor Curiate (Kuriyat).

De Moren in deze stad weigeren iedere vorm van contact en geven blijk van een vijandige houding. Albu­querque besluit, na met zijn kapiteins overlegd te hebben, daarom de stad te verwoes­ten. Curiate is op een aanval voorbereid; er zijn op de kust palis­saden opgericht, waar­achter zich vele boog­schutters bevin­den. De verdedi­gers hebben ook de beschik­king over vier grote mortieren. Na eerst een beschie­ting te hebben uitge­voerd, vestigen de Portugezen een klein brug­gehoofd op een eilandje voor de kust. De volgende morgen bestormt Albu­querque met zijn mannen een van de bolwer­ken en neemt het in, waarbij alle mannen, vrouwen en kin­de­ren die worden aangetroffen, gedood worden. Hiermee is de tegen­stand gebroken. Albu­querque fortificeert zich in het veroverde bolwerk, zet wach­tposten uit, om het achter­land te bewaken, laat zijn vlag op de koepel van de moskee hij­sen en geeft zijn mannen opdracht voorraden voor de vloot te verzamelen. Nadat de stad grondig geplun­derd is, wordt zij in brand gestoken. Curiate brandt tot de grond toe af. Ook de moskee wordt een prooi van de vlam­men. De Portu­gezen ma­ken 25 stuks artillerie en een grote hoeveel­heid bogen, pijlen, lansen en andere wa­pens buit en zij ste­ken 38 grote en kleine vaartui­gen in brand. Van de gemaak­te gevan­ge­nen worden de oren en de neus afge­sne­den, waarna zij naar Ormoez worden gezonden, om te laten zien welk lot degenen wacht die zich tegen de Portugezen verzetten.

Voor Muscat (Masgat), de belangrijkste plaats aan de kust van Oman, aangekomen, wordt het eskader opgewacht door twee Moor­se edellie­den. Zij vragen Albu­querque, namens de bestuurders van de stad, Muscat geen kwaad te doen, om­dat zij bereid zijn vazallen van de koning van Portugal te wor­den. Omdat het tweetal geen geloofsbrieven kan tonen, zendt Albuquer­que hen weg, met de boodschap de volgen­de dag daarmee terug te komen. Als zij daags daarna terug­ke­ren, zeggen zij de schatting die tot nu toe aan de koning van Ormoez is afgedragen, voortaan te willen betalen aan de koning van Portugal. Zij stemmen erin toe de vloot te be­voor­raden, maar zij weigeren dit te blijven doen, zolang de Portu­gese schepen voor Ormoez liggen. Albuquerque, die het niet ontgaan is dat de stad zich op een aanval heeft voorbereid, ontsteekt in woede, waarop de gezanten aan al zijn wensen tegemoet zeggen te willen komen. De volgende dag worden grote hoeveelheden voedsel aangevoerd, maar de dag daarop ontvangen de Portugezen niets meer. Spoedig wordt duidelijk wat daarvan de oorzaak is. ‘s Nachts zijn versterkingen aangevoerd. Vanuit het binnenland zijn niet minder dan 10.­000 man gearriveerd, om de stad te verdedi­gen. De Moren achten zich sterk genoeg, om de Portugese pressie te weer­staan. Albuquerque dirigeert twee schepen zo dicht mogelijk bij de stad en laat Muscat bombarde­ren, vooruitlopend op een voorgenomen aanval.

Nog voor het aanbreken van de dag landen aan weerszijde van de palissaden twee compagnie­ën; de een geleid door Albu­querque zelf en de ander door Francisco de Tavora en Afon­so Lopez da Costa. Ofschoon de Moren zich met grote felheid verdedigen, moeten zij tenslotte wijken, voor de her­haalde aanvallen van de Portugezen. Zij laten hun stellin­gen aan de aanvallers en vluchten de stad in, waar zij spoe­dig uit wor­den verdreven. Terwijl de verdedigers Muscat ontvluch­ten, wor­den zij achtervolgd door de Portugezen, die iedereen doden, onverschillig of het om mannen, vrouwen of kinde­ren gaat. De aanvallers keren terug naar de stad, waar zij ook de achterblijvers, zonder te letten op geslacht of leef­tijd, met het zwaard doden. Als de stad geplunderd is en het bevel haar in brand te steken reeds gegeven is, ver­schijnt een Moor met een witte vlag. Hij belooft de vol­gen­de mor­gen met 10.000 xerafim terug te keren, als de stad niet wordt verwoest. Omdat hij niet op tijd terugkeert, laat Albu­querque Muscat in de as leggen. Ook de moskee en alle schepen in de haven ondergaan dit lot. Enige gevangen­ge­nomen mannen en vrouwen worden in vrijheid gesteld, nadat zij dezelfde behan­deling hebben ondergaan als de gevange­nen van Curiate. Hierna keren de Portugezen terug naar hun schepen.

De volgende plaats is Sohar (Suh_r), een van de rijkste en belangrijkste handelsplaatsen aan de kust. Bij Sohar ligt een fort, met een bezetting van meer dan duizend man. Deson­danks onder­werpt de stad zich onvoorwaardelijk, waarop de vlag van koning Manuel op de citadel wordt gehesen. De alcaide vraagt of de Portugezen het garnizoen willen voeden en betalen, nu het zich aan de koning van Portugal onder­worpen heeft. Albuquerque stemt hiermee in en staat toe dat de jaarlijkse te betalen schatting wordt aangewend voor betaling van het garnizoen. Daarna zeilt de vloot naar de stad Or­facão (Khau-Fak_n), de haven van waaruit Arabische paarden worden verscheept. De bewoners van de stad para­deren krijgs­haftig langs het strand en geven geen enkel teken zich te willen onder­wer­pen. De daarop volgende ge­beurte­nissen wijken nauwe­lijks af van die in Curiate en Muscat. Orfacão, wordt drie dagen lang geplunderd en on­dergaat uiteindelijk hetzelfde lot als voor­gaande steden die zich niet wilden onderwerpen. Haar gevangengenomen inwo­­ners worden op de gebruikelijk barbaar­se wijze be­han­deld. Orfacão krijgt een voor de stad zeer onvoorde­lig ver­drag opge­dron­gen. Tijdens de plundering van Orfacão verne­men de Portugezen dat zich in deze stad een oude Moor, die veel weet over het leven van Alexander de Grote, zou bevinden. Albu­quer­que is van mening dat kennis van de ervaringen van deze grote ver­overaar voor de Portugezen van nut zou kun­nen zijn. Onder het voorwendsel belang­stel­ling te hebben voor het leven van Alexan­der, hoort hij de oude Moor uit. Op zeker mo­ment haalt deze vanonder zijn kleding een in kar­mijnrood fluweel gebonden boek te voor­schijn en geeft het de kapi­tein-ma­joor. Het is een in het Perzisch geschre­ven boek over de veroveringstocht van Alexa­nder. Blij met het boek, schrijft Albuquer­que aan zijn zoon, dat hij het bezit daarvan als een gunstig voorteken voor de verovering van Ormoez be­schouwt.

Na water en voorraden te hebben ingenomen, zeilen de sche­pen naar Ormoez, een van de belang­rijkste handels­ste­den ter wereld, waar produc­ten uit geheel Azië wor­den verhandeld. Albuquerque arriveert daar met zijn eskader op 25 september 1507. Als zijn kapiteins de grote stad, de talrijke schepen in de haven en de vele ruiters op de kust zien, slaat de schrik hun om het hart. Zij laten Albu­querque weten dat zij een aanval een te gewaagd avontuur vinden. Het Portugese eska­der wordt, nadat het de haven is binnen­gevaren, om­ringd door zestig schepen. Een daarvan, de Meri, meet 1.000 ton en behoort aan de koning van Cam­bay. Een ander schip, dat 600 ton meet, is van de prins van Cambay. Op alle Moorse schepen bevin­den zich grote aan­tallen solda­ten, bij elkaar 2.500 man, terwijl de schepen uitgerust zijn met artillerie. Daarnaast ligt er een vloot van 200 galeien, die even­eens zijn voorzien van artille­rie. Voorts liggen er in de haven terra­das (kust­vaartui­gen), bewapend met klein geschut en boog­schut­ters. Bovendien zijn er op het eiland 15.000 tot 20.­000 solda­ten gelegerd. De kapi­teins blijven zich waar­schijnlijk tegen een aanval uitspreken, maar hun commandant weet pre­cies wat hij wil en heeft geen behoef­te aan goede raad. Zijn tegenstribbelende kapiteins beloven Albuquerque evenwel te zullen vechten, als dit nodig zou zijn. Albu­querque geeft hen daarop op­dracht hun schip in een voor de aan­val gun­stige positie te man­oeu­vreren­.

De troon van Ormoez wordt bezet door koning Ceifa­dim (Sayf ed-Dîn), een jongeling van onge­veer twaalf jaar. De feitelijke macht is in handen van zijn oom, regent Coja Atar (Khâdjeh ‘Attâr), een moedig, be­kwaam en listig man. Hij heeft de komst van de Portugezen niet afge­wacht, om maatregelen ter verdediging van Ormoez te tref­fen. Er zijn troe­pen aangevoerd uit alle naburige pro­vincies; Perzen en Ara­bieren en huurlingen uit vele landen, waaron­der vele ruiters en 4.000 Perzi­sche boog­schut­ters, allen klaar om de strijd met de Portugezen aan te gaan. Coja Atar beschikt daar­naast nog over hulptroepen op het vaste­land, waarmee de totale omvang van zijn strijdmacht op 30.000 man komt.

Albu­querque gaat, als zijn eskader de haven is binnengeva­ren, niet direct tot de aanval over. Hij wil eerst trachten de stad zonder strijd in handen te krijgen. Hij laat de gezant van Ceifadim, die komt vragen waarom hij de haven bezoekt, weten dat koning Manuel Or­moez be­scher­ming aan­biedt tegen beta­ling van een forse schat­ting. Hier­aan wordt het dreige­ment toege­voegd dat bij weigering alle schepen in de haven zullen worden verwoest en dat de stad met behulp van de wape­nen zal worden ingenomen. De koning roept zijn adviesraad bijeen. Coja Atar vraagt de koning de onder­hande­lingen met de Portugezen te vertra­gen, omdat hij nog dezelf­de dag de aankomst van een vloot met versterkingen van de nabijgelen Perzische vaste wal verwacht. Ceifadim zendt op­nieuw zijn afgezant naar Albuquerque en laat hem vragen waar­om Albuquerque zoveel steden aan de kust van Oman ver­woest heeft en hun inwo­ners heeft gedood. De kapitein-majoor maakt uit deze en de vele andere vragen die de gezant stelt op dat Ceifadim tijd wil rekken. Zijn kapiteins weerhou­den hem nog eenmaal van een aanval, maar als in totaal drie dagen gewacht is op een definitief antwoord van Ormoez, besluit Albuquer­que tot de aanval over te gaan.

Bij het och­tendkrie­ken geven de Portugezen de Meri, het schip van de prins van Cambay, en een schip dat toebe­hoort aan Melique Iaz van Diu met al hun boordgeschut de volle laag. Albuquer­que boort zijn schip in de Meri. Zijn mannen gaan­ aan boord van het aangevallen schip en do­den vele Moren. Veel andere Moren springen overboord, om te ont­snappen aan het Portugese vuur. Daarop strijken de Portuge­se kapi­teins sloe­pen, van waaruit de overboord gesprongen Moren gedood worden. Er worden nog veel andere schepen door de Portugezen geno­men of ver­woest, terwijl de stad gebombardeerd wordt. In de mid­dag is de vijandelijke vloot vrijwel geheel vernietigd. Albu­querque zendt dan detache­menten aan land, die de buiten­wijken van de stad en de vele vaartuigen op het strand in brand steken. Na acht uur vech­ten is de strijd beslist. Coja Atar, bevreesd voor zijn toe­kom­st, roept de staatsraad bijeen. Hierin wordt de beslis­sing geno­men zich aan de voorwaar­den van de Portugese admi­raal te onder­werpen. In naam van de jonge koning wordt om een staakt het vuren ver­zocht, waarna er onder­handelingen beginnen. Albuquer­que eist aanvankelijk een jaarlijkse schatting van 30.000 xer­afim, terwijl de koning bereid is 6.000 van deze goudstukken te beta­len. Beide partijen vinden elkaar op een bedrag van 15.0000 xerafim, waarvan een derde deel wordt aangewend om het Por­tu­gese eskader te be­voorra­den. De handelswaar die de Portu­gezen in Or­moez aanvoeren zal niet worden belast en zij zullen voor in Ormoez gekochte goede­ren niet meer belas­ting betalen dan de inwoners van de stad. De afspra­ken worden in een ver­drag, gedateerd sep­tember 1507 vastge­legd. In bladgoud gegraveerde afschriften in het Ara­bisch en in het Perzisch, voorzien van gouden zegels van koning Ceifadim, Coja Atar en de stad Ormoez, worden verpakt in zilveren cassettes, die door Albuquerque aan koning Manuel worden gezonden.

Albuquerque bevestigt koning Ceifadim, Coja Atar en ande­re be­stuur­ders in hun positie, om het koninkrijk in naam van koning Manuel te besturen. Op maandagmorgen 10 oktober wordt, met groot ceremonieel, aan koning Ceifadim een satijnen witte vlag met het kruis van Christus overhan­digd, ten teken van zijn vazaliditeit aan de koning van Portugal. De vlag wordt door de straten van de stad gedragen en daarna op het koninklijk paleis gehesen. Nu de vrede is getekend, verleent koning Ceifadim Albuquerque een offi­ciële audi­ntie. De koning geeft de kapitein-majoor een gouden gor­del, een met goud versierde degen, een rijk ver­sierd paard en twee stukken met juwelen bezet brokaat, terwijl de kapiteins en de fidalgos ieder een lap zijde ont­van­gen. Van­af dat moment mogen de Portugezen zich vrij in de stad bewegen. Albuquer­que benoemt Martim Vaz tot in­spec­teur die, geholpen door twaalf man, erop toe moet zien dat de Portugese matrozen en soldaten zich in de stad niet mis­dragen.

Albu­querque vraagt toe­stem­ming, op een strategisch punt, een fort te bouwen, `dat de Portugezen bescher­ming moet bieden’. Coja Atar gaat hiermee akkoord en biedt lokaties op Ormoez, op het eiland Kish­m of bij Xaband, op het vaste­land van Perzië. Albuquerque kiest voor het punt Morona op Or­moez. Coja Atar zorgt voor de noodzake­lijke metselaars en materia­len en op 24 okto­ber 1507 wor­den de funderin­gen gelegd. In het portaal van de toren van het fort, dat de naam Nossa Senhora da Vitória ontvangt, worden de stenen an­kers van de Meri ingemetseld, als herinnering aan de grote over­win­ning die de Portugezen hebben behaald. Terwijl de bouw van het fort snel vordert, omdat daarbij de Portugese matro­zen en soldaten, onder toezicht van de scheepskapi­teins, wor­den ingeschakeld, wordt Pero Vaz de Orta naar de stad gezonden, om daar een factorij te openen. Albuquerque geeft hem opdracht de door de Portugezen aangevoerde han­dels­wa­ren goedkoop aan te bieden, om goodwill bij de Moren te kweken.

Albuquerque laat zijn schepen krengen en opkalefateren, maar om­dat hij Coja Atar niet echt vertrouwt, legt hij slechts één schip op en houdt de andere vijf in de vaart. Op zekere dag informeert Reys Nordim, gezant van koning Ceifa­dim, de kapitein-majoor over de aankomst in Ormoez van een kapi­tein van `sjeik’ Ismael van Perzië, die de jaarlijkse schat­ting komt ophalen, die de koning van Ormoez zijn suze­rein ver­schul­digd is. De koning laat Albuquerque vragen wat te doen. Deze vertelt Reys Nordim precies welke boodschap Ceifa­dim de Perzische kapi­tein aan zijn vorst, `sjeik’ Ismael, dient te laten over­brengen. De bood­schap luidt: het konink­rijk Ormoez behoort thans aan de koning van Portugal, w­ant zijn man­nen en wapenen hebben de stad ver­overd. Koning Manu­el, zijn heer, heeft hem in het bezit van zijn konink­rijk gelaten. Als hij schatting aan sjeik Ismael zou betalen dan zal ko­ning Manuel een ander, die niet bang voor sjeik Ismael is, als koning van Ormoez aanwijzen. Er dienen aan de Perzi­sche gezant enige kanonskogels en granaten gegeven te worden, met de bood­schap dat dit het soort schatting is dat de kapiteins van de koning van Portu­gal beta­len. Zodra het fort gereed is, zullen enige plaatsen aan de Perzi­sche kust geno­men worden.

Albuquerques dringende advies wordt opgevolgd en hij be­loont Reys Nordim, Coja Atar en drie Moorse adviseurs van koning Ceifa­dim daarvoor met geschenken. Hij geeft ook de Meri terug en laat een aantal gevangenen vrij, onder wie dienaren van Coja Atar. Dan meldt zich een Moorse kapitein, wiens onge­laden schip door Coja Atar in beslag genomen en bewa­pend is. Hij vraagt, onder overlegging van een hem door Dom Lourenço de Almeida verstrekte cartaz, terug­gave van zijn schip. Albuquerque stemt hiermee in en geeft de Moorse kapitein een brief mee voor de onderkoning, waarin hij deze van de stand van zaken voor Ormoez op de hoogte brengt en hem om versterkingen vraagt. Albuquerque onder­streept de nood­zaak daarvan door de onderkoning erop te wijzen dat hij zijn brief heeft meegegeven met een Moors schip, omdat hij geen schip kan missen.

Voor de matrozen en soldaten is het een hard gelag, zonder na een reis van anderhalf jaar op verhaal te zijn gekomen, direct met de bouw van een fort te moeten beginnen. Als na drie maan­den het fort in januari 1508 zijn voltooi­ing nadert, is het moreel sterk gedaald. Het zware werk heeft iedereen­ uitge­put. De kapi­teins mop­peren vooral, omdat koning Ma­nuel niet expliciet op­dracht heeft gegeven tot de verove­ring van Ormoez en de bouw van een fort aldaar. Zij wijten hun ge­zwoeg en dat van hun man­nen aan de buiten­sporige eer­zucht van hun comman­dant. Wat de kapiteins ook steekt, is dat zij niet op rooftocht gaan voor de ingang van de Rode Zee, het­geen hun veel buit zou hebben opgele­verd, in de vorm van met peper geladen Arabische schepen.

Als Albuquerque zijn kapiteins en andere fidalgos de keuze voorlegt de Portugese positie bij Ormoez veilig te stellen, door het fort af te bouwen, of op rooftocht te gaan bij Kaap Gu­ardafui, kiest alleen Jorge Barreto, met Albuquerque, voor het eerste. Er ontstaat een sfeer van insubordinatie als de ­ capitão-mor zijn brief aan de onderkoning vertrouwelijk aan António do Campo laat lezen en deze niet alleen Coja Atar van de in­houd op de hoogte brengt, maar ook de andere kapiteins en fidalgos daarvan in kennis stelt en daarbij van zijn eigen ongenoegen blijk geeft. Als blijkt dat Albuquerque niet naar zijn kapiteins wil luiste­ren, stellen zij de reeds genoemde en nog veel meer be­zwaren op schrift en over­han­di­gen hun com­mandant de protest­brief. Albu­quer­que ver­sch­eurt de brief, na hem te hebben gelezen, voor hun ogen. Enige tijd later volgt een tweede protest­brief, die niet door João da Nova is onderte­kend. De ca­pitão-mor metselt de brief, zonder hem te heb­ben geopend, onder de dorpel van de deur die toegang geeft tot de toren van het fort. De kapi­teins zijn daarover zo woedend dat zij tegen­over hun beman­ningen lucht geven aan hun ergernis en de matrozen zeggen dat Albuquerque hen niet hun aan­deel in de van Ormoez ontvangen schatting heeft gegeven. Hierbij stellen zij ten onrechte schatting die de koning toe­komt gelijk aan te ver­delen buit. Bovendien brengen de kapiteins het ver­haal in omloop dat hun com­mandant erop uit is zelf de troon van Ormoez te bestijgen.

Wanneer Albuquerque verneemt wat er gaande is, tracht hij de kapiteins te kalmeren door een afschrift van zijn door António do Campo ge­wraakte brief aan de onderkoning toe te lichten. De kapiteins beweren dat het getoonde afschrift vals is. Daarop laat Albuquerque zijn onderofficieren zijn van koning Manuel ontvangen instructies zien. Hij belooft hun ook dat hij het geschil over eventuele verdeling van de sc­hat­ting aan de onderkoning zal voorleggen. De on­derof­fi­cieren geven te kennen niet te willen werken of te vechten, zolang zij hun aandeel niet ontvangen hebben. De sfeer van opstan­di­gheid is nu zodanig dat Francisco de Tavora dreigt de vloot te zullen verlaten. Albuquerque ontheft Tavora van het com­mando over zijn schip en benoemt Diniz Fernandes de Mello tot kapitein van de Rey Grande. Bovendien gelast hij de kapi­teins aan boord van hun eigen schip te blijven en niet meer aan land te gaan.

Coja Atar, toch al goed op de hoogte van hetgeen zich aan boord van de Portugese schepen afspeelt, wordt geïnformeerd over wat er gaande is door vier Portugese deserteurs. Zij vertellen hem dat Albuquerque over niet meer dan 460 man beschikt en dat hij van plan is, daarbij gesteund door het Por­tugese garni­zoen, de stad te veroveren en zichzelf tot ko­ning van Ormoez uit te roepen, zodra het fort gereed is. Coja Atar, die spijt heeft toestem­ming te hebben gegeven voor de bouw van een fort, omdat hij daardoor in een afhan­kelijke positie zal komen te verke­ren, legt de bouw stil. Factor Pero Vaz de Orta vertelt Albu­quer­que dat in Ormoez het gerucht gaat dat het garni­zoen in het fort zich opmaakt om de stad te verove­ren. Albuquerque vraagt Coja Atar de vier deser­teurs uit te leveren. Coja Atar belooft dit te zullen doen, maar breekt zijn belofte. Gaspar Rodrigu­ez, de tolk, keert met het ver­haal terug dat er aan weerszij­de van de factorij barricaden wor­den opgeworpen. Hierop trekt de kapitein-majoor al zijn man­nen uit de stad terug. De vijf kapi­teins, die enkele dagen eerder nog hebben gepleit voor een aanval op Ormoez, als de deserteurs niet zouden wor­den uitgele­verd, verzetten zich daar thans tegen. Zij leggen hun mening vast in een document, dat zij allen onder­teke­nen, om kort daarna hun excu­ses daarover aan te bieden.

De volgende dag wordt door alle schepen een bombarde­ment op Ormoez ingezet, dat twee dagen aanhoudt en dat vele gebouwen in Ormoez verwoest. Het bombardement is zo hevig dat grote stukken geschut door het onophoudelijke vuren in stukken uiteenspatten. Dan wijzigt Albuquerque zijn tactiek. Hij wil met een blokkade verhinderen dat Ormoez vanaf de vaste wal bevoorraad wordt, op welke bevoorra­ding de stad geheel is aangewe­zen. Albuquer­que, die ont­dekt heeft dat Ormoez haar water betrekt uit een bron bij Turum­bake, aan de kop van het eiland, laat de bewakers van de bron over­vallen en doden. De overvallers gooien de lijken in de bron, om deze onbruik­baar te maken en keren dan naar de vloot terug. De toe­stand in Ormoez wordt door de blokkade zo ernstig dat de bewoners de koning smeken de vier Portu­ge­zen uit te leve­ren, als de stad daar­door voor ver­dere ramp­spoed ge­spaard blijft. Ceifadim zoekt contact met Albuquer­que, die van hem eist dat het fort aan de ko­ning van Portu­gal wordt teruggegeven en dat de in de facto­rij achter­ge­la­ten koop­waar wordt vergoed. Coja Atar hoopt het met Albu­quer­que geslo­ten verdrag, dat voorziet in de bouw van het fort, tegen betaling van zilver, te kun­nen wijzi­gen. Ceifa­dim wijst overdracht van het fort daarom af en laat Albuquer­que weten dat hij zoveel geld kan krijgen als hij wil, als hij afziet van het fort. Albuquerque zet hierop de oorlog voort.

Op zekere dag geeft Albuquerque João da Nova bevel met een aantal van zijn mannen op het vasteland van Perzië een opdracht uit te voeren. De betrokkenen weigeren het bevel te gehoorzamen. Hierop begeeft Albu­quer­que zich, geëscor­teerd door manschappen van de Cirne, in een sloep naar het schip van João da Nova, dat Flor de la Mar zou heten, het­geen moeilijk te rijmen valt met het gestelde aan het einde van pagina 155. Als blijkt dat João da Nova ook nog con­tacten met de vij­and onder­houdt, wordt hij gear­res­teerd. Het pro­bleem is echter dat vrijwel al zijn bemannings­le­den op­standig zijn. Omdat zij niet gemist kun­nen wor­den, komt Albuquer­que aan hun grieven tege­moet, door hun een aan­deel in de ont­vangen schatting uit te beta­len. João da Nova wordt ook in zijn oude functie hersteld. Albuquer­ques be­zoek aan het schip van João da Nova heeft geleid tot een hevig twist­ge­sprek, dat ontaard is in een luide sch­reeu­wpar­tij, die de aan­dacht heeft getrokken van de mos­lims in de stad. Daar­op hebben mos­lims op de kade de Portugese be­vel­heb­ber uitge­jouwd en beledigd, het­geen tot een inci­dent tussen enige jeugdige Moren, die hun landge­no­ten hadden opge­hitst, en een aantal Portugese zee­lieden heeft geleid. Het voorval, dat het Portugese prestige aantast, is niet bevor­der­lijk voor het herstel van de vrede.

Terugkerend van een geslaagde expeditie naar Kishm, waar de vloot water en levensmiddelen heeft ingeslagen, wordt tegenover het eiland Larack een grote vloot ontdekt. De kapi­tein-majoor zendt daarop de kapiteins Afonso Lopez da Cos­ta, Manu­el Teles Barreto en António do Campo op de vloot af. Zodra de Portugese schepen naderen, vlucht de vijandelij­ke vloot weg en gaat bij Larack voor anker. Later blijkt dat het om een vloot van zestig schepen ging, met 4.000 man aan boord, die op verzoek van Coja Atar de wa­terwinplaatsen rond Ormoez moesten beveiligen. De drie kapiteins keren niet bij de drie andere schepen terug. Zij blijken, na voedsel en water te hebben ingenomen, gede­ser­teerd te zijn naar Indië. Enige dagen later heft Albuquer­que het beleg van Ormoez op, om zich naar Socotra te begeven. Vlak voor zijn vertrek laat koning Ceifadim weten dat hij de vriendschap met hem wil vernieuwen, maar dat hij de vier deserteurs niet kan uitleveren, omdat zij inmid­dels zijn `broe­ders’ zijn ge­worden. Albuquerque gaat niet op het aanbod in, maar antwoordt de koning te zullen af­zetten bij zijn te­rugkeer. Hij zal dan het fort doen afbouwen en de koning dubbel voor de aangerichte schade laten betalen. Daarop zeilt hij met João da Nova en Francisco de Tavora naar het eiland Socotra.

Het is de bedoeling dat João da Nova uiteindelijk zal door­va­ren naar Indi­, want hij heeft een brief bij zich, waarin de onderko­ning wordt geïnformeerd over het ver­raad van de drie kapi­teins en het be­dwingen van de muiterij op de Flor de la Mar. Afonso de Albuquer­que laat Dom Francis­co de Almeida ook weten dat Or­moez zijns inziens de jaarlijkse schat­ting van 15.000 xer­afim zal blijven beta­len. Tenslotte deelt hij de onderkoning mee bij Socot­ra te zullen overwin­teren. Op weg naar Socotra mist Albu­querque bij Sohar de Flor de la Mar, waaruit hij concludeert dat João da Nova ken­nelijk ook gede­serteerd is. Hij neemt aan dat João de Nova zich ook naar Indië be­geeft. Albuquerque zeilt de Golf van Aden binnen en kaapt daar een zeer rijk geladen schip dat uit Mekka komt. In het fort op Socotra blijkt de situatie slecht te zijn. De ca­pitão is ernstig ziek en er is zo’n tekort aan voedsel dat de solda­ten palm­bladeren eten. Op dat moment moet Albuquer­que al gecon­cludeerd hebben dat Socotra beter prijsgegeven zou kunnen worden, omdat het eiland een zeer slechte plaats is voor een mili­taire basis. Hij voorziet het garni­zoen van levensmidde­len en zendt vervol­gens Francis­co de Tavora naar Malindi, met de op­dracht daar meer voed­sel voor Socotra te gaan halen. Als Tavora het voedsel naar Socotra heeft gebracht, dient hij zich bij Albuquerque, die voor Kaap Guardafui kruist, te voegen.

De drie voor Ormoez gedeserteerde kapiteins zeilen naar Cochin; zij willen zich bij onderkoning Al­meida bekla­gen over het optreden van hun commandant, Afonso de Albu­querque. Voordat aandacht gegeven wordt aan hun aankomst ­in Cochin, de reactie van de onderkoning op hun klachten en de daarop volgende gebeur­tenissen, worden eerst de ont­wikke­lingen besproken die zich in Indië hebben voor­gedaan tijdens het verblijf van Albu­quer­que voor Ormoez.

3.5. De zeeslag voor Chaul (1508)

Categorieën
Portugees kolonialisme

Hoja (Angoche), Brava en Socotra (1507). De verrichtingen van Afonso de Albuquerque, Tristão da Cunha en Dom Francisco de Almeida

Deel 4 Index

Hoofdstuk 3

De verrichtingen van Afonso de Albuquerque, Tristão da Cunha en Dom Francisco de Almeida

3.3 Hoja (Angoche), Brava en Socotra (1507)

Geschreven door Arnold van Wickeren

Tristão da Cunha en Afonso de Albuquerque zijn, nadat zij Moçambique verlaten hebben, naar Kilwa gevaren. In de haven van van deze stad treffen zij de Leitoa Nova van kapi­tein Lionel Coutinho, die in Kilwa de moesson heeft moeten afwachten. Een ander in de haven liggend schip heeft Pero Ferreira Fogaça naar Kilwa terug­gebracht. Fogaça is des­tijds tijdelijk door Nuno Vaz Perei­ra van zijn functie van capitão van Kilwa ontheven. Hij is nu op last van koning Manu­el naar zijn standplaats teruggebracht en de koning heeft tevens gelast Fo­gaça ter compen­satie 60.000 reis uit te betalen. Sultan Mikante verwelkomt Tristão da Cunha met veel ver­toon, omdat hij in de komst van de Portugese vloot een mo­gelijkheid ziet zich persoonlijk te verrijken en omdat hij met hulp van de Portu­gezen de strijd wil aanbin­den met een rivaal op het vaste­land. Deze rivaal is de sjeik van Hoja, of Oja, een stad met stenen huizen, open naar de zee, maar aan de land­zijde ommuurd. Vermoedelijk is Hoja de huidige ruïne-stad Ung­wana, bij de monding van de rivier de Tana. Da Cunha zendt de sjeik een boodschap, waarin hij hem voor­stelt vrede met de Portugezen te slui­ten, hetgeen erop neerkomt dat de sjeik zich aan hen en aan hun bondgenoot Malindi onderwerpt. De sjeik, Q_ns_h al-Ghawr_ geheten, die zich bij de Heilige Stoel beklaagd heeft over de piraterij van de Portugezen, antwoordt dat hij niets te maken wil hebben met hen die op wrede wijze vreedzame kooplie­den, die op wettige wijze in de Indische Oceaan handeldrij­ven, vervol­gen. Hij erkent slechts de kalief van Cairo als zijn opperheer.

Na raadpleging van zijn scheepsraad wordt besloten de trots van de sjeik van Hoja te breken en in de ochtendschemering van de volgende dag gaan, na een bombardement van de kust, twee compagnieën aan land, het ene onder leiding van Da Cunha, het andere onder bevel van Albuquerque. Zij rukken op naar de stad. Onderweg wachten de sjeik en zijn mannen de Portugezen bij een palmbosje op. Nadat deze hin­dernis uit de weg geruimd is, plunderen de Portugezen de stad. Om zijn plunderende manschappen na verloop van tijd te verzame­len, steekt Da Cunha de rieten daken van enkele huizen, die door hen geplunderd worden, in brand. De op buit beluste zeelieden laten zich daardoor niet storen, waar­door enkelen in de vlammen omkomen. Het zijn de enige Portuge­se slach­toffers van de aanval op Hoja. Daarna ankert de vloot voor Lamu. De sjeik, wetende wat er met Hoja is gebeurd, aan­vaardt de Portugese suzereiniteit. Hij belooft Portugese schepen met levensmiddelen te be­voorraden, als hem dit gevraagd zal worden. Hij zegt ook toe een jaarlijkse schat­ting van 600 mitkal goud te beta­len, terwijl hij de eerste schatting voldoet in Venetiaanse munten.

Het hiervoor besproken bezoek aan Kilwa, gevolgd door de aanval op Hoja, op verzoek van de sultan van Kilwa, en het bezoek aan Lamu zijn ont­leend aan Barros en Castan­heda. Cor­reia rept niet over een bezoek aan Kilwa, maar aan ­ Malindi en volgens hem levert de bevriende vorst van deze plaats, nadat Albu­quer­que hem heeft verteld Ormoez te willen veroveren, hem drie lood­sen die de kust van het Arabisch schiereiland goed kennen. De sultan van Malindi vra­agt de Portu­gese bevel­hebbers op te treden tegen zijn vijan­den Mombaça en An­goche. Het verloop van de strijd tegen An­goche vertoont zoveel overeenkomsten met de bespro­ken aanval op Hoja, dat het wel om één en dezelfde gebeurte­nis moet gaan.

Terwijl de vloot naar het noorden zeilt, worden twee sche­pen uit Cambay genomen. Vervolgens arriveert de vloot bij Brava, een prachtige stad met stenen gebou­wen, om­ringd door een lage stenen muur en een droge gracht, die geen haven heeft. Da Cunha zendt een van zijn kapiteins aan land, met de boodschap dat de Portugezen vrede willen, uiteraard op hun voorwaarden. De kapitein betreedt het strand, onder dekking van sloepen met boogschut­ters. Hij brengt zijn boodschap over aan een tolk, die vanuit de stad naar het strand is gezonden. Deze waar­schuwt hem dat zijn stadgenoten van plan zijn hem te doden. De kapitein weet op het nippertje terug te keren naar een van de sloepen. In de haastig beleg­de schee­psraad zijn de meningen verdeeld. Sommige kapi­teins willen het Portuge­se presti­ge hooghou­den door de stad aan te vallen. Andere kapiteins wijzen erop dat Brava een ommuurde stad is met veel inwoners, dat het de Portugezen ontbreekt aan belegeringswerktuigen en dat een landing op het open strand gevaarlijk is. Zij zijn bereid de ondergane belediging ongewroken te laten. Ondertussen hebben twee uit Calicut afkomstige in Brava wonende oude Moren de sultan van Brava zo indringend voor de macht van de Portu­gezen gewaarschuwd, dat deze enige notabelen verontschuldigingen laat aan­bieden voor het belagen van de Portugese kapitein. Voorts verzoeken zij om vrede en vriend­schap met de koning van Portugal. Da Cunha antwoordt dat Brava verwoesting bespaard blijft, als aan de koning van Portu­gal jaarlijks schatting wordt betaald. De sultan laat antwoorden dat zulks onder vrienden niet gebrui­kelijk is. Bovendien is hij gewend schatting te ontvangen van de degenen aan de kust die zijn vriendschap wensen te verwer­ven en heeft hij nim­mer aan enige koning schat­tin­g betaald. Da Cunha verlangt uiterlijk de volgende dag een meer bevre­digen­d ant­woord. De dag daarop keert een boodschapper­ terug, zonder definitief antwoord. Da Cunha, die het getreu­zel beu is, laat de boodschapper op een staak zetten en dreigt hem met een kanonskogel aan zijn nek in zee te laten gooien. De man bekent dat de sultan en zijn adviseurs inder­daad trachten tijd te winnen, omdat op elk moment de `Vara de Coromandel‘ kan opsteken, welke plotselinge zeer heftige moessonwind ieder schip op de rede van Brava verloren doet gaan. Da Cunha geeft daarop bevel de stad te be­stor­men. Hij wil de stad de volgende dag, voor de zon opkomt, bij verrassing innemen, maar als met sloepen troe­pen aan land worden gezet, vinden zij het s­trand be­waakt door een grote strijdmacht. Veel verdedigers worden gedood en de rest vlucht de stad in, op hun hielen gezeten door de aanval­lers. Bij de ingang van de stad bieden de Moren op­nieuw tegen­stand en doden vier of vijf Portugezen. Als deze ten­slot­te toch de stad binnendringen, raken velen ge­wond door ste­nen die de vrouwen van de dakterrassen op hen gooien. De Mo­ren verzamelen zich rond een moskee, maar de aanval op hen is zo hevig dat velen de stad ont­vluchten, gevolgd door vrouwen met huisraad. De Portuge­zen nemen het huis­raad af en doden ook veel vrouwen. Tenslotte worden alle Moren gedood die toevlucht in de moskee heb­ben gezocht. Tot zover het relaas van Correia. Cas­tan­heda deelt mee dat van de 4.000 Moren die de stad telt er 2.000 worden ge­vacu­eerd en dat de achter­blijvers zich zo dapper weren, dat van hen 1.500 man wor­den gedood en velen gewond raken, terwijl de Portuge­zen geen doden en maar enkele gewonden te betreu­ren hebben. Barros ver­meldt dat 6.000 gewapende Moren door een van de stads­poorten de stad verlaten, over het strand marcheren en via een andere poort de stad weer binnengaan. Bij een aanval die de vol­gende dag wordt on­dernomen, worden 24 Portugezen in het ge­vecht gedood en raken 70 ernstig gewond. Vast staat dat de Portugese be­stormers tegenstand hebben ontmoet en na deze overwon­nen te hebben Brava drie dagen lang geplunderd hebben, waarbij Da Cunha de verschillende straten aan zijn kapiteins heeft toebedeeld. De Portugezen tonen vooral belangstelling voor zilveren ringen, armbanden en oorringen en in hun haast deze te bemachtigen slaan zij hun slachtof­fers soms de vin­gers, armen of oren af. Tijdens de plunde­ring valt de moes­son in, waardoor het steeds moeilijker wordt de ver­gaarde buit in de sloepen naar de schepen te brengen. Een sloep, geladen met goud en zilver, met de hoofdgeestelijke aan boord, vergaat op weg naar het vlag­geschip. Hierbij verdrin­ken 18 man en zou alle buit verloren zijn gegaan. Dit laatste wordt door sommigen in twijfel getrokken. Tristão da Cunha, die van Brava zegt dat het de mooiste stad aan de kust was, vraagt Albuquerque, die lid is van de Orde van São Tiago, hem tot ridder te slaan. Hierna verheft Da Cun­ha op zijn beurt zijn zoon Nuno da Cunha en veel andere fidal­gos in de adelstand en geeft vervolgens op­dracht Bra­va aan de vlammen prijs te geven.

Ten noorden van Brava ontmoet de vloot van Da Cunha de São Vicente van Álvaro Teles Barreto, die – zoals reeds vermeld – zes schepen heeft buitgemaakt. Deze kunnen geheel met door Da Cunha geroofde zaken gevuld worden. De vloot gaat voor anker voor Mogadiscio, een andere ­ prach­tige stad met stenen gebouwen, die haar welvaart dankt aan haar handel­ in kleding, specerijen, goud, ivoor en gom met Aden en Cambay. Da Cunha zendt een kapitein naar de stad, om haar onder­werping aan Portu­gal te eisen. De kapi­tein, die wegens het Portugese optreden tegen Brava voor zijn leven vreest, laat zich vergezellen door een gevan­gene uit Bra­va, die als tolk dient op te treden. Plotse­ling ver­schijnt een aan­zienlijke legermacht, waaronder der­tig rui­ters, ge­kleed in maliënkolders. Voordat de bood­schap­per ook maar een woord kan uitbrengen, hakken zij hem in stukken. Da Cunha roept zijn kapiteins bijeen voor overleg. Omdat het inmiddels april is en de noordoostmoes­son heeft ingezet, moet de vloot voortmaken, om nog dit seizoen Socotra te kunnen berei­ken. Dus wordt van een aanval op Mogadis­cio afgezien.

Nadat de gecombineerde vloot van Tristão da Cunha en Afonso de Albu­querque eind maart 1507 Kaap Guardafui is gepasseerd, verlaten de schepen de Afrikaanse wate­ren. Zij vervolgen hun reis, tegen de opko­mende noordoostmoesson in, naar het eiland Socotra, gelegen ten oosten van Kaap Guardafui, ruim twee graden ten zuiden van de kust van Oman. De Portugezen menen dat Socotra be­wo­ond wordt door Jacobitische chris­tenen die de Abessijnse geloofsbelij­denis aanhangen. Zij veronderstellen dat deze christenen verheugd zullen reage­ren op een Portu­gese verovering van So­cotra, omdat zij daardoor verlost zullen wor­den van hun islamitische onder­drukkers. In werkelijkheid is de bevolking van Socotra zeer gemengd; naast christenen wonen er ook veel moslims. Zoals reeds vermeld is, wordt Socotra gezien als een geschik­te plaats voor het vestigen van een Portuge­se basis, om­dat vanuit Socot­ra zowel de uitgang van de Rode Zee, als de zuidkust van het Arabisch schiereiland gecontro­leerd kan worden. Spoedig zal blijken dat Socotra te ver van de Rode Zee af ligt, om de zee­vaart in de Straat van B_b al-Mandab effectief te kunnen contro­leren. Socotra wordt be­stuurd door de Mahr_-sultan van Qishm, een nabij­gelegen havenstad aan de kust van de ­Hadramaut. De sultan van Qishm heeft op Socotra een fort laten bou­wen bij Soco (S_k), twee mijl ten oosten van het huidige Hadibo. Hij heeft in dit fort een garni­zoen van 130 man gele­gerd. Deze troe­pen zijn afkomstig uit het nabij Qishm gele­gen stad R_’s Fartak. Zij worden aange­v­oerd door een neef van de sultan. Lood­sen uit Malindi en Bra­va, doen de vloot van Da Cun­ha voor anker gaan in de haven van S_k, de belangrijkste haven van het eiland. Vandaar zien de Portugezen het fort liggen op een kaap, waar­van men uitziet op S_k.

De Portugezen zijn zeer verrast een fort aan te treffen, com­pleet met versterkte muren en een donjon. Tristão da Cunha zendt Pero Vaz de Orta, met Gaspar Rodri­guez als tolk, om overgave van het fort aan de koning van Portugal te eisen. Bij weigering zal geen Moor het fort levend verla­ten. De eis wordt afge­wezen, waarna de voorbereiding van de aanval begint. De bedoeling is dat de Portugezen aan land gaan bij een palmbos, op korte afstand van het fort. De verdedigers doorzien de bedoeling en richten in allerijl een palissade op. Da Cunha voert, als afleidingsmanoeuvre, met een deel van de manschap­pen, toch ter plaatse een landing uit, terwijl Albuquerque een ander deel van de troepen­macht tegenover het fort aan land zet en zich daar een gevecht van man tegen man ontwikkelt. Hierbij worden de kapitein van het fort en verschillende anderen gedood. Daarop vluch­ten de overige Moren het fort in, of trachten te ontsnappen in de bergen. Bij de dan volgende aanval op het fort krijgt Albu­querque een zware steen op zijn helm, maar omdat hij niet bewuste­loos is, staat hij spoedig weer op zijn benen. De Portugezen dringen al vechtend de ingang binnen en klim­men ook over de muren, waarop de Moren zich naar de ingang van de donjon terugtrekken. Ondertussen hebben de mannen van Da Cunha de palissaden opgeruimd en drij­ven zij hun tegen­standers terug naar het fort. Als zij zien dat het fort omsin­geld is, vluchten ook zij de bergen in. Da Cunha biedt de circa 25 Moren in de donjon een veilige aftocht. Zij verwer­pen het aanbod en verzetten zich nog uren tegen de aanval­lers, totdat allen gedood zijn met het zwaard, op één man na. Hij heeft zich overgegeven en is gevangenge­maakt. Van de 130 Arabieren zijn er 80 (vol­gens Arabi­sche bron­nen 50) gedood. De Portugezen tellen acht doden. Er zijn maar enke­le gevan­genen ge­maakt. Een van hen is een loods; hij zal Albu­querque in de Perzi­sche Golf zeer van dienst zijn.

De volgende morgen trekken de overwinnaars naar de nabu­rige moskee, die veranderd wordt in een kerk, gewijd aan Nossa Senhora da Vitória. Hierin draagt Frei António do Loureiro, een franciscaan, de mis op. De stad S_k levert vrijwel geen buit op en de Portu­ge­zen laten uit veiligheids­overwegingen de vrouwen onge­moeid. Tristão da Cunha roept de christenen op naar S_k terug te keren. Zij betuigen Da Cunha hun dankbaarheid hen verlost te hebben uit hun slavernij. Priesters bekeren grote aantallen bewoners van Socot­ra tot de Romeinse geloofsbelijdenis. Tristão da Cunha laat het veroverde fort, dat São Miguel gedoopt wordt, versterken en legert er een garnizoen van 100 man, onder bevel van capitão Afonso de Noronha. Met het inrichten van een militaire basis op Socotra is voldaan aan een uitdrukkelij­ke wens van koning Manuel. We­gens de moesson kan de vloot niet doorzeilen naar Indië en moe­t maanden voor S_k blijven liggen. Pas op 10 augus­tus 1507 zeilt Da Cunha met vier schepen en 300 soldaten door naar Canna­nore, waar hij – zoals al ver­meld – op 27 augustus 1507 aankomt, juist op tijd om het al maanden belegerde fort daar te ont­zetten.

3.4. De kust van Oman; de aanval op Ormoez (1507-1508)