Categorieën
Portugees kolonialisme

Het verval van Ndongo en de opkomst van Matamba en Kasanje (1603-1641); Luanda bedreigd door de Hollanders. Angola en Kongo

Deel 14 Index

Hoofdstuk 1.

Angola en Kongo:

1.5. Het verval van Ndongo en de opkomst van Matamba en Kasanje (1603-1641); Luanda bedreigd door de Hollanders

Geschreven door Arnold van Wickeren

Gedurende de eerste helft van de zeventiende eeuw blijft de slavenhandel de belangrijkste activiteit van de volkeren van Angola. De voornaamste participanten zijn de Portugezen en de Mbundu. Het aandeel van Kongo in de handel is klaarblijkelijk dalende, terwijl het aandeel van de Imbangala toeneemt. Het gebied dat bij de handel is betrokken, heeft zich uitgebreid tot aan de Rio Kwango, maar blijft toch in hoofdzaak beperkt tot de regio’’s die de Portugezen bekend zijn. Later in de eeuw beginnen volkeren buiten de sfeer die de Portugezen kennen het Angolese netwerk van slavenroutes te voorzien van toenemende aantallen slaven en in de achttiende eeuw komen slavenkaravanen die grote afstanden afleggen een stijgende bijdrage leveren aan het aanbod van slaven. In de zeventiende eeuw, evenwel, en in het bijzonder in de eerste helft van de eeuw, zijn de slaven voor het overgrote deel Mbundu of zij zijn afkomstig van hun directe buren.

De Portugezen kennen drie methoden om slaven te verwerven. De eerste is de schatting die onderworpen aanvoerders betalen, hetzij aan een Portugese heer, hetzij aan de gouverneur als vertegenwoordiger van de Kroon. De tweede methode is die van directe oorlogvoering. Deze methode wordt officieel ontmoedigd, maar desondanks moedigen gouverneurs die maximale persoonlijke rijkdom willen verwerven van hun aanstelling in Angola voor een beperkt aantal jaren, oorlogvoering aan. Zulke oorlogen hebben soms een officieel doel, zoals de verovering van de veronderstelde zilvermijnen, maar zij worden ook wel gevoerd met het oogmerk zoveel mogelijk slaven voor de verkoop te verwerven. Het gebruikelijke excuus voor het beginnen van oorlog is het vangen van weggelopen slaven, of de bestraffing van belastingontduikers. Het derde en waarschijnlijk het belangrijkste middel om de slavenschepen te vullen is het handeldrijven met de Mbundu-aanvoerders. Deze handel wordt georganiseerd door markten te houden in Mbundu-gebied, waar de pombeiros naar toe gaan om slaven te kopen. Hoewel de eerste pombeiros Europeanen zijn, is de sterfte onder hen zo hoog, dat zij al spoedig worden vervangen door mestiços en door Afrikaanse slaven, die het vertrouwen van hun meesters genieten, als pombeiros te doen optreden. Deze derde methode hangt min of meer af van de medewerking van Afrikaanse heersers, in het bijzonder de Ngola, die beurtelings en misschien zelfs gelijktijdig strijd voert en handeldrijft met de Portugezen. In de vroege zeventiende eeuw valt de slavenhandel uiteen in twee fasen. In de eerste fase wordt zout en schelpen, evenals Europese snuisterijen en kralen gebruikt om palmkleding te kopen van de volkeren in de beboste streken van Noord- en Oost-Kongo. In de tweede fase wordt deze kleding, die het meest algemeen aanvaarde ruilmiddel in Angola is, geruild voor slaven. Pombeiros worden gezonden naar ‘Congo de Batta’, of ‘Congo and Batta’ in Battells terminologie, om kleding te kopen. Volgens Pedro Sardinha is deze handel in het eerste decennium van de zeventiende eeuw enorm geëxpandeerd.

Sardinha beschrijft de verschillende maten en kwaliteiten waarin stuks palmkleding worden vervaardigd. De beste soort wordt genoemd ‘gekleurde kleding’ en kost 640 reais per stuk. De kleding is hetzij geverfd, hetzij met gekleurde strengen geweven. Twaalf- tot vijftienduizend stuks van deze kleding, ter waarde van ongeveer acht miljoen reais, worden ieder jaar naar Luanda gebracht. De tweede kwaliteit kleding, ‘songa’ geheten, is geprijsd voor 200 reais per stuk en hiervan worden ieder jaar veertig- of vijftigduizend stuks, ter waarde van negen miljoen reais, aangevoerd. Een verdere dertig- tot veertigduizend stuks van de goedkoopste kleding, waard 100 reais, worden ook gekocht. Naast deze kleding uit Kongo wordt een aantal stuks kleding, genoemd ‘exfula’, geïmporteerd vanaf de Loangokust. Ieder jaar gaan daar twee of drie kleine vaartuigen naartoe om ladingen van zes- of zevenduizend stuks in te laden. Een zeldzamer en kostbaarder stuk Loango-kleding is de ‘ensaca’, waarvan slechts ieder jaar ongeveer 300 stuks, à 1.200 reais, worden verkregen. Battell heeft Loango bezocht in dezelfde tijd dat Sardinha zijn rapport heeft geschreven, en hij heeft een groot pakhuis met palmkleding van diverse soorten gezien.

Accurate schattingen van de aantallen in de eerste helft van de zeventiende eeuw uit Luanda geëxporteerde slaven, zijn moeilijk te verkrijgen. Pas in de achttiende eeuw worden er jaarlijks door de gouverneurs handelsrapporten opgesteld. Daarvoor berusten de rapporten, voor zover deze bestaan, waarschijnlijk bij de contractant. André Velho da Fonseca, die in 1612 aan de koning van Spanje en Portugal schrijft, schat dat 10.000 of meer slaven jaarlijks vanuit Angola verscheept worden. Ongeveer tezelfdertijd bedraagt het aantal afgegeven exportvergunningen om slaven naar de ‘Spaanse Indies’ te vervoeren ongeveer 4.000 per jaar. Een cijfer ontleend aan de geschatte belastingwaarden suggereert dat in de jaren twintig ieder jaar ongeveer 13.000 slaven het land verlaten hebben. Als de Hollanders in 1641 Luanda veroveren, lopen de schattingen van de jaarlijkse export van slaven op van 13.000 naar 16.000. Een afvloeiing van de bevolking van deze omvang heeft onvermijdelijk verreikende gevolgen voor de bevolking van Angola. Een daarvan is de toenemende rivaliteit tussen de oude Mbundu-tussenpersonen en de meer recent aangekomen Imbangala. De botsing wordt bijzonder hevig in de tweede helft van de zeventiende eeuw.

Manuel Cerveira Pereira, waarnemend gouverneur van Angola van 1603 tot 1607, is verder naar Ndongo opgerukt dan welke gouverneur voor hem heeft gedaan. Hij heeft ook een fort gebouwd in Cambambe, op de grens van het gebied van de Ngola. Gedurende enige jaren daarna is er een luwte in de vijandelijkheden tijdens het gouverneurschap van Manuel Cerveira Pereira’s opvolger Dom Manuel Pereira Forjaz, die in 1607 in Angola arriveert. De luwte wordt gevolgd door hernieuwde oorlogen, die toenemen in omvang en intensiteit. De eerste keer dat dit gebeurt is er sprake van een politiek die de Portugezen dichter moet brengen bij het aanbod van slaven, maar later ontaardt de verhevigde oorlogvoering in een poging de aantallen slaven die de Portugezen in handen vallen, te verhogen. De chaos in Angola wordt nog aangewakkerd doordat niet bekend is hoeveel legers van de Imbangala zich in en rond het Mbundu-gebied ophouden.

Als Dom Manuel Pereira Forjaz naar Angola vertrekt, voorziet koning Philips III (Filipe II) hem van instructies die aangeven welke politiek hij moet uitvoeren. De belangrijkste zaak is de slavenhandel. Omdat de militaire inspanning om de verwachte zilvermijnen in Cambambe te bereiken, de handel hebben ontwricht en weinig hebben opgeleverd, is mijnbouw in Cambambe van de baan. Om te voorkomen dat er in Angola een opstand uitbreekt, wat nadelig is voor de handel, wordt er een nieuwe politiek van vrede en gerechtigheid tegenover de Mbundu geformuleerd. De defensie van de kolonie dient te worden versterkt zodat zowel Afrikaanse legers als vlooteenheden van vreemde naties kunnen worden weerstaan, als zij zouden trachten Luanda te veroveren. Boven alles dient de aankoop van slaven te worden aangemoedigd en vergroot, om de belastingopbrengsten te doen toenemen en de koninklijke schatkist te spekken. Eerst na onderstreping van deze waarborgen voor de slavenhandel memoreert het regimento dat de voornaamste functie van het koloniale bestuur, natuurlijk, is: de verspreiding van het christendom.

Dit document maakt de betrekkingen met de Mbundu er niet eenvoudiger op. De gouverneur dient een lijst op te stellen van aanvoerders (chiefs), te splitsen in chiefs die op het handhaven van vrede zijn gesteld en in oorlogszuchtige chiefs. Er wordt een nieuwe poging ondernomen om de regel op te leggen dat alle chiefs in de toekomst verplicht zijn een bondgenootschap met de Kroon aan te gaan en niet meer met individuele Portugezen aan wie Paulo Dias de Novais en zijn opvolgers hen hebben toegewezen. Schatting die voorheen is betaald aan de Ngola, dient nu te worden betaald aan de vedor da fazenda en nooit aan privépersonen, die hun positie zouden kunnen misbruiken. Er mogen slechts vreedzame methoden worden aangewend om de chiefs ertoe te brengen het aangeboden bondgenootschap met de Portugese Kroon aan te gaan. Dom Manuel Pereira Forjaz dient te proberen vrede te sluiten met de Ngola, die door oorlogshandelingen, in het bijzonder de verwoesting van de stad Shilla Mbanzai door Manuel Cerveira Pereira, van de Portugezen vervreemd is. De gouverneur dient indien mogelijk een ambassadeur naar de Ngola’s hoofdstad Kabasa te zenden, met een brief van koning Philips III (Filipe II), waarin permissie gevraagd wordt het christelijk geloof in Ndongo te verspreiden. Ondanks dat een vreedzame samenwerking beoogd wordt, wordt aan alle burgers van Luanda op iedere zondag en op iedere als een zondag te vieren feestdag van een heilige een militaire training gegeven. De omvang van de taak de Mbundu onder vreedzaam Portugees bestuur te brengen, kan worden afgeleid uit het feit dat in 1607 nog geen enkele Mbundu-chief een of andere vorm van tribuut betaalt, noch aan een Portugese beschermheer, noch aan de Kroon.

Een belangrijke beperkende bepaling in het regimento van de gouverneur is dat het geen blanke man is toegestaan een slavenmarkt in het binnenland te bezoeken, noch om slaven te kopen, noch om geschillen op te lossen. Europeanen die deze markten vaak bezoeken zijn in de gelegenheid hun pombeiros te gebruiken om de slaven te stelen die naar de markt onderweg zijn. Deze praktijk beperkt het aanbod en drijft de prijzen op. Op de markten kunnen Afrikaanse handelaren gewoonlijk voordeliger slaven kopen dan Europeanen. Op de slavenhandel verder op te voeren, wordt Manuel Pereira Forjaz aangemoedigd een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden aan de Benguelakust, waar Battell zo winstgevend heeft gehandeld ten bate van João Furtado de Mendoça.

Het denkbeeld van minerale rijkdom in Angola is nog niet verlaten, ofschoon mijnbouw in Cambambe van de baan is, kan daarvan in de toekomst elders sprake zijn. Manuel Cerveira Pereira heeft laten weten dat de zilvermijnen een beetje verder landinwaarts zijn. Koper, lood en ijzer zouden allemaal in overvloed aanwezig zijn. De mogelijkheid wordt overwogen aan de andere kant van de zoutmijnen van Quiçama nog een fort te bouwen. Tenslotte worden de condities waaronder aan kolonisten land is verstrekt nogmaals bekeken en dient te worden nagegaan of daaraan in individuele gevallen de hand is gehouden. De agrarische ontwikkeling van het land wordt aangemoedigd, in het bijzonder de aanplant van katoen en suiker. In Luanda wordt het werk aan openbare gebouwen en aan de toevoer van water voortgezet.

Manuel Pereira Forjaz arriveert in augustus of september 1607 in Angola. Gedurende de vier jaar van zijn gouverneurschap onderneemt hij geen grote veldtocht tegen de Mbundu, hetgeen in overeenstemming is met de hem gegeven opdracht naar een vreedzame verhouding met de Mbundu te streven. Ook in ander opzicht verdient het aanbeveling geen veldtocht te ondernemen; deze zou namelijk het garnizoen van Luanda uitputten in een tijd dat de Hollanders, die begonnen zijn handel te drijven in Mpinda, een steeds grotere militaire bedreiging voor de kolonie gaan vormen. Bovendien floreert de slavenhandel, zodat deze ook al geen aanleiding tot optreden geeft.

Aan het betrekkelijk vreedzame bestuur van Manuel Pereira Forjaz komt een einde als hij op 15 april 1611 overlijdt. In zijn plaats wordt tot gouverneur gekozen Bento Banha Cardoso, een ervaren legerkapitein. De vier jaar van Bento Banha Cardoso’s gouverneurschap markeren het begin van een nieuwe militante fase in de Angolese geschiedenis, gedurende welke de Ngola uit Ndongo verdreven wordt. Volgens de Catalogo lanceert Bento Banha Cardoso onmiddellijk een actieve campagne tegen de Mbundu. De machtige chief Kalonga wordt gevangengenomen en onthoofd en drie van zijn naaste medewerkers worden opgehangen. Mbamba Tungu een voormalige bondgenoot van de Portugezen, wordt ook ter dood gebracht. De gouverneur laat dan een nieuw fort bouwen in Hango a Kikaito aan de benedenloop van de Rio Lucala niet ver van Massangano. Dit brengt de Portugezen een stap dichter bij Ngola’s hoofdstad Kabasa. De Mbundu reageren krachtig op deze nadering en het lukt hen bijna de toegang tot het fort in Cambambe te forceren.

In het regimento dos Governadores de Angola, gedateerd 22 september 1611, laat Madrid aan de nieuwe gouverneur weten dat Hollanders twintig mijlen boven Cabo Negro, dat is aan de monding van de goudrijke Rio Cunene, aan land zijn gegaan en daar goud hebben geruild met de bewoners. Gouverneur Bento Banha Cardoso wordt op het hart gedrukt de Hollanders toch vooral uit Angola te weren.

André Velho da Fonseca, die in 1612 schrijft, is zonder terughouding kritisch over de gevechtsacties van Bento Banha Cardoso. Hij is van oordeel dat de bouw van een nieuw fort in Hango aan de Rio Lucala riskant is. Het fort ligt te dicht bij de hoofdstad van de Ngola en het ligt gevaarlijk open voor een aanval. Bovendien kan het alleen maar voorzien worden van een adequaat garnizoen als er soldaten uit de forten van Muxima, Massangano en Cambambe worden teruggetrokken, terwijl deze drie forten al onderbemand zijn. André Velho da Fonseca heeft ook kritiek op de wijze waarop campagnes geleid worden. Volgens hem is een legertje van 200 Europese soldaten niet geëigend om daarmee door te dringen in een vijandelijk land. Als een leger wordt ingezet, moet het sterk genoeg zijn om te slagen in alle omstandigheden, zodat de Mbundu zich zullen realiseren dat het nutteloos is te trachten weerstand te bieden aan het Portugese bestuur. Ofschoon Fonseca de inzet van een sterke afschrikwekkende strijdmacht bepleit, is hij zeer uitgesproken in zijn kritiek op de wreedheid en hebzucht van de legerkapiteins, die de chiefs terroriseren en, door hen te bedreigen, frequent giften in de vorm van slaven van hen verlangen. Vele komen in opstand tegen deze aanvechtbare afpersing en geven er de voorkeur aan jaarlijks het vaste tribuut dat de Ngola van zijn chiefs heft, te betalen. Omdat de slavenhandel meer gediend is met vrede dan wel met oorlog, is André Velho da Fonseca een krachtig pleitbezorger van vrede.

Na zijn oorlog tegen de Ngola moet Bento Banho Cardoso strijd leveren tegen een inval in Portugees gebied van Nambu-a-Ngongo, een Ndembu-chief uit het zuiden van Kongo, die bijna tot aan de poorten van Luanda komt, op zoek naar voedsel. Daarna heerst er klaarblijkelijk een jaar of twee vrede en in 1614 schrijft Bento Banha Cardoso vanuit Luanda dat alles rustig is in Angola en dat de slavenmarkten bloeien. De chiefs in de omgeving van het nieuwe fort in Hango zijn begonnen schatting te betalen aan de Portugese Kroon. Het is maar gelukkig, laat de gouverneur weten, dat de vrede voortduurt, want de kolonie heeft zo’n schrikbarend gebrek aan kruit, dat het daarom niet in staat is een expeditie uit te zenden, ingeval er een opstand in het binnenland zou uitbreken. Hij is bezorgd over de onrust in Kongo en hij heeft aanvulling van zijn militaire voorraden nodig, zodat hij daar actie kan ondernemen als dat nodig mocht zijn.

In 1614 wordt de haven van Luanda opnieuw geblokkeerd door Hollandse schepen, waardoor de bezorgdheid van de Portugezen dat de Hollanders hun factorijen zouden kunnen verleggen naar de kust ten zuiden van de Kongostroom en dat zij daardoor in verbinding komen met de Ngola, zeker niet ongegrond is. In slechts enkele jaren tijds zijn hun onverbiddelijke concurrenten steeds meer naar het zuiden opgedrongen: van Cabo Lopez Gonçalves, de oude rendez-vous-plaats van Hollandse schepen op weg naar huis; naar Mayumba, waar het roodhout is, vandaar naar Loango met zijn ivoor- en koperhandel, naar Ngoyo, (thans Cabinda) en tenslotte naar Mpinda, waar al in 1613 een Hollandse factorij is gesticht. Weliswaar zijn de Portugezen, evenals in 1602, erin geslaagd de vijandelijke schepen te verdrijven, maar Luanda kan elk moment een nieuwe blokkade te verduren krijgen.

Terwijl Bento Banha Cardoso optreedt als gouverneur van Angola, verdedigt Manuel Cerveira Pereira zich in Europa tegen de beschuldigingen die tegen hem worden ingebracht betreffende zijn vierjarige ambtstermijn in Angola. Hij weet zijn naam tegenover Philips III (Filipe II) te zuiveren en hij overtuigt de monarch van het belang een nieuwe Portugese West-Afrikaanse kolonie in Benguela te stichten, met hemzelf als gouverneur. Op 14 februari 1615 wordt een officiële aanstellingsbrief uitgegeven en in de herfst van hetzelfde jaar keert Manuel Cerveira Pereira in Luanda terug met de bevoegdheid het bestuur over Angola over te nemen van Bento Banha Cardoso. Ook dient hij voorbereidingen te treffen voor de verovering van Benguela. Ondanks zijn vooringenomenheid met dit nieuwe waagstuk, blijkt Manuel Cerveira Pereira bij zijn terugkeer in Luanda, tijd te hebben voor een nieuwe oorlog tegen de Mbundu. Hij verslaat enige ‘opstandige’ chiefs in de buurt van het fort in Hango en begint dan de strijd tegen Kakulu-ka-Hango, die hij ervan beschuldigt onderdak te verschaffen aan uit Luanda weggelopen slaven. Na achttien maanden heeft Manuel Cerveira Pereira zijn voorbereidingen voor de Benguela-onderneming voltooid en hij verlaat Luanda onder leiding van António Gonçalves Pita, ooit Capitão van de Portugezen in Kongo. In 1617 vestigen de Portugezen zich ten zuiden van de Rio Cuanza. Zij stichten op 12º 34’ ZB. rond het naar koning Philips III genoemde Fortaleza de São Filipe de Benguela de gelijknamige stad of Benguela a Nova. In 1618 noopt het garnizoen van Benguela a Nova zijn capitão, die zijn mannen tiranniseert, enkele reis Luanda te nemen.ii Weliswaar hebben Portugese kooplieden gedurende de gehele zestiende eeuw enige handel gedreven op de kust ten zuiden van de Rio Cuanza, maar de Portugezen beschikten daar niet over een vestiging. Evenals in Angola was het de Portugezen aanvankelijk niet zozeer om slaven, maar om minerale rijkdommen, in dit geval koper, te doen. Er is geen koper aangetroffen, maar gedurende de zeventiende eeuw worden er druppelsgewijs, maar gestaag, slaven uit Benguela per schip in Luanda aangevoerd. Een paar maanden later, in augustus 1617, arriveert Luís Mendes de Vasconcelos om het gouverneurschap van de kolonie op zich te nemen.

Ongeveer in de tijd dat met de komst van Luís Mendes de Vasconcelos een nieuwe periode van Portugese activiteit in Angola is aangebroken, schijnen er ook veranderingen te hebben plaatsgegrepen in Ndongo. Het is namelijk waarschijnlijk dat de oude Ngola in 1617 is gestorven. De gegevens over de regeringsperioden van de Ngola’s zijn zeer schaars, maar het lijkt erop dat de in 1617 gestorven Ngola dezelfde is als Ngola Kiluanji die geregeerd heeft sedert de Angolese Oorlog in 1579 is begonnen.

Bij zijn overlijden zou de oude Ngola Kiluanji, volgens de overlevering een ‘legitieme’ zoon hebben gehad. Zijn aanspraken op de troon worden genegeerd omdat hij nog een kind is en omdat zijn moeder overspel heeft bedreven. Hij heeft, naast drie dochters, ook een zoon bij een slavin. Deze zoon, Mbandi, verzamelt zijn aanhangers en wordt tot koning van Ndongo gekozen. Hij brengt verscheidene rivalen ter dood, met inbegrip van zijn broer en de zoon van zijn zuster Nzinga. Zijn zusters Nzinga, Mukambu en Kifunji worden gespaard. Mbandi richt zijn aandacht vervolgens op het afslaan van de aanvallen van de Portugezen geleid door gouverneur Luís Mendes de Vasconcelos en zijn zoon João Mendes de Vasconcelos. Als Mbandi in 1624 overlijdt, is het Portugese militaire gezag in Ndongo aanzienlijk toegenomen en is het verzet van de Ngola gebroken. António de Oliveira de Cadornega beschrijft deze oorlogen in zijn kroniek als de meest glorieuze zegepraal van de Portugese wapenen, maar drie eeuwen later, noemt Matias Delgado, de bewerker van de Cadornega-kroniek, Luís Mendes de Vasconcelos een van de schadelijkste gouverneurs die Angola ooit heeft gehad. Tijdgenoten zijn over het onderwerp verdeeld. Enigen prijzen zijn militaire overwinningen terwijl anderen de afpersing en wreedheden veroordelen, waarmee het bijeenbrengen van slaven in de veroverde gebieden, is gepaard gegaan.

Een van de eerste dingen die Luís Mendes de Vasconcelos na zijn aankomst in Luanda heeft gedaan, is het schrijven van een scherpe aanklacht over zijn voorgangers en hij betreurt de staat van achteruitgang waarin Manuel Cerveira Pereira de kolonie heeft gebracht. Hij wordt ervan beschuldigd 50.000 cruzados uit de schatkist te hebben meegenomen naar Benguela, evenals de meeste beschikbare soldaten, ammunitie en kruit. Hoewel Bento Banha Cardoso in 1614 heeft gerapporteerd over een bloeiende handel, heeft Luís Mendes de Vasconcelos drie jaar later moeten vaststellen dat de handel tot stilstand is gekomen en dat bijna geen van de markten, wegens gebrek aan aangeboden slaven, nog functioneert. Veel van de chiefs die normaliter slaven aanbieden, zijn door Manuel Cerveira Pereira vernietigd tijdens zijn tweede korte ambtstermijn. António Gonçalves Pita heeft een leger in Mbundu gebied geleid om de chiefs te vertellen dat zij nu directe onderdanen van de koning van Portugal zijn en dat zij aan hem, zijn gouverneur, tribuut dienen te betalen en niet meer aan hun Europese meesters. Luís Mendes de Vasconcelos belooft voorts dat alle slaven die de Portugezen op deze manier illegaal hebben verworven, zullen worden geconfisqueerd en dat zij zullen worden verkocht ten bate van de koninklijke schatkist.

In dezelfde brief kapittelt Luís Mendes zijn voorgangers bitter voor het gebruik van Jaga-hulptroepen. Deze kannibalistische bandieten de kolonie te hebben binnengehaald, zegt hij, is noch een dienst aan de koning, noch aan God. Gouverneurs en kolonisten hebben hen gebruikt als jachthonden, maar naar het oordeel van de gouverneur hebben de Jaga meer slaven opgegeten dan levend afgeleverd. Oudgedienden in de kolonie trachten de gouverneur ervan te overtuigen dat het onmogelijk zal zijn Jaga-troepen buiten de kolonie te houden, maar Luís Mendes de Vasconcelos blijft geloven, althans voor een paar weken, dat de plunderingen die deze bondgenoten veroorzaakt hebben, geleid hebben tot ontvolking van de kolonie, zoals zij ook andere gebieden ontvolkt hebben. De beschuldigingen die de gouverneur richt aan het adres van zijn voorgangers, worden bevestigd door de klacht die Mani-Kongo Dom Álvaro III in 1617 zendt aan paus Paulus V. Hij laat de Heilige Stoel weten dat de gouverneurs van Angola, in plaats van de koningen van Kongo te helpen, zoals de koningen van Portugal hen hebben opgedragen, zij Kongo zijn binnengevallen alsof het om vijandelijk gebied ging. Om de zaken nog erger te maken, hadden de Portugezen zich verenigd met de Jaga-natie, die mensenvlees eet.

Toen Luís Mendes de Vasconcelos voor de eerste maal in de kolonie was gearriveerd, heeft hij beloofd de vrije handel te herstellen. Hij is de mening toegedaan dat veel kolonisten, alsmede beide voorafgaande gouverneurs verdienen ter dood te worden veroordeeld voor de wijze waarop zij slaven hebben verkregen, namelijk door diefstal en arrestatie, waarbij zij zich hebben bediend van doodslag en de belangen van de Kroon volkomen hebben veronachtzaamd. Onder het nieuwe regime zullen alle mensen worden vrijgelaten die ten onrechte als slaven zijn gevangengenomen. Alle handelaren die in het binnenland aan het plunderen zijn zullen naar Luanda worden teruggeroepen. Vrede en gerechtigheid zullen worden opgelegd en handel op de markten dient de plaats in te nemen van het opleggen van slavernij aan overwonnen tegenstanders.

Luís Mendes de Vasconcelos ziet, evenwel, spoedig in, evenals zijn voorgangers hebben gedaan, dat deze doeleinden niet met elkaar te verenigen zijn; en weer, net als telkens eerder, krijgen de eisen van de handel voorrang op gerechtigheid en vrede. Niet lang na zijn aankomst in Luanda, zet de gouverneur een veldtocht naar het binnenland op touw. Onder het voorwendsel dat hij een sova genaamd Kaita Kalaba Langa, die tegen de Portugezen in opstand is gekomen, wil onderwerpen, rekruteert hij alle beschikbare kolonisten, soldaten, ‘Jaga’s’, afhankelijke sovas, slaven en vrije zwarten. Het is spoedig duidelijk dat hij niet een kleine strafexpeditie leidt, maar dat hij van plan is rechtstreeks naar Ndongo op te marcheren om de Ngola aan te vallen. De oudste zoon van de gouverneur, Francisco Luís de Vasconcelos, blijft in Luanda achter om zijn vader te vervangen; de jongere zoon, João Mendes de Vasconcelos, vergezelt zijn vader. Het leger rukt op naar Tumbo, zeilt de Rio Cuanza op, valt een paar Quiçama-dorpen aan en brengt een bezoek aan het fort in Muxima. Als de troepen in Massangano aankomen, beginnen zij, geholpen door het lokale garnizoen, de verovering van Ndongo voor te bereiden. De reeks gebeurtenissen in de campagne is niet gemakkelijk vast te stellen. Het lijkt erop dat de gouverneur zijn opmars is begonnen bij het fort van Hango aan de benedenloop van de Lucala en dat hij is opgerukt langs de rivier naar een punt ten noorden van de Ngola’s hoofdstad, waar hij de stad zou willen herbouwen. Ngola Mbandi is ernstig bezorgd door deze beweging en hij schijnt een bondgenoot te hebben gezonden, om de Portugezen aan te vallen. Deze man, Gaita geheten, zou de leider zijn geweest van een van de kampen van de Imbangala. De gouverneur neemt wraak door ogenblikkelijk de aanval op de hoofdstad van de Ngola in te zetten. Diens residentie, een verzameling prachtig gebouwde hutten, weelderig versierd met pauwenveren, worden in brand gestoken en er worden vele gevangenen gemaakt. Het Portugese leger trekt dan de verlaten hoofdstad Kabasa binnen en installeert zich daar voor het regenseizoen, waarschijnlijk laat in 1618. De blanke soldaten lijden zwaar onder de koortsen van dat seizoen. De gouverneur tracht onderhandelingen aan te knopen, maar Ngola Mbandi weigert over vrede te spreken terwijl de Portugezen in zijn territorium verblijven. De gouverneur trekt dan terug naar het noorden, naar de bovenloop van de Rio Lucala, en bouwt daar het fort van Ambaka, op de plek waar zijn werk eerder onderbroken is. Het fort zal de uitvalsbasis worden van Afrikaanse en halfbloed kooplieden die naar gebieden ten oosten van de Rio Kwango trekken. Hij keert uiteindelijk naar Luanda terug om op verhaal te komen. In het nieuwe seizoen belast hij zijn zoon João met de leiding van de campagne.

De overwinning op de Ngola, waarnaar de Portugezen veertig jaar hebben gestreefd, wordt gevolgd door drie jaren actieve jacht op slaven door geheel Ndongo. Vasconcelos slaagt erin op korte termijn de slavenhandel op te voeren, maar hij vernietigt het oude handelssysteem. Op lange termijn hangt de slavenhandel af van een goede samenwerking met Ndongo. Vasconcelos heeft, gedurende de vier jaren dat hij gouverneur is, zijn eigenbelang gesteld boven het belang van de Kroon. Door hebzucht gedreven, heeft hij de slavenhandel op korte termijn sterk opgevoerd en zich weinig bekommerd om de vernietiging van de economische mogelijkheden op lange termijn. In ieder geval staat Lissabon niet te juichen bij zijn militaire successen, omdat daar terdege wordt beseft, dat er meer verwoest is dan gewonnen.

João Mendes de Vasconcelos schijnt een succesrijk campagne te hebben gevoerd in Ndongo. Volgens Manuel Severim de Faria neemt hij 94 sovas gevangen, onder wie Gaita, die hij allen laat onthoofden. Na de helft van zijn leger naar Mbaka te hebben gezonden, trekt hij met de andere helft ten strijde tegen ‘Mani Cassange’. Volgens Cadornega, die alles behalve duidelijk is over deze gebeurtenissen, die hebben plaatsgevonden twintig jaar voordat hijzelf in Angola is gearriveerd, geeft João Mendes de Vasconcelos ook opdracht twee ‘jagas’ (bedoeld zijn waarschijnlijk Imbangala-chiefs), genaamd Domgo en Kasa, aan te vallen. Dit zijn voormalige bondgenoten van de Portugezen, die zich tegen hen gekeerd hebben. Cadornega verhaalt dan verder hoe de zoon van de gouverneur Matamba binnentrekt, verder naar het oosten dan voor hem ooit een Portugese kapitein is geweest. Tijdens zijn veldtocht verslaat hij verscheidene sovas, met inbegrip van Kijilu, Kiteshi, Kiluanji ka Kongo, Kilamba Bamba a Kwanza en Ndola Ndamji. Hij verwoest uiteindelijk de residentie van koningin Mulundu a Kambolo van Matamba en drijft haar leger op de vlucht.

Manuel Severim de Faria, die korter van stof, maar mogelijk nauwkeuriger is dan Cadornega, rapporteert dat João Mendes de Vasconcelos minder succesrijk is in zijn campagne tegen Kasanje. Kasanje houdt zich verscholen in het bos en schiet vanuit een hinderlaag op de Portugezen. Als zij gedwongen worden zich terug te trekken kaapt Kasanje al hun bagage. De capitão keert dan terug naar Luanda, maar hij wordt spoedig naar het front teruggezonden. Van Mbaka uit lanceert hij een nieuwe aanval op Ngola Mbandi met opmerkelijk succes. Ngola’’s moeder en vrouwen worden door de Portugezen gevangengenomen en de Ngola zelf moet zijn toevlucht zoeken op de eilanden in de Rio Cuanza. Hij is daar nog steeds als João Correia de Souza in oktober 1621 in Luanda aankomt om het gouverneurschap over te nemen. Manuel Severim de Faria’s laatste woord over de campagnes van Luís Mendes de Vasconcelos en zijn zoon is er een van wanhoop. Hij begrijpt niet wat er te winnen is bij zo’n slachting. De Mbundu lijden al zwaar onder de gevolgen van een droogteperiode van vier jaren en een doelloze oorlog vergroot hun ellende nog meer. Het gaat de Portugezen nog niet eens om de gebieden die zij veroveren: het gaat hun slechts om de handel en om de verkondiging van het christelijk geloof. Oorlog draagt aan geen van beide iets bij.

Met de aankomst van de nieuwe gouverneur, João Correia de Souza, worden pogingen in het werk gesteld de vriendschappelijke contacten tussen de Mbundu en de Portugezen te herstellen. João Correia de Souza heeft uitdrukkelijk opdracht gekregen het verwoeste koninkrijk Ndongo weer op te bouwen en de vreedzame handel te herstellen. De Portugezen gaan zich langzamerhand realiseren dat de Ngola en de sovas een belangrijke rol spelen in de slavenhandel. Indien zij dat verkiezen, kunnen zij de handelsroutes afsluiten en de slavenmarkten sluiten. Daarom zendt João Correia de Souza twee afgezanten, Manuel Dias en Frei Dionizo de Faria Barreto, een Afrikaanse priester, naar Ngola Mbandi,om hem aan te sporen zijn wijkplaats, een eiland in de Rio Cuanza, te verlaten en zich weer in Ndongo te vestigen. Mbandi wil op de volgende voorwaarden terugkeren naar Kabasa. Op de eerste plaats dient het fort in Mbaka, dat slechts een dagmars van Kabasa verwijderd is, verplaatst te worden naar zijn vroegere plaats aan de benedenloop van de Rio Lucala. Ten tweede dienen de Portugezen de Ngola te helpen Kasanje uit Ndongo te verjagen. Tenslotte dienen de Portugezen alle chiefs en andere onderdanen van de Ngola die zij hebben gearresteerd in de recente campagnes van vader en zoon Vasconcelos terug te geven aan de Ngola. Manuel Dias wordt naar Luanda gezonden om deze voorwaarden voor te leggen. De gouverneur, geadviseerd door de gemeenteraad van Luanda, is bereid deze te accepteren en zendt Bento Rebello naar Mbandi met zijn antwoord.

Om de nieuwe vriendschap te verstevigen zendt Mbandi zijn zuster Nzinga als zijn ambassadrice naar Luanda. Deze opmerkelijke figuur, die geboren zou zijn in 1582, is van 1620 tot haar dood in 1663 de belangrijkste persoon in Angola. Volgens Cavazzi komt zij in Luanda aan terwijl João Correia de Souza nog gouverneur is. Hij staat haar een audiëntie toe, maar biedt hij haar geen stoel aan om in zijn aanwezigheid te gaan zitten, maar hij laat een kleed voor haar op de grond neerleggen. Nzinga gebiedt daarop een slavin uit haar gevolg op het kleed neer te knielen en te bukken, waarop zij plaats neemt op haar rug en de onderhandelingen met de verbaasde gouverneur een aanvang nemen. Gedurende het onderhoud dringt zij er bij João Correia de Souza op aan Mbandi te erkennen als een bevriende koning van gelijke status als andere onafhankelijke monarchen en niet als een onderdaan van de Portugese Kroon. Na het onderhoud wordt Nzinga gedoopt, waarbij zij de naam Dona Ana de Souza ontvangt en de gouverneur haar peetvader wordt. Fernão de Souza maakt in zijn in 1632 geschreven rapport geen melding van de doop van Nzinga. Hij schrijft dat João Correia de Souza op 2 mei 1623 onverwachts uit Luanda is vertrokken, nadat hij drie paters jezuïeten naar Lissabon heeft doen vertrekken, na een ruzie met deze orde over een erfeniskwestie. Dit plotselinge einde van het gouverneurschap van João Correira de Souza is er de oorzaak van dat hij zijn beloften niet kan waarmaken en dat Nzinga naar Luanda komt om genoegdoening van zijn opvolger, kapitein Pedro de Souza Coelho, te verkrijgen. Misschien heeft Nzinga twee missies naar Luanda ondernomen, of misschien heeft zij zich in Luanda bevonden als João Correia de Souza overhaast vertrekt.

Aanvankelijk zijn de jezuïeten, soms vergezeld door missionarissen van andere orden, het binnenland ingetrokken om missiewerk te verrichten. Zij hebben zich rond 1600 teruggetrokken in Luanda, waar zij in de ogen van hun tijdgenoten al spoedig het openbare leven domineren. Zij zijn als leermeesters de enigen die het onderwijs in Angola verzorgen. Zij leiden zowel inheemse geestelijken op, als halfbloeden voor de lagere bestuursfuncties. Dit laatste tot ergernis van de blanke bevolking die deze bestuursambtenaren verantwoordelijk houden voor de meeste koloniale problemen. Maar de jezuïeten zelf komen in het middelpunt te staan van tegenstellingen. Zij trachten voor zichzelf de rol te creëren die zij met zoveel succes in delen van Zuid-Amerika spelen, namelijk die van beschermer van de inheemse bevolking. Daar de economie berust op de handel in slaven – waarin de jezuïeten enthousiast deelnemen – brengt het opeisen van de rol die zij willen spelen hun in conflict met de gouverneur en lokale bewoners van Luanda, die de jezuïeten beschouwen als bemoeiallen en schijnheilige ruziezoekers. Het regent klachten in Lissabon. Tegenstanders van de orde beweren dat de jezuïeten meer belangstelling hebben voor de slavenhandel dan voor de kerstening van de Afrikanen. Ofschoon de Societas Jesu door de Kroon wordt gesteund, worden zij rijk door de verkoop van landerijen die zij hebben verworven en door de handel in slaven. De meeste jezuïeten die bij dit laatste betrokken zijn, onderschrijven de heersende mening dat de beste manier om een neger te bekeren is hem te verkopen, zodat hij in het christendom kan worden ingewijd door de waardigheid van het werk op Amerikaanse plantages. Schepen die eigendom zijn van de Societas Jesu nemen deel aan de Angolees-Braziliaanse handel.

Ofschoon João Correia de Souza heeft gewerkt aan een vreedzame regeling met Ndongo, heeft hij actieve oorlogshandelingen ondernomen op andere terreinen. Niet ver van Luanda, in een district dat bekend staat als de ‘Nsaka de Kasanje’, is een klein staatje dat geregeerd wordt door een chief genaamd Kasanje. Het zou een overblijfsel kunnen zijn van de invasie van de Lunda in Angola. Kasanje houdt zich in leven door vaak plundertochten te ondernemen naar de buitenwijken van Luanda en naar de vallei van de Rio Bengo. Hij keert daarna zou snel mogelijk terug naar zijn eigen grondgebied, met dik struweel en kleine meertjes. Hij onderneemt zijn rooftochten blijkbaar al sinds de aankomst van Paulo Dias de Novais in Luanda bijna een halve eeuw geleden. Als João Correia de Souza het gouverneurschap op zich neemt is Kasanje een hinderpaal voor de inkomende en uitgaande handel van Luanda. De gouverneur geeft het leger daarom opdracht het territorium van Kasanje te omsingelen en bij het binnendringen het struweel waarin hij zich kan verbergen te kappen. Kasanje wordt gearresteerd terwijl hij tracht te ontkomen door de Rio Bengo over te steken. Hij wordt voor de gouverneur gebracht. Deze blijkt waardering te hebben voor zijn moed en leiderschap, maar niettemin worden Kasanje en twee luitenants van hem geëxecuteerd. De rest van zijn sovas worden bijeengedreven en naar Brazilië gedeporteerd. De Portugese regering is zeer verstoord door deze deportatie, waarschijnlijk is men bang dat vrije negers in Brazilië de aanstichters van een slavenopstand kunnen worden. De capitão-geral van Brazilië krijgt het bevel iedere gedeporteerde die dat wil, op kosten van João Correia de Souza, naar Angola terug te sturen. De gouverneur heeft zich overigens zeer gehaat gemaakt door zijn eigenmachtige deportaties van vermogende inwoners van Luanda en het confisqueren van hun bezittingen,

Nadat hij Luanda van zijn meest onmiddellijke dreiging heeft verlost, zendt João Correia de Souza zijn leger erop uit om Nambu a Ngongo aan te vallen. Het schijnt dat het hoofddoel van de gouverneur is de chief te dwingen hem van slaven te voorzien. De belangrijkste extra verdienste van de gouverneur is zijn macht militaire campagnes zodanig in te zetten dat hem krijgsgevangenen verkocht worden. Maar João Correia de Souza is tamelijk onbezonnen in de keuze van zijn slachtoffer, omdat Nambu a Ngongo een Kongolees is en de steun geniet van een machtig suzerein. Als Nambu a Ngongo weigert aan de dreigementen tegemoet te komen, zijn de Portugezen en de met hen verbonden ‘Jaga’ genoodzaakt hun dreigementen waar te maken. Het Kongolese leger opent de aanval en hoewel zij de hulptroepen weten te verstrooien, zijn zij evenwel niet in staat de kern van de haakbusschutters te overwinnen. Nambu a Ngongo wordt gearresteerd en geketend naar Brazilië gezonden. De gevolgen van deze zege zijn een ramp voor de Portugezen. Zij die in Kongo handeldrijven, naar schatting zo’n duizend handelaren, worden het kind van de rekening; Portugese handelaren, vooral degenen die in het zuiden van het land wonen, worden met hun hele gezin vermoord. Zij die elders in het land wonen, overleven slechts door tussenkomst van de Mani-Kongo.

Na deze door João Correia de Souza georganiseerde afleidingsmanœuvre in Kongo, tracht de nieuwe gouverneur, Pedro de Souza Coelho, de Mbundu-markten op regulaire basis en met medewerking van de autoriteiten te herstichten. Hij belooft Kasanje, de Imbangala-leider in het oosten van Ndongo, met geweld uit Ndongo te verdrijven. Maar voordat hij zijn belofte kan waarmaken, wordt hij vervangen door zijn opvolger, Dom Simão de Mascarenhas, een bisschop, die op 9 augustus 1623 in Luanda aankomt. Dom Simão de Mascarenhas, de gewezen prelaat van Kongo, met wie Pedro II Afonso zeer bevriend is, laat zonder uitstel de door Portugezen geleide Jaga-expeditie uit Kongo terugroepen. Nog geen jaar later sterft Pedro II Afonso en bestijgt zijn zoon García de troon van Kongo.

Simão de Mascarenhas geeft Pedro de Souza Coelho opdracht zijn campagne tegen Kasanje voor te bereiden, maar Ngola Mbandi staat erop dat hij optrekt langs de Rio Lucala en niet door Ndongo, waarnaar de Mbundu juist beginnen terug te keren, nadat zij uit het land verdreven waren door de veldtochten van vader en zoon Vasconcelos. Pedro de Souza Coelho stoort er zich aan zich de wet te laten voorschrijven door een bisschop en een inheemse koning, en in plaats dat hij zijn instructies gehoorzaamt, keert hij terug naar Mbaka, waar hij klaarblijkelijk in januari 1624 overlijdt. Nog is er niets ondernomen om de slavenmarkten in Ndongo te heropenen en om Ngola Mbandi tevreden te stellen. De Ngola wantrouwt de Portugezen zozeer dat padre Dionizo, de Afrikaanse priester aan zijn hof, snel moet vluchten.

Terwijl de Portugezen weinig doen om Ngola Mbandi te helpen, veroorzaken de legers van de Imbangala grote verwoestingen in Ndongo. Twee daarvan, door de bisschop Mascarenhas aangemerkt als ‘Jaga’, verwoesten de Mbundu-dorpen rond Cambambe en belemmeren daar de handelsbewegingen. Lopo Soares Lasso wordt uitgezonden om hen te verdrijven. Hij verslaat ook twee andere ‘Jagas’, Zenza en Bangobango, die hij ook gevangen neemt. Kasanje is nog steeds met rust gelaten, als op 8 juni 1624 een nieuwe en doelmatige gouverneur met drie schepen aankomt in Angola, in de persoon van Fernão de Souza.

De gouverneur arriveert op een moment dat Luanda voor de eerste maal een serieuze aanslag van de Hollanders te verduren heeft. In augustus 1623 hebben de Heeren XIX besloten een aanval op Luanda te doen ondernemen. Daartoe verlaten al op 22 september van dat jaar drie schepen de rede van Texel. Het zijn de Dolphijn (360 ton), met schipper Thomas Sickesz., een befaamde vechtjas, en de jachten Thonijn en Bruynvisch, ieder groot 120 ton. Het smaldeel staat onder bevel van Philips van Zuylen, telt 142 koppen en voert 46 stukken geschut. Voordat de schepen bij Angola aankomen, voeren de twee jachten eerst een bombardement uit op Cacheu, ‘een vrij belangrijke nederzetting en een afscheephaven van slaven, waar ook een vestiging van de jezuïeten is’. Hier worden drie vaartuigen vernield en het vierde aan het smaldeel toegevoegd. De vier schepen krijgen op 25 maart 1624 de Afrikaanse kust in zicht bij Cabo Negro aan de kust van Zuid-Angola. Van Zuylen zeilt langs de kust naar Luanda, waarbij tweemaal vergeefs op een prijs wordt gejaagd. De schepen komen aan in de Baía de Torre, thans Baía de Benguela. Hier wordt Van Zuylen goed ontvangen door 70 blanke Portugezen die zich daar gevestigd hebben. De capitão zegt acht maanden geleden, met hulp van zijn soldaten, de door de koning van Spanje gezonden tirannieke gouverneur Manuel Cerveira Pereira naar Luanda te hebben gezonden. De soldaten hebben al lange tijd geen soldij ontvangen en zij zijn reuze blij nu met de Hollanders zaken te kunnen doen. Zij kunnen water, hout, vruchten en vlees leveren en er ontwikkelt zich een levendige handel. De verstandhouding is zo goed dat Van Zuylen de Portugese capitão zelfs aan boord ontvangt. Op 11 mei verovert de Thonijn een Spaanse fluit, een goede zeiler die met Hollandse bemanning aan de vloot wordt toegevoegd, het neemt de plaats in van het lekkende vaartuig uit Cacheu. Op 5 juni is het eskader bij de Morro de Benguela a Velha, op 9 juni 1624 wordt Kaap Ledo gerond en tegen de avond zijn de schepen aan de monding van de Rio Cuanza.

Twee dagen later komt Luanda-eiland in zicht, dat nabij de Punta das Palmeirinhas met het vasteland verbonden is. Dat er geen sprake is van een schiereiland, maar van een echt eiland is daaraan te danken dat de verbinding met het vasteland doorbroken wordt door de Barra da Corimba dat de zee verbindt met het kalme water achter de landtong. Grote en zwaarbeladen schepen kunnen de baai niet binnenlopen via de Barra, maar moeten de noordpunt van het eiland passeren en langs de Kasanda Má en de Penedos da Madalena zeilend, bereiken zij eenvoudig de haven. Het kost Van Zuylen drie dagen om bij de noordpunt van het eiland te geraken. Gelukkig heeft een kustbootje Luanda via de Barra eerder kunnen bereiken, zodat de stad op de komst van de Hollandse schepen is voorbereid. Dom Simão Mascarenhas dan nog gouverneur, organiseert de verdediging van de stad met vaste hand. Hij roept in allerijl troepen uit de omgeving naar de stad terug. Dag en nacht wordt doorgewerkt onder de bezielende leiding van de bisschop. Er wordt een batterij geschut geïnstalleerd aan het strand en een ander op Luanda-eiland tegenover de heuvel São Paulo. Samen bestrijken de twee batterijen de toegang tot de baai. Dicht bij de stad komt een derde batterij en de vierde staat aan het kanaal van Corimba. De vier schepen waaruit het vijandelijke eskader bestaat, zeilen 13 juni de haven binnen. Voor de schepen voor anker gaan, wordt tartend een veroverd kustvaartuig in brand gestoken. In de kil tussen de haven en de baai liggen elf Portugese schepen die de aanval op de indringers openen. Zij lichten snel het anker. Het gevecht is van korte duur; de Hollanders doen drie Portugese schepen stranden, vier schepen worden in brand geschoten, twee veroverd en een op de wal gejaagd. De volgende dag gaat Van Zuylen over tot een aanval op de gestrande schepen Hoewel de aan boord gebleven Portugezen zich vanuit hun nadelige positie kranig weren, kunnen zij niet verhinderen dat Van Zuylen drie van de vier schepen in brand steekt. Van het vierde schip worden zij verjaagd. De aanval heeft de Hollanders drie doden en zeven gewonden, onder wie Van Zuylen, gekost. De volgende dag wordt onderhandeld over de twee veroverde schepen; zij worden door de oorspronkelijke eigenaars teruggekocht voor 4.000 gulden. Ook wordt de Juan Baptista door de eigenaar teruggekocht.

De nieuw benoemde gouverneur, Fernão de Souza, vaart onopgemerkt door Van Zuylen op 22 juni met zijn drie zwaar beladen schepen door het kanaal van Corimba de baai van Luanda binnen Eerst op 25 juni hoort Van Zuylen over de aankomst van de gouverneur en hij moet tot zijn spijt vaststellen dat deze zijn schepen al gelost heeft en dat deze in door de batterijen beveiligd water zijn gesleept. Ofschoon de Hollanders 8.000 gulden prijzengeld hebben ontvangen en een flink aantal vijandelijke schepen zijn vernield, is hun hoofddoel: koopvaarders in de haven van Luanda te overrompelen en weg te slepen, mislukt. Van Zuylen blijft nog enige tijd jagen op vijandelijke schepen. Op 4 juli maakt hij een vaartuig buit dat geladen is met meel, rijst en schelpengeld. Spoedig daarna volgt de S. Francisco, groot 160 ton, waarop acht blanke en vier zwarte zeelieden worden geplaatst. Kort na elkaar vallen de Hollanders nog twee Spaanse schepen in handen, de S. Antonio y Sa. Lucia, groot 70 ton, en de Nuestra Señora da Concepción, die een rijke buit opleveren aan wijn, olijfolie, meel, vruchten en zijden stoffen. Ook deze krijgen een prijsbemanning, waardoor het smaldeel tot zes schepen aangroeit. Op 3 augustus vindt Van Zuylen het genoeg en zeilt met vijf schepen de midden augustus wassende Kongostroom op; de S. Francisco die dit niet lukt, vervalt naar Loango. Van Zuylen wordt 14 september zeer goed door de graaf van Soyo ontvangen.

Gouverneur Fernão de Souza heeft de maanden die sinds het vertrek van Philips van Zuylen zijn verstreken, terdege benut. Voor in de baai, bij de Penedos da Madalena, die ieder binnenkomend schip binnen schootsafstand moet passeren, heeft hij zes stukken geschut laten leggen en het strand tot ver voorbij de stad met palissaden afgezet. Tegen de gewoonte in heeft de nieuwe gouverneur slechts weinig verse troepen meegebracht, daar met de onderkoning van Portugal is overeengekomen, dat het volgende jaar een flinke troepenmacht met veel materiaal naar Angola zal worden uitgezonden. Hij ziet zich derhalve genoodzaakt de paar honderd man blanke troepen, die uit de forten in het binnenland kunnen worden gemist, in Luanda bijeen te trekken, evenals enige duizenden manschappen van de guerra preta.

De werkzaamheden voor de verdediging van Luanda zijn nog in volle gang, als in de namiddag van 30 oktober 1624 vreemde zeilen nabij het eiland ontdekt en als Hollandse oorlogsschepen herkend worden. Het is de vloot, die onder bevel van admiraal Piet Heyn 5 augustus 1624 van het veroverde São Salvador da Baía is vertrokken, met de opdracht Luanda in te nemen of de verbinding tussen Angola en Brazilië te verbreken. Deze vloot bestaat uit drie grote schepen: de Gelderland (600 ton), dat de admiraalsvlag voert; de Hollandia (600 ton), schipper Willem Jansz.; de Neptunus (460 ton); en twee jachten: Zee-Jaeger (140 ton) en de Meermin en twee sloepen. De vloot heeft 120 stukken geschut, drie compagnieën soldaten, tezamen 146 man, onder kapitein Vonk of Funck, en 280 matrozen aan boord. Niet veel als wordt bedacht dat de twee grote schepen gewoonlijk ieder 250 koppen tellen, maar door vertrek van vele schepen en door geleden verliezen in de strijd tegen de Portugezen, heeft São Salvador da Baía niet meer mensen kunnen missen.

De vloot heeft eerst een maand vergeefs gepoogd met Braziliaanse suiker geladen schepen buit te maken, maar geen suikerschip heeft de reis naar Europa durven aanvaarden met een Nederlands smaldeel patrouillerend op de loer. Als Piet Heyn voor Luanda aankomt en de vele batterijen en andere verdedigingswerken ziet, is hij onaangenaam verrast, omdat Luanda volgens zijn informatie een onverdedigde stad zou moeten zijn. Bovendien liggen voor de stad niet minder dan 24 grote en kleine schepen, waarvan vier van geschut zijn voorzien. Zij liggen op nauwelijks een musketschot afstand van de eerste batterij, die van de Penedos da Madalena en onder bescherming van het geschut liggen nog vier schepen, een prooi die de admiraal zich niet wil laten ontgaan. Hij zeilt als eerste met de Gelderland de baai binnen. In weerwil van hevig vuur uit de drie voorste batterijen, waarvan enkele kanonnen verder dragen dan het scheepsgeschut, laat hij zijn schip de Penedos-batterij zo dicht mogelijk naderen. Onder dekking van de kanonnen van de Gelderland strijken de matrozen de sloepen en enteren zij de vier schepen, nog voordat hulp van de bemanning van de Hollandia en de Neptunus hen heeft kunnen bereiken. Als de avond is gevallen meldt zich de eigenaar van een van de veroverde schepen met zijn zoon bij de admiraal en vraagt hem of hij zijn schip kan terugkopen. Piet Heyn, die de zaak niet vertrouwt en de mannen voor spionnen houdt, onderwerpt hen aan een verhoor, iets waarin de admiraal zeer bedreven is. Hij verneemt dat Luanda krachtig is versterkt en dat de stad verdedigd wordt door 1.800 Portugese en enige duizenden zwarte soldaten, de zeer woeste Jaga-kannibalen. Dit zijn voor de admiraal bepaald geen bemoedigende berichten, maar het zit hem ook in ander opzicht niet mee. Als de veroverde schepen de volgende dag, onder hevig Portugees vuur die de sloepen beschieten, gelost worden, blijken er drie van de vier gevuld te zijn met slaven en met bonen en water voor hun overtocht naar de Nieuwe Wereld. Slechts een Spaans schip uit Sevilla heeft een betere lading, wijn en olijfolie, aan boord. Ofschoon de door Piet Heyn bijeengeroepen scheepsraad besluit van een aanval op het zwaar versterkte Luanda af te zien, zal getracht worden zoveel mogelijk vijandige schepen in brand te steken. ‘De vijf boten, drie schuiten en een sloep, die een paar uur na middernacht, als het tij gunstig is, uitvaren, lopen hopeloos vast op de zandbanken en zij worden als het licht wordt en het vuur van alle kanten op hen wordt gericht tot een snelle aftocht gedwongen. Piet Heyn wil zijn mannen niet opnieuw blootstellen aan een aanval in een smal vaarwater, waarbij zij over vrij grote afstand zijn blootgesteld aan vijandelijk vuur uit laag liggende batterijen. Bovendien laten de Portugezen de volgende dag een schip zinken in het toch al smalle vaarwater, waarmee iedere nieuwe aanvalspoging verijdeld wordt.

Om toch nog iets te bereiken zendt Piet Heyn zijn vice-admiraal Willem Jansz. 7 november eropuit met twee jachten en een sloep en een groot gedeelte van de soldaten om Benguela, dat zwak verdedigd zou zijn, eventueel in te nemen. Hij moet daarbij trachten de plaatselijke bevolking op zijn hand te krijgen door te beloven hen van de Portugese overheersing te zullen bevrijden. De drie schepen dienen zich hoe dan ook op 30 november weer bij de vlag te melden bij Kaap Ledo. Willem Jansz. heeft een zware reis langs de kust naar het zuiden. Geplaagd door tegenwind en optornend tegen de Benguela-stroom bereikt hij eerst op 17 november op naar schatting 11º Z.B. een kaap die zij houden voor Benguela. Wat niemand weet is dat de kaap de Morro de Benguela a Velha op 10º45’ ZB.is. Dat deze plek al in 1587 door de Portugezen is verlaten, maar dat een kleine expeditie, onder leiding van Manuel Cerveira Pereira in 1620 de plek, op zoek naar koper, opnieuw heeft bezocht en daar een kruis heeft opgericht, maar de uiterst vijandige bevolking heeft de Portugezen opnieuw verjaagd. Ook weet noch Piet Heyn, noch een van de leden van de expeditie van Willem Jansz. dat er op 12º34’ ZB.door Manuel Cerveira Pereira in 1617 São Filipe de Benguela of Benguela a Nova is gesticht, dat in 1624 nog niet op de zeekaarten voorkomt. Het is de eerder door Van Zuylen bezochte Baía de Torre, waar hij zulke goede zaken heeft gedaan met de 70 daar verblijvende Portugezen. De Hollanders gaan aan land daar waar op hun kaarten Benguela staat aangegeven. Op een steile heuvel vinden zij een huisje en een groot kruis, maar verder is daar niets te bekennen van een nederzetting. Zij gaan weer aan boord, moeizaam op weg naar het zuiden en op 27 november zijn zij op 12º ZB. Inboorlingen aan de kust ontpoppen zich als vijanden en als hun pijlen negen zeelieden hebben verwond, schiet Willem Jansz. enige zwarten neer. Op 30 november meldt de vice-admiraal zich bij Piet Heyn. De admiraal vermeldt in zijn rapport dat Benguela niet gevonden is, omdat het zuidelijker moet liggen dan op de kaarten staat aangegeven.

Nu gebleken is dat de belangrijkste steunpunten van het Portugese gezag in West-Afrika: São Jorge da Mina en Luanda, om van São Tomé met zijn moordende klimaat maar te zwijgen, niet dan met de grootste krachtsinspanning te overmeesteren zijn, moet WIC de plannen daarvoor tot betere tijden uitstellen. Piet Heyn zet met zijn gehele vloot, waaraan twee prijsschepen, waaronder de S. Francisco van 160 ton, zijn toegevoegd (twee andere prijzen zijn verbrand) op 1 december 1624 koers naar Kongo, waar hij nog een opdracht dient te vervullen. Aan zijn optreden daar is al eerder aandacht besteed.

De nieuwe gouverneur, Fernão de Souza, wordt spoedig na zijn aankomst in São Paulo de Luanda geconfronteerd met een nijpend tekort aan maniokmeel, waarvoor Angola afhankelijk is van aanvoer uit São Salvador de Baía, Rio de Janeiro en Pernambuco. Door de oorlogshandelingen in Brazilië is de aanvoer van dit volksvoedsel achterwege gebleven en dreigt er hongersnood in Angola. Fernão de Souza voorziet terecht dat met de aanstaande komst van grote versterkingen uit Lissabon de voedselvoorziening nog verder zal verslechteren en hij besluit daarom Angola voor zijn behoefte aan maniokmeel los te maken van Brazilië. Ondanks tegenwerking van degenen die aan de importen uit Brazilië verdienen, worden in de omgeving van Luanda, aan de Rio Bengo en in de nabijheid van de forten grote uitgestrekte landerijen vruchtbaar land in gebruik genomen die, door slaven bewerkt, weldra overvloedige oogsten opleveren.

Tegen die tijd moet het zonneklaar zijn geworden dat een doelmatige handel in slaven de medewerking vereist van een Afrikaanse staat, waardoor de handel functioneert. De oude handel is geleid door Ngola Kiluanji. Zijn dood heeft de handel doen wankelen en ofschoon Luís Mendes de Vasconcelos heeft getracht de handel opnieuw leven in te blazen door massieve militaire actie, heeft hij niet meer bereikt dan de verwoesting van het oude Ndongo en hij is naar huis gezonden nadat hij uit de gratie was geraakt. João Correia de Souza heeft met weinig succes een onbezonnen expeditie naar Kongo ondernomen in de hoop een nieuwe bron van slaven te kunnen aanboren, Fernão de Souza, de nieuwe gouverneur, tracht de monarchie van Ndongo nieuw leven in te blazen en de handel door Mbundu- agenten op dezelfde leest te schoeien als voorheen. Omdat hij daarmee geen succes boekt, zal hij later, een sterk in Portugal afgekeurde, poging ondernemen, een nieuwe Mbundu-monarchie te stichten.

Ngola Mbandi sterft waarschijnlijk korte tijd voor Fernão de Souza in Luanda aangekomen is. Hij heeft zijn zoon toevertrouwd aan de ‘Jaga’ Kasa, in de verwachting dat hij de jongen een militaire opleiding zal geven en hem zal beschermen tegen iedere poging van zijn tante Nzinga hem van het leven te beroven, omdat Ngola Mbandi haar zoon enige jaren eerder heeft gedood. Het plan mislukt; na Mbandi’s overlijden koopt Nzinga met succes Kasa om, om haar neef aan haar te overhandigen. Er wordt geloofd dat zij hem heeft gedood en zijn hart heeft verorberd. Bento Rebello, die in Ndongo is ten tijde van Mbandi’s overlijden, heeft Nzinga ervan beschuldigd Mbandi te hebben vergiftigd. Zij is gekant geweest, zegt Bento Rebello, tegen zijn politiek van verzoening met de Portugezen. Daar Nzinga na Mbandi’s overlijden dezelfde politiek heeft gevolgd, lijkt het onwaarschijnlijk dat zij het daarmee aanvankelijk volledig oneens is geweest. Zij kan niettemin verantwoordelijk zijn geweest voor de vergiftiging van Mbandi, ten einde zelf de absolute macht in Ndongo in handen te krijgen. Fernão de Souza schrijft in 1624 in een brief uit Luanda te denken dat Mbandi zelfmoord heeft gepleegd.

Nzinga wordt de onbetwiste koningin van de Mbundu, ofschoon zij afgelegen woont op de eilanden in de Rio Cuanza in het oosten van Ndongo. Om de handel, die bijna volledig tot stilstand is gekomen, te stimuleren, biedt zij Fernão de Souza in een brief een schikking aan. Als de gouverneur het fort in Mbaka ontruimt, zal Nzinga haar woonplaats op de eilanden in de Rio Cuanza opgeven. Zij zal ook de slavenmarkt van Kisala opnieuw stichten en de Mbundu instrueren hun slaven daar te verkopen. Fernão de Souza is er sterk voor dit aanbod te accepteren, maar besluit dat hij niets kan ondernemen zonder koninklijke instemming. Gedurende een jaar schijnt er verder niets te gebeuren. De gouverneur is ondertussen druk doende met de versterking van de zeewaarts gerichte defensie van Luanda tegen de dreiging van de Hollanders. Hij organiseert ook de inning van belastingen en schattingen onder de sovas die loyaal zijn gebleven aan de Portugezen, maar hij is niet van plan het gebied onder Portugese controle uit te breiden. Het innen van het tribuut is hard werk. Veel sovas zijn zozeer verarmd door de meedogenloze afpersing van slaven door vroegere gouverneurs en capitães dat zij niet bij machte zijn hun aandeel in het tribuut te betalen, of zij zenden jonge jongens of oude mannen in plaats van de Peça da India, waarmee bedoelt wordt een jonge volwassen slaaf van 15-25 jaar. Sommige schattingen worden zelfs betaald in de vorm van palmkleding.

De krachtige druk slaven te leveren uitgeoefend op de Mbundu-chiefs die wonen onder de dominantie van de Portugese forten, doet vele chiefs uitwijken naar het oostelijk deel van Ndongo, waar zij zich aansluiten bij de strijdkrachten van Nzinga. De koningin is dus langzamerhand een gewapende macht aan het opbouwen die vijandig staat tegenover de Portugezen. Zij geeft ook onderdak aan uit Luanda weggevluchte slaven. Hierover zijn de kolonisten vreselijk bezorgd; sommigen beweren dat zij op deze wijze al 150 man zijn kwijtgeraakt. Om de zaken nog erger te maken, loopt een aantal Portugese oorlogsslaven, die het overgrote deel van hun leger uitmaakt, over naar de kant van Nzinga. De kolonisten en handelaren die hun weggelopen slaven terug willen hebben, vragen om een oorlog tegen Nzinga, maar het regimento van de gouverneur laat aan duidelijkheid niets te wensen over; hij mag alleen de oorlog verklaren voor defensieve doelstellingen of in het geval van een opstand. Fernão de Souza zendt twee paters jezuïeten om met Nzinga te onderhandelen over de terugkeer van slaven die ondubbelzinnig zijn ontsnapt van Portugese overmeesteraars; maar zij boeken geen resultaat en keren onverrichter zake naar Luanda terug. Nzinga zendt een ambassadeur naar Luanda om te onderhandelen over de heropening van de handel, maar haar gezanten boeken geen succes en worden ervan beschuldigd chiefs onder Portugees bestuur aan te moedigen de zaak van de blanke man in de steek te laten en zich aan de zijde van koningin Nzinga te scharen.

In 1625, als onderhandelingen met Nzinga niet tot een oplossing lijken te zullen leiden, sluit Fernão de Souza een bondgenootschap met een Mbundu-chief die dichtbij Nzinga’s kamp woont, Ari Kiluanji, chief van de rots omheind door Pungu a Ndongo, is vriendelijk jegens de Portugezen. Hij vraagt een vazal van de Portugese Kroon te mogen worden en hij wordt daartoe ontboden in het fort van Mbaka. Daar wordt hem gevraagd Nzinga’s oorlogsplannen uit de doeken te doen. Door een soldaat – genaamd Manuel Fernandes Ladroal en dus zelf waarschijnlijk ook een Portugees – die vier jaren met de Mbundu tegen de Portugezen heeft gestreden, wordt onthuld dat er een algemene opstand tegen de Portugezen wordt voorbereid. Als Nzinga verneemt dat Ari Kiluanji naar Mbaka is gegaan, verklaart zij hem ogenblikkelijk de oorlog. Hij doet een beroep op Portugese bescherming, wat de gouverneur het legale recht geeft Nzinga de oorlog te verklaren ter bescherming van een onderdaan van de Portugese Kroon.

Eind 1625 arriveert de beloofde versterking, onder bevel van de vroegere gouverneur van Angola, de vechtersbaas Bento Banha Cardoso, in Luanda. Hij brengt een aanzienlijke troepenmacht, onder wie veel fortuinzoekers, mee, want in Angola hebben degredados, avonturiers en soldaten kans gezien zich in enkele jaren op te werken tot aanzienlijke kooplieden van wie hun verleden is vergeten en die als vooraanstaande burgers en eigenaren van honderden slaven, deel uit maken van de Angolese samenleving. Officieren en civiele ambtenaren zijn niet achtergebleven; hun geld heeft er tevens voor gezorgd dat de belangrijkste van de te vergeven functies in het koloniale zaken- en politieke leven onder hen zijn verdeeld; hun aaneengesloten kaste vormt een hecht bolwerk tegen iedere poging een einde te maken aan een corrupt systeem waarin machtsmisbruik en zelfbevoordeling hoogtij vieren. Talrijke Portugezen, wie de toekomst van de kolonie ter harte gaat, keuren deze wantoestand onomwonden af. Bij herhaling wenden zij zich met hun klachten tot de Spaanse koning; bewaard gebleven brieven weerspiegelen hun bezorgdheid om het lot van Angola en zijn tegelijk de echo van de roepstem om meer menselijkheid in de slavenhandel na te streven. Niet dat zij de handel als zodanig afkeuren; hun bezwaren gelden slechts de gebruikte methoden. Omstreeks 1611 heeft Madrid de gouverneur opgedragen kooplieden te verbieden het binnenland in te trekken om te verhinderen dat zij volkeren tegen elkaar opzetten. Zij die baat hebben bij stammenconflicten betogen dat al er sprake was van stammenoorlogen tussen de ‘heidenen’ voor de komst van de Europeanen. Cadornega schrijft: ‘Wij kunnen onze positie over deze ontembare heidenen slechts handhaven met geweld en door hen angst in te boezemen.’ Alleen die Afrikanen die deel uitmaken van de Portugese gemeenschap en halfbloeden verwekt door Portugese mannen kunnen op begrip en consideratie rekenen. Een onbarmhartige uitbuiting van de Afrikaanse massa gaat gepaard met een paternalistische acceptatie van de Afrikaanse of mulatto-minderheid die zich de Portugese culturele waarden eigen maakt.

Het besluit blanke kooplieden te verbieden het binnenland in te trekken wordt ontdoken door mulatten en vertrouwde slaven daarheen te zenden. Hen wordt niets in de weg gelegd, omdat de bevelhebbers in de forten ook zelf bij de slavenhandel betrokken zijn. Om te voorkomen dat officieren en kooplieden op eigen gezag een oorlog tegen vreedzame stammen beginnen, is bepaald dat alleen in verdedigingsoorlogen slaven mogen worden gemaakt. Ook Fernão de Souza doet wat in zijn vermogen ligt om betere verhoudingen in Angola te scheppen waarbij het hem niet aan tegenwerking ontbreekt. Zo verbiedt hij accumulatie van functies, evenwel zonder resultaat: men beroept zich op een tekort aan competente blanke inwoners en alles blijft bij het oude.

Het bewind van Fernão de Souza wordt gekenmerkt door strijd aan alle kanten, tegen recalcitrante burgers, tegen de Hollanders en tegen de inheemsen die overal in verzet komen. Een van de zaken die de gouverneur veel zorgen baart, is de kwetsbare positie van Benguela a Nova, dat onlangs bezoek heeft gehad van de Hollanders, die dus weten hoe gemakkelijk de plaats te veroveren is. De gouverneur wil Manuel Cerveira Pereira, die zich in Luanda bevindt, met een aantal degredados naar Benguela zenden. Deze verklaren te zullen overlopen naar de Hollanders in Mpinda, liever dan onder de gehate capitão naar de hel van Benguela, met haar koortsen en gevaren, te worden gestuurd. Eerst eind april 1627 vertrekt een kleine expeditie onder Lopo Soares Lasso naar Benguela. Hij heeft opdracht eerst na te gaan of de tot vijftien man geslonken bezetting niet door de Hollanders is overweldigd, voordat hij aan land gaat. De Hollandse schepen, die kapers blijken te zijn, hebben Benguela met rust gelaten, zodat de expeditie haar bestemming kan bereiken.

De Portugese gemeenschap van Benguela bestaat uit mensen die het onrustige Kongo verlaten hebben, bannelingen en veroordeelden uit Portugal, en tenslotte uit misdadigers uit Brazilië. Zij zijn wellicht de eerste echte kolonisten in Angola. Zij hebben in de omgeving geen minerale rijkdommen kunnen vinden en wat de handel in slaven betreft kunnen zij niet op tegen de grote slavenmarkten in het noorden. Zij moeten maar zien zich in leven te houden met het bewerken van de grond, met veeteelt en visvangst en zoals Philips van Zuylen heeft ervaren is de kleine gemeenschap van handelaren, vissers en boeren er uitstekend in geslaagd vrijwel zelfvoorzienend te worden.

In 1633 bezoekt een Hollands kaperschip de haven van Benguela. Zonder zich ook maar iets van de daar aanwezige Portugezen aan te trekken, gebruikt de bemanning van het Hollandse schip de haven van Benguela als uitvalsbasis voor haar operaties. Lopo Soares Lasso, nog steeds de capitão in Benguela, kan niets tegen de zwaarbewapende kaper beginnen, maar hij ziet kans drie nachten achtereen een kano met verzoek om hulp naar Luanda te zenden. Luanda zendt vijf schepen op de kapers af. Zij naderen Benguela ongemerkt, omdat bosschages het zicht op uit het noordwesten naderende schepen ontnemen. Als het Portugese eskader plotseling opduikt, ontbrandt een ongelijke strijd. Na een strijd van twee uren moeten de kapers hun vlag strijken en het veroverde vijandelijke schip wordt in triomf naar Luanda gebracht. Nauwelijks een jaar later verschijnen er opnieuw kapers aan de kust. Het zijn de jachten Tamarica en Ever, onder bevel van commandeur Cornelis Jansz. die door de WIC naar Angola zijn gezonden. Op 7 augustus 1634 bevinden de jachten zich in de enorme Baía dos Tigres. De twee jachten maken eind september, vanuit een meer naar het noorden gelegen baai, het uit Rio de Janeiro afkomstige fluitschip Vlasbloem buit. De fluit blijkt te zijn geladen met levensmiddelen, huiden, katoentjes en wat gemunt geld. De drie stukjes geschut van de fluit zijn ook zeer welkom. Terug bij de verversingsplaats worden de Hollanders door enige Portugezen gesteund door inlanders overvallen. Cornelis Jansz. en enige anderen worden vermoord, terwijl twee matrozen worden gevangengenomen. Zij worden losgekocht door de opvolger van Cornelis Jansz., Lucas Pietersz. Raven, die de Vlasbloem naar Pernambuco zendt. Midden januari 1635 bevinden de beide jachten zich in een baai ten noorden van de Morro de Benguela a Velha. In veertien dagen vallen hen twee kustvaartuigen en het schip Nossa Senhora do Carmo, alle geladen met wijn en stukgoederen, in handen. De Nossa Senhora do Carmo, een goede zeiler, wordt omgedoopt in Angola en krijgt een prijsbemanning onder Claes Ariensz. Francken. Een kustvaartuig wordt voor brandhout gesloopt en het andere wordt naar fort Nassau in Moure aan de Minakust gezonden. Inmiddels is een Portugees eskader van vier schepen, onder António Neves Camelo, uit Luanda, dat gewaarschuwd is door Lopo Soares Lasso, op zoek naar de kapers. Door een list gelukt het de Portugezen de Ever op 19 februari 1635 na dapper verweer te nemen. De ontkomen Tamarica en Angola keren via Mpinda terug naar Holland. Eind januari 1636 komt alweer een nieuwe kaper naar de westkust van Afrika. Het is het 150 ton grote jacht de Windthondt, onder Martien Swaentgens. Het jacht dient eerst geladen slavenschepen te veroveren ‘omtrent Catchieu’. Het schip dient de slaven naar Pernambuco te brengen en zich daarna naar de kust van Angola te begeven. In maart 1636 neemt de Windthondt bij Cabo Branco de Nossa Senhora do Rosario, geladen met wijn, harpuis en vijgen. Het schip wordt door een prijsbemanning naar Pernambuco gebracht. Enkele weken later wordt een Spaanse bark met een lading wijn buitgemaakt. Samen met de uit Brazilië afkomstige galjoot Mouthaen verovert de Windthondt een Spaans schip op de Afrikaanse kust, dat de Mouthaen naar Pernambuco brengt. Begin 1637 wordt de Windthondt ontdekt door het Portugese kustbewakingseskader onder Bartolomeu de Vasconcelos. Na een hevig gevecht moet het de vlag strijken, waarmee een kaperschip van de WIC met een zeer respectabele staat van dienst in de Braziliaanse wateren van het toneel verdwenen is. In 1637 komt de Tijger uit Pernambuco de Angolese kust onveilig maken, maar de Portugese tegenmaatregelen blijken voldoende te zijn. In 1638 komen de St. Michiel en de Maecht van Enchuysen naar de kust van Angola. Aanvankelijk blijft succes uit en keert de St. Michiel met in Kongo geladen slaven naar Brazilië terug. De Maecht van Enchuysen krijgt daarop gezelschap van het jacht de Caritas, dat aan de Goudkust thuishoort. Zij overmeesteren in de Baía Farta samen in mei 1639 een flink Portugees schip, de São Pedro, geladen met een grote partij meel. De Caritas brengt het meel naar de Goudkust en een prijsbemanning brengt de São Pedro naar Brazilië. Zodra Luanda bemerkt dat er opnieuw Hollandse kaperschepen actief zijn, zeilt een Portugees kustbewakingseskader van vier schepen uit. Op 21 augustus ontmoet het eskader ter hoogte van de Kongostroom het schip Mooriaen, onder de vechtersbaas Jacob Hes. Hij vecht acht uur met de Portugezen; een schip zendt hij naar de kelder en de drie andere schepen druipen zwaar gehavend af. Op de Kongostroom ontmoet Hes de Maecht van Enchuysen en gezamenlijk binden zij de strijd aan met de Portugese schepen op de rivier. Hes overmeestert een bark en twee met slaven geladen boten en de Maecht van Enchuysen neemt nog twee boten en jaagt een Portugese fluit, geladen met wijn en andere goederen op het strand. Het schip slaat om en vergaat. Op de terugreis naar Pernambuco verovert Hes nog een uitstekend bezeild Spaans schip, de S. Juan Baptista, geladen met wijn. De Portugezen in Luanda geven de moed nog niet op. Bij Kaap Ledo ontmoet hun eskader van drie schepen eindelijk de Maecht van Enchuysen. In het gevecht dat ontstaat sneuvelt hun bevelhebber, Jácome Ferreira, een voormalig zeerover in moorse dienst. In de verwarring die hierdoor ontstaat weet het Hollandse schip te ontsnappen. De gouverneur van Angola zendt Bartolomeu de Vasconcelos met enige schepen achter de vluchteling aan. Hij vindt de Maecht van Enchuysen in de Baai van Kikombo, waar de Hollanders hun doden hebben begraven. Tot een nieuwe strijd komt het niet ‘omdat de Maecht van Enchuysen er niet aan denkt het tegen zulk een overmacht op te nemen en met de buit het ruime sop kiest’. In augustus van het jaar daarop komen de Portugese schepen weer in actie en worden de Hollanders opnieuw van de kust verdreven.

Fernão de Souza maakt zich ook zorgen over de Hollandse positie in Mpinda, waar zij de laatste jaren een veel rijkere verscheidenheid aan goederen aanvoeren dan de Portugezen. Hun producten vallen zeer in de smaak van de Kongolezen, die ook gaarne hun ivoor aan de Hollanders verkopen omdat zij daarvoor hogere prijzen betalen dan de Portugese monopolieprijs. Zoals eerder is vermeld maakt Fernão de Souza handig gebruik van de verkoeling van de Hollands-Kongolese betrekkingen door de onhandigheden van Van Zuylen en Piet Heyn. Hij eist de sluiting van de Hollandse factorij in Mpinda. Aan zijn eis wordt, zij het tijdelijk gevolg gegeven. Als het optreden van koningin Nzinga hem dit niet onmogelijk zou hebben gemaakt, zou Fernão de Souza zijn voornemen hebben uitgevoerd de Hollanders met militaire middelen uit Mpinda te verdrijven.

Hiervoor is al melding gemaakt van het onderhoud dat Nzinga met gouverneur João Correia de Souza in 1622 heeft gehad, bij welke gelegenheid zij met grote welsprekendheid de belangen van haar land Ndongo naar voren heeft gebracht. Toen de gouverneur zich op een gegeven moment heeft laten ontvallen dat ter bekrachtiging van de overeenkomst Ndongo een jaarlijkse schatting zal moeten opbrengen, heeft zij hem in bijtende bewoordingen toegevoegd, dat een dergelijke eis gesteld kan worden aan een overwonnen volk, maar nooit aan het hare, dat slechts vriendschap en vrede met de Portugezen zoekt. Nzinga heeft verkregen wat zij verlangd heeft: een verdrag zonder enige vernederende tegenprestatie. Nadat zij in Luanda tot het katholieke geloof is overgegaan en de naam van Ana de Souza heeft aangenomen, wat haar populariteit nog verhoogt, keert zij met rijke geschenken naar Ndongo terug. Spoedig zou men haar ware aard en de beweegredenen voor haar belangstelling in de beschaving van de blanken leren kennen. Haar troonsbestijging op de leeftijd van 45 jaar gaat met bloedige mensenoffers gepaard en gaat volgens de riten van land en volk van de Mbundu. Zij slaagt erin veel Portugezen een rad voor de ogen te draaien, maar niet Fernão de Souza, voor wie de ware stand van zaken niet lang verborgen blijft. Niets komt hem meer ongelegen dan een oorlog met Nzinga, nu de troepen in het binnenland zeer verzwakt zijn ter verdediging van Luanda. Bovendien komt ook niets terecht van zijn plan de gehele kuststrook van Luanda tot Cabo Lopez Gonçalves te zuiveren van Hollanders. Afgezien van dit alles vreest de gouverneur Madrid en Lissabon hevig te ontstemmen met een oorlog tegen koningin Nzinga, omdat men hem op het hart heeft gedrukt geen oorlog tegen haar te beginnen. Fernão de Souza tracht tot het laatste moment de oorlog tegen Nzinga te vermijden, maar als de koningin verneemt dat Ari Kiluanji naar Mbaka is gegaan en daar met de Portugezen heeft gesproken, verklaart zij hem ogenblikkelijk de oorlog, terwijl de Ngola van Ndongo een beroep doet op zijn Portugese bondgenoot, kan de oorlog niet uitblijven.

Als Nzinga Ndongo binnenvalt wordt zij door de Mbundu als een bevrijder begroet. Een kleine afdeling Portugezen wordt door haar in een hinderlaag gelokt en vernietigd. Door deze overigens onbetekenende overwinning neemt haar populariteit buitensporig toe, waardoor zelfs de bevolking in gebieden rond de forten, die al menigmaal de tuchtigende hand van de Portugezen heeft moeten voelen, in opstand komt. Fernão de Souza biedt haar aan, haar tegen een jaarlijkse schatting in het bezit te laten van Ndongo, maar zij neemt dit aanbod niet eens in overweging. Op het kritieke ogenblik, eind 1625, arriveert Bento Banha Cardoso met zijn aanzienlijke versterkingen in Luanda en verklaart de gouverneur haar formeel de oorlog. Begin 1626 worden de kapiteins, gemeentelijke adviseurs, en ambtenaren van de departementen van justitie en de schatkist in Luanda bijeengeroepen om te participeren in de oorlogsraad. De raad stemt in met een grootscheepse aanval op koningin Nzinga. Het is nodig in Ndongo een nieuwe en loyale koning, die een vazal is van de Portugese Kroon, de troon te doen bestijgen. Het leger begint op 7 februari 1626 aan zijn opmars, onder bevel van de oude krijgsman Bento Banha Cardoso. In hem zal de koningin haar meerdere moeten erkennen. Nzinga wordt verdreven van alle eilanden in de Rio Cuanza op een na. Hierop heeft Nzinga zich met het gros van haar leger teruggetrokken. Het ligt voor de hand dat zij zich daar tot het uiterste zal verdedigen, maar zij vraagt om een wapenstilstand van drie dagen. Daarna blijkt zij met haar leger spoorloos te zijn verdwenen. Toch zou zij niet aan hardnekkige achtervolging ontkomen zijn, als Luanda niet in september of oktober 1627 zou zijn opgeschrikt door een bericht dat de gevreesde admiraal Piet Heyn onverwachts de haven van São Salvador de Baía is binnengevallen, onder het vuur van oorlogsschepen enige koopvaarders heeft weggesleept en op weg zou zijn naar Luanda. Fernão de Souza begrijpt dat de admiraal op revanche uit is en neemt geen risico. De reeds gewonnen oorlog tegen Nzinga wordt afgesloten en de troepen keren terug naar Massangano, waar zij zich inschepen in grote kano’s en sloepen, waarin zij de Rio Cuanza afzakken naar Luanda.

Nadat Ari Kiluanji is overleden, waarschijnlijk tegen het einde van 1626, kiest Bento Banha Cardoso een andere Ari om Ari Kiluanji op te volgen en hij verkrijgt de instemming van de sovas en capitães die hem vergezellen. De nieuwe chief wordt Ngola van Ndongo gemaakt. In het voorjaar van 1627 wordt hij gedoopt als Dom Felipe en zijn koningin als Dona Guyomar. Hun zoon wordt naar Luanda gezonden en neemt de doopnaam Francisco aan. De nieuwe marionet-Ngola stemt ermee in jaarlijks honderd slaven als tribuut aan de Portugezen te betalen en hij staat de jezuïeten toe een kerk te bouwen in Pungu a Ndongo, zijn hoofdstad, en tenslotte gaat hij akkoord met de heropening van de slavenmarkten. De markt van Mbumba a Kisanu functioneert in maart 1627, en de Mbundu-chiefs worden gelast alle pombeiros naar Mbumba a Kisanu te zenden liever dan ‘in gesloten ruil’ zaken te doen met particulieren. In het volgende jaar wordt een capitão naar de oostgrens van Ndongo gezonden om een nieuwe markt te openen in Ndala Kisuba. Hij wordt geïnstrueerd zijn opdracht uit te leggen aan Ngola Ari als hij langs Pungu a Ndongo komt en hij dient zich te verzekeren van de medewerking van de Ngola. De sova van Ndala Kisuba dient bedankt te worden voor de hulp die hij enkele pombeiros heeft geboden die aan Nzinga zijn ontvlucht. Hem wordt ook een aanbod van Portugese militaire hulp gedaan, indien hij instemt met de opening van een nieuwe slavenmarkt en wil toestaan dat handelaren ongehinderd door zijn gebied reizen. Het nieuw gestichte tijdelijke handelscentrum floreert enige tijd tijdens het laatste deel van Fernão de Souza’s gouverneurschap.

Bij het opzetten van een nieuwe de Portugezen vriendschappelijk gezinde Ndongo-monarchie, heeft Fernão de Souza niet alleen te kampen met de onvermijdelijke vijandschap van Nzinga, maar ook met de achterdocht van de sovas. De laatsten klagen erover dat Ngola Ari de zoon is van een ‘slaaf’ en dat zij hem daarom onmogelijk kunnen gehoorzamen. Een belangrijke taak van de Ngola is die van regenmaker. De Mbundu hebben geleden onder een lange periode van droogte, in de tijd dat Ngola Mbandi een vluchteling was door de aanvallen van Vasconcelos en zij zijn ervan overtuigd dat zij door nog meer van zulke rampen zullen worden getroffen, tenzij zij de ware leider erkennen. Zij vragen of een van de zusters van de overleden Ngola Mbandi koningin zou kunnen worden. In de tussentijd trekken vele chiefs weg uit Ndongo om zich elders te vestigen. De bisschop van Luanda beveelt aan Ngola Ari af te zetten ten bate van een acceptabeler kandidaat, maar de jezuïeten en anderen steunen Ngola Ari’s aanspraken, omdat hij de door hem beloofde tribuut betaalt. Fernão de Souza brengt de zaak onder de aandacht van de koning in Madrid, met de aanbeveling dat als Ngola Ari het veld moet ruimen voor een van de zusters van Mbandi, dit dan niet Nzinga zal zijn, maar liever een jongere zuster, ‘Maria Camfo’, waarschijnlijk Mukambu.

Nzinga’s verzet tegen Ngola Ari neemt een militaire vorm aan, ondanks dat zij in december 1627 haar chief luitenant heeft verloren. Deze opperbevelhebber is naar Luanda gegaan om met de Portugezen te onderhandelen en hij is geëxecuteerd wegens spionage. Zij keert terug naar de eilanden in de Rio Cuanza, waarvan zij verdreven is door Bento Banha Cardoso, en valt de Portugezen een tweede maal aan, wordt verslagen door Payo de Araujo de Azevedo, die Bento Banha Cardoso als opperbevelhebber van het leger is opgevolgd. Nzinga zelf vlucht naar Hako, ten zuiden van de Rio Cuanza, of naar het land van de Songo, ten oosten van Ndongo, maar haar zusters worden gearresteerd en naar Luanda overgebracht. Het Portugese leger wordt ervan weerhouden Nzinga te achtervolgen door een uitbraak van pokken. Volgens Fernão de Souza verenigt Nzinga haar strijdkrachten met het leger van Kasanje, dat 80.000 boogschutters op de been kan brengen. Nzinga trekt voor de derde maal naar de eilanden in de Cuanza en zet de Mbundu onder druk om de nieuwe markt in Ndala Kisuba te sluiten en de aanvoerroutes voor slaven te blokkeren.

De nederlaag van Nzinga heeft de onderwerping van vele kleine stammen tot gevolg; Fernão de Souza kan dan ook aan het einde van zijn ambtsperiode met trots en voldoening verklaren dat door 204 stamhoofden aan de Spaanse Kroon een jaarlijkse schatting wordt betaald bestaande uit: 698 eenheden slaven; 277 kleden; 1144 zakken maïs; 33 zakken bonen; 580 stuks pluimvee; 273 kalebassen palmolie; 12 koeien; 2 kano’s; 3180 stuks gevlochten kleden; 3 pannen honing en twee olifantstanden. Bovendien ontvangt de Kroon nog de opbrengst van de verpachting van de rechten op uitgevoerde slaven, zijnde fls. 27 per eenheidiii over de duizenden slaven die jaarlijks naar Brazilië worden verladen, of fls. 47 van die welke voor West-Indië zijn bestemd. Althans, deze bedragen behoren aan de Kroon te worden afgedragen, bij voorgangers van Fernão de Souza is dit nog wel eens verzuimd.

Tegen de tijd dat Fernão de Souza uit Angola vertrekt, gaan er van de kant van lieden met belangen bij de handel in slaven steeds meer stemmen op toe te geven aan de druk van Nzinga en toe te staan dat een van haar zusters koningin van Ndongo wordt. De poging een nieuwe monarchie op te zetten wordt inmiddels gezien als een mislukking. In de rapporten de Fernão de Souza in 1632 schrijft over de situatie in Angola, beklemtoont hij, misschien onjuist, dat het onzalige idee afkomstig is van de inmiddels overleden Bento Banha Cardoso en niet van hemzelf.

Terwijl de Portugezen vooruitgang maken in Angola en pogen de oude dynastie te vervangen door een nieuwe beter te hanteren heerser, ontstaat er een andere beweging in Angola. Bedoeld wordt de beweging van de Imbangala, weg van het Portugese front, die uiteindelijk leidt tot de stichting van het koninkrijk Kasanje. Hoewel er uit de tijd van de stichting van Kasanje geen document is dat over dit feit verhaalt, schetsen de orale overleveringen van de Imbangala een beeld van de gebeurtenissen die tot de stichting van Kasanje in de wijde vlakte tussen de Tala Mungongo bergen en de bocht in de bovenloop van de Rio Kwango hebben geleid. Het doel van de trek naar het oosten van de Imbangala schijnt te zijn geweest weg te komen van de Portugese militaire invloed die Ndongo en het gebied aan de benedenloop van de Rio Cuanza zijn gaan domineren. Tegelijkertijd willen de Imbangala dicht genoeg bij de kust blijven om in staat te zijn aan de handel deel te nemen. Met de trek naar het oosten op zoek naar een geschikte vestigingsplaats zijn de eerste 30 à 35 jaren van de zeventiende eeuw gemoeid. Ofschoon de volkeren die aan de trek deelnemen zichzelf Imbangala noemen en de overleveringen de gewoonten van de oude Lunda-leiders bewaren, zijn zij hoofdzakelijk volkeren van Mbundu-afkomst die zijn gerekruteerd in de twee generaties sedert de oorspronkelijke invasie. Dit is het onvermijdelijke gevolg van hun gewoonte hun eigen kinderen om te brengen. De Pende, een Mbundu-volk, zeggen dat de ‘Imba-Ngola’ geleid door Kasanje hun broeders waren. Deze Kasanje, die het koninkrijk van de Imbangala aan de Rio Kwango heeft gesticht, is waarschijnlijk niet dezelfde als de Kasanje die het leiderschap van een deel van de Imbangala-invallers na de dood van Kinguri op zich heeft genomen.

Volgens de Imbangala-overleveringen heeft Kasanje bij zijn aankomst in Massangano militaire hulp aan de Portugezen gegeven. Hij verwerpt echter een aanbod van landerijen in de nabijheid van de Portugese forten en hij laat zich in plaats daarvan neder in de vallei van de Rio Lucala. Enige volgelingen van Kinguri die gedurende de laatste fase van de invasie van de Imbangala in Angola, gewoond hebben in Bola Kasash en in Libolo, voegen zich hier bij hem. De overleveringen verhalen verder dat Kasanje zich heeft gevestigd en heeft gepoogd een gewas te laten groeien, maar na twee jaren heeft een olifant zijn velden verwoest. Hij heeft jagers uitgestuurd die de olifant gevolgd zijn over Bondo naar Kilamba. De lokale chief van Kilamba heeft hem bedacht met tabak en zout, goederen waarom zijn land befaamd is. De jagers keren terug met zulke ronkende verhalen over de vruchtbaarheid van het land dat zij hebben gezien, dat Kasanje besluit het dal van de Lucala te verlaten, waar de bodem onvruchtbaar en het bos schaars is. Hij heeft toestemming tot emigratie verkregen van de Portugese ‘chief’ Miguel. Deze toestemming is gegeven onder de voorwaarden, dat de Imbangala vaak ambassadeurs met geschenken en tribuut terugsturen. De auteur Jan Vansina heeft gesuggereerd dat met Miguel wellicht is bedoeld Roque de São Miguel, die commandant van het fort in Hango is geweest van 1611 tot enige tijd vóór 1617. Als deze hypothese wordt aanvaard, dan ligt het voor de hand dat Kasanje waarschijnlijk tussen 1611 en 1617 van de Portugezen is weggetrokken. Deze tijdsspanne kan verder worden ingekort als wordt bedacht dat de Portugezen in 1611 en opnieuw na 1615 de Ngola hebben bevochten; zij kunnen dus alleen maar tussen de jaren 1612 en 1614 een bondgenoot toestemming hebben gegeven van het koloniale front weg te trekken. Dit mag misschien een niet al te sterk bewijs zijn, maar daarenboven beschikken we nog over een aanwijzing gegeven door Baltasar de Rebelo de Aragão, die in 1607 de koninkrijken ten oosten van Ndongo beschrijft en daarbij niet rept over Kasanje.

De trek van Kasanje naar het oosten is waarschijnlijk veel langzamer verlopen dan de overleveringen schijnen te suggereren. Toen Battell meereisde met een Imbangala-leger, heeft hij ervaren dat het op de meeste locaties waar het komt zes maanden verblijft. Het lijkt waarschijnlijk dat de vorderingen die Kasanje maakt bij zijn trek naar de Rio Kwango op dezelfde wijze verloopt. Er is al vermeld dat Kasanje in 1618 of 1619 is aangevallen door João Mendes de Vasconcelos. De exacte locatie van de veldslag is niet bekend, maar het is waarschijnlijk bij de grens van Ndongo en Matamba geweest en het is zeer onwaarschijnlijk dat het nog veel verder landinwaarts in het gebied van de bij de Rio Kwango levende aan de Portugezen schatting betalende stammen is geweest De volgende keer dat Kasanje wordt genoemd is in 1621, als de Ngola ermee instemt met de Portugezen vrede te sluiten na de oorlogen van vader en zoon Vasconcelos, op voorwaarde dat de nieuwe gouverneur João Correia de Souza, hem wil helpen Kasanje uit Ndongo te verdrijven. Vansina neemt aan dat Kasanje in die tijd bij de Rio Kwango een koninkrijk heeft en dat hij is teruggekeerd om Ndongo aan te vallen. Deze suggestie lijkt twijfelachtig. Een tegenwerping die gemaakt kan worden is dat het waarschijnlijk een lange tijd heeft geduurd voor de Imbangala de omslag hebben gemaakt van een zichzelf voorzienend rovend leger naar een gestichte staat dat een leger op de been kan brengen en uitzenden, terwijl de basisstructuur van de staat blijft bestaan. Het lijkt veel waarschijnlijker dat de Imbangala een plek hebben gevonden waar zij zich hebben neergelaten en dat zij een koninkrijk hebben ontwikkeld ná 1623, eerder dan vóór 1621. Als de Ngola tussen deze jaren een beroep doet op de Portugezen hem te helpen om Kasanje van zijn territorium te verdrijven, lijkt het – volgens David Birmingham – waarschijnlijk dat de Imbangala reeds een proces doormaken om Ndongo te verlaten, wat niet te rijmen is met aanvallen op dat land vanaf een basis aan de Rio Kwango.

De suggestie dat de stichting van het koninkrijk Kasanje niet is gebeurd vóór het midden of het einde van de jaren twintig van de zeventiende eeuw, in plaats van een decennium eerder, vindt steun in de orale overleveringen van de Pende. Dit volk herinnert zich de nederlaag die koningin Nzinga heeft geleden tegen de Portugezen als een gebeurtenis die heeft plaatsgehad vóór hun vertrek uit hun Mbundu-thuisland. Deze nederlaag zou een van de redenen van hun vertrek kunnen zijn geweest. Als de Pende vertrekken begeven zij zich naar de zoutpannen van de Rio Lui. Daar voegen zich de ‘Kasanji ka Kingudi’ bij hen. Kasanje legt de Pende hartvochtig hoge belastingen op en uiteindelijk verdrijft hij hen naar de Kasai. Een eendere Imbangala-overlevering wordt verteld door de Carvalho. Volgens hem zijn de Imbangala vanuit Ndongo over een periode van verscheidene jaren gemigreerd naar net noordoosten. Bij hun trek hebben zij voortdurend andere volken voor hen uit gedreven totdat zij zijn aangekomen bij de zoutpannen van het Holo-volk. Daar hebben zij zich gevestigd met de bedoeling de zoutvoorkomens te exploiteren. Gelet op deze overlevering lijkt het erop dat de Pende Ndongo hebben verlaten vóórdat de Imbangala dit hebben gedaan. Aangezien de Pende zich koningin Nzinga herinneren, is het onwaarschijnlijk dat zij Ndongo hebben verlaten vóór 1624, toen zij aan de macht is gekomen, en mogelijk herinneren zij zich koningin Nzinga, omdat zij in 1626 uit Ndongo is verdreven na een verloren slag tegen de Portugezen. Indien wordt aangenomen dat de Pende Ndongo hebben verlaten in 1626 en dat de Imbangala hen in de loop van verscheidene jaren naar de Rio Lui zijn gevolgd, dan is het onwaarschijnlijk dat de verovering de uiteindelijke vestigingsplaats van de Imbangala is begonnen vóór of rond 1630.

Als Kasanje aankomt bij de Rio Lui, dient hij het gebied waar hij zich met zijn mensen wil vestigen, veilig te stellen. Hij wordt hierbij geholpen door Ngonga Mbandi, een Mbundu-generaal van koningin Nzinga die zich met zijn volgelingen bij Kasanje heeft aangesloten. De overleveringen verschaffen bijzonderheden over deze verovering. De eerste vijand is de chief van Kilamba, die zo succesrijk is in het weerstaan van de Mbundu-Imbangala agressie dat hij erin slaagt Kasanje zelf gevangen te nemen. Om hem te redden vraagt zijn vrouw, een meisje uit Libolo, haar broers Ngonga Mbandi te helpen. Twee van hen geven gehoor aan de oproep van hun zuster en zij weten de Kilamba-chief onschadelijk te maken; zij nodigen hem uit om over vredesvoorwaarden te discussiëren en dan overmeesteren en doden zij hem en verbergen zijn lijk in een verborgen kuil onder de erezetel. Het volk van Kilamba vlucht na de dood van hun heerser weg en Kasanje wordt bevrijd. Uit dankbaarheid voor de ontvangen hulp legt Kasanje, volgens de overleveringen, vast dat de troonopvolging als volgt in zijn werk gaat. Voor opvolging komen in aanmerking beurtelings een lid van zijn eigen familie, dan een erfgenaam van Ngonga Mbandi en tenslotte een lid uit de familie van de oudste van de twee behulpzame broers van zijn vrouw. De jongste van dit tweetal ontvangt de titel Kasa en hij wordt de heerser over een grote provincie in het nieuwe koninkrijk. Hij wordt ook een invloedrijk kiezer bij de keuze van een nieuwe koning.

Na de verovering van Kilamba groeit het nieuwe koninkrijk snel. Chiefs van de omringende gebieden komen Kasanje schatting betalen liever dan het risico te lopen door hem te worden aangevallen. De hoofdstad van het koninkrijk is spoedig verplaatst van Kilamba verder naar het zuiden onder het voorwendsel dat de vroegere locatie gevaar loopt door wilde dieren. Het is waarschijnlijk dat de werkelijke reden voor de verplaatsing van de hoofdstad is dat dan beschikt kan worden over een nieuwe meer zuidelijke handelsroute van Kasanje naar de grens van door de Portugezen beheerst gebied. Gedurende de jaren dertig van de zeventiende eeuw, terwijl Kasanje zijn koninkrijk consolideert, verovert Nzinga Matamba en de oude route dwars door dat land naar de Rio Lucala zou afgesloten kunnen zijn voor de Imbangala. De heersers van Kasanje hebben wellicht ook een poging gedaan voordeel te behalen van de natuurlijke verdediging door de plotseling oprijzende steile helling van de Tala Mugongo. Achttien maanden nadat Kasanje de laatste weerstand heeft overwonnen, sterft hij en wordt opgevolgd, ofschoon niet zonder strijd, door Kasanje ka Kulashingo Het nieuwe koninkrijk Kasanje, vernoemd naar zijn stichter, blijft aan de westkant van de bovenloop van de Rio Kwango bestaan tot in het midden van de negentiende eeuw als Neves het land bezoekt.

De verovering is het slothoofdstuk van het verhaal van de Lunda-Imbangala invasie in Angola, van het in toenemende mate overnemen van de cultuur van de Mbundu door de Imbangala-legers, en uiteindelijk van de terugtrekking van een van deze legers naar de Rio Kwango om er een nieuw koninkrijk te stichten, dat optreedt als een intermediar tussen het Lunda-empire en de Portugese kolonie. Volgens de hier gegeven interpretaties zijn deze gebeurtenissen verspreid over meer dan een halve eeuw en hebben zij zich niet in het rappe tempo voorgedaan dat zou kunnen worden verondersteld, afgaande op de orale overlevering. Nadat Kasanje als koninkrijk is gesticht, groeit het land in de tweede helft van de zeventiende eeuw uit tot een belangrijk doorvoerland en gedurende de volgende honderd jaar beheerst het een groot deel van de westwaarts gerichte handel in Centraal-Afrika.

Terwijl de Imbangala doende zijn met de verovering van de vlakte tussen de Tala Mungongo en de Rio Kwango en met de stichting van het koninkrijk Kasanje, trachten de Portugezen de voorspoed van hun kolonie te doen stijgen. Op 4 december 1630 wordt Fernão de Souza als gouverneur vervangen door Dom Manuel Pereira Coutinho. In die tijd moeten de Portugezen zich al bewust zijn van het feit dat zij van de Mbundu meer slaven hebben afgeperst dan deze hebben kunnen leveren zonder de demografische verhoudingen ernstig te verstoren. De stichting van een sterke Mbundu-dynastie die bereid is in slaven te handelen zal nu niet meer het probleem kunnen oplossen dat veroorzaakt wordt door een ernstige mate van ontvolking van Ndongo. In 1633 stelt Frei Gonçalo de Souza een rapport op dat sterk afwijkt van de optimistische visie die Fernão de Souza kort daarvoor heeft verwoord. Er wordt nog een heel klein beetje gehandeld en op de slavenmarkten is het aanbod opgedroogd. De belangrijkste oorzaak daarvan is volgens Frei Gonçalo de constante strijd. Een andere oorzaak zijn de kosten van de op de slavenhandel geheven belasting, die de Mbundu-chiefs verder weg het binnenland van Ndongo indrijft. Pombeiros moeten verscheidene maanden reizen om slaven te kunnen kopen. Dit is kostbaar in twee opzichten: het kost veel tijd en er sterven nog al wat slaven op de lange tocht naar de kust. Het betekent ook dat de pombeiros reizen tot buiten het gebied waar de Portugese meesters nog effectieve controle op hen kunnen uitoefenen. Enige vestigen zich ergens om voor eigen rekening handel te drijven, waarbij zij de goederen verduisteren die hun meesters aan hen hebben toevertrouwd. Hierdoor lijden de Portugese opdrachtgevers in Luanda grote verliezen, terwijl de stad als geheel ook verarmt.

Het Portugese optreden in Ndongo wordt in die tijd belemmerd door de constante dreiging van een Hollandse aanval op Luanda. De gouverneur durft de hoofdstad niet onverdedigd achter te laten om zijn strijdkrachten in te zetten tegen Nzinga en Kasanje. De Hollandse dreiging is weliswaar niet nieuw, maar is een toenemend gevaar. In 1623 en 1624 zijn twee aanvallen op Luanda afgeslagen, maar niet dan nadat de Hollanders verschillende Portugese schepen in brand hadden gestoken. Hollandse kooplieden zijn in het bijzonder actief in Loango en Kongo en soms belagen zij Portugese koopvaarders die op weg zijn naar Luanda en ontdoen hen van hun lading handelsgoederen. De Hollandse dreiging en de ontvolking van Ndongo zijn waarschijnlijk de redenen waarom Dom Manuel Pereira Coutinho zijn aandacht richt op het land van de Ndembu in het zuiden van Kongo, dat hij wil betrekken bij de slavenhandel. De regio is niet ver van Luanda en het leger kan snel worden teruggeroepen als dit nodig zou zijn. Het is ook mogelijk dat die regio minder intensief is geëxploiteerd dan Ndongo, omdat het een deel van Kongo is, formeel een bevriend koninkrijk en een bondgenoot van Portugal. Er wordt tegen de Ndembu -chief Mbwila een campagne gelanceerd, onder het voorwendsel dat hij weggelopen slaven onderdak zou hebben verschaft. António Bruto voert de blanke troepen aan en een Afrikaanse capitão, António Dias Musungo, leidt het lokaal gerekruteerde leger, bekend als de ‘guerra preta’. Het voornaamste onderscheidingsteken van de capitão is een ijzeren klok zonder klepel, waarmee de Imbangala-troepen bevelen worden gegeven. Deze klok, die klaarblijkelijk gelijk is aan de klok die gebruikt wordt door de Lunda-heerser, wordt met groot ontzag bij het leger bewaard. In het gevecht weet António Bruto veel slaven te verwerven, maar hij lijdt ook hevige verliezen wat te wijten is aan het onverwacht grote aantal vuurwapens dat Mbwila heeft kunnen verzamelen. De oorlog duurt nog voort als Dom Manuel Pereira Coutinho in 1635 wordt vervangen door Francisco de Vasconcelos da Cunha. Mbwila’s in de rotsen gelegen sterkte wordt op dat moment belegerd, waarbij de aanvallers de vijand nauw omsingeld houden. Mbwila vraagt de nieuwe gouverneur om vrede, waarbij hij belooft alle bij hem verblijvende gevluchte slaven te zullen teruggeven en een vazal van de Portugese Kroon te worden. De gouverneur aanvaardt de vredesvoorwaarden en beëindigt de tegen Mbwila gerichte veldtocht. Hij is bij zijn beslissing mogelijk beïnvloed door het nieuws dat er Hollands eskader boven de wind voor Luanda ligt. Als het alarm is ingetrokken, lanceert Francisco de Vasconcelos da Cunha een veldtocht in Quiçama.

Terwijl de Portugese gouverneurs druk doende zijn in de regionen dicht bij Luanda, is koningin Nzinga actief aan de oostkant van Ndongo. Volgens Cavazzi, die in die tijd een ambassadeur is aan haar hof en die in de positie verkeert Nzinga’s lezing te vernemen uit de best denkbare bron, namelijk van de koningin zelf die, na uit Ndongo te zijn verdreven, zich de manier van leven en vechten van de Imbangala heeft eigen gemaakt. Nzinga zal wellicht enige volgelingen uit de rijen van de Imbangala hebben gerekruteerd, maar voor het overgrote deel heeft zij haar Mbundu-volgelingen een discipline opgelegd die verwant is aan die van de Imbangala. De vorm van kannibalisme die zij in praktijk brengt is eerder een rituele dan een gastronomische. Zij neemt ook de Imbangala-gewoonte van kindermoord over. Door een gehard korps van volgelingen op te bouwen met een sterk religieus element in hun politieke associatie, is Nzinga in staat nieuwe gebieden te veroveren op even effectieve wijze als Kasanje heeft gedaan.

In 1629 of 1630 keert Nzinga opnieuw terug naar de eilanden in de Rio Cuanza om volgelingen te rekruteren uit de vele Mbundu die op de vlucht zijn voor de Portugese onderdrukking. Haar opzet is het koninkrijk Matamba te veroveren en vandaaruit Ndongo te heroveren en de Portugezen en hun Ngola Ari te verdrijven. De oude koning van Matamba is recentelijk overleden en Nzinga neemt zijn dochter, Muongo gevangen en brandmerkt haar als een slaaf. De verovering van Matamba grijpt plaats tussen 1630 en 1635. Nzinga sticht dus een tweede koninkrijk van uitwijkelingen, die afkomstig zijn uit de Portugese kolonie. Matamba begint zich spoedig te ontwikkelen als de belangrijkste rivaal van Kasanje als aanbieder van slaven. Als Nzinga’s gezag eenmaal in Matamba gevestigd is, richt zij, zoals zij heeft gepland, haar aandacht op Ndongo. Zij valt de gebieden van Ngola Ari binnen en nadert het fort in Mbaka. De gouverneur zendt zijn neef, Bartolomeu de Vasconcelos da Cunha, om beide te verdedigen, de Portugezen en de Ngola. Nzinga, evenwel, moet haastig naar Matamba terugkeren als Kasanje, gebruikmakend van haar afwezigheid, het land binnenvalt en slaven en vee wegvoert om daarmee schielijk naar het eigen territorium te ontsnappen.

Omstreeks deze tijd, op 18 oktober 1639, arriveert in Luanda de nieuwe gouverneur, Pedro Cezar de Menezes. Hij brengt behalve veel krijgsmateriaal ook een versterking van 300 man mee, de eerste Europese troepen sedert Bento Banha Cardoso in 1625 met versterkingen naar Angola is gekomen. De meest fameuze van deze soldaten is António de Oliveira de Cadornega, die een kroniek over de Angolese oorlogen heeft geschreven en die persoonlijk getuige is geweest van vele veldtochten in de komende veertig jaar. Pedro Cezar de Menezes heeft in Vlaanderen tegen de Hollanders gevochten en als commandant van het oorlogsschip Santa Catarina in 1625 deelgenomen aan het ontzet van Baía. Hij onderschat het gevaar dat Luanda bedreigt niet; hij treft daarom met spoed maatregelen om de stad te verdedigen. Hij laat het kleine fort op de heuvel São Paulo uitbouwen en krachtig versterken. Aan de voet van de heuvel is al een nieuw fort gebouwd, dat Nossa Senhora da Guia is gedoopt. Pedro Cezar de Menezes laat in 1640 op de Penedos, de klippen bij de toegang tot de baai, een versterking van bijzondere strategische waarde aanleggen, zodat geen schip de baai kan binnenzeilen zonder binnen het bereik van haar kanonnen te komen. Een manshoge borstwering langs het gehele strand van Luanda wordt hernieuwd, redoutes, kleine fortjes op de heuvels in de onmiddellijke omgeving van Luanda, beschermen de belangrijkste punten en toegangswegen. Hoog in het noorden vormen de batterij op de Kasanda Má rots nabij de gelijknamige ingang, samen met de versterking op de Penedos en het oude fort Santa Cruz, de noordelijke vleugel van de verdedigingslinie. Ook in Brazilië maakt men zich ongerust over het gevaar dat Luanda loopt. Eind 1640 brengt de opperbevelhebber van Baía, Filipe de Moura, een bezoek aan Luanda. Hij inspecteert de verdedigingswerken en geeft als zijn mening dat Luanda niet te verdedigen is, omdat de stad daarvoor te open ligt en er te veel plaatsen zijn waar de vijand kan landen

Pedro Cezar de Menezes opent direct onderhandelingen met Nzinga over de kwestie van het terugsturen van gevluchte slaven naar hun meesters. De koningin zendt hem een gezant met geschenken voor hemzelf, de ouvidor-mór en de bisschop. De gezant brengt ook enige weggelopen slaven mee terug, maar deze zijn zo oud dat niemand meer weet wie hun meesters zijn geweest. Algemeen wordt verondersteld dat het Nzinga’s bedoeling is geweest, met het zenden van deze gezant met zijn gevolg uit de eerste hand inlichtingen te verkrijgen over de sterkte van de met de gouverneur meegekomen blanke soldaten. Zij begeert deze inlichtingen in aanvulling op de rapporten die haar zuster, Kifunji, wellicht vanuit haar gevangenis in Luanda naar Matamba zendt.

De gouverneur zendt Gaspar Borges Madureira naar Nzinga om met haar te onderhandelen over een handelsovereenkomst of over vrede. Cavazzi gelooft dat de missie ook dient te voorkomen dat er enige toenadering tussen Nzinga en Kasanje ontstaat, die de Portugezen buitensluit. Cavazzi heeft waarschijnlijk gelijk in zijn beoordeling van de belangrijkheid dat Kasanje wordt bereikt. Deze missie is van cruciale belang. De Portugezen zijn er niet in geslaagd Ndongo om te vormen tot een bruikbare handelsstaat en daarom heeft het alternatieve handelspartners nodig. De verhouding met Nzinga is precair als altijd en daarom doemt het nieuwe Imbangala koninkrijk Kasanje op als een potentiële nieuwe bron van aanbod. Indien de Portugezen gaan samenwerken met Kasanje en dit belooft een succes te worden, dan wensen zij niet dat Nzinga hiervan te snel verneemt en dat zij roet in het eten kan gaan gooien. Gaspar Borges Madureira heeft slechts gedeeltelijk succes met zijn opdracht. Kasanje is bereid een vredesverdrag met de Portugezen te tekenen en af te zien van zijn beweerde aanspraak op gebied van Matamba, maar het is niet bereid het christendom te aanvaarden. Nzinga is minder meegaand. Zij beweert dat indien zij een christen wordt zij al haar ‘Jaga’-volgelingen zal verliezen en zij betoogt voorts dat zij nooit haar aanspraak op Ndongo zal opgeven. Na zes nutteloze maanden in Matamba te hebben doorgebracht, keert Gaspar Borges Madureira terug naar Luanda. Omdat hij er niet in is geslaagd een overeenkomst te sluiten met Nzinga, roept Pedro Cezar de Menezes de notabelen van Luanda bijeen in een oorlogsraad. Hij wijst erop dat de koning van Kongo verraderlijke betrekkingen met de Hollanders is aangegaan, dat de Ndembu-chiefs pombeiros ervan weerhouden in hun land handel te drijven en dat Nzinga verraderlijker is dan ooit.

In het zuiden van Angola kan het garnizoen in Benguela zich met moeite staande houden, nadat Lopo Soares Lasso met en groot deel van de bezetting tijdens een expeditie in het binnenland is gedood. Gelet op de steeds vijandiger wordende houding van het koninkrijk Kongo, op de onverzoenlijke houding van Nzinga, op het weer opstekende binnenlands verzet en de precaire situatie in Benguela, maar bovenal op de onheilspellend beklemmende dreiging van een Hollandse invasie, wordt besloten een staand leger uit te rusten en dit te plaatsen onder bevel van António Bruto. Voordat deze beslissing kan worden uitgevoerd, is de situatie in Angola radicaal veranderd. Op 25 augustus 1641 lukt het de Hollanders Luanda te veroveren.

i In feite heeft waarschijnlijk de Imbangala-chief Kalandula Shilla de stad Mbanza verwoest en niet Manuel Cerveira Pereira.

ii En niet eerst in 1624 zoals Willem Jansz.van hen begrepen heeft.

iii De eenheid was de ‘peça da India,’ zijnde een slaaf van 15-25 jaar, die aan bepaalde eisen voldoet. Jongere en oudere slaven van beiderlei kunne gelden twee of drie per eenheid.

Hoofdstuk 2 De Swahilikust 2.0 De capitania van Sofala en Moçambique (1557-1569)

Categorieën
Portugees kolonialisme

De invasie van de Imbangala in Angola. Angola en Kongo

Deel 14 Index

Hoofdstuk 1.

Angola en Kongo:

1.4. De invasie van de Imbangala in Angola

Geschreven door Arnold van Wickeren

De Europese activiteiten in West-Centraal-Afrika en het op gang komen van de transatlantische slavenhandel heeft spoedig gevolgen voor gebieden die niet direct met de Europeanen in aanraking komen. Deze gevolgen nemen de vorm aan van aanvallen op de staten Ndongo en Kongo, die door de overzeese slavenhandel enige welvaart hebben verworven. Bedoelde aanvallen, althans enige daarvan, kunnen worden begrepen als ruwe pogingen mee te profiteren van de welvaart verkregen met de overzeese handel. De drie belangrijkste invallende volkeren zijn: de Teke, die uit het noorden komen wat geen of weinig direct invloed heeft op de Mbundu; de Jaga, die vanuit het oosten Kongo binnenvallen en de Imbangala, die vanuit het oosten invallen doen in Ndongo.

De aanvallen van de Teke en de Jaga gelijken in enige opzichten zo sterk op elkaar dat waarnemers destijds in verwarring hebben gebracht. Beide aanvallen zijn woest en waarschijnlijk bezitten beide volkeren kannibalistische krijgers. Er zijn evenwel belangrijke verschillen tussen de Teke en de Jaga. De Teke zijn afkomstig uit een georganiseerde staat waarin de metaal- en de kledingindustrie tot ontwikkeling zijn gekomen en zij hebben veel verstand van de organisatie van de handel. Van dit laatste is geen sprake bij de Jaga, die tevreden zijn met plundering en vernieling voor direct gewin zonder zich te bekommeren om handel of politieke structuren. Overigens verplaatsen de Jaga zich met geweld, terwijl zij leven van wat het land oplevert. De Teke daarentegen voeren invallen uit en trekken zich daarna terug naar hun thuisland, De zestiende-eeuwse kroniekschrijvers João de Barrosi en Duarte Pacheco Pereiraii schrijven over de oorlogen van de Teke en over de grote koning van de Teke ‘Emcuqua-anzico, later bekend als Makoko.

In de jaren zestig van de zestiende eeuw beginnen – zoals eerder vermeld – de Jaga Kongo te infiltreren, terwijl Kongo in die tijd oorlog voert met de Teke. Duarte Lopez beschrijft de Jaga als grote weerzinwekkende kannibalen, die hun vijanden met grote wreedheid aanvallen. Hij vergelijkt hun nomadische plundering met de verwoestingen van de Arabische stammen. Hun wapens zijn speren, messen en schilden. Het is van belang op te merken dat Duarte Lopez niet spreekt over bogen en pijlen, wat de belangrijkste wapens van de Imbangala zijn. Het is mogelijk dat de Jaga, evenals de Ngoni in de negentiende eeuw, van mening zijn dat zij beter kunnen vechten met een korte speer en een schild dan hun vijanden vanaf grote afstand te beschieten. In de tijd dat de Jaga Kongo bereiken en de oostelijke grensstreek Mbata overrompelen, zouden zij naar verluid al een grote afstand hebben afgelegd en veel landen veroverd hebben. Over de oorsprong van de Jagabenden is niets met zekerheid bekend. Een hypothese is dat zij behoren tot de volkeren die ontsnapt zijn aan de turbulente wereld van de Luba in Katanga. Zij kunnen bijvoorbeeld afkomstig zijn uit de verbannen Luba-kolonies van de Bena Lulua aan de benedenloop van de Kasai. Een andere mogelijk is dat zij, evenals de Imbangala, door veroveringen van de Luba, verdreven zijn uit het gebied langs de bovenloop van de Kasai.

Het aantal Jaga-invallers is waarschijnlijk klein. Bij hun opmars rekruteren zij aanhangers in de landen die zij overvallen. Tegen de tijd dat zij uit Kongo verdreven worden (1572) bestaat een groot gedeelte van de zogeheten Jaga uit Kongolese volkeren. Als zij verdreven worden, trekken de Jaga opnieuw over de Rio Kwango en vestigen zich aan de rechteroever van de rivier. Daar vormen zij ongetwijfeld een belangrijk element van het Yaka-volk, dat in deze regio opduikt. Een eeuw of meer later worden deze Yaka overwonnen door de Lunda, die de dynastie van Mwene Puto Kasongo stichten.

De derde van buiten komende groep invallers in Kongo-Angola is de Lunda of Imbangala groep. Het verschijnen van de Imbangala lijkt, op het eerste gezicht, minder deining te hebben veroorzaakt dan de invasies van de Teke of de Jaga. Maar dit is een onjuiste gevolgtrekking. De moeilijkheid bij het navorsen van de geschiedenis van de invasie van de Imbangala is dat bijna alle waarnemers van destijds de Imbangala verwarren met de Jaga. De relatie tussen beide stammen is nog niet duidelijk. De toenmalige opvatting dat de Imbangala uit Kongo verdreven Jaga zijn, is onjuist gebleken. Mondelinge overleveringen beschrijven namelijk de route die de Imbangala hebben gevolgd op hun weg naar Angola. Er blijven nog andere mogelijkheden over; de Jaga en de Imbangala zouden twee verschillende takken van dezelfde van de Lunda afgesplitste stam kunnen zijn, of het kunnen ook twee verschillende stammen zijn, die beide hun wortels hebben in dezelfde regio van Centraal-Afrika. Waar het bij de bestudering van de Angolese geschiedenis om gaat is dat ertussen beide volkeren onderscheid wordt gemaakt, zelfs ofschoon zij in een eerder stadium met elkaar verbonden zijn geweest.

Het eerste gedetailleerde rapport van de aanwezigheid van de Imbangala in Angola is rond 1600 opgesteld, toen Andrew Battell begon handel te drijven langs de kust ten zuiden van de Rio Cuanza. Battells handelsexpedities zijn ondernomen ten voordele van João Furtado de Mendoça, gouverneur van Angola. Op zijn eerste trip bezoekt Battell de Ndombe aan de Baía das Vacas, nabij de plaats waar later de moderne stad Lobito is verrezen, en hij kocht vee, schapen, koper, bonen en granen. Op zijn tweede trip wil hij slaven kopen, en bij deze gelegenheid komt hij aan de monding van de Rio Kuvu in aanraking met de Imbangala. De Imbangala verkopen slaven ‘zo goedkoop dat vele nog geen real kosten, die in de stad twaalf milreais waard zijn.’ Battell zegt dat deze mensen zichzelf betitelen als ‘Imbangolas’, maar dat de Portugezen hen Jaga noemen en hij zegt dat zij de stad Kongo gepasseerd zijn en dat zij gereisd hebben rond de grote stad van Angola genaamd Ndongo, voordat zij de Benguelakust hebben bereikt. Hun leider heet Kalandu of Kalandula. Battells beschrijving van de Imbangala is belangwekkend. Zij wonen in een ‘machtig kamp’ aan de zuidzijde van de Rio Kuvu. Dit kamp is ingewikkeld gebouwd en gefortificeerd. Iedere afdeling heeft zijn eigen aanvoerder en zijn eigen uitgang door de omringende muur van balken en doornstruiken. De manier van leven van de Imbangala is volkomen onproductief. Zij blijven nooit lang genoeg op een plaats om een gewas te kunnen oogsten, maar zij leven een halfnomadisch bestaan, waarbij zij hun kamp opbreken om nieuwe plaatsen te veroveren, als zij al het voedsel hebben opgegeten, dat zij hebben kunnen vinden op de plaats waar zij hun kamp hebben opgeslagen. Zij houden zelf geen dieren, maar stelen het vee van andere volken. Hun meest kenmerkende karakteristiek is dat zij mensenvlees eten als een vanzelfsprekendheid en blijkbaar vinden zij dit smakelijk en bovendien is het meer beschikbaar dan iedere andere soort vlees. Hun belangrijkste luxe goed is de wijn van palmbomen en hun trektochten zijn in hoge mate afhankelijk van de aanwezigheid van palmbomen. Zij tappen de wijn af door op spilzieke manier met de palmbomen om te gaan. Zij kappen de palmen om en winnen uit het binnenste van de stam wijn, totdat de gevelde boom uitdroogt. De Mbundu weten hoe wijn te winnen is uit de top van de palmboom, zonder de boom te vellen. Om in staat te zijn zo beweeglijk mogelijk te zijn bij hun campagnes, brengen de Imbangala geen kinderen groot. Zelf hun hoogste aanvoerder, die vele vrouwen heeft, dood al zijn pas geboren kinderen. Om de rangen aan te vullen adopteert iedere groep adolescenten uit de rijen van de overwonnen volkeren. Deze ‘leerjongens’ dragen een halsband als een teken van slavernij, totdat zij zich kwalificeren voor de titel van soldaat door het afgehouwen hoofd van een vijand aan hun aanvoerder te tonen. De troep van Imbe Kalandula beschikt over niet meer dan een dozijn originele ‘Jaga’-krijgers. De rest, naar schatting 16.000 zielen, zijn rekruten die zijn opgepikt toen de troep zich door het land bewoog. Als zij een aanval op een vijand voorbereiden, slaan de Imbangala hun kamp op naast de woonplaats van de vijand en zij ondermijnen diens moreel door een serie mensenoffers te brengen en andere ceremonies uit te voeren. Battell is getuige van hun aanval op Oud Benguela, op de noordoever van de Rio Kuvu, nadat hij hen de rivier heeft overgezet om te kunnen aanvallen. Kalandula en zijn volgelingen leven vijf maanden van de veestapel en de graanschuur van hun slachtoffers en zij verkopen hen daarna aan Portugese handelaren. Aan het einde van hun verblijf drinken zij de hele voorraad palmwijn op en trekken weg.

Als de Imbangala de kust verlaten, worden zij gevolgd door een groep van vijftig Portugezen en mulatten, die willen blijven profiteren van de winstgevende handel. Terwijl zij het spoor van verwoesting volgen, worden zij gevangengenomen door een lokale heerser, die hen onder druk zet zich bij zijn leger aan te sluiten, omdat hun geweren zeer waardevol zijn. De Portugezen ontkomen tenslotte door aan te bieden dat Andrew Battell hun gijzelaar zal zijn, tot zij terugkeren. Als de Portugezen vertrokken zijn, gelukt het ook Andrew Battell te ontsnappen en met de Imbangala mee te trekken naar hun nieuwe kamp. Vijf maanden later trekken de Imbangala opnieuw weg en na nog een stop onderweg bereiken zij tenslotte de Rio Cuanza in de nabijheid van Ndongo. Zij steken de rijke Mbundu-stad Shilla Mbanza, die behoort aan een oom van de Ngola, in brand en dan keren zij om naar het westen aan de zuidoever van de rivier. Als zij Quiçama binnentrekken, komen de volgelingen van Kalandula in conflict met Kafushe en wordt een grote onbesliste slag tussen hen uitgevochten. Kalandula bouwt een nieuw oorlogskamp, waarna de oorlog nog verschillende maanden wordt voortgezet, waarbij Battell zijn musket effectief gebruikt om Kalandula te steunen.

Gedurende of spoedig na deze oorlog slaagt Battell erin te ontsnappen naar Massangano, tezamen met enige pombeiros die gekomen waren om slaven te kopen. Na deze ontsnapping – schrijft David Birmingham – schildert hij een levendig portret van Kalandula en de groep Imbangala, met wie hij achttien maanden is opgetrokken. Het is gelijkluidend aan de eerder geciteerde beschrijving van het grote ‘Jaga-opperhoofd’ Gaga Calando ontleend aan The Dark Kingdoms van Allan Scholefield, waaruit blijkt dat ook moderne schrijvers De Jaga en de Imbangala met elkaar verwisselen.

Het is van belang – gaat Birmingham verder – vast te stellen wanneer de Imbangala naar Angola zijn gekomen. Eerdere studies suggereren dat het eerste contact met de Portugezen rond 1610 heeft plaatsgevonden. Maar er zijn bewijzen dat dit jaartal ten minste 35 jaren te laat is. De Imbangala waren Lunda-invallers die naar Angola zijn getrokken na zich gevestigd te hebben tussen hun landgenoten van de Luba-dynastie van de jager Kibinda Ilunga. De naam Imbangala of Bangala is overgeleverd als de naam die de Portugezen gebruikten voor de volkeren uit het koninkrijk Kasanje, dat gesticht was aan de bovenloop van de Rio Kwango door een Lunda-aanvoerder met die naam. Het meest gedetailleerde rapport van de uittocht van de Lunda waarover we beschikken, is bewaard gebleven in de overleveringen van de Kasanje-staat, die in de negentiende eeuw zijn verzameld door een Portugese soldaat met de naam A.R. Neves. Deze kunnen aangevuld worden met de overleveringen van de Lunda, die verzameld zijn door Léon Duysters.

Het samengaan van denkbeelden van de Lunda en de Luba om een krachtige verenigde natie te krijgen, heeft in de overlevering de vorm aangenomen van een huwelijk tussen de Lunda-prinses Lueji en de Luba-prins Kibinda Ilunga. Veel Lunda-mensen accepteren dit nieuwe regiem niet. Een aanvoerder van de opponenten is Kinguri, de broer van Lueji. Liever dan overheerst te worden door een vreemde ‘dynastie’, besluiten Kinguri en zijn volgelingen het land te verlaten. Zij trekken naar het westen, steken de Kasai en nog vele andere rivieren en tenslotte de Rio Kwango over en vestigen zich in de vallei van de Rio Luando, juist ten oosten van de elleboog in de bovenloop van de Rio Cuanza. Als Kinguri en acht andere aanvoerders enige tijd in hun nieuwe woonplaats verblijven, sluiten nog negen aanvoerders met hun volgelingen zich bij hem aan.

Kinguri zendt verkenners uit naar het westen, om te zien of er nog goed land te vinden is. Na enige tijd rapporteert Songo aan Kinguri dat er blanken zijn in het land van de Mbundu. Deze blanken hebben mooie waren en vuurwapens, die de Lunda niet kennen. Kinguri besluit zich te vestigen in Bola Kasash, aan de andere kant van de Rio Cuanza dan Ndongo en dichter bij de Portugezen. Volgens de overleveringen zou Kinguri hier gestorven zijn. De heerser van het gebied, Sungwe a Mboluma, zou Kinguri wrede optreden gelaakt hebben; hij zou hebben samengespannen met ontevreden Imbangala-hovelingenen zij hebben de uitgang van de hut waarin Kinguri lag te slapen, afgesloten. De oude man was niet in staat uit zijn gevangenis uit te breken en is daar gestorven.

‘Toen de Quinguri-Cabanguella (Kinguri kia Bangela) dood was, kozen de macotas een nieuwe heerser, Kasanjeka-Kulashingo die, gedreven door zijn verlangen naar aangename goederen, besluit de blanke mannen te bezoeken. Hij, zijn hovelingen en enige van zijn volk dalen af naar de Rio Cuanza, maar zij kunnen zich niet voorstellen aan het opperhoofd van de Portugezen, omdat hij nog verblijft op het eiland van Luanda, dat toen Muxima-a-Lunda heette. De koningin van de Jinga (de koning of koningin van de Mbundu) bevond zich aan de kant waar vandaag Luanda ligt en Kasanje wordt belet met de Portugezen te spreken.’ Kasanje is niet sterk genoeg om de Ngola aan te vallen en hij moet de hinderpalen wegnemen om ontevreden elementen onder de Mbundu te rekruteren. Door deze methode toe te passen, slaagt hij erin de Ngola te verdrijven naar ‘ Milembo-aka-Ngola, nu Teba genoemd’. Kasanje maakt vervolgens zijn opwachting bij de ‘Portugese chef’, toen nog Paulo Dias de Novais, en nodigt hem uit zich op het vasteland te vestigen. De Portugezen antwoorden dat de Mbundu nog te dichtbij zijn en dat zij alleen naar het vasteland komen als de Mbundu daar verdreven worden. Kasanje valt daarop de Mbundu opnieuw aan en verdrijft hen uit de plaatsen Cacuaco, Kifa-Ndongo, Muju-a-Prata, Kalukembu naar Nganga-Mboa of Pungu a Ndongo. De ontmoeting tussen Kasanje en de Portugezen gaat met veel ceremonieel gepaard. Als erkenning voor zijn diensten geeft Paulo Dias de Novais de leider van de Imbangala twee vlaggen, een voorstelling van goud (waarschijnlijk religieus), een uniform, enige kleding en wat vuurwater. Paulo Dias wenst vervolgens Kasanje te brandmerken, waarmee hij kan laten zien dat hij een trouw vazal van de koning van Portugal is. Kasanje bedankt voor de eer en stelt voor dat de merktekens, in plaats van op zijn huid, op zijn vlag zullen worden aangebracht en zo geschied. In de overleveringen wordt geen melding gemaakt van een geschenk in de vorm van vuurwapens aan de Imbangala. Daarvan zal eerst sprake zijn in een verslag over de komst van Kinguri kia Bangela en zijn opvolger Kasanje-ka-Kulashingo van Mussumba, de hoofdstad van het Lunda-imperium, naar Luanda. De waarde daarvan is overigens zeer toegenomen door het feit dat alle stadia kunnen worden bevestigd, hetzij door onafhankelijke mondelinge overleveringen hetzij door geschreven rapporten.

Het vertrek van Kinguri kia Bangela van Lunda en zijn tocht naar de Rio Luando, waar de verdeling van de Imbangala plaatsvond, wordt verteld in de overleveringen die zijn verzameld door Henrique Dias de Carvalho. Kinguri weigerde hulde te bewijzen aan Kibinda Ilunga en organiseerde een opruiende oppositie. Vervolgingen en vechtpartijen namen hand over hand toe totdat Lueji zich begon zorgen te maken over haar Luba-echtgenoot. Toen Kibindi steun ontving van zijn broer Kasongo, de heerser van de Luba, was Kinguri genoodzaakt naar het westen te vluchten. Kinguri was van plan een nieuwe Lunda-staat op te bouwen, vanwaaruit hij de Luba-invallers zou kunnen verslaan en doen omkeren. Hij reist in een westzuidwestelijke richting, levend van jagen en plunderen. Na verscheidene jaren te hebben gereisd, komt hij aan in het stroomgebied van de bovenloop van de Rio Cuanza en hij steekt over naar Libolo. Daar laat hij zich neer in het gebied van opperhoofd Ngongo, wiens zuster hij trouwt. Het verhaal van de verdeling van de Imbangala van hun eerste stopplaats in de vallei van de Rio Luando, voordat Kinguri oversteekt naar de bovenloop van de Cuanza, wordt verteld in de overleveringen die in de jaren vijftig en zestig van de zeventiende eeuw zijn verzameld door Giovanni Antonio Cavazzi de Montecuccoloiii. Hij schijnt er bewijzen voor te hebben dat terwijl de Imbangala zich gevestigd hebben in de vallei van de Rio Luando zij een aantal Jaga in hun midden hebben opgenomen. Deze verbinding heeft bijgedragen aan de verwarring tussen Imbangala en Jaga bij de toenmalige waarnemers. Carvazzi was zich er ongelukkigerwijze schijnbaar zelf ook niet bewust van het onderscheid en het verhaal dat hij vertelt is daarom moeilijk te ontrafelen.

Volgens Cavazzi is Zimbo de grote leider van de Jaga (of Engangiaghi). Hij schrijft de overvallen op de kustplaatsen van zowel Oost- als West-Centraal-Afrika toe aan volgelingen van Zimbo. Een van Zimbo’s opvolgers. Donji, verovert een gebied aan de bovenloop van de Rio Kwango, dat hij nalaat aan zijn buitensporige wrede dochter, Temba Ndumba. Deze vrouw wordt verantwoordelijk gehouden voor de gedetailleerde uitwerking van de ‘Kishili-wetten’, die handelen over het vermoorden van kinderen en over menselijke offers, zaken die de vijanden van de Imbangala de stuipen op het lijf jagen. Zij wordt tenslotte gedood door een soldaat en haar volgelingen worden overwonnen of opgenomen door het leger van een ‘lokaal opperhoofd’ Kinguri. Donji en zijn mannen die blijkbaar ‘echte’ Jaga zijn, schijnen later dan de Imbangala aan de oostgrens van Angola, te zijn aangekomen want zij beschrijven Kinguri als een lokaal opperhoofd. Cavazzi gaat door met het beschrijven van de tweede fase van de opmars van de Imbangala naar de zee. Kinguri valt Ndongo binnen en vecht als een leeuw tegen de Mbundu. Hij sneuvelt in de strijd en zijn chefs kiezen Kalushingo als zijn opvolger. Kulashingo blijkt een zwak leider te zijn die wordt vermoord. Daarna kennen de Imbangala niet meer een enkele leider, maar zij splitsen zich in dertig benden, ieder geleid door een aanvoerder, van wie de beroemdste zijn: Kasanje, Kayomba, Kabuku, Kasa en Kahete.

Op dit punt in de opmars van de Imbangala wordt er voor het eerst in documenten naar hen verwezen. In 1563 beschrijft António Mendes een grote campagne die de Ngola van Ndongo in persoon heeft geleid tegen de ‘Koning van Banguella’. Deze koning wordt gedood en de Ngola wijst twee van zijn zoons of onderdanen aan om het veroverde gebied te besturen. In 1563 blijkt deze regeling te hebben gefaald en de Ngola onderneemt een nieuwe campagne tegen zijn vijand. Mogelijk is dat de ‘Koning van Banguella’. Kinguri kia Bangela, geweest. Uit Cavazzi bewijs zou blijken dat Kinguri gesneuveld is in de strijd tegen de Ngola. In Cavazzi’s overlevering herinnert men zich ook dat het Ngola Mbandi (die dezelfde is als Ndambi) die het eerst te lijden heeft van de plunderingen van de Imbangala. Mbandi roept hulp in, eerst van Kongo en daarna van de Portugezen, naar aanleiding waarvan Paulo Dias naar zijn hof is gezonden. Er kunnen argumenten worden aangevoerd, dat Mbandi of zijn voorganger dit beroep op de Portugezen al in 1548 hebben gedaan. Als dit het geval is dan zou de Imbangala-kolonie van uit Lunda uitgeweken Imbangala zich al vóór 1548 in het dal van de Rio Luando hebben gevestigd en zijn zij toen al met hun overvallen op Ndongo begonnen.

De laatste fase van de opmars van de Imbangala brengt hen, volgens Neves’ versie van de overleveringen, naar de zee bij Luanda. Er is duidelijk bewijs dat Kasanje-ka-Kulashingo inderdaad Luanda heeft bereikt en dat hij geen halt heeft gehouden bij de Portugezen verder stroomopwaarts aan de Rio Cuanza. Het schijnt zelfs dat een aantal Imbangala zich neergelaten heeft en dat zij een klein staatje, genaamd Nsaka de Kasanje, niet ver ten oosten van Luanda hebben gesticht. Dit staatje heeft de Portugezen in het eerste kwart van de zeventiende eeuw veel last bezorgd. Verdere bevestiging dat de ontmoeting van Kasanje met de Portugezen werkelijk in Luanda heeft plaatsgevonden wordt ook in gevonden in de overlevering, die zegt dat de Mbundu zijn teruggedreven voorbij Cacuaco, een zoutvoortbrengend dorp op twaalf mijl ten noorden van Luanda. Een en ander komt overeen met de overleveringen van de Mbundu, zoals zij worden herinnerd door de Pende. De grootste grief van dit Mbundu-volk tegen de Portugezen is dat deze de zoutpannen van de Mbundu hebben gestolen. Volgens de overlevering van de Imbangala heeft Kasanje de Portugezen uitgenodigd zich op het vasteland te vestigen, waaruit zou blijken dat Kasanje al voor 1576, het jaar waarin Paulo Dias en zijn kolonisten naar het vasteland zijn verhuisd, in Luanda zijn aangekomen. Daar de overlevering ook zegt dat Kasanje de oppositie van de Mbundu tegen zijn ontmoeting met de Portugezen heeft moeten onderdrukken, mag verondersteld worden dat, terwijl dit proces voortgang vindt, hij al enige tijd vóór 1576 in de buurt van Luanda was.

Er bestaat substantieel bevestigend bewijs voor dat Kasanje Luanda al had bereikt toen de expeditie van Paulo Dias daar aankwam. Vanaf het begin van de Portugese poging Angola te veroveren, waren de Imbangala daarvoor ten minste een even grote hinderpaal als de Mbundu. De eerste schermutseling vindt plaats in 1575, als João Castanho Velez met tachtig soldaten een aanval doet op een vijand genaamd ‘Caçanze’, waarmee zeker Kasanje is bedoeld. Alle Portugezen worden gevangengenomen, twintig van hen worden gedood en de rest kan worden vrijgekocht. André Velho da Fonseca, schrijft in 1612: ‘Mani-Cassamje’’ valt de Portugezen aan, nadat zij zich op het vasteland gevestigd hebben en hij dwingt Paulo Dias de ‘Stad van Sebaste’ op te geven en naar Luanda-eiland terug te keren. Het gevolg hiervan is dat de Portugezen, bij hun terugkeer naar het vasteland, een fort bouwen in Luanda. Duarte Lopez, die Luanda in 1578 bezoekt, memoreert ‘Cazzanzi’ als een van de opperhoofden die in de buurt van Luanda woont. Al deze aanwijzingen maken zonder twijfel duidelijk dat ten minste een tak van de Imbangala de kust van Angola vóór 1575 al bereikt heeft.

De andere leiders van de Imbangala verspreiden zich in alle richtingen. Songo, een van Kinguri’s oorspronkelijke volgelingen en de kapitein die hem het eerst de aanwezigheid van de Portugezen heeft gerapporteerd, is wellicht de ‘Songa’ geweest, die de Portugezen hebben ontmoet aan de benedenloop van de Rio Cuanza en die zij later hebben overwonnen en gedoopt en tot peetzoon van Paulo Dias hebben gemaakt. Een nabije oosterbuur van Songo is Kafushe, met wie de Portugezen bij vele gelegenheden hebben gevochten. Ook hij was volgens Neves een volgeling van Kinguri. Kalandula is later naar het Cuanza-front gekomen, zoals bewezen door Battell. Hij heeft Kafushe aangevallen in een poging de Portugese slavenmarkten, die door zijn mede-Imbangala werden gemonopoliseerd, te bereiken, Als deze poging faalt, tracht Kalandula klaarblijkelijk nauwer contact met de Portugezen te maken en hij bereikt een speciale verstandhouding met hen, die andere Imbangala, die de Portugese handel aanmoedigen, maar zich verzetten tegen de Portugese verovering, niet hebben.

De vestiging van een bondgenootschap tussen Kalandula, een laat aangekomen Imbangala, en de Portugezen is waarschijnlijk de gebeurtenis waarvan melding wordt gemaakt in de tweede helft van Carvalho’s versie van de overlevering van de Imbangala. Dit rapport zegt dat als ‘Kinguri’ op de zuidoever van de Rio Cuanza aankomt, de Portugezen met de Mbundu in gevecht zijn aan de noordoever. Het fort in Massangano is klaarblijkelijk al gebouwd, maar dat in Cambambe nog niet. Kinguri waadt de Rio Cuanza door en maakt zich bekend aan de Portugese capitão, zeggende dat hij van heel ver gekomen is om de ‘Mwene Puto’, de koning van Portugal te zoeken. Hij wordt eerst naar Massangano en dan naar Luanda begeleid. Hier wordt hij voorgesteld aan ‘Dom Manuel’, de gouverneur. Deze accepteert Kinguri’s aanbod hem te helpen in zijn oorlog met Ndongo en geeft hem een geschenk van vuurwapens en geweerkruit. Hij wijst hem ook landerijen toe aan de Rio Lucala, waar hij en zijn volk zich kunnen vestigen. Dit plan blijkt niet te werken en binnen twee jaren zijn de Imbangala weer vertrokken.

Om deze overlevering van Carvalho te begrijpen, moet worden bedacht dat het verhaal geen betrekking kan hebben op de oorspronkelijke Kinguri, want deze is gedood door de Mbundu in de laatste fase van de opmars van de Imbangala. Daarom moet worden aangenomen dat het om een of andere Imbangala-hoofd gaat die de naam of de titel van Kinguri heeft aangenomen. Dit zou hij hebben kunnen doen om zijn aanzien te verhogen en om te demonstreren dat hij, de drager van diens naam, een erfgenaam is van de oorspronkelijke Kinguri. De overlevering kan ook betrekking hebben op Kalandula. De eerste gouverneur van Angola met de voornaam Manuel is Manuel Cerveira Pereira, die zijn ambt heeft bekleed van 1603 tot 1607. In die tijd is Kalandula aan de Rio Cuanza aangekomen, een gebeurtenis die is opgenomen in de chronologie van Battells avonturen. Carvalho zou de overlevering vernomen kunnen hebben van volgelingen van Kalandula, die zijn opgenomen in het complexe koninkrijk Kasanje, dat in de jaren dertig van de zeventiende eeuw gesticht is aan de bovenloop van de Rio Kwango. Het is ook mogelijk dat Carvalho de overlevering heeft opgetekend uit de mond van mensen die behoren tot een andere groep van Imbangala, die tot in de negentiende eeuw hun eigen specifieke identiteit bewaard hebben.

Het koninkrijk Kasanje, waarvan de stichting later zal worden behandeld, schijnt het laatste van een serie door de Imbangala en andere Lunda-immigranten gestichte koninkrijken in de omgeving van Angola te zijn geweest. Afgezien van de Imbangala-koninkrijken in Quiçama is er een aantal staten ten oosten van de bovenloop van de Rio Cuanza, in de regio waarin Kinguri zich het eerst heeft gevestigd, die hun bestaan te danken hebben aan Lunda-immigranten en hun politieke voorstellingen. Baltasar de Rebelo de Aragão, een Portugese kapitein die in 1607 heeft getracht Afrika over te steken en daarbij 400 mijlen landinwaarts is gereisd, heeft vier grote staten ten oosten van Ndongo gevonden, waarin talen worden gesproken die verwant zijn aan elkaar en aan talen die volkeren spreken die ver in het binnenland wonen. Deze staten zijn Matamba, Malemba, Shinje en Songo. Shinje en Songo bestaan nog steeds en hun volkeren zijn verwant aan de Lunda. Het is interessant vast te stellen dat Matamba wordt aangeduid als een Lunda-staat. In de vijftiende eeuw is dat een bondgenoot van Kongo en in de zeventiende eeuw wordt Matamba overstroomd door Mbundu-volkeren, die op de vlucht zijn voor de Portugezen. In de zestiende eeuw wordt het land klaarblijkelijk overvallen door de Imbangala. Het feit dat Matamba nog in 1530 schatting aan Kongo zendt, doet veronderstellen dat de invasie van de Imbangala niet plaats heeft voor dat jaar. Cavazzi’s overleveringen suggereren aarzelend dat Matamba een van de eerste landen is geweest die door de Imbangala zijn veroverd. Een andere verwijzing naar Matama wordt gevonden in het rapport van Domingos Abreu e Brito over de grote Slag aan de Lucala in 1590. De auteur suggereert dat de belangrijkste partner in de alliantie die Luís Serrão heeft verslagen, de koning van Matamba is en het lijkt niet onwaarschijnlijk dat de Imbangala eerder dan de Mbundu in hoofdzaak verantwoordelijk zijn voor de nederlaag van de Portugezen bij die en bij andere gelegenheden.

De geschiedenis van de Imbangala-invasie van Angola is belangwekkend niet alleen op zichzelf, maar ook om het verband dat het verschaft tussen de geschreven rapporten over de activiteiten aan de kust, met een zekere datum toegeschreven aan iedere gebeurtenis, en de mondelinge verslagen van de Bantoe in Centraal-Afrika, waarbij de data min of meer kunnen worden afgeleid uit de chronologie van de gebeurtenissen. In het verleden ondernomen pogingen dit verband te bestuderen, hebben abusievelijk doen veronderstellen dat de ontmoeting van de Imbangala met ‘Dom Manuel’ een verwijzing is naar de komst van de Imbangala in Angola. Zij hebben bovendien getracht ‘Dom Manuel’ te identificeren met Dom Manuel Pereira Forjaz en niet met Manuel Cerveira Pereira. Dit heeft geleid tot de veronderstelling dat de Imbangala voor het eerst contact met de Portugezen hebben gemaakt rond 1610.

Uit de hier gepresenteerde herwaardering van de Imbangala-invasie volgt dat de Luba-invasie niet heeft plaatsgevonden tegen het einde van de zestiende eeuw, zoals is verondersteld, maar waarschijnlijk vlak voor het begin van die van die eeuw, of wellicht nog iets eerder. Uitgaande van dit nieuwe bewijsmateriaal is het mogelijk schattenderwijs een jaartal af te leiden van de omverwerping van het rijk van de Songye, een van de meest ingrijpende gebeurtenissen in de geschiedenis van Centraal-Afrika. Als het tijdsverloop tussen de vestiging van het nieuwe regiem en het uitzenden van migranten om nieuwe staten te vormen even lang is geweest in het nieuwe Luba-rijk als het is geweest in het latere Lunda-rijk, mag verondersteld worden dat de omverwerping van de Songye-dynastie een eeuw voor de kolonisatie van de Lunda heeft plaatsgegrepen. Een aanvaardbare periode zou kunnen zijn het eerste deel van de vijftiende eeuw, waarbij de infiltratie van de Lunda al in de veertiende eeuw is begonnen.

De migratie van de Imbangala onder Kinguri was de eerste van twee zulke migraties uit Lunda. De tweede exodus is volgens de overlevering geleid door Kinguri’s broer, Kinyama. Het vertrek van Kinyama en zijn volgelingen heeft waarschijnlijk plaatsgegrepen enige tijd na het vertrek van de Imbangala, waarschijnlijk in de zeventiende eeuw. De migranten onder leiding van Kinyama hebben nooit het land van de Mbundu bereikt, noch hebben de leiders, voor zover wij weten, ooit contact met de Portugezen gezocht. Daarom behoeft hier niet verder aandacht te worden besteed aan Kinyama. Er dient echter op te worden gewezen dat de tweede golf van uitwijkelingen van Lunda ten minste van evenveel belang was als de eerste. Een tak, bestaande uit de Lwena-volkeren, verspreidt zich, zij het schaars, over het gebied aan de bovenloop van de Zambezi in het oosten van Angola. Een andere tak heeft het Tschokwe-volk voortgebracht, met de kern aan de bovenloop van de Rio Tsihikapa. Vanuit dat punt hebben de Tschokwe zich in de negentiende eeuw verspreid en tenslotte het machtige Lunda-rijk omvergeworpen.

Nadat de twee migratiegolven, onder leiding van Kinguri en Kinyama, het gebied van de Lunda verlaten hadden, hebben de achterblijvende Lunda hun koninkrijk georganiseerd op de wijze van de Luba. David Birmingham citeert Duysters bij de opsomming van de belangrijkste functionarissen van de nieuwe staat. De koning draagt de titel van Mwata Yamvo of Mulopwe. Een van de belangrijkste symbolische figuren is de koningin-moeder, genaamd de Lukonkeshia. De belangrijkste helpers van de koning zijn de Swana Mulopwe of eerste minister en de Sanama, die de veroverde gebieden van zuidelijk Lunda regeert en vaak de troonopvolger is. De Kalala en Kanapumba commanderen de voorhoede en de achterhoede van het leger van de Lunda. De Mutie en de Mwanate zijn de behoeders van het recht en de tradities. De Tubungu’s, de aanvoerders die veroveringen voorbereiden, worden de hoeders van de voorouders en de ‘eigenaren van het land’. Tenslotte de Swana Mulunda; zij is de symbolische moeder van alle Lunda en de erfgenaam van Lueji. Ofschoon de Lunda hun matriarchale opvolgingssysteem behouden, wordt de Mwata Yamvo opgevolgd door een zoon in de manlijke lijn.

Het is niet duidelijk hoeveel tijd de Lunda nodig hebben gehad om hun politieke structuur, die in de achttiende en negentiende eeuw het opperste gezag in Centraal-Afrika geweest is, te ontwikkelen. Het proces van consolidatie gaat wellicht terug tot in de zeventiende eeuw. De vroegst bekende heerser over de Lunda, van wie men de naam kan herinneren, is Yavo Naweji. Waarschijnlijk heeft hij het startsein gegeven aan de tweede serie migraties die vertrokken zijn uit het land van de Lunda. Deze migraties verschillen veel van die welke onder leiding van Kinguri en Kinyama hebben gestaan. In plaats van de horden geleid door aanvoerders die uit Lunda wilden vertrekken, bestonden de migraties onder Yavo Naweji uit volkeren die door de centrale regering van Lunda werden uitgezonden, om de omliggende regio’s te onderzoeken en vazalstaten te vinden, opdat nieuwe bronnen van welvaart voor de Mwata Yamvo geëxploiteerd kunnen worden. Derhalve komen de Lunda in de late zeventiende eeuw opnieuw in contact met de Mbundu, deze keer niet als immigranten, maar als handelaren. In de tussentijd, evenwel, zijn de Portugezen de vallei van de Rio Cuanza binnengetrokken, waarbij zij zowel de Mbundu als de Imbangala terugdrijven als deze zich vertonen.

i João de Barros (1496-1570), hooggeplaatste beambte en historicus, is de auteur van de Décadas da Ásia, gepubliceerd in de jaren 1552-1615. In 1524 wordt Barros benoemd tot capitão-geral aan de Minakust en het jaar daarop wordt hij aangesteld als schatmeester (1525-1528) en daarna als factor van de Casa da India e Mina (1533-1567) een post waarin hij – namens de Kroon – Guinée en het Império Português do Oriente bestuurt. De opzet van het eerste deel van zijn Décadas da Ásia, Dos feitos que os Portuguezes fizeram no descobrimento das terras e mares do Oriente, voltooit Barros in 1539 en de Primeira Década da Asia wordt in 1552 gepubliceerd. Voor het samenstellen van zijn kroniek ondervraagt Barros soldatem, kooplieden en bestuurs-ambtenaren die uit de overzeese gebieden terugkeren en raad-pleegt hij de officiële correspondentie. De volgende Décadas verschijnen in de jaren 1553, 1563 en posthuum in 1615. Het laatste deel, die de periode 1539 tot het einde van de zestiende eeuw beslaat, is geschreven en uitgegeven door de historicus Diogo de Couto. João de Barros is minder accuraat en ook een minder goed schrijver dan Fernão Lopes de Castanheda, wat blijkt uit diens in 1551 gepubliceerde História do descobrimento e conquista da India pelos portugueses.

ii Duarte Pacheco Pereira is een zeekapitein en ontdekker, die claimt in 1498 Brazilië te hebben ontdekt, twee jaren voor de ontdekking van dat land door Pedro Álvares Cabral. Duarte Pacheco exploireert in 1488 de kust van Afrika en hij keert terug in Portugal aan boord bij Bartolomeu Dias. Deze heeft hem op zijn terugreis van zijn befaamde ontdekkingsreis rond Cabo da Boa Esperança, aangetroffen op het eiland Principe. De reisverslagen van Duarte Pacheco, met inbegrip van de uit de mond van Bartolomeu Dias opgetekende bijzonderheden over diens reis, vormden voor zijn tijdgenoten een een zeer belangrijke bron van kennis. In de jaren 1505-1508 schrijft hij zijn beroemde Esmeraldo de Situ Orbis, dat hij zelf een boek over zeemanskunst en kosmografie noemt. Het werk is voor de vaart op Indië van groot belang, omdat het tal van loodsvoorschriften (portolani) bevat. In 1504 verdedigt Duarte Pacheco met 200 Portugezen en met grote heldenmoed en vindingrijkheid Cochin en zijn radja tegen 20.000 manschappen van de zamorin van Calicut. Bij zijn terugkeer in Portugal in 1505 schrijdt O Famoso, zoals zijn bijnaam luidt, vergezeld door koning Manuel in een processie van de Sé van Lissabon naar het klooster van São Domingos. Bij deze gelegenheid releveert de bisschop van Viseu, Dom Diogo Ortiz de Vilhegas, zelf een befaamd kosmograaf en destijds adviseur van koning João II, in een dankgebed de vele dappere daden van Duarte Pacheco. Ook in vele andere steden en dorpen van Portugal wordt zijn terugkeer gevierd, terwijl koning Manuel de paus en vele christelijke vorsten in Europa bericht over zijn roemrijke optreden tegen de ongelovigen in Malabar. Luís Vaz de Camões noemt hem de Aquiles Lusitano. Als beloning wordt Duarte Pacheco Pereira benoemd tot capitão-geral van São Jorge da Mina, maar hij valt in ongenade na valselijk beschuldigd te zijn van verduistering van goud. Hij wordt echter van alle blaam gezuiverd en sterft kort daarna in armoede.

iii Giovanni Antonio Cavazzi de Montecuccolo vermeldt in zijn Istorica, Descrizione de tre’ regni Congo, Matamba et Angola situati nell Etíopia Inferiore Occidentale, Bologna 1687 een relaas over het ontstaan van het koninkrijk van de Mbundu in Angola, dat hij in de zeventiende eeuw moet hebben vernomen van Mbundu-zegslieden. (zie deel IX)

1.5 Het verval van Ndongo en de opkomst van Matamba en Kasanje, 1603-1641; Luanda bedreigd door de Hollanders

Categorieën
Portugees kolonialisme

De eerste Portugese aanval op Ndongo (1565-1603). Angola en Kongo

Deel 14 Index

Hoofdstuk 1.

Angola en Kongo:

1.3. De eerste Portugese aanval op Ndongo (1565-1603)

Geschreven door Arnold van Wickeren

In hetzelfde jaar waarin koning Sebastião besluit Kongo te heroveren (1571), valt uiteindelijk ook de beslissing Angola te veroveren. Deze beslissing heeft een lange voorgeschiedenis. Gedurende zijn gevangenschap wordt Frei Gouveia een warm pleitbezorger voor de verovering van Angola. Ofschoon de Portugezen in West-Afrika tot nu toe niet als veroveraars, maar uitsluitend als handelaren zijn opgetreden, pleit Gouveia ervoor dat Portugal in Angola de politieke macht verwerft. Niet om commerciële redenen, maar om de Ngola en zijn volk het christelijk geloof te kunnen opleggen. De jezuïet, die de negers barbaren vindt en de Ngola te onbeschaafd om zich koning te kunnen noemen, is ervan overtuigd geraakt dat slechts verkondiging van het geloof met het zwaard in Afrika tot succes leidt. In 1563 heeft Gouveia in een lange brief aan zijn superieur gewag gemaakt van de rijkdommen van Angola en van de voordelen die met de verovering van het land te bereiken zijn. De eerste bron van rijkdom die Gouveia noemt zijn de zoutmijnen van Quiçama. Afgezien van de functie die zout in Ndongo heeft als betaal- en ruilmiddel, komen handelaren van vele stammen in het binnenland naar de markten van de Mbundu, om zout te kopen. De Mbundu beschikken ook over koper, waarvan zij armbanden halskettingen en enkelbanden maken. Pater Gouveia is er ook van overtuigd dat er in de bergen van Ndongo rijke zilveraders voorkomen, met name op de route van de rivierhaven van de Rio Cuanza naar de koninklijke residentie. Met de bedoelde berg wordt waarschijnlijk de Cambambe-heuvel bedoeld, die de Portugezen later tegen hoge kosten zullen veroveren. Dat de Portugezen in Angola nooit zilver hebben gezien, is te wijten aan de Mani-Kongo, die de Ngola heeft gewaarschuwd dat de Portugezen zijn land zullen veroveren als zij aan de weet komen dat er zilver te vinden is. Gouveia voert nog een ander argument aan voor de verovering van Ndongo. Hij verwacht dat vanuit Oost-Angola een korte route over land naar Moçambique en Sofala, en dus naar de goudmijnen van Mwene Mutapa te vinden moet zijn, waardoor de lange en gevaarlijke omweg langs Cabo da Boa Esperança vermeden kan worden. Pater Gouveia laat weten dat de ‘Dambia Songe’, die wonen in een groot koninkrijk op 17 dagreizen ten oosten van Ndongo, naar de markt in Kabasa komen om er zout en koper te kopen en zij spreken dan over de oever van de zee in het oosten alsof zij daarmee vertrouwd zijn. De missionaris betoogt dat een rechtvaardiging voor de oorlog daarin gevonden kan worden, dat de Ngola geen respect heeft getoond voor de ambassadeur van de koning van Portugal, die hij zelfs van zijn kleding heeft beroofd. Het ergst van alles is, dat de Ngola de jezuïeten van spionage en hoogverraad heeft durven beschuldigen. Gouveia schijnt kennelijk niet te beseffen dat zijn brief de vrees van de Mbundu omtrent de ware bedoelingen van de Portugezen bevestigt. Gouveia laat ook nog weten dat kringen rond de Ngola zijn landgenoten beschimpen door te zeggen dat zij Portugal zouden veroveren en zich van de rijkdommen van dat land zouden meester maken, als zij niet zouden worden tegengehouden door de zee. Gouveia betoogt dat de koning van Portugal lieden die zulke dingen zeggen, zou moeten straffen, om te tonen dat hij de werkelijke heerser over geheel Afrika is. Paulo Dias schrijft, waarschijnlijk vanuit het hof van de Ngola een kort memorandum, waarin hij pleit voor evangelisatie van Angola met het zwaard in de hand. Hij schrijft dat er arbeidskracht te over in Ndongo is. Met de aanwezige overvloed aan mankracht zijn de Portugezen in staat een civilisatie in Angola op te bouwen die de Romeinse beschaving in Europa overtreft. Paulo Dias schrijft ook nog dat er zijns inziens voldoende Portugese edelen te porren zijn met hun vazallen naar Angola te emigreren, in ruil voor een titel en een pensioen, dat kan worden betaald uit de opbrengst van het land. Met behulp van mensen van São Tomé en enkele edellieden, wil Paulo Dias een blanke kolonie stichten op een koele hoogvlakte, weg van de koortsverwekkende kuststrook. Het pleidooi van Gouveia om Angola te veroveren, valt in Portugal in goede aarde en wordt gesteund door Paulo Dias de Novais. Nadat deze door de Ngola is vrijgelaten, heeft hij zich beijverd de idee Angola te koloniseren in Portugal ingang te doen vinden. Paulo Dias wijst daarbij op de rijkdom aan zilver en slaven. Hij steunt ook de opzet van de jezuïeten het geloof te verkondigen. Hij wil, evenals in Brazilië, de Angolese kust verdelen in capitanias of donatárias. Paulo Dias de Novais is niet de eerste de beste. Hij is de zoon van een rijke vader met zeer veel invloed en wellicht de kleinzoon van Bartolomeu Dias. Paulo Dias de Novais, die een energiek man is, onderhoudt goede betrekkingen met de rijkste Portugese families. Het spreekt vanzelf dat de voorstanders van kolonisatie van Angola de wind eerst goed in de zeilen krijgen, nadat slechts 600 met vuurwapens bewapende Europeanen de Jaga uit Kongo verdreven hebben. De Portugezen zullen er spoedig achter komen dat de vuurwapens waarover zij beschikken allerminst superieur zijn aan de boog, zoals zij zo graag geloven. Maar in de jaren waarin nog slechts plannen worden gesmeed (1571-1574) dromen de Portugezen van een gemakkelijke verovering van en het stichten van een blanke nederzetting in Angola met toestemming van de koning en bemoediging door de jezuïeten.

Afgezien van het voorgaande zijn er nog enkele argumenten voor verovering van gebied in Angola. De Jaga zijn weliswaar uit Kongo verdreven, maar zij zijn niet verslagen en zouden dus onverwachts weer kunnen opduiken. Een bijkomend gevaar is dat van de Teke, die in de jaren zestig Kongo al eens vanuit het noorden bedreigd hebben. Ook zij zouden opnieuw het land kunnen binnenvallen, als de Jaga Kongo destabiliseren door vanuit het oosten aan te vallen. Dit alles maakt de Portugese positie in Angola erg onzeker. Het is veelzeggend dat Paulo Dias, die al meer dan vijf jaar de verovering van Angola bepleit, zijn regimento dit land in te nemen ontvangt acht maanden nadat Lissabon de grote Jaga-inval bekend is geworden.

Als de contracten, die handelaren van São Tomé het monopolie op de Angolese (slaven)handel garanderen, aflopen, is de weg vrij om de voorstellen van Paulo Dias de Novais uit te voeren. Op 6 september 1571 geeft Dom Sebastião het regimento uit waarin de verovering en onderwerping van Angola bevolen wordt, ondanks dat over het gebied ‘koningen heersen’ en de Portugezen tot nu toe van het principe zijn uitgegaan dat alle macht van God komt (omnis potestas a Deo). Nu de Portugezen zich voornemen Angola te onderwerpen, beweren zij dat dit principe slechts voor Europa geldt, omdat de negers onbeschaafde heidenen zijn, die er barbaarse gewoonten op na houden. Zelfs de veelbelovende ontwikkelingen in Kongo zijn niet duurzaam gebleken. In dat land geldt na de dood van de grote koning Afonso I weer de wet van de jungle. In feite maakt Portugal zich op om in Angola op dezelfde wijze te gaan optreden als de Spanjaarden in Zuid- en Midden-Amerika doen. Met het voornemen Angola te gaan veroveren, komt er een einde aan de vreedzame activiteiten van de Portugezen in Afrika gedurende bijna honderd jaar. In de komende honderd jaar zullen de handelaren vergezeld worden door soldaten en het geloof zal verkondigd worden met het zwaard in de hand.

Het regimento verdeelt de kust van Angola in twee gedeelten. Het ene gedeelte beslaat 35 léguas, en wordt in het noorden begrensd door de monding van de Rio Cuanza; het andere deel loopt vandaar naar de monding van de Rio Dande in het noorden. Paulo Dias de Novais, die uit is op het verwerven van persoonlijke macht en aanzien, wordt gesierd met de indrukwekkende titel: Governador e Capitão-General do Reino de Sebaste na Conquista d’ Ethiopia. Hij is voor het leven capitão van beide gedeelten. Bij zijn overlijden vervalt het noordelijke deel, waarin Luanda ligt, aan de kroon, terwijl het zuidelijke deel aan de erfgenamen van Dias de Novais toevalt. Door Dias de Novais ook voor het leven de kroonkolonie te doen besturen, wordt de fout die ten aanzien van Brazilië is gemaakt, door daar niet van meet af aan een centraal gezag te vestigen, vermeden. De ligging van de oostgrens van de twee kolonies zal afhankelijk zijn van de omvang van de gebieden die veroverd zullen worden. De capitão heeft soortgelijke verstrekkende bevoegdheden als de capitães in Brazilië. Hij beschikt over de uitvoerende macht in het gehele gebied en over de rechtsprekende macht in het zuidelijke deel; in de kroonkolonie berust deze bij de kroon. Paulo Dias bezit geen wetgevende macht, omdat de Portugese wetten ook in Angola gelden. Het donatário-handvest, gedateerd 19 september 1571, geeft Paulo Dias grote economische privileges. Het betreft pacht- en belastingopbrengsten, het monopolie op de visvangst, de zoutwinning en op watermolens en de belastingvrije export van 48 slaven per jaar. Paulo Dias ziet de verovering van Angola veel te optimistisch in; wellicht rekent hij erop dat de Ngola zonder strijd de Portugese koning als zijn suzerein zal erkennen, zoals de Mani-Kongo destijds heeft gedaan. Hoe dit ook zij, Paulo Dias neemt nogal lichtvaardig een aantal zware verplichtingen op zich. De belangrijkste daarvan zijn:

  • hij moet elf grote en kleine schepen meenemen, om de kust in zuidelijke richting tot aan Cabo da Boa Esperança te onderzoeken

  • er dienen zich in de donatária of governançia 400 krachtige mannen, onder wie een aantal ervaren ambachtslieden, te vestigen;

  • hij moet zes paarden meenemen, opdat er over drie jaren twintig van deze dieren zijn;

  • over zes jaren moeten er in de donatária honderd blanke boeren gezinnen wonen; die door Paulo Dias dienen te worden voorzien van planten en zaden;

  • Paulo Dias dient in tien jaren drie forten te bouwen, tussen de Rio Dande en de Rio Cuanza, waarvan een in de beste haven en tenslotte

  • dient hij een kerk te bouwen ter ere van São Sebastião.

Alle kosten worden gedragen door de donatário en de Kroon zal geen kapitaal of leningen verstrekken, noch zullen wapens, schepen, voedsel of ammunitie ter beschikking worden gesteld. Paulo Dias dient acht zeewaardige schepen en drie visserschepen naar Angola te brengen en binnen twintig maanden na zijn vertrek uit Lissabon dient hij in Angola over 400 getrainde soldaten, 18 metselaars, een dokter en een barbier te beschikken. Als Paulo Dias of zijn opvolgers hun verplichtingen niet nakomen kunnen zij voor verraad veroordeeld worden.

De capitão kan niet onmiddellijk honderd gezinnen meenemen, omdat hij niet weet hoe hij ontvangen zal worden en over welke middelen van bestaan beschikt kan worden. Het wordt waarschijnlijk geacht dat van de 400 mannen die mee naar Angola gaan, er toch zeker honderd een gezin zullen stichten, aldus António da Silva Rego s.j. De historicus David Birmingham vermeldt echter dat Paulo Dias de verplichting op zich neemt honderd blanke, niet-joodse gezinnen in Angola te vestigen. Als hij gelijk heeft, kan worden geconcludeerd dat het regimento niet de nadruk legt op de handel in slaven, noch op de evangelisatie, maar op blanke kolonisatie. Ofschoon er in de oorspronkelijke plannen voor de verovering van Angola grote nadruk op de kerstening van de inwoners heeft gelegen, wordt in het handvest van 19 september 1571 slechts in een naschrift over kerkelijke zaken gesproken. Hierin staat dat de expeditie drie priesters moet meenemen om biecht te horen en de andere sacramenten te bedienen. Paulo Dias is niet alleen verantwoordelijk voor de bouw van de aan São Sebastião te wijden kerk, maar dient ook alle benodigdheden voor de eredienst uit eigen zak te betalen.

Van alle mooie plannen komt weinig terecht. De belangrijkste oorzaak van de mislukking is de grote sterfte onder de Europeanen aan de Angolese kust. Hoewel Paulo Dias dit had kunnen verwachten, is het hoge sterftecijfer toch een grote slag voor hem. De tweede oorzaak is dat de Afrikaanse oppositie tegen de onderneming sterker, vijandiger en beter georganiseerd is dan de architecten van kolonisatie hadden verwacht. Paulo Dias slaagt er bijvoorbeeld niet in de zoutrotsen van Quiçama, die hem veel zouden opleveren, en andere delen van zijn privédomein te veroveren. De derde oorzaak is dat het klimaat aan de kust ongeschikt blijkt te zijn voor het telen van gewassen. Zelfs drinkwater blijkt in Luanda schaars te zijn en de regenval is voor de meeste gewassen onvoldoende. Tenslotte vergt de handel in slaven zoveel energie van de kolonisten, dat zij onvoldoende energie hebben om zich op andere activiteiten te richten. Tot in de negentiende eeuw zal de slavenhandel alle pogingen de economie van het land te diversifiëren ondermijnen.

De expeditie van kolonisten verlaat Lissabon tegen het einde van 1574. Op 17 december passeren de landverhuizers de eilanden van Cabo Verde en een maand later zien zij Anobom in de Golf van Guinée. Op 20 februari 1575 arriveert de hoofdmacht van de expeditie in Luanda. Op Luanda-eiland blijken zich al 40 Portugezen te hebben neergelaten. Zij zijn rijke handelaren die voor de Jaga-invasie uit Kongo zijn gevlucht en handeldrijven met de Ngola.. Er liggen ook zeven slavenschepen uit São Tomé in de baai van Luanda handel te drijven. De kooplieden zijn niet erg enthousiast over de komst van een officiële vertegenwoordiger van de Kroon, want zij begrijpen dat met zijn aankomst hun handel belast gaat worden. Zij bereiden hem derhalve bepaald geen vriendelijk welkom. De op Luanda-eiland wonende Mbundu, naar schatting 3.000 mensen, houden zich hoofdzakelijk bezig met het verzamelen van nzimbu, zijnde schelpen van de porseleinslak, die in Kongo dienst doen als geld.

De meeste inlichtingen die bewaard zijn gebleven over de eerste jaren van de Portugese kolonisatie en over het begin van de Angolese oorlogen is afkomstig van brieven van de paters jezuïeten, die Paulo Dias hebben vergezeld, of die later naar hem zijn gezonden. García Simões s.j. geeft een eerste indruk van het land, die zeer veel afwijkt van de ronkende verhalen van Paulo Dias en pater Francisco Gouveia s.j. van een paar jaar eerder.

García Simões s.j. laat weten dat de zwarten kannibalen zijn, die kort voor zijn aankomst in Luanda in een nabijgelegen dorp vier blanken hebben gedood en opgegeten. Het koninkrijk Ndongo is, zegt hij, verdeeld onder tien of twaalf machtige opperhoofden, die allemaal het recht hebben hun onderdanen te verkopen of te doden. Pater García Simões is beslist niet onder de indruk van Luanda en omgeving. Voedsel is er schaars, de belangrijkste gewassen zijn bonen en gierst. Een enkele keer wordt er een geit of worden enige bananen uit het binnenland aangevoerd. Hij is niet gesteld op de lokale luxe artikelen als palmwijn en kolanoten. Op Luanda-eiland is te weinig aanbod van water en dat kan alleen verkregen worden door een smalle put te graven en te hopen dat het water dat zo verkregen wordt niet brak is.

Als de Portugese kolonisten in Luanda aankomen, worden hun bewegingen nauwkeurig in de gaten gehouden door de koning van de Mbundu. Helaas zijn de namen en regeringsperioden van de verschillende Ngola’s ons niet bekend, maar er zijn enige aanwijzingen dat Ngola Ndambi voor 1575 is overleden en dat hij is opgevolgd door Ngola Kiluanji. De openingszet van de Ngola in 1575 is dat hij Paulo Dias welkom heet door middel van een ambassadeur. Deze trekt vier maanden uit voor de reis naar Luanda en onderweg verwerft hij 100 slaven en veel vee om namens de Ngola als welkomstgeschenk aan Paulo Dias aan te bieden. De ambassadeur wordt door de Portugezen in grote stijl ontvangen. Bij zijn aankomst wordt er op ivoren hoorns geblazen, worden bellen geluid en wordt er met kalebassen gerammeld. Nadat de geloofsbrieven van de Ngola zijn overhandigd, legt Paulo Dias uit dat hij door zijn koning is gezonden om de activiteiten van de Europese handelaren te vergemakkelijken en te helpen juridische geschillen op te lossen. Vervolgens gaat een schaal rond met kola als een gebaar van goede wil en vriendschap. De Ngola hoopt er waarschijnlijk op door zijn vriendelijke bejegening van de Portugezen een nieuwe scheepslading geschenken te ontvangen van de Portugese koning, terwijl Paulo Dias ervoor zorg draagt niets te doen wat het leven van pater Gouveia, die nog steeds aan het hof van de Ngola verblijft, in gevaar kan brengen.

De Portugezen hebben geen succes met hun pogingen hun militaire bedoelingen te verbergen. García Simões s.j. zegt dat gezanten van de Mani-Kongo de Ngola vroeger al gewaarschuwd hebben dat de Portugezen zijn koninkrijk willen veroveren, wat Alvaro I ten stelligste in een brief aan hem ontkent. Europese handelaren aan het hof van de Ngola, die gekant zijn tegen de volmachten van Paulo Dias, zouden de Ngola ook gewaarschuwd hebben tegen de militaire ambities van Paulo Dias’ expeditie. In reactie op de waarschuwingen bedreigt de Ngola de levens van de Portugezen in zijn rijk. Pater Gouveia, die een matigende invloed op de Ngola heeft, dient hem van advies in zijn optreden tegenover Paulo Dias, waardoor de onderhandelingspositie van de Ngola versterkt wordt. Korte tijd later overlijdt Francisco Gouveia s.j. na een gevangenschap van vijftien jaar. De Ngola, geërgerd door het verlies van zijn voordeel, maakt verwijten aan het adres van de afgezanten van de Mani-Kongo, die hij naar Luanda zendt. Zij mogen door toverkracht de Portugezen, wier bedoelingen zij in diskrediet hebben gebracht, trachten te bewerken.

In de tijd dat Paulo Dias’ expeditie in Angola aankomt, schijnt de slavenhandel te bloeien. García Simões s.j. laat weten dat in 1576 handelaren in heel het land 14.000 slaven verwerven, van wie er echter 4.000 sterven. Dit aantal is moeilijk te rijmen met een analyse van de slavenhandel in 1591, die spreekt over 52.000 slaven in de periode 1575-1591. Misschien is de schatting van Simões te optimistisch, of betreft het aantal van 52.000 slaven uitsluitend de legale export en zijn daarin niet begrepen de slaven die naar Brazilië zijn gesmokkeld en voor wie geen belasting is betaald. Een ander aspect is dat in de dagen voorafgaande aan de oorlog er in goede harmonie met de Ngola gehandeld wordt en dat in die tijd veel meer slaven worden verhandeld dan nadat er vijandelijkheden zijn uitgebroken. García Simões zegt bijvoorbeeld dat bijna alle inwoners van Ndongo slaven van de koning zijn en dat de gebruikelijke vorm van bestraffing voor misdaden als diefstal of overspel daaruit bestaat, dat zij verkocht worden aan de Portugezen. Deze praktijk zal, na het uitbreken van de oorlog, in betekenis zijn afgenomen. Ook kan het aantal verscheepte slaven beduidend minder zijn dan het aantal gekochte slaven, omdat de Portugezen slaven hebben opgeleid als militaire vrijwilligers.

In die tijd schijnt Kabasa, de hoofdstad van de Ngola, de belangrijkste stapelplaats voor de handel in slaven te zijn geweest. Handelaren en soldaten verwerven ladingen kleding en andere goederen op krediet in Luanda, brengen deze zaken naar Kabasa en ruilen die tegen slaven. De schepen die de goederen hebben aangevoerd, wachten ondertussen in Luanda op hun retourlading van slaven. Als in 1579 de zal uitbreken en de Ngola veel Portugezen in zijn land laat doden, (zie hierna) vallen de Ngola hun grote voorraden handelsgoederen in Kabasa in handen. Naar verluid zouden hiermee tien of twaalf schepen geladen kunnen worden en vertegenwoordigen de goederen een waarde van naar schatting 20.000 cruzados.

In 1576 zijn de kolonisten en hun zielenherders van de Societas Jesu verhuisd van Luanda-eiland naar het vasteland. Zij hebben zich neergelaten op een hoog voorgebergte dat uitziet op de baai, vermoedelijk nabij de plaats waar later het Fortaleza São Miguel is verrezen. Tot 1579 blijven de betrekkingen tussen de Mbundu en de Portugezen betrekkelijk vreedzaam en de handel blijft bloeien. In 1577 wordt aan de benedenloop van de Rio Cuanza het fort Kalumbo gesticht. Een strategisch juist gekozen punt, dat over land gemakkelijk bereikbaar is. De ligging van het fort nabij moerassen is echter zeer ongezond. Er vindt in het voorjaar van 1577 een kleine schermutseling plaats, maar er breekt geen oorlog uit en de steelse verwachtingen naar de zilvermijnen blijven de Portugezen koesteren. Als Paulo Dias zich het jaar daarop te São Pedroi, op twintig kilometer van Kalumbo bevindt, ontmoet hij afgezanten van de Ngola, die hem bevelen ter plaatse te blijven, daar een verder doordringen niet zal worden toegestaan. Een serieuzer probleem dan de vijandigheid van de Mbundu is de moeilijkheid de aanspraak van gouverneur Paulo Dias te doen eerbiedigen dat hij het monopolie op de handel in slaven langs de gehele kust bezit. Kooplieden gaan door met rechtstreeks handeldrijven in de havens langs de Kongostroom, zonder zijn toestemming, wat de potentiële opbrengsten van de kolonie aantast. Gedurende de eerste jaren van de kolonisatie schijnen de jezuïeten zich meer te hebben beziggehouden met het overleven in een tropisch land, dat onveilig wordt gemaakt door wilde dieren en geteisterd wordt door dodelijke koortsen, dan met het onderwijzen van de bevolking van het land. Het beeld van de kolonie in die tijd wordt getekend door veelvuldig overlijden door koortsen en door slavenhandel op grote schaal. De algemene mistroostigheid wordt slechts verzacht door de hoop op het verwerven van rijkdom en op het redden van de ziel.

In 1579 breekt er een openlijke oorlog uit tussen de Ngola en de Portugezen. In april van dat jaar rapporteert Pero da Fonseca, de vertegenwoordiger van gouverneur Paulo Dias in de Ngola’s koninklijke hoofdstad, dat er een botsing is geweest tussen Portugezen die trouw zijn aan gouverneur Paulo Dias en anderen die de Ngola zien als een absolute vorst. Een Portugese handelaar, die al lange tijd in Ndongo woont, zou de Ngola gezegd hebben bedacht te zijn op Paulo Dias’ ambities Ndongo te willen veroveren. De Portugezen beschouwen dit als verraad. De Ngola besluit, nadat hij advies heeft ingewonnen van zijn oudere adviseurs, actie te ondernemen. Geruchten gaan over een dreigende aanval op Kabasa. In de paniek die uitbreekt worden dertig of veertig Europeanen gedood, die op de vlucht slaan voor een denkbeeldige vijand. Andere blanke handelaren die verspreid zijn over het land, worden later gearresteerd en gedood. Frutuoso Ribeiro, een pater jezuïet, laat weten, dat naast de eerste dertig Portugezen, er een groot aantal christenen wordt gedood.

Als afgezanten van de Ngola bij Paulo Dias aankomen, vat deze argwaan op en daar hij zich op een zeer ongunstige plek aan de Rio Cuanza bevindt, haast hij zich met zijn kleine troepenmacht noordwaarts naar het dorp Nzele. Van hieruit kan zowel de Rio Cuanza als de Rio Bengo worden bereikt en is een eventuele terugtrekking naar Luanda gemakkelijk uit te voeren. In Nzele verneemt Paulo Dias de afslachting van zijn landgenoten en het verraad van de Ngola. Voordat hij gelegenheid heeft te reageren op de uitdaging van de Ngola aan het adres van de Portugezen, neemt de Ngola het initiatief met een directe militaire aanval. In allerijl wordt een kleine versterking opgeworpen, worden alle beschikbare krachten verzameld en de komst van de vijand afgewacht. Een leger van 12.000 Mbundu-soldaten doet een aanval op het kleine Portugese fort Nzele. Ratelband beschrijft het gevecht in de volgende schilderachtige bewoordingen: ‘in dicht op elkaar volgende golven onder het zware gedreun van oorlogstrommels en het geloei van krijgshoorns, lopen de Mbundu-krijgers storm tegen het zwakke fort, maar daar maken zij kennis met de kracht van vuurwapens. Achter de houten palissaden en de aarden wallen zijn de Portugezen veilig voor de pijlen en werpsperen van de aanvallers. Wat baat dan nog dapperheid en numerieke meerderheid? Bij honderden sneuvelen de Mbundu nog voor zij de palissaden hebben bereikt. Hun aanvoerders, die zich volgens de gewoonte in de eerste rijen bevinden, worden de een na de ander neergeschoten. Muquixes, die de krijgers onkwetsbaar moeten maken, verliezen plotseling hun kracht; de dood en verderf brengende kanonnen lijken evenzoveel vuurspuwende monsters, waarvan het gedonder boven het lawaai van de trommels uitdreunt; in wilde paniek vluchten de horden in alle richtingen.’ De gouverneur slaagt erin het fort te behouden met 60 Europese en 200 Afrikaanse soldaten, maar vanaf dat moment is een algemene oorlog onvermijdbaar. Paulo Dias geeft een van zijn bevelhebbers opdracht om het gehele gebied tussen de Rio Bengo en de Rio Cuanza te verwoesten, om het effect van zijn overwinning te vergroten en de bevolking het nodige gezag in te boezemen. De Ngola verzoekt ontzet en verschrikt om vrede, maar dit verzoek wordt door Paulo Dias afgewezen. Hij zweert de Ngola nooit meer te zullen vertrouwen of hem vredesvoorstellen aan te bieden, maar slechts uit te zijn op diens onvoorwaardelijke overgave. De ironie wil echter dat Paulo Dias een vijand moet bestrijden die groot en machtig is geworden door zijn betrekkingen met Portugese handelaren. De missionarissen verwelkomen de nieuwe situatie; hoe eerder het koninkrijk Ndongo bezet wordt, hoe beter. De Portugezen zullen met alle bondgenoten die zij kunnen aantrekken, hun weg naar de veronderstelde zilvermijnen in Cambambe bevechten. Paulo Dias trekt de landengte tussen Luanda en de Rio Cuanza over met een legermacht, waarvan de kern bestaat uit 300 Europese soldaten en 200 getrainde slaven. Hij is van plan bij het optrekken meer krijgers te rekruteren. Zo mogelijk wenden de Portugezen terroristische tactieken aan, liever dan veldslagen tegen een numeriek oppermachtige vijand aan te gaan. Hun grootste moeilijkheid is hun leger te voeden. Zij hebben geen voorraden levensmiddelen kunnen meenemen omdat deze aan de kust niet voorradig zijn. Het leger moet daarom van het land leven en menigmaal worden dorpen overvallen, zowel om voedsel te verkrijgen als om de vijand te verslaan.

Het Portugese leger in Angola is altijd klein in aantallen Europese soldaten. Pero Rodrigues laat ons weten dat Paulo Dias met 700 strijdbare mannen in Luanda is gearriveerd, maar Domingos Abreu e Brito stelt zijn leger op 350 man, hoofdzakelijk schurken en nietsnutten. Velen gaan weer aan boord van de schepen die hen naar Angola hebben gebracht. De hoge sterfte onder de Europeanen aan de door koortsen gedomineerde kust, veroorzaakt dat er voortdurend versterkingen moeten worden aangevoerd. In 1578 arriveert António Lopez Peixoto met 400 soldaten en veel ammunitie en te verhandelen kleding, alles gezonden door António Dias, de vader en financiële steunpilaar van Paulo Dias. In 1579 helpt de kardinaal-koning Henrique door opnieuw 200 man naar Angola te zenden. Philips II (Filipe I) zendt zelfs driemaal versterkingen naar Angola. In 1584 arriveert João Castanho Velez met 200 soldaten onder zijn bevel. Met hem komen ook ambtenaren die zich gaan bezighouden met de openbare financiën en experts op het gebied van de mijnbouw aan. Een hoge bestuursambtenaar, João Morgado de Rezende, arriveert ook in Angola. Zijn regimento, gedateerd 19 augustus 1583, gelast hem een onderzoek in te stellen naar juridische aangelegenheden in de donatária. In het tweede regimento, gedateerd 27 oktober 1583, maakt Filipe I duidelijk, dat de exploitatie van eventuele zilvermijnen een zaak van de Kroon is. Dit moet een zware slag voor Paulo Dias zijn geweest, omdat in diens regimento is bepaald dat hem, gedurende zijn leven, een derde deel toevalt van de winst gemaakt met alle nieuwe activiteiten in Angola. Met de vijand op zijn huid, moet Paulo Dias zich echter aan elke beslissing die hem uit Lissabon bereikt, onderwerpen. In 1586 brengt Jacomo da Cunha 90 man mee en in 1587 arriveren 350 Duitsers, Vlamingen en Castilianen in Angola. Deze laatste mannen sterven bijna allemaal aan de koorts voor zij een geweer hebben vastgehouden. Om de situatie samen te vatten, halen we Pero Rodrigues weer aan: hij schat dat tussen 1575 en 1594 meer dan 2.000 soldaten naar Angola komen. Van hen sterft 60 procent aan de koorts of verlaat het land, 450 sneuvelen in de oorlog en in 1594 bevinden zich slechts 300 soldaten in de kampen en garnizoenen van de kolonie.

Omdat er altijd een groot tekort is aan Europese troepen, is het leger grotendeels aangewezen op gerekruteerde slaven en op de privélegertjes van bondgenoten of overwonnen Mbundu-opperhoofden. Met 100 of 200 Europese musketiers en enige duizenden Afrikaanse boogschutters en lansiers durven de Portugezen gewoonlijk een veldslag te riskeren, ofschoon zij verschillende zware nederlagen lijden tegen de enorme legermachten die zij moeten bestrijden. Ofschoon de kwaliteit van de naar Angola gezonden geweren zo slecht is dat zij de schutter soms meer bezeren dan de vijand, worden vuurwapens niettemin doorslaggevend geacht voor de Portugese overwinningen en de Portugezen trekken zich terug in hun forten als de aanvoer van kruit te wensen overlaat.

Nadat de vijand uit de directe omgeving van Luanda is verdreven en de haven voldoende is beveiligd, vat Paulo Dias het oude plan op de zilvermijnen in Cambambe te bereiken. In oktober 1580 marcheert hij met zijn leger van 300 Portugezen, aangevuld met enige honderden slaven uit Luanda, in enkele snelle dagmarsen naar de Rio Cuanza. Daar scheept het leger zich zoveel mogelijk in op vijf galjoten en andere vaartuigen, terwijl de rest opmarcheert langs de rivier en buit verwerft in de vorm van palmolie, graan en vee. Er wordt een zoutdepot vernield op de route van de mijnen van Quiçama naar de markten van Ndongo. Hier wordt de eerste tegenstand ondervonden, maar het opperhoofd, Muxima Kita Mbonje, biedt zijn onderwerping aan de gouverneur aan en wordt een vazal van de koning van Portugal. Uit een brief van pater Baltasar Afonso kennen we het optreden van Paulo Dias na zijn overwinning nabij Muxima. Hij laat wederom de streek in wijde omtrek verwoesten, honderden bewoners worden gedood of gevangengenomen. De ‘hoofdstad’ en vele voorraadschuren met meel, honing, palmolie, matten, vee, zout enzovoort worden geplunderd en in brand gestoken. ‘Drie dagen brandt de stad als een fakkel. Zoveel levensmiddelen lagen overal verspreid dat geen twee Indiëvaarders ze hadden kunnen bergen.’ Begin november bereikt het leger Makunde, een dorpje aan de rechteroever van de Rio Cuanza, nabij Massangano. Als verdergaan onmogelijk blijkt, wordt hier een versterkt kamp ingericht, om uit te rusten.

Voor militaire operaties is de tijd zeer ongunstig gekozen: in oktober begint het regenseizoen, de heetste tijd. Tropische onweders barsten in alle hevigheid los, een gordijn van regen belet iedere actie op grote schaal. De Rio Cuanza, een rivier van matige omvang in de koele tijd, is in een woest kolkende stroom veranderd, die ontwortelde bomen en losgescheurde oeverranden meesleurt, de omgeving overstroomt en overal meren en moerassen vormt. Kleine beken zwellen aan tot snelstromende rivieren, die slechts met de grootste moeite kunnen worden overgetrokken. In de klamvochtige atmosfeer, bezwangerd met de walgelijk riekende modderlucht, die uit de dampende moerassen en rottende planten opstijgt, slaat Paulo Dias zijn kamp op. Onder deze omstandigheden is het niet te verwonderen, dat in een paar maanden meer dan honderd Portugezen aan koortsen en dysenterie sterven. Desondanks blijft Paulo Dias twee volle jaren in Makunde, dat hij als uitgangspunt voor veldtochten in het binnenland gebruikt. In vier achtereenvolgende gevechten worden de Mbundu-legers van de Ngola verslagen, maar al deze overwinningen veranderen weinig aan de positie waarin de Portugezen zich bevinden. Tevergeefs wachten zij op steun uit Portugal. De mogelijkheid van een terugtocht naar Luanda staat nog steeds via de Rio Cuanza open, doch de zilvermijnen van het Cambambe-gebergte, waarvan de toppen zich blauwwazig in de verte aftekenen, blijven onweerstaanbaar lokken. Afdelingen soldaten trekken uit Makunde naar de provincies Ilamba in het noorden en Quiçama in het zuiden. De Mbundu plegen guerilla-aanvallen en ten minste een aanval eindigt in een ramp voor de Portugezen. Terwijl Paulo Dias vastzit in Makunde, wacht hij op een leger uit Kongo om hem te ontzetten en om vervolgens zijn troepen te ondersteunen bij hun veldtocht tegen de Ngola. Dit Kongolese leger zou volgens pater Baltasar Afonso bestaan uit 60.000 man, die geleid worden door 50 Europese soldaten. Voordat dit leger Makunde bereikt, wordt het vernietigd door de Mbundu.

Het gevolg van de nederlaag van Portugals Kongolese bondgenoten is dat de Mbundu-opperhoofden die de Portugese zijde gekozen hebben, nu vrezen dat de Europeanen niet langer in staat zullen zijn hen te beschermen tegen hun voormalige suzerein, de Ngola. Vele van hen keren daarom terug in de rangen van hun landgenoten. De jaren 1581 en 1582 vormen een donkere tijd voor de expeditiemacht die met geweld tracht zijn weg te vinden door vijandelijk Mbundu-land naar de veronderstelde zilvermijnen van Cambambe. In december 1582, weer midden in het regenseizoen, verlaat Paulo Dias zijn stellingen bij Makunde. Een langer verblijf zou gelijk hebben gestaan aan zelfmoord. Met de overgebleven 150 blanken en enige duizenden zwarten, rukt hij op naar het Cambambe-gebied. Een vrij hachelijke onderneming, al hebben verscheidene sovas (chiefs) in de regionen rond Makunde zich onderworpen, wat de omvang van zijn zwarte troepenmacht aanzienlijk heeft vergroot. Als een sova zich onderwerpt, stelt hij al zijn krijgers ter beschikking van de gouverneur, die hen overal kan inzetten waar hij hen kan gebruiken. Zij worden aangeduid met de term empacasseiros, een naam die tot in de twintigste eeuw is blijven bestaan. De geweldige overstromingen van de Rio Cuanza dwingen Paulo Dias eerst naar het noorden en daarna naar het zuidoosten te trekken en, aldus een grote boog beschrijvende, de Rio Lucala en de Rio Mukoso overstekende, bevindt hij zich eind januari 1583 op korte afstand van de fascinerende zilverbergen.

Het vertrek van de Portugezen uit Makunde heeft heel Ndongo in staat van opwinding gebracht. Nu de blanken hun onaantastbare stellingen verlaten hebben en het hun onbekende binnenland gaan betreden, zal de afrekening spoedig volgen. De oorlogstrommen dreunen van dorp tot dorp, overal verzamelen zich krijgers en als een lawine groeit het leger van de Ngola aan. Nabij een dorp aan de voet van het Cambambe-gebergte stoten de horden op de blanken, die zich met hun zwarte hulptroepen in een vlakte temidden van rondom oprijzende heuvels hebben versterkt. Tegen de verwachting van Paulo Dias en zijn mannen in, gaan de Mbundu niet tot de aanval over, maar bezetten zij de heuvels nabij het kamp, naar alle waarschijnlijkheid om ’s nachts de aanval te wagen en de Portugezen met hun overweldigende meerderheid te vernietigen. Paulo Dias beseft het gevaar en laat op 2 februari 1583 zijn zwarte hulptroepen een vermetele aanval op de hoofdmacht ondernemen. De slag wordt gestreden bij Tala Ndongo, de toegang tot het land van de Ngola. In enkele uren is het pleit beslecht. Ofschoon de Portugezen de overwinning opeisen, zijn zij zo uitgeput dat zij deze niet weten uit te buiten en zij vallen terug op een positie aan de samenloop van de Rio Lucala en de Rio Cuanza. De plek is wat strategische ligging betreft, verre te verkiezen boven Makunde. Het is een landtong, hoog boven de Rio Cuanza uitstekend, en kan dus slechts van de landzijde worden aangevallen. Op deze door de natuur beveiligde plek bouwt Paulo Dias een fort, dat de Rio Cuanza beheerst, en een kerk, die hij ter ere van de overwinning de Igreja de Nossa Senhora da Vitória noemt. De stad Massangano die daar ligt, wordt de draaischijf van de Portugese activiteiten in de Angolese Oorlogen. Gedurende het jaar 1583 worden er ook kleinere slagen uitgevochten; pater Baltasar Afonso noemt er een waarbij 619 neuzen als trofeeën door de Portugezen worden afgesneden. Zij zenden zakken met de afgesneden neuzen van hun vijanden op naar de kust, om de omvang van hun overwinningen te bewijzen. Pater Afonso memoreert nog een andere slag, waarbij een opperhoofd wordt veroordeeld 100 slaven te leveren om zijn veiligheid te kopen en dan niettemin toch geëxecuteerd wordt. Om hun vijanden het meest te treffen, hakken de Portugezen de palmbomen in hun dorpen om, aldus moeten de Mbundu hun favoriete alcoholische drank ontberen. De tegenstand die de Portugezen in Angola ondervinden is veel sterker dan zij hebben verwacht. Anders dan in Kongo, vechten zij in Angola niet aan de zijde van de gevestigde machten, maar juist tegen hen. Bovendien strijden zij tegen twee tegenstanders: de Mbundu en de – in de volgende paragraaf te bespreken – Imbangala. Vanuit Massangano kunnen de Portugezen niet naar het zuiden oprukken, omdat de Imbangala, onder leiding van het opperhoofd Kafushe, een volgeling van Kinguri, op de zuidoever van de Rio Cuanza zeer talrijk zijn.

Als João Castanho Velez eindelijk in 1584 met zijn versterkingen in Luanda aankomt, is er in Massangano een wanhopig tekort aan kruit en kogels. De nieuwe capitão wordt bijna direct na zijn komst het land in gestuurd, om een aanval te wagen in de rijke provincie in centrale deel van Ndongo, waar de Ngola woont en waar de veronderstelde zilvermijnen zouden zijn. Hij maakt vorderingen totdat hij stuit op het leger van ‘Soasas’, een aan de Imbangala verwante stam, die hij aanvankelijk verslaat. Maar terwijl de Portugezen zich verheugen en feestvieren over de buit, keren de ‘Soasas’ terug, zogenaamd om vrede te vragen, maar in feite om de niets vermoedende Portugese troepen te overrompelen. Het is vermoedelijk in dit gevecht dat João Castanho Velez het leven laat. De soldaten die het bloedbad overleefd hebben, begraven hun geweren en de kooplieden, die zich bij het leger hadden aangesloten, verbranden de kleding waarmee zij handel zouden drijven en op kerstavond 1585 strompelen zij weg onder dekking van de duisternis.

De geringe sterkte van de Europese legers en de onbetrouwbaarheid van hun bondgenoten leiden ertoe dat er weinig vooruitgang wordt geboekt in 1586. De Portugezen zitten min of meer opgesloten in Massangano. De legendarische mijnen, enkele kilometers ten noorden daarvan, weet Paulo Dias niet te bereiken. Als hij zich realiseert dat hij met zijn strijdmacht zit opgesloten in het fort van Massangano, zendt hij een expeditie uit langs de kust naar het zuiden, om daar gebied te veroveren en tot een nieuwe bron van inkomsten te maken. Paulo Dias heeft namelijk dringend behoefte aan geld. Zijn vriend Lopez Peixoto zeilt met vijftig krachtige mannen uit. Hij ondervindt in 1587 geen problemen bij de bouw van een fort bij Benguela Velha, aan de kust van de Atlantische Oceaan, op meer dan 400 kilometer ten zuiden van Luanda. Als de Portugezen zich kort daarna verspreiden en zich ongewapend op het strand bevinden, worden zij op twee na allemaal door inheemsen afgeslacht, wat het einde van de onderneming betekent. Het nieuws van de mislukking verrast Paulo Dias volkomen.

Eerst in 1589 wordt er weer een krachtige poging ondernomen om Kabasa in te nemen. Voor de campagne begint, overlijdt Paulo Dias, waarschijnlijk op 9 mei 1589, in het fort Nossa Senhora da Vitória. Ratelband merkt op: ‘In Paulo Dias verliest de jonge kolonie haar kundigste aanvoerder, een militair van uitzonderlijke kwaliteiten, welke kritiek men later ook op zijn administratief beleid mocht uitoefenen. Duffy is minder vleiend: ‘Zijn enige daden van betekenis zijn de stichting van de stad São Paulo de Luanda en de bouw van verschillende forten langs de Rio Cuanza’. En voorts: ‘Maar ongeveer 2.000 Portugezen komen om door koortsen of vijandelijke wapens’ tijdens het bewind van Paulo Dias. In zijn testament wijst de overleden gouverneur Luís Serrão aan om hem op te volgen. Luís Serrão leidt zijn leger langs de Rio Lucala naar een plaats Ngoleme a Kitambu geheten, die waarschijnlijk in de buurt van Mbaka ligt. Daar lijdt Luís Serrão op 28 december 1590 een zware nederlaag tegen een groot leger, dat volgens Domingos Abreu e Brito gevormd is door een samengaan van de ‘Koning van Matamba, enige troepen uit Kongo, het leger van Ndongo, de ‘Guindas’ en de ‘Yagua Koningen’, die aan de grens wonen van het koninkrijk Angola. Er moet voor gevreesd worden dat Abreu e Brito heeft getracht de Portugese nederlaag te rechtvaardigen door alle machtige heersers van West-Centraal-Afrika op te sommen en deze te doen participeren in een verenigd leger.

De verslagen Portugese strijdkrachten hebben bestaan uit 125 Europese haakbusschutters te voet, 15.000 Afrikaanse boogschutters en drie Portugese cavaleristen. Het ‘Leger van Matamba’, zoals Abreu e Brito het noemt, bestond uit drie afdelingen, die frontaal aanvielen en daarna door middel van bewegingen met de vleugels de vijand probeerde in te sluiten. Nadat Luís Serrão verslagen is, trekt hij zo ordelijk mogelijk terug en in vijftien dagen bereikt het overschot van zijn leger Massangano. De nederlaag is zwaar geweest, zowel uitgedrukt in geld als in verloren mensenlevens. Het is de praktijk dat handelaren beladen met handelswaren het leger vergezellen, om gedurende de campagne slaven te kopen. Toen Luís Serrão’s leger verslagen was, heeft hij niet alleen de bagage van het leger achtergelaten, maar ook alle te verhandelen kleding die de kooplieden bij zich hadden. Het verlies is zeer aanzienlijk, ook al is de schatting van Abreu e Brito dat het om de lading van 24 schepen ging een schromelijke overdrijving. Korte tijd na de slag overlijdt Luís Serrão. Hij wordt opgevolgd door André Ferreira Pereira (1591-1592)

In 1590 bezetten de Portugezen niet meer dan een kuststrook die 150 kilometer breed is, tussen de Rio Cuanza en de Rio Bengo. De trouw van de opperhoofden in dit gebied is twijfelachtig. Er komen geregeld opstanden voor, terwijl het de Portugezen aan mankracht ontbreekt om deze te onderdrukken. Alle pogingen om het ‘hartland’ van Ndongo, dat ligt tussen de Rio Lucala en de Rio Cuanza, binnen te trekken hebben gefaald, waarbij minstens twee legers zijn verslagen. De Ngola beheerst nog steeds het hoogland en de Portugezen zijn veroordeeld tot de ongezonde laagvlakte. Niettemin zijn zij niet zonder meer van plan hun pogingen Ndongo te veroveren, op te geven.

Ratelband merkt op dat na het overlijden van Paulo Dias de financiële, administratieve en militaire zaken van Angola in onbeschrijflijke verwarring verkeren. Verschillende keren zijn de Portugezen in bloedige gevechten tegen de Mbundu-legers van de Ngola verslagen en slechts met de allergrootste krachtsinspanning kunnen zij zich de eerste jaren na de dood van Paulo Dias in hun forten handhaven. Onderlinge verdeeldheid, heftige botsingen tussen militaire autoriteiten en jezuïeten, die zich beiden de macht willen toeeigenen, een koopmansstand voor wie alleen het directe eigen voordeel geldt, brengen de jonge kolonie aan de rand van de afgrond. Ieder voor zich tracht zich in de kortst mogelijke tijd te verrijken en aangezien de bewerking van de natuurlijke rijkdommen van het land te tijdrovend is en te grote bezwaren oplevert, werpen allen zich, zowel koopman, militair als missionaris, op de slavenhandel, waarmee op gemakkelijke wijze schatten worden verdiend. Volkeren worden tegen elkaar opgezet, overvallen worden georganiseerd en de daarbij gevangen Afrikanen, die dus vrijwel niets kosten, worden met enorme winsten aan de suikerplantages van Brazilië en West-Indië verkocht. Juist deze lucratieve handel, en de fascinerende aantrekkingskracht van de nog steeds niet gevonden zilvermijnen in Cambambe doen nieuwe belangstelling voor Angola ontstaan. Ook van de kant van Spanje, dat wellicht hoopt een tweede Peru te krijgen, waar geen gebrek aan arbeidskrachten zal zijn.

Het overlijden van Paulo Dias en de nederlaag van 1590 markeren het einde van de eerste periode van de Portugese strijd om heer en meester te worden in Angola. Het betekent ook het einde van het geven van een donatária aan een particulier. De oorlogssituatie waarin Angola is komen te verkeren, schrikt zijn erfgenamen af om zich met Angola in te laten. De donatária vervalt aan de Kroon, die alle rechten op en verantwoordelijkheden inzake Angola op zich, waarmee een einde is gekomen aan een bestuursvorm waartegen koning Filipe I immer gekant is geweest.

In 1590 draagt koning Filipe I Domingos de Abreu e Brito op in Angola de politieke en militaire situatie te onderzoeken en zich een oordeel te vormen over de commerciële vooruitzichten van de kolonie. Abreu e Brito keert al in 1591 in Portugal terug met een rapport dat bijzonder curieus is, omdat daarin alle oude mythen worden geaccepteerd. Het herbevestigt de houding en ambities van het donatária-handvest, dat twintig jaar eerder geschreven is. Angola is nog steeds ‘het dichtstbevolkte land ter wereld’ en de rijkdommen van het land zijn nog steeds de zilvermijnen en andere mineralen. Het doel is de Mbundu te overwinnen en Abreu e Brito wijdt de meeste woorden aan de wijze waarop dit doel bereikt kan worden. Hij betoogt dat de jezuïeten zich op het standpunt stellen dat niet te tolereren is dat een inheemse vorst schaamteloos weigert aan de wensen van de koning van Portugal te voldoen. De Portugezen houden vast aan hun overtuiging dat iedereen die tegen hen vecht ‘rebelleert’ en dat iedereen die zich tegen hen keert ‘verraad’ pleegt. Abreu e Brito zegt van mening te zijn dat het nutteloos is kleine eenheden naar Angola te zenden om de militaire kracht van het koloniale bestuur te versterken, want dit is weggegooid geld tegen de macht van het Mbundu-legers. Er dient een groot leger naar Angola te worden gezonden, dat de Portugezen voor eens en altijd de heerschappij over het land kan bezorgen. De machtige opperhoofden moeten stuk voor stuk overwonnen en onderworpen worden. Het leger moet beschouwd kunnen worden als de macht die degenen bescherming kan bieden, die zich hebben gekeerd tegen hun voormalige meesters en suzereinen. Als de gouverneur eenmaal de steun van een paar machtige opperhoofden, ieder met twee of drie duizend boogschutters, zal hebben verworven, dan kan de verovering van het land zonder grote problemen worden voltooid.

Om de Ngola te overwinnen acht Abreu e Brito duizend soldaten voldoende. Deze dienen niet slechts te worden gerekruteerd in Portugal, maar ook op São Tomé, terwijl hij ook suggereert 500 criminele mamelucos te rekruteren in Brazilië.. Het leger heeft ook een cavalerie van vijftig à zestig paarden nodig, die in leven gehouden moeten worden om ze later in de mijnbouw te kunnen gebruiken. De honderd Europese handelaren in Kongo kunnen worden opgeroepen en zij kunnen duizend gewapende slaven die zij nodig hebben voor hun bescherming, meebrengen. Het hele land kan met twaalf forten onder controle worden gehouden. Over de economische mogelijkheden van Angola is Abreu e Brito – zoals al gezegd – zeer opgetogen. Angola is zeer rijk, dicht bevolkt en het land bezit ontelbare zilvermijnen, die beter zijn dan die in Peru. Er komen ook andere kostbare metalen voor en de zoutmijnen zijn zo rijk dat zij geheel Ethiopië en delen van Perzië van zout voorzien. Abreu e Brito beveelt ook aan in Angola plantages aan te leggen, opdat niet alle voedsel over de Atlantische Oceaan aangevoerd behoeft te worden. Hij denkt ook aan de aanleg van suikerrietplantages, waardoor Angola een tweede Brazilië zou kunnen worden. Tenslotte denkt Abreu e Brito vanuit Angola een korte verbinding naar de goudmijnen van Mwene Mutapa en Moçambique te kunnen vinden, maar zijn berekening van de afstand zijn principieel fout. Het haastig opgestelde en ongefundeerde rapport mist zijn uitwerking niet. De koning aanvaardt de aanbevelingen van Abreu e Brito. Angola moet met nieuwe kracht veroverd worden, vooral de zilvermijnen in Cambambe. De verwoede tegenstand van de Ngola tegen pogingen van de Portugezen naar de zilvermijnen op te rukken, wordt geïnterpreteerd als een teken van de waarde van de mijnen. De Ngola wil natuurlijk bovenal verhinderen dat deze rijkdommen onder controle van zijn vijanden geraken. Het regimento van 1571 wordt ingetrokken; er zal een capitão-geral voor heel Angola benoemd worden, met een ambtstermijn van beperkte duur. Voorts zal de basis worden gelegd voor een koloniaal bestuur dat in grote lijnen eeuwen zal blijven bestaan.

Dom Francisco de Almeida, de eerste door de Kroon benoemde gouverneur van Angola, arriveert in Luanda rond juni 1592. Hij draagt de titel capitão-mór en governador van de veroverde gebieden en andere provincies van Angola. Hij brengt een leger mee dat later geschat is op 600 man. Ondanks de omvang en het belang van de expeditie van Dom Francisco is zijn ambtstermijn kort en verward. Hij geraakt al direct in conflict met de jezuïeten, die waarschijnlijk de machtigste politieke en economische macht in de Portugese vestiging zijn. De jezuïeten hebben onder de gouverneurs Paulo Dias de Novais en zijn opvolgers Luís Serrão en André Ferreira Pereira een grote mate van autonomie verworven en zij zijn zeer gekant tegen uitbreiding van effectief koloniaal bestuur. Mogelijk heeft de Societas Jesu een door haar geleide theocratie in Angola willen vestigen. Paulo Dias en zijn opvolgers hebben de ‘conquistadores’ en vooral de jezuïeten toegestaan zich de rijkdommen van het land toe te eigenen. Ieder overwonnen Mbundu-opperhoofd heeft een Europese meester toegewezen gekregen, die belasting van hem heft in de vorm van slaven. Zij hebben hun legerkapiteins beloond met giften in de vorm van een overwonnen opperhoofd met zijn landerijen en onderdanen. Andrew Battell heeft beschreven hoe dit in zijn werk gaat.

‘De Portugezen voeren op de volgende manier oorlog tegen de negers. Zij halen uit Kongo een edelman van goed gedrag, die bekend staat als een goed christen. Hij brengt uit Kongo honderd negers mee die zijn volgelingen zijn. Deze “macicongo” wordt benoemd tot tandala of generaal over het kamp van de zwarten en hij bezit het gezag om te doden, Lords (opperhoofden) af te zetten en Lords te maken en hij behandelt alle belangrijke zaken met de negers. En als een Lord komt om gehoorzaamheid te betuigen, komt hij eerst naar de tandala, met een gift in de vorm van slaven, ‘kine’ en geiten. Vervolgens brengt de tandala de Lord voor de schildknaap van de gouverneur, voordat hij naar binnen gaat. Dan moet hij een grote gift aan de gouverneur geven. De gift bestaat soms uit dertig tot veertig slaven, afgezien van vee. Als de Lord bij de gouverneur komt, knielt hij neer en klapt in zijn handen. En hij valt neer met zijn gezicht op de grond, en dan staat hij op en zegt: “Ik ben een vijand geweest en nu zweer ik dat ik nooit meer mijn hand tegen u op zal heffen.” Dan roept de gouverneur de soldaat, die een beloning heeft verdiend, en geeft de Lord aan hem. De soldaat ziet dat de Lord geen kwaad in de zin heeft; en deze erkent hem als zijn meester en zal hem rijk maken.’Er is dus in Portugal geen soldaat van welke rang ook, die geen neger-sova of Lord bezit.’

Dom Francisco arriveert in Angola met de opdracht aan het beschreven misbruik een einde te maken. Alle Mbundu-opperhoofden moeten hersteld worden in hun lokale autonomie en zij komen onder direct gezag van de Portugese Kroon, evenals opperhoofden die in de toekomst overwonnen zullen worden. De nieuwe politiek wekt de gecombineerde weerstand op van de legerkapiteins en de jezuïeten, de opperheren van veel opperhoofden, die met hun volgelingen werken op boerderijen van de Societas Jesu. Na nog geen jaar zijn ambt te hebben bekleed is de positie van Dom Francisco onhoudbaar geworden; hij is gedwongen de wijk te nemen naar Brazilië. Het leger dat hij uit Portugal heeft meegebracht, heeft maar eenmaal deelgenomen aan een campagne en daarna is het onbruikbaar, omdat de manschappen geteisterd worden door de koorts. Zijn broer Dom Jerónimo de Almeida, neemt het gouverneurschap op zich. Hij brengt de opstandige jezuïeten en legerkapiteins tot rust door de opdracht de negeropperhoofden te scheiden van hun blanke meesters in te trekken

Na een jaar vertraging kan de verovering van de Angolese mijnen weer ter hand worden genomen. De militaire carrière van Dom Jerónimo de Almeida is er een van grote activiteit. In juni 1593 voegt hij zich met een leger van 160 man voetvolk en 18 ruiters bij strijdkrachten uit Massangano en trekt met dit gecombineerde leger op naar Quiçama, waar hij een heerser genaamd Songa verslaat. De gouverneur marcheert dan naar de zoutmijnen, op ongeveer 30 mijl van de rivier. Daar, aan de kust van Quiçama, laat hij een fort bouwen, waarin hij honderd man en vier paarden legert. Door met dit garnizoen de zoutmijnen te controleren, denkt hij de economie van Ndongo te kunnen domineren, omdat zout dienst doet als geld en de winsten gemaakt met de zouthandel voortaan ten goede komen aan de Portugese kolonie. Het succes is van korte duur, omdat het fort spoedig moet worden opgegeven, later wordt vernomen dat het is verlaten door zijn garnizoen, die het in brand steekt en twee gewonde soldaten aan hun lot overlaat. Gedurende de rest van zijn campagne onderwerpt Dom Jerónimo 26 kleine sovas uit Quiçama, maar hij wordt ziek en trekt terug op Luanda voor hij de confrontatie aangaat met Kafushe Kambare, de machtigste heerser van Quiçama. Het opperbevel wordt overgelaten aan Baltasar de Almeida de Sousa. Deze laat de helft van zijn leger zich verschansen en met de andere helft gaat hij op zoek naar Kafushe. Kafushe’s guerrilla’s.nemen de uitdaging aan en zij vernietigen op 22 april 1594 het gehele Portugese leger, op een handvol mannen na. De tweede Almeida faalt evenals zijn broer.

De tweede gouverneur die ten tijde van de Habsburgers naar Angola wordt gezonden is João Furtado de Mendoça. Hij arriveert met een groot leger waarschijnlijk op 1 augustus 1594. De auteur van de Catalogo das Governadores de Angola was in 1825 in staat een aantal details over de carrière van João Furtado de Mendoça te verzamelen, waarvan de meeste bevestigd worden door wat Andrew Battell daarover al in 1618 geschreven heeft. Zijn eerste campagne brengt hem naar de Rio Bengo aan de noordgrens van Angola. Omdat de campagne plaats heeft in het regenseizoen, hebben de troepen zwaar te lijden onder koortsaanvallen. Zijn tweede campagne in dezelfde streek, waarschijnlijk die van 1596, die beschreven is door Battell, heeft meer succes. Een leger van 400 Europeanen en 15.000 Afrikanen, die tijdens de veldtocht zijn gerekruteerd, verslaan tenslotte 20.000 boogschutters, die niet in staat zijn het hoofd te bieden aan de Portugese vuurwapens. De ‘Lord van Gombe’ onderwerpt zich met veel fanfare van trommels en trompetten en hij bedenkt de gouverneur met talrijke giften. Terwijl de gouverneur zijn kamp heeft opgeslagen bij Ilamba, belegert de Ngola Massangano en Baltasar de Rebelo de Aragão wordt uitgezonden om Massangano te ontzetten. Nadat hij zijn opdracht met succes heeft uitgevoerd, vangt hij de terugweg aan stroomafwaarts langs de Rio Cuanza. Hij houdt halt in Muxima, om er een nieuw fort op de zuidoever te bouwen. Het is de bedoeling van dit fort de verbindingslijn met Massangano te versterken en meer controle op Quiçama uit te oefenen. De inspanningen van gouverneur João Furtado de Mendoça zijn echter meer in het belang geweest van de slavenhandelaren, dan dat zij de onderwerping van Ndongo dichterbij hebben gebracht. Van meer gewicht zijn geweest de vreedzame handelsexpedities langs de kust ten zuiden van de Rio Cuanza. De gouverneur heeft deze laten ondernemen door Battell, die daarbij in 1600 of 1601 in handen van de Jaga is geraakt, zoals we hiervoor hebben gezien. Het blijkt dat slaven in de buurt van Benguela a Velha, zo’n 400 kilometer ten zuiden van Luanda, veel goedkoper kunnen worden verworven dan in Luanda. De bouw van het fort in Muxima en de fortificering van Luanda tegen aanvallen van buitenlanders zijn de meest blijvende resultaten van João Furtado de Mendoça’s gouverneur schap. Het is ook hem niet gelukt de veronderstelde zilvermijnen te veroveren. De latere jaren van zijn zevenjarige ambtstermijn leven voort in de herinnering als een tijd van vrede en voorspoedige handel.

Als João Furtado de Mendoça in 1601 of 1602 naar Portugal terugkeert om zijn politieke carrière voort te zetten, wordt zijn plaats ingenomen door João Rodrigues Coutinho, een voormalig capitão van São Jorge da Mina. Curieus is dat João Rodrigues Coutinho niet alleen is benoemd tot gouverneur, maar dat hij ook een ‘slavencontract’ is aangegaan. Dit is hem door de Kroon verkocht voor een bepaald aantal jaren tegen een jaarlijks te betalen bedrag. De contractant heeft hierbij het alleenrecht verworven vergunningen voor de export van slaven te verkopen aan individuele handelaren en hij draagt ook de verantwoording voor de inning van de op de export van slaven geheven belasting. Het contract is verleend op voorwaarde dat João Rodrigues Coutinho in Angola drie forten bouwt, een bij de zoutmijnen van Quiçama, een ander in Cambambe en het derde aan de Baía das Vacas in Benguela. In 1601 verkoopt João Rodrigues 400 van zulke vergunningen aan Jorge Rodrigues Solis voor 40 dukaten per stuk. In de jaren 1603 tot 1607 verkoopt João Rodrigues’ broer en erfgenaam in totaal 15.768 vergunningen voor de export van slaven naar de ‘Spaanse Indies’. Dit is beduidend minder dan de 4.250 slaven per jaar die zijn broer overeengekomen is te zenden. Het is de contractant toegestaan zijn recht exportvergunningen af te geven evenals zijn recht belastingen te vergaren, die hij van de Kroon heeft gekocht met winst te verkopen aan een andere handelaar.

Nadat de looptijd van de overeenkomst met de familie Coutinho is verstreken, wordt het voor acht jaar verkocht aan Duarte Dias Henriques voor 25.000.000 reais per jaar. Een groot deel van dit bedrag moet worden uitgegeven aan bestuurskosten van de kolonie. Een klein deel wordt betaald aan de Portugese Capitão in Kongo, die het bedrag uitgeeft volgens zijn regimento, dat voorschrijft dat een deel van de uitgaven voor Kongo besteed dienen te worden in Portugal. De contractant is speciaal verantwoordelijk voor de betaling van het salaris van de gouverneur. Hij dient de koloniale autoriteiten ook voldoende stoffen te verstrekken om het leger te kleden. Het salaris van de gouverneur is betrekkelijk laag, ongeveer 800.000 reais per jaar, dat hij kan aanvullen met winsten uit de handel in slaven. Als het de gouverneur in de achttiende eeuw verboden wordt voor eigen rekening slaven te exporteren, wordt zijn salaris opgetrokken tot 6.000.000 reais per jaar. Zulk een bedrag te moeten betalen legt een zware last op de schouders van de contractant en enige gouverneurs maken zich zorgen dat de belastingopbrengsten niet voldoende zullen blijken te zijn om daaruit hun beloning te betalen.

Als João Rodrigues Coutinho, waarschijnlijk laat in 1601 of vroeg in 1602, in Luanda aankomt, zit de kolonie in de put. De meeste Mbundu-opperhoofden hebben hun onafhankelijkheid herwonnen, de mijnen in Cambambe zijn nog steeds buiten bereik en de Ngola is ook nog niet verslagen. Voorts gaat het gerucht dat Mani-Kongo Álvaro II, die de banden met Portugal wil verbreken, de Ngola in zijn verzet tegen de Portugezen ondersteunt. De nieuwe gouverneur trekt direct met een groot leger van rekruten, die hij heeft meegebracht, ten strijde. Hij trekt op naar de Rio Cuanza en zeilt de rivier op. João Rodrigues Coutinho boekt met zijn campagne enig succes en verslaat een groot leger bij Quiçama. Wanneer hij na de slag uitrust, sterft hij aan een koortsaanval.

De man die in aanmerking komt het gouverneurschap over de kolonie tijdelijk op zich te nemen, is capitão Manuel Cerveira Pereira, een zeer energiek man, met een opvliegend karakter. Hij is een krachtig campagneleider, maar zijn wreedheid maakt hem niet populair bij zijn soldaten, van wie velen deserteren. Zowel volgens Fernão Guerreiro s.j., als volgens de eerder genoemde Catalogo, treedt hij het eerste op tegen de oude vijand Kafushe. De autoriteiten beweren dat de weerklank van de zegepraal grote ontzetting bij de Mbundu teweegbrengt en dat veel opperhoofden haastig vrede met de Portugezen sluiten, om te voorkomen dat ook zij zullen worden vernietigd. Er bestaat echter enige twijfel over de ontmoeting van Manuel Cerveira Pereira met Kafushe. Battell, die sargento in het Portugese leger is geweest, vermeldt de victorie op Kafushe niet. Hij zegt dat Manuel Cerveira Pereira, na twee maanden in Quiçama te zijn geweest, in drie dagen naar Cambambe marcheert, waar hij naar de noordoever van de Rio Cuanza oversteekt. Deze suggestie dat Kafushe niet is verslagen, wordt versterkt door de later tegen Manuel Cerveira Pereira geuite klacht, dat als hij Kafushe zou hebben aangevallen en overwonnen, Kafushe de strijd zou hebben gestaakt en hem steekpenningen in de vorm van veertig slaven zou hebben gegeven. In de documenten wordt hieraan toegevoegd, dat dit in het bijzonder laakbaar is, omdat Kafushe niet alleen schuldig is aan het doden van 200 Portugezen, maar vooral daaraan dat hij hen allemaal heeft opgegeten.

Manuel Cerveira Pereira bereikt Cambambe rond 1603. De Portugezen hebben tenslotte de fabelachtige berg van zilver bereikt, waarnaar zij al bijna honderd jaar op zoek zijn. Ondanks de waarschuwing van Baltasar de Castro in 1526, dat er geen zilver in Ndongo voorkomt, zijn de Portugezen daarin blijven geloven en hebben zij er strijd voor geleverd. De teleurstelling in Cambambe noch zilvermijnen, noch andere mijnen te vinden is buitengewoon bitter. Het boosaardige humeur van de gouverneur verbetert niet bepaald en hij put zijn manschappen uit bij hun zoektocht naar mijnen. Zijn leger is echter zeer recalcitrant en weigert nog verder te zoeken naar mijnen, waarin het niet meer gelooft. Een van de meest serieuze beschuldigingen die later tegen Manuel Cerveira Pereira worden ingebracht, is dat hij de drempel van Ndongo had bereikt, maar dat hij desondanks de laatste inspanning het land te veroveren, heeft nagelaten. In plaats daarvan onderhandelt hij over een staakt-het-vuren met een delegatie die de Ngola naar Cambambe heeft gezonden. De Ngola zendt vervolgens een indrukwekkend gezantschap met giften voor de gouverneur naar Luanda en hij biedt aan een handelsroute naar zijn hoofdstad Kabasa te heropenen. Kennelijk hoopt hij zijn vrijheid met vriendelijke middelen te herwinnen en wil hij de profijtelijke handelsrelatie die voor 1579 heeft bestaan, doen herleven. In zijn pogingen begrip te tonen voor deze politiek toont Manuel Cerveira Pereira meer begrip voor de werkelijkheid van de situatie in Angola dan zijn critici.

De periode volgend op de grote misrekening van 1590 is er dus een van desillusie en frustratie, waarin het Portugese élan meer verliest dan het verzuimen van een goede kans. De Kroon heeft drie gouverneurs naar Angola gezonden, ieder met een groot leger, maar ieder leger heeft bestaan uit lieden zonder ervaring met de condities in Afrika. Alleen in de vier jaren waarin Manuel Cerveira Pereira is opgetreden als gouverneur is enige vooruitgang geboekt in de toenadering tot Ndongo. Deze vooruitgang is echter gepaard gegaan met een enorme teleurstelling. De zilvermijnen waarop de Portugezen zich dertig jaren hebben verlekkerd, bestaan niet. Nadat het bereiken van Cambambe vruchteloos is gebleken, beschouwen de Portugezen de kosten die daarvoor zijn gebracht als kosten gebracht voor de verovering van Ndongo. Nu het accent is komen te liggen op de verovering van Ndongo, beginnen de Portugezen in toenemende mate te beseffen dat zij niet het hoofd moeten bieden aan één Afrikaanse vijand, maar aan twee. Naast het Mbundu-koninkrijk van Ndongo is er het gebied van de Lunda, waarvan de volkeren Angola beginnen te overstromen.

In de 25 jaar van haar bestaan is Luanda nooit bedreigd vanaf de zeezijde, maar de Portugezen in de stad hebben er natuurlijk weet van dat de Hollanders steeds verder langs de Afrikaanse kust naar het zuiden komen handeldrijven en dat zij zich sedert het begin van de zeventiende eeuw ook aan de Loangokust laten zien. Groot is dan ook de ontsteltenis in de stad als in 1602 plotseling een paar Hollandse schepen voor de baai verschijnen met kennelijk vijandige bedoelingen. In allerijl worden enkele in de haven liggende schepen bewapend en gaat men de Hollanders te lijf. Na korte tijd gelukt het de Portugezen, die onder bevel staan van João Álvares Sardinha, hun tegenstanders te dwingen de kust van Angola te doen verlaten. De schaars bewoonde, rotsachtige en onherbergzame kust van Angola en de woeste branding trekt de Hollanders niet bepaald aan; zij houden het voorlopig bij de brede Kongostroom met de baai van Mpinda. In 1605 wordt het decreet uit 1591, dat vreemde schepen verbiedt de havens van de Portugese kolonie aan te doen hernieuwd. De Portugezen zien in dat als het de Hollanders gelukt in contact te komen met Angola, het er voor hen allesbehalve gunstig gaat uitzien.

i Een niet meer bestaande plaats

1.4 De invasie van de Imbangala in Angola

Categorieën
Portugees kolonialisme

De avonturen van Andrew Battell. Angola en Kongo

Deel 14 Index

Hoofdstuk 1.

Angola en Kongo:

1.2. De avonturen van Andrew Battell

Geschreven door Arnold van Wickeren

Van de Jaga, die Mani-Kongo Álvaro I het leven hebben zuur gemaakt is – afgezien van wat Duarte Lopez ons heeft nagelaten – weinig bekend. Er is evenwel een gewoon Engels zeeman, die veertig jaar nadat de Jaga Kongo overrompeld hebben, een tijd met hen is opgetrokken, die ons een levendige beschrijving van hen heeft nagelaten. De man om wie het gaat, is Andrew Battell uit Leigh en zijn geschrift heet: The Strange Adventures of Andrew Battell og Leigh in Angola and the adjoining Regions. Dit geschrift is voor het eerst verschenen als onderdeel van de beroemde verzameling Purchas His Pelgrimes uit 1618. Het is een verhaal wat Battell in de jaren volgend op zijn vertrek uit Engeland aan boord van een boekanier is overkomen.

Battell is geboren en is als kind opgegroeid in Leigh bij Southend, toen dat nog een bloeiende haven was. In 1589 is hij met Abraham Bocke naar de Rio de la Plata gezeild, om Spaanse vaartuigen, die handeldrijven met Portugals florerende kolonie Brazilië, buit te maken. De expeditie is rampzalig verlopen; Battell en vier anderen worden door de Portugezen gevangengenomen, als zij voedsel aan het verzamelen zijn op een eiland voor de kust van Zuid-Amerika. Van kapitein Cocke is nooit meer iets vernomen. Battell wordt eerst naar Rio de Janeiro gebracht en later over de Atlantische Oceaan naar Angola vervoert, waar hij bijna twintig jaar verblijft, hoofdzakelijk in dienst van Portugese meesters die handeldrijven langs de kust van Angola. Tweemaal tracht Battell te ontsnappen, maar hij wordt beide keren opnieuw gevangengenomen en in het gevang geworpen.

Bij een van zijn handelsreizen in 1600 of 1601 ontmoeten Battell en zijn mannen een zwarte chef die Mafarigosat heet. Deze Mafarigosat, die gewikkeld is in een stammenstrijd, vraagt Battell en zijn mannen aan zijn zijde te strijden. De handelaren stemmen hiermee in en met behulp van hun musketten wordt de vijand, niet erg verrassend, verslagen. Maar wanneer Battell, alsmede de Portugezen en halfbloeden van de handelsmissie naar hun schepen willen terugkeren laat Mafarigosat hen niet gaan. Hij wil een man in gijzeling nemen, tot de anderen met de beloofde strijdmacht terugkeren, om hem bij een andere oorlog die hij op het oog heeft, te helpen. Scholefield citeert Battell: ‘De Portugezen en de mulatten die zo snel mogelijk weg willen van deze plek, besluiten lootjes te trekken om uit te maken wie in gijzeling zal worden gegeven, maar velen stemmen hiermee niet in. Tenslotte raken de Portugezen het er met elkaar over eens, dat het meer voor de hand zou liggen mij, omdat ik een Engelsman ben, achter te laten dan een van hen. En zo word ik gedwongen bij Mafarigosat te blijven. Zij geven mij een musket, kruit en kogels, terwijl zij heer Mafarigosat beloven, dat zij binnen twee maanden zullen terugkomen en honderd man zullen meebrengen om hem bij zijn oorlog te helpen en handel met hem te drijven. Ik blijf dus achter tot er twee maanden zullen zijn verstreken en ik word nauwelijks gebruikt, omdat de Portugezen hun belofte niet nakomen’. ‘De hoofdlieden van deze stad willen mij ter dood brengen, en zij hebben mij naakt uitgekleed en staan op het punt om mij mijn hoofd af te slaan. Maar de heer van de stad beveelt hen daarmee te wachten, omdat hij denkt dat de Portugezen nog zullen komen’.

Battell zorgt dat hij weg komt; hij trekt de wildernis in, maar hij wordt gevangengenomen door de Jaga en door hen meegevoerd naar hun hoofdkamp. Zou hij de reputatie van de Jaga hebben gekend, dan zou hij hebben beseft dat hij van de regen in de drup was beland, want het woord Jaga is een verbastering van het Bantoewoord a yaka of va yaka, ‘they fight’. Hij zegt dat hij is meegenomen naar een plaats met de naam Calicansama, die hij beschrijft als een ‘stad’ met lanen beplant met apebroodbomen, ceders en palmen. ‘In het midden van de stad bevindt zich op een hoogte van twaalf voet een manshoog beeld; en aan de voet van het beeld is een cirkel van olifantstanden’, die in de grond zijn gestoken. Boven deze slagtanden bevindt zich een grote berg doodshoofden van overwonnen vijanden, die aan het beeld zijn geofferd. Zij gieten palmolie uit aan zijn voeten. Het beeld wordt Quesango genoemd en de mensen geloven in hem en zweren bij hem en zij geloven dat wanneer zij ziek zijn Quesango zich tegen hen heeft gekeerd’. De Jaga behandelen Battell goed. Zij hebben voorheen nooit een blanke gezien en zij weten niet met zijn vuurwapen om te gaan. Hij besluit hun leven te delen in de hoop dat zij in hun omzwervingen naar het westen trekken en de kust bereiken, waar hij misschien op een schip kan stappen. Maar de Jaga hebben geen haast om verder te trekken. Zij blijven de komende vier maanden waar zij zijn, ‘met een grote overvloed aan vee, koren, wijn en olie en overwinningsfeesten, waarbij zij drinken, dansen en feestmalen van mensenvlees nuttigen, wat er als een groot spektakel uitziet’.

Na een jaar met de Jaga te hebben rondgezworven, trekken zij, vergezeld door Battell, naar het westen, zij vallen een Angolees opperhoofd aan en steken zijn stad in brand: ‘hier vonden we een groot aantal wilde pauwen, die de bomen in- en uitvlogen in zo’n grote overvloed als andere vogels.’ Zij trekken opnieuw naar het westen en vallen een opperhoofd aan dat zeven jaar eerder een Luso-Angolees leger van meer dan 40.000 man, onder bevel van Baltasar de Almeida de Sousa heeft vernietigd. De Jaga omsingelen de plaats en Battell ziet kans te ontsnappen. Hij sluit zich aan bij een karavaan slaven die naar de kust gevoerd worden en bereikt tenslotte zijn Portugese meesters. Alles bij elkaar heeft Battell 21 maanden bij de Jaga doorgebracht. In die tijd heeft hij geleefd en gevochten als een van hen. Zijn waardevolste bezit was zijn musket en, zegt hij: ‘ik werd zo hoog geacht door de ”Grote Gaga”, omdat ik zoveel negers met mijn musket doodde, dat ik alles van hem kon krijgen wat ik wilde.’ Battells korte beschrijving van het sociale leven en de gewoonten van de Jaga is later door wetenschappers bevestigd.

Volgens Battell hebben de Jaga een grote voorkeur voor palmwijn en zij moeten veel verwoestingen hebben aangericht om een voldoende grote hoeveelheid daarvan te verwerven, want hij schrijft dat zij de palmbomen bij de wortel omhakken en nadat een boom tien dagen is blijven liggen, geeft hij wijn. En dan maken zij een vierkant gat in de top en in de kern van de boom en winnen iedere morgen en iedere avond twee pinten wijn uit het gat. Op deze wijze geeft iedere boom tweemaal twee pinten wijn per dag. Na 26 dagen geeft de boom geen wijn meer af, dan is hij opgedroogd. Battell geeft ook een prachtige beschrijving van de ‘Grote Gaga’, waarmee hij voortdurend het opperhoofd van de Jaga Calandula aanduidt. ‘De Grote Gaga Calandola heeft heel lang haar, dat is opgesmukt met vele knopen van Banba-schelpen, waarvan de Jaga er veel hebben, en om zijn nek draagt hij een kraag van masoes, wat ook schelpen zijn. Zij worden gevonden aan de kust en de Jaga verkopen deze schelpen aan elkaar voor twintig shilling per stuk; en om zijn middel draagt hij landes, dit zijn kralen gemaakt van struisvogeleieren. Hij draagt een lap stof vanaf zijn middel, dat zo fijn is als zijde. Zijn lichaam is versierd met allerlei voorstellingen die in zijn huid zijn gesneden of gekerfd. Elke dag wordt zijn huid ingesmeerd met het vet van mensen. Hij draagt een stuk koper van twee inches dwars door zijn neus, evenals in zijn oren. Zijn lichaam is altijd beschilderd: rood en wit. Hij heeft twintig of dertig vrouwen, die hem volgen als hij uitgaat, en een van hen draagt zijn boog en pijlen; en vier van hen dragen de bekers waaruit hij drinkt achter hem aan. En als hij drinkt, knielen zij allemaal neer en klappen in haar handen en zingen daarbij. De vrouwen hebben het haar hoog opgestoken en het zit vol Banbaschelpen en zij zijn ingesmeerd met civet. Zij hebben vier tanden laten trekken, twee boven en twee onder, als teken van moed. En zij die geen tanden missen wekken weerzin bij de andere en zullen nooit met hen eten of drinken.’

Een van de eigenaardigheden van de Jaga is het gebruik hun eigen kinderen te doden door hen levend te begraven, terwijl zij de kinderen van hun overwonnen vijanden grootbrengen. Deze praktijk heeft dus wel wat weg van wat bij de Mamelukken in Egypte gebruikelijk was. Zij gaven er de voorkeur aan hun Georgische slaven als hun opvolgers te beschouwen, liever dan hun eigen kinderen groot te brengen. De praktijk lijkt ook op die van de priesterkaste van de arioi op Tahiti en op de gebruiken van de Turkse janitsaren, die uitsluitend kinderen van de christenen rekruteerden. Battell schrijft dat als de Jaga een stad veroverden, zij de jongens en meisjes van dertien of veertien jaar als hun eigen kinderen bij zich houden, maar dat zij de mannen en vrouwen die zij doodden, opaten. Die kleine jongens worden getraind voor de strijd en zij krijgen een kraag om hun nek als een schandvlek, die pas wordt afgenomen als de drager heeft bewezen een man te zijn, door het hoofd van zijn vijand naar de aanvoerder te brengen en dan wordt de schandvlek weggenomen en is hij een vrij man; hij is dan gonso of soldaat. Een zaak die tot veel speculaties heeft geleid, is Battells constante verwijzing naar kannibalisme in omstandigheden waarin er geen sprake is van hongersnood, zoals in Lesotho in de negentiende eeuw, en dit terwijl in Afrika het kannibalisme meestal ritueel van aard was. ‘Toen de Grote Gaga Calandola een grote aanval op de inwoners van een ander land ondernam, bracht hij, ’s morgens voor de zon opkomt, een offer aan de duivel. Hij zat op een kruk, terwijl er aan beide kanten van hem een medicijnman stond; bovendien stonden er veertig of vijftig vrouwen rond hem. Zij hielden in iedere hand de staart van a zevra (zebra), of een wild paard, waarmee zij sierlijk zwaaiden en daarbij zongen. Achter hem stonden mensen met veel petes, ponges en trommels, die voortdurend speelden. In het midden van hen brandde een groot vuur en boven het vuur hing een aardepot met wit poeder, waarmee de medicijnmannen zijn voorhoofd en slapen beschilderden. Zij raakten daarmee ook zijn borst en buik aan, in langdurige ceremonieën, waarbij de formules werden gezongen. Dit ging zo door tot de zon was ondergegaan. Vervolgens brachten de medicijnmannen hem zijn casengula, wat een wapen is dat op een strijdbijl lijkt. Zij gaven hem het wapen in zijn handen en bevalen hem sterk te zijn tegen zijn vijanden. En direct daarna brachten zij een knaapje voor hem; hij doodde het kind met zijn wapen, gevolgd door een tweede knaapje; en hij beval twee anderen zonder geweld te doden. ‘In dit stadium van de plechtigheden werd ik door een van de medicijnmannen weggestuurd, omdat ik een christen ben.’

In 1610 keert Battell terug naar Leigh. Hij neemt zijn dienaar, een jonge jongen, die beweert te zijn gevangen gehouden door een gorilla, mee naar Engeland. In die tijd was de Eerwaarde Samuel Purchas vicaris van Eastwood, een dorp twee mijlen ten noorden van Leigh en hij is het die tezamen met Battell het verhaal van zijn Adventures heeft geschreven.

1.3 De eerste Portugese aanval op Ndongo (1565-1603)

Categorieën
Portugees kolonialisme

De ontwikkelingen in Kongo. Angola en Kongo

Deel 14 Index

Hoofdstuk 1.

Angola en Kongo:

1.1. De ontwikkelingen in Kongo

Geschreven door Arnold van Wickeren

De zeer vriendschappelijk relatie die de Portugese koning Manuel (1495-1521) met de katholieke koning Afonso I van Kongo (1506-1543) heeft opgebouwd en gekoesterd, is onder zijn opvolger João III (1521-1557) geheel verwaterd. De Portugezen in de Kongolese hoofdstad M’banza-Kongo gaan desondanks voort met het verfraaien van de stad, die door zijn brede, door palmen omzoomde lanen, zijn schitterende stenen gebouwen en zijn vele kerken, steeds meer op een Portugese stad gaat lijken. Als in 1534 de kathedraal gereed is, wordt de stad herdoopt in São Salvador (do Congo). Van oudsher zijn het vooral dominicanen en franciscanen die als missionarissen in Kongo werkzaam zijn, maar in 1505 en 1521 krijgen zij versterking van kanunniken van Sint Jan de Evangelist.

Met het overlijden van Afonso I in 1543 komt er een einde aan een periode van rust en voorspoed in Kongo die vijftig jaar heeft geduurd. Omdat het koningschap in Kongo niet erfelijk is, ontstaat al direct een strijd om de troon tussen de verschillende rivalen. De onrust die daarvan het gevolg is, speelt de Portugese slavenhandelaren in de kaart. De factor van São Tomé laat koning João III weten dat de slavenhandel met Kongo levendiger is dan hij ooit onder de regering van Afonso I is geweest. De strijd om de troon wordt aanvankelijk beslist in het voordeel van Nkanga Mvemba, een zoon van Afonso, die zich laat kronen als Pedro I, maar hij wordt in 1545 verdreven en opgevolgd door Mpudi a Nzinga Mvemba, alias Francisco I. Maar ook deze Mani-Kongo kan zich niet op de troon handhaven; hij moet waarschijnlijk al in 1546 de troon afstaan aan Nkubi Mpudi a Nzinga, een kleinzoon van Afonso I en een neef van Pedro I, die als Diogo I de troon bestijgt. Zijn voormalige rivaal vindt een toevluchtsoord in een kerk, waar hij tot zijn overlijden, twintig jaar later, verblijft. Tijdens het bewind van Diogo begint Kongo meer en meer af te glijden. Het land wordt in Europa vrijwel vergeten, behalve als een plaats waar slaven kunnen worden verkregen. De Kerk zal, evenwel, krachtige pogingen ondernemen om de zielen van de Kongolezen te redden.

Koning Diogo zendt in 1546 de priester Diogo Gomes, een in Kongo geboren blanke, naar Portugal. Hij keert in 1548 terug met de eerste jezuïeten; drie priesters en een lekenbroeder, die hun provinciaal-overste Simão Rodrigues, op verzoek van João III naar Kongo heeft gezonden. Zij dopen in vier maanden 2.100 Bakongo en bouwen drie kerken, waaronder een nieuwe kathedraal, gewijd aan de Verlosser, waaraan de Kongolese hoofdstad haar nieuwe naam, São Salvador do Congo, ontleent. De lekenbroeder, Diogo de Soveral, sticht scholen voor 600 kinderen. Ondanks het veelbelovende nieuwe begin van de missie, ontstaan er al spoedig problemen. De jezuïeten begaan de fout samen te spannen tegen Mani-Kongo Diogo (1546-1561). Zij ondervinden veel tegenwerking bij de uitvoering van hun hervormingsplan en kunnen bovendien de verleidingen van de alom aanwezige corruptie niet weerstaan. Spoedig houden ook zij zich bezig met de koop en verkoop van slaven. Een van de priesters, Frei Jorge Vaz, verwerft in drie jaar 60 slaven. Vijf jaar na hun aankomst in Kongo verlaten de vier jezuïeten Kongo alweer. Dauril Alden wijdt het falen van de jezuïeten daaraan dat hun missiepost verwikkeld raakt bij politieke en economische conflicten.

Tezelfdertijd wordt vanuit São Tomé druk op koning João III uitgeoefend Kongo te boycotten, omdat koning Diogo de jezuïeten het leven zuur maakt en slavenkaravanen op weg naar de kust overvalt. Diogo antwoordt dat de missionarissen zich misdragen en hem een ‘onwetende hond’ noemen. In 1553 komen er voor de tweede maal jezuïeten in Kongo aan. Diogo heeft dan al zijn christelijk geloof vaarwel gezegd en zich voorzien van een groot aantal concubines, terwijl hij zich overgeeft aan heidense riten en gebruiken. Hij verbiedt zijn onderdanen de scholen van de jezuïeten te bezoeken. Omdat zij niets meer in Kongo kunnen uitrichten, verlaat de Societas Jesu Kongo in 1555, waarbij de zorg voor het voortbestaan van de Kerk in Kongo aan de franciscanen en aan de bisschop van São Tomé wordt overgelaten. In 1556 wordt koning Diogo er door de Portugezen toe aangezet de oorlog te beginnen tegen zijn vazal, de Ngola van het naburige koninkrijk Ndongo. De Ngola behaalt met steun van de Portugezen in 1556 een grote overwinning op Diogo, die door in Kongo wonende Portugezen werd gesteund. Het gevolg is dat het niet meer aan de Mani-Kongo schatplichtige Ndongo, zich gaat uitstrekken over een groot gebied, tussen de Rio Dande, Rio Lucala en Rio Cuanza.

Uit een onderzoek in 1548 ingesteld door koning Diogo blijkt dat in Kongo tien door Europeanen bewoonde huizen zijn, die een rol spelen bij de slavenhandel en dat er ieder jaar twaalf à vijftien Portugese schepen die 400 à 700 slaven kunnen vervoeren naar Kongo komen. Als het aantal schepen onvoldoende is om alle gevangengenomen slaven te kunnen vervoeren, komt het vaak voor dat de matrozen in opstand komen tegen de reders die de schepen willen overbeladen. Hieruit blijkt dat de slavenhandel gepaard gaat met de meest afschuwelijke taferelen.

In 1561 sterft Mani-Kongo Diogo en opnieuw breekt er een geschil om de troon uit, met verschillende spelers. De regering van Nzinga Mvemba, alias Afonso II, zoon en troonopvolger van Diogo I, is van korte duur: hij wordt nog in het jaar waarin hij de troon bestijgt, tijdens de mis vermoord door zijn broer, Nzinga Mvemba, die als Bernardo I (1561-1565), regeert. Bernardo sneuvelt in een veldslag met een koning van een naburig land. Zijn opvolger is Mpudi a Nzinga Mvemba, alias Henrico I (1565-1567). Deze laatste Mani-Kongo van de Nzinga Mvemba-lijn overlijdt al na enkele jaren. Door de strijd om de troon en de invallen van de Jaga tijdens de regeringsperioden van Bernardo en Henrico desintegreert Kongo hoe langer hoe meer. Ratelband wijst erop dat er ‘tijdens de troonopvolgingsoorlogen na 1561 talrijke blanken worden vermoord. Overvallen op geïsoleerde factorijen komen steeds meer in Kongo voor; in het binnenland zijn de Portugezen hun leven en bezit niet langer zeker. Henrico I wordt opgevolgd door Nimi ne Mpangu Lukeni lua Mvemba, die onder de christelijke naam Álvaro I, bijna twintig jaar(1568-1587) zal regeren. Álvaro’s regering begint niet onder een goed gesternte; sedert 1560 hebben krijgers van de Jagastam, wier wreedheid en neiging tot kannibalisme hun mogelijke slachtoffers doen sidderen van angst, in toenemende mate invallen vanuit het oosten in het koninkrijk Kongo ondernomen en kort na de troonsbestijging van Álvaro I, komen de Jaga plotseling de kant van São Salvador op.

Álvaro I, vlucht in 1569 met al zijn duques, marquezes, viscondes en barões, alsmede met de gehele blanke bevolking van de hoofdstad, naar een eiland bij Boma, midden in de Kongostroom, daarmede zijn hoofdstad en het koninkrijk overlatend aan de verwoestingen van de Jaga. Het is niet zeker op welk van de honderden eilanden de Mani-Kongo en de zijnen ongeveer een jaar hebben gewoond. Soms wordt verwezen naar het Eiland van de Paarden en een andere keer naar Hippopotamuseiland of Olifantseiland. We weten dat het klein was, een factor die de verschrikkelijke omstandigheden nog moet hebben verergerd. De Jaga verwoesten het koninkrijk. Zij dringen São Salvador binnen en steken de stad in brand. Zij slachten iedereen af die de brand heeft overleefd. Het leger van de Jaga wordt daarna opgesplitst in afzonderlijke regimenten, die de resterende provincies veroveren. Duizenden van huis en haard verdrevenen trekken langs de wegen, waarbij velen omkomen van de honger. Begin 1571 bereikt het bericht van de ramp die Kongo heeft getroffen Lissabon. Het maakt daar diepe indruk. De plotselinge overweldiging van Kongo maakt een einde aan het gevoel van de Portugezen dat zij in dit deel van Afrika veilig zijn.

Op het eiland waarop de Mani-Kongo en de andere vluchtelingen zich bevinden, verslechtert de situatie dramatisch. De pest breekt uit en grijpt snel om zich heen en ook daar ontstaat gebrek aan voedsel. Mani-Kongo Álvaro wordt ziek; hij krijgt geen pest, maar waterzucht, een kwaal waaraan hij de rest van zijn leven zal lijden. Als de vluchtelingen de hongerdood te wachten staat, arriveren slavenhandelaren van São Tomé. Wat er daarna gebeurt, laat Duarte Lopez ons weten: ‘De prijs van een kleine hoeveelheid voedsel steeg tot wat voor een slaaf moest worden betaald, die voor ten minste tien crowns werd verkocht. Dus gedreven door de nood, verkocht de vader zijn zoon en de broer zijn broer; iedereen begin de verschrikkelijkste misdaden om maar wat eetbaars te bemachtigen.’ Het voedsel wordt gelost, de zwakke, halfdode zonen en broeders van hertogen, markiezen en baronnen worden in roeiboten overgebracht en daarmee stroomafwaarts vervoerd tot waar de karvelen uit São Tomé voor anker liggen. Nog altijd wordt bij de verkoop van slaven door beide partijen de brief over het slavernijdecreet van Mani-Kongo Afonso I in acht genomen. Duarte Lopez zegt hierover: ‘Zij die werden verkocht om de honger van anderen te stillen, werden gekocht door Portugese kooplieden…. De verkopers zeggen dat het slaven zijn, wat de laatsten bevestigen, om aan verdere ellende te ontsnappen. Een treuriger situatie waarbij mannen en vrouwen beweren slaven te zijn om te worden verkocht en voedsel te krijgen, is nauwelijks denkbaar.’

Inmiddels heeft Álvaro I zich in zijn wanhoop tot Lissabon gewend. Hij heeft een ambassadeur naar de jonge koning Sebastião gezonden en dit keer wordt er snel op een uit Kongo ontvangen verzoek om hulp gereageerd. Nog hetzelfde jaar zendt koning Sebastião de voormalige gouverneur van São Tomé, Francisco de Gouveia, met 600 Portugese soldaten uit, om Kongo op de Jaga te heroveren. De expeditiemacht, die in maart 1571 uitzeilt, arriveert in Kongo tezamen met gevluchte strijders van koning Álvaro. Het verenigde leger van Portugezen en Muxicongos trekt door het land en valt de Jaga aan. Duarte Lopez, de belangrijkste bron voor wat de invallen van de Jaga betreft, laat weten dat het vreemde geluid die de oude haakbussen maken, voldoende is om de Jaga op de vlucht te drijven. Binnen achttien maanden is de Mani-Kongo teruggekeerd in zijn hoofdstad, maar het aanzien van de koning heeft door het ongelukkige verloop van de oorlog zeer geleden. Ook het feit dat hij de troon slechts door de hulp van blanken heeft kunnen terugwinnen, heeft zijn gezag geen goed gedaan..

De missionarissen hebben hun activiteiten na het verdrijven van de Jaga ook weer opgepakt. In 1584 komen Spaanse ongeschoeide karmelieten naar Kongo om aan het grote beschavingsoffensief deel te nemen, maar daarmee is niet iedereen het eens. Aan het herstel van de zwaar geteisterde katholieke kerk wordt ook deelgenomen door Portugese seculiere geestelijken, die door de bisschop van São Tomé naar Kongo zijn gezonden. Sterke stromingen verzetten zich tegen de inmenging van missionarissen in de bestuurszaken van het koninkrijk. Anarchie en burgeroorlog heersen in het hele land. En alsof dit nog niet genoeg is, vallen Angolese legers plunderend en rovend de grensgebieden binnen. Meer en meer kooplieden verlaten Kongo en nemen de wijk naar Luanda-eiland, Mpinda en Loango, in afwachting van betere tijden. In 1574 heeft Gouveia de Jaga geheel uit Kongo verdreven. Een legertje van 600 Europeanen, uitgerust met vuurwapens, heeft de trotse Jagahorden verjaagd. In maart 1574 roept koning Sebastião capitão Francisco de Gouveia naar Portugal terug, omdat hij zijn missie met succes heeft bekroond. Álvaro I voelt zich echter geenszins veilig; de Jaga zijn weliswaar verslagen, maar niet vernietigd. Zij hebben zich neergelaten aan de grenzen van zijn rijk, klaar om deze weer te overschrijden zodra de kans zich voordoet. Daarom bouwt Francisco de Gouveia op verzoek en voor rekening van de Mani-Kongo voordat hij naar Lissabon terugkeert eerst een fort, waarin Álvaro I en de Portugese inwoners van São Salvador zich kunnen terugtrekken als de Jaga hen opnieuw zouden aanvallen. Gouveia keert uiteindelijk pas in september 1577 in Lissabon terug en sterft kort daarna op de leeftijd van 70 jaar. Verschillende van zijn kameraden zijn in Kongo achtergebleven, waar zij welvarende kooplieden worden. Vele van hen vormen privélegertjes, om zich tegen aanvallen te beschermen, maar vooral om er slaven mee te vangen. De gebeurtenissen van de laatste jaren leiden ertoe dat de positie van de Portugezen in het koninkrijk Kongo niet meer wordt hersteld. Als Mani-Kongo Álvaro I orde op zaken heeft gesteld, zal hij zich rechtstreeks voor hulp tot het Vaticaan wenden. Dat de Mani-Kongo een kritischer houding tegenover Portugal ontwikkeld, blijkt ook uit het volgende. Gezanten van Álvaro I zouden de Ngola al in een vroeg stadium hebben gewaarschuwd dat de Portugezen zijn land willen veroveren. Dit schrijft García Simões s.j. in een brief van 20 oktober 1575, wat Alvaro I overigens ten stelligste in zijn brief aan García Simões van 27 augustus 1575 weerspreekt.

Hij moet zich ingeklemd hebben gevoeld tussen twee krachten die de Afrikaanse geschiedenis in die tijd kenmerken: de druk van binnen uit – historisch gezien een deel van het leven waarmee alle Afrikaanse koningen te maken hebben – en de druk uit Europa, die vreemd en daarom beangstigend is. Hij doet wat zijn voorgangers hebben gedaan en wat het enige is wat hij kan doen: hij vraagt hulp aan Portugal en aan Spanje, die beide door Philips II worden geregeerd, en eveneens aan de paus. Hij vraagt hun missionarissen en handwerkslieden te zenden, om zijn verwoeste koninkrijk te helpen opbouwen Hij biedt aan de hulpverlenende machten koper- en zilvermijnen te geven. Al jaren geleden waren de Portugezen ervan overtuigd dat er koper- en zilvervoorkomens in het binnenland van Kongo te vinden zijn, ofschoon deze nog door niemand ontdekt zijn en al helemaal niet door de koningen van Kongo, zodat de mijnen die Álvaro zo genereus aanbiedt alleen maar in zijn verbeelding bestaan.

Álvaro I heeft bepaald geen geluk met zijn ambassadeurs. Een van hen is de Portugese koopman Duarte Lopez. Hij vertrekt in 1583 uit Kongo, met een pak brieven en een hoofd vol met zorgvuldig gegeven instructies. Het schip waarop Duarte Lopez reist, stoot lek bij Kaapverdische eilanden en wordt door tegenwinden naar de eilanden van West-Indië geblazen. Het schip zinkt uiteindelijk bij Grenada en de bemanning en de passagiers stellen zich in veiligheid door naar het eiland te zwemmen. Duarte Lopez verblijft bijna een jaar op Grenada, waarna hij aan boord van een Spaanse vloot naar Spanje kan zeilen. Als de Mani-Kongo niets meer van of over zijn gezant verneemt, vreest hij dat het schip waarmee hij vertrokken is, verloren is gegaan. Hij zendt dan zijn eerste minister, Dom Pedro António, in een ander schip naar Lissabon. Dit vaartuig valt evenwel in handen van Engelse piraten. De opvarenden van het buitgemaakte schip worden aan boord van de piraat genomen en dat zeilt naar Engeland. Als zij aan land willen gaan, lijdt het vaartuig schipbreuk en Dom Pedro en zijn zoon, die hem heeft vergezeld, komen om in de golven. Als Duarte Lopez zich hersteld heeft van zijn beproeving en zich fit genoeg voelt om Spanje te verlaten en zijn missie te volbrengen, reist hij naar Rome, waar hij in 1588 aankomt. Hij deelt paus Sixtus V mede dat aan de kerk van Santa Cruz in São Salvador do Congo 28 kanunniken en diakens verbonden zijn en dat de kerk de beschikking heeft over een orgel en over alles wat aan de pracht van de eredienst bijdraagt. De publicatie van zijn reisverslag door Antonio Pigafetta, de beroemde kroniekschrijver van Magalhães’ reis, in 1591 maakt heel christelijk Europa bekend met Kongo. Inmiddels is Dom Álvaro I overleden en in 1587 opgevolgd door zijn zoon Dom Álvaro II (1587-1614). Hij weet dat zijn vader af wilde van het Portugese voogdijschap over Kongo en het koninkrijk rechtstreeks onder de Heilige Stoel wilde stellen. Hij streeft daarom hetzelfde doel na. Het verzoek van de koning São Salvador te verheffen tot sedes episcopalis wordt goed ontvangen, zowel door koning Philips II als door paus Clemens VIII. Nadat São Salvador de onderscheiding cidade is toegekend, wordt de stad op 20 mei 1596 verheven tot bisdom, met jurisdictie over Kongo en Angola. Maar deze erkenning kan het verval van de kleine Luso-Afrikaanse Wereld geen halt toeroepen. Gedurende de tweede kwart van de zestiende eeuw is er in São Salvador een jezuïetencollege gevestigd, maar de invloed die daarvan uitgaat is gering, ook omdat het niet ononderbroken functioneert.

De druk die Álvaro I heeft ondervonden, neemt nog verder toe en Álvaro II onderneemt bij herhaling pogingen om het Kongolese grensgebied met Angola af te schermen van de gebieden van zijn zuiderbuur, die zijn uitgeleverd aan het schaamteloze optreden van slavenjagers die belust op winst, vaak de grenzen met Kongo overschrijden. Álvaro II, die niet alleen de banden van vazaliditeit formeel met Portugal wil verbreken en die ook de Ngola in zijn verzet tegen de Portugezen ondersteunt, doet rechtstreeks een beroep op de paus en hij biedt de Heilige Stoel ‘alle metalen die in zijn koninkrijk zullen worden ontdekt’ aan, in ruil voor bescherming tegen ‘geweld en ergernissen’.

Maar de arme Álvaro II heeft al even weinig geluk met zijn ambassadeurs als zijn vader heeft gehad. De boodschapper is deze keer António Manuel. Hij wordt niet alleen op zee uitgeschud door piraten, maar loopt zowel in Lissabon als in Madrid vertraging op. Hij bereikt tenslotte Rome op 3 januari 1608, vier jaren nadat hij uit Kongo is vertrokken. Hij is echter zo uitgeput en hij is zo wanhopig, omdat de meeste leden van zijn gezantschap onderweg zijn gestorven, dat hij twee dagen na aankomst in Rome ook sterft, slechts enkele uren voordat hij zijn boodschap kan overbrengen. Zijn tragische overlijden blijft niet onopgemerkt. Hij wordt met evenveel luister begraven als een overleden ambassadeur van Frankrijk. Hieruit blijkt dat Kongo door het Vaticaan definitief erkend wordt als een christelijk koninkrijk. De begrafenisplechtigheid is beschreven als ‘bijna een koning waardig’, en er is een fresco in het Vaticaan dat laat zien dat paus Paulus V, António Manuel op zijn sterfbed bezoekt. Maar ondanks alle luister waarmee zijn begrafenis gepaard gaat, is er weinig bereikt inzake de wijze waarop Kongo geholpen kan worden en het jaar daarop overlijdt Álvaro II, zonder dat hij erin geslaagd is, te bereiken wat hij voor alles heeft nagestreefd, het verbreken van de banden van vazaliditeit van zijn koninkrijk met Portugal.

Het zou een langdradig verhaal worden, schrijft Allan Scholefield, alle koningen op te sommen die na Álvaro II over Kongo hebben geregeerd; zij regeren korte tijd en hun levens zijn gevuld geweest met rivaliteit en intriges. De snelle troonswisselingen leiden ertoe dat enige heersers nog kinderen zijn, zoals Álvaro IV die de troon in 1631 heeft bestegen, toen hij dertien jaar was en die slechts vier jaar heeft geregeerd. Duffy vult aan dat zij ook ‘more and more despotic’ worden en dat de eenheid van het koninkrijk teloor gaat. Tegen 1615 zijn de meeste sporen van Portugees leven verdwenen; de mensen zijn gestorven, gevlucht of in de zwarte bevolking opgegaan. De bisschop van Kongo, Manuel Baptista klaagt in 1612 over de nutteloze offers door Europese geestelijken gebracht in een ongezond klimaat, temidden van een volk dat zo anders is in zijn geloofsbeleving. Maar ook de bisschoppen van São Salvador en hun helpers dragen aan verval bij. In de periode 1599-1624 verruilen vier achtereenvolgende Portugese bisschoppen hun residentie in São Salvador voor een tijdelijk verblijf in het opkomende Luanda. Hun opvolgers vestigen zich voorgoed in Luanda, vanwaaruit zij een twintigtal parochies verspreid over Angola en Kongo besturen. Zij laten zich in São Salvador vertegenwoordigen door een apostolische prefect die wordt gekozen uit de kapucijnen die, bij vier verschillende gelegenheden, in de achttiende eeuw in Kongo zijn gearriveerd en daar de evangelisatie van het volk op zich hebben genomen. Na 1676 zal São Salvador geen bisdom meer zijn.

In de eerste jaren van de zeventiende eeuw wijken Hollandse schepen, daartoe gedwongen door onderlinge concurrentie in de Golf van Guinée, uit naar havens aan meer zuidelijk gelegen kusten, zoals Mayumba, Loango en Mpinda, ondanks dat de Portugezen daar factorijen hebben. Zo weet kapitein García Mendes Castelo Branco in ongeveer 1603 te melden dat er in de haven van de Kongolese havenstad Mpinda steeds twee of drie Hollandse schepen liggen die daar goede zaken doen en waarbij de Afrikaanse vorsten de vreemde indringers alle mogelijke steun verlenen. In hetzelfde Mpinda, eens het uitgangspunt van Portugees missiewerk in Kongo en Angola en waar zich nog steeds kerken en missieposten bevinden, brengen de Hollanders tot ontzetting van de paters jezuïeten de leer van Maarten Luther en Calvijn aan de man. De Portugezen dringen er bij Philips III (Filipe II) op aan hen toestemming te geven om in Mpinda een fort te bouwen om Hollandse schepen te kunnen weren, maar daartoe zal eerst in 1609 worden besloten. Voorlopig kunnen de Portugezen weinig tegen de Hollanders ondernemen, want de enkele tientallen Portugezen die nog in Mpinda verblijven kunnen de graaf van de Kongolese kustprovincie Soyo of Sonho geen rekenschap vragen van zijn openlijke bevoordeling van de Hollanders die, evenals in Loango, hogere prijzen betalen dan de Portugezen.

De graaf van Soyo, Dom Miguel, wendt zich omstreeks 1606 tot de Staten-Generaal waarin hij zijn affectie voor de Hollanders uitspreekt. In hetzelfde jaar gelukt het de Portugezen, na een heftig treffen, Hollandse schepen van de Kongostroom te verjagen. Begin 1608 zeilt Wemmer van Berchem met het jacht de Meerminne de Kongorivier op. Hij dient volgens zijn opdracht met de koning van Kongo en de graaf van Soyo een handelsverdrag af te sluiten. Kapitein Álvaro de Sousa nadert met vier schepen uit Luanda de Meerminne. Van Berchem en zijn schipper Jan Janssen Backer aarzelen geen moment om slag te leveren. Ten aanschouwen van de te hoop gelopen Afrikanen wordt het Portugese admiraalsschip in de grond geschoten, terwijl een van de andere schepen zwaar wordt beschadigd. Begrijpende dat versterking uit Luanda spoedig zal volgen, verlaat de Meerminne het strijdtoneel. Ondertussen is Piet Brandt begin 1608 met de Meermin bij Loango voor anker gegaan. De Portugezen zoeken de vermetele Pero Abrantes, zoals zij de door hen gehate Piet Brandt noemen, te vermoorden, maar zij executeren abusievelijk in Loango een andere Hollander, Augustijn Cornelissen.

In april 1608 arriveert de Neptunus in Loango. Aan boord bevindt zich de jonge ondercommies Pieter van den Broecke, die zijn eerste reis maakt naar Angola en Kongo, maar die na een paar jaar het pionierswerk van Piet Brandt in deze streken zal overnemen. De toekomstige kroniekschrijver blijkt ook een bekwaam onderhandelaar. Hij verkrijgt in korte tijd van Dom Miguel vergunning om 40.000 pond ivoor in de Neptunus te laden. Schip en lading worden aan de Goudkust verkocht voor 44 pond goud.

Luanda is zeer ongerust over de onderhandelingen van Dom Miguel, graaf van Soyo, met de Hollanders. Dit wordt bericht aan de onderkoning van Portugal, Cristóvão de Mouro, markies van Castelo-Branco, die op zijn beurt in zijn rapport van 24 januari koning Philips III (Filipe II) van de zaak op de hoogte stelt. De koning geeft al op 10 maart toestemming voor de bouw van een fort op een eilandje in de Kongo voor de kreek naar Mpinda, terwijl de onderkoning enige oorlogsschepen naar de Loangokust moet zenden om de Hollanders te verjagen. De gouverneur van Angola, Dom Manuel Pereira Forjaz krijgt opdracht Dom Álvaro II en Dom Miguel te vragen naar hun bedoelingen, zonder van argwaan blijk te geven. In 1610 komt de bouw van het fort bij Mpinda stil te liggen, omdat Dom Miguel de Portugezen allerlei moeilijkheden in de weg legt. En als de Portugese bevelhebber in Kongo zich tenslotte naar de residentie van Álvaro II begeeft om toestemming voor de bouw van het fort te vragen, waardoor Dom Miguel zijn verzet zal moeten opgeven, wordt hij zijn residentie en het land uitgejaagd. Ook de bevolking van Soyo toont zich steeds meer anti-Portugees en pro-Hollands. Als in september 1612 vier caravelas met 300 man uit Luanda de Meermin en een klein Hollands jacht willen overvallen verjagen Hollanders en Kongolezen gezamenlijk de Portugezen, die met vele doden en gewonden moeten afdruipen.

In 1614 onderscheppen de Portugezen een brief van de Mani-Kongo aan de graaf van Soyo, die overigens beiden corresponderen met prins Maurits. In zijn brief geeft de koning de graaf opdracht contact te zoeken met Pero Abrantes (Piet Brandt), die de koning gewaarschuwd heeft voor de ware bedoelingen van de Portugezen en die in 1613 een Hollandse factorij in Mpinda heeft gesticht. De koning verzoekt in zijn brief de graaf van Soyo er bij Pero Abrantes op aan te dringen de nodige zorg te besteden aan de verdediging van de monding van de Kongo tegen de Portugezen. Tot opluchting van de Portugezen sterven Dom Álvaro II en Dom Miguel beiden nog hetzelfde jaar. Na enige tijd van verwarring, neemt in 1615 een zoon van de overleden koning de macht in handen en bestijgt als Álvaro III de troon van Kongo. Philips III feliciteert de nieuw vorst met zijn troonsbestijging, wijst hem op het verraderlijke gedrag van zijn voorganger en dringt aan op het opgeven van het verzet tegen de bouw van het fort bij Mpinda. Álvaro III keert zich in zijn antwoord van 24 oktober 1615 tegen de Hollandse ‘ketters, vijanden van het Geloof, verraders van Uwe Majesteit en dus ook van dit Rijk’. Ter verdediging van zijn vader, die de graaf van Soyo niet tijdig streng heeft gestraft, voert hij aan: ‘echter, mijn vader was al oud en het oorlogvoeren meer dan moe, en wie zou een zo gelovig katholiek vorst als de graaf van Soyo hebben gewantrouwd’? Hij belooft de Hollanders te zullen verdrijven, waardoor de reden voor de bouw van het fort in Mpinda vervalt.

De Mani-Kongo verbiedt met de ‘Flamengos’ handel te drijven. Eerst nadat bisschop Manuel Baptista de nieuwe graaf van Soyo heeft geëxcommuniceerd, geeft ook deze zijn verzet tegen het koninklijk bevel op. De Portugezen hebben tijdelijk het pleit gewonnen; in 1619, drie jaar na de sluiting van hun post in Mpinda, bezitten zij alweer vier factorijen

Nadat Mani-Kongo Dom Álvaro II (1587-1609) zich heeft beklaagd over de schendingen van de Kongolese grenzen door de Portugese slavenhalers uit Angola, blijven de grensschendingen kennelijk aanhouden. In 1617 beschuldigt die nieuw aangetreden gouverneur van Angola, Luís Mendes de Vasconcelos, die in augustus van dat jaar in Luanda is gearriveerd, zijn ambtsvoorgangers onder meer van het illegaal verwerven van slaven en van het inzetten hierbij van de kannibalistische Jaga, die meer slaven opeten dan dat zij aan de Portugezen afleveren. In hetzelfde jaar dat de nieuwe gouverneur zijn beschuldigingen aan het adres van zijn voorgangers uit, worden deze bevestigd door de klacht die Mani-Kongo Dom Álvaro III zendt aan paus Paulus V. Hij laat de Heilige Stoel weten dat de Portugese gouverneurs van Angola, in plaats van de koningen van Kongo te helpen, zoals de koningen van Portugal hen hebben opgedragen, zij Kongo zijn binnengevallen alsof het om vijandelijk gebied gaat. Om de zaken nog erger te maken, hadden de Portugezen zich verenigd met de Jaga-natie, die mensenvlees eet.

Enige jaren later zijn er opnieuw berichten van door de Portugezen uit Angola geleide invallen in Kongolees gebied. De in oktober 1621 in Angola gearriveerde gouverneur João Correia de Souza gelast een aanval op Nambu a Ngongo, een Kongolese chief, om hem te dwingen de gouverneur van slaven te voorzien. Nambu a Ngongo geniet de steun van de Mani-Kongo, ‘een machtig suzerein.’ Als Nambu a Ngongo weigert aan de dreigementen tegemoet te komen, zijn de Portugezen en de met hen verbonden ‘Jaga’ genoodzaakt hun dreigementen waar te maken. Het Kongolese leger opent de aanval en hoewel zij de hulptroepen van de Portugezen uiteen weten te slaan, blijken zij de kern van de haakbusschutters niet te kunnen overwinnen. Nambu a Ngongo wordt gevangengenomen en geketend naar Brazilië gezonden. De gevolgen van deze zege zijn een ramp voor de Portugezen. De Kongolezen nemen wraak op de naar schatting duizend Portugese handelaren in het land. Vele kooplieden, vooral degenen die in het zuiden van het land wonen, worden vermoord, evenals hun vrouwen en kinderen..Zij die elders in het land wonen, overleven slechts door tussenkomst van de Mani-Kongo

Midden augustus 1624 zeilt een Hollands smaldeel van zes schepen, onder bevel van Philips van Zuylen, dat enige maanden voor de kust van Angola heeft geopereerd, de wassende Kongostroom op. Een van de schepen, het prijsschip S. Francisco van 160 ton, lukt het niet tegen de stroom op te zeilen en het schip wijkt uit naar de haven van Loango. Van Zuylen wordt 14 september zeer goed door de graaf van Soyo ontvangen. Als Piet Heyn na zijn mislukte aanslag op Luanda, op 6 december 1624 met zijn vloot in Kongo aankomt, treft hij daar nog de zes schepen van Philips van Zuylen. Van de oorspronkelijke 142 koppen zijn de laatste maanden veel zeelieden gestorven; het bemannen van de prijzen heeft de scheepsbemanning nog verder verzwak en tot overmaat van ramp zijn er onder de schepelingen oproerige elementen van wie Van Zuylen de grootste last ondervindt. Piet Heyn stelt orde op zaken. Van Zuylens bemanning wordt aangevuld met vers volk van de vloot van de admiraal, die de verzetplegers overneemt op zijn eigen schip en deze hun verdiende straf doet ondergaan. Begin 1625 keert hij terug naar Amsterdam, waar hij negen maanden later binnenloopt. Piet Heyn heeft afschriften van brieven, uit 1622 of 1623, bij zich die Mani-Kongo Pedro II Afonso (26 mei 1622 – 13 april 1624) en de graaf van Soyo aan prins Maurits hebben geschreven. Beide vorsten vragen daarin de prins om hulp omdat een door de Portugezen geleide Jaga-expeditie het koninkrijk Kongo is binnengevallen om Pedro II Afonso te dwingen de kopermijnen, het eiland van Luanda en een deel van de kuststrook af te staan.

Terwijl de ontwikkelingen in Kongo hun loop nemen, bereiken de brieven hun bestemming. Ofschoon het de Hollanders in het geheel niet duidelijk is wat van hen verwacht wordt, maakt de mededeling dat de kosten van de hulpverlening zullen worden terugbetaald, de zaak aantrekkelijk erop in te gaan.

Op het moment dat het verzoek om hulp aan prins Maurits werd opgesteld, trokken Jagahorden plunderend, moordend en verwoestend door Mbamba, de dichtstbevolkte en rijkste provincie van Kongo, ten zuiden van Soyo. De expeditie heeft – zoals hiervoor vermeld – ook chief Nambu a Ngongo gevangengenomen. De Mani-Kongo heeft zich al eerder tot koning Philips III (Filipe II) gewend, maar deze heeft Pedro II Afonso verzocht enige afgezanten naar Madrid te zenden om de zaak te bespreken. Omdat hij er weinig voor voelt zich in een Afrikaans wespennest te steken, heeft hij op deze manier de moeilijkheid ontweken.

Pedro II Afonso heeft direct na de Jaga-inval zijn troepen verzameld en heeft kans gezien de indringers begin 1623 terug te drijven. De vreugde is echter van korte duur, als een nieuwe inval volgt. Dan nemen de zaken plotseling een gunstige keer. Gouverneur João Correira de Souza verlaat na ruzie met de jezuïeten plotseling op 2 mei 1623 Luanda. Hij wordt in augustus van dat jaar opgevolgd door Dom Simão de Mascarenhas, de gewezen prelaat van Kongo, met wie Pedro II Afonso zeer bevriend is. Deze laat zonder uitstel de door Portugezen geleide Jaga-expeditie uit Kongo terugroepen. Nog geen jaar later sterft Pedro II en bestijgt zijn zoon García de troon van Kongo.

Piet Heyn zendt de gecommitteerde van de West-Indische Compagnie (WIC) en de commies van de factorij in Mpinda naar de graaf van Soyo om te spreken over diens hulpverzoek aan prins Maurits, maar nu de goede relaties met de Portugezen in Luanda hersteld zijn, wil de graaf niet meer herinnerd worden aan zijn hulpverzoek aan prins Maurits. De verontwaardigde Piet Heyn, die onkundig is van de keer die de zaken in Kongo hebben genomen, zendt Willem Jansz. met twee leden van de scheepsraad, met afschriften van de brieven aan prins Maurits, naar de graaf van Soyo. Deze zegt geen hulp nodig te hebben en daarom nooit te hebben gevraagd. Kongolese kooplieden hebben de brieven geschreven in de hoop de Portugezen schade te kunnen bezorgen. De graaf zegt prins Maurits zeer erkentelijk te zijn voor de eer en de vriendschap die de prins hem bewijst. Piet Heyn die over te weinig diplomatieke gaven beschikt, om te begrijpen dat de politieke situatie radicaal is veranderd en hoe dan ook zijn gelijk wil halen, brengt de vergoeding voor Hollandse hulp ter sprake die in de brieven aan prins Maurits is beloofd. De graaf van Soyo reageert zeer verwonderd en zegt dat hij zich heeft verheugd op te ontvangen geschenken. Piet Heyn is tot zijn grote woede genoodzaakt met geschenken over de brug te komen, omdat de graaf zijn onderdanen heeft verboden zaken met de Hollanders te doen, alvorens hij is tevredengesteld.

De verhoudingen in Mpinda zijn de laatste jaren sterk gewijzigd, wat de gouverneur van Angola, Fernão de Souza, veel kopzorgen geeft. De Portugese Kroon bezit, naast het monopolie op de slavenhandel, ook het monopolie op de ivoorhandel. De Kongolezen zijn gehouden de Portugese factor in Mpinda al het beschikbare ivoor vrijwel zonder winst tegen de vastgestelde prijs te leveren. De Portugese monopoliehouder verkoopt ivoor door, tegen de veel hogere marktprijs aan Hollandse kooplieden, die op hun beurt het ivoor met winst aan Portugese handelaren verkopen en zo maakt iedereen winst en zijn allen tevreden. Natuurlijk mag dit niet, maar Lissabon is ver en Luanda heeft niets in Mpinda te vertellen. Bovendien verkopen Kongolezen ook wel rechtstreeks ivoor aan de Hollanders.

De Hollanders of Mafulas, zoals de Kongolezen hen noemen, zijn niet alleen gek op ivoor, maar ook op koper uit de mijnen van Bembe en Nsundi. Zij zijn bereid daarvoor in het geheim vuurwapens te leveren, wat de Portugezen niet doen, omdat zowel de Kroon als de Heilige Stoel christenen verbieden vuurwapens aan de heidenen te verkopen.

De betrekkingen tussen het koninkrijk Kongo en de Republiek der Verenigde Nederlanden worden door onhandig optreden nog verder belast, waarbij de Portugezen garen spinnen. Van Zuylen is zo onvoorzichtig en lomp dat hij op de Portugezen buitgemaakte handelswaar ijskoud in Mpinda aan Portugese handelaren te koop aanbiedt. Zij herkennen de koopwaar onmiddellijk, wat bij hen kwaad bloed zet, terwijl de graaf van Soyo, bevreesd voor de gevolgen van connecties met kapers, zich ijlings terugtrekt.

Piet Heyn, wiens van weinig inzicht getuigende optreden hiervoor al ter sprake is gekomen, begaat nog een grote lompheid in Mpinda. Hij dringt er bij de bewoners op aan samen met de Hollanders tegen Luanda op te trekken. Op een dergelijk verzoek blijken noch de graaf, noch de Portugese kooplieden gesteld te zijn: komen de Hollanders aan de Kongorivier om zaken te doen, dan zijn zij welkom; willen zij die handel beschermen door gewapende koopvaarders uit te zenden, het is hun goed recht; doch een oorlogsvloot groter dan zich ooit in deze wateren heeft vertoond, met kennelijk vijandige bedoelingen, verontrust hen in hevige mate en doet hen de factorij en de Compagnie met andere ogen bezien. Zij zijn dan ook meer dan opgelucht als Piet Heyns schepen al begin januari 1625 vertrekken. Slechts een Hollander is achtergebleven, de factorijcommies, die nu het gelag moet betalen.

Piet Heyn verlaat Kongo op 2 januari 1625, om zich te verversen op het Portugese eilandje Anobom en keert vandaar op 2 februari naar Brazilië terug. Hij maakt daar kennis met de nieuwe Portugese bevelhebber in Brazilië, Salvador García de Sá e Benevides. Bij de landing van Piet Heyns troepen aan de Rio Espiritu Santo, lijden de Hollanders een gevoelige nederlaag, als zij zich met meer dan tachtig man aan doden en gewonden moeten terugtrekken. Op 18 april bevindt Piet Heyn zich ter hoogte van São Salvador da Baía en hij moet machteloos toezien hoe de stad steeds meer in het nauw gebracht wordt door de belegeraars, die de Hollandersop 4 mei 1625 dwingen de stad over te geven.

Fernão de Souza, ziet zijn kans schoon en eist van de graaf van Soyo dat deze de Hollanders uit Mpinda verdrijft en de factorij sluit, wat ook gebeurt. De commies wil met zijn goederen uitwijken naar Ngoyo, maar als hij verneemt dat daar Portugezen in de buurt zitten, kiest hij voor Loango, waar landgenoten van hem wonen. Hij wordt ziek en daarom het land uitgezet, want als hij sterft, betekent dit onheil voor de bevolking van Loango. Hij keert terug naar Mpinda en is daar meer dan welkom, omdat zich daar een partij ivoor heeft opgehoopt die men tegen de marktprijs aan de Hollanders wenst te verkopen. Hij betrekt weer zijn oude factorij en kan zijn schip met ivoor laden. Allen zijn tevreden en de protesten van de gouverneur van Luanda legt men naast zich neer en als in maart 1635 het Hollandse kapersschip Tamarica met zijn prijs de Vlasbloem in Kongo aankomt, toont de graaf van zich weer pro-Hollands

De Heeren XIX zenden in 1637 het Zeeuwse schip St. Michiel met de hoofdcommies Cornelis Jansen Root naar Kongo met de opdracht in Mpinda of elders aan de Kongo loges te stichten. Als Root in oktober 1637 in Mpinda aankomt, treft hij daar commies Hendryck Eeckhout uit Loango aan, die voor rekening van Loango zaken drijft in Mpinda. Root krijgt op 30 november toestemming van de graaf van Soyo een loge in Mpinda te stichten. Root en Eeckhout kopen grote hoeveelheden ivoor, maar met de handel in slaven, waarom de Hollandse plantages in Pernambuco zeer verlegen zitten, wil het door grote tegenwerking van de Portugezen, die hun monopolie bedreigd zien, niet erg vlotten. Na bijna een jaar handelen zijn slechts 72 slaven verkregen. Zij worden met de St. Michiel naar Pernambuco gebracht. De Engelsen die ook een factorij in Mpinda hebben en eveneens onder Portugese tegenwerking te lijden hebben, geven de brui aan hun handel in Kongo en vertrekken naar de Goudkust.

Root heeft zich in Zarry stroomopwaarts aan de rechteroever van de Kongo een loge geopend en laat de grote factorij in Mpinda aan Eeckhout over. In 1639 is er sprake van hongersnood in Mpinda. Root zendt voedsel, dat in Zarry overvloedig aanwezig is, naar Eeckhout, die daarvoor slaven koopt. Als in maart 1639 de Maecht van Enchuysen en de St. Michiel geladen met behoorlijke ruilwaren in Mpinda arriveren, komt de slavenhandel van de WIC goed op gang. In dat jaar vertrekken drie Hollandse schepen de Maecht van Enchuysen, de St. Pieter (het omgedoopte prijsschip São Pedro van de Maecht van Enchuysen) en de Mooriaen met respectievelijk 82, 70 en 21 slaven naar Pernambuco. Zij zijn ingekocht voor gemiddeld 3.000.000 nzimbus (100 gulden) en brengen in Pernambuco 500-600 gulden op. De Compagnie heeft aan haar activiteiten een nieuwe zeer lucratieve activiteit toegevoegd, te weten slavenhandel

De laatste belangrijke missionaire inspanning in Kongo in de nadagen van de Portugese invloed in het land is als de missie in Kongo wordt overgenomen door Italiaanse, Spaanse en Vlaamse kapucijnen. De eerste kapucijner missionarissen arriveren in 1645 uit Rome, ondanks Portugese protesten. Zij dopen naar schatting 15.000 Afrikanen per jaar. Bemoedigd door zulke statistieken, zendt de Congregatio de Propaganda Fide in 1648 opnieuw een groep kapucijnen naar Kongo. Nadat Luanda dat jaar heroverd is op de Hollanders doen de Portugezen hun soevereine rechten over het gebied gelden en zij verlangen controle op de activiteiten van de kapucijnen die werkzaam zijn in Portugees gebied. De missieactiviteiten van de kapucijnen in Kongo bloeien nog tot ongeveer 1660, maar daarna komt de onvermijdelijke teruggang. Van de plannen een seminarie op te zetten komt niets terecht, waarmee ook de opleiding van Afrikaanse priesters van de baan is. Gedurende de rest van de eeuw golven de resultaten van de kapucijnen op en neer, maar in de volgende eeuw zijn niet meer dan een of twee priesters in Kongo werkzaam. Ofschoon het aantal mensen dat zij dopen enorm is: 100.000 door een priester in de periode 1645-1666; 1.750 door een ander in veertig dagen. Alle kapucijnen bij elkaar zouden van 1677 tot 1700 niet minder dan 340.000 mensen hebben gedoopt en 50.000 huwelijken hebben ingezegend. Een eeuw later resteren van de inspanningen van de kapucijnen slechts statistieken. Omstreeks het jaar 1700 is de eens zo prachtige hoofdstad São Salvador do Congo een verlaten stad, waarvan de twaalf kerken allen tot ruïnen zijn vervallen. Stanley, die het gebied in de jaren zeventig van de negentiende eeuw heeft verkend, heeft geen sporen van een christelijke beschaving, noch tekenen van de eens zeer grote Portugese invloed en opperheerschappij kunnen vinden.

1.2 De avonturen van Andrew Battell

Categorieën
Portugees kolonialisme

De expeditie van Paulo Dias de Novais naar Ndongo. Angola en Kongo

Deel 14 Index

Hoofdstuk 1.

Angola en Kongo:

1.0. De expeditie van Paulo Dias de Novais naar Ndongo

Geschreven door Arnold van Wickeren

In deel IX van dit werk is vermeld dat Baltasar de Castro, na zes jaar door de Ngola van Ndongo gevangen gehouden te zijn, in Portugal terugkeert. Dit moet omstreeks 1527 zijn geweest. Regeringskringen in Lissabon schenken bijna dertig jaar geen aandacht meer aan Ndongo. Wellicht is de bewering van Castro, dat er in Ndongo geen zilvermijnen zijn, hieraan debet. In 1557 zendt de Ngola, genaamd Inene, een afgezant naar Lissabon, om de Portugezen te vragen een vertegenwoordiger naar zijn koninkrijk te zenden. De jezuïeten, op zoek naar een nieuw missiegebied, bepleiten de uitnodiging te aanvaarden. Koningin Catarina’s antwoord op het verzoek van de Ngola bestaat daaruit dat zij vier jezuïeten naar Ndongo zendt. Zij worden geleid worden door een leek, die als haar ambassadeur kan optreden. Het vertrek van de missie loopt vertraging op als in november 1557, of op zijn laatst midden 1558, het nieuws dat Ngola Inene is overleden Lissabon bereikt. Het vertrek wordt opnieuw uitgesteld, omdat er een onderzoek wordt ingesteld naar de verwachte reactie van de nieuwe Ngola op de komst van de jezuïeten. Ofschoon het onderzoek geen bevredigend antwoord oplevert, vertrekt de missie niettemin op 22 decemberi 1559 met twee of drie schepen. De leider van de onderneming is Paulo Dias de Novais. Hij zou een kleinzoon zijn van Bartolomeu Dias, die er zich op laat voorstaan in 1488, op weg naar de Kaap, Angola te hebben ontdekt. De missie bestaat uit vier jezuïeten, de paters Francisco Gouveia en Agostinho de Lacerda, broeder António Mendes en nog een tweede broeder. Paulo Dias’ regimento draagt hem op contact met de Ngola te zoeken terwijl hij nog aan de kust verkeert. Pas als de Ngola erin heeft toegestemd hem te ontvangen, mag hij zich naar het binnenland begeven, om zijn geloofsbrieven aan de Ngola aan te bieden. De jezuïeten zullen hem in dat geval vergezellen en in een open gesprek met de vorst met hem van gedachten wisselen over de bekering van zijn volk tot het christendom. De bisschop van São Tomé toont zeer sceptisch te zijn over de vooruitzichten op succes van deze onderneming. Hij betwijfelt of er überhaupt met de Ngola kan worden onderhandeld zolang het verbod op vrije handel met Angola niet is opgeheven. Hij klaagt ook over de verknochtheid van de Mbundu aan hun ‘afgoden’. De gesneden houten beeldjes en figuren die de Portugezen in het land aantreffen worden beschouwd als machtige tekenen dat de duivel Ndongo in zijn greep heeft. Het pessimisme van de bisschop is waarschijnlijk ingegeven door begrip van de commerciële aard van de Ngola die hem doet streven naar een directe verbinding met Europa. Met zijn opmerkingen over de kans van slagen van de missie neemt de bisschop het tevens op voor de handelaren uit zijn diocees die streven naar een vrijere handel met Angola, maar wat zij beslist niet willen, is de vergroting van het gezag van de koning van Portugal in Angola, als gevolg van een met de Ngola te sluiten overeenkomst.

Als Paulo Dias de Novais op 3 mei 1560 aan de monding van de Rio Cuanza aankomt, weet de nieuwe Ngola, Ndambi, niet zo goed wat te doen. Het lijkt waarschijnlijk dat ‘vrije handelaren’ van São Tomé die aan zijn hof verblijven, hem adviseren niet toe te staan dat Paulo Dias het land betreedt. Aan de andere kant weet Ngola Ndambi dat een ambassadeur rijke geschenken, bestaande uit kleding en andere goederen, meebrengt. De besluiteloosheid van Ngola Ndambi evenaart de aarzelingen van Paulo Dias, die instructies heeft ontvangen naar het hof van de Ngola te gaan. Een Portugese handelaar, die hij aan de Rio Cuanza heeft ontmoet, heeft hem echter met nadruk de raad gegeven niet te pogen zoiets te ondernemen. Uiteindelijk besluit Paulo Dias een bloedverwant van hem, Luís Dias, met een boodschap naar de koninklijke hoofdstad te zenden. Dom António, de half-Europese zeeman die een van de ambassadeurs van Ngola Inene naar Portugal is geweest, doet dienst als gids. Ngola Ndambi’s antwoord op de openingszet van Paulo Dias is de mededeling, dat hij uitsluitend belangstelling heeft in de giften die ‘zijn broeder’ de koning van Portugal hem heeft gezonden. Hierop antwoorden de jezuïeten hem met nadruk dat zij uitsluitend naar Angola zijn gekomen om hem en zijn onderdanen tot het christendom te bekeren. Hij zal de giften die zij hebben meegebracht ontvangen als hij zich laat dopen.

De onderhandelingen slepen zich zes maanden voort, terwijl de expeditie onderwijl aan de monding van de Rio Cuanza kampeert. Kennelijk heeft de expeditie Luanda-eiland verlaten en is overgestoken naar het vasteland. Ratelband vermeldt de verhuizing naar het vasteland zeer expliciet. Hij schrijft: ‘om strategische redenen blijkt het vlakke, zandige eiland als duurzame plaats van vestiging niet te voldoen. Bovendien dreigen er moeilijkheden met de bewoners van het eiland, die onder het gezag van de koning van Kongo staan. De rotsachtige en steile heuvel aan de vaste wal schijnt veiliger en gemakkelijker te verdedigen te zijn. Ook kan van daaruit het eiland, de baai en de gehele omgeving zonder veel moeite worden beheerst. Een jaar na de landing sticht Paulo Dias op deze heuvel de nederzetting São Paulo de Luanda, welke stad zich spoedig snel zal uitbreidenii. In deze tijd sterven veel Portugezen, onder wie de pater Agostinho de Lacerda s.j., aan de koorts. De bestuurder van het gebied aan de wijde monding van de Rio Cuanza, een chef genaamd Mani-Corimba, die beweert trouw verschuldigd te zijn aan zowel de Mani-Kongo, als aan de Ngola van Ndongo, verkoopt voedsel aan Paulo Dias en bij een gelegenheid biedt Mani-Corimba hem drie jonge stieren en enige geiten aan. Langzamerhand wordt Paulo Dias hoe langer hoe ongeduldiger met het aanslepen van de onderhandelingen en omdat hij al van lafheid beschuldigd is, treft hij opzichtig voorbereidingen de Ngola zelf te gaan bezoeken. Hij zeilt, met zeven man in een klein vaartuig, 30 léguas (waarschijnlijk ongeveer 130 mijl) de Rio Cuanza op. De onvruchtbare kustvlakte maakt plaats voor dichter bevolkte gebieden, met mooie dalen en frisse vegetatie. Aan het einde van het bevaarbare deel van de Rio Cuanza, waarschijnlijk bij Massangano, wordt de delegatie verwelkomd door een van Ngola’s vazallen. Hij en de Portugezen gaan op weg naar de hoofdstad van de Ngola. Zij passeren in verscheidene dagen zo’n twintig dorpen voordat zij hun doel bereiken. Een kleine opstand tegen het gezag van de Ngola wordt met behulp van de Portugezen onderdrukt, wat de goede betrekkingen nog versterkt. Als zij in de koninklijke stad aankomen, worden zij ontvangen door een hooggeplaatst persoon, die Mani-Dongo heet en die hen onderbrengt in drie hutten van stro. De Ngola zendt Paulo Dias en de zijnen giften in de vorm van voedsel en palmwijn.

De stad is goed gebouwd en de jezuïeten schatten haar niet veel kleiner dan hun eigen Évora. Na, zoals gebruikelijk, een paar dagen te hebben gewacht, laat de Ngola weten dat hij met de gezanten wil spreken. Het gebouw waarin de vorst woont is een groot complex, met een solide buitenste verdediging, die bestaat uit dicht naast elkaar geplante palmbomen, waartussen takken zijn geweven. De eerste binnenhof wordt gebruikt als de Ngola zijn onderdanen ontmoet, of wanneer hij misdadigers vonnist. Naast dit grootste binnenhof zijn er andere binnenhoven en doorgangen die uiteindelijk naar een patio in het hart van het complex leiden. Daar woont de koning en ontvangt hij zijn naaste raadgevers en edelen. Wanneer Paulo Dias en de jezuïeten die hem begeleiden de centrale ruimte betreden, zit de Ngola temidden van zijn hovelingen palmwijn te drinken uit een hoorn. De koning heeft aan zijn zijde een kalebas staan, waaruit hij de hoorn telkens bijvult. Het is voor gasten een grote eer te worden uitgenodigd wijn met de Ngola te drinken. Als teken van ’s konings hoogachting biedt hij de ambassadeurs een vrucht aan, die in Ndongo zeer gewaardeerd wordt en die zij ‘kola’ noemen, maar die de Portugezen onaangenaam bitter vinden smaken. De Ngola toont grote waardering voor blauwe stoffen, zoals wollen kleding. De Ngola ontvangt ook andere giften en hij geeft zijn bezoekers op zijn beurt schapen, geiten, meel, wijn, fruit en twee koeien. Wanneer de jezuïeten het onderwerp kerstening aansnijden, is de Ngola niet erg enthousiast, maar hij gaat er uiteindelijk mee akkoord dat vijftien of twintig van zijn eigen kinderen en die van zijn hovelingen onderwezen zullen worden in de uitgangspunten van de christelijke leer.

De ontvangst van de giften door de Ngola verbetert de amicale sfeer – zoals te verwachten – geenszins; het tegendeel is het geval. De Portugezen wijten dit aan de tussenkomst van buiten, met name van Kongo, maar – schrijft David Birmingham – de situatie van dat moment leidt tot een conflict dat waarschijnlijk niet minder belangrijk is. De commerciële en wellicht ook religieuze tegenstelling worden tezamen verbonden en vertaald in een politiek plan, waarin rivaliteit ontaardt in openlijke vijandschap. Ratelband merkt op dat de Portugezen overvallen en beroofd worden en dat zij daarna niet veel meer zijn dan gevangenen in handen van de Ngola. De tussenkomst waarvan António Mendes de koning van Kongo beschuldigt, komt niet onverwachts. De Mani-Kongo wordt ervan verdacht de Ngola te hebben laten weten dat de jezuïeten naar Angola gekomen zijn om te zien of het land zilver of goud voortbrengt, in welk geval het voor de koning van Portugal de moeite waard zou zijn het land te veroveren. Dit is een serieuze waarschuwing, die gebaseerd is op een helder begrip van de Portugese ambities, die overigens beter aansluiten bij de belangen van Kongo dan bij die van Ndongo. De koning van Kongo is, omdat hij het officiële monopolie op de slavenhandel in het centrale deel van West-Afrika bezit, de enige legale aanbieder van Europese waren aan Ndongo; een Portugese verovering van Ndongo en zelfs een geregelde handelsrelatie, zou hem beroven van zijn rijke handelsmogelijkheden.

De Ngola neemt de waarschuwing voor de jezuïeten van de Mani-Kongo ernstig en de kinderen die door de missionarissen worden opgevoed, worden aan hun ‘opruiende’ invloed onttrokken. De eigendommen van de ambassadeur en van de jezuïeten worden geconfisqueerd. Dertig Portugezen die aan het hof verblijven, worden naar de kust gezonden met de raad dat zij er goed aan doen naar huis terug te keren en negen man, onder wie Paulo Dias, Francisco Gouveia s.j. en António Mendes s.j. worden in gijzeling genomen. Wanneer het nieuws van de vijandige gezindheid van de Ngola São Tomé bereikt, wordt er een schip naar de Rio Cuanza gezonden. Aan boord bevindt zich een tolk die moet trachten de gevangenen te redden. De Ngola besluit de hand te leggen op de goederen aan boord van het Portugese schip, zonder dat hij het voordeel opgeeft Portugezen in gijzeling te houden. Hij staat António Mendes evenwel toe naar de kapitein van het schip te gaan, om de man uit te leggen dat de levens van Paulo Dias en pater Gouveia in gevaar zijn, als hij weigert al zijn koopmansgoederen aan de vertegenwoordiger van de Ngola af te geven. De kapitein staat daarop zijn handelswaren af, maar hij weigert António Mendes naar het hof van de Ngola te laten terugkeren. Hij neemt de broeder mee naar São Tomé, liever dan dat hij hem toestaat terug te keren naar het weinig belovend missieterrein. De bisschop van São Tomé zendt António Mendes door naar Lissabon om daar rapport uit te brengen,

Het optreden van de Ngola in 1561 markeert het einde van de periode van samenwerking in de Portugese relaties met Angola. De Ngola hoopt in staat te zijn nog meer voordelen uit de situatie te kunnen trekken, maar de Portugezen besluiten hun politiek radicaal te wijzigen en te streven naar militaire verovering van Ndongo. Pater Gouveia is het met deze koerswijziging eens; hij schrijft vanuit zijn gevangenschap dat de enige manier om het volk van Angola te bekeren, hierin bestaat dat het land met geweld politiek onderworpen wordt. De Ngola houdt Paulo Dias en pater Gouveia s.j. en hield aanvankelijk ook broeder António Mendes s.j. in zijn hoofdstad ten dele met toezeggingen het doopsel te willen ontvangen en ten dele met geweld. Maar in 1565 of 1566 mag Paulo Dias naar Portugal vertrekken in gezelschap van een gezant van de Ngola. Zij hebben 40 koperen ringen, 35 olifantstanden 40 stukken waardevol kikongo verfhout en een aantal slaven bij zich. In ruil voor dit alles dient de gezant om duizenden objecten voor de Ngola te vragen. De jezuïet pater Gouveia blijft als gijzelaars in Ndongo achter, waar hij in 1575 zal overlijden.

Ofschoon de poging open en vriendschappelijke betrekkingen tussen Ndongo en Portugal te vestigen, op een mislukking is uitgelopen, is het historisch van belang de buitenwereld in kennis te stellen van het bestaan van de Ngola en zijn onderdanen. António Mendes laat weten dat hij een afschrikwekkend heerser is en dat zijn vonnissen hardvochtig zijn. Bij een gelegenheid heeft hij de executie van elf regenmakers gelast, omdat zij er niet in zijn geslaagd het te doen regenen, toen het gewas daarom smeekte. De Ngola belangrijkste zorgen zijn de rechtsbedeling en het voeren van oorlogen. Hij heeft een groot aantal vazallen, welke opperhoofden hun wapens opnemen en hem volgen met al hun krijgers, als er op hen door de Ngola een beroep wordt gedaan. De kapiteins van de Ngola voeren legers aan van 4.000 of 5.000 en zelfs 10.000 man. Bij een gelegenheid heeft de Ngola een parade afgenomen, waarbij naar schatting 50.000 mannen langs hem zijn getrokken. Zij vulden een grote open vlakte, voordat zij ten strijde trokken tegen twaalf belangrijke opperhoofden, die hun trouw aan de Ngola hadden opgezegd. Allen zijn gearresteerd, tezamen met hun vrouwen, zonen, slaven en 3.000 stuks runderen en andere dieren. Tot de buit heeft ook behoord koper en ivoor. Bij een andere gelegenheid heeft de Ngola persoonlijk de aanval geleid op een ‘Koning van Banguella’, die is gevangengenomen en gedood. Het veroverde rijk is verdeeld onder twee van Ngola’s zoons of onderdanen die, in ruil voor de begunstiging, de vorst jaarlijks een tribuut betalen. Toen zij hierin nalatig waren gebleven, heeft hij weer een leger op de been gebracht en is de provincie opnieuw binnengevallen. De jezuïeten zijn niet de enigen die de wreedheid en de bekwaamheden oorlogen te voeren van Ngola Ndambi hekelen. De Pende herinneren zich hem als een verschrikkelijke aanvoerder, die opstanden zonder mededogen neersloeg. In hun overleveringen wordt over wreedheid in legendarisch vorm verhaald. Als Ndambi een dorp bij verrassing wilde overvallen, hees hij zichzelf omhoog met behulp van twee speren die geplant waren in de borst van twee slaven. Als de speren het hart van de slaven hadden doorboord, trok Ngola Ndambi ten strijde.

Het land rond de hoofdstad van Ndongo wordt beschreven als vruchtbaar en volkrijk. Ontelbare palmbomen produceren wijn, olie en vruchten en de bomen leveren ook materiaal voor huizen en andere gebouwen. Als de mannen oorlogvoeren, werken de vrouwen op het land en hoeden zij vee, varkens, geiten, schapen, eetbare honden en kippen. De belangrijkste gewassen zijn gierst, bonen, yam, radijsjes en soms een paar bananen. Eieren en honing worden zeer gewaardeerd, maar melk wordt niet gedronken. Op vogels, hazen, ratten, slangen, nijlpaarden en krokodillen worden allemaal gejaagd, om hun vlees, maar de visvangst is onbelangrijk. Door heel het land worden dagelijks markten gehouden, om er levensmiddelen te ruilen. In Ndongo dient uit de rotsen gewonnen zout als geld. Dit zout komt uit de mijnen bij Quiçama in vierkante blokken, met ribben van bijna 70 centimeter. Voor drie van deze blokken kan een geit worden gekocht en voor een os of een koe moeten veertien of vijftien van zulke blokken worden betaald. Voor een blok zout worden zes kippen of drie kapoenen verkregen worden.

De plaats van de hoofdstad van Ndongo en de exacte grenzen van het koninkrijk als geheel zijn niet gemakkelijk te bepalen. Het schijnt dat de Ngola niet langer de controle uitoefent over Luanda, omdat de stad als een deel van Kongo wordt beschouwd. Hoe dit ook zij, feit is dat Luanda-eiland, het voor de kust bij Luanda liggende eiland, dat Luanda zijn beschutte baai bezorgt, als Kongolees gebied geldt en dat de 3.000 Mbundu die op het eiland wonen de Mani-Kongo als hun koning beschouwen. Daarentegen is de Ngola de suzerein van de Mani-Corimba aan de monding van de Rio Cuanza en ook nog over gebieden verder naar het noorden, tot aan de Rio Dande. Het belang dat gehecht wordt aan vee, doet veronderstellen dat het hartland van Ndongo op de rand van de hoogvlakte heeft gelegen, eerder dan in de beboste heuvels aan de benedenloop van de Rio Lucala. De Ngola heeft waarschijnlijk over meer residenties in het hartland van Ndongo beschikt. Francisco Gouveia woonde in Ngoleme, dat hij heeft beschreven als een stad van 5.000 of 6.000 huizen met een sterke omheining. In 1564, evenwel, brandt Ngoleme helemaal af bij een enorme brand en de Ngola verhuist naar een andere stad, Kabasa genaamd. Bij de brand zijn ook alle Europese goederen van de Ngola verloren gegaan. Door Paulo Dias vrij te laten hoopt Ndambi opnieuw in het bezit te geraken van Europese goederen.

Na Paulo Dias de Novais bijna vijf jaar van zijn vrijheid te hebben beroofd, laat Ngola Ndambi hem – zoals al vermeld – in 1565 (of 1566) vertrekken, om zijn gezant naar Portugal te brengen. Het jaar 1565 kan worden beschouwd als het jaar waarin de eerste periode van de Europese activiteit in West-Centraal-Afrika eindigt. De cruciale nieuwe factor die in het gebied is geïntroduceerd is de zeehandel. Voor de komst van de Europeanen leefden de bewoners van het gebied met hun rug naar de zee en hun gezicht naar het binnenland gericht. De zee is uitsluitend van belang omdat de golven zout achterlaten op de kust. Voor de rest is de zee voor de bewoners van Kongo en Angola alleen maar een obstakel die hen belet westwaarts te trekken, op zoek naar nieuwe landen en rijkdommen. De komst van de Portugezen, de mannen van de zee, verandert hun vooruitzichten radicaal. Er is dankzij de oceaan, een nieuwe bron van rijkdom gevonden, groter dan ooit tevoren. De effecten van de nieuwe handel zijn tweeërlei: de eerste is het verzwakkend effect op de regio door het wegvoeren van mankracht en de tweede versterkt de regio, omdat zij die de slavenhandel controleren rijk en machtig worden, door het bezit van Europese goederen die zij met de slavenhandel verwerven.

Het eerste gebied waarin de nieuwe handel tot ontwikkeling komt, is Kongo. Echter tamelijk snel verplaatst het accent zich naar het zuiden naar de grenzen van Kongo met Ndongo. Tot de verschillende oorzaken van deze verschuiving behoort waarschijnlijk de grotere bevolkingsdichtheid in Angola en de gemakkelijke toegang tot het binnenland over de Rio Cuanza, de snelle groei in de vraag naar slaven en mogelijk ook het feit dat Kongo, anders dan Ndongo, machtig genoeg is om de slavenhandelaren zijn handelsvoorwaarden op te leggen. De omvang van de uitvoer van slaven via de Kongolese haven Mpinda wordt voor 1536 geschat op 4.000 à 5.000 slaven per jaar. De slavenhandelaren die in 1548 klagen over een tekort aan schepen, laten weten dat ieder schip 400 slaven vervoert, maar zij geven niet aan hoeveel volgeladen schepen jaarlijks uit Mpinda vertrekken. Uit dezelfde rapportage kan worden afgeleid dat de handel met Angola in 1548 al aanzienlijk is.

Dat er inderdaad sprake is van een nieuwe fase in de geschiedenis van Angola, blijkt daaruit dat, als de door Ngola Ndambi vrijgelaten Paulo Dias de Novais eind 1566 of begin 1567 in Portugal terugkeert, hij een actief aandeel heeft in de formulering van een geheel nieuwe Portugese politiek jegens Afrika. Deze politiek houdt de militaire verovering in van koninklijke koloniën. De twee gebieden die daarvoor in aanmerking komen zijn Moçambique en Angola.

Tot zover David Birmingham over de expeditie van Paulo Dias de Novais, over welke expeditie ook António da Silva Rego s.j. heeft geschreven. Silva Rego deelt bovendien mee dat Paulo Dias de Novais de koninkrijken Kongo en Angola (Ndongo) heeft bereisd en dat hij plannen heeft gemaakt om de kust ten zuiden van de Rio Dande, de grensrivier tussen Kongo en Ndonga, te koloniseren. Hij treft daar heersers aan die niet in de schaduw kunnen staan van Mani-Kongo Afonso I van Kongo. Hij maakt zorgvuldig studie van de streken ten zuiden van de Rio Dande. Het lijkt waarschijnlijk dat Paulo Dias de Novais de kust ten zuiden van de Rio Dande verkend heeft voordat hij de Rio Cuanza opvaart, om contact te maken met de Ngola. Dit zou verklaren waarom hij daar pas bijna een jaar na zijn vertrek uit Lissabon (22 mei 1559) aankomt en verklaart tevens waarom hij, ondanks zijn vijfjarige gevangenschap, toch veel kennis heeft opgedaan van de Angolese kust.

i António da Silva Rego s.j. vermeldt in zijn boek Portuguese Colonization in the Sitheenth Century dat de expeditie van Pauolo Dias de Novais al op 22 mei 1559 naar Angola is uitgezeild

ii Volgens David Birmingham vestigt Paulo Dias de Novais zich eerst in 1576 op het vasteland en wel – zoals nog zal worden verhaald – op uitnodiging van Kasanje

1.1 De ontwikkelingen in Kongo

Categorieën
Portugees kolonialisme

Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee. DEEL 14

Geschreven door Arnold van Wickeren

Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee. DEEL 14

Angola en Kongo (1565-1641), De Swahilikust (1557-1599)

Verantwoording

Hoofdstuk 1. Angola en Kongo:

1.0. De expeditie van Paulo Dias de Novais naar Ndongo

1.1. De ontwikkelingen in Kongo

1.2. De avonturen van Andrew Battell

1.3. De eerste Portugese aanval op Ndongo (1565-1603)

1.4. De invasie van de Imbangala in Angola

1.5. Het verval van Ndongo en de opkomst van Matamba en Kasanje (1603-1641); Luanda bedreigd door de Hollanders

Hoofdstuk 2. De Swahilikust:

2.0. De capitania van Sofala en Moçambique (1557-1569)

2.1. De Barreto-Homem expeditie (1569-1575)

2.2. De kust van Moçambique en de Cuama (1575-1599)

2.3. De Mombaçakust (1575-1599)

Verantwoording

Bij het schrijven van mijn door Hogeschool Alkmaar in 1994 uitgebrachte boek ‘Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee (ISBN 90-802098-1-3)’ moesten veel zaken onbesproken blijven, om het eendelige werk niet veel te omvangrijk te maken. Onvrede over deze beperking en het beschikken over veel meer vrije tijd dan toen ik nog werkte, zijn de redenen mijn eerste boek uit te werken in afzonderlijke delen. Dat deze uitwerking geschiedt mede aan de hand van veel niet eerder geraadpleegde literatuur spreekt voor zich. In september 1996 is deel I verschenen en in augustusl 2005 was deel XIII gereed. Uit hoeveel delen van circa 250 pagina’s het totale werk zal bestaan laat zich thans nog niet schatten; ik hoop dat het mij gegeven zal zijn nog vele delen te schrijven. Deze verschijnen in een beperkte oplage en zijn bestemd voor universiteits- en andere openbare bibliotheken in Nederland en Vlaanderen, ‘abonnees’ en belangstellenden uit eigen kring. Met het uitbrengen daarvan staat mij geen commercieel doel voor ogen. Daarom is de uitvoering zo goedkoop mogelijk gehouden. In oktober van dat jaar leek een publieksuitgave van de tot dan toe uitgebrachte en de nog te schrijven delen onverwachts binnen handbereik. Nadat ik ervaren had dat een commerciële uitgave van mijn werk onaanvaardbare concessies van mij zouden vergen, heb ik daarvan afgezien en ben op de oude voet voortgegaan.

Wat mij in de geschiedenis van Portugal van jongs af aan vooral fascineert zijn ’s lands maritieme expansie en de voortrekkersrol die het heeft gespeeld in de ontdekking van de wereld. Mijn boek gaat daarom voornamelijk over de verrichtingen van de Portugezen overzee in drie continenten. Het gaat dan om zaken als: de wereldwijde maritieme expansie in de vijftiende en in de eerste helft van de zestiende eeuw; de eerste tekenen van verval van de Portugese positie in Azië in de tweede helft van de zestiende eeuw en de vrijwel volledige teloorgang daarvan, mede door toedoen van de VOC, in de zeventiende eeuw; de strijd tegen de WIC om Brazilië en de Portugese gebieden in West-Afrika in de zeventiende eeuw; de bloei en het verlies van Brazilië in de achttiende, respectievelijk de negentiende eeuw; de uitbouw van het koloniale rijk in Afrika naar de binnenlanden aan het einde van de negentiende en in de eerste helft van de twintigste eeuw en het einde van de imperiale droom ruim een kwart eeuw geleden. Deze en soortgelijke zaken komen uitvoerig in dit werk aan de orde, terwijl de bespreking van de ontwikkelingen in Portugal zelf de noodzakelijke achtergrondinformatie geeft, waaruit het optreden overzee kan worden begrepen.

Bij het schrijven van elkaar opvolgende delen, is het soms gewenst zaken in te leiden met al dan niet samengevatte teksten uit voorgaande delen, waardoor enige overlap onstaat. Er is temeer sprake van overlap als, zoals in mijn geval, het aantal deeltjes groot is, omdat de beschouwde periode soms maar enige decennia omvat. Daarom heb ik besloten te beginnen met deeltje XIII de te behandelen periode aanzienlijk te vergroten. Deel XIII en een aantal volgende delen omvatten dan ook de regeringsperioden van koningen Sebastião (1557-1578), kardinaal Henrique (1578-1580) en de Spaanse Habsburgers (1580-1640).

De opzet van het werk tot en met het voorliggende deel is als volgt. In deel I is de Portugese geschiedenis behandeld vanaf de prehistorie tot en met de verovering van Ceuta in 1415. Voorts komen aan de orde: de strijd met Castilië over het bezit van de Canarische eilanden en de kolonisatie van de Madeira-archipel en de Azoren in de eerste helft van de 15e eeuw. In Deel II worden de regeringsperioden van Afonso V (1438-1481) en João II (1481-1495) behandeld. Ook de maritieme expansie aan de kusten van Afrika tot en met de reis van Bartolomeu Dias in 1488 en de betrekkingen van João II met Kongo worden besproken. Het tijdvak van Manuel I (1495-1521), waarin de maritieme expansie een wereldwijd karakter krijgt, vergt meer dan een deel. In deel III zijn besproken de binnenlandse ontwikkelingen en de expansie in Marokko, terwijl de eerste reis van Vasco da Gama naar Indië (1497-1499) en de reis van Pedro Álvares Cabral naar Brazilië en Indië (1500-1501) uitvoerig aandacht krijgen. Deel IV is geheel gewijd aan de expansie in het gebied van de Indische Oceaan in de periode 1501-1509; het eindigt met het aftreden van de eerste onderkoning van de Estado da India, Dom Francisco de Almeida en de ambtsaanvaarding van zijn opvolger Afonso de Albuquerque (1509-1515). Deel V houdt zich bezig met de daden van ‘o grande Afonso Dalboquerque’; onder meer worden besproken: de verovering van Goa en Malacca, het vestigen van de Portugese heerschappij over Ormoez, de vrede met Calicut, de vergeefse aanval op Aden en het bijna volledig verwerven van het monopolie op de handel in specerijen. De bespreking van het tijdvak van Dom Manuel I wordt in deel VI besloten met een behandeling van de maritieme expansie in Afrika en in de Nieuwe Wereld, met de boeiende verwikkelingen in het Império Português do Oriente en het uitzwermen van de Portugezen over Oost-Azië in de jaren 1515-1521. Tenslotte wordt in deel VI het verblijf van het Portugese gezantschap in Abessinië in de jaren 1520-1526 behandeld. Deel VII heeft een bijzonder karakter; het bevat aangevulde capita selecta uit vorige delen en een uitvoerige beschrijving van de reis van Fernão de Magalhães. In de delen VIII-XII worden de ontwikkelingen tijdens de lange regeringsperiode van Dom João III (1521-1557) behandeld: deel VIII gaat over het begin van de kolonisatie van Brazilië, de gedeeltelijke terugtrekking uit Marokko en de tanende goudhandel aan de Minakust. Twee bijlagen bevatten de geschiedenis van het moslimkoninkrijk Granada en de bijdragen van Portugezen in Spaanse dienst aan de ontdekking van Noord-Amerika. Deel IX is gewijd aan de Portugese Atlantische eilanden en aan de Luso-Afrikaanse betrekkingen. Besproken: worden de Madeira-archipel, de Azoren, de Kaapverdische eilanden en Opper-Guinée, de contacten van São Jorge da Mina en van de eilanden São Tomé en Príncipe met de ‘Slavenrivieren’ en met het koninkrijk Benin vanaf het begin tot 1557; andere onderwerpen zijn: de commerciële relaties met de koninkrijken Kongo en Ndongo, de Portugese betrekkingen met de Swahilikust en de Carreira da India. Deel X is gewijd aan de ontwikkelingen in Azië, onder de gouverneurs: Dom Duarte de Meneses, Dom Vasco da Gama, Dom Henrique de Meneses, Lopo Vaz de Sampayo en Nuno da Cunha. Deel X gaat dus om de periode 1522-1538 van de Estado da India en de lotgevallen van de Portugezen in het Verre Oosten. In deel XI zijn de volgende twintig jaar van de Estado da India beschreven, waarin de gouverneurs Dom García de Noronha, Dom Estêvão da Gama, Martim Afonso de Sousa, Dom João de Castro, García de Sá, Jorge Cabral, Dom Afonso de Noronha, Dom Pero (de) Mascarenhas en Francisco Barreto leiding aan de Estado da India hebben gegeven. Voorts zijn behandeld de Visserij- en de Coromandelkust en de Carreira da India. Bijlagen zijn gewijd aan de Portugese militaire interventie in Abessinië, onder leiding van Dom Cristóvão da Gama (1541-1542) en aan de waarschijnlijke ontdekking van Australië in 1522 of 1525. In deel XII zijn besproken de gebeurtenissen in en rond Portugees Malacca en de bemoeienissen van Portugezen met Ceylon, Birma en Siam, China, Japan en de Molukken in dezelfde periode, waar nodig voorafgegaan door een inleiding. In deel XIII komen aan de orde de regeringsperioden van de koningen Sebastião (1557-1578), Henrique (1578-1580) en de Spaanse Habsburgers (1580-1640), alsmede Portugals betrekkingen met Noordwest-Afrika in dezelfde periode.

Bij het schrijven van dit werk sta ik als een dwerg op de schouders van reuzen. Dezen hebben de oorspronkelijke bronnen ontcijferd en daaruit de soms tegenstrijdige gegevens geschift, geordend, geduid en van annotaties voorzien. Ik heb mij slechts tot taak gesteld uit de veelheid van boeken de meest bruikbare te kiezen. Naarmate ik al doende meer inzicht verwerf in de zeer uitgebreide bibliografie van de Portugese aanwezigheid overzee, wordt het kiezen uit de immer aanzwellende stroom studies, moeilijker. Aan de ene kant is de verleiding groot zoveel mogelijk gebruik te maken van literatuur waarin aandacht wordt geschonken aan de heldendaden, lotgevallen en euveldaden van individuele personen, omdat dit kleur geeft aan de historie. Maar aan de andere kant leidt te grote aandacht voor details ertoe dat ik het werk waaraan ik vele jaren geleden ben begonnen, niet zal kunnen voltooien. Ik moet dus schipperen en gedetailleerde beschrijvingen moeten afwisselen met stukken die een globaal overzicht verschaffen. Bij de keuze van te raadplegen literatuur staat Dr. B. N. Teensma mij met raad en daad terzijde; ook heeft hij mij een aantal boeken van zijn hand geschonken en mij gestimuleerd op de ingeslagen weg voort te gaan. Tenslotte heeft hij een lovend voorwoord bij dit deel verzorgd. Voor dit alles zeg ik hem oprecht dank. Mijn erkenning gaat ook uit naar Prof. Dr. Leonard Blussé voor zijn bemoedigende reacties op de eerder verschenen delen en voor enige werken die ik van hem heb mogen ontvangen. Van Dr. Ir. Ernst van Veen en Dr. Arend de Roever ontving hun dissertatie. Beiden zeg ik oprecht dank voor de waardevolle aanwinsten van mijn boekenlijst. Voorts gaat mijn dank uit naar Arie Pos, die van meet af aan belangstelling voor mijn werk heeft getoond en die bereid is gebleken het voorwoord van deel XIV te verzorgen. Tenslotte vermeld ik zeer gaarne de website Dutch-Portuguese colonial history: https://www.colonialvoyage.com van Marco Ramerini. Deze site met zijn vele links vormt voor mij een bron van inspiratie en een uitstekende checklist voor zowel data als relevante literatuur. Marco Ramerini heeft mij ook voorzien van literatuuradviezen; heeft mij geattendeerd op relevante websites, zaken voor mij opgezocht en literatuur met mij uitgewisseld. Voor zijn vele blijken van vriendschap ben ik hem zeer dankbaar. Naast de website van Ramerini heb ik ook verschillende andere websites met bruikbare gegevens gevonden.

Hierna volgt een opsomming van de bij het schrijven van dit deel vooral geraadpleegde literatuur; daarbij zijn de werken waaraan ik het meest heb gehad, vet vermeld. In het laatste deel van dit werk zal een volledige literatuurlijst worden opgenomen.

Voor deel XIV in zijn geheel zijn de volgende algemene handboeken geraadpleegd:

  • Leonard Blussé & Jaap de Moor: Nederlanders Overzee; de eerste vijftig jaar 1600-1650, Franeker, 1983;

  • Charles R. Boxer: The Portuguese Seaborne Empire 1415-1825, London, 1969;

  • Charles R. Boxer: The Dutch Seaborne Empire 1600-1800, Londen, 1965;

  • H.V. Livermore: A New History of Portugal, Cambridge U.K., 1966;
  • A.H. de Oliveira Marques: History of Portugal, Volume I & II, New York, 1976;

  • José Hermano Saraiva: História concisa de Portugal; Lisboa, 1979;

  • Arnold van Wickeren: voorgaande delen van dit werk.

Naast deze boeken is voor het schrijven van elk hoofdstuk gebruikgemaakt van een aantal specifieke werken. Voor de twee hoofdstukken zijn dat:

Hoofdstuk 1: Angola en Kongo:

  • Dauril Alden: The Making of an Enterprise; The Society of Jezus in Portugal, Its Empire, and Beyond, 1540-1750, Stanford University Press, Stanford, California, 1996;

  • David Birmingham: The Portuguese Conquest of Angola, Oxford University Press, London, 1965;

  • David Birmingham: Trade and Conflict in Angola: The Mbundu and their neighbours under the influence of the Portuguese 1483-1790, Oxford University Press, London, 1966

  • James Duffy: Portugal in Africa, Cambridge, Massachusetts, 1962

  • J. D. Fage: A History of Africa, London, 1978;

  • J. D. Fage: An Atlas of African History, Second Edition, London, 1978;

  • W.R. Menkman: De Geschiedenis van de West-Indische Compagnie, Amsterdam, 1947;

  • Roland Oliver: The Middle Age of African History, London, 1967;

  • Roland Oliver & J. D. Fage: A short history of Africa, sixth edition, London, 1988;

  • Klaas Ratelband: Nederlanders in West-Afrika 1600-1650, Angola, Kongo en São Tomé, Walburg Pers, Zutphen 2000;

  • Allan Scholefield: The Dark Kingdoms, Heineman, London, 1975;

  • António da Silva Rego s.j.: Portuguese Colonization in the Sixteenth Century: A Study of the Royal Ordinances (Regimentos), Witwatersrand University Press, Johannesburg, 1959;

Hoofdstuk 2: De Swahilikust

  • Dauril Alden: The Making of an Enterprise; The Society of Jezus in Portugal, Its Empire, and Beyond, 1540-1750, Stanford University Press, Stanford, California, 1996;

  • Eric Axelson: Portuguese in South-East Africa 1488-1600, Published on behalf of the Ernest Oppenheimer Institute of Portuguese Studies of the University of the Witwatersrand, Johannesburg, 1973;

  • Eric Axelson: Portuguese in South-East Africa 1600-1700, Witwatersrand University Press, Johannesburg, 1960;

  • F.J. Berg: The Coast from the Portuguese Invasion to the Rise of the Zanzibar Sultanate, hoofdstuk 6 van Zamani: A survey of East African History, East African Publishing House, Nairobi, 1968;
  • C.R. Boxer and Carlos de Azevedo: Fort Jesus and the Portuguese in Mombasa 1593-1729, Hollis & Carter, London, 1962;
  • Danvers, Frederick Charles: The Portuguese in India, Volume I & II, W.H. Allen & Co. Ltd., London, 1894;

  • James Duffy: Portugal in Africa, Cambridge, Massachusetts, 1962

  • J.D. Fage: A History of Africa, Hutchinson of London, 1978;

  • J.D. Fage: An Atlas of African History, Second Edition, Edward Arnold (Publishers) Ldt., London, 1978;

  • Roland Oliver and J. D. Fage: A short history of Africa, sixth edition, Penguin Books, London, 1988;

  • Roland Oliver: The Middle Age of African History, Oxford University Press, London, 1967;

  • Rétif en anderen: Histoire Universelle des Missions Catholiques, Les Missions des Origines au XVIe Siècle, Editions de l’Acanthe, Monaco, 1956;

  • A.J. Wills: An Introduction to the History of Central Africa, third edition, Oxford University Press, 1980;

Ook is veelvoudig en intensief gebruik gemaakt van de Encyclopædia Britannica, Multimedia Edition 1999 en van de aanvullingen daarop op het internet. Bij tijd en wijle zijn geraadpleegd Le Petit Robert des Noms Propres, 2003, de Catholica (A.M. Heidt), ’s-Gravenhage, 1966, Richard Gray: The Cambridge History of Africa, Vol. 4 from c. 1600 – c. 1790, Cambridge, 1975; Roland Oliver: The Cambridge History of Africa, Volume 3 from c. 1050c 1600., Cambridge, 1981 en andere naslagwerken.

Velen hebben mij gestimuleerd voort te gaan met het bestuderen van en het schrijven over het gekozen studiegebied; anderen hebben mij daadwerkelijk geholpen. Tot degenen op wie ik een beroep kon doen om technische problemen met de P.C. te overwinnen behoren mijn zoon Stefan en mijn inmiddels oud-buurman Piet Vermaas RA. Hun zeg ik daarvoor dank. Tenslotte spreek ik in het bijzonder mijn dank uit aan mijn vrouw, die – na mijn pensionering – mij weinig met huishoudelijke taken belast, maar mij alle gelegenheid geeft dit boek te schrijven.

De schrijver

Hoofdstuk 1 Angola en Kongo 1.0. De expeditie van Paulo Dias de Novais naar Ndongo

Categorieën
Portugees kolonialisme

De eilanden São Tomé, Princípe en Ano Bom. De Atlantische eilanden en West-Afrika

Deel 13 Index

Hoofdstuk 3.

De Atlantische eilanden en West-Afrika:

3.7. De eilanden São Tomé, Princípe en Ano Bom

Geschreven door Arnold van Wickeren

Het in de Golf van Guinée gelegen eiland São Tomé is het politieke en economische centrum van de Portugese heerschappij aan de kusten van West-Afrika ten noorden van Angola, ondanks de vroegere welvaart van en wedijver met São Jorge da Mina. In de Golf van Guinée beschikken de Portugezen in de zestiende en in het begin van de zeventiende eeuw over twaalf tot vijftien havens vanwaaruit zij handeldrijven. In veel van deze havens hebben zij een klein fort gebouwd om hun handel te beschermen. Het gehele gebied onder Portugese controle van Cabo Palmas (in het huidige Liberia) tot aan Rio Volta (nu Ghana) vormt de capitania da Mina, met het hoofdkwartier in São Jorge da Mina (Elmina). De kustlijn vanaf de Rio Volta tot aan de Kongo, met inbegrip van de Portugese eilanden in de Golf van Guinée, vormen de capitania São Tomé, met de bestuurszetel op het eiland en in de stad São Tomé. Hetzelfde gebied vormt het bisdom São Tomé. Beide capitanias zijn kroonkolonies, ofschoon Principe en Ano Bom bestuurd worden door erfelijke capitães, die onderworpen zijn aan het gezag van de gouverneur van São Tomé. De stad beschikt over een gemeentelijke organisatie die gelijk is aan die van Lissabon, met een stadsraad en een Senado da Camâra die zich beweegt in de richting van vergroting van de autonomie. Op São Tomé en Principe is het proces van vermenging van rassen het verst voortgeschreden. Daardoor bestaat vrijwel de gehele bevolking uit Portugese mulatten, met haar eigen indeling in sociale klassen. Deze gemengde bevolking is gekant tegen de komst van blanke nieuwkomers van het vasteland. De overgrote meerderheid van de geestelijkheid bestaat ook uit mulatten en onder hen bevinden zich ook negers. De negerbevolking neemt voortdurend toe, dankzij de import van zwarte slaven van het Afrikaanse vasteland. Deze slaven komen nogal eens in opstand tegen hun meesters, ongeacht hun kleur: gewelddadige revoltes vinden plaats in de jaren 1580, 1595 en 1617 en in de tussentijd is er sprake van voortdurende tegenstand en een soort guerrillaoorlog, die de plantages bedreigen. Op het hoogtepunt van de rebellies zijn de opstandelingen heer en meester over het gehele eiland, met uitzondering van de hoofdstad en de directe omgeving daarvan. De welvaart van de Portugezen aan de kusten van West-Afrika berust vooral op de handel in paradijskorrels van de Graankust, van rode peper uit Benin en nog meer op de goudhandel aan de Minakust. De welvaart van São Tomé hangt voornamelijk af van de export van suiker. De export van suiker is een zaak van lange duur, in tegenstelling de handel in goud, waarvan het belang hoe langer hoe meer is afgenomen en die in het begin van de zeventiende eeuw bijkans geheel verloren is gegaan. Ook aan de legale handel in peper en in slaven met het koninkrijk Benin is in de jaren dertig van de zestiende eeuw vrijwel een einde gekomen en het belang van de handel in malagueta-peper, die niet kan concurreren met peper uit Indië, is er ook niet op vooruitgegaan. De handelsposten van Portugezen en Kaapverdianen aan de kusten van Afrika leiden een zieltogend bestaan en in Portugal hecht men weinig belang aan hun activiteiten die van secundair belang zijn, laat Magalhães Godinho ons weten.

In de jaren zeventig van de zestiende eeuw heeft São Tomé zich ontwikkeld tot een grote producent en exporteur van zeer goedkope suiker. De jaarlijkse export naar Europa bedraagt 200.000 arrobas. Er zijn meer dan twintig suikermolens en de invoer van slaven stijgt. De suikerhandel wordt door de Kroon verpacht aan contratores, die daarvoor ieder jaar 36.000 cruzados betalen.

In 1591 doet zich een gebeurtenis voor die grote gevolgen zal hebben voor de Portugese positie in de Golf van Guinée. In dat jaar wordt het schip waarmee Barent Erickszoon uit Enkhuizen op weg is naar Brazilië door de sterke zeestroming langs de kust van Guinée verzet naar naar het eilandje Principe in de Bocht van Biafra. De bemanning van het Hollandse schip wordt overvallen door Portugezen afkomstig van São Tomé en Barent Erickszoon en zijn mannen worden gevankelijk weggevoerd naar dat eiland. Tijdens zijn arrest verneemt Erickszoon allerlei bijzonderheden over de goudverschepingen uit São Jorge da Mina naar Lissabon. Terug in Holland slaagt Erickszoon erin een aantal vermogende kooplieden te bewegen een schip uit te rusten voor een reis naar de Goudkust. Hij zeilt in juni 1593 met dit schip uit en keert negen maanden later terug met een partij peper, ivoor en wat goud. Vanzelfsprekend wordt het voorbeeld van Barent Erickszoon door anderen gevolgd en Hollandse kapiteins, die ervaren hoe zwak de Portugese verdediging is en hoeveel winst er in Afrika te behalen is, vertonen zich vanaf 1594 aan de kusten van dit continent vanaf Cabo Verde tot nabij het land van de Mani-Kongo. Klaas Ratelband schrijft, daarbij een anonieme Portugese bron citerend: `Spoedig verdrongen de Hollanders de Portugezen uit gebieden aan de Guiné-kust, die honderd jaar onbetwist hun monopolieterrein waren geweest en waar Engelsen, noch Fransen hadden kunnen doordringen. Zij gedroegen zich “alsof zij al deze landen hadden ontdekt en veroverd”, gelijk Portugezen in hun machteloosheid verbitterd opmerkten’.

Er is in het kader van de bespreking van de goudhandel aan de Minakust uitgebreid aandacht besteed aan het optreden van de Hollanders aan deze kust. Hier volgt een bespreking van de pogingen van de Hollanders vaste voet te verwerven op eilanden Principe en São Tomé. Tot de eersten in de Lage Landen die zich heeft laten inspireren door Erickszoon behoort Balthazar de Moucheron, het vierde kind uit het grote gezin van de uit Normandië afkomstige Pierre de Moucheron die zich via Doornik in Antwerpen heeft gevestigd en die na de val van de stad in 1585 naar Middelburg en vervolgens naar Veere is uitgeweken. Hij en zijn handelspartners Pierre Lemoyne, Cornelis Meunicx en Andre de la Faille zijn de eersten die schepen uitrusten voor de vaart op West-Afrika. De Moucherons willen koste wat het kost in Afrika een basis waar Hollandse schepen verse levensmiddelen kunnen innemen, verwerven. In 1598 laat hij vijf van zijn schepen bij verrassing het kleine eiland Principe veroveren. Er wordt een begin gemaakt met de bouw van een fort. Als na een paar weken de regentijd aanbreekt, worden de indringers hoe langer hoe meer door koortsen geteisterd. Een overval van Portugezen van São Tomé noopt de Hollanders het eiland al na een bezetting van drie maanden op te geven.

Nog geven De Moucherons hun plan niet op. Zij weten de Staten-Generaal te overtuigen van het nut zich meester te maken van São Tomé. Een deel van de vloot die wordt uitgerust voor een expeditie naar Spanje en de Canarische eilanden, zal zich verenigen met schepen van De Moucherons voor een aanval op het eiland. Midden oktober 1599 liggen niet minder dan 36 schepen, onder bevel van admiraal Jhr. Pieter van der Does, die onderweg de Canarische eilanden Las Palmas en Gomera onbarmhartig heeft geplunderd, in de Anna Chavesbaai van São Tomé. De machtsontplooiing die in geen verhouding staat tot het doel, is volgens Ratelband – aan wiens boek de bijzonderheden van de onderneming zijn ontleend – te wijten aan de onbegrensde eerzucht van De Moucherons. De stad zelf, de kleine sterkte Santiago en het Forte de São Sebastião worden vrijwel zonder verzet veroverd, omdat het kruit van de Portugezen tijdens de regentijd onbruikbaar is door het vocht. Maar dezelfde omstandigheden die Portugezen ertoe hadden genoopt zich over te geven, worden de aanvallers noodlottig. Opnieuw zijn zij in het regenseizoen aangekomen. De regen plenst onophoudelijk neer en de hitte verlamt iedere ontplooiing van energie en doet alle levensmiddelen en voorraden bederven. Door het meedogenloze klimaat breken tropische ziekten uit onder de Hollanders. Admiraal Van der Does sterft al na enkele dagen. Velen van zijn officieren en 1.200 manschappen ondergaan hetzelfde lot. De Portugezen die naar het binnenland zijn gevlucht, wachten de voor hen gunstige ontwikkelingen rustig af. Na twee weken schepen de Hollanders die nog niet aan tropische ziekten ten prooi zijn gevallen zich in en vluchten weg uit het oord des verderf. Kort nadat Portugal zijn onafhankelijkheid heeft herkregen, zullen de Hollanders – zoals we in een volgend deel zullen zien – opnieuw een poging wagen zich van São Tomé meester te makeni.

In 1602 is de productie van suiker gestegen tot 40.000 arrobas. Jaarlijks zeilen meer dan twintig met suiker geladen schepen van São Tomé naar Lissabon.In enkele jaren verandert deze situatie drastisch. Een ziekte in het suikerriet, de opstand van slavenii, aanvallen van Franse en Hollandse piraten en de concurrentie van de veel beter gedroogde Braziliaanse suiker verwoesten de economie van São Tomé. De pachtsom van 36.000 cruzados wordt in 1610 verminderd tot 12.000 cruzados. Het aantal suikermolens daalt tot vier of vijf. Van een welvarende plantagekolonie verandert São Tomé in een louter slavenentrepot, waar gemakkelijker slaven kunnen worden betrokken dan in Angola.

i In 1600 of 1601 laat Balthazar de Moucherons het kleine eilandje Coriscos bij Cabo Lopez Gonçlves veroveren. De bewoners plunderen de vestiging en verdrijven de blanken.

ii De leider van de naar het binnenland gevluchte slaven, Amador, wordt nog steeds als een nationale held op São Tomé vereerd.

Deel 14: Angola en Kongo (1565-1641), De Swahilikust (1557-1599)

Categorieën
Portugees kolonialisme

Het verlies van de Minakust aan de Hollanders (1615-1637). De Atlantische eilanden en West-Afrika

Deel 13 Index

Hoofdstuk 3.

De Atlantische eilanden en West-Afrika:

3.6. Het verlies van de Minakust aan de Hollanders (1615-1637)

Geschreven door Arnold van Wickeren

Als de nieuwe gouverneur Manuel da Cunha e Teive in 1617 op zijn post aankomt, is er sedert de vrijmaking van de handel in 1615 nog niet veel ten goede veranderd. Zijn correspondentie met Lissabon gaat dan ook over bekende thema’s: tekort aan mensen, munitie en voorraden, het lage moreel en het verlies van de handel aan de Hollanders. Dit alles neemt niet weg dat de Portugezen zich, ondanks alle tegenvallers in de laatste decennia, hebben kunnen handhaven in twee van de meest formidabele bastions aan de gehele kust. Bij iedere aanval op São Jorge da Mina, zijn de Hollanders door het garnizoen en zijn Afrikaanse hulptroepen teruggeslagen. Als er genoeg versterkingen uit Portugal arriveren, kunnen de Portugezen zelfs met succes aanvallen ondernemen op de Hollandse sterkte Fort Nassau in Moure.Er is zelfs een kleine kans dat Portugal de goudhandel aan de Minakust herovert. Er zijn echter maar weinig Portugezen die grote verwachtingen koesteren dat de handel aan de Minakust ooit weer zou gaan floreren. De bijzonder krachtige wijze waarop gouverneur Cunha de Portugese belangen aan de Minakust slechts enkele jaren na 1615 weet te bevorderen, doet de hoop herleven dat de goudhandel toch nog kan worden teruggewonnen. Deze aspiraties gaan achter in de jaren twintig weer verloren, als nieuwe elementen in de Luso-Hollandse strijd het wankele machtsevenwicht aan de kust vernietigen. Na 1630 verdwijnt de Afrikaanse steun aan de Portugese zaak als sneeuw voor de zon; de oprichting door de Hollanders van de West-Indische Compagnie in 1621 moedigt nieuwe handel met Amerika en Afrika aan; aanvallen op het Portugese imperium in Brazilië en Oost-Azië doet de steun voor de wankele Portugese positie aan de Minakust afnemen. Tenslotte is sprake van een verdere verslechtering van de militaire kracht van São Jorge en van het garnizoen door gebrek aan bevoorrading.

Vroeg in de zomer van 1617 komt Manuel da Cunha in São Jorge aan met het grootste eskader dat een nieuwe gouverneur sedert 1608 naar deze post heeft begeleid, twee karvelen en een groot bevoorradingsschip. Cunha brengt voor São Jorge en Axim broodnodige voorraden mee: graan, kruit, musketten, ijzer, lood en een mengeling van andere essentiële zaken. Even belangrijk is de komst van nieuw personeel, dat bestaat uit 35 soldaten, twee metselaars, nieuwe factors voor zowel São Jorge als Axim en tien stafleden van de gouverneur persoonlijk. De metselaars zijn speciaal nodig voor het repareren van de schade veroorzaakt door de aardbeving van 1615. Beide nieuwe factors zijn mannen van ervaring. Beiden hebben voorheen al dienst gedaan aan de Minakust en zij zijn ervaren soldaten. Francisco Soares, de nieuwe factor in São Jorge, heeft het bevel gehad over de grootste van beide galeien, onder de gouverneurs Duarte de Lima en João de Castro en hij heeft diverse Hollandse schepen genomen. De nieuwe factor van Axim, Manuel de Lemos, heeft meer dan veertien jaar aan de Minakust gediend, van 1597 tot 1611. Lemos heeft zich in het bijzonder onderscheiden voor moedig gedrag bij aanvallen op Hollandse schepen en bij de Portugese verrassingsaanval op Moure in 1610. Boven op de reguliere vervangingen voor het fort, heeft Manuel da Cunha een favoriete negerin uit Portugal meegebracht. Hij heeft speciale toestemming van de Kroon gekregen haar mee te nemen om hem bij de uitoefening van zijn nieuwe functie gezelschap te houden. Cunha heeft ook een comenda (toeslag) van 200.000 réais op zijn salaris van 800.000 réais gevraagd en verkregen, omdat São Jorge bekend staat als een post waar ontberingen geleden worden.

Onder de nieuwe regelingen voor de handel van 1615, bezit de capitão-geral de autoriteit een verblijfsvergunning af te geven aan iedereen die in het fort wil verblijven, om daar handel te drijven. Maar weinigen maken gebruik van dit nieuwe privilege. De versterkingen zijn dringend nodig, omdat een uitbraak van malaria veel stafleden van Cunha’s voorganger heeft gedood. De aanval van malaria blijft aanhouden, nadat Manuel da Cunha op zijn post is gearriveerd. Binnen twee maanden zijn dertig nieuw aangekomen soldaten overleden. Van de twee galeien die in 1617 ongebruikt in de haven liggen, kan er een op patrouilletocht gaan; voor de ander zijn geen manschappen beschikbaar. De situatie in São Jorge tussen Cunha’s gouverneurschap kan het best worden samengevat aan de hand van twee daar geschreven rapporten. Het ene rapport is van de hand van Gaspar da Rosa, de Portugese kapitein die in 1617 naar de Minakust is gezeild. Het andere is van een analytisch rapport van gouverneur Cunha zelf. Hij heeft het geschreven in 1623, tegen het einde van zijn ambtstermijn.

Gaspar da Rosa, een cavaleiro fidalgo van Filipe II van Portugal, is zijn carrière begonnen in de armada, die in 1576 naar Indië is uitgezeild. Hij heeft negen jaren in Indië gediend en heeft later lage functies in São Jorge en Axim uitgeoefend. In 1617 is Rosa het bevel over het tweede schip in het eskader dat Cunha naar de Minakust moet brengen, opgedragen. Wanneer het eskader naar Portugal terugkeert, schrijft Rosa een lang rapport over de condities die hij in São Jorge heeft waargenomen en hij doet aanbevelingen om de situatie te hervormen. Rosa stelt dat er nog steeds een grote hoeveelheid goud vanuit de goudvelden in het binnenland naar de kust komt. De hoeveelheid lijkt zelf de aanvoer in voorgaande decennia te overtreffen. Het probleem is echter dat het meeste goud in handen valt van de Hollanders. De Portugese gouverneur zendt niet alleen enige blanke soldaten, vergezeld door en compagnie Elmina-krijgers uit om de scheepvaart van tegen te gaan, van handelaren die de wet overtreden, waar dit mogelijk is, maar Gaspar da Rosa stelt verder voor dat alle verandering in de organisatie van São Jorge dienen te zijn gericht op drie doelstellingen. Ten eerste dient de capitão-geral te worden uitgerust met de macht alle kooplieden binnen het garnizoen die de wet overtreden door de afdracht van belasting aan de Kroon te ontduiken, te straffen. Ten tweede dienen de prijzen die in São Jorge worden gevraagd voor goederen die daar en in Axim worden aangeboden, drastisch te worden verlaagd, om de concurrentie te kunnen aangaan met Hollandse kooplieden die dezelfde goederen aanbieden. Zo mogelijk dienen de Portugese prijzen nog verder te worden verlaagd, om een concurrentievoordeel te behalen. Zelfs als zulke prijsverlagingen een tijdelijk verlies met zich zou brengen, dan zal deze politiek de Afrikanen ertoe brengen de Hollandse factorij te mijden. Als dit eenmaal het geval zal zijn, dan kan de oude prijsstructuur geleidelijk aan en ongemerkt opnieuw worden ingevoerd. Tenslotte beveelt Gaspar da Rosa aan dat de koning een zwaar bewapend eskader van ten minste zes schepen naar de Minakust zendt om de Hollandse schepen te verdrijven. Een deel van de jaarlijkse vloot naar Indië, zou enige maanden aan de Minakust kunnen worden gedetacheerd, om zich daarna aan te sluiten bij de rest van de vloot die in Lissabon gereed ligt voor vertrek naar Indië. Het voorgestelde kustbewakingseskader zou bovendien kunnen worden uitgebreid met extra galeien. Rosa’s doel schijnt niet te zijn geweest alle Hollandse schepen van de Minakust te verdrijven. Dit zou in een paar maanden van zeegevechten onmogelijk zijn Daarom is het beter de inspanningen te richten op het winnen van de Afrikanen, zodat zij zich afkeren van de Hollanders. Rosa laat weten dat er zelfs mogelijkheden zijn om de Portugese invloed uit te breiden naar andere gebieden aan de kust dan die worden beheerst door São Jorge en Axim. De capitão-geral zou daartoe een diplomatieke missie naar Accra dienen te zenden. Rosa heeft namelijk de koning van Accra ontmoet en deze heeft aangeboden de Portugezen toestemming te geven voor de bouw van een fort. Rosa keert na zijn bezoek aan Accra terug naar gouverneur Manuel da Cunha, begeesterd door het gunstige vooruitzichten op herstel van de handel in Accra, waar een aanzienlijk deel van het goud uit de Akan-staten de kust bereikt.

De aanbevelingen van kapitein Gaspar da Rosa zijn niet allemaal nieuw, sommige zijn al uitgeprobeerd en hebben niet het gewenste resultaat opgeleverd. De aanbeveling een nieuw kustbewakingseskader te zenden, gaat voorbij aan het feit dat de Portugezen niet langer in staat zijn zulk een grote operatie te ondernemen. Het eskader dat in 1614 naar de Minakust is gekomen, was de laatste gewapende patrouille die daar naartoe is gezonden. Na die tijd zijn er nog enkel bevoorradingsschepen naar São Jorge gezeild. In het jaar 1622/’23 worden er echter in Madrid actieve voorbereidingen getroffen om acht oorlogsschepen en drie bevoorradingskarvelen uit te rusten om de Hollandse druk op São Jorge te verlichten. Helaas kan Portugal zijn aandeel in het eskader van 70.000 cruzados niet bijeenbrengen. Zelfs buitengewone maatregelen, zoals verplichte leningen van kooplieden in Lissabon, hebben niet het gewenste gevolg. Sedert 1519 hebben de kooplieden in Lissabon bijna een miljoen cruzados gefourneerd, om de uitgaven van de Kroon te bestrijden. Er kunnen voor de Minakust geen leningen meer van hen verkregen worden. Als gevolg hiervan moet de voorgenomen expeditie eind 1623 worden opgegeven. In de zeven jaar dat Manuel da Cunha de functie van capitão-geral uitoefent, worden er niet meer dan acht karvelen en een groot bevoorradingsschip naar São Jorge gezonden. Hierbij zijn meegeteld de twee karvelen en het bevoorradingsschip die hem in 1617 naar zijn post hebben gebracht. Ieder Portugees vaartuig moet het gevecht met de Hollanders aangaan om São Jorge te bereiken en ten minste een karveel is in 1618 door hen buitgemaakt. Het garnizoen is voor een groot deel afhankelijk van voedsel dat de dorpelingen van Elmina verbouwen.

In 1619 komt een enkel karveel uit Portugal in São Jorge aan en het volgende jaren bereiken nog twee karvelen hun bestemming. In de jaren 1620-1622 worden geen karvelen naar de Minakust gezonden, of zij worden door de vijand genomen. Pas tegen het einde van 1622 wordt de eerste brief sedert 1619 van de gouverneur aan de Mina-kust in Lissabon ontvangen. Het bericht is vanaf São Tomé doorgestuurd naar Lissabon. Gouverneur Cunha beklaagt zich bitter over het gebrek aan steun uit Portugal gedurende de afgelopen jaren. Hij schrijft dat de openstelling van de handel voor particuliere Portugese kooplieden geen enkel bevoorradingsschip naar São Jorge heeft doen komen, nadat de post in 1620 door twee karvelen is bevoorraad.

De gouverneur is onkundig van de voorbereidingen in Portugal een grote kustbewakings- en bevoorradingsexpeditie uit te rusten. Deze voorbereidingen zijn eerst begonnen na het laatste contact met São Jorge in 1620. Maar in april 1623 is duidelijk geworden dat van de voorgenomen expeditie niets terecht zal komen. De Portugese onderkoning besluit daarentegen slechts een enkel karveel, met een beperkte hoeveelheid voorraden en munitie naar de Minakust te zenden. Het belangrijkste oogmerk hiervan is dan ook niet het bevoorraden van São Jorge da Mina, maar het verzamelen van informatie over de militaire sterkte van de Portugezen in het gebied. De kapitein van het vaartuig krijgt de opdracht van gouverneur Cunha een gedetailleerd rapport over zijn eigen positie en de kracht van de Hollanders mee te brengen. In de boodschap die de kapitein aan de gouverneur dient te geven, worden hem verschillende belangrijke vragen gesteld: hoe is de situatie in de Portugese post; hoeveel Hollandse schepen zijn er aan de Minakust en waar en met welke Afrikaanse heersers drijven zij handel; welke havens controleren de Hollanders al volledig; waar zijn zij door de zwarten goed ontvangen, vertrekken zij ook bij slecht weer van de kust en nog diverse andere vragen. Het rapport van 15 mei 1623 dat de capitão-geral aan de vice-rei zendt, is een van de meest inzichtelijke rapporten over de positie van Portugezen en Hollanders aan de Minakust in die tijd. Het rapport is afkomstig van een man die al zes jaren ervaring heeft met de problemen in het gebied. Cunha rapporteert dat São Jorge in goede fysieke conditie verkeert. De schade aan de fortificatie tengevolge van de aardbeving van 1615 en aanvallen van de Hollanders is hersteld. De gouverneur heeft onder zijn bevel zestig Portugese beambten, werklieden en soldaten. Voor zijn verdediging beschikt de vesting over de respectabele bewapening van 21 kleine bronzen falcons en vier grote ijzeren stukken artillerie. De laatste jaren zijn er enige bronzen falcons van het fort in de galeien geplaatst waarmee langs de kust gepatrouilleerd wordt. Zes kanonnen zijn vernield of verloren gegaan in confrontaties met de Hollanders, en Cunha vraagt om vervanging van deze stukken geschut. Tijdens kalme perioden in de Luso-Hollandse strijd, heeft de gouverneur het garnizoen een groot aantal patronen voor de kanonnen en kogels voor de weinige musketten waarover de post beschikt, laten maken. Scheepstimmerlieden die voorheen naar São Jorge zijn gezonden, zijn bezig met het bouwen van twee galeien. De kleine galei, die zeven roeibanken heeft, is al bijna klaar en de andere galei, met twaalf roeibanken, nadert eveneens zijn voltooiing. In de tussentijd worden kano’s gebruikt om de Hollandse scheepvaart schade te berokkenen. Slechts weinig Portugese soldaten hebben dienst binnen de muren van het fort. Cunha zendt zoveel mogelijk soldaten op voortdurende patrouilles zoveel aan land als op zee, om de zwarten te waarschuwen geen zaken te doen met Hollandse kooplieden. Als de Hollanders een onbewapend Portugees schip uit São Tomé, dat wegens gebrek aan water genoopt was de haven van Moure aan te doen, hebben buitgemaakt, neemt Cunha direct wraak. Veertien Portugese soldaten zeilen in twee lange oorlogskano’s naar een Hollands schip met bestemming Fort Nassau. Als zij het schip hebben genomen, blijkt de lading een buitenkansje voor de Portugezen te zijn. Naast handelsgoederen ter waarde van 8.000 cruzados, heeft het schip elf kanonnen voor de borstweringen van Fort Nassau aan boord. De bemanning van het schip wordt, voor zover het de aanval heeft overleefd, in São Jorge geëxecuteerd.

Cunha’s beoordeling van de Hollandse strijdmacht is zeer gedetailleerd. Hij beschrijft Fort Nassau als een vierkante omsloten ruimte met zijden van ongeveer 64 meter, met lage borstweringen. De buitenmuur van het fort is gemaakt van hout, met aangestampte aarde tussen het binnen- en het buitenomhulsel. Cunha merkt op dat Hollanders bij het aanbreken van het regenseizoen aan de kust volgend op dat van de bouw van het fort, mannen het woud in hebben gestuurd, om nog meer balken te halen, om er de muren mee te verstevigen. De borstweringen storten voortdurend in omdat er te zware kanonnen op staan. Een beschrijving uit die tijd van Fort Nassau door Samuel Brun bevestigt de accurate beschrijving in Cunha’s rapport en geeft aan hoe pijnlijk langzaam het werk aan het fort in de jaren twintig van de zeventiende eeuw zijn gevorderd. De Hollanders beschikken over dertien ijzeren stukken geschut om Fort Nassau te beschermen. Acht daarvan zijn kanonnen van groot kaliber, die kogels van zestien pond kunnen afschieten. Zij staan gekeerd naar de haven. De Portugese gouverneur heeft van negerspionnen uit Moure vernomen, dat het Hollandse garnizoen gewoonlijk bestaat uit zestig man, soldaten en beambten. Dit aantal fluctueert in hoge mate, omdat veel bezoekers van de Minakust kort na aankomst sterven. In feite is het garnizoen van Fort Nassau in het voorjaar van 1617 teruggevallen tot veertig man, van wie de meesten te ziek zijn om te vechten. Het sterftecijfer is onder de Hollanders veel groter dan onder de Portugezen, van wie de meesten al eerder aan de Minakust hebben gediend. Hoewel de Hollandse troepen voortdurend worden aangevuld door een bevoorradingsschip dat elk jaar naar Moure komt. Naast dit grote schip, blijft er een ander, kleiner, koopvaardijschip het hele jaar door aan de kust. Voor de Hollandse haven liggen ten minste twee of drie Hollandse schepen gevuld met handelswaren. Zij blijven buitengaats voor anker liggen.

De handel van de vijand is geconcentreerd in drie belangrijke gebieden, afgezien van Fort Nassau zelf. Dit zijn Cara, 35 léguas ten oosten van het Hollandse fort, Cormantin, ongeveer twee léguas van de Nederlandse post en het kleine kust dorp Torto, waarmee Cunha vermoedelijk Komenda bedoelt. De laatste plaats ligt circa vier léguas ten westen van São Jorge da Mina. Torto ligt in gebied van wordt bestuurd door de koning van Commany, die vroeger een vriend van de Portugezen is geweest. Hij heeft zelfs toegestaan dat leden van Het Portugese garnizoen en hun persoonlijke slaven voedsel kopen op lokale Afrikaanse markten. Ofschoon Cunha thans rapporteert dat en van de grootste problemen die de gouverneur het hoofd moet bieden, de vijandige gezindheid van deze koning is. Kort voor 1617 is de koning verwikkeld geraakt in een woordenwisseling met Cunha’s voorganger en hij heeft zijn krijgers verzameld en is in een korte oorlog opgetrokken naar Mina Onder Cunha’s goeverneurschap vallen de Commany nog wel eens sporadisch São Jorge aan. De nieuwe gouverneur heeft getracht deze kritieke situatie op te lossen door enige dorpen van Commany in de onmiddellijke omgeving van São Jorge aan te vallen. Lokale Commany opperhoofden die waren gevangengenomen, zijn terstond geëxecuteerd en verschillende verderaf gelegen kustplaatsen behorend tot Commany zijn in brand gestoken om de Portugese militaire kracht te tonen. Het gevolg van dit optreden is dat de heerser van Commany bereid bleek te onderhandelen. Cunha rapporteert dat het koninkrijk thans vreedzaam lijkt te zijn. Ofschoon de vroegere vriendschap tussen de Portugezen en hun Afrikaanse buren blijvend is vernietigd, tenminste wat betreft de Commany, is het respect voor de Portugese kanonnen zo groot dat zij neutraal blijven in het conflict tussen Hollanders en Portugezen.

Aan de oostkant van São Jorge baren de activiteiten van de heerser van Efutu zorgen. Zijn steeds toenemende contacten met Hollandse kooplieden zouden wel eens kunnen uitdraaien op een tegen de Portugezen gericht bondgenootschap met de Hollanders. De Asebu, sinds ongeveer 1595 de traditionele bondgenoten van de Hollanders, worden niet beschouwd als een ernstige bedreiging van de São Jorge. Gedurende de jaren twintig waren de Asebu gewikkeld in een reeks bloedige conflicten met de ten oosten van hen gelegen staten Cormantin en Fante. Daarom waren er maar weinig Asebu-krijgers beschikbaar om de Hollanders te ondersteunen bij hun aanvallen op Portugals forten.

Het overgrote deel van het goud dat aan de kust verhandeld wordt is afkomstig van Akan-stammen uit het oerwoud in het binnenland. Kooplieden afkomstig uit steden als Assingrund maken nog steeds hun gebruikelijke reizen naar de kust om Europese waren te verkrijgen voor hun goud. Akani-kooplieden drijven thans eerder handel met de Hollanders dan met de Portugezen, omdat er een overvloed is aan goedkope Hollandse goederen. Akani-kooplieden houden zich over het algemeen op afstand van beide Europese volkeren. De Akani kijken neer op alle Europeanen, ongeacht hun nationaliteit; zij letten op hun eigen belangen en zoeken de kooplieden die de meeste handelswaar voor hun goud geven.

Gouverneur Cunha’s lange rapport eindigt met de aanbeveling dat de koning zijn energie richt op het verbieden van Hollandse scheepvaart naar de Minakust. Omdat de meeste Hollandse vaartuigen die de kust bezoeken koopvaarders zijn, zijn zij maar licht bewapend. Twee of drie oorlogsschepen zijn voldoende de vijand te verjagen van de handel aan de Minakust. Als dit eenmaal is gedaan, dan is het een stuk gemakkelijker de Hollanders uit hun sterkte Fort Nassau te verdrijven. De toename van het Portugese aandeel in de handel, die het gevolg zal zijn van deze politiek, zal de kosten van de operatie verre overtreffen. Maar er wordt geen eskader uitgezonden. De eerste schepen die verlichting in de situatie brengen, arriveren pas onder Cunha’s opvolger, Dom Francisco Soutomaior, die in het midden van het jaar 1624 zijn anker uitwerpt voor São Jorge. Hij is aangekomen met drie schepen; zij voeren de allernoodzakelijkste goederen aan en brengen soldaten die de overledenen leden van het garnizoen moeten vervangen. Het heeft er allerminst de schijn van dat Portugal de Minakust al heeft opgegeven. Er zijn voorbereidingen getroffen voor het geval Soutomaior zou ervaren dat zijn voorganger is overleden, zodat hij geëigende stappen kan nemen, om de orde te herstellen. Maar als de nieuwe gouverneur arriveert, bekleedt Manuel da Cunha e Teive nog steeds zijn ambt, de organisatie van de staf in São Jorge is intact en functioneert en de situatie die een jaar tevoren door Cunha zo duidelijk is beschreven, is niet wezenlijk veranderd. Dom Francisco neemt het bevel op zich over een Portugese buitenpost die gewikkeld is in een strijd om zijn voortbestaan. Door de inspanningen van zijn voorganger zijn de naburige stammen van de Efutu en Commany geneutraliseerd en in 1624 opent Commany zelfs een wekelijkse markt waarop het garnizoen voedsel kan kopen. Ofschoon ten oosten van Efutu de Portugese macht geheel en al is overgegaan op de Hollanders. Asebu is een zeer trouw bondgenoot van de vijand. In 1624 sluiten de Hollanders een handelsverdrag met het Fante-volk, waarbij de Fante hun verdragspartner exclusieve handelsrechten geven. De Fante zweren de Portugezen zoveel mogelijk schade te zullen berokkenen, overal waar zij hen zullen ontmoeten, zowel te land als ter zee.

Dom Francisco zal spoedig alle hulp nodig hebben die hij kan krijgen, want de Hollanders beginnen een nieuwe aanval voor te bereiden, om de Portugese macht aan de Minakust te vernietigen. Het succes van Manuel da Cunha’s gouverneurschap kan worden afgemeten aan hun reactie op zijn vertrek. Het buitmaken van hun koopvaarders en de niet aflatende patrouilles en aanvallen van de galeien, heeft de vijand een groot respect bijgebracht voor de militaire kracht van hun tegenstanders. Zij hebben een reeks van klachten over wat de Portugezen hun ten tijde van Manuel da Cunha’s gouverneurschap hebben aangedaan. De Hollandse West-Indische Compagnie (WIC), die in 1621, na het aflopen van het Twaalfjarig Bestand is opgericht, heeft zichzelf tot taak gegeven de Spaanse en Portugese koloniën te vernietigen. Eskaders Hollandse oorlogsschepen maken zich gereed uit te zeilen naar Nieuw Engeland, Brazilië en de Minakust. Aan hun militaire voorbereiding van de verovering van Brazilië wordt volgens plan verder gewerkt. De WIC ziet ook nieuwe winstmogelijkheden aan de Minakust. Zij kan niet alleen haar aandeel in de goudhandel vergroten door de vesting São Jorge da Mina te veroveren, maar de veroverde vesting kan ook dienen als een zeer geschikt entrepot voor slaven, waaraan in Nederlands Brazilië grote behoefte is. In september 1623 zeilt een nieuwe Nederlandse hoge commissaris, Adriaen Jacobszoon van Amersdoort, uit met dertien oorlogsschepen en de opdracht de forten São Jorge da Mina en Axim te veroveren. Daartoe beschikt hij over 1.000 soldaten, die aan boord van drie transportschepen, waarover admiraal Jan Dirickszoon Lam het bevel voert, rechtstreeks naar de Minakust zeilen. De machtige Hollandse oorlogsvloot zeilt eerst naar São Salvador da Baía in Brazilië, welke stad de Hollanders bijna zonder strijd in handen valt. Twaalf schepen zeilen vervolgens naar het oosten, om zich te vereniging met de troepentransportschepen onder admiraal Lam. Op 26 juli 1625 treffen schepen van het Braziliaanse eskader van admiraal Andries Veron eenheden van de vloot van de WIC, onder Van Amersfoort. Het opperbevel over de gecombineerde vloot wordt gegeven aan admiraal Lam. Als de Nederlandse vloot aan de Minakust aankomt, worden direct voorbereidingen getroffen voor een landing bij of Akitakyi of Terra Pequena, een klein dorp ten westen van São Jorge, dat ligt tussen het fort en het handelscentrum Torto. De afstand tot São Jorge is groot genoeg om de troepen ongehinderd aan land te zetten. De vloot gaat voor anker bij Ampeni, waar zich Hollandse militaire eenheden uit Fort Nassau bij de nieuwkomers voegen. Admiraal Van Amersfoort heeft hen opgehaald, tezamen met zwarte Asebu-krijgers. Alles bijeen bestaat de Hollandse aanvalsmacht uit 800 soldaten en 400 matrozen van admiraal Andries Veron. Bij deze 1.200 Hollandse manschappen komen nog 150 (Vogt) of 550 (Ballong-en-Wen-Mewuda) Asebu-krijgers uit Moure. Deze uit 1.600 à 1.700 man bestaande legermacht trekt op op onder bevel van Arent Jacobsz, de bevelhebber van Fort Nassau op dat moment.

In het Fortaleza de São Jorge da Mina beschikt capitão-geral Dom Francisco Soutomaior over een garnizoen van slechts 56 man, van wie velen te ziek zijn om te vechten. Aan de andere kant beschikt Dom Francisco over drie compagnieën zwarte Elmina-krijgers. Hij belooft deze Afrikaanse krijgers handelsgoederen, wijn en zelfs goud als zij in het dreigende gevecht aan Portugese zijde willen vechten. Er worden hardlopers gezonden naar de hoofdsteden van Efutu en Commany. Dom Francisco Soutomaior ontdoet de kisten, waarin het goud wordt bewaard, vrijwel geheel van hun inhoud en hij gebruikt het grootste deel van de handelsvoorraad voor giften aan de twee koningen. Beiden beloven dat zij geen gemene zaak zullen maken met de naar het fort optrekkende Hollanders. Zouden Efutu en Commany niet bewogen zijn zich afzijdig te houden, dan was São Jorges lot vrijwel bezegeld zijn. Gouverneur Dom Francisco verneemt tot zijn vreugde niet alleen dat de koning van Efutu geen partij kiest, maar dat hij ook nog zijn markten heeft geopend voor voedselaankopen door de Portugezen, die wellicht een lang beleg moeten doorstaan.

De slag om de vesting breekt los op zaterdag 25 oktober, met een hevig bombardement uit het geschut van de schepen, waarmee de Hollanders de haven van São Jorge blokkeren. Op de morgen van diezelfde dag beginnen de Hollandse strijdkrachten aan hun mars op het fort. Zij lopen van Ampeni over de kustweg in de richting Aldeia das Duas Partes en vandaar volgen zij het pad naar de heuvel van Santiago. Om 14.00 uur zien Portugese uitkijkposten hoe de voorste eenheden van de naderende colonne, op een halve mijl van het fort, een smal onbegroeid gedeelte van het pad passeren. Vertrouwend op het numerieke overwicht, hebben de Hollanders geen eenheden paraat die op de flanken van de colonne aanvallen dienen te pareren, noch worden de flanken van de colonne beschermd door verkenningspatrouilles. Er is geen reden om bang te zijn voor slechts veertig of vijftig Portugese soldaten. De commandant van São Jorge zal de weinige soldaten waarover hij beschikt zeker niet willen riskeren in een open gevecht buiten de muren van het fort. De Hollanders bemerken te laat dat zij in een zorgvuldig opgezette hinderlaag zijn gelopen. Het fort geeft drie kanonschoten af, zodra de hoofdmacht van de Hollandse troepen een open plek dicht bij het fort heeft bereikt, die Pilicade wordt genoemd. Soutomaior heeft het gros van zijn troepen buiten de muren in de begroeiing langs de opmarsroute gelegerd. Zodra de Elmina-krijgers de kanonschoten horen springen zij uit het struikgewas te voorschijn en vallen op de open plaats de colonne Hollanders in de flank aan. Zodra deze aanleggen om de Elmina-krijgers met een salvo uit hun musketten te treffen, laten de zwarten zich op de grond vallen en de eerste kogelregen vliegt over hun hoofden, zonder dat ook maar iemand wordt geraakt. Voordat de vijand zijn musketten opnieuw heeft kunnen laden, vallen de Elmina-krijgers opnieuw op de Hollandse formatie aan, met lansen en speren, die zij van de Portugezen hebben gekregen. In verwarring gebracht en verbijsterd over de niet verwachte aanval, rennen de vijand terug naar Ampeni, achtervolgt door de Elmina-krijgers en een paar Portugese boogschutters. Achterblijvers worden de branding ingedreven en verdrinken. Andere soldaten vluchten juist het binnenland in, weg van het strand. Ook deze worden gevangengenomen en gedood. De Afrikanen zetten hun aanvallen op de vluchters door, totdat de duisternis een einde maakt aan de slachtpartij. De Hollanders die het bloedbad hebben overleefd, worden door de bewoners van Akitakyi voor hun achtervolgers een schuilplaats geboden. De Elmina-krijgers keren dan terug naar het slagveld om de wapens en hoofden van hun gevallen vijanden te gaan verzamelen. Hollandse hoofden worden in triomf op lansen gestoken en naar São Jorge gebracht, om te worden ingewisseld tegen goud. Gouverneur Dom Francisco Soutomaior, die het gevecht heeft georganiseerd, maar die zelf binnen het fort is gebleven, overdrijft de Hollandse verliezen, door te beweren dat alle aanvallers zijn gedood op 45 na. De Hollanders berekenen hun eigen verliezen op 441 á 450 gesneuvelden en vermisten, onder wie hun opperbevelhebber, admiraal Andries Veron, en zeven kapiteins. Uit beide schattingen blijkt dat de Pilicade-hinderlaag tot een schitterende Portugese overwinning heeft geleid. Soutomaiors eigen verliezen zijn 27 gesneuvelden, onder wie elf blanke leden van het garnizoen. Bovendien zijn vijftien Hollandse vaandels op het slagveld achtergebleven, evenals een aantal tamboerijnen. Ook worden er meer dan duizend musketten, pistolen, lansen en andere wapens op het slagveld verzameld.

De volgende ontmoetingen tussen Hollandse en Portugese troepen na de slag bij Pilicada vormen een anticlimax. Bij het aanbreken van de dag van 26 oktober, worden de Hollandse schepen die buiten de haven van São Jorge liggen, door admiraal Lam teruggeroepen naar Ampeni. Zij blijven daar elf dagen liggen, terwijl de Hollanders de gunst trachten te winnen van de heersers van Efutu en Commany, die neutraal zijn gebleven. Als gebleken is dat zij er niets voor voelen zich te binden aan een partij die pas zo’n vernietigende nederlaag heeft geleden, zeilt de vloot naar São Jorge. Op 5 november openen de oorlogsschepen een bombardement op het fort, dat van zonsopgang tot zonsondergang drie dagen aanhoudt. Zij geven meer dan duizend schoten af tegen het fort en het dorp van de Elmina-krijgers. Enige kanonskogels wegen meer dan elf kilogram. Door de kanonnade wordt een Portugees dodelijk getroffen. De Hollanders vermelden hun eigen verliezen niet, maar de Portugese kanonniers rapporteren dat verschillende treffers afgegeven door de grote kanonnen van het fort de vijandelijke flottielje hebben geraakt. Op de avond van 7 november trekken de Hollandse schepen zich terug uit het schootsveld van de batterijen van São Jorge en breken de actie af. De blokkade van de haven duurt nog tot 14 november, als Van Amersfoort en Lam geen nut meer zien in voortzetting daarvan en alle Hollandse strijdkrachten terugtrekken naar Fort Nassau. De vloot die ten dele afkomstig is uit Brazilië en ten dele uit Holland, zeilt uiteindelijk op 29 november naar Europa.

Ofschoon de Portugezen bij Pilicada een grote overwinning hebben behaald – zo groot dat Soutomaiors verslag van het gevecht wordt gedrukt en in Lissabon in 1628 wordt verspreid – is het laatste hoofdstuk van het Portugese verval aan de Minakust reeds ingezet. Wat de Hollanders niet met wapengeweld hebben kunnen krijgen, zal hun weldra in de schoot worden geworpen door verschil van mening in de Portugese rangen. São Jorge blijft overleven van dag tot dag. Het belangrijkste voedsel van de Portugese soldaten is dat wat zij op de kleine markt van Elmina kunnen kopen. Er zijn ook een paar velden vlak bij het fort die worden bewerkt door slaven of door de Afrikaanse vrouwen van garnizoensleden. Over de afgelopen anderhalve eeuw heeft zich een sterke vermenging van Portugezen en bewoners van Elmina voorgedaan. Ofschoon de Portugese Kroon verontrust is over wat de geestelijkheid ziet als serieus moreel verval binnen het garnizoen, leidt het nauwe samengaan en de vermenging met de locale Elmina-bevolking, gedurende zo’n lange periode, tot een niet aflatende trouw van het dorp aan de Portugezen. Leden van het garnizoen nemen vaak vrouwen uit de zwarte dorpen tot echtgenote of minnares en in de zeventiende eeuw is het fort gevuld met een mengeling van vrouwen, halfbloed kinderen, Afrikaanse bondgenoten, slaven en krijgsgevangenen. Als aanvulling op de lokale producten, verzamelen de Portugezen een tiende deel van de vissen die zijn gevangen in de netten van de bewoners van Elmina, die tot de meest ervaren vissers van de gehele Minakust behoren. In enkele gevallen slagen de Portugezen erin een tiende deel te verzamelen van de in Shama aangevoerde vis, maar of dit lukt, hangt af van de voortdurend wisselende stand van vriendschap tussen de Portugezen en de bewoners van Shama en de laatste jaren is er nogal eens sprake van animositeit tussen beide partijen. Bij gelegenheid worden er ook wel granen en andere lang houdbare levensmiddelen op lokale markten in Efutu of Commany gekocht, als deze staten hu grenzen voor Portugese bezoekers hebben opengesteld. Na 1625 beginnen zelfs deze lokale voedselbronnen te verdwijnen. De reden is heel simpel; de Portugezen hebben geen handelswaren meer die zij kunnen ruilen tegen voedsel. Om zich te verzekeren van de neutraliteit van Efutu en Commany, heeft gouverneur Soutomaior vrijwel alle handelswaar van het fort aangewend als geschenken voor de koningen van beide staten. Bij toekomstige ontmoetingen met de Hollanders, kan deze neutraliteit niet langer verzekerd worden door giften. Ongeveer tezelfdertijd veranderen de Hollanders van tactiek. In plaats van São Jorge da Mina ogenblikkelijk na de nederlaag van 1625 opnieuw aan te vallen, legt de gouverneur-generaal in Fort Nassau een lijst aan van zoveel mogelijk Afrikaanse staten op wier steun hij bij een nieuwe aanval kan rekenen. De nederlaag van 1625 is voor een groot deel te wijten aan gebrek aan een goede voorbereiding. De Hollanders hebben de Afrikanen niet beschouwd als een factor waarmee rekening gehouden moet worden.

De inspanningen in de Portugese hoofdstad gericht op het verzamelen van voorraden voor de belegerde forten São Jorge en Axim worden gefrustreerd doordat de militaire kracht van de Hollandse vloten in Brazilië en elders in het imperium is onderschat. Spanje is niet in staat hulp te bieden. De beperkte zeemacht waarover Portugal beschikt, worden ingezet bij de bescherming van de havens in Brazilië en voor het escorteren van rijkbeladen naus uit Indië. In 1625, bijvoorbeeld, wordt ieder in Lissabon beschikbaar schip en alle militaire reserves naar Brazilië gezonden op São Salvador da Baía te heroveren. De bevoorrading van São Jorge in het jaar daarop geschiedt met een karveel. Het volgende bevoorradingsschip komt eerst twee jaar later, in 1628. Terwijl Filipe III dit ene bevoorradingsschip zendt, wordt zijn gehele zilvervloot van de Spaanse Nieuwe Wereld buitgemaakt door Nederlandse zeestrijdkrachten, onder commando van Piet Heyn.

De tijd tussen twee opeenvolgende bevoorradingen wordt langer en langer. In 1632 arriveert het laatste bevoorradingseskader voor São Jorge uit Lissabon. Het eskader brengt niet alleen de nieuwe capitão-geral, Pedro Mascarenhas, maar ook 180 soldaten en functionarissen die de plaats moeten innemen van overledenen. Pedro Mascarenhas heeft een speciale boodschap bij zich voor de vicaris van São Jorge, Duarte Borges. Twee jaar eerder heeft de vicaris gevraagd de kerk van Mina, omdat zij nu zelfs afgesneden is van haar episcopaat op São Tomé, dezelfde dispensatie te verlenen als die door het Concilie van Trente al verleend is aan de ongeschoeide karmelieten. Inwilliging van het verzoek houdt in dat de kerk van Mina niet meer afhankelijk is van elders tijdens de viering van de Heilige Eucharistie geconsacreerde hosties, maar dat het de vicaris is toegestaan de hosties die in São Jorge nodig zijn zelf te consacreren. Pedro Mascarenhas brengt het officiële antwoord van de Kerk over. Het privilege wordt eerst verleend, nadat Congregazione di Propaganda Fide in Rome daarover langdurig heeft gedebatteerd. De nieuwe gouverneur neemt ook drie beelden mee om daarmee de kerk van São Jorge op te sieren. De beelden zijn van de Santa Virgem, van São Francisco d’ Assisi en van Santo António de Padova. Als deze houten beelden São Jorge bereiken, wekken zij begeestering van de bijgelovige zwarte christenen daar. Al na een paar dagen beginnen, door het vochtige klimaat, de handen en het gezicht van São Francisco te verkleuren van wit in zwart. Mascarenhas biedt de verbaasde dorpelingen een profetische verklaring hiervoor. São Francisco heeft zichzelf door een wonder onthuld als de patroonheilige van de Afrikanen. Deze uitleg creëert geruchten over andere mirakelen die door de beelden zouden zijn verricht. De beelden worden door de zwarte christengemeenschap zeer vereerd, zelf nadat de Portugezen er niet meer zijn. In de jaren dertig telt het dorp Elmina niet minder dan 400 katholieken, op een totale bevolking van ongeveer 800 zielen. Maar het is niet ongewoon, zelfs niet voor deze bekeerlingen, dat zij deelnemen aan traditionele fetisjceremoniën, of dat zij lokale shamannen raadplegen. Het heidense gebruik om de toekomst af te lezen uit de rook van een vuurtje en tovenarij zijn nog diep geworteld in kringen van bekeerde zwarten en het onderwijzen van christelijke gebruiken door de missionarissen van São Jorge da Mina heeft de zwarte bevolking niet meer dan een oppervlakkige kennis van de nieuwe godsdienst bijgebracht.

In 1632 moet de nieuwe Portugese gouverneur zich letterlijk naar zijn standplaats vechten om zijn functie op zich te kunnen nemen. Zodra gouverneur-generaal Van Amersfoort zijn aankomst heeft vernomen, zendt hij een kleine strijdmacht van Fort Nassau uit, om de verdediging van de Portugezen te testen. Mascarenhas slaagt er weliswaar in de aanval af te slaan, maar hij lijdt daarbij hevige verliezen; een aantal Afrikaanse caboceers uit Elmina komt om bij de strijd rond de muren van het Portugese fort. In 1633 zendt Mascarenhas het kleine karveel, dat gewoonlijk wordt gebruikt om de verbinding met Axim te onderhouden, naar São Tomé om er hulp te verkrijgen. Maar de Portugezen worden daar al evenzeer door de Hollanders onder druk gezet als de posten aan de Minakust. Op de terugweg naar São Jorge, raakt het karveel in gevecht met een ongewapende Franse koopvaarder die de kust bezeild heeft op zoek naar goud. Het karveel brengt het Franse schip op naar São Jorge, waar de lading wordt ontscheept. Een deel van de handelswaar valt toe aan degenen die het schip hebben buitgemaakt en de rest wordt door de gouverneur opgeslagen in het fort, om te worden geruild tegen goud. De handelswaar is buitengewoon welkom, omdat de magazijnen van de vesting vrijwel leeg waren. De brieven die de capitão-geral met het karveel had meegegeven naar São Tomé, worden in maart 1634 doorgezonden naar Lissabon. Mascarenhas spreekt daarin dat de hopeloosheid van de situatie tot het garnizoen is doorgedrongen. Duarte Borges heeft aan de brief van de gouverneur de zijne toegevoegd. Hij schrijft daarin dat de gehele kust, met uitzondering van de twee Portugese forten en de onmiddellijke omgeving daarvan in handen van de Hollanders is. De vaststelling van Borges wordt bevestigd door een Nederlands memorandum, gedateerd 16 juni 1633. Dit memorandum, waarin de stand van zaken van de WIC wordt behandeld, schat dat jaarlijks vijf ton goud door handel aan de Minakust wordt verkregen. Gedurende de eerste dertien jaren van haar bestaan, verzekert de WIC zich 40.461 marken goud en van 1.137. 430 pounds ivoor van de Minakust. De waarde daarvan bedraagt 17.733.899 respectievelijk 1.178.688 florijnen. Verondersteld wordt dat de Republiek tot ongeveer 1630 het overgrote deel van het goud dat zij liet aanmunten, afkomstig was van de handel aan de Minakust.

Aan Portugese kant daarentegen, moet gouverneur Mascarenhas in zijn rapportage schrijven, dat bijna alle voorraden zijn uitgeput. Er is alleen nog geen dringende behoefte aan kruit en kogels en op het moment is er ook een overvloed aan wapens. Kwalijker is dat de gouverneur voor het eerst melding maakt van een opstandige sfeer onder de leden van het garnizoen, die al twee jaren geen betaling hebben ontvangen. Terwijl Mascarenhas zijn sombere brief, die hij naar Lissabon wil zenden, aan het opstellen is, is er al hulp onderweg. Vroeg in de maand mei van het jaar 1634, ontvangt de Portugese gouverneur bericht uit Axim, dat daar een Portugees bevoorradingskarveel is gezien, dat op weg is naar São Jorge. De zwarten die de hoopgevende boodschap overbrengen, voegen daaraan toe hoe zij vanuit hun kano hebben gezien, dat het karveel op ongeveer zeven léguas van São Jorge wordt achtervolgd door twee Hollandse schepen. Om de broodnodige voorraden niet kwijt te raken, wordt een oorlogskano snel geladen met twintig soldaten, om het karveel bij zijn verdediging te helpen. De actie heeft succes; de Hollandse schepen kunnen worden afgehouden het karveel te nemen en als de duisternis is ingevallen, kan het ontkomen. Het bereikt de bescherming van de batterijen van São Jorge met slechts oppervlakkige schade. Tot zijn grote verrassing verneemt Mascarenhas dat het vaartuig dat zijn mannen zo dapper hebben verdedigd, geen Portugees, maar een Engels schip is, dat de Portugese koninklijke standaard voert. Zijn kapitein, Romão de Bocette? Is in Lissabon aangeworven, om eens in de drie maanden voorraden en een handvol soldaten naar São Jorge da Mina te brengen. Het schip en zijn bemanning is gedwongen bijna drie maanden in de haven van São Jorge te blijven liggen, voordat het kan uitzeilen, omdat de haven door zeven Hollandse oorlogsschepen, die tegenover de Portugese post liggen, wordt geblokkeerd. Twee van de grootste vijandelijke schepen tellen ieder dertig kanonnen en zij staan onder bevel van de gouverneur-generaal van Fort Nassau. Zij moeten verhinderen dat voorraden en soldaten het fort bereiken.

In de maanden na de aankomst van het Engelse vaartuig, verslechtert de situatie in São Jorge in hoog tempo. Gouverneur Mascarenhas, die al aan koortsaanvallen leed voor de aankomst van dat schip, sterft op 27 juni 1634. Hij wordt, als zoveel van zijn voorgangers, begraven in de kleine ruimte die de rivier scheidt van het fort. Volgens de regels van het fort, wordt hij opgevolgd door de vicaris. Normaliter zou de commandant van en bevoorradingeskader in aanmerking zijn gekomen om de overleden capitão-geral op te volgen, maar aangezien het bevoorradingsschip Engels is, aanvaart de vicaris zijn nieuwe gezag. Duarte Borges, de nieuwe gouverneur- vicaris van São Jorge, is vijftien jaar geleden als kapelaan op het fort aangekomen en uiteindelijk is hij na jaren aan het hoofd komen te staan van het groepje geestelijken in het fort. Ten tijde dat hij het gouverneurschap op zich neemt, verkeert Borges ook al in een zwakke gezondheid. Vier maanden kan hij slechts rondstrompelen en moet meest het bed houden. Gouverneur Borges bekleedt zijn ambt nog geen vier maanden; hij overlijdt vroeg i oktober 1634 en er is niemand om hem op te volgen: de factor en de escrivães zijn al eerder overleden. De alcaide-mór van São Jorge, André da Rocha Magalhães, werpt zich op als capitão-gerail. Hij is in 1632 in gezelschap van Mascarenhas als soldaat naar São Jorge gekomen en hij opgeklommen tot alcaide-mór door een benoeming in dat ambt door de overleden gouverneur, die zijn verdiensten heeft erkend.

Rocha Magalhães gelast ogenblikkelijk de inventarisatie van alle voorraden en handelsgoederen in de pakhuizen van het fort, om precies te weten waarover zijn beheer zich uitstrekt. Er blijkt slechts voedsel te zijn voor een maand, misschien twee, bij strikte rantsoenering. Wanneer een tweede Engels schip achter in 1634 São Jorge aandoet, om er water in te nemen, is de Nederlandse blokkade opgeheven en kan het schip zonder moeilijkheden de Portugese haven binnenvaren. Gouverneur Rocha Magalhães zendt een van de soldaten van het garnizoen, Manuel de Bairros, mee met het Engelse vaartuig, want hij vreest dat het eerste Engelse schip, dat maanden eerder is vertrokken, niet in staat is geweest de boodschappen die naar São Tomé zijn gestuurd, daar ook af te leveren. Het nieuwe schip zilt ook naar São Tomé, waar het een partij suiker wil innemen. Bairros scheept zich in 1635 in; hij heeft tamelijk korte aan de koning gerichte brieven bij zich, gedateerd 10 en 17 maart 1635. Gouverneur Rocha Magalhães rapporteert de vorst het recente tegenvallers die São Jorge getroffen hebben, waaronder het verlies van twee gouverneurs binnen vier maanden. Op dat moment wordt São Jorge verdedigd door niet meer dan 35ii soldaten en beambten. Allen verkeren in relatief goede gezondheid, omdat zij allemaal door de eerste paar kritische maanden heen gekomen zijn. De dringendste zaken die de post nodig heeft zijn: honderd soldaten, munitie, kleding en andere handelswaren, om daarmee de soldaten hun achterstallige soldij te kunnen uitbetalen en de weifelende loyaliteit van de Elmina-krijgers te kopen. De Hollanders zijn in die tijd te vinden in iedere inham aan de kust en de Portugese galeien patrouilleren niet langer langs de kust. Daarentegen belet een Holland schip, met veertig stukken geschut, dat in de haven van Aldeia do Torto ligt, de doorgang naar São Jorge. Bairros bereikt Lissabon met deze noodkreten in 1635. De brieven zijn dermate verontrustend dat er direct twee karvelen zullen worden uitgerust om een grote hoeveelheid voorraden naar de belegerde forten te zenden. Ondanks de ambitieuze ambtelijke plannen in Lissabon, gericht op een aanzienlijke versterking van de defensie van São Jorge, zijn er zoals gewoonlijk geen fondsen beschikbaar om de voorraden te bekostigen en zelfs de twee schepen, nodig om de voorraden naar São Jorge te brengen, zijn nergens in Portugal beschikbaar. Alle beschikbare soldaten en fondsen worden toegewezen aan de vloot van zes galjoenen en 3.000 soldaten, die wordt uitgerust om São Salvador da Baía te heroveren. De Conselho da Fazenda schat de kosten om twee bevoorradingsschepen naar de Minakust te zenden op ongeveer 50.000 cruzados, niet meegeteld de roupas pretas en andere handelswaren voor São Jorge. De voorbereidingen van de expeditie strekken zich uit over de rest van het jaar en over het jaar daarop. Uit berichten afkomstig van lieden die de opslagplaatsen van de koning in Lissabon beheren, blijkt dat zij schepen, wapens, noch kruit kunnen leveren. Ondertussen is de vice-rei, prinses Margarita, wanhopig doende 450.000 cruzados bijeen te brengen, voor de bekostiging van de eskaders, die op bevel van de koning moeten worden uitgezonden naar Brazilië, Angola en Mina. Maar Mina is al een halve eeuw van secundair belang en de Portugezen geven voorrang aan de verdediging van de meer productieve delen van hun imperium. Mina moet zijn eigen boontjes maar doppen.

Toen Rocha Magalhães zich eind 1634 opwierp als capitão-geral aan de Minakust, erkende de meerderheid van het garnizoen hem niet als hun bevelhebber. In 1636 groeit uit het verzet een openlijke rebellie. In het midden van dat jaar lukt het de gouverneur brieven te versturen. Hij schrijft daarin over de recente verslechtering van de situatie in São Jorge. Het kleine garnizoen is in opstand gekomen en eist de betaling van twee jaren achterstallige soldij. André da Rocha Magalhães is gevangengenomen en in de kerker van het fort opgesloten. In deze troosteloze omstandigheden, slaagt hij erin zijn laatste bericht uit São Jorge te verzenden. Hij noemt daarin niet de aanvoerders van de opstand; hij deelt slechts mede, dat het hoofd van de rebellen een persoon is van buitenlandse origine (persona de nacion estrangera). Mogelijk is bedoeld een van de Engelse kapiteins die de Portugese post geregeld aandoet, om er voorraden of water in te nemen en die daar dan een tijdje verblijft. Maar zeker is dit allerminst. De belangrijkste opmerking van Rocha Magalhães is zijn mededeling, dat de meeste Elmina-krijgers geweigerd hebben zijn bevelen op te volgen en dat de inwoners van het nabijgelegen Elmina-dorp het dorp in grote aantallen verlaten. Enige trekken naar Axim, waar zij worden verwelkomd door Portugese beambten, die hun functie te danken hebben aan een reglementaire benoeming.

De brief die André da Rocha Magalhães vanuit zijn kerker weet te verzenden, is het laatste bericht dat in Lissabon uit São Jorge wordt ontvangen, voordat de vesting in handen van de Hollanders valt. Zij zijn in 1636 doende met voorbereidingen te treffen voor een nieuwe aanval op en inname van São Jorge. De militaire commandant van Fort Nassau, Nicolaes van Yperen, is bij zijn pogingen de Portugezen en hun Elmina-bondgenoten te vernietigen, druk doende met steun te verwerven van de Afrikaanse staten aan de kust. Hiervoor wenden de Hollanders giften aan, die uit flinke hoeveelheden handelsgoederen bestaan. Tot dan toe hebben zij gewetensvol iedere confrontatie met de Afrikanen vermeden, die ertoe had kunnen leiden dat zij een bondgenootschap met de Portugezen zouden aangaan. In 1634, bijvoorbeeld, zou hij de Asebu gaarne militaire bijstand hebben verleend in hun geschil met Fante, maar om te vermijden dat de Fante daardoor in het Portugese kamp zouden worden gedreven, heeft de Hollandse gouverneur zich buiten het geschil gehouden. In die tijd kunnen de Portugezen weinig anders doen dan wachten op een bevoorradingsschip. Of de circa dertig rebellen die gouverneur Rocha Magalhães hebben gevangen gezet nog de dienst uitmaken, is niet zeker.

De voorganger van Nicolaes van Yperen als commandant van Fort Nassau, Pompeius de la Sale, heeft in zijn brief, gedateerd 1 juli 1635, de bewindvoerders van de WIC, de Heeren XIX, ingelicht over `den stand ende gelegentheyt vant Casteel de Mina’. Deze brief komt op het juiste ogenblik, daar de afgetreden `generael op de Custe van Afrika’ Jan Jochemsen Sticker zich in Nederland bevindt en schriftelijk en mondeling rapport heeft uitgebracht over de kust. De XIX hebben de beide rapporten grondig bestudeerd en zijn tot de slotsom gekomen dat al mocht het kasteel voor onneembaar gelden en al voelde de bezetting zich achter de dikke muren volkomen veilig, er desalniettemin een kans is om het kasteel tot overgave te dwingen. Pompeius de la Sale krijgt bevel te proberen het kasteel te bemachtigen, waarbij er speciaal op dient te worden gelet, dat `de berch die over t’voorn casteel commandeert in tijds ende tot voordeel worde besett ende bemachtigt’. De XIX geven hem echter in overweging eerst het eiland Princípe te bezetten. Als de windthondt, die deze brief overbrengt, voor Fort Nassau arriveert, blijkt Pompeius de la Sale te zijn gestorven en te zijn opgevolgd door de `secunde ter Custe’, Nicolaes van Yperen.

Van Yperen heeft het in 1636 in zijn correspondentie met de XIX over een massieve aanval op de Portugezen, maar het materieel en de troepen waarover hij beschikt, zijn bij verre na niet voldoende om een aanslag te wagen. De Hollandse campagne in Brazilië loopt op dat moment goed en Van Yperen wijst erop dat het Portugese fort São Jorge een waardevol entrepot is voor de handel in slaven en er dringend behoefte is aan slaven op de plantages, die de Hollanders onlangs in de Nieuwe Wereld veroverd hebben. Hij voert aan dat de kans op herovering door de Spanjaarden en Portugezen zeer gering is, omdat de koning van deze twee landen zijn handen vol heeft aan de verdediging van zijn Amerikaanse bezittingen. Van Yperens voorstellen worden in Holland goed ontvangen. Het is inderdaad waar dat de Hollanders in het afgelopen jaar (1635/’36) grote vooruitgang hebben geboekt bij de verovering van het noordoosten van Brazilië. Zij hebben in oktober 1636 een nieuwe gouverneur-generaal voor de veroveringen van de WIC in Brazilië, naar zijn nieuwe standplaats gezonden. De nieuwe gouverneur-generaal, graaf Johan Maurits van Nassau-Siegen, die in januari 1637, met een vloot van 32 schepen en 2.700 soldaten, in Brazilië is aangekomen, ontvangt korte tijd daarna instructies uit Holland een vloot uit te rusten en kasteel São Jorge da Mina aan de kust van West-Afrika te veroveren, een opdracht die Johan Maurits maar al te graag opvolgt. Ook hij ziet duidelijk in dat er slechts een middel is om in het nijpende gebrek aan werkkrachten te voorzien: een geregelde aanvoer van slaven uit West-Afrika. En als Nicolaes van Yperen in zijn brief van 19 april 1937 aan graaf Johan Maurits bericht dat in kasteel São Jorge op dat moment maar een zwakke bezetting ligt en dat Portugese versterkingen de laatste tijd zijn uitgebleven, wacht hij geen moment langer. Op 25 juni 1637 steekt een vloot van negen oorlogsschepen, bemand met 800 soldaten en 400 matrozen, die onder bevel staan van kolonel Hans Koin, in zee.

De vloot arriveert eind juni 1637 in Ivoorkust. Vandaar wordt bericht van de aankomst van de vloot gezonden aan Nicolaes van Yperen in Fort Nassau. Hij wordt ingelicht over sterkte en het doel van de vloot en hem wordt gevraagd waar de troepen, die naar São Jorge dienen op te trekken, het best aan land kunnen gaan. Er wordt gehoopt dat de Portugezen nog niet zijn gewaarschuwd voor de komende aanval, zodat zij niet de tijd hebben hun verdediging voor te bereiden. De vloot zeilt voorzichtig langs de kust waarbij ervoor wordt zorggedragen dat de zeilen vanaf Axim niet zichtbaar zijn. Ondertussen wordt op het antwoord uit Fort Nassau gewacht. Begin augustus wordt van Van Yperen eindelijk antwoord ontvangen. Hij vraagt of de Braziliaanse vloot zich bij Kommenda wil voegen bij strijdkrachten uit Fort Nassau. De Afrikanen aan dat deel van de kust zijn gewonnen voor het denkbeeld de Portugezen aan te vallen en zij zullen daaraan steun geven. De twee eskaders ontmoeten elkaar bij Kommenda en zeilen zonder verdere vertraging naar Cabo Corso, waar de troepen zullen landen. Vroeg in de morgen van 26 augustus gaat de Hollandse hoofdmacht van boord en zet zich in beweging naar São Jorge. Bij elkaar gaat het om 800 soldaten, aangevuld met 1.000 tot 1.400 zwarte krijgers uit Komenda en Asebu. De Hollandse aanvalsmacht is verdeeld in drie marscolonnes en er wordt een afdeling vooruit gezonden om te waarschuwen voor een hinderlaag. De Hollanders zijn niet van plan zich te laten verschalken, wat hun landgenoten die in 1625 vanuit Ampeni waren vertrokken, is overkomen. De aanvalsstrategie is gewijzigd vergeleken met vorige aanvallen op São Jorge. In plaats het fort aan te vallen door de weg te nemen via het schiereiland dat het fort met het vasteland verbindt, tracht Koin, zoals hem is opgedragen, eerst de heuvel van Santiago die vanaf de overkant van de rivier uitziet op de vesting, te veroveren.

De Portugezen hebben niet stil gezeten. Zodra zij hadden vernomen dat zich een Hollandse krijgsmacht langs de kust bewoog, die mogelijk van plan was een aanval op het fort te wagen, had de Portugese gouverneur (Rocha Magalhães?) zich gerealiseerd dat zijn mannen koste wat het koste de controle over de heuvel van Santiago moesten zien te behouden. De heuvel zelf is dichtbegroeid en het enige pad dat naar de top leidt begint bij de rivier aan de Portugese kant. Het smalle pas wordt bestreken met een kanon van het fort. Aan de andere kant zijn de belangrijkste batterijen van het fort naar de zee gekeerd. De zwaarste kanonnen zijn daarom niet bruikbaar tegen een vijand die zich verschanst op de top van de heuvel van Santiago.De reikwijdte van het minder zware geschut is niet voldoende om de top van de heuvel te bereiken. De gouverneur monstert de Elmina-krijgers over wie hij beschikt en geeft hun opdracht de voet van de heuvel van Santiago te verdedigen tegen de vijand, die de heuvel nadert buiten het bereik van het geschut van het fort. Op de top van de heuvel is inderhaast een kleine borstwering aangelegd, waarachter een handvol Portugese soldaten een kanon van klein kaliber bedient. Als kolonel Koin ervaart welke verdedigingsstrategie de Portugezen hanteren, besluit hij de kracht van de Elmina-krijgers te testen. Hij zendt vier compagnieën soldaten af op de menigte zwarte soldaten. Maar ineen hevig gevecht worden de Hollanders teruggedreven, waarbij een compagniescommandant sneuvelt, naast ongeveer vijftig soldaten. De Elmina-krijgers, die denken dat zij de slag al gewonnen hebben, slaan de gesneuvelde vijanden het hoofd af en keren naar hun dorp terug om hun overwinning te vieren. Dan arriveert een tweede Hollandse eenheid. Deze neemt de toegang tot de heuveltop in en weerstaat twee tegenaanvallen van Elmina-krijgers. Deze laatsten worden teruggedreven naar hun dorp. Hollandse troepen bezetten daarop de heuvel van Santiago en vallen de kleine eenheid Portugezen aan. Deze geven zich over. Kolonel Koin laat vervolgens een breed pad naar de top van de heuvel aanleggen. De Hollanders slepen langs dit pad twee kanonnen en een zware mortier naar boven. Vervolgens wordt de Hollandse batterij ingezet tegen São Jorge. Het is onmogelijk om van zo’n grot afstand nauwkeurige treffers te plaatsen en de versterkte muren van het Portugese fort weerstaan de kanonnade zonder moeite. Aan de andere kant veroorzaakt het bronzen Portugese kanon de Hollanders geen schade op de top van de heuvel van Santiago. Er is sprake van een impasse. De Hollandse bevelhebber geeft dn opdracht aan zijn zwarte bondgenoten het dorp Elmina, waarvan de meeste inwoners het fort of het bos zijn ingevlucht, aan te vallen en te plunderen. De Hollanders kunnen het fort niet lange tijd belegeren, omdat de streek heel ongezond is voor Europeanen en zeker als zij pas een uitputtende zeereis achter de rug hebben. Velen zijn al ziek geworden. Daarom zendt Koin een boodschapper met een witte vlag naar São Jorge, om de directe overgave van het fort te eisen, op straffe van executie van de Portugezen, als het fort eenmaal gevallen zal zijn. De commandant antwoordt dat hij drie dagen over de eis wil nadenken en zendt de boodschapper weg. Omdat de rantsoenen van zijn troepen klein zijn, geeft Koin zijn vijandenniet meer dan één dag. Op de volgende morgen, 29 augustus, begeeft een Hollandse officier zich met een witte vlag naar de poort van São Jorge, om het antwoord van de gouverneur te vernemen. Hij vindt de ophaalbrug opgetrokken en het fort veilig gesloten. Koin zendt daarop zijn hoofdmacht naar het schiereiland en hij plaatst zijn batterijen vlak voor het fort. Op een afgesproken teken beginnen de Hollanders São Jorge te bombarderen. Na een dozijn salvo’s van de Hollandse kanonnen, verschijnt de Portugese commandant bij de poort van São Jorge en zegt het fort te zullen overgeven.

De Portugezen wordt toegestaan het fort met hun vrouwen en kinderen te verlaten. Zij mogen niets meenemen, noch hun standaards, noch hun wapens. Alle koopwaren, goud en slaven, met uitzondering van twaalf zwarten die de Portugezen mogen vergezellen, dienen achter te blijven in het fort. Alleen kerkversierselen, mits niet gemaakt van goud of zilver, mogen worden meegenomen. De Portugezen zullen met een Hollands oorlogsschip naar São Tomé worden gebracht, waar zij zullen worden overgedragen aan de Portugese autoriteiten op het eiland. Op de middag van zaterdag 29 augustus worden alle formaliteiten afgewikkeld, waarna de sleutels van het fort aan de Hollanders worden overhandigd. De Portugezen verlaten São Jorge na een ononderbroken bezetting van 155 jaren. Als het laatste garnizoen São Tomé bereikt, worden zij daar door de koninklijke autoriteiten gevangen gezet. Zij hebben een vesting achtergelaten die feitelijk nog geheel intact is. Er is enige schade aangericht door Hollandse bombardementen, maar dat is dan ook alles, op een scheur in de naar de haven gekeerde muur na. Maar deze is waarschijnlijk niet het gevolg van Hollandse beschieting, maar is te wijten aan de hevige aardbeving van december 1636.

De Hollanders die hebben bepaald dat alle koopwaar en al het goud in het fort moeten achterblijven, doorzoeken het kasteel grondig, als zij het voor het eerst binnentreden, maar zij vinden geen goud of koopwaar van welke soort dan ook. Integendeel, de Portugezen hebben een indrukwekkende hoeveelheid wapentuig achtergelaten: 30 bronzen kanonnen, 9.000 pounds kruit en materialen om kruit te maken, 800 kanonskogels, 10 vaten musketkogels, 300 pakjes vuurstenen en een gemengde hoeveelheid bijlen, pieken, kruisbogen, musketten en persoonlijke wapens. São Jorge is niet in Hollandse handen gevallen omdat de fortificaties niet deugden, of wegens gebrek aan wapens. Het garnizoen heeft eenvoudig zijn bekwaamheid verloren een aanval te weerstaan. Er zijn geen levensmiddelen achtergelaten en het vooruitzicht op een lange belegering, zonder dat er gehoopt kan worden op een ontzetting, doet de Portugese commandant ervoor kiezen zich over te geven. Graaf Johan Maurits van Nassau blijkt diep onder de indruk van de sterkte van het fort. In een brief aan de bewindvoerders van de WIC beschrijft hij de sterke fortificaties van de post en hij schrijft de Hollandse overwinning toe aan de Goddelijke Voorzienigheid. Er wordt een garnizoen van 175 man, onder bevel van kapitein Walraeven van Malburgh in de nieuwe Hollandse post achtergelaten. Binnen enkele maanden wordt het hoofdkwartier van de Hollandse handel aan de Minakust verplaatst van Fort Nassau naar de voormalige Portugese post, waarvan de naam gewijzigd wordt in Elmina. Wanneer het Hollandse garnizoen zich goed in Elmina heeft geïnstalleerd, wordt een klein detachement soldaten naar Shama gezonden, om bezit te nemen van de Portugese toren in die plaats, maar de manschappen treffen slechts een ruïne van het vroegere wijkplaats aan. In de periode 1600-1637 heeft slechts een Portugese beambte de uitkijkpost bemand. Toen in 1637 de vijandelijkheden begonnen, heeft hij kennelijk zijn post verlaten en is hij naar São Jorge of Axim teruggekeerd.

De Portugese bezetting van São Jorge da Mina gedurende meer dan anderhalve eeuw heeft een gemengde erfenis nagelaten. Inheemse kooplieden gebruiken tot in de achttiende eeuw een Portugees dialect in hun handel met Europeanen. Veel hedendaagse geografische namen, bijvoorbeeld de rivieren Volta en Ancobra, zijn van Portugese origine. Een laagje rooms-katholiek geloof is geïntroduceerd door sporadische missionering door paters van de verschillende kloosterorden die in São Jorge vertegenwoordigd waren. De bekering tot het katholicisme is niet meer dan oppervlakkig geweest en wordt spoedig tenietgedaan door protestantse zendelingen uit Holland en Engeland. De christelijke praktijken die aanvankelijk bewaard zijn gebleven, worden al gauw gemengd met fetisjisme van lokale godsdiensten en zijn na verloop van tijd niet meer te herkennen. Een positieve bijdrage van de Portugezen is de introductie van nieuwe gewassen en planten in het gebied rond São Jorge. Naast citrusvruchten als sinaasappelen en citroenen, die vlak buiten het fort groeien, introduceren de Portugezen de schijfcactus, suikerriet, bananen katoen en een overvloed aan andere zaken. Economisch gezien, heeft het verlies van São Jorge weinig gevolgen voor Portugal. Er is in zekere zin zelfs sprake van een voordeel, omdat de gebeurtenissen aan de Minakust van 1636 een last wegnemen van de Portugese Kroon. De periode dat de handel aan de Minakust Portugal voordeel opleverde, is veertig jaar geleden geëindigd. In werkelijkheid zijn de vette jaren toen de goudhandel op zijn hoogtepunt was meer dan een eeuw oud, op het moment dat de Hollanders São Jorge veroveren. Het moet als een opmerkelijke prestatie worden beschouwd dat de Portugezen zich lang nadat aan de dalende opbrengsten van São Jorge een einde was gekomen zich daar nog vele decennia hebben weten te handhaven. De Portugese nederlaag toont aan hoezeer het verouderde feitoria-systeem, waarop de handel aan de Minakust gestoeld was, heeft gefaald. Magalhães Godinho werpt de vraag op of de kolonisatie van de goudkust, die in de plaats is getreden van simpele handelsbetrekkingen, niet zonneklaar heeft aangetoond wat in de tweede helft van de zestiende eeuw de achterliggende oorzaak is geweest van de crisis in de goudhandel aan de Minakust. Niet voor niets hebben Jorge da Silva in 1573 en André Álvares de Almada in 1594 ervoor gepleit aan de oevers van de Golf van Guinée een nieuw Brazilië te stichten. Zij hebben gewezen op de overvloedige beschikbaarheid van werkkrachten, op de verscheidenheid en rijkdom aan tropisch hout en aan de mogelijkheden de teelt van suikerriet en katoen tot bloei te brengen. Wat hier ook van zij, zoals bekend, is het hiertoe niet gekomen en toen Portugal niet meer in staat was zijn wijdverspreide buitenposten te voorzien van handelsgoederen, schepen en voorraden, was het lot van São Jorge bezegeld, nadat – zoals eerder vermeld – al in 1621 de befaamde handelspost Beziguiche op het Ilha das Palmas (Gorée) in Hollandse handen was gevallen, evenals de door lançados Caboverdianos gestichte handelsposten op de kust van Senegal: Rufisque, Rio Fresco, Portudal en Joala. Nadat de oppermachtige Hollanders zich ook nog in 1638 meester hebben gemaakt van de al in 1445 of 1455 gestichte factorij op het eiland Arguim. Het enige fort aan de kust van Guinée dat na 1638 nog in Portugese handen is, is het Forte de Santo António bij Axim. Dit fort zal in 1642 door de Hollanders worden veroverd. In het deel van dit werk dat begint met het herstel van Portugals onafhankelijkheid in 1640, zal aandacht worden besteed aan het verlies van dit laatste Portugese bolwerk aan de Minakust.

i Volgens Ballong-Wen-Mewuda wordt André da Rocha Magalães door de bewoners van het fort unaniem tot gouverneur gekozen (zie pag. 481)

ii Volgens Ballong-Wen-Mewuda zijn er in die tijd zestig à zeventig Portugezen in São Jorge (zie pag. 482)

3.7. De eilanden São Tomé, Princípe en Ano Bom

Categorieën
Portugees kolonialisme

De bedreiging van de Minakust door de Hollanders (1595-1615). De Atlantische eilanden en West-Afrika

Deel 13 Index

Hoofdstuk 3.

De Atlantische eilanden en West-Afrika:

3.5. De bedreiging van de Minakust door de Hollanders (1595-1615)

Geschreven door Arnold van Wickeren

Bij de vereniging van de Spaanse en de Portugese kroon was de goudhandel van de Portugezen aan de Minakust verworden van een bron van rijkdom tot een blok aan het been. Domingos Abreu e Brito schrijft het verval van de handel, vanaf Arguim tot aan Serra Leôa toe aan de boosaardige invloed van de Lutheranen en aan hun schaamteloze optreden, die de goudprijs opjaagt. Verdwenen is de vroegere profijtelijke naïviteit van de zwarten, toen zij nog slechts te maken hadden met Portugese handelaren. In 1594 legt André Álvares de Almada de nadruk op Portugezen die voor eigen rekening in de goudhandel deelnemen. Hij schrijft: kwalijke Portugezen, die leven als inheemsen, trekken vrij en zelfbewust door de `sertão’ van Guinée, waarbij zij hun fortuin maken door de vreemdelingen hun kostbare zaken te verschaffen. Weldra zullen de Hollanders opduiken en hen volledig overvleugelen, Dat Philips II zich desondanks na 1580 zoveel moeite heeft gegeven de Portugese hegemonie aan de Minakust te herstellen, is alleen maar mogelijk geweest dankzij de zilvervloten. De exploitatietekorten van de Portugals aanwezigheid aan de Minakust blijven verborgen, omdat de verdediging van de goudhandel betaald wordt met het de door de Spanjaarden uit Amerika aanvoerde zilver. Tegen het einde van de jaren tachtig verandert de situatie voor de Iberische machten dramatisch. Het verval van de Spaanse en Portugese scheepvaart door de opkomst van de protestantse machten in Noord-Europa, culminerend in de ondergang van de `onoverwinlijke armada’ in 1588, het opdrogen van winstbronnen en de excessieve stijging van de overheidsuitgaven zijn evenzovele slechte voortekenen voor het verlies van Portugals positie aan de Minakust. Vroeg of laat zullen prioriteiten gesteld dienen te worden bij de verdediging van het Portugese imperium. Daarbij zullen de meer productieve dele van het Atlantische imperium als Brazilië en Angola waarschijnlijk voorrang krijgen. Het bankroet van Philips II (Filipe I) in 1596 leidt een periode in waarin er de kustbewakingspatrouilles aan de Minakust moeten worden opgegeven gevolgd door het opgeven van de regelmatige bevoorrading van São Jorge. Eerst als de nood in het fort hoog gestegen is en dan alleen nog als er schepen voor kunnen worden vrijgemaakt, zal de vesting bevoorraad worden. Deze maatregelen worden niet getroffen omdat Portugal geen belangstelling meer heeft voor de forten aan de Minakust, maar omdat het land niet meer in staat is geregelde verbindingen te onderhouden met de afgelegen delen van zijn imperium. Hierbij speelt een rol dat São Jorge niet op de gebruikelijke vaarroute naar Indië of Brazilië ligt.

Tegen de achtergrond van het verval van de Iberische macht, doen de Hollanders in het laatste decennium van de zestiende eeuw hun entree in de Golf van Guinée, nadat zij vanaf 1585 een aandeel in het vervoer van Braziliaanse suiker naar Europa hebben verworven. In 1600 hebben hun schepen de Franse en Engelse scheepvaart in de Golf geheel overvleugeld en zijn de Hollanders uitgegroeid tot de meest serieuze bedreigers van de Portugese positie in de Golf van Guinée. De eerste keer dat een Hollands schip naar de Golf van Guinée komt, is in 1563. In dat jaar komt een vaartuig uit Amsterdam, via Lissabon en San Lúcar de Barrameda naar het eiland São Tomé komt. Hollandse schepen laten zich vanaf 1594 echter geregeld in de Golf zien, nadat Barent Erickszoon een jaar eerder al een zeer profijtelijke verkenningstocht naar de Minakust had gemaakt. Deze schipper uit Enkhuizen is drie jaar eerder, toen hij op weg was naar Brazilië, door de Guinéestroom naar Princípe verzet en in handen van de Portugezen gevallen. Op de belevenissen van Barent Erickszoon wordt later teruggekomen.

John Vogt, aan wiens voortreffelijke boek veel bijzonderheden over de Minakust zijn ontleend, somt een aantal financiers van de Nederlandse `Vaart op de Goudkust’ op, zoals Jonas Witsen, Hans Simons, Jacques de Velaer, Pieter de Hasselaer, Gerard Lubbertsz. En Jan Jacobszoon Melcknap, van wie sommigen ook tot de oprichters van de VOC behoren. Tot de eersten die naar de Minakust zeilen behoren de Zeeuwen van Franse of Zuid-Nederlandse afkomst: Balthazar de Moucheron (aan wie later meer aandacht zal worden besteed) en zijn compagnons, Pierre Lemoyne, Cornelis Meunicx en André de la Faille. De schepen van deze lieden zijn tegen 1600 een vertrouwd gezicht voor de Portugezen die in Axim of São Jorge de uitkijkposten bemannen. Zowel in Holland als in Portugal beginnen tegen die tijd geruchten te circuleren dat de Hollanders van plan zijn een sterke vloot bijeen te brengen, om daarmee een aanval te doen op de Portugese forten aan de Minakust. Deze geruchten moeten mede ontstaan door een tamelijk impulsieve aanval van schepen van Balthazar de Moucheron op het Fortaleza São Jorge da Mina.in 1596, waarvan Ratelband melding maakt. Hij veronderstelt dat Moucheron met zijn aanval mede heeft beoogd een steunpunt op de route naar Indië te verkrijgeni Vogt meldt dat de Portugezen in São Jorge niet minder dan negen Hollandse zeilen tellen in de eerste zeven maanden van 1600, maar dat een aanval uitblijft.

In 1600 zijn de Hollanders veel beter uitgerust voor succesrijke handel aan de Minakust dan de Portugezen. Zij beschikken niet alleen over de noodzakelijke schepen, maar zij kunnen ook heel gemakkelijk aan de metaalwaren en kleding komen om met de zwarten voor goud te ruilen. De Portugezen hebben deze ruilwaar via hun feitoria in Antwerpen aangekocht. Toen de factorij in 1549 werd gesloten, zijn zij dezelfde ruilwaren in Antwerpen blijven kopen. De opstand van de Nederlanden tegen koning Philips II doet de handel van Antwerpen niet bepaald goed; hij verplaatst zich hoe langer hoe meer naar Amsterdam en naar andere steden in de Noordelijke Nederlanden; plaatsen die van oudsher niet veel zaken met Portugal doen. De Portugezen laten hun oog vallen op textiel uit Indië en al ras begint uit Indië aangevoerde mousseline de Vlaamse stoffen in de goudhandel te vervangen. Er is zoveel vraag naar stoffen uit Indië, dat het verlies door het wegvallen van Vlaamse stoffen goeddeels wordt gecompenseerd. Maar na 1550 kunnen de Portugezen niet meer aan de vraag voldoen, zodat de Hollanders een markt vinden die klaar is hun goederen te ontvangen.

Tegen 1600 houden de Portugezen maar geringe voorraden handelswaar aan, vergeleken met de voorraden van een eeuw terug. Waren manilhas in 1500 de belangrijkste ruilwaar, een eeuw later is hun plaats ingenomen door ijzer in baren. Noord-Afrikaanse wollen kleding is vervangen door in de Oriënt vervaardigde matanzes, chaudeis en guandares. Aan de geregelde aanvoer van slaven uit São Tomé is een einde gekomen. Aan het begin van de zeventiende eeuw is de vraag naar slaven in Brazilië zo groot, dat de Portugese Kroon toestaat dat het garnizoen slaven voor eigen behoeften tracht te verwerven. Om de vriendschappelijke betrekkingen met de bij het fort wonende zwarten niet onder druk te zetten, mag het garnizoen geen slaven maken in een kuststrook van tien léguas aan weerszijden van São Jorge. In 1616 wordt deze bepaling officieel van kracht, maar de druk is groot om te trachten slaven te verwerven overal aan de Minakust. In Pernambuco of São Salvador da Baía brengt een eersteklas slaaf 20.000 reais op.

Tegen de tijd dat Cristóvão de Melo in São Jorge aankomt, zijn de door Philips II in het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw bevolen renovatiewerkzaamheden vrijwel voltooid. Een van de laatste zaken die nog moet gebeuren is de afbraak van de kapel op de heuvel van Santiago, die vanaf de andere kant van de Benya uitkijkt op het fort. De zeer strategisch gelegen heuvel ligt op het gebied van Efutu, waarmee de laatste jaren een gewapende vrede wordt gehandhaafd. Nadat de kapel is afgebroken, heeft een afdeling Portugese soldaten posities ingenomen op de heuveltop. Zij zien vanachter een borstwering uit op de marsroute van degenen die het fort bedreigen.

Tijdens de jaren van toenemende Hollandse invloed aan de Minakust, culminerend in het treffen van 1606, heeft ook capitão-geral Cristóvão de Melo geworsteld met het probleem van de bevoorrading, evenals zijn voorganger João Rodriguez (Roiz) Coutinho. Zoals eerder vermeld is, heeft Giovanni Baptista Rovelasco in juni 1589 de Minakust voor negen jaar gepacht. Hij is tegelijkertijd een contract aangegaan, op basis waarvan hij grote hoeveelheden Indische peper mag invoeren. Rovalesco betaalt voor zijn Mina-contract jaarlijks 60.000 cruzados en bovendien de salarissen van het garnizoenen en alle andere kosten van de forten. Hij dient ook de kosten te dragen van de inzet van twee galeien aan de kust. De Italiaan dient tenslotte jaarlijks 6.000 cruzados te betalen voor een door de Kroon te bepalen vroom doel en hij moet zorgen voor twee arrobas was. Het is zonneklaar dat de Italiaan de meeste aandacht besteedt aan zijn lucratieve pepercontract. Hiervoor zet hij al zijn schepen in en hij houdt slechts een enkel karveel achter de hand voor bevoorrading van de posten aan de Minakust en om zieke en gestorven manschappen te vervangen. Capitão-geral Coutinho heeft wegens de gebrekkige bevoorrading zijn uitgaven al moeten beperken. Hij heeft enige reconstructiewerken doen vervallen en hij heeft verordonneerd dat de galeien niet meer de kust dicht bij de forten behoefden te controleren.

Rovalesco heeft voor de laatste maal de Minakust bevoorraad in 1596, toen gouverneur Cristóvão de Melo naar zijn nieuwe standplaats vertrok. Hij wil zijn contract achttien maanden later niet verlengen. Het beheer van de Minakust wordt overgenomen door een nieuw consortium van kooplieden, onder leiding van de bankier João Gomes da Silva. De leden van het consortium ontdekken al gauw dat zij niet in staat zijn hun financiële verplichtingen aan de Kroon na te komen en als in 1603 de eerste termijn van het contract afloopt, wordt het niet vernieuwd. De Conselho de Portugal bespreekt opnieuw de idee de goudhandel voor iedereen open te stellen. Estêvão de Faro verdedigt dit voorstel, dat de handel enorm zal stimuleren. Het voorstel wordt aangenomen. Als de kapiteins veertig procent belasting afdragen aan de Casa da Mina over de handelswaar waarmee zij naar de Minakust vertrekken, mogen zij overal langs deze kust handeldrijven en het geruilde goud vrij in Portugal invoeren. Aartshertog Albrecht verzet zich tegen Faro’s voorstel. Hij kiest ervoor de Minakust opnieuw te verpachten aan Pero Borges de Sousa. Het contract gaat 26 april 1603 in en heeft een looptijd van tien jaar. Het verschil met zijn vorige contract is dat de jaarlijkse pachtsom verlaagd is naar 40.000 cruzados. In september 1606 wordt het contract, wegens insolventie van Pero Borges de Sousa beëindigd. De enige koopman die nog bereid is de Minakust van de Kroon te pachten is de bejaarde Giovanni Baptista Rovalesco.

Sedert 1567, het jaar waarin de goudhandel aan de Minakust voor de eerste maal werd verpacht, heeft nog nooit een pachter, na afloop van de afgesproken termijn, het contract willen verlengen. Sommige pachters kwamen zelfs in grote financiële problemen en waren gedwongen de aangegane overeenkomst voortijdig te beëindigen, omdat de ontvangsten van goud bij de verwachtingen achterbleven. Ook ging soms een met goud geladen schip op weg naar Portugal verloren. Zo werd in 1577 een groot schip dat met zeven quintais goud uit São Jorge vertrokken was, door kapitein Sore uit La Rochelle geplunderd. Deze en soortgelijke niet gerapporteerde verliezen maken de pachtovereenkomst tot een riskante aangelegenheid. In 1578 keert een bevoorradingsschip met goud ter waarde van 200.000 cruzados in Portugal terug. Wat elders in Europa niet onopgemerkt blijft. Magalhães Godinho viteert uit Relationi Universali (1592) van Botero, die schrijft: `vi tengono una fortezza, anzi colonia, che si chiama San Giorgio della Mina, col cui mezo tirano à se, per via di traffivo l’oro, e la ricchezze dei paesi circostanti’. Het duurt dan echter vijf jaar voor de al genoemde hoeveelheid goud van 300.000 cruzados in Portugal wordt aangevoerd. Achter in de jaren tachtig verminderen de goudontvangsten tot hoeveelheden, waaruit de salarissen van de soldaten in São Jorge en Axim zelfs niet meer kunnen worden betaald; de factorijen op Arguim en in Cantor ontvangen meer goud dan São Jorge da Mina. Het gevolg hiervan is dat de pachters geen geld meer hebben om de Minakust te bevoorraden met voor de zwarten begeerde waren. In 1596 komt de nieuwe capitão-geral Cristóvão de Melo aan met drie bevoorradingsschepen, het is – zoals al gezegd – de enige keer dat Rovelasco in negen jaar schepen naar São Jorge gezonden heeft. Het consortium van João Gomes da Silva zendt in de loop van 1598 of in de eerste maanden van 1599 een schip. Mogelijk zijn er meer schepen uitgestuurd, maar wellicht zijn zij gekaapt of vergaan. De Golf van Guinée begint zo gevaarlijk te worden voor Portugese schepen dat nog maar een enkele kapitein het verlies van zijn schip durft te riskeren. De volgende bevoorrading geschiedt als Pero Borges de Sousa in 1604 twee karvelen naar São Jorge zendt. Beide schepen komen veilig aan met kleding, 15.000 bronzen manilhas en 50 quintais búzios van Indië en de Malediven. Het zijn de eerste manilhas die São Jorge sedert decennia bereiken. De karvelen voeren ook manschappen aan, die de opengevallen plaatsen in het garnizoen zullen innemen. Sommige functionarissen wachten al bijna een decennium tot zij eindelijk worden afgelost. De bevoorrading van 1604 is overigens de laatste voor de aanval van de Hollanders in 1606. Gouverneur Dom Cristóvão de Melo ontvangt van São Tomé nog wel een beperkt aantal slaven en enige bevoorrading, maar de autoriteiten kunnen geen troepen zenden om de verdediging van São Jorge te versterken.

De gebrekkige bevoorrading van de Portugese forten aan de Mina-kust is niet geheel te wijten aan de pachters; er is ook sprake van een groot tekort aan schepen en de weinige zeewaardige schepen die er zijn, worden ingezet voor reizen naar Brazilië en Indië. Koning Filipe I heeft bovendien de inzet van buitenlandse schepen en bemanningen in het Império Português verboden, met uitzondering van Madeira en de Azoren. De koning heeft wel de bouw van nieuwe schepen op de koninklijke werven van Lissabon bevolen, maar deze kampen met tekorten aan materialen en geld. Het gevolg van de gebrekkige bevoorrading van São Jorge en Axim is de onvrede over de kwaliteit van het voedsel waarop het garnizoen moet leven en dat te wensen overlaat. Tegen 1606 bestaat het menu geheel uit lokale producten en vis, dat slechts incidenteel wordt aangevuld met meel en olie uit São Tomé en Portugal. Een ander probleem is de achterstand bij de uitbetaling van salarissen. De laatste decennia zijn de ontvangsten van goud te gering geweest om daaruit de salarissen van soldaten, ambtenaren en priesters te kunnen betalen. Buiten diensttijd wonen de meeste soldaten bij hun zwarte vrouwen of minnaressen in de nabijgelegen dorpen. Kort na aankomst van vicaris Frei Gaspar Soares ontstaat er tussen hem en gouverneur Melo een conflict, omdat de vicaris in zijn berichten naar Portugal de gouverneur ervan beticht heeft niet op te treden tegen deze en andere vergrijpen tegen de krijgstucht. Het geschil tussen het tweetal blijft bestaan totdat Melo de vicaris dwingt in 1604 naar Portugal te vertrekken met een van de twee karvelen die São Jorge dat jaar bevoorraad hebben. Melo rechtvaardigt zijn optreden in brieven, waarin hij de vicaris verwijt zelf de vervulling van zijn plichten te hebben verwaarloosd. De caravela waarmee Frei Gaspar Soares naar Portugal onderweg is, de Nossa Senhora da Piedade, wordt genomen door de Hollanders, die de vicaris meenemen naar Holland en hem eerst na een gevangenschap van achttien maanden vrijlaten. Onderweg naar Portugal doet de vicaris een boekje over Dom Cristóvão de Melo open. Hij zou een grote hoeveelheid gierst voor het garnizoen op de lokale markt hebben gekocht uit een potje beheerd door de kerk. Daarin zijn de niet uitbetaalde salarissen aan inmiddels overleden soldaten gestort. In plaats van dit geld aan hun erfgenamen te zenden, heeft Melo het aangewend voor het welzijn van zijn mensen.

Als in het laaste bevoorradingsschip van 1604 uit São Jorge vertrekt, blijft een garnizoen van vijftig blanken achter. In dit aantal zijn inbegrepen functionarissen, gewone soldaten en ambachtslieden. De capitão-geral dankt de koning voor de ontvangen aanvullingen van mensen en voorraden. Ondanks de bevoorrading heeft het fort een gevaarlijk tekort aan kruit, musketten, ijzer voor kruisboogpijlen, lood voor kogels en medicijnen voor de apotheek. São Jorge mist ijzeren hulpstukken voor enige kanonnen. De oude hulpstukken zijn bij de renovatie weggeraakt en zij zijn nimmer vervangen.. Melo vraagt om de renovatie te kunnen voltooien bij de volgende bevoorrading te zenden: kalk, 100.000 dakpannen en stenen, twee metselaars en twee smeden. Hiermede is de situatie van en in São Jorge geschilderd aan de vooravond van de aanval door de Hollanders.

De maatregelen die de Portugezen aan het begin van de zeventiende eeuw treffen om de levendige handel aan de Minakust te herstellen, houden onvoldoende rekening met de groeiende macht van hun Hollandse concurrenten.. Deze vinden zelfs de zwarten die dicht bij São Jorge en Axim wonen, bereid zaken met hen te doen. De handelaren uit de Lage Landen zijn in het bijzonder welkom in het dorp Moure (Mori), gelegen 24 kilometer ten oosten van São Jorge. Ondanks de nabijheid van het fort, erkennen de bevolking van Moure het gezag van de Portugese gouverneur niet. Ballong-Wen-Mewuda schrijft, daarbij Marées citerend: `De Sabu zijn de eersten die getoond hebben welwillend tegenover de Hollanders te staan en hebben hen aan land laten komen’. Tussen 1595 en 1600 beschikken de Hollandse kooplieden over een kleine niet-versterkte handelspost in Moure, om de lokale goudhandel naar de post te leiden en in 1601 wordt in de Staten-Generaal voorgesteld een compagnie op te richten en een gewapend Hollands fort te bouwen, om de rijke goudhandel in Moure te beschermen. De Mina-compagnie zou een poging kunnen wagen de vesting São Jorge zelf te veroveren. Ofschoon de winsten behaald met de goudhandel wijd en zijd in de Lage Landen bekend zijn, blijft het plan rusten, omdat in die tijd alle aandacht uitgaat naar de oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Voorstellen tot oprichting van de Mina-compagnie, besproken in de Staten-Generaal in 1605 en 1606, leiden evenmin tot een formeel besluit. De grootste pleitbezorger van de oprichting van een West-Indische compagnie, die met Spanje zou moeten wedijveren in de Atlantische Oceaan, is Willem Usselincx, die het plan in de Staten van Holland en in de Staten-Generaal introduceert. De voorzitter van dit lichaam, Johan van Oldenbarnevelt, is tegen Usselincx’ voorstel gekant, omdat hij doende is met Spanje een wapenstilstand uit te werken. De oprichting van de tegenhanger van de VOC voor Spaanse en Portugese gebieden rond de Atlantische Oceaan dient te wachten tot na 1621

Ondanks het stilvallen van het politieke debat over de oprichting van de Mina-compagnie, neemt de belangstelling van de Hollanders voor de goudkust toe. Tussen 1600 en 1605 verwerven zij jaarlijks goud ter waarde van niet minder dan 500.000 cruzados uit het gebied, waar jaarlijks meer dan een dozijn schepen naartoe zeilen. Magalhães Godinho merkt in dit verband op. `In 1605 zijn twintig van hun handelsschepen in Guinée, wat de ondergang van Portugal betekent’. In 1606 doet zich – volgens John Vogt – voor de Hollanders een kans voor een militaire actie te ondernemen tegen de Portugese forten. Vogt, die de Hollandse aanval van 1606 aan de vergetelheidii ontrukt heeft, deelt daarover het volgende mee. Een verraderlijke Portugees deserteert uit São Jorge en zoekt toevlucht bij de Efutu. Zij brengen hem in contact met Hollandse handelaren in Accra. De verrader, wiens naam niet is overgeleverd, wordt meegenomen naar Holland, waar hij wordt ondervraagd over de sterkte en de bewapening van het Portugese garnizoen van São Jorge. Hij vertelt dat het moreel van het garnizoen laag is, omdat het gebrek lijdt door niet-tijdige bevoorrading. Hij suggereert dat zeven of acht schepen en een paar honderd soldaten voldoende zijn om zijn landgenoten uit São Jorge te verdrijven. De deserteur stelt voor een zwaar belegeringskanon te plaatsen op de top van de heuvel van Santiago, welke heuvel uitsteekt boven het fort. Ondanks dat de Staten-Generaal nog geen beslissing hebben genomen over de oprichting van de WIC, besluiten Usselincx, een calvinist afkomstig uit Antwerpen, en zijn medestanders schepen en troepen bijeen te brengen voor de aanval op São Jorge, waarvoor de tijd gunstig wordt geacht. De Hollandse schepen zeilen uit in de late zomer van 1606 en ankeren in de avond van 6 september bij Moure, waar de troepen worden ontscheept. Besloten wordt te voet naar het fort te trekken, een tocht van vier uren. Het garnizoen van São Jorge staat aan de vooravond van een veldslag met een andere Europese mogendheid om de controle over de Minakust.

Dom Cristóvão de Melo die het Fortaleza São Jorge da Mina, tegen de Hollandse aanval dient te verdedigen is een soldaat met grote ervaring. Hij heeft met Dom Sebastião gestreden bij Alcaçar Quibir, hij is daar gevangengenomen, is later vrijgekocht en lis tenslotte in dienst getreden van Philips II. Hij was, vlak voor zijn benoeming tot capitão-geral van São Jorge da Mina, belast met het bevel over de troepen die Cascais, moesten verdedigen tegen een dreigende aanval van de Engelsen, die overigens is uitgebleven. Dom Cristóvão bekleedt zijn ambt in 1606 al tien jaar, wat langer is dan de ambtstermijn van ieder van zijn voorgangers. Gedurende de eerste week van september ontvangt capitão-geral Dom Cristóvão van vissers van São Jorge de waarschuwing dat zes schepen aan de kust voor anker zijn gegaan, op afstand van ongeveer vijftig mijl ten oosten van São Jorge. De gouverneur zendt een soldaat in een kano, bemand met zwarte roeiers, op onderzoek uit. Hij moet zien te achterhalen wat de bestemming van de schepen is. Enkele dagen later vertellen Afrikaanse kooplieden die São Jorge bezoeken, de gouverneur dat zijn man is gevangengenomen en dat de zes schepen geen koopvaarders zijn, maar bewapende Hollandse soldaten aan boord hebben. Zij liggen bij Moure, waar zij een groot aantal manschappen en kanonnen hebben ontscheept. Dom Cristóvão bedenkt dat São Jorge waarschijnlijk wel een enkele aanval van deze strijdmacht kan afslaan, maar dat de vesting geen langdurige belegering kan weerstaan. Daarom is het beter te trachten de vijand in een gevecht te verslaan, voordat de Hollanders het fort beginnen te belegeren. De capitão-geral kan tegenover de Hollandse strijdmacht van 600 man niet meer dan vijftig blanke Portugezen, aangevuld met 130 zwarte Elmina-krijgers in het veld brengen.

Nadat de Hollanders op de morgen van 6 september 1606 een schip met een peloton soldaten naar het westen hebben gezonden, met de opdracht het Forte de Santo António in Axim te veroveren, hebben zij hun hoofdmacht in Moure ontscheept. Zij beginnen de volgende dag aan hun opmars. Om negen uur is de colonne gevorderd tot op een halve mijl van het fort, waarin de gouverneur hen opwacht.. De Hollandse commandanten gunnen hun manschappen een rustpauze, op een plaats waar tachtig zwarte krijgers en tien Portugezen die het geschut bedienen, in hinderlaag liggen. Zij liggen aan weerszijden van het pad dat de Hollanders vanuit Moure volgen. Met de rest van zijn troepen verzamelt Dom Cristóvão de vrouwen en kinderen en zelfs het vee en de andere dieren van zijn zwarte krijgers in de vesting. Plotseling springen de zwarte krijgers te voorschijn en storten zich op de rustende Hollandse soldaten. Kennelijk heeft de vijand, vertrouwend op hun aantal, het niet nodig gevonden hun flanken te beveiligen met tirailleurs en wachtposten. De Hollanders die de laatste jaren weinig Portugese activiteiten hebben waargenomen, menen daaruit te kunnen afleiden dat het Portugese bewind in São Jorge op instorten staat. Zodra de Hollanders van hun eerste schrik zijn bekomen, sluiten zij hun rijen en trachten zich te verdedigen, maar zij zijn geen partij voor de Elmina-krijgers, die het voordeel van de verrassing genieten en die het terrein beheersen. De opeengepakte Hollandse formatie kan zijn geschut nauwelijks gebruiken; zij zijn in het nadeel tegen lansen, bijlen en kruisbogen van hun tegenstanders. Bovendien worden veel Hollandse soldaten getroffen door kogels van in het struikgewas verscholen Portugese en Afrikaanse schutters. Na twee uren is het gevecht ten einde. De Hollanders trekken in wanorde terug en trachten hun schepen te bereiken. Zij laten bijna honderd doden in het woud achter. Dom Cristóvão, die van zijn ziekbed is opgestaan om de aanval te leiden, geeft de rest van het garnizoen opdracht de wegvluchtende Hollanders te achterhalen. De achtervolgende Portugezen brengen in de verspreide botsingen van de namiddag twee sloepen en een reddingsboot tot zinken, zij bemachtigen of vernietigden grote voorraden munitie en doden nog eens 65 Hollanders. Volgens eigen zeggen hebben de Portugezen dertien doden te betreuren en zijn 27 man zwaar gewond geraakt. Hierbij is geen onderscheid is gemaakt in Europeanen en Afrikanen.

Bij Axim vergaat het de Hollanders niet veel beter. De feitor in Forte de Santo António, Luís Soares, is van tevoren gewaarschuwd dat de vijand in aantocht is en hij slaagt erin zijn sterkte dapper te verdedigen met behulp van zwarten uit de naburige dorpen. De Afrikaanse krijgers worden voor hun hulp betaald met handelswaar die is opgeslagen is het pakhuis van het fort. Ten tijde van de aanval van de Hollanders bestaat de verdediging van fort Santo António uit niet meer dan acht blanken. Hier staat tegenover dat zij die het fort willen aanvallen, daar niet vlak bij komen. Hollandse schepen ondervinden grote moeilijkheden bij het handeldrijven in de ondiepe toegang tot de kleine haven. Als de Hollandse troepen eindelijk zijn geland, lijkt het of zij in de val zijn gelopen. Zij bevinden zich namelijk op een smal strand dat overschaduwd wordt door de kanonnen van het fort. Na enige uren waarin schoten worden gewisseld, zoeken de Hollanders hun schepen op en vertrekken. Na de mislukte aanval op São Jorge da Mina uit 1596 is dit de tweede mislukte aanval op de Portugese sterkten aan de Minakust geweest.

Ondanks hun pijnlijke nederlaag van 7 september 1606, verlaten de Hollanders de Minakust niet. Zij blokkeren met hun oorlogsschepen de haven van São Jorge, om te aanvoer van voorraden te voorkomen. In december geen Hollandse troepen aan land en zij vallen herhaalde malen de buitenmuur van São Jorge aan en steken een nabijgelegen dorp in brand. Bij iedere aanval worden zij teruggeslagen door de sterke verdediging van het fort en door de Portugese en zwarte soldaten, die de buitenmuur van het fort bewaken. Uiteindelijk breken de Hollanders de blokkade van de haven tegen eind januari 1607 af en hun schepen vertrekken.

Na afloop van de blokkade verschijnt een Engels schip aan de ingang van de haven van São Jorge. Het schip vervoert een lading slaven die het van São Tomé naar São Jorge moet brengen. Dom Cristóvão slaagt erin van de kapitein van het Engelse schip een kleine hoeveelheid kruit, enige musketten en verschillende kruisbogen te kopen. Voor de eerste maal, sinds de Hollandse aanval van vorig jaar, is de gouverneur in de gelegenheid de buitenwereld in kennis te stellen van het afslaan van de Hollandse aanval. Als de Engelsman op 8 februari weg zeilt, brengt het een boodschap van Dom Cristóvão over, waaraan hij de autoriteiten van São Tomé in kennis stelt van zijn eclatante overwinning, welk nieuws eind augustus Lissabon bereikt. Hij laat de Conselho de Portugal kort en goed weten dat als São Jorge niet op korte termijn hulp van buitenaf ontvangt, de Kroon niemand in Axim en São Jorge meer levend zal aantreffen. Dit zal ook het geval zijn als hulp te lang uitblijft.

De gedetailleerde voorbereidingen om Dom Cristóvão de Melo na 1607 te hulp te komen, bewijzen de moeilijkheden die Portugal ontmoet om zich in zijn West-Afrikaanse presidios te handhaven. Een eeuw eerder voeren er nog een dozijn caravelas per jaar met voorraden en versterkingen naar de Minakust. In 1607, evenwel, is het heel gewoon als een eskader met een vertraging van een of twee jaar vertrekt. Het kost veel tijd om de berg paperassen die de bureaucratie met zich brengt als schepen worden uitgerust, de baas te worden. Er moeten honderden brieven verwerkt worden om de verschillende aspecten van de geplande expeditie voor te bereiden. Daarbij dienen ook veel benoemingsbrieven te worden gepubliceerd. Werkzaamheden om de nodige schepen te vinden kosten ook weer tijd. Interimrapportages en vele andere boodschappen dienen vele raden en individuele adviseurs, zowel in Portugal als in Spanje te passeren, voordat koning Philips uiteindelijk met de plannen instemt. De eerste stappen op weg naar het zenden van de expeditie die São Jorge hulp moet brengen, worden al eind 1605 gezet. Op 18 oktober van dat jaar legt de onderkoning van Portugal koning Philips II een aantal namen voor van kandidaat-opvolgers van capitão-geral Dom Cristóvão de Melo. De koning kiest uit de lijst voorgelegde namen, de naam van Duarte de Lima uit. Hij zal de nieuwe gouverneur aan de Minakust worden. Als Philips in augustus 1606 bericht ontvangt over de dreigende Hollandse aanval, komt de vorst opnieuw in actie. Hij geeft de onderkoning, Pedro de Castilho, bisschop van Leiria, opdracht een flottielje van zes caravelas uit te rusten, om deze met 150 soldaten, die voedsel meekrijgen voor een jaar, direct uit te zenden om de defensie van de Minakust te versterken. Philips belast Estêvão de Faro, lid van de Conselho de Portugal en een groot voorstander van het versterken van de verdediging van de Minakust, met de coördinatie van de uitrusting van de flottielje.

Faro eerste ontmoedigende rapportage over de situatie in Lissabon is gedateerd 7 september 1606 en bereikt de Conselho de Portugal in Madrid al een week later, omdat een speciale koerier de volgende boodschap heeft overgebracht. Er zijn in Lissabon geen fondsen te vinden om voor de flottielje voorraden te kopen of om de schepen uit te rusten. Faro beklaagt zich tegenover de koning erover, dat de huidige pachter van de Minakust, Pero Borges de Sousa, niet bereid is aan de hulpoperatie bij te dragen, door levensmiddelen en andere voorraden voor de forten ter beschikking te stellen. Hij bericht ook dat de kapitein van een karveel met bestemming Pernambuco aan de Afrikaanse kust achttien Hollandse zeilen heeft geteld. De schepen varen naar het zuiden en zijn wellicht op weg naar de Minakust. Ondanks dat de situatie aan de Minakust de hulpoperatie zeer urgent maakt, wordt zij twee maanden uitgesteld. In november wordt besloten onmiddellijk een caravela met de meest nodige voorraden uit te zenden. Philips geeft ook opdracht twee galeien te bouwen, waartoe de Kroon verplicht is, op basis van het recentelijk met Rovelasco aangegane nieuwe contract. Het contract met Pero Borges de Sousa is namelijk verbroken, omdat deze zijn contractuele verplichtingen niet nakomt.

Het jaar 1507 verstrijkt zonder dat er schepen naar de Minakust worden uitgezonden. Het ene karveel dat onmiddellijk had moeten vertrekken, is zelfs niet uitgerust wegens een volkomen gebrek aan koninklijke fondsen. De nieuwe capitão-geral aan de Minakust bevindt zich nog steeds in Spanje en is te ziek om te reizen. In juli 1607 wordt voor het eerst sedert 1604 rechtstreeks nieuws van de Minakust ontvangen, als Ambrosio Ferreira, de tweede escrivão van São Jorge da Mina, met een persoonlijke boodschap van capitão-geral Dom Cristóvão de Melo in Lissabon arriveert. Melo zendt bericht over de afgeslagen Hollandse aanval in september van het voorafgaande jaar en vraagt dringend om bevoorrading en om versterking van het garnizoen. Philips II herhaalt zijn dringende wens dat er caravelas worden uitgerust om São Jorge te bevoorraden en die gouverneur Duarte de Lima op zijn reis naar zijn standplaats gaan vergezellen. Duarte de Lima ontvangt de opdracht zo spoedig mogelijk uit te varen. Drie dagen hierna laat de Conselho de Portugal de koning weten dat er geen geld is om ook maar een schip uit te rusten. Leden van de Raad komen met de suggestie dat zes of zeven schepen die deel uitmaken van de vloot die admiraal Fajardo aan het verzamelen is om een kustbewakingsexpeditie naar Indië op te zetten en die in oktober 1608 zal uitzeilen, in te zetten voor de Minakust. De aan de vloot toegewezen schepen zouden naar de Minakust kunnen zeilen en zij dienen op tijd in Lissabon terug te zijn, om zich bij de vloot voor Indië te voegen. Het voorstel wordt voorgelegd aan de Consejo de las Indias, welke raad zijn toestemming dient te geven. Het plan wordt geamendeerd; aanbevolen wordt slechts een karveel van de vloot van Fajardo naar São Jorge da Mina te laten gaan. De versterking van het fort heeft al zoveel vertraging ondergaan dat de Conselho de Portugal koning Philips aanbeveelt Duarte de Lima ook instructies mee te geven over wat hem te doen staat als hij zou bemerken dat de vesting in vijandelijke handen is.

Wanneer de flottielje dat São Jorge gaat bevoorraden eindelijk uitzeilt, bestaat het uit drie schepen: een transportschip, met de toepasselijke naam de Nossa Senhora da Ajuda, en twee caravelas. De twee galeien die worden gebouwd om te worden ingezetaan de Minakust, maken geen deel uit van de flottielje, omdat deze vaartuigen nog niet voltooid zijn alsde flottielje vertrekt. zullen de Minakust in 1609 bereiken. Gouverneur Duarte de Lima verlaat Lissabon eind mei of begin juni 1608 en hij arriveert in juli in São Jorge. Het heeft niet minder dan 34 maanden geduurd om de flottielje te doen uitvaren. Gedurende dezelfde periode is er driemaal een Hollandse vloot naar de Minakust gevaren en de schepen zijn telkens in het vaderland teruggekeerd geladen met aanzienlijke hoeveelheden goud en ivoor.

De nieuwe capitão-geral neemt 80 nieuwe soldaten met zich mee die het garnizoen versterken. Duarte de Lima treft het fort in zo’n deplorabele staat aan, dat hij ogenblikkelijk noodmaatregelen moet treffen. Het nijpenste probleem is de uitbetalingen van de salarissen van het garnizoen, want de goudontvangsten over de afgelopen vijf jaar zijn te gering geweest om daaruit de jaarlijkse salarissen volledig te kunnen betalen. Duarte de Lima controleert de boeken van Afonso Martins Albernás, die in de genoemde periode de functie van feitor in de vesting heeft bekleed. Als de capitão door het bepalen van totalen heeft vastgesteld dat er een hoeveelheid goud ontbreekt, gelast hij de ogenblikkelijke arrestatie van Albernás en de beide escrivães. Duarte de Lima bedreigt het drietal met onmiddellijke executie als zij het verduisterde goud niet teruggeven. Albernás bekent dat hij het goud heeft verduisterd en hij wijst de capitão-geral waar hij het heeft verborgen. Als de Conselho de Portugal het optreden van Duarte de Lima verneemt, wil de raad hem scherp berispen voor zijn dreigementen. Koning Philips stelt zich echter vierkant achter zijn nieuwe gouverneur op Hij is van mening dat hij dank verdient voor zijn toewijding en omdat hij de zaak tot een goed einde heeft gebracht. In zijn brief aan de Conselho de Portugal schrijft Philips dat het een ongeschikt moment is om de macht en de autoriteit van de capitão-geral aan de Minakust te beperken Capitão-geral Duarte de Lima sanctioneert ook de greep van zijn voorganger Dom Cristóvão de Melo in de kas van de kerk voor de betaling van achterstallige salarissen.

Terwijl Duarte de Lima druk bezig is orde op zaken te stellen aan de Minakust, onderhandelt Philips II met de Republiek der Verenigde Nederlanden over het aangaan van een wapenstilstandsovereenkomst. Op 9 april 1609 wordt het Twaalfjarig Bestand formeel door partijen ondertekend. De artikelen vier en vijf verbieden de Hollanders handel te drijven in het Spaanse imperium. Zij mogen wel handeldrijven met gebieden die niet rechtstreeks onder Spaanse soevereiniteit staan. Te begrijpen valt dat juristen uit de Republiek de betreffende artikelen in hun eigen voordeel uitleggen. De Hollanders betogen dat de Spaanse autoriteit aan de Minakust zich beperkt tot de gebieden die onder directe persoonlijke controle van de Portugese forten staan. Dit wordt geïnterpreteerd als het smalle strookje land vlak rond de forten, waar zich de dorpen bevinden van de zwarte bondgenoten van de Portugezen. Naburige koninkrijken als Efutu, Commany, Asebu (Sabu), Accra en andere worden beschouwd als onafhankelijk van de Portugese autoriteit, met wie het de Hollanders niet verboden is handel te drijven. Deze redenering snijdt hout, de Hollanders kunnen wat de kuststaat Asebu met recht beweren dat dit gebied tot hun eigen invloedssfeer gerekend kan worden. Zij bezitten daar een handelspost, die zij begonnen zijn te versterken.

Duarte de Lima ontvangt het nieuws over het Twaalfjarig Bestand door de aankomst van een bevoorradingsschip en de twee nieuwe galeien die op 22 december 1509 de haven van São Jorge binnenlopen. De Portugese gouverneur geeft dezelfde uitleg aan de artikelen vier en vijf van het Twaalfjarig Bestand als de Hollanders. Hij heeft al de meest actieve militaire campagne tegen de Hollandse indringers gelanceerd sedert de aanvallen op Franse en Engelse piraten in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Eind september heeft hij, ondanks de afwezigheid van Portugese galeien aan de kust in die tijd, met succes een aanval ondernomen op een vaartuig van Elias Trip dat van Amsterdam op weg is naar Moure. Duarte de Lima zendt zijn soldaten uit in oorlogskano’s die bemand worden door Elmina-negers. Zij overvallen de kleine bemanning van Trips scheepje. De Hollandse gevangenen van het gevecht worden naar São Jorge gebracht tezamen met de geconfisqueerde goederen van het schip. De aankomst van de twee nieuwe galeien in december 1609 betekent een aanzienlijke versterking van Portugals militaire positie aan de Minakust. De capitão-geral verliest geen tijd; hij zendt de galeien direct uit op patrouille. Tijdens hun allereerste tocht ontwaren de galeien een klein Hollands schip, dat behoort aan Maerten Papenbroeck. Het wordt aangevallen en ontdaan van zijn lading. De bemanning wordt in São Jorge opgesloten.

In 1610 voelt Duarte de Lima zich sterk genoeg om de Hollandse macht ook te land uit te dagen. In de nacht van 6 op 7 januari gaan Portugese troepen behorend tot het garnizoen van São Jorge aan boord van de twee galeien. Zo worden vergezeld van ongeveer acht oorlogskano’s vol met Elmina-krijgers. De Afro-Portugese strijdmacht roeit stilletjes naar Moure. De troepen gaan vlak voor zonsopgang aan land, op korte afstand van de Hollandse post. Zij overvallen de vijandelijke schildwachten en voor de Hollanders hun wapens kunnen grijpen, vallen de Portugezen hen aan, terwijl hun zwarte bondgenoten het stadje Moure naast de post aanvallen en in brand steken. De Portugezen vechten zich ondertussen naar het strand, om de Hollandse schepen, die daar voor anker liggen, in brand te steken. Het gaat om tien koopvaarders en veel geloste handelswaar. De aanvallers gaan aan boord van een klein schip dat vlak bij het strand ligt en zij maken korte metten met het schip en zijn lading. Zij slagen er echter niet in ook de andere Hollandse schepen die verder van de kust af liggen, in brand te steken en zij moeten zich tevredenstellen met een genomen schip. De Portugezen keren met hun buit terug naar São Jorge, zonder dat zij slachtoffers te betreuren hebben. De aanvallen op ieder passerend Hollands schip worden voortgezet. Op 11 januari 1610 vechten de galeien met een Nederland eskader, dat later rapporteert dat het 146 treffers uit vijandelijk geschut heeft moeten incasseren. Negen dagen later nemen Portugese galeien het Hollandse handelsvaartuig Sonne, dat geladen is met handelswaar. Een week daarna ziet de uitkijk van São Jorge het Hollandse bevoorradingsschip de Eendracht uit Amsterdam. De grootste galeien zet de achtervolging in op het 200 ton metende schip, maar moet afhaken als de Eendracht het veilige Moure bereikt.

De zeegevechten tussen Portugese galeien en Hollandse vaartuigen gaan in februari en maart 1610 onverminderd door. Op 13 februari wordt een vijandelijk vaartuig dat met een lading ivoor terugkeert naar Holland, genomen en de Portugese vesting gesleept. Op 1 maart verneemt capitão Duarte de Lima dat een enkel Hollands schip op weg is naar Takoradi, om daar handel te drijven. De grootste galei zeilt daarop uit. De commandant, Francisco Soares, heeft opdracht het vijandelijke schip op te jagen. De Hollandse schipper heeft zijn schip uit voorzorg voorzien van tien kleine stukken geschut, om een aanval te kunnen weerstaan. Deze defensiemaatregelen blijken van weinig nut tegen het ene grote kanon van de galei, dat een veel groter bereik heeft. Het Hollandse schip wordt in de ondiepe kustwateren gemanoeuvreerd. De Portugezen enteren het schip en gaan aan boord. Zij blussen de brandjes en slepen het vaartuig naar São Jorge. Het schip wordt toegevoegd aan een groeiend aantal beschadigde Hollandse schepen, die op het strand van de lagune achter het fort liggen. Op 6 maart 1610 worden bij São Jorge opnieuw drie Hollandse schepen waargenomen. De Portugese galeien vallen hen aan, maar moeten het gevecht afbreken als de vijandelijke schepen binnen het bereik van de kanonnen van Moure komen.

In een poging de Hollandse invloed in het koninkrijk Asebu te beteugelen, opent Duarte de Lima onderhandelingen met de heersers van Efutu en Fante. De Portugezen trachten naarstig een bondgenootschap tot stand te brengen met deze twee Afrikaanse staten, omdat Efutu en Fante de naaste buren zijn van Asebu en het Hollandse centrum Moure. Als zulk een alliantie tot stand zou komen, betekent dit dat de goudroutes vanuit het binnenland naar Moure worden gesloten. Ondanks maanden van onderhandelen en het geven van een overvloed aan geschenken van São Jorge aan de autoriteiten van de twee staten, slaagt de Portugese commandant er niet in een positieve reactie van hen te verkrijgen. Tezelfdertijd dat Efutu en Fante worden benaderd, begint Duarte de Lima onderhandelingen met de koning van Accra. De koning aan dat deel van de kust schijnt bevreesd te zijn voor de groeiende macht van de Hollanders en misschien streeft hij ernaar de positie van de Europese staten in evenwicht te brengen. Ofschoon de betrekkingen tussen Accra en de Portugezen verschillende keren zijn ontaard in openlijke oorlogshandelingen en de Afrikanen de Portugezen eertijds zelfs uit hun kleine fort in Cara (Accra) hebben verdreven, reageert de koning van Accra niettemin vriendelijk op de poging van Duarte de Lima een bondgenootschap met hem aan te gaan. De vorst staat de Portugezen zelfs toe hun fort te herbouwen. De gouverneur rapporteert de resultaten van deze onderhandelingen aan de Conselho de Portugal in Lissabon, met de aanbeveling direct met de bouw van het fort te beginnen. Op 19 juli 1610 bepleit de raad dat een gewapend eskader van acht schepen wordt uitgezonden, om de Hollandse schepen van de Mina-kust te vegen. Dit eskader zou bovendien bouwmateriaal kunnen meenemen om het nieuwe fort in Accra te bouwen. Wanneer de kustbewakingsvloot tenslotte in 1614 vertrekt, is het plan om de Portugese defensie uit te breiden met een fort in Cara wegens geldgebrek verlaten. Daarentegen zijn de inspanningen erop gericht de bastions van São Jorge te versterken en te moderniseren.

Het agressieve optreden van capitão-geral Duarte de Lima heeft serieuze gevolgen zowel aan de Minakust als in Portugal. In de Republiek klagen Hollandse kapiteins van diverse compagnieën die tussen 1599 en 1610 de Minakust bezocht hebben, herhaaldelijk hun beklag gedaan bij de Staten-Generaal over de buitensporige wrede en tirannieke aanvallen, waarmee de Portugezen van `het Kasteel d’Almyna’ met hun kano’s en galeien hun handelsschepen aanvallen; `zij hebben enkelen van ons gedood en zij die ze hebben gevangengenomen, zijn als slaven naar hun galeien gezonden’. In Portugal doet het nieuws over de voortgaande aantastingen van Portugals Afrikaanse gebieden door de Hollanders de vraag rijzen of het Twaalfjarig Bestand wel geldt voor deze streken. Eind november 1610 keert er een karveel in Lissabon terug dat São Jorge heeft bevoorraad. Het schip heeft de buit aan boord die de galeien in hun voorjaarsoffensief hebben bemachtigd. Aan boord van het karveel bevinden zich, naast handelsgoederen, ivoor en goud, zes Hollanders van hoge rang. De gevangenen zijn commandanten en officieren van de in gevechten genomen koopvaarders. Zij worden bij aankomst in Lissabon gevangen gezet, de rest van de bemanningen is wellicht veroordeeld tot de galeien. Verklaringen van de zes gevangenen, afgenomen door de rechter van Guinée, worden doorgezonden aan de koning in Spanje. In Spanje bespreken de Consejo de las Indias en de Conselho de Portugal het lot van de gevangenen in Lissabon. De gebruikelijke straf voor aantasting van de Spaanse handelsbeperkingen is de doodstraf. Het standpunt van de Hollanders, dat de gevangenen kooplieden zijn, die gevangen zijn genomen terwijl zij handeldreven in gebieden die niet onder het gezag van de koning van Spanje staan, vindt echter zelfs in Spanje veld. Er bestaat ook bezorgdheid over het in de waagschaal stellen van het recent ondertekende Twaalfjarig Bestand. Derhalve is de Conselho de Portugal niet erg consequent in zijn aanbevelingen aan Philips II. Aan de ene kant vraagt de raad aan de koning clementie te betrachten met deze zes gevangenen. Aan de andere kant wil zij dat de monarch besluit een decreet uit te vaardigen dat alle aan de Minakust gevangengenomen Hollanders onmiddellijk tot de galeien veroordeelt. Het bevel daartoe wordt aan capitão-geral Duarte de Lima overgebracht.

De hernieuwde energie in Portugal de Minakust tot het uiterste te verdedigen en de voorbereidingen weer nieuwe galeien naar São Jorge da Mina te zenden, heeft ook zijn weerslag in de Nederlanden. Tot nu toe zijn de Hollanders verdeeld over de tegenover Spanje te volgen politiek. Sommige bepleiten een ondubbelzinnige vijandige houding ten aanzien van de Luso-Spaanse overzeese gebieden. Johan van Oldenbarnevelt maant tot voorzichtigheid en keert zich tegen iedere openlijke reactie. Tegenover hem staan de vertegenwoordigers van de VOC. De Staten-Generaal neemt geen beslissing. Als evenwel de Portugese aanvallen aan de Minakust toenemen en schippers en kooplieden grote verliezen lijden, doen zij opnieuw hun beklag bij de Staten-Generaal en vragen zelfs om vergoeding van de geleden schade. In 1611 wordt besloten aan de verlangens van de kooplieden en schippers tegemoet te komen. Op 25 augustus van dat jaar besluiten Hunne Hoogmogenden, om ter bescherming van de kooplieden, in Moure aan de Minakust in het land van de Asebu een fort te bouwen. Twee vertegenwoordigers van de koning van Asebu hebben een reis naar Holland ondernomen, waar zij de hulp van de Hollanders hebben gevraagd tegen de represailles van de Portugezen. Na de Portugese aanval op Moure in januari van het voorafgaande jaar, hebben kooplieden die daar handeldrijven, getracht op eigen kosten een nieuwe palissade te plaatsen. Er zijn kanonnen van de schepen die in de haven liggen, gehaald en zij zijn geplaatst in tijdelijke batterijen rond de post. Maar de werkzaamheden aan dit vroege fort worden tergend langzaam uitgevoerd en tegen de tijd dat de Hoogmogende Heren hun beslissing van augustus 1611 nemen, zijn de fortificaties nog maar voor een deel gereed. Op 8 november 1611 werd Jacob Adriaansz Clancius (Clant) benoemd tot de eerste Nederlandse gouverneur-generaal van de schepen en handelsposten in Guinée. Een maand later, op 10 december, ontvangt de nieuwe gouverneur het commando over een 500 ton metend galjoen en een compagnie soldaten, die het reguliere garnizoen zijn in de nieuwe buitenpost. De Hollanders hebben bij het opbouwen van hun macht aan de Minakust, geen last van de vertragingen die de Portugezen parten hebben gespeeld. Op 1 maart 1612 heeft gouverneur-generaal Clancius Moure al bereikt. Hij arriveert met zijn galjoen en met drie fregatten die 140 soldaten aanvoeren. Er wordt direct begonnen met de bouw van het nieuwe fort Eerst wordt er een borstwering van balken bedekt met aangestampte klei, aangelegd. Later, in 1614, wordt deze provisorische verdediging vervangen door een stenen muur.

Kort na de aankomst van Clancius breken vijandelijkheden uit tussen Hollandse en Portugese troepen, die geleid worden door capitão-geral João de Castro, de opvolger van Duarte de Lima. Castro heeft het bewind over de Minakust op zich genomen, nadat hij in 1610 als kapitein van een bevoorradingsschip in São Jorge was aangekomen en toen vernam dat Duarte de Lima eerder dat jaar aan koortsen was overleden. João de Castro maakt gebruik van zijn voorrecht de geheime instructies te openen in het geval de capitão-geral aan de Minakust bij zijn aankomst blijkt te zijn gestorven. Uit de instructies blijkt dat João de Castro in dat geval het commando over de post op zich dient te nemen. Hij blijft in functie tot 1613, als hij wordt afgelost door de op regulaire wijze door de koning benoemde nieuwe capitão-geral, Pero da Silva. Deze oefent zijn ambt uit tot 1616 en wordt dan opgevolgd door Manuel da Cunha e Teive, die al in 1605 een van de kandidaten voor het gouverneurschap aan de Minakust was, maar die toen gepasseerd is door Duarte de Lima. Nadat hij in 1616 zijn functie heeft aanvaard, Blijkt al snel dar Manuel da Cunha e Teive een van de bekwaamste gouverneurs onder de Habsburgers te zijn. Hij blijft zeven jaar in functie, tot 1623. Aan vijandelijke kant volgen de Nederlandse gouverneurs-generaal, na het vertrek van Clancius in 1615, elkaar met regelmaat op als militair gouverneur van het fort te Moure dat twee decennia later als Fort Nassau bestempeld wordt.

Gealarmeerd door de wending die de zaken aan de Minakust nemen en vooral door de bouw van het Hollandse fort in Moure, besluiten de Portugezen al hun energie aan te wenden om het gevaar te keren. Het beteugelen van de handel van de Republiek in de Golf van Guinée is niet alleen voorwaarde voor het herstel van de Portugese handel aan de Minakust, maar dient de belangen van het gehele Luso-Spaanse imperium. Op het Iberisch schiereiland is de gedachte dat de Republiek haar aanvallen op dit imperium financiert met de winsten behaald met haar handel aan de Minakust, wijd verbreid. Filipe II van Portugal onderstreept deze populaire visie in 1613 als hij opdracht geeft opnieuw grote aandacht te geven aan de bevoorrading van de Portugese posten aan de Minakust. Het gevolg van dit bevel is dat de Minakust tussen 1612 en 1614 jaarlijks wordt bevoorraad en dat in 1614 een eskader van vijf oorlogsschepen naar de Golf van Guinée zeilt en alle eenzame Hollandse schepen die aan de kust worden aangetroffen, vernietigt. Er wordt geen poging ondernomen Fort Nassau aan te vallen, maar de vloot levert wel twee nieuwe galeien bij São Jorge af. De oorlogsvloot hindert weliswaar de handel van de Nederlanders in aanzienlijke mate, maar maakt daaraan geen einde. Hollandse schepen blijven in grote aantallen naar de Minakust en naar Moure komen. Naar schatting gaat het om zestig schepen per jaar en ieder schip heeft voorraden, soldaten ter aflossing van hun voorgangers en stenen voor de bouw van Fort Nassau bij zich. Overigens wordt het numerieke voordeel in aantallen schepen en manschappen van de Hollanders tenietgedaan door extreem hoge sterftecijfers onder de nieuw aangekomenen. Samuel Brun, die in Moure belast is met de verzorging van de zieken, laat weten dat slechts een op de vijf personen aan de Minakust na zes maanden nog in leven is. Hij deelt voorts mee dat van iedere honderd soldaten en ambtenaren die naar de Minakust komen, er nauwelijks tien levend naar huis terugkeren. Malaria en koortsen zijn de belangrijkste doodsoorzaken in de Hollandse post.

In de strijd op leven en dood tussen Portugezen en Hollanders tussen 1612 en 1616 keren de kansen voortdurend. Het jaar 1615 is een bijzonder slecht jaar voor het garnizoen in São Jorge. Een van de waardevolle schepen die Lissabon heeft gezonden om de Minakust te bevoorraden, bereikt zijn eindbestemming niet. Het heeft zijn masten verloren in een storm die de kapitein noopt beschutting te zoeken in de haven van het Spaanse Vigo. Het uitvallen van zelfs een enkel bevoorradingsschip is voor São Jorge da Mina een lelijke tegenvaller, omdat daardoor onafwendbaar tekorten aan voedsel, medicijnen en andere zaken ontstaan. Om de situatie enigszins te verbeteren, zendt capitão-geral Pero da Silva een scheepje met een sterk vermagerde bemanning naar São Tomé, op zoek naar thuis vervaardigde medicijnen en kruiden voor de apotheek van de vesting. Als het scheepje uitvaart, laat het 25 blanken, zijnde het gehele garnizoen in die tijd, in São Jorge achter. Velen van hen zijn zo ziek van de koorts, dat zij zelfs geen wacht kunnen houden. In 1615 wordt het fort ook getroffen door een zware aardbeving die de kust beroert. Maandenlang zijn er af en toe nog naschokken en een daarvan is zo hevig dat een van de grote bastions van São Jorge instort, waarbij het geschut dat daar staat, wordt vernield. Dit deel van het fort is al jarenlang niet goed onderhouden, sinds de enige metselaar van het fort in 1614 is overleden. In afwachting van definitief herstel van het bolwerk, zijn er borstweringen opgeworpen.

Tien gouverneur-generaal Clancius vernam hoeveel schade São Jorge door de aardschok had geleden, besluit hij over land een aanval op het fort te ondernemen. Drie achtereenvolgende dagen vallen zijn troepen aan. Gelukkig voor de Portugezen heeft de vijand geen idee van de werkelijke omvang van het garnizoen, anders zou hij meer druk op de aanval hebben gezet. Het fort beschikt over voldoende kruit en kogels om de aanvallen af te slaan en de Hollanders trekken terug naar Moure met lichte verliezen. Maar voordat zij terugtrekken, steken zij eerst het dorp Elmina in brand. De aanvallers hadden erop gerekend dat de capitão-geral de poorten van het fort zou openen voor degenen die in het dorp waren achtergebleven, maar de Portugezen laten zich niet door deze tactiek misleiden en de poorten blijven gesloten.

Ondanks de ontberingen die de Portugezen de voorafgaande maanden hebben moeten verduren, besluitgouverneur Silva een stoutmoedige actie te ondernemen. Hij wil de aanval van de Hollanders wreken met een verrassingsaanval op Fort Nassau en op Moure. Een handvol Portugese soldaten, bijgestaan door verscheidene honderden zwarten uit Elmina, vallen Moure aan en branden het stadje plat. Bovendien worden er tijdens de overval niet alleen grote hoeveelheden handelsgoederen buitgemaakt, maar een Portugese galei vaart de haven van Moure binnen en sleept twee koopvaarders weg die daar voor anker liggen. De galeien zijn nog steeds een wapen waarmee terdege rekening moet worden gehouden. Vroeg in het volgende jaar (1616) vallen beide galeien een eenzame Hollandse koopvaarder aan. Het schip keert naar Moure terug, na aan de kust enige tijd handel te hebben gedreven. De arts van de post, Samuel Brun, die getuige is van het gevecht en die zich over de overlevenden bekommert, rapporteert dat elf Hollandse zeelieden gedood worden voordat het schip de beschutting van de kanonnen van Fort Nassau bereikt. De situatie lijkt enigszins in een impasse te zijn geraakt. Het overgrote deel van de handel aan de kust wordt gecontroleerd door de Hollanders, maar zij zijn er tot dusverre niet in geslaagd hun rivalen te verdrijven uit de forten waarin zij zich hebben verschansd.

In 1615 is het duidelijk geworden dat de Portugese Kroon alleen niet in staat is de forten aan de Minakust blijvend te bevoorraden. Geldmiddelen voor ondernemingen overzee zijn bijzonder moeilijk te vinden en wat er aan geld in Portugal beschikbaar is, wordt gebruikt voor de meer productieve gebieden van het Portugese imperium, zoals Brazilië, Angola en Indië, zodat er een einde is gekomen aan het verpachten van de Minakust. Het laatste contract, dat gesloten is met Giovanni Baptista Rovelasco, is voortijdig tussen 1607 en 1609 beëindigd. Daarna heeft de Kroon de verplichting de posten São Jorge en Axim te doen functioneren weer aan zich getrokken. In 1615 wordt maandenlang tussen Lissabon en Madrid gecorrespondeerd over een nieuw geheel van af te kondigen regelingen voor de handel aan de Minakust. De nieuwe regels betekenen een radicale breuk met de vroegere pogingen van de Kroon de handel met dit gebied te monopoliseren. Bij koninklijk decreet van 20 maart 1615 wordt de handel aan de Minakust opengesteld voor alle onderdanen van de Kroon. Handelswaar die naar de Minakust wordt gezonden dienen te worden geregistreerd bij Casa da India in Lissabon, voordat zij Portugal verlaten. De goederen dienen vervolgens naar São Jorge getransporteerd te worden, voorzien van een vrachtbrief, die is afgegeven door de Casa da India. Bij aankomst in São Jorge wordt laag belastingtarief toegepast. Als 25 procent belasting is afgedragen, kunnen de schepen overal langs de kust vrij handeldrijven. Al het verkregen goud, ivoor en andere goederen worden, voor vertrek nar Portugal, door de feitor in São Jorge geregistreerd. Eerst als vijf procent belasting over de waarde van de goederen is betaald, mag het schip vertrekken. Het regimento bevat een nieuwe bepaling, namelijk dat negers uit de kuststreek in slavernij mogen worden gevoerd, mits zij niet dichter bij São Jorge woonden dan op een afstand van tien léguas. De enige beperking die individuele handelaren in acht dienen te nemen is deze: het is hen verboden reizen te maken tussen het vasteland en São Tomé, hetgeen voortvloeit uit de bepaling dat de handelswaren door de Casa da India in Lissabon dienen te worden geregistreerd. Hiermee wordt voorkomen dat gepoogd wordt de betaling van door de Kroon geheven belasting te ontgaan. In 1622 dwingen de bewoners van São Tomé vrije handel met São Jorge af

De Portugese onderkoning verwacht dat het vrijgeven van de handel aan de Minakust het aantal reizen van particuliere handelaren naar de Golf van Guinée zal stimuleren, waarmee tevens het probleem van de bevoorrading van São Jorge zou worden opgelost. Een ander voordeel zou kunnen zijn dat Portugese handelaren in concurrentie met de Hollanders een deel van de goudhandel zouden kunnen heroveren. Van deze verwachtingen komt weinig uit. Er zeilen maar een paar particuliere schepen naar de Minakust, die door de Hollanders overstroomd blijk te worden met goedkope handelswaar. Hierdoor zijn de prijzen zozeer gedaald dat er met een nieuwe Carreira da Mina geen winst te behalen is. De verplichting de Portugese forten aan de Minakust te bevoorraden, blijft dus in handen van de Kroon, wat gemiddeld 20.000 cruzados per jaar kost. De goudontvangsten blijven hierbij achter. Ten tijde van het gouverneurschap van Pero da Silva bedragen de winsten behaald met de nieuwe vrije goudhandel gemiddeld 18.372 cruzados per jaar, zodat het tekort 1.628 cruzados bedraagt. Het verval en de onvermijdelijke ineenstorting van Portugals positie aan de Minakust is in zicht, ook al zal het bewind van de uitzonderlijke bekwame capitão-geral Manuel da Cunha e Teive en een eclatante militaire overwinning op de Hollanders van 1625 de uiteindelijke executie nog enige decennia uitstellen.

i zie pagina 35

ii John Vogt besteedt in zijn voortreffelijke boek Portuguese Rule on the Gold Coast 1469-1682 uitgebreid aandacht aan een vergeefse Hollandse aanval op São Jorge da Mina, die op de morgen van 6 september 1606 zou zijn gelanceerd (zie pp. 148 e.v.).Daarna bespreekt Vogt niet minder uitvoerig de Hollandse aanval die begint op 25 oktober 1625 en die eindigt met het vertrek van de Hollandse vloot op 29 november 1625. Dat de Nederlandse auteurs Pieter van den Broecke, W.R. Menkman en

3.6. Het verlies van de Minakust aan de Hollanders (1615-1637)

Categorieën
Portugees kolonialisme

De Minakust in de jaren 1580-1595. De Atlantische eilanden en West-Afrika

Deel 13 Index

Hoofdstuk 3.

De Atlantische eilanden en West-Afrika:

3.4. De Minakust in de jaren 1580-1595

Geschreven door Arnold van Wickeren

Vasco Fernandes Pimentel doet er alles aan om de goudhandel te bevorderen; hij heeft de wegen waarlangs goud naar São Jorge wordt aangevoerd doen heropenen en hij heeft de twee galeien waarmee al vele jaren langs de Minakust wordt gepatrouilleerd op zoek naar indringers, laten reviseren en opnieuw in de vaart gebracht. Zij zijn niet meer bemand door blanke degedrados, die niet bestand zijn tegen het klimaat, maar door zwarten. De galeien houden speciaal de dorpen Cormantin en Takoradi, de twee populairste handelsplaatsen voor indringers, in de gaten. Hoewel de hutten van de bewoners van beide dorpen al verschillende keren in brand zijn gestoken door de Portugezen, weigeren zij de exclusieve rechten van Portugal op de goudhandel te erkennen. Incidenteel bevindt de capitão-geral zich in eigen persoon aan boord van een van de galeien. Dit is het geval als een van de galeien op 25 april 1581 bij Cormantin een kleine Franse vloot van koopvaarders ontdekken. De aanval wordt ingezet op een groot schip van 80 tot 100 ton uit Dieppe. Het schip, de Cherubin, is op Paaszondag al door beide galeien aangevallen, maar het heeft toen de aanval afgeslagen. Bij de hernieuwde aanval ontstaat een gevecht dat de gehele namiddag van 25 april duurt, waarbij de Cherubin meer dan 100 treffers van de galei heeft moeten incasseren. In de verwarring van de aanval is de kapitein van de Cherubin, Louis de Mire, door een kanonschot dat zestien van zijn mannen heeft gedood, overboord geslagen. Hij wordt door de Portugezen opgevist, maar overlijdt enkele dagen later in São Jorge. Wanneer de Cherubin niet meer terugschiet gaan de aanvallers aan boord en doden of verwonden 22 bemanningsleden, terwijl de rest in alle haast een sloep strijkt, daarin wat levensmiddelen gooit en met de sloep ontkomt. De Cherubin wordt naar São Jorge gesleept, waar de rijke lading, bestaande uit kleding en metaalwaren ter waarde van 32.000 écus, wordt gelost en opgeslagen. In de volgende zes maanden maken de Portugezen meer prijzen. Hierbij maken zij voor 60.000 escudos aan handelswaar en goud buit en brengen zij een ander Frans schip, de Esperance, tot zinken. In april 1588 nemen twee Portugese galeien een Franse koopvaarder van 50 ton in de haven van Cardes. De buit bedraagt meer dan 30.000 cruzados. Voordat het schip in Portugese handen viel, is een dramatisch gevecht met de uit 36 koppen bestaande bemanning geleverd, waarbij de meeste Fransen zijn gesneuveld. Onder de bemanning bleken zich twee Portugezen die aan de Minakust wonen en een zeeman uit Biskaje te bevinden. De handel met zwarte handelaren die met hun goud naar São Jorge komen, neemt toe als zij bemerken dat de Portugezen successen boeken in het bestrijden van de illegale handel. Gedurende Pimentels ambtstermijn van 1579 tot 1582 ontvangt de factor in São Jorge goud ter waarde van 300.000 à 400.000 cruzados.

In december 1581 tekent Don António, bijgenaamd de Prior van Crato, de man die Philips II de troon van Portugal betwist, een overeenkomst met het Franse consortium van kooplieden dat de Cherubin kort daarvoor aan de Minakust verloren heeft. Tot de contractanten behoren Eustache Trevache, de voormalige eigenaar van de Cherubin, Pierre Lubin en Guillaume le Blanc. De Franse koning Henri III (1574-1585) heeft hen al voorzien van een lettre de marque, op basis waarvan zij tot een bedrag van 600.000 écus schade mogen verhalen op de Portugese koopvaart. Dom António, die heeft vernomen dat de afgezanten van Philips II in São Jorge niet bepaald enthousiast ontvangen zijn, heeft Vasco Gonçalves Pimentel, wiens broer António de Brito Pimentel hem op zijn reis naar Frankrijk heeft vergezeld, opdracht gegeven maatregelen te nemen om te voorkomen dat de vesting in Spaanse handen valt. Dom António sanctioneert de Franse expeditie naar de Minakust. De kooplieden zullen ver schepen uitrusten in Havre de Grace. De Esperance, een groot vaartuig van 120 ton met 55 bemanningsleden, zal het vlaggenschip van admiraal Jan Croix zijn. De andere schepen zijn de Aventureuse (100 ton), met kapitein Jean Scot, en twee kleine barken, la Petite Esperance (35 ton), onder kapitein Guillaume Malherbe, en la Petite Aventureuse (25 ton), over welk vaartuig Guillaume Grandcamp de Sainte-Adresse het bevel voert. Aan boord van de vloot bevinden zich koopmansgoederen ter waarde van 180.000 écus en zes of zeven Portugezen, geleid door Sebastião de Abreu, een van Dom António’s schildknapen. De meeste Portugezen dienen in São Jorge te blijven, een paar moeten met het antwoord van Pimentel op de boodschap van Dom António terugkeren naar Frankrijk.

De Franse vloot vertrekt op 22 maart 1582. Onderweg gaat de kleinste bark verloren in een storm en de overige schepen bereiken São Jorge pas op 16 juni. Admiraal Croix gaat voorzichtigheidhalve buiten het bereik van de kanonnen voor anker. De Franse factors, Richard Senecal en Romain Lezart roeien vergezeld van Abreu en zijn landgenoten de haven in, terwijl zij een witte vlag voeren. Zij hebben geen idee hoe het garnizoen op de komst van de Franse schepen zal reageren. Maar hun onrust verdwijnt subiet als zij de gouverneur en zijn factor op zich toe zien lopen om hen te verwelkomen. De Fransen arriveren op een kritiek moment. Het fort is na de komst van Pimentel in 1579 niet meer bevoorraad en heeft gebrek aan alles, vooral aan kruit, kogels en manschappen. Door de gebruikelijke grote sterfte van Europeanen aan de Minakust, is het garnizoen zwaar onderbemand. Nog kunnen São Jorge en Axim met de beschikbare middelen een eventuele aanval doorstaan, maar als bevoorrading nog lang uitblijft zal de toestand snel verslechteren. De Fransen die midden 1582 arriveren, hebben geen notie van de tekorten aan kruit, slaven, voedsel en personeel en zij beseffen evenmin dat de galeien die zij op het strand zien liggen niet meer bruikbaar zijn. Capitão-geral Pimentel voert overleg met zijn gasten op het strand en laat hen geen kijkje in het fort nemen.

Na vijf weken van onderhandelingen in de schaduw van het fort wordt een akkoord bereikt tussen de gouverneur en zijn Franse en Portugese gasten. De Fransen mogen hun handelswaar uitladen en de goederen zullen in de pakhuizen van het fort worden opgeslagen. De twee Franse factors, Lezart en Senecal kunnen blijven, om de goederen te ruilen. Ook Sebastião mag blijven als vertegenwoordiger van Dom António, wiens claim op de troon van Portugal door Pimentel wordt erkend. Pimentel staat erop dat de bark la Petite Esperance aan het fort wordt overgedragen, omdat het schip nodig is om ermee langs de kust handel te drijven en om Axim te bevoorraden. De twee grote Franse schepen blijven tot 21 augustus 1582 in São Jorge; tot die tijd is de handel met de zwarten levendig. De Fransen incasseren goud ten bedrage van 20.000 cruzados, dat zij aan boord van de Esperance naar Frankrijk brengen. Pimentel schrijft Pierre Lubin niet dat hij la Petite Esperance onder protest van admiraal Croix heeft genomen, maar laat wel weten dat hij het vaartuig zeer dringend nodig heeft en hij veronderstelt dat Lubin de kosten van het schip van Dom António zal terugkrijgen. De gouverneur vraagt tenslotte vergiffenis voor de schade die Lubin in 1581 geleden heeft door het verlies van de Cherubin en hij laat weten dat de proviand die de Franse recent hebben aangevoerd zeer welkom is. In zijn brief aan Dom António schrijft de capitão-geral hij de goudvoorraad en het fort zal overdragen aan de volgende vloot die de vorst zal zenden. Hij voegt hier echter aan toe dat hij niet in staat is weerstand te bieden aan een eventueel door Philips II naar de Minakust te zenden Spaanse vloot. De brief wordt gezien als een list van Pimentel koning Philips ertoe te bewegen São Jorge te bevoorraden. Voor overdracht van het fort aan Dom António voelt Pimentel niets, want daarmee zou hij zijn vrouw en kinderen in Portugal in gevaar brengen. Pimentel schat de krachtsverhoudingen in Portugal goed in; hij heeft van de bemanning van schepen die vanuit São Tomé slaven aanvoeren, vernomen dat admiraal Alvaro de Bazán, marquês da Santa Cruz, in de Azoren met een Spaans-Portugese vloot een grote overwinning heeft behaald op de Franse vloot, die Dom António steunde.

Voordat hij deze zege vernomen had, heeft Pimentel het bezoek in juli van de Franse schepen en Dom António’s aanhangers aan koning Philips gemeld. Hij heeft zijn rapport meegegeven aan António Monteiro Maciel, de koninklijke factor op São Tomé, die aan boord van een slavenschip São Jorge heeft bezocht. Pimentel rapporteert dat hij een pakketje brieven heeft ontvangen van de Prior van Crato. Hij zou de brieven aan koning Philips willen geven, als hij manschappen zou kunnen missen om een karveel naar Lissabon te bemannen. Pimentel vraagt de koning het garnizoen direct te versterken met vijftig man, naast meel, kruit voor het geschut en twee nieuwe galeien, om de Minakust tegen indringers te beschermen. Hij laat de vorst ook weten dat het drie jaren geleden is dat er in Elmina een schip uit Portugal is aangekomen. De tijd waarin Vasco da Gama tegenover de gezanten van Cochin en Cannanore kon opscheppen over de geweldige rijkdom van zijn koning, die elk kwartaal een met Minagoud geladen karveel mocht verwelkomen, lijkt in 1582 eeuwen geleden. Maar nu vraagt Pimentel koning Philips een schip te zenden om het in de loop van drie jaren opgehoopte goud, ter waarde van 400.000 cruzados, op te halen

De autoriteiten op São Tomé laten twee kopieën maken van de brieven van Pimentel en zenden deze met verschillende schepen naar Lissabon. Een schip komt veilig aan, maar het andere valt in de Azoren in handen van aanhanger van de Prior van Crato. De kapitein heeft geen kans gezien de stukken tijdig overboord te gooien zodat deze ook in handen komen van de Fransen en van Dom António. Deze heeft al in oktober of november 1582 berichten van Pimentel aan admiraal Croix in handen gekregen en een maand later leest hij Pimentels brieven aan koning Philips. Nu zowel koning Philips, als Dom António weten hoeveel goud er in Elmina kan worden afgehaald, treffen zij beiden voorbereidingen deze schat op te halen.

De Prior van Crato kan slechts met de grootste moeite een vaartuig met voorraden en versterkingen voor de Minaforten uitrusten. Het vertrekt midden maart 1583 uit Rouen en Edward Prim laat de secretaris van koningin Elizabeth, Sir Francis Walsingham, weten dat er een kleine bark van koning António met bestemming São Jorge is uitgevaren. Hij vermeldt dat zich aan boord veertig Portugezen bevinden. De prominenten noemt hij bij naam. De kapitein van de bark dient een koffer met goud voor de koning in ontvangst te nemen van de Castilliaan in het fort. Zijn naam is Vasco Fernandes Pimentel. De waarde van de schat bedraagt 300.000 dukaten, afgezien van een som van 115.000 dukaten die is bestemd voor de verzorging van wezen. De bark bereikt de Minakust niet. De versterkingen voor São Jorge worden op Terceira van boord gehaald, om Dom António’s verdediging van het eiland te versterken. Deze beweegt daarop Franse kooplieden in Dieppe opnieuw een schip naar São Jorge te zenden. Dom António maakt met Bellenger Parmentier, kapitein van de 100 ton metende La Levriere, de afspraak dat deze een nieuwe Franse factor en vertegenwoordigers van de troonpretendent naar de Minakust brengt. Het schip licht op 25 april 1583 het anker, om via de Azoren naar Afrika te zeilen. Na een reis van 64 dagen ankert kapitein Parmentier bij Axim. Nadat hij een schot heeft afgevuurd komen zes negers in een kano naar het Franse schip. Zij vertellen de kapitein dat São Jorge inmiddels in Spaanse handen is. Een sterk Spaans eskader van vier schepen, waaronder twee grote galjoenen, is een week voor half juni gearriveerd en twee dagen geleden is een van de schepen alweer vertrokken. De andere liggen in de haven van São Jorge.

Philips II, die als koning Philips I over Portugal regeert, heeft al in februari 1581 een nieuwe gouverneur aan de Minakust benoemd. Het vertrek van João Rodriguez Paçanha naar zijn nieuwe standplaats wordt echter achttien maanden uitgesteld. Eerst vergt de opstand in de Lage Landen alle tijd en aandacht van de koning en vervolgens moet met Dom António worden afgerekend. Als de Portugese schepen die in de vloot van admiraal Alvaro de Bazán hebben deelgenomen aan de zege op de Franse vloot in de Azoren in 1582 zijn teruggekeerd worden acht Portugese schepen onmiddellijk hersteld en uitgerust voor missies overzee. Voor schepen gaan naar Goa om Portugese posten in de Oriënt te bevoorraden en de andere vier schepen krijgen opdracht gouverneur Paçanha en versterkingen naar São Jorge te brengen. Aan boord van het eskader bevinden zich enige honderden soldaten, om São Jorge zo nodig te heroveren en om op te treden tegen eventuele aanvallen van Franse corsairs. Twee van de vier schepen, waaruit het eskader bestaat, zijn de galjoenen San Mateus en San Miguel. Beide behoren tot de grootste en machtigste schepen van de Luso-Spaanse vloot.

Toen koning Philips de brieven van gouverneur Pimentel aan Dom António onder ogen had gekregen, kreeg Paçanha niet alleen opdracht Pimentel af te lossen, maar hij moest hem ook voor verraad arresteren en naar Lissabon zenden om terecht te staan.

De Luso-Spaanse vloot vertrekt ongeveer tezelfdertijd als Parmentier Frankrijk verlaat, maar arriveert eerder aan de Minakust, omdat Parmentier enige tijd in de Azoren verblijft om de aanhangers van Dom António te bevoorraden. Als Parmentier voor Axim verneemt dat er drie door koning Philips gezonden schepen in de haven van São Jorge liggen, wil hij zich daarvan zelf overtuigen. Hij arriveert eind juni voor São Jorge en er komt een kano met negers op zijn schip af. De zich aan boord van de kano bevindende Enrique Ribeiro overhandigt Parmentier een brief van de capitão-geral, waarin deze hem schrijft dat het fort zich veilig in handen van Dom António en zijn aanhangers bevindt en dat hij dus zonder bezwaar de goederen kan ontschepen die hij bij zich heeft om de post te bevoorraden. Parmentier geeft bevel Ribeiro te arresteren, hem vast te binden en te martelen totdat hij de waarheid zal speken. Uit angst te worden gemarteld, bekent Ribeiro dat het fort in Spaanse handen is. Hij voegt hieraan toe dat de San Mateus twee dagen geleden naar Lissabon is vertrokken met zeven kisten gevuld met goud en met Pimentel in kettingen geslagen aan boord.

Ribeiro vertelt Parmentier ook dat Pimentel São Jorge zonder verzet aan de troepen van koning Philips heeft overgegeven. Hij heeft gezegd dat hij altijd een aanhanger van Philips is geweest, maar dat hij geaccepteerd heeft dat Dom António São Jorge heeft bevoorraad. Nadat Paçanha het fort vast in handen had, is de San Miguel naar het zuiden gezeild, terwijl de San Mateus, welk schip twee nieuwe galeien aan boord had, bij São Jorge is achtergebleven tot het twee dagen geleden naar Lissabon is vertrokken. Parmentier treft dus eind juni helemaal geen grote galjoenen bij São Jorge. Dat deze schepen zijn aangekomen, verneemt hij alleen uit de mond van Ribeiro. Die Parmentier adviseert zo snel mogelijk het anker te lichten, want de nieuwe gouverneur is doende de galeien tegen indringers in de vaart te brengen. Parmentier verneemt ook het lot van zijn twee landgenoten, de factors Senecal en Lezart, die vorig jaar in São Jorge zijn achtergebleven. Zij zijn, evenals Sebastião de Abreu, het slachtoffer geworden van een epidemie die is uitgebroken kort nadat de Franse schepen de Esperance en de Aventureuse de thuisreis hadden aanvaard. De epidemie heeft veel slachtoffers gemaakt en het garnizoen erg uitgedund. De San Mateus heeft ter vervanging van het grote aantal gestorvenen, naast soldaten, zoveel zeelieden moeten achterlaten, dat het onderbemand aan de thuisreis is begonnen. Parmentier neemt de waarschuwing van Ribeiro ter harte en vertrekt direct; hij zeilt naar São Tomé en vandaar naar Princípe, dat nog steeds in handen is van aanhangers van Dom António. Deze verneemt eerst dat hij de Minakust is kwijtgeraakt, als Parmentier eind 1583 is teruggekeerd in Frankrijk.

De aankomst van gouverneur Paçanha met voorraden, galeien en een goedbewapende aanvulling van het garnizoen brengt nieuw leven in het kwijnende bestaan van São Jorge. Paçanha’s aankomst markeert het einde van de hapsnap bevoorrading van het fort vanuit Lissabon. Voorafgaande capitães-geral hebben zelf naar oplossingen moeten zoeken als bevoorradingsschepen te lang op zich lieten wachten. In geval van nood kon São Jorge altijd een beroep doen op de landgenoten van São Tomé, die het fort ook voorzien van kleine aantallen zwarte slaven. Niettemin wordt het hoe langer hoe meer duidelijk dat zonder een regelmatige aanvoer van levensmiddelen, kruit, kogels en handelsgoederen de dag zal komen dat de Portugezen uit hun forten aan de Minakust zullen worden verdreven door een agressieve macht als Engeland, Frankrijk of misschien Holland. De aankomst van Paçanha met zijn versterkingen betekent een welkom uitstel. Belangrijker is dat de nieuwe gouverneur te verstaan geeft dat er in Lissabon afspraken zijn gemaakt dat er een einde is gekomen aan de onvoldoende bevoorrading van de laatste decennia. Dit wordt onderstreept als Paçanha het merendeel van de voorraad handelsgoederen met de San Mateus terugzendt naar Lissabon en alleen eersteklas goederen met een totale waarde van 25.000 cruzados in opslag houdt. De gouverneur verwacht dat São Jorge opnieuw bevoorraad zal worden, voordat deze geringe hoeveelheid handelswaar zal zijn geruild. Door gebrek aan schepen heeft Portugal een einde moeten maken aan de in Manuels tijd heersende gewoonte iedere maand de vlag van het zich uitbreidende Portugese imperium aan de Minakust te vertonen door een caravela naar São Jorge te zenden. Maar het garnizoen zou er wel op moeten kunnen vertrouwen dat het ten minste eenmaal per jaar bevoorraad wordt. Vanaf 1583 tot 1598, wanneer de Minakust opnieuw een financiële reorganisatie ondergaat, ontvangt São Jorge inderdaad ieder jaar nieuwe voorraden handelswaar, militaire uitrusting en voedsel. Dit is overigens minder te danken aan koning Philips zelf, maar meer aan kardinaal-aartshertog Albrecht VII de Austria, gouverneur van Portugal en neef van de koning. Hij geeft vooral aandacht aan twee aspecten. De defensie van de Minakust en de pogingen de handel daar te bevorderen en de winsten te verhogen.

Toen capitão-geral Paçanha in 1583 naar São Jorge vertrok, had hij niet alleen opdracht ontvangen de Portugese post in naam van koning Philips in bezit te nemen, maar ook om maatregelen te treffen het fort te kunnen verdedigen tegen mogelijke aanvallen van indringers. Als Paçanha in Afrika aankomt gaat het Fortaleza São Jorge de tweede eeuw van zijn bestaan in. Ofschoon er voortdurend verbeteringen aan het fort zijn aangebracht om het verblijf van het garnizoen te veraangenamen en zijn verdediging te versterken, is São Jorge als militaire sterkte inmiddels hopeloos verouderd geraakt. Het fort is kwetsbaar voor aanvallen met moderne wapens. De muur die de buitenhof van het fort omringd is niet langer bestand tegen treffers uit zwaar modern scheepsgeschut. De twee torens die het fort tegen nadering van schepen moeten beschermen, beschikken over de zwaarste kanonnen van de vesting, maar aan het metselwerk van deze torens is in de loop van de voorbije decennia te weinig onderhouden. De buitenmuren van de beide platforms waarop de kanonnen zijn geplaatst zijn kwetsbaar voor kanonvuur. Het omheinde terrein aan de rivierkant van het fort met zijn werkplaatsen en kade waar de aangevoerde handelswaar en andere voorraden worden opgestapeld, voordat zij in het fort worden opgeslagen, is slechts omgeven door een lage muur ten dele van aarde en ten dele bestaande uit metselwerk nog daterend uit de periode 1500-1510. Oorspronkelijk moest deze omheining de voorraden beschermen tegen diefstal door zwarten.

Paçanha neemt niet alleen nieuwe metselaars en handwerkers mee, maar ook plannen om het fort te moderniseren. In 1580 heeft koning Philips een Italiaanse militaire architect, Filippo Terzi aangetrokken, om de koninklijke fortificaties op het Iberisch schiereiland en de presidios in Noord-Afrika te moderniseren. Toen Philips ook koning van Portugal was geworden, kregen Terzi en andere Italiaanse ingenieurs ook opdracht de Portugese overzeese posten te moderniseren. Nadat Paçanha’s vloot in 1583 São Jorge in bezit had genomen, is de andere helft van de vloot met voorraden en versterkingen aan boord doorgevaren naar Indië. Aan boord van een van de schepen bevindt zich Giovanni Battista Cairati die als chefarchitect zich tot 1596 zal bezighouden met het moderniseren van de forten in de Oriënt. Het is overigens niet zeker of Terzi wat São Jorge aangaat, zijn eigen plannen gaat uitvoeren, dan wel die van een onbekende Portugese ingenieur. In de aard van de veranderingen die São Jorge gedurende twee decennia ondergaat, zijn ook de denkbeelden van Cairati te herkennen. De werkzaamheden zijn gericht op versterking van de muur die de buitenhof van het fort omgeeft. Deze wordt tweemaal zo dik en zowel aan de binnen- als aan de buitenkant wordt nieuw metselwerk aangebracht. De hoektorens met hun kleine schietgaten worden volledig herschapen in moderne bastions. Twee daarvan staan aan de rivier en beschermen de haven en de andere twee kijken uit over zee. Alle vier de torens worden uitgerust met zwaardere kanonnen, met een groter bereik. Vanuit de bastions kan geschoten worden langs alle zijden van de verzwaarde buitenmuur, waardoor deze beschermd wordt tegen pogingen deze te ondermijnen of te bestormen.

Terwijl de reparaties aan het fort voortgaan, geven Paçanha en zijn opvolger João Roiz Coutinho (1586-1594) zich alle moeite vreemde indringers van de gehele Minakust te verdrijven. Hierbij worden de gouverneurs geholpen doordat ieder jaar, in de maanden waarin de meeste indringers naar de Golf van Guinée komen, een kustbewakingseskader langs de kust patrouilleert. En in de overige maanden van het jaar wordt de surveillance overgelaten aan de galeien. In de eerste maanden van 1584 arriveert het eerste eskader dat gaat patrouilleren. Het is vorig jaar december uit Lissabon uitgevaren en doet achtereenvolgens aan Santiago op Cabo Verde en São Jorge en zal dan doorzeilen naar São Tomé en tenslotte naar Angola, om elk van deze kolonies re bevoorraden. Het is niet de bedoeling dat het eskader langs de Minakust zal patrouilleren, want koning Philips is reeds doende met voorbereidingen te treffen voor een speciaal voor de Minakust in te zetten kustbewakingseskader. Eind november 1584 vertrekt een vloot van zes schepen naar São Jorge. Het zijn de galjoenen São Felipe en São Luís, die twee schepen met bevoorrading en twee nieuwe galeien voor São Jorge begeleiden. Deze vloot blijkt verscheidene jaren buitengewoon effectief in de strijd tegen indringers. Er is sprake van genomen schepen in de jaren 1586, 1588 en 1590. Boekaniers die hun schepen hebben moeten prijsgeven hebben ons daarover hun verhalen nagelaten. Zo vallen in 1590 de galeien São Vicente en Santo António en Franse koopvaarder aan dat langs de Minakust handeldrijft. Het genomen schip wordt in brand gestoken en de bemanning wordt gearresteerd en opgesloten in de slavenverblijven van São Jorge. Als ontdekt is dat de gevangenen een poging tot ontvluchten voorbereiden, laat capitão João Rioz Coutinho een van de Fransen met kettingen voor de loop van een kanon binden. Vervolgens wordt het kanon geladen en de ongelukkige wordt, ten aanschouwen van de leden van het garnizoen en hun zwarte bondgenoten, in stukken geschoten. Door dit onbarmhartige optreden slagen de Portugezen erin de activiteiten van indringers aanzienlijk terug te dringen, maar een afdoende controle van de gehele Minakust is niet mogelijk. Daarvoor zijn er langs de kust te veel baaien en inhammen. En er zijn te veel kustdorpen, waarvan de bewoners belangstelling hebben voor de goedkope handelswaar van de vreemdelingen.

De hernieuwde belangstelling van de Portugese Kroon na 1583 om de bezittingen aan de Minakust te beschermen, leidt tot herbezinning op de mogelijkheden de goudhandel weer winstgevend te maken. Toen gouverneur Paçanha dat jaar bij São Jorge aankwam, werd hij vergezeld door de Genuees Giacomo de la Bardi, aan wie in 1576 de goudhandel voor tien jaren verpacht is en die nu zelf naar de Minakust komt om er als factor op te treden. Toen de São Mateus aan het einde van het jaar 1583 van zijn reis naar de Minakust teruggekeerd was, met goud ter waarde van 300.000 cruzados, laaiden de discussies over de goudhandel weer op, waarbij wel eens uit het oog werd verloren dat het niet minder dan drie jaren heeft gevergd om de rijke lading van de São Mateus te vergaren. Niettemin worden er uit het pas aangevoerde goud, voor het eerst na vele jaren, weer een gouden cruzados geslagen. Het gaat er om een beperkte muntslag en het aantal stukken van twee cruzados is maar heel gering en van stukken van vier cruzados worden er maar enkele aangemunt

Ondanks de stof die het goudtransport van eind 1583 heeft doen opwaaien, is het voordeel dat Gaicomo de la Bardi en zijn compagnons bij de pachtovereenkomst hebben, maar gering. De apostolisch nuntius in Lissabon schijnt dit goed te beseffen, want hij schrijft de Heilige Stoel dat niet vergeten dient te worden dat het ging om de eerste ontvangst van goud na een lange periode. Als van het ontvangen goud ter waarde van 300.000 cruzados het aan de Kroon toekomende deel en de salarissen worden afgetrokken resteren niet meer dan 200.000 cruzados. Het bedrag dat Bardi jaarlijks verdient, is hiervan een derde deel, wat niet zeer veel meer is dan de jaarlijkse pachtsom van 50.000 cruzados. Bardi heeft weinig meer dan zijn uitgaven terugverdiend. De hoeveelheden goud die in de jaren 1584 en 1585 Lissabon bereiken, dragen ertoe bij dat Bardi en zijn compagnons hun investeringen nog enigszins terugverdienen. Maar als hun contract in 1586 afloopt, willen zij dit niet verlengen en dient een andere oplossing voor de Minakust te worden bedacht.

Als in januari 1586 de ambtstermijn van capitão-geral Paçanha en van andere functionarissen in São Jorge da Mina is verstreken, benoemt Philips, op voorstel van aartshertog Albrecht, nieuwe functionarissen. De nieuwe capitão-geral is – zoals we al zagen – João Rodriguez (Roiz) Coutinho, zoon van Lopo de Sousa Coutinho, die in de jaren 1548-1550 capitão-mór aan de Minakust is geweest. João Rodriguez heeft zijn benoeming echter aan zijn eigen verdiensten te danken; hij heeft zich onderscheiden bij het dienen van koning Filipe I. Als gevolg van herhaalde discussies over de Minakust in de Conselho de Portugal, laat Aartshertog Albrecht nauwkeurig nagaan of sedert het aan de macht komen van koning Philips de Genuees Giacomo de la Bardi uiteindelijk wel of geen netto voordeel van zijn contract met de Kroon heeft gehad. De gouverneur die van plan is koning Filipe I te adviseren de handel op de Minakust vrij te geven, als verpachting niet mogelijk zou blijken te zijn, krijgt van de financiële autoriteiten te horen dat zij niet in staat zijn antwoord te geven op zijn vraag, omdat inmiddels de betreffende financiële stukken niet meer aanwezig zijn. Op basis van feiten die zich hebben voorgedaan in 1587 en 1588 laten de heren later weten dat verpachting van de goudhandel voor de Kroon voordelig is. De gouverneur bericht zijn bevindingen aan de koning in een brief gedateerd 25 september 1586 De Conselho de Portugal, buigt zich 6 december over de zaak. Er dient een knoop te worden doorgehakt, omdat de expiratiedatum van het met Bardi gesloten contract, inmiddels is verstreken. Behoudens de instemming van de koning, wordt sloten de goudhandel te verpachten aan de hoogste bieder, al is de Raad zich ervan bewust dat Bardi’s pachtsom van 50.000 cruzados wellicht niet meer haalbaar is. Begin 1587 blijkt Pero Borges de Sousa bereid de handel met de Minakust te pachten voor 40.000 cruzados per jaar. De van Madeira afkomstige contractant, die gewend is met de Kroon te onderhandelen en die jarenlang voor de koning op de Atlantische eilanden belasting heeft geïnd, neemt op zich São Jorge van handelswaren te voorzien, de salarissen van het garnizoen te betalen en de kosten van de inzet van de galeien te betalen. Hij vraagt echter om verlaging van de pachtsom, tenzij hij en niet de Kroon de capitão-mór van de galeien benoemt. Dit is een zeer lucratieve post, omdat de capitão-mór van de galeien de helft van de waarde van de veroverde schepen en hun lading toevalt. Koning Philips geeft toe en gaat er ook mee akkoord dat Pero Borges de benoeming van andere functionarissen in São Jorge en Axim aan zich trekt. De Kroon behoudt echter het recht de capitão-geral en de feitor aan te stellen.

De overeengekomen bepalingen worden overgenomen in het regimento, waarmee de gouverneur in de zomer van 1587 naar de Minakust vertrekt. De zaken ontwikkelen zich voor de nieuwe contractant niet gunstig. De tweede en tevens laatste vloot die onder zijn contract uitzeilt, vertrekt in april 1588, tezamen met schepen met bestemming Indië, Brazilië. Cabo Verde en São Tomé. In de eerste maanden van 1589 zegt Pero Borges het contract op en spoedig daarna wordt een andere overeenkomst gesloten met een in Lissabon wonende koopman, Giovanni Baptista Rovelasco, die het lot van de Minakust gedurende negen jaar in handen heeft.

3.5. De bedreiging van de Minakust door de Hollanders (1595-1615)

Categorieën
Portugees kolonialisme

De verdediging van de Minakust tegen indringers tot 1580. De Atlantische eilanden en West-Afrika

Deel 13 Index

Hoofdstuk 3.

De Atlantische eilanden en West-Afrika:

3.3. De verdediging van de Minakust tegen indringers tot 1580

Geschreven door Arnold van Wickeren

In het tweede deel van dit werk is de teloorgang van Portugals handelsmonopolie in de Golf van Guinée uitvoerig besproken. Deze bespreking wordt hierna kort samengevat als inleiding op de behandeling van de Portugese positie in de Golf na het overlijden van Dom João III en ten tijde van de Habsburgers.

Eind 1438 beginnen Franse en Engelse piraten hun aanvallen op de Portugese scheepvaart in het zuiden van de Atlantische Oceaan te intensiveren. Ook scheepvaart van en naar de Minakust geniet hun belangstelling. De berichten die de Casa da Mina over de toegenomen brutaliteit van vreemde indringers ontvangt van kapiteins in de Carreira da Mina zijn zeer verontrustend. Werd In de jaren dertig incidenteel een Franse indringer gezien, in 1539 worden diverse Portugese handelsschepen door Franse piraten genomen. Om dit gevaar het hoofd te bieden laat João III zwaar bewapende galjoenen, als de São João en de Trinidade, de bevoorradingsschepen naar de Minakust escorteren. Een van de twee galjoenen beschermt de met goud geladen karvelen op hun tocht naar Lissabon en het andere schip jaagt in de Golf van Guinée op indringers. Naast aanvallen van piraten dreigt er een veel groter gevaar. De druk van handelskringen in Engeland en Frankrijk het embargo op de commerciële vaart naar de Minakust op te heffen, neemt toe met elk bericht over de aankomst van een met goud geladen karveel in de haven van Lissabon. In november 1540 heft Frankrijk het embargo, dat sinds midden 1536 gehandhaafd is, op. Het gevolg is dat elk jaar Franse schepen uit Rouen, waar begin 1540 al een consortium van kooplieden is gesticht, naar de Minakust zeilen, om rechtstreeks goud te ruilen met de zwarten, hetgeen door de functionarissen in Fortaleza de São Jorge aan de Costa da Mina wordt bevestigd.

In februari 1541 verneemt capitão-geral António de Miranda dat er Fransen aan de kust zijn gesignaleerd. Hij zendt een kano met zwarten op hen af, maar die wordt bij Axim door hen aangehouden. Miranda haast zich, vooruitlopend op een aanval, de verdediging van fort Santo António, die al tien jaar verwaarloosd is, te versterken en het na een brand in 1540 verwoeste interieur te herstellen. De Franse aanval blijft uit en als in juni 1541 bouwmaterialen in Axim arriveren, wordt van de negers vernomen dat de Fransen al zijn vertrokken, met medeneming van een lading goud. In februari 1543 ontdekt een Portugese patrouille uit Axim weer een Frans schip op negen léguas van de post. Estêvão de Limpo, capitão en feitor van Axim zendt direct een kano naar São Jorge, om het nieuws te melden. António de Miranda komt snel in actie. Hij stuurt een sectie soldaten in een kano op de Fransen af. Zij zien een flottielje die bestaat uit een grote bewapende galjoen, twee schepen van 20 of 30 ton en drie heel kleine schepen, waarmee vlak langs de kust en zelfs op rivieren gezeild kan worden. Tegen deze overmacht kunnen de Portugezen niets beginnen. De Fransen verhandelen aan de Minakust dezelfde goederen als de Portugezen, alleen tegen veel lagere prijzen, zodat de negers die ver van de Portugese posten leven, gaarne zaken met hen doen. Omdat het Miranda aan middelen ontbreekt tegen de Franse vloot op te treden, verzoekt hij Lissabon om twee of drie galeien te mogen bouwen. Daarmee kunnen de Fransen, die zich al drie jaar achtereen aan de Minakust hebben laten zien, worden verjaagd. Dit is veel effectiever en goedkoper dan het zenden van meer troepen en de aanleg van nieuw bases aan land. Het zal tien jaar duren voordat João III Miranda’s advies overneemt.

De gevolgen van de Franse commerciële activiteiten aan de Costa da Mina zijn voor de Portugezen desastreus. De goudontvangsten, die in de jaren dertig nog gemiddeld 1.400 tot 1.800 marcos per jaar hebben bedragen, dalen tot gemiddeld 600 marcos per jaar in de periode 1549-1553. Het zijn overigens niet alleen buitenlanders die het koninklijke handelsmonopolie aan de Minakust niet respecteren. Ballong-Men-Wewuda vermeldt dat ook Portugezen, zelfs edelen aan het hof, zich hieraan schuldig maken. Hij geeft hiervan het volgende voorbeeld.

De man om wie het gaat is Francisco de Andrade. Hij is een rijk man, die een eervol ambt bekleedt en die door de koning is overladen met weldaden en gunsten. Frncisco de Andrade gaat in zee met António, João en Duarte Rodrigues, broers van zijn vrouw, en met twee schoonzoons van hun twee zwagers, zonen van Diogo Rodrigues, een voormalige bevelhebber in Goa. Zij associëren zich tegen de koninklijke handel aan de Minakust en in Guinée. De kompanen hebben drie schepen gekocht, die zij hebben bewapend en geladen met verboden handelswaar, om deze naar de Golf van Guinée te sturen. Eerst gaan twee schepen, onder bevel van António Rodrigues, naar de Peperkust. Zij laden daar een grote partij malagueta-peper, die verdeeld wordt onder alle kompanen en hun medeplichtigen. Onderweg zijn inlichtingen verzameld over plaatsen aan de Minakust waar gehandeld wordt in goud en zij stellen zich ook voor na de lange in reis op verhaal te komen in Fortaleza São Jorge da Mina. António Rodrigues heeft, met steun en hulp van zijn kompanen een derde schip, een erg goede zeiler, uitgerust. Met een bemanning die zijn vertrouwen geniet, is hij met veel verboden handelswaar vertrokken uit de haven van Cezimbra. Aangekomen in de Golf van Guinée is hij voor anker gegaan op de rede van een plek op negen léguas verwijderd van São Jorge. Hij is daar op heterdaad betrapt door de capitão van het fort. Het merendeel van de opvarenden van het schip wordt gearresteerd en het overgrote deel van de handelswaar, bestemd voor de illegale handel, wordt geconfisqueerd. Maar het brein achter de expeditie, António Rodrigues, en twee van zijn kornuiten, slagen erin aan boord van hun snelle zeiler te ontvluchten, met medeneming van de grote hoeveelheid goud die zij al hebben geruild. De drie vluchtelingen slagen erin het eiland São Tomé te bereiken. Daar wordt het drietal door de autoriteiten, die niet weten wat zij op hun kerfstok hebben, allerhartelijkst verwelkomd. De andere gearresteerde lieden, worden overgebracht naar Lissabon. Daar worden zij berecht en zwaar gestraft, met uitzondering van een paar ambtenaren, die weliswaar hebben deelgenomen in de activiteiten van de bende, maar die erin slagen de rechters met giften om te kopen. Zij worden bijna vrijgesproken, onder het voorwendsel, dat `os santos canones non dão pena aos tays selyquentes’.

De terugval in de goudontvangsten is overigens niet geheel te wijten aan inbreuken op het koninklijk monopolie, maar ook aan oorlogen in het binnenland, die de aanvoer van goud naar de Portugese factorijen verhindert. In 1551 kan de capitão-geral echter rapporteren dat kooplieden van 150 mijl ver São Jorge hebben bereikt, maar kort daarna breken weer nieuwe gevechten uit. In 1557 wordt de onbelemmerde handel met de Akani-staten hersteld. Dat jaar worden geschenken gezonden aan de `Grandes Akanes e Pequenos Akanes’, om hen ertoe te bewegen de handel te hervatten. Capitão-geral Botafogo bericht dat acht maanden na het zenden van de giften de eerste Akani-kooplieden sinds de dagen van António de Miranda naar São Jorge zijn aangekomen. Nadat de Fransen verschenen zijn, dalen de ontvangsten van goud van het kleine Forte de Santo António in Axim nog sterker dan die van het Fortaleza de São Jorge, namelijk van rond 160 naar 32 marcos per jaar.

In de jaren veertig laat João III de vesting São Jorge renoveren. Het fort moet bestand zijn tegen aanvallen van het modernste scheepsgeschut, daarom worden de muren versterkt, de torens uitgebouwd tot bastions en er wordt een nieuwe muur gebouwd dwars over het schiereiland waarop het fort ligt De bewapening van het fort wordt eveneens aan de eisen van de tijd aangepast. Een vedor das obras, een nieuwe functionaris, die voor lange tijd is aangesteld, moet erop toezien dat alle werkers: metselaars, timmerlieden en slaven, hun taken nauwgezet verrichten. Iedere kapitein die naar São Jorge da Mina wordt gezonden, dient aan de Casa da Mina te rapporteren hoe het met de renovatie is gesteld.

Behalve Fransen verschijnen ook Castilianen aan de Minakust. Zo keert Antonio de Pesquera uit San Lúcar de Barrameda in 1547 in Andalusië terug met goud, malagueta-peper en andere zaken. Aangemoedigd door dit succes, rust hij twee jaar later weer een schip uit. Hij zeilt uit met een lading cauris, trompethoornschelpen, manilhas en koperen vaatwerk. Koning João, die weet krijgt van zijn snode plannen, zendt hem een karveel achterna, dat bij de Canarische eilanden Pesquera’s schip, waarop zich een Portugese loods blijkt te bevinden, overmeestert. In hetzelfde jaar 1549 wordt een ander Castiliaans schip, dat handeldrijft aan de kust van Guinée, door een Portugese vloot genomen. Daarna laat João III een eskader voor de kust bij Arguim kruisen, om Spanjaarden van de Canarische eilanden ervan af te houden naar Guinée te gaan; begin 1552 maakt dit eskader zich meester van twee schepen en loert dan op de volgende prooi.

In de jaren vijftig verschijnen de eerste Engelse concurrenten op het toneel. Capitão-geral Rui de Melo verneemt hun komst in 1553 van Afrikaanse informanten. Naar aanleiding hiervan rapporteert hij aan de Casa da Mina, dat twee grote schepen en een pinas, gegidst door een Portugese overloper, die aanwijst aan welke delen van de kust kan worden handelgedreven, naar het oosten zeilen. De Engelsen hebben ervoor gezorgd dat zij niet ontdekt zijn door de Portugezen in Axim. Dit verklaart dat zij al op weg zijn naar Benin als Rui de Melo van hen hoort. Hij kan dus niet anders meer doen dan de zwarten met sancties dreigen als zij met de nieuwe concurrenten in zee gaan. In 1552 strand op de Engelse kust het schip van Simão Pires, een Portugees die zich in Noord-Europa heeft gevestigd. Hij keert, nadat hij een reis naar de Minakust gemaakt heeft, in Engeland terug met 30 marcos goud en 18 ton malagueta-peper. Mogelijk was hij de kapitein van een van de Engelse schepen, waarover Rui de Melo in 1553 heeft gehoord en is hij de bewuste overloper die deze schepen naar de Minakust en Benin heeft geleid. Vogt verstrekt veel bijzonderheden over enige Engelse reizen naar de Minakust, waarvoor verwezen wordt naar deel VIII. De hoofdzaken van de bedoelde reizen worden hierna samengevat. De reis van kapitein Thomas Windham met de Lion, de Primrose en de Moon, zou de eerste Engelse expeditie naar de Minakust geweest zijn. Windham ruilt aan de Minakust 150 pounds goud en de oba van Benin laat hun schepen beladen met peper. De volgende Engelse expeditie naar de Minakust wordt geleid door John Lok. Hij keert in 1555 in Engeland terug met 400 pounds goud, 250 slagtanden en 36 okshoofden peper. Een jaar later zeilt William Towson uit met de schepen Hart en Hind. Hij keert in Engeland terug met 120 pounds goud, een paar olifantstanden en twee okshoofden peper. Een maand later vertrekt Towson opnieuw naar de Minakust, nu met drie schepen, hij heeft aan de Hart en de Hind een groot vrachtschip, de Tigre, toegevoegd. Hij verenigt zijn eskader met een Franse vloot, bestaande uit de Espoir, de Leuriere, een derde onbekend schip en twee pinassen. De Anglo-Franse vloot lijdt op 27 januari 1557 een nederlaag tegen vijf Portugese oorlogsschepen, die door João III naar de Minakust zijn gezonden, om de indringers te verjagen. Desondanks blijven Towson en zijn Franse bondgenoten nog een maand aan de Minakust, waarbij zij elk contact met het sterke Portugese kustbewakingseskader uit de weg gaan. Towson weet te ontsnappen aan een tweede Portugese vloot, nog veel machtiger dan het kustbewakingseskader dat het komt aflossen. Towson keert in Harwich terug met slechts 70 pounds goud.

Al vanaf 1544 hebben de handel en de goudopbrengsten aan de Minakust van jaar tot jaar grote wisselingen laten zien. De oorzaken daarvan zijn niet alleen de activiteiten van Franse en Engelse indringers aan de kust en de aanvallen van piraten op met goud geladen karvelen, maar ook problemen met de bevoorrading van São Jorge met ruilwaren. De Portugese economische positie aan de Minakust is snel verslechterd. In de jaren 1549-1554 beweegt de handel zich op het laagste peil sedert het begin daarvan. In 1553 wordt slechts 415 marcos goud ontvangen en in de periode 1542-1557 bedragen zij maar 687 marcos gemiddeld per jaar. Dit alles neemt niet weg dat de Casa da Moeda in de jaren 1555 en 1556 1.658 en 1.052 marcos goud van São Jorge ontvangt, zodat in deze jaren sprake is van een opmerkelijk herstel.

De opvolgers van Dom João III, eerst zijn weduwe Catarina (1557-1562) en na haar kardinaal Henrique (1562-1567) verwaarlozen São Jorge da Mina geenszins. De Portugese verdediging is niet bij machte iedere indringer van de uitgestrekte Minakust weren, maar zij kan penetratie aan de kust voor indringers tot een hachelijk avontuur maken.

In 1557 zijn de strooptochten van Fransen en Engelsen, evenals in de jaren daarvoor, van grote invloed op het Portugese monopolie in São Jorge da Mina. Afonso Gonçalves Botafogo, de capitão-geral aan de Minakust, beklaagt zich in een brief gedateerd 18 april 1557i, aan het hof in Lissabon erover dat Dom João, de koning van de Efutu, en zijn schoonzoon ‘al hun geld’ hebben geruild met twee schepen van smokkelaars die – moet de capitão bekennen – waren van uitstekende kwaliteit hebben aangevoerd. En de feitor laat dezelfde maand weten dat er het hele jaar nog geen zaken met de zwarten zijn gedaan, omdat Towrson en de Fransen hun goederen zo goedkoop hebben aangeboden. Simão Rodrigues, de feitor, rapporteert de activiteiten van de kustbewakingseskaders tegen indringers en hij beveelt regentes Catarina aan ieder jaar een vloot naar de Minakust te zenden in de periode dat daar veel scheepsbewegingen zijn. elk jaar een vloot naar de Minakust wordt gezonden. Deze maatregel zal het Portugese aandeel in de goudhandel voldoende doen stijgen om de additionele uitgaven meer dan te rechtvaardigen, voorspelt de pleitbezorger. De capitão-geral van São Jorge, Botafogo, schrijft ook dat sedert het begin van het jaar niet meer dan voor 5,37 cruzados goud ontvangen is. En deze kleine hoeveelheid is begin januari al geruild, voordat de Anglo-Franse vloot zich heeft laten zien. São Jorge kan rekenen op de hulp van nabij het fort wonende zwarten, om een aanval op het fort af te slaan, maar er kan niet gerekend worden op de trouw en medewerking van zwarten uit ver verwijderde dorpen. Botafogo geeft een voorbeeld. Hij schrijft dat inwoners van het ten oosten van het fort gelegen Accra hebben geweigerd handel te drijven met Portugese gezanten, betogend dat er in dat jaar geen goud was ontvangen, maar toen vreemde schepen daar in het voorjaar van 1557 in Accra waren verschenen, heeft zich een levendige handel ontwikkeld. Kennelijk geven de kooplieden van Accra de voorkeur aan de gunstige prijzen die Engelse en Franse factors voor hun koopwaar vragen boven de vaste prijzen die zij voor Portugese goederen moeten betalen. De zwarten krijgen van hun 80 manilhas voor een ounce goud, terwijl de Portugezen in São Jorge daarvoor niet meer dan de helft geven.

Midden maart 1557 zendt Botafogo een afdeling soldaten naar Accra om de dorpsbewoners te straffen voor hun ongehoorzaamheid. De kustplaats wordt geplunderd en in brand gestoken en de inwoners vluchten het binnenland in totdat de soldaten vertrokken zijn. In 1558 zendt de capitão een grote Portugese strijdmacht naar Shama, om de stad te onderwerpen. Sedert het bezoek van de expeditie van John Lok aan Shama in 1555 zijn er discussies met de bewoners, die moeten verhinderen dat zij opnieuw met indringers zaken doen. Botafogo legert een permanent garnizoen in Shama. Rond het met stro bedekte onderkomen dat in 1555 is gebruikt, wordt een aardewal opgeworpen. Hierop plaatsen de Portugezen een houten palissade, die een open ruimte omsluit, in het midden waarvan een hoge stenen toren wordt gebouwd. Het garnizoen kan zich bij een aanval in de toren terugtrekken. Er wordt een kleine batterij van vier berços geïnstalleerd. Op deze wijze oefent het Portugese garnizoen controle uit over de Afrikaanse stad. Om de soldaten te kunnen bevoorraden wordt een belasting van toen procent geheven op de in Shama aangevoerde vis. In het volgende jaar treden de Portugezen ook op tegen andere recalcitrante dorpen aan de kust die handeldrijven met indringers.

Het Portugese optreden aan land gaat gepaard met een hernieuwd agressief optreden tegen vreemde schepen. In de jaren veertig en vijftig van de zestiende eeuw zijn er kustbewakingspatrouilles van gewapende galjoenen uit Portugal naar São Jorge gezonden, telkens wanneer uit heimelijk verkregen inlichtingen is gebleken dat een vijandelijke vloot onderweg is naar de Minakust. De inzetbaarheid van galjoenen is echter maar beperkt, door de kracht van de Guinée-stroom. Deze stroomt met een kracht van twee knopen langs de kust naar het oosten, maar zwelt in de maanden mei tot en met juli aan tot drie knopen. Hierdoor kunnen galjoenen slechts met grote moeite in de Golf van Guinée naar het westen zeilen. Als in São Jorge vanuit Axim bericht wordt ontvangen dat er een vijandelijke vloot in aantocht is, kost het nog meerdere dagen voordat Portugese schepen bij Cape Threepoints zijn. Om dat probleem op te lossen zetten de Portugezen bij de verdediging van hun goudhandel kleine galeien in. Deze vaartuigen beschikken zowel over zeilen als over roeiers. Een kleine galei van achttien meter met tien of vijftien roeibanken kan ieder tegen de wind in zeilend schip inhalen. Dus galeien kunnen het hele jaar door aan de Minakust worden gebruikt en zij kunnen in de werkplaats van São Jorge worden gebouwd. Het enige nadeel van de inzet van galeien is het grote aantal benodigde roeiers. De inzet van twintig à dertig soldaten zou het garnizoen te veel verzwakken. Daarom wordt gebruik gemaakt van slaven en van Franse en Engelse krijgsgevangenen. De voordelen van het gebruik van galeien wegen ruimschoots op tegen de nadelen. Ze zijn ook prima bruikbaar voor het onderhouden van een snelle verbinding tussen São Jorge en de Portugese buitenposten in Axim, Shama en later Accra.

In het tijdvak 1540-1560 worden met tussenpozen galeien gebruikt, maar daarna vormen twee gewapende galeien een permanent bestanddeel van de Portugese verdediging. Enige galeien zijn tamelijk groot en vervoeren, naast 72 roeiers, 30 soldaten met hun wapenuitrusting. Iedere galei is uitgerust met ten minste een kanon van klein kaliber en is daarmee een geduchte tegenstander van nagenoeg ieder oorlogsschip. Galeien zijn in hoge mate effectief tegen licht bewapende koopvaarders, zoals het Engelse vaartuig Minion, dat in 1562 grote schade oploopt in een gevecht met een van de twee Portugese galeien. De Minion is met de Primrose en enige andere schepen in februari uit Engeland vertrokken; eind april is de vloot aan de Minakust gearriveerd en al na enkele dagen wordt de Minion door de galeien aangevallen. Het schip weet met en uiterste krachtsinspanning van zijn bemanning te ontsnappen. De twee galeien vallen vervolgens een ander Engels schip aan. Kort daarna verlaat de gehele Engelse vloot de Minakust op zoek naar andere streken waar handeldrijven minder risico oplevert. De vloot is nog geen week aan de Minakust geweest en de Engelsen hebben geen gram goud bemachtigd. De kooplieden die het gebrek aan succes niet kunnen verkroppen, pochen dat zij met 300 pounds goud zijn teruggekeerd. Echter, gelet op hun korte verblijf aan de Minakust, is hun bewering – volgens John Vogt – ongeloofwaardig. Magalhães Godinho is minder sceptisch over deze reis dan John Vogt. Hij schrijft dat de schepen in augustus 1562 met 300 livre-poids van de Minakust in Engeland zijn teruggekeerd, dankzij uitstekende betrekkingen met een negerkoning, wat te danken is aan twee zwarten die al in Londen zijn geweest. Magalhães Godinho vermeldt nog een Engels succes uit die tijd. Volgens hem arriveren in de loop van de volgende maand twee schepen in Portsmouth, met aan boord 350 livre-poids goud, terwijl Turkse galeien zich hebben weten meester te maken van twee andere schepen. Zo lang de galeien blijven patrouilleren, zijn zij een afdoend middel tegen indringers, al kunnen zij niet verhinderen dat dezen incidenteel goud weten te bemachtigen.

In 1564 als de Minion zich opnieuw aan de Minakust vertoont, wordt het schip opnieuw door dezelfde galeien aangepakt en na een kort verblijf van de kust verdreven. Tezelfdertijd wordt een Frans schip, de Green Dragon, afkomstig uit Nieuwpoort, gedwongen de Minakust te verlaten. Het zeilt naar West-Indië. Terwijl de gecombineerde Anglo-Franse vloot pogingen onderneemt ergens de handel te openen, begeeft de commandant van de vloot, captain David Carlet, zich aan land om zelf te zien hoe de handel in goud in zijn werk gaat. Hij wordt door de Afrikanen verraden en door een Portugese patrouille te voet ingerekend. Hij wordt, tezamen met een handvol andere Engelsen, in Fortaleza São Jorge gevangen gezet, waar hij de speciale aandacht van de capitão-geral geniet, omdat zijn activiteiten reeds officieel door de Portugese Kroon zijn bestempeld als piraterij.

De Portugese successen tegen Engelse piraten van 1564 zijn voor en groot deel te danken is aan het uitstekende inlichtingenwerk van Portugese agenten in Engeland en Frankrijk. Zij hebben begin augustus 1564 bijzonderheden over de samenstelling van de vloot, de stand van de voorbereidingen en de vermoedelijke zeilopdrachten naar Portugal gezonden. In zijn bericht van 5 juli 1564 heeft de Portugese ambassadeur in Engeland, Francisco da Costa Pontes erop aangedrongen de te verzamelen inlichtingen ter kennis te brengen van Martim Afonso, de commandant van de Portugese strijdkrachten in São Jorge. Sprekend over de successen behaald met de galeien, dient de verovering van de Cherubin te worden vermeld. Maar omdat dit in 1581 gebeurd is, zal daaraan later aandacht worden besteed.

In 1572 stellen de autoriteiten aan de Minakust voor de effectiviteit van de galeien te vergroten door de roeiers niet meer te doen bestaan uit blanke degredados uit Portugal, die na korte tijd in het ongezonde klimaat koortsen krijgen en in een ras tempo sterven. Zij zouden beter vervangen kunnen worden door veroordeelde zwarte slaven van São Tomé. Om smokkelen door roeiers tegen te gaan, kondigt de capitão de maatregel af dat roeiers (remeiros) die niet geboeid in het fort verblijven, in hun galeien dienen te verblijven. Deze maatregel is vooral van belang als er voorraden handelswaar worden gelost. Een ander idee, de galeien te gebruiken als handelsschepen of deze in te zetten om Portugese koopvaarders te escorteren langs de gehele Minakust, worden nimmer uitgevoerd.

Door de Portugezen gemaakte gevangenen wacht het volgende lot. Gewone zeelieden worden meestal veroordeeld tot de galeien. Zij sterven als remedios aan hun kettingen. Bij de aanval op de Minion in 1562 worden de Engelse zeelieden aangemoedigd door een landgenoot, die zich onder de roeiers in de galei bevindt. Is de gemaakte gevangene een officier of een rijke koopman dan wordt hij gewoonlijk door de capitão in de vesting opgesloten. Prominente gevangenen worden na verloop van tijd overgebracht naar Portugal, om daar terecht te staan. In 1555 valt een prominente Engelsman, in handen van de Portugezen. Hij wordt in de ijzers geslagen en zit bijna negen maanden in de vesting gevangen, voordat hij naar Portugal wordt gezonden, waar hij direct wordt vrijgelaten. Frobisher heeft ons een gedetailleerd, zij het enigszins bevooroordeeld relaas over het garnizoensleven in São Jorge da Mina nagelaten. Hij laat hierin weten dat er in zijn tijd twee dozijn Engelsen geketend en opgesloten in slavenhokken worden vastgehouden.

Het voortdurend patrouilleren met de galeien en het wreed bestraffen van recalcitrante zwarte handelaren bewerkstelligen niet meer dan een lichte vermindering van de Engelse en Franse bedreiging van de Minakust. Tegenover ieder genomen of verjaagd schip ontsnappen er twee aan de Portugese waakzaamheid en zij slagen erin goud te laden in ver van São Jorge verwijderde dorpen. De Engelse belangstelling voor de profijtelijke handel aan de Minakust blijft de gehele zestiende eeuw bestaan. Rond 1567 zijn de Engelsen zeer actief. Ieder zeilseizoen vertrekken er schepen uit Engelse havens en er wordt zelfs overwogen een Engelse handelspost aan de Minakust op te zetten. Deze post zou tevens moeten dienen als een basis voor Engelse schepen in hun operaties tegen de Portugezen.

In de eerste maanden van 1567 worden Engelse kooplieden benaderd door twee Portugezen, zij zijn gevlucht nadat zij erop zijn betrapt voor eigen rekening met de zwarten zaken te hebben gedaan. Het tweetal, Antão Luís en André Homem, wil door koningin Elizabeth in audiëntie worden ontvangen, om de vostin voor te stellen te worden belast met de leiding van een Engelse expeditie naar de Minakust, waar zij de expeditie kunnen leiden naar een goede haven, waar een fort kan worden gebouwd. Zij betogen dat de voorgestelde reis ten minste een nettowinst van 300.000 pounds sterling zal opleveren. Voor hun diensten vragen de twee Portugezen, naast de leiding over de expeditie, het voorrecht landerijen in de omgeving van het nieuwe fort te mogen verpachten.

Het voorstel van Luís en Homem wint aan realiteitsgehalte door berichten afkomstig van de Minakust. Er zijn zeker Afrikaanse heersers die wars zijn van de door de Portugezen opgelegde ruilvoeten en uitzien naar een alternatief voor hun monopolistische handelspolitiek. Telkens als de gelegenheid zich voordoet bieden deze zwarte heersers Engelse kooplieden land aan, om er hun eigen handelspost te vestigen. Zij zien de Engelsen als bondgenoten in hun verzet tegen de Portugezen. Elizabeth voelt er niets voor de Portugezen uit te dagen; zij heeft al genoeg te stellen met Spanje. Bovendien is zij van mening dat een Engelse basis aan de Minakust te kwetsbaar is. Zij verwerpt dus het aanbod van Antão Luís en André Homem. Het zal nog zestig jaar duren vooraleer Engeland zijn eerste post aan de Minakust zal hebben.

Tijdens de regering van kardinaal Henrique (1562-1567) is er sprake van een keerpunt in het geschil tussen Engeland en Portugal over de handel aan de Minakust. Henrique verdubbelt de Portugese inspanningen om de verdediging van de Minakust te versterken. Hij verkrijgt van koningin Elizabeth (1558-1603) de toezegging dat zij, evenals haar voorgangster koningin Mary (1553-1558), haar onderdanen zal verbieden naar de Minakust te zeilen. De kardinaal-koning ontdekt al gauw dat haar ambtenaren hun ogen sluiten voor gewaagde commerciële ondernemingen naar Portugals Afrikaanse bezittingen. Portugese gezanten, die na de Engelse inbreuken op het Portugese goudmonopolie van 1562 en 1564 naar het Engelse hof zijn gezonden, protesteren krachtig tegen de activiteiten van Engelse piraten. Elizabeth brengt hiertegen het volgende in. Daar Portugal zich erop beroept dat de zwarten aan de Minakust onderdanen van de Kroon zijn, dient de koning zijn onderdanen ervan te weerhouden handel te drijven met Engelse kooplieden. Indien de Afrikanen doorgaan het Portugese verbod te overtreden, dan is het duidelijk dat zij de Portugese soevereiniteit niet erkennen en dat deze zich derhalve niet uitstrekt over de gehele Minakust.

Als Henrique het antwoord van de koningin ontvangt, geeft hij zijn hoop op een diplomatieke oplossing voor het geschil nog niet op. Maar om de Minakust te beschermen, zendt hij gedurende zijn gehele regeringsperiode kustbewakingsexpedities naar de Golf van Guinée. In 1567, zijn laatste jaar als Sebastião’s regent, poogt de kardinaal-koning met nog meer energie het geschil met Engeland tot een bevredigende oplossing te brengen en tegelijkertijd de Portugese handel aan de Minakust te beschermen. Hij brengt het lot van de Engelse zeelieden die door de Portugezen zijn gevangengenomen ter tafel. Hij wijst Elizabeth op de mogelijkheid deze lieden in Lissabon te berechten, waarmee de kans op spoedige vrijlating groter is dan wanneer zij tot de galeien zijn veroordeeld. In februari 1564 is de gehele bemanning van een Engels schip in Portugese handen geraakt en velen daarvan verkommeren al jaren in São Jorge. Ook heeft een kustbewakingseskader, dat door Henrique in 1565 naar de Minakust is gezonden, een Engels schip genomen. De bemanning daarvan zit gevangen op het Azoren-eiland São Miguel. Bovendien zijn alle Engelse kooplieden die op São Miguel wonen gearresteerd. Zelfs Engelse kooplieden in Lissabon zijn in hechtenis genomen, na beschuldigd te zijn van smokkel. Henrique zet Elizabeth dus onder druk, om een oplossing te forceren. In 1566 voert hij de druk op en dreigt met sluiting van de Portugese havens voor Engelse schepen.

Henrique heeft nog een andere reden tot klagen. In 1565 wordt Portugal overstroomd met grote hoeveelheden in Engeland gemaakte valse koperen munten. De vervalsingsactiviteiten, die zijn begonnen in de Nederlanden, worden door twee Portugezen geleid. Een geeft leiding aan een geheim munthuis in Antwerpen en de ander opereert vanuit Middelburg. Margareta van Oostenrijk, landvoogdes van de Lage Landen, kondigt strenge decreten af, om een eind te maken aan de illegale handel, die vervolgens wordt overgebracht naar

Duitsland. In augustus 1565 treedt keizer Maximiliaan II eveneens tegen de misstand op. De valse munterij wordt daarop verplaatst naar het relatief veilige Engeland. Kardinaal Henrique biedt Engeland de mogelijkheid in antwoord op Portugals verzoeken de handel op Afrika en de export van valse munten te staken. Maar de zaken zullen een andere wending nemen.

In de maand april van het jaar 1567 roepen William en George Winter de hulp van de koningin in bij het terugkrijgen van goederen de door een Portugees eskader in september 1565 zijn geconfisqueerd op de rivier de Sestos in West-Afrika. Dan worden op 26 april de eerder besproken voorstellen van Antão Luís en André Homem aan de koningin voorgelegd. Elizabeth roept de hulp in van regent Henrique en de jonge koning Sebastião bij het vrijlaten van haar onderdanen die zich zuchten in Portugese gevangenissen en in de vesting São Jorge da Mina. Zij zendt Dr. Thomas Wilson naar Lissabon om over de Minakwestie te onderhandelen. Engeland staat op het standpunt dat de gevangengenomen Engelsen geen kapers, maar kooplieden zijn. Wilson betoogt dat de streken waarin zij zin aangehouden, niet kunnen worden beschouwd als gebied onder jurisdictie, omdat de zwarte bewoners daar de Portugese soevereiniteit niet erkennen.

Henrique en de Portugese Staatsraad weigeren dit argument te accepteren, maar zij willen de onderhandelingen voortzetten. Henrique komt met het voorstel Dr. Manuel Álvares naar Londen te zenden. Henrique hamert erop dat Portugal de handel op de Minakust niet kan vrijgeven wegens de economische schade die dit veroorzaakt, nog afgezien daarvan dat Elizabeth in het verleden de Portugese monopoliepositie in West-Afrika heeft erkend. Om Portugals goede wil te tonen geeft Henrique opdracht de op São Miguel gevangengenomen Engelsen, ofschoon hun daden bestraffing verdienen, vrij te laten en hen hun goederen terug te geven. Hij beveelt voorts dat de Engelsen die zijn opgesloten in het Fortaleza São Jorge da Mina, over te brengen naar Lissabon, waar ieder van hen een eerlijk proces zal krijgen. Manuel Álvares vertrekt eerst naar Engeland op 18 januari 1568, slechts twee dagen voordat Henriques zijn regentschap neerlegt.

Nadat de Portugese ambassadeur in Londen is aangekomen, voert hij in de loop van een jaar enige keren overleg met koningin Elizabeth over de Luso-Engelse geschillen, die niet tot een doorbraak leiden. Begin 1569 worden de onderhandelingen geheel afgebroken, als vernomen wordt dat de koningin een letter of marque heeft verstrekt aan George Winter, die daarmee het recht krijgt Portugese prijzen te nemen om de door hem geleden verliezen, door confiscatie van zijn handelswaar door de Portugezen, te compenseren. De Portugese Staatsraad bespreekt het escalerende geschil en adviseert koning Sebastião de Engelse schepen die in Portugese havens liggen, te confisqueren en de handel met Engeland op te schorten. Voor dit drastische optreden voert de raad de volgende argumenten aan: de confiscatie van Winters schip was legaal en de afgifte van een letter of marque rechtvaardigt de door de raad aanbevolen maatregelen. De letter of marque dient te worden ingetrokken, buitgemaakte Portugese goederen dienen te worden teruggegeven en de Engelse handel op de Minakust dient te worden verboden.

Engeland kan zich niet veroorloven de uitvoer van graan naar Portugal te verliezen, omdat dit 120 groothandelaren zou ruïneren. Hoewel Elizabeth en haar ministers bereid zijn aan de eerste twee Portugese verlangens tegemoet te komen, wensen zij niet af te zien van de winsten die kunnen worden behaald met de goudhandel. Wellicht is dat ook niet nodig, want in Engeland beginnen in de zomer van 1567 geruchten te circuleren dat er een reorganisatie van de Portugese handel met de Minakust op komst is.

Deze geruchten berusten op waarheid. De komst van de Franse en Engelse indringers in de goudhandel heeft in het midden van de jaren zestig een financiële crisis in de Portugese handel met de Minakust veroorzaakt. Voor ongeveer de helft van de jaren tussen 1544 en 1567 geldt dat de winst behaald met de goudhandel niet voldoende is om daaruit de uitgaven voor het garnizoen te betalen. Verschillende feitors in São Jorge die zich over dit probleem uitlaten, wijzen op de enorme hoeveelheden ruilwaren die Franse en Engelse corsairs hebben aangevoerd. Hierdoor zijn de prijzen scherp gedaald en zijn de zwarten niet meer bereid de door de Portugezen vastgestelde prijzen te betalen. Het probleem is nog vergroot doordat Franse en Engelse corsairs incidenteel een Portugees karveel, dat goud van São Jorge naar Lissabon brengt, weten te verschalken. Wordt bovendien rekening gehouden met de kosten van het zenden van kustbewakingspatrouilles naar de Minakust en met de versterking van de forten in Axim en São Jorge en met de twee bemande galeien die op indringers jagen, dan kost de Portugese militaire aanwezigheid aan de Minakust netto jaarlijks 600 tot 1.000 marcos.

Geplaatst voor stijgende kosten en dalende goudopbrengsten, begint de Portugese Kroon na te denken over een ander beheersysteem dan een koninklijk goudmonopolie. Kardinaal Henrique worstelt zijn hele regeringsperiode met dit probleem, terwijl hij met Engeland onderhandelt. Een paar maanden voor zijn aftreden, formuleert hij een nieuw beheersplan. In november 1567 rapporteert de Franse gezant in Madrid, M. de Fourquevaux, dat de Portugese Staatsraad ermee heeft ingestemd de Minakust te verpachten aan een consortium van twaalf tot vijftien kooplieden. Koning Sebastião zou bereid zijn zijn koninklijk monopolie op de goudhandel op te geven in ruil voor de verdediging van de Minakust en de betaling van alle wedden van overheidsdienaren door de contractanten. De Kroon blijft schepen en bemanningen beschikbaar stellen, maar het consortium dient zorg te dragen voor de aanvoer van handelswaar, waarop de Kroon belasting heft. Tien procent bij vertrek uit Lissabon en het dubbele op goud en andere zaken bij vertrek uit São Jorge da Mina.

Een soortgelijk systeem is tegen het einde van de vijftiende eeuw al ingevoerd voor andere delen van Portugees Afrika en voor de Atlantische eilanden. Zelfs de aanvoer van handelsgoederen naar São Jorge waarvoor de Casa da Mina onder het regiem van het koninklijk monopolie zorgdraagt, is op contractbasis verpacht aan particuliere kooplieden, maar de Kroon was destijds onwillig deze politiek uit te breiden tot de goudhandel. Het dramatische keerpunt van 1567, dat de Minakust hetzelfde regiem brengt als de rest van Portugees West-Afrika, is in hoge mate bevorderd door het snelle verval van de goudopbengsten die tot de crisis hebben geleid. Klaarblijkelijk heeft kardinaal Henrique besloten tot deze drastische stap, om te voorkomen dat de oplossing van het probleem moet worden overgelaten aan de onervaren veertienjarige Sebastião. Het initiatief de goudhandel te verpachten biedt verschillende voordelen. Het ontlast de koninklijke schatkist van stijgende uitgaven, om de Minakust te beschermen tegen indringers, waartoe zowel de militaire aanwezigheid ter land als op zee dient te worden uitgebreid. Voorts levert zo’n pachtsysteem de Kroon een hoger en zekerder inkomen op de handel op, dan het koninklijke monopolie. De heffing van tien procent op goederen die uit Portugal naar de Minakust worden vervoerd, levert de Kroon een matig inkomen op, zelfs als de kooplieden buitenlanders zijn en onafhankelijk van de omvang van de ruilhandel. Daar komt nog eens twintig procent, geheven op de export van São Jorge, bij, waartegenover weinig of geen uitgaven staan.

Het eerste contract dat ondertekend wordt, blijft maar drie jaar van kracht. In deze periode nemen de goudontvangsten niet toe en na afloop hiervan weigeren de oorspronkelijke partners het contract te verlengen. Bijgevolg wordt São Jorge da Mina opnieuw de financiële verantwoordelijkheid van de Kroon. In 1571 stelt Sebastião, om opnieuw gewapende interventie te voorkomen, zich tegenover Engelse verzoeken aan de Minakust te mogen handeldrijven, minder streng op dan regent Henrique heeft gedaan.. De Portugese koning staat Engelse schepen toe naar de Minakust te komen en daar handel te drijven. Mits de schepen onbewapend zijn, mogen zij voorraden innemen en zij dienen in São Jorge dezelfde heffingen te betalen als in de jaren 1567-1570. Engelse schepen die pogen de heffing te ontlopen zullen worden gestraft en opgebracht. Voordat kapiteins van Engelse schepen effectief aan de handel deelnemen, dienen zij zich bij het Fortaleza São Jorge te melden.

Terwijl Sebastião pogingen doet gewapende Engelse interventie te voorkomen, zoeken hij en zijn oom kardinaal Henrique naar een meer permanente oplossing voor de Minakust, waarbij zij van vele zijden de meest uiteenlopende adviezen ontvangen voor oplossingen op lange termijn, van ministers van de Kroon, van scheepskapiteins en van functionarissen met standplaats São Jorge en Axim. De adviseurs zijn het over een ding eens, namelijk dat terugkeer naar de politiek van een streng te handhaven koninklijk monopolie weinig kans van slagen heeft. Niet alleen zijn er hervormingen noodzakelijk in het economische leven van het fort, maar het garnizoen dient ook op een andere leest geschoeid te worden. Het patrouilleren langs de kust met de twee galeien heeft na 1550 het systeem van dwangarbeid in São Jorge geïntroduceerd. In de jaren vijftig en zestig arriveren grote aantallen degredados uit Portugal als remedios voor de galeien. Zij ontvangen geen betaling, maar een gering bedrag om zich te kleden en een basisrantsoen. Mannen die in ketenen in São Jorge worden aangevoerd, worden heel vaak door ziekte getroffen en zij verblijven veel in de ziekenboeg, wat een dure aangelegenheid is. Hun aanwezigheid heeft een zeer slechte invloed op het moreel van het garnizoen. De meeste soldaten van het garnizoen brengen hun vrije uren door in de Afrikaanse dorpen. In sommige gevallen verblijven zij bij hun zwarte minnares of vrouw. Veel soldaten en beambten die in het fort wonen besteden hun vrije tijd aan gokken en liederlijk gedrag. De geestelijkheid van het fort klaagt erover dat São Jorge is gevuld met zwarte hoeren en Portugees uitschot. In 1570 is illegale handel door leden van het garnizoen zo gewoon geworden, dat maar weinig Afrikaanse handelaren zich de moeite getroosten goederen langs legale weg van de factor te betrekken.

In de loop van 1572 en gedurende het jaar daarop buigt de Portugese Kroon zich over de problemen aan de Minakust. Tezelfdertijd neemt de druk van Engelse indringers af. Engelse boekaniers hebben hun blik verlegd naar het noorden van Afrika’s westkust en naar Spaans gebied in de Nieuwe Wereld. Tegen deze achtergrond kunnen koning Sebastião en kardinaal Henrique kiezen uit drie mogelijkheden: het bestaande systeem hervormen, de Minakust aan een andere groep handelaren verpachten of van de Minakust een kolonie maken zoals van Brazilië.

Het eerste alternatief brengt een aanzienlijke revisie van het monopolie met zich; waaronder de halvering van het garnizoen van circa zestig man en gebruik van de twee galeien als mobile handelsposten en als patrouillevaartuigen. Door de galeien in te zetten bij de handel wordt bereikt dat langs de gehele kust goud kan worden verkregen. De tweede mogelijkheid, verpachting, gaat ervan uit dat er gegadigden zijn om een pachtovereenkomst mee aan te gaan, wat niet het geval is. De derde mogelijkheid is het importeren van kolonisten, waarvoor Jorge da Silva, een lid van de Staatsraad zich sterk maakt, omdat hij zich er bitter over beklaagt dat het Minagoud slechts in handen komt van Fransen, Engelsen en moren. Toen de vraag hoe te handelen met de Minakust in 1567 voor de eerste maal in de Staatsraad werd besproken, had Silva zich ook al gekeerd tegen het plan van kardinaal Henrique de kust te verpachten aan particulieren. Als deze mogelijkheid in 1572/’73 weer ter tafel komt keert Silva zich in brieven aan koning Sebastião opnieuw hiertegen.

Omdat in de jaren zeventig opmerkelijke economische resultaten in Brazilië worden behaald, sommen Silva en zijn medestanders een aantal voordelen van kolonisatie van de Minakust op. De grond in de kuststreek van São Jorge is vruchtbaar en daarom kunnen daar waardevolle gewassen, zoals citrusbomen, peper, suikerriet en katoen worden aangeplant. Bij São Jorge en Axim zijn al ten tijde van Manuel en João III proefplantages aangelegd. In 1572 is er bij São Jorge al een kleine boomgaard van sinaasappel- en citroenbomen, die wordt onderhouden door het garnizoen. Op natte plaatsen aan de kust groeien bananenbomen en er wast ook suikerriet. Voorstanders van kolonisatie wijzen erop dat alle zaden en stekken die aan de Minakust in de grond worden gestopt, beginnen te groeien en vrucht gaan dragen. Omdat het klimaat aan de Minakust heel ongezond is voor kolonisten uit Europa, wordt bepleit de nieuwe kolonie te bevolken met Portugezen uit São Tomé die zich al aan het Afrikaanse klimaat hebben aangepast.

Het enige doorslaggevende nadeel van Silva’s voorstel is de politieke macht van de Afrikaanse staten aan de Minakust. De koninkrijken van de Commany en Efutu zijn in politiek opzicht veel verder ontwikkeld dan de Braziliaanse Indianen. Hun woongebieden konden zonder veel problemen door de Portugezen in bezit worden genomen. Het moet uitgesloten worden geacht dat de Portugezen agrarische kolonisten zich aan de Minakust kunnen doen vestigen, zonder dat er met ten minste een van beide staten een langdurige oorlog uitbreekt. Bovendien lijkt koning Sebastião niet in staat of niet bereid geld en mankracht uit te trekken voor het stichten van de kolonie. De vorst wordt volledig in beslag genomen door zijn plannen het Noord-Afrikaanse erfgoed te heroveren, dat zijn grootvader verloren heeft.

De keuze die de Portugese Kroon tenslotte maakt, is een opportunistische. Mina blijft een koninklijke bezitting, tenzij zich in de toekomst een pachter meldt. Tot het zover is, zal het galeiensysteem worden gehandhaafd. Over de Portugese operaties aan de Minakust tijdens de rest van de jaren zeventig is maar heel weinig bekend. In 1574 of 1575 schijnt evenwel sprake geweest te zijn van hetzij privéhandel aan de Minakust, of van verpachting aan een particulier. Dit is de conclusie die getrokken moet worden uit de berichten van de apostolisch nuntius in Lissabon in die tijd. Monseigneur Calicari noemt de handel aan de Minakust in brieven van 15 en 26 september 1575. In beide brieven schrijft hij over het verlies van een met 400.000 escudos goud geladen karveel, dat genomen is door een Franse kaper. Het betrof de caravela Vitoria, die in december van het voorafgaande jaar São Jorge had bevoorraad en die 5 februari 1575 aan de terugreis naar Portugal was begonnen. Toen bij Cabo Palmas de wind wegviel, is het schip genomen door de Franse piraat. De Portugese kapitein had daarvoor conform de instructies de officiële rapportage van São Jorge overboord gegooid, om te verhinderen dat deze in handen van de Fransen zou vallen. De caravela is in brand gestoken en de bemanning is aan land gebracht. De zeelieden van de caravela hebben pas in september 1575 Portugal bereikt en de nuntius heeft hun belevenissen kennelijk uit de eerste hand vernomen. Caligari vermeldt dat van het goud dat de piraten in handen is gevallen 180.000 escudos aan de Kroon behoorden en 220.000 escudos aan particulieren. Een aanzienlijk deel van dit laatste bedrag bestond uit salarissen voor personeel aan de Minakust. Hieruit blijkt dat er sprake moet zijn geweest van privéhandel, hetzij door individuele schepen, hetzij door verpachting van de Portugese posten. In het laatste geval is verpachting van korte duur geweest, want in 1576 wordt de Minakust voor een tijdvak van tien jaren verpacht aan Giacomo de la Bardi, een Genuese koopman die in die tijd in Lissabon woont.

De nieuwe contractant wordt vanaf het begin door pech achtervolgd. In 1576 raken de Portugezen verwikkeld in opeenvolgende gewapende confrontaties en openlijke gevechten met twee belangrijke Afrikaanse machten aan de Minakust. Het gaat om Efutu om het in het oosten gelegen koninkrijk Accra. De moeilijkheden met Efutu hebben een lange voorgeschiedenis. De betrekkingen zijn al verslechterd toen in de jaren veertig en vijftig Efutu, evenals andere Afrikaanse staten handelsbetrekkingen aanknoopten met Fransen en Engelsen. Aan de andere kant beweren de Portugezen in Europese diplomatieke kringen dat hun soevereiniteit zich uitstrekt over de gehele Minakust. Het is evenwel duidelijk dat machtige Afrikaanse staten, zoals Efutu de Portugese aanspraken niet erkennen. De Portugese commandant in São Jorge heeft er bij herhaling bij de koning van Efutu op aangedrongen geen handel aan te gaan met indringers. Aanzienlijke giften en steekpenningen aan de koning en zijn edelen om hen daartoe te bewegen, hebben geen resultaat gehad. De Portugezen voeren daarom onder meer in 1562 strafexpedities uit op Eguafu, de hoofdstad van de Efutu. Na een aantal schermutselingen trekt Dom João, de koning van de Efutu, zich tijdelijk terug in de bossen ten noorden van zijn hoofdstad. Hierop trekken de Portugezen Eguafu binnen en steken de stad in brand. Ballong-Men-Wewuda schrijft dat Dom João waarschijnlijk in 1564 twee gezanten naar Engelse schepen zendt met de volgende boodschap: `als de Engelsen van overzee troepen aanvoeren, dan zullen hij en zijn mensen hen helpen bij de landing’.

Meer dan een decennium verloopt na de aanval in de jaren zestig, maar de kwestie van handel met indringers blijft onopgelost en soms vinden schermutselingen tussen Portugezen en Efutu plaats. Maar in het begin van de jaren zeventig stroomt er weer goud door het koninkrijk Efutu naar São Jorge. In 1577/’78 laait de vijandigheid weer op. Nuno Vaz, de capitão van het Afrikaanse dorp Edina (Aldeia das Duas Partes) doodt bij een woordenwisseling twee zonen van de koning van Efutu. Ondanks protesten van de Efutu maakt de capitão-geral niet veel aanstalten Nuno Vaz te straffen. De Efutu-koning sluit een bondgenootschap met stammen behorend tot de confederatie van de Akani, om de Portugezen en hun in São Jorge gelegerde zwarte hulptroepen te bestrijden. De Efutu-Akani troepen verzamelen zich in Eguafu en trekken vandaar op naar het Fortaleza São Jorge. De Portugese gouverneur monstert alle Portugese soldaten die hij, naast 500 tot 600 zwarten op de been kan brengen. Gewapend met geweren, pieken, kruisbogen en twee kanonnen trekken zij de vijand tegemoet. Zij ontmoeten hun tegenstanders op vijf léguas van São Jorge, op het pad naar Eguafu. Ofschoon de strijdmacht van Efutu en Akani veel groter is dan dat van hun tegenstanders, bezegelen de vuurwapens van de laatsten de uitslag van het gevecht. Het aantal gesneuvelde Portugezen bedraagt niet minder dan dertig en hun zwarte bondgenoten betreuren een onbekend aantal gewonden. Acht dagen na de slag overlijdt bovendien de Portugese capitão-geral, die de verdedigers heeft aangevoerd, aan zijn verwondingen. Ballong-Wen-Mewuda acht het waarschijnlijk dat de aanval van de zwarten op São Jorge van 1578 is geïnspireerd door de indringers.

Aan een ander deel van de Minakust gaat het de Portugezen minder voor de wind. Al in Manuels tijd hebben zij ernaar gestreefd blijvende betrekkingen aan te gaan met bij Accra aan de kust gelegen koninkrijken. De kwaliteit van het goud dat in deze streken wordt aangeboden behoort tot het beste dat er aan de Minakust te krijgen is. Dit is gebleken uit bezoeken van Akara-kooplieden aan São Jorge die zij vanaf circa 1520 incidenteel hebben gebracht.. Met de komst van de vreemde indringers, evenwel, wordt Akara een favoriete ankerplaats voor Engelse en Franse schepen. Hiervoor is al vermeld dat Afrikaanse kooplieden, die goud in overvloed hebben, zeer begerig zijn dit met de nieuwkomers te ruilen, maar dat zij in maart 1557 weigeren goud te ruilen met Portugese gezanten die naar Accra zijn gezonden om de handelsroutes te heropenen. Zij beweren dat jaar geen goud te hebben. Als capitão-geral Afonso Gonçalves Botafogo verneemt dat Akara-kooplieden actief handeldrijven met passerende indringers, zendt hij een afdeling soldaten en zwarte krijgers naar Accra, om enige kustdorpen in brand te steken. Om te bewerkstelligen dat de handel tussen de Akara en de indringers afgelopen is, bouwen de Portugezen een kleine gefortificeerde handelspost aan een van de aan de kust bij Accra gelegen baaien, waarin permanent een afdeling soldaten wordt gelegerd.

Als in 1576 de pachtovereenkomst met Giacomo de la Bardi wordt ondertekend, wordt besloten de post bij Accra uit te bouwen tot een fort als bij Axim. Spoedig daarna beginnen de werkzaamheden.met de bouw van een stevige stenen muur en de buitenste bastions. De moeilijkheden met de Akara bereiken een hoogtepunt ergens in 1577/’78, als zij een aanval lanceren op het halfgebouwde en slecht verdedigbare fort. Akani-handelaren arriveren uit het noorden en betreden tezamen met Akara het fort, om dienst te doen als bemiddelaars en tolken. Als de Akara-krijgers eenmaal binnen zijn, vallen zij het kleine garnizoen onverhoeds aan. Zij moorden alle Portugezen uit en breken het in aanbouw zijnde fort af. Omdat er op dat moment nog nauwelijks voorraden ruilwaar zijn aangevoerd, is het kostbaarste dat de Akara buitmaken het kanon. Wanneer het nieuws over de ramp tot São Jorge is doorgedrongen, zendt Botafogo twee galeien, om de zaak te onderzoeken, maar de Akara die zich aan de kust bevinden, beletten de galeien van de Portugese te landen.

In 1575/’76 verschuift de aandacht van de Portugese Kroon van de West-Afrika en de Minakust naar de voorbereidingen van Sebastião’s campagne naar Marokko, die in augustus eindigt met de tragedie nabij Alcaçar Quibir, waarbij Portugal niet alleen zijn jonge koning, maar bovendien de bloem van zijn adel verliest. Terwijl de problemen aan de Minakust tijdelijk op de achtergrond geraken, zendt de opvolger van Sebastião, kardinaal Henrique, in 1579 een klein eskader naar São Jorge, om de post te voorzien van voorraden levensmiddelen en wapens, ruilwaren en aflossingen van het garnizoen. Het eskader staat onder bevel van Vasco Fernandes Pimentel, de nieuwe capitão-geral aan de Minakust.

i Zie pag. 469

3.4. De Minakust in de jaren 1580-1595

Categorieën
Portugees kolonialisme

De Kaapverdische eilanden en Opper-Guinée. De Atlantische eilanden en West-Afrika

Deel 13 Index

Hoofdstuk 3.

De Atlantische eilanden en West-Afrika:

3.2. De Kaapverdische eilanden en Opper-Guinée

Geschreven door Arnold van Wickeren

De onbewoonde Arquipélago de Cabo Verde is ontdekt in de jaren 1456-1462. De eer de eilanden São Tiago (Santiago) en Maio in 1456 te hebben waargenomen, is in 1462 gegaan naar de Genuees in Portugese dienst António da Noli*, nadat de ontdekking van de Eilanden ook was opgeëist door de Venetiaan Alvise de Ca’ da Mosto* en door de Portugees Diogo Gomes*. Diogo Afonso* heeft rond eind 1461 tenslotte ook de laatste westelijk gelegen eilanden ontdekt. António da Noli en Diogo Afonso worden de capitães van het eiland Santiago, Noli van het zuiden en Afonso van het noorden. Onder leiding van António da Noli vestigt zich in 1462 een groepje kolonisten, onder wie zijn broer Bartolomeo en zijn neef Raffaello, op Santiago. Aan de zuidkust van het eiland wordt Ribeira Grande gesticht. Omdat de plaats gelegen is aan een goede haven, wordt zij een veilige aanloophaven voor de talrijke Portugese schepen die handeldrijven langs de kust van West-Afrika.

De vooruitzichten voor kolonisatie zijn niet bepaald gunstig. Er valt weinig regen op de eilanden en zij liggen wel erg ver van Portugal. Bovendien zijn er geen sporen van goud of specerijen te bekennen. De eilanden Fogo en Maio worden eerst in 1510 gekoloniseerd en op Boavista graast allen vee en ook de andere eilanden (Santo Antão, São Vicente, Santa Luzia, São Nicolau, Sal en Brava) blijven onbewoond tot aan het einde van de zeventiende, of tot het begin van de achttiende eeuw. Om kolonisatie van de Eilanden te bevorderen worden de kolonisten al in 1466 vrijgesteld van betaling van bepaalde belastingen op exporten naar het moederland. Zij kunnen vrij handeldrijven in hun eigen koopwaren, zowel op de eilanden als aan de kust van Opper Guinée vanaf de monding van de Senegal tot aan de Serra Leôa, tegen een heffing van 25% belasting. De privileges die gelden voor Kaapverdianen zijn ook van toepassing op Portugezen die zich vestigen aan de kust van Opper-Guinée. De maatregelen sorteren effect. Beide capitães slagen erin nieuwkomers aan te trekken, zij worden gevolgd door andere blanke kolonisten, onder wie enige priesters. Het aangeplante suikerriet levert suiker van prima kwaliteit. Ook de katoenteelt wordt een succes, evenals de veeteelt, maar de tarweoogst wordt door sprinkhanen vernield.

In 1476 worden de kolonisten op Santiago door een ramp getroffen. De kleine sterkte Ribeira Grande wordt gebrandschat door een Castiliaanse vloot, onder bevel van admiraal Carlos de Valera*. Capitão António da Noli en enige andere kolonisten worden door Valera gearresteerd en hij maakt niet minder dan 400 slaven buit. De capitão ontkomt aan gevangenschap door zijn functie op te geven en trouw te zweren aan koning Ferdinand. Daarop wordt hij hersteld in zijn waardigheid. Als de Portugese soevereiniteit over de Kaapverdische eilanden in 1479 door de Reyes Católicos wordt erkend (Verdrag van Alcáçovas) weet Noli zich kennelijk vrij te pleiten van verraad, want hij behoudt zijn capitania tot aan zijn overlijden kort voor 8 april 1497, wanneer zijn capitania overgaat naar zijn schoonzoon Jorge Correia*, voorheen capitão-mór in de Golf van Guinée, die gehuwd is met Noli’s dochter en erfgename Dona Branca de Aguiar.

Door de komst van nieuwe immigranten en de bouw de het eerste godshuis ten zuiden van de Sahara, gewijd aan Nossa Senhora do Santo Rosário, later gevolgd door een seminarie, een klooster, een kathedraal en een ziekenhuis (1497) wordt Ribeira Grande een plaats van enige betekenis. En omdat Portugese en Spaanse schepen op weg naar de Golf van Guinée, Angola, India, Brazilië of West-Indië Ribeira Grande of Praia als aanloophaven aandoen, om water en verse levensmiddelen in te nemen, bereikt Santiago een bescheiden welvaart, In 1520 telt Ribeira Grande al 22 Luso-Afrikaanse reguliere geestelijken; de meesten zullen als missionaris naar Brazilië gaan. In 1533 wordt Ribeira Grande verheven tot een cidade en Cabo Verde wordt een afzonderlijk diocees, maar het zal nog tot 1550 duren, voordat de eerste bisschop, wiens jurisdictie zich ook uitstrekt over de westkust van Afrika van de monding van de Gambia tot aan Cabo Palmas, in Ribeira Grande aankomt. Met de invoering van de inquisitie in Portugal, staan ook de Kaapverdianen onder toezicht daarvan.

Omdat er op de Kaapverdische eilanden, evenals op de Azoren, een soort korstmos, urzela, groeit waaruit een purpere kleurstof wordt gewonnen, komt vanaf het midden van de zestiende eeuw op Santiago ook de kledingindustrie tot ontwikkeling. Dat houdt in dat niet alleen ten behoeve van de agrarische sector, met name de katoenplantages, maar ook ten behoeve van de textielindustrie zwarte slaven van het vasteland worden geïmporteerd. Omdat er nauwelijks blanke vrouwen zijn, hebben veel immigranten kinderen bij zwarte vrouwen verwekt. Het gevolg is dat er op Santiago een bevolking van mulatten opgroeit.

De producten van de kledingindustrie vormen de voornaamste handelswaar van de Kaapverdianen langs de kusten van Guinée en aan de Minakust. Naast kleding en kleurstoffen exporteren de Kaapverdische eilanden katoen, suiker, zout van het eiland Sal, vis, fruit en kruiden. De op de stranden van de eilanden ruim voorhanden zijnde schelpen van de trompethoornslak doen op het vasteland dienst als geld. Voor fraaie schelpen ontvangen de Portugezen niet alleen ivoor en slaven, maar zelfs goud. Om inflatie te voorkomen, dienen de Kaapverdianen terughoudend zijn met het aanbod van schelpen. Om enigszins grip te krijgen op de gang van zaken in Guinée, heeft koning João II (1481-1495) de capitães van Santiago te verstaan gegeven dat zij de door hem gezonden vedor da fazenda de gevraagde medewerking dienen te verschaffen, op straffe van het verlies van hun capitania. Vanaf dit moment zijn de capitães onderworpen aan toezicht, controle en zo nodig bestraffing door de kroon.

Cabo Verde wordt geteisterd door Franse, Engelse en later ook Hollandse schepen. In 1483 zijn voor het eerst Franse schepen in de archipel gesignaleerd en in 1542 brengen Franse corsairs bij Fogo twee Portugese schepen tot zinken en twee jaar later vallen zij zelfs Ribeira Grande aan. Rond 1560 verschijnen ook Engelse corsairs op het toneel. Eerst overvalt John Lovell Ribeira Grande en kort daarna gedraagt zijn landgenoot George Fenner zich niet beter. Deze Engelse overvallen richten aanzienlijke schade aan. In 1578 voert Francis Drake, met volledige instemming van koningin Elizabeth I, een overval op Cabo Verde uit. Hij plundert Ribeira Grande en steekt de stad daarna in brand; de kleine sterkte São Filipe kan deze en volgende overvallen niet verhinderen. In de jaren 1582 en 1585 herhaalt Francis Drake zijn verwoestende optreden uit 1578. In 1596 gelast Philips II de bouw van een sterk fort op een heuveltop nabij Ribeira Grande. In 1598 zijn het de bemanningen van de vijf Hollandse schepen van Balthazar de Moucheron die op weg zijn naar Principe, om dat eiland geheel onverwachts zullen bezetten. Op de heenweg plunderen zij Ribeira Grande. De bewoners van de stad zijn aan de plunderaars overgeleverd, omdat aan het fort dat de stad moet beschermen nog gebouwd wordt. Van de chaos die aanvallen van buitenlandse machten op Ribeira Grande veroorzaken, maken vele slaven gebruik om naar het binnenland van Santiago te vluchten en zich aan te sluiten bij een gemeenschap van vrije Afrikanen of badius daar al sinds het midden van de zestiende eeuw zijn ontstaan. In 1627 worden opvarenden van Hollandse schepen die op het eiland Mayo om niet zout komen halen, van het eiland verdreven. De Hollanders zijn voor het verkrijgen van zout overigens niet afhankelijk van de Kaapverdische eilanden. Ten zuiden van het Venezolaanse eiland Margarita heeft een schipper uit Enkhuizen aan het einde van de zestiende eeuw onbewaakte vindplaatsen van zeezout ontdekt en weldra ontwikkelt zich een belangrijke zoutvaart van de West-Friese steden op het schiereiland van Arraya en wellicht ook op het nabijgelegen eilandje Tortuga, op welke plaatsen gemakkelijker zout kan worden geladen dan op de Kaapverdische eilanden. De zoutvaart is voor de Hollanders van groot economisch belang voor het haringkaken.

Kolonisten en degredados dringen via rivieren en kreken diep het achterland vaan Opper-Guinée binnen. Sommigen van hen vestigen zich in reeds bestaande dorpen, en leven temidden van de zwarte bevolking, waar zij en hun mulatto nakomelingen optreden als lasthebbers of tussenpersonen bij de ruilhandel tussen blank en zwart, waarbij zij goud, ivoor, maar ook slaven verwerven. De slaven zijn veelal bij stammenconflicten gemaakte krijgsgevangenen die door de zegevierende stamhoofden gretig worden geruild met de Portugezen.

Sommigen van de zich in Afrikaanse dorpen neergelaten hebbende blanke en Afro-Portugezen passen zich maximaal aan hun nieuwe omgeving aan. Met betrekking tot deze lançados, later aangeduid als tangos-maus, citeert Jaime Cortesão de jezuïet Fernão Guerreiso, die over hen schrijft: “Muitos deles andam nus e para mais se acomodarem e co-naturalizarem com os gentios da terra onde tratam, riscam o corpo todo com um ferro, ferindo-o até tirarem sanque e fazendo neles muitos louvores …” (“Velen van hen liepen naakt en om zich meer aan te passen en zich nog minder te onderscheiden van de mensen van het land waar zij verbleven, schraapten zij met een stuk ijzer over hun gehele lichaam, zich tot bloedens toe verwondend, waarbij zij zich in alle bochten wrongen.”)

De opeenvolgende Portugese koningen hebben geen bezwaar tegen rasvermenging, maar zij kunnen moeilijk toestaan dat veel lançados over hun handel geen belasting aan de kroon afdragen. Uiteindelijk wordt in 1518 tegen deze belastingontduikers de doodstraf afgekondigd, maar dit blijft een dode letter, omdat de Portugese kroon geen rechtsmacht heeft buiten de factorijen en de onmiddellijke omgeving van de forten aan de Minakust. Een nog veel grotere ergernis voor de kroon is dat Kaapverdianen er soms niet voor terugdeinzen het monopolie van de koning op de handel in goud te breken. Ondanks dat de koning dit verboden heeft en strenge straffen op overtreding heeft gesteld breidt de handel van de Kaapverdianen aan de westkust van Afrika zich sterk uit, tot wederzijds voordeel van de handelspartners. Zij knopen handelsrelaties aan met groepen Afrikanen die in verbinding staan met de Banyum-Bak, Biafada-Sapi en de Mandei. Hoe slecht de naam van de inwoners van Cabo Verde in Lissabon is, blijkt in 1623. In dat jaar verzoeken de autoriteiten van de Vila Ribeira Grande de Kroon om de aanstelling van een koninklijk gouverneur. Dit wordt geweigerd, met het argument dat er op de Eilanden slechts gespuis woont. De afstammelingen van de tangos-maus zullen tot in de negentiende eeuw een ergernis voor Lissabon blijven. Het is overigens aan de vele lançados te danken dat de Portugese taal de lingua franca van Opper-Guinée wordt en het Portugees zal dat in veel streken blijven lang nadat hegemonie van de Portugezen op de handel in deze contreien teloor is gegaan.

Onder verwijzing naar deel II, waarin is ingegaan op de dalende goudontvangsten van São Jorge da Mina en Axim ten tijde van João III, zij eraan herinnerd dat de goudontvangsten uit Guinée in die tijd juist aanzienlijk toenemen. De aantallen uit deze ontvangsten geslagen cruzados lopen op tot 5.000 in 1532. Voor de jaren 1533-1550 ontbreken de gegevens, hetgeen erop kan wijzen dat in die periode al het goud uit Guinée in handen is gekomen van particuliere handelaren, vooral de Kaapverdianen. Ook is niet onmogelijk dat de betekenis van de goudhandel in deze periode is afgenomen. In de jaren 1551 en 1552 ontvangt de Casa da Moeda opnieuw uit Guinée aanzienlijke hoeveelheden goud voor rekening van de koning. In 1553 volgt een scherpe daling tot het equivalent van 1118 cruzados. Daarna wordt in het geheel geen goud meer uit Guinée ontvangen.

De welvaart van Santiago is mede te danken aan de handel in slaven met Guinée. Als tegen het einde van de regeringsperiode van João III de export van zwarte slaven naar Brazilië goed op gang komt, wordt Santiago een entrepot voor slaven die wachten op verscheping naar de Nieuwe Wereld. Boxer schat dat de Portugezen in de tweede helft van de zestiende eeuw 150.000 zwarte slaven uit Guinée betrekken. De belangrijkste bron van inkomsten van Santiago vormt het ravitailleren van Portugese schepen, die op weg zijn naar Indië, of die daarvan terugkeren naar Portugal. Zij vinden in Ribeira Grande en Praia de Santa Maria uitstekende ankerplaatsen, waar zij water, maïs, vlees, vis en fruit innemen, zoals de vloten van Vasco da Gama in 1497 en van Pedro Álvares Cabral in 1500 hebben gedaan. In de loop van de zestiende eeuw wordt het aanbod van voedsel gevarieerder. Het bestaat uit: geiten, gevogelte, maïs, zout, rietsuiker, vis, fruit en kruiden. Daarnaast exporteren de Kaapverdische eilanden, behalve kleding, kleurstoffen en katoen, ook paarden en muildieren. Ondanks een zekere welstand die Santiago heeft bereikt verloopt de kolonisatie heel traag; de bevolking blijft min of meer stabiel. Van de Kaapverdische eilanden kan alleen Santiago de vergelijking met de Azoren en Madeira doorstaan. Ribeira Grande groeit uit tot een vila en wordt in 1533 enigszins voorbarig betiteld als cidade, als het is aangewezen tot Sedes Episcopalis van het bisdom Cabo Verde. Zoals eerder vermeld is, heeft koning João II de capitães van Kaapverdië al in de vijftiende eeuw onderworpen aan toezicht, controle en zonodig bestraffing door de kroon. In 1534 wordt de macht van de capitães nog verder ingeperkt. In dat jaar verschijnen de eerste corrigadores (juridische ambtenaren) op de eilanden en in 1587 zullen de capitães plaatsmaken voor koninklijke gouverneurs, met standplaats Ribeira Grande. Omdat het klimaat in Praia (de Santa Maria) beter is dan in Ribeira Grande rouleren de gouverneur en de bisschop vanaf 1612 hun woonplaats tussen deze twee steden. In 1652 wordt Praia de officiële hoofdstad van Cabo Verde, waarna Ribeira Grande geheel vervalt.

Wegens de droogte van de Archipel loert immer het gevaar van hongersnood. In de jaren 1580-1582 maakt bisschop Brandão in zijn brieven aan Lissabon al gewacht van voedselschaarste. Maar in de periode 1605-1611 worden de voedselproblemen nog verergerd door pokkenepidemieën. Bovendien worden in de jaren de mensen en het vee gekweld door een soort bloedzuigende vliegen.

Vanaf het jaar 1620 komen Engelse schippers vreedzaam naar Cabo Verde. Elk jaar arriveren 80 Engelse vissersschepen die op weg zijn naar de visgronden in de Nieuwe Wereld, om daar op kabeljauw te vissen, in Vila do Maio en in Sal, om er zout in te slaan. Vila do Maio krijgt in die tijd de naam “Porto Inglez”.

In de zeventiende eeuw wordt het fokken van paarden een zeer belangrijke economische activiteit. Paarden worden uitgevoerd naar alle delen van het Portugese imperium en zelfs naar Engelse bezittingen in West-Indië. In die tijd is de agrarische productie genoeg voor de eigen bevolking, er groeit graan, suikerriet, katoen, groenten en fruit. Vis is er in overvloed en op de meeste eilanden lopen, ezels, geiten en muildieren. Tegen het einde van de zestiende en het begin van de zeventiende eeuw is Santiago welvarend. Het eiland is bedekt met agrarische percelen, die overwegend in handen zijn van rijke grondbezitters.

Van het bestuur van Santiago zijn ook verschillende handelsposten, die de Portugezen of Kaapverdianen hebben gesticht langs de kust van West-Afrika, van Arguim bij Cabo Blanco tot Serra Leôa. De belangrijkste artikelen die in deze posten worden verkregen zijn goud, malagueta-peper, ivoor en slaven. Het aantal factorijen neemt in de zeventiende eeuw nog toe. Ondanks Hollandse en Engelse concurrentie, ontstaan hier en daar nieuwe feitorias: Biguba rond het midden van de zestiende eeuw, Cacheu in 1587, Farim in 1642, Zinguichor in 1643 en vele andere. Zij geven mede vorm aan wat later Portugees Guinée zal worden. In 1617 valt de door lançados Caboverdianos gestichte handelspost: Beziguiche op het Ilha das Palmas (Gorée) in Hollandse handen, gevolgd door de andere door hen gestichte factorijen Rufisque, Rio Fresco, Portudal en Joala aan de kust van Senegal. En in 1634 maken zij zich meester van de factorij op het eiland Arguimii.

De belangrijkste gebieden waarin de Portugezen doordringen zijn de stroomgebieden van de Casamansa en de Geba. Een omstandigheid die in hoge mate bijdraagt aan het succes, de groei en bloei van de nieuwe handelsposten is de overeenkomst die in 1601 gesloten is tussen de Kroon en de joden, waarbij het de joden wordt toegestaan handel te drijven met Guinée en zich daar ook vrij te vestigen. Voor de Portugese vestigingen aan de ‘rios de Cacheu’ wordt een capitão e ouvidor aangesteld, die ondergeschikt is aan de gouverneur van Cabo Verde.

Tenslotte dient nog enige aandacht te worden geschonken aan de Portugese positie aan de Peper- of Graankust. Magalhães Godinho schrijft dat de graaf van Castanheira zijn vorst (João III) al in loop van het tweede decennium van de zestiende eeuw laat weten dat de handel in malagueta-peper ‘devasso’ is geworden, dat wil zeggen dat vreemdelingen erin slagen hun aandeel in deze handel te verwerven. Het middel om dit tegen te gaan, is volgens de vedor da fazenda de bouw van een fort aan de Peperkust; maar naast andere hindernissen is het vooral het budgettaire tekort dat de bouw van zulk een fort verhindert. Desondanks zeilt Duarte Coelho**, een van Portugals befaamste zeevaarders, in oktober 1532 naar de Graankust om er een fort te bouwen. Deze poging slaagt echter niet. In 1540 wordt een tweede poging gewaagd. Dit keer met een versterkt eskader onder bevel van Manuel de Macedo**, dat bestaat uit twee kraken, drie galjoenen en drie karvelen. Het eskader vertrekt eind oktober met 700 man en materialen voor de bouw van de fortificaties aan boord. Een storm doet deze nieuwe poging stranden.

Een rapport van de vedor da fazenda uit 1542: constateert opnieuw dat de “trato de malagueta gedurende 28 of 29 jaar ‘devasso’ is en daaraan zal geen einde komen. In 1547 keert een schip, toebehorend aan Antonio de Pesquera, waarmee ook Portugezen reizen, naar San Lúcar de Barrameda terug met onder meer een lading goud en paradijskorrels. En het volgende jaar wordt een Castiliaans vaartuig dat dezelfde reis maakt, opgebracht door een schip van de koning van Portugal, die protest aantekent bij keizer Karel V. De Franse kroniekschrijver André Thevet bericht dat de zwarten, die van “cap des Trois Pointes jusqu’au cap des Palmes” varen, in het derde kwart van de zestiende eeuw uit angst voor de Portugezen, in hun barken beschikken over een geheime bergplaats, waarin zij de paradijskorrels aan boord van Franse en Engelse schepen brengen.

Magalhães Godinho vervolgt: “Er kan aan getwijfeld worden of de rechtstreekse bevoorrading van Engelsen en Fransen veel afbreuk heeft gedaan aan de Portugese handel. De belangrijkste afnemer van door Portugal in Antwerpen aangevoerde specerijen uit West-Afrika zijn de Nederlanden. En dat zijn zij ook in de jaren 1560-1567, toen Guicciardin in zijn beroemde Descrittione di tutti i Paesi Bassi schreef: “want onder de exporten van Portugal naar Antwerpen bevindt zich altijd malagueta en andere kruiden uit Guinée. Wellicht is onder die andere kruiden ook peper uit Benin begrepen.”

i Zie internetartikel Referências Cronológias: Cabo Verde/Caboverdianos Americanos van Raymond Almeida van 27 de Outubro de 1995

ii In een later stadium zal de aanval van de WIC op de Portugese positie in West-Afrika worden besproken.

3.3. De verdediging van de Minakust tegen indringers tot 1580

Categorieën
Portugees kolonialisme

De Azoren. De Atlantische eilanden en West-Afrika

Deel 13 Index

Hoofdstuk 3.

De Atlantische eilanden en West-Afrika:

3.1. De Azoren

Geschreven door Arnold van Wickeren

De verschillende eilanden van de Arquipélago dos Açores zijn ontdekt of herontdekt tussen 1427 en 1452. Hoewel de eilanden onbevolkt bleken, de bodem zeer vruchtbaar is en de Azoren een mild klimaat hebben, is de kolonisatie maar langzaam op gang gekomen. Onder verwijzing naar deel I, waarin de ontdekking en kolonisatie van de Azoren zijn besproken, zij hier vermeld dat de eilanden Terceira, Faial en São Jorge als eerste zijn gekoloniseerd. Met deze kolonisatie is het jaartal 1439 verbonden, maar het is waarschijnlijk dat de eerste kolonisten pas in 1445 naar de Azoren zijn vertrokken. Omdat de animo voor kolonisatie van de Azoren in Portugal gering is, mogen zich ook buitenlanders op de eilanden vestigen. Er vestigen zich, onder leiding van de capitães Josse de Hurtere, Jacómo de Bruges en Wilhelm van der Haagen, in 1450 grote groepen Vlamingen op de eilanden. Daarom worden de Azoren nog lange tijd op de kaarten betiteld als de ‘Vlaamse eilanden’. Er komen ook Genuese kooplieden naar de Azoren.

Onder leiding van Gonçalo Velho Cabral vestigen zich in 1445 de eerste kolonisten op het meest zuidelijk gelegen eiland Santa Maria, waarvan Gonçalo Velho tot capitão wordt aangesteld, maar de kolonisatie van Santa Maria komt pas op gang in de periode 1474-1522. Hetzelfde geldt voor het grootste en vruchtbaarste eiland São Miguel, nadat Rui Gonçalves da Cámara, een zoon van Joáo Gonçalves Zarco een van de twee capitâes van Madeira, capitão van dat eiland is geworden. Er vestigen zich gezinnen uit Estremadura, Alto Alentejo en Algarve. Met de kolonisatie van de overige eilanden, met uitzondering van de zeer afgelegen eilanden Flores en Corvo, is in de jaren zestig van de vijftiende eeuw een begin gemaakt. Het laatste eiland dat bevolkt wordt is Graciosa. Dankzij de inspanningen van de capitães Pedro Correia en Vasco Gil Sodré vestigen zich aan het begin van de zestiende eeuw kolonisten op dit eiland.

Een zekere rivaliteit tussen de capitães van de verschillende eilanden bevordert hun bloei. De algemene bevolkingstoename in Portugal in de zestiende eeuw vergemakkelijkt het aantrekken van kolonisten, die de extreem vruchtbare maagdelijke bodem van de eilanden gaan bewerken. In 1550 is het aantal vilas in de gehele archipel al gestegen tot twaalf: São Miguel (5), Terceira (3), São Jorge (3) en Graciosa (1). Bovendien zijn Angra op Terceira (thans Angra do Heroísmo) en Ponta Delgada op São Miguel, de hoofdstad van de Azoren, uitgegroeid tot steden. Omdat de bodem waarop Angra en Ponta Delgada zijn gebouwd veel vlakker is dan die waarop Funchal op Madeira is opgetrokken, kunnen deze plaatsen ruimer worden opgezet. Zij hebben het voor de Renaissance kenmerkende schaakbordpatroon. Van Lissabon erven de steden het bestuursmodel. In 1534 vindt paus Eugenius IV de Azoren belangrijk genoeg om het diocees Angra te stichten. Het omvat alle negen eilanden; zij worden onttrokken aan de jurisdictie van de bisschop van Funchal.

De oppervlakte van de Azoren is driemaal die van Madeira. De eilanden hebben meer goede natuurlijke havens en geschikte vestigingsplaatsen; kolonisten hebben minder hinder van bergen en zij behoeven ook minder irrigatiewerken aan te leggen dan op Madeira. Dit alles draagt ertoe bij dat de Azoren zich snel en voorspoedig ontwikkeld hebben en al na korte tijd van economisch nut zijn voor het moederland. Aanvankelijk exporteren de Azoren houtproducten, alsmede wedeblauw en urzela (litmus rocella), zijnde blauwe en paarse kleurstoffen van uitstekende kwaliteit voor de textielindustrie. Nadat gebleken is dat graan goed wast, ontwikkelen de Azoren zich tot een echte graanschuur. Het graan wordt niet alleen geëxporteerd naar Portugal, dat daaraan een chronisch tekort heeft, maar ook naar de Portugese steden in Marokko. Naast tarwe en kleurstoffen brengen de Azoren ook rietsuiker, wijn, vee en andere producten voort. Terceira is, naast São Miguel, vooral een tarweproducent, Pico brengt in hoofdzaak wijn voort en op andere eilanden is de veeteelt dominant. Kenmerkend voor de eilanden zijn de goedgeleide quintas (boerderijen) en plantages, waarop voornamelijk blanke arbeiders werken. Rond 1550 ontstaan ook de margados, zijnde door vererving verkregen onvervreemdbare landgoederen; zij zullen kenmerkend worden voor de Azoren.

De bevolkingsgroei op de Azoren houdt gelijke tred met die in Portugal. Tot aan het midden van de zestiende eeuw vinden de bewoners van de Azoren bijna allen emplooi in de landbouw, waardoor er weinig sociale verschillen zijn. De bevolking heeft een goed, maar eenvoudig bestaan, zonder veel comfort. Het valt buitenlanders, die de eilanden bezoeken, op dat op de Azoren mannen op markten inkopen doen, om hun vrouwen niet bloot te stellen aan de blikken van vreemde mannen. Vrouwen laten zich evenmin zien aan mannelijke bezoekers. Als zij ter kerke gaan dragen gehuwde en ongehuwde vrouwen lange rokken en een zwarte voile, die alleen de ogen vrijlaat. Aan de andere kant worden bordelen toegestaan en geven mannen hun zonen geld om deze te bezoeken, zeggende: “Let them drunk and they are apt to all manner of vice” noteert Basil Lubbock. Mogelijkheden tot scholing bieden de Azoren niet: er is een chronisch tekort aan priesters en er zijn geen scholen. Er ontstaat een rijke klasse van kooplieden als rond het midden van de zestiende eeuw de export van tarwe naar Lissabon en die van verfstoffen naar Engeland, Frankrijk en Vlaanderen sterk stijgt. De lucratieve export van wedeblauw wordt geschat op drie miljoen kilogram per jaar.

Gedurende de gehele zestiende eeuw is de bevolkingsgroei door immigratie aanzienlijk, maar zij zal daarna afnemen en uiteindelijk stagneren mede tengevolge van emigratie naar Brazilië. Evenals in Minho en op Madeira het geval is, kunnen niet alle kinderen uit de traditioneel grote gezinnen een bestaan vinden in de landbouw en is emigratie de enige mogelijkheid om aan bittere armoede te ontsnappen. De sociale stratificatie van de bevolking op de Azoren is dezelfde als die in het moederland. Tot de welvaart van de eilanden draagt bij dat Portugese schepen die uit de Golf van Guinée of uit Indië naar huis terugkeren een aanloophaven aandoen op de Azoren, om vandaaruit voor de wind naar Portugal te zeilen. Door zijn gunstige ligging en de goede haven van Angra profiteert vooral Terceira hiervan. Op de Azoren zijn maar weinig slaven. Zij herkrijgen vaak, al dan niet onder bepaalde voorwaarden, hun vrijheid als hun meester of meesteres sterft. Charles Boxer geeft hiervan in zijn boek Mary and Misogyny een aantal voorbeelden, waaraan in deel II aandacht is besteed.

In de jaren zeventig van de zestiende eeuw neemt de productie van wedeblauw sterk toe ten koste van de voortbrenging van tarwe. Derhalve ontstaat er een ongekende schaarste aan tarwe, waardoor tarwe geïmporteerd moet worden en de traditionele export daarvan vrijwel tot stilstand komt. Na 1612 verandert de situatie. Door stijgende belastingheffingen op de import van wedeblauw en concurrentie van Amerikaanse indigo wordt minder winst gemaakt op de export van wedeblauw en wordt het verbouwen van tarwe weer lucratief. In 1613 is er voor het laatst sprake van schaarste aan tarwe. Vanaf 1621 produceren de Azoren jaarlijks 8.200 moios (492.000 bushels) tarwe. In slechte jaren is de tarweopbrengst nog minimaal 4.000 moios. Tegen 1670 zal de productie van wedeblauw en suiker verdwenen zijn. Naast tarwe produceren de Azoren: wijn, maïs, vlas en sinaasappelen. De productie van maïs doet ook de veeteelt toenemen. Ook de visvangst, vooral de walvisvaart, is van betekenis.

In de zestiende en zeventiende eeuw worden, naast maïs en sinaasappelen, ook andere landbouwproducten geïntroduceerd, zoals zoete aardappelen en jamswortels. Uit Europa en Amerika worden diverse soorten fruit- en pijnbomen ingevoerd. De boeren leren de vruchtbaarheid van de grond te verhogen door de aanplant van lupine. Van groter betekenis is dat zij ook gebruik leren maken van de grote hoeveelheden puimsteen, die het gevolg zijn van hevige vulkaanuitbarstingen in de jaren 1563, 1614, 1630, 1649, 1652 en 1659. De puimsteen wordt gebruikt bij de aanleg van dijkjes en kanaaltjes om het water van stroompjes te leiden en om te verhinderen dat de regen de landbouwgrond wegspoelt. De Azoren leveren de Kroon een netto voordeel op.

Na de vereniging van Portugal en Spanje in 1580 en tijdens de zeventiende eeuw dient ieder Azoren-eiland in staat van verdediging te worden gebracht tegen Portugals vijanden, behalve moslim- en andere piraten, vooral Fransen, Engelsen en Hollanders. Deze naties zijn allen in staat troepen te ontschepen, die een nabije stad plunderen. Oorlogsomstandigheden brengen verwoestingen over de Azoren, in het bijzonder over Terceira in de jaren 1580-1582. De meeste Azoren-eilanden hebben de zijde gekozen van Dom António, de Prior van Crato, en Terceira weerstaat enige tijd furieuze aanvallen van de markies da Santa Cruz. Deze gebeurtenissen leiden tot een imposant aantal forten op de Azoren. Zij zijn in hoofdzaak geconcentreerd op de eilanden Terceira en São Miguel. In 1583 reorganiseert Philips II het middeleeuwse systeem van erfelijke capitanias; de koning stelt een governador-general aan voor alle negen eilanden, met standplaats Angra op Terceira

3.2. De Kaapverdische eilanden en Opper-Guinée

Categorieën
Portugees kolonialisme

De Madeira archipel. De Atlantische eilanden en West-Afrika

Deel 13 Index

Hoofdstuk 3.

De Atlantische eilanden en West-Afrika:

3.0. De Madeira archipel

Geschreven door Arnold van Wickeren

De kolonisatie van de onbewoonde eilanden Madeira en het veel kleinere Porto Santo is al in 1420 begonnen. Zij wordt een groot succes. In de tweede helft van de vijftiende eeuw is het eiland uitgegroeid tot een volwassen kolonie. Aan de herontdekking en kolonisatie van de Arquipélago da Madeira is in voorgaande delen aandacht besteed.

Dat de kolonisatie zo succesrijk is verlopen is mede te danken aan de grote vruchtbaarheid van het van vulkanische oorsprong zijnde eiland. Door de toename van de bevolking zijn aan het begin van de zestiende eeuw in beide capitanias, waarin het eiland is verdeeld, nieuwe gemeenten (concelhos) ontstaan, en de hoofdstad Funchal, is in 1508 uitgegroeid tot een stad waarvan de bestuurlijke organisatie is opgezet naar het model van Lissabon, is een voorbeeld dat overal in het Portugese overzeese rijk navolging zal vinden. Met zijn 5.000 inwoners evenaart Funchal de aartsbisschoppelijke zetel Braga en overtreft het plaatsen als Leiria, Tomar en Faro. Op Madeira en Porto Santo wonen aan het begin van de zestiende eeuw bij elkaar circa 20.000 mensen; naar schatting bestaat een tiende van hen uit slaven. Paus Leo X heeft op Portugees verzoek Madeira in 1514 tot bisdom verheven. De eerste bisschop, Diogo Pinheiro, neemt in dat jaar bezit van zijn diocees. Onder zijn jurisdictie vallen niet alleen Madeira en Porto Santo, maar alle overzeese gebieden van Portugal.

Aanvankelijk hebben de eilanden hout, honing, was en andere bosproducten geëxporteerd. Na de ontbossing van Madeira heeft de uitvoer vooral bestaan uit graan en wijn, terwijl ook de veeteelt zich ontwikkeld heeft. Vanaf de laatste decennia van de vijftiende eeuw heeft Madeira zich meer en meer ontwikkeld tot een belangrijke producent van suiker, hetgeen ten koste is gegaan van de voortbrenging van graan. Tegen het midden van de zestiende eeuw moet tarwe worden ingevoerd en zijn de zuidelijke hellingen van Madeira bedekt met suikerrietplantages van veelal kleine en middelgrote boerderijen. De producenten voeren rechtstreeks suiker uit naar Vlaanderen en andere Europese landen. Bij koninklijk decreet van 21 augustus 1498 is de jaarlijkse suikerexport gelimiteerd tot 120.000 arrobas, maar tegen het midden van de zestiende eeuw bedraagt het aantal suikermolens al veertig en in 1570 is de suikerproductie toegenomen tot 200.000 arrobas per jaar. Madeira voert dan suiker uit naar heel Europa. Omdat de plantages veel arbeidskrachten vergen, worden er ieder jaar honderden slaven uit Afrika aangevoerd. In 1552 telt Funchal ongeveer 3.000 zwarte en mulatto slaven van beiderlei kunne, maar omdat ook de blanke bevolking in aantal sterk is gestegen, is het aantal slaven nog steeds tien procent van de bevolking. De zeggenschap over de plantages wordt uitgeoefend door een klasse van welvarend geworden lokale landbezitters. En de export van suiker is in handen van Portugezen, cristãos novos en enkele buitenlanders.

De groei van de bevolking in Portugal veroorzaakt een toenemende emigratie naar Madeira. Het hierdoor ontstane overvloedige aanbod van vrije werkkrachten resulteert in een afname van de slavernij op het eiland. Aan het begin van de zestiende eeuw lijkt Madeira een replica van Portugal, maar op het kleine eiland bereikt de omvang van de bevolking al snel zijn verzadigingspunt. Veel kolonisten van Madeira trekken naar Brazilië, waardoor de economische ontwikkeling van Madeira in de zestiende eeuw minder spectaculair is dan daarvoor.

Door de strategische ligging van Madeira wordt Funchal een noodzakelijke aanloophaven voor de Portugese scheepvaart op Afrika, Azië en Brazilië. Het eiland produceert voldoende citrusvruchten, groenten en zuivelproducten om de vele schepen die Madeira aandoen te bevoorraden. De haven van Funchal is dus een belangrijke bron van welvaart. De groei en bloei van Madeira is het gevolg van de groei van Portugals imperium in omvang en in economische kracht. De economie van Madeira krijgt een gecompliceerd karakter. Zij is afhankelijk van de export van suiker en wijn, van de import van textiel, kleding en andere industriële producten, vlees, zout en vooral tarwe. Een deel van de ingevoerde producten wordt door Madeira uitgevoerd. De omvangrijke import- en exporthandel maakt van Funchal een stad met een drukke haven en geeft haar een kosmopolitisch karakter, vergelijkbaar met dat van Lissabon en de grote Portugese steden in Oost-Azië, als Goa, Malacca en Macau.

De opkomst van Brazilië als suikerproducent tast de positie van Madeira in een ras tempo aan; de productie van suiker daalt van 200.000 arrobas in 1570 tot 40.000 arrobas in 1580, terwijl de suikerproductie in Brazilië in dezelfde periode stijgt van 180.000 arrobas in 1570 tot 350.000 arrobas in 1580. Als in de jaren 1608-1612 vanuit Peru technische innovaties bij de productie van suiker worden ingevoerd, stijgt de Braziliaanse suikerproductie zowel kwantitatief als kwalitatief en daalt de prijs tot de helft van de suikerprijs op Madeira. De suikerrietteelt van Madeira wordt volledig geruïneerd. Als in 1600 de voortbrenging van suiker in Brazilië is gestegen tot 1.800.000 arrobas, daalt op Madeira het aantal suikermolens snel naar zeven of acht stuks in 1610 en in 1630 brengt het eiland helemaal geen suiker meer voort. De tweede economische activiteit van Madeira in de eerste helft van de zestiende eeuw is de wijnbouw. Met het verval van de suikerproductie – na het hoogtepunt in 1570 – groeit de wijnbouw uit tot de belangrijkste bron van welvaart van het eiland. In de zeventiende eeuw wordt Madeirawijn wereldberoemd. Het op een na belangrijkste exportproduct is een soort jam, casquinha geheten, waarvoor aanvankelijk inheemse en later Braziliaanse suiker wordt gebruikt. Helaas is de export van wijn en casquinha geheel in buitenlandse, meest Engelse, handen geraakt. Door het verval van Portugals positie in Azië in de zeventiende eeuw, vermindert de vaart op Indië en taant de betekenis van Funchal als aanloophaven. De emigratie van Madeira en Porto Santo naar Brazilië neemt in die eeuw toe.

In 1586 wordt er een governador of capitão-geral met standplaats Funchal, voor de gehele archipel aangesteld. De bestaande capitães, wier functies erfelijk zijn, blijven bestaan, maar zij zijn ondergeschikt aan de gouverneur. Om het bedreigde Portugese Inperium tegen zijn vijanden te kunnen beschermen, worden de capitanias overal omgezet in kroonkolonies. Laat in de 16e en gedurende de zeventiende eeuw worden in de Madeira archipel zulke afdoende defensiemaatregelen getroffen tegen Spanjes en Portugals vijanden: Fransen, Engelsen en Hollanders, alsmede piraten, dat de archipel nooit enige schade geleden heeft.

3.1. De Azoren

Categorieën
Portugees kolonialisme

De Slag van de drie Koningen (1578). Sebastião’s rampspoed in Marokko

Deel 13 Index

Hoofdstuk 2.

Sebastião’s rampspoed in Marokko:

2.1. De Slag van de drie Koningen (1578)

Geschreven door Arnold van Wickeren

Het eerste resultaat van Sebastião’s politiek ten aanzien van Marokko is dat Portugal opnieuw in het bezit komt van de havenstad Arzila. De gouverneur van Arzila, Cid Abd-el-Krim, die in 1550 bij de Portugese ontruiming door Dom João III in de steek is gelaten, en die een aanhanger is van de verdreven sjarif, weigert Arzila aan diens broer over te geven; hij draagt de stad over aan de Portugezen, wat als een goed voorteken wordt beschouwd. In 1577 neemt Dom Duarte de Menezes, gouverneur van Tanger, in de naam van de koning van Portugal, Arzila in bezit. De stad zal voor enige tijd weer Portugees zijn. Sjarif Mulay ‘Abd-el-Malik zou om de vrede te bewaren zelfs Larache aan koning Sebastião hebben aangeboden, maar de vorst gaat niet op het aanbod in, omdat hij de moren in de strijd wil overwinnen. Voor sommigen is dit er een bewijs van dat Sebastião bezeten is door een waanidee, maar anderen geven hem gelijk dat hij streeft naar een grote slag, waarin hij in een paar uur strijd een grote zege zou kunnen behalen en de moren zijn vredesvoorwaarden zou kunnen dicteren. Dit is een situatie die verre te verkiezen is boven een Portugese militaire aanwezigheid die zich voortdurend moet verdedigen tegen moorse aanvallen, waardoor de Portugezen hun krachten zullen verspillen. Sebastião’s idee is dus niet slecht, maar de uitvoering daarvan zal, onder leiding van de onervaren koning, leiden tot de grootste nederlaag uit de Portugese geschiedenis. De sjarif die veel van de Turken heeft geleerd, heeft een modern en beweeglijk leger gecreëerd, dat zich kan meten met elk leger in zijn tijd.i

Sebastião wijdt zich aan het bijeenbrengen van een expeditiemacht. Hij leent geld van kooplieden in Lissabon, christenen en joden en werft troepen in Rome en Spanje. Kardinaal Henrique legt zijn functie als inquisiteur-generaal neer uit protest tegen gunsten die de koning de cristãos novos heeft verkocht. De gemeenteraad van Lissabon tracht vergeefs te interveniëren. De Koninklijke Raad bestaat uit jonge edelen die de koning naar de mond praten. Koningin Catarina overlijdt in februari 1578, waarna niemand overblijft om een matigende invloed uit te oefenen op de onbesuisde jonge koning. Aanvankelijk worden met de opbouw van het leger geen grote resultaten geboekt. De infanterie bestaat uit vier regimenten die zijn gerecruteerd in Lissabon, Estremadura, de Alentejo en de Algarve. Zi bestaan in hoofdzaak uit boeren zonder enige militaire ervaring. Een haastige militaire opleiding maakt van hen nog geen infanteristen die in staat zijn weerstand te bieden aan serieuze charges van de cavalerie van de Berbers, waarover de koning heeft gedroomd. Gelukkig bestaat de expeditiemacht ook uit een corps van 2.000 vrijwilligers met militaire ervaring; het zijn oud-soldaten uit Indië en Marokko – avonturiers – van wie we zullen zien dat hun moreel en mitsdien hun mortaliteit hoog is. Het leger bestaat ook uit corpsen vreemdelingen; in mei arriveert in de hoofdstad een groep van 2.800 soldaten uit de Lage Landen, aangeworven met machtiging van de Prins van Oranje en bestaande uit Vlamingen, Walen en Duitsers, veteranen uit de Europese oorlogen. Zij zijn gerekruteerd door Konrad Roth, een Duitse koopman die Sebastião 400.000 cruzados heeft uitgeleend tegen 8 procent, waarvoor de koninklijke import van peper over drie jaar tot zekerheid strekt. Vervolgens arriveert in Lissabon een Engelse desperado, Sir Thomas Stukeley met schepen en manschappen van de paus, die hij heeft losgepraat met het verhaal dat hij Ierland in opstand zal brengen tegen de protestantse koningin Elizabeth. Philips II verbiedt het aanwerven van Spanjaarden, maar hij zendt Francisco de Aldana als militair adviseur naar Lissabon en circa 1.000 Andalusiërs negeren Philips’ verbod. De koning zet, naar de mode van die tijd, vooral in op de infanterie. Zijn cavalerie is veel minder talrijk en bestaat uitsluitend uit edelen, die zich op eigen kosten bewapend hebben.

Op 25 juni 1578 vertrekt de enorme vloot, van ongeveer 800 grote en kleine schepen, uit Lissabon. Het land wordt tijdens het verblijf van de koning in Afrika geregeerd door een raad van regenten, waarvan zijn oudoom, kardinaal Henrique bewust geen deel uitmaakt. Na een nutteloos oponthoud bij Cádiz en een ander bij Tanger, arriveert de vloot op 14 juli voor Arzila, waar de troepen worden ontscheept. De soldaten bivakkeren daar in tenten, onbeschermd door gegraven sleuven en opgeworpen wallen. De koning roept adviseurs bijeen en besluit op te marcheren tegen Larache, het officiële doel van de expeditie. De ossenkarren worden geladen met biscuit, water en kruit en eind juli zet het leger, versterkt met 600 uitstekende soldaten uit Tanger en moorse cavaleristen, aangevoerd door de verdreven sjarif Mulay Muhammad, zich in beweging en gaat op weg naar Alcácer Quibir. Sebastião, die de raad in de wind heeft geslagen de troepen per schip naar Larache te vervoeren, trekt op met ongeveer 15.500 infanteristen, 1.500 cavaleristen, 1.000 karren en enige duizenden noncombattanten: dienaren, priesters en vrouwen. Onder de noncombattanten bevindt zich ook een aantal prominenten: Philips’ ambassadeur in Portugal Aldana, twee vertegenwoordigers van de Heilige Stoel, twee Portugese en verschillende Ierse bisschoppen, de inquisiteur-generaal van het Heilig Officie in Coimbra en een groot aantal andere geestelijken, onder wie vijftien jezuïeten, onder leiding van Frei Mauricio Serpe, die Frei Luís Gonçalves als ’s konings biechtvader is opgevolgd.

Toen sjarif Mulay ‘Abd-el-Malik in Salé bericht had ontvangen van het vertrek van de Portugese expeditie tegen zijn land, heeft hij zich met grote spoed naar het noorden begeven en heeft zijn troepen verzameld in het centraal gelegen Alcácer Quibir. Hij snijdt hiermee de invallers tevens de weg af naar zijn hoofdstad Fez. De sjarif is op 24 juli in Alcácer Quibir aangekomen. De opbouw van het leger in de vallei van de Wadi al-Makazin, die uitkomt in de Luccus, voltrekt zich snel, onder de bescherming van een cavaleriecorps dat zich ophoudt in de naburige bergen. Voor het onderwerpen van stammen aan wier trouw kan worden getwijfeld, heeft Mulay ‘Abd-el-Malik kunnen profiteren van de vertragingen die Sebastião’s expeditiemacht heeft ondergaan door nutteloos verblijf voor Cádiz, Tanger en Arzila. De sjarif wacht, vol vertrouwen in de goede afloop en vastbesloten de vijand de Luccus niet te doen oversteken, op de Portugese expeditiemacht, die langzaam nadert, na een ongeorganiseerde tocht door een verschroeiend heet land, waar het ontbreekt aan wegen.

Nog tijdens zijn oponthoud bij Arzila heeft Sebastião het bericht ontvangen dat de sjarif een leger van ongeveer 8.000 infanteristen en 41.000 cavaleristen, naast duizenden ongeregelde manschappen, bij elkaar zo’n 70.000 op de been heeft gebracht. De sjarif zou ook geschut meevoeren en hij zou beschikken over 7.000 haakbusschutters. De koning, die hiertegenover slechts 26.000 man, van wie niet meer dan 17.000 soldaten kan stellen, weigert dit slechte nieuws te geloven. Zijn troepen, gevolgd door de vele noncombattanten: pages, helpers en voerlieden met hun karren verlaten Arzila op 29 juli onder zijn persoonlijke leiding, dat volgens Oliveira Marques in de praktijk heeft betekend: geen leiding. De voortgang van de expeditie wordt in hoge mate belemmerd door de karren met voorraden en door de hele zwermen meisjes die de vreemdelingen in een onbeschrijflijk gedrang volgen. Het behoeft dan ook niet te verbazen dat het leger eerst op 2 augustus de bergen rond het dal van de Wadi al-Makazin bereikt. Het heeft in 5 dagen niet meer dan 45 kilometer afgelegd. Het heeft zijn rantsoenen geconsumeerd, wordt geteisterd door de hitte en heeft het contact met de vloot verloren. Bovendien ziet men voortdurend vijandelijke ruiters op de bergruggen rijden; zij geven dekking aan het leger van de sjarif. Op de morgen van de volgende dag trekt de expeditiemacht de Wadi al-Makazin over bij een doorwaadbare plaats, 5 kilometer stroomafwaarts van de brug. Het leger slaat linksaf en slaat zijn kamp op tussen de Wadi al-Makazin en de Ques Rur, in het zicht van het legerkamp van de sjarif, dat de doorgang naar Alcácer Quibir blokkeert. En zo staat de jonge koning vlak voor hetgeen, waarnaar hij al vele jaren heeft uitgezien, een veldslag. Het terrein waar over het lot van de beide rijken beslist zal gaan worden, is een grote vlakte voor Alcácer Quibir, die zich versmalt bij de toegangen tot de stad. De keuze van het gevechtsterrein, dat uitstekend geschikt is voor cavalerie-operaties, is een bewijs van de militaire kwaliteiten van sjarif Mulay ‘Abd-el-Malik; het Portugese leger, dat vooral bestaat uit infanterie, zal volledig ingesloten en overstroomd worden door de onophoudelijke aanvallen van de moorse cavalerie. Het kamp van de Portugezen bevindt zich tussen de twee rivieren en wordt beschermd door haastig gegraven grachten. Dit is geen slechte positie, mits voor de verdediging zou zijn gekozen. In dat geval zouden de aanvallen van de moorse cavalerie, zich onvermijdelijk op de Portugese verdediging te pletter hebben gelopen, ondanks hun overweldigende numerieke overwicht. Maar de arglistige moren bewegen zich niet en de jonge koning is gekomen om te vechten.

Om 7 uur in de vroege morgen van 4 augustus, zet het Portugese leger zich in beweging in de volgende formatie: de infanterie bestaat uit drie echelons: de voorhoede, de hoofdmacht en de achterhoede, die op de flanken beschermd wordt door rijen wagens en karren en door afdelingen haakbusschutters. Aan kop en in het centrum bevindt zich het corps Portugese avonturiers, geflankeerd door haakbusschutters uit Tanger. Aan hun rechterkant marcheert het corps Duitsers op en aan hun linkerkant dat van de Spanjaarden en Italianen. Op de beide vleugels van de formatie bevindt zich de cavalerie van 1.500 edelen en de 600 cavaleristen van de verdreven Mulay Muhammad. Het cavaleriecorps ter linkerzijde wordt door de koning zelf aangevoerd, wat noodlottige gevolgen zal hebben. Mulay ‘Abd-el-Malik stelt zijn leger op Turkse wijze op in de vorm van een halve maan. Hij heeft twee tactische linies: de eerste heeft in het centrum 7.000 à 8.000 haakbusschutters te voet. Zij zijn verdeeld over twee echelons en worden op hun vleugels geflankeerd door 24.000 à 25.000 cavaleristen, gewapend met geweren, die eveneens getraind zijn in gevechten te voet. Daarachter bestaat de tweede linie uit eskadrons Arabische lichte cavalerie, 18.000 à 20.000 paarden. Tegenover het zware weinig flexibele Portugese legercorps, met zijkanten van 600 à 700 meter, stellen de moren een beweeglijk leger op. Aan de oude tactiek van een stoot gericht op een doorbraak, voegen de Turken de klassieke manoeuvre van de omtrekkende beweging toe. Hierbij worden de twee vleugels ingesloten door de cavalerie uit de tweede linie die moet optreden aan de flanken en achteraan. Bij deze operatie moet de eerste linie op haar plaats blijven en direct de rijen sluiten als daarin bressen zijn ontstaan. Tenslotte dienen de punten van de halve maan de vijand geheel te verpletteren. Het moorse leger zet zich eveneens in beweging en tegen 9 uur schiet zijn artillerie, wijselijk verstopt in een maïsveld, op de Portugese flanken. Dit onverwachte salvo door de niet zichtbare artillerie, veroorzaakt een zekere verwarring onder de Portugese infanteristen. De koning laat de opmars staken, om zelf de orde te herstellen, maar daarna blijven bevelen uit. Hij lijkt te worden overvallen door een beneveling. Hij verroert geen vin en schijnt, met een wezenloze blik in de ogen, ergens op te wachten. De Portugese artillerie, 36 stukken, aan de kop en aan de linkerkant van het legercorps, in zijn opmars verrast door de moren, kiest met moeite positie en vuurt in het wilde weg, terwijl de manschappen waarschijnlijk verwachten dat de koning het sein zal geven de vijand aan te vallen. Reeds naderen de moorse haakbusschutters. Terwijl zij hun wapens afvuren, zwermen zij om het Portugese carré, waarop de moorse artillerie voortdurend vuurt en daarmee dood en verderf zaait in de rangen. Dan gooit het ongeduldig geworden corps Portugese avonturiers, gevolgd door het corps buitenlanders zich met grote beslistheid in de strijd. Zij werpen zich op de moorse voetknechten en al spoedig wankelt en bezwijkt hun eerste echelon onder de woeste aanval. De aanval van de avonturiers is zo krachtig, dat de voorste manschappen zelfs tot aan de tent van sjarif Mulay ‘Abd-el-Malik komen. Hun aanvoerder roept hun toe halt te houden, omdat zij te ver vooruit zijn geraakt op de Duitsers die aan hun rechterzijde oprukken en op de Italianen en Spanjaarden die zich links van hen bevinden. Zij dreigen daarom te worden omsingeld door moorse troepen uit het tweede echelon, die toesnellen om hun rijen te sluiten. Maar de kreet halt te houden, doet niet alleen de aanval stoppen, maar veroorzaakt ook paniek en allen trekken zich terug om hun oorspronkelijke positie weer in te nemen. De moren nemen daarop het heft stoutmoedig in handen; zij dringen van alle kanten naar voren, terwijl hun cavalerie uit de tweede linie de vleugels van het carré aanvalt. De niet aflatende aanvallen hebben een ontwrichtende uitwerking op de Portugese infanterie en de slecht bewapende manschappen die zich slechts met pieken kunnen verdedigen, zoeken dekking achter de rijen karren. De slag verloopt zonder orde en zonder leiding, de koning bevindt zich ergens in het gewoel temidden van zijn cavaleristen. De cavalerieregimenten van de hertog van Aveiro en van Mulay Muhammad, op de rechtervleugel, die geen orders hebben ontvangen, vallen op eigen gezag aan, als zij iedereen zien aanvallen. Bij deze afwezigheid van bevelvoering versnippert de slag; iedereen vecht wat hij kan, zonder ander doel dan te doden om niet zelf te worden gedood.

Aan moorse kant is de situatie volkomen anders. Ofschoon de sjarif erg ziek is, leidt hij het gevecht persoonlijk vanuit zijn commandopost. Als hij zijn eerste linie ziet wijken onder de druk van de aanval van de avonturiers en de moren uit Andalusië zich uit de voeten willen maken, staat hij op van zijn draagstoel, bestijgt zijn paard, trekt zijn zwaard om de vluchters te achterhalen. Deze inspanning is teveel voor hem en hij overlijdt ter plaatse aan een hartaanval. Maar zijn militaire staf, die bestaat uit Europese afvalligen, houdt het nieuws van zijn overlijden geheim, neemt de leiding van de strijd op zich en geeft bevelen in zijn naam. In de rangen van de Portugezen ontziet de jonge koning zich niet; hij duikt alsmaar op waar het gevaar het grootst is, maar hij is in het gewoel meer en meer onzichtbaar, temeer daar hij zijn plicht als aanvoerder verzaakt. Ondanks zijn dappere daden en die van vele anderen, geraakt de Portugese legermacht langzamerhand ontwricht en valt hoe langer hoe meer uit elkaar onder de druk van de moren, die hun vijanden geheel omsingelen. Na zes uren van strijd, hebben de Portugezen de slag verloren. Al wordt hier en daar nog door kleine groepjes Portugezen in het gedrang met de moed der wanhoop gevochten. Aangetrokken door de koninklijke standaard, trachten de moren koning Sebastião, wiens paard al driemaal onder hem vandaan is geschoten, te omsingelen door hem van alle kanten te naderen. `Wat moeten we doen, Sire, met zoveel vijanden?’ schreeuwt een edelman aan zijn zijde. `Doe wat ik doe’ antwoordt de koning hem. En, onvermoeibaar baant hij zich een weg met slagen van zijn zwaard. Zich overgeven? Nooit! `Sterven, ja, maar langzaam’ is zijn laatste schreeuw. En, gewond, bloedend, gloeiend van dorst en koorts, verdwijnt hij in het gewoel. Zijn lichaam is na de slag gevonden, bijna onherkenbaar door alle slagen. De onttroonde sjarif Mulay Muhammad, die aan Portugese kant heeft gevochten, heeft eveneens de dood gevonden. Daarom spreken de moren van de ‘Slag van de Drie Koningen’. Het is de bloedigste slag die ooit met de Berbers is gestreden. De moren hebben 5.000 à 6.000 doden te betreuren en de Portugezen hebben er hun gehele leger verloren. Zij laten 7.000 à 8.000 doden op het slagveld achter. Onder hen bevinden zich Francisco de Aldana en Sir Thomas Stukeley, de aanvoerder van de Duitsers en het puikje van de Portugese adel. Er zijn 203 edelen in de strijd gevallen en 11 later aan hun verwondingen overleden. Onder de gevallenen is ook Frei Mauricio Serpe; hij sterft, na de moren te hebben beledigd, als martelaar in hun handen. Bijna 15.000 man vallen in handen van de moren, onder wie 228 edelen; circa 100 man weet te ontsnappen naar Arzila. Het hele avontuur heeft meer dan een miljoen cruzados, de helft van het nationaal jaarinkomen van het land gekost.

i In dit leger zijn ook Franse soldaten opgenomen en Frankrijk heeft zelfs een ambassadeur geaccrediteerd bij sultan Mulay ‘Abd-el-Malik. De Franse invloed in Marokko dateert dus uit die tijd.

Hoofdstuk 3. De Atlantische eilanden en West-Afrika 3.0. De Madeira archipel

Categorieën
Portugees kolonialisme

Inleiding, Portugals positie in Marokko in de periode 1415-1557. Sebastião’s rampspoed in Marokko

Deel 13 Index

Hoofdstuk 2.

Sebastião’s rampspoed in Marokko:

2.0. Inleiding, Portugals positie in Marokko in de periode 1415-1557

Geschreven door Arnold van Wickeren

In 1415 hebben de Portugezen, vrijwel zonder slag of stoot, de belangrijke Marokkaanse havenstad Ceuta ingenomen, hetgeen wel beschouwd wordt als het begin van de Portugese maritieme expansie. Nadat Dom Henrique en zijn broer Dom Fernando in 1437 een zware nederlaag hebben geleden bij een poging ook de havenstad Tanger in handen te krijgen, slaagt Dom Afonso V erin in 1458 het tussen Ceuta en Tanger gelegen havenstadje Alcácer Ceguer te veroveren. Na verschillende vergeefse pogingen in de jaren zestig de Portugese militaire aanwezigheid in Noord-Marokko verder uit te breiden, gelukt het Dom Afonso V in 1471 de Atlantische havenstad Arzila in te nemen. Hierna ontruimen de Moren ook Tanger. De Portugezen weten de genoemde vier door vijandelijk territorium omringde havensteden te behouden door in de forten ter plaatse sterke garnizoenen te legeren. Overigens betekent de Portugese aanwezigheid in Marokko niet dat er voortdurend strijd geleverd wordt. Tussen de perioden waarin gevochten wordt, zijn andere perioden waarin de wapens zwijgen. Zo heerst er bijna voortdurend vrede tussen 1471 en het begin van de zestiende eeuw.

Tussen 1486 en 1492 lukt het de Portugezen langs diplomatieke weg factorijen te stichten in Anafé, Azamor, Safi, Mazagão en Massa. In 1506 bouwen zij het Castelo Real in Mogador; hun eerste fort aan de Atlantische kust van Marokko. In 1508 wordt Safi veroverd en ook voorzien van een fort. Op 1 september 1513 trekt de hertog van Bragança met een legermacht van 15.000 of mogelijk zelfs 18.000 man op tegen de stad Azamor, die twee dagen later in Portugese handen valt. In hetzelfde jaar wordt het Fortaleza Santa Cruz do Cabo de Gué bij Agadir gebouwd. Een jaar later verrijst ook een fort in Mazagão. Het is de bedoeling dat de Portugese invloed vanuit de forten aan de kust naar het binnenland wordt uitgebreid. In 1514 worden de stammen in de Doukkala onderworpen; zij worden bestuurd door een door de Portugezen benoemde moslimgouverneur, Yahya ibn Tafouft (Yahya Bentafufa). Er lijkt een Portugees protectoraat te ontstaan, ware het niet dat Nuno de Ataíde, de capitão van Safi meer geïnteresseerd is in militaire successen dan in de pacificatie van het binnenland van Marokko. In 1515 verovert hij Marrakech, dat geplunderd en verwoest wordt. Op de terugweg naar Safi sneuvelt Ataíde in een gevecht met de moren, wat voor zijn moslimtroepen aanleiding is over te lopen naar de vijand. Hierna slaan de Portugezen op de vlucht. In hetzelfde jaar doet zich nog een ramp voor. Voor de kust bij La Mamora verschijnt in juni een Portugese vloot van 200 schepen. Aan boord bevindt zich een invasiemacht van 8.000 man. Velen hebben hun vrouw en kinderen bij zich, omdat zij zich als kolonisten in Marokko willen vestigen. De bedoeling is dat Fez, de hoofdstad van het gelijknamige vijandige koninkrijk, wordt veroverd. Bij de bouw van een fort aan de monding van de Cebu, dat als uitvalsbasis moet dienen, wordt de invasiemacht in augustus verpletterend verslagen, door een leger van 30.000 man van de koning van Fez. Hierbij komen 4.000 Portugezen om, terwijl velen, meest vrouwen en kinderen worden gevangengenomen. Hen wacht een slavenbestaan. Het kost een vermogen hen vrij te kopen. De dood van Nuno de Ataíde, het echec van La Mamora en de moord op Yahya ibn Tafouft een jaar daarna betekenen het einde van de Portugese droom in Marokko een protectoraat te kunnen stichten. Mitsdien is ook een einde gekomen aan de versterking van de militaire aanwezigheid in het land. Maar ook het handhaven van de status-quo in Marokko is een geld- en mensenverslindende onderneming die uiteindelijk niets oplevert. De status-quo bestaat bij de troonsbestijging van Dom João III in 1521 uit de volgende situatie: de Portugezen zijn teruggedrongen in acht gefortificeerde steden: Ceuta, Alcácer Ceguer (Al-Ksar es-Seghir) en Tanger, alle drie aan de Straat van Gibraltar; Arzila aan de Atlantische kust van Noord-Marokko; Azamor, Mazagão en Safi in de Doukkala en Agadir, met fort Santa Cruz do Cabo de Gué in de Sous. Hoe moeten wij ons het leven van de Portugezen in de gefortificeerde steden voostellen?

Als een fidalgo wordt benoemd tot capitão van zo’n stad in Marokko, aangeduid als praça, neemt hij gewoonlijk zijn vrouw en kinderen met zich mee. Daarnaast bestaat zijn huishouden uit een aantal manlijke en vrouwelijke dienaren, slaven en arme familieleden, die van zijn protectie afhankelijk zijn en die de capitão uit Portugal heeft meegebracht. Iedere praça, waarvan Tanger de belangrijkste is, heeft een klein aantal burgers dat er permanent verblijft. Deze bevolking is hoofdzakelijk van Portugese origine, maar er zijn ook burgers die gehuwd zijn met een Arabische of Berber man of vrouw, die destijds als kind is gevangengenomen en een christelijke opvoeding heeft genoten en uit mensen die uit vrije wil de Islam de rug hebben toegekeerd. De meeste tijd controleren de garnizoenen van de praças slechts de grond buiten de muren die ligt binnen schootsafstand van hun geschut. Op deze vlakte groeien fruitbomen, worden groenten gekweekt en weiden de Portugezen hun paarden en vee. De dieren worden iedere morgen buiten de muren gebracht, als bereden wachters de omgeving hebben veilig verklaard, en ’s avonds weer binnen de muren gehaald. Patrouilles te paard, dringen soms tien of twintig mijl diep vijandelijk gebied binnen, op zoek naar buit, oogsten om te verbranden of gevangenen voor wie losgeld kan worden gevraagd. Als de mannen uitrijden wachten de vrouwen in spanning af of hun man terugkeert met buit, of dat hij op de vlucht is voor een overmachtige vijand, of dat hij in het geheel niet wederkeert. Bij andere gelegenheden doen de moren aanvallen op de muren, of zij belegeren een praça weken of maanden achtereen. In dat geval strijden de vrouwen vaak aan de zijde van hun mannen of herstellen de door vijandelijk geschut aangerichte schade, waarbij zij de mannen soms een voorbeeld zijn. Charles Boxer noemt in zijn Mary and Misogynyi het volgende voorbeeld hiervan. Als het Fortaleza Santa Cruz do Cabo de Gué bij Agadir in 1533 bij verrassing door de moren wordt aangevallen, bevindt zich onder de verdedigers een potige vrouw die zes maanden zwanger is. Zij sjouwt op haar rug rotsblokken voor de herbouw van de muren. Een kei zo groot en zwaar dat twee man hem niet kunnen optillen, neemt zij op haar schouder of het niets is. Deze herculesarbeid verhindert onze heldin niet na drie maanden een gezond kind ter wereld te brengen. Bij een andere gelegenheid, toen Arzila op het punt stond te vallen onder een hevige moorse aanval, pepte een hoogzwangere dochter van de capitão, die kort daarna een dochter baarde, het gedaalde moreel op. In gezelschap van haar moeder en zusters stuurde zij bange soldaten terug naar hun post en pakte zelf een kruisboog, waarmee zij op de moren schoot.

Het doel van de Portugese aanwezigheid is het drijven van handel. In alle forten is daarom een factorij gevestigd, terwijl er ook een Portugese feitoria is in enige niet bezette plaatsen, zoals Larache, La Mamora, Fez, Meknés en Massa in de Sous. De Portugezen kopen in Marokko: kleding (hambels, djellabas, haïks, boernoes) paarden, graan, slaven en natuurlijk goud. Zij verkopen er vooral stoffen, schellak, kornalijnen, zilver, borduurwerk.

Onder de regering van koning Manuel (1495-1521) doen zich politieke veranderingen voorgedaan, die uiteindelijk de Portugese positie in Marokko wezenlijk zullen aantasten. In het zuiden van het land komt in 1510 de familie van de Sa’di-sjarifen, afkomstig uit de oase van Dar’a in de Marokkaanse Sahara, op. De opkomst van het geslacht van de Sa’di-sjarifen zou wel eens kunnen zijn ingegeven door het Moorse verlangen zelf weer de vruchten te kunnen plukken van de handel in goud, slaven, verfstoffen en textiel. Daartoe zullen de karvelen dienen te worden geweerd en moeten de Portugezen van Cabo de Gué verdreven worden. De waarschijnlijk op basis van economische motieven tegen de Portugezen ontketende heilige oorlog zal in de toekomst een nationaal karakter krijgen. In 1524 hebben de Sa’di-sjarifen (twee broers) hun macht gevestigd over geheel de Sous, een rijk gebied dat suiker en katoen voortbrengt. In 1525 is de oudste sjarif onbetwist heerser over Marrakech. In 1533 hebben zij een verrassingsaanval uitgevoerd op Santa Cruz do Cabo de Gué, die met moeite is doorstaan. In 1539 acht het hof in Lissabon de tijd gekomen om keizer Karel V van de veranderde situatie in Marokko op de hoogte te brengen. Dom João III zendt de graaf van Castanheira naar Spanje, om de keizer in te lichten over de rijkdommen van de Sa’di-dynastie, die bovendien geheime contacten onderhoudt met de Turken. Dom João III legt zijn ambassadeur in Rome uit waarom de beide Sa’di-sjarifen zoveel succes hebben: “E dizem que ambos são dos mais rriquos homens do mundo, porque ihe vem camelos carregados de ouro de Tambocutum, que ihe trazem muy grande soma, e tem inteligencias com o Turquo.” De vorst weet zijn gezant ook nog te melden, dat de overvloedige hulp die de sjarifen krijgen, het hun mogelijk maakt hun legers uit te rusten met krachtige artillerie en met heel goede vuurwapens, De vervaardiging van kruit vindt plaats in Marokko zelf met lokale grondstoffen. Bovendien hebben de moren een doeltreffende cavalerie gevormd en hebben zij van de christenen de kunst van het belegeren geleerd. Van deze modernisering van de legers van de sjarifen is het herwinnen van de handel door de Sahara de basis geweest. De bloei van de export van suiker uit de Sous naar Engeland en Frankrijk is eveneens mogelijk gemaakt door de terugtocht van de Portugezen. Deze terugtocht heeft ook andere grote gevolgen; ze leidt tot het ontstaan en de bloei van belangrijke exporthavens in het gebied van de Middellandse Zee en de Atlantische Oceaan, zoals Tétouan, Larache en Sale. Vanaf 1540 zijn deze plaatsen van essentiële betekenis voor de Marokkaanse export.

Als sjarif Mohammed ech-Cheikh van de Sous in maart 1541 Santa Cruz do Cabo de Gué verovert, bevinden zich onder degenen die hij gevangenneemt de zwaar gewonde capitão van het fort, Dom Goterre de Monroy en zijn prachtige (gehuwde) dochter Dona Mecia, die pas een dochter heeft gebaard en wier man bij de verdediging van het fort is gesneuveld. Voor haar is geen heldenrol weggelegd; zij wordt opgenomen in de harem van de sjarif, en bekeert zich tot de islam, nadat zij de sjarif een kind geschonken heeft. Zij sterft kort daarna en de sjarif die haar oprecht heeft aanbeden, laat uit medelijden haar vader vrij, waarbij hij afziet van losgeld. Boxer merkt naar aanleiding van deze tragische geschiedenis op, dat vrouwen van beide partijen geschikt worden bevonden om te worden bekeerd, als zij in handen vallen van de andere partij. Zij worden hiertoe onder druk gezet en overreed. Jonge moorse meisjes van goede familie die in handen vallen van de Portugezen, worden gewoonlijk opgenomen in de huishouding van de vrouw van de gouverneur van de praça en behandeld als haar eigen kinderen (of dienaressen) en als zij christen zijn geworden trouwen zij met een lid van het garnizoen. Er zijn echter aan beide zijden voorbeelden van vrouwen die hebben geweigerd zich te bekeren, of die slechts hebben voorgewend dat zij zich hadden bekeerd. Zij moesten dan wachten tot zij zouden worden vrijgekocht, of moesten zien te ontsnappen. Dat laatste was erg moeilijk uitvoerbaar en is slechts zelden gelukt. Worden opgenomen in het huishouden van een welgesteld iemand om daar te worden behandeld als een gelijke totdat een ruil of een lossom is geregeld, is natuurlijk alleen weggelegd voor de aanzienlijken. De gewone man (of vrouw) die in vijandelijke handen valt, is minder goed af. Portugese bevelhebbers maken soms geen onderscheid tussen soldaten en noncombattanten als zij aan de winnende hand zijn. De capitão van Safi rapporteert de Kroon over een verrassingsaanval van zijn garnizoen op twee moorse kampementen in juli 1541. Hij schrijft: “Wij overvielen hen volkomen bij verrassing en doodden ongeveer 400 personen, de meeste van hen vrouwen en kinderen. De gewone soldaten spaarden niemand en “pas nadat zij vermoeid waren van het doden, namen wij 80 zielen gevangen.” De capitão probeerde zijn wreedheid te rechtvaardigen door te beweren dat het om een represaille ging voor de moorse verovering van Santa Cruz do Cabo de Gué, maar ofschoon daarbij een paar vrouwen en kinderen, bij de bestorming, in de hitte van de strijd zijn omgekomen, zijn de meeste van hen gespaard. Vrouwen staan aan beide zijde bloot aan wreedheden, maar christenvrouwen zijn bij islamieten vaak beter af dan moslimvrouwen bij de christenen. Het verkrachten van vrouwen wordt in de gehele moslimwereld verafschuwd. Maar aan de zijde van de christenen kent men in dit opzicht zelden remmingen. João Carvalho Mascarenhas, een zeer bereisd Portugees soldaat die in 1621 door Algerijnse zeerovers is gevangengenomen en jaren als galeislaaf heeft gediend, laat ons in zijn verslag daarvan weten, dat de zeerovers vrouwelijke gevangenen strikt scheidden van de mannen en geen geslachtsverkeer aan boord toestonden. De meeste vrouwen die in Marokko in moorse gevangenschap zijn geraakt, worden ongeschonden tegen betaling van losgeld vrijgelaten, tenzij zij zich tot de islam hebben bekeerd, wat zich incidenteel voordoet. Aangezien rond de praças de oorlogssituatie de normale situatie is, is de sterfte onder mannen groter dan die onder vrouwen. Dit betekent dat weduwen een goede kans hebben te kunnen hertrouwen, vooral als zij jong en niet ontroostbaar zijn. De kronieken van Arzila, Tanger en Ceuta vermelden allemaal dat de verweduwde ‘mulheres de Africa’, deugdzaam, kuis en eerlijk als zij zijn, erg vaak moeite hebben hun miserabel klein pensioentje te ontvangen van een krap bij kas zittende Kroon en van de problemen opwerpende hoofdstedelijke bureaucratie. Na aandacht te hebben geschonken aan deze bijzonderheden over de positie van vrouwen in Marokko, ontleend aan Charles Boxer, keren we terug naar de politieke situatie.

Met de inname van Agadir (Santa Cruz), die de inleiding vormt voor de ontruiming van Azamor en Safi, heeft sjarif Mohammed ech-Cheikh de Portugese macht in het zuiden van Marokko vrijwel vernietigd. Hij maakt zich daarna los van zijn broer in Marrakech en keert zich tegen sultan Moulay Ahmed el-Wattasi van Fez. Hij verslaat hem, ontneemt hem zijn troon en houdt eind januari 1549 zijn triomfale intocht in Fez. Enkele maanden later geeft Dom João III ook Alcácer Ceguer (Al-Ksar Seghir) en Arzila op en behoudt alleen Ceuta, Tanger en Mazagão. De Portugese terugtocht uit Marokko, die feitelijk geschiedt in de jaren 1541 en 1549-1550, is in het belang van de Sa’di-sjarifen. Concluderend kan worden gesteld dat de kameel het gewonnen heeft van het karveel. Het Soedanese goud bereikt weer, althans voor een deel, via Marokko de Atlantische en de Mediterrane kust van Noord-Afrika.

Als sjarif Mohammed ech-Cheikh zich begin 1549 in Fez heeft gevestigd, zendt de koning van Portugal aan zijn zwager Karel V een ambassadeur wiens enige taak het is de keizer ervan te overtuigen dat deze nieuwe Marokkaanse macht zeer gevaarlijk is en het probleem van de nauwe zeestraat tussen Marokko en Spanje plotseling weer actueel maakt. De Moorse commerciële scheepvaart, in de versukkeling geraakt vanaf het midden van de vijftiende eeuw, zal weer opbloeien. Alleen een nauwe samenwerking tussen Portugal en Spanje kan deze bedreiging keren.

i zie pag. 14

2.1. De Slag van de Drie Koningen

Categorieën
Portugees kolonialisme

Demografische, economische, sociale en culturele ontwikkelingen ten tijde van koning Sebastião, Henrique en de Habsburgers. De vereniging van Portugal met Spanje

Deel 13 Index

Hoofdstuk 1.

De vereniging van Portugal met Spanje:

1.4. Demografische, economische, sociale en culturele ontwikkelingen ten tijde van koning Sebastião, Henrique en de Habsburgers

Geschreven door Arnold van Wickeren

De grote demografische groei vanaf de Late Middeleeuwen zet zich in bijna heel Europa wordt tot in de eerste jaren van de zeventiende eeuw en op het Iberisch schiereiland ten minste tot aan het einde van de zestiende eeuw. Had Portugal rond 1530 nog 1½ miljoen inwoners, in 1640 is de bevolking, in weerwil van enige pestplagen die het Schiereilandi teisteren, gestegen tot twee miljoen zielen. Tegelijkertijd is er sprake van een zekere migratie van het zuiden van het land naar het noorden en van voortschrijdende urbanisatie ten faveure van vooral Lissabon, dat zijn inwonertal ziet stijgen van 65.000 in 1527, via 100.000 in 1551, naar 165.000 in 1620. Daarmee is de metropool weliswaar niet zo groot als Londen, Parijs en Napels, maar groter dan welke Spaanse stad ookii en ongeveer even groot als Amsterdam en Venetië. De andere Portugese steden zijn een stuk kleiner; Porto, Coimbra, Évora en Elvas tellen in 1620 allen 16.000 tot 20.000 inwoners.

De aanplant van maïs, voorheen al een gewas dat het erg goed doet in Portugal, neemt toe ten koste van tarwe, rogge en gerst. Portugal wordt daardoor nog meer afhankelijk van de import van granen. In 1581 vraagt de Cortes aan Philips II de grens te openen voor graanimporten uit Castilië, wat zijn zoon eerst in 1604 zal toestaan. De regering stelt de prijs van graan vast en kondigt zware straffen af tegen monopolisten. Desondanks leiden graantekorten tot hongersnoden: 1596-1597, 1621, 1627 en 1632, maar minder vaak dan voorheen. Na 1640 zal het land weer graan invoeren uit Noord-Europa. De productie van olijfolie en wijn neemt voortdurend toe. Niet alleen het zuiden va het land exporteert wijn naar Engeland, maar Minho voert wijn uit via de haven van Caminha en Lamego gaat Douro-wijnen exporteren. In Porto vestigen zich de eerste Engelse handelshuizen die portwijn uitvoeren. In 1635 worden in Portugal uit China ingevoerde sinaasappelen aangeplant, die worden uitgevoerd naar heel Europa en het gebied van de Middellandse Zee. Met het fokken van vee gaat het meer en meer bergafwaarts, wat een gevolg is van de betere verspreiding van de bevolking over het land. De koningen Sebastião en Henrique bevorderen, uit militaire overwegingen, het fokken van paarden, maar Philips II sluit, op verzoek van de bevolking, de fokkerijen.

De commerciële positie van Portugal is aan het einde van de zestiende eeuw niet veel anders dan aan het begin daarvan. Het land voert wijn, fruit, olijfolie, zout en vele andere producten uit naar Noord-Europa, naar Spanje en naar de Mediterrane Wereld. Uit deze landen importeert Portugal voortdurend toenemende hoeveelheden: graan, textiel, metalen (koper en zilver), industriële producten, zoals wapens en ammunitie, en luxe goederen. In de zestiende eeuw nemen vooral de zilverimporten uit Spanje toe. Er worden veel ingevoerde goederen opnieuw uitgevoerd naar Azië, Afrika en Brazilië. Het gaat vooral om zilver, koper, textielwaren en luxe goederen. De importen van specerijen uit Indië, de Molukken en Ceylon, die in de jaren vijftig van de zestiende eeuw een hoogtepunt hadden bereikt, dalen geleidelijk in het laatste deel van de eeuw en na de eeuwwisseling. In plaats daarvan komen producten uit China en Japan; ook de invoer van suiker, hout en later tabak uit Brazilië en de Atlantische eilanden wordt hoe langer hoe belangrijker. Tussen Afrika en Brazilië komt rond het midden van de zestiende eeuw de handel in slaven op.

Onder de Habsburgers vermindert de rol en betekenis van Italiaanse, Vlaamse en Duitse handelshuizen en dito kapitaal. Hun plaats wordt ingenomen door Spaanse, Engelse en Franse namen. Lissabon heeft zeer nauwe handelsbetrekkingen met Antwerpen, de Azoren en na sluiting van de koninklijke factorij in Antwerpen** in 1549 met Sevilla en Amsterdam. Ook Medina del Campo, ten zuiden van Tordesillas, en Madrid maken deel uit van dit netwerk. Crisisverschijnselen die zich in een van deze plaatsen voordoen, zijn eerder bekend in de andere steden van het netwerk dan op het omringende platteland. In de tweede helft van de zestiende eeuw onderhoudt Lissabon intensieve handelsrelaties met Sevilla. Tot omstreeks 1630 is er in Portugal zilver, dat in Lissabon wordt aangemunt, in overvloed. Goud is van veel minder betekenis. Als de importen van goud uit Amerika in Sevilla aanzienlijk dalen, neemt de betekenis van Sevilla als aanvoerhaven ook af en in Lissabon wordt in de jaren dertig nog maar heel weinig zilver aangemunt.

In Portugal maakt het staatskapitalisme meer en meer plaats voor particuliere handelsorganisaties. Zo wordt in 1587 een Portugese compagnie voor de handel met Indië opgericht, maar deze is een kort leven beschoren, wegens gebrek aan enthousiasme. Meer belovend is de Compagnie voor Navigatie en Handel met India, die in 1619 is opgericht, maar waarvan de juridische status eerst in 1628 is vastgelegd. Hierin participeren meer dan vijftien handelaren en de gemeente Lissabon. De compagnie wordt wegens gebrek aan kapitaal geen succes; zij wordt in 1633 alweer opgedoekt.

De ontvangsten en uitgaven van de staat stijgen enorm. Hebben zij in 1557 607.000 cruzados bedragen, in 1588 zijn zij opgelopen tot 939.000, in 1607 tot 1.322.000 en in 1619 tot 1.484.000 cruzados. Deze cijfers hebben uitsluitend betrekking op het binnenland. Worden de staatsontvangsten uit Azië, Afrika en Brazilië meegeteld dan komt men op bedragen die ruimschoot het dubbele zijn. Af en toe wordt het land getroffen door een financiële crisis, als gevolg waarvan in de jaren 1563, 1582, 1614, 1620, 1624 en 1630 de rente wordt verlaagd. Financiële crises dienen volgens Oliveira Marques, aan wie deze cijfers ontleend zijn, niet te worden verward met economische achteruitgang of een gebrekkig bestuur. Ondanks depressies, is er tot aan de jaren twintig altijd voldoende geld in Portugal geweest en in weerwil van renteverlagingen heeft de staat altijd zoveel geld kunnen lenen als nodig was. Het prijspeil in Portugal volgt het algemene prijspeil in Europa. Hoewel de prijs van tarwe sterk fluctueert met de omvang van de oogst, is de trend stijgend. De prijs van een bushel tarwe, in 1530 nog slechts 30 reais, is in 1636 opgelopen tot 380 reais. De sterke prijsstijging van tarwe, maar evenzeer van andere eerste levensbehoeften als wijn en olijfolie, kan niet worden losgezien van de demografische ontwikkelingen. Vitorino Magalhães-Godinho heeft aangetoond dat onderbrekingen in de prijsstijgingen, gedurende de zestiende en het begin van de zeventiende eeuw wijst op een economische crisis in Portugal, die min of meer samenvalt met de situatie in het buitenland. In Portugal is sprake van een crisis in de jaren: 1533-1535, 1544-1551, 1576-82, 1594-1605 en in de jaren dertig van de zeventiende eeuw.

Aan het einde van de zestiende eeuw bestaat de Portugese adel uit drie categorieën. Een onderscheid dat tot in de achttiende eeuw zal blijven bestaan. Aan de top staat de hofadel of noblesse d’epée. Uit deze categorie worden gerecruteerd: dragers van een hoog ambt in het landsbestuur en militaire commandanten van het leger en de vloot. Na deze grandes, zoals zij onder Spaanse invloed worden genoemd, komt de noblesse de robe. Hiertoe behoren: leden van de rechterlijke macht, hoogleraren en de meeste hogere ambtenaren. De laagste adellijke klasse is die van de landadel, de fidalgos. Zij die hiertoe behoren, leven op hun landgoed, hebben zelden een aandeel in structurele veranderingen en zijn verarmd door de prijsinflatie. Het aantal grandes, wier toelagen (tenças) door de Kroon worden aangepast aan de inflatie, is van 25 in 1550 gestegen naar 69 in 1640. De Habsburgers hebben in hun ogen verdienstelijke personen bedacht met een adellijke titel, om hun trouw te kopen en om het reservoir waaruit geput kan worden bij benoemingen te vergroten. De Portugese grandes zijn minder talrijk en minder rijk dan die in Castilië. De hertog van Bragança, de rijkste grande van het land, met een jaarinkomen van 120.000 dukaten, wordt qua inkomen overtroffen door de Castiliaanse hertogen van Medina Sidonia (160.000 dukaten), Medina Rioseco, Lerma en Ossuna. Omdat er na 1580 geen koninklijk hof in Portugal bestaat en zij er niet voor voelen naar het hof in Madrid te verhuizen, trekken veel edelen die behoren tot de noblesse de robe zich terug op hun bezitting op het platteland. Het resultaat van deze ontwikkeling is dat na het herwinnen van de onafhankelijkheid, de versterking van het centrale gezag een prioriteit van de nieuwe regering zal zijn.

Evenals voorheen, zijn adel en geestelijkheid aan de top niet goed gescheiden; de overgrote meerderheid van de bisschoppen en abten is afkomstig uit een beperkt aantal adellijke geslachten, zoal Menesses, de Noronhas, de Melos en de Pereiras en alle inquisiteurs-generaal zijn edellieden. Van 1550 tot 1670 zijn van de 135 benoemde bisschoppen er 115 van adel. Vanaf 1564 is de accumulatie van kerkelijke ambten verboden, waardoor bisschoppen in hun diocees en priesters in hun parochie moeten wonen. Naast de priesteropleidingen aan de universiteiten van Coimbra en Lissabon, worden er, verdeeld over het land, zeven seminaries gesticht.

Ten tijde van de vereniging met Spanje verandert de rangorde van de bisdommen. Het inkomen van het in 1540 gestichte aartsbisdom Évora is het hoogst. Braga is het armst en Lissabon en Coimbra strijden om de tweede plaats. Ook bij de gewone bisdommen doen zich verschuivingen voor: Guarda rukt in 1632 op van een van de laatste naar de vijfde plaats; Lamego valt terug van de vijfde naar de negende plaats. De kathedralen van Miranda do Douro en van de Algarve worden belangrijker, terwijl die van Viseu, Porto en Portalegre terrein verliezen. Helemaal onderaan komen Funchal en Angra op de Azoren. De inkomsten van de bisdommen in Castilië zijn veel hoger dan die van de Portugese bisdommen: de aartsbisschop van Toledo ontvangt vijfmaal zoveel als zijn collega van Évora en de gemiddelde Castiliaanse bisschop toucheert viermaal zoveel als zijn Portugese ambtgenoot.

De religieuze opleving die het gevolg is van de Contrareformatie, doet veel zoons en dochters voor een religieus leven kiezen, wat tot de stichting van veel nieuwe kloosters leidt. Het gevolg hiervan is dat de beroepsbevolking en de inkomsten van de kroon dalen. Tussen 1550 en 1668 worden er 166 kloosters gesticht; het meest van de franciscanen, jezuïeten karmelieten en arrábidos. In 1630 wordt het totale aantal kloosters geschat op 450, met een bevolking van 4.200 monniken en 3.200 nonnen. Meer dan eenderde is van de franciscanen; zij worden op grote afstand gevolgd door cisterciënzers, dominicanen, jezuïeten, benedictijnen en augustijnen. In 1652 is, ondanks de stichting van nieuwe kloosters, het totaalbeeld nauwelijks veranderd. In de tussentijd zijn verschillende orden gesticht. De hervormingen die in Spanje zijn geïnitieerd door Santa Teresa de Avila en San Juan de la Cruz leiden tot de geboorte van een nieuw tak van de karmelieten, de ongeschoeide karmelieten. Zij komen in 1581 naar Portugal. Pas in 1587 arriveren de eerste kartuizers in het land, maar zij worden niet erg populair. De hospitaalridders van São João de Deus, een Portugese heilige, stichten verschillende ziekenhuizen. De grootste en belangrijkste orde uit de late zestiende en de zeventiende eeuw is, zoals uit het voorgaande is gebleken, de orde van de jezuïeten, of Societas Jesu.iii In juni 1540 arriveren de eerste twee jezuïeten, Francisco Xavier en Simão Rodrigues, in Portugal. Dom João III ontvangt hen met grote geestdrift, omdat hij Diogo de Gouveia hun deugden heeft horen roemen. De jezuïeten komen net op tijd om Dom Frei Bartolomeu dos Mátires o.p., aartsbisschop van Braga en lid van het Concilie van Trente, behulpzaam te zijn in zijn pogingen de kwaliteit van het religieuze leven in het land te verbeteren door de discipline onder de clerus te versterken. De twee jezuïeten, die spoedig gevolgd worden door een aantal medebroeders, brengen de meeste tijd door aan het hof, als zielzorgers van de koninklijke familie en leden van de hofhouding en zij leggen ook contacten met de vele edelen en hooggeplaatste functionarissen die het hof bezoeken. De jezuïeten prediken ook op pleinen en in straten van Lissabon en zij nemen de zielzorg op zich van patiënten in het grootste ziekenhuis van de stad en van gevangenen.

De Koninklijke Raad bediscussieert het denkbeeld de energie en het enthousiasme van de leden van de nieuwe orde in te zetten in de missie, een gedachte die ook sterk leeft aan het Spaanse hof. Xavier en Rodrigues willen eigenlijk ook zelf zo spoedig mogelijk naar Indië vertrekken. Kardinaal Henrique is hiervan een voorstander, maar João III wil de jezuïeten liever in Portugal houden. Er wordt een compromis gevonden: Xavier mag naar Indië vertrekken, wat hij in april 1541 ook doet, mits Rodrigues in Portugal blijft. João III stelt hem in 1543 aan als privéleraar van zijn zoon, João. Als gevolg van de goede naam die de jezuïeten zich verwerven en koninklijke begunstiging die zij genieten, neemt het aantal volgelingen sterk toe. De toeloop is zo groot dat Simão Rodrigues in 1546 slechts 13 van de 53 aspirant-jezuïeten die zich aanmelden, aanneemt.

Inquisiteur-generaal, kardinaal Henrique, staat erop dat er een onderzoek wordt ingesteld naar de mate van orthodoxie van de jezuïeten, de orde wordt van alle blaam gezuiverd en de kardinaal trekt daarna een jezuïet aan als zijn biechtvader. In die tijd is Henrique gepikeerd door de mislukking van wat hij beschouwt als een werkelijke inquisitie en Ignatius intervenieert in Rome ten bate van de Portugese inquisitie, wat in 1547 zal leiden tot de bul Meditatio cordis.

In 1552 mag de Societas Jesu de gebouwen van het oude klooster van Santo Antão in Coimbra betrekken. Zij stichten daarin hun eerste college annex studentenhuis, waarin gratis onderwijs wordt gegeven aan toekomstige jezuïeten en aan anderen, ongeacht de sociale klasse waaruit de studenten voortkomen. Simão Rodrigues en veel andere jezuïeten doceren ook aan de Universiteit van Coimbra, die zij vanaf 1555 gaan leiden, zonder ooit de volledige zeggenschap over de Universiteit te krijgen.

Henrique wordt langzamerhand een groot aanhanger van de jezuïeten en hij nodigt hen uit in zijn aartsbisdom Évora een door hen te leiden college te stichten. Simão Rodrigues neemt de uitdaging aan en loopt met negen medebroeders van Coimbra naar Évora, waarbij zij met bedelen aan de kost komen. De tien jezuïeten openen eind 1551 het Colégio Espírito Santo in Évora. In 1554 zullen daar al 300 studenten studeren. In 1558 zal kardinaal Henrique paus Paulus IV vragen de nieuwe instelling de status te geven van universiteit.De paus zal aan deze wens tegemoet komen en op 1 november 1559 zal het college de gevraagde status verwerven, onder formele supervisie van de jezuïeten. De eerste rector is Melchior Carneiro, die later bisschop van Ethiopië zal worden.

In 1553 stelt João III vijf andere gebouwen voor de orde in Lissabon beschikbaar. In 1552 is het aantal jezuïeten in Portugal opgelopen tot 318 en in 1554 studeren al 600 studenten op het door hen geleide college in de hoofdstad. Om de discipline onder de studenten te vergroten wordt strenger geselecteerd; eenderde tot de helft van de studenten valt af. De strenge selectie leidt ertoe dat het aantal leden van de orde in de jaren vijftig nog maar langzaam stijgt; in acht jaar met niet meer dan 42 tot 350 in 1560. Spoedig daarna worden de jezuïeten verantwoordelijk voor drie colleges in het noorden van het land. Francisco Borgiaiv, provinciaal-overste in Portugal, bewerkstelligt de stichting van het Colégio de São Lourenço in Porto, dat zijn deuren opent op 10 augustusv 1560; in Braga wordt een bestaand college, het Colégio de São Paulo, op verzoek van aartsbisschop Bartolomeu Mártires, in 1561 overgenomen door de jezuïeten in Braga. Het derde nieuwe jezuïetencollege in het afgelegen Bragança, opent in 1562 zijn poorten en telt na zes jaar al 330 studenten.

In 1600 zullen zij over 20 vestigingen en 600 leden beschikken en leiden zij noviciaten, ziekenhuizen, krankzinnigengestichten, scholen en seminaries. Hun priesters zwermen uit over heel Portugal en zijn imperium en behoren tot de populairsten van allen. Hun invloed neemt bij de heersende klassen toe, opdat zij optreden als biechtvaders, kapelaans, adviseurs enzovoorts. Hun invloed vormt een uitdaging voor andere religieuze orden en maakt hen tot voorwerp van afgunst en aanvallen. De jezuïeten scheppen een eigen perfecte methode voor beoefening van spiritualiteit en haar leden worden bijzonder goed opgeleid. Hun hoofddoel is de jeugd en zij slagen erin bijna het gehele onderwijs in Portugal in handen te krijgen. In de komende twee eeuwen zullen de jezuïeten de sterkst denkbare invloed op het onderwijs hebben. Zij steken hun energie ook in aanvallen op ketters en joden. Zij zullen bijna een eeuw lang partners zijn van de inquisitie in een soort ‘verenigd front’ met de seculiere geestelijkheid en zij weten de koning en de onderkoning in Indië naar hun hand te zetten. Naarmate de macht van de jezuïeten en die van de inquisitie toeneemt, weten beide instituties de maatschappij meer en meer te beïnvloeden. Na de jaren twintig van de zeventiende eeuw ontstaan er in de maatschappij vooralsnog geheime krachten die zich keren tegen de jezuïeten en de inquisitie. In 1640 kiezen de jezuïeten voor de onafhankelijkheid van Portugal en zij zullen tot de trouwste volgelingen van de hertog van Bragança behoren als die als João IV de troon heeft bestegen.

Vanaf het midden van de zestiende eeuw valt in Portugal en elders de tendentie te bespeuren dat het aantal handelshuizen vermindert, maar dat de omzetten van de overblijvende firma’s stijgen. Er is dus sprake van de concentratie van kapitaal. De schattingen voor Lissabon voor de jaren 1565 en 1619-1620 zijn daarvan een duidelijk bewijs. De gedwongen ‘leningen’ van 1626 en 1631 tonen aan hoe klein de groep zakenlieden is geworden in vergelijking met 1552. Aan de andere kant is hun economische kracht aanzienlijk gestegen.

Zoals eerder is opgemerkt is het vereniging van Portugal met Spanje gunstig voor de Portugese bourgeoisie. De regering in Madrid is zich veel meer bewust van het belang van een middenklasse, want als de overheid aanzienlijke sommen gelds nodig heeft, dan zijn het alleen de zakenlieden die dat kunnen uitlenen. Het zijn ook welgestelde cristãos novos die de overheid geld lenen, maar velen maken van de geboden gelegenheid gebruik om het land voorgoed te verlaten.

Na de grote bestuurlijke hervormingen aan het begin van de zestiende eeuw, is er een lange periode van staatkundige rust gevolgd, die nog voortduurt onder de koningen Sebastião en Henrique. Het enige belangrijke dat voor de vereniging met Spanje is bereikt, is het besluit van 1570, waarbij twee reizende rechtbanken in het leven werden geroepen, een voor de Alentejo en de Algarve en de ander voor de rest van het land. Beide rechtbanken zijn uitgerust met een groep vaste ambtenaren en magistraten. De bedoeling is te voorzien in een beter rechtssysteem voor de bevolking.

Het bestuur van de Habsburgse koningen daarentegen brengt veel substantiële hervormingen met zich mee, die vaak eeuwen worden gehandhaafd. Portugal profiteert van het hoogst geavanceerde Spaanse bureaucratische patroon, doordat zijn bestuursmethoden min of meer worden aangepast aan wat in Spanje gebruikelijk is. Ook de rechtspraak profiteert van verschillende verbeteringen. In 1582 wordt het in 1570 opgezette systeem ingrijpend gewijzigd: een van de belangrijkste tribunalen, de Casa do Civiel, wordt voor onbepaalde tijd overgebracht naar Porto. De instelling wordt geheel gereorganiseerd en ontvangt de naam, Relação da Casa do Porto. Tezelfdertijd wordt in Lissabon een ander tribunaal, de Casa de Suplicação geïnstalleerd, in plaats van de reizende rechtbank. Een nieuwe regeling maakt van de Casa de Suplicação een appèlrechtbank voor heel het land, maar voor Zuid-Portugal, Madeira en de Azoren behandelt het hof zaken in eerste aanleg. Andere wetten, van 1582 en 1592, veranderen de regelingen voor desembargadores (hoge magistraten) en corregadores, waarbij hun competenties en het gebied waarin ieder werkzaam is, zijn vastgelegd.

Voor het douanekantoor in Lissabon wordt in 1587 een moderne regeling (foral) ontworpen en in 1592 wordt een nieuw hof voor economische aangelegenheden ingesteld. Dit Tribunal do Consultado, waarin kooplieden en juristen zitting hebben, behandelt geschillen tussen kooplieden, problemen over het wisselen van geld en andere zaken van economisch belang. Aan het tribunaal zijn veel ambtenaren verbonden en er wordt een speciale belasting ingevoerd om de instelling te bekostigen. In 1602 heft Philips III het tribunaal op, onder het voorwendsel dat het nutteloos is, terwijl hij de opbrengst van de speciale belasting behoudt. Het tribunaal bekend als Mesa da Consciência e Ordensvi ontvangt in 1607 een nieuw en beter statuut. Het centrale bureau voor openbare financiën, de Casa dos Contos, ondergaat in 1633 ingrijpende veranderingen. Andere nieuwe wetgeving heeft betrekking op herverkiezing van rechters, de hervorming van het secretariaat van de staat en dergelijke.

Er worden wettelijke inspanningen verricht om de zaken in de metropool Lissabon beter te doen verlopen. Onder Sebastião’s regering is er al een nieuwe regeling voor het bestuur van de stad ingevoerd. Onder Philips II en Philips III gaat het om zaken als de toevoer van water, gezondheidszorg en de politie. De wetten van 1605 en 1608 verdelen de stad in bestuurlijke eenheden en reorganiseren de stedelijke politie. Andere maatregelen hebben betrekking op bestrating, drainage en dergelijke.

Over het algemeen maakt Portugal ten tijde van Philips II (I) een verarmde en matte indruk. Dit is echter niet geheel te wijten aan de Spaanse bezetting. Sinds de tijd van Dom Manuel is het meer en meer gewoonte geworden bij vererving te bepalen dat landgoederen niet vervreemd mogen worden. Het gevolg hiervan is dat veel oudere zonen, die hun fortuin hebben verdeeld of uitgegeven, grote landerijen bezitten die zij niet kunnen verkopen, terwijl het hun aan middelen ontbreekt de grond te verbeteren. Gepoogd wordt het aantal processen over de onvervreembaarheid van de grond te beperken, en het wordt gezinnen mogelijk gemaakt voorzorgsmaatregelen te treffen om de toekomst voor jongere zonen veilig te stellen. Tenslotte wordt de corregadores opgedragen erop toe te zien dat braakliggend land wordt gebruikt. Al deze maatregelen leiden niet tot een merkbare verbetering van de situatie.

Na de invoering van de Ordenações Manuelinas in de jaren 1512-1521, zijn er veel belangrijke wetten verschenen. Kardinaal-regent Dom Henrique verordonneert de publicatie daarvan in een lijvig boekwerk, samengesteld door Duarte Nunes do Leão. Deze Collecião de Leis extravagantes verschijnt in 1569. Van 1569 tot 1580 verschijnt ook veel nieuwe wetgeving, met het gevolg dat Philips II systematische manier van regeren leidt tot een nieuwe codificatie van alle wetgeving van 1512 tot 1595, volgens een nieuw schematiseringsplan en veranderingen in de procedures van rechtsvordering. Deze nieuwe codificatie van de wetgeving, die de belangrijkste hervorming onder de Spaanse koningen, is bekend als de Ordenações Filipinas. De nieuwe Ordenações zijn klaar in 1595, maar zij worden gepubliceerd in 1603, na het overlijden van Philips II.

Uit de Ordenações Filipinas, blijkt dat de overheid de landbouw en de boeren wil beschermen door de lasten die op de boeren drukken te verminderen. Er worden pogingen ondernomen om het jagen, nog steeds de favoriete bezigheid van de adel, onder controle te brengen en de heerlijke rechten te beperken, om te voorkomen dat landbouwwerktuigen worden verpand of geconfisqueerd. Ook wordt het dorpsraden mogelijk gemaakt geschillen te beslechten, waardoor het hof wordt ontlast. Auteurs over deze periode wijzen vaak op de ontvolking van het platteland en op veel braakliggende grond. Een eeuw lang hebben de stad, de zee, het leger en de kerk mensen aangetrokken die mitsdien hun geboortegrond hebben verlaten en tijdens het grootste deel van de eeuw is het land verplicht geweest granen en andere belangrijke voedingsmiddelen te importeren.

Aan het einde van de zestiende en in het begin van de zeventiende eeuw komt het regeren met behulp van adviesraden in zwang, ofschoon er altijd raadgevers zijn geweest, naar wie de koning luisterde als dat nodig was. Deze raden zijn kleine lichamen, die bestaan uit meer of minder competente lieden, gekozen uit de rangen van de adel, de geestelijkheid en de ambtenarij. Zij adviseren de koning en zijn ministers over zaken van belang. Later, na het herstel van de onafhankelijkheid, beperken en controleren zij de koninklijke macht, waarbij zij dikwijls zelf een machtsfactor worden. In 1563 installeert kardinaal-regent Dom Henrique de Conselho de Estado, met duidelijke taken en statuten die zes jaren onveranderd zullen blijven. De Conselho de Estado wordt gevolgd door de Conselho da Fazenda, welke raad Philips II instelt op basis van het Regimento da Fazenda van 1591 die een geheel nieuwe regelgeving voor de openbare financiën inhoudt; het ambt van vedor da fazenda wordt afgeschaft en in plaats daarvan is de nieuwe adviesraad ingesteld. Dezelfde vorst had, toen hij in 1583 van Lissabon terugreisde naar Madrid, de Conselho de Portugal gesticht, om hem te assisteren in alle zaken betreffende het nieuw verworven koninkrijk. De Raad heeft een secretariaat, dat in 1602 in vieren wordt gesplitst, in 1607 wordt samengevoegd tot twee, om tenslotte in 1631 uit te komen op drie. In 1640 houdt de Raad op te bestaan. In 1604 is de Conselho da India in het leven geroepen, maar tien jaren later wordt deze Raad ontbonden, als hij in conflict is geraakt met andere bestuursorganen.

De uitvoerende macht ondergaat ook enige belangrijke wijzigingen. De functie van escrivão da puridade verdwijnt onder Sebastião; zijn secretariaat wordt in drieën opgedeeld. Het Spaanse bestuur beperkt deze tot twee stuks: het Secretariaat van de Staat en dat van Mercés (liefdadigheid). Hiernaast is er in Madrid nog het secretariaat van de Conselho de Portugal. Voor de opper kanselier, de chancelor-mór wordt in de periode 1589-1595 een geheel nieuwe regeling gegeven.

In de beschouwde periode vermindert de rol van de Cortes sterk. Dit is geen nieuwe ontwikkeling, maar een continuering van de al eerder zichtbare trend naar centralisatie van de macht bij de koning. Er zijn zittingen van de Cortes in de jaren 1562-’63, 1579 en 1580, maar alleen de eerste is een traditionele zitting; in 1579 en 1580 is de Cortes in bijzondere zitting bijeen geroepen om te adviseren over de opvolgingskwestie. Philips II vindt het nodig de Cortes een zekere schijnmacht te geven, om onder de bevolking aanhang te verwerven. Hij roept de Cortes tweemaal, in 1581 en in 1583, in vergadering bijeen. Als zijn zoon, Philips III in 1619 Lissabon bezoekt, wordt de Cortes weer bijeengeroepen, maar dat is meer om Philips III een welkom te bereiden, dan dat men een serieuze agenda afwerkt.

De universiteit ondergaat geen grote veranderingen, afgezien daarvan dat de instelling in 1576 onder toezicht wordt geplaatst van de Mesa da Consciência e Ordens. De universiteit wordt dus een staatsinstelling. Ondanks zes statutenwijzigingen tussen 1559 en 1612, blijft de structuur in grote lijnen onveranderd tot in de achttiende eeuw De statuten van 1612, die in 1653 door Dom João IV worden bevestigd zullen meer dan honderd jaar geen wijzigingen ondergaan. Bepaald is dat de Universiteit van Coimbra vier Faculdades omvat: Theologie, Canoniek Recht, Rechten en Medicijnen. Daarnaast zijn er zeven Escolas menores voor het onderwijs in Wiskunde, Muziek, Kunsten, Hebreeuws, Grieks en Latijn en elementaire zaken als lezen, schrijven en rekenen. Bijgevolg kent de Universiteit twee studieniveaus, hoger onderwijs en middelbaar onderwijs en zelfs primair onderwijs. Een student kan zijn hele opleiding, vanaf zijn kindertijd totdat hij volwassen is aan de Universiteit volgen.

Het monopolie op hoger onderwijs van Coimbra wordt bedreigd door de jezuïeten, die streven naar de controle op de opvoeding, aan welk streven de Universiteit van Coimbra sterk weerstand biedt. In 1559 slagen de jezuïeten erin hun eigen universiteit te krijgen, als op 1 november van dat jaar hun Colégio Espírito Santo in Évora, dankzij kardinaal Henrique door paus Paulus IV als universiteit wordt erkend. Negen jaar later geeft de paus de jezuïeten de controle over het college; waarover de generaal van de Societas Jesu de volledige jurisdictie krijgt. Maar de Universiteit van Évora is veel kleiner dan die van Coimbra en men kan er slechts de volgende vakken studeren: Theologie, Kunsten, Bijbelwetenschappen, Latijn en Casuïstiek, ook kan er middelbaar onderwijs worden gevolgd, evenals elementaire cursussen. Om hun invloed in het hoger onderwijs te vergroten, bepleiten de jezuïeten dat een student slechts toegang heeft tot de Faculdades van Canoniek Recht en Rechten als hij in het bezit is van een diploma van Colégio das Artes waarvan zij de leiding hebben. In 1561 krijgen zij hun zin.

De geschiedenis van het Colégio das Artes is treurig. Het is gestart als een humanistische school, met een zeer complex curriculum en een excellente groep docenten, onder wie veel buitenlanders. Het wordt al snel duidelijk dat zulk een school kan uitgroeien tot een centrum van vrijdenkerij, een bedreiging voor de eenheid van het geloof en voor de nieuwe religieuze en culturele politiek van de koning João III. De pas gecreëerde inquisitie ontdekt in het Colégio das Artes een goed slachtoffer voor haar ijver. Diverse docenten worden gearresteerd en berecht. Onder hen bevinden zich de Schotse humanist George Buchanan en Portugese geleerde Diogo de Teive. Beschuldigingen van de misdaad homoseksualiteit en andere immorele daden dienen als verdere voorwendsels. Na vijf jaren van aanvallen, is het Colégio das Artes bevrijd van zijn beste en gevaarlijkste elementen en wordt het een gedwee instrument in de Contrareformatie. Dom João III zet zijn nieuwe politiek voort door het Colégio das Artes in 1555 toe te vertrouwen aan de jezuïeten, die het verenigen met het door hen in de gebouwen van het klooster Santo Antão gestichte college.

De jezuïeten trachten de opvoeding op elk niveau te controleren, wat natuurlijk verzet bij velen oproept, de Universiteit van Coimbra niet uitgezonderd. De andere religieuze orden, in het bijzonder de augustijnen en de dominicanen, die zich ook in hoge mate met de opvoeding bezighouden en die bovendien zeer invloedrijk zijn, reageren heftig, maar tevergeefs. In 1560 tracht de hertog van Bragança, Teodósio, een derde universiteit te stichten in Vila Viçosa, in Alentejo, waar zich zijn hof bevindt, en deze te plaatsen onder het beheer van de augustijnen. Zijn overlijden kort daarna verhindert de uitvoering van het plan. In 1562 protesteert de Cortes al tegen het groeiende aantal en de toenemende invloed van de jezuïeten en tegen hun overname van het Colégio das Artes, maar tevergeefs. De jezuïeten, de inquisitie en de Kroon zijn in die tijd sterk verenigd tegen ketterij, culturele nieuwlichterij en afwijkingen van de politiek van het Concilie van Trente. In het hele land wordt een groot aantal docenten vervolgd, gearresteerd, veroordeeld of gedwongen hun ambt op te geven. Er worden maar enige vernieuwingen in het onderwijs en leerproces aanvaard. Universiteiten en colleges worden zeer starre instellingen, die vasthouden aan de scholastische methodologie en die geen verbeteringen te zien geven in hun commentaren op de oude meesters. Zij laten zich niet beïnvloeden door welke wetenschappelijke vooruitgang ook, zij verwerpen de culturele vooruitgang waarvan elders sprake is en zijn een eeuw lang een voorbeeld van nutteloosheid en dogmatisme. Vruchtbare en progressieve wetenschap is alleen te vinden bij eenvoudige pragmatici als zeelieden, kolonisten overzee, reizigers en buitenlanders.

Enige artsen, bijvoorbeeld Amato Lusitano (1511-1568) leveren een bijdrage aan de medische vooruitgang, terwijl een belangrijke groep botanici en zoölogen wordt opgeleid in Azië, Afrika en Amerika. García da Horta (1501-1568), die werkzaam is in Indië, brengt plantkunde met medicijnen en farmacologie in verband waarmee hij de basis legt voor de tropische geneeskunde. Pedro Nunes (1502-1578) gaat dapper voort en perfectioneert de traditie van wetenschappelijke zeevaart, astronomie en mathematiek. Het gaat echter maar om weinigen en hun experimenten leiden niet tot een echte systematische wetenschappelijke attitude. Bovendien behoren deze lieden allemaal tot een generatie die rond het midden van de zestiende eeuw leeft en hun opvolgers zijn middelmatig en niet talrijk. Er is slechts één uitzondering, Francisco Sanches (1551-1623), een voorloper van Descartes voor wat betreft diens beroemde methode van twijfel. (Tractatus de multum nobili et prima universali scientia quod nihil scitur; een verhandeling over de zeer nobele en zeer universele wetenschap van Necience, 1581). Maar Sanches, die werkzaam is geweest aan verschillende universiteiten, heeft het grootste deel van zijn leven in Frankrijk gewoond.

Binnen het universitaire leven, worden de enige voorbeelden van vooruitgang op wetenschappelijk gebied gevonden op het terrein van de filosofie. In Coimbra is en school van commentatoren op Aristoteles ontstaan, de Conimbricenses de befaamde groep die zal voortbouwen op de middeleeuwse studies over Aristoteles en zal een eeuw bloeien. Het Colégio das Artes publiceert tussen 1592 en 1606, onder leiding van Pedro da Fonseca (1582-1599), acht delen van commentaren op Aristoteles (Commentarii Collegii Conimbricensis Societatis Iesu) Pedro da Fonseca, die ook doceert in Évora, schrijft diverse boeken over soortgelijke onderwerpen, waarvan zijn Institutionum Dialecticarum Libri Octo, een soort leerboek, van 1564 tot 1625 niet minder dan 34 edities in heel Europa beleeft. Al deze werken hebben een geweldige invloed in Portugal en daar buiten, met vele edities in Frankrijk, Duitsland en Italië en zij worden geprezen door geleerden als Descartes en Leibniz.

In Évora is de grote man de filosoof Luis de Molina (1535-1600). Hij is Spanjaard van geboorte, maar woont, werkt en schrijft het grootste deel van zijn leven in Portugal. Molina’s De Concordantia liberi arbitrii cum gratiae donis, divina prescientia et providentia (1588) lokt een levendige internationale polemiek uit over de mogelijkeverzoening van het leerstuk van de vrije wil met dat van de predestinatie. Het Molinisme, een filosofische doctrine afgeleid van Molina’s geschriften, heeft in de zeventiende en achttiende eeuw een grote invloed op de theologische en filosofische wereld.

Er is niet alleen sprake van controle van Kerk en Staat op cultuuruitingen via universiteiten en colleges. De invoering en organisatie van de censuur is een andere en meer effectieve wijze. Sinds de jaren twintig van de zestiende eeuw bestaat er koninklijke controle op de pers, maar deze is vaag en onnauwkeurig. De privileges verleend aan drukkers dienen als een middel van toezicht op de voortbrenging van boeken. Van echte censuur is pas sprake na de oprichting van de inquisitie Vanaf 1540 wordt een zeker aantal criteria opgesteld, aan de hand waarvan boekhandels periodiek worden geïnspecteerd door geestelijken. Hetzelfde gebeurt met schepen komende uit het buitenland. De criteria worden geleidelijk aan knellender naarmate de inquisitie sterker wordt en meer en meer doordringt in alle aspecten van het dagelijks leven. Niet alleen boekhandels, ook particuliere huizen worden bezocht door lieden van de inquisitie, als iemand is gestorven die verondersteld wordt boeken en manuscripten te bezitten.

In 1543 is in Italië de eerste Index van verboden boeken verschenen. Spanje is al in 1546 gevolgd en in Portugal is in 1547 voor het eerst een lijst van livros defesos gepubliceerd. De lijst bevat 160 titels. Vier jaren later wordt er een nieuwe lijst in Portugal van kracht; hierop staan 495 titels, met inbegrip van 13 Portugese en Castiliaanse. Vanaf dat moment zullen tot het midden van de zeventiende eeuw verschillende lijsten van in Portugal verboden boeken verschijnen, waarbij de boeken die in Spanje op de Index staan, de basis vormen van de Portugese lijst en de Heilige Stoel alle over het christendom handelende boeken toetst aan de op het Concilie van Trente genomen besluiten. De Portugese Indices van 1561, 1581 en 1624 tonen niet alleen duidelijk aan welke ontwikkeling de drukpers heeft doorgemaakt, maar zijn ook een bewijs van de toegenomen ijver van de censuur; meer dan 50 titels in het Portugees en Castiliaans in 1561, 94 in 1581 en 330 in 1624; een toename van 88% van 1561 op 1581 en van 251% van 1581 op 1624, oftewel 339% over de gehele periode. Tot de verboden boeken behoren boeken over ketterijen, dan wel boeken die zijn geschreven, vertaald of uitgegeven door een ketter; boeken over wellustige en onnette zaken; boeken over hekserij, astrologie en dergelijke. De formule die de censors later hanteren luidt: alle boeken of gedeelten daarvan die zich richten tegen “ons heilig geloof en de goede zeden.” Tegen het “geloof en de zeden” zijn de geschriften van menig Portugees auteur, bijna alle klassieken van de Portugese literatuur. Schrijvers als Camões, Gil Vicente, Sã de Miranda, António Ferreira, Bernardim Ribeiro, João de Barros en vele anderen zien hun werken verboden of verminkt door de censuur. Verboden boeken worden verbrand in autodafe’s; boeken die niet geheel verboden zijn, dienen door hun bezitters naar de inquisitie te worden gebracht, die de gewraakte gedeelten verwijdert.

De inquisitie heeft niet het monopolie op de boekcensuur. Zowel de bisschoppen als de koning gebruiken hun macht eveneens om de literaire productie te controleren. De koning doet zijn macht gevoelen in het laatste decennium van de zestiende eeuw en de bisschoppen gaan eerst in de zeventiende eeuw censuur uitoefenen. Als een auteur zijn boek wil uitbrengen dan dient hij zijn manuscript eest voor te leggen aan de inquisitie, vervolgens aan zijn bisschop en tenslotte aan de koning. Voordat een boek kan verschijnen is de schrijver soms jaren verder. Vanzelfsprekend is de drievoudige censuur bepaald geen aanmoediging voor schrijvers hun werk te doen uitgeven. Kennelijk reflecteren de boeken die tegen het einde van de zestiende eeuw en in de zeventiende eeuw worden uitgegeven de staat waarin de natie verkeert. Het overgrote deel bestaat uit religieuze titels. Andere soorten zijn juridische studies, dichtbundels, historische werken en reisverhalen. Slechts een zeer klein deel van de boeken is gewijd aan de wetenschap. Tussen 1551 en 1599 worden ruim duizend boeken in Portugal gedrukt, dus twintig boeken per jaar.

Ondanks alle barrières die een bloeiend cultureel leven in de weg staan, is de Portugese wereld in de tweede helft van de zestiende eeuw en de eerste helft van de zeventiende eeuw krachtig genoeg om een aantal meesterwerken voort te brengen. De humanistische opleving brengt haar beste vruchten voort na 1550. Het gaat om werken van mannen die opgegroeid zijn vóór of rond het midden van de eeuw. Luís Camðes (1525?-1580) is de grootste van allen, een dichter van internationale bekendheid, de auteur van het Portugese epische gedicht Os Lusiadas, gepubliceerd in 1572, en van de prachtigste lyrische poëzie. Tot zijn generatie behoren dichters en schrijvers van proza als António Ferreira (1528-1583?), Diogo Bernardes (1530-1605), Heitor Pinto (1528-1583?) en de esthetische en artistieke Francisco de Holanda (1517-1589), vergelijkbaar met het beste dat het zestiende-eeuwse Europa heeft te bieden. Latere generaties brengen ook enige goede auteurs voort, de historicus Diogo de Couto (1542-1615) en Luís de Sousa (1555- 1632) en andere schrijvers van proza, zoals Francisco Rodrigues Lobo (1579?-1621), Francisco Manuel de Melo (1608-1666), António de Chagas (1631-1682) en António Vieira (1608-1697). Maar er is weinig twijfel over dat zowel het aantal als de kwaliteit van de schrijvers (met uitzondering van Vieira) in de zeventiende eeuw enigszins achteruitgaan en dat de opflikkering als gevolg van het herstel van de onafhankelijkheid snel na 1640 is uitgedoofd.

De stijl van de Renaissance, die zo laat naar Portugal is gekomen, heeft zich snel ontwikkeld tot een stijl die wordt aangeduid met de term Maniërisme. Er zijn dan ook maar weinig voorbeelden van een zuivere Renaissancestijl van ná 1550. De nieuwe kathedralen van Leiria, Miranda do Douro en Portalegre, die allen gebouwd zijn in de jaren vijftig, laten een mengvorm tussen Renaissance en Maniërisme zien. De markt van Beja met zijn Italiaanse loggia is een van de weinige voorbeelden van een stijl die zichzelf overleefd heeft. Het Portugese Maniërisme heeft zijn belangrijkste centra in Lissabon, Évora, Coimbra en Porto. Italiaanse en Spaanse meesters zetten de toon en Italiaanse en Spaanse monumenten worden gemakkelijk overal nagebootst. De invloed van de Italiaanse architect Sebastiano Serlio (1475-1554) doordringt ook Portugal in de zestiende en zeventiende eeuw. Een andere Italiaan, Filippo Terzi (1520?-1597), sticht in Lissabon de bekende school voor architectuur en heeft de leiding bij de bouw van verschillende belangrijke monumenten. (São Vicente de Fora). Tot de beste voorbeelden van deze bouwstijl behoren de nieuwe Sé van Coimbra, de Igreja de São Bento in Porto en de Igreja da Graça in Évora.

De opvattingen van de jezuïeten over religie en hun methoden van zieltjes winnen, de aandacht van de mensen te trekken en hun verbeelding te prikkelen, heeft ook gevolgen voor de kunst en dan vooral voor de bouwkunst. De meeste kerken van de jezuïeten (São Roque in Lissabon; Espirito Santo in Évora) hebben nauwelijks zijbeuken en veel zijkapellen zijn gereduceerd tot nissen in de muren. Daardoor lijkt de gehele kerk een grote kamer die de mensen dwingt hun ogen en gedachten te richten op de preekstoel en het altaar. Sterk beïnvloed door de kerk van Gesú in Rome wordt dit soort kerken snel favoriet, ook bij anderen dan jezuïeten. Ook het interieur van kerken is aan veranderingen onderhevig. Veel kerken worden in die tijd voorzien van tegelwerk (azulejos)

Een van de belangrijkste bouwactiviteiten rond het midden van de zestiende eeuw betreft militaire forten in Portugal en in zijn imperium. In 1550 is de uit Óbidos afkomstige engenheiro Inofre de Carvalho benoemd tot mestre dos trabalhos reais. Hij vertrekt nog hetzelfde jaar met de nieuwe onderkoning, Dom Afonso de Noronha, naar Indië, om met name aan de Perzische Golf bestaande forten te verbeteren en nieuwe forten te bouwen. Inofre de Carvalho** is een leerling van Miguel de Arruda, die de militaire bouwmeester van het Império Português, Benedeto da Ravenna, een decennium eerder al behulpzaam is geweest bij de modernisering van de vestingwerken van Ceuta en Mazagão. De Portugese Kroon heeft daarna besloten de belangrijkste verdedigingswerken rond de wereld te moderniseren en daarbij de eenvoudige Italiaanse uitgangspunten voor de bouw van vestingwerken aan te houden. In 1546 zijn tegelijkertijd de forten in Tanger, Diu, Moçambique en São Salvador de Baía onder handen genomen en het proces heeft een hoogtepunt bereikt in 1548, toen Miguel de Arruda werd benoemd tot mestre dos trabalhos de fortificação do reino. De grote bouwmeester laat zich bij de bouw van fortificaties, maar ook van kerken en huizen, bijstaan door een kring van leerlingen, onder wie Inofre de Carvalho. Arruda bouwt in Xabregas, een voorstad van Lissabon, een koninklijk paleis, naar een ontwerp van Michelangelo, en rond 1562 het machtige Fortaleza de São Julião da Barra aan de monding van de Taag, naar het voorbeeld van het Fortezza da Basso in Florence.

Er worden in verschillende plaatsen (Coimbra, Vila do Conde) aquaducten gebouwd, waaruit blijkt dat de aanvoer van water een toenemende zorg is van de regering. Het grote aantal edelen dat in de steden, in het bijzonder in Lissabon, verblijft resulteert in de bouw van vele prachtige huizen en paleizen. Philips II laat in Lissabon een nieuw paleis bouwen. Op het platteland verschijnen meer boerderijen (quintas) en zomerhuizen. Wat de schilderkunst betreft is de grootste naam uit de zestiende eeuw die van Gregório Lopes (1516-1595), maar hij is zeker niet de enige. In Lissabon en in kleine steden en aan de hoven van bisschoppen en edelen floreert de teken- en schilderkunst. In de zeventiende eeuw nemen schilderijen met religieuze voorstellingen in kwaliteit en kwantiteit af; daarentegen bereikt de portretkunst grote hoogten.

i In 1599-1600 maakt de pest alleen al in Castilië 500.000 slachtoffers

ii Sevilla, in die tijd de grootste Spaanse stad, heeft 120.000 inwoners.

iii De stichter van de Sociëteit van Jezus, die zo’n grote rol in de historie van Portugal en zijn overzeese gebieden zal spelen, is Iñigo López de Recaldo (1491-1556), een Navarrees edelman, die in 1521 bij het beleg van Pamplona getroffen wordt door een Franse kanonskogel. Na zijn herstel wijdt hij zich aan geestelijke zaken. Hij gaat in 1528 naar Parijs, waar hij onder meer studeert aan het door Diogo de Gouveia geleide Collège de Sante Barbe, waar hij zich ontpopt als een spiritueel leider. Na in 1532 afstand te hebben gedaan van zijn vroegere leven en zich Iñigo de Loyola (Ignatius van Loyola) is gaan noemen, verzamelen zich zes volgelingen om hem heen, onder wie: Diego Lainez, zijn opvolger, Francisco Xavier, evenals Iñigo stammend uit een adelijk Navarrees geslacht en de beroemste missionaris van de orde, en de Portugese edelman Simão Rodrigues de Azevedo, de stichter van de orde in Portugal. Op weg naar het Heilige Land, wonen Iñigo de Loyola en zijn volgelingen in 1537 in Venetië. Hier sluiten zich meer leerlingen bij hen aan. Door de oorlogssituatie in het oosten van de Middellandse Zee is het onmogelijk naar het Heilige Land te zeilen. Bij een bezoek aan Rome, blijken paus Paulus III (1534-1549) en zijn omgeving zeer onder de indruk te zijn van de scholing van Iñigo de Loyola en zijn volgelingen. Zij worden uit naijver bij de inquisitie aangeklaagd, op beschuldiging Lutherse ketters te zijn. Als zij van alle blaam gezuiverd zijn, geeft de paus, op voorspraak van Donna Constanza Farnese, een onwettige dochter van Paulus III en de invloedrijkste vrouw in Rome, kardinaal Guidiccioni en Dom Pedro Mascarenhas, de Portugese ambassadeur bij de Heilige Stoel, in zijn bul Regimini militantis ecclesiae van 25 september 1540 toestemming tot de oprichting van de Sociëteit (in de naam) van Jezus, waarvan de omvang echter beperkt dient te zijn.

iv Francisco Borgia, oorspronkelijk Francisco Borja y Aragón, duque de Gandia en onderkoning van Catalonië, is de derde generaal van de jezuïeten (1565-1572) geweest. Hij heeft de vrijlating van de door Orde gehouden slaven gelast en is heilig verklaard.

v De feestdag van Sint Laurentius

vi De door João III in 1532 opgerichte rechtbank voor religieuze zaken in Portugal en overzee.

Hoofdstuk 2. Sebastião’s rampspoed in Marokko. 2.0 Inleiding; Portugals positie in Marokko in de jaren 1415-1557

Categorieën
Portugees kolonialisme

De inquisitie. De vereniging van Portugal met Spanje

Deel 13 Index

Hoofdstuk 1.

De vereniging van Portugal met Spanje:

1.3. De inquisitie

Geschreven door Arnold van Wickeren

Omdat het Heilig Officie van de inquisitie al vanaf in 1540 in Portugal actief is, is aan dit onderwerp in deel VIII al uitgebreid aandacht geschonken. Bij wijze van inleiding op de bespreking van de inquisitie kort voor en tijdens de heerschappij van de Habsburgers wordt het daarop betrekking hebben stuk uit deel VIII overgenomen.

Domingo de Guzman, beter bekend als de Heilige Dominicus, sticht in 1215 de orde van de dominicanen of predikheren, die al in 1216 door paus Honorius III wordt goedgekeurd. Dominicus wordt, volgens Pedro Monteiro o.p., auteur van het monumentale werk Geschiedenis van de Portugese inquisitie, door zowel oude als moderne schrijvers beschouwd als de oprichter van de inquisitie en als de eerste inquisiteur. De Portugese inquisiteur António de Sousa ziet in Dominicus de door Innocentius III en Honorius III aangestelde apostolisch inquisiteur, de vader der inquisiteurs, hun voorbeeld en hun norm. De Portugese inquisitie is bij lange na niet het onderwerp geweest van zoveel en zulke complete studies als de Spaanse. Sommige algemene werken vermelden haar zelfs niet. Ze was echter niet minder actief en wreed en ze heeft belangrijke archieven nagelaten, waarvan de inventarisatie in 1979 is ter hand genomen.

Na haar oprichting richt de inquisitie in een groot deel van Europa al snel haar rechtbanken in; Languedoc en Provence, 1233, Navarra 1234, Italië 1235, Aragón en Catalonië 1248. In Portugal hebben de dominicanen al vroeg vaste voet verkregen, maar er worden pas in 1376 inquisiteurs benoemd en die hebben aanvankelijk geen macht.

Spanje is Portugal voorgegaan met de inquisitie. In dat land wordt getwijfeld aan de oprechtheid van tot het christendom bekeerde joden, de zogenaamde ‘nieuwe christenen’. Deze twijfels liggen aan de basis van de Spaanse inquisitie. Op 6 februari 1481 vindt in Andalusië de eerste autodafe (actus fidei) plaats. Nadat de Reyes Católicos 1492 de joden uit Spanje verdreven hebben, richt de Spaanse inquisitie zich vooral tegen personen met joods bloed. Dit blijkt duidelijk als op 25 juli 1547 in Toledo het definitieve statuut is uitgevaardigd over de limpieza de sangre, ‘zuiverheid van het bloed’. Eerst is dit statuut controversieel, maar het wordt goedgekeurd door paus Paulus IV (niet door zijn opvolgers) en door Filips II. Vanaf dat moment is het voor mensen met joods bloed onmogelijk openbare functies te bekleden. Het is de inquisitie die commissarissen benoemt, die de verlangde ‘zuiverheid’ nagaat.

De verdrijving van de joden uit Spanje in 1492 heeft in Portugal tot een belangrijke aanwas van de joodse bevolking geleid. Hoewel joden en conversos aanvankelijk door koning Manuel zijn verwelkomd, hebben er vanaf 1497 gedwongen bekeringen plaatsgevonden en in 1506 is er tijdens een pestepidemie in Lissabon een pogrom uitgebroken. De joden zijn niet populair in Portugal en zij krijgen overal de schuld van, of het nu misoogsten, miskramen of epidemieën betreft. De pogrom is op last van de koning beteugeld, en de aanstichters, onder wie twee paters dominicanen, zijn ter dood veroordeeld en daarna zijn tolerantiemaatregelen afgekondigd. Koning Manuel heeft paus Leo X in 1515 om de instelling van de inquisitie verzocht, omdat hij, in navolging van de Spaanse kroon, de beschikking wilde hebben over deze rechtbank, als wapen om nog meer macht in handen van de koning te kunnen centraliseren. In die tijd vormden protestanten, noch joden een serieuze bedreiging voor de religieuze eenheid van het land. Protestanten zijn er nauwelijks; hoewel veel Portugezen door intensieve contacten met de wereld van de Hanze veelvuldig in aanraking komen met het lutheranisme, slaat de Reformatie in Portugal niet aan. Oliveira Marques verklaart dit uit de omstandigheid dat er op de Portugese geestelijkheid ten tijde van de Reformatie niet meer aan te merken is dan voorheen. Misbruik en accumulatie van kerkelijke ambten komt voor, maar niet in die mate dat de bevolking daartegen in het geweer komt. Portugezen voelen zich bovendien verbonden met de Latijnse traditie en zij moeten, net zo min als Spanjaarden en Italianen, veel hebben van, aan de Reformatie inherente, vernietiging van heiligenbeelden en versobering van kerkelijke rituelen. En de weinige intellectuelen die zich aangesproken voelen door de ideeën van de Reformatie, laten het wel uit hun hoofd zich, na de instelling van de inquisitie, anders voor te doen dan als vrome katholieken. Veel joden zijn uit het land verdreven of gedwongen bekeerd en het aantal cristãos novos daalt voortdurend door snelle integratie of assimilatie met de ‘oude christenen’. Het tijdvak waarin joden vriendelijk bejegend en niet lastiggevallen werden, loopt echter op zijn einde.

João III, die fanatiek en bekrompen is, heeft in 1526 toegestaan dat veel cristãos novos het land verlaten, om naar de Lage Landen te vertrekken, maar in 1531 vraagt hij paus Clemens VII opnieuw om instelling van de inquisitie in zijn koninkrijk. De Heilige Stoel wijst ook nu het verzoek af, wel inziende dat het vooral bedoeld is voor het verkrijgen van de bezittingen van de ‘nieuwe christenen’. Toch wordt 1531 de bul afgekondigd die invoering van de inquisitie in Portugal mogelijk maakt. De cristãos novos tekenen hiertegen verzet aan bij de paus, die de bul intrekt en een generaal pardon voor alle cristãos novos afkondigt. In juni 1532 verbiedt João III hen Portugal te verlaten en scheepskapiteins is opgedragen geen goud of kostbaarheden van hen te vervoeren en de koning en zijn adviseurs blijven zich inspannen voor de instelling van de inquisitie. Gedurende vele jaren is er sprake van diplomatieke manoeuvres en intriges. De Heilige Stoel weigert Portugal krachtig een rechtbank van de inquisitie te geven en de joden bewerken op de achtergrond beide partijen met steekpenningen om de instelling van de inquisitie te voorkomen, of op zijn minst uit te stellen. Karel V intervenieert in de zaak ten gunste van zijn zwager, de koning van Portugal. De inquisitie wordt uiteindelijk door João III van Rome gekocht, hoewel paus Paulus III nog in oktober 1535 het generale pardon van zijn voorganger vernieuwt, vaardigt hij op 23 mei 1536, op verzoek van João III, een brevei uit waardoor de inquisitie in Portugal een feit wordt. De instelling gaat echter gepaard met grote beperkingen op de vrijheid van handelen van de rechtbank. Ofschoon het een publiek geheim is dat João’s verzoek gericht is tegen de cristãos novos, is het de bescheiden opkomst van het protestantisme in Portugal én een pauswisseling die tot de instelling hebben geleid.

De inquisitie gaat functioneren in zes Portugese steden: Lissabon, Coimbra, Évora, Porto, Lamego en Tomar. De breve bepaalt dat de paus drie en de Portugese koning één inquisiteur aanwijst, hetgeen João niet zint.. Het Heilig Officie van de inquisitie is natuurlijk bovenal een religieuze instelling, waarvan het doel en de procedure als heilig worden beschouwd. Het dient te waken voor de zuiverheid van het katholieke geloof en onderzoeken in te stellen naar ketterij, verzaking van het geloof en het uitvoeren van joodse, mohammedaanse, Lutheraanse of magische riten, biechten en openlijk afzweren zijn vereist in gevallen waarin op vrijdag of zaterdag de sabbat gehouden werd, tijdens de ramadan gevast werd, gebeden werden gezegd nadat de schoenen waren uitgedaan, het gehele lichaam gebaad werd, geweigerd werd varkensvlees of wijn te consumeren, geen waarde werd gehecht aan de hel, het paradijs, de mis, de absolutie, de maagdelijke geboorte of de artikelen van het geloof, of als men anders dan met uitdrukkelijke toestemming een bijbel bezit in het Portugees. Derhalve speurt de inquisitie naar alle uitingen van verdachte theologische, filosofische en zelfs literaire stromingen. Zij vecht ook tegen wat beschouwd wordt als bijgeloof, hekserij, afgodendienst en alle soorten heidense gebruiken. Als rechtbank die zich ook bekommert om de seksuele moraal, bestrijdt zij ook afwijkingen als bigamie, sodomie en bestialiteit. Deze misdaden komen in een klein land als Portugal te weinig voor om de macht, de autonomie en het optreden van de inquisitie te rechtvaardigen en omdat er nauwelijks protestanten en joden zijn, dient de inquisitie in Portugal een permanent doel te vinden om haar eigen bestaan te rechtvaardigen. Zij vindt dat in de cristãos novos, die er collectief van verdacht worden in het geheim joodse gebruiken in ere te houden. Hoewel dit sporadisch voorkomt, zijn de nakomelingen van de meeste cristãos novos trouwe katholieken, wier geloofsbeleving zich in niets onderscheidt van Portugezen van niet-joodse afkomst. Door hen te discrimineren en van ‘judaïsme’ te beschuldigen, creëert de inquisitie een geïsoleerde groep en houdt deze in stand, in plaats van dat zij deze laat opgaan in de bevolking, wat na hun bekering voor de hand zou liggen. De integratie van de cristãos novos wordt dus kunstmatig gestopt en zij zullen nog 200 jaar een voortdurend afnemende afzonderlijke kaste vormen. In 1542 bedraagt hun aantal minder dan 60.000 en in 1604 zal dit tot de helft geslonken zijn. Overigens worden soms bij de inquisitie personen aangeklaagd die in het geheel geen of nauwelijks joods bloed hebben.

De eerste inquisiteur-generaal, de bisschop van Ceuta, maakt geen aanstalten zijn macht te gebruiken en de inquisitie komt tot 1539 niet in actie. João III beoordeelt hem als te mild en zijn werk als onbevredigend. Hij vervangt hem eenvoudigweg door zijn broer Henrique, de 27-jarige aartsbisschop van Évora, die zich zal ontpoppen tot een fanatieke inquisiteur-generaal.

João III geraakt in conflict met de Heilige Stoel. De cristãos novos die steeds strenger worden behandeld, hebben in Rome beschermers en ze oefenden ook invloed uit op de nuntiï die naar Portugal worden gestuurd. Die vallen op door hun omkoopbaarheid en ook de pausen (Paulus III en daarna Julius III) staan niet onverschillig tegenover het aanbod van enorme geldbedragen. De cristãos novos bieden honderdduizenden cruzados aan in ruil voor breves die vrijstelling geven van confiscatie. Als João III hiertegen protesteert, blijkt de Heilige Stoel bereid de breves te herroepen.

Het eerste Portugese autodafe vindt in 1540 in Lissabon plaats. In hetzelfde jaar speelt de komische episode van de valse nuntius Juan Pérez de Saavedra, gewiekst oplichter en impersonator, die na zijn ontmaskering naar de galeien wordt gestuurd, maar aan wie na 19 jaar gratie wordt verleend, “omdat hij vele zaken had gedaan die de godsdienst ten zeerste tot nut strekten.” Er is zelfs – ten onrechte – beweerd dat Saavedra de oprichter van de Portugese inquisitie is geweest.

De inquisitie komt in Portugal over het algemeen aarzelend op gang. Na het eerste autodafe in Lissabon in 1540 zijn er maar enkele tijdens de regering van João III. In Porto, Lamego en Tomar worden de rechtbanken van de inquisitie nog vóór 1547 buiten werking gesteld en in Coimbra functioneert het tribunaal pas vanaf 1567. Alleen in Évora is de inquisitie wel actief. Na het eerste autodafe in 1542 volgen er zes andere in 15 jaar. Deze ongebruikelijke activiteit is het gevolg van het fanatisme van grootinquisiteur Henrique, de aartsbisschop van Évora. In het algemeen kan aanvankelijk noch de geestelijkheid, noch het volk veel enthousiasme voor de nieuwe institutie opbrengen.

Ook de Heilige Stoel is weinig enthousiast over het functioneren van de inquisitie in Portugal. In september 1544 gelast paus Paulus III opschorting van alle vonnissen van de inquisitie, maar zijn breve komt te laat om het grote autodafe in Lissabon, waarbij 19 cristãos novos, onder wie 7 vrouwen, levend worden verbrand, te verhinderen. Koning João III is woedend; hij wijst de nuntius uit, die op zijn beurt de inquisiteurs excommuniceert.

De Heilige Stoel spreekt met twee monden: aan de ene kant verleent paus Paulus III de cristãos novos in 1547 een aflaat, om vervolgens in zijn bul Meditatio cordis, gedateerd 16 juli 1547, de beperkingen, waaraan de inquisitie in Portugal sedert de oprichting in 1536 onderworpen is geweest, op te heffen. Hij verleent het Heilig Officie in Portugal volledige rechtsmacht en de koning volledige zeggenschap over dit tribunaal, maar in 1548 stelt de Heilige Stoel de voorwaarden vast voor hervatting van de inquisitie: volledig gratie voor allen die tot dat moment zijn veroordeeld, geheimhouding van afzweringen en uitstel van het voltrekken van vonnissen. Henrique, inmiddels tot kardinaal verheven, verdedigt schuldbelijdingen in het openbaar en onmiddellijke voltrekking van vonnissen, maar uiteindelijk accepteert hij de pauselijke voorwaarden en aanvaart zijn ambt. Ondertussen zijn eerste slachtoffers al in 1543 in Évora verbrand. Voor Portugal is een nieuwe tijd aangebroken.

Om de willekeur van de Portugese inquisiteurs in te tomen, vaardigt Paulus III in 1549 een breve uit waarin de geheime getuigenissen worden afgeschaft, maar dit wordt nooit in Portugal toegepast. Dit spel zou nog jaren zo doorgaan, “terwijl de weegschaal van de ene naar de andere kant doorsloeg, afhankelijk van de vaten wijn en de geschenken die beide ruziënde partijen in Rome uitdeelden,” zoals I.S. Revah het stelt.

In Portugal is de inquisiteur-generaal weliswaar afgevaardigd door de paus, maar hij is onafhankelijk en kan excommunicaties uitspreken die in principe zijn voorbehouden aan de Heilige Stoel. Niet alleen de koning, maar ook de paus heeft weinig greep op de inquisitie. Madrid, en Lissabon nog meer, zijn erg ver weg van Rome, waardoor tenslotte alle inspanningen om de Iberische inquisities te controleren vergeefs zijn.

De ‘nieuwe christenen,’ verreweg de belangrijkste slachtoffers van de inquisitie, behoren in hoofdzaak tot de middenklasse van kooplieden en kredietverschaffers, die in Portugal (evenals in andere Europese landen) een zekere rol in ’s lands economie spelen. ‘Oude christenen,’ behorend tot de bourgeoisie, en de feodale adel, die zich ook met handelsactiviteiten bezighouden, misgunnen de cristãos novos hun zakelijke successen en de grote arme massa ziet in de cristãos novos de erfgenamen van de gehate joodse woekeraars van weleer. De meerderheid van de bevolking juicht derhalve iedere maatregel toe die de positie van de cristãos novos verzwakt. De bevolking verwelkomt dus ook de vervolging die de inquisitie tegen hen instelt en ze is bepaald niet afkering het Heilig Officie daarbij behulpzaam te zijn. Slechts de kroon, die geld leent van de cristãos novos, een kleine verlichte groep intellectuelen en de financiële kracht van de cristãos novos zelf kan hen bescherming bieden tegen de furie van de inquisitie.

Om de lezer een indruk te geven van de werkwijze van de inquisitie, wordt deze inleiding besloten met een samenvatting van de procesgang en de beschrijving van het autodafe, ontleend aan Frédéric Max.

De procesgang

De arrestatie van een verdachte is bijna altijd het gevolg van aanklachten, spontaan (kwaadwillige buren zijn al voldoende) of door een ‘visitatie’ van de inquisiteurs uitgelokt. Zij hebben een ‘edict van genade’ uitgevaardigd dat de bevolking, op straffe van excommunicatie, drie dagen de tijd geeft zichzelf of een ander te beschuldigen. De promotor fiscal (officier van justitie) schrijft op basis van de aanklacht(en) zijn petitio, zijnde een verzoek tot arrestatie met sekwestratie. De beschuldigde wordt op straat, of thuis aangehouden door twee alguacils (bewakers) enige familiares (meestal lieden van adel die dit ereambt uitoefenen), de gerechtsontvanger en de notaris van sekwestratie, want een arrestatie gaat altijd gepaard met confiscatie van de bezittingen van de gearresteerde, waardoor zijn gezin vaak direct tot de bedelstaf wordt veroordeeld. De veronderstelde ketter, of de van judaïsme verdachte cristão novo en in de achttiende eeuw vooral de van vrijmetselarij beschuldigde, worden opgesloten in een cárcere secreto (geheime gevangenis). De cellen in het Palácio dos Estaus in Lissabon hebben de naam ‘beter’ te zijn dan die te Coimbra of Évora, die om hun smerigheid en stank berucht zijn. Niemand, ook zijn naaste familie niet, verneemt ook maar iets van het lot van de gearresteerde; het heeft er de schijn van dat hij door de aarde is verzwolgen. Kenmerkend is dat hij niet te horen krijgt wie hem waarvan hebben beschuldigd. De ondervragingen door een inquisiteur gaan niet gepaard met het uiten van beschuldigingen, die moeten worden toegegeven, maar de gearresteerde wordt, na ieder verhoor aangeraden zijn geweten te onderzoeken en te ontlasten. De beschuldigde moet zijn hele leven vertellen en grote aandacht wordt besteed aan de personen met wie hij omgang heeft gehad of die hij heeft ontmoet, vooral als het om buitenlanders gaat. Hij wordt op zijn beurt ook aanbrenger, vaak zonder zich hiervan bewust te zijn. Desgevraagd wordt hem een advocaat toegewezen, die hem niet verdedigt (op het verdedigen van ketters staat excommunicatie) maar hem aanspoort te bekennen. De reo (gevangene) wordt alleen opgesloten en wordt overgeleverd aan verveling. Hij mag zelfs de H. Schrift niet lezen noch de mis bijwonen of de sacramenten ontvangen. In sommige gevangenissen, vooral in Portugal, worden zonodig meerdere reos in een cel opgesloten, wat het mogelijk maakte verklikkers in te zetten. Uiteraard wordt de reo, als het vermoeden bestaat dat hij iets achterhoudt, met foltering bedreigd en soms ook daadwerkelijk gefolterd. In Portugal (en Spanje) kent het Heilig Officie drie soorten foltering: de pijnbank (potrô), waarbij het slachtoffer touwen om de armen, onderbenen en dijen worden gebonden, die met een staaf vijf slagen worden aangedraaid. De waterproef (toca) en de polé (katrol), of palei, hierbij wordt het slachtoffer opgehangen aan zijn op de rug gebonden armen, terwijl zijn benen met ketenen of gewichten zijn verzwaard, gevolgd door het plotseling naar beneden laten vallen. In Portugal bleef de foltering in gebruik bij talrijke processen, zoals dat van de toneelschrijver António José da Silva in 1726 en dat van de Franse vrijmetselaar Jean Coustos in 1744. Het schijnt dat niet beoogd werd met de foltermethoden de slachtoffers blijvend letsel te bezorgen, maar zij die niets weten op te biechten, worden toch soms voor het leven verminkt of overlijden tijdens de foltering, maar “dat is natuurlijk niet de schuld van zijn beulen, maar van zijn eigen verstoktheid.” Na verscheidene verhoren, al dan niet gepaard gaande met bekentenissen, spreekt de fiscal zijn requisitoir uit, in stereotiepe ‘strenge en harde’’ bewoordingen, zonder plaats en dag van de delicten te noemen en zonder dat de namen van de getuigen worden prijsgegeven De Inquistie in Portugal schafte deze geheimhouding in 1774 af als “tegenstrijdig met het goddelijke en het natuurrecht.” Als het vonnis is goedgekeurd door een commissie, de Consulta da fe, wordt dit niet aan de betrokkene medegedeeld, waardoor deze niet in beroep kan gaan bij de Suprema, die trouwens vrijwel nooit de vonnissen van lagere rechtbanken van het Heilig Officie vernietigt, in weerwil van het devies Justitia et Misericordia dat op haar banieren prijkt

Het autodafe

Openbare auto da fe’s, zijn grootse met veel ceremonieel gepaard gaande plechtigheden. Daardoor zijn zij een prefiguratie van het Laatste Oordeel. Weken van tevoren trekt een stoet familiares, notarissen en commissarissen van het Heilig Officie door de straten van de stad om het autodafe aan te kondigen. En ruim van tevoren wordt een begin gemaakt met de opbouw van de cadalso, een houten schavot, omgeven door tribunes, met een kansel en een altaar. Het podium dat gereserveerd is voor de autoriteiten, wordt met rood tapijt bedekt en de lessenaar met baldakijn voor de inquisiteur- secretaris van de Secreto is bekleed met karmijnrode zijde. Daags voor het autodafe trekt de Heilige Kruisprocessie door de straten, om een groot kruis op het podium te plaatsen. Eronder prijkt het devies van het Heilig Officie: Exsurge, Domine, et judica causam tuam (Verrijs o Heer en oordeel over uw zaak; psalm LXXIV, 22), samen met het embleem met de twee armen: de ene gewapend met het zwaard en de ander met de olijftak. Bij het vallen van de avond wordt de processie ontbonden, maar de ‘domini canes’ (de honden van de Heer) waken de gehele nacht bij het podium. De volgende ochtend worden de veroordeelden in alle vroegte uit hun cellen gehaald en met een ‘gewijd boetekleed’, het kleed der schande, getooid. Uit de symboliek van de kleuren en tekeningen van hun kleding, sambenitos, (van sacos benitos) en carochas (mijters), kunnen zij enige aanwijzingen krijgen over het lot dat hen te wachten staat. Alle veroordeelden, behalve zij die tot de doodstraf veroordeeld zijn, dragen een kaars. Aan het hoofd schrijdt de notaris van het Heilig Officie, gevolgd door de dragers van de kisten die het gebeente bevatten van degene die in de gevangenis zijn overleden en waarop de beeltenis van de overledene is aangebracht. Dan komen de verschillende soorten veroordeelden, eerst de lichtst gestraften, daarna zwaardere ‘misdadigers’. Als laatsten komen de overgedragenen, met geschilderde vlammen op hun mijter, ten teken dat de brandstapel hen wacht. Zij worden voorafgegaan door een groot kruis, waarvan zij de achterkant zien, ten teken dat zij alle hoop kunnen laten varen, dit in tegenstelling tot degenen die voor het kruis lopen. Aan ridders, allen familiares van de inquisitie, valt de eer te beurt de met fluweel overtrokken en met goudgallons afgezette koffers met doodvonnissen te dragen. Aangekomen bij de cadalso neemt eenieder, volgens strikt protocol, zijn plaats in. De plechtigheid begint met de eedsaflegging, gevolgd door de mis. Een pater dominicaan houdt een lange preek. Deze homilieën worden, vooral in Portugal, vaak uitgegeven ter stichting van de gelovigen. Na het afleggen van de geloofsbelijdenis, volgt een eindeloos lange gedetailleerde voorlezing van de vonnissen. Bij het autodafe van 16 mei 1682 werden acht onschuldigen vrijgesproken, nadat ze in de gevangenis waren overleden; van de 94 veroordeelden werden er vier ter dood veroordeeld. De anderen werden veroordeeld tot boetedoeningen: gebeden, pelgrimstochten, vasten, onderricht in een klooster, of tot de vergonha, de schande om op een ezel door de straten te worden geleid, blootgesteld aan de spot van de menigte, soms gepaard gaande met geseling met 100 tot 200 zweepslagen. Deze straffen vielen vaak samen met verbanning, tot de galeien (meestal voor 5 jaar), tijdelijke of ‘onvergeeflijke’ gevangenisstraf (in de praktijk zelden levenslang). Verbanning betekende verblijf in de Algarve, Brazilië en – het ergste – Angola. Bovendien verloor de veroordeelde zijn of haar gehele bezit. Nadat de rechtbank in de openlucht een copieuze maaltijd had genuttigd, die uren kon duren, werden de godslasteraars en onboetvaardige ketters geketend en gekneveld naar de plaats van de terechtstelling gebracht, tezamen met de kisten met beenderen van overleden ter dood veroordeelden, en overgedragen aan het wereldlijk gezag, dat de executies dient te voltrekken, omdat Heilig Officie zelf geen bloed kan doen vloeien. De overdracht gaat gepaard met een pro forma gratieverzoek: “Wij verzoeken u de veroordeelde welwillend en godvruchtig te behandelen, zonder over te gaan tot zijn terdoodbrenging of het vergieten van zijn bloed.” De lekenrechter die evenwel zou weigeren het vonnis uit te voeren, zou onmiddellijk geëxcommuniceerd en als ketter vervolgd worden. Eenieder begeeft zich vervolgens naar de brandstapel, meestal ergens buiten de stad. Als een ter dood veroordeelde alsnog zijn ketterij afzweert, wordt hij eerst gewurgd, alvorens te worden verbrand; blijft hij halsstarrig dan wordt hij levend verbrand. Bij het autodafe van 16 mei 1682 in Lissabon, begon de beul ermee de gezichten van de veroordeelden eerst te verbranden met een bos brandende takken (de baard scheren) en de takkenbossen waarop ze geketend waren, waren zo hoog geplaatst dat ze er met behulp van de wind bijna twee uur over deden om “eerder levend gebraden dan verbrand” te worden.

Veel van het voorgaande is ontleend aan Prisonniers de l’Inquisition van Frédéric Max, Paris, 1989. Hierna volgt een vrijwel letterlijke vertaling van hetgeen Oliveira Marques over de inquisitie schrijft bij zijn behandeling van het onderhavige tijdvak van de Portugese historie (zie pp. 288-292).

De inquisitie is een zeer gecompliceerd instituut, met ideologische, economische en sociale doelstellingen, die zowel gewetensvol, als gewetenloos worden nagestreefd. Haar werkterrein, gestrengheid en samenhang veranderen in de loop der tijd aanzienlijk. Geschapen door de koning, blijft de inquisitie voor lange tijd onder de directe controle van de koninklijke macht en werkt zij ten dienste daarvan. Kardinaal Henrique, ’s konings broeder, bekleed 40 jaar (1539-1580) het ambt van inquisiteur-generaal: in dezelfde periode is hij tevens ’s lands regent (1562-1568) en tenslotte koning (1578-1580). Kardinaal Albrecht de Austria, gouverneur van Portugal in naam van Philips II (1583-1593), wordt inquisiteur-generaal (1585-1596). Na hem wordt vice-rei Pedro de Castilho, bisschop van Leiria, die Portugal tweemaal geregeerd heeft (1605-1608; 1612-1614) inquisiteur-generaal, een ambt dat hij bekleedt van 1605 tot 1615. Pas daarna worden de inquisitie en de staat definitief van elkaar gescheiden.

Ondertussen is de inquisitie gegroeid en langzamerhand een staat binnen de staat geworden. Haar bureaucratie is de grootste van het land: naast de inquisiteur-generaal, kent het Heilig Officier de Algemene Raad bestaande uit vier afgevaardigden en de vier rechtbanken in Lissabon, Évora, Coimbra en Goa. Ieder daarvan heeft zijn eigen organisatie, met inbegrip van een centraal presidium (Mesa), met drie inquisiteurs, geassisteerd door plaatsvervangers, notarissen, lagere gerechtsdienaren, aanklagende procureurs, juristen, bewaarders, deurwaarders, oppassers, kappers, doktoren, kapelaans, advocaten en huisbewaarders. Naast al deze functionarissen zijn in de zeehavens werkzaam visitadores das naus. De visitador, begeleid wordt door een klerk, een oppasser en een tolk, dient ieder binnengelopen schip te inspecteren op ketterse zaken. Iedere belangrijke stad heeft zijn commissarissen die bevoegd zijn arrestaties te verrichten, beschuldigingen aan te horen, te ondervragen en zo voort. Alles bij elkaar worden honderden mensen door de inquisitie, waarvoor zij werkzaam zijn, betaald.

Naast de werknemers van de inquisitie is er ook een categorie van onbetaalde medewerkers, de al eerder genoemde familiares. Zij behoren tot alle sociale klassen, maar vooral tot de adel en de bourgeoisie. Zij leveren hand- en spandiensten aan de inquisitie, zoals spionage, arrestatie, verklikken en informeren. Voor iemand uit de lagere lagen van de bevolking is het een geweldige sociale promotie om te worden opgenomen in het leger van familiares, wegens de daaraan verbonden privileges, zoals vrijstelling van het betalen van belasting. Voor de adel gaat het om een religieuze eer, en soort onderscheiding. Het aantal familiares schommelt, maar over het algemeen gaat het om meer dan duizend personen. Verspreid over het gehele land, vormen de familiares een politieke groepering, die de inquisitie steunt in haar streven naar macht en naar het doordringen in alle politieke, bestuurlijke en economische organen, op elk niveau. Familiares hebben bijvoorbeeld zitting in de Cortes en in gemeenteraden en zij beïnvloeden de beslissingen die in deze lichamen worden genomen.

De macht die de inquisitie is verleend is enorm en abnormaal. In werkelijkheid is de inquisiteur-generaal afhankelijk van de koning die hem heeft benoemd, maar daarmee is de bemoeienis van de koning afgelopen, omdat slechts de paus de Inquisitor-General kan ontslaan Binnenslands heeft de inquisiteur-generaal dezelfde macht als pauselijk gedelegeerde, met inbegrip van het recht van excommunicatie. Hij benoemt alle andere inquisiteurs en andere personeelsleden van het Heilig Officie, die alleen aan hem verantwoording schuldig zijn. Reglementeringen en procedures van de inquisitie zijn voor de meeste mensen geheim. De eerste Reglementering uit 1552, had nog ’s konings instemming. De tweede, van 1613, en de derde, van 1640, zijn vastgesteld door de inquisiteur-generaal alleen. Vele regels die de inquisitie heeft aangenomen, verschillen niet of nauwelijks van de regels die voor andere rechtbanken gelden, maar er zijn genoeg verschillen om de inquisitie meer gevreesd te maken dan reguliere rechtbanken en gevangenissen. Zo aanvaardt het Heilig Officie beschuldigingen, waarbij de reputatie van de verklikker er niet toe doet. Dus slaven, lieden die geëxcommuniceerd zijn, dieven, moordenaars, allen zijn aanvaardbaar als verklikkers. Voorts wordt gevangenen niet verteld waarom zij gearresteerd zijn, noch krijgen zij te horen wie hen beschuldigt en waarvan en al evenmin waar en wanneer de misdaad zou zijn gepleegd. Zij dienen hun misdaden ‘op te biechten’, ook al is er geen sprake van misdaden. Niet alleen feiten, maar ook vermoedens en vernomen praatjes worden als bewijs geaccepteerd. De gevangene mag niet zelf een verdediger of advocaat kiezen uit de staf van de inquisitie. De advocaat krijgt geen inzage in de stukken van de beschuldigde. Beroep anders dan bij de inquisitie zelf is niet mogelijk. De procedures bevatten nog andere eigenaardigheden, die tezamen met de hiervoor genoemde, een arrestatie en een proces tot een tragische absurditeit maken.

Bestraffingen, met inbegrip van geestelijke straffen, zijn: boeten, tijdelijke of levenslange gevangenisstraf, confiscatie van bezittingen en verbanning. Veroordelingen worden uitgesproken en voltrokken in meer of minder publieke plechtigheden, bekend als autodafe. Enige autodafe’s vinden plaats in het paleis van de inquisitie of in een klooster. De beroemdste worden gehouden op openbare pleinen, waarbij niet alleen de autoriteiten, met inbegrip van de koning en leden van de koninklijke familie, maar ook veel nieuwsgierig volk, aanwezig is. Dit zijn zorgvuldig in elkaar gezette vertoningen, die massa’s volk trekken en beroeren. De doodstraf kan niet door de inquisitie worden uitgesproken of voltrokken, maar als gewone rechtbanken misdaden van ketterij (en andere) tot de brandstapel veroordeelt, worden veroordeelde gevangenen simpelweg door de inquisitie overgedragen aan de justitie van de Kroon. Na een schijnproces worden zij onmiddellijk geëxecuteerd. Van 1543 tot 1684 worden ten minste 1.379 mensen bij autodafe’s geëxecuteerd, dus gemiddeld tien per jaar. Het totale aantal veroordeelden loopt in dezelfde periode op tot minimaal 19.247, een gemiddelde van meer dan 136 per jaar. Honderden mensen sterven natuurlijk, zonder te zijn veroordeeld, in de gevangenis.

i pauselijk schrijven op wit perkament in gewoon schrift, met de vissersring rood gezegeld, meestal door de kardinaal-staatssecretaris ondertekend en behelsende de mededelingen van gunsten, benoemingen enz.

1.4. Demografische, economische, sociale en culturele ontwikkelingen in Portugal ten tijde van Dom Sebastião en de Habsburgers

Categorieën
Portugees kolonialisme

Portugal onder de Habsburgers (1580-1640). De vereniging van Portugal met Spanje

Deel 13 Index

Hoofdstuk 1.

De vereniging van Portugal met Spanje:

1.2. Portugal onder de Habsburgers (1580-1640)

Geschreven door Arnold van Wickeren

De kroon van Portugal is dus met geweld door Philips II verworven en Portugal zal zestig jaar de vernedering moeten dulden te worden geregeerd vanuit Madrid. Dat dit niet leidt tot een nationale opstand, zoals het geval was in 1383, toen het Huis van Avis aan de macht kwam, is het gevolg daarvan dat Spanje in 1580 veel sterker is dan Castilië in 1383 en dat de Portugezen, na het disaster van 1578 in Marokko verzwakt en ontmoedigd zijn. Bovendien opereert Philips II met veel grotere bekwaamheid dan Juan I tweehonderd jaar eerder. Hij maakt goed gebruik van zijn Portugese intimi en van de Spaansgezinde leden van de Portugese adel en geestelijkheid. Bovendien beperken de toegenomen autocratie, de versterking van het centrale gezag en de nieuwe wijze van oorlog voeren de mogelijkheden tot geïmproviseerde weerstand. De kardinaal-koning zelf heeft zijn tegendraadse neef, de Prior van Crato, die mogelijk de rol van João van Avis had kunnen spelen, effectief geneutraliseerd. Met de invloed van de jezuïeten op het landsbestuur in Portugal is het ook afgelopen; de biechtvaders van Philips II en zijn opvolgers zijn dominicanen, die Philips’ wantrouwen tegen de Portugese jezuïeten voeden. Weliswaar brengt Philips II, bij zijn bezoek aan Lissabon in juni 1581, een bezoek aan São Roque, het door Spaanse troepen beschadigde en grondig geplunderde professiehuis van de jezuïeten, en inspecteert hij, bij zijn vertrek uit Portugal in februari 1583, hun universiteit in Évora, maar dat neemt niet weg dat hij uiterst kritisch staat tegenover de rol van de jezuïeten in Europa, maar hun inspanningen overzee steunt. Melchior Cano o.p. en andere dominicaanse critici van de Societas Jesu wakkeren Philips’ wantrouwen aan door te rapporteren dat Portugese jezuïeten de kandidatuur van de hertogin van Bragança nog steeds steunen. In 1581 verbant de koning enige jezuïeten, die in hem een usurpator zouden zien. Twee jaar later beveelt de bezorgde generaal van de Societas Jesu, Claudio Aquaviva (1581-1615) zijn Portugese medebroeders zich niet te mengen in politieke controverses.

De kampioenen van de Portugese onafhankelijkheid hebben een ogenblik overwogen om, op basis van het bestaande bijstandsverdrag met Engeland, hulp te zoeken bij koningin Elizabeth, maar de verstandige koningin heeft weinig vertrouwen in haar macht Philips II in een landoorlog te kunnen verslaan. Evenmin kan zij de kloof overbruggen tussen de Engelse nationale religie en het op de Contrareformatie gestoelde Portugese katholicisme. Deze kloof is veel dieper dan de schismatieke dwalingen uit de veertiende eeuw.

Het belang van Portugal lijkt de komende tijd meer gediend te zijn met een samengaan met Spanje onder de Habsburgers dan met het handhaven van de wedijver tussen beide landen. Immers, Spanje en Portugal lopen voorop bij de Europese expansie en zij hebben er alle belang de, met de zegen van de Heilige Stoel, verworven vruchten daarvan te verdedigen tegen kapers. Vanaf het midden van de zestiende eeuw vormt het Portugese imperium en de algemene economische organisatie daarvan een soort complement van het Spaanse imperium. De handel met Indië en het Verre Oosten (waar de fabelachtige markt van China is ontdekt en volop in ontwikkeling is) absorbeert grote hoeveelheden zilver, die Europa niet langer in staat is te verschaffen. De Portugezen worden derhalve in toenemende mate afhankelijk van de Spaanse voortbrenging van zilver, vooral na de ontdekking van de zilvermijnen en zilverschatten van Mexico en Peru. Sevilla is nu voor Portugal, meer nog dan Antwerpen, het handelscentrum bij uitstek. Dus, de reguliere handelsrelatie tussen Mexico en China, via Manilla, is een uitdaging voor de Portugese positie in het Verre Oosten, tenzij de Portugezen vrij mogen handeldrijven in de Spaanse koloniale bezittingen. In de tweede helft van de eeuw. Als het Spaanse imperium zijn grootste omvang heeft bereikt, staat het open voor Portugese initiatieven, gewend als de Spanjaarden zijn aan verschillende culturen en vreemde methoden van handeldrijven. Zij zijn in staat hun markten snel uit te breiden in welke richting dan ook en zij zijn zich bewust van de enorme mogelijkheden die zulke nieuwe banden hen bieden.

Tezelfdertijd zijn de directe economische betrekkingen van Portugal en Spanje zodanig toegenomen dat de landen meer en meer van elkaar afhankelijk worden. Portugese handelaren en schepen dienen als intermediair tussen Spanje en andere delen van Europa. Spaanse kooplieden en kapitaalverschaffers controleren een deel van de Portugese handel en participeren in de ondernemingen van de Portugese Kroon. De afschaffing van alle douanerechten langs de Luso-Spaanse grens is een lang gekoesterde droom. Vooral onder de Portugezen, die elk jaar grote hoeveelheden Castiliaanse tarwe importeren. Spanjaarden en Portugezen hebben ook in toenemende mate dezelfde vijanden: de Fransen, de Engelsen en later de Hollanders. De schepen van beide landen hebben te lijden van piraterij, vaak op dezelfde bedreigde maritieme routes, zodat gezamenlijk optreden van de Spaanse en de Portugese marine geboden is. Ook tegen moren en Turken treden beide landen gezamenlijk op. Hoewel zij ieder een immens wereldimperium bezitten, is er zelden sprake van wederzijdse agressie. Spanje en Portugal zijn natuurlijke bondgenoten.

Op cultureel gebied ondergaat Portugal al eeuwen lang Castiliaanse invloeden en omgekeerd beïnvloedt Portugal ook Castilië. Ofschoon Portugal ook Franse, Aragonese, Italiaanse, Bourgondische en zelfs Engelse invloeden ondergaat, heeft de Spaanse ‘Siglo de Oro’ een geweldige uitstraling op het buurland en op Frankrijk. Het Portugese koninklijk hof is een centrum van culturele integratie, met vier opeenvolgende Spaanse koninginnen tot 1578. Misschien hebben zij enig Portugees geleerd, maar ongetwijfeld zijn zij hun moedertaal blijven spreken en vele edelen zullen haar in het Castiliaans hebben geantwoord. In de vijftiende en zestiende eeuw spreekt bijna iedere Portugese auteur ook Castiliaans en sommige van hen staan zelfs bekend als Spaanse schrijvers. Gil Vicente, de schepper van het Portugese theater, heeft veel werken in het Castiliaans geschreven. Voor veel andere auteurs, Camões onder hen begrepen, geldt hetzelfde. Omdat veel Portugese studenten aan Spaanse universiteiten studeren worden ook zij tweetalig. De Castiliaanse culturele beïnvloeding van de hogere standen in Portugal is van invloed op hun bereidheid een Spaanse koning te aanvaarden als monarch van Portugal. Dat de lagere klassen vrijwel verstoken blijven van Castiliaanse invloeden, verklaart mede hun steun aan Dom António,

Philips II roept de Portugese Cortes eind 1581 opnieuw bijeen. Hij laat de steden weten dat geen volgeling van Dom António of iemand die gunsten van hem heeft aanvaard, mag kiezen of verkozen worden. Dit maakt het noodzakelijk de opening van de zitting van de Cortes te verschuiven naar 25 maart. De in Tomar vergaderende Cortes verklaart Philips II van Spanje tot Philips I van Portugal. De koning kondigt een generaal pardon af, zij het met talrijke uitzonderingen voor iedereen die aanvankelijk partij heeft gekozen voor António. De garanties voor Portugals autonomie worden laat in 1582 afgekondigd. In theorie is de vereniging van beide kronen een zuiver persoonlijke zaak. Bij afwezigheid van Philips zal hij in Portugal vertegenwoordigd worden door een gouverneur. Deze is hetzij nauw verwant met de vorst (ten minste een oomzegger), hetzij een Portugees. Philips wordt bijgestaan door de Raad van Portugal (Conselho de Portugal), bestaande uit zes Portugese leden, die alle Portugese zaken afdoet. De Cortes kan alleen in Portugal vergaderen en de benoeming van alle daarin zitting hebbende leden, burgerlijke, militaire en geestelijke, alsmede hun rechten en privileges worden bevestigd. De taal, de rechtsbedeling, de geldcirculatie en de militaire organisatie blijven volledig autonoom. Het overzeese imperium zal uitsluitend worden bestuurd door Portugezen aan de hand van de bestaande wetten en regelingen. Het wordt Portugezen toegestaan overal in het Spaanse imperium handel te drijven. Zeer voordelig is de afschaffing van de belasting op naar Portugal geëxporteerde tarwe over de landgrens. Tenslotte ontvangt Portugal direct 300.000 cruzados voor ogenblikkelijke uitgaven, die voor een deel worden aangewend voor het vrijkopen van gevangenen in Marokko. Philips verwerpt verzoeken tot terugtrekking van de Spaanse garnizoenen en tot verlaging van de belastingen en andere verzoeken laat hij onbeantwoord, zoals de geuite wensen dat hij een Portugese huwt, dat zijn erfgenaam in Portugal zal worden opgevoed en dat cristãos novos zullen worden uitgesloten van openbare ambten. Desondanks verzoent het overgrote deel van de Portugezen zich met het denkbeeld dat Portugal niet meer een geheel onafhankelijk land is. De acceptatie van het goed georganiseerde Spaanse bestuur, dat volgt op tien jaren van bestuurlijke chaos, misslagen en stijgende belastingen en deze acceptatie zal tientallen jaren standhouden. De welvaart keert terug, de ontvangsten en uitgaven van de schatkist zijn in evenwicht en overal in het imperium wordt de overgang naar de nieuwe situatie aanvaard. Van 1582 tot in de jaren negentig zal een groot aantal op Spaanse voorbeelden geïnspireerde bestuurlijke, juridische en financiële hervormingen worden doorgevoerd, die de bevolking zal ervaren als verbeteringen. Minder populair is Portugals deelneming in de “Onoverwinlijke Armada” (zie hierna).

De personele unie van de Spaanse en Portugese Kroon heeft serieuze gevolgen voor de positie van de cristãos novos. Zij worden niet alleen uitgesloten van het bekleden van openbare ambten, maar de politiek hen te doen emigreren wordt vernieuwd en versterkt en vanaf 6 september 1583 zijn `nieuwe christenen’ wettelijk verplicht een gele hoed te dragen. Deze maatregel doet velen uit Portugal vluchten, ongeacht de kosten en risico’s. Tezelfdertijd stijgt het aantal autodafe’s tussen 1583 en 1587 aanzienlijk, om in de jaren 1588-1590 fors te dalen, onmiddelijk nadat Philips II een financiële overeenkomst met joodse kooplieden heeft gesloten. Gedurende de voorbereidingen voor de `onoverwinlijke armada’ past koning Philips de nieuwe strenge emigratiewet vam januari 1587 toe om fondsen bijeen te brengen voor de opbouw van de vloot. Deze zeer kostbare onderneming is dus ten dele gefinancierd met van cristãos novos afgeperst geld.

Philips begint om te zien naar een gouverneur. De keizerin-weduwe, Isabel van Portugal, verblijft een aantal maanden in Lissabon, maar Philips benoemt uiteindelijk zijn lievelingsneef, kardinaal-aartshertog Albrecht VII de Austria, een verstandig en gerespecteerde jongeman van 23 jaar, die sedert 1570 in Spanje woont en in april 1599 zal huwen met Philips’ dochter bij Elizabeth van Valois, de Infanta Isabella Clara Eugenia, en die van 1598 tot zijn overlijden in 1621 de Spaanse Nederlanden zal besturen.i Er worden drie Portugezen benoemd tot zijn adviseurs: Miguel de Castro, aartsbisschop van Lissabon, de onvermijdelijke Pedro de Alcáçova Carneiro en Miguel de Moura. In februari 1583 beëindigt Philips zijn lange verblijf in Portugal en vertrekt, met zijn Conselho de Portugal, naar Spanje.

Hij heeft al een vloot in gereedheid gebracht om de Azoren te veroveren. Zeven eilanden, onder de magistraat, Dr. Ciprião de Figueredo, met het hoofdkwartier in Angra op Terceira, hebben zich uitgesproken voor Antónioii; twee eilanden, São Miguel en Santa Maria, hebben Philips erkend. De eerste expeditie tegen Terceira wacht een ruwe ontvangst als halfwilde stieren van het eiland gedreven worden tussen de aan land gaande soldaten. Ondertussen heeft António Engeland bereikt, maar als hij er niet in slaagt koningin Elizabeth te bewegen Spanje de oorlog te verklaren, reist hij door naar Frankrijk, waar Catarina de Medici, als tegenprestatie voor António’s belofte Brazilië aan Frankrijk te zullen overdragen, 800 man versterking naar Terceira zendt en een vloot van 50 schepen en 5.000 man bijeenbrengt, onder bevel de Florentijn Philippe Strozzi. In juni 1582 zeilt de vloot uit in de hoop São Miguel en Santa Maria te kunnen veroveren en een Spaanse zilvervloot uit Amerika te kunnen nemen. De Spaanse admiraal Alvaro de Bazán, marquês da Santa Cruz, zeilt naar São Miguel met versterkingen voor de hoofdstad Ponta Delgada en op 26 juli verslaat hij de veel sterkere Franse vloot, waarbij Strozzi sneuvelt. Zijn glorieuze overwinning wordt overschaduwd door een gruweldaad; hij laat – ondanks protesten van zijn eigen manschappen daartegen – alle Franse gevangenen executeren, wat Philips II er niet van weerhoudt de marquês da Santa Cruz te bevorderen tot ‘Capitán-General del Mar Océano’. António verlaat in november Terceira en gaat naar Frankrijk. Hij slaagt erin enige versterkingen naar Terceira te doen zenden, maar de markies da Santa Cruz heeft weinig moeite met de verovering van het eiland. Hierna verblijft de troonpretendent afwisselend in Engeland en Frankrijk, van tijd tot tijd bedreigd door een moordaanslag. In 1584 lijken zijn perspectieven een gunstige wending te nemen, omdat Elizabeth onmogelijk een breuk met Spanje kan vermijden en in 1586 geeft Philips II opdracht de “Onoverwinlijke Armada” voor een aanval op Engeland uit te rusten.

De armada wordt voornamelijk gebouwd in Lissabon, onder supervisie van de marquês da Santa Cruz. Nadat de missie van de “Onoverwinlijke Armada”, troepen aan land te zetten, in 1588 op een fiasco is uitgelopen, zendt Elizabeth in het jaar daarop Francis Drake met dertig schepen en 15.000 man naar Lissabon, waar hij moet trachten António op de troon te zetten. De invallers plunderen La Coruña en zeilen langs de kust naar Peniche, welke plaats zij overvallen. De forten aan de Taag blijken veel te sterk om de rivier te kunnen opvaren naar het zwaar verdedigde Lissabon. De aanhangers van António worden gekoeioneerd door enige terroristische acties en zij komen op zijn nadering niet in beweging. De expeditie wordt daarop afgebroken. António’s pogingen nieuwe expedities in Frankrijk te doen uitrusten leiden schipbreuk; hij sterft in Parijs in 1595.

Ondertussen begunstigt Philips de instituties die zowel werkzaam zijn in Spanje als in Portugal, in het bijzonder de Societas Jesu en Het Heilig Officie. In 1580 zendt hij Filippo Terzi, om de kerk van São Roque in Lissabon af te bouwen. Aan deze kerk wordt hoeveelheid relikwieën toevertrouwd die zijn weerga niet kent. De relieken zijn verzameld door de derde zoon van Francisco Borgia, die op latere leeftijd is ingetreden bij de jezuïeten en daarvan de derde generaal (1565-1572) is geweest. Voorzover de relieken, na grondig onderzoek, als authentiek zijn aangemerkt, worden zij als de “Invencivel Armada” bijna gereed is, in een heilige processie door de straten van Lissabon gedragen, “om de ketters versteld te doen staan.”

De annexatie van Portugal verwekt onder de cristãos novos grote beroering, omdat zij verwachten dat de inquisitie hen onder Spaanse heerschappij harder zal treffen dan voorheen. Het volksgeloof dat Sebastião niet dood is, maar zal wederkeren om zijn rijk te regeren (Sebastianismo), bevat een behoorlijke scheut joods messianisme, uitgedrukt in profetieën en in politieke gedichten en liederen. In 1591 benoemt aartshertog Albrecht een visitador van de inquisitie voor Brazilië, waar hij de ‘nieuwe christenen, enige rijke kooplieden die de suiker- en slavenhandel financieren, naast arme handwerkslieden, onderwerpt aan serieuze controle en hen dwingt zich aan te passen. In Lissabon is een van de hoofdtaken van de inquisitie de repressie van het protestantisme. De aanhangers daarvan worden nauwkeurig in de gaten gehouden, van tijd tot tijd worden buitenlandse kooplieden vervolgd en geregeld worden schepen onderzocht op illegale religieuze artikelen of politiek propagandamateriaal.

Ondanks dat het verminkte lichaam van Dom Sebastião in 1582 in het klooster van Jerónimo in Belém is begraven, heeft de nationale opwinding veroorzaakt door het sebastianismo inmiddels wortelgeschoten. De meelijwekkende realiteit van de onbezonnen vorst die zijn volk naar een ramp heeft geleid, is vergeten. Sebastião wordt nu beschouwd als een held, die op de een of andere dag zal terugkeren, om zijn volk te bevrijden van het Spaanse juk. Al in 1503 heeft de jood Isaac Abarbanel de komst van de Messias voorspeld en in 1526 heeft iemand onthuld de Messias te zijn. In 1541 is een schoenmaker uit Trancoso, Gonçalo Anes, voor de inquisitie gebracht, omdat hij vreemde profetieën en voortekenen in zijn Trovas had onthuld. Deze mystieke hoop wordt nu getransformeerd tot het Sebestianismo en een hele reeks bedriegers transformeert zichzelf tot koning Sebastião.

De eerste, een mysterieuze en knappe jongeling, verschijnt in het oosten aan de voet van de Serra de Malcata, aan de grens met Spanje gelegen dorp Penamacor. Hij vertelt daar dat hij in Afrika is geweest En dat hij thans een zevenjarige penitentie volbrengt. Hij beschrijft de Slag van Alcácer Quibir en hij spreekt een brabbeltaaltje, waarvan hij zegt dat het Arabisch is. Hij vormt al gauw een soort hof en noemt een van zijn volgelingen Cristóvão de Távora, Sebastião’s favoriet, en een ander de bisschop van Guarda. Mogelijk is het hem er alleen maar om te doen te profiteren van de lokale liefdadigheid, maar nieuws over zijn doen en laten bereikt Lissabon en er wordt een onderzoek ingesteld. Philips II is zeer gevoelig voor uitingen van nationalisme en Spaanse troepen worden eropuit gestuurd om de bedrieger en zijn aanhang te arresteren. Het blijkt dat de “koning van Penamacor” geboren is in Alcobaça en dat hij met iemand die rozenkransen vervaardigt is meegekomen naar Lissabon, waar hij geadopteerd is door een rijke weduwe van een van de gevallenen in de Slag van de Driekoningen: de parochiepriester heeft hem weggestuurd en daarna heeft hij het afgelegen Penamacor op stelten gezet. Hij wordt in Lissabon een morgen te kijk gezet en daarna naar de galeien gezonden.

De tweede valse Sebastião is de zoon van een metselaar in de Azoren. Na novice te zijn geweest in twee kloosters, installeert hij zich als heremiet in Ericeira, een kustplaats in de buurt van Mafra. Hij volbrengt zijn penitenties met kreunen en schreeuwen, daarbij voorgevend dat hij Sebastião is. Hij kent de titels marquês, conde en governador van Lissabon toe aan een rijke boer, die ook aanvoerder wordt van ‘zijn leger’, dat 800 man zou hebben geteld, maar dat uitsluitend is uitgerust met landbouwgereedschappen. Zijn “koninklijke brieven” leiden tot een onderzoek door twee magistraten, maar zij worden gedood door zijn volgelingen, die een heftige slag leveren met de troepen; de pseudo Sebastião wordt opgehangen en daarna gevierendeeld en ongeveer 200 van zijn aanhangers worden geëxecuteerd voor hun aandeel in de opstand.

Twee andere ‘Sebastiãos’ komen nooit naar Portugal. Een van de biechtvaders van de gesneuvelde koning, die António, de Prior van Crato, heeft gesteund, Frei Miguel dos Santos, is de biechtvader van de nonnen van het klooster in Madrigal, de geboorteplaats van Isabel la Católica. Hier woont een bastaarddochter van Don Juan de Austria. Frei Miguel stelt haar voor aan een zekere Gabriël de Espinosa, een banketbakker, die beweert koning Sebastião te zijn. Deze krijgt van haar enige juwelen, die hij stom genoeg aan anderen laat zien. De verdenking dat er sprake is van een politieke intrige lijkt te meer gerechtvaardigd als de biechtvader brieven schrijft aan sympathisanten in Portugal. De laatste ‘Sebastião’ duikt in 1598 op in Venetië, want daar is een kolonie van aanhangers van Dom António en van Portugese joden. Hij spreekt geen Portugees, omdat hij een gelofte heeft afgelegd, zegt hij. Dom João de Castro, een tegenstander van Philips II, zet zich in voor zijn zaak en regelt dat deze ‘Sebastião’ naar Parijs gaat, maar hij wordt gearresteerd in Toscane en naar Napels gebracht. Hier wordt hij ontmaskerd als de uit Calabrië afkomstige Marco Tullio Caltizzone. Hij wordt voor zijn bedriegerijen veroordeeld tot de galeien. Er worden gelden ingezameld om hem te redden, maar hij wordt in 1603 geëxecuteerd.

Tijdens de regering van Philips II (I) worden de in Tomar overeengekomen voorwaarden die Portugals autonomie dienen te waarborgen over het algemeen gerespecteerd. In 1590 ervaren de Portugezen met zorg dat Philips erop staat een Castiliaan tot onderkoning van Aragón te benoemen, waarmee de autonomie van Aragón grotendeels ongedaan wordt gemaaktiii. Maar wat Portugal betreft, gaat hij door met de benoeming van Portugezen, zoals hij heeft beloofd. Wat niet kan worden behouden is een onafhankelijke buitenlandse politiek: de vijanden van Spanje worden ook de vijanden van Portugal en de gevolgen voor Lissabon, dat sterk afhankelijk is van handel met het buitenland, zijn veel zwaarder dan voor het nergens aan zee grenzende Castilië. In de jaren volgend op de “Invencivel Armada” verbiedt Philips II Engelse schepen het gebruik van Portugese havens. Hierdoor wordt de legale handel opgeschort en de activiteiten van Engelse piraten worden opnieuw geactiveerd.

In 1595 wordt dezelfde politiek toegepast ten aanzien van de Hollanders; vijftig Hollandse schepen die in de Taag liggen worden geconfisqueerd en alle verdere handel wordt verboden. Aanvankelijk hebben Hollandse schepen hun weg weten te vinden naar Portugese (en Spaanse) gebieden overzee. Bekend is dat al in 1539 een schip uit Hoorn naar de Canarische eilanden vertrokken is en dat in 1558 een vaartuig uit dezelfde plaats zich naar `’s Keizers Indië’ begeven heeft. Dat in 1562 een Zeeuwse schipper Marokko heeft aangedaan, dat een schip uit Amsterdam in 1563,via Lissabon en San Lúcar de Barrameda, naar São Tomé is gezeild en dat in 1567 een schip uit Enkhuizen en een uit Arnemuiden in Cuba zijn geweest. Menkman, aan wie deze voorbeelden zijn ontleend, concludeert dat West-Friese, Hollandse en Zeeuwse schepen blijkbaar emplooi vonden in de vaart op Afrika en West-Indië, waarschijnlijk in huur bij Portugese en Spaanse kooplieden, maar wellicht waren Noord-Nederlanders ook wel betrokken bij de handelstransacties zelf, terwijl de Hollandse zeelieden de weg leerden vinden naar de overzeese Iberische domeinen. De schrijver laat vervolgens weten, dat het conflict tussen de Noordelijke Nederlanden en Philips II niet de relaties met Portugal, waar de Hollandse koopvaarders zout kwamen halen, verstoorden. `Deze relaties werden zelfs versterkt toen schepen uit de Noordelijke Nederlanden goederen voor Brazilië in Portugese havens begonnen aan te voeren en overlading in Porto en Viana vermeden werd door de Nederlandse schepen, gecamoufleerd als Portugese vaartuigen, hun reis te laten voortzetten naar de andere zijde van de Atlantische Oceaan. Hetzij als vrachtvaarders voor de Portugezen, of in Compagnieschap met hen, geraakten de Nederlanders dus bekend met de handel op Brazilië. De afzwering van Philips II in 1581 en de vereniging van Spanje en Portugal onder een kroon leiden ertoe dat de Hollanders de Portugezen evenzeer als hun vijanden beschouwen als de Spanjaarden. De consequentie van het verbieden van de handel met de Lage Landen is dat een Hollandse inwoner van Lissabon, Cornelis Houtman, die op Portugese schepen de Oriënt heeft bezocht, nu aanbiedt zijn landgenoten de weg naar Oost-Azië te wijzen. Hij zeilt in 1595 met vier schepen naar Java; vijf jaren later worden daar al veertig Hollandse schepen geladen en wordt de specerijenhandel de Portugezen langzamerhand ontnomen. In 1602 wordt de Verenigde Oost-Indische Compagnie (V.O.C.) opgericht en al gauw worden haar aandeelhouders beloond met royale dividenden. De handel met de Oriënt domineert de Portugese economie niet meer in die mate als het geval is geweest ten tijde van Dom Manuel. In de tweede helft van de zestiende eeuw komt de kolonisatie van Brazilië goed op gang en het aantal suikermolens neemt toe van 5 naar 125. Een opeenvolging van caravelas en fustas levert kisten suiker af in Lissabon, vanwaaruit de suiker wordt gedistribueerd over grote en soms veraf gelegen gebieden.

Het overlijden van Philips II (I) in 1598 en de troonsbestijging van zijn zoon Philips III (II) betekent een veel minder respectvolle houding tegenover de autonomie van Portugal. De jonge koning ontbreekt het aan het intellect, de werklust en het plichtsbesef van zijn vader. Hij laat de staatszaken helemaal over aan een edelman uit Valencia, Francisco Gómez de Sandoval y Rojas, duque de Lerma, die al evenmin over de capaciteiten bezit om het wereldwijde imperium dat Philips II heeft nagelaten te besturen.iv Lerma zal twintig jaar aan de macht blijven (1598-1618) en worden opgevolgd door zijn zoon, de duque de Uceda (1618-1621). Hij benoemt tot gouverneur en onderkoning van Portugal een groot vertrouwelingen van Philips II en – volgens Oliveira Marques – “een van de bekwaamste staatslieden”, Cristóvão de Moura, graaf en daarna markies van Castelo-Rodrigo, “een leidende persoonlijkheid in het winnen van Portugal voor de zaak van Spanje. Hij dient twee termijnen (1600-1603 en 1608-1612) en is de beste waarborg voor Portugals autonomie. Hij vecht voor het behoud van de privileges die Philips II (Portugal) heeft verleend en legt tweemaal zijn functie neer omdat de eerste minister deze met voeten heeft getreden,” aldus Oliveira Marques.v Lerma, doet niets doet om de welvaart van het Schiereiland te bevorderen, maar hij is vindingrijk in het heffen van belastingen en weet voor zichzelf, zijn familie en zijn vrienden schandelijk veel rijkdommen te verzamelen. De accumulatie van zijn immense fortuin leidt ertoe dat zijn vijanden een beslissende aanval op zijn positie ondernemen. Zijn eigen zoon Cristóbal, duque de Uceda, die handig wordt gemanipuleerd door Gaspar Felipe de Guzmán y Pimental, conde-duque de Olivares, neemt deel aan een samenzwering tegen Lerma. Omdat hij zijn val voorziet, tracht Lerma zich terug te trekken in zijn privéleven, eerst ontvangt hij van paus Paulus V in maart 1618 de kardinaalshoed. In oktober van dat jaar wordt hij ontslagen. Het positiefst dat hij bereikt is het sluiten van vrede met Engeland in 1604, waarvoor de schoonzoon van Philips II, aartshertog Albrecht, het voorwerk al heeft verricht, Hetzelfde geldt voor het sluiten van het Twaalfjarig Bestand met de Republiek in 1609. Ook hiervoor is de weg geëffend door aartshertog Albrecht. Als gouverneur van de Lage Landen heeft hij, daarin gesteund door de Genuese generaal Ambrogio Spinola, die daar zulke opmerkelijke militaire successenvi heeft behaald, Madrid ertoe gebracht met de Hollanders te gaan onderhandelen. De wapenstilstand is helaas niet van toepassing in Azië.

De tweede Philips roept na zijn troonsbestijging de Portugese Cortes niet bijeen en hij brengt tot 1619, tegen het einde van zijn regering, zelfs geen bezoek aan Portugal. In 1600 zendt hij een comité naar Portugal (allen Castilianen) met de taken op te treden als auditor van de Portugese schatkist en als permanente inspecteurs van de Casa da India. Vervolgens benoemt Philips III (II) in 1602 – in strijd met de waarborgen van 1581 – Castilianen in de Conselho de Portugal in Madrid en in de Conselho da Fazenda.

Dit zijn zeer onpopulaire maatregelen. Na 1611 gaan de belastingen voor kooplieden en de middenklasse in het algemeen omhoog, in de vorm van gedwongen inschrijving op leningen. De regering in Madrid maakt zich nog meer gehaat in Portugal door geld te accepteren van de cristãos novos en hun vrijelijk het land te doen verlaten (1604-1610). Om de steun van de adel te winnen, geeft Philips III hen erfgoederen van de Kroon. De hertog van Bragança profiteert hiervan. De ondertekening van het Twaalfjarig Bestand brengt vrede in het land en neemt de bedreiging van overzeese gebieden weg. De economie krijgt een krachtige impuls door het openstellen van de havens voor Hollandse schepen. In 1615 tracht de koning Diego de Silva y Mendoza, conde de Salinas, een Spanjaard, te benoemen tot gouverneur van Portugal, maar het algemene protest hiertegen is zo sterk dat de koning bakzeil haalt en de aartsbisschop van Lissabon tot gouverneur benoemt. De regering is meestal in handen van de geestelijkheid; een wijze maatregel om de steun van de clerus te behouden. De bisschop van Coimbra regeert in 1603-1604; de bisschop van Leiria, Pedro de Castilho, van 1605-1608 en van 1612-1614; de aartsbisschop van Braga van 1614-1615 en de aartsbisschop van Lissabon regeert het land als onderkoning in de periode 1615-1617. In 1617 evenwel benoemt Philips III (II) – ondanks felle protesten – opnieuw Diego de Silva y Mendoza, duque de Francavila, nadat hij hem eerst de Portugese titel Marquês de Alenquer heeft verleend. Uiteindelijk besluit Philips III een bezoek aan Portugal te brengen, om de onvrede weg te nemen. Bij zijn bezoek van vijf maanden in 1619 zweert hij de Portugese privileges te zullen eerbiedigen en poogt hij de algemene onvrede te verminderen door het rondstrooien van gunsten.

Het verenigde Iberische schiereiland tobt niet alleen met tot het christendom bekeerde (afstammelingen van) joden, de cristãos novos of marranos, aan wier oprechtheid de inquisitie blijft twijfelen, maar ook met de moriscos, de tot het christendom bekeerde (afstammelingen van) moorse inwoners, voor wie hetzelfde geldt. Ofschoon er in het zuiden van Portugal ook enige tienduizenden moriscos leven, zijn zij in Spanje veel talrijker. Lerma’s regering besluit in 1609 deze moriscos uit te wijzen. Zij zijn de afstammelingen van de moorse inwoners van het in 1492 door de Reyes Católicos, Ferdinand en Isabella veroverde koninkrijk Granada.

Aanvankelijk zijn de moorse inwoners van Granada bij de overgave van de stad zeer edelmoedig door de Reyes Católicos behandeld, zoals blijkt uit de capitulatievoorwaarden,vii maar daarna is de druk op hen zich tot het christendom te bekeren en te assimileren toegenomen. De inburgering verloopt echter zeer traag. In de jaren zestig van de zestiende eeuw is er over de moriscos zoveel onenigheid ontstaan tussen de politieke autoriteiten in Andalusië dat het bestuur feitelijk niet meer functioneert. De capitán-general van Granada, die is belast met defensie en binnenlandse veiligheid, ruziet met de Câmara van Granada en met de audiencia, het hooggerechtshof voor Andalusië, over welke instantie voorrang heeft op andere, over de rechtsmacht en over de eigendom van enige weilanden. De audiencia, op haar beurt, ligt overhoop met de inquisitie. Tussen hen gaat het ook over geschillen om de rechtsmacht. De capitán-general wordt gesteund door de aartsbisschop van Granada die, evenwel, in een proces gewikkeld is met het kapittel van de kathedraal. Zulke geschillen zijn typisch voor de manier waarop Spanje wordt geregeerd en het is eveneens tekenend dat zulke geschillen onmiddellijk facties aan het hof doen ontstaan, die elkaar evenzeer bestrijden. Overigens verkrijgen mensen geen positie aan het hof wegens hun verdiensten, maar omdat zij qua politieke overtuiging passen in een factie aan het hof. In dit geval is de capitán-general, die gewoonlijk de moriscos beschermt tegen uitbuiting door de christenen, de verliezer. De regering in Madrid zendt eerst een commissie die een onderzoek instelt naar de eigendomstitels van de landerijen en de commissie confisqueert in hoofdzaak land van moriscos. In 1567 wordt er een decreet gepubliceerd dat moriscos verbiedt zich als moslims te kleden, hun moslimnamen te gebruiken en zelfs om Arabisch te spreken. Het toezicht op de handhaving van de interne veiligheid wordt de capitán-general ontnomen en wordt toevertrouwd aan de audiencia. Hiermee valt de laatste strohalm voor de moriscos weg; er is nu niemand meer die de vreedzame morisco- boeren kan beschermen tegen de grote aantallen buiten de wet gestelde vrijbuiters in de bergen van Alpujarras. Op eerste kerstdag van het jaar 1568 komen de moriscos in opstand tegen de gehate christenen. Er is een woeste campagne van twee jaren, waarin door beide zijden vreselijke wreedheden worden begaan, voor nodig om de opstand neer te slaan. De moriscos van Granada worden in kleine groepjes gedeporteerd naar verschillende delen van Castilië, in een laatste poging hen te doen assimileren. Bij afwezigheid van systematische opvoeding en door de vijandigheid van de christelijke bevolking, is ook deze poging gedoemd te mislukken. De Spaanse bevolking geraakt verdeeld over de oplossing van het morisco-probleem. Jarenlang zullen sommigen pleiten voor ‘oplossing’ van het probleem door de moriscos zonder meer uit te wijzen; anderen willen tijd en geld uittrekken om hen echt te assimileren en te kerstenen. Ofschoon men niet blind is voor de economische aspecten van deze twee zienswijzen, gaat het publieke debat toch vooral over de religieuze en morele kanten van de problematiek, wat karakteristiek is voor het Spanje van die tijd. In 1609 beveelt Lerma’s regering de uitwijzing van de moriscos. Lerma wil met deze maatregel de oriëntatie van de politiek van de Castiliaanse machtspolitiek in Centraal-Europa verleggen naar Noord-Afrika en de islam, waartoe hij zich als Valenciaan meer toe voelt aangetrokken en waarbij hij als Valenciaans landeigenaar garen denkt te spinnen, door land in te pikken dat door moriscos verlaten is. In 1614 zijn al ongeveer 275.000 van de 350.000 moriscos gedwongen Spanje te verlaten. De meerderheid van de Spanjaarden staat ongetwijfeld achter de verwijdering van de moriscos uit de Spaanse samenleving. Over de economische gevolgen daarvan wordt tot op de dag van vandaag gediscussieerd. In Castilië zijn de effecten waarschijnlijk gering. In Aragón en Valencia, waar de moriscos 20 tot 30 procent van de bevolking hebben uitgemaakt, moeten zij aanzienlijk zijn geweest. Alle grond die voorheen aan uitgewezen moriscos heeft toebehoord, komt in handen van ‘oude’ christenen, waarbij een verschuiving optreedt van arbeidsintensieve suiker- en rijstproductie naar de aanplant van moerbeibomen en druivenranken, voor de voortbrenging van zijde en voor de wijnbouw. De grootste problemen worden veroorzaakt door de schulden van de morisco-boeren en de verliezen die hun stedelijke schuldeisers lijden door hun vertrek. Een ironische voetnoot bij de uitwijzing is de benarde toestand waarin de Aragónese en Valenciaanse inquisities komen te verkeren. Eerst zijn zij een groot voorstander van de uitwijzing geweest, maar later zien zij in dat zij het kind met het badwater hebben weggegooid. Zij ervaren zij dat de mogelijkheid inkomen te verwerven zijn kwijtgeraakt, want voorheen legden zij morisco-dorpen boeten op wegens geconstateerde moorse praktijken van de inwoners, wat na de uitwijzing uiteraard niet meer mogelijk is.

De ontvangsten van de Spaanse Kroon uit Amerikaans zilver dalen scherp en ofschoon de belastingopbrengst die uit Portugal verkregen wordt in theorie is gelimiteerd, wordt Lerma spoedig geboeid door de vooruitzichten op speciale transacties, zoals de verkoop van privileges aan de cristãos novos. Zij bieden hem eerst 170.000 cruzados aan voor toestemming Portugal te mogen verlaten, wat voor Lerma een buitenkansje is. Hen wordt vervolgens het recht aangeboden in het land te mogen blijven, dat gepaard gaat met een generaal pardon en toegang tot alle ambten in Portugal. Het tarief dat Lerma hiervoor vraagt, bedraagt het tienvoudige van dat voor vertrek. Bovendien is deze maatregel voor hem aanleiding een vaste som per jaar van Portugal te eisen en het recht te verkrijgen naar eigen goeddunken de leden van de Conselho de Portugal aan te wijzen. De Portugezen zijn bitter tegen deze verlangens gekant en daar het protest van de Conselho de Portugal in Madrid niet wordt gehoord, reizen de drie Portugese aartsbisschoppen (Lissabon, Braga en Évora) naar Spanje, om hun bezwaren daar op tafel te leggen. Zij bieden aan 800.000 cruzados compensatie bijeen te brengen, maar de Portugese steden weigeren te betalen en de Spanjaarden heropenen de onderhandelingen met de cristãos novos. Zij laten het aanbod de ‘nieuwe christenen’ toegang te verlenen tot alle ambten vallen en bieden hen, tegen betaling van de oorspronkelijke som van 1.700.000 cruzados, welk bedrag wordt ongezet in een vordering. Slechts aan dat hun doen en laten niet meer voortdurend door de inquisitie wordt onderzocht. In 1610 worden alle aan de cristãos novos gegarandeerde rechten ingetrokken en hervat de inquisitie haar activiteiten tegen hen.

Philips III (II) sterft in 1621 en de kroon gaat nu over op zijn zoon Philips IV (III) die, hoewel hij veel beter in staat is tot regeren dan zijn futloze vader, de staatszaken overlaat aan zijn eerste minister, conde, later duque de Olivares en zichzelf geheel wijdt aan zijn pleziertjes. Anders dan Lerma, streeft Olivares naar versterking van de macht van de Spaanse monarchie en hij beveelt zijn meester aan een politiek van rigoureuze centralisatie te volgen en alle koninkrijken op het Iberisch schiereiland te doen te doen opnemen door Castilië, door overreding, omkoping en indien noodzakelijk door gebruik te maken van geweld.

Afgezien van de dwaze campagne in Marokko, verkeerde het Império Português toen het onder bestuur van de Spaanse Habsburgers kwam, in vrede. Philips II heeft in 1581 de Cortes in Tomár beloofd het Portugese imperium te verdedigen, wat ook wel nodig was omdat de vijanden van Spanje zich ook tegen Portugal keerden. Maar zijn opvolgers zijn daartoe niet in staat. Aan het einde van de jaren tachtig en in de jaren negentig van de zestiende eeuw voeren de Engelsen en Fransen een serie aanvallen uit op Portugals Atlantische imperium en worden de Portugezen in Azië voor het eerst geconfronteerd met Anglo-Hollandse indringers. Een Franse poging in de jaren 1612-1615 Noord-Brazilië te bezetten faalt echter wegens gebrek aan steun van de Franse Kroon. In de jaren twintig van de zeventiende eeuw krijgt de economie van het Império Português een aantal ernstige slagen te verduren: Ormoez valt in 1622 in de handen van Anglo-Persische strijdkrachten. De Hollanders beginnen aan een serie uiterst zware blokkades van Goa en hun verovering van São Salvador, de hoofdstad van Brazilië en de naburige suikerrietplantages in 1624 is een zware schok. Toen in 1621 het Twaalfjarig Bestand met de Republiek afliep, heeft Olivares partijgekozen voor degenen die de oorlog willen hervatten. De Hollanders vormen de West-Indische Compagnie (WIC), die begint jacht te maken op Portugese en Spaanse schepen. In antwoord daarop rust Olivares de “expeditie van de vazallen” van Spanjaarden en Portugezen uit. In maart 1625 verdrijft hij de invallers, die daarna terugkeren om de Iberische scheepvaart te bedreigen. Bij de herovering van São Salvador hebben de Portugese adel en steden hun aandeel geleverd. De Hollanders brengen de Portugezen zware slagen toe, waarvan de Spanjaarden steevast de schuld krijgen, maar dat wil geenszins zeggen dat het imperium op instorten staat. De herovering van São Salvador is zeker niet de enige overwinning. De Hollandse blokkade van Malacca wordt opgeheven in 1629, Olinda wordt in 1631 weer Portugees, evenals Mombaça in 1634. En het vredesverdrag met de Engelsen van 1635 reduceert het aantal vijanden tot één.

Het succes van de operatie is voor Olivares aanleiding de unificatie van het Iberisch schiereiland te bevorderen. Hij wil de Portugese adel denationaliseren door Portugese edelen aan het hof in Madrid te doen dienen en door hen in het huwelijk te laten treden met leden van de Castiliaanse adel. Ook wil Olivares Portugal nieuwe belastingen opleggen, waarvan de Cortes geen weet heeft en hij wil een ongedeeld leger voor het gehele Schiereiland. In juli 1628 vraagt hij om een gedwongen lening voor de landsverdediging, die zich ook uitstrekt over de geestelijkheid, terwijl er ook weer onderhandelingen met de marranos worden geopend. Waarop Olivares precies uit is, blijkt uit zijn gesprekken met de Catalanen en dat leidt tot grote onrust onder hen en in Portugal. Als de West-Indische Compagnie in 1630 Pernambuco, de tweede stad van Brazilië, verovert vertonen de Portugezen weinig lust om met Olivares samen te werken, om de stad te heroveren. Pernambuco blijft in Hollandse handen en in 1636 benoemen de Staten-Generaal Johan Maurits, graaf van Nassau-Siegen tot gouverneur van de veroverde gebieden. Hij zendt strijdkrachten naar Afrika die in 1637 het Fortaleza São Jorge da Mina veroveren en die tevens een bedreiging vormen voor São Tomé, Princípe en Angola, en gedurende de volgende jaren exploiteren de Hollanders 120 van de 166 suikermolens in de provincie, hoewel 60 procent daarvan in handen blijft van de oorspronkelijke Portugese eigenaren, en voeren zij meer dan 2.300 slaven in. Zij zijn echter niet in staat São Salvador in te nemen, maar de gouverneur in São Salvador is evenmin bij machte Pernambuco op hen te veroveren.

In de jaren twintig en dertig van de zeventiende eeuw gaat bij de meeste Portugezen de figuur van de verborgen Sebastião samenvallen met die van de hertog van Bragança, zijn legitieme opvolger. Het Sebastianismo evalueert tot een strikt patriottisme gericht op de verbreking van de Iberische Unie. Onder de patriotten bevinden zich vooraanstaande jezuïeten als Frei Bartolomeu Guerreiro en Francisco de Mendóça, die tot ergernis van Philips IV zich in woord en geschrift aanhangers van de hertog van Bragança tonen. De jezuïeten bereiden de hertog ook een koninklijke ontvangst in hun universiteit in Évora. Hun vrees dat het bewind de Universiteit van Coimbra het leven zuur zal maken, zodat vele studenten uitwijken naar Spaanse universiteiten, is niet bewaarheid geworden, maar de Habsburgers verlenen nauwelijks steun aan het onderwijs in Portugal. Het professiehuis van de jezuïeten in Vila Viçosa is in 1601 tot stand gekomen, dankzij een gift van de hertog van Bragança, die daar woont, maar in Santarém wordt in 1621 een jezuïetencollege geopend, dankzij de steun van zowel de paus, als van Philips III. In 1619 gelast de generaal van de Societas Jesu, Mutio Vitelleschi (1615-1645) de sluiting van de noviciaten in Coimbra en Évora, omdat het met 8% per jaar groeiende aantal studenten wel in Lissabon kan worden opgevangen.

De realisering van het doel van Olivares komt dichterbij met de benoeming van prinses Margaret van Savoie, weduwe van de laatste hertog van Mantua en een kleindochter van Philips II, tot gouverneur van Portugal. Misschien is zij door Olivares ertoe aangezet de Portugese aristocraten aan haar hof voor het hoofd te stoten, om hen door Spaanse adviseurs te kunnen vervangen, want dit is wat er gebeurt. Maar de meest dominante figuur aan het hof is de toegewijde Portugese quisling Miguel de Vasconcelos. Hij is zowel de zwager, als de schoonvader van Diogo Soares, secretaris van de in Madrid zetelende Conselho de Portugal. Vasconcelos is Margarets staatssecretaris en hij is verantwoordelijk voor de invoering van een nieuwe belasting. Deze staat te boek als de real d’aqua, die geheven wordt op ieder pond vlees en op iedere canada (2,26) liter wijn. De Kroon neemt een uit de Middeleeuwen daterende gemeentelijke verbruiksbelasting over, onder het voorwendsel dat het geld nodig is voor de herovering van Brazilië. Pogingen om de belasting te innen leiden in de herfst van 1635 en de zomer van 1636 in verschillende delen van het land, maar vooral in Trás-os-Montes, tot protestbewegingen, waarbij soms de koninklijke tollenaars (corregadores) worden verjaagd. De onrust in het land neemt toe: in juli-augustus staken de vissers van Lissabon en het ontbreken van de aanvoer van vis leidt tot nieuwe onrust. De vlam slaat echt in de pan in Évora, als de corregadores daar in augustus 1637, onder protest van de Senado da Câmara, 200 contos willen innen voor de herovering van Brazilië. Het gepeupel bedreigt de corregador zodanig dat deze naar het dak van de Igreja de São Francisco vlucht. Terwijl het grauw kantoren begint te plunderen, vergaderen vertegenwoordigers van de adel en geestelijkheid in de universiteit van de jezuïeten om weer grip op de situatie te krijgen. Ondertussen geeft een schertsfiguur ‘Manuelinho’ dagelijks proclamaties uit. Het voorbeeld van Évora inspireert vele andere plaatsen, verspreid over het land, de Algarve, de Alentejo, Estremadura, Santarém, Abrantes, tot zelfs Viana do Castelo en Porto aan toe. Uiteindelijk herstellen verantwoordelijke aristocraten, zoals de hertog van Bragança en de graaf van Bastos en priesters, onder wie de jezuïeten, de kalmte in de steden. Terwijl twee Spaanse legers de Algarve en de Alentejo pacificeren, waarbij de leiders worden bestraft met executie. Een van de legers wordt geleid door de hertog van Medina Sidonia, een familielid van Olivares en capitán-general van Andalusië, Veroordelingen bij verstek wordt vaak gevolgd door verbranding van een beeltenis van de gestrafte. De vraag rijst welke rol de jezuïeten bij de opstand hebben gespeeld. Twee zeer gezaghebbende historici spreken elkaar in dit opzicht tegen. Olivares vraag de provinciaal van de jezuïeten in Portugal maatregelen te nemen tegen ordebroeders die zich uitspreken ten gunste van de relschoppers. Twee trotseren het verbod en betalen daarvoor de prijs. De een is professor in de moraaltheologie in Évora, die in en preek sympathie voor de volgelingen van ‘Manuelinho’ laat blijken; hij wordt direct in een kerker geworpen. De ander is Frei Francisco de Macedo, die zich in het openbaar keert tegen een tirannieke vorst (Philips IV), een despotisch dienaar (Miguel de Vasconcelos) en een zich aan simonie schuldig makende bisschop (Dom Gaspar do Rego da Fonseca, bisschop van Porto). Het gevolg is dat hij in een donkere cel in São Roque verdwijnt, totdat hij naar Frankrijk en later naar Engeland vlucht. In november 1637 ontvangt de provinciaal het verzoek vier jezuïeten naar Madrid te zenden voor consultatie over de recente rellen. De jezuïeten vrezen dat het om meer gaat dan alleen consultatie. Twee van hen, Sebastião Couto, die mogelijk een leidende rol heeft gespeeld in de beweging van ‘Manuelinho’ in Évora, en Álvaro Pires Pacheco melden zich ziek en een derde, Frei Diogo de Areda, duikt twee jaar onder; slechts Frei Gaspar Correia bereikt Madrid. Hij wordt daar een jaar vastgehouden, omdat hij ervan beschuldigd wordt betrokken te zijn geweest in een beweging in een klooster in het noorden van het land. Soms krijgen pauselijke agenten, die gelden voor de Heilige Stoel innen, het aan stok met carregadores, die belastingen innen voor de Kroon. Heel bekend is geworden het conflict tussen Tomé Pinheiro da Veiga, een ‘nieuwe christen’ en een ijverig en toegewijd ambtenaar, en Alexandre de Castracani, een niet minder onbuigzaam apostolische geldinner. Inzet van het geschil vormen gelden die overleden personen aan de kerk hebben nagelaten om missen voor hun zielenheil te laten opdragen. Tomé Pinheiro da Veiga wil deze capelas belasten, waarin hij gesteund wordt door de koning, diens onderkoning in Portugal en de secretarissen Diogo Soares en Miguel de Vasconcelos. Castracani wordt gesteund door twee juristen, Frei Diogo de Areda s.j. en Frei Nuno da Cunha s.j. De zaakviii sleept zich jaren voort en eindigt met de uitzetting van Castracani in 1639. Het interdict zal zeker geen bijdrage hebben geleverd aan de terugkeer van de rust in het land. Olivares, zich bewust van de gespannen situatie in Portugal, ontbiedt midden 1638 een aantal prominente Portugezen naar Madrid: de drie aartsbisschoppen, de bisschop van Porto, verschillende senior magistraten en een aantal edelen, in de hoop verder te komen met zijn bedoelingen, om in Portugal troepen te rekruteren, om deze te kunnen inzetten tegen vijanden van Spanje, maar de gewiekste Olivares zal ook wel hebben beseft dat het gevaar van een opstand beperkt is zolang deze prominenten zich in Spanje bevinden. Onder de vijanden van Spanje bevindt zich Frankrijk; en Richelieu, die weet heeft van Olivares’ moeilijkheden, zendt de vroegere consul, Saint-Pé, naar Lissabon, met de opdracht daar te speculeren over een opstand met Franse steun. De diplomaat is bevoegd aan een Portugese troonpretendent, zoals de hertog van Bragança. Franse hulp aan te bieden, in de vorm van manschappen en schepen.

De hertog is het naaste familielid in de zijlijn van het Huis van Avis, want hij is de zoon van Catarina, een dochter van João III; hij is ook de leidende aristocraat en de grootste grondbezitter van Portugal en de heer van 80.000 mensen. Zijn paleis bevindt zich in Vila Voçosa in de Alentejo, het gebied van de grote landgoederen en zijn bereidheid in actie te komen, dan wel zijn afkeer daarvan zal ongetwijfeld van invloed zijn op de houding van zijn mensen. De regerende hertog Dom João is een voorzichtig mens die weigert betrokken te raken bij de intriges van Richelieu. Het gerucht gaat dat hij de volgende zal zijn die onderkoning in Portugal zal worden. In 1639 tracht Olivares de hertog te dwingen zijn zijde te kiezen, door hem uit te roepen tot “Gouverneur van het Wapen van Portugal” en hem te verzoeken 1.000 man op de been te brengen. De voorzichtige hertog maakt tegenwerpingen, maar die worden terzijde geschoven en dus begint hij met de uitrusting van zijn privéleger.

Zijn nieuwe ereambt rechtvaardigt een triomfale intocht in Lissabon. De geestelijkheid en de inwoners van de hoofdstad bereiden João, hertog van Bragança, zo’n warme ontvangst dat prinses Margareta opmerkt, dat zij niet de tijd verwelkomt waarin Portugal twee koningen heeft. De serie rampen die Spanje sedert 1638 hebben getroffen, tasten niet alleen prinses Margareta’s geloofwaardigheid aan, maar doen de Portugese aristocratie ook geloven dat het moment voor politieke actie gekomen is. De val van Breisach in de Elzas, met de essentiële Rijnbrug die de Spaanse bezittingen in Noord-Italië en in Vlaanderen met elkaar verbindt, gaat in december 1638 verloren, waarmee de befaamde ‘Spaanse weg’ in gevaar wordt gebracht. Dit is de eerste van een reeks tegenslagen. Een alternatief is de zeeroute van La Coruña naar de Lage Landen. Bij een poging om dit alternatief in september 1639 te effectueren, gaan 43 van de 70 schepen in de Slag bij Duinsix verloren. Daarbij is een Portugees galjoen, dat met 900 man aan boord zinkt. De Slag bij Duins, de ernstigste nederlaag die de Spaanse vloot sedert 1588 heeft geleden, wordt gevolgd door een andere maritieme tegenslag, waarin de al lang geleden beloofde Luso-Spaanse vloot die Noordoost Brazilië moet heroveren, in januari 1640 door de Hollanders wordt verslagen, opnieuw met hevige verliezen.x Een groep Portugese edelen begint samen te zweren en benadert de broer van Dom João van Bragança, Dom Duarte, die heeft gediend in de strijdkrachten van het Imperium. Hij weigert echter bij de samenzwering betrokken te worden en keert terug naar Duitsland.

In 1639 valt Olivares vanuit Catalonië het zuiden van Frankrijk binnen, met geen ander doel dan de Catalanen bij de oorlog te betrekken; als zij gedwongen zijn hun land te verdedigen, zullen zij zich niet langer verzetten tegen dienstneming in het leger, maar opgestookt door hun geestelijken, weigeren de Catalaanse boeren dienst te nemen. Als Olivares’ soldaten tijdens de winter worden ingekwartierd op het Catalaanse platteland, leidt dit tot aanvaringen met de bevolking, opstootjes en tenslotte tot een opstand. Olivares tracht vergeefs de Catalanen tot bedaren te brengen en op 7 juni wordt de onderkoning door het gepeupel vermoord. De hogere adel en de stedelijke aristocratie van Catalonië willen een vreedzame schikking, maar het platteland is helemaal losgeslagen. De diputació, de enige resterende legale instantie, wordt geleid door de vastberaden geestelijke Pau Claris, kanunnik van Urgel, die niet bereid is concessies te doen. Agenten van Richelieu stoken de onrust verder op en stellen voor, dat de Catalanen zich verbinden met het Frankrijk van Louis XIII. Voor Olivares is het van groot belang over meer troepen te beschikken, om de Catalaanse opstand neer te slaan. In de herfst van 1640 schraapt hij de laatste manschappen die hij kan vinden, bij elkaar en zendt hen uit tegen de Catalanen. Hij wil 6.000 Portugezen rekruteren op Portugals kosten en hij beveelt de Portugese fidalguia, onder wie de hertog van Bragança, mee te doen aan het neerslaan van de opstand van de Catalanen. Nadat Portugal zijn onafhankelijkheid zal hebben herkregen, beantwoordt Claris dit gebaar door in januari 1641 trouw te zweren aan de koning van Frankrijk “zoals in de tijd van Karel de Grote.” Daarop stromen Franse troepen Catalonië binnen. Zij worden teruggetrokken als de burgeroorlogen in Frankrijk weer oplaaien. In 1652 heroveren de Castilianen Catalonië. De hogere klassen van de Catalaanse maatschappij zijn opgelucht dat de oude toestand is hersteld, want zij hebben inmiddels ervaren dat de Fransen weinig geschikte meesters zijn. En Castilië heeft zijn les geleerd; het hoedt zich ervoor dezelfde fouten te maken als voorheen; de vrijheden en privileges van Catalonië worden volledig hersteld.

Terwijl Olivares zijn handen meer dan vol heeft aan de Catalanen, is het voor de Portugezen meer dan ooit tijd om hun lot in eigen hand te nemen. De groep samenzwerende edelen en hoge ambtenaren, die onderhandelingen voeren met Dr. João Pinto Ribeiro, de agent van de hertog van Bragança in Lissabon, dringen er bij hem op aan de troon te verwerven. In de maand november worden er geheime bijeenkomsten belegd en er wordt beslist dat er op 1 december, ’s morgens om 9.00 uur, gestaakt zal worden. Gelet op de voorzichtigheid van de hertog van Bragança, wordt hem dit besluit niet medegedeeld. Patriottische burgers van Lissabon worden pas op het laatste moment ingelicht, maar velen zijn niet optimistisch over de kans op succes. Op de morgen van 1 december hebben veertig samenzweerders zich verzameld op het Terreiro do Paço. Als de klok van de kathedraal negenmaal slaat, rennen zij de trappen op, schuiven de wachters opzij en gaan op zoek naar Vasconcelos. Hij wordt doodgeschoten en zijn lichaam wordt uit het raam gegooid. Prinses Margareta schreeuwt om hulp vanuit een raam van het paleis, maar zonder effect: zij wordt gearresteerd. Er wordt geen tegenstand ondervonden en er worden drie interimgouverneurs aangewezen, totdat de hertog van Bragança zal zijn gearriveerd.

i Isabella wordt na het overlijden van haar man, waarover zij aanvankelijk ontroostbaar is, benoemd tot gouverneur van de Lage Landen, die zij voor haar neef Philips IV tot haar dood in 1633 bestuurt

ii Ook het Kaapverdische eiland Fogo rebelleert tegen Philips II

iii In 1590 vlucht Philips’ secretaris Antonio Pérez, als gevolg van een hofintrige, naar Aragón. Philips II laat hem berechten door de inquisitie, maar de bevolking van Zaragoza bevrijdt hem en dood Philips’ speciale vertegenwoordiger. De Aragónezen denken hun vrijheden te verdedigen, maar in Philips’ ogen zijn zij openlijk in opstand gekomen. Een Castiliaans leger valt Aragón binnen (1591) en Philips beknot de Aragónese autonomie, onder meer door de bepaling dat de onderkoning van Aragón ook een Castiliaan kan zijn

iv De Encyclpædia Britannica geeft bewijs van Lerma’s incompetentie zijn foutieve beoordeling van politieke krachten in Engeland, wat leidt tot de absurde hoop dat hij de infanta Isabella Clara Eugenia, dochter van Philips II en Elizabeth van Valois en de vrouw van aartshertog Albrecht de Austria op de Engelse troon kan zetten na het overlijden van koningin Elizabeth. Hij zendt in 1601 een klein eskader naar Kinsale in Ierland, om met Ierse rebellen samen te werken. Het Engelse leger heeft er weinig moeite mee het geallieerde legertje tot de overgave te dwingen.

v Het lovende oordeel over Moura van Oliveira Marques wijkt sterk af van de veroordeling van diens houding door Dauril Alden (zie voetnoot 12).

vi Hij heeft onder meer op 2 september 1604 de havenstad Oostende, die al drie jaar belegerd wordt, ingenomen

vii De eerste artikelen van de capitulatieovereenkomst van 25 november garanderen de inwoners van Granada daadwerkelijk het behoud van hun geld en hun eigendommen; vrijheid van geloofsuitoefening in hun moskeeën, zonder dat obstakels worden opgeworpen, dus met openbare oproepen van de muezzin tot gebed vanaf de minaret; het van kracht blijven van hun wetgeving – de Sharia en Soenna – en handhaving van traditionele gezagsdragers (alcadíes, alguaciles en almotacenes) en tenslotte de mogelijkheid om in de komende drie jaren te emigreren, zonder gehouden te zijn voor de overtocht te betalen, of naar Granada terug te keren. De vorsten verplichten zich ook het oude belastingsysteem te handhaven en geen bijdragen in de vorm van ‘sofras’ te heffen, of het verrichten van bijzondere dienstverlening te verlangen, noch om christenen onderdak te verschaffen. De capitulatievoorwaarden besteden bijzondere aandacht aan gevangenen en overlopers (elches). Wat de eerste categorie betreft bepaalt een van de eerste artikelen dat overeengekomen is dat alle gevangenen, zowel christenen als moslims, moeten worden vrijgelaten. Over de elches is besloten dat zij niet verplicht zijn tot het christendom terug te keren. Als zij daarvoor wel kiezen en ze zijn gehuwd dan kunnen hun vrouwen en wettige kinderen moslim blijven.

viii De inleiding tot het 1e bedrijf vindt plaats in september 1635, als de rector van São Antão zich bij zijn generaal erover beklaagt, dat capelas die eigendom zijn van de Societas Jesu en van de Kerk niet worden erkend door de Kroon. Het 1e bedrijf begint als de pas aangekomen Castracani deze klacht verneemt en in een brief die hij op palmzondag in alle kerken laat voorlezen, iedereen die zich schuldig maakt aan usurpatie van capelas met excommunicatie bedreigt. Nu komen Areda en Cunha in het geweer. Het eerste bedrijf eindigt als Philips IV zijn corregadores oproept om geestelijken die de buitensporige standpunten van Castracani steunen ferm aan te pakken. Het 2e bedrijf vangt aan met een uitsprak van de Casa da Suplicação, welk hoogste appéltribunaal zich schaart aan de zijde van de Kroon. Castracani krijgt de opdracht zijn brief in te trekken. Hij doet dit, maar maakt bekend dat “het hem er nooit om te doen is geweest het gezag van de Kroon aan te tasten; hij heeft de gelovigen slechts willen wijzen op de gevolgen voor degenen die zich vergrijpen aan eigendommen van de Kerk. Met deze verklaring doet Castracani de corregadores bepaalt geen plezier, maar zij worden helemaal razend als paus Urbanus VIII zich in zijn bul van 5 juli 1638 vierkant achter Castracani opstelt. Op verzoek van onderkoning Margareta tracht Frei Luís Brandão s.j. Castracani te doen inbinden. Zij missie faalt, waarmee het 2e bedrijf eindigt. Het 3e en laatste bedrijf begint met een stunt: op 25 juni 1639 geeft Castracani een plechtige waarschuwing uit aan allen die het oog hebben laten vallen op land van de Kerk en hij legt alle dienaren van de Kerk een interdict op. Het is de derde keer sinds 1616 dat de apostolisch inzamelaar zijn toevlucht neemt tot dit dreigement. Prinses Margareta geeft Castracani bevel het land direct te verlaten, maar deze weigert dit. Hierop zendt Margareta een magistraat met een aantal soldaten naar Castracani. Zij zetten hem gevangen in zijn eigen kamer. Na een week, waarin hij geen warme maaltijd heeft genoten, vlucht Castracani via een venster naar een nabijgelegen franciscanerklooster. Hij wordt echter gearresteerd en opgesloten op een boerderij aan de overkant van de Taag. Een paar dagen later, op 6 september 1639, wordt de inzamelaar, geëscorteerd door 50 bewakers naar de grens met Castilië gebracht. Het doek valt als hij de grens overschrijdt, na al zijn bewakers te hebben geëxcommuniceerd.

ix Admiraal Maarten Harpertzoon Tromp ontmoet de Spaanse armada (volgens de Encyclopædia Britannica bestaande uit 45 oorlogsschepen en 30 gehuurde koopvaarders, voor het transport van 13.000 recruten naar Vlaanderen) onder bevel van admiraal Don Antonio de Oquendo, op 15 september met 13 schepen onder zijn bevel; zijn andere eskaders kruisen in het Kanaal en voor Duinkerken. Als de volgende dag nog vijf Hollandse schepen arriveren, besluiten de Hollandse kapiteins de Spaanse armada aan te vallen. Na een strijd van zes uren moet de armada zich terugtrekken voor reparaties. Onder de vele recruten aan boord zijn al extreem veel slachtoffers gevallen. Wegens gebrek aan wind vinden er de volgende dag geen acties plaats, maar de Hollandse vloot krijgt versterking van een Zeeuws eskader en op de vroege morgen van 18 september valt Tromp de armada aan in het Kanaal en ’s middags trekt Oquendo zivh terug op de neutrale rede van Downs. Nadat Tromp in Calais buskruit heeft ingenomen, volgt hij hem. Een Engels eskader, onder Sir John Penington scheidt (of observeert) de beide vijandelijke vloten. Op 10 oktober is de voortdurend aangroeiende Hollandse vloot sterk genoeg om de Spanjaarden uit te dagen en op 21 oktober valt Tromp aan, waarbij Peningtons schepen er weinig toe doen. In deze Slag bij Downs wordt de armada volledig verslagen en lijdt ernstge verliezen aan manschappen en schepen.

x Bedoeld is het aan hun lot overlaten van veel schepen van de armada, na de min of meer onbesliste Slag bij Itamaracá.

1.3. De inquisitie