Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

Inleiding. De opkomst en bloei van Macau

Deel 20 Index

Hoofdstuk 1

De opkomst en bloei van Macau

1.0 Inleiding

Geschreven door Arnold van Wickeren

In eerdere delen van dit boek is al enige keren aandacht geschonken aan de relatie tussen het Chinese keizerrijk en de Portugese veroveraars. In § 7.8 van deel VI zijn de eerste handelscontacten tussen de Portugezen en de Chinezen besproken en is melding gemaakt van de verstoorde relatie tussen beide handelspartners; ook is verhaald over de reis van ambassadeur Tomé Pires naar het keizerlijke hof in Beijing, die eindigt met zijn arrestatie en met zijn overlijden in gevangenschap. In § 3.1 van deel X wordt de niet-officiële handel tussen Portugezen en Chinezen in de jaren 1522-1538 behandeld. Tenslotte is hoofdstuk 3 van deel XII in zijn geheel gewijd aan de handelsrelatie (van Portugal) met China. De inleiding bestaat uit een bespreking van de tochten van de ‘Grote Vloot’ naar de Indische Oceaan in de jaren 1403-1433 meestal onder bevel van admiraal Cheng Ho en uit een resumé van de verstoorde handelsrelatie gedurende het tijdvak 1515-1538. In § 3.1 wordt aandacht gegeven aan de verstoorde betrekkingen in de periode 1538-1546. In deze paragraaf zijn met vele aan Fernão Mendes Pinto ontleende verhalen opgenomen. In § 3.2 wordt verteld op welke wijze onderkoning Chu Huan tegen de Portugese smokkelaars optreedt en § 3.3 is gewijd aan de opkomst van Macau.

Macau bestaat uit een klein, bijna volledig bebouwd, schiereiland en twee eilanden. Het ene, Taipa, is iets kleiner, het andere, Coloano, iets groter dan het schiereiland. De naam Macau is afgeleid van A-ma-o of A-ma-ngao, dat wil zeggen Baai van Ama (godin van zeelieden). De pittoreske tempel gewijd aan deze godin bij de ingang van de binnenhaven is het oudste gebouw van Macau en het is waarschijnlijk weinig veranderd sedert Fernão Mendes Pinto1 en zijn landgenoten het gebouw in 1555 voor het eerst zagen.

De godin Ma of Ama zou een van de openbaringen zijn van Kwan Yin, de godin van de barmhartigheid, het populaire boeddhistische equivalent van Onze Lieve Vrouw. Boxer merkt op dat het misschien niet ongepast zou zijn geweest dat de Chinese godin van barmhartigheid vervangen zou zijn door haar opvolgster, de meelevende christelijke Koningin des Hemels. De eerste Portugese kolonisten noemen hun nieuwe woonplaats Povoação do Nome de Deos na China. In plaats van povoação (vestigingsplaats) spreekt men soms van Porto do Nome de Deos of Porto de Amacao en zelfs van Porto da China. In 1586, als Macau zal zijn uitgegroeid tot een Cidade zal de naam formeel gewijzigd worden in Cidade do Nome de Deos na China. De Portugezen beschikken bij Macau niet over landerijen die; in cultuur gebracht kunnen worden. Ze zijn daarom voor de aanvoer van levensmiddelen volledig afhankelijk van de medewerking van de provinciale autoriteiten van de omringende Chinese provincie Kwangtung. De Chinezen zouden de Portugezen op elk moment kunnen dwingen te vertrekken.

In 1563 wonen er al 900 volwassen Portugezen in Macau, naast enige duizenden mensen afkomstig uit Malakka, Indië en Afrika, van wie het overgrote deel uit dienaren en slaven bestaat en een minderheid handelaar is. Aanvankelijk zijn de vrouwen met wie de Portugezen leven Japanse, Maleise, Indonesische en Indische vrouwen en velen van hen zijn slaven. Nadat zich in de jaren zestig veel Chinezen in Macau vestigen, huwen Portugese mannen meer en meer Chinese vrouwen; vaak hebben zij slechts de status van concubine of leerling dienstmeisje (mui-tsai). In het begin van de jaren zestig van de zestiende eeuw benoemt het stadsbestuur van Macau Diogo Pereira tot ambassadeur naar Beijing om de keizer van het Hemelse Rijk verlof te vragen missionarissen naar China te zenden. Hij ontmoet evenwel moeilijkheden van de zijde van de Chinese autoriteiten en uit vrees dat zij de onschendbaarheid van zijn ambt niet zullen respecteren, zoals de ongelukkige Tomé Pires is overkomen, geeft Diogo Pereira zijn ambassade op door in Macau te blijven. Overigens is het hof in Lissabon zeer misnoegd over de informele benoeming van de ambassadeur naar de keizer van China.

De commerciële vooruitzichten voor de Portugezen in Macau zijn bijzonder rooskleurig. Er is bijna geen handelsverkeer tussen China en Japan, terwijl er in Japan grote vraag is naar Chinese zijde en in China naar Japans zilver. Het vrijwel ontbreken van handel tussen beide landen is een gevolg van het optreden van Japanse piraten, die in toenemende mate de Chinese kust, vooral die van Fukien, bedreigen. Dit is waarschijnlijk al vele jaren het geval; in de periode 1549-1561 is deze zogenaamde Wako-crisis op haar hoogtepunt, maar rond 1480 heeft de Ming-keizer de handel tussen China en Japan al formeel verboden. Er is alleen sprake van enige smokkelhandel tussen beide landen, want er zijn maar weinig Japanse handelsschepen die de reis naar China wagen, omdat de Chinese kustprovincies voortdurend worden bedreigd door de angstaanjagende overvallen door niets en niemand ontziende Wako-piraten.. De Portugezen verkrijgen hierdoor tijdelijk vrijwel het monopolie op de Sino-Japanse handel. De eerste jaren na de ontdekking van Japan in 1542 is de handel met China en Japan voor iedereen open, maar vanaf 1550 wordt de handel op monopolistische basis gestoeld, in overeenstemming met de economische en politieke ideeën in die tijd. Het recht handel te drijven in de Chinese Zee is voorbehouden aan de Capitão-mor da Viagem da China e do Japão. Deze autoriteit wordt jaarlijks aangewezen door de koning van Portugal of door diens plaatsvervanger in Goa. De zeer lucratieve post is een beloning voor een fidalgo die zich heeft onderscheiden. Erg bijzonder is dat niet, want de handel met de Molukken, Bengalen, Pegu, Moçambique en andere plaatsen zijn eveneens gestoeld op een koninklijk monopolie, waarvan een fidalgo, die ’s konings gunst geniet, enige tijd de vruchten mag plukken.2 Als de begunstigde niet zelf in staat is de reis naar het Verre Oosten te ondernemen, kan hij zijn privilege verkopen aan een ander, die de reis met dezelfde voorrechten onderneemt. De Capitão-mor da Viagem da China e do Japão is gedurende zijn reis de erkende bevelhebber van de Portugese schepen en posten tussen Malakka en Japan en hij is ook de officiële gesprekspartner met de Chinese en Japanse autoriteiten. De haven van vertrek is gewoonlijk Goa (een enkele keer Jacatra) en de enige aanloophaven tijdens de reis is Malakka. De Capitão-mor da Viagem dient zelf zijn schip uit te rusten, maar soms kan hij het schip waarmee de jaarlijkse reis naar Japan wordt ondernomen van de koning huren, mits op voorwaarde van voldoende zekerheidsstelling.

De Portugezen verwerven in China ruwe en bewerkte Chinese zijde, waarnaar in Japan veel vraag bestaat en dat verreweg het belangrijkste exportartikel van China naar Japan is. Zij geven daarvoor Japans zilver, naar welk artikel in China veel vraag bestaat. Andere Chinese exportproducten zijn goud, muskus, koper en porselein. De Portugezen zijn in de zestiende eeuw de enige aanbieders van Europese goederen in Japan en zij exporteren ook kleding en stoffen naar dat land.

1 Er is een brief van Pinto bewaard gebleven die hij geschreven heeft vanuit Macau; hij schrijft daar in november 1555, te zijn aangekomen, tezamen met de jezuïet Belchior Nunes Barreto.

2 Zie in dit verband deel XI, pag. 158, voor de privileges die kapiteins van de naus da carga in Pulicat in 1548 genieten.

1.1 Een nieuw centrum voor Sino-Portugese handel

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme Spaanse kolonialisme

Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee. DEEL 20

Geschreven door Arnold van Wickeren

Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee. DEEL 20

De opkomst en bloei van Macau; de komst van andere Europeanen naar het Verre Oosten; de achteruitgang en stagnatie van de Sino-Portugese handel; de Christelijke eeuw in Japan (1549-1650) en de missie van de jezuïeten in China

INDEX

Verantwoording

Glossarium

Hoofdstuk 1 De opkomst en bloei van Macau

1.0 Inleiding

1.1 Een nieuw centrum voor Sino-Portugese handel

1.2 De commerciële bloeitijd van Macau

Hoofdstuk 2 De komst van andere Europeanen naar het Verre Oosten

2.0 De Spanjaarden

2.1 Het lot van de Madre de Deus

2.2 De Hollandse uitdaging

2.3 Toenemende Chinese achterdocht

2.4 Japanse afkeer en wantrouwen

2.5 De nieuwe politiek van de Chinezen

2.6 Vergeefse Hollandse pogingen zich meester te maken van Macau en van het monopolie van de handel met China

Hoofdstuk 3 Achteruitgang en stagnatie van de Sino-Portugese handel

3.0 Slecht bestuur en interne verdeeldheid

3.1 Het verlies van de handelsprivileges in Canton

3.2 Meedogenloze Hollandse en Engelse agressie

3.3 Het verlies van de handel met Japan

3.4 De val van Malakka en de verbreking van de commerciële betrekkingen met Manila

3.5 Macau vanaf het dieptepunt tot circa 1700

Hoofdstuk 4 De Christelijke eeuw in Japan (1549-1650)

4.0 Inleiding

4.1 Christendom en Kurofune (zwarte schepen)

4.2 Jezuïeten, bedelorden en Toyotomi Hideyosh

4.3 De Nossa Senhora da Graça

4.4 De komst van de Hollanders en Engelsen naar Japan

4.5 De vervolging van de christenen

4.6 Het gesloten land

Bijlage: De missie van de jezuïeten in China

Verantwoording

Bij het schrijven van mijn door Hogeschool Alkmaar in 1994 uitgebrachte boek ‘Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee (ISBN 90-802098-1-3)’ moesten veel zaken onbesproken blijven, om het eendelige werk niet veel te omvangrijk te maken.

Onvrede over deze beperking en het beschikken over veel meer vrije tijd dan toen ik nog werkte, zijn de redenen geweest mijn eerste boek uit te werken in afzonderlijke delen. Dat deze uitwerking geschiedt mede aan de hand van veel niet eerder geraadpleegde literatuur spreekt voor zich.

In september 1996 is deel I verschenen en in de herfst van 2009 is deel XX gereed. Uit hoeveel delen van circa 250 pagina’s het totale werk zal bestaan laat zich thans nog niet schatten; ik hoop dat het mij gegeven zal zijn nog vele delen te schrijven.

Deze verschijnen in een beperkte oplage en zijn bestemd voor universiteits- en andere openbare bibliotheken in Nederland en Vlaanderen, alsmede voor belangstellenden uit eigen kring. Met het uitbrengen van de delen staat mij geen commercieel doel voor ogen. Daarom is de uitvoering zo goedkoop mogelijk gehouden.

In oktober 2006 leek een publieksuitgave van de tot dan toe uitgebrachte en de nog te schrijven delen onverwachts binnen handbereik. Nadat ik ervaren had dat een commerciële uitgave van mijn werk onaanvaardbare concessies van mij zouden vergen, heb ik daarvan afgezien en ben op de oude voet voortgegaan.

Wat mij in de geschiedenis van Portugal van jongs af aan vooral fascineert zijn de voortrekkersrol die het land heeft gespeeld in de ontdekking van de wereld en ’s lands maritieme expansie. Mijn boek gaat daarom voornamelijk over de verrichtingen van de Portugezen overzee in drie continenten.

Het gaat dan om zaken als: de wereldwijde maritieme expansie in de vijftiende en in de eerste helft van de zestiende eeuw; de eerste tekenen van verval van de Portugese positie in Azië in de tweede helft van de zestiende eeuw en de vrijwel volledige teloorgang daarvan, mede door toedoen van de VOC, in de zeventiende eeuw; de strijd tegen de WIC om Brazilië en de Portugese gebieden in West-Afrika in de zeventiende eeuw; de bloei en het verlies van Brazilië in de achttiende, respectievelijk de negentiende eeuw; de uitbouw van het koloniale rijk in Afrika naar de binnenlanden aan het einde van de negentiende en in de eerste helft van de twintigste eeuw en het einde van de imperiale droom aan het begin van het laatste kwart van de vorige eeuw. Deze en soortgelijke zaken komen uitvoerig in dit werk aan de orde, terwijl de bespreking van de ontwikkelingen in Portugal zelf de noodzakelijke achtergrondinformatie geeft, waaruit het optreden overzee kan worden begrepen.

Bij het schrijven van elkaar opvolgende delen, is het soms gewenst zaken in te leiden met al dan niet samengevatte teksten uit voorgaande delen, waardoor enige overlap ontstaat. Er is temeer sprake van overlap als, zoals in mijn geval, het aantal deeltjes groot is, omdat de beschouwde periode soms maar enige decennia omvat. Daarom heb ik besloten te beginnen met deeltje XIII de te behandelen periode aanzienlijk te vergroten. Deel XIII en een aantal volgende delen omvatten dan ook de regeringsperioden van koningen Sebastião (1557-1578), kardinaal Henrique (1578-1580) en de Spaanse Habsburgers (1580-1640)

In de ‘Verantwoording’ van voorgaande delen is in zeer korte vorm vermeld wat de inhoud is van het betreffende deel en van voorafgaande delen. Deze methodiek leidt ertoe dat de verantwoording bij elk nieuw deel qua omvang toeneemt. Bij deel XV en volgende delen volsta ik ermee te zeggen dat in de delen I t/m XII wordt besproken de periode vanaf de prehistorie tot aan het overlijden van Dom João III in 1557, dat in deel XIII de gebeurtenissen aan de orde komen die uiteindelijk in 1580 hebben geleid tot de personele unie van de Spaanse en de Portugese troon en het zestigjarige bestuur van de Spaanse Habsburgers over Portugal en zijn overzeese imperium. Deel XIII verhaalt voorts Sebastião’s rampspoed in Marokko, de ontwikkelingen van de Atlantische eilanden en in West-Afrika tijdens de periode 1560 tot1640, waarin de strijd om en het verlies van het Fortaleza de São Jorge da Mina centraal staat. Deel XIV gaat over de bemoeienissen van de Portugezen met Angola en Kongo in hetzelfde tijdvak en over de Portugezen aan de Swahilikust van 1560-1600. Deel XV behandelt de ontwikkelingen in en rond de Estado da India onder de capitães-gerais Dom Constantino de Bragança t/m Dom Francisco da Gama (1558-1600). Idealiter zou in deel XVI besproken zijn de geschiedenis van de Estado da India vanaf het begin van de zeventiende eeuw tot aan het herwinnen van de Portugese onafhankelijkheid in 1640. Gelet op de verhalende vorm waarin de materie wordt behandeld, met specifieke aandacht voor curieuze details aan de ene kant en de nog immer toenemende omvang van de geraadpleegde literatuur aan de andere kant, is dit een onmogelijke opgave gebleken. In deel XVI worden de ontwikkelingen in de Estado da India besproken tot aan de komst van Hollanders en Engelsen naar Azië, wat uiteindelijk de teloorgang van Portugals positie in dat werelddeel zal inluiden. Het derde, tevens laatste, hoofdstuk is gewijd aan de Portugezen aan de Tamilkust in de periode 1560-1680. In dit deel zijn buiten beschouwing gebleven het Portugese optreden elders in Azië, zoals op Ceylon, aan de Golf van Bengalen, in Birma, Siam, Achter-Indië, Malakka, de Molukken en de Banda-eilanden, Solor en Timor, in China (Macau) en Japan en tenslotte aan de Swahilikust, die aanvankelijk ook tot de Estado da India gerekend werd. In deel XVII wordt de bespreking van de Estado da India voortgezet met de rampzalige periode 1623-1640 (hoofdstuk 1), hoofdstuk 2 gaat over de Portugezen in Bengalen en in het derde en laatste hoofdstuk wordt aandacht geschonken aan de Portugezen, Spanjaarden en Hollanders in Siam en Achter-Indië. Deel XVIII is geheel gewijd aan de niet aflatende oorlogen in Ceylon tijdens de Habsburgers; deel XIX behandelt Portugees Malakka, de Molukken en de Kleine Soenda eilanden in dezelfde periode; het onderhavige deel XX ten slotte is gewijd aan de geschiedenis van Macau en aan de handel in vooral Chinese zijde van Macaunese kooplieden in Japan, aan de pogingen Japan te kerstenen en aan de onbarmhartige vervolging van de missionarissen en hun bekeerlingen. Deel XX wordt besloten met de missie van de jezuïeten in China.

Bij het schrijven van dit werk sta ik als een dwerg op de schouders van reuzen. Dezen hebben de oorspronkelijke bronnen ontcijferd en daaruit de soms tegenstrijdige gegevens geschift, geordend, geduid en van annotaties voorzien. Ik heb mij slechts tot taak gesteld uit de veelheid van boeken de meest bruikbare te kiezen. Naarmate ik al doende meer inzicht verwerf in de zeer uitgebreide bibliografie van de Portugese aanwezigheid overzee, wordt het kiezen uit de immer aanzwellende stroom studies, moeilijker. Aan de ene kant is de verleiding groot zoveel mogelijk gebruik te maken van literatuur waarin aandacht wordt geschonken aan de heldenmoed, lotgevallen en euveldaden van individuele personen, omdat deze kleur geeft aan de historie. Maar aan de andere kant leidt te grote aandacht voor details ertoe dat ik het werk waaraan ik vele jaren geleden ben begonnen, niet zal kunnen voltooien. Ik moet dus schipperen en zal gedetailleerde beschrijvingen moeten afwisselen met stukken die een globaal overzicht verschaffen. Bij de keuze van te raadplegen literatuur staat Dr. B. N. Teensma mij met raad en daad terzijde; ook heeft hij mij een aantal boeken van zijn hand geschonken en mij gestimuleerd op de ingeslagen weg voort te gaan. Tenslotte heeft hij een lovend voorwoord bij deel XIII verzorgd. Voor dit alles zeg ik hem oprecht dank. Mijn erkentelijkheid gaat ook uit naar Prof. Dr. Leonard Blussé voor zijn bemoedigende reacties op de eerder verschenen delen, voor zijn voorwoord bij deel XIX en voor de werken die ik van hem heb mogen ontvangen. Van Dr. Ir. Ernst van Veen en Dr. Arend de Roever ontving ik hun dissertaties. Beiden zeg ik oprecht dank voor de waardevolle aanwinsten van mijn boekenlijst. Voorts gaat mijn dank uit naar Arie Pos, die van meet af aan belangstelling voor mijn werk heeft getoond en die het voorwoord van deel XVII heeft verzorgd Sedertdien loopt hij alle delen voor publicatie zorgvuldig na op type- en taalfouten. Daarnaast heeft hij nog enige waardevolle correcties voorgesteld. Voor dit alles ben ik hem zeer dankbaar. Ook vermeld ik met genoegen de voortreffelijke website Dutch-Portuguese colonial history https://www.colonialvoyage.com/ van Marco Ramerini. Deze site met zijn vele links vormt voor mij een bron van inspiratie en een uitstekende checklist voor zowel data als relevante literatuur. Marco Ramerini heeft mij ook voorzien van literatuuradviezen; heeft mij geattendeerd op relevante websites, zaken voor mij opgezocht en literatuur met mij uitgewisseld. Hij is thans doende al mijn delen op zijn website te zetten. Voor zijn vele blijken van vriendschap ben ik hem zeer dankbaar. Naast de website van Ramerini neemt het aantal bruikbare websites voortdurend toe. Vooral de Wikipedia, the free encyclopedia, blijkt hoe langer hoe meer een waardevolle bron van kennis te zijn.

Hierna volgt een opsomming van de bij het schrijven van dit deel vooral geraadpleegde literatuur; daarbij zijn de werken waaraan ik het meest heb gehad, vet vermeld. In het laatste deel van dit werk zal een volledige literatuurlijst worden opgenomen.

Voor deel XX in zijn geheel zijn de volgende algemene handboeken geraadpleegd:

Leonard Blussé & Jaap de Moor: Nederlanders Overzee; de eerste vijftig jaar 1600-1650, Franeker, 1983;

Charles Ralf Boxer: The Portuguese Seaborne Empire 1415-1825, London, 1969;

Charles Ralf Boxer: The Dutch Seaborne Empire 1600-1800, London, 1965;

H.V. Livermore: A New History of Portugal, Cambridge U.K., 1966;

A.H. de Oliveira Marques: History of Portugal, Volume I & II, New York, 1976;

José Hermano Saraiva: História concisa de Portugal; Lisboa, 1979;

Ernst van Veen: Decay or Defeat? An inquiry into the Portuguese decline in Asia 1580-1645, Research School of Asian, African and Amerindian Studies Universiteit Leiden, The Netherlands, 2000;

VOC-Internet sites

Arnold van Wickeren: voorgaande delen van dit werk.

Naast deze boeken is voor het schrijven van deel XX gebruikgemaakt

van een aantal specifieke werken.

Alden, Dauril: The Making of an Enterprise; The Society of Jezus in Portugal, Its Empire, and Beyond, 1540-1750, Stanford University Press, Stanford, California, 1996;

Bontekoe, W.Y.: Journaal van Willem Ysbrandsz. Bontekoe, uitgegeven naar de oorspronkelijke tekst met woordverklaringen door Clara Eggink, H.D. Tjeenk Willink & Zoon N.V., Haarlem, 1957;

Boxer, C.R.: Fidalgos in the Far East 1550-1770, Fact and Fancy in the History of Macau, Martinus Nijhoff, The Hague, 1948;

Boxer, C.R.: The Christian Century in Japan 1549-1650, University of California Press, Berkeley and Los Angeles, 1967;

Bozan Shao Xunzheng et Hu Hua, Jian: Histoire Generale de la Chine, Editions en Langues Etrangeres, Beijing, 1982;

Chang, T’ien-Tsê: Sino-Portuguese Trade from 1514 to 1644: A Synthesis of Portuguese and Chinese Sources, Late E.J. Brill Ltd, Leyden, 1969;

Danvers, Frederick Charles: The Portuguese in India, Volume I & II, W.H. Allen & Co. Ltd., London, 1894;

Gomes, Luís Gonzaga: Algumas Noções sobre a história de Macau, Internet, 17 pagina’s

IJzerman, J.W.: De reis om de wereld door Olivier van Noort, 1598-1601, twee delen, Martinus Nijhoff, Linschoten-Vereeniging XXVII, ‘s-Gravenhage, 1926;

Kiichi Matsuda: The relations between Portugal and Japan, Junta de Investigações do Ultramar and Centro de Estudos Históricos Ultramarinos, Lisbon, 1965;

Lacouture, Jean: Jésuites, Tome 1, Les Conquérants, Éditions du Seuil, Paris, 1991;

Levathes, Louise, Le Navigateurs de l’Empire Céleste; La Flotte Impériale du Dragon 1405-1433, traduit de l’Americain par Isabelle Leymarie, Édition Filipacchi, Levallois-Perret, 1995;

Mac Leod, N.: De Oost-Indische Compagnie als zeemogendheid in Azië, 1602-1650, twee delen, Blankwaardt & Schoonhoven, Rijswijk (Z.H.), 1927;

Morga, Antonio de: Sucesos de las Islas Filipinas, translated and edited by J.S. Cummins, Hakluyt Society, Cambridge University Press, London, 1972;

Pinto, Fernão Mendes: Peregrinação, vertaald door Arie Pos en uitgegeven onder de titel Pelgrimsreis, Uitgeverij de Prom, Baarn, 1992;

Souza, George Bryan: The Survival of Empire: Portuguese Trade and Society in China and the South China Sea, 1630-1754, Cambridge University Press, Cambridge, 1986;

Wieder, F.C.: De reis van Mahu en De Cordes 1598-1600, Delen 1 en 3, Linschoten-Vereeniging XXI en XXIV , Martinus Nijhoff, ‘s-Gravenhage, 1923/1925;

Oliveira e Costa, João Paulo: The Padroado and the Catholic Mission in Asia during the 17th century, Conference: “Rivalry and Conflict, European Traders and Asian Trading networks, 16th and 17th century”; Ilhas-conference 23-26 june 2003, Leiden/Wassenaar;

Ook is veelvoudig en intensief gebruik gemaakt van het alsmaar toenemende aantal Internetsites, naast de hiervoor al vermelde sites, waardoor de tot voor kort gebruikte naslagwerken, als de Encyclopædia Britannica, Le Petit Robert des Noms Propres, 2003 en vele andere vervangen konden worden door De schrijver opzoeken op het Internet.

Velen hebben mij gestimuleerd voort te gaan met het bestuderen van en het schrijven over het gekozen studiegebied; anderen hebben mij daadwerkelijk geholpen. Tot degenen op wie ik een beroep kon doen om technische problemen met de P.C. te overwinnen behoren mijn zoon Stef en mijn buurman Kai de Jong. Hun zeg ik daarvoor dank. Het personeel van Multicopy in Heerhugowaard zeg ik dank voor de keurige verzorging van dit deel van mijn werk. Tenslotte spreek ik in het bijzonder mijn dank uit aan mijn vrouw, die – na mijn pensionering — mij weinig met huishoudelijke taken belast, maar mij alle gelegenheid geeft dit boek te schrijven.

De schrijver

Glossarium

Geschreven door Arnold van Wickeren

bakufu: hofhouding van de shōgun

bugyo: commissaris of gouverneur

capitão da terra: bestuurder van een plaats, die geen schepen onder zijn bevel heeft

capitão-ge(ne)ral: is de rang van de capitão aan de Minakust, van de conquistador van het Ilha de Ceilão, van de governor-geral van Brazilië, van de governor-general van de Estado da India en later ook van de capitão van Macau en de capitão van de Kleine Soenda eilanden.

caravela (karveel): langwerpig zeilschip van zestig tot honderd ton, met geringe diepgang en een hoog dek, een achterkasteel en twee of drie latijngetuigde masten

casado: gehuwde Portugese kolonist

chos: zeewaardige jonk

cruzado oude gouden Portugese munt met een gewicht van 3,58 gram en een gehalte van 23,75 karaat en vanaf 1514 een waarde van 400 reais.

daikwan: commissaris of magistraat

daimyo “Grote naam”feodale en territoriale heer

dojuku: acoliet of catechist

farting: oude Britse koperen munt ter waarde van een kwart penny

fidalgo: zoon van iemand (filho d’algo), edelman

fusuma: wijze van schilderen

fusta (fust of hulk), lang en plat roei- en zeilschip met een of twee masten

galeão (galjoen): Portugees oorlogsschip, veel gebruikt door piraten. Evenals de caravela redonda voorzien van latijn- en rondzeilen, maar met minder diepgang en tonnage (400-600 ton) dan de nau, en daarom zeer wendbaar.

galjoot (galeota): kleine galei (16-20 riemen) met twee masten

hai-tao: admiral die het bevel voert over de kustbewakingsvloot van Kwangtung

hidalgo: Edelman (Spaans)

I-mu: Hoofdinspecteur van de Vreemdelingeni

Irmão: broer

juiz: rechter

kalpathi: radja van Cochin

kurofune: zwarte schepen

kwambaku: regent

kwintaal: centenaar = gewichtseenheid van 100 kilogrammen

lascar: inheemse soldaat op Ceylon

leviathan:: zeemonster of nijlkrokodil

naginata: is een stafwapen dat van oorsprong door samurai werd gebruikt. Het bestaat uit een houten staf met aan het uiteinde een gekromd lemmet.

manchua: vrachtboot met één mast en een vierkant zeil

Mesa de Relação: hooggerechtshof

mui-tsai: leerling dienstmeisje

namban-byobu: scherm van Zuidelijke barbaren

namban-ryor: koken in Europese stijli

nau (kraak): ): ‘groot schip,’ groot en

breed zeilschip (800 – 2.000 ton) met drie masten; de fokkemast heeft een latijnzeil, de grote en de bazaansmast hebben dubbele vierkante zeilen; aanvankelijk gebruikt als vrachtvaarder in de Carreira da India, later aangepast tot oorlogsschip.

nau da carga: kraak bestemd voor het

vervoer van goederen

ouvidor: auditeur

ito- pancada-systeem wappu) = bulkaankopen

Padroado Real: de exclusieve patronage van missieactiviteiten in gebieden die door de Heilige Stoel aan de Kroon van Portugal zijn toebedeeld

patacho: oorlogsschip van 200-400 ton uit de zestiende en zeventiende eeuw met een platte spiegel of vlak achterschip, dat later een meer ronde vorm zal krijgen

patronazgo: missieactiviteiten ondersteund door de Kroon van Spanje in Spaanse overzeese gebieden

peso: de peso was een munt van 8 realen. De peso de oro woog 27 gram en was voor 92% van zilver. De peso stond ongeveer gelijk aan de dollar (en de thaler en werd tot 1857 ook in de USA geaccepteerd.

pikol: Circa 120 pond.

piloto: loods

piloto-mor: ervaren loods aan boord van een nau

procurador da India:openbaar aanklager van de Esyado da India

provedor-mor da fazenda: schatkistbewaarder

reinol: in het moederland geboren Portugees, woonachtig overzee

roju: staatsraad van de shogun

rōnin: een samurai zonder meester tijdens de feodale periode (1185=-1868) van Japan. Een samurai verliest zijn meester als deze geruïneerd raakt of zijn privileges verliest.

sakazuki: een ceremoniële beker om daaruit bij speciale gelegenheden, zoals een bruiloft saké te drinken

samurai: militair edelman uit het voor-industriële Japan

Santa Casa da Nisericordia: Heilig Huis van Barmhartigheid

Sargento-mor: sergeant-majoor

Senado da Câmara: gemeenteraad

shōgun: is de afkorting van de title Seii

Taishōgun. Dit betekent ‘generaal die de barbaren verslaat en was oorspronkelijk de titel voor een Japanse militaire leider.

shuinjo = roodgezegelde brief

supercargo: benaming voor iemand met een adviserende of bemiddelende rol tussen enerzijds het schip en anderzijds de walorganisatiw

swivelgun: kanon geplaatst op een voetstul dat kan draaien en op en neer worden bewogen:

tael: voormalige Chinese munteenheid met een waarde van ongeveer 40 gram zilver

taiko: door Hideyoshi aanvaarde titel

vereador: lid van de gemeenteraad

xerafim: zilveren munt, aangemunt in Indië, met een gewicht van 22 gram en gedurende de eerste helft van de zestiende eeuw een waarde van 300 reais.

Hoofdstuk 1 De opkomst en bloei van Macau 1.0 Inleiding

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

De strijd om Timor Naschrift. De Kleine Soenda eilanden

Deel 19 Index

Hoofdstuk 3

De Kleine Soenda eilanden

3.1 De strijd om Timor Naschrift

Geschreven door Arnold van Wickeren

Of Fort Henricus nu in 1650 verlaten is of niet, in ieder geval breekt een periode aan waarin de rol van de Hollandse sterkte in de Kleine Soenda eilanden geheel wordt overgenomen door Kasteel Concordia in Koepang. Deze plaats dankt haar betekenis aan de energieke dominicaan Frei António de São Jacinto, die meer resultaten boekt bij de bekering van Timorese vorsten dan al zijn voorgangers. Gedurende de regeringsperiode van vice-rei João da Silva Tello de Menezes, conde de Aveiras (1640-1645) begint hij met de bouw van het fort in Koepang, waarvan hij heeft ingezien dat de plaats beschikt over de beste haven van het eiland en daarom de meest strategische plaats is. Zijn militaire inspanningen lokken onvriendelijke kritiek uit van Portugese handelaren op Flores, die er weinig voor voelen Flores te verlaten, met het gevolg dat Frei Jacinto o.p in 1649 wordt teruggeroepen naar Goa en dat zijn taak in Koepang wordt overgenomen door capitão-mor Francisco Carneiro de Siqueira, de opvolger van de stokoude Francisco Fernandes, die ruzie heeft gemaakt met de dominicanen in Larantoeka en die daarom in een andere kampong is gaan wonen. Ofschoon Francisco Carneiro het fort in Koepang uit zijn eigen zak zegt te hebben betaald, is hij nog niet ver met de bouw opgeschoten als de Hollanders het fort in 1653 overnemen. Het Opperhoofd in Solor, majoor Willem Verbeeck die de plaats in 1648 bezoekt, laat weten dat “het maer een huijsinge is voor drie à vier personen”. Vier jaren later, Koepang is nog steeds in handen van de Portugezen, is de plaats niet verder uitgebouwd. De dominicanen beschuldigen daarom capitão Francisco Carneira ervan het fort te hebben verontachtzaamd“ hij heeft het in handen gelaten van een paar dienaren, van wie de Hollanders het hebben overgenomen zonder een schot te lossen.

De Hollanders geven hun nieuwe bezitting de naam Concordia en kapitein Johannes Burgers brengt haastig 28 soldaten, 6 matrozen met een sloep, voedsel en ammunitie over van Fort Henricus, dat zich nimmer hersteld heeft van de aardbeving van 1648 en dat “genouchsaem gedemanteleert en open” gelaten wordt. Majoor Verbeeck, die zijn superieuren in Batavia ergert door een Solorese prinses te huwen, wordt vervangen door een officier die in een gevecht met de ‘Swarte Portuguees’, capitão Mattheus da Costa gedood wordt. Majoor Verbeeck sneuvelt rond 1652 op Timor. Een paar jaren later overkomt majoor Jacob Verheijden een soortgelijk lot door de handen van de avonturier van gemengd bloed António de Hornay (zoon van de afvallige Hollander Jan de Hornay en zijn inheemse vrouw of concubine). Verheiden werd: ”seer schendig van de zijnen verlaaten, en van dezen António d’Hornay met een slagzwaard ter neder gekapt is”, zoals Valentijn ons laat weten. Maar voordat majoor Verheijden wordt gedood, zendt hij ervaren verkenners, eigen soldaten en weerbaren van Injay Chili, met wie hij het zeer goed kan vinden, naar het in staat van burgeroorlog verkerende Timor. Nadat Verheijden een contract heeft gesloten met een aantal Timorese vorsten vertrekt hij met 700 à 800 lokale soldaten en 62 Hollanders met enkele schepen naar het land van Amabi, dat tegenover Koepang ligt. Voor de plaats Ammacone komt het tot een treffen met de Portugezen. Zij vallen de Hollanders aan met 2.000 met assegaaien bewapende Portugees gezinde Timorezen. Verheijden, die van geen wijken wil weten, komt tegenover een enorme overmacht te staan en wordt getroffen door het slagzwaard van António de Hornay.

Met het doel deze herhaalde tegenslagen te wreken wordt in 1656 de beroemde Arnold de Vlamingh van Outshoorn, die voorheen een einde heeft gemaakt aan een grote opstand op Ambon, naar Timor gezonden. De Vlamingh onderneemt twee expedities naar het achterland van Amarassi, waar de gecombineerde strijdkrachten van de Portugezen en de Toepassen op hem liggen te wachten, onder bevel van de geduchte halfbloed capitães, António de Hornay en Mattheus da Costa. Bij beide gelegenheden zijn de Hollanders gedwongen in verwarring terug te trekken en beschutting te zoeken in Casteel Concordia, waarbij zij in totaal 170 blanke soldaten naast talrijke inheemse helpers verliezen. Arnold de Vlamingh is zo ontmoedigd door deze onverwachte tegenslag dat hij Timor verlaat om naar Batavia te gaan, terwijl hij opdracht geeft Fort Henricus op Solor te verlaten. De Hollanders wijten de schuld voor hun nederlagen aan het overlopen van de inheemse dragers…..”Bij welk tussenval de swarten, siende wij aftogten, sodanich ontroerd werden, hun inbeeldende, d’onsen, door de vijand op de vlucht gedreven waren, sij pak, sak, ja ook er eige wapens afwierpen en als blode guilen op de loop gepeurd sijn”. Deze duidelijke lezing komt niet overeen met de mening van de ‘koningin’ van Solor. Zij beklaagt zich tegenover gouverneur-generaal Maetsuycker over het bevel van Arnold de Vlamingh van Outshoorn om Fort Henricus te ontmantelen en zij vraagt pathetisch “Wijders, wanneer de gouverneur heer Vlamingh uijt Ambon na Timor is getogen, wie zijn hem gevolcht anders dan die van onse negerijen….want de heer de Vlamingh is een groot man, doch ik ben maar een vrouwe, wat verstant ofte macht hebbe ick bij soo een groot man? Ende van degenen die in de tocht naar Timor achter de heer Vlamingh gevolcht sijn, wie heeft het kruit en de kogels gedragen, wie heeft de londt gedragen, waren het die van Roti, ofte van Sauwo, ofte van Ambei, ofte van Soenebay, ofte soldaten, ofte matroosen, ofte wie warense, die het volck dat op ’t geberchte gequetst wierde afgroegen tot aan de chaloupen? Deze waren immers mijn volck die het droegen, het sijn mede alle kinderen van sengadijs ende fraye lieden geweest, die alle tsamen zijn gebleven op Timor met Jacob van der Heijden; ende dat alleen om de saecke van de Compagnie, niet om eenige sake van ons op Solor”. De dominicaanse kroniekschrijvers wijten De Vlaminghs smadelijke nederlaag aan het verschijnen van hun patroonheilige op het slagveld en aan andere soortgelijke tekenen en wonderen.

De lezing over de mislukte veldtocht van Arnold de Vlamingh van Outshoorn van Arend de Roever wijkt niet onaanzienlijk af van de hiervoor gegeven lezing van Boxer. Zij luidt: In juni 1656 arriveert eindelijk, na jaren van beloftes aan de Timorese en Solorese vorsten het leger van Arnold de Vlamingh van Outshoorn. Zijn avonturen zijn tot in detail opgetekend door zijn secretaris Livinius Bor, die hij welhaast al zijn heldendaden heeft gedicteerd. De notities zijn in boekvorm verschenen, onder de titel: ‘Amboinse Oorlogen. Door Arnold de Vlamingh van Outshoorn, Als Superintendent over d’Oosterse gewesten Oorlogaftig ten einde gebracht, dat in 1669 postuum is verschenen1. De Vlamingh van Outshoorn zelf heeft natuurlijk ook verslag aan de gouverneur-generaal in Batavia gedaan en hij heeft al zijn vrije tijd besteed – door zijn zwakke gezondheid heeft hij veel dagen in bed doorgebracht – aan schrijven. Zijn verslagen belopen vele duizenden pagina’s dagboeken en beschrijvingen, en zijn nog steeds vrijwel onaangeroerd te vinden in het VOC-archief.

In overleg met Ter Horst wordt besloten in eerste instantie Amrassi aan te vallen. De troepen zullen versterkt worden door een lokaal leger, bestaande uit Koepangers, die het landschap kennen. Amrassi wordt gezien als een van de belangrijkste vorstendommen aan de zuidzijde van het eiland. Als de radja daar zou worden verslagen, zou dat de genadeslag voor de Portugezen moeten zijn. Door de centrale ligging tussen Batomian en Camenasse zouden deze immers de sandelhouthavens aan de zuidzijde van Timor kwijtraken en zich alleen nog in het noorden en noordoosten van het eiland terug kunnen trekken. De Vlaminghs leger van 450 soldaten wordt voor een week gefoerageerd en gaat op weg.

De eerste pech is een tropische plensbui, die de mannen na 30 kilometer zodanig overvalt dat De Vlamingh van Outshoorn een schuilplaats moet zoeken om het kruit droog te houden. Deze vindt hij niet, waardoor hij onverrichter zake naar Koepang terugkeert om beter weer af te wachten. Maar de Koepangse bondgenoten denken dat hij vlucht voor de vijand en zij gaan er zelf als hazen vandoor: “zij werpen pak, zak, ja ook hun eigen wapens af en zijn als de blode guilen op de loop gepeurd” Hoewel het geen regentijd meer is, is hij in de musim hujan-regens van Zuid-Timor terechtgekomen, die daar juist in dat jaargetijde veelvuldig voorkomen. Na een week is het weer opgeknapt en wordt de tocht opnieuw aangevangen. Gedurende de mars van drie dagen naar Amarassi wordt de invasiemacht op de bochtige en smalle paadjes en op de kammen van de bergen enkele malen onverhoeds aangevallen met pijlen, zonder dat men enig idee heeft waar deze vandaan komen. Het is een gewaagde onderneming om met een geheel leger, inclusief alle voorraden, kanonnen en zware ladders, speciaal meegenomen voor de bestorming van de ‘stad’, door het onherbergzame landschap te trekken. De Vlamingh moppert dat hij daarvoor niet gewaarschuwd is, maar hij ontploft bijna van kwaadheid als hij eindelijk voor Amarassi aankomt. De nederzetting is hem voorgespiegeld als: ‘’Een groot hecht bolwerck, maar waar hij nu is terechtgekomen “verscheelde zoveel met het mij afgeschilderde Amarassi als een olifant van een bonte kraai”, Amrassi blijkt te bestaan uit enkele hutten ‘maeksels als bijenkorven, zijnde drie op een heuvel en vier in het gebergte’. Het wordt snel duidelijk dat het gehucht verlaten is en De Vlamingh van Outshoorn kan weinig anders doen dan met zijn stormrammen, ladders en kanonnen terugkeren naar Koepang.

Livinius Bor vervloekt in zijn boek Ter Horst, die daar bijna tien jaren opperhoofd is geweest en kennelijk nog steeds geen flauw benul heeft van het Timorese landschap. Dit is overigens niet onlogisch, want vreemdelingen gaan op Timor nu eenmaal zelden of nooit het binnenland in en zij die dat wel doen, keren meestal niet levend terug. Kennis uit de eerste hand is er dus ook nauwelijks, ‘doch gedane zaken kunnen niet herdaan worden, het opperhoofd weet het ook niet anders dan uit horen zeggen’ schrijft Bor daarna iets genuanceerder, en zo onderneemt De Vlamingh de terugtocht. Maetsuycker zal later naar patria schrijven dat deze ‘aller olijkste boerenhutjes van de werelt’ niet eens de moeite waard zijn geweest om in brand te steken.

De Amarassiërs zien dat zij eigenlijk weinig te vrezen hebben. Ze komen uit hun schuilplaatsen en schieten vanuit het ‘niets’in het hun zo vertrouwde landschap met hun pijlen op De Vlaminghs mannen, zonder dat deze daar, met al hun militaire middelen, iets tegen kunnen doen. Daarop zet het garnizoen koers naar het strand en vraagt De Vlamingh van Outshoorn via vooruitgestuurde verkenners om schepen om hen op te halen. Zonder iets bereikt te hebben komt hij uiteindelijk in Koepang terug, met een verlies van 37 van zijn soldaten en nog eens 54 gewonden. De Vlamingh is woedend op de zogenaamde bondgenoten, waarvan de vorst van Sonbay volgens de verhalen wel 10.000 weerbare mannen op de been kan brengen, maar van wie hij er niet een gezien heeft. ‘Blode wanschepsels’ die alleen durven te vechten met een grote meerderheid tegen een klein groepje, maar verder voor het minste of geringste op de loop gaan. De Vlamingh van Outshoorn had met zijn lange ervaring op de Molukken beter moeten weten.

De veldheer geeft er direct de brui aan en vertrekt met de overgebleven manschappen naar Solor, waar hij Fort Henricus als ongeschikt en bouwvallig afkeurt. Om de handel toch nog enigszins te kunnen continueren acht hij het wel noodzakelijk Larantoeka aan te vallen, maar hij vindt dat tegelijkertijd zinloos, omdat de nederzetting, evenals Amrassi, in de vorm verkeert waarin deze binnen enkele dagen weer kan worden opgebouwd. Dit is echter wel wat al te gemakkelijk geredeneerd en wederom heeft de Compagnie de kans om Laratoeka voor eens en altijd te vernietigen, laten lopen. Daarop vertrekt De Vlamingh van Outshoorn via Bima en Japara naar Batavia, waar voor hem een triomftocht door de stad is georganiseerd. Dit laatste geldt zeker niet voor Timor. De reis van Arnold de Vlamingh van Outshoorn naar Solor en Timor is, ondanks de lovende woorden van Livinius Bor, die het nobele karakter van zijn baas niet onder stoelen of banken steekt, op een mislukking uitgelopen.

De kerkelijke tussenkomst bij de strijd op Timor is onmiskenbaar; de zonen van Sint Dominicus kunnen zich er terecht op beroemen dat zij een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de successen van de Portugese wapenen. Dankzij hun bekeringswerk op Timor, kunnen zij rekenen op de steun van een aantal min of meer serieus bekeerde datu’s en hun volgelingen. Dit wordt sportief erkend door de VOC-advocaat Pieter van Dam die, wijzend op deze gevechten, heeft geschreven dat “de Portugesen, als verre de sterckste sijnde, ende door haere papen en geestelijckheyt d’ingeseten meest aan haer zijde, en door dat middel veel avantagie boven ons gekregen hebbende, voort alles tot haer hebben getrockken”.

Zelfs tijdens de ongemakkelijke Luso-Hollandse Wapenstilstand van 1644-1652, hebben de laatsten de toegang tot het sandelhout van Timor moeten afdwingen door de Overste Paep in Larantoeka daartoe een contract te laten tekenen; maar de Portugezen slagen er nog steeds in het overgrote deel van dit product voor zichzelf te behouden, hoewel zij anders dan de Hollanders nog geen vaste voet op Timor hebben verkregen.

Als Hendrick ter Horst, die op 8 augustus 1657 Solor verlaten heeft, in Koepang aankomt, begint hij Kasteel Concordia uit te bouwen tot een onneembare vesting, waar de Timorese bondgenoten van de Compagnie, zoals de Koepangers, Sonnebayers en de inwoners van Amabi, veilig kunnen wonen onder bescherming van het fort. In september 1658 wordt Ter Horst verrast door een plotselinge aanval op Sonbay en Amabi van capitão-mor Simão Luis, die de inmiddels overleden Francisco Carneiro de Siqueira is opgevolgd en hoopt met geweld Midden- en West-Timor onder zijn gezag te brengen. Met een macht ‘van ettelijke honderden schietgeweren, bestaande uit acht vaandelen en ontelbare Timorezen’ weet hij op de berg Mollo zijn tegenstanders te omsingelen. Hollandse troepen komen vanuit Koepang te hulp, maar zij zijn met veel te weinig om iets te kunnen uitrichten. Als zij op een bergtop na vijf dagen vechten eveneens ingesloten dreigen te raken, proberen zij voor zichzelf een vrije aftocht te regelen. Zij slagen erin een Hollandse overloper in het vijandelijke kamp om te kopen en weten zo te ontkomen. Maar de zwaarlijvige radja van Amabi en zijn volk komen er minder gelukkig af. De radja wordt ‘tirannelijk met de houwers kleingemalen en in vieren gepulverseerd’, terwijl zijn mannen geen kant meer op kunnen. Er rest hun geen andere mogelijkheid dan van grote hoogte in de ravijnen te springen om aan de vijandelijke parangs te ontkomen. Zo’n 4.000 à 5.000 krijgers vinden de dood: ‘om niet door de spiesen te dansen zijn zij van afgrijselijke hoge bergen neerwaarts tot morselen gevallen’.

Zo verloor de radja van Sonbay een groot deel van Midden-Timor, terwijl de vorst van Amabi is gesneuveld en ook zijn land grotendeels verloren is gegaan aan de Portugezen. Het aanzien van deze eens op Timor machtige rijken is daarmee voorgoed verdwenen. De bondgenoten van de Hollanders trekken zich nu zoveel mogelijk terug in de landen rond de Baai van Koepang en het fort, waar voor de vele vluchtelingen nauwelijks plaats is en weer hongersnood en ellende uitbreekt.

De overwinning van de Portugezen in 1658 op de berg Mollo mag als beslissend gezien worden voor de definitieve tweedeling van Timor in een kleiner westelijk deel en een groter oostelijk deel. Ondanks het militaire succes en de terreinwinst is de positie van de Portugezen toch zo zwak dat zij voorlopig op West-Timor geen vuist meer kunnen maken. Daartoe hebben zij te weinig soldaten en bondgenoten en is de dreiging van Fort Concordia en van de Hollandse schepen te groot. De Portugezen wagen zich voorlopig dan ook niet ver binnen de Hollandse invloedssfeer. Wel worden aan de niet gemarkeerde noch opgetekende grenzen voortdurend conflicten uitgevochten, die gepaard gaan met veel bloedvergieten; een situatie die nog tot diep in de negentiende eeuw zal blijven bestaan.

De belangrijkste aanloophaven op Timor van de Portugezen is Lifao (alias Lieffouw) op de noordwestkust, het moderne Ocussi of Okoessi, dat geregeerd wordt door een van Frei Jacinto’s belangrijkste bekeerlingen uit juli 1641. Larantoeka op Flores blijft hun hoofdkwartier, daar de Hollanders twee gelegenheden hebben gemist de plaats te veroveren, namelijk op de heenweg naar Makassar en bij de terugkeer van de expeditie van Johan van Dam en Johan Truytman in 1660. Bij beide gelegenheden heeft de Nederlandse vloot in de Baai van Larantoeka geankerd, maar ofschoon Larantoeka in de tijd een onbeduidende plaats is die bovendien bijna verlaten is door zijn garnizoen, dat naar Pulo Ende is gegaan om de inheemse christenen bij te staan, hebben de Nederlanders de gelegenheid laten lopen om de plaats gemakkelijk in handen te krijgen. Deze onverklaarbare fout van hun kant, maakt het minder dom dan gewoonlijk om de niet te vermijden dominicaanse bewering van bovennatuurlijke tussenkomst te aanvaarden. De Hemelse interventie heeft ditmaal de vorm aangenomen van de Maagd Maria die een op een standaard geplaatste grote hostie toont. Er doet zich geen andere gelegenheid voor, voordat de Luso-Hollandse Wapenstilstand van 1662 een einde maakt aan een periode van vijftig jaren van officiële vijandelijkheden in de Kleine Soenda eilanden.

De Nederlandse verovering van Makassar in 1660 heeft wellicht het onvoorziene effect gehad dat het de positie van de Portugezen in dit deel van de archipel versterkt heeft, evenals de eerdere val van Malakka heeft geleid tot de groei van de Portugese invloed in Makassar, wat een gevolg is van emigratie van talloze halfbloeden en inheemse katholieken die niet willen leven onder het bewind van de ketterse veroveraars. De commerciële welvaart van Larantoeka en Timor ontvangt een flinke injectie door de komst van uit Celebes verdrevenen Portugezen. De belangrijkste van hen is Francisco Viera de Figueiredo, een rijke Portugese handelaar die gedurende meer dan een kwart eeuw heeft handelgedreven in Makassar en die tot zijn verbanning in 1664 een van de steunpilaren van de troon van sultan Hassan Udin is geweest. Ofschoon de handel in sandelhout van Timor met Macau zijn belangrijkste bron van inkomsten is geweest, heeft hij ook handelgedreven met de kusten van Indo-China, Coromandel en Konkan2 en is hij bij meer dan een gelegenheid opgetreden als de gezant van de vice-rei in Goa naar de gouverneur-generaal in Batavia. De Nederlanders zijn natuurlijk erg jaloers op zijn invloed in Makassar, waar hij bijzonder vriendelijke betrekkingen onderhoudt met sultan Hassan Udin en zijn minister Kareng Patengaloan. De laatste van beiden spreekt en schrijft vloeiend Portugees en is een geestdriftig verzamelaar van Europese boeken, land- en zeekaarten.

Bij zijn enigszins onwillige aankomst in Larantoeka, laat Francisco Vieira de Figueiredo een groot houten huis voor zichzelf bouwen en hij bevordert de Portugese invloed op Timor als hij zijn kandidaat, genaamd Simão Luís, tot capitão-mor benoemt. Deze man is een dapper soldaat die zich heeft onderscheiden bij het verslaan van de expeditie van Arnold de Vlaming, maar hij is een monster van wreedheid. Het Bataafse Dagh-Register van 10 juli 1664 vermeldt dat “249 mannen, vrouwen en kinderen, bondgenooten der Portugezen….tot ons overgecomen sijn om het geweld en de tirannye der Portugesen te ontgaen, ende dat niettegenstaende de Portugesen de wegen alomme beset gehouden hadden: hebbende den capitain Simon Louis, een van de Coningen van Ampitey, in tegenwoordigheyt van d’andere omleggende Coningskens, onder sijn gebied staende, op Liffou opgehangen het doode lichaem aen riemen gesneden, de stucken aen haer omgedeelt en hun gedwongen het vlees op te eten en het bloed van den dooden Coning te drincken, quansuys om haer een afschrik te doen hebben van het overloopen, dewijl een ander van de Ampiteysche Koningskens tot de onse was overgecomen; een onmenschelijke daed voorwaer en te afschouwelijker, omdat het geschiet van de gene die den naem van christenen willen dragen”. Simão Luís sterft spoedig na deze afschuwelijke gebeurtenis en Francisco Vieira de Figueiredo geeft zijn steun aan António de Hornay, die een lange machtsstrijd begint met zijn collega en rivaal Mattheus da Costa, die nadat de fortuin menigmaal gekeerd is, gewonnen wordt door de eerste, omdat zijn rivaal in 1673 overlijdt. Deze strijd veroorzaakt een lange periode van vijandschap tussen de twee families van de Hornay’s en de Costa’s over de leiding over de “Toepassen of sogenaamde swarte Portugueesen” op de eilanden Timor, Solor en Flores.

In 1665 overlijdt de ‘bruine koninginne’ van Solor Injay Chili. Zij benoemt tot haar opvolgster de dochter van haar zuster, de voortvarende Niay Chili Moeda en niet de kandidaat van de VOC, Dasje van Lamakera. De gezamenlijke sengadies van de Lima Pantei zijn het met de benoeming eens en ook de Compagnie legt zich erbij neer. In 1665 krijgt Injay Chili postuum haar zin en wordt Fort Henricus voor de vierde maal bezet, maar ditmaal met slechts vijftien à zestien soldaten. Niay Chili Moeda weet het gezag van de Lima Pantei uit te breiden over de eilanden Pantar en Alor. Na haar overlijden in 1686 verblijven in het bouwvallige Fort Henricus slechts twee ‘bosschieters’ en in roerige tijden soms meer. Deze situatie zal tot ver in de achttiende eeuw blijven bestaan.

Het Casteel Concordia is maar vier maanden per jaar, van november tot maart, fatsoenlijk te bezeilen. De befaamde Engelse boekanier, zeekapitein, auteur en wetenschappelijk waarnemer Wiliam Dampier (1651-1715) bezoekt Casteel Concordia in 1699 (tijdens de Roebuck-expeditie). Hij schrijft in zijn journaal: “het heeft een garnizoen van 50 soldaten en minstens zoveel inlandse soldaten, er is een mooie kleine kapel binnen de wallen van het fort, er zijn welvoorziene groentetuinen en voor de handel met de kustbewoners 2 sloepen met mast”.

De Portugese autoriteiten in Goa en Macau zijn lange tijd niet bij machte effectief tussenbeide te komen in de strijd tussen de twee families, of hun gezag te vestigen over de onrustige onderdanen om de Kleine Soenda eilanden. In de loop van een lange periode van niet aflatende strijd tussen beide families zendt de vice-rei in Goa naar Timor een gezant, genaamd João Antunes Portugal. Deze heeft voor zowel Hornay als voor Costa een brief bij zich waarin de betrokkene tot gouverneur van de Portugese gebieden wordt benoemd. João Antunes dient de aanstelling te geven aan degene die feitelijk de macht blijkt te hebben en over de brief aan zijn rivaal te zwijgen. De winnaar blijkt António de Hornay te zijn. Hij wordt officieel erkend als capitão-general, ofschoon Mattheus da Costa weigert deze beslissing te aanvaarden, aangezien hij beschikt over een eerdere benoeming die volgens hem nog steeds van kracht is. Bij een andere gelegenheid zendt de vice-rei cartas-patente naar bepaalde leidinggevende Portugezen in Larantoeka. In deze privilegebrieven machtigt de onderkoning betrokkenen het bestuur over de stad over te nemen. Die lieden die zijn uitverkoren zijn bang de woede van ‘almachtige’ António de Hornay op te roepen en volstaan ermee de documenten ongeopend aan de capitão-general te geven. Hornay is vanaf dat moment de enige die op de Kleine Soenda eilanden de lakens uitdeelt tot dat hij op de gezegende leeftijd van tachtig jaar overlijdt. Bij zijn leven is António de Hornay feitelijk de ongekroonde koning van Timor, met uitzondering van de directe omgeving van Casteel Concordia in Koepang. Hij gedraagt zich als een trouw onderdaan van de Portugese Kroon door periodiek prinselijke donaties in de vrijwel lege schatkist van de vice-rei in Goa te storten, met inbegrip van een hoeveelheid kostbare gouden stoffen ter waarde van 23.000 zilveren xerafins. Hij heeft grote rijkdom verworven met zijn monopolie op de handel in sandelhout en hij schept dikwijls op dat hij zijn rijkdom zal nalaten aan de koning van Portugal. Hij handhaaft Portugese territoriale aanspraken in zijn correspondentie met de gouverneur-generaal in Batavia en hij breidt deze zelfs uit door het eiland Solor in zijn geheel te claimen. De Hollanders zijn verplicht met hem te onderhandelen om de gewenste hoeveelheid sandelhout te kunnen aankopen en over het algemeen genomen is António de Hornay iemand die zelf de regels bepaalt. Overigens is er op vrijwel heel Timor geen sandelhoutboom van 40 jaren oud meer te vinden. Het tijdvak van de exploitatie van sandelhout is voorbij.

Bij zijn overlijden op 15 juni 1693 gaat de macht over op zijn jongere broer, Francisco de Hornay, die evenwel niet zo’n sterk karakter heeft. Hij wordt spoedig afgezet door de kandidaat van de vice-rei, een in Macau geboren fidalgo genaamd António de Mesquita Pimentel, die dus de eerste door de regering benoemde autoriteit is die een bestuursfunctie op Timor aanvaardt ondanks lokale oppositie. António de Mesquita’s succes blijkt van korte duur te zijn, want spoedig nadat hij in 1695 te midden van taferelen van grote blijdschap in Larantoeka en Lifao de functie van “Gouverneur en Capitão-General van de eilanden van Solor en Timor” heeft aanvaard, wordt hij verdreven door een volksoproer dat blijkbaar wordt geleid door Domingos da Costa. Naar verluid zou de oorzaak van deze ommekeer zijn de moord op twee bastaard-kinderen van António de Hornay. De onrust wordt nog gevoed door de heffing van onpopulaire belastingen. Het feit dat António de Mesquita vervolgens van deze beschuldigingen wordt vrijgesproken door het Hooggerechtshof in Goa en dat hij zijn carrière beëindigt als capitão-general van Bardez, geeft wellicht de afkeer op Timor aan van direct bestuur door Goa en wellicht is dit de hoofdoorzaak, zo niet de enige oorzaak van zijn verdrijving.

Het tijdelijke verlies aan invloed van de Hornay’s die het gevolg is van hun onderdrukking door António de Mesquita leidt tot de opkomst van de Da Costa’s, waarvan de vertegenwoordiger aan het einde van de zeventiende eeuw de controle heeft over heel Timor, met uitzondering van Koepang. De regering in Goa onderneemt in 1701 een nieuwe poging om haar gezag over Timor te vestigen, door António Coelho Guerreiro als gouverneur naar het eiland te zenden. Deze fidalgo, die al sedert 1668 in koloniale dienst is, waarbij hij zich heeft opgewerkt van soldaat in Pernambuco tot ‘Secretary of State’ in Goa, is verantwoordelijk voor de verplaatsing van de bestuurszetel van Larantoeka naar Lifao, waar hij vroeg in 1702 de eerste blijvende Portugese nederzetting sticht, met materiaal dat uit Macau is aangevoerd. Hij is ook verantwoordelijk voor de invoering van het systeem waarbij militaire rangen als kolonel, majoor enzovoorts worden toegekend aan leidinggevende stamhoofden, datu’s en opperhoofden in ruil voor het zweren van trouw aan de Kroon. Dit systeem is blijven bestaan tot in moderne tijden en in een bepaalde periode in de achttiende eeuw is het overgenomen door de Nederlanders. Dus de Portugese titels als ‘Dom’ en ‘capitão’ worden gegeven aan de zoon van de radja van Maubara in 1765 en een verzoek om hetzelfde eerbewijs aan de resident in Koepang door twee weinig belangrijke hoofden wordt in het jaar daarop gedaan.

Uit de instructies van 1701 van de vice-rei aan gouverneur Guerreiro blijkt de fundamentele zwakte van de Portugese positie op Timor. De moeilijke situatie waarmee de gouverneur wordt geconfronteerd wordt van het begin af aan als onoverkomelijk beschouwd. Dus de landingsplaats zal worden gekozen…..waar het mogelijk is te landen. De handel in sandelhout die de Hollanders drijven zal worden gehinderd……als dit uitvoerbaar is. De rebellie van Da Costa zal worden onderdrukt……als de omstandigheden dit toestaan. De niet loyale kolonisten zullen worden bedreigd……voorzichtig en arglistig. Als de Nederlanders Portugees gebied hebben bezet……zal u zich zodanig dienen te gedragen dat hun geen voorwendsel wordt gegeven om de vrede te breken”. Enzovoort, enzovoort. Bij het beoordelen van de uiteengezette politiek dient te worden bedacht dat de schaarse materiële hulpmiddelen van de Estado da India nauwelijks een andere politiek mogelijk maken. Van de tien fregatten waaruit de Portugese vloot in Indische Oceaan in 1701 bestaat, is er slechts één zeewaardig. Er zijn zo weinig soldaten, dat ofschoon Guerreiro vraagt om een minimale troepenmacht van 650 man, de vice-rei slechts 50 man kan vrijmaken. De situatie op Timor rond de eeuwwisseling wordt nauwkeurig beschreven door de Schotse kapitein Alexander Hamilton en wel als volgt:

“De inheemsen erkennen de koning van Portugal als hun soeverein en zij hebben de katholieke godsdienst omhelsd. Zij hebben de Portugese kolonie Macau in China toegestaan een fort te bouwen, dat zij Leiffew noemen en de Nederlanders bezitten een factorij, genaamd Coupang, maar noch de Portugezen, noch de Nederlanders hebben te lijden van interventie van de regering van het moederland in hun zaken. De Portugezen van Macau hebben al vele jaren een zeer voordelige handel met Timor gedreven. Aangezien zij de inheemsen lauwe katholieken vonden hebben zij getracht met eerlijke middelen de gehele regering van het land in handen van de Kerk te brengen, maar zij hebben hen daartoe niet kunnen verleiden, daarom hebben zij het met geweld geprobeerd en zij zijn een oorlog begonnen, maar zij hebben moeten ervaren dat de Timorezen niet hun vrijheid hebben willen verliezen, omdat zij vrezen dat zij als gevolg daarvan ook hun leven zullen verliezen…..deze oorlog met de stad Macau heeft ongeveer vijftien jaren geduurd. Hij is ongeveer begonnen in het jaar 1688 en is nog niet helemaal ten einde in het jaar 1703 en Macau is aan het eind van de strijd praktisch daardoor geruïneerd. De uitputting van middelen heeft zowel betrekking op het aantal manschappen als op financiële middelen; van de 1.000 burgers die Macau voor de oorlog heeft geteld zijn er aan het einde van de oorlog nauwelijks vijftig over en van de veertig handelsschepen resteren er aan het einde van de oorlog nog slechts vijf. Het eiland brengt sandelhout voort, het beste en meeste in de wereld, wat een belangrijke handelswaar is in China. Daarnaast brengt Timor goud en bijenwas voort. Goud is er in overvloed, maar het karaat daarvan bedraagt niet meer dan 20. Van alle soorten voedsel is er meer dan genoeg aanwezig en het is goedkoop, maar het is niet mogelijk bij Timor te ankeren, behalve bij Leifauw en Coupang. De kust wordt veel geteisterd door tornados, of door rukwinden en hevige buien, ingeleid door donder en bliksem. De inheemsen vertellen, dat zij in een bepaald seizoen, nadat de zuidwestmoesson is ingezet, in zuidwestelijke richting een hoog bergachtig land kunnen waarnemen en dit land blijft zichtbaar van december tot eind februari of begin maart, om daarna te verdwijnen. Als dit waar, is dan moet sprake zijn van een drijvend eiland dat komt van en gaat naar Nieuw-Holland, wat het dichtstbijzijnde stuk land is ten zuiden van Timor. Deze inlichtingen heb ik verkregen van een Portugese heer, genaamd Alexander Pinto, die al vier jaren een capitão is in Leifauw en die in 1704 van Batavia naar Goa is gereisd. Hij is passagier geweest op mijn schip en hij leek mij een eerlijk man te zijn”, laat kapitein Alexander Hamilton weten.

Boxer schrijft: “Ik kan geen mededeling vinden over een capitão Alexander Pinto op Timor of elders in deze periode; en dat leidt tot de verdenking dat deze pseudo-Pinto niemand anders is dan António Coelho Guerreiro in cognito, hetgeen waarschijnlijker wordt door de volgende cryptische zinnen in de Realia. “20 februari 1705. Tegens den Portugeesen Gouverneur op Liffao, over zijne drie jaren gepleegde feijtelijkheden, zal een protest afgezonden worden. 26 juni 1705. Het afzenden van dat protest werd uitgesteld. 26 juni 1705. Den gewezen Liffaosen Gouverneur hier clandestien aangekomen zijnde, zal over de feitelijkheeden door hem gepleegd niet werden aengesproken. 12 juli 1705. Zijn verzoek om aan land te mogen komen g’accordeert.”

Het is waar dat Hamilton zegt dat hij zijn Portugese ‘man of probity’, in 1704 en niet in 1705 naar Batavia is gereisd,; maar omdat hij twintig jaar na dato schrijft, kan hij zich gemakkelijk een jaar hebben vergist. Aan de andere kant zijn de feiten die hij vertelt verrassend juist. Waarom gouverneur Guerreiro in cognito zou hebben gereisd, is gemakkelijk te verklaren. In de eerste plaats heeft hij zijn standplaats Lifao verlaten, zonder opdracht van zijn superieuren in Goa. De plaats was onhoudbaar geworden na een belegering van vier jaren door de rebellerende Domingos da Costa. Hij heeft bovendien de orders van de vice-rei getrotseerd door openlijk ruzie te zoeken met de Nederlanders op Timor; hij heeft hun sloep Doradus buitgemaakt en hij heeft een beledigende officiële brief gezonden aan Jan van Alphen, de Resident van Koepang, waarin hij rept over “en de andere ratten van zijn nest”. Het is daarom nauwelijks verrassend dat hij zou hebben geaarzeld te verschijnen voor de Nederlandse autoriteiten de hij zo openlijk heeft beledigd, maar het is nog meer verrassend dat gouverneur-generaal Johan van Hoorn en zijn raad hem zouden hebben toegestaan ongehinderd aan land te komen en zich tevreden hebben gesteld met het indienen van een klacht over hem bij de vice-rei in Goa, die zich van de domme houdt.

Ondanks de schade die de oorlogen aan de strijdende partijen toebrengen, schijnt Timor in het laatste kwart van de zeventiende eeuw tamelijk welvarend te zijn geweest. Een nauwkeurig overzicht van de maandelijkse scheepsbewegingen afgedrukt in de Bataviase Daghregisters van 1663-1682, laten zien dat handelsvaartuigen die handelen tussen Macau en Timor vaak Japara, Batavia en Bantam aandoen. De pijler van de handel tussen Macau en Timor is nog steeds het in China zo zeer gewaardeerde aromatische sandelhout, dat zelfs wanneer het niet meer een winst van 200% oplevert, zoals in de tijd van bisschop3 Rangel (1630), voldoende opbrengt om daaruit de kosten van het garnizoen en de bestuurskosten van Macau te kunnen betalen. Slaven zijn het op één na winstgevenste handelsartikel, een aanhoudende stroom van deze arme stakkers is verzekerd dankzij de niet-aflatende oorlogen tussen de Hornay’s en de Da Costa’s. Stofgoud, honing en kleine taaie Timorese paarden zijn de andere exportartikelen.

Er schijnt in Timor iets in de atmosfeer te zitten dat tot geweld leidt; vechtpartijen, moord en doodslag behoren onder de onrustige bewoners tot de orde van de dag. Vroeg in 1668 houden de Swarte Portugeesen “seer leelijck huys” onder de inwoners van Pulo Kisser, waarbij zij 200 mensen hebben omgebracht, in hoofdzaak vrouwen en kinderen, en 450 personen hebben weggevoerd als slaven, de meesten van hen worden later gered door een expeditie uitgezonden door Jacob Cops, de gouverneur van Banda. António de Hornay komt in 1674 welhaast als ongekroonde koning van Timor uit de voortdurende onderlinge strijd tussen de Timorezen te voorschijn. Hij heeft vrijwel het hele eiland onder zijn controle gebracht, met uitzondering van het gebied ten westen van Koepang en de oostpunt rond Ade, Hon en Manetuto. De radja’s van deze rijkjes, die vóór de verovering van Makassar in 1667 door Cornelis Speelman, binnen de invloedssfeer van Makassar lagen, hebben zich openlijk tegen De Hornay verzet. Nu zij eindelijk van de Makassaren verlost zijn, willen zij zich aan niemand onderwerpen en hun leider Amachilly heeft de hulp van de Compagnie ingeroepen om hun onafhankelijkheid te bewaren, in ruil voor de levering van producten aan de Compagnie. Hoewel de Hollanders grote sympathie hebben voor het verzoek, willen zij niet in een oorlog terecht komen aan de andere kant van het eiland. Daarvoor ontbreekt het hen ook aan de middelen. Wel houdt de VOC, met defensief oogmerk, een kleine macht op het eilandje Kisar ‘….een aerde vastigheyt, langh 66 ende breet 45 voeten opgerecht wesende om met 15 à 16 Nederlandse coppen vooreerst besett te laeten…’, uit angst dat De Hornay of de Portugezen het oog op de Molukken zullen laten vallen. Ook sluit de gouverneur van Banda, Jacob Cops in 1668 een handelscontract met deze radja’s, vooral voor de levering van bijenwas en slaven.

António de Hornay heeft daarop de Oost-Timorese landschappen met geweld aan zijn gehoorzaamheid onderworpen en het is er weer niet zachtzinnig aan toegegaan. Tijdens zijn eerste bezoek zijn ‘slechts’ 200 vrouwen en kinderen gedood en 430 mannen afgevoerd als slaaf. Maar als De Hornay verneemt van de toenaderingspoging tot de Hollanders is hij in woede ontstoken. Meer dan 2.000 Oost-Timorezen worden gedood of met onbekende bestemming afgevoerd. Maar Kisar, dat vanuit Banda tijdelijk versterking heeft gekregen van een jacht en twee chaloupen, moet hij ongemoeid laten.

Hollandse verontwaardiging over deze wreedheid wordt enigszins ontkracht door hun eigen optreden op het eiland Roti, waar zij 500 nietsvermoedende inheemsen afslachten bij een nachtelijke aanval op een opstandig dorp ongeveer tezelfder tijd. Ernstige schermutselingen tussen zich snel verplaatsende Portugese en Hollandse strijdgroepen op Timor doen zich voor in 1680, zoals blijkt uit het Bataviase Dagh-Register van dat jaar. Op 23 oktober van het jaar 1674 schrijft de Resident van Japara dat “seekere twee Portugeeze capiteyns, met een scheepje van Timor 4 dagen te vooren daer gekomen, malkanderen hadden ter neder geleyt ende noch twee haerer secunde swaerlijk gequetst”.

Hollandse soldaten en matrozen, gaan voort met het periodiek deserteren naar de Portugezen in Lifao en Larantoeka, dat een soort vrijplaats is, in hoge mate bevolkt met Europese vagebonden halfbloed avonturiers met hun inheemse aanhangers. Het gedrag van het Nederlandse garnizoen in Koepang is weinig beter, zoals kan worden afgeleid uit het verslag van de koopman Anthony Hurt, gedateerd 7 augustus 1665, dat kenmerkend is voor hun gedrag, “In het particuliere rapport, door meergemelte coopman Hurt, aen haer Edele overgesonden, schrijft hij bevonden te hebben, dat op Timor, soo wel van de minste, als van de meeste, een seer vuyl, slordig en ongereguleert leven is geleyt, soo met droncken drincken, als hoereren, daer het opperhooft, Culenburg, de andere als een capiteyn in voorgegaan heeft”. Bijna een eeuw later geeft de bezoekende commissaris Paravicini een al evenmin flatterend oordeel over Koepang en zijn bewoners. “Wanneer men”, schreef hij in augustus 1756, “ze al te zamen in een mand kon doen en telkens ’t onderste boven keeren, altijd of een laatzie (sic) of luijaard of onbequame, of een dronkaart of stoorder van de gemeene rust boven zou komen”.

Nieuwe capitães, benoemd door de Portugese Kroon hebben nauwelijks iets te zeggen en worden door De Hornay domweg verjaagd of schrikken zo van het enorme geweld en de wetteloosheid op Timor dat zij vanzelf met de staart tussen de benen verdwijnen. De Hollanders rapporteren daarover: …De edelman João Antunes van voorname afkomst in Lissabon, is daar aangekomen met een patent van de koning en van de vice-rei in Goa om als capitão-mor over haar te gebieden, maar deze is door De Hornay zeer verachtelijk afgewezen en vindt zo weinig onthaal in Lifao dat hij misnoegt met een particulier schip weer teruggaat…’ Uiteindelijk blijft de Portugezen niets anders over dan António de Hornay zelf maar tot capitão-mor op Timor te benoemen, wat hem de legitimiteit geeft zijn veroveringen voor de Kroon van Portugal te doen. Hierbij erkent hij geen Portugees gezag boven zich, maar zendt hij wel periodiek een flinke donatie naar Goa, om de vice-rei op afstand te houden. De macht van António de Hornay is in 1684 zo groot geworden dat de VOC bij zijn familie in zijn residentie in Larantoeka nederig om een pas moet vragen om met een schip aan de zuidkust van Timor te mogen handeldrijven.

De morele laksheid die heerst tussen de Nederlandse en Portugese leken op Timor vertoont dezelfde kenmerken als die heerst tussen de dominicanen die werkzaam zijn in het Portugese deel van het eiland. Hun schandelijke en weinig klerikale gedrag lokt bij herhaling kritiek uit van de autoriteiten in Goa, waar hun vicaris-generaal slechts kan verzuchten dat “de inheemse vrouwen buitensporig wellustig zijn en dat zij vaak, zowel overdag als ’s nachts, de woningen van de priesters bezoeken, in hoofdzaak de woningen van de jonge priesters, waarbij de geestelijken die geen gemeenschap met de vrouwen willen hebben, niets anders staat te doen dan hun eigen huis te ontvluchten. Kenmerkend voor deze onrustige monniken is de Goanees Frei Manuel de Santo António o.p., titulair bisschop van Malakka van 1701 tot 1733. In zijn jonge jaren is hij een voorbeeldig missionaris geweest. Gouverneur António Coelho Guerreiro (zelf een bijtend criticus van de gemiddelde dominicaanse monnik) duidt hem aan als een “menselijke engel” die verantwoordelijk is voor de bekering van meer dan 10.000 inheemsen in een periode van vijf jaren. Het succes is hem kennelijk naar het hoofd gestegen, want vice-rei Vasco Fernandes Cesar de Menezes klaagt in 1713 dat de bisschop “zijn plichten als prelaat vergeet en dat hij slechts belang stelt in verplichtingen die een generaal of een politicus heeft”. “Een verleiding” voegt hij er plagerig aan toe, “waarvoor veel geestelijken bezwijken””. De vice-rei beschuldigt hem ervan de onrust onder de burgers op Timor op te stoken, een beschuldiging die klaarblijkelijk niet ongegrond is geuit, want Frei Manuel verwijdert de gouverneur van Lifao in 1720 met geweld.

Om een einde te maken aan de chaotische stand van zaken, wordt een zorgvuldig uitgekozen gouverneur, genaamd António de Albuquerque Coelho, in 1722 als capitão-general naar Timor gezonden. Albuquerque, een eenarmige in Brazilië geboren fidalgo, heeft in Macau een romantische en befaamde carrière achter de rug, want hij is daar in de jaren 1718-1719 een bijzonder geliefd en succesrijk gouverneur geweest. Deze man met een besluitvaardig en opvliegend karakter, is niet van plan veel van de strijdlustige bisschop te nemen en als de laatste zich recalcitrant gedraagt, zal hij hem uit de kolonie verwijderen. Er moet evenwel worden erkend dat Albuquerques drastische optreden tegen de bisschop, dat uitzonderlijk is in een land waarin de clerus zoveel invloed heeft, de stand van zaken niet veel verbetert. Er ontstaat op het eiland allerwegen opstand, al is niet duidelijk of de bisschop deze heeft aangestookt. De Toepassen onder Francisco de Hornay, spannen samen met de inheemse stamhoofden met het oogmerk de blanke Portugezen eens en voor altijd van Timor te verdrijven. De samenzweerders vieren het aangaan van hun overeenkomst met het ritueel slachten van een zwarte en een witte hond, waarvan zij het bloed, vermengd met hun eigen bloed, ceremonieel drinken. Het signaal van de opstand wordt gegeven door in het binnenland weer dominicaanse missionarissen te vermoorden en door de kerken te verwoesten die men kan vinden. Albuquerque schrikt niet terug voor de storm en hij handhaaft zijn positie in Lifao tot dat zijn opvolger arriveert en de opstand met een sisser afloopt. Hij beschuldigt de Nederlanders ervan de rebellen te ondersteunen met wapens en ammunitie en hij zendt daarover een officieel protest aan de gouverneur-generaal in Batavia. Dit document wordt genegeerd door de Hooge Regering, wat nauwelijks verrassend is, want er bestaat weinig twijfel aan dat Albuquerques beschuldigingen slecht gefundeerd zijn. Verwijzingen naar het derde volume van Realia en naar J. de Roo van Alderwerelts Aantekeningen, laten zien dat de autoriteiten in Batavia in feite hun ondergeschikten in Koepang bij herhaling hebben verboden zich te bemoeien met het geschil tussen de zwarte en de blanke Portugezen en hun opdroegen een strikt neutrale houding te handhaven. Albuquerque dringt er ook op aan een einde te maken aan de smokkel van sandelhout uit door de Portugezen gecontroleerd gebied door Chinezen uit Batavia. De maatregelen die hij heeft getroffen om dit af te dwingen worden door zijn opvolger bekritiseerd, omdat deze de situatie eerder verslechteren dan verbeteren.

De met een sisser afgelopen algemene opstand uit de jaren 1722-1725, flakkert weer op kort na de aankomst in 1729 van de nieuwe capitão-general kolonel Pedro de Mello en nu in heftiger vorm. Het bondgenootschap tussen de Toepassen en de volbloed inheemsen wordt hernieuwd, maar ieder van de bondgenoten neemt zich voor zich tegen de ander te keren als het doel de blanke Portugezen van Timor te verdrijven is bereikt. Hoewel Pedro de Mello nog geen 50 Europeanen en een handvol Macaunezen meebrengt, onderneemt hij een krachtige poging de opstand neer te slaan. De meeste inheemse soldaten die hem ondersteunen onderhouden echter geheime betrekkingen met de rebellen en Pedro de Mello en de zijnen worden tenslotte op 18 oktober 1730 omsingeld in de kleine havenstad Manatuto. De belegering duurt 85 dagen, gedurende welke het garnizoen gedwongen is te overleven door het eten van boombladeren, gedroogde paardenbonen en ongedierte., totdat een laatste wanhopige uitval van 13 t/m 15 januari 1731 de belegeraars verdrijft. Deze opstand, dooft uit, net als alle voorgaande en alle volgende, bij de aankomst van een nieuwe gouverneur in maart, als de zaken worden teruggedraaid tot de ongemakkelijke status quo ante. Net als zijn voorgangers beschuldigt Pedro de Mello de Hollanders in Koepang ervan de rebellen op te stoken en te helpen. Dit wijzen zij verontwaardigd van de hand en op hun beurt beschuldigen zij de Portugezen, en waarschijnlijk met meer reden, ervan bescherming te bieden aan de ’moordadige deserteurs van de afgelopen pantjalang De Lethij” De Portugese gouverneur “landt in 1731 op Embang, laat aldaar 3 menschen doodslaan en roofd padie en catjang, houdt ook een Chinees vaartuig aan van hier, en laat hem 10 pct. van zijn lading afnemen, bovendien gemeld vaartuig ontlost, en, tot eigen gebruik gezonden naar Dilij. Hij schrijft het opperhoofd aan alle vaartuigen van de zwarte Portugezen aan te houden en, bij weigering, onze vaartuigen zoude aanhalen, verbied wijders eenige pas anders als op Lifao te verlenen”. Verdere Hollandse inspanningen om de teruggave van de sloep, de muiters en een metalen kanon te verkrijgen zijn eveneens vruchteloos. De nieuwe gouverneur, Pedro de Rego Barreto de Gama e Castro, verklaart onomwonden dat “de Nederlanders niet meer grond toekomt dan met hun kanon kan worden beschoten”.

Ondertussen zijn de inspanningen van de woeste Toepasses om Lifao, evenals eerder Manetuto in te nemen en hun blanke opperheren van het eiland te verdrijven, verijdeld. Zij richten daarom hun aandacht nu op de Nederlanders in Casteel Concordia in Koepang. Na twee inleidende bedreigingen in 1735 en in 1745 heeft er in 1749 een serieuze aanval plaats. “Den koning van Amabij komt op den 18den October het opperhoofd (in Koepang) met veel ontsteltenis bekent maken, dat zijn volk in de bovenlanden en gebergte een grouwsaeme menigte gewappend volk hadden gesien en veele trommels gehoord, waaruyt sekerlijk besloot, zulks de Toepassen moeten zijn; op welk berigt wij dan ook, aan d’eene kant, eenige Mardijkers afgesonden, om deselve te verspieden, en aan de andere kant, den koning van Coupang gelaste, in stilte een vertrouweling naar Amarassi te senden, aangesien ons te gelijk berigt werd, dat den Tenentij-Generaal op die plaats in persoon was aangekomen, ten eijnde ons gesamentlijk te overvallen”. Van deze verkenners vernemen het opperhoofd en zijn raad dat de vijand “reets van Amarassie in aantogt is en bestaan de voornaamste hoofden in de volgende persoonen: Gaspar da Costa (Tenente-General); Pasqual da Costa (Tenente de Provincia; Siko Bras (Tenente-Coronel); Domingo de Faria (Capitão-mor da Pouoação); Sinao Luis (Capitão-mor do campo; Amaro da Costa (Sargento-mor da Provincia); Bastiano, nieuwe keijser van Amacone, met zijn generaals, colonels enz.; Paulo, koning van Ambeno, met als even: Januario Fernandes Varella, hoofd der Larantoekers en eijndelijk verscheijde koningen zo der onder hun geweld staande Belonesen als andere Timorese landen”. De Toepassen voeren “ ’s konings van Portugal vlag, standaard en baniere, bij haar El Real genaamt”.

Ofschoon de inheemse hulptroepen van de Compagnie angst hebben voor de “schrikkelijke menigte” van naderende Toepassen, blijven het Opperhoofd en de Raad uiterlijk kalm onder de dreiging en er wordt een gezant gezonden “met last aan de hoofden van dit afkomende rot, wie deselve ook mogen zijn te zeggen, dat bijaldien hunne moedwil zo verre mogte gaan van voet te setten op ’t Coupangse gebied zij versekert moeten zijn, dat zoo d’E.Compe als haare bondgenoten zeer gereet zijn, geweld met geweld te keren, en hun zodanig rukeloos bestaan dier betaalt te stellen”….

“Inmiddels vertoonde zig op den 4n November een grouwsame menigte dezer stropers reets tot op het land van Coupang, met slaande trommels, en vliegende (Portugese) vendels, op welke tijding alle onse inlanders tegelijk een schrik aanquam”. Desondanks slagen de Hollanders erin met drastische middelen een strijdmacht bijeen te schrapen. Deze bestaat uit “1 sergeant, 2 corporaals, en 20 gemeen (soldaten), 130 Mardijkers, 240 Savonesen, 60 Solorezen, 30 Rotinezen en enige vrijwilligers, 30 ’s E.Comps, dienaren als burgers”. Dit leger, onder bevel van Ensign Lip, doet op zondag 9 november 1749 een uitval om de Toepassen en Amarassiers, in hun stenen paggers te bestrijden op het veld van Penefoeij. Misschien als gevolg van een voorafgaande schermutseling twee dagen eerder die in het voordeel van de Hollanders is verlopen, deserteren de Amarassiers van hun bondgenoten als zij de kleine strijdmacht van Lips ongehinderd zien naderen. De Toepassen doen een uitval vanuit hun verschansingen, maar zij worden teruggedreven na een hevige strijd en met de Hollanders en Mardijkers op hun hielen. Als vier van hun paggers zijn bestormd, moeten de Hollandse Timorese hulptroepen, die tot dan toe passieve toeschouwers van het conflict zijn geweest, in actie komen. Zij omsingelen de Toepassen en richten onder hen zulk een slachting aan dat het slagveld in korte tijd bedekt wordt met gedode vijanden; intussen vinden de Hollanders in de laatste verschansing van de Toepassen een zeer hardnekkige tegenstand, omdat de zich daarin bevindende Tenentij, en andere hoge officieren, zich desperaat verdedigen. Maar uiteindelijk moeten zij zich overgeven nadat Europeanen, Mardijkers en Savonesen gezamenlijk de sterkte bestormd hebben. De vijand tracht te vluchten, maar de verdedigers hebben zich van de paarden van de Toepassen meestergemaakt en zij zitten de vluchters te kort op de hielen. De te paard vluchtende Tenentij wordt door een Timorees met een assegaai gedood en direct daarna onthalsd. De Timorezen aan Hollandse kant brengen in twee dagen zo’n duizend afgeslagen hoofden bijeen. Aan Hollandse kant zijn niet meer dan 19 Timorezen, 1 Mardijker en 2 vrijwilligers gesneuveld, maar zijn velen gewond geraakt.

De zege van vaandrig Lip op Bloedige Zondag, redt niet alleen Koepang van de Zwarte Portugezen, maar, naar alle waarschijn-lijkheid, ook de Hollandse positie op Solor en Roti, omdat de collega en opvolger van Gaspar da Costa, João de Hornay, met zijn schepen klaarligt voor een aanval op deze eilanden direct na de te verwachten overwinning. Maar de slag van Penefoeij blijkt een keerpunt te zijn in de geschiedenis van Timor; vanaf dat moment zijn het eerder de Nederlanders dan de Portugezen die de meeste invloed uitoefenen in de westelijke helft van Timor. Het aandeel van de Mardijkers in de zege van Lip is aanzienlijk, ofschoon niet zo groot als latere legendarische beschrijvingen ons willen doen geloven; zij kennen Mardijkers de overwinning van Penefoeij geheel toe. Na de zege neemt de invloed van de Mardijkers in Koepang en in het gelijknamige district zodanig toe dat zij hun blanke meesters op dezelfde wijze intimideren als de Zwarte Portugezen hun blanke meesters in Lifao schofferen.

De verantwoordelijkheid voor de strijd in Penefoeij berust bij het Opperhoofd Jacob van der Burgh en zijn Raad. De hiervoor vermelde bijzonderheden van het treffen zijn ontleend aan het verslag van de Raad van 18 mei 1750. De houding van de Portugese gouverneur in Lifao, Manuel Correia de Lacerda, is alsvolgt beschreven: “Intusschen zijn wij zeer verwondert, dat den gouverneur van Lifao sig uitterlijk gedragt als of zijn E. alle dese saken gansch niet aangingen, kunnende zelfs niet vernemen, dat zig daarover ooijt anders heeft uitjgelaten, dan met te seggen, dat het den Tenentijs wel verdiende loon was, en hem niet alleen dikwijls mondeling dese dwase onderneming had afgeraden, maar ook gedurende zijne optogt hem drie opontbodbrieven had geschreven, welke hij selve niet verwaardigt had te b’antwoorden”.

Het is nauwelijks verrassend dat Van der Burgh door zijn succes erover droomt de Portugezen van Timor te verdrijven. De regering in Batavia ondersteunt een offensieve politiek op het eiland en zendt een expeditie van 100 man, met kanonnen, ammunitie en voorraden levensmiddelen, om de aan de zuidkust levende stammen te reduceren. Van dit voornemen komt niets terecht en de autoriteiten in Batavia keren spoedig terug tot hun oude politiek van sterke ontmoediging van vissen in troebele Portugese wateren. De Nederlanders drijven deze houding zo ver door, dat als het energieke en ambitieuze Duitse Opperhoofd van Koepang, Hans Albrecht von Pluskow, tijdens een hem afgeraden poging een verdreven Portugese gouverneur in zijn ambt te herstellen, in 1761 in Lifao wordt vermoord door de Zwarte Portugese aanvoerders Francisco de Hornay en António da Costa, de Hooge Regering uitdrukkelijk represaille maatregelen verbiedt “vooreerst omdat onmagt het belet op een éclatante wijze te doen, en ten tweede, omdat het (de) schuld van het opperhoofd Von Pluskow is geweest, daar hij zich om eigen glorie en gewin met zaken heeft bemoeid die de Compagnie nimmer tot voordeel konden zijn”. Zij nemen in de jaren 1767-1769, na enige lichte aarzelingen, eenzelfde negatieve houding aan, als Francico de Hornay, die opnieuw zijn jas gekeerd heeft, de Compagnie het bezit van Lifao aanbiedt, dat hij op dat moment belegert.

De gouverneur van Lifao, António José Telles de Menezes, die in de jaren 1747-1748 gouverneur van Macau is geweest, is zo dom geweest 23 “aanzienlijke zwarte Portugezen”, die Lifao zijn binnengetrokken om met hem over een wapenstilstand te onderhandelen, te laten vermoorden, met het resultaat dat de verbitterde Hornay de omsingeling strakker aantrekt. Als deze situatie een jaar heeft geduurd, bevindt António José Telles zich in de moeilijke positie dat hij dagelijks 1.200 monden moet voeden, waarvan de meesten vrouwen en meisjes zijn en maar 15 blanke garnizoensleden, Omdat er geen hoop bestaat op bevrijding door hulp uit Goa of Macau en de voorraad voedsel bijna is uitgeput, neemt António José Telles de Menezes de wanhopige beslissing in de nacht van elf op twaalf augustus 1769 Lifao in de steek te laten. Het garnizoen, de bevolking en zoveel mogelijk artillerie en voorraden worden ingeladen in wat er aan vaartuigen in de haven ligt en nadat de aan de wal achterblijvende materialen in brand zijn gestoken, wordt koers gezet naar het oosten. Na enige voorraden in Batugade aan land te hebben gebracht, laat de kleine vloot op 10 oktober het anker vallen voor Dili. Op deze ongezonde, door malaria bezochte plaats, die evenwel het voordeel heeft ver genoeg verwijderd te liggen van gebied dat gecontroleerd wordt de Hornay’s, de Costa’s en de Toepassen rond Lifao en Larantoeka, wordt de nieuwe hoofdstad van Portugees Timor gesticht en Dili is dat sindsdien (ondanks onzekere tijden) gebleven. Francisco de Hornay biedt Jan Compagnie opnieuw het bezit aan van Lifao, nadat deze plaats is opgegeven door António José Telles de Menezes, maar het aanbod wordt tenslotte in december 1770 verworpen door de Hooge Regering in Batavia. Dit ligt voor de hand, want de regering besluit dat het veel te gevaarlijk is een fort/nederzetting te stichten in een plaats die het hoofdkwartier is van een onrustig rebellennest. Tegen deze tijd hebben de families Hornay en Costa een overeenkomst gesloten waarbij de leiding over de Toepassen afwisselend door de twee families zal worden vervuld. Na de nederlaag en de dood van Gaspar da Costa in Penefoeij in 1749, wordt hij als Tenente-General dan ook niet opgevolgd door een Da Costa maar door een De Hornay.

Lifao blijft dus bewaard voor de Portugese Kroon, aangezien de wispelturige Hornay’s spoedig terugkeren naar hun oude vertrouwde omgeving bij Lifao, waar de banier van de quinas tot 1975 heeft gewapperd over de enclave Ocussi Ambeno, waarin Lifao ligt. Ocussi Ambeno is het eerste gebied waar zich in 1556 Portugese dominicanen hebben gevestigd en waar zij de koninklijke familie van het Ambeno koninkrijk hebben gedoopt. In de jaren vijftig van de zeventiende eeuw is dankzij emigratie van Toepassen uit Larantoeka de eerste Portugese vestiging op Timor, Lifao, ontstaan. Het valt daarom te begrijpen dat bij de bepaling van de grenzen tussen Nederlands en Portugees Timor in 1859 Ocussi Ambeno, zijnde de bakermat van Portugees Timor, bij Portugees Timor is gevoegd.

Naschrift

Met de voltooiing van deel XIX is de geschiedenis van Portugal en van Portugezen in Afrika en Azië vrijwel besproken vanaf de prehistorie tot en met het jaar 1640, dat wil zeggen tot aan het herwinnen van de onafhankelijkheid, nadat Portugal 60 jaren heeft deeluitgemaakt van het Habsburgse wereldrijk.

Nog besproken dienen te worden de positie van Macau en die van de jezuïeten aan het keizerlijke hof in Peking; de handelsrelatie van Macau met China en Japan en de handelsrelatie tussen deze beide landen met behulp van de Portugezen. Tenslotte wordt aandacht geschonken aan de Portugese positie aan de Swahilikust in de eerste decennia van de zeventiende eeuw, omdat deze kust tot het einde van de achttiende eeuw heeft deel uitgemaakt van de Estado da India.

De blik blijft op Azië gericht totdat aan de vijandelijkheden tussen Nederland en Portugal eindelijk een einde is gekomen. Dat wil zeggen dat plaats wordt ingeruimd (vermoedelijk in deel XXI) voor de behandeling van de eindstrijd om Malakka (1641) en Ceylon (1656, val Colombo en 1658 val van Mannar en Jaffna). In hetzelfde jaar vallen ook in Nederlandse handen de steden Negapatnam (Coromandelkust), Tuticorin (Parelvisserskust) en Quilon (Malabarkust). Met de verovering van een reeks forten aan de Malabarkust, waarvan het fort in Quilon de eerste is, in de daaropvolgende jaren eindigt de oorlog tussen de Republiek en Portugal in Azië. Bedoelde forten zijn: Forte São Tomé (Quilon, 29 december 1658), Castelo de Cima (Cochin de Cima, 16 februari 1661), Castelo de São Tomé (Cranganore, 15 januari 1662), Fortaleza Manuel (Cochin de Baixo, 8 januari 1663) en Fortaleza de Santo Angelo (Cannanore, 15 februari 1663).

Het is de bedoeling na het beschrijven van de vrijwel volledige ontmanteling van de Estado da India de aandacht te richten op de continenten waar de Portugezen beter tegen hun vijanden blijken te zijn opgewassen. In 1648 heroveren zij Angola en São Tomé, welke koloniën in 1641 plotseling in handen van de Hollanders waren gevallen. In 1649 voegen zij nog het eiland Principe aan hun heroveringen toe. In het deel dat volgt op de ontwikkelingen in West-Afrika gaat de aandacht naar Brazilië, de rijkste kolonie van allemaal, waaruit de Hollanders in 1654 geheel zijn verdreven.

Helaas kan nog niet worden aangegeven uit hoeveel delen de Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee gaat bestaan, want dat zal mede afhangen van het te kiezen eindpunt. Dat zou kunnen zijn de verdrijving van de Hollanders uit Brazilië; maar meer voor de hand ligt het einde van de Napoleontische tijd en de verwerving van de Braziliaanse onafhankelijkheid. Als ik mij, wanneer dit punt is bereikt, nog fit genoeg voel zou ik de bespreking van de Portugese geschiedenis en dan vooral de koloniale geschiedenis willen voortzetten tot en met de Anjerrevolutie en de ontmanteling van het koloniale rijk in Afrika.

1 De uitgave van dit boek is op zichzelf al bijzonder. In die tijd zijn niet veel boeken over het reilen en zeilen van de VOC, die à titre personel zijn geschreven, verschenen. De Heren Zeventien zijn daarvan nooit voorstander geweest, maar soms zijn de uitgevers hen te slim af geweest, of heeft een verongelijkte employee getracht zijn gram te halen.

2 Kust bij Bombay en Thana

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

Solor middelpunt van de sandelhouthandel. De Kleine Soenda eilanden

Deel 19 Index

Hoofdstuk 3

De Kleine Soenda eilanden

3.0 Solor middelpunt van de sandelhouthandel

Geschreven door Arnold van Wickeren

Vele jaren voordat Vasco da Gama Kaap de Goede Hoop rondde, was Timor bij de Chinezen bekend als een aanbieder van geurig sandelhout. Er is zowel vraag naar wit als naar geel sandelhout dat wordt verbrand in tempels en andere gebedshuizen. Chinese jonken van Fukien en Kwangtung bezoeken Timor periodiek, terwijl de Portugezen hun weg naar China vinden korte tijd na de verovering van Malakka door Albuquerque in 1511. De Portugese literatuur veronderstelt dat in het voorjaar van 1515 een schip naar Timor is gevaren, omdat daartoe de intentie was uitgesproken. Er is geen bewijs te vinden dat de reis werkelijk heeft plaatsgegrepen.

Uit Pigafetta’s verslag van de expeditie van Fernão de Magalhães weten we dat de Victoria een dag of vijftien voor een langdurige storm beschutting heeft gezocht bij het eilandje Alor en dat het van daar doorgevaren is naar Amabu aan de noordkust van Timor, waar de Victoria op zondag 26 januari 1522 aankomt en waar verversingen en proviand die op Alor niet konden worden verkregen, worden ingenomen.

Vijftig jaar later vestigen de Portugezen zich voor het eerst op de Kleine Soenda eilanden. In de volgende honderd jaar is niet Timor, maar het naburige eiland Solor het centrum van de Portugese activiteit. De stichting van de nederzetting op het meest strategische punt van de Solor archipel vindt plaats door de dominicanen, die, aangemoedigd door hun succes van enige voorafgaande bekeringen, op Solor in het jaar 1566 een stenen fort, met kanonnen op iedere hoek, bouwen. Doel van het fort is de bewoners van christelijke kampongs bescherming te bieden tegen invallen van islamitische slavenhalers uit Makassar en Java.

De monniken houden zich ook nadrukkelijk bezig met de handel in sandelhout. Rond het stenen fort groeit een vestiging van inheemse bekeerlingen en van de nakomelingen van Portugese soldaten, zeelieden en handelaren in sandelhout van Malakka en Macau, die zijn gehuwd met inheemse vrouwen. Dit is het begin van het ras van halfbloeden dat in de volgende eeuw door de Hollanders wordt aangeduid als Toepassen of Swarte Portugezen. Dezelfde term wordt ook gebruikt voor de klasse van Euraziatische en inheemse christenen in Indië, of Malakka en Batavia door de Hollanders en Engelsen (de laatsten gebruiken evenals de Portugezen de term Topasses of Topazes al meer dan 200 jaar). Solor is een eiland met een gezond klimaat, mensen met een leeftijd van 120 en zelfs 130 jaar voorkomen.

Voor de eerste twintig jaren van zijn bestaan wordt de capitão van het fort in Solor benoemd door de prior van de predikheren in Malakka, waarmee de capitão van Malakka dient in te stemmen, zoals blijkt uit een originele alvará of decreet, ondertekend door António Moniz Barreto, gouverneur-generaal van Portugees Indië, gedateerd 1576. Twintig jaren later gaat het recht op benoeming van de capitão van Solor over op de vice-rei van de Estado da India. De eerste in functie zijnde capitão die door hem is benoemd is António de Vilhegas. De instructies van deze capitão, gedateerd september 1595, zijn gevonden in de Archivo Português Oriental en deze lijken behoort te hebben tot de notities van G.P. Rouffaer en andere schrijvers van de geschiedenis van Solor en Timor.

Bij de wijziging van het bestuur van het land, bestuurden de dominicanen in totaal 27 kampongs op Solor, Flores en op de naburige eilanden, met naar eigen schatting 100.000 bekeerlingen. Volgens de weinig latere veel betrouwbaarder Hollandse schattingen zou het om 12.250 gekerstenden gaan. Hun belangrijkste post, na Solor zelf, is het eilandje Pulo Ende, aan de zuidkust van Flores, waar zij over een fort beschikken dat van koraalsteen is gebouwd en waarvan de korte maar bewogen geschiedenis voorbeeldig is weergegeven in een aantal artikelen van Jhr. B. C. C. M. M. van Suchtelen en Dr. G. P. Rouffaer, Hier kan en passant aan worden toegevoegd dat Dr. Rouffaer zich vergist met zijn veronderstelling dat de Portugezen niets meer met Pulo Ende te doen hebben na hun uiteindelijke verdrijving uit het fort in 1630. Een dominicaanse vertelling uit 1665 verhaalt over het vertrek van een expeditie van Larantoeka om christelijke kampongs op te ontzetten. Deze expeditie valt samen met de Hollandse expeditie naar Makassar in 1660.

De belangrijkste dominicaanse sterkte op Solor heeft een meer bewogen carrière achter de rug. Verrast, geplunderd en ten dele verbrand bij een neergeslagen inheemse opstand in 1598, is de sterkte spoedig herbouwd en verbeterd, om voorwerp te zijn van een Hollandse aanval in april 1613 geleid door kapitein Apollonius Schot. Hij wordt door gouverneur-generaal Both omschreven als “een persoon wel ervaren”, cloeck van verstandt, in de Spaanse tale zeer prompt, alsmede in’t schrijven, die historiën wel doorlesen, maer al te resoluyt, te liberaal, superbe, inconstant, bovenmate haestich van hooft….Ick en soude niet gerade vinden dat men hem een trap hooger setten soude”. Dat Schot niet “bovenmatig haestich van hoofd” was, zoals Both klaagt, blijkt daaruit dat het Schot drie maanden vergt om het fort in Solor te nemen, waarop de Hollanders met grof geschut 800 schoten hebben afgegeven.

Schot heeft de opdracht gekregen eerst het eiland Boeton aan te doen voordat hij aan zijn aanval op het fort op Solor begint.. Boeton is een eiland in het zuidoosten van Celebes, dat op ongeveer dezelfde lengtegraad ligt als Solor. Het blijkt dat de vorst van Boeton de Portugezen gaarne van Solor zou zien vertrekken en hij is bereid de Hollandse aanval met een korakora te ondersteunen. Twee weken na aankomst op Boeton sluit Schot een contract met de vorst en neemt in vriendschap afscheid van hem. Na achterlating van vier kanonnen en een tiental soldaten onder leiding van Gregory Cornelisz zet hij zijn reis met zijn schip Ter Veere op 9 januari 1613 voort. Onderweg komt hij het VOC-schip Halve Maan tegen dat hij beveelt zich bij hem en de Boetonse oorlogsprauw met 400 soldaten aan te sluiten.

Als de kleine aanvalsmacht bij Solor aankomt, valt het vijandelijke doel zwaar tegen; het fort lijkt mede gelet op zijn zeer strategische ligging, een veel zwaardere kluif dan Schot heeft gedacht. Na aankomst voor het fort beginnen de schepen onmiddellijk, zonder dat iemand nog aan land is geweest, het ene salvo na het andere salvo op het fort af te vuren. Het doelwit is een batterij Portugese kanonnen die de rede van Lohayong, voor het fort, moet beschermen. Als de batterij na twee dagen is vernietigd kunnen de schepen dichter naar het fort toe varen. Het is nog wel oppassen geblazen voor sluipschutters; tijdens het beleg van Forte Henrique zal de schipper van de Zeeland, Abraham Claeszoon, door een sluipschutter vanachter de kantelen van het fort worden neergeschoten. Schot zet 70 man aan land die de rond het fort gelegen hutten platbranden, zodat zijn soldaten zich vrij kunnen bewegen. Schot slaagt erin een Portugese galjoot die op de kant ligt te veroveren en vlot te krijgen, zodat hij nog een extra schip ter beschikking heeft. Toch begrijpt hij al snel dat meer schepen en vuurkracht nodig zijn om de Portugezen tot overgave te dwingen. Hij stuurt daarom op 23 januari een jonk naar Ambon met het verzoek om assistentie. Van de lokale bevolking heeft Schot vernomen dat op Timor Portugese schepen bezig zijn sandelhout te laden en hij wil voorkomen dat deze hun landgenoten te hulp zullen schieten. Hij besluit de Halve Maan, samen met de van het land gehaalde galjoot en de Boetonse prauw naar Timor te sturen om de Portugezen aan te vallen. De Ter Veere blijft met Schot wachten op antwoord uit Ambon. Nadat de jonk inderdaad met soldaten en ammunitie is teruggekeerd, raakt de zaak in een stroom-versnelling. De schepen die Schot naar Timor heeft gezonden hebben daar met succes de Portugese handelaren verrast en hen de partij sandelhout die zij aan het laden waren afhandig gemaakt. Na hun terugkeer uit Timor en samen met het op 3 april ook nog uit Ambon gearriveerde schip Zeeland beschikt Schot nu over een flinke overmacht. Hij laat een batterij artillerie installeren waarmee hij de vesting onophoudelijk kan bestoken.

Op 18 april arriveert wederom een schip uit Ambon de Patani, zodat Schots overmacht nu zo groot is dat hij het fort opeist, op straffe van totale vernietiging. Op 20 april 1613 gaven de Portugezen zich over, omdat de situatie in het fort, waarin meer dan duizend mensen opeengepakt zaten, onhoudbaar was geworden. Vooral de aanwezigheid van vrouwen en kinderen heeft de Portugezen tot overgave van de vesting genoopt. Onder de bezetting van ongeveer duizend man blijken zich niet meer dan 250 weerbare mannen te bevinden, exclusief 30 Portugezen en 7 dominicaner monniken. De overgrote meerderheid bestond uit vrouwen en kinderen. De scheve verhouding is ontstaan doordat de overige mannen met de Portugezen naar Timor zijn getrokken om sandelhout te laden. Deze groep die inmiddels ook is teruggekeerd op Solor, bestaat uit 80 Portugezen en 450 mestiezen, maar zij zijn te laat gekomen om hun familieleden en bondgenoten te hulp te komen. Boxer merkt in dit verband op dat Schot het fort wellicht helemaal niet had kunnen veroveren als niet het grootste deel van het garnizoen naar Timor zou zijn getrokken om er sandelhout te halen. Schot bepaalt dat de helft van de goederen in het fort aan de VOC vervalt en dat de Portugezen de andere helft mogen behouden. Bovendien wordt hun toegestaan naar Malakka te gaan. Zij vertrekken echter niet allemaal naar Malakka; Jan Pieterszoon Coen schrijft de directeuren van Bantam op 10 november 1614 dat “eenighe Portugesen, mesticen, ende 2 dominicaner monicken op den eet van trouwicheyt….op een sekere plaetse Larentouque genaempt, nyet verder van ’t Casteel Solor gelegen, zouden blijven resideren.” Deze ogenschijnlijke onschuldige overdracht van een paar vluchtelingen is het zaad voor een gewas dat jaren later de Hollanders ervan zal weerhouden hun hegemonie uit te breiden over dit deel van de Indische archipel. Het centrum van de Portugese invloed op de Kleine Soenda eilanden is nu Larantoeka op Flores, dat Portugese historici – volgens Boxer – later abusievelijk zijn blijven aanduiden als Solor, terwijl zij verwijzen naar de Toepassen ofte swarte Portugesen of Larantouqueiros, Overigens is het maar de vraag of Jan Pieterszoon Coen gelijk heeft met zijn opmerking dat slechts een handvol Portugezen van Solor in Larantoeka gaat wonen; Arend de Roever deelt mee dat de van Solor verdreven Portugezen via het Portugees gezinde Larantoeka op Flores naar Malakka kunnen vertrekken, maar dat niet minder dan 1.500 nieuwe bewoners in Larantoeka zijn neergestreken. Nu hij zijn taak heeft volbracht draagt Apollonius Schot het militaire gezag op Solor over aan kapitein Adriaen van der Velde. Hij wordt het hoofd van het fort, dat van de Hollanders de naam Hen(d)ricus ontvangt. Het civiele bestuur komt in handen van Jan Gijsbrechtsz de Vrije. Als deze op Timor verblijft is onderkoopman Crijn van Raemburch zijn assistent op Solor.

Op weg naar Bantam ontmoet Schot in Grissee Pieter Both. De gouverneur-generaal noemt Apollonius Schot, nu ‘onse goede vrund’ Zij zeilen samen naar Bantam. Tijdens een zwempartij van Schot in een rivier in Jakatra, verdrinkt hij op 23 november 1613, verlamd door het ijskoude water, dat door plotselinge zware regenval in de bergen de rivier heeft afgekoeld. In de Raad van Indië wordt Schot opgevolgd door Jan Pieterszoon Coen., terwijl de Raad in Bantam de benoeming van Adriaen van der Velde tot gouverneur van Solor en onderhorigheden bevestigt. Van der Velde geeft een opsomming van de gebieden waar de Portugese invloed nog zeer groot is, dat zijn de landen op Oost-Flores, met centra rond Endeh en Larantoeka, op West-Solor, rond Pammakaya en op Oost-Adonara in Carmaing (of Carma), aan de voet van de hoogste berg in de regio, de Ile Boleng. Het gaat hier om gebieden waarvan de bevolking gekerstend is. Op Timor – hoewel daar het christendom op dat moment nog geen rol speelt – zijn dat de koninkrijken van Mena en Asson aan de noordzijde. Nadat hij de krachtsverhoudingen in kaart heeft gebracht, besluit Van der Velde deze gebieden te bezoeken om te zien in hoeverre zijn vijanden met militaire middelen tot andere gedachten te brengen zijn. Eerst slechte hij op Endeh de ruïnes van een Portugees fort uit de zestiende eeuw, om te voorkomen dat Portugezen uit Larantoeka zich daar opnieuw zullen vestigen. Vervolgens houdt hij zich op Timor bezig met marktonderzoek naar de handel in sandelhout.

Het duurt niet lang of Van der Veldes voorgevoelens dat de nog steeds op schepen naar Malakka wachtende Portugezen in Larantoeka problemen zullen geven, worden bewaarheid. Carma, het uit 1.000 katholieke gezinnen bestaande dorp op Adonare, heeft na de verovering van het fort op Solor in eerste instantie het nieuwe gezag van de Hollanders niet aanvaard. Carma blijft zo het enige gebied ten oosten van het fort dat Portugees georiënteerd is. Op termijn is dit een onhoudbare positie, omdat de bevolking te zeer afhankelijk is van de door de Compagnie gecontroleerde zeeweg en van het fort. De Portugese commandant van Larantoeka, Francisco Fernandes, maakt van de gelegenheid gebruik en slaagt erin zijn bondgenoten in Carma tegen de Hollanders op te zetten. Zo krijgt Van der Velde gelijk met zijn stelling dat de Portugezen in Larantoeka hun positie aan het versterken zijn.

Met de bedoeling aan de nog resterende Portugese invloed eens en voor altijd een einde te maken trekt Adriaen van der Velde in juli op tegen het afvallige Carma. Zijn soldaten hebben hem de tocht ten sterkste afgeraden, omdat zij met veel te weinig manschappen zijn. Van der Velde zeilt met de Halve Maen en met 30 soldaten naar Carma. Het verlaten dorp wordt platgebrand, maar voordat de Hollanders bij hun schip terug zijn, worden zij ingehaald en zeven van hen sneuvelen in een regen van pijlen, afgeschoten door een menigte van 2.000 (Coen) of 3,000 (Van Raemburch) man. Adriaen van der Velde wordt bovendien onthoofd.

Op 13 oktober 1615 wordt door de Raad van Indië besloten Fort Henricus op te geven en volledig te slechten. Het comptoir kost te veel en het lijkt de raad verstandiger om Pulau Ai te gaan bezetten om te voorkomen dat de Engelsen zich zullen gaan vestigen in de Molukken. In december komt het bericht van de Heren Zeventien in patria dat zij de Molukken belangrijker vinden dan Solor. Begin 1616 wordt het fort geslecht en de bezetting gaat naar Ambon. De handel in sandelhout van Timor wordt vanuit de Molukken voortgezet. Het imago van de Hollanders is door het verbreken van het contract behoorlijk geschaad. Bij de ontvangst van een delegatie van 17 vooraanstaanden uit de dorpen op Solor, bepleiten dezen uitvoering van de samenwerking tegen de Portugezen en naleving van het oorspronkelijke contract. Gouverneur-generaal Jan Pietersz Coen biedt zijn excuses aan voor het verlaten van het fort en hij belooft de delegatie het fort weer te zullen laten opbouwen en het te bezetten met een garnizoen. Maar voordat hiermee wordt begonnen profiteren de Portugezen van het vertrek van de Hollanders van Solor. Als zij in Malakka vernemen dat de Hollanders zijn vertrokken, aarzelen zij niet lang om het fort op Solor weer te bezetten. Dat gebeurt vooral op aandringen van de in hoog aanzien staande Frei Miguel Rangel o.p., die het een goede gelegenheid vindt het christendom op Solor actiever te verspreiden dan voorheen mogelijk is geweest. Eind 1616 vertrekt padre João das Chagas o.p. met enkele medebroeders naar Solor waar zij zich, met de meegebrachte kanonnen en munitie installeren op de ruïnes van het fort. De Portugezen verdwijnen echter weer van Solor als gebleken is dat vice-rei Dom Jerónimo de Azevedo wenst dat de Portugezen zich in Larantoeka concentreren.

Van Raemburch arriveert in oktober 1618 via Japara en Bima (Soembawa) op Solor. Hij neemt onmiddellijk de wederopbouw van het fort ter hand. De brief die Coen zijn ‘goede vrund’ voor de bondgenoten heeft meegegeven is kort en krachtig. De gouverneur-generaal biedt nogmaals zijn excuses aan voor de eerdere beslissing het fort te verlaten; hij hoopte niettemin, nu eenmaal besloten is terug te keren, dat de bondgenoten hem zullen helpen bij de wederopbouw van het ‘bollewerck’. Hierbij worden de stenen van het oude, gesloopte, fort gebruikt. Het fort wordt bezet met 30 à 40 man. De handel in sandelhout wordt weer opgepakt. De Solorezen mogen zelf in Timor sandelhout gaan ruilen als dat maar aan het fort wordt verkocht.

De VOC heeft op dat moment vrijwel alle handel in sandelhout in handen en de Portugezen vertonen zich nog zelden. Coen maakt hieruit op dat de Portugezen niet meer voldoende middelen en schepen hebben om hun positie in Timor te behouden. Daarom krijgt Van Raemsburch de instructie om de Portugezen waar mogelijk aan te vallen. Zij vragen zich af of zij de handel met Timor nog wel kunnen voortzetten zonder dat zij een fort op Solor bezitten. De Hollanders controleren de zeestraten te goed, zodat de Portugezen niet langer ongemerkt hun gang kunnen gaan. Hieruit trekt Jan Pietersz Coen de conclusie dat de Portugezen gedemoraliseerd zijn en niet meer over de middelen beschikken om de ‘strijd’ om Timor vol te houden. Nogmaals instrueert hij Van Raemburch de Portugezen waar mogelijk aan te vallen.

Als op Solor drie Compagniesschepen die op weg zijn naar Ambon, aankomen, ziet Van Raemburch zijn kans schoon. Hij stelt zijn Raad, uitgebreid met de schippers van de drie schepen de Bergerboot, de Morgenster en de Neptuynes, voor om Larantoeka aan te vallen en de Portugezen ‘met geweld aan te tasten ende uut te royen.’ Schipper Willem IJsbrandtsz Bontekoe van de met 32 kanonnen bewapende Bergerboot en zijn kompanen, die ieder 62 soldaten aan boord hebben, achten een aanval verantwoord. In de maand mei van het jaar 1620 wordt de aanval ingezet: de Larantouqueiros vluchten de bergen in. Maar als er bij een tegenaanval zeven Hollandse soldaten gedood worden, slaat de rest in paniek op de vlucht. Daarbij worden in de chaos nog eens zestien soldaten gedood en 26 gewond. Met 23 gesneuvelden en eenzelfde aantal gekwetsten, zonder ook maar één Portugees te hebben verjaagd, is de afgang compleet. ‘Met deze schade en schande (die ons door nieuwe onervaren soldaten overkomen is) zijn de schepen van Solor vertrokken. God vergeve het degenen die oorzaak van de fouten zijn.

In het najaar van 1621 verschijnt de grootste VOC-vloot die Solor en Timor ooit heeft bezocht, in de wateren van Solor. De vloot van zes schepen brengt de secretaris van de Raad van Indië, François Lemmens naar Timor, om de Timorese handel in kaart te brengen. Zijn instructie luidt dat er eerst gehandeld dient te worden aan de zuidkust van Timor en als daar voldoende hout is ingekocht dient aan de noordkant van Timor bijenwas te worden gekocht. De vraag naar dit product is zozeer gestegen dat de prijs is in korte tijd verdubbeld is. Ofschoon Lemmens een goede partij ruilgoederen, voornamelijk kleden, stoffen en parangs, heeft en over voldoende scheepsruimte beschikt om een grote hoeveelheid sandelhout te vervoeren, kan hij uiteindelijk slechts 1075 pikol hout bemachtigen. Een aantal plaatsen op Timor is al bezet door Portugese schepen, die dus toch weer de kentering eerder hebben benut.

Op Timor is een tweedeling in loyaliteiten ontstaan. Hierbij komen de vorsten aan de noordzijde, aangevuld met de vorst van Amanoeban in het zuiden, steeds meer onder invloed van de Larantouqueiros te staan. Door hun groeiende invloed zijn deze in staat de Hollanders daar de pas af te snijden. Hun machtsbasis concentreren zij rond de plaats Lifao in het land van Mena. Het kan een vrijwillige keuze van de Timorese vorsten geweest zijn om zich met de Portugezen te verenigen. Hun lineages zijn niet meer de op zichzelf staande clans van vroeger, maar zijn in de loop der tijd steeds meer met de Larantouqueiros samengesmolten, waardoor deze veel zeggenschap en invloed hebben verworven. Bovendien hebben zij een gemeenschappelijke band in het christendom, dat door de dominicanen nog steeds fanatiek verbreid wordt. Het zijn juist de rijkjes waar Apollonius Schot vroeger een contract mee heeft gesloten – Mena, Asson en Amanoeban – die nu van de Hollanders afstand nemen. Tegenover deze vorstendommen staan weer andere, die zich tegen de nieuwe ontwikkelingen verzetten. Dit zijn vooral de vorstendommen van Camenasse, Suai, Amanatoe, Amabi en Koepang. De vorst van Koepang, waar geen sandelhout grroeit, is onvoorwaardelijk op de hand van de Hollanders.

In 1622 stelt Coen een vloot samen van zestien schepen onder bevel van commandeur Cornelis Reyersz en diens instructie vat hij als volgt samen. “De voornaamste oorzaak waarom U met deze vloot uitgezonden wordt is om Macau in te nemen, of om op een van de meest geschikte plaatsen op de eilanden voor de kust van China een fort te bouwen, waartoe de eilanden van de Pescadores de beste gelegenheid schijnen te bieden. Item om de Chinezen, de Portugezen en de Spanjaarden de handel op Manila, Macau, Japan en Malakka te beletten en zorg te dragen dat de Chinezen alleen met een pas van U op Batavia komen om te handelen. …hiertoe zullen twee vloten gezonden worden één voor Macau en één voor Chinchieu (de baai van Amoy)…er is ons veel aan gelegen dat wij met Gods hulp meester van de gehele handel in Indië zullen worden en dat de vijand uit geheel Indië zal verdwijnen en wij aan hen de Chinese handel kunnen onttrekken.”

Onder commando van Cornelis Reyersz vertrekken op 10 april 1622 twaalf of vijftien VOC-schepen naar de Chinese kust. Het tweede schip in hiërarchie is de Groningen, een groot nieuw schip, onder bevel van schipper Willem IJsbrandtsz Bontekoe, met een bemanning van 192 koppen. Terwijl de Nederlandse vloot in juni 1622 rechtstreeks de Macau ‘roads’, het kanaal dat van de buitenste eilanden naar Macau loopt, opzeilt, om de verdedigingswerken van Macau te beschieten, houden twee Engelse schepen die belust zijn op buit, zich op de achtergrond. Een van de Nederlandse schepen1 wordt vrijwel direct tot zinken gebracht, door een van de batterijen van het Forte São Francisco, waarop de andere schepen zich voor hergroepering terugtrekken. Op 24 juni, de naamdag van São João Baptista, beginnen de Nederlanders de aanval op de zwak verdedigde stad. De capitão-geral van Macau, Lopo Sarmento de Carvalho, kamp met nog niet voltooide verdedigingswerken en een garnizoen dat niet op sterkte is. Deze zwakheden maken Macau ongeschikt om een belegering of zelfs maar een aanhoudende aanval te doorstaan. Drie Hollandse schepen, waaronder de Groningen, voeren een schijnaanval uit op het Portugese Forte de São Francisco. Door Portugese troepen te binden, kunnen Nederlandse soldaten van andere schepen op een zwak verdedigd stuk strand aan land gaan. De 150 verdedigers zijn voor de 600 of 800 gelande aanvallers geen partij. Nadat de Hollanders het strand hebben veroverd, trekken zij achter drie lichte kanonnen aan naar boven de stad in. Als zij binnen het bereik van de grote kanonnen van de citadel komen vindt er plotseling te midden van de voorttrekkende aanvallers een enorme ontploffing plaats die velen het leven kost of verwond. Later zal blijken dat de Milanese jezuïet Giacomo Rho (1592-1638) een schot heeft afgevuurd met een van de grote kanonnen van het Fortaleza do Monte, gelegen op het hoogste punt van Macau. Dit geluksschot met een kanon waarmee voorheen nooit geschoten is en dat daarna ook nimmer meer gebuikt zal worden, treft exact de kruitvoorraad van de oprukkende aanvallers. Terwijl de officieren nog twijfelen over doorgaan met de strijd, danwel de aftocht blazen, komen de verdedigingstroepen van de stad hen al tegemoet. Zij begrijpen dat de aanval van de Groningen een afleidings-manoeuvre was. De wegvluchtende Compagnies-soldaten worden tot in het water door de hen achtervolgende Portugezen achterna gezeten. De Nederlanders lijden een verpletterende nederlaag; er vallen 136 doden en 126 gewonden. Veel Compagniessoldaten worden gevangengenomen. Reyersz. maakt in zijn verslag weinig woorden aan het debacle vuil, waarschijnlijk – merkt Arend de Roever op – omdat de mislukking te wijten is aan de nogal slechte uitvoering van zijn strijdplan door enkele officieren.

Na de nederlaag bij Macau is de vestiging van een comptoir op het Chinese vasteland niet langer mogelijk. Reyersz en zijn raad besluiten daarom de instructie van Coen op te volgenen een fort in de Pescadores-archipel (P’eng-hu) te bouwen. Van daar tracht Reyersz twee jaren lang de Chinese scheepvaart op Manila te ontregelen, wat de Chinese autoriteiten natuurlijk een doorn in het oog is. Dezen zien in de bouw van het fort op P’eng—hu, op Chinees grondgebied, een vijandige daad. Niettemin verzoeken de Hollanders de autoriteiten in Fukien voortdurend om handel te mogen drijven en zij zetten hun woorden kracht bij door met hun vloot de Baai van Amoy te blokkeren. Met hun weinig zachtzinnig optreden tegenover de Chinese kustbewoners, die in groten getale gekidnapt worden om bij de bouw van het fort te worden ingezet of in het nieuwe Batavia tewerkgesteld te worden, jagen Reyersz en zijn mannen de Chinezen verder tegen zich in het harnas. Dit alles leidt in augustus 1624 onvermijdelijk tot een militaire confrontatie. Met een grote Chinese invasiemacht wordt het Hollandse garnizoen omsingeld en tot overgave gedwongen. De Pescadores worden ontruimd ten faveure van het nog niet door China geclaimde Formosa. Daar stichten de Hollanders in hetzelfde jaar Fort Zeelandia.

In 1623 zit de handel in sandelhout vast. Door ondiplomatieke onderhandelingen verslechtert de relatie met de Timorezen. De nieuwe gouverneur-generaal, Pieter de Carpentier laat weten “de ervaring heeft ons geleerd dat de Timorezen een volk zijn waar met zachte hand en geschenken, maar niet met rigueur en kwaad gedrag, iets van te krijgen is en al helemaal niet met wapens, want als zij gewaar worden dat men haar met geweld wil aantasten verlaten zij hun dorpen en begeven zich in het gebergte, waar zij weten dat men hun daar toch niets kan aandoen. De Portugezen, Javanen en Makassaren wagen zich weer aan reizen naar Timor en hervatten de concurrentie in de sandelhouthandel. Een probleem is ook dat Batavia het sandelhout niet kan afzetten omdat er door de oorlog op de Chinese kust geen Chinese schepen naar Batavia komen. In 1625 komt de handel weer op gang als gevolg van het openen van de VOC-vestiging op Formosa.

De overgrote meerderheid van de Toepassen heeft zich in de loop van de tijd op Timor gevestigd, omdat dit eiland het centrum van de handel in sandelhout is; slechts een minderheid van hen is op Solor of Flores blijven wonen. Merkwaardig is dat noch de Portugezen, noch de Hollanders in de loop van al die jaren een nederzetting op Timor hebben gesticht, maar zich tevreden hebben gesteld met een jaarlijkse trip naar Timor ter verkrijging van sandelhout en slaven. Zij gaan daarbij kortlopende overeenkomsten aan met de locale datu’s en radja’s die daarbij hun onafhankelijkheid bewaren.

Crijn van Raemburch wordt als Opperhoofd opgevolgd door Jan Thomaszoon , die vijf jaar later voor een precedent zorgt door naar de Portugezen in Larantoeka over te lopen. Opperhoofd Jan Thomasz Dayman heeft op Solor een wanbeleid gevoerd en zich misdragen door achter de vrouwen van de soldaten aan te zitten. Commandeur Jan Pietersz Reus wordt in december 1625 met de pinassen Westkapelle en Tortelduif en de sloep Meeuw naar Solor en Timor gezonden. De drie schepen hebben extra bewapening en 200 soldaten aan boord. In Solor hoopt hij bondgenoten te krijgen voor een groot offensief tegen de Portugezen. Daartoe heeft Reus een brief bij zich van gouverneur-generaal Carpentier voor de anti-Portugees gezinde Kitchil Protavi, de orangkaja van Lohayong en de machtigste heerser van Lima Pantei, met wie Apollonius Schot al een verdrag heeft gesloten. Reus heeft ook opdracht een onderzoek in te stellen naar de misdragingen van Jan Thomasz Dayman op Solor. Dayman voelt de bui al aankomen en hij loopt over naar Larantoeka vlak voordat de pinassen arriveren. Later zal blijken dat hij onverantwoorde uitgaven heeft gedaan ten bedrage van 78.000 guldens. Hij sterft korte tijd later door vergiftiging als we mogen afgaan op Hollandse bronnen uit die tijd. Op het moment dat de schepen voor Fort Henricus aankomen, arriveert een Portugees fregat voor Flores. Het loopt op de rotsen en wordt door de eigen bemanning in brand gestoken. De Portugezen verliezen hierbij 20 man en hun schip.

Op 12 januari 1626 vertrekken de drie Hollandse schepen naar Timor. Acht dagen later – de gangbare reistijd tussen Solor en Koepang – worden zij allerhartelijkst ontvangen door de Timorese bondgenoten. De vorst heeft zijn zoon vooruitgestuurd om hen te verwelkomen en mee te delen dat hijzelf de volgende dag met zijn hofhouding en zijn vrouwen zal komen “om de Hollanders op de gebruikelijke wijze te dienen.” Inderdaad verschijnt hij de volgende morgen met meer dan 200 gewapende mannen en 100 vrouwen, onder wie een van zijn dochters, die net oud genoeg is om te trouwen. De Zwitserse kapitein Elye Ripon die het commando van de overleden Reus heeft overgenomen, wordt verzocht met het meisje te slapen, omdat zij daarmee groot aanzien zal verkrijgen en beter uitgehuwelijkt zal kunnen worden. Het ontvangstritueel van lokale meisjes die vervolgens gemeenschap hebben met Hollandse officieren is een duidelijk onderdeel van de begroeting. Het gaat dan niet altijd om volwassen vrouwen, want Ripon meldt dat in de belevingswereld van de Koepangers een meisje van acht jaar oud genoeg is voor het liefdesspel en dat zij op die leeftijd al gemeenschap hebben met jongens. Ripon heeft met eigen ogen gezien hoe bedreven zij op die leeftijd al zijn in sexuele handelingen en hij kan dat nauwelijks geloven. De 100 vrouwen blijven drie nachten aan boord. “… Les femmes sont fort belles et blanches, et vont habillées comme celles de Banda, hormis qu’elles ont les bras tout pleins d’anneaux de cuivre jaune comme de l’or, depuis la main jusques au coude, et depuis les grilles jusques aux genoux…ces femmes sont si communes qu’elles demandent les hommes pour avoir leur compagnie charnelle pour quelqes corail ou aiguille. Elles aiment grandement les braves hommes, et ne leur coûte guère pour cela, voire elles les payent: entre autres un de mes caporaux, brave homme, une lui donna un anneau pesant trois ounces d’or pour avoir obéi à son service….”

Nog nooit heeft hij – schrijft Ripon in zijn persoonlijke reisherinneringen – een land gezien waar de wulpsheid van de vrouwen zo extreem is. Na twee weken ‘verpozing’ in Koepang wordt het tijd voor meer serieuze zaken. Ripon vertrekt op 2 februari 1626 naar ‘Anneban’ of Amanoeban, waar Portugezen aan land gesignaleerd zijn. Met 50 soldaten gaat Ripon achter hen aan. Het lukt hem uiteindelijk om een Portugese loge te vinden en die met alle koopwaar te verbranden. In de strijd komen enkele soldaten om, maar hij slaagt er niet in de Portugezen te verdrijven. De reis wordt voortgezet naar Camenasse, een bevriend gebied. Na het erkennen van de vlag om de Hollanders te verwelkomen, worden de Hollanders begeleid naar het hof van de vorst. Ripon wordt als leider van de expeditie speciaal verwelkomd. Daarop wordt een vette buffel geslacht en laat de vorst nog twee dozijn kippen aan boord bezorgen om de bemanning gunstig te stemmen. Ripon en de vorst praten daarna over de recente gebeurtenissen op het eiland maar ook elders in de archipel, zoals in Batavia. De vorst van Camenasse wil het verdrag dat hij met de Compagnie gesloten heeft ratificeren en daarop opnieuw de eed van trouw zweren. Het ritueel wordt in gang gezet. De vorst en al zijn edelen leggen de wapens af en Ripon doet hetzelfde. Daarop wordt een gouden vaas halfvol geschonken met wijn en onder het uitspreken van de eed, vergezeld van heldhaftige taal, brengen zij een gezamenlijke dronk uit. Ripon wordt benoemd in de “Orde van de drie Halve Zwarte Manen” en hij krijgt zes slaven en zes vrouwen cadeau, terwijl het hem aan niets mag ontbreken. Van deze gastvrijheid maakt hij dankbaar gebruik. Elke dag is het feest voor Ripon en zijn mannen, die zich niet alleen amuseren met de gekregen vrouwen, maar ook met de vele ‘eigen’ vrouwen van de vorst en hun slavinnen. Een paar dagen later neemt Ripon afscheid van de vorst van Camenasse; hij brengt nog enkele dagen door op de rede van Koepang en keert 28 februari 1626 terug bij het fort te Solor.

Ten tijde van Jan Thomasz Dayman en Jan de Hornay, die Dayman in april 1626 is opgevolgd, beconcurreren Hollanders, Portugezen, Makassaren, Javanen en anderen elkaar op Timor, omdat de VOC niet in staat is voor de handel in sandelhout een monopolie-positie af te dwingen. De Timorese vorsten schrijven hun handelspartners precies voor met welke producten zij de pikols sandelhout dienen te betalen, waarbij de hoeveelheden en de kwaliteiten van deze ruilgoederen hoe langer hoe meer precies zijn bepaald. De VOC transporteert grote hoeveelheden ijzer, dat betaald wordt met Chinese zijde, uit Japan naar Solor, waar het ijzer veelal tot parangs wordt gesmeed ten behoeve van de Timorezen. Individuele handelaren uit Makassar, Java of Malakka beschikken niet over een goed geoutilleerde smederij om deze cirkel rond te maken. De concurrentie van de Portugezen in de handel in sandelhout wordt hoe langer hoe groter, waarbij zij profiteren van de verwantschap van de Larantouqueiros met de Timorezen en van het succes van hun missiearbeid. Zij varen steeds meer vanuit Macau en Malakka via Makassar naar Timor, zonder dat zij de Solorese eilanden aandoen. Hierdoor geraakt Larantoeka in verval en moeten de Hollanders ervaren dat het bezit van Fort Henricus hun niet het monopolie in de handel met Timor garandeert.

Op Solor ontstaat een conflict tussen de islamitische Kitchil Protavi en de orangkaja’s van Lamahale en Trong op Adonare, waar onder invloed van Larantoeka het christendom veld wint Kitchil Protavi trekt tegen de dorpen op Adonare ten strijde, waarbij Coen aan Jan de Hornay opdracht geeft geen partij te kiezen, omdat de manschappen daarvoor ontbreken. Coen zorgt ervoor dat 30.000 pond rijst gebracht wordt naar Fort Henricus, wat voldoende is om 800 mensen een jaar te voeden. Ondertussen heeft de zoon van Kitchil Protavi de strijd tegen Lamahale en Trong gewonnen en de overwonnen orangkaja’s zijn terechtgesteld. Dit dient volgens de plaatselijke adat te worden gewroken. De bewoners van Adonare stelen ’s nachts de vissersboten van de stranden van Lamakera en Lohayong en de vissers van deze plaatsen stelen op hun beurt de boten van de Adonarezen, waardoor aan de visvangst in het gebied vrijwel een einde komt. Jan de Hornay acht de situatie zodanig explosief dat hij op 6 december 1627 op eigen houtje een vredesverdrag sluit met de capitão van Larantoeka, Francisco Fernandes, Larantoeka is niet meer wat het is geweest; al drie jaren heeft geen Portugees schip de haven meer aangedaan en veel inwoners hebben de plaats verlaten en zich gevestigd in Makassar. Op maandag 11 december 1628 besluit de Raad van Indië opnieuw Fort Henricus op te geven en Gregory Cornelisz, die we al tegengekomen zijn als bevelhebber op Boeton, krijgt opdracht met twee schepen naar Solor te gaan om Kitchil Protavi op de hoogte te brengen van de sloop van Fort Henricus, waarbij het eigengereide vredesverdrag van Jan de Hornay met Larantoeka goed van pas komt. Commissaris Gregory Cornelisz dient ook de veronderstelde malversaties van Jan de Hornay te onderzoeken. Hij vertrekt half december met de schepen ’s Lants Hope en de Kemphaen naar Solor. De Kemphaen komt op 8 januari als eerste schip zonder de commissaris aan en dan blijkt de frauduleuze vogel gevlogen te zijn; hij is overgelopen naar de Portugezen in Larantoeka. Het andere schip‘ ’s Lants Hope, is na vertrek afgedwaald naar Ambon en arriveert eerst 24 februari in Solor. Op 20 maart 1629 wordt Fort Henricus tot de grond toe afgebroken, ondanks het verzoek van de Solorezen niet alles af te breken en 10 of 12 soldaten en enkele kanonnen achter te laten en twee dagen later vertrekken zij met de resterende koopwaar en de kanonnen naar Ambon.

Hoe is het inmiddels Kitchil Protavi en de Solorezen van de radja Lima Pantei vergaan, nadat Gregory Cornelisz het redoute in 1629 tot aan de grond toe heeft afgebroken? Is hun bezorgdheid dat de strijd tegen de Demons op Flores en Adonare en tegen de Portugezen op Larantoeka weer in alle hevigheid zal losbarsten terecht? De Solorese gezanten die in 1629 zijn meegevaren naar Batavia, hebben de Raad van Indië niet kunnen overtuigen op zijn besluit Solor te verlaten terug te komen. In Batavia zijn zij met ‘soeticheyd teneder geseth’ en hun is toegezegd dat de Compagnie niet zal toestaan dat de Makassaren of de Portugezen op Solor een versterking zullen opwerpen. Zodra men dit gewaar wordt, zal niet worden nagelaten dit te beletten en de bondgenoten behoorlijk te assisteren, zo meldt de generale missive aan patria van december 1629. Overigens wordt het al meermalen gedane aanbod herhaald dat het voor Kitchil Protavi en de zijnen altijd mogelijk is in Batavia te komen wonen. Op hun vraag of zij zich ook op Ternate zoude mogen vestigen, wordt echter negatief gereageerd. De gouverneur-generaal heeft liever niet dat de Solorezen de voorvaderlijke banden met de Noordelijke Molukken aanhalen. Daarmee kunnen de hoofden van Solor het doen; zij keren nog in hetzelfde jaar min of meer onverrichter zaken terug. Jan Tombergen, die in 1628 tot commandant van de handel met Timor is benoemd, krijgt in zijn instructie voor de toen nog jaarlijks geplande reis naar Timor inderdaad de opdracht op Solor een oogje in het zeil te houden.

Zijn bezoek aan Solor in het voorjaar van 1633 bewijst dan ook dat de Compagnie de Solorezen niet helemaal met een kluitje in het riet heeft gestuurd en wel degelijk gevolg geeft aan de aangegane verplichting. Tombergen wordt hartelijk ontvangen en hij verneemt van Protavi dat het tot op dat moment is meegevallen met de vijandelijkheden. Wel hebben de dominicanen nadat de Hollanders zijn vertrokken en Jan de Hornay is gedeserteerd Fort Henricus in april 1630 weer bezet, maar uit het verslag dat Tombergen in Batavia uitbrengt is op te maken dat het fort nog niet is herbouwd. De drijvende kracht achter de herovering is Frei Miguel Rangel o.p., de latere bisschop van Cochin, die een vlammend verslag schrijft over Solor dat voor hem het aardse paradijs is, waar alleen de zondige mens uit de toon valt. Zijn verslag (Relaçam das Christandades, E Ilhas de Solor, em Particular da Fortaleza, que para emparo dellas foi feita: A qual juntamente he mosteiro da ordem dos frades prègadores, e ingreja matris das Christandades’, gepubliceerd in Lissabon in 1635 prijst de natuur van het eiland Solor aan; hij heeft het over de met rijst begroeide velden die lang niet zoveel werk vereisen als de zeer bewerkelijke paddy-velden in het laagland. Rangel prijst verder de vruchtbare schapen, geiten en buffels, de smakelijke vruchten en groenten en het water dat van hoge kwaliteit is – dit laatste is altijd een sterke aanbeveling in de ogen van de matige Portugezen, die niet zo gek zijn op een borreltje als hun heidense vijanden:

De Hollanders en Engelsen waren hier

En dronken palmwijn in plaats van bier

De auteur wijst ook op de gevorderde ouderdom van veel bewoners en hij voert dit aan als een bewijs voor de gezondheid van het eiland. Rangel prijst ook de inheemse capitão-mor van de Militia, Francisco Fernandes. Deze was toen meer dan tachtig jaar oud en had nog 25 energieke jaren voor zich. Een dominicaan bericht zelfs dat hij stierf op de gezegende leeftijd van 130 jaar. Vlak voor zijn overlijden heeft hij gevierd dat hij opnieuw vader is geworden en dat hij tijdens de jacht een waterbuffel heeft geschoten. Na zijn overlijden wordt het stoffelijk overschot van capitão Francisco Fernandes voor wetenschappelijk onderzoek naar Nederland gezonden.

Als de dominicanen in april 1630 weer op Solor aankomen, hebben zij onvoldoende middelen en nauwelijks arbeidskrachten en geen of weinig lokale hulp om het gesloopte fort te herstellen. Zij zijn in afwachting van wat ‘de grote padre’ aan geld en middelen bijeenbrengt om het fort weer op te bouwen. Daartoe is Rangel al in 1629 via Goa naar Malakka gereisd. Daar ontvangt hij hulp van manschappen beschikbaar gesteld door Nuno Álvarez Botelho na diens grote zege op de vloot van de Atjeeërs voor Malakka. Op 9 maart 1630 vertrekt Rangel, met twee schepen en samen met zes ordebroeders naar Larantoeka. Daar ontmoet hij de overgelopen Jan de Hornay, die hem haarfijn kan uitleggen wat de politiek van de Compagnie ten aanzien van Solor en Timor is. In 1634 maakt Rangel, die inmiddels tot bisschop van Cochin is benoemd, een grote som geld over naar Solor en bij een bezoek aan Macau weet hij van de geestelijkheid en de bewoners niet alleen geld los te peuteren, maar zij stellen ook een aantal Chinese metselaars ter beschikking. Ook is voorzien in een wapensmid en in enige kanonnen gegoten door Manuel Tavares Bocarro. António Bocarro, die in 1635 in Goa aan zijn officiële verslag over Portugees Azië werkt, benadrukt de commerciële voorspoed van Solor, die is gebaseerd op de bloeiende handel in sandelhout van Timor met Macau. De handel verloopt via Makassar met gebruikmaking van galjoten bemand met inheemse christenen en Topasses, waarvan de strijderscapaciteiten bewezen zijn in vele ontmoetingen ter land en ter zee met de Hollanders. Hun meest tot de verbeelding sprekende zege behalen zij – zoals wij later zullen zien- in 1630, als zij het jacht de Jaeger2, met zijn gehele bemanning buitmaken. Deze groep Hollandse gevangenen komt prima van pas bij de ruil van gevangenen in 1632 in Makassar. Een paar jaar eerder – schrijft Boxer – heeft een Engelse handelaar van Celebes de Hollanders in Batavia geïnformeerd dat de Portugese invloed aan het hof van sultan Hassan Udin zeer groot is “comen jaerlijks in Makassar, omtrent 10 en 22 Portugese fregatten, en de somtijts wel 500 man op Makassar sterck, de Coninck aldaer gedoocht dat sij haer exercitie daar aan landt doen mogen….Van Makassar, seijde hij mede, houden de Portugiesen hare vaert op Timor, ende strecken van Makassar recht boven de Pater Nosters nae de Strate van Bima over, welcke sij passeren, loopende van daer voorts nae de binnen ende buijten cust van Timor daer sij wesen willen.” Concluderend verklaart hij “In somma de Portugiesen houden Makassar voor haar Malakka, ende voelen daer so secure, gelijck off daer geen vijant meer in Indiën is, om datse daer noch niet eens vernestelt sijn. Naar sijn seggen souden de Portugiesen in Makassar jaerlijckx verhandelen niet veel min als 5 a zes hondert duysent realen van 8en, dat qualijck te gelooven is”.

Nadat Rangel in 1634 definitief van Solor is vertrokken naar Cochin, komt er een einde aan de wederopbouw van het fort. Als Jan Tombergen op 8 juni 1636 met zes schepen bij Solor aankomt, vindt hij Lamakera op de oostpunt van Solor, platgebrand na een overval door twee Portugese schepen. De Solorezen dringen er bij hem op aan de Portugezen uit het fort te verdrijven. Het garnizoen blijkt te bestaan uit 25 mestiezen onder bevel van een dominicaan’. Tombergen roept de bezetting op zich over te geven….”doch creegen van seecker paep (die ’t commando daer binnen is hebbende) tot antwoort: sulcx niet te durven doen, alsoo de groote Padre vertrocken ende hij maer een knecht van den selven sijnde, geresolveert bleef in het fort soo lange te houden, als hem mogelijck soude wesen, te meer hij Godt maar enen doot schuldich was”. De paep doet zijn woord gestand; hij slaat zonder problemen een verkennende Hollandse aanval af. Ondanks dit succes verlaten de dominicanen het fort een paar weken later, nadat Tombergen de twee met atap bedekte torens in brand heeft geschoten. Fort Henricus zal de komende tien jaren onbezet blijven, tot aan de derde Hollandse bezetting in februari 1646. Het garnizoen wijkt uit naar Larantoeka, zodra Tombergen naar het tegenover Solor liggende Adonare is gezeild. De Portugezen die voor de derde keer van Solor zijn verjaagd, moeten wel concluderen dat de bezetting van Solor zowel onmogelijk als zinloos is; zij concentreren zich voortaan op Timor zelf. Want dit is per slot van rekening de bron van het waardecolle sandelhout, ‘um manancial do valioso sandâlo’ en biedt grotere kansen voor de missie, e também ofrecia vasto campo para a propagação do Evangelho’.

In 1630 gaan twee Nederlandse schepen, de Kemphaen en het jacht de Jaeger voor de Hollanders klaarliggend sandelhout van Timor ophalen. De schepen zeilen onder bevel van Jan Tombergen, naar de zuidkust van dit eiland. Hier gaan de schepen uit elkaar. Op 4 januari 1631 ligt de Jaeger met Tombergen op de rede van Batomian, terwijl de Kemphaen met de koopman Stoffelsz is doorgevaren naar Camenasse. Tombergen heeft direct met de vorst van Batomian contact opgenomen en afspraken kunnen maken over de levering van sandelhout tegen de meegebrachte ruilgoederen. Diens regent geeft vervolgens toestemming de loge op het strand op te bouwen en de goederen uit te stallen. Terwijl de Hollanders daarmee met alle beschikbare mannen bezig zijn, verschijnen op zee twee Portugese fregatten vergezeld van vier sampans, die zonder verder dralen de aanval openen. De verrassing is compleet; er is op het schip nauwelijks bemanning aanwezig, omdat iedereen aan land is voor het inrichten van de loge. Van de landzijde verschijnt tegelijkertijd de regent met 2.000 vijandige Timorezen en de hinderlaag is volmaakt Het buitmaken van de Jaeger, inclusief de nog niet uitgeladen goederen, is daarna voor de Portugezen eenvoudig. De negentien dienaren van de Compagnie (twaalf Hollanders en zeven Mardijkers) vluchten met het meest waardevolle deel van de lading, bestaande uit goud, zilver en sieraden de bergen in. Daarbij sneuvelen vijf Mardijkers door Timorese pijlen. Als de overlevenden ’s avonds weer te voorschijn durven komen, zijn de Portugezen en Timorezen verdwenen en is de Jaeger in Portugese handen. Zij besluiten het goud op het strand te begraven en kunnen niet veel anders doen dan afwachten. De volgende dag verschijnt de Timorese vorst, die bij de regent zijn tollen opeist, zoals met Tombergen op 4 januari is afgesproken. De koopman wil deze echter niet zonder slag of stoot afgeven, want zo hij de afgesproken hoeveelheid hout al heeft ontvangen, hem ontbreekt de mogelijkheid dit af te voeren. Onder zware druk van de vorst zwichten de Hollanders toch, als de vorst “de twee overgebleven Mardijkers uit het bos laat halen en op een kruis laat binden, hen assegaaien op de borst heeft gezet en hen zo met de dood bedreigt, waardoor wij moeten zeggen waar onze schat begraven is. Daarop verdwijnt de vorst weer in de bergen, tevreden met de hem in zijn ogen toekomende tollen, waarna hij de tolk belast met de taak de Hollanders (op de gebruikelijke wijze) te trakteren.”

Stoffelsz die met de Kemphaen voor Camenasse ligt, vergaat het niet veel anders, want ook hij wordt in de opgebouwde strandloge overvallen door inwoners van Soway, Ackelarang, en Zouro. Zij stelen goederen uit de loge en deze zou geheel zijn leeggeroofd als de vorst van Camenasse de loge niet zou hebben ontzet. Sommigen achten het gebeurde het gevolg van een samenzwering tussen de Timorezen en de Portugezen, waarin Jan de Hornay de hand zou hebben gehad, maar een en ander is niet waarschijnlijk.

Voor het eerst sinds het begin van de handel in sandelhout in 1613 wordt in het seizoen 1630/1631 door de VOC geen expeditie naar Timor gestuurd. Ook de handel vanaf de schepen is geen succes gebleken; er is twee jaren achtereen verlies geleden. Gouverneur-generaal Jacques Specx (1629-1632) besluit om nog een keer te trachten een lading sandelhout te kopen, want in 1628 is voor het laatst een partij sandelhout naar Batavia gebracht. Deze is inmiddels in kleine hoeveelheden verscheept naar Cochin-China, Coromandel en via de havens van Gujarat naar Perzië. De pakhuizen in Batavia zijn eindelijk leeg. Er is zelfs sandelhout gezonden naar Holland. In Hollandse drogisterijen wordt het voor 28 stuivers per pond nauwelijks verkocht. De bewindhebbers laten de autoriteiten in Batavia dan ook weten dat sandelhout wat hun betreft ‘soberlijck gesonden moet worden, ofte zoud niet connen geconsumeert noch vercocht werden’. Het jaar daarop laten de Heren Zeventien weten dat 500 of 600 pond genoeg is, verkoopwaarde ditmaal 30 stuivers per pond. Nog een jaar later, in 1632, is de vraag gestegen van 600 tot 800 pond. Vijf of zes pikol derhalve. Kortom de handel met patria is geen vetpot.

Na het gewelddadige seizoen 1629/1630 wordt Jan Tombergen opgedragen eind 1631 met twee schepen naar Timor te gaan om na te gaan welke Timorese vorsten nog bereid zijn met de Compagnie zaken te doen. Het is geenszins de bedoeling dat Tombergen wraak neemt voor de Timorese aanvallen van 1629/1630. Wel wordt de koopman aangeraden tijdens de landing op het strand van Batomian de musketten met brandende lont gereed te houden. Daar kan nog een partij sandelhout afgehaald worden waarvan de tollen in 1630 al betaald zijn. Tombergen dient op de heenweg naar of op de terugweg van Timor een kijkje te nemen op Solor, want de autoriteiten van de VOC zijn nieuwsgierig hoe het Kitchil Protavi en de zijnen vergaat na de afbraak van Fort Henricus. Tombergen kan uiteindelijk een partij van bijna 1.000 pikol sandelhout kopen. In mei 1632 is hij weer terug in Batavia, zonder noemenswaardige problemen met de Portugezen of Timorezen ondervonden te hebben. Hij heeft nog voor de kust van Japara een Javaanse jonk met kapok genomen, zodat de reis zakelijk gezien een succes is geweest. Wel heeft zich een ander probleem voorgedaan. Door de ‘Timorese ziekte’ zijn maar liefst 32 mannen onderweg overleden, waardoor Tombergen nauwelijks in staat is geweest de geladen schepen te bemannen. Ook heeft hij geconstateerd dat de ruïne op Solor door de Portugezen zo goed en zo kwaad als dat ging weer is opgebouwd en door ‘een paap en tien mestiezen bezet wordt. Wat de gevolgen daarvan zijn en hoe het met radja Lima Pantei en hun strijd tegen Francisco Fernandes in Larantoeka gaat, zal later blijken.

Jacques Specx heeft inmiddels bericht ontvangen dat zijn benoeming door de Raad van Indië tot gouverneur-generaal niet aanvaard is door de Heren Zeventien en hij wordt teruggeroepen. In september 1632 geeft hij met groot ceremonieel het bestuur over Nederlands- Indië over aan zijn opvolger Hendrick Brouwer. Deze heeft op dat moment nog zoveel andere zaken aan zijn hoofd, dat hij niet wakker ligt van de handel in sandelhout. In het seizoen 1632/1633 vertrekt Tombergen opnieuw naar Timor, ditmaal met één schip De opperkoopman wordt geïnstrueerd de handelsplaatsen aan de zuidkust Batomian, Amanoeban, Camenasse en Suai te bezoeken en daarnaast ook nog eens afbreuk te doen aan de vijanden, zowel Portugezen, als Javanen en Makassaren. Ook de inkoop van bijenwas aan de noordkust moet hij weer oppakken. Hoewel hij vroeg naar de kentering, namelijk op 17 november, is vertrokken en daardoor wellicht eerder in de havens zal arriveren dan de Portugezen, is zijn opdracht met één schip vrijwel onuitvoerbaar. Toch arriveert hij pas op 9 januari 1633 in Batomian, waar hij blijft steken, omdat hij moet wachten op een partij sandelhout waarvoor hij de tollen al betaald heeft. De levering duurt echter lang en Tombergen kan weinig anders doen dan geduld betrachten. Maar hij wordt zolang aan het lijntje gehouden, ondanks zijn maningen tot spoed, dat van een bezoek aan andere handelsplaatsen niets meer terecht komt. Eerst op 15 mei, ver over de deadline van de moesson, ontvangt hij een partij van 150 pikol overjarig hout. Tombergen vermoedt dat kringen van Larantouqueiros rond de vorst van Amanoeban deze ervan weerhouden hebben goed hout te leveren en een betere koop in het vooruitzicht gesteld hebben. Vier maanden heeft hij tevergeefs moeten wachten en inmiddels zijn opnieuw 28 van de 80 bemanningsleden aan de Timorese ziekte overleden. Met tegenwind zeilt hij met de grootste moeite terug, een illusie armer. De nieuwe gouverneur-generaal heeft schoon genoeg van de handel in sandelhout. De reis van Tombergen in het seizoen 1632/1633 is voorlopig de laatste geweest.

De nieuwe gouverneur-generaal Hendrick Brouwer is een oudgediende. Hij heeft de Solorese en Timorese problemen al veelvuldig van dichtbij meegemaakt. Net gearriveerd uit Japan, is hij in 1615 degene die een evaluatie heeft gemaakt van de ontwikkelingen op Solor om de impasse in de standpunten van Reynst en Coen te doorbreken. Hij is toen tot de conclusie gekomen dat het verstandig is de zaak nog even aan te kijken. Sindsdien zijn de omstandigheden drastisch veranderd, Solor is verlaten en de macht van de Portugezen aan de zuidkust van Timor is dermate toegenomen, dat voortaan gevreesd moet worden voor het verlies van schepen. De verkoop van sandelhout aan de Chinezen stagneert. Export naar Japan is ook al geen succes; tegen beter weten in is eind 1633 een partij naar Hirado gestuurd, maar deze is onverkocht blijven liggen. De aanvankelijke opzet om sandelhout te gebruiken voor de aankoop van Chinese zijde, blijkt niet meer te voldoen. Sandelhout heeft veel van zijn belang verloren en de Hollandse belangstelling voor Solor en Timor is navenant afgenomen.

Gedurende de Timorese expedities slaan de koortsen op iedere reis weer genadeloos toe. Onder het scheepsvolk vallen zoveel doden dat de reis naar Timor niet erg populair kan zijn geweest. Weinig commercie en veel slachtoffers. “De Timorese koorts heeft op deze reis extraordinaris gedomineerd en zodanig de overhand genomen dat weinig van al het scheepsvolk daarvan uitgezonderd is geweest” schrijft gouverneur Brouwer aan de Heren Zeventien in zijn verslag over de negatieve ervaringen van Tombergen in Batomian. De vraag is nu of de Compagnie het zich kan veroorloven de Portugezen de vrije hand in de Timorese Zee te geven. Na lange discussies tijdens raadsvergaderingen in Batavia wordt besloten aan de handel in sandelhout voorgoed een einde te maken; in de navolgende jaren worden geen schepen daarvoor beschikbaar gesteld.. Tijdens de seizoenen 1633/1634, 1634/1635 en 1635/1636 blijven de Hollanders weg van Timor. De Portugese sandelhouthandel krijgt zodoende vrij baan. De Heren Zeventien zijn het met de beleidswijziging niet eens, zij wensen alsnog de Timorese handel te continueren, dit ondanks de onzekere retouren en het ongezonde klimaat, al is het alleen maar om de Portugezen dwars te zitten. Zij suggereren om het sandelhout via havens in Gujarat naar Perzië te verschepen, maar dit is een zorg van de opvolger van Hendrick Brouwer, want diens repatriëring is aanstaande.

Brouwer wordt opgevolgd door Cornelis van der Lijn, een koopman die al 20 jaren in Indië is. Deze vreest dat de Portugezen in Larantoeka of op Solor een tweede Malakka willen stichten en daarom besluit hij Fort Henricus opnieuw te bezetten. Begin februari 1646 arriveert daar een garnizoen van 34 man, onder luitenant Hendrick Hendricsz van Oldenburg. Injay Chili, de weduwe van Kitchil Protavi, de orangkaja van Lohayong, die haar man is opgevolgd, zal met haar familie in het fort komen wonen. Door de onrust in China tengevolge van de Manchu-invasie valt de vraag naar sandelhout weg. De voornaamste Portugese vrijhandelaar, Francisco Vieira de Figueiredo, die bij gebrek aan kooplust van de Hollanders een partij sandelhout naar Macau heeft gebracht, kan dan ook geen afnemer vinden ‘vanwege de continue oorlogen in China’. Een retourlading van stoffen en goud voor de Solorese en Timorese handel kan hij evenmin krijgen. Door de afscheiding van Spanje zijn de Portugese relaties met Manila sterk bekoeld, zodat Macau in feite een ‘koopstad zonder klanten’ is. De Portugezen op de Chinese kust vervallen tot armoede. Dit is voor hun andere kwartieren in Azië, zoals Goa, maar ook Larantoeka zeer schadelijk, bericht Van der Lijn aan patria.

Omdat Hendricksz van Oldenburgh te licht wordt bevonden als garnizoenscommandant op Solor wordt hij vervangen door opper-koopman Hendrick ter Horst. Deze is nauwelijks op Solor aangekomen als fort Henricus op 2 februari 1648 wordt getroffen door een zware aardbeving, die vier mensen het leven kost, onder wie het zoontje van Ter Horst en een slavin. In 1648 ontstaat vraag naar sandelhout, de prijs in Makassar stijgt en Timor is ineens weer belangrijk. Ter Horst gaat naar Koepang, waar de dominicanen begonnen zijn met de bouw van een fort.

In 1657, blijkt zonneklaar dat de Hollanders Fort Henricus opnieuw geëvacueerd hebben. Dit is gebeurd op bevel van gouverneur-generaal Maetsuycker, korte tijd nadat de Hollanders het Portugese fortje in wording in Koepang hebben overgenomen. Overigens schrijft Livinius Bor, in zijn Amboinse Oorlogen: “Het verplaetsen van ’t Fort Henricus heeft den Superintendent (Arnold de Vlamingh van Outshoorn), op sijn overkomen tot Batavia, voorgedragen: daer op (so verstaen heb) de verhuising naderhand, doch, in plaets van Roty op Timor tot Koupan is gevolchd.” De waarschijnlijkheid daarvan wordt voorts bevestigd door een opmerking in het Dagh-register van 2 januari 1665, die luidt: “oock is op haer hoochheydts (de Koningin van Solor) versoek goetgevonden 15 à 16 soldaten in het fort Henricus op Solor te leggen, ten ware datter eenige redenen contrarie gevonden mochten worden”. Boxer merkt op: “Ik betwijfel zelfs of er ook maar iets wordt ingebracht tegen deze aarzelende beslissing”. Pas in 1757 vraagt het bestuur in Batavia de Resident van Koepang een “bekwaam posthouder” in Solor te benoemen, die zijn positie zal trachten te versterken door de regerende Donna van Larantoeka te huwen. Twee jaren later wordt Fort Henricus bedreigd door de bewoners van Larantoeka, maar hun aanval wordt afgeslagen, ofschoon de aanvallers de “Negorij en het huis en pagger van de Compagnie” in brand steken. De bron waaraan deze laatste opmerkingen zijn ontleend maakt geen melding van een Europees garnizoen in Fort Henricus. Eerder kan daaruit worden afgeleid dat de plaats door een inheemse vorst wordt bestuurd voor de Compagnie, zoals Larantoeka wordt bestuurd voor de Kroon van Portugal. Maar wij zijn enigszins op de zaken vooruitgelopen.

1 Portugese internetbronnen over Macau spreken over ‘the most able of the Dutch warships, the Golias; VOC-bronnen vermelden geen gezonken schip.

2 De VOC-site van internet vermeldt niet het verlies van dit schip.

3.1 De strijd om Timor Naschrift

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme Spaanse kolonialisme

De Portugezen uit de Molukken verdreven; aanhoudende schermutselingen tussen Hollanders en Spanjaarden. De Molukken, Banda, Ambon en Sarangani (1560-1640)

Deel 19 Index

Hoofdstuk 2

De Molukken, Banda, Ambon en Sarangani (1560-1640)

2.3 De Portugezen uit de Molukken verdreven; aanhoudende schermutselingen tussen Hollanders en Spanjaarden

Geschreven door Arnold van Wickeren

De vorst van Ternate’s aartsrivaal Tidore die met lede ogen de macht van Ternate heeft zien groeien, verzoekt de Portugezen een fort te bouwen op zijn grondgebied. Dezen gaan hierop gretig in; Sancho de Vasconcellos1 bouwt een vierkant fort aan de oostkust van Tidore. Het fort is gereed op 6 januari 1578 en het ontvangt daarom de naam Fortaleza dos Reis Magos. Bij het fort ontstaat een kleine nederzetting. Hierin wonen 60 Portugese casados met hun gezinnen, alsmede 50 Castiliaanse soldaten, die met de expedities van Sarmiento en Morón naar de Molukken zijn gekomen en daar zijn gebleven. Behalve de vele casados verhuizen ook de meeste mestiços van Ternate naar Tidore.

In dezelfde tijd dat de Portugezen zich op Tidore installeren, breidt de macht van sultan Baab Ullah zich gestaag uit naar gebieden in de wijde omgeving van Ternate, zoals Mindanao, Sangihe, Manadao en andere delen van Noord-Celebes. Zijn autoriteit is zo groot geworden dat hij zich met recht sultan mag noemen. Hij zendt afgevaardigden naar de hoven van Demak en Johore. De Portugese macht wordt in die jaren gekortwiekt en bereikt nimmer meer de grootte die deze in het voorafgaande decennium heeft gehad. De activiteiten van de Portugezen concentreren zich thans op het eiland Ambon.

Op dit eiland richt zich de eerste aanval van sultan Baab Ullah op de Portugezen. Hij zendt twaalf korakoras, onder bevel van zijn oom Calacesico naar Ambon.

Het fort op Ambon staat onder bevel van Dom Duarte de Menezes, die op dit kritieke moment niet op Ambon is. Het fort is bijna door de vijand veroverd, als een musketschot een Caciz van aanzien doodt. De vijand breekt de aanval af en trekt zich terug op het eiland Varenula. Terwijl dit zich afspeelt op Ambon, wordt fort Gamma Lamma op Ternate door de vijand zwaar belegerd en het garnizoen heeft dringend voedsel nodig. Sultan Baab Ullah die ervaart dat het Portugese garnizoen zijn aanvallen met succes doorstaat, beweegt de koning van Tidore hem te ondersteunen en hun verenigde strijdkrachten vallen het fort aan. Hun troepen dringen de stellingen rond het fort binnen en zijn er na aan toe Gamma Lamma te veroveren, als Gonçalo Pereira Marramaque, horend hoe penibel de situatie voor de Portugezen op Ternate is, zich met drie schepen en 100 man van Ambon naar Ternate haast. Op weg naar Ternate doet hij Batjan aan en beweegt de koning van dat eiland hem te ondersteunen. Zijn vloot groeit aldus aan tot veertien zeilen. Gonçalo Pereira ontmoet een gecombineerde vloot van Ternate en Tidore, die bestaat uit 50 korakoras, die hij verslaat. Hij zeilt door naar Ternate en ontzet Gamma Lamma. Maar de Portugese strijdkrachten in het fort zijn getalsmatig niet tegen de belegeraars opgewassen. Desondanks zal het beleg van de vesting nog vijf jaren duren.

Terwijl Gonçalo Pereira Marramaque, de Portugese capitão-mor in de Molukken, in 1571, versterkingen van Ambon naar Ternate overbrengt om het Fortaleza Gamma Lamma, dat wordt belegerd door sultan Baab Ullah te ontzetten, zendt de laatste troepen naar Ambon, hetzij om Gonçalo Pereira ervan te weerhouden troepen van Ambon over te brengen naar Ternate, hetzij om de Ambonse eilanden in zijn bezit te krijgen. De vloot van Ternate komt echter te laat bij Ambon aan; Gonçalo Pereira is al met versterkingen naar Ternate uitgevaren. De vloot van Ternate belegert dan Nusalaut een van de Uliasser eilanden. De bevolking van Nusalaut heeft een omsingeling van 40 dagen doorstaan, als Dom Duarte de Menezes en Sancho de Vasconcellos haar komt ontzetten. Deze hulp geeft de bewoners zoveel moed, dat zij zich op de belegeraars storten en deze op de vlucht jagen. Sancho de Vasconcellos gaat dan naar Ambon, naar welk eiland Dom Duarte de Menezes al eerder is vertrokken. Bij zijn aankomst blijkt Dom Duarte te zijn overleden en volgt Sancho de Vasconcellos hem op als capitão van Ambon.

In 1572 verplaatst de Portugese capitão van Ambon, Sancho de Vasconcellos, het in 1569 op Ambon gebouwde houten fort van Hitu aan de noordkust naar Leitimor aan de zuidkust van het eiland, op ruime afstand van de voortdurende aanvallen van de Hituezen. Op Leitimor wordt naar een geschikte plaats gezocht voor de bouw van een stenen fort.

De Portugezen hebben de koning van het eiland Atua bij Ambon tot het christendom bekeerd. Zijn onderdanen, die het met zijn bekering niet eens zijn, staan tegen hem op en roepen de hulp in van de commandant van de vloot van Ternate. Het gevolg is dat de koning wordt omgebracht. De Portugezen ondervinden in die tijd in de Molukken zoveel moeilijkheden, dat er stemmen opgaan de Molukken helemaal op te geven en dat zou zeker ook gebeurd zijn, als Sancho de Vasconcellos zich niet hevig daartegen zou hebben verzet. Hij weigert namelijk de christenen op deze eilanden, die zonder Portugese steun zouden worden vermoord, in de steek te laten. Hij verklaart dat hij zelfs als alle Portugezen zouden vertrekken, een verdedigingsmacht van Ambonese christenen zou oprichten, om de mensen te beschermen. De resolute actie heeft succes en er wordt niet meer gesproken over terugtrekking uit dit deel van Azië. Er wordt echter besloten een nieuw fort te bouwen op een eiland dat Danvers aanduidt als Rosanive, waarmee bedoeld is Nusaniwe, een plaats op Leitimor waarvan de inwoners op goede voet staan met de Portugezen. Het fort wordt gebouwd met behulp van de inheemsen en kort daarna komen er versterkingen uit Goa aan. De bevolking van Atua overvalt de Portugezen echter zo plotseling, dat zij het onderspit delven. Hierop verzamelt Sancho de Vasconcellos een kleine strijdmacht waarmee hij Aktua overvalt en ieder levend wezen dat hij daar vindt, doodt. Hij gaat daarna naar Nusatelo, eveneens op Leitimor, op twaalf léguas afstand van Nusaniwe en bouwt daar eveneens een fort.

De heerschappij van de Portugezen in de Molukken loopt in 1574 op haar einde. Er zijn voortdurend nieuwe bevelhebbers naar de eilanden gezonden en zij werden doeltreffend ondersteund door troepen om de Portugese bezittingen in dit deel van Azië te verdedigen, maar de een voor de ander schijnt erop uit te zijn geweest zijn eigen persoonlijke belangen te dienen boven die van de Staat. Dom Álvaro de Ataíde is in die tijd capitão van de Molukken, maar Nuno Pereira de Lacerda is op weg daar naartoe, om hem op te volgen. Ondertussen zet sultan Baab Ullah van Ternate de belegering van Gamma Lamma voort. Onder de vele belegeraars bevinden zich ook islamitische strijders afkomstig van het eiland Moro, die nogal driest op Ternate optreden. Het garnizoen is door de blokkade vrijwel door zijn levensmiddelen heen. Er zijn weliswaar versterkingen en voorraden verzonden om de belegerden te helpen, maar door een speling van het lot komen deze niet op hun bestemming terecht. Het eskader onder bevel van Gonçalo Pereira Marramaque, dat is uitgevaren om de belegerden op Ternate te ontzetten is geheel verloren gegaan; vier schepen waarmee António de Valadares e Lacerda op weg is naar Ternate gaan op diverse plaatsen verloren en Lacerda kan, als hij op Ternate aankomt, het belegerde garnizoen slechts moed inspreken. Vervolgens vertrekt Francisco de Lima in een galjoot naar dezelfde bestemming, maar ook hij slaagt er niet in Ternate te bereiken. Om de ellende die de Portugezen treft nog te vergroten, laat de koning van Ujantana, die voorheen altijd een vriend van de Portugezen is geweest, hen nu in de steek en steunt hij hun vijanden. Dit is overigens niet het enige geval van Fahnenflucht van een bondgenoot; de macht van de Portugezen is in Zuidoost-Azië is duidelijk tanende en er schijnt onder de inheemse machten een algemene verlangen op te komen om, zich van het Portugese juk te bevrijden.

De heerschappij over Ternate van degenen die de Ternatanen zo brutaal hebben behandeld komt in 1575 tot een oneervol einde. Zij zijn, bij de overgave van het Castelo Gamma Lamma aan de Koning van Ternate gedwongen om voor het behoud van hun leven te smeken bij degene die hen veel beter behandelt dan zij verdienen. Als de koning het Fortaleza de São João Baptista na de overgave betreedt verklaart hij tegenover de Portugezen dat hij geen bezit neemt van de vesting voor hemzelf, maar voor de koning van Portugal en dat hij het aan Zijne Majesteit zal teruggeven zodra de moordenaars van zijn vader zijn gestraft. Het verlies van Castelo Gamma Lamma wordt niet gestraft als dat van Chalè2, ofschoon de misdaad dezelfde is, evenwel met dit verschil dat er in het geval van Chalè sprake is geweest van vrouwentranen, terwijl de overtuigingen van de jezuïeten in het andere geval hebben bijgedragen aan de capitulatie. Beide plaatsen zijn verloren gegaan omdat zij niet zijn ontzet en de bestraffing had daarom eerder degenen moeten treffen die gefaald hebben bij het zenden van versterkingen dan degenen die zich uiteindelijk hebben moeten overgeven. Er zit een zekere kern van waarheid in de opmerking die de sjah van Perzië tegen de ambassadeur van Portugal heeft gemaakt: “Hoeveel Gouverneurs van Indië heeft de koning onthoofd?”, waarop de ambassadeur heeft geantwoord “Geen.” Daarop heeft de sjah gezegd: “Dan zal de macht van de Portugezen in Indië niet lang duren.”

Op Leitimor wordt – zoals al gezegd – naar een geschikte plek gezocht om een permanent fort te bouwen. De radja van Soya biedt een stuk land aan waarop in 1576 een stenen fort wordt gebouwd. In feite wordt hiermee de stad Ambon gesticht. Het fort wordt gewijd aan Nossa Senhora da Anunciada. Samen met de capitão, Sancho de Vasconcellos, en zijn mannen verhuizen veel casados en gezinnen van mestiços naar de nieuwe nederzetting. Ook hele christelijke dorpen die aan de overkant van de Baai van Ambon liggen, zoals Hative, verhuizen naar de omgeving van het nieuwe fort en stichten daar nieuwe dorpen. Het fort te Ambon wordt een nieuw centrum van handel, nijverheid en religieus leven en tevens het Portugese hoofdkwartier in de Molukken. De gehuwde Portugese mannen leven binnen de muren van het fort, de christelijke dorpen liggen buiten de muren. Zij bouwen al spoedig hun kerken en scholen. Ook sturen allerlei dorpen op Ambon en ver daarbuiten een vertegenwoordiger die zich vestigt in de omgeving van het fort.

Een speciale groep vormen de Mardika, de Mardijkers. Hun naam is afgeleid van het Maleise woord ‘Merdeka’, wat vrij betekent. Deze Mardijkers zijn voormalige slaven die hun vrijheid hebben gekregen omdat zij zich hebben bekeerd tot het katholicisme. Zij zijn meestal van zeer gemengd ras, Aziatisch, Afrikaans, Braziliaans, of zij zijn afkomstig uit een van de verschillende delen van Voor-Indië. Zij zijn door hun eigenaars tijdens hun verblijf in de Portugese forten wereldwijd gekocht en meegenomen naar de Molukken. Hoewel zij hun vrijheid hebben herkregen, verkiezen vele Mardijkers bij hun voormalige eigenaren in dienst te blijven. Zij verblijven bij elkaar buiten de muren van het fort in hun eigen kampong. Net zo als hun eigenaren trouwen zij met lokale meisjes of vrouwen uit hun eigen gemeenschap. Zij blijven echter een groep die niet snel opgaat in de autochtone bevolking. Veel van hun zijn marskramer, kleine handwerkslieden, bediende of los arbeider.

Op Ambon gaan de zaken niet veel beter, want ofschoon Sancho de Vasconcellos, die de strijdkrachten onder zijn bevel heeft, zijn best doet wordt hij onvoldoende gesteund om zijn positie te handhaven. Hij verslaat twee vloten korakoras van Ternate, doodt hun commandanten en de Cachil van Tidore en de bevolking van Ambon slacht Maladam en vele anderen af. Op bevel van Sancho de Vasconcellos vernietigt Alexandre de Mattos het eiland Jamam, maar hij en zijn volgelingen worden achteraf gedood door de bewoners daarvan. Deze worden op hun beurt aangevallen door Dom Henrique, een oom van de koning van Tidore, die met 250 man een aantal van 2.000 bewoners van Jamam doodt. Bewoners van Ambon zetten een samenzwering op touw om Sancho de Vasconcellos te vermoorden. Deze vermoedt dat Ruy de Sousa, een nieuwe bekeerling en een vooraanstaand persoon van Rosanive, achter de samenzwering zit en hij laat hem arresteren. Deze arrestatie doet evenwel meer kwaad dan goed, want Ruy de Sousa ontsnapt uit zijn gevangenis en loopt over naar de vijand. Hij verraadt zijn vroegere vrienden aan hen en zij doden een groot aantal Portugezen, waardoor de zaken op Ambon in een desperate en kritische positie terechtkomen.

De Spaanse gouverneur-generaal van de Filippijnen, Gonzalo Ronquillo de Peñaloze (1580-1583), heeft vernomen dat koning Philips II van Spanje in 1580 ook is uitgeroepen tot koning van Portugal3. Voor hem is reden een expeditie naar de Molukken te zenden,onder bevel van Francisco Dueñas. Zijn primaire taak is het verzamelen van inlichtingen over de militaire situatie van de eilanden. Francisco Dueñas verblijft de maanden maart en april 1582. De volgende hulpexpeditie die tien schepen telt staat onder bevel van Dom Juan Ronquillo. Zij verblijft in de Molukken in 1582 en 1583. De Spanjaarden werken met de Portugezen samen bij het tuchtigen van naburige eilanden. In 1584 is het de beurt aan Pedro Sarmiento en daarna in 1585 aan Juan de Morón, maar ook deze twee expedities zijn niet succesrijk; zij vallen vergeefs de vesting São João Baptista op Ternate aan.

Diogo de Azambuja, capitão van Tidore, heeft in 1584 dringend behoefte aan ammunitie. De gouverneur-generaal van de Filippijnen, Santiago de Vera (1584-1590) zendt, om hem te helpen, vier barken met ammunitie, onder bevel van Pedro Sarmiento Hij neemt onderweg bezit van het eiland Mousel. Sultan Baab Ullah van Ternate, aan wie het eiland behoort, besluit zich te wreken. Hij zendt zijn broer Cachil Julo met 24 caracoras naar Batjan om de barken te nemen. Er volgt een onbesliste zeeslag, waarin de Ternatanen 200 man verliezen en de Spanjaarden acht. Na een desperaat gevecht, scheidt de nacht de strijdende partijen en het gevecht wordt naderhand niet hervat. Diogo de Azambuja, heeft dus geen hulp ontvangen; zijn positie blijft zorgelijk, omdat hij geen versterkingen uit Malakka. Heeft gekregen. Fernão Ortiz de Tavora is weliswaar met een hulpexpeditie uitgevaren, maar hij heeft zijn nog nauwelijks begonnen reis afgebroken bij de aankomst voor Malakka van een vloot van de sultan van Atjeh.

In 1584 arriveert Duarte Pereira met zijn galjoen in Tidore, om Diogo de Azambuja als capitão op te volgen. De laatste weigert, evenwel, zijn ambt op te geven en het geschil hierover loopt zo hoog op, dat Azambuja zijn rivaal in diens huis aanvalt, in het bijzijn van vrouw en kinderen. De ruzie zou serieuze gevolgen hebben gehad als zij niet de aandacht van de koning van Tidore zou hebben getrokken. Deze komt nu tussenbeiden en slaagt erin de kemphanen met elkaar te verzoenen. Spoedig na het beëindigen van de ruzie, arriveren 400 Spanjaarden uit Manila in Tidore om Diogo de Azambuja te helpen met de verovering van het Fortaleza Gamma Lamma op Ternate, maar deze vreest dat Duarte Pereira – tijdens zijn afwezigheid – bezit zal nemen van het commando, aarzelt met het ondernemen van de expeditie naar Ternate. Duarte Pereira, raakt echter op de hoogte van de oorzaak van de aarzeling van Diogo de Azambuja. Hij geeft als zijn mening dat men de gelegenheid een zo belangrijke opdracht te verrichten niet verloren moet laten gaan, omdat deze zich wellicht geen tweede keer zal voordoen. Duarte Pereira, wetende waar de schoen wringt, belooft Diogo de Azambuja met hem mee te zullen gaan naar Ternate. Door deze regeling gerustgesteld, vertrekt de expeditie, vergezeld van de koningen van Tidore, Batjan en Celebes. De gecombineerde strijdmacht landt op Ternate in het zicht van enige licht verzet en na het fort enige tijd zonder effect te hebben gebombardeerd, waarbij zij enige mannen verliezen, gaan de aanvallers weer aan boord van hun schepen en keren terug naar Tidore, zonder ook maar iets te hebben bereikt.

Op de eilanden van de Molukken verkeren de sultan van Tidore en sultan Said Barakat, de zoon en opvolger van sultan Baab Ullah, van Ternate in 1585 met elkaar op voet van oorlog, omdat de eerste weigert zijn zuster uit te huwelijken aan de laatste. In die tijd arriveert Nicolau de Brito met een galjoen uit Malakka in de Molukken. Hij heeft opdracht met de sultan van Ternate te onderhandelen over het teruggeven van het Fortaleza Gamma Lamma aan de Portugezen. Hij heeft ook brieven voor de sultan bij zich van koning Philips II en van de onderkoning Dom Duarte de Menezes in Goa. Tenslotte heeft hij een gift voor sultan Said Barakat bij zich. De voorwaarden van aanvaarding daarvan zijn eerder erop gericht Zijne Majesteit te beledigen, want ofschoon de gift geen grote waarde heeft, mag zij hem niet worden overhandigd, tenzij hij instemt met het aan hem gerichte verzoek. Voordat de sultan kennis heeft genomen van deze voorwaarden, is hij bereid vrede te stichten met de sultan van Tidore. Vervolgens krijgt hij kennis van het voorwaardelijke karakter van het present dat hem gegeven wordt, wat hem zo woedend maakt, dat hij opdracht geeft geen Portugees de stad te laten betreden, tenzij hij blootsvoet komt. Duarte Pereira, evenwel, die uit Manila is gekomen om Diogo de Azambuja op te volgen, slaagt erin een vriendschappelijke regeling met de sultan van Ternate te treffen. De houding van de sultan wordt zonder enige twijfel tot op zekere hoogte beïnvloed door het feit dat hij zijn oom, Mandra Shah, die rechtmatige sultan, de troon ontstolen heeft. De Portugezen zouden Mandra Shah kunnen gaan steunen om hem zijn troon te doen herwinnen. De sultan die erop uit is zich te ontdoen van een gevaarlijke rivaal, zet zijn oom onder druk ’sultans zuster, wier hand hij al beloofd heeft aan de sultan van Tidore, te ontvoeren. En vervolgens veroordeelt de sultan zijn oom tot eeuwigdurende verbanning, omdat deze zijn zuster heeft ontvoerd. Naderhand heeft de sultan zijn oom ook nog vermoord en zijn zuster vervolgens uitgehuwelijkt aan de koning van Gilolo. Dit laatste heeft de sultan van Tidore zo woedend gemaakt, dat hij met Duarte Pereira de dood van de koning van Ternate beraamt. En hierna zetten zij zijn oom, Cachil Tulo in zijn plaats op de troon van Ternate.

In 1588 bouwen de Portugezen een kerk bij hun Fortaleza dos Reis Magos op Tidore. Bij de kerk beschikken de jezuïeten over een woonhuis met magazijn, een refter en een huis voor leerlingen. Al deze gebouwen zijn opgetrokken uit hout en verkeren in prima conditie.

Een veel grotere en beter uitgeruste vloot vertrekt in 1593, onder bevel van gouverneur-generaal Filippine Gómez Pérez Dasmariñas, maar voordat de vloot de Molukken heeft bereikt ontstaat er een oproer aan boord en wordt de gouverneur-generaal vermoord. Als gevolg hiervan wordt de gehele onderneming afgeblazen.

Op 3 maart 1599 komen vier Hollandse schepen, de Amsterdam en de Utrecht, onder Wybrandt van Warwijck en de Zeeland en de Gelderland, onder Jacob van Heemskerck, voor de kust van Hitu aan. De bevolking geeft de Hollanders een huis om hun handelswaren in op te slaan en laat weten lading te hebben voor niet meer dan twee schepen. Daarom zeilt van Heemskerck met zijn twee schepen door naar Banda Neira, waar hij deze vollaadt met foelie, muskaatnoten en nagelen. Wybrandt van Warwijck kan wegens de oorlog van de Ambonezen met de Portugezen nauwelijks kruidnagelen op Ambon ruilen. Hij vertrekt daarom op 8 mei met de Amsterdam en de Utrecht naar Ternate.

Steven van der Haghen, die op 6 april 1599 met drie schepen van de Compagnie van Verre (1599-1601) is uitgezeild, besluit op 28 maart 1600 door te zeilen van Bantam naar Ambon. Hij komt daar op 2 mei met de Zon aan en werpt zijn anker uit, maar zonder dat de mannen op de Zon dat merken, drijven zijn andere schepen, de Maan en de , af in de richting van Banda. Eerst half mei ontvangt Steven van der Haghen bericht dat de Maan en de Morgenster op Banda een goede lading verwachten in te nemen. De orangkaja’s van Hitu en de koning van Noessatel dringen er bij Steven van der Haghen op aan hen te helpen in hun strijd tegen de Portugezen. Van der Haghen geeft tenslotte toe en de Hollanders belegeren samen met de Ambonezen acht weken lang het Portugese Fortaleza da Nossa Senhora da Anunciada op Leitimor, echter zonder resultaat. Steven van der Haghen sluit voor zijn vertrek met de Hituëzen een verbond, laat Jan Dircxz. Sonnenberg als bevelhebber van 27 vrijwilligers achter op het Kasteel van Verre, dat de Hituezen bij Kaitetu voor hem hebben gebouwd. Van der Haghen vertrekt 8 oktober naar Bantam, na de Hituezen te hebben beloofd hen na drie jaren met meer hulptroepen te zullen helpen. Op 14 februari 1601 zeilt hij van Bantam weg en In oktober 1601 keren de Zon, de Maan en de Morgenster beladen met kruidnagelen, muskaatnoten en foelie in het vaderland terug.

In februari, maart of misschien pas in april 1601 loopt een Hollands schip van 300 ton aan de grond bij Ternate. Het blijkt te gaan om de Hendrik Frederik, het vice-admiraalsschip van de expeditie van Olivier van Noort, onder bevel van Pieter de Lint. De expeditie is al op 13 september 1598 met vier schepen, de Mauritius (admiraalsschip), de Hendrik Frederik (vice-admiraalsschip), de Eendracht en de Hoop uit het vaderland vertrokken om Spaanse schepen te kapen, alsmede om porselein in China en specerijen in de Molukken te kopen. Het admiraals- en het vice-admiraalsschip zijn schepen van 300 ton, de beide andere vaartuigen zijn jachten van 50 ton. De bedoeling is dat Van Noort via Straat Magalhães naar de Specerijen-eilanden zal zeilen. Nadat Van Noort vergeefs heeft gezocht naar Sint Helena, waar hij had willen overwinteren en hij bij het eiland Santa Clara, weer aan de kust van Brazilië is gekomen, wordt de Eendracht in brand gestoken, omdat het schip water maakt. De vice-admiraal Jacob Claesz is een trotse man die twijfelt (overigens niet geheel ten onrechte) aan het zeemanschap van admiraal Olivier van Noort en die moeite heeft zich aan zijn gezag te onderwerpen. Als de schepen zich met de kerstdagen van het jaar 1599 in Straat Magalhães bevinden is de maat bij Van Noort vol. Hij laat Jacob Claesz arresteren en gunt hem drie weken om zijn verdediging voor te bereiden. Hij wordt berecht en veroordeeld; hij zal met eten en drinken voor veertien dagen worden afgezet op een desolaat eiland; dit vonnis is voltrokken en van de veroordeelde is nimmer iets vernomen. Op 26 januari wordt Pieter Esaiasz de Lint benoemd tot vice-admiraal. Arend Claesz Kalbuis is de schipper van de Hendrik Frederik.

Op 12 maart 1599 geraakt de Hendrik Frederik in Straat Magalhães uit het zicht van de beide andere schepen. Pieter de Lint begeeft zich zodra hij de engte door is naar het eiland Santa Maria voor de kust van Chili, dat het afgesproken rendez-vous-punt is voor het geval de schepen elkaar uit het oog verliezen. Lint blijft daar van 25 maart tot begin mei op Olivier van Noort wachten, maar deze is al in januari bij Santa Maria geweest en hij heeft de Buen Jesus achtervolgd en buitgemaakt en is niet in staat tegen de stroom en de wind in terug te zeilen naar het eiland. Begin augustus bereikt De Lint het Isla de Coiba voor de kust van Panama. Hij maakt hier een scheepje met maïs buit, aan boord waarvan zich de franciscaan Augustin de Cavallos bevindt. De Lint neemt de minderbroeder gevangen; aan hem danken wij het verslag van de avonturen van de Hendrik Frederik aan de kusten van Zuid-Amerika. Hij maakt nog een schip buit en neemt een aantal Spanjaarden en hun slaven gevangen; hij laat al zijn gevangenen, behalve een paar negers vrij voor hij de Oceaan oversteekt. De Lint bereidt zijn oversteek van de Grote Oceaan voor op het onbewoonde Isla de Coca (op 5  30’ NB.), waar hij een overvloed aan cocosnoten vindt en welk eiland Olivier van Noort niet heeft kunnen vinden, ofschoon hij over dezelfde kaarten beschikt. Over de route waarlangs De Lint de Oceaan is overgestoken is veel gespeculeerd. Wij weten alleen dat hij in februari of maart of misschien zelfs in april 1601 bij Ternate arriveert.

De gehele bemanning, de bewapening, de ammunitie en de handelsgoederen worden aan land gebracht. De Lint wordt door sultan Said Barakat in zijn hoofdplaats Talingama vriendelijk ontvangen. Hij wordt ook begroet door Frank van der Does, de vertegenwoordiger van de in 1598 opgerichte Oude Compagnie van Amsterdam. De Oude Compagnie heeft begin mei 1598 een vloot van acht schepen via Kaap de Goede Hoop naar Indië gezonden, onder bevel van Jacob Cornelisz van Neck en in de vice-admiraals Wybrandt van Warwijck en Jacob van Heemskerck. Na in Bantam een immense hoeveelheid specerijen te hebben geladen, heeft Van Neck Jacob van Heemskerck naar de Banda-eilanden en Wybrand van Warwijck naar Ternate gestuurd, waar de laatste van 22 mei tot 9 augustus 1599 gebleven is. Hij heeft Van der Does, met vijf assistenten achtergelaten om kruidnagelen te kopen en om contracten voor toekomstige leveranties met de sultan te sluiten, vooruitlopend op de terugkeer van Hollandse handelsschepen. Van Warwijck heeft de sultan verzekerd van Hollandse hulp tegen de Portugezen en hij heeft een verdrag afgesloten waarbij de Oude Compagnie exclusieve rechten heeft verkregen.

Van der Does is verantwoordelijk voor het zenden van de Trouw (het schip van de expeditie van Mahu en Cordes die zolang in de Chiloe-archipel is geweest, waar de bemanning zo verraderlijk is opgetreden tegen de Spanjaarden in Castro4) naar Tidore, omdat hij heeft geweigerd Cordes kruidnagelen te verkopen, want hij wilde deze behouden voor de Oude Compagnie. Hij heeft kapitein Balthasar de Cordes er wel voor gewaarschuwd dat de Portugezen het op Tidore voor het zeggen hebben. De Portugezen op Tidore wenden de bemanning van de Trouw voor dat zij bereid zijn nagelen aan hen te verkopen, maar zodra zij daarvoor de kans krijgen vermoorden zij Cordes en bijna zijn gehele bemanning. Slechts zes van hen ontspringen de dans; zij worden gearresteerd en een paar jaar in Goa in het gevang gestopt. De Portugezen nemen de Trouw in beslag.

Twee Hollandse schepen, onder bevel van Jacob van Neck, de Amsterdam en de Gouda, keren 2 juni 1601 naar Ternate terug om de kruidnagelen te laden die de factor heeft gekocht, aangevuld met nagelen die daarenboven nog te koop zijn. Van Neck heeft weet van de vloot van de Magallaanse Compagnie die drie jaar geleden, onder bevel van Olivier van Noort uit Rotterdam is vertrokken. De admiraal bereid Pieter de Lint een hartelijk welkom aan boord van de Amsterdam. “Sr. Franck Verdoes” schrijft admiraal Van Neck in zijn journaal “kwam naar ons toe met Pieter de Lint, kapitein van een van de schepen die Straat Magalhães gepasseerd zijn en dat gestrand is bij Ternate, ofschoon zijn goederen en de artillerie zijn gered.”

Nadat Van Neck vernomen heeft welk lot Cordes en zijn bemanning heeft getroffen, besluit hij de sultan van Tidore en zijn Portugese bondgenoten te straffen voor hun verraad, door de fortificaties op het eiland met zijn geschut te vernietigen. Tijdens het bombardement staat de schipper van de Gouda, Claes Cornelisz naast Van Neck. De schipper wordt door een schot getroffen en hoewel hij niet ernstig gewond is, wordt de beschieting gestaakt. Van Neck wijdt zich teleurgesteld over de beschieting weer aan zijn handel. Sultan Said Barakat is zo voldaan dat de Hollanders wraak hebben genomen op zijn oude vrienden dat hij de bemanningen uitnodigt voor een feestmaal. Van Neck laat de helft van de bemanningen op de schepen blijven, om te voorkomen dat het aantal gasten te groot wordt. Het feestmaal wordt gehouden op zondag 29 juli; admiraal Van Neck en de kapiteins Pieter de Lint, Rochus Pietersz en Van Hoyer zitten bij de sultan aan tafel. Om zich beter tegen de Portugezen te kunnen beschermen, koopt de sultan het scheepsgeschut, de ammunitie en het kruit van de Hendrik Frederik; andere Ternatanen kopen de zijden en fluwelen stoffen, alsmede het linnen en andere goederen van de Hendrik Frederik. De Lint en het overgrote deel van zijn bemanning vertrekken tussen september 1601 en eind januari 1602 in een nieuw gebouwde bark naar Java. Als De Lint vandaar in het vaderland terugkeert, heeft hij zijn reis om de wereld voltooid, na Magalhães (Juan Sebastian del Cano), Drake en Cavendish.

André Furtado de Mendoça vertrekt in de loop van de maand mei met zijn vloot naar Ambon en komt op 9 februari 1602 vanuit Manila op Hitu aan. Hij laat de schade herstellen aan zijn vloot, waaraan hij nog twaalf korakoras toevoegt. De korakoras gebruikt Furtado voor zijn operaties in de wateren van Ambon, waarvan de bevolking in opstand is gekomen tegen het Portugese gezag en het Fortaleza Nossa Senhora da Anunciada in het nauw brengt. Hij ontzet het fort, onderwerpt het dorp Alang en een drietal andere dorpen op Hitu en zijn troepen belegeren de verzetshaard Nao, dat zich na een week moet overgeven. De leiders van het verzet weten te ontkomen naar Ceram, maar negen nabijgelegen dorpen onderwerpen zich gewillig aan het Portugese gezag. De stokoude zeer aanzienlijke Tabadille raadt aan de ene kant zijn landgenoten aan zich tijdelijk aan de Portugese overmacht te onderwerpen, maar aan de andere kant vraagt hij naar de bergen gevluchte leiders vast te houden aan het verbond dat zij in het jaar 1600 hebben gesloten met admiraal Steven van der Haghen. Als zij dit hebben beloofd, geven zij zich over aan Furtado, die de laatste verzetshaard op Hitu, Hitu Lama, opruimt. De Koning van Noessanivel, Sinapati geheten, en de orangkaja van Oerimessing laten zich zelfs overreden zich te laten dopen. Zij ontvangen de namen Tomé de Sousa en Steven Teixeira, naar de oude Portugese landvoogd, die aan de veldtocht deelneemt. De Ambonese leiders, die veinzen zich bij de Portugese heerschappij neer te leggen, houden in het diepste geheim contact met de naar Ceram gevluchte leiders. Furtado landt onverwachts op het schiereiland Hovamel en de pati van Luhu slaat de schrik om het hart. Valentijn laat weten dat hij André Furtado de Mendoça geschenken, “benevens een opgepronkte deerne, die hij veinsde zijn dochter te zijn en Bay Warnoesla noemde” toezond. De pati geraakt door dit gebaar zo in de gunst bij Furtado dat hij de voor Furtado naar Hovamel uitgeweken leiders zonder problemen kan verbergen. André Furtado begeeft zich vervolgens naar Ihamahoe, een weerspannige en sterke plaats op het eiland Saparua. De bewoners verzetten zich zo straf dat de Portugezen tenslotte moeten afdruipen.

Het heeft André Furtado een halfjaar gekost om Ambon te pacificeren en hij heeft hulp gevraagd aan Malakka, maar deze blijft uit, wat niet verwonderlijk is, omdat de capitão van Malakka, Fernão de Albuquerque een persoonlijke vijand van André Furtado zou zijn. Desondanks vertrekt Furtado naar de Molukken. Hij gebiedt dat alle korakoras van de hoofdvestiging, en enige van de kust van Hitu en van het eiland Oma hem volgen, als bewijs van hun onderwerping. Als André Furtado enige tijd op het eiland Ternate is, raakt zijn leger door zijn munitie heen en worden de manschappen geteisterd door ziekte en voedselgebrek. Hij laat hulp vragen aan de in mei 1602 in Manila gearriveerde nieuwe Spaanse gouverneur-generaal van de Filippijnen, Pedro de Acuña. André Furtado vraagt hem vooral om voedsel en munitie en een aantal Spaanse soldaten ter versterking van zijn uitgedunde rangen. Het verzoek aan de gouverneur-generaal, aan de Audiencia en aan religieuze orden wordt overgebracht door de jezuïet Andres Pereira, die wordt vergezeld door kapitein António de Brito Fogoça, Zij zijn van Ambon naar Manila gereisd steken de loftrompet over de Portugese vloot in de Molukken en verhalen enthousiast de heldendaden van haar bevelhebber. Zij verzekeren dat hun capitão-mor ook op Ternate zal slagen, mits de gevraagde hulp wordt verstrekt. Zij vinden een gewillig oor bij gouverneur Don Pedro de Acunha, die ridder is in de Orde van Sint Jan en die in 1571 heeft deelgenomen aan de Slag van Lepanto. Don Pedro is toch al van plan op een geschikt moment een expeditie tegen Ternate te ondernemen, omdat Ternate de gezworen vijand is van Spanjes bondgenoot Tidore. Toen hij door Mexico trok, op weg naar zijn nieuwe standplaats Manila, heeft hij zijn plan besproken met iedereen met enige kennis van de Molukken en hij heeft Gaspar Gomez, een lekenbroeder jerzuïet, die tijdens het gouverneurschap van Gómez Pérez Dasmariñas jarenlang in Manila en op de Molukken heeft gewoond, naar het hof in Madrid gezonden, om de zaak daar te bespreken. Eind 1602 vertrekt het schip Santa Potenciana, met drie grote fregatten en 150 goedbewapende Spanjaarden naar Ternate, onder bevel van capitán Juan Juarez Gallinato. De vloot, die in januari 1603 bij Ternate aankomt, heeft veel voedsel en andere noodzakelijke zaken aan boord, zoals 10.000 fanégas rijst, 1.500 aarden kruiken met palmwijn, 200 stukken gezouten rundvlees, 20 okshoofden sardines, conserven en medicijnen, 50 quintais kruit, kanons- en musketkogels, scheepstouwen en andere voorraden. Capitán Gallinato krijgt opdracht zich bij aankomst op Ternate onder bevel te plaatsen van André Furtado de Mendoça. De vloot is in veertien dagen bij Talangame, op twee léguas van het voormalige Portugese Fortaleza São João Baptista of Castelo Gamme Lamme. De Spanjaarden vinden daar de Portugese bevelhebber met zijn galjoenen voor anker liggen, wachtend op de lang verbeide hulp. De verenigde strijdmacht slaat het beleg voor het kasteel, maar nadat het fort tien dagen lang is gebombardeerd en zwaar is beschadigd en de vijand vele manschappen heeft verloren moet het beleg worden opgeheven, omdat het kruit op is. André Furtado keert terug naar Ambon, zonder maar een poging te ondernemen het Portugese gezag op Ternate te herstellen.

Eind 1603 zenden de bewindhebbers van de VOC een zwaar bewapende oorlogsvloot, die 1080 man aan boord heeft naar Indië. De vloot staat onder bevel van de eerste admiraal van de VOC, Steven van der Haghen Hij zeilt met zijn zes resterende schepen, het jacht Duyfken niet meegerekend, van Bantam naar Ambon. waar hij vijf jaren geleden, op verzoek van de orangkaja’s van Hitu en de Koning van Noessatel acht weken vergeefs heeft deelgenomen aan de belegering van het Portugese Fortaleza Nossa Senhora da Anunciada. Nu laat Steven van der Haghen op 21 februari 1605 het anker vallen voor dit Portugese fort. De aanblik van de Hollandse oorlogsbodems is voor de angstige capitão, Gaspar de Melo, voldoende om het fort na twee dagen vrijwel zonder slag of stoot aan de Hollanders over te geven. Ook enkele casados die meer bezorgd zijn om het verlies van hun bezittingen, als het tot vechten zou komen, hebben gepleit voor een snelle overgave. De Hollanders reconstrueren het fort, legeren daarin een garnizoen van 130 man en herdopen het in Fort Victoria. De Portugese gouverneur, Capitão Gaspar de Melo, moet het veld ruimen en wordt opgevolgd door de eerste Hollandse gouverneur van Ambon, Frederick de Houtman.

De politieke kaart van de Ambonse eilanden ziet er op dat moment als volgt uit: de VOC beheerst de zuidelijke delen van de eilanden Ambon, Haruku en Saparua en vrijwel het gehele eiland Nusalaut. In dit gebied wonen de christenen. De Ternataanse kimalaha beheerst Buru, Ambelau, Manipa, Boano, Kelang en Hovamel. Hoewel er gedurende de strijd tegen de Portugezen door de Ternatanen nogal eens gebruik is gemaakt van het concept van de umat islam, de gemeenschap van islamitische gelovigen, om de moslims aan zich te binden, heeft dit toch niet geresulteerd in het ontstaan van een groot islamitisch staatsverband. Met name Hitu laat zich voorstaan op zijn zelfstandigheid. Vandaar dat er tussen het territorium van de VOC en dat van Ternate zich nog een drietal onafhankelijke, min of meer islamitische staten bevinden: Hitu, Hatuhaha en Ihamahu (Rumphius 1910, I:18-9, 46; kaart 2).

De val van het fort is een zware schok voor de Portugese gemeenschap; de mensen zijn bang dat de Nederlanders de dorpen rond het fort zullen aanvallen en plunderen, daarom vlucht de bevolking de bergen in ten zuiden van Ambon-stad. Na twee dagen komen twee jezuïeten Lorenzo Masonio en Gabriel da Cruz naar beneden om met Steven van der Haghen te onderhandelen over het lot van de Portugese christelijke gemeenschap. Het gaat zowel om hun veiligheid, have en goed als om een vrije uitoefening van de godsdienst. In de dagen daarop komt er nog een delegatie onder leiding van de casado Diego Barbudo, de radja’s van Kilang en Soya en 21 hoofdmannen van de katholieke en mestiço gemeenschappen op Leitimor. Zij verzoeken de vertegenwoordigers van de Staten van Holland bescherming te verlenen. Intussen is de grond onder de voeten van capitão Gaspar de Melo en zijn mannen te heet geworden; zij besluiten Ambon te verlaten. Het gaat om een paar honderd man; de capitão gaat met een aantal manschappen terug naar Malakka, maar een groot gedeelte van de Portugezen vertrekt naar Solor, waar zij sinds 1560 een fort hebben. Er blijven 32 gezinnen op Ambon achter. Ook de twee priesters verkiezen te blijven. Gedurende de tijd die Steven van der Haghen op Ambon verblijft, kunnen de katholieken rustig hun geloof te beleiden; per slot van rekening is de admiraal een geloofsgenoot. Maar zodra Steven van der Haghen naar Nederland is teruggekeerd verandert de situatie. De Nederlandse troepen, die overwegend calvinistisch zijn, beginnen de dorpen te plunderen en kerken, alsmede huizen in brand te steken. Frederick de Houtman kan de militairen niet bewegen hun terreur te stoppen. De soldaten worden wel gestraft, maar hij beschuldigt de Portugese hoofdman en de twee priesters van provocaties. Houtman besluit de op Ambon achtergebleven Portugezen van het eiland te verbannen. De 150 overgebleven mensen worden met een minimum aan proviand en water op een boot gezet, zonder navigatie-instrumenten en zelfs zonder een bekwaam zeeman aan boord. De boot vertrekt naar het noorden en na lange tijd wat te hebben rondgedreven komt hij toch aan op Cebu in de Filippijnen, waar de Portugezen worden opgenomen door de Spaanse katholieke gemeenschap aldaar.

Steven van der Haghen sluit op 25 februari met de kapitein van Hitu en met de andere orangkaja’s een overeenkomst die de VOC haar eerste soevereiniteitsrechten en het monopolie op nagelen bezorgt, hetgeen vanzelfsprekend ten koste van de Portugezen gaat. Niet alleen de lokale hoofden, maar ook de Portugezen die op Ambon willen blijven leggen een eed van trouw af aan de Staten-Generaal, aan de Prins van Oranje en aan gouverneur Frederick de Houtman. De Hollanders ontvangen in hun krachtmeting met de Portugezen waardevolle hulp van de inwoners van de naburige eilanden, die de Portugezen vijandig gezind zijn, omdat zij hun onverzadigbare hebzucht meer dan beu zijn. Daarom gaan zij gaarne met de nieuwkomers in zee en zijn zij hen behulpzaam bij het verdrijven van de Portugezen. Ondanks het Nederlandse garnizoen in Fort Victoria leven de bewoners in voortdurende vrees voor de wraak van de Portugezen sedert de Ambonezen met de VOC in zee zijn gegaan. Vooral de komst van de vloot van almirante André Furtado de Mendoça wordt gevreesd. Om deze reden heeft Jacob van Heemskerck al in juni 1601 het kleine Nederlandse garnizoen van 27 man van Ambon geëvacueerd, daarbij de Ambonese bondgenoten aan de wraak van de Portugezen overlatend.

In de maand april 1605 zendt Steven van der Haghen zijn vice-admiraal, Cornelis Bastiaensz met vijf schepen; Dordrecht, Amsterdam, West-Vrieslandt, Gelderland en Medemblijck naar Tidore. Als het Hollandse eskader op 2 mei voor Tidore aankomt, ziet de vice-admiraal daar twee Portugese kraken liggen. Valentijn vermeldt de namen van hun kapiteins: ‘Thomas de Torris’ en ‘Fernando Pereira de Sandi’. Drie dagen later eist Cornelis Bastiaensz de overgave van het Fortaleza dos Reis Magos, dat in 1601 zonder veel succes al door Jacob van Neck is beschoten. Het antwoord luidt dat het garnizoen zich tot de laatste man zal verdedigen. De vice-admiraal op de Dordrecht en schipper Jan Mol op de Gelderland slepen ieder onder hevig vuur uit de batterijen van het fort, een kraak weg. Na een bestorming van het fort door 150 man, onder bevel van kapitein Van der Perre en zeer harde strijd, waarbij 500 Ternatanen zich aan de zijde van de Hollanders hebben geschaard om van de partij te zijn als er gaat worden geplunderd. Tijdens de strijd hebben de vrouwen en kinderen beschutting gevonden in het nabijgelegen kleinere fort van de koning van Tidore. Na een taai verzet van 2 weken, geven de Portugezen zich op 19 mei 1605 over. Hun positie is onhoudbaar geworden als een van de torens van het fort uit elkaar gesprongen is, nadat de kruitkamer daarin is ontploft, waardoor dertig Portugezen, onder wie kapitein Torris, zijn omgekomen. Kapitein Jan Jansz Mol dringt aan het hoofd van zijn soldaten door een bres in de muur het fort binnen. De capitão van het fort, Pedro Álvares de Abreu en kapitein ‘Pereira de Sandi’ van de andere nau), de overlevenden van het garnizoen en andere op Tidore zijnde Portugezen, bij elkaar 400 of 500 mensen wordt toegestaan zich in te schepen op vier vaartuigen en een door de koning van Tidore beschikbaar gestelde barca, die de uitwijkelingen overbrengt naar de Filippijnen. Onder hen bevindt zich het hoofd van de katholieke missie in de Molukken, pater Luís Fernandez. Cornelis Bastiaensz verdrijft met Ternataanse hulp de Portugezen ook van het eiland Makian. Hij laat het Fortaleza dos Reis Magos op Tidore tot de grond toe afbreken, want de Hollanders beschikken niet over voldoende manschappen om de Molukken te bezetten. Er wordt alleen een klein Nederlands garnizoen op Ternate achtergelaten.

Nadat Steven van der Haghen zijn vice-admiraal naar Tidore heeft gezonden, gaat hij zelf naar de Banda-eilanden. Toen Wolfert Harmensz in 1602 deze eilanden bezocht, heeft hij van de bewoners van het eilandje Pulau Ai een monopolie op de handel in nootmuskaat en foelie gekregen. De bevolking van enkele andere eilanden verleent Steven van der Haghen in 1605 eveneens het monopolie op de handel in muskaatnoten en foelie. Maar deze verdragen zullen aan alle kanten door de Bandanezen ontdoken worden, omdat de VOC lage prijzen betaalt, onaantrekkelijke handelswaar meebrengt, onbekend is met de lokale etiquette en haar verbod op de handel met anderen (vooral Javanen) strak handhaaft. Tijdens zijn verblijf op in de Banda-archipel zendt Steven van der Haghen het Duy fken naar het oosten om de zuidkust van Nieuw Guinea te verkennen. De kapitein vab het Duyfken, Willem Jansz, komt echter niet als eerste Europeaan in Australië terecht, zoals lange tijd gedacht is. Degene die als eerste Europeaan het Zuidland heeft bezocht is de Portugese zeevaarder Cristóvão de Mendoça. Hij zou – volgens een zeer recente ontdekking van Peter Trickett – in 1522 met een vloot van vier schepen zijn aangemeerd in Botany Bay bij het huidige Sydney.

Op 15 februari zeilt gouverneur-generaal Don Pedro de Acunha uit voor een expeditie tegen Ternate. Zijn vloot bestaat uit vijf schepen, vier galeien met een lantaarn op de achtersteven, drie Portugese galjoten, vier sampangs, drie funeas, twee Engelse pramen, twee brigantijnen, een boot met een plat dek, voor de artillerie en dertien fregatten met een hoog dek. Zijn leger bestaat uit 1.300 Spanjaarden en 400 Tagalogs en Pampangans uit Manila. Zij strijden onder eigen officieren met hun eigen wapens. Onder de Portugezen die van de partij zijn bevindt zich de in het voorgaande jaar door de Hollanders verjaagde capitão-mor van Tidore. Admiraal van de vloot is sargento-mayor Cristobal de Axcueta Menchaca. Don Pedro de Acunha verlaat met zijn vloot Panay Island en zeilt naar La Caldera op Mindanao om water en hout in te nemen. Don Pedro reist met de galei Santiago en voert ook het bevel over de andere drie galeien. De capitania van de vloot, de Jesus Maria, loopt bij het verlaten van La Caldera aan de grond. Alle opvarenden en alle voorraden worden gered, waarna de galei in brand wordt gestoken. Als de vloot bij Ternate aankomt, zien de opvarenden daar een groot en zwaar bewapend Hollands schip liggen. De Hollander beschiet de Spaanse vloot totdat deze beschutting vindt van het eiland. De opperbevelhebber, Joan de Esquivel, zeilt met zijn schepen naar Tidore, waar hij goed wordt ontvangen. De koning van Tidore beklaagt zich over sultan Said van Ternate die met Hollandse hulp Tidore tiranniseert . Hij belooft met 600 man in korakoras te zullen deelnemen aan de Spaanse aanval op Ternate. Bij het aanbreken van het daglicht op de dag nadat het Hollandse oorlogsschip het anker heeft gelicht en naar Ambon is vertrokken, zet Don Pedro troepen aan land op het eiland Ternate. Zij dringen langs twee zijden op naar het Fortaleza Gamma Lamma, waarin zich de sultan van Ternate heeft teruggetrokken. De bewapening van de vesting bestaat uit 100 kanonnen. Hollanders en Ternatanen die belegerd worden doen een uitval, maar zij worden teruggeslagen door een compagnie Portugezen, onder aanvoering van João Rodrigues Camelo. Zij volgen de verdedigers op hun vlucht het fort in en drijven hen daaruit. Om 14.00 uur van 1 april 1606 wordt de vesting genomen. Bij de strijd zijn slechts vijftien man gesneuveld en niet meer dan twintig gewond. Zij verdrijven de Hollanders ook uit de stad, die dus onder heerschappij van Spanje komt. Het fort bevat weinig buit, omdat alles wat van waarde is, samen met de vrouwen en kinderen naar het eiland Moro zijn geëvacueerd. Ook sultan Said blijkt te zijn vertrokken; hij is uitgeweken naar een van zijn forten op Moro. Er wordt wel een grote hoeveelheid kruidnagelen gevonden en in de Hollandse factorij 2.000 gouden dukaten, kleding en een grote hoeveelheid wapens. Er wordt ook op verschillende plaatsen veel goede Portugese en Hollandse artillerie gevonden.

De kerk van São Paulo en het bijbehorende woonhuis van de jezuïeten wordt teruggegeven aan de overste van de missie, pater Luís Fernandez, die vol energie aan de wederopbouw van de missie denkt te kunnen beginnen. Daarvoor beschikt hij over de medebroeders: Gabriel da Cruz, Jorge da Fonseca, Lorenzo Masonio en Joh. Manfrida. Deze jezuïeten bevinden zich allen op Ternate. Bovendien verblijft pater Antonio Pereira in Siau. Pater Jorge da Fonseca zal terugkeren naar Labuha en pater Gabriel da Cruz naar Moro. Op Ternate verblijven voorts twee augustijnen Roque de Barrionuevo en Juan de Tapia, een dominicaan, Andres de Santo Domingo, en twee franciscanen; pater Alonzo Guerrero en broeder Diego de Santa Maria. De laatste is een bekwaam heelmeester aan wie de leiding van het hospitaal wordt opgedragen.

Cachil Amuxa, een neef van sultan Said, komt met enige andere cachiles naar Don Pedro de Acunha en hij laat weten dat de bevolking van Ternate onderdaan wil worden van koning Philips. De cachil biedt ook aan de sultan te gaan halen van Moro. Don Pedro geeft Amuxa, die vergezeld zal worden door de Portugees Pablo de Lima, een vrijgeleide, gedateerd 6 april 1606, mee voor de sultan. Negen dagen later keren de twee gezanten met de sultan terug op Ternate. Sultan Said geeft koning Philips de christelijke dorpen op Moro terug, die de vorst in 1575, toen de Portugezen hun vesting Gamma Lamma verlieten, is kwijtgeraakt. De gouverneur-generaal berooft de sultan niet van zijn koninkrijk, maar staat hem toe dat twee mannen het, met instemming van de gouverneur, met hem zullen besturen. De sultan, zijn zoon en erfgenaam, de cachiles en sangajes, leggen de eed van trouw af aan de koning van Spanje. De koningen van Tidore en Batjan, alsmede de sangajes van Labuha op Batjan doen hetzelfde. Zij beloven allen geen kruidnagelen aan de Hollanders te zullen verkopen. Zij allen beloven ook de koning van Spanje militair te zullen steunen en zij geven Don Pedro toestemming een tweede fort op Ternate te bouwen, terwijl het oude fort wordt versterkt. Ook op Tidore mag een nieuw fort worden gebouwd. Don Pedro laat Joan Esquivel als gouverneur op Ternate achter. Hij geeft hem een garnizoen van 600 man, waarvan 500 man, verdeeld in compagnieën op Ternate worden gelegerd. De overige 100 soldaten worden onder bevel van capitán Alarcon op Tidore gelegerd. In beide forten wordt voor een jaar munitie achtergelaten. Om de situatie beter in de hand te kunnen houden deporteert Don Pedro de Acunha sultan Said Barakat, met zijn zoon en opperbevelhebber van zijn strijdkrachten, en met al zijn dignitarissen, in totaal een dertigtal personen, van wie de meesten familieleden van de sultan zijn, naar Manila. Hoewel zij daar goed en met de verschuldigde eerbied worden behandeld, zijn zij gijzelaars. Het deporteren van sultan Said Barakat en zijn familie leidt ertoe dat Don Pedro de Acunha de Molukken in grote verwarring achterlaat. Zijn haast om naar Manila terug te keren, zijn onvoorziene dood (24 juni 1606), waarschijnlijk door vergiftiging en de deportatie van de sultan van Ternate en van zijn gehele entourage hebben de consolidatie van het Spaanse gezag over de Molukken verhinderd en daarmee het terrein geëffend voor de Hollandse overname. Ook Esquivel ervaart dat Don Pedro Ternate in een verwarde situatie heeft achtergelaten, zonder dat de bevolking zich geheel aan het Spaanse gezag onderworpen heeft, terwijl de lagere gezagsdragers in functie zijn gebleven. Zij hebben zich teruggetrokken in de dorpen Sabugo en Gilolo aan de kust van Halmahera. De drie Portugese galjoten keren terug naar Malakka; zij hebben naast de Portugese officieren en soldaten die aan de expeditie hebben deelgenomen ook op Ternate gevangengenomen Hollanders aan boord. Don Pedro de Acunha arriveert met de rest van de vloot eind mei 1606 in triomf in Manila. Hij wordt door de bevolking met groot enthousiasme ontvangen, omdat de expeditie zo succesrijk is geweest.

De Spanjaarden zullen vanaf 1 april 1606 tot 1663, dus 57 jaren in de Molukken blijven. Bovendien hebben zij van 1671 tot 1677 een heel klein garnizoen op Siau, een 20 km lang eiland, behorend tot de Sangihe-eilanden, op 130 km van de noordelijkste punt van Celebes. Deze periode wordt gekarakteriseerd door een voortdurende en vaak harde strijd tegen de Hollanders, die altijd de zeeën beheersen en die vergeleken met de Spaanse schepen superieur zijn bewapend. Zij beschikken ook over meer soldaten en schepen. Voor het overgrote deel van de periode beschikken de Spanjaarden over een trouwe bondgenoot in de koning van Tidore, terwijl de Hollanders een bondgenoot bezitten in de sultan van Ternate.

De Spanjaarden, die, in 1606 na de verovering van Ternate, ten minste in naam het gezag uitoefenen over de Specerijen-eilanden, kunnen evenwel niet beletten dat Hollandse strijdkrachten er zich verbinden met Ternatanen die rebelleren tegen het Spaanse gezag. De Spaanse bezetting heeft voornamelijk het karakter van een militaire bezetting, wegens de vijandigheid van de Ternatanen en de Hollanders, die na de Spaanse verovering van Ternate strijdlustiger zijn dan ooit. In de loop van enkele jaren, te rekenen vanaf 1607, breiden de Hollanders hun controle over het grootste deel van de Molukken uit, waarmee de winstgevendheid van de Specerijen- eilanden toeneemt.

Korte tijd nadat de Spanjaarden de Molukken veroverd hebben keren de Hollanders daar terug. Op 29 maart 1607 komt Cornelis Matelieff de Jonge met de schepen Oranje, Mauritius, Erasmus en Kleine Zon van zijn eigen vloot, aangevuld met de Enckhuijsen en de Delft, schepen die al met Steven van der Haghen naar Indië zijn gekomen, en tenslotte het Duyfken, het jacht dat Wijbrandt van Warwijck in Indië heeft achtergelaten, Hij treft daar gezanten van de twaalfjarige sultan Modfar van Ternate, wiens vader, sultan Said Barakat in 1606 door de Spanjaarden naar Manila is gedeporteerd. Zij roepen Matelieffs hulp in tegen de Spanjaarden. Bij de Molukken aangekomen, wil Matelieff op Tidore landen om de Spaanse bondgenoten van de Tidorezen van het eiland te verdrijven. Hij ontmoet in Gilolo op Halmahera de jonge sultan Modfar van Ternate in eigen persoon. De jonge vorst heeft 200 krijgers bij zich die Matelieff aan boord neemt. Hij zeilt met hun naar Tidore, dat aanvankelijk verdedigd wordt door 30 Spaanse soldaten, aangevuld met Tidorezen. De landing wordt uitgevoerd met enige korakoras, met 300 strijders. Zij naderen het eiland onder dekking van het scheepsgeschut, maar de ontvangst door de Spanjaarden en de Tidorezen is warm en de aanvallers zijn genoodzaakt zich met verliezen terug te trekken. Omdat de Hollanders de wateren rond het eiland niet kennen en bang zijn op het rif vast te lopen en omdat gouverneur Joan de Esquivel enige Spaanse versterkingen heeft aangevoerd, wordt de aanval afgebroken, zodat de Spanjaarden op Tidore blijven. Matelieff bouwt op Ternate een fort op enkele kilometers afstand van de Spaanse stad; het wordt opgetrokken op de overblijfselen van een vroegere vesting. Het fort wordt aanvankelijk Fort Malayo genoemd en daarna Fort Oranje (het huidige Benteng Orange, in de stad Ternate). Het karwei is min of meer af op 9 juni. Matelieff legert daarin 47 man, onder bevel van Gerrit Gerritsz van der Buijs. Hij sluit een nieuw verdrag met de regering van Ternate over de levering van kruidnagelen. Matelieff verneemt ook dat er bij de invasie van de Spanjaarden, die nog steeds in fort Gamma Lamma zitten, nogal wat Ternatanen naar Halmahera zijn gevlucht. Hij laat deze mensen ophalen met de Enckhuijsen, Delft en Kleine Zon. Vervolgens laat hij deze drie schepen ieder met 44 koppen bemand, tot onderlinge bescherming voor Malayo liggen. Met het oog op de moesson maakt hij haast om, volgens zijn instructie, naar China te gaan. Hij vertrekt op 12 juni met de Oranje, Erasmus, Mauritius en het Duyfken.

Drie dagen na Matelieffs vertrek, terwijl in Fort Oranje de kanonnen nog niet zijn geplaatst, komen Spanjaarden en Tidorezen in twee galeien en elf korakoras het fort aanvallen. De aanval wordt echter afgeslagen. Op 25 juli wordt Fort Oranje opnieuw aangevallen, nu door 26 korakoras, maar een kanonschot is voldoende om de korakoras tot achter de hoek bij Terloko te doen terugwijken. In september ziet Van der Buijs zich verplicht de Kleine Zon naar Menado te zenden, om daar rijst, varkens en ander voedsel te kopen, omdat het garnizoen op Ternate honger begint te lijden. Omdat de Hollanders nog maar nauwelijks in Menado zijn geweest, dient schipper Jacob Jansz Haen de koning “een verering aan te doen”. De Enckhuijsen, naar Halmahera gezonden, geraakt bij Sabugo aan de grond en geraakt niet meer los. De Delft wordt onder tijdelijk bevel van stuurman Adriaen Cornelissen naar de Enckhuijsen gestuurd, om de lading van het gestrande schip over te nemen, maar de stuurman die liever naar Ambon wilde gaan, doet het wanneer hij op 5 januari 1608 bij Ambon aankomt voorkomen alsof hij door de wind en de stroming uit de koers is geraakt.

Paulus van Caerden, die al als koopman met Wybrandt van Warwijck naar Indië is gekomen, vertrekt in mei 1606 als admiraal van de vierde VOC-vloot, met acht schepen naar de Oost. Het zijn de Banda, Bantam, Ceylon, Walcheren, Ter Veer, Zierikzee, China en Patani. In Indië aangekomen zet hij met zes5 schepen koers naar Ambon, waar hij op 10 maart arriveert. Vandaar vertrekt hij naar Ternate en komt daar aan op 18 mei 1608. Hij onderneemt een vergeefse poging het door de Spanjaarden bezette voormalige Portugese Fortaleza de São João Batista bij Gamma Lamma, dat herdoopt is Fortaleza las Fuerzas del Rosario, in te nemen. Daarentegen slaagt Van Caerden er in het fort te Tafasoha op het eiland Makian te bemachtigen. Het is het oude fort van de koning van Tidore “….dat de Portugezen hebben getracht te behouden, al behoorde het aan Tidore. Op 21 juni 1608 wordt dit fort door de Hollanders op de Tidorezen veroverd, omdat het niet verdedigd wordt door een Spaans garnizoen. Het fort ligt aan de westkust van het eiland en het wordt door de Hollanders Fort De Zeven Provinciën genoemd. In Tafasoho verbeteren de Hollanders de verdediging van het fort aanzienlijk, door vier nieuwe grote bolwerken te bouwen. Aan het vierde bolwerk wordt nog gebouwd gedurende de eerste maanden van 1609, omdat het bouwmateriaal schaars is. De admiraal verliest echter in juli door een zeebeving, die het gevolg is van de uitbarsting van de vulkaan Tafasoha twee van zijn zes schepen, de China en de Walcheren. Op 18 juli stelt Van Caerden kapitein Apollonius Schot aan als commandant van het garnizoen van 120 man dat hij legert in het fort te Tafasoha. Van Caerden onderneemt vervolgens met een klein vaartuig en slechts 74 man een tochtje naar Moro, het noordelijkste deel van Halmahera. Ten oosten daarvan verovert hij een eiland dat Siauw geheten zou hebben, maar dat hoogstwaarschijnlijk Morotai is geweest en dat werd verdedigd door tien Spaanse soldaten. Toen admiraal Paulus van Caerden van deze onbelangrijke onderneming terugkeerde, raakte zijn schip in de Baai van Leleda bij twee Spaanse schepen verzeild. Van Caerden strijkt zijn vlag voor beide vijandelijke schepen en wordt gevangengenomen en opgesloten in het Fortaleza las Fuerzas del Rosario. Korte tijd nadat Van Caerden in 1609 is vrijgekocht, zal hij, alweer door eigen schuld – zoals we nog zullen zien – in juli 1610 opnieuw in Spaanse krijgsgevangenschap geraken.

In dezelfde jaren waarin de forten op Ternate worden gebouwd breidt de Hollandse controle zich ook uit over de andere eilanden van de Molukken. Vanaf 1608 geldt dit ook voor het eiland Makian; Paulus van Caerden verovert – zoals we hebben gezien – het fort bij Tafasoha, hij bezet dit eiland. Makian is het rijkste eiland voor wat de opbrengst van kruidnagelen betreft en het is daarom van het grootste belang voor de Hollanders ook die handel te controleren. Op Makian bouwen zij daarom nog twee andere forten, om de kust van het eiland goed te kunnen bewaken. Het eerste fort heet Fort Mauritius en dat ligt in Gnofakia (Ngofakiaha) aan de noordkant van het eiland. Terwijl aan de zuiwestkant van het eiland het derde fort verrijst; het heet Tabilolo en wordt omschreven als “heel goed en goed gefortificeerd”.

Op 3 juni 1609 arriveert Frans Hendriksz Wittert op Ternate. Hij is als vice-admiraal meegekomen met de vijfde grote vloot die de VOC naar Indië zendt. Het is de vloot van Pieter Willemsz Verhoeff, die op 22 december 1607 is uitgezeild. Van de uit dertien schepen bestaande vloot hebben de Hollandia en het jacht den Arent de bestemming Ambon en Ternate; de Middelborch en het jacht de Valck zijn bestemd naar de Banda-eilanden te gaan. Wittert heeft niet de gebruikelijke route naar Ternate genomen, maar hij heeft Makassar aangedaan. Hij heeft daar de koopman Samuel Denis (Denijs) achtergelaten. Denijs dient in Makassar een tussenpost te stichten, vanwaaruit de Molukken van rijst en andere benodigdheden kunnen worden voorzien. De handel is daar nog meest in handen van de Portugezen van Malakka. Denijs timmert een nieuwe loge en tracht een nieuw pakhuis te krijgen van de kraeng van Gowa, die op dat moment oorlog voert met Boni. Na een overwinning in 1610 voert Gowa ook in Boni de islam in.

Op Ternate sluit vice-admiraal Wittert met de sultan een akkoord, waarbij deze de opbrengsten van zijn tollen en domeinen afstaat aan de Compagnie, terwijl de VOC de sultan ook de kosten in rekening brengt om zijn land te bevrijden van de Spanjaarden. In oktober 1609 bouwen de Hollanders een fort in Tacome (Fort Willemstadt), gelegen aan de noordkant van het eiland, waar veel kruidnagelen groeien. Wittert bouwt, met behulp van de Ternatanen ook een fort op het eiland Motir, om zich van de kruidnagelenoogst op dit eiland te verzekeren. Hij noemt deze sterkte Fort Nassau. Het bevel over het garnizoen van 40 soldaten in Fort Nassau wordt opgedragen aan kapitein Adriaen Clementsz Stolck. De bezetting van de drie forten op Makian bestaat uit 120 soldaten, onder bevel van kapitein Apollonius Schot, die twee van de drie forten wellicht heeft gebouwd. Het eerste fort is veroverd op de Tidorezen, maar het is niet duidelijk of de beide andere forten door de mannen van Schot zijn veroverd of gebouwd.

Admiraal Verhoeff besluit zelf met de schepen Rotterdam, Hoorn, Hollandia, Middelborch, Geünieerde Provinciën en Delft naar Banda te gaan. Als hij daar aankomt treft hij kapitein Keeling met drie schepen. Hij is in december van Bantam vertrokken en is 8 februari 1609 voor Banda gearriveerd, om op de eilanden of in de omtrek daarvan foelie6 te kopen. Om vaste voet te krijgen op Banda Neira, het grootste van de Banda-eilanden, laat Verhoeff zijn mannen daar een fort bouwen. Omdat op Banda geen bestuurders zetelen, treedt een sjahbandar op als hun vertegenwoordiger. Met hem wil Verhoeff een contract aangaan. Op 21 mei wordt de afspraak gemaakt dat de admiraal hiertoe op Neira van boord zal gaan. Hij gaat de volgende dag, met zijn ‘breeden raad’ en een compagnie soldaten aan de wal, waar hij niemand vindt. Een op onderzoek uitgestuurde assistent, die Maleis spreekt, laat weten dat de sjahbandar bang geworden is van het grote aantal soldaten. Hij laat vragen of Verhoeff met niet meer dan tien of twaalf personen bij hem komt. Verhoeff voldoet aan het verzoek, maar zodra hij en de zijnen aan land komen, worden zij door volk van de sjahbandar gedood. Bij elkaar worden 40 Nederlanders vermoord. Keeling wordt direct ervan verdacht medeplichtig te zijn aan de moord en de Hollanders dwingen hem te vertrekken.

Bij afwezigheid van vice-admiraal Wittert, neemt Simon Jansz Hoen, conform zijn opdracht, het bevel op zich. Hij laat, tegen de verwachting der Bandanezen in Fort Nassau voltooien en hij voert op 13 juni met alle boten en 600 man een landing op Neira uit, om de moord te wreken. Een aantal Bandanezen wordt gedood, de rest neemt de vlucht en veel van hun eigendommen worden buitgemaakt. Hierop wordt tenslotte een ‘contract van eeuwige vrede’’ gesloten, De vrede zal echter niet lang duren. Hoen laat de schepen Rotterdam en Hoorn bij Banda achter en vertrekt met de Hollandia, Middelborch, Geünieerde Provintiën en Delft naar Ambon en de Molukken. Bij Ambon vindt hij dat het volk van Loehoe en Kambelo op de kust van Ceram zich niet houdt aan het in 1605 met Steven van der Haghen gesloten contract en het kost hem de grootste moeite de mensen ervan te overtuigen tegen dezelfde voorwaarden kruidnagelen te leveren als met hun vorst, de sultan van Ternate, is afgesproken. Voor Hoen van Ambon vertrekt, benoemt hij, na overleg met zijn ‘breeden raad’ de opperkoopman Jaspar Jansz tot opvolger van gouverneur Frederick de Houtman, maar de benoeming gaat niet direct in, omdat Frederick de Houtman nog lang niet vertrekt.

Aan het bezit van versterkte plaatsen in de Molukken wordt zowel door de Hollanders als door de Spanjaarden veel waarde gehecht. Zo hebben de Spanjaarden op Ternate een halve mijl ten westen van hun Fortaleza las Fuerzas del Rosario, nog een tweede fort gebouwd, waarna Hoen, als antwoord hierop, naast het fort in het plaatsje Malayo, ook een tweede fort op Ternate heeft laten bouwen. Bedoeld is het fort bij Tacome, dat ook wel Willemstadt wordt genoemd. Hoen laat de Grote Zon voor het tweede Nederlandse fort op Ternate twee zware stukken geschut7 van het eiland Banda halen. Het eiland Tidore is nog geheel in Spaanse handen, nadat Matelieff er in 1607 niet in is geslaagd de Spanjaarden van het eiland te verdrijven. In november gaat Hoen met de Hollandia en de Geünieerde Provintiën naar het eiland Batjan. Hij neemt daar dankzij de hulp van kapitein Apollonius Schot en Jan Dircksz Lam het Spaanse fort op het eiland in. Bij de strijd om het fort zijn 36 Spanjaarden gesneuveld en raken tien Nederlanders gewond. Hoen sluit vervolgens een overeenkomst met de radja van Batjan. Kapitein Adriaan van der Dussen is de commandant van een garnizoen van 45 soldaten op Batjan. Hoen zeilt vervolgens naar Ternate en belooft de sultan hulp tegen Tidore, naar welk eiland hij begin januari 1610 koers zet. Hoen wordt echter ziek en overlijdt op 12 januari aan boord van de Hollandia. Omdat er geen opvolger voor Hoen is aangewezen en vice-admiraal Wittert zich in de Filippijnen bevindt, waarover later, ontstaat er een enorm gekrakeel tussen de scheepskapiteins. De kapiteins die aan boord van de Delft voor Malayo liggen, laten 15 maart 1610 weten dat zij met 39 man van de Hollandia Tacome hebben bezet. De Hollandia is naar Ambon gegaan, om kruidnagelen te laden. Onderweg hebben zij op het eiland Batjan met 50 man van kapitein Adriaan van der Dussen, aangevuld met 16 man van de Hollandia, het fort bij het dorp Labuha bezet. Dit fort werd verdedigd door een klein Spaans garnizoen. Het is veroverd op 30 november 1609 en daarna spreken de Hollanders van Fort Barneveldt.

De Hollandia heeft enige dagen gekruist op schepen komende uit Manila. Zij hebben twee vaartuigen genomen en 50 Spanjaarden gevangen gemaakt. Hierdoor kunnen zij met de Spaanse bevelhebber van het Fortaleza las Fuerzas del Rosario onderhandelen over de vrijlating van de sedert 1608 gevangen zittende admiraal Paulus van Caerden. De Spaanse bevelhebber eist aanvankelijk de vrijlating van alle Spaanse gevangenen, de overdracht van Fort Malayo, 6.000 gouden dukaten en de belofte dat Van Caerden nooit meer zal terugkomen. Tenslotte komen Van Caerden en nog tien andere Hollanders vrij, tegen betaling van 6.000 realen van achten, die Van Caerden zelf verschaft. Nadat hij door de Spanjaarden is overgedragen, neemt hij de leiding weer op zich, maar hij wordt, alweer door zijn eigen onvoorzichtigheid, begin juli op zijn schip de Goede Hope opnieuw krijgsgevangen gemaakt. Op 9 juli 1610 zenden de Spanjaarden dit jacht met Van Caerden naar Manila. Een dier dagen zijn ook kapitein Clements, commandant van het fort op Motir, de koopman Pieter Sijmonsz van de Delft en nog twee anderen het slachtoffer van hun onvoorzichtigheid. Zij gingen met de boot naar Tafasoha, maar worden door de Tidorzen aangevallen en onthoofd.

In 1609 geeft gouverneur Vergara opdracht het door de Hollanders in 1605 verwoeste Portugese Forteleza dos Reis Magos om zijn strategische ligging te herbouwen. De Spanjaarden zijn daarmee bezig van maart 1609 tot februari 1610. Het fort krijgt een garnizoen van dertien Spaanse soldaten, die beschikken over 2 kanonnen.

Het gebied van de Compagnie in de Molukken bestaat bij het ingaan van het Twaalfjarige Bestand op 1 september 1609 uit het Fort Oranje in Malayo, met 80 Europeanen en 3.000 inheemsen; Willemstadt of Tacome, met 1.000 inwoners, waarbij zich steeds meer Ternatanen voegen, die de bescherming zoeken; op Makian: Tafasoha met vier bolwerken, Gnofakia met vier en Tabelolo met drie bolwerken, tezamen met 125 Europeanen en 8.000 inheemse inwoners; Motir: Fort Nassau, met drie bolwerken, 50 soldaten en 2.000 inwoners; deze beide eilanden onder Schot als kapitein en opperkoopman; Batjan met 45 soldaten, onder kapitein Adriaan van der Dussen.

In 1610 begint de gouverneur van Spaans Ternate, Cristobal de Axcueta Menchaca met de bouw van het Forte Santiago de los Caballeros bij het Tidorese Tahula, aan de zuidoostkust van het eiland. In februari 1610 worden de Spaanse schepen door de Hollanders verrast en zij maken twee schepen buit. Op deze schepen bevinden zich verschillende officieren en twee missionarissen, pater Juan del Cano en broeder António de Santa Ana. De beide missionarissen hebben deel uitgemaakt van een groep van vier jezuïeten; de twee anderen: pater Sebastian de San José en broeder Christobal Gomez, zijn wel behouden in Gamma Lamma aangekomen, De vier missionarissen zijn door de gouverneur van de Fillippijnen, Juan de Silva, naar de Molukken gestuurd ter versterking van de paar missionarissen die daar nog werkzaam zijn. De Spanjaarden hechten zo zeer aan de vrijlating van de officieren en de missionarissen dat zij bereid zijn in ruil admiraal Paulus van Caerden en tien andere lieden vrij te laten. De ruil van de gevangenen vindt plaats op 16 maart

Vanaf 1613 worden de werkzaamheden aan de bouw van het Forte Santiago de los Caballeros geïntensiveerd en Jerónimo de Silva voltooit het fort in 1615. Dit fort dat is gelegen op een heuvel is het hoofdfort van de Spanjaarden op het eiland Tidore. Het ziet uit op zowel de stad van de koning van Tidore, als op zee. Bij zijn vertrek in 1606 heeft Don Pedro de Acunha al opdracht gegeven de vesting te bouwen. De sterkte wordt nimmer door de Hollanders veroverd en blijft tot het einde van 1662 in Spaanse handen.

Don Juan de Silva, de energieke gouverneur van de Filippijnen, – schrijft Wessels S.J. – heeft met een sterke vloot met 1.200 Spaanse soldaten een poging gewaagd de Hollanders uit de Molukken te verdrijven. In de hoop de weerspannige Ternatanen gemakkelijker op zijn hand te krijgen, brengt hij de nog altijd in gevangenschap levende sultan Said Barakat en diens zoon met zich mede. Hij slaagt hierin echter niet en kan evenmin bij gebrek aan een voldoende krijgsmacht zijn hoofddoel bereiken. Als winst van enige betekenis gelukt het hem twee van de belangrijkste Ternataanse versterkingen, Sabugo en Gilolo op het voedselrijke Halmahera te veroveren. Een van de missionarissen wordt belast met de zielzorg van beide garnizoenen die 400 soldaten tellen, maar hij moet korte tijd later zijn taak wegens ziekte opgeven. Weinige maanden nadat Don Juan de Silva naar de Filippijnen is teruggekeerd, verschijnen negen Hollandse schepen, die grote opschudding veroorzaken. Heel de Spaanse zeemacht in de Molukken bestaat op dat moment uit een galei. Dit wordt iets beter bij bij aankomst van de nieuwe capitán, Andrés Alcaraz, een neef van de Filippijnse gouverneur, die 18 maart 1612 het bestuur van de Christobal Axcueta Menchaca overneemt.

In de maand september van het jaar 1611 arriveert de eerste gouverneur-generaal van de VOC, Pieter Both, met de schepen Zwarte Leeuw, Vlissingen en het jacht de Paeuw voor Ternate. In artikel 22 van zijn instructie-brief wordt hem uidrukkelijk gelast “om de Specerijen-eilanden ’t eenemale vast te maken aan de Vereenigde Compagnie, zulks dat geen andere natie van de wereld daarvan iets in handen valle als ons, om ’t welck te bekomen alle onze vaste plaatsen wel beset, bewaard en gesterkt gehouden moeten worden.” De opzet laat aan duidelijkheid niets te wensen, alleen ontbreekt voor ’t ogenblik aan Both de nodige macht. Zelfs de komst van nog drie schepen onder Hendrick Brouwer in december acht hij onvoldoende om tot een beslissende actie over te gaan, zodat hij zich beperkt tot het bewaren en versterken van het ogenblikkelijk bezit. Met het oog hierop laat hij niet ver van de vesting Malayo of Oranje een nieuwe versterking aanleggen te Toluko, die de naam Hollandia ontvangt. Dit is het derde Hollandse fort op Ternate. Het wordt gebouwd nadat de Spanjaarden in 1611 hebben getracht Toluko te bezetten. Het heeft de vorm van een achthoek, ligt op een heuvel en is opgetrokken met stenen en kalk. Het garnizoen van het fort bestaat in 1612 uit vijftien tot twintig man. Het belangrijkste Hollandse fort van Ternate en van de gehele Molukken blijft dat van Malayo. In de loop van enkele jaren wordt vrijwel het grootste gedeelte van Ternate onttrokken aan Spaanse controle. Hierbij ontvangen de Hollanders veel hulp van hun Ternataanse bondgenoten.

Both voert ook onderhandelingen met Cristobal de Axcueta Menchaca en later met diens opvolger Jerónimo de Silva over het wederzijds erkennen van het in Europa afgekondigde Twaalfjarig Bestand, evenwel zonder bevredigend resultaat, omdat de Spanjaarden naar hun zeggen nog geen bericht van den koning hebben ontvangen, dat het ook in de Molukken van kracht zal zijn. Beide partijen voelen zich op dat moment vrijwel tegen elkaar opgewassen en over en weer hoopt men bij voortzetting van de vijandelijkheden enig voordeel te behalen. De Spanjaarden hebben op de rede van Malayo het jacht de Jaeger8 in brand geschoten en zij hebben zich – zoals eerder vermeld – meester gemaakt van Sabugo en Gilolo, beiden op Halmahera. Daartegenover staat het nemen van een Spaanse galei, door de Vlissingen in de Bocht van Gilolo.

In 1612 komen drie nieuwe, door de bisschop van Malakka gezonden, missionarissen op Ternate aan; het zijn de jezuïeten Gaspar Monteiro, Pero Gomes en Cosmas Pinto, behorend tot de Malabaarse missieprovincie van de Societas Jesu die zetelt in Cochin. De jezuïeten voelen zich tegengewerkt door de Spaanse overheid. De diepere grond van deze onwelwillende behandeling is hierin gelegen, dat de Spanjaarden niet willen dulden dat de Portugese jezuïeten de jurisdictie van de Kroon van Portugal in de Molukken steunen. Jerónimo de Silva ziet liever dat de Societas Jesu uit de Molukken verdwijnt, om al het werk over te geven aan de Spaanse franciscanen, die hier een klooster hebben, dat door de Kroon van Castilië onderhouden wordt. Deze staan gereed om heel de missie over te nemen.

De schepen waarmee de raad-van-Indië Hendrick Brouwer eind december 1611 naar Ternate komt zijn de Rode Leeuw met pijlen en de Griffioen. Daar liggen reeds de Zwarte Leeuw, Witte Leeuw en Vlissingen en de jachten Paeuw en Ternate. Bij deze vijf schepen en twee jachten wordt een veroverde galei gevoegd die bemand wordt met 100 Europeanen en 140 Ternatanen en Chinezen. Dit eskader kruist tien weken lang op Spaanse vaartuigen uit Manila die leeftocht voor de Spaanse garnizoenen in de Molukken aan boord hebben. Er worden vijf zulke schepen genomen, maar in een gevecht gaat de galei weer verloren, waarbij 40 soldaten sneuvelen en 40 worden krijgsgevangenen gemaakt.

Begin 1613 ontketenen de Hollanders een grote aanval op Tidore; aan de aanval op het Spaanse fort Marieco nemen deel de Banda van de vloot van gouverneur-generaal Pieter Both en de Zon, de Maan, de Hollandse Leeuw en de Zelandia van de vloot van Adriaan Blocq Martensz. Na een stormloop op het fort wordt dit 8 of 9 februari veroverd. De Spaanse verdedigers worden allen met de punt van het rapier omgebracht; de aanvallers verliezen slechts een handvol mensen. De gouverneur van Spaans Ternate, Jerónimo de Silva, die de Hollandse aanval vanaf Ternate ziet, zweert wraak te zullen nemen, maar daarvan komt niets. De Hollanders beginnen direct met de bouw van een vierkant fort, met vier bolwerken. Jerónimo de Silva bouwt iets ten zuiden van het verloren Fort Marieco een nieuw Spaans fort Marieco el Chico, dat later Tomanira wordt genoemd.

Op de middag van 7 juli 1613 zeilt Pieter Both met een vloot van dertien schepen van het Ternataanse Malayo naar Tidore. Both laat de Ceylon voor Fort Marieco (el Grande) liggen en hij zeilt met twaalf schepen naar het Fuerte de los Portuguéses (Fortaleza dos Reis Magos) aan de oostkant van het eiland. Het garnizoen, dat met 40 man is versterkt, beschiet de Hollandse belagers, waarbij de Banda tweemaal getroffen wordt. De schoten van een overgelopen Hollandse konstabel missen maar zelden hun doel. Bij het aanbreken van de dag van 9 juli beginnen de Hollanders met vier schepen (de Zon, de Maan, de Leeuw met pijlen en de Paeuw) het fort, waarvan het garnizoen tot 65 man is versterkt, te beschieten. Onder bevel van Doctor Laurens Reael worden acht vendels van 80 soldaten ontscheept, alsmede de door Hendrick Brouwer aangeworven 50 Japanners. Na een strijd van ruim twee uren is het fort in Hollandse handen. De overwinnaars laten slechts twee jonge Spanjaarden in leven om inlichtingen te verstrekken. De zwaar gewonde naar de Spanjaarden overgelopen Hollandse konstabel wordt onthoofd en zijn hoofd wordt voor het fort op een staak gestoken. De Hollanders ontmantelen het veroverde fort volkomen; het wordt niet opnieuw door de Spanjaarden bezet. De kampong Sokamorre wordt door 2.000 bewoners van Ternate, Makian en Batjan en de Hollanders tot tweemaal toe vergeefs bestormd, maar niettemin door de Tidorezen verlaten. Op 12 juli worden twee compagnieën naar de hoofdplaats van Tidore gezonden om de Tidorezen uit te nodigen tot de strijd. Dit loopt onbegrijpelijk af. Er melden zich niet meer dan 36 Tidorezen, maar de Hollandse matrozen gaan voor dit groepje aan de haal. Ondertussen hebben de Spanjaarden hun fort bij Sabugo op Halmahera verlaten. Bot zendt commandeur Blocq Martenz met 30 soldaten naar Sabugo, om het fort te bezetten en te versterken. Niet ver daar vandaan komt de VOC ook in het bezit van een fort in Gamakonore.

Zoals gezegd is vice-admiraal Wittert op 23 september 1609 naar de Baai van Manila vertrokken. Zijn vloot bestaat uit de Amsterdam, den Arent9, de Paeuw en de sloep van de Delft. Het jacht de Valck wordt Wittert met brieven achterna gezonden. De eerste maanden doen zich vele kleine schermutselingen met de Spanjaarden voor, waarbij over en weer telkens enige doden of gewonden vallen. Maar op 25 april 1610 worden de drie schepen van Wittert overvallen door een Spaanse vloot die uit acht of negen schepen bestaat. De Spanjaarden overmeesteren in een hevig gevecht de Amsterdam en de Valck en schieten de Arent in brand. Admiraal Wittert wordt doodgeschoten en zo eindigt de tocht naar de Filippijnen voor de Hollanders in een grandioos fiasco.

De voortvarende gouverneur van Manila, Don Juan de Silva, die wel wat overmoedig is geworden van zijn overwinning op het eskader van Frans Wittert, steekt in januari 1610 over naar de Molukken. De daar aanwezige Hollandse schepen zijn bij zijn komst juist naar Ambon afgevaren. Toch voelt hij zich niet krachtig genoeg om de Hollandse forten op Ternate aan te tasten en hij stelt zich tevreden met de zojuist genoemde verovering van Giilolo en Sabugo.

Op 11 juli 1613, dus twee dagen nadat de Hollanders het Portugese fort op Tidore hebben veroverd, arriveert op Ternate een jacht met het bevel van Jerónimo de Silva de christenkampong Tolo, aan de oostkust van Halmahera te ontruimen. Pater Baptista heeft een brief voor zijn confraters Simi en Scalamonti meegegeven die meldt dat beide jezuïeten zich met de Spanjaarden moeten inschepen, omdat wegens de vijandelijke houding van de islamitische omgeving zonder Spaanse bescherming geen missionarissen mogen achterblijven. Pater Simi heeft de christenen van Tolo aangeraden naar het geheel katholieke Morotai te gaan, maar zij hebben gekozen voor Bicholi, een islamitische landstreek van de sultan van Tidore. Zij zijn daar verre van welwillend ontvangen. Terwijl zij op het strand kampeerden hebben de Ternatanen hen overvallen en allen in gevangenschap weggevoerd. Dit betekent het einde van een christengemeenschap van 4.000 zielen. Jerónimo de Silva is nog jaren verweten dat hij het christendom op Moro en Morotai ter ziele heeft laten gaan. In 1613 maken de Hollanders enige bevoorradingsschepen voor de missie buit en in september 1614 zendt Jerónimo de Silva pater Gomes naar Manila om persoonlijk de onhoudbare situatie met gouverneur Don Juan de Silva te besoreken. Tezamen met zijn confrater Juan de Ribeira reist pater Gomes in november 1614 naar Goa om de situatie met vice-rei Dom Jerónimo de Azevedo te bespreken.

Bij de vereniging van de Kronen van Spanje en Portugal in 1580 zijn de overzeese bezittingen van de twee koninkrijken zo krampachtig gescheiden dat er zelfs geen sprake is van handel tussen de Portugese vestiging in Macau en de Spaanse vestigingen in de Filippijnen. Onderlinge handel is zelfs verboden. Maar zodra de kracht van de Hollanders in Indië toeneemt, beveelt Philips III dat het in het belang van beide Kronen is, dat de Spaanse en de Portugese strijdkrachten in de Oost samenwerken om hen te verdrijven. In 1615 vraagt Don Juan de Silva, de capitán van de Spaanse vestiging Manila, bijstand aan de Portugezen om de Molukken te verdedigen tegen de Hollanders. Dit wordt bijgevolg toegestaan en vice-rei Dom Jerónimo de Azevedo zendt Francisco de Miranda Anriques met een vloot van vier galjoenen. Deze schepen schijnen in hoofdzaak bemand te zijn met veroordeelden, van wie in Goa een aantal deserteert, zodra zij een voorschot op hun gage hebben ontvangen; anderen gaan ervandoor in Malakka, dat door Francisco de Miranda wordt aangedaan, ofschoon dit in strijd is met zijn opdracht. Bovendien neemt hij ook stiekem Dom Gonçalo da Silva, de bisschop van Malakka, aan boord. Het is dan midden juli en twee maanden nadat Francisco de Miranda is uitgevaren, Bij het verlaten van Malakka komt hij in een storm terecht, waarin een van zijn schepen lekkage oploopt en hij gedwongen is voor reparatie naar Malakka terug te keren. Bij zijn aankomst treft hij Diogo de Mendoça Furtado, de capitão van Malakka, die op het punt staat uit te varen met zes galjoenen en twaalf kleine vaartuigen, aangeduid als galjas, die zijn bemand met leden van het garnizoen van Malakka. Deze vloot moet enige rijkgeladen schepen, die uit China komen, begeleiden. Bovendien dient deze vloot te achterhalen wat er waar is van het in Malakka ontvangen bericht, dat de koning van Atjeh met een grote vloot op weg is naar Malakka. Dit laatste blijkt waar te zijn en Francisco de Miranda’s galjoenen worden ingezet tegen de Atjeese vloot, waar zij zich schitterend weren, zoals wij al in hoofdstuk 1 hebben gezien. Als de galjoenen vervolgens worden ingezet bij de verdediging van Malakka tegen een aanval van Hollandse schepen en zij daarbij een nederlaag lijden, zijn zij te veel toegetakeld om nog te kunnen worden gebruikt bij de herovering van de Molukken. Francisco de Miranda Anriques vertrekt met zijn vloot naar Goa. Bij aankomst daar wordt hij berecht, omdat hij niet rechtstreeks – conform zijn instructies – is doorgezeild naar Manilla, maar hij wordt vrijgesproken wegens getoonde dapperheid in het zicht van de vijand. Zodra Don Juan de Silva in Manila verneemt dat de vier galjoenen die uitgezonden waren om hem te helpen, niet meer kunnen worden verwacht, zendt hij ammunitie naar de vloot in Malakka en hij waarschuwt de stad voor de nadering van Hollandse schepen. Deze verschijnen eerst nadat alle Portugese galjoenen verloren zijn gegaan.

Nadat de expeditie naar Manila van Francisco de Miranda Anriques, rond midden februari 1616, op een mislukking is uitgelopen, zendt vice-rei Dom Jerónimo de Azevedo zes galjoten en twee koopvaarders, onder bevel van Gonçalo Rodrigues de Sousa naar Manila, om de Spanjaarden te helpen die op Ternate belegerd worden door elf Hollandse schepen. Als de versterkingen in het zicht van de Hollanders voor Ternate komen, zeilt hun vloot weg in zuidelijke richting naar Macassa. Twee galeien, een pink en de galjoten worden direct achter de Hollandse schepen aan gestuurd. Onderweg verwoesten de bemanningen van de gecombineerde Luso-Spaanse vloot de plaatsen Arsula Besi en het grotere Manciolas, zij steken ook enige schepen in brand die behoren aan de koningen van Ternate, Makian, Batjan en Cacoa, omdat zij vriendschappelijke betrekkingen met de Hollanders zijn aangegaan. De Iberische troepen gaan aan land op Corane en zij nemen zonder grote moeilijkheden het fort op het eiland in, terwijl de koning de naburige bossen invlucht. Kort nadat zij weer aan boord zijn gegaan, komen zij driegrote schepen tegen,waar in zich de schoon zoonen de klein zoon van de koning van Corane bevinden. De schepen worden veroverden de schoon zoon van de koning wordt gedood. Op 2 april bereikt devloot-Macassa, precies op het moment dat de Hollandseschepenuit Ternate daar aan komen. Er ontstaat een zeegevecht, maar nadat de slag enige uren heeft geduurd, steekt er een storm op die de strijdende partijen scheidt. De Luso-Spaanse vloot keert dan naar Ternate terug. In de tweede helft van mei 1614 trekt Laurens Reael met drie schepen en een aantal inlandse vaartuigen onder Kaitsjii Ali tegen Siau op. De radja en zijn zoon zijn juist op expeditie tegen de vijandige Tagoelandang, zodat de bevolking spoedig in wanorde geraakt en naar het binnenland vlucht. Als christenen willen zij niet onder Ternataans gezag staan, maar tegen een erkenning van de soevereiniteit der Hollanders hebben zij geen bezwaar, als deze hun bescherming beloven. Met de zwakke Spaanse macht, een vaandrig en vijf soldaten, rekent Reael spoedig af en zo krijgt Siau op 24 mei een kleine Hollandse bezetting. In augustus wordt door de fiscaal Rossingeyn een nieuwe radja aangesteld, omdat volgens de Hollandse berichten de Spanjaarden de oude vorst en diens zoon naar Manila zouden hebben weggevoerd.

Een maand later, bij gelegenheid van een tocht tegen de Filippijnen, doet Reael opnieuw Siau aan en daarna de Baai van Kalongon, op de westkust van Sangihe, waar de bewoners vanaf de tijd dat pater Mascarenhas s.j. er gedoopt heeft (1568) voortdurend met hun islamitische naburen, die het gezag van Ternate erkennen, in oorlog zijn. Ook zij willen wel het gezag van de Compagnie erkennen, waarop Reael de gelegenheid benut om hun jarenlange vete bij te leggen. Dominee. Caspar Wiltens, die in zijn verslag van 1615 aan de kerkeraad van Amsterdam de bezettingvan Siau en van een deel van Sangihe meedeelt, schrijft over de christenen, dat zij “van sulcken stoffe syn alsse alle syn, die in de eylanden van desen archipelago woonen.” Naar zijn mening zal de Generaal, zo spoedig deze in de Molukken komt, die nieuwe post wel weer opgeven, want het maakt de kosten niet goed. Aan verdere kerstening denkt hij dus blijkbaar niet.

Gouveneur-generaal Gerard Reynst, die in november 1614 Both is opgevolgd, komt inderdaad begin juni 1615 de Molukken bezoeken. Als koopman heeft hij vanaf de oprichting van de Compagnie in het bestuur zitting gehad en hij is volstrekt niet ingenomen met het regeringsbeleid van zijn voorganger.Hij valt vooral over de hoge kosten van de Molukken-oorlog en over de dure forten, waar geen zichtbare baten tegenover staan. Een meer rationeel beheer is zijns inziens nodig. Dat hierbij de post op Siau niet gehandhaafd zou blijven, heeft Wiltens goed voorzien. Hij zal echter niet vermoed hebben, dat die opheffing met een schanddaad – het woord is van Tiele – gepaard zou gaan.

Reynst heeft in de ‘breeden raad’ het voorstel gedaan de bezetting van verschillende forten, onder andere Marieco op Tidore en Barneveld op Batjan, te lichten, waarvoor hij evenwel geen meerderheid heeft kunnen vinden. Toen is bepaald dat de versterkte post op Siau, waar een dertigtal soldaten ligt. zou worden ingetrokken en tevens dat de bevolking om te beletten dat zij de Spanjaarden verder van dienst zou zijn, ”desnoods met enige rigeur” zou worden overgebracht naar de Banda-eilanden, waar men handen tekort komt om muskaatnoten te plukken. Om dit besluit uit te voeren zendt Reael op 23 september 1615 de commandeur Adriaan van der Dussen en Frederik Hamel met twee schepen “secreetelyck” naar Siau. Het verslag van Van der Dussen is bewaard gebleven. Eerst wordt een kleine bezetting van zeven soldaten afgehaald, die op Manado verblijft. Zonder moeilijkheden schijnt dit niet te zijn gegaan, want de kampong waar zij woonden wordt erbij in brand gestoken. Op 12 oktober komen beide schepen, de Oudt-Zeelandt en de Arend, op de rede van Mangnitoe aan de oostkust van Siau. De Hollandse versterking ligt aan de noordzijde van het eiland, maar men geeft voor dat deze naar hier verlegd zal worden. Onder dit voorwendsel worden radja en hoofden met een groot aantal mannen aan boord gelokt en eenmaal aan boord krijgen zij te horen, dat op last van de gouverneur allen naar een ander, veel “bekwamer” eiland zullen worden overgebracht, waar men goed voor hen zal zorgen. Van der Dussen zelf noemt wat op die aankondiging volgt een tragedie. De ontsteltenis is onbeschrijfelijk, er ontstaat een paniek, waarbij het sommigen gelukt in zee te springen en zwemmende te vluchten. Inmiddels jaagt luitenant Cassiopijn van de bezetting de vrouwen en kinderen op het land bijeen en speelt de heldendaad klaar om 244 vrouwen, 78 kinderen en 30 jongens aan boord te brengen, waar reeds 94 mannen worden vastgehouden, alles bijeen dus 446 personen. Het opdrijven van meer volk moet door de vertwijfelde tegenstand van de vluchtelingen in de bossen worden opgegeven. In de wijde omtrek is de schanddaad ruchtbaar geworden, zodat de radja van Kalongon op Sangihe en zelfs de bewoners van Manado met hun korakoras ter hulp van de weerlozen komen opdagen. Tegenover de Ternatanen tracht men deze misdaad door een verzinsel goed te praten.10

Veel genoegen heeft de Compagnie van haar onmenselijke handelwijze niet beleefd. Zij heeft er alleen mee bereikt dat de bevolking van Siau voor lange jaren haar doodsvijand wordt en bij voortduring op de Spanjaarden zal blijven steunen.

Op 19 juni 1616 liggen elf VOC-schepen, met Steven van der Haghen, Jan Dircksz Lam en andere raden van Indië tezamen voor Ternate en heeft de verkiezing plaats van Laurens Reael, gouverneur van de Molukken, tot gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. Ghijsbrecht van Vianen volgt Reael op als luitenant-gouverneur van de Molukken, Banda en Ambon en opperkoopman Jasper Jansz wordt gouverneur van de Molukken. Jan Dirckz Lam ontvangt opdracht met tien schepen naar de Filippijnen en Japan te gaan. Zijn vloot bestaat uit de Nieuwe Zon (vlaggenschip), de Nieuwe Maan, Walcheren, Oude Zon, Aeolus, Hollandse Leeuw, Engel, Oude Maan, Ter Veer en Vlissingen. Er worden drie kompagnieën soldaten, bijelkaar 146 man ingescheept.

Lam vertrekt 1 september van Ternate; hij zeilt door Straat Basilan en ankert op 17 september in de Baai van Caldera aan het einde van de straat. Langs de westkust van Mindanao zijn reis vervolgend, komt hij 30 september aan bij Ilo-ilo aan de zuidoost kust van Panay Island. Hij doet een onvoorbereide aanval op een fort, die wordt afgeslagen, waarna de reis wordt vervolgd. Op 12 oktober neemt de Nieuwe Maan een Chinese jonk en wordt vernomen dat er bij Manila een Spaanse vloot van acht grote en zeven kleine schepen ligt. Zij hebben veel volk verloren, zijn erg beschadigd en zij liggen al vier of vijf maanden voor Manila11. Op 16 oktober komt Lam aan in Marindongo, ten noordoosten van het eiland Mindoro. De Hollanders gaan daar aan land en nemen ongestoord water in, omdat de bewoners gevlucht zijn. Er melden zich drie deserteurs. Een paar dagen later is Lam bij het dorp Baradera aan de noordkust van Mindoro, waar een verlaten dorp in brand wordt gestoken.

Op 28 oktober ankert Lam in de baai van Mariveles, dicht bij Manila. Hier verneemt hij dat tien grote schepen, vier grote galeien en enige andere vaartuigen klaar liggen bij Cavite. Twee dagen later komt een galei de vloot verkennen. Op 1 november zeilt Lam zelf naar Cavite, waar hij de Spaanse vloot ziet liggen. Hij blokkeert de haven en wacht af. Op 8 december zendt Lam de Aeolus en de Walcheren naar Ilocos, waar een zilverschip uit Nieuw Spanje wordt verwacht. De Aeolus komt 21 december terug met twee sampangs zonder volk, maar met zes leggers arak, waarvan de Hollandse zeelieden ziek worden, zodat men denkt dat de wijn bewust door de Spanjaarden vergiftigd is. Op 8 januari 1617 wordt bericht ontvangen dat het zilverschip is aangekomen. De Aeolus wordt erop af gestuurd en vindt het in Ilocos; het schip is al gelost en is rijst aan het innemen. Als de Spanjaarden de Aeolus zien, steken zij het schip dat rijst aan het laden is en twee fregatten in brand. De Aeolus keert 12 februari terug bij de vloot, met vier Chinese en een Japanse jonk, geladen met fruit. Dit is een uitkomst voor de schepen, die zoveel ziek volk aan boord hebben dat sommigen hun anker niet kunnen lichten. De Walcheren is 11 februari al met zieken naar Ternate teruggezonden. Op 7 maart wordt de blokkade van de Spaanse vloot opgeheven en gaat Lam bij Wittert’s eiland liggen om de uit China en Japan komende jonken op te wachten. Om te voorkomen dat Chinese jonken gewaarschuwd worden voor de Nederlandse vloot wordt de Aeolus en een paar dagen later ook de Engel naar het punt gezonden waar jonken worden gewaarschuwd; dit is bij Pangasinan. De Aeolus keert al snel terug met twee gekaapte jonken. Lam zendt de Nieuwe Maan en de Ter Veer naar de Aeolus die drie mijl verderop voor anker heeft moeten gaan, om de jonken te lossen, terwijl de Vlissingen naar Pangasinan wordt gezonden om nog meer jonken te kapen. Hierna liggen nog maar drie schepen bij Wittert’s eiland en drie andere 3 mijl daar vandaan.

Op 14 maart komen zeventien Spaanse schepen, waarvan zeven grote galjoenen en drie grote galeien opzetten. De Aeolus, die de Nieuwe Maan en de Ter Veer gewaarschuwd heeft, komt met de beide andere schepen naar het vlaggenschip. De schepen kunnen elkaar pas ’s avonds bereiken, nadat men de jonken noodgedwongen heeft laten gaan. Lam wil gaarne nog verder om de noord lopen, om zich met de drie andere schepen te verenigen, maar de Spanjaarden lopen harder en op 15 maart ’s morgens is de Spaanse admiraal met 2 schepen vlak achter hem; de rest van de Spaanse schepen is ongeveer een mijl aan de lijzijde. Lam bindt de strijd aan met de twee geïsoleerde Spaanse schepen. Terwijl de strijd de gehele dag voortduurt, had de Engel daarin een rol kunnen spelen, maar het schip mijdt de strijd. De volgende dag opent de Spaanse admiraal de strijd tegen de gehele Nederlandse vloot; Als de strijd in volle hevigheid woedt, geraken de Aeolus en de Ter Veer in brand. De Nieuwe Zon zinkt, nadat de bemanning is overgestapt op de Oude Zon. Het volk van Ter Veer redt zich op de Nieuwe Maan en de Oude Maan; de Aeolus vliegt in stukken. De drie overgebleven Nederllandse schepen zetten zeilen bij en vluchten voor de wind weg. Zij is het Nederlandse eskader verslagen, hetgeen wellicht niet zou zijn gebeurd als Lam zijn negen schepen bij elkaar had gehouden. De drie schepen geraken verstrooid en Lam komt met de Oude Zon en opgejaagd door twee Spaanse schepen uiteindelijk op de kust van Cochin-China.

In november 1618 bouwen de Spanjaarden, onder bevel van de gouverneur van Ternate, Lucas Vergara Gabiria, een fort in Rume aan de noordwestpunt van Tidore, dat zij naar de gouverneur San Lucas de el Rume noemen. Het fort zal door de Spanjaarden bezet blijven tot dat zij zich in 1663 uit de Molukken terugtrekken en de koning van Tidore het fort door zijn mannen laat bezetten. De nieuwe gouverneur is goed begonnen. Hij is op Ternate aangekomen met aanzienlijke voorraden levensmiddelen en krijgsbehoeften. Zijn eerste maatregel is het overbrengen van alle zieke soldaten naar Manila. Op den duur beantwoordt zijn bestuur evenwel niet aan de eerste goede verwachtingen. Van alle zijden komen klachten binnen over zijn streng en hard beheer en over zijn onevenwichtigheid. Tenslotte vraagt hij zelf ontslag. In zijn plaats wordt in 1619 Don Luís de Bracamonte benoemd.

In Juni 1621 ontmantelen en verlaten de Hollanders – op bevel van gouverneur-generaal Jan Pietersz Coen – Fort Marieco op Tidore. Eind 1621 of begin 1622 nemen de Spanjaarden hun plaats weer in. De Spanjaarden verlaten op hun beurt hun Forte Tomanira.

2 Zie deel XV, pag. 81

3 Zie deel XIII, hoofdstuk 1

4 Zie deel XV, pag. 207 e.v.

5 De Zierikzee is door de Portugezen bij Moçambique lekgeschoten en de Bantam is niet van de partij

6 Dit is een merkwaardige mededeling, omdat foeli de bloesemblaadjes zijn van de muskaatnotenbomen,, die nooit afzonderlijk, maar altijd tezamen met de nuskaatnoten worden verkocht.

7 De Grote Zon, onder bevel van kapitein Klaas Jansz Melknap is een schip vat de vloot van Cornelis Matelieff de Jonge, dient ook twee zware stukken geschut naar Ambon te brengen

8 De VOC-site van internet vermeldt niet het verlies van dit schip.

9 De Arent is eigenlijk bestemd om naar Coromandel te gaan, maar Wittert zond liever de Eendracht met de sloep van de Middelborch naar Bantam, om van daar met de Kleine Zon naar Coromandel te vertrekken.

10 Voor het volledige verhaal der gebeurtenissen zie brief van Adriaan van der Dussen geschreven in het fort Revenge op Pouleway, 25 juli 1616, aan de Bewindhebbers. Bij aankomst op Ambon, 26 november, zien 45 mannen en 2 vrouwen kans te ontsnappen en zij komen behouden bij de Spanjaarden op Ternate terug. De rest wordt in maart 1616 op Pulau Ai aan land gebracht, tezamen met 100 van hun eiland weggehaalde Solorezen en 38 gevangengenomen Spanjaarden en zij moeten als een soort lijfeigenen van de Compagnie noten voor haar plukken. Begin juni ontvluchten er 84 dwangarbeiders onder de leiding van een broer van de radja en geholpen door de Bandanezen en een weinig later verdwijnt er weer een honderdtal. Zij worden gedwongen de islamitische besnijdenis te ondergaan, maar kunnen tenslotte naar hun vaderland terugkeren. – Van der Dussen, die al in 1612 door Pieter Both is ontslagen uit zijn ambt van kapitein van Batjan, omdat hij de inlandse vrouwen niet met rust liet, wordt 30 juni 1617 om dezelfde reden door Laurens Reael als bevelhebber van Pulau Ai afgezet. De Jonge spreekt in Opkomst, IVp XXXI terecht van het wanbestuur van een liederlijke kapitein.

11 Het gaat om schepen van de vloot die door Steven van der Haghen bij Malakka verslagen is.

3.0 Solor middelpunt van de sandelhouthandel

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

Admiraal Cornelis Marelieff de Jonge voor Malakka. Portugees Malakka ten tijde van de Habsburgers 1560-1640

Deel 19 Index

Hoofdstuk 1

Portugees Malakka ten tijde van de Habsburgers 1560-1640

1.3 Admiraal Cornelis Marelieff de Jonge voor Malakka

Geschreven door Arnold van Wickeren

Op 30 april 1606 arriveert de derde vloot die de VOC naar Indië heeft gezonden voor Malakka. Het is een vloot van elf schepen, onder bevel van admiraal Cornelis Matelieff de Jonge. Er liggen vier Portugese schepen voor de stad, waarvan er een geladen is voor China. Matelieff geeft opdracht deze in brand te steken, maar zijn mannen beginnen te drinken en de schepen te plunderen en zij laten de vaartuigen ontsnappen. Tijdens het beleg van Malakka onderhoudt Matelieff contact met sultan Alauddin van Johore en beide partijen tekenen op 17 mei 1606 een defensief en offensief verdrag gericht op het verdrijven van de Portugezen uit Malakka. De basis van het verdrag is dat al het land rond Malakka aan Johore wordt overhandigd, maar dat de stad zelf aan de Nederlanders komt. Matelieff laat de gecombineerde strijdmacht een tweede belegering van Malakka uitvoeren. Kostbaarheden en andere van de Portugese verdedigers verworven buit wordt gelijkelijk verdeeld tussen de Hollanders en de Maleiers van Johore. Nederlandse schepen zijn vrijgesteld van belastingen en andere heffingen in alle havens van Johore en van Johore wordt verwacht dat het de strijd aanbindt met alle Portugese en Spaanse schepen Onderdanen van de sultan mogen, nadat Malakka is veroverd, in Kampong Kling wonen, onder bescherming van de Nederlanders. Zij beloven zich in gebieden die onder hun controle staan niet met religieuze zaken en met de gewoonten in te laten. De Hollanders sluiten ook met andere vorsten in de omgeving van Malakka een verbond met het doel de Portugezen daar te verdrijven.

Op 8 mei 1606 ontscheept Matelieff, 700 Hollandse soldaten en matrozen, voor wie de operatie tot het laatste moment geheim is gehouden. Er landen ook 1.500 soldaten van Johore. De admiraal laat zwaar scheepsgeschut uit om de vesting A Famosa te beschieten, waarmee het beleg begint. De gecombineerde strijdkrachten die tegen Malakka zijn verzameld bestaan uit een vloot van 150 zeilen en 16.000 man. In die tijd bestaat het Portugese garnizoen van Malakka uit 80 Portugezen samen met de casados, inheemsen en slaven drieduizend man. Zij staan onder bevel van André Furtado de Mendoça, die kans ziet dat twee schepen 300 man verse troepen aan land zetten, terwijl het fort in afwachting is van bijna alle noodzakelijke zaken om een belegering te kunnen doorstaan. De Hollandse belegeraars zijn in staat hun posities voor een aanval op de stad in te nemen, zonder dat zij veel oppositie te duchten hebben van het garnizoen; zij steken de wijken Bandar Hilir en Tranquerah in brand en spoedig begint een krachtig bombardement vanuit hun stellingen. De meester-schutter van Malakka in die tijd is een Hollandse huurling. Hij wordt er niet alleen op betrapt met de belegeraars in verbinding te staan, maar hij slaagt er ook in vele kanonnen van het fort te doen barsten; ook een moor in Portugese dienst wordt betrapt op zekere daden van verraad. Beide ontmaskerde verraders worden gedood en hun lijken worden over de muur gehangen. Het beleg duurt drie maanden en negentien dagen, in welke tijd Matelieff 18.000 kanonskogels op de stad en de vesting heeft afgeschoten. Ondanks dat hierdoor 6.000 van de 15.000 à 20.000 inwoners, omkomen en ondanks ziekte en honger, houdt het Portugese garnizoen stand, ondersteund door een strijdmacht van Japanse huurlingen. Bovendien vernemen de belegeraars dat de onderkoning uit Goa, Dom Martim Afonso de Castro, met twaalf galjoenen, vier galeien en zeventig andere vaartuigen op weg is naar Malakka. De Hollandse belegeraars worden verdreven door de Portugese versterkingen die uit Goa zijn aangevoerd. Een van de helden van de verdediging van Malakka is André de Pessoa, die strijdend naast de Japanners gewond is geraakt. Matelieff is genoodzaakt het beleg op te heffen en naar Johore te gaan om zijn strijdkrachten te hergroeperen.

De Vice-re verlaat Goa in mei 1606 en hij gaat in juni met zijn vloot, bestaande uit 12 of 14 galjoenen, 4 galeien, 15 of 16 fustas of fregatten, naast andere vaartuigen, voor anker bij Atjeh. In de loop van de maand maakt hij drie Atjeese schepen met voorraden buit. Hij heeft besloten Atjeh te straffen voor het feit dat de sultan, in strijd met de gemaakte afspraken, Hollandse schepen in zijn havens heeft ontvangen en daarom zet hij op 29 juni troepen aan land, in het zicht van een sterke vijandelijke troepenmacht. Na een dapper gevecht drijven de Portugezen de Atjeeërs terug op hun uitgangspunten. De strijd duurt twee hele dagen, maar aan het eind daarvan, als de Portugezen geen voordeel op de vijand hebben geboekt, trekt de onderkoning zijn mannen terug en gaat weer aan boord.

Na een stormachtige overtocht, waarin verschillende schepen verloren gaan, verschijnt de vloot van Dom Martin Afonso in augustus 1606 voor Malakka. Matelieff die zijn kanonnen weer heeft ingeladen zeilt met zijn gehele vloot de Portugese armada tegemoet. De twee vloten ontmoeten elkaar op 14 augustus in de Straat van Malakka. De Portugese vloot beweegt zich in de richting van Cabo Rachado, waar op 16 augustus een schotenwisseling plaatsvindt. Hierbij zou de vice-rei een tactisch voordeel hebben behaald. De volgende dag wordt de slag voortgezet met een verrassingsaanval van de Nossa Senhora da Conceição op de Nassau, welk schip nog steeds voor anker ligt. Te ver verwijderd van de andere Nederlandse schepen wordt de Nassau door de bemanning van een tweede Portugees schip, de Santa Cruz, beklommen. Matelieffs schip, de Oranje, schiet de Nassau te hulp, maar door het tegenzitten van de wind komt de Oranje in botsing met de Middelborch. De Portugezen vallen de Oranje en de Middelborch aan met de São Salvador en het galjoen van Dom Duarte da Guerra. Nadat de Oranje zich vrij heeft kunnen breken, geraken de São Salvador, het galjoen van Dom Duarte en de Middelborch alle drie in brand. De drie schepen gaan op 18 augustus ten onder. De bemanningen van de Santa Cruz en de Nossa Senhora da Conceição weten ook de Nassau in vuur en vlam te zetten. Er volgt op dit schip een spectaculaire explosie die het volledig in brand zet. Nadat de Nassau tot aan de waterlijn is afgebrand, zinkt het op 22 augustus 1606. Enkele dagen later besluit Matelieff niet in te gaan op de Portugese uitnodiging de strijd te hervatten en hij verlaat het strijdtoneel. De zeeslag heeft een zware tol geëist van beide partijen, die ieder twee schepen verloren hebben. Daarnaast hebben de Nederlanders 150 doden en nog veel meer gewonden, de Portugezen hebben zelfs 500 gesneuvelden te betreuren. Op 19 augustus vraagt Matelieff de sultan van Johore of hij zijn vloot mag doen ankeren in de rivier van Johore, om de schade aan zijn resterende schepen te kunnen herstellen en meer munitie te kunnen aanmaken. De sultan gaat daarmee akkoord, waardoor er een einde komt aan de belegering van Malakka.

Na deze ontmoeting loopt de vice-rei met zijn vloot de haven van Malakka binnen en hij ziet dat de stad aanzienlijk geleden heeft onder de recente belegering. Hij zendt Dom Álvaro de Menezes weg met een eskader van zeven galjoenen, om de schepen die verwacht worden uit Portugal, op te wachten bij de Nicobaren, terwijl Nuno Álvarez Pereira met vijf andere galjoenen naar Straat Singapore dient te gaan, om enige schepen te begeleiden die met voorraden levensmiddelen van Java, in Malakka verwacht worden. De laatste keert, nadat hij de vijandelijke vloot heeft waargenomen, haastig terug in de haven.

In september 1606 hernieuwt Matelieff zijn pact met Johore en hij keert met negen schoongemaakte schepen terug voor Malakka. De vloot van Dom Martim Afonso de Castro blijkt te zijn vertrokken, maar in de haven van Malakka vindt hij de vijf1 galjoenen onder bevel van Nuno Álvarez Pereira. Hij doet op 22 oktober een aanval met drie schepen, Oranje, Grote Zon en Geünieerde Provintiën op het Portugese galjoen São Nicolau. Het schip moet het tegen de overmacht afleggen, maar omdat de schipper en het volk van de Grote Zon, die voor het prijsschip dienen zorg te dragen, dronken zijn, ontkomt het weer. Ondertussen is het Portugese eskader onder zeil gegaan. Twee Portugese schepen nemen de Amsterdam tussen zich in, maar deze schiet het ene schip in brand en doet het andere afdeinzen, terwijl de Mauritius het schip van de Portugese onderbevelhebber neemt. De volgende dag wordt het schip, dat door de Amsterdam is aangevallen door het volk verlaten gevonden en samen met de zoeven genoemde prijs wordt het in brand gestoken. Bij de zware strijd zouden 500 Hollanders zijn omgekomen. De overige Portugese schepen zetten zich voor Malakka aan de grond. Op 30 oktober loopt Matelieff de rede op om ook deze in brand te steken, maar de Portugezen, begrijpende dat zij niet meer te redden zijn, doen het zelf. De gevangenen, 186 Portugezen en een gering aantal Hollanders worden over en weer uitgeleverd, met dien verstande dat voor de niet-gesneuvelde kapiteins van de galjoenen, Cristóvão Suarez, André Peso en Fernando Macado 5.000 dukaten losgeld betaald dient te worden.

Spoedig na deze nederlaag overlijdt vice-rei Dom Martim Afonso de Castro in Malakka. Verondersteld wordt dat hij is overleden aan verdriet, omdat hij zijn gehele vloot verloren heeft. Hij heeft zijn hoge ambt op de dag van zijn overlijden precies 2½ jaar bekleed. Hij wordt opgevolgd door Dom Frei Aleixo de Menezes o.e.s.a., aartsbisschop van Goa, die geen vice-rei is, maar alleen capitão-geral. In hetzelfde jaar 1606 blokkeren de Hollanders ook de haven van Goa, gedurende het gehele seizoen, waardoor de retourvloot naar Lissabon niet heeft kunnen uitzeilen en Lissabon verstoken blijft van de aanvoer van specerijen. Tot overmaat van ramp vergaat de met peper geladen nau Nossa Senhora dos Mártides die een jaar eerder uit Indië is vertrokken op 15 september 1606 voor het fort Sáo Juilão da Barra op een paar léguas van Lissabon.

Matelieff zet vervolgens koers naar Pulau Butang om de zeven andere Portugese galjoenen op te zoeken. Onderweg neemt hij bij Queda een schip, neemt de lading eruit en laat het schip daarna in brand steken. Op 8 december 1606 vindt hij de Portugezen bij Pulau Butang, maar deze liggen in een bocht dicht onder de wal, zodat voorkomen wordt dat de schepen met geschut of branders veel kwaad kan worden gedaan. Matelieff probeerde het zelfs niet2; door andere belangen voortgedreven, laat hij de Portugezen met rust en verzuimt daardoor de enige gelegenheid om de hegemonie op zee te verwerven, wat hem door zijn superieuren niet in dank zal worden afgenomen.

In 1607 of 1608 blokkeert een andere Nederlandse vloot, bestaande uit 9 schepen en 4 jachten, onder bevel van Pieter Willemszoon Verhoeff, Malakka en de Nederlanders plegen overvallen op de Portugese zeevaart door de Straat van Malakka. Verhoeff zet ook soldaten aan land op een klein eiland nabij de haven Pulau Pinang, om daar een garnizoen te vormen. Omdat de sultan van Johore geen troepen naar Malakka zendt om een nieuwe Nederlandse blokkade van de stad te ondersteunen, is Verhoeff genoodzaakt zijn strijdmacht terug te trekken naar Batu Sawar, de hoofdstad van Johore. Daar geeft hij de Maleiers uit Johore geld, kanonnen, kogels en twintig tonnen met kruit om tegen de Portugezen te vechten.

In 1610 treedt de oudste zoon van sultan Alauddin van Johore in het huwelijk met de dochter van de radja van Siak, die een bondgenoot is van Portugal. Matelieff heeft al in 1608 laten weten dat de militaire bevelhebbers van Johore allen aan de zijde van Portugal staan en hij heeft slechts de sultan kunnen overreden de zijde van de Hollanders te kiezen door hem te verzekeren dat hij de Portugezen zal verslaan en hem dan het achterland van Malakka te geven. Sultan Alauddin besluit nu het met Matelieff gesloten verdrag te verbreken en vriendschappelijke relaties aan te knopen met Portugees Malakka.

1 Het genoemde aantal van vijf galjoenen is ontleend aan Danvers. Volgens Mac Leod (pag. 59) gaat het om zeven galjoenen en volgens de Wikipedia encyclopedia zelfs om tien schepen. Dit sluit dan weer aan bij Milford, die op pag. 67 spreekt over zeven galjoenen en drie galeien want de vierde is bij Cabo Rachado aan flarden geschoten.)

2 Valentijn maakt in het geheel geen melding van Portugese schepen bij Boetang; curieus is dat Danvers op pag. 137 van zijn deel II vermeldt dat er bij Boetang een zware strijd ontstaat die Dom Álvaro de Menezes noodzaakt zich terug te trekken als hij drie schepen heeft verloren.

1.4 De aanvallen van sultan Mahkota Alam van Atjeh op Malakka

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

Oorlog van de Portugezen met Johore, de komst van de Hollanders naar de Straat van Malakka. Portugees Malakka ten tijde van de Habsburgers 1560-1640

Deel 19 Index

Hoofdstuk 1

Portugees Malakka ten tijde van de Habsburgers 1560-1640

1.2 Oorlog van de Portugezen met Johore, de komst van de Hollanders naar de Straat van Malakka

Geschreven door Arnold van Wickeren

In 1583 is Malakka geheel ommuurd en ter bescherming voorzien van een batterij van verscheidene grote en vijftig kleinere kanonnen. De vesting is uitgebreid en beslaat nu de gehele heuvel van São Paulo. Aan de zeekant van de vesting staan nu de paleizen van de capitão en van de bisschop, vijf kerken waaronder de kathedraal, regerings-gebouwen, een gevangenis, twee bronnen, twee hospitalen, een school en een klooster van een religieuze orde. Van dit uitgebreide gebouwencomplex resteert nu alleen nog de Porta de Santiago gelegen aan de Jalan Kota.

In mei 1585 rust sultan Mansur Shah van Atjeh weer een grote vloot tegen Malakka uit. Deze keer bestaat de vloot uit 300 oorlogs-schepen. Voordat de sultan Malakka aanvalt wordt hij gedood door de Atjeese generaal Moratiza, die al lang heeft gewacht op een gelegenheid de sultan ongestraft te kunnen vermoorden. Bij het moordcomplot zijn ook de sultana en het hoofd van de adel betrokken. De voorgenomen expeditie is plotseling van de baan, daar Moratiza het raadzaam acht zijn autoriteit te consolideren en het land voorlopig niet te verlaten.

Moratiza wendt voor dat hij optreedt als regent over sultan Buyong, die nog een jongetje is. In 1588 wordt de jonge sultan opzijgeschoven en de regent bemachtigt de troon van Atjeh. Hij noemt zichzelf Alauddin Riayat Shah. Portugese rapporten beschrijven zijn regering (1588-1604) als wreed en niet in het landsbelang. Bij zijn troons- bestijging heeft hij alle orangkaja’s of edelen die niet zijn zijde hadden gekozen laten vermoorden; zij worden vervangen door zijn aanhangers.

Degenen die zich uitspreken tegen zijn handelingen worden gedood en naar verluidt zouden er in het eerste jaar van zijn regering 20.000 mensen zijn vermoord. Echter, de een werk gebaseerd op Indonesische en Nederlandse bronnen, geeft een heel ander beeld van deze heerser. Alauddin wordt beschreven als een wijs heerser die belangstelling heeft voor de welvaart van zijn land. Hij weet de ralrijke relletjes van die tijd in te tomen. Hij bevordert de handel door vreemde kooplieden uit te nodigen naar Atjeh te komen om er handel te drijven. Alauddin sluit zelfs vrede met de Portugezen. Hij beschikt over een Portugese adviseur, Afonso Vicente, die optreedt als tolk en commercieel raadgever bij zijn onderhandelingen met Europeanen. De oude haat tussen Atjeeërs en Portugezen steekt echter spoedig opnieuw de kop op, als de Portugezen Johore steunen tegen Atjeh gedurende de poging van Atjeh het staatje Aru op Johore te heroveren.

Rajale, de sultan van Johore, is zeer ontevreden over de compensatie die hij heeft ontvangen voor een schip dat in 1586 is gezonken in de haven van Malakka, Hij staakt de bevoorrading van Malakka. Hierop zendt Dom Jerónimo de Azevedo acht schepen, onder bevel van Pedro Vello, uit om een stad nabij Johore in brand te steken. Deze opdracht verricht hij, maar op de terugweg ontmoet hij de vijandelijke vloot, waarop een zeeslag ontstaat. In deze slag lijdt Pedro Vello een lelijke nederlaag, waarbij hij vier schepen verliest. Hij zou zelfs zijn hele vloot hebben verloren, als Pedro de Cuma Carneyro niet met een galjoen zou zijn gearriveerd en hem de gelegenheid zou hebben gegeven met de resterende vier schepen te ontsnappen. Sultan Rajale, die door zijn zege op Pedro Vello in een overwinningsroes verkeert, zendt een vloot van honderd zeilen naar Malakka, om de stad aan te vallen, maar hij moet deze overmoed duur bekopen, want hij is gedwongen zich terug te trekken, nadat hij een groot deel van zijn vaartuigen verloren heeft.

Malakka is na het aan de macht komen van generaal Moratiza dus gevrijwaard voor een aanval van de zijde van Atjeh, maar Sultan Rajale van Johore, die vertoornd is wegens de Portugese aanval op Bombo, zendt uit wraak voor deze aanval een vloot uit van Johore, bestaande uit 120 vaartuigen, met 6.000 man, om Malakka te belegeren. João da Silva, de capitão van Malakka en Dom António de Noronha, de capitão-mor van de vloot van Malakka, treffen alle voorbereidingen voor een effectieve verdediging van de stad. Zodra de vijand tracht op twee plaatsen troepen aan land te zetten, worden deze met grote verliezen naar hun schepen teruggedreven. Vele Johoresen verdrinken en tezelfdertijd brengt het Portugese scheeps-geschut twee vijandelijke schepen tot zinken. Gedurende de aanval, wordt João da Silva, de capitão van Malakka, gek en daarom neemt de bisschop van de stad het bevel op zich. Terwijl Malakka met succes weerstand biedt aan de vloot van de sultan van Johore, ontmoet de vloot van Dom Jerónimo de Azevedo versterkingen voor de vloot van Johore, Er ontstaat een gevecht, waarbij de vijandelijke schepen tot zinken worden gebracht. Zodra het nieuws over de meest recente aanval op Malakka de stad Cochin bereikt, worden ogenblikkelijk versterkingen en voorraden gezonden, om de stad te ontzetten en er wordt door vice-rei Dom Duarte de Menezes geld ingezameld onder de burgers van Baçaim, Chaul en Goa, met hetzelfde doel.

In het jaar 1586 verovert de sultan van Ujantana verschillende Portugese schepen en bovendien hindert hij de toevoer van levensmiddelen naar Malakka. Tezelfdertijd verwoesten de Manicabos (Minangkabouwers), een naburig volk, het Malakka omringende land en zij voorkomen dat de landelijke bevolking ook maar de geringste hoeveelheid levensmiddelen naar de stad brengt, waardoor er dus grote schaarste in de stad ontstaat en er dagelijks mensen van de honger omkomen. Bij deze stand van zaken arriveert Diogo de Azambuja uit de Molukken en hij organiseert onmiddellijk een expeditie om de stad te ontzetten. Voor dit doel brengt hij 100 Portugezen en 600 inheemse soldaten op de been, waarmee hij de vijand tegemoet trekt en na een langdurige mars, komt hij aan voor het vijandelijke uitvalskamp bij de stad Nam. In het zicht van Nam heeft de vijand een legermacht van 2.000 man geconcentreerd, om verder oprukken van de Portugezen te voorkomen. Dom Manuel de Almeida/Almaida valt de vijanden ogenblikkelijk met de helft van zijn strijdmacht aan, verdrijft hen van het terrein en hij achtervolgt hen tot in hun stellingen, die hij van hen ontdoet, waarbij velen van hen de dood vinden. De Portugezen rukken dan op naar Bombo, waar de sultan van Johore een fort heeft en waarvan de commandant zich op hun nadering terugtrekt. De inwoners van Bombo onderwerpen zich vreedzaam, waarbij zij te kennen geven part noch deel gehad te hebben aan het lastigvallen van de Portugezen in Malakka. De sultan van Atjeh, die bemerkt hoezeer Malakka in het nauw is gedreven, acht dit een schitterende gelegenheid voor een nieuwe aanval op de stad.

De vloot die Malakka moet ontzetten bestaat uit twee galeien, drie galjoenen, vier galjoten en zeven andere vaartuigen. De vloot vervoert 500 man en staat onder bevel van Dom Paul de Lima. Op weg naar Malakka, ontstaat er tekort aan drinkwater, maar men slaagt erin water te verkrijgen aan de kusten van Atjeh, waar vier schepen worden genomen, een aantal mensen wordt gedood en vele gevangenen worden gemaakt. Onder hen bevindt zich de ambassadeur van sultan Rajale, die de hulp van Atjeh komt inroepen bij de aanval op Malakka. Bij het verlaten van Atjeh wordt de vloot van Dom Paul de Lima versterkt; enige schepen sluiten zich aan bij de vaartuigen onder commando van Dom António de Noronha, die, nadat hij de vijand heeft genoopt zich van Malakka terug te trekken, de vijand in eigen land heeft aangevallen. Hij ligt thans voor Johore. Enige vijandelijke schepen komen te voorschijn, om de Portugese vloot aan te vallen, maar zij worden spoedig teruggedreven en twee van hen worden veroverd. Enige schepen van Dom António’s vloot vallen ook het fort in Curiam aan, nadat zij het enige tijd hebben gebombardeerd, waarbij veel leden van het garnizoen zijn omgekomen, en de rest is weggevlucht. Er gaat een Portugese strijdmacht aan land die, na het kanon te hebben meegenomen, het fort in brand zet. Als de Portugezen zich terugtrekken, beschieten zij enige wijken van Johore, alsmede enige schepen en zij keren terug naar hun vloot met veel buit en gevangenen.

Het gemak waarmee Johore kon worden aangevallen en het succes dat daarmee is behaald, doen Dom António de Noronha geloven dat hij de stad gemakkelijk kan innemen en daarom besluit hij, hoewel tegen mening van de scheepskapiteins in, de volgende morgen met slechts 200 man de aanval in te zetten, ofschoon hij zich ervan bewust is dat Johore wordt verdedigd door 12.000 soldaten en dat op ieder punt een kanon is geplaatst. Dom António leidt de aanval persoonlijk. Deze faalt evenwel en Dom António zou zeker zijn gedood als Dom Paul de Lima hem niet te hulp zou zijn gekomen en het hem zou hebben mogelijk gemaakt terug te keren naar de schepen. Er wordt nu besloten Johore te bombarderen voor nogmaals tot de aanval over te gaan.En dit wordt verschillende dagen volgehouden, ondanks de vijandelijke vlootbewegingen.

De tweede aanval gaat van start op de morgen van 15 augustus, als 600 Portugezen in drie compagnieën aan land gaan. Dom António de Noronha, die een van deze compagnieën leidt, landt in het zicht van stevige oppositie door een aantal vijandelijke musketiers, die diverse keren opnieuw kunnen aanleggen, voordat zij worden verdreven. Er wordt dan abusievelijk een poging gedaan de stad binnen te dringen waar helemaal geen toegang is, bij welke poging enige Portugezen worden gedood. Van de twee andere compagnieën, vecht de compagnie geleid door Dom Paul de Lima zich in een bos door 2.000 vijanden heen. Zij komen bij de compagnie van Dom António de Noronha en gezamenlijk forceren zij zich een weg in de stad, waarbij zij de vijand voor zich uitdrijven. De derde compagnie wordt geleid door Dom Nuno Álvarez Pereira, en deze ontmoet bij de landing vijandelijke troepen geleid door de sultan zelf, die gezeten is op een olifant. Dom Nuno verwondt dit dier met een schot, het draait zich vervolgens om en raast door de eigen rangen, daarbij de opstelling van ‘s konings troepen geheel ruïnerend. Dom Nuno maakt van de verwarring gebruik om zich te verenigen met de andere Portugezen. Er vinden desperate straatgevechten plaats, maar de Portugezen drijven de vijand voor zich uit, totdat zij de plaats bereiken waar de sultan zich bevindt met zijn bondgenoten. Hier vindt weer een dapper gevecht plaats en na zes uren van niet aflatende strijd, blijft het fortuin van de dag twijfelachtig, totdat Matias Pereira, die nog slechts 15 van zijn oorspronkelijke 150 man over heeft, de volgende dag een aanval inzet op Fort Botabato. Gedurende dit gevecht aan de kust, blijft Luís Martines Pereira, aan wie het commando van de vloot is opgedragen, continu bombarderen, totdat hij ziet dat de Portugese kleuren boven Fort Botabato wapperen. Op dat moment staakt hij het schieten. Als de sultan ziet dat het fort is genomen en dat zijn troepen overal aan de verliezende hand zijn, stijgt hij met zijn vrouwen op de rug van olifanten en vlucht het binnenland in.

Na deze zege wordt de stad Johore in brand gestoken en daarbij zouden veel vrouwen en kinderen, die in de verwarring geen goed heenkomen hadden weten te vinden, in de vlammen zijn omgekomen. Er wordt voor een groot bedrag aan buit verzameld, samen met een aantal gevangenen. Het verlies aan mensenlevens van Johore zou officieel 7.000 zijn, terwijl aan Portugese zijde niet meer dan tachtig slachtoffers zijn geteld. Niet minder dan 2.200 vaartuigen zouden zijn buitgemaakt, samen met bijna 1.000 kanonnen, waaronder enige zeer grote, en 1.500 musketten. De stad Malakka besluit Dom Paul de Lima een triomfale ontvangst te bereiden bij zijn terugkeer uit Johore. Dom António de Noronha die jaloers is dat alle glorie naar Dom Paul zal gaan, vraagt hem aan zijn zijde te mogen lopen bij het aan land gaan, maar hierop antwoordt Dom Paul: “Gloriam meam alteri non dabo.” Dit antwoord ergert Dom António en zijn soldaten zozeer dat zij besluiten op het officiële huldebetoon van Dom Paul te zullen vooruitlopen en dientengevolge komt Dom António aan land met groot vertoon en onder het geluid van trommels en trompetten en het afvuren van kanonschoten en de weg die Dom António moet afleggen naar de kerk is bedekt met kleding. Dom Paul wordt bij zijn landing ontvangen door de religieuze orden, met hun kruisen en hun gezang en nadat hij onder een baldakijn is geplaatst, wordt hij door de bisschop van Malakka gekroond met een slinger van rozen en andere bloemen.

Rond 1600 arriveren twee Hollandse schepen in de Oosterse zeeën. Zij zouden enige geringe schade hebben aangericht langs de kust van Malabar en elders. Bij aankomst in de omgeving van Malakka ontmoeten zij zes Portugese vaartuigen die net de haven van Malakka verlaten en op weg gaan naar Malabar. Zij staan onder bevel van Francisco da Silva. De Hollandse schepen binden de strijd aan met de Portugese vaartuigen en er vinden acht dagen lang schermutselingen plaats. Na afloop hiervan geven de Hollanders de strijd op, omdat zij zich met twee schepen geen partij vinden tegen het veel grotere aantal Portugese schepen. Zij zeilen naar de haven van Queda. Geloofd wordt dat de Hollandse schepen zware verliezen hebben geleden. In Queda verlaten zij, wegens gebrek aan bemanning, het kleinste van de twee schepen, nadat zij de lading aan boord van het andere schip hebben gebracht. Daarmee vertrekken zij naar de kust van Pegu.

Volgens Noonan zouden Hollandse schepen al in de jaren 1602-3 de haven van Malakka hebben geblokkeerd, wat tot grote consternatie in de stad heeft geleid1. Javaanse schepen die met voedsel op weg zijn naar de stad worden door de Hollanders teruggestuurd. Deze laatsten ontberen echter de hulp van Johore, dat Malakka van de landzijde zou aanvallen en dat de zeeblokkade zou versterken. Daarom wordt het beleg opgeheven.

François Valentijn laat weten dat Jacob Pieterszoon van Enckhuijsen in het jaar 1603 in Straat Singapore een canoa van Johore ontmoet en dat de opvarenden daarvan hem zeggen dat er verleden maand twee Portugese oorlogsschepen, vier galeien en 20 kleinere vaartuigen, onder bevel van Esteban Teixeira de Made (een man van grote naam) in Johore zijn gearriveerd. De vloot van Esteban Teixeira dient schepen komende uit Japan en Makassar naar Malakka te begeleiden. Jacob Buyssen, de opperkoopman in Johore, laat de Hollandse zeevoogd Wybrandt van Warwijck weten dat de Portugezen Johore belegeren. Hij zegt ook dat radja Bonso, de broer van de sultan, aan boord van de Zierikzee zal komen om de strijd tegen de Portugezen mee te maken. Aldus geschiedt; de twee Hollandse schepen jagen de Portugese vloot op de vlucht en hebben zelf niet meer dan vijf of zes doden. Hierna brengen de schepen een bezoek aan de tweelingforten van Kota Batu Sawar en Kota Seberang om een verbond te sluiten met de sultan van Johore in de strijd met hun gemeenschappelijke vijand. Het ontluikende verbond wordt bezegeld als de Hollandse vloot sultan Alauddin helpt een aanval van de Portugezen af te slaan.

Als sultan Alauddin Riayat Shah de rijpe leeftijd van 95 jaar heeft bereikt, staat hij zijn zoon, Muda, toe samen met hem te regeren. In 1604 sluit sultan Muda zijn stokoude vader echter op in de gevangenis en hij wordt daardoor alleenheerser. Maar sultan Muda blijkt een zwak leider te zijn en Atjeh is onder zijn leiding niet meer de dynamische en agressieve macht die het voorheen is geweest en die het weer zal worden met de troonsbestijging van sultan Iskandar Muda, bekend als Mahkota Alam in 1607.

1 Met behulp van de VOC-site op internet is niet te achterhalen onder bevel van welke admiraal de vloot staat die de blokkade heeft uitgevoerd.

1.3 Admiraal Cornelis Marelieff de Jonge voor Malakka

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme Spaanse kolonialisme

Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee. DEEL 19

Geschreven door Arnold van Wickeren

Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee. DEEL 19

Portugees Malakka ten tijde van de Habsburgers 1560-1640; De Molukken, Banda, Ambon, Sarangani en Siau 1560-1640; De Kleine Soenda eilanden 1560-1640

Woord vooraf, Verantwoording, Glossarium

Hoofdstuk 1

Portugees Malakka ten tijde van de Habsburgers 1560-1640

1.0 Inleiding

1.1 Atjeh en Japara vallen Malakka aan

1.2 Oorlog van de Portugezen met Johore, de komst van de Hollanders naar de Straat van Malakka

1.3 Admiraal Cornelis Marelieff de Jonge voor Malakka

1.4 De aanvallen van sultan Mahkota Alam van Atjeh op Malakka

Hoofdstuk 2

De Molukken, Banda, Ambon en Sarangani (1560-1640)

2.0 Inleiding

2.1 Het zegenrijke bestuur van António Galvão

2.2 Koning Hairun (1540-1570)

2.3 De Portugezen uit de Molukken verdreven; aanhoudende schermutselingen tussen Hollanders en Spanjaarden

Hoofdstuk 3

De Kleine Soenda eilanden

3.0 Solor middelpunt van de sandelhouthandel

3.1 De strijd om Timor Naschrift

Woord vooraf

Inmiddels zijn de Decadas van Arnold van Wickeren aangekomen bij een belangrijke episode in de overzeese expansie van Portugal in Azië: de Estado da India wordt in de Indonesische archipel niet alleen geconfronteerd met toenemend verzet van de inheemse vorsten maar rond 1600 ook met de Nederlandse nieuwkomers in Azië. En met de komst van de Noorderlingen wordt onafwendbaar de teloorgang aangekondigd van het uitgestrekte handelsnetwerk van de Portugese kroon in Azië.

Maar in Malakka is het voorlopig nog niet zo ver. In de periode die in dit deel bestreken wordt – de tweede helft van de zestiende, eerste helft van de zeventiende eeuw – zien we een lange opsomming van militaire acties tegen het agressieve sultanaat Atjeh, en curieus genoeg ontstaan er bondgenootschappen van het christelijke Malakka met de omringende islamitische havenvorstendommen die zich eveneens door Atjeh bedreigd voelen. Van Wickerens relaas richt zich hoofdzakelijk op de lotgevallen van de Portugezen en daardoor komen wij minder te weten over de inheemse volkeren waarmee zij in aanraking kwamen. Zijn werk moet dan ook in de eerste plaats gezien worden als een kroniek van de wapenfeiten van de Lusitaniërs. Het is overigens opvallend hoe succesvol de Portugezen waren in de gevechten waarin zij verwikkeld raakten met de sultan van Atjeh, een tegenstander die telkens weer een enorme overmacht aan schepen, soldaten en kanonnen in de strijd wierp.

In de Grote Oost lag het enigszins anders. Daar ging de strijd van de Portugezen met hun Ternataanse bondgenoten aan de ene zijde tegen de Tidorezen aan de andere zijde meer gelijk op, maar hier was dan ook sprake van een geheel andere natuurlijke omgeving en ook van andere ter beschikking staande hulpmiddelen.

Het is veelzeggend dat confrontaties tussen de Portugezen en hun aanvankelijke bondgenoten, de Ternatanen, uiteindelijk in het voordeel van de laatsten werden beslist. Wanneer Steven van der Hagen met een Hollandse vloot in 1603 voor de overgebleven Portugese hoofdvestiging op Ambon verschijnt en binnen enkele dagen het strategische fort inneemt (prompt Fort Victoria gedoopt), wordt daarmee radicaal een einde gemaakt aan de Portugese aanwezigheid in de Molukken. Volledig vrij spel kregen de Nederlanders overigens niet, want vrijwel tegelijkertijd vestigden de Spanjaarden zich opnieuw op Ternate. Zij zouden daar tot 1663 blijven, toen zij al hun troepen terugtrokken naar Luzon vanwege de dreiging van een Chinese invasie door de roemruchte krijgsheer Coxinga die in het voorafgaande jaar het eiland Formosa had veroverd op de VOC.

Het is overigens merkwaardig gesteld met het begrip “de Portugese aanwezigheid in Azië”, want het is geenszins zo dat het verdwijnen van het Portugees bestuur van de Estado da India in vele gebieden ook een daadwerkelijk eind maakte aan de Portugese culturele en zelfs economische aanwezigheid. George Winius en Markus Vink hebben de Portugese diaspora in het Indische Oceaan gebied treffend gekarakteriseerd als de Portuguese Shadow Empire. Niet alleen waren er tal van Portugezen in dienst van inheemse vorsten, maar op verschillende plaatsen in Azië ontstonden “Portugese” vestigingen die min of meer onafhankelijk opereerden van het bestuur van de Estado in Goa. Het vrijgevochten Macao aan de monding van de Parelrivier in Zuid-China was in de eerste decennia van haar bestaan daar een goed voorbeeld van, maar zoals de laatste hoofdstukken van dit boekdeel tonen, voldeed de Portugese nederzetting Larantuka op Flores in de kleine Soenda eilanden eveneens aan deze karakteristieken.

Het relaas van de Nederlands-Portugese rivaliteiten rondom de sandelhouthandel op Timor laat zien hoe na jaren van touwtrekken en strijd de gedeelde aanwezigheid van Nederlands en Portugees gezag op dit eiland tot stand kwam – een avontuurlijk verhaal dat onlangs nog zo indringend is beschreven door Arend de Roever in zijn zeer leesbare dissertatie De jacht op sandelhout. De topasses of gemengd-bloedige inwoners van Larantuka vormden een buitengewoon kleurrijke groep van tussenhandelaren en vechtersbazen die uiteindelijk plaatselijk de dienst uitmaakten. Het ging hier niet alleen om nakomelingen van de Portugezen maar ook van Nederlandse overlopers, die zich in die nederzetting duidelijk vrijer voelden dan onder het regime van de VOC.

Werden in de vorige delen van deze lange kroniek voornamelijk de botsingen en bondgenootschappen tussen de Portugezen en de inheemse inwoners van de overzeese gebieden beschreven, van nu af aan zal de strijd tussen Nederlanders en Portugezen, die zowel in Amerika, Afrika als Azië werd uitgevochten, aan bod komen. Ik ben benieuwd hoe de schrijver de grote hoeveelheid Nederlands en Portugees archiefmateriaal over deze gebeurtenissen zal verwerken in de volgende delen. Een ding is zeker: de pelgrimstocht van Arnold van Wickeren naar het Portugese verleden is voorlopig nog niet ten einde.

Leonard Blussé, Universiteit Leiden

Verantwoording

Bij het schrijven van mijn door Hogeschool Alkmaar in 1994 uitgebrachte boek ‘Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee (ISBN 90-802098-1-3)’ moesten veel zaken onbesproken blijven, om het eendelige werk niet veel te omvangrijk te maken. Onvrede over deze beperking en het beschikken over veel meer vrije tijd dan toen ik nog werkte, zijn de redenen geweest mijn eerste boek uit te werken in afzonderlijke delen. Dat deze uitwerking geschiedt mede aan de hand van veel niet eerder geraadpleegde literatuur spreekt voor zich. In september 1996 verscheen deel I en in de zomer van 2009 is deel XIX gereed. Uit hoeveel delen van circa 250 pagina’s het totale werk zal bestaan laat zich thans nog niet schatten; ik hoop dat het mij gegeven zal zijn nog vele delen te schrijven. Deze verschijnen in een beperkte oplage en zijn bestemd voor universiteits- en andere openbare bibliotheken in Nederland en Vlaanderen, alsmede voor belangstellenden uit eigen kring. Met het uitbrengen van de delen staat mij geen commercieel doel voor ogen. Daarom is de uitvoering zo goedkoop mogelijk gehouden. In oktober 2006 leek een publieks-uitgave van de tot dan toe uitgebrachte en de nog te schrijven delen onverwachts binnen handbereik. Nadat ik ervaren had dat een commerciële uitgave van mijn werk onaanvaardbare concessies van mij zou vergen, zag ik daarvan af en ging ik op de oude voet voort.

Wat mij in de geschiedenis van Portugal van jongs af aan vooral fascineert zijn de voortrekkersrol die het land heeft gespeeld in de ontdekking van de wereld en ’s lands maritieme expansie. Mijn boek gaat daarom voornamelijk over de verrichtingen van de Portugezen overzee in drie continenten. Het gaat dan om zaken als: de wereldwijde maritieme expansie in de vijftiende en in de eerste helft van de zestiende eeuw; de eerste tekenen van verval van de Portugese positie in Azië in de tweede helft van de zestiende eeuw en de vrijwel volledige teloorgang daarvan, mede door toedoen van de VOC, in de zeventiende eeuw; de strijd tegen de WIC om Brazilië en de Portugese gebieden in West-Afrika in de zeventiende eeuw; de bloei en het verlies van Brazilië in de achttiende, respectievelijk de negentiende eeuw; de uitbouw van het koloniale rijk in Afrika naar de binnenlanden aan het einde van de negentiende en in de eerste helft van de twintigste eeuw en het einde van de imperiale droom aan het begin van het laatste kwart van de vorige eeuw. Deze en soortgelijke zaken komen uitvoerig in dit werk aan de orde, terwijl de bespreking van de ontwikkelingen in Portugal zelf de noodzakelijke achtergrondinformatie geeft, waaruit het optreden overzee kan worden begrepen.

Bij het schrijven van elkaar opvolgende delen, is het soms gewenst zaken in te leiden met al dan niet samengevatte teksten uit voorgaande delen, waardoor enige overlap ontstaat. Er is temeer sprake van overlap als, zoals in mijn geval, het aantal deeltjes groot is, omdat de daarin beschouwde periode soms maar enige decennia omvat. Daarom heb ik met ingang van deel XIII besloten de te behandelen periode aanzienlijk te vergroten. Deel XIII en een aantal volgende delen omvatten dan ook de regeringsperioden van koningen Sebastião (1557-1578), kardinaal Henrique (1578-1580) en de Spaanse Habsburgers (1580-1640)

In de ‘Verantwoording’ van voorgaande delen is in zeer korte vorm vermeld wat de inhoud is van het betreffende deel en van voorafgaande delen. Deze methodiek leidt ertoe dat de verantwoording bij elk nieuw deel qua omvang toeneemt. Vanaf deel XV volsta ik ermee te zeggen dat in de delen I t/m XII wordt besproken de periode vanaf de prehistorie tot aan het overlijden van Dom João III in 1557, dat in deel XIII de gebeurtenissen aan de orde komen die uiteindelijk in 1580 hebben geleid tot de personele unie van de Spaanse en de Portugese troon en van het zestigjarige bestuur van de Spaanse Habsburgers over Portugal en zijn overzeese imperium. Deel XIII verhaalt voorts Sebastião’s rampspoed in Marokko, de ontwikkelingen van de Atlantische eilanden en West-Afrika in de periode 1560-1640, waarin de strijd om en het verlies van het Fortaleza de São Jorge da Mina centraal staat. Deel XIV gaat over de bemoeienissen van de Portugezen met Angola en Kongo in hetzelfde tijdvak en over de Portugezen aan de Swahilikust van 1560 tot 1600. Deel XV behandelt de ontwikkelingen in en rond de Estado da India onder de capitães-gerais Dom Constantino de Bragança t/m Dom Francisco da Gama (1558-1600). Idealiter zou in deel XVI besproken zijn de geschiedenis van de Estado da India vanaf het begin van de zeventiende eeuw tot aan het herwinnen van de Portugese onafhankelijkheid in 1640. Gelet op de verhalende vorm waarin de materie wordt behandeld, met specifieke aandacht voor curieuze details aan de ene kant en de nog immer toenemende omvang van de geraadpleegde literatuur aan de andere kant, is dit een onmogelijke opgave gebleken. In deel XVI worden de ontwikkelingen in de Estado da India besproken tot aan de komst van Hollanders en Engelsen naar Azië, wat uiteindelijk de teloorgang van Portugals positie in dat werelddeel zal inluiden. Het derde, tevens laatste, hoofdstuk is gewijd aan de Portugezen aan de Tamilkust in de periode 1560-1680. In dit deel zijn buiten beschouwing gebleven het Portugese optreden elders in Azië, zoals op Ceylon, aan de Golf van Bengalen, in Birma, Siam, Achter-Indië, Malakka, de Molukken en de Banda-eilanden, Solor en Timor, in China (Macau) en Japan en tenslotte aan de Swahilikust, die aanvankelijk ook tot de Estado da India gerekend werd. In deel XVII wordt de bespreking van de Estado da India voortgezet met de rampzalige periode 1623-1640 (hoofdstuk 1), Hoofdstuk 2 gaat over de Portugezen in Bengalen en in het derde en laatste hoofdstuk wordt aandacht geschonken aan de Portugezen, Spanjaarden en Hollanders in Siam en Achter-Indië. Deel XVIII is geheel gewijd aan de niet aflatende oorlogen in Ceylon tijdens de Habsburgers; deel XIX behandelt Portugees Malakka, de Molukken en de Kleine Soenda eilanden in dezelfde periode;

Bij het schrijven van dit werk sta ik als een dwerg op de schouders van reuzen. Dezen hebben de oorspronkelijke bronnen ontcijferd en daaruit de soms tegenstrijdige gegevens geschift, geordend, geduid en van annotaties voorzien. Ik heb mij slechts tot taak gesteld uit de veelheid van boeken de meest bruikbare te kiezen. Naarmate ik al doende meer inzicht verwerf in de zeer uitgebreide bibliografie van de Portugese aanwezigheid overzee, wordt het kiezen uit de immer aanzwellende stroom studies, moeilijker. Aan de ene kant is de verleiding groot zoveel mogelijk gebruik te maken van literatuur waarin aandacht wordt geschonken aan de heldendaden, lotgevallen en euveldaden van individuele personen, omdat deze kleur geeft aan de historie. Maar aan de andere kant leidt te grote aandacht voor details ertoe dat ik het werk waaraan ik vele jaren geleden ben begonnen, niet zal kunnen voltooien. Ik moet dus schipperen en zal gedetailleerde beschrijvingen moeten afwisselen met stukken die een globaal overzicht verschaffen. Bij de keuze van te raadplegen literatuur staat Dr. B. N. Teensma mij met raad en daad terzijde; ook heeft hij mij een aantal boeken van zijn hand geschonken en mij gestimuleerd op de ingeslagen weg voort te gaan. Tenslotte heeft hij een lovend voorwoord bij deel XIII verzorgd. Voor dit alles zeg ik hem oprecht dank. Mijn erkenning gaat ook uit naar Prof. Dr. Leonard Blussé voor zijn bemoedigende reacties op de eerder verschenen delen, voor zijn voorwoord bij deel XIX en voor de werken die ik van hem heb mogen ontvangen. Van Dr. Ir. Ernst van Veen en Dr. Arend de Roever ontving ik hun dissertaties. Beiden zeg ik oprecht dank voor de waardevolle aanwinsten van mijn boekenlijst. Voorts gaat mijn dank uit naar Arie Pos, die van meet af aan belangstelling voor mijn werk heeft getoond en die het voorwoord van deel XVII heeft verzorgd Sedertdien loopt hij alle delen voor publicatie zorgvuldig na op type- en taalfouten. Daarnaast heeft hij nog enige waardevolle correcties voorgesteld. Voor dit alles ben ik hem zeer dankbaar. Ook vermeld ik met genoegen de voortreffelijke website Dutch-Portuguese Colonial History van Marco Ramerini. Deze site met zijn vele links vormt voor mij een bron van inspiratie en een uitstekende checklist voor zowel data als relevante literatuur. Marco Ramerini voorzag mij ook van literatuuradviezen; attendeerde mij op relevante websites, zocht zaken voor mij op wisselde literatuur met mij uit. Hij is thans doende al mijn delen op zijn website te zetten. Voor zijn vele blijken van vriendschap ben ik hem zeer dankbaar. Naast de website van Ramerini neemt het aantal bruikbare websites voortdurend toe. Vooral de Wikipedia, the free encyclopedia, blijkt hoe langer hoe meer een waardevolle bron van kennis te zijn.

Hierna volgt een opsomming van de bij het schrijven van dit deel vooral geraadpleegde literatuur; daarbij zijn de werken waaraan ik het meest heb gehad, vet vermeld. In het laatste deel van dit werk zal een volledige literatuurlijst worden opgenomen.

Voor deel XIX in zijn geheel zijn de volgende algemene handboeken geraadpleegd:

Leonard Blussé & Jaap de Moor: Nederlanders Overzee; de eerste vijftig jaar 1600-1650, Franeker, 1983;

Charles R. Boxer: The Portuguese Seaborne Empire 1415-1825, London, 1969;

Charles R. Boxer: The Dutch Seaborne Empire 1600-1800, London, 1965;

H.V. Livermore: A New History of Portugal, Cambridge U.K., 1966;

A.H. de Oliveira Marques: History of Portugal, Volume I & II, New York, 1976;

José Hermano Saraiva: História concisa de Portugal; Lisboa, 1979;

Ernst van Veen: Decay or Defeat? An inquiry into the Portuguese decline in Asia 1580-1645, Research School of Asian, African and Amerindian Studies Universiteit Leiden, The Netherlands, 2000;

VOC-Internet sites

Arnold van Wickeren: voorgaande delen van dit werk.

Naast deze boeken is voor het schrijven van elk hoofdstuk gebruikgemaakt van een aantal specifieke werken.

Geraadpleegde literatuur bij hoofdstuk 1 (Malakka):

Danvers, Frederick Charles: The Portuguese in India, Volume I & II,

W.H. Allen & Co. Ltd., London, 1894;

Fernandis, Gerard: (Compiled and Edited by) Save Our Portuguese Heritage Conference 95 Malakka, Malaysia,

Fortia d’Orban, M. Le Mis de et M. Mielle: Histoire Générale de Portugal depuis L’origine des Lusitaniens jusqu’a la régence de Dom Manuel, Tome VII, Gauthier frères et Cie, Libraires, Parijs, 1829

Hayes Hoyt, Sarnia, Old Malakka, Oxford Univerdity Press, Kuala Lumpur, 1992;

Mac Leod, N.: De Oost-Indische Compagnie als zeemogendheid in Azië, 1602-1650, twee delen, Blankwaardt & Schoonhoven, Rijswijk (Z.H.), 1927;

Noonan, Laurence A.: The Portuguese in Malacca; A Study pf the First Major European Impact on East Asia (71 pp.), STUDIA, Lisboa, No. 23 (Abril-1968);

Sta Maria, Joseph: Where do we go frome here?, Melaka, 1994;

Valentijn, François: Oud-en Nieuw Oost-Indiën, deel VA, Uitgeverij Van

Wijnen, Franeker, 2002

Geraadpleegde literatuur bij hoofdstuk 2 (De Molukken):

Bokemeyer, Heinrich: Die Molukken: Geschichte und quellenmässige Darstellung der Eroberung und Verwaltung der Ostindische Gewürszinseln durch die Niederländer, F.A. Brockhaus, Leipzig, 1888;

Corn, Charles: The Scents of Eden. A Narrative of the Spice Trade, door Jan Mars vertaald en uitgegeven onder de titel Sporen van het Paradijs. Het verhaal van de specerijenhandel, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 1998;

Danvers, Frederick Charles: The Portuguese in India, Volume I & II, W.H. Allen & Co. Ltd., London, 1894;

Instituut voor Nederlandse Geschiedenis: De VOC.Scheepvaart tussen Nederland en Azië, http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/DAS/voyages

Knaap, G. J.: Kruidnagelen en Christenen; De Verenigde Oost-Indische Compagnie en de bevolking van Ambon 1656-1695?, KITLV, Foris Publications, Dordrecht-Holland, 1987;

Londoh: De Portugezen & De Molukken, http://blog.londoh.com (15 pagina’s)

Mac Leod, N.: De Oost-Indische Compagnie als zeemogendheid in Azië, 1602-1650, twee delen, Blankwaardt & Schoonhoven, Rijswijk (Z.H.), 1927;

Magellan’s Successors: Loaysa to Urdaneta, Internet 23 pagina’s

Meilink-Roelofsz, M.A.P.: Asian Trade and European Influence in the Indonesian Archipelago between 1500 and about 1630, Martinus Nijhoff, ‘s-Gravenhage, 1962;

Ramerini, Marco: La presenza spagnola alle isole Molucche, 1606-1663, nog niet gepubliceerd;

Ramerini, Marco: Le Fortezze Spagnole nell’isola di Tidore (Molucche) 1521-1663, Sito Web: www.colonialvoyage.com

Valentijn, François: Oud-en Nieuw Oost-Indiën, deel I, Uitgeverij Van Wijnen, Franeker, 2002

Wennekes, Wim: Gouden handel: De eerste Nederlanders overzee en wat zij daar haalden, Uitgeverij Atlas – Amsterdam/Antwerpen, 1996;

Wessels s.j., C.: De Katholieke Missie in de Molukken, Noord-Celebes en de Sangihe-eilanden, gedurende de Spaanse bestuursperiode (1606-1777) Henri Bergmans & Cie., Tilburg, 1935

De geraadpleegde literatuur bij hoofdstuk 3 (Kleine Soenda eilanden):

Boxer, C.R.: The Topasses of Timor, Uitgave van het Indisch Instituut, Amsterdam, 1947;

Kniphorst, J.H.P.E.: ‘Terugblik op Timor en onderhoorigheden’, Overgedrukt uit het Tijdschrift van Nederlandsch-Indië, (Mei-November 1885);

Roever, Arend de; De jacht op Sandelhout; De VOC en de tweedeling van Timor in de zeventiende eeuw, Walberg Pers, Zutphen, 2000;

VOC-site Timor :http://www.vocsite.nl/geschiedenis/handelsposten/timor/html

Ook is veelvoudig en intensief gebruik gemaakt van het alsmaar toenemende aantal Internetsites, naast de hiervoor al vermelde sites, zodat de tot voor kort gebruikte naslagwerken, als de Encyclopædia Britannica, Le Petit Robert des Noms Propres vrijwel overbodig werden.

Velen hebben mij gestimuleerd voort te gaan met het bestuderen van en het schrijven over het gekozen studiegebied; anderen hebben mij daadwerkelijk geholpen. Tot degenen op wie ik een beroep kon doen om technische problemen met de P.C. te overwinnen behoren mijn oud-buurman Piet Vermaas RA. en mijn huidige buurman Kai de Jong. Hun zeg ik daarvoor dank. Het personeel van Multicopy in Heerhugowaard zeg ik dank voor de keurige verzorging van dit deel van mijn werk. Tenslotte spreek ik in het bijzonder mijn dank uit aan mijn vrouw, die – na mijn pensionering — mij weinig met huishoudelijke taken belast, maar mij alle gelegenheid geeft dit boek te schrijven.

De schrijver

Glossarium

Geschreven door Arnold van Wickeren

almirante: admiraal

Alsatia: vrijplaats in Londen tussenin de 15e en de 17e eeuw voor alle soorten misdadigers

alvará: koninklijk decreet

atap: dakbedekking van gedroogde palmbladeren

audiencia: hoogste tribunaal van de Filippijnen

bahar: Indische gewichtseenheiddie varieert van 225 tot 300 kg (soms 175 kg)

barca: bark

bendahara: Maleise titel van de hoogste staatsfubctionaris; opperrechter

brigantijn (bergantim): Portugees roeischip van klein tonnage met 7 of 8 roeibanken aan elke zijde en 2 masten; gebruikt als verbindingsschip

buen: goede

chacil: locale machthebber in de Molukken, opstap naar de functie van gugugu of rijksbestuurder

ca(i)xas: Cninese koperen munten van geringe waarde, met een vierkant gat in het midden; elders in Azië gebruikt als kleingeld

câmara (Senado da): gemeenteraad

canoa: kano

capitania: vlaggenschip

capitán: kapitein

capitão (kapitein): bevelhebber van een fort, plaats, garnizoen of andere militaire eenheid

capitão-ge(ne)ral: is de rang van de capitão aan de Minakust, van de conquistador van het Ilha de Ceilão, van de governor-geral van Brazilië van de governor-general van de Estado da India en later ook de capitão van Macau en de capitão van de Kleine Soenda eilanden

capitão-mor: bevelhebber van een vloot of eskader

caravela: langwerpig zeilschip van 60 tot 100 ton, met geringe diepgang en een hoog dek, een achterkasteel en 2 of 3 latijngetuigde masten

carta-patente: privilegebrief

casado: gehuwde kolonist

Cochin de Baixo: laag gelegen Cochin

Cochin de Cima: hoog gelegen Cochin

Conde de: graaf van

Confraria da Misericordia: Broederschap van (de) Barmhartigheid

Constitutions eccléiastique: kerkelijke wetboeken

convento: klooster

korakora: grote vlerkprauw, meestal gebruikt voor oorlogsdoeleinden

crown: de in 1526 geïntroduceerde Engelse munt , later een zilverstuk ter waarde van vijf shillings of 60 pennies

cruzado: oude gouden Portugese munt met een gewicht van 3,58 gram een gehalte van 23,75 karaat en vanaf 1514 een waarde van 400 reais

datu:koninkje op Timor

dominio util: tot nut van God

Donna: vrouwe

El Real: de Koninklijke

encomienda: recht om belasting te heffen van de bevolking van de Filippijnen

entrada: de beginperiode van de kolonisatie van de Filippijnen

Estado da India: ‘Staat van Indië’, ’naam voor het Império Português do Oriente, het geheel van Portugese havens, forten en steunpunten ten oosten van Cabo da Boa Esperança

fanéga: korenmaat: Spaans 100 pond, Portugees 14 pond

fathom: 6 feet = 1,82 m

fidalgo: zoon van iemand (filho d’algo); edelman

Fahnenflucht: desertie

foot: 0,308 m

Fortaleza dos Reis Magos: Driekoningenfort

Fortaleza las Fuerzas del Rosario: de vesting van de krachten van de rozenkrans

Forte Santiago de los Caballeros: fort Sint Jacobus van de ridders

frei (broeder): geestelijke

Fuerte de los Portuguéses: de sterkte van de Portugezen

funea: soort schip

fusta: (fust of hulk): lang en plat roei- en zeilschip met een of twee masten

galei (galé): ondiep liggend lang en breed roei- en zeilschip voorzien van twee masten met latijnzeilen, gebruikt voor oorlogvoering en handelsvaart

galjas: type zeilschip

galjoen (galeão): Portugees oorlogsschip, veel gebruikt door piraten. Doordat het was voorzien van latijn- en rondzeilen als de caravela redonda en van minder diepgang en tonnage (400-600 ton) was dan de nau, was een galjoen zeer wendbaar

galjoot (galeota): kleine galei (16-20 riemen) met twee masten

gobernador e capitán-general: gouverneur en kapitein-generaal

gugugu: rijksbestuurder in de Molukken

jihad: heilige oorlog

kimelaha: Ternataans stadhouder op Buru

kraeng: titel van de broer van de laatste vorst van Gowa

laksamana: admiraal van de oorlogsvloot van een zuidoost Aziatisch sultanaat

légua: afstandsmaat waarvan de lengte afhankelijk is van de kroniekschrijver, varieert van 5,93 tot 6,66 km

madre de Dios: moeder van God

meia: halve

mestiços: halfbloeden

modus vivendi: voorlopige schikking tussen strijdende partijen

musim hujan: natte moessontijd

nau: ‘groot schip’’, groot en breed zeilschip (800-2000 ton) met drie masten; de fokkemast heeft een latijnzeil; de grote en de bazaansmast hebben dubbele vierkante zeilen; aanvankelijk gebruikt als vrachtvaarder in de Carreira da Iindia, later aangepast tot oorlogsschip

nau do trato: handelskraak

Nossa Senhora da Anunciação: Maria Boodschap

Nossa Senhora da Assunção: Maria Hemelvaart

Nossa Senhora da Conceição: Maria Onbevlekte Ontvangenis

Nossa Senhora dos Mártides: Onze Lieve Vrouwe van de Martelaren

orangkaja’s: locale machthebbers van de eilanden van Ambon

Ordenações Manuelinas: Codificatie van wetten en regls onder Dom Manuel

Pacifico: Grote Oceaan

padre: pater

pagger: omheining, heg

pantjalang: bevolkingspatrouille

parangs: breed, zwaar hakmes, als bijl en als wapen gebruikt

pardão: gouden munt ter waarde van zes zilveren tangas, circa 360 reais. (Een zilveren pardão weegt 22 gram en heeft gedurende de eerste helft van de zestiende eeuw een waarde van 5 tangas of 300 reais.

patache: 1. een soort tweemaster met vierkante zeilen aan de voormast en ‘fore and aft sails on the aftermast’ (jacht); 2. oorlogsschip van 200-400 ton uit de zestiende en zeventiende eeuw met een platte spiegel of vlak achterschip, dat later een meer ronde vorm zal krijgen.

pati: locale machthebber op Ceylon

pikol: circa 120 pond

Porta de Santiago: Poort van Sint Jacobus

quinas: vijf wapenschilden in het wapen van Portugal

quintal: gewichtseenheid van circa 58,5 kg

radja: locale vorst

real: kleine koperen Portugese munt van weinig waarde

regimento: geheel van opdrachten, instructies en regelingen

sampang: klein kustvaartuig in de Indische archipel; soms uitgerust met twee masten en roeiriemen en niet of ten dele overdekt

sangajes: locale machthebbers in de Molukken

Santa Casa da Misericordia: Heilig Huis van Barmartigheid

Santa Cruz: Heilig Kruis

São Salvador: Heilige Verlosser

sargento- mayor: sergeant-majoor (Sp)

sargento-mor: sergeant-majoor (Port.)

Secrety of State’: hooggeplaatste functionaris belast met buitenlandse zaken

sengadies: locale machthebbers op Solor

sjahbandar: havenmeester

Societas Jesu: Sociëteit van Jezus; kloosterorde van de jezuïeten

status quo ante: voormalige situatie

tenente-coronel: luitenant-kolonel

tenente-ge(ne)ral: luitenant-generaal

Toepassen: Zwarte Portugezen

Topazes: Zwarte Portugezen

Vedor da fazienda: hoogste autoriteit belast met financieel toezicht namens de Kroon

vice-rei: onderkoning (Port.)

virrey: onderkoning (Sp.)

xerafim: zilveren munt, aangemunt in Indië, met een gewicht van 22 gram en gedurende de eerste helft van de zestiende eeuw een waarde van 300 reais

Hoofdstuk 1 Portugees Malakka ten tijde van de Habsburgers 1560-1640 1.0 Inleiding

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

De komst van de Hollanders naar Ceylon. Portugese pogingen Ceilão te veroveren

Deel 18 Index

Hoofdstuk 2.

Portugese pogingen Ceilão te veroveren

2.5. De komst van de Hollanders naar Ceylon

Geschreven door Arnold van Wickeren

Als op 10 oktober 1630 het nieuws van de ramp Goa bereikt, kan de graaf van Linhares niets anders doen dan de soldaten die elders in Portugees Azië gemist kunnen worden, naar Ceylon te zenden. Aanvankelijk is Kandy van plan met een overmacht aan troepen direct na het verslaan van de capitão-general onverwachts het onvoorbereide Colombo aan te vallen. Als deze strategie zou zijn gevolgd, zou de Portugese macht op Ceylon 26 jaar eerder zijn geëindigd dan feitelijk het geval is geweest. Maar gelukkig voor de Portugezen, nemen de victorieuze Singalezen de tijd, waarschijnlijk wegens ziekte van Senerat. Wat zij niet verwacht hebben is dat de commandant van het fort in Malwana, Francisco de Brito Almeida, vrijwel onmiddellijk (28 augustus) lering heeft getrokken uit de nederlaag. Hij verliest geen tijd en zendt direct een boodschap aan Lançarote de Seixas Cabreira, die Sá het bestuur over Colombo in handen heeft gegeven. Een van de inwoners, Afonso Dias da Lomba, rapporteert, “de schaarse strijdkrachten daar gaan de 300 Portugezen niet te boven. Onder hen zijn goeden en slechten, bejaarden en zieken en al de muren zijn ingestort tot op de grond en in de bolwerken is heel weinig artillerie.” Maar het nieuws elektrificeert de stad. Dom Manuel, de vijfde verrader wordt opgepakt, gemarteld en geëxecuteerd, verdachte moslimhandelaren worden de stad uitgegooid en mannen, vrouwen, enige lascarins en de geestelijkheid allen zwoegen onophoudelijk om de gaten in de muren te dichten met facines? van palmbomen en aarde. Ondertussen zeilt een grote galei uit Malacca de haven binnen. Aan boord bevinden zich enige manschappen en extra artillerie. Zij worden onmiddellijk onder bevel geplaatst.

Eerst 26 dagen na zijn grote overwinning verschijnt het Singalese leger, dat onderweg het fort van Saparagamuwa met zijn gehele garnizoen heeft genomen en Menikkadawara heeft belegerd, voor het gebarricadeerde Colombo en het begint een serieuze belegering. Het Singalese leger bestaat – volgens de paters da Lomba en Assunção – uit 30.000 man, van wie waarschijnlijk eenderde deel uit niet-vechtend bedienend personeel bestaat. De belegeraars, onder bevel van prins Maha Asthana, de latere Raja Sinha II, beschikken ook over ten minste twaalf olifanten. Zij hebben ook voldoende artillerie om grote gaten in de muren te schieten, maar zij geven er de voorkeur aan de stad tot overgave te dwingen door haar uit te hongeren, maar omdat Colombo, net als de meeste Portugese steden in Azië aan het water is gebouwd, zal dit niet lukken. De belegering begint midden september en Portugese soldaten, kooplieden en priesters hakken op de aanvallers in, slaan hen van de muren en schieten hen dood. Op 3 oktober arriveert enige steun, onder Dom Felipe Mascarenhas, uit het nabijgelegen Cochin en een week of twee later biedt de aankomst van een ander garnizoen meer hulp. In november beginnen de belegeraars de velden buiten Colombo in brand te steken en zich terug te trekken, mede omdat er een ziekte in het leger van Maha Asthana is uitgebroken. Op zijn terugweg naar Senkadagala neemt hij Menikkadawara in en hij voert 200 Portugese gevangenen met zich mee. Kort daarna trekt het overschot van het Singalese leger naar Kaduwela. Uit verschillende delen van India komt nu hulp opdagen en de Portugezen zijn in staat zich buiten de muren van Colombo te vertonen, maar veel meer kunnen zij niet doen. Er wordt binnen Colombo een samen-zwering ontdekt en de leider daarvan, een Singalese soldaat van aanzien, wordt gestraft door hem voor de loop van een kanon, dat wordt afgeschoten, te binden. De situatie is zo hopeloos dat de autoriteiten in Goa de grootste moeite hebben een prominente ambtsdrager bereid te vinden de vakante post van capitão-geral van Ceylon te aanvaarden. In februari 1631 vinden zij de bejaarde Dom Jorge de Almeida bereid de post te aanvaarden, maar het zal nog 21 oktober duren voordat deze, aan het hoofd van enige honderden aanvullende soldaten, in Colombo landt als opvolger van iemand die tijdelijk als capitão-geral heeft gefunctioneerd, Dom Mascarenhas (1630-1631), de latere vice-rei (1646-1651). De nieuwe capitão-geral zal zijn ambt twee jaren bekleden (1631-1633), terwijl hij in 1635 voor een tweede termijn (1635-1636) zal worden benoemd.

Danvers verklaart waarom het een halfjaar duurt voordat Dom Jorge de Almeida zijn standplaats bereikt. Op weg naar Ceylon raakt zijn vaartuig in een storm zo zwaar beschadigd, dat hij verplicht is zijn schip aan zijn lot over te laten en in een reddingsboot te stappen. Hij komt eerst op een van de eilanden van de Malediven terecht, waar hij dertig dagen verblijft. Dan is hij in staat met zijn bemanning aan boord te gaan van een Portugees schip, met bestemming Cochin. Hier moet hij enige tijd blijven, omdat hij ziek is, maar kort na zijn herstel arriveren er twee pinken in Cochin, die door de onderkoning gezonden zijn om Ceylon te ontzetten. Zij hebben aan boord 500 kafirs, 800 Canarezen en een paar Portugezen, tezamen met 40.000 xerafins, levensmiddelen en ammunitie. Dom Jorge gaat aan boord van een pink tezamen met enige andere soldaten die hij heeft aangeworven en hij arriveert met hen op 21 oktober 1631 in Colombo. Hij blijft hier tot het einde van het regenseizoen en op 5 januari 1632 marcheert hij met zijn leger uit, op zoek naar de vijand.

Bij zijn aankomst worden er onderhandelingen geopend met Senerat om de vrijlating van de Portugese gevangenen, maar de koning is niet van plan het voordeel dat hij heeft behaald goedkoop te verkopen. Hij verzekert de Portugese gezant dat de tijden zijn veranderd sinds hij in 1617 het vredesverdrag is aangegaan. “Toen,” zei hij “was mijn grootste zorg mijn zoons op te voeden. Vandaag zijn zij mannen die vertrouwen op hun speren en goed slapen.” Grote versterkingen worden echter spoedig uit Goa ontvangen en de capitão-geral poogt diplomatie te vervangen door militaire kracht. In januari 1632 trekken 1.000 Portugezen, 1.000 lascarins en 1.200 kafirs en Canarezen ten strijde; zij trekken op naar Malwana. De inwoners van het district komen tezamen om hun overgave voor te bereiden en, met het doel hun vrees aan te jagen, wordt de vreselijke uitweg aanvaard een van hen over te leveren aan de kafirs, die hem doden en hem in het bijzijn van zijn vrouw en kinderen consumeren, terwijl anderen als slaven worden gegeven aan de Portugese capitães. Vervolgens wordt Kaduwela bezet en stap voor stap zijn de Singalezen gedwongen terug te trekken voor het voorttrekkende leger.

Danvers schrijft over deze veldtocht het volgende. Vlak na afloop van de regentijd is het niet bepaald eenvoudig om met een leger door het land te trekken. De eerste dag wordt niet meer dan een légua afgelegd en wordt Calane bereikt. De volgende dag wordt de voortgang gehinderd door moerassig terrein en vijandige troepen pogen de vooruitgang van de Portugezen naar een pas, gelegen bij een fort, Tanqueira Grande genaamd, te belemmeren. Op de volgende pas heeft de vijand loopgraven en andere verschansingen aangelegd, die bemand worden door 6.000 man. De doortocht via deze pas wordt geforceerd door de vijand uit zijn fortificaties te verdrijven. Dom Jorge marcheert verder naar Malvana; hij vindt deze plaats echter totaal verlaten, op drie oude mannen na. Nadat hij Malvana in brand heeft gestoken, trekt hij verder naar Cordevola, waar twee forten volledig zijn bemand. Zonder enige vertraging laat Dom Jorge de forten bestormen, waarbij aan Portugese zijde twee officieren en vier soldaten omkomen en de vijand op de vlucht wordt gejaagd en wordt achtervolgd. Op zeker moment houdt de vluchtende vijand halt aan de voet van de bergen die leiden naar het hoge land van Kandy, maar zij worden opnieuw verslagen. Dan bereikt Dom Jorge het nieuws dat Tanqueira Grande door de vijand verlaten is. Dom Jorge stuurt een aantal manschappen op onderzoek uit en zij bevestigen de mededeling dat de vijand is vertrokken, maar een aantal ijzeren en koperen kanonnen heeft achtergelaten, naast veel musketten en een grote hoeveelheid ammunitie. In Cordevola is ook al een aantal kanonnen buitgemaakt, een met het Koninklijk Wapen van Portugal. Dom Jorge valt vervolgens Chilao aan, zowel vanaf zee als vanaf het land. Deze plaats wordt ook genomen en Dom Jorge verzamelt een grote hoeveelheid buit, met inbegrip van 130 vaartuigen.

Bij deze overwinningen hebben de Portugezen de forten van Manieraware, Sofragan, Malvana, Caliture en Maturé in handen gekregen. Senerat zendt dan ambassadeurs die smeken om vrede; maar Dom Jorge weigert het sluiten van vrede tot zijn eigen verantwoordelijkheid te rekenen en hij zendt het verzoek door aan de onderkoning, de graaf van Linhares in Goa. Er worden van beide zijden boodschappers naar Goa gezonden om over vrede te onderhandelen, ofschoon de vijandelijkheden niet verslappen en op 15 april 1633 wordt er een vredesverdrag getekend door de vice-rei Dom Miguel de Noronha, conde de Linhares en de Singalese ambassadeurs. Een van de bepalingen van het verdrag luidt, dat de Portugezen ermee instemmen de drie zonen van koningin Dona Catarina als erfgenamen te erkennen van het gehele Singalese koninkrijk, terwijl koning Senerat jaarlijks een olifant als tribuut betaalt en ermee instemt dat de franciscanen zich in zijn hoofdstad vestigen, naast de vrijlating van alle Portugese gevangenen. En de teruggave van het fort in Batticaloa. Koning Senerat weigert aanvankelijk het verdrag te ratificeren, want hij is onwillig een tribuut in de vorm van een olifant te betalen, omdat daaruit blijkt dat er sprake is van vazalliteit. Het volgende jaar, evenwel, als capitão-geral Diogo de Melo de Castro (1636-1638), als opvolger van capitão-geral Jorge de Almeida in Ceylon is aangekomen, wordt het verdrag na veel geruzie alsnog door Senerat geratificeerd.

Koning Philips IV van Spanje, die de troon van Portugal in 1621 als Filipe III heeft bestegen, heeft bij de gouverneurs van Portugees Indië er bijna voortdurend op aangedrongen de vijandelijkheden niet te doen verslappen, maar zijn land is niet bij machte voldoende manschappen te zenden om de verliezen te compenseren. “Het is van het grootste belang,” schrijft de conde de Linhares op 29 november 1634, “dat de armadas zullen worden gezonden naar die delen van het rijk die Uwe Majesteit heeft aangewezen. Senhor, waarmee moet ik de armadas samenstellen als Uwe Majesteit mij de mannen niet zendt.”

De periode van Koning Philips regering is er inderdaad een van groot tegenslag voor Portugal, want de vereniging met Spanje heeft het land gedreven in vijandelijkheden met de Hollanders en de Engelsen en nu voelt Portugal zich bedreigd, niet als een onafhankelijk koninkrijk, maar als een provincie. Spanjaarden worden benoemd in de hoogste ambten van de staat en Portugees gebied wordt vrijelijk weggegeven aan vreemdelingen. De opbrengsten van het land worden niet besteed aan zijn eigen heil en de Cortes heeft opgehouden te bestaan. Door de ramp met de ‘Invincible Armada’ is Portugals zeemacht in Europa gebroken en ’s lands buitenlandse handel wordt in snel tempo vernietigd. De handel met China is bijna gesloten; de handel in specerijen wordt gecontroleerd door de Hollanders, die zich in Batavia hebben gevestigd; Shah Jenan heeft het hoofdkwartier van de Portugezen in Bengalen veroverd; Ormoez, waarop de Portugezen bijna even trots waren als op Goa, is genomen door de Perzen; de Engelsen blokkeren hun handelsbetrekkingen met West-India; de Denen hebben een centrum verworven in Tranquebar; en zelfs de Fransen beginnen in de Indische wateren te verschijnen. Tezelfdertijd wordt de welvaart van de grote Portugese vestigingen in Brazilië met scheepsladingen vol vervoerd naar de aandeelhouders van de handelscompagnieën in Holland; Goa zelf wordt van tijd tot tijd door Hollandse vloten geblokkeerd en in 1636 hebben zij zelfs een handelspost gevestigd in Vengurla in het land van de Adil Khan van Bijapur, op slechts vijf léguas ten noorden van het paleis van de onderkoning in Goa. Bovendien worden alle Portugese vaartuigen die op volle zee worden ontdekt, geplunderd. In 1636 – aldus Winius – alleen al 150 stuks.

Nationaal bankroet is het natuurlijke resultaat van deze verstoring van de handel van het land. Er is geen geld beschikbaar om onbevreesde soldaten te kopen, ofschoon er in die tijd een overvloed is aan monniken en broeders die door de staat worden ondersteund. Het aantal broeders heeft een verbazingwekkende omvang bereikt en in 1623 heeft vice-rei Dom Francisco da Gama, conde de Vidigueira, gerapporteerd dat er in Goa tweemaal zoveel broeders zijn als alle andere Portugezen tezamen. Het overgrote deel van de mannen dat naar Indië wordt gezonden om daar als soldaat te dienen, haast zich in te treden bij een religieuze orde en de verbazingwekkende oneerlijkheid bij de rekrutering van Portugese militairen, waarbij scheepsladingen kinderen worden verzonden onder de naam van soldaten, dragen er niet weinig toe bij de kloosters te vullen. De arrogantie van enige orden is niet te geloven. De jezuïeten hebben zichzelf meesters van Travancore en van de parelvisserij aan die kust gemaakt; zij houden er op hun eigen kosten gewapende mannen op na en die vechten met officieren van de koning. Zij zijn er ook in geslaagd het algemeen toezicht te verwerven over de werkzaamheden aan forten, waarover zij weigeren verantwoording af te leggen. De privé-bezittingen van de kloosterorden zijn zo omvangrijk dat het een schandaal is en er zijn wettelijke maatregelen getroffen om te voorkomen dat er verdere aangroei plaatsvindt

De situatie van decadentie wordt weerspiegeld in de wat gebeurt in Ceylon. Het broeit in het leger en in 1635 breekt er weer muiterij uit. Er worden twaalf senatoren gekozen om de zaken van het leger te administreren en de toegangswegen tot Colombo worden bezet tot het is toegestaan de eigen officieren te kiezen. In 1636 overlijdt koning Senerat en Maha Asthana, die het bestuur al enige jaren heeft waargenomen, wordt uitgeroepen tot koning, onder de titel van Raja Sinha II. Hij stelt zich voor de vrede te bewaren die zijn vader is aangegaan, maar de actie van de dienstdoende officier in Batticaloa die steun biedt aan enige tegen de koning rebellerende lieden, verplicht hem zijn positie te herzien. Hij zoekt contact met de Hollanders, die zich in 1625 gevestigd hebben in Pulicat en op 9 september 1636 zendt de koning een Brahmaan met een brief aan Carel Reyniersz, opperkoopman van de VOC aan de kust van Coromandel, ofschoon de boodschap met vier maanden vertraging is afgeleverd, omdat de boodschapper zich vier maanden in Jaffna voor de Portugezen heeft moeten verbergen. In de brief biedt Raja Sinha de Hollanders een van zijn havens aan als zij hem bijstaan tegen de Portugezen. Reyniersz antwoord aan Raja Sinha is zeer hartelijk; kennelijk hebben zijn superieuren in Batavia al een ruil van wapens tegen kaneel overwogen en hebben zij Reyniersz bevolen Raja Sinha te helpen. Als resultaat van de brief verschijnen er op 19 november 1637 twee boodschappers, Jan Thyssen en Adriaan Helmond, in Kandy met de belofte de gevraagde hulp te zullen verlenen, op voorwaarde dat de Hollanders het monopolie op de handel in kaneel ontvangen. De boodschappers delen koning Raja Sinha ook mede dat Adam Westerwold van plan is de blokkade van Goa af te breken en tegen april 1638 schepen naar Ceylon te zenden. Als Thyssen, Helmond en de ambassadeurs van de koning twee dagen voor Kerstmis 1637 bij de vloot van Westerwold aankomen, wordt er meteen een conferentie belegd en wordt de brief van Raja Sinha aan de admiraal overhandigd. In zijn brief bevestigt de koning zijn verlangen om alle specerijen aan de VOC te verkopen. Westerwold besluit Batticaloa, de in 1628 door Dom Constantino de Sá gefortificeerde Portugese enclave, aan te vallen. Als Batticaloa in Hollandse handen valt, beschikt de VOC tot een directe toegangshaven tot haar bondgenoot Kandy.

Capitão-geral Diogo de Melo wordt zeer gealarmeerd door de ontwikkelingen, want Raja Sinha’s betrekkingen met hem zijn zo gespannen dat de koning verder contact heeft geweigerd. Diogo de Melo heeft gepoogd tweedracht te zaaien tussen Wijaya Pala en Raja Sinha en hij heeft te kennen gegeven de eerste te zullen ondersteunen als deze zijn claim op de troon zou benadrukken. Hij schrijft Wijaya Pala opnieuw, waarin hij klaagt over zijn broeders onderhandelingen met de Hollanders. Hij beschrijft de laatsten als “subjecten en rebellen van de Koning van Portugal, goed bekend in heel India als piraten, gehaat door alle Indische koningen en potentaten,” en hij besluit zijn brief met een dreigement met een beroep op het zwaard.

De President van de Dansk Østindisk Kompagni die de Portugezen goed is gezind, laat in 1637 vice-rei Pero da Silva (1635-1639) weten, dat de Hollanders een blokkade voorbereiden van Malacca, Ceylon en Goa. Deze informatie gaat vergezeld van een aanbod de Portugezen behulpzaam te zijn bij de verdediging van Tranquebar en Negapatnam en van het verzoek op Ceylon een factorij te mogen openen. Dit verzoek, dat niet goed is onderbouwd, houdt in dat de Denen aanbieden op Ceylon de Portugezen te helpen tegen de Hollanders, op voorwaarde dat zij daar arekanoten, olifanten en kaneel mogen kopen. De Raad van Portugal oordeelt dat over deze zaak eerst kan worden beslist, als ertussen de koningen van Portugal en Denemarken een vredesverdrag is gesloten.

Niet lang voordat de Hollanders voorbereidingen treffen een expeditie naar Ceylon te zenden, ontvangt Adam Westerwold, die zich nog voor Goa bevindt, op 8 januari 1638 een brief van Raja Sinha, waarin de vorst hem de helft van Batticaloa belooft, op voorwaarde dat hij helpt de plaats op de Portugezen te veroveren. De admiraal zendt dadelijk Willem Jacobsz Coster met drie schepen en 180 man naar Ceylon en hij volgt zelf kort daarna met meer schepen. Ondertussen hebben de Hollanders een overeenkomst bereikt met Raja Sinha en zij zijn teruggekeerd naar Pulicat, vergezeld van drie Singalese commissarissen, die opdracht hebben over de Hollandse vloot te rapporteren. Deze commissarissen keren op 2 april 1638 terug op het Eiland, begeleid door de drie schepen onder commando van Willem Jacobsz Coster, die vaststelt dat er een grote verandering heeft plaatsgevonden in de omstandigheden van de Portugezen. Terwijl Hollandse schepen op weg zijn naar Ceylon, vernemen de Portugezen dat Raje Sinha II zijn hoofdstad heeft verlaten en naar het zuiden trekt

Hebzucht heeft het beroep op het zwaard, waarmee Diogo de Melo heeft gedreigd, bespoedigd. De begerige capitão-geral berooft een Portugese handelaar van een olifant die Raja Sinha hem heeft gegeven en uit wraak neemt de koning twee mooie paarden, die de capitão-geral hem heeft gezonden om deze te verkopen binnen zijn koninkrijk. Een neerbuigende boodschap van Raja Sinha dat de paarden dienen te worden teruggezonden zodra de olifant zou zijn overgedragen doet de woede van de capitão-geral ontvlammen en de aankomst van een groot contingent van Malacca voegt gewicht toe aan de felle plechtige verklaringen en hij wringt van een onwillige Raad toestemming los voor een veldtocht tegen Raja Sinha. De invasiemacht bestaat uit 900 Portugezen, 5.000 lascarins en een aantal Topasses, Canarezen en kafirs.

Raja Sinha, die terdege beseft wat voor gevaar hem bedreigt, zendt de pater franciscaan die aan zijn hof verblijft, gewapend met een crucifix, om de capitão-geral te bezweren, in de naam van die God, van wie hij gelooft dat hij in de wereld gekomen is om voor de mensen te sterven, om hem van zijn onjuiste onderneming af te houden. Diogo de Melo de Castro antwoordt met een brutale spotternij, waarbij hij de woorden naspreekt van zijn capitão-mor, Damião Botado: “De kleine zwarte is bang. Wij zullen hem aan zijn oren eruit trekken.” Opnieuw wordt het de Portugezen toegestaan de hoofdstad van Kandy zonder strijd binnen te trekken en na de stad, het paleis en de tempels in brand te hebben gestoken, trekken zij terug naar Balane, want in hun haast hebben zij hun communicatielijnen onbeschermd gelaten. De nacht overvalt hen echter al in Gannoruwa, voordat zij de rivier zijn overgestoken en zij zijn gedwongen halt te houden, omdat de soldaten uitgeput en hongerig zijn. Raja Sinha’s kans is gekomen. Een schare van de bekwaamste houthakkers ter wereld laten reeds spoedig hun bijlen neerkomen op de wortels van grote bomen in het bos en de Portugezen realiseren zich dat zij in de val zitten. De troepen van Matale blokkeren de terugweg; uit het omringende bos wordt hinderlijk en met kleine onderbrekingen geschoten op iedere achter-blijver, terwijl de Portugezen worden tegengehouden door een sterke legermacht die het onmogelijk maakt, anders dan tegen de grootste risico’s water uit de rivier te verkrijgen.

De slag die nu dreigt, die van Gannoruwa, is de laatste grote slag die de Singalezen strijden en die een dichter, wiens naam – volgens Pieris – helaas onbekend is, de Parangi Hatane, het verhaal van de Feringhees, dat bijna een heldenepos is, doet schrijven. Het is het meest levendige stuk literatuur in het Singalees. Het is geen verzameling van rinkelende bellen en geurige bloemen, van heerlijke vrouwen en kostbare stenen. Het klinkt als de passie van Pindar1; het is Miltonic2 in zijn weerklinkende namen; het lacht met de driestemmige lied van de Amerikaanse zanger Chevy Chase Temidden van het gebulder van de kanonnen, het glinsteren van de bladen van de zwaarden en het schreeuwen van eervolle namen – de verachting voor de eter van rundvlees en de minachting voor de dronken kaffer – is de centrale idee dat het poëem doortrekt: “het is allemaal de verdienste van de koning.”

Op de morgen van Palmzondag, 28 maart 1638, bij het aanbreken van het daglicht, hervatten de Portugezen hun terugtocht door te pogen de rivier over te steken; maar zij zijn nauwelijks gestart of de Singalezen overvallen de lascarins, die de bagage beschermen, en zij slagen erin deze van de hoofdmacht te scheiden, waarop de koelies hun ladingen rijst, brood en biscuits, hun potten met arrack3 en hun manden met kippen, tezamen met de munitie neerzetten. Zij zetten het op een lopen, terwijl de lascarins door een desperate sprint erin slagen weer aansluiting te vinden bij de hoofdmacht. De hellingen van Kiriwat Talawa liggen niet op grote afstand en het doel van de Portugezen is zich daar in te graven; maar zij hebben nauwelijks de hoogvlakte bereikt of zij vinden zich aan alle kanten omringd door vijanden. De jingals en andere grote kanonnen van de Singalezen worden haastig naar voren gehaald en zij openen het vuur en de capitão-geral is spoedig verplicht om een wapenstilstand te vragen. Raja Sinha spaart zich te antwoorden, maar op zijn bevel proclameren zijn trommelslagers dat de Singalezen die niet direct de Portugese rijen verlaten, de volgende dag met het zwaard zullen worden omgebracht

De capitão-general constateert wanhopig dat de rangen van de lascarins snel uitdunnen en op dat moment vallen de Singalezen aan. Onder luid geschreeuw rennen zij als een onweerstaanbare golf tegen de heuvel op. Zij gooien hun bogen over de hoofden van de Portugezen en trekken hen op de grond en slaan vervolgens met hun zwaard hun hoofden af. De potige kafirs worden zonder erbarmen geslagen als zij over de gladde oppervlakte van de heuvelrug glibberen. Pogen tegenstand te bieden tegen de overweldigende aantallen Singalezen betekent een zekere dood en velen gooien zichzelf op de knieën en smeken om genade. De Singalezen gedragen zich in het uur van hun triomf als baldadige en wrede schooljongens. De Portugezen worden ontdaan van hun kleren en meedogenloos gegeseld voor zij worden gedood. Velen vervloeken de capitão-general met hun laatste ademtocht als de oorzaak van de ramp. De Canarezen worden, met hun handen op de rug gebonden, als runderen heen en weer geslagen, maar hun leven en dat van de kafirs en van 33 Portugezen wordt gespaard. Een grote stapel hoofden wordt aan de voeten van de zegevierende Raja Sinha gelegd. Hij heeft het gevecht geleid in de schaduw van een boom. Het lichaam van capitão-general Diogo de Melo kan, ondanks zorgvuldig zoeken, niet worden gevonden, maar zijn zwaard wordt aan zijn overwinnaar aangeboden. Hij wordt opgevolgd door Dom Jorge de Almeida (1635-1636), die voor de tweede maal capitão-geral is.

De vernietiging van het invasieleger is volledig; volgens Valentijn worden 70 Portugezen gevangengenomen en in Dewala offert de dankbare koning zijn gouden hoofddeksel en zijn zwaard van staal als een nederig dankoffer aan de Macht die het lot over de slag heeft bepaald.

Willem Coster komt op 2 april aan in Trincomalee, waar hij een gesprek heeft met Raja Sinha. Afgesproken wordt dat op Batticaloa, dat – volgens João Ribeiro – wordt verdedigd door niet meer dan veertig capabele soldaten, een gezamenlijke aanval zal worden gepleegd. Om Raja Sinha’s geluk compleet te maken, komt Adam Westerwold op 10 mei 1638 met de rest van de beloofde vloot, bestaande uit de schepen: Maastricht, Harderwijk, Rotterdam, Vere en Enkhuizen, die 840 man aan boord hebben, aan in Batticaloa. Raja Sinha zelf arriveert vier dagen later, vergezeld van een stoet prachtig opgetuigde olifanten en 15.000 strijdbare mannen. Hij heeft Wijaya Pala met de rest van zijn leger achtergelaten voor Colombo om de stad te bedreigen. De volgende dag wordt er een landing uitgevoerd. De aanvallende partij wordt gesplitst in twee compagnieën en deze plaatsen, met behulp van de Singalezen, twee batterijen, een aan de oost- en de ander aan de zuidzijde van het fort, dat bewapend is met scheepsgeschut. Raja Sinha lI Ievert aan de gezamenlijke strijdmacht 2.000 soldaten. De batterijen beginnen op 18 mei met hun beschieting van het fort en na een bombardement van vier uren capituleert de capitão. De capitulatie-voorwaarden zijn dat de Portugezen en mestiezen in het fort, bij elkaar 108 personen, het fort zullen verlaten zonder ook maar iets mee te nemen. Zij zullen, met hun vrouwen en kinderen, met een Hollands schip naar Negapatnam worden gebracht. Van de in het fort aangetroffen Singalezen, zullen er tot schrik van de Hollanders, vijftig voor straf op de punt van een lans worden gezet, omdat zij een van de edellieden van Raja Sinha hebben vermoord, terwijl de rest van de Singalezen, met hun vrouwen en kinderen als slaven onder de edelen van Raja Sinha zullen worden verdeeld. Na de val van Batticaloa mag verwacht worden dat Trincomalee vlot capituleert, omdat het garnizoen uit slechts vijftig soldaten bestaat. Maar in plaats van Trincomalee aan te vallen leidt Raja Sinha zijn leger terug naar Colombo, dat hij met 20.000 man belegert.

Vijf dagen later wordt er een verdrag gesloten tussen Raja Sinha, “Keizer en Koning van Ceylon en Candia,” en Westerwold, optredend namens “De illustere Hoogmogenden van de Staten Generaal van de Verenigde Nederlanden en van Zijne Prinselijke Excellentie Frederik Hendrik, Prins van Oranje,”waarin de koning de Hollanders aanvaardt als zijn “vrienden, bondgenoten en beschermers” tegen het grote en intolerante bedrog en de onbeschaamdheid van en de last gecreëerd door de Portugezen.” Overeengekomen wordt dat de buit die wordt gevonden in de veroverde forten, gelijk zal worden verdeeld tussen de verbonden machten van de twee ‘Hoge Contracterende Partijen’ en dat, zou de koning dat wensen, de posities zullen worden bezet door garnizoenen uitgerust met voldoende artillerie voor hun bescherming tegen de Portugezen. De koning van zijn kant neemt op zich de verkregen fortificaties te versterken, de soldij van de daarin gelegerde garnizoenen te betalen en de Hollanders geschikte plaatsen toe te wijzen om hun handelswaren op te slaan. Hij stemt erook mee in geen vijandelijkheden te beginnen zonder hen te raadplegen, hen met raad en daad bij te staan en alle soorten uitgaven die door de Hollanders te zijnen behoeve zijn gedaan, terug te betalen in de vorm van kaneel, peper, kardamon, indigo, was, rijst en andere waardevolle producten van Ceylon, met uitzondering van in het wild groeiende kaneel. De Hollanders wordt toegestaan op het gehele eiland handel te drijven, zonder daarvoor belasting te betalen. Hen wordt toegestaan hetzelfde aantal olifanten te verkopen telkens wanneer de koning olifanten, die geacht worden zijn persoonlijk eigendom te zijn, heeft verkocht,. De Compagnie deelt haar handelsprivileges met de inwoners van het naburige Travancore, die jaarlijks ongehinderd met hun schepen met levensmiddelen naar Ceylon komen. De koning zendt jaarlijks ten minste een of twee scheepsladingen kaneel, peper, kardamon, was, indigo enzovoort naar Batavia, als betaling voor de inzet van Hollandse schepen ten behoeve van Kandy

Dit zijn de hoofdbepalingen van dit belangrijke verdrag. Als partijen het eens zijn biedt Raja Sinha admiraal Adam Westerwold het zwaard van Diogo de Melo aan. De admiraal zeilt op 4 juni 1638 naar Batavia, met de jachten Grijpskerk, de Valk en Venlo en in gezelschap van twee Singalese gezanten en met medeneming van een hoeveelheid kaneel, was en peper, die Raja Sinha hem heeft gezonden. Adam Westerwold heeft ook enige geschenken van Raja Sinha voor “de Opper-Landvoogd,” de heer Antonio van Diemen, bij zich. Willem Coster blijft achter in Batticaloa, waar een Hollands garnizoen van honderd man gelegerd is. Op 29 oktober keren de ambassadeurs terug met een boodschap van Antonio van Diemen en van de Raad van Indië, met de in die tijd gebruikelijke overdreven kruiperigheid in Europese diplomatieke kringen, gericht aan “de Grote en Machtige Radio Singha, Keizer van het eiland Ceylon; Koning van Kandy, Cote, Seytabaca, Dambadoney, Amarrajapore, Jaffna; Prins van Uva, Mature, Dinavaco, Quatre Corles; Groothertog van de Seven Korales; Graaf van Cotenwe, Trinquemale, Batacalo, Vilacam, Vintana, Dumbra, Pandjapato, Hewerta, Putalon, Balane, Gaele, Beligaon, Calature, Culombo, Negumbo, Chilao, Madampe, Calpety, Aripature, Manaer; Heer van de Parelvisserij, Juwelen en de Gouden Zon.”

De brief bevat een bevestiging van het verdrag, waarvan de Raad hoopt dat het van kracht zal blijven “de zon en de maan de aarde zullen blijven verlichten met hun stralen,”De koning die onbekend is met de gebruiken en de diplomatie van de Hollanders, wordt volkomen misleid door de door de Hollanders betoonde achting en hij beschouwt met vreugde de machtige hulp die hij verworven heeft, maar de Hollanders bekijken de zaak heel anders. Volgens hen houdt de verdrijving van de Portugezen van Ceylon niet in dat dit het einde is van de Europese bemoeienis met het eiland en Raja Sinha is in hun ogen niets meer dan een nuttig hulpmiddel en een verschaffer van fondsen voor de oorlog met de Portugezen. De Hollanders hebben weinig te verliezen, maar Raja Sinha is er veel aan gelegen zijn nieuwe bondgenoten door de Portugezen onneembare forten te doen bezetten. Als de Portugezen zijn vertrokken en de Hollanders zijn binnen hun forten onaantastbaar, wie kan hen dan nog uit het land verdrijven?

Bij de uitvoering van deze politiek deinzen de Hollanders niet terug van dubieuze tactieken. In de Portugese versie van het verdrag, die Raja Sinha kan lezen, staat bijvoorbeeld met betrekking tot de bezetting van veroverde forten de zinsnede “alleen als de koning dit wenselijk vindt” In de Hollandse tekst is deze “voorwaarde” doel-bewust weggelaten. Alleen door dit in gedachten te houden kan de lezer de verwikkelingen tussen Hollanders en Singalezen begrijpen.

De nieuwe Portugese capitão-geral van Ceylon, Dom António Mascarenhas haast zich in 1638 van Goa naar Ceylon en alle beschikbare Portugese strijdkrachten worden ingezet bij de verdediging van Ceylon. De oorlog sleept zich voort en de ontvangen versterkingen stellen de Portugezen in staat de Singalezen terug te drijven en opnieuw Menikkadawara te bezetten, maar in de tussentijd doen zich problemen voor aan het Singalese hof. Kumara Sinha, een van de twee broers van Raja Sinha is kort na zijn vader Senerat gestorven en Raja Sinha heeft bezit genomen van zijn prinsdom, zonder het te delen met zijn andere broer, Wijaya Pala, zoals deze heeft gevraagd. De heeft de prins verbitterd en het schijnt dat deze een gewillig oor geleend heeft aan de suggesties van de Portugezen, want hij heeft een enigszins zwak karakter, ofschoon hij een moedig soldaat is. Door de invloed van zijn eerdere Portugese training manifesteren zich bij hem sterke pro-Europese gevoelens en hij poogt de in de Slag bij Gannoruwa gevangengenomen Portugezen het land uit te smokkelen, wat uiteindelijk tot een breuk met de koning leidt. In september 1638 wordt het zwaard tussen de twee broers getrokken, maar Wijaya Pala en zijn 8.000 manschappen worden verslagen en de prins wordt zelf gevangengenomen. Raja Sinha is evenwel niet van plan hard op te treden tegen zijn broer, die hem uitstekend geholpen heeft, toen dat nodig was. Hij laat hem echter bewaken.

Vroeg in het jaar 1639 bereikt Antonio Caen, die Goa heeft geblokkeerd, met een andere Hollandse vloot het eiland Ceylon, dit tot grote consternatie van de Portugezen. Terwijl Caen voor Galle ligt, na Colombo de belangrijke stad aan de zuidwestkust, licht Coster Raja Sinha in over de aankomst van Caens vloot bij Galle, maar de koning geeft te kennen dat hij liever Colombo, “de moeder van alle kwaad” zou willen aanvallen. Coster stemt daarmee in en begeeft zich, in gezelschap van ambassadeurs van Kandy en een inheemse loods voor de haven, naar Caens vloot. Coster treft Caen op 23 januari 1639. Conform de gemaakte afspraken, zet de vloot Hollandse soldaten aan land voor een ontmoeting met strijdkrachten van Raja Sinha vlak te noorden van Colombo.

Eenmaal daar aangekomen, vreest Caen kennelijk dat een boodschap van Kandy een Portugese truck is en hij wordt voorzichtig. Hij zeilt naar Galle, maar acht de stad te sterk voor een aanval zonder hulp van troepen van Kandy. Tenslotte besluit hij een aanval te lanceren tegen het door Dom Constantino gefortificeerde Trincomalee. Raja Sinha verzet zich tegen een aanval van uitsluitend Hollandse strijdkrachten en hij staat op deelname van Singalese troepen, maar Caen trekt zich daarvan niets aan. Trincomalee is een soortgelijk fort als Batticaloa, met bastions gevuld met aarde en – volgens capitão João Ribeiro – vijftig soldaten. De Hollandse artillerie maakt korte metten met het fort en na korte tijd hijst het garnizoen de witte vlag. Evenals het garnizoen van Batticaloa en hun familieleden worden de Portugezen uit Trincomalee, met medeneming van hun persoonlijke eigendommen met een Hollands schip naar Negapatnam gebracht. Dan beginnen de problemen. Twee mudaliyars verschijnen met een legermacht van 3.000 man en vragen Caen het veroverde fort aan hen over te dragen. De admiraal vraagt of zij het fort kunnen verdedigen, zonder hulp van de Compagnie. Als het antwoord ontkennend luidt, weigert Antonio Caen. De mudaliyars overhandigen Caen een brief van de koning en geven hem een Hollandse kopie van het verdrag dat Adam Westerwold met Raja Sinha heeft gesloten. Hierin ontbreekt in artikel 3 de voorwaarde “zo het de koning behaagt.” Als de mudaliyars Caen voorstellen een aanval op Jaffna te ondernemen, excuseert Caen zich en zeilt weg. Als Raja Sinha het optreden van Antonio Caen verneemt, geraakt hij daarover bitter ontstemd en verklaart hem persona non grata, maar hij blijft voorstellen doen om Colombo te veroveren.

In Batavia worden verschillende acties met een strijdmacht van 1.300 man tegen Spanjaarden en Portugezen overwogen, zoals hun verdrijving uit de Molukken, of een aanval op Malacca of Macau, maar tenslotte krijgt Ceylon prioriteit boven alle andere mogelijkheden. Gouverneur-Generaal Antonio van Diemen wil zelf de operaties op Ceylon leiden, maar als hij herinnerd wordt aan recente orders uit Amsterdam, die hem verbieden Batavia te verlaten, krijgt de tweede man van de VOC, Philips Lucasz, het opperbevel. Besloten wordt een aanval te ondernemen op Negombo, de stad die temidden van kaneeldistricten ligt en die de noordflank van Colombo beschermt. Zodra de Portugezen de landing van Hollandse troepen vernemen, dalen de troepen die gelegerd zijn in Arandora om de strijdkrachten van Raja Sinha in toom te houden, zo snel mogelijk af naar Negombo, om de Hollandse troepen te verrassen. Na de lange geforceerde mars zijn de Portugezen te uitgeput voor een voldoende krachtige aanval op de vijand. Als tot wanhoop van de Portugezen ook nog troepen van Kandy aan de strijd gaan deelnemen, worden de Lusitanen op de vlucht gedreven. Op 6 febuari 1640 arriveren de gecombineerde strijdkrachten van Lucasz en Raja Sinha voor Negombo. Dit fort, gelegen aan de Katunayaka Lagune, is groter dan die in Batticaloa en Trincomalee, maar het is slechter bewapend en minder goed te verdedigen.. Drie dagen later wordt de poort met een mortier opgeblazen en wordt het fort bestormd. Het Portugese garnizoen blijkt uitsluitend te bestaan uit oude, zieke en andere onbruikbare soldaten. Terwijl de Singalezen Portugezen die een paar dagen eerder zijn gevlucht tijdens de later afgebroken aanval, trachten te achterhalen, laat Lucasz de zwakke muren van het fort versterken met bij elkaar gebonden takken van palmbomen. Als Raja Sinha arriveert en de Hollanders ziet zwoegen, vraagt hij, op basis van artikel 3 van het bondgenootschappelijke verdrag de overdracht van het fort, met het oogmerk dit te vernietigen. Lucasz weigert dit op basis van hetzelfde artikel. Om het verschil in interpretatie van artikel 3 op te lossen laat Raja Sinha zijn Portugese versie van het verdrag halen en Lucasz zijn Hollandse versie. De teksten worden vergeleken en dan blijkt het voorbehoud “als het de koning behaagt” in de Hollandse tekst te ontbreken. Lucasz stelt de koning voor een nieuw verdrag, waarin de rechten van de Hollanders duidelijker zijn geformuleerd, af te sluiten. Dit voorstel ontstemt de koning en hij vertrekt. Philips Lucasz blijft, aan het hoofd van een garnizoen van 300 man, in het veroverde fort achter. Vanaf dit moment is het duidelijk dat Raja Sinha en de Hollanders elkaar niet meer vertrouwen. De plotselinge ernstige ziekte van Philips Lucasz en verzoenend optreden van Willem Jacobsz Coster leiden tot een verzoening en tot het plan het Portugese fort Santa Cruz de Galle te veroveren, hetgeen de volgende logische stap is bij de verdrijving van de Portugezen van Ceylon. Ook een ander geschilpunt wordt opgelost; het fort in Trincomalee wordt op zijn verzoek aan Raja Sinha gegeven in ruil voor tien olifanten. De zieke Lucasz reist eind februari 1640 aan boord van de fluit Sandvoort naar Batavia. Hij sterft op 5 maart onderweg en zijn lichaam wordt op 21 maart “met grote statie in Batavia begraven.

De citadel van Galle, die Colombo in het zuiden beschermt, bezit aan alle kanten de sterkste natuurlijke verdediging, want het ligt aan het einde van een rotsige steil aflopende kaap, gelegen aan de westkant van een grote baai. Als de Hollandse vloot die Galle gaat veroveren, langs de zuidwestkust naar het zuiden zeilt, marcheert een leger van lascarins uit Colombo langs de kust naar het zuiden. De vijandelijke legermacht is niet in staat te verhinderen dat de Hollandse troepen landen aan de oostkant van de Baai van Galle en dat zij zich verschansen dicht bij de stad en het fort. De volgende dag trachten de Portugezen hen te verjagen. De strijd is zeer hevig en de Portugezen beweren 800 vijanden te hebben gedood, maar desondanks zijn zij genoodzaakt de uitval af te breken en zich terug te trekken in het fort, nadat zij, naast hun commandant, zeventig garnizoensleden verloren hebben, wat een substantieel deel is van hun garnizoen. Daarna bombardeert het Hollandse geschut de muren van de citadel onophoudelijk, totdat zij voldoende verbrokkeld zijn om een aanval te wagen. Na vijf dagen van onophoudelijke beschietingen, dat wil zeggen op 13 maart 1640 wordt de aanval ingezet. Ondanks de ongelijke aantallen soldaten, blijven de Portugezen nog lang taai verzet bieden. Als de Hollandse troepen het fort binnendringen, vinden ze daarin meer dan honderd Portugese gesneuvelden. Het Hollandse aantal gesneuvelde bij de strijd doet daarvoor niet onder. De aanvallers doden vervolgens iedereen met een wapen in de hand met het zwaard, terwijl de overigen haastig aan boord worden gebracht van Hollandse schepen, die naar Batavia zeilen.

De stad wordt geplunderd, waarbij de helft toekomt aan de troepen van Raja Sinha, die net op tijd arriveren om aan de plundering van Galle deel te nemen. Raja Sinha is heel blij met het behaalde succes. Het spijt de koning echter dat de Hollanders het begin van de aanval niet hebben afgestemd met zijn mudaliyars en hij is ook niet content met de verdeling van de buit. De kafirs en Canarezen die in Portugese dienst zijn geweest, komen in dienst van de Compagnie en 1.500 Singalese gevangenen worden overgedragen aan Raja Sinha en “om in de toekomst onplezierige toestanden te voorkomen” wordt de soldaten toestemming gegeven te trouwen met de talrijke mestiço-weduwen en met de paar ongetrouwde Portugese vrouwen in de stad. Kapitein Walraven de St. Amant, een Franse kapitein in dienst van de VOC, bezet met 196 andere mannen het fort Santa Cruz, voor rekening van de koning. Ook Willem Coster verplaatst zijn verblijfplaats naar Galle, waar hij de President is van de mensen van de Compagnie in de stad.

Het verlies van de havenstad Galle, op verovering waarvan de koning herhaaldelijk heeft aangedrongen, leidt tot zulk een grote verwarring onder de Portugezen dat er stemmen opgaan het gehele eiland Ceylon te ontruimen en dus zelfs Colombo op te geven. Dit wanhopige advies wordt verworpen en alle beschikbare troepen worden ingezet om de hoofdstad te verdedigen, terwijl er in alle haast versterkingen vanuit India worden aangevoerd. Ondertussen breken interne ongeregeldheden uit, die krachtig worden onderdrukt en die Raja Sinha thuis houden. Hij vraagt de Hollanders om hun rekening te sturen, want hij is bezorgd eerst zijn schuld te voldoen, alvorens om meer soldaten te vragen. Maar de Hollanders voelen niet voor een directe afrekening; zij willen de koning verwikkeld houden in geldzaken met hen. Om de spanningen te verminderen zal Coster zich in juli 1640 naar het hof begeven.

De Hollanders zijn enthousiast over het bezit van een haven aan de rand van het gebied dat kaneel opbrengt, maar zij moeten ook enige tegenvallers incasseren. Er is de nodige oefening voor nodig om veilig de haven van Galle binnen te varen. De Portugezen zijn vertrouwd met de haven, maar de Hollanders aanvankelijk niet en zij moeten – volgens Winius – hun gebrek aan ervaring bekopen met het vergaan van de Hercules4. Coster begeeft zich, onder meer vergezeld door zijn tolk, op 17 juli 1640 naar het hof van Kandy, om met Raja Sinha wat plooien die zijn ontstaan in de relatie tussen de bondgenoten, glad te strijken. In plaats daarvan ontstaat er al van meet af aan frictie. Zo wordt de tolk van Coster gearresteerd, omdat hij gesproken zou hebben met prins Wijaya Pala, die min of meer als een gevangene aan het hof verblijft; een ander onplezierig incident is, dat het portret van de Prins Maurits, dat door Joris van Spilbergen geschonken is aan Wimala Dharma, zonder een woord uitleg wordt teruggegeven. Bovendien behandelen de Singalese edelen aan het hof Coster met koele reserve. Coster overhandigt Raja Sinha een memorandum met te bespreken punten; hij vraagt om levering van kaneel, was en peper, die nog binnenkort kunnen worden verscheept; hij vraagt ook om betere nakoming van de vrije handel; hij vraagt ook soldaten te mogen legeren in dorpen bij Galle. Hij verzoekt ook om de stichting van een munthuis, dat al is afgesproken in het Verdrag van Batticaloa, om de beloofde bouw van schepen die patrouilleren op de rivieren en om de bouw van brandveilige opslagplaats voor de Compagnie in Kottiyar. Tegenover deze en andere verlangens van de Compagnie, vraagt Raja Sinha inzicht in de totale claim van de VOC op hem, nu er opnieuw troepen onderweg zijn naar Ceylon.

Nadat Coster daartoe verlof heeft gekregen, vertrekt hij. Hij is nauwelijks onderweg als hij wordt ingehaald door een Singalese edelman, genaamd Colombo Nainde, die de opdracht heeft ontvangen een slaaf te zoeken die zich bij het gezelschap van Coster zou hebben gevoegd. De eigenaar van de slaaf, een Portugese priester, heeft een aantal waardevolle spullen gemist. De slaaf wordt uitgekleed en onderzocht, maar er wordt niets op hem gevonden. Coster, die door het hele gedoe zijn geduld verliest, ontdoet zich van zijn gouden halsketting, die hij van de koning gekregen heeft, en gooit dit sieraad voor de voeten van Colombo Nainde. Deze tracht Coster tot bedaren te brengen en hangt de ketting net enige vormelijkheid weer om de Costers nek. Als het gezelschap van Coster in het dorp Nilgala aankomt, vraagt de kort aangebonden Coster om melk en als het hem te lang duurt steekt hij de mudaliyar die zijn escorte aanvoert met een stok in zijn borst. De Singalezen die getuigen zijn van deze belediging winden zich hierover zozeer op dat zij de Hollanders met hun lansen aanvallen. Coster tracht aan hen te ontsnappen door een huis in te vluchten, maar hij wordt getroffen door de speren van de Singalezen, die hem onthoofden.

De opvolger van Willem Jacobsz Coster is Jan Thyssen, die op 8 september 1640 het garnizoen in Batticaloa komt aanvoeren. Hij ontvangt een brief van Raja Sinha, waarin deze zijn spijt uitdrukt over het gebeurde en waarin hij de hoop uitspreekt dat dit de vriendschappelijke relaties tussen de Hollanders en hem niet zal verstoren. Thyssen haast zich naar Galle en hij ontdekt daar dat kapitein Walraven de St. Amant, die verliefd is geworden op een Portugese vrouw5, met enige landgenoten is gedeserteerd naar de vijand in Colombo.. Hier ontvangen de soldaten van Dom Felipe Mascarenhas, de nieuwe capitão-geral van Ceylon en de broer van capitão-geral van de Estado da India (1639-1640) António Telles de Menezes dubbele soldij, omdat de Portugezen een Hollands schip hebben genomen dat met specerijen op weg was naar Masulipatam.

Ondanks dat de Hollanders ook tegenslagen te incasseren hebben, is de situatie in Oost-Azië gezien vanaf de Portugese zijde heel erg somber. De Hollanders hebben bijna de totale controle verworven over de handel in het Verre Oosten en hun houding jegens de kusten van Voor-Indië wordt steeds agressiever. Hun vloten zijn er voortdurend en overal op uit de Portugese scheepvaart te bestrijden, zelfs in de onmiddellijke omgeving van Goa. Er zijn zeer frequent ontmoetingen van oorlogsschepen, zonder dat er beslissende resultaten worden geboekt, wegens gebrek aan fondsen. Malacca is in groot gevaar en koning Philips is er alles aan gelegen deze belangrijke haven te behouden. Maar doordat de Hollanders ook Brazilië belagen, is het niet mogelijk hulp naar Malacca te zenden. De onderkoning antwoordt dat het misschien het beste is uit Azië te vertrekken. De Portugezen wordt in 1639 een vreselijke slag toegebracht als de Hollanders naar Murmagão zeilen en daar drie grote galjoenen die daar voor anker liggen in brand steken.6 In augustus 1640 begint de belegering van Malacca, dat in januari 1641 veroverd wordt.

In september 1640 arriveert de nieuwe vice-rei in Goa; het is João da Silva Tello de Menezes, Conde de Aveiras. Hij realiseert zich dat de stand van zaken vrijwel hopeloos is en dat Ceylon voor Portugal verloren is als daar niet zeer snel hulp naartoe wordt gezonden. Voor deze moeilijke taak wordt Dom Felipe Mascarenhas, de broer van de voorganger van de graaf van Aveiras, uitgekozen. Dom Felipe is niet alleen uitgekozen wegens zijn erkende kwaliteiten, maar ook om zijn rijkdom en van hem wordt verwacht dat hij niet zal aarzelen zijn vermogen uit te geven ten behoeve van zijn koning. Met Dom Felipe komt naar Ceylon João Ribeiro, dan nog een jongen van veertien jaar, die ons zijn Fatalidade Historica heeft nagelaten, een levendig verslag van de laatste achttien jaar van de Portugezen op Ceylon.

De aankomst op Ceylon van Dom Felipe wordt spoedig gevolgd door de verovering van het fort in Negombo, dat zich 9 november 1640 overgeeft, en van de nederlaag van een Singalees leger dat zich in de omgeving bevond. Raja Sinha, die was afgedaald naar het laagland, keert terug naar Senkadalaga en de gehele kust van Colombo tot aan de omgeving van Galle, kiest de zijde van de Portugezen. De Hollanders nemen de verandering van de situatie met grote bezorgdheid waar. Zij vrezen en niet zonder reden, dat het verlies van de Matara Disawani zal resulteren in het verlies van hele kaneelhandel; Galle zelf wordt ook bedreigd en zij zijn niet zeker van de houding van de koning. Hij heeft bedenkingen tegen de betaling van verschillende posten van de hem gepresenteerde rekening. In Trincomalee en in Negombo, heeft hij laten weten, hebben de Hollanders garnizoenen gelegerd, niet alleen zonder hem dat te vragen, maar zelfs tegen zijn uitdrukkelijke wil. Onder deze omstandigheden – zegt de vorst – is hij niet verantwoordelijk voor de betaling van de kosten van de garnizoenen. Hij is echter zeer bevreesd voor het dreigement van Dom Felipe Mascarenhas zijn broer Wijaya Pala op de troon te plaatsen en hij zendt daarom een ambassadeur naar Batavia om de zaken te bespreken. De haven van Galle wordt geblokkeerd door de Portugezen en hun legers penetreren ook in de Four en Seven Korales, maar meer dan het land verwoesten kunnen zij niet.

In de tussentijd heeft Wijaya Pala in Uva de standaard van de opstand gehesen; zijn rebellie eindigt in een mislukking en hij is verplicht naar beneden te vluchten, over de Pas van Idelgashinna naar Saparagamuwa. Hier wordt hij ontvangen door de capitão-mor met overdadige betuigingen van dankbaarheid van de Portugezen voor de houding die hij tegenover hen heeft aangenomen en dit met gevaar voor eigen leven. Wijaya Pala is zeer gevleid en hij vraagt de voor zijn diensten drie Portugese compagnieën, om de Hollanders uit Ceylon te verjagen. De capitão-mor is echter niet in staat op dit verzoek in te gaan zonder dat de capito-geral van Ceylon daaraan zijn goedkeuring geeft. De prins toont duidelijk hoezeer hij is gegriefd door dit antwoord en hoezeer dat een teleurstelling voor hem is. De zaken worden nog verergerd als een edelman op leeftijd, die prins Wijaya Pala heeft opgevoed en die hem vergezeld heeft bij zijn vlucht, op ruwe manier zijn ongenoegen uit over de wijze waarop de Portugezen hun dankbaarheid tonen. De capitão-mor barst daarop in een oncontroleerbare bui van woede uit; hij geeft opdracht de man te arresteren en hem ter plekke te excecuteren.

De ongelukkige prins realiseert zich te laat dat hij een fout heeft begaan door zich in handen van de Portugezen te begeven. Hij weigert twee dagen lang met de capitão-mor te spreken , maar tenslotte is hij verplicht naar Malwana te gaan om daar de capitão-geral te ontmoeten. Hij wordt door Dom Felipe Mascarenhas ontvangen met dezelfde houding van ridderlijkheid en uitingen van dankbaarheid als de capitão-mor heeft getoond. Twee stoelen bedekt met karmozijnrood fluweel en goud worden geplaatst op een podium en daarop naast elkaar gezeten beginnen Wijaya Pala en de capitão-geral aan hun besprekingen. De prins, die nu ongeveer 34 jaar oud is, verbaast iedereen door zijn waardigheid en koninklijke houding. Hij heeft een slank voorkomen en hij gedraagt zich zeer nobel. Zijn haren vertonen aan het einde krullen en zijn baard is op Portugese wijze geknipt. Het tweetal wisselt een vol uur complimenten uit, waarbij Wijaya Pala speelt met een kattenoog, zo groot als een musketkogel, die om zijn arm is gebonden. Opeens brengt hij op gepassioneerde wijze uiting aan zijn boosheid over de wijze waarop de hem begeleidende edelman door de capitão-mor om het leven is gebracht. Dom Felipe geeft zich moeite de geagiteerde prins tot rust te brengen en uiteindelijk wordt besloten dat Wijaya Pala naar Colombo zal gaan. Als hij daar aankomt wordt hij opnieuw met militaire eer ontvangen.

Er wordt een raadsvergadering belegd die beraadslaagt over wat kan worden ondernomen om de prins zijn vorstendom terug te geven, maar na een lange discussie, waarin pedant wordt vastgehouden aan hun bestaande instructies over de bekering van heidense prinsen die in hun macht vallen. Deze instructies weerhouden de Portugezen ervan aan zijn verzoek tegemoet te komen en de teleurgestelde prins vertrekt naar Goa, waar hij vervolgens het christendom aanvaardt en waar hij in 1651 overlijdt. Zijn vertrek verlost Raja Sinha van een beschamend bloedverwant en stelt hem in staat het district Matale nu voor hemzelf in bezit te nemen.

In oktober 1641 keren de ambassadeurs van de koning terug uit Batavia. Maar desondanks is Raja Sinha niet van zin te betalen voor de legering van het Hollandse garnizoen in Trincomalee, omdat deze legering heeft plaatsgevonden tegen zijn uitdrukkelijke wensen. Als Raja Sinha ervoor gekozen zou hebben de Hollanders voor trouweloos uit te maken, dan zou hij daarvoor goede redenen hebben gehad, want zij hebben in strijd met de verdragsbepalingen gehandeld. De koning is echter bereid alle beledigingen van de Hollanders over her hoofd te zien, want, “Als Colombo is veroverd, dan zal de in de stad gevonden buit eerlijk worden verdeeld en de stad zal worden verwoest, waarbij geen steen op de ander zal worden gelaten. Ik heb al jarenlang het verlangen Colombo te verwoesten en de stad tot de grond toe af te breken, want het is de oorzaak en de moeder van alle kwaad dat over dit Eiland en zijn rechtmatige koningen is gekomen.”

De Hollanders hebben voorgesteld dat als de Portugezen eenmaal zijn verdreven, het goed is voor de veiligheid van het land als zij vier forten blijven bezetten, maar de koning repliceert dat daarover niets in het verdrag staat en dat hij mans genoeg is het land te beschermen, als de Portugezen eenmaal zijn verdwenen, zoals zijn grote naam-genoot van Sitawaka heeft gedaan. Ondanks alles heeft hij vertrouwen in zijn bondgenoten en hij zegt hen frank en vrij: “Als jullie zouden willen vertrekken, dan verheug ik mij erover dat bewerkstelligd is waarnaar ik lang hen gestreefd, namelijk de verdrijving van de Portugezen van het Eiland.” In antwoord op hun betuigingen van hun loyaliteit, antwoordt hij: “Ik zal jullie eraan herinneren dat koningen als ik niet hun koninklijke woord breken en dus beloof ik jullie, op mijn eer als koning, dat ik mijn woord dat ik gegeven heb, zal houden, dat ik het verdrag zal nakomen en geen aanleiding zal geven het te breken.”

Pogingen van de kant van de Portugezen het Hollandse garnizoen in Galle over te halen tot samenwerking, hebben heel weinig succes; maar ofschoon de blokkade een lange periode heeft geduurd, durven zij de stad nog niet te belegeren. Van een aanval kan helemaal geen sprake zijn, want ofschoon het garnizoen zwak is, zijn de muren sterk. Een belegering is ook niet goed uitvoerbaar, daar het aan schepen ontbreekt de noodzakelijke stukken geschut uit Colombo aan te voeren. Enige geven alle schuld daarvan aan Dom Felipe Mascarenhas, waarbij zij zeggen dat hij het te druk heeft met handeldrijven om aandacht te schenken aan de oorlog en de onderkoning heeft het nodig gevonden daarover enige strenge boodschappen te zenden, maar de waarheid is dat de Portugezen niet het gevaar wensen te lopen een nederlaag te leiden. Dom Felipe legt de vice-rei uit: “Alle Singalezen beschouwen zich te zijn ontslagen van het christelijke juk,”

Kan de houding van de Portugezen worden aangeduid als het ontbreken aan een zekere mate van zelfvertrouwen, dat van de Hollanders kan alleen maar worden aangeduid als laf. Gedurende januari en februari 1642 blijft hun vloot maar voor Colombo kruisen, maar na een officiële bespreking wordt Colombo een te sterk doel gevonden om een poging te wagen de stad aan te vallen en men vindt het beter te trachten Negombo te heroveren. Als zij echter naar Negombo zeilen, zinkt hun hart opnieuw in de schoenen en keren zij opnieuw terug naar Galle. In de tussentijd hebben zich grote veranderingen in Europa voorgedaan. Frankrijk heeft zich dankzij Richelieu ontwikkeld tot een machtig koninkrijk en in december 1640 heeft Portugal een einde gemaakt aan de vereniging mat Spanje en het land heeft de hertog van Bragança op de troon geplaatst als Koning Dom João IV. Deze revolutie is met vreugde begroet door de Verenigde Provinciën, die zich haasten een verdrag af te sluiten met de thans weer soevereine staat. Dit Verdrag is gedateerd 12 juni 1641; het zal eerst in Azië van kracht worden een jaar na afsluiting en het luidt een periode van vrede in tussen de twee naties van tien jaren. Bepaald is dat iedere natie in het bezit blijft van wat het werkelijk houdt op de dag van afkondiging van het Verdrag. Voor de bondgenoten van de twee Hoge Contracterende Partijen geldt hetzelfde.

De afkondiging van de vrede op Ceylon wordt echter vertraagd door onderhandelingen over de grenzen van het gebied dat valt onder het fort in Galle, die worden geclaimd door de Hollanders, en de vijandelijkheden worden voortgezet totdat deze zaak is geregeld. Op 11 mei 1643 wordt een Portugese legertje van tweehonderd man in Akuressa aangevallen door een sterke Hollandse strijdmacht, die met schepen is aangevoerd uit Galle.. De Portugezen verdedigen zich, onder bevel van capitão-mor Pedro de Souza, zo moedig dat aanvallers na een hevige strijd van vijf uren in verwarring op de vlucht slaan, waarbij zij meer dan honderd doden en vijftig gevangenen achterlaten. De Hollandse kapiteins die voor de nederlaag verantwoordelijk zijn, Jan van der Laen en Paulus Doncq, worden naar Batavia ontboden, om zich voor de krijgsraad te verantwoorden.

Het mislukken van de vredesonderhandelingen, wat door capitão-geral Dom Felipe de Mascarenhas wordt toegeschreven aan de Raad in Goa, geeft de autoriteiten in Batavia moed. Ondertussen is de in Brussel geboren Franse hugenoot is François Caron, lid van de Raad van Indië, met een strijdmacht bestaande uit 1.400 Europeanen in Galle aangekomen. Er worden tot in detail plannen uitgewerkt om 500 Portugezen aan te vallen die hun kamp in de omgeving van Galle hebben, maar na een week zwoegen wordt de poging opgegeven, omdat deze te gevaarlijk zou zijn. Caron zeilt weg naar Negombo, dat hij op 7 januari 1644 bereikt. Zodra Dom António Mascarenhas dit verneemt, haast hij zich met 550 Portugezen naar Negombo en met zijn gebruikelijke roekeloze moed valt hij de Hollanders aan, maar ondanks hun dapperheid worden de Portugezen geleidelijk aan ingekapseld door het veel grotere aantal vijanden. Dom António sneuvelt, getroffen door niet minder dan negen kogels en heel weinig van zijn mannen overleven de slag.

Het zwakke garnizoen in het fort sluit de poorten en onderneemt een laatste wanhopige poging zich te verzetten. Een regen van tonnen met brandend kruit daalt op de Hollanders neer als zij het fort binnendringen. De dienstdoende capitao wordt in stukken gehakt, terwijl de rest van zijn manschappen wordt gedood of gevangengenomen. De Hollanders, die vergezeld worden door 2.000 Singalezen van Raja Sinha, trekken vervolgens over land naar Colombo, maar als zij de zuidelijke oever van de Kelani Ganga bezet vinden door de Portugezen, zakt het hart hen in de schoenen en keren zij terug naar Negombo. Op 18 maart zeilt Caron weg, nadat hij in Negombo een garnizoen van 500 man heeft achtergelaten.

Versterkingen aangevoerd uit Portugees Indië doet het Portugese leger op Ceylon toenemen tot 1.300 Europeanen. In 1644 verschijnen zij nogmaals voor Negombo en na een belegering van een maand, trachten zij het fort weer in hun bezit te krijgen door het opnieuw aan te vallen. De aanval wordt evenwel zo slecht geleid, dat niet minder dan 600 Portugezen voor de muren de dood vinden, terwijl het overschot van 400 de strijd moede soldaten zich terugslepen naar Colombo. Gelukkig wordt op 10 januari 1645 de lang verwachte vrede afgekondigd, die ieder van beide partijen in het bezit laat van het territorium dat zij de facto in hun macht hebben, zoals ook is afgesproken, en de Portugezen krijgen een adempauze.

1 De beroemde Griekse dichter (522-443 v.Chr.)

2 Afgeleid van John Milton, de beste Engelse auteur uit de 17e eeuw, o.a. van Paradise Lost.

3 Gedistelleerd uit cocosnoten en suikerriet

4 Zie pag. 44. Volgens de VOC-site op het Internet, vergaat de Hercules echter jaren later in de haven van Galle en wel op 21 mei 1661

5 Maurits Wagenvoort schrijft in zijn “Jan Compagnie in bange dagen” dat deze vrouw een mooie Creoolse is. Haar naam is Maria van Zjinsoera en zij is bij diens leven de vriendin geweest van Willem Coster.

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

Dom Constantino de Sá e Meneses de Noronha. Portugese pogingen Ceilão te veroveren

Deel 18 Index

Hoofdstuk 2.

Portugese pogingen Ceilão te veroveren

2.4 Dom Constantino de Sá e Meneses de Noronha

Geschreven door Arnold van Wickeren

In september 1619 arriveert Dom Constantino de Sá e Meneses de Noronha in Colombo, als opvolger van capitão-geral Dom Nuno Álvarez Pereira. Hij is fidalgo die alle deugden bezit van een militair in de zeventiende eeuw. Hij is moedig, grootmoedig, toegewijd, vroom en hij staat open voor nieuwe ideeën. Hij is bescheiden en houdt niet van dikdoenerij. Dom Constantino is geen dag te vroeg aangekomen, want het gebrek aan discipline onder de Portugese troepen is ontstellend. De vrede heeft de Portugezen bevrijd van alle vrees van de zijde van Senerat en de soldaten hebben van de gelegenheid het platteland te verlaten en naar de stad te komen, ruimschoots gebruik gemaakt en zij hebben de ongebreidelde mogelijkheden tot drinken in hun kamp meegenomen naar de stad. De eer van geen enkele vrouw is zeker en de casados zijn ter bescherming van hun gezinnen verplicht de wapens op te nemen tegen hun eigen landgenoten. Plunderende benden raken in de straten van Colombo in openlijk gevecht met elkaar, terwijl de meer schuchtere types hun zwaarden ruilen voor de meetlat en de bewoners treiteren met hun bedreigende vragen. De strenge discipline van Constantino de Sá doet snel de orde herstellen onder de 600 gewetenloze vagebonden die het leger vormen en groepen betrouwbare veteranen geven zich op om de aankomend soldaten een voorbeeld te geven dat zij op elkaar moeten vertrouwen, een les die zij vreselijk hard nodig hebben. Dom Filipe de Oliveira krijgt het oppercommando, terwijl de Disawas instructies ontvangen de inheemse troepen weer op de been te brengen.

Dom Constantino de Sá (eerste termijn: 1618-1620) marcheert op tegen Mayadunna, die zich heeft gefortificeerd in de Twee Korales. De capitão-geral verblijft enige dagen in Sitawaka om voedsel te verzamelen en hij plaatst daar dertig Portugezen in een hoge toren, dat het enige gebouw is dat er van de eens volkrijke stad is overgebleven. Na een maand lang door het land te zijn getrokken, verneemt Dom Constantino dat Mayadunna is gevlucht. Hierop trekt hij naar zijn stad, die hij verlaten vindt en die hij in brand steekt. Omdat hij niet in staat is contact te maken met de vijand, staat hij op het punt terug te keren als zich ineens 500 van Mayadunna’s mannen, die worden aangevoerd door Chacatien Zala, bij zijn achterhoede verschijnen. Dom Constantino legt een aantal van zijn mannen in hinderlaag en zij overvallen de vijand, van wie een aantal mannen wordt gedood en 35 soldaten worden gevangen-genomen, met inbegrip van Chacatien Zala zelf. Korte tijd later worden de Portugezen opnieuw door de vijand aangevallen. Deze wordt teruggeslagen, waarbij hij 30 van zijn beste mannen verliest. Onder hen bevindt zich de vorst van Uva, die zichzelf koning noemt.

De energie van de nieuwe capitão-geral steekt iedereen aan en doet de slaperige en slome atmosfeer wijken. Alle buitenposten worden om beurten geïnspecteerd en zodanig versterkt als onder de gegeven omstandigheden mogelijk is en er wordt een leger van spionnen het land ingestuurd, om te ontdekken wat de plannen van de Singalezen zijn. Een speciaal gezantschap, dat rijke geschenken voor koning Senerat bij zich heeft, verzekert zich van diens neutraliteit, terwijl een expeditie aangevoerd door de capitão-geral zelf, António Baretto, die zich tezamen met Mayadunna heeft teruggetrokken in de bergen in de omgeving van de Adamspiek, lijdt zulk een zware nederlaag dat zijn macht is gebroken en Constantino de Sá is in staat terug te keren naar Malwana, om zich met andere dringende bestuurszaken bezig te houden.

Ofschoon de toekomst van de nieuwe koning van Jaffna, Cankli II er somber uitziet – schrijft Rajasinghan – omdat de Portugezen oog krijgen voor het grote strategische belang van Jaffna, dit in verband met hun hegemonie over de Singalezen en hun onweerstaanbare belangstelling voor de verovering van het koninkrijk Kandy. De onverwachte verschijning van de Hollanders in Batticaloa draagt bij aan de verandering in de krachtsverhoudingen. Bovendien, als Cankli Kumaran hulp zoekt en verkrijgt van Ragunatha Nayakar (1604-1634) van Tanjore, om de rebellie van de Tamil-mudaliyars te onderdrukken, wordt hij ervan verdacht ook banden te hebben aangeknoopt met de Hollanders. Deze factoren verplichten Dom Constantino de Sá een troepenmacht naar Jaffna te zenden om Cankli Kumaran te straffen voor zijn verraad.

Het eerste contingent dat Colombo verlaat, vertrekt in april 1619, met een vloot van acht schepen, die zeilen onder de kapiteins João Madeira, João da Silva en Vitório de Abreu. Zij beschikken over 130 Portugese soldaten en 3.000 lascarins. Filipe de Oliveira voert het opperbevel over de strijdkrachten die over land oprukken. Nadat zij Poonagiri hebben bereikt, loopt hun opmars enige vertraging op door de moeilijke oversteek van de Jaffna-lagune, deze oversteek is onvermijdelijk om het schiereiland te bereiken. Filipe de Oliveira zendt Cankli Kumaran drie eisen:

  • overgave van de Vadakar-troepen van de Tanjore Nayakar;

  • ovegave van Varuna Kulattan, de aanvoerder van de Karawa;

  • al het geld te betalen, dat hij de Portugese koning schuldig is.

Cankli Kumaran, vertrouwend op zijn fortificaties en 8.000 goedbe-wapende mannen daarbinnen, vermijdt het te antwoorden, waarop Filipe de Oliveira oprukt. Cankli zendt hem echter een boodschap, waarin hij hem vraagt niet verder op te rukken, omdat hij aan zijn verplichtingen zal voldoen. Dit is slechts een list om te verhinderen dat de hoofdmacht zal naderen en hij wellicht in staat is de voorhoede, onder bevel van Luíz Cabral de Faria, van de hoofdmacht af te snijden. Filipe de Oliveira, vertrouwend op boodschap van de koning, geeft Luíz Cabral de Faria opdracht terug te trekken, maar hij blijkt al met de vijand in gevecht te zijn en moet zich door een menigte van 1.000 inheemsen heenslaan. Filipe de Oliveira snelt Luíz Cabral te hulp en gezamenlijk verslaan zij een grote menigte vijanden die Luíz Cabrals achterhoede bedreigen. Als diplomatieke middelen hebben gefaald, rukken de Portugezen op om de koppige weerstand van Cankli Kumaran te overwinnen. In Wannarponnai worden zijn troepen beslissend verslagen. Cankli zeilt met zijn gezin naar Tanjore om hulp te vragen aan Ragunatha Nayakar. Tegenwind blaast zijn vaartuig naar Point Pedro, waar hij wordt opgevangen en overmeesterd. Met hem worden zijn vrouw, zijn kinderen en zijn gevolg gevangengenomen. De Portugezen die het vaartuig van Cankli Kumaran genomen hebben, hebben daar 8.000 milreais, in Portugese valuta gevonden, dat zij onder protest confisqueren. Zij maken zich ook meester van de juwelen die de koningin en haar kinderen in hun oren dragen, door deze uit hun oorlellen te trekken. Als de koning ziet met hoeveel haast de Portugese soldaten juwelen verzamelen, doet hij vrijwillig de juwelen van zijn handen en geeft deze aan de Portugese soldaten.

Het Tamil-koninkrijk valt in juni 1619 in handen van de Portugezen. Filipe de Oliveira geeft de Koning van Jaffna bevel hem een lijst te verschaffen van alle Portugezen met wie hij een correspondentie onderhoudt. De koning verschaft de lijst en te midden van alle andere namen, prijkt ook de naam van Filipe de Oliveira op de lijst, terwijl blijkt dat hij een toelage heeft ontvangen van 2.000 milreais en de afgetreden capitão-geral Dom Nuno Álvarez Perera zou zelfs een bedrag van 9.000 milreais hebben ontvangen. Cankli Kumaran en zijn gezin worden gearresteerd en gevangen gezet. Zij worden eerst naar Nallur gebracht en vandaar wordt de koning, onder begeleiding van António da Mota Galvo, de schoonzoon van Filipe de Oliveira, naar Colombo gezonden. Het veroverde Jaffna komt direct onder de vice-rei in Goa. Daarom wordt Cankli Kumaran in Goa geïnterneerd. In Goa wordt hij door de Mesa de Relação berecht en schuldig bevonden aan alle tegen hem ingebrachte beschuldigingen. De laatste Tamil-koning wordt ter dood veroordeeld en in 1621 opgehangen. Mayadunna die zijn bondgenoot heeft verloren, onderwerpt zich aan de Portugezen.

Andreu Botello da Costa, die met zes schepen in de haven van Jaffna verblijft, verneemt in 1619 dat een groot Deens schip, dat al verschillende prijzen heeft gemaakt, in de haven van Galle ligt. Andreu Botello gaat achter het schip aan en na een drie uur durend gevecht, neemt hij het.

Rajasingham besluit zijn bespreking van Jaffna met de volgende bijzonderheden: in 1620 wordt Filipe de Oliveira, de capitão-mor van het Portugese leger, geïnstalleerd als de gouverneur van Jaffna. In hetzelfde jaar valt een Karawa-chef de Portugezen in Jaffna aan, maar zijn aanval wordt afgeslagen. Een invloedrijke Karawa-chef, Sinna Meegampillai Arachie, die eerder een opponent was van Cankli Kumaran, wordt christen en wordt gedoopt onder de naam Dom Luís. Hij is zwaar teleurgesteld door de overname van het koninkrijk Jaffna door de Portugezen. Hij steekt met twee Tamil-prinsessen over naar Tanjore om militaire hulp te verkrijgen van Ragunatha Naik. In maart 1620 landt hij in Thondaminaru met een groot contingent troepen uit Tanjore en slaat het beleg voor Nallur. De Portugese capitão van Colombo zendt versterkingen, onder bevel van Teixeira de Machado om tezamen met de troepen van Filipe de Oliveira het beleg te breken en Meegampillai terug te drijven. Op een of andere wijze worden de Tamil-rebellen verslagen. In november 1620 keert Meegampillai terug met een andere Tamil-leger om met vernieuwde kracht en wraakzucht de Portugezen te verdrijven. Deze laatsten die inlichtingen hebben ontvangen van ver vooruitgeschoven verkenners over de invasie van de troepen uit Tanjore zijn voorbereid op een ontmoeting. Oliveira steekt met zijn Portugese troepen in zee en belet de troepen van Meegampillai te landen. In het zware gevecht dat volgt wordt Oliveira ernstig gewond door de speer van een Tamil-soldaat. Ofschoon de Tamils zich opnieuw moeten terugtrekken. Uiteindelijk gaan 2.000 soldaten uit Tanjore op 5 december 1620 aan land bij Thondaminaru. Hun aanvoerder is Varuna Kulatan. De ontketende vijandelijkheden worden voortgezet tot 11 februari 1621 en dan zijn de Portugezen opnieuw de baas in Jaffna. De bloedige oorlog betekent het einde van de Tamil-aristocratie en de soevereiniteit van de Tamils, die voortduurt tot in de 21ste eeuw

Rajasingham besluit zijn bespreking met een opsomming van enkele belangrijke bekeerlingen. Cankli Kumaran en zijn vrouw ontvangen bij hun doop de namen Dom Philippe en Dona Margareta, hetgeen niet belet dat de vorst in 1621 wordt opgehangen. In de tussentijd bekeert de vrouw van Edimannasingh met haar drie dochters zich tot het christendom. De oudste dochter en erfgenaam van de troon ontvangt de naam Dona Constantina; zij volgt aanvankelijk een opleiding in Goa, maar wordt voor een hogere opleiding naar Lissabon gezonden. Het lot van de Tamils wordt bezegeld als Dona Constantina en haar twee zusters, Dona Marie en Dona Isabel het recht om het Tamil-koninkrijk te regeren overdragen aan de koning van Portugal.

Danvers geeft de volgende lezing van de gebeurtenissen in Jaffna in 1620. In 1620 wordt Jaffna geregeerd door Filipe de Oliveira, maar de Arachchi Dom Luíz stookt de bevolking van de plaats op een vorst in Remencor op de troon te zetten en hijzelf trekt met een leger van 30.000 man op tegen de Portugezen, die zich hebben gefortificeerd in een pagode. De meerderheid van de soldaten die Filipe de Oliveira hebben vergezeld naar Jaffna, is al heengezonden en hij heeft thans nog geen 100 man over om de aanval af te slaan. Een deel van deze manschappen bevindt zich met hun aanvoerder in de pagode; de overige zijn in de Igreja de Nossa Senhora. Dit geringe aantal mannen weerstaat de aanvallers ongeveer een maand. Aan het einde daarvan komt André Coelho met hulp over zee aan en Luíz Teixeira brengt over land 1.600 man versterkingen. De laatste is schuldig aan duivelse wreedheden, die zijn opmars markeren. Op zijn bevel zijn mannen met bijlen in tweeën gehakt, of het bomen zijn, zijn de borsten van vrouwen afgeslagen en is de schoot van moeders geopend en de kinderen die zij in hun armen dragen er met geweld in te persen.

Met de versterkingen die Filipe de Oliveira bereiken gaat hij in het offensief en na een zware slag verslaat hij de vijand volledig, waarbij veel tegenstanders worden gedood. Onmiddellijk daarna, evenwel, arriveert de vorst van Remancor met zijn leger. Luiz Teixeira overvalt hem plotseling en boekt een klinkende zege op de vorst, die zich overgeeft. De Arachchi Dom Luíz ontsnapt en omdat hij de naik van Tanjore heeft overtuigd hemzelf Koning van Jaffna te maken, zendt deze een strijdmacht van 2.000 Badagas, onder bevel van Chem Naik, de Koning van Carcas, die niet lang daarvoor Chingali heeft geholpen tegen de Portugezen. Filipe de Oliveira heeft zich gefortificeerd in de Igreja de Nossa Senhora, maar in november doet hij een uitval om strijd te leveren met de vijand. Er ontstaat een zwaar gevecht, waarbij beide partij zware verliezen lijden en Filipe de Olieverf zelf gewond raakt. De vijand trekt zich terug in zijn loopgraven, maar Filipe de Oliveira die 1.000 man versterkingen heeft ontvangen, overvalt de vijand plotseling en verslaat hem in een grote slachtpartij. De naik van Tanjore roept, na de nederlaag van zijn eerste leger, meer Badagas onder de wapenen, waarbij hij erop hoopt zich meester te maken van Jaffna. Maar zijn nieuwe strijdkrachten hebben niet meer succes dan zijn vorige; zij ondergaan een verpletterende nederlaag tegen de troepen van Filipe de Oliveira.

De zoon van de vorige Koning van Jaffna, die uit de handen van Chingali is ontsnapt en nu in gezelschap verkeert van enige minderbroeders, omhelst het katholieke geloof en hij wordt tezamen met zijn moeder en veel van zijn volgelingen gedoopt.. Hij treedt uiteindelijk in bij de orde der franciscanen, waarbij hij zijn aanspraak op het koninkrijk Jaffna overmaakt aan de Portugezen.

Danvers vermeldt nog veel meer. Hij laat weten: in 1618 maakt een zekere Dom Pedro zich meester van vijf parãos en maakt met deze schepen verschillende Portugese schepen buit. Dom Pedro is een neef van roemruchte piratenkoopman Kunjale, die uiteindelijk in Goa is geëxecuteerd, nadat hij het katholieke geloof heeft omhelsd. Dom Pedro, die de Portugese handel serieuze schade toebrengt, neemt bezit van de eilanden ‘De las Vacas’ en ‘Tristão Golayo’ in de omgeving van Manar. Dom Constantino zendt vanuit Colombo een strijdmacht uit om de agressie van Dom Pedro te stoppen. Deze bestaat uit 40 galjoten, waarbij zich in Manar nog 18 andere kleinere vaartuigen voegen. Deze vloot zeilt, onder bevel van Vitório de Abreu, naar het eiland Golayo, waar Abreu door twee zwarten wordt ingelicht dat de vijf parãos naar elders zijn vertrokken om daar ammunitie in te nemen en dat hij, voordat zij terugkeren, zich in het bezit kan stellen van goederen ter waarde van 30.000 dukaten, die zijn achtergebleven in een huis dat toebehoort aan Dom Pedro. Vitório de Abreu twijfelt aan de betrouwbaarheid van de ontvangen inlichtingen en onderneemt niets. Hij wacht de terugkeer van de vijf parãos af en valt de schepen aan. Hij lijdt echter een zware nederlaag, waarbij hij twaalf van de achttien kleine vaartuigen verliest en 300 van zijn mannen worden gedood, naast degenen die worden gevangengenomen, van wie Vitório de Abreu er zelf een is. Dom Pedro valt korte tijd later de Portugese handelsvloot aan, die zeilt onder begeleiding van een eskader oorlogsschepen. Hij maakt, vrijwel zonder tegenstand te ondervinden, een van de koopvaarders buit. De kooplieden uit Negapattinam verlangen van de kapiteins van de escorterende oorlogsschepen dat zij de koopvaarder trachten te heroveren, maar zij weigeren zelfs maar een poging te wagen. Op dat moment verschijnt er een Spaanse vliegboot, aan de kapitein waarvan de kooplieden hetzelfde verzoek richten. Hij komt aan het verzoek tegemoet en herovert de koopvaarder zonder problemen.

Terwijl Filipe de Oliveira en Luíz Teixeira Mayadunna verslaan en dwingen zich naar het oosten terug te trekken is de missie van de onstuimige Marcellus Boschouwer naar Holland in een mislukking geëindigd. Deze presenteert zich in het gesprek dat de Heren Zeventien hem toestaan, niet als een dienaar van de VOC, maar als de gezant van een buitenlands vorst en dat valt verkeerd. De bewindhebbers van de VOC weigeren de gezant van koning Senerat van Kandy hem de gevraagde schepen ter beschikking te stellen, om de Portugezen op Ceylon te bestrijden. Boschouwer is, vergezeld van zijn adellijke gade, die zich de prinses van Mingonne laat noemen, naar Denemarken getogen, om aan koning Christiaan van dat land hulp voor koning Senerat te vragen. Marcellus Boschouwer en de prinses van Mingonne worden op 26 juni 1617 door koning Cristiaan ontvangen. Het verzoek om Deense steun voor Senerat valt goed. Als gevolg daarvan verschijnen in mei 1620 vijf Deense schepen aan de oostkust van Ceylon. Zij staan onder bevel van Ove Giedde. Marcellus Boschouwer is op weg naar Ceylon gestorven en heeft zijn jonge weduwe, de prinses van Mingonne, achtergelaten. Zij wordt met haar drie dochtertjes en een oude dienstmaagd naar Kandy gebracht, waar zij zeven jaren woont, maar naderhand vertrekt zij, met toestemming van de keizer, op verzoek van de Deense zeevoogd Roeland Carpe naar Tranquebar. Mayadunna’s agenten benaderen onverwachts Ove Giedde met het aanbod zijn assistentie te kopen, en na enige aarzeling geeft ook Senerat zijn instemming met het voorstel. Het is echter te laat; de Portugezen zijn zo vlakbij dat Mayadunna op 2 juli gedwongen is uit te wijken naar de Deense vloot, terwijl António Baretto wordt overwonnen en gedood na een dappere strijd. De Denen zeilen daarop onder Portugese druk weg, terwijl zij de berooide weduwe van Marcellus Boschouwer aan haar lot overlaten. Mayadunna ziet kans naar India te ontkomen.

Het succes van capitão-geral Constantino de Sá beweegt de Câmara van Colombo tot zulk een enthousiasme dat bevel wordt gegeven de figuur van een engel die de vergaderzaal versiert, te vervangen door een voorstelling van capitão-geral. Als Koning Philips hiervan hoort, uit hij zijn misnoegen over dit voornemen en op zijn bevel wordt de geëcarteerde engel opnieuw gerestaureerd en in zijn nis teruggeplaatst.

In 1620 ontheft de capitão-geral van de Estado da India Fernão de Albuquerque (1619-1622) Dom Constantino de Sá van zijn functie om plaats te maken voor zijn zoon Jorge de Albuquerque (1620-1623). Dom Constantino krijgt andere taken opgedragen, onder andere de ontzetting van het door de Perzen belegerde Ormoez. Het bestuur van de nieuwe capitão-geral op Ceylon is in hoofdzaak verantwoordelijk voor de muiterij in het leger, de soldaten zetten hun officieren af en stellen een Raad van Twaalf in die hun zaken regelt totdat de capitão-geral een nieuwe capitáo-mor benoemt. Jorge de Albuquerqe, evenwel, is zo onpopulair dat er een samenzwering wordt beraamd om hem te vermoorden, maar dankzij de interventie van de jezuïeten komt het niet zover. Ongeveer tezelfdertijd wordt er een samenzwering ontdekt onder de aanhangers van Mayadunna die in India verblijft en voor hun medeplichtigheid daarin moeten enige van de meest prominente Singalezen daarvoor de prijs betalen met hun leven. Iedereen is er daarom gelukkig mee als in 1623 Dom Constantino de Sá opnieuw het ambt van capitão-geral (1623-1630) aanvaardt. Hij brengt van de nieuwe vice-rei, Dom Francisco da Gama, conde de Vidigueira (1622-1627) instructies mee het Singalese koninkrijk nu voor eens en altijd te veroveren en in Trincomalee een fort te bouwen, om te voorkomen dat daar Hollandse schepen ankeren om Senerat te ondersteunen. De bronnen die hij tot zijn beschikking heeft, zijn inderdaad erg schamel, maar ondanks dat zijn raadgevers hem dit ontraden vertrekt hij het volgende jaar naar Trincomalee om daar zijn tweede project uit te voeren.

De uitgekozen plek is die waar Dom Jerónimo de Azevedo, tijdens zijn laatste expeditie in 1612, een niet geslaagde poging heeft ondernomen, om er een fort te bouwen. Dit was op de torenhoge landtong van Konesar Malai, die met zijn drie grote stenen tempels tot een hoogte van 400 voet boven zee uitrijst. Het is een van de heiligste plaatsen van de Hindoe-verering. De tempels worden zonder erbarmen verwoest om plaats te maken voor een driehoekig fort van steen en metselwerk, dat wordt uitgerust met kanonnen verkregen van een Deens schip, dat daar in de buurt is gestrand. Nadat het fort af is, wordt daarin een klein garnizoen achtergelaten en keert Dom Constantino terug naar Colombo.

Het bouwen van het fort in een vrijmoedige schending van de met Senerat gesloten vrede, die hij al zo lang en eervol heeft gehandhaafd en hij bereid zich voor tegenstand te bieden, maar hij wordt gekalmeerd door de misleidende uitleg dat het fort enkel en alleen bedoeld is tegen de Europese vijanden, die begonnen zijn in de Indische wateren te verschijnen. Dom Constantino begint nu met de voorbereidingen van zijn verdere taak. Alle manieren van vleierij worden aangewend om de inheemsen over te halen zijn kant te kiezen en zij worden gepromoveerd tot verantwoordelijke en vertrouwelijke posities. Tezelfdertijd worden de financiën op een vastere grondslag georganiseerd, de fortificaties van Colombo en Galle worden versterkt en in de eerstgenoemde plaats wordt een kruitmolen opgericht om aan de lokale vraag te voldoen. De capitão-geral ziet erop toe dat de soldaten geregeld hun soldij ontvangen, de illegale handel bedreven door officieren wordt krachtig bestreden en, ondanks de oppositie van de vedor, Ambrosio de Freitas, slaagt hij erin een klein lokaal munthuis op te zetten. Hij is ook een warm voorstander van gemengde huwelijken tussen Portugezen en Singalezen, maar het systeem is al een mislukking gebleken, want het Christendom duldt geen andere religie aan zijn zijde en de Singalezen die een Portugese vrouw trouwen ervaren dat zij door hun eigen volk worden verstoten, terwijl de positie van de vrouw verre van gelukkig is.

Te midden van al deze bezigheden vindt Dom Constantino nog tijd om zijn aandacht te besteden aan de kwestie van de Moren, die ondanks de orders van de Koning Philips die dit verbiedt, zich nog steeds op Ceylon vestigen en zelfs in stijgende aantallen. Zij worden niet alleen langs de kust gevonden, maar zij vestigen zich ook in dorpen in het binnenland, waar zij als de enigen die handel drijven een zeer belangrijke functie vervullen. “Het Semitische bloed dat door hun aderen stroomt is zonder twijfel maar een zeer beperkte hoeveelheid, maar het heeft in hoge mate zijn karakteristieke kenmerken bewaard”, schrijft Pieris en hij vervolgt: Het instinct voor de handel die van de Arabier een groot zeeman heeft gemaakt is ook de overheersende passie van de moor van Ceylon. Vasthoudendheid aan het doel kenmerkt al zijn handelen in zijn leven en ofschoon de Singalezen blij zijn de kruiperige marskramer, met een pak op zijn rug in hun afgelegen dorpen te zien verschijnen, leren zij spoedig zich te verzetten tegen zijn pogingen zich in hun midden te vestigen. Maar heeft de moor eenmaal in een Singalees dorp een woonplaats gevonden dan groeit de marskramer al spoedig uit tot een uitlener van geld en in de loop der tijd wordt hij landeigenaar, die grondstuk na grondstuk aan zijn bezit toevoegt en geleidelijk aan slokt hij de bezittingen van de dorpelingen op. De zucht naar goud die de Portugese officieren beheerst biedt de moren een grote kans, want zij vinden in hem juist het instrument dat zij nodig hebben. De moor is een excellent zakenman, die nimmer vergeet wat zijn belang is. Als een moor in een seizoen zeshonderd amunam arekanoten verzamelt ten bate van de capitão-geral, hoe kan men dan verwachten dat de laatste zichzelf ertoe zou kunnen brengen de orders voor de verdrijving van zulk een nuttige klasse op te volgen? Zonder twijfel wordt het Heilig Officie in Goa door hun door de staat ondersteunde activiteiten gebruuskeerd, maar zelfs dit machtige Tribunaal is niet in staat de passieve weerstand van de regering van Ceylon te overwinnen.

De eerlijkheid van Dom Constantino de Sá wordt bitter aangevallen door de vedor, met wie nimmer een harmonieuze werkrelatie mogelijk is. Zijn relatie met een zoutmonopolie vraagt om uitleg en het is buiten kijf dat Dom Constantino een ivoren bed ter waarde van 4.000 pardãos naar zijn huis in Lissabon heeft gezonden. De documenten over deze periode van zijn regering waren nog niet voor studenten beschikbaar toen Pieris zijn boek schreef en daarom schort hij zijn definitieve oordeel op. Ondertussen spreekt in het voordeel van de capitão-geral dat hij zich nimmer heeft ingelaten met de aantrekkelijke zaakjes van de moren. Op zijn bevel zijn n 1625 grote aantallen moren uit Portugees gebied op Ceylon verdreven. Het merendeel van hen vindt asiel in Singalees gebied en een grote kolonie vestigt zich in het district Batticaloa.

Dom Constantino besluit Menikkadawara te versterken, want het is zijn bedoeling die plaats tot uitvalsbasis voor de operaties tegen de Singalezen die hij in gedachten heeft, te maken, namelijk het doorbreken naar de Oostkust, waar hij een klein fort opricht op het eiland van Puliyan Tivu, niet ver van Batticaloa. Terwijl hij zich naar de omgeving van Batticaloa begeeft, ontmoet hij koning Senerat. Deze biedt de bevelhebber een fortuin aan juwelen aan als hij ervan afziet een tweede fort aan Ceylons oostkust te bouwen. Maar Dom Constantino gaat daarop niet in. De plek die hij voor het fort uitkiest, is werkelijk slecht gekozen en de Portugezen hebben nooit in welke vorm dan ook een voordeel ontvangen als adequate compensatie voor de uitgaven om het fort te bouwen en de angsten het te behouden. Zij zijn zeer bezorgd over het fort, want de Singalezen fluisteren elkaar toe en zeggen in hun oude geschriften dat een natie met kattenogen spoedig naar het eiland zal komen. Senerat is natuurlijk verontwaardigd over deze nieuwe schending van het vredesverdrag door de Portugezen, maar hij aarzelt het zwaard op te pakken en tracht hen eerder af te kopen. Zijn pogingen zijn echter ijdel. In 1627 wordt de oorlog verklaard en een klein Portugees leger dringt Uva binnen en steekt de stad Badulla in brand en hoewel de koning en zijn drie zoons hiervan getuige zijn, weigeren zij zich in de strijd te laten meeslepen. Zoals Frei Fernão de Queiroz laat weten – schrijft Winius –is Sá zich er volledig van bewust dat “ervaringen duidelijk hebben geleerd dat de verovering van Kandy niet slechts bestaat uit het in brand steken van de stad, maar door het bezet houden van de hooglanden en de laaglanden, waarvoor twee arrayals nodig zijn.”

Het is duidelijk dat het lot van de grote Commandant daaruit bestaat dat hij voor de laatste maal de smeulende vechtlust van de Singalezen dient aan te wakkeren. Het hof van Senerat leidt een verborgen bestaan in Mahiyangana, waar de Maha Biso Bandara, zoals de koningin wordt genoemd, het leven schenkt aan Maha Asthana, de toekomstige Raja Sinha; maar gunstige voortekenen hebben zijn geboorte begeleid. En inderdaad, in de ogen van de Singalezen zou er geen betere plaats kunnen zijn uitgekozen voor deze belangrijke gebeurtenis dan de historische plek die zo nauw verweven is met de meest geheimzinnige legenden van hun religie en ras, een plek die geheiligd is door het bezoek van de Boeddha zelf en die getuige is geweest van de verzameling van de wrekende legers van Wijaya Bahu In diezelfde nacht – zo wordt gezegd – zou de Portugese Commandant hebben gedroomd dat hij een nietig vonkje, niet groter dan een vlieg, door de lucht zag vliegen van het westen naar het oosten en daarbij in omvang groeiend totdat het boven de haven van Colombo enorm was aangegroeid en daar alles in brand stak. En de verschijning van de jonge troonopvolger heeft geleid tot de successen van ‘s koning wapenen in Balane. Het is gebruikelijk bij de horoscope van ieder Singalees kind een oordeel uit te spreken. Diyakelinawala, de grote astroloog, is de voorbereiding van de prins toevertrouwd en er wordt nauwgezet aandacht besteed aan zijn opvoeding om hem uit te rusten voor zijn hoge taak, die hem – volgens profetieën – in zijn leven zullen wachten.

In 1628 is prins Maha Asthana zestien jaar oud. Senerat roept zijn drie zonen bij zich en verdeelt zijn koninkrijk onder hen door middel van het lot. Hij heeft goed gezien dat van het drietal de jongste de krachtigste is en tot zijn grote vreugde wijst het lot hem aan als Uda Rata. Maha Asthana wordt dus Aga Raja of Chef Koning, met de titel Raja Sinha. Zijn broeders Kumara Sinha en Wijaya Pala ontvangen respectievelijk de districten Uva en Matale.

In maart 1629 trekt Dom Constantino opnieuw ten strijde. De resultaten zijn onbevredigend, want hevige regens hebben het land doordrenkt en de kou in-de berggebieden wordt zwaar gevoeld door de slecht geklede Portugezen, van wie verscheidene daardoor overlijden. De bloedzuigers zijn ook een vreselijke plaag voor mannen die door doorweekte bossen trekken en die gezwollen beken moeten oversteken. Er zijn op de meest onverwachte plaatsen hinderlagen gelegd voor het Portugese leger en dat kan slechts op de meest omzichtige manier vooruitkomen. Ieder dorp dat zij passeren is verwoest en ieder eetbaar dier is geslacht, maar het Singalese leger vertoont zich nog alsmaar niet. Senkadagala blijkt verlaten te zijn en wordt in brand gezet en daarna slaan de vermoeide Portugezen de weg naar huis in. Maar de Singalezen beginnen hen nu onder druk te zetten en zij blijven hen de ganse terugweg naar huis bestoken. Bij Ambatenna vindt een zware slag plaats, die de Singalezen winnen en waarin de Portugezen zware verliezen lijden en blij zijn zich op onbezonnen wijze te kunnen terugtrekken.

De blootstelling van de mannen aan het de guurheid van het weer leidt tot de te verwachten resultaten. De capitão-geral zelf wordt al spoedig geveld met koorts en zijn toestand wordt voor zo kritiek gehouden dat hem het viaticum wordt gegeven. Tot grote opluchting, evenwel, van de Portugezen neemt zijn ziekte een draai ten goede en langzamerhand herwint hij zijn gezondheid.

In de tussentijd zijn vier van de hoogstgeplaatste mudaliyars in Colombo, mensen die met de grootste genegenheid zijn behandeld door Dom Constantino, die hen bevorderd heeft tot hoge ambten en tot posities waarin zij een overeenkomstig salaris en vertrouwen genieten, een samenzwering begonnen met Senerat. Al een tijd geleden heeft een expeditie onder bevel van Kumara Sinha de grenzen van Uva overschreden en een inval gedaan in Portugees gebied dat zij nu al een maand teisteren, terwijl de Portugezen daartegen niets ondernemen, omdat hun beperkte hulpbronnen niet toelaten dat zij de strijd aanbinden. Dom Constantino heeft vurig gewacht op de aankomst in Goa van zijn familielid Dom Miguel de Noronha, de derde graaf van Linhares, als nieuwe vice-rei van Portugees India (1629-1635), omdat hij verwacht dat de graaf-onderkoning hem een belangrijk deel van de soldaten die met zijn vloot naar Indië komen, zal toebedelen. Maar als de nieuwe vice-rei in oktober 1629 in Goa aankomt, blijkt dat een van zijn naus met 400 opvarenden aan boord bij Cabo da Boa Esperança met man en muis is vergaan, waardoor van de aanvoer van versterkingen dat jaar geen sprake is. De situatie is ontmoedigend en beschamend en om de zaak nog erger te maken worden twee boodschappen van de nieuwe vice-rei ontvangen. Deze heeft van de vedor da fazenda, Ambrósio de Freitas, die een grote afkeer van de capitão-geral heeft, vernomen dat Dom Constantino de Sá over voldoende troepen beschikt om Kandy aan te vallen. De graaf van Linhares – volgens Winius – een van de beste vice-reis van de Estado da India, heeft een grote hekel aan treuzelaars en hij moet uit andere bronnen vernomen hebben dat er op Ceylon sprake is van een bloeiende illegale handel in kaneel, waarbij de Portugese militairen rechtstreeks kaneel aan de Hollandse vijanden verkopen. De onderkoning wijst de capitão-geral ernstig terecht voor zijn veronderstelde inactiviteit. Hij brengt zijn sterke afkeuring tot uitdrukking voor de politiek van temporisering en de tweede Portugese officier in de Oost, wordt op scherpe wijze eraan herinnerd dat hij naar Ceylon is gestuurd om de oorlog te leiden en niet om toezicht te houden op de handel, waar de capitão-geral zelf overigens part noch deel aan heeft. De bekritiseerde trekt zich de zaak erg aan, maar hij tracht de onderkoning niet te overtuigen van zijn integriteit. En ondanks tegenwerpingen van zijn meest ervaren officieren, besluit hij het Singalese Koninkrijk onmiddellijk binnen te vallen. “Of hier sprake is van buitensporige moed of buitensporige wanhoop, moeten anderen beoordelen, schrijft Frei Fernão de Queiroz.

Ofschoon Ambrósio de Freitas in juni vervangen is door een vriend van de capitão-geral, Lançarote de Seixas Cabreira, kan Dom Constantino niet meer manschappen inzetten dan de vier tot vijfhonderd soldaten die al in Ceylon dienen en wellicht tweehonderd casados, gehuwde veteranen die vrijwillig dienstnemen. Lançarote de Seixas vindt het geld om deze vrijwilligers te betalen, zij het opkosten van de Sá, maar het is niet mogelijk vrijwilligers te recruteren in Cochin of Negapatnam, omdat Ambrósio de Freitas dit heeft geblokkeerd. Wat de capitão-geral werkelijk nodig heeft zijn verse uit Portugal in Goa aangevoerde troepen. Hij beschikt echter over ten hoogste 700 Portugese soldaten, van wie de meesten zijn gelegerd in het kamp dat het hoofdkwartier vormt in Menikkadawara, gelegen dertig mijl van Colombo, aan de rivier Kelanie. Deze troepen staan onder bevel van de capitão-mor, die op zijn beurt direct verantwoording schuldig is aan de capitão-general. Zij zijn verdeeld in estâncias van 36 tot 38 man, die geleid worden door een capitão, wiens taak het is voor zijn soldaten drie maaltijden per dag te doen bereidenvan hetgeen hij aan levensmiddelen ontvangt uit de inheemse dorpen die daartoe verplicht zijn. Zij leveren ook een kok om de maaltijden te bereiden. Soldaten worden tweemaal per jaar betaald, midden in de zomer en met Kerstmis. Zij kunnen dan kiezen voor een andere estância, waarvan de capitão populair is, bijvoorbeeld omdat hij voor goede maaltijden zorgdraagt. Verreweg de meeste soldaten van de capitão-general zijn inheemse huurlingen. Deze lascarins worden geworven in districten die onder Portugese controle staan. Frei Manuel de Assunção, de prior van het Convento van de Augustijnen in Colombo laat weten dat de vier Portugese dissawes tezamen 4.400 lascarins leveren, tezamen met hun mudaliyars en arachchis. Zij voegen zich bij hoogstens 550 Europese soldaten in het basiskamp van Menikkadawara. Bij zijn vertrek uit Colombo heeft Dom Constantino niet gesproken over zijn terugkeer, mogelijk omdat hij pas een paar dagen geleden gewaarschuwd is door een Singalese arachchi dat vier van de mudaliyars die aan de expeditie deelnemen met de koning van Kandy hebben afgesproken dat zij tijdens de campagne van banier zullen verwisselen. De capitão-general laat de laatste dag van juli 1630 zijn capitães en soldaten weten dat zij moeten biechten en ter communie gaan, want dat het leger over twee dagen vertrekt. Men gaat op mars. De mannen zwoegen de steile hellingen van de ruwe heuvels rond Sitawaka op naar Sabaragama, aan de rivier Kalu bij het moderne Ratnapura. Sabaragama is de laatste Portugese buitenpost voordat de aanval op Senerats hoofdstad Badulla begint. Dom Constantino gunt zijn manschappen twee dagen rust en voorziet hen van verse levensmiddelen. Ook wordt gewacht op de komst van twee van zijn trouwe vrienden, Luís Gomes Pinto en Luís Cabral de Faria. Tussen de 50 en 100 oudere vrijwilligers worden achtergelaten, waardoor het aantal Portugese soldaten slinkt tot ongeveer 450 man. Dan, op 9 augustus, trekt het leger de wildernis in. De mannen zwoegen in ganzenpas door het dichte tropische oerwoud. Voorop lopen zij die tot taak hebben de dichte begroeiing neer te slaan. Op 17 augustus, komt de expeditie, na een moeilijke klim over de Halmadullapas, aan in Idalgashinna, de toegang tot het hart van Kandy, drie dagen marcheren van Badulla en hoog boven het punt waar de uitlopers raken aan de steile berghellingen. De dichte jungle ligt achter en bijna duizend meter beneden hen als zij verder gaan, worden bomen en lage begroeiing afgewisseld door kale rotsen. Zij trekken de hooggelegen graslanden van Uva in, die worden afgewisseld door bosjes jungle. Na nog eens drie dagen marcheren, ziet het leger zijn eindbestemming, gelegen diep in een met gras bedekte en vreedzame vallei aan de voet van de ruim 2.000 meter hoge berg, Monte Namunakuli. Als het leger afdaalt naar de bodem van het dal verschijnt het leger van Senerat, wellicht 12.000 man sterk, als een menselijke lawine, boven het Portugese leger. Als verwacht wordt dat de Singalezen tot de aanval overgaan, keren zij zich om en verdwijnen, daarmee Badulla aan de invallers overlatend. Dom Constantino trekt de stad binnen en kiest als kamp de grote boeddhistische tempel, vanwaaruit men gemakkelijk de troepen van Senerat kan zien verschijnen. Gedurende de twee volgende dagen blijft rook opstijgen vanuit de bergen. De Portugezen verwoesten de stad systematisch, plunderen het paleis en steken het in brand. Vervolgens zetten zij ook de tempels en huizen in lichterlaaie, verbranden een grote hoeveelheid rijst en drijven het vee voor zich uit. Als Badulla in as ligt, breekt Dom Constantino zijn kamp op om op 20 augustus aan de terugtocht te beginnen.

Wat vervolgens gebeurt is in hoofdlijnen bekend, maar de vier bekende verslagen zijn in detail hopeloos tegenstrijdig. Winius kiest voor het rapport van Assunção, omdat zijn relaas drie maanden na de expeditie is geschreven. Daags voordat het Portugese leger aan de terugtocht zal beginnen, wordt Luís Gomes Pinto benaderd door een loyale Singalese arachchi, Jerónimo Idrumaraturi, die hem enige olas geeft, afkomstig uit een verbrand huis. Pinto die Singalees kan lezen, bemerkt dat het om een boodschap van de koning gaat gericht aan Singalezen rond de capitão-general. Hij haast zich naar zijn commandant en schreeuwt “we zijn er geweest en we kunnen niet ontsnappen, omdat Dom Teodósio, Dom Cosmo, Dom Baltasar en Dom Aleixo uwe Genade en ons allen hebben verkocht.” Sá verliest geen tijd met het zoeken naar verdere bewijzen, want Assunção schrijft: “De generaal accepteert dit als een vaststaan feit, na wat zijn informant en andere betrouwbare personen hem in Colombo hebben verteld. Hij wenst snel maatregelen in de zaak te nemen en hij geeft bevel de vier verraders dood te schieten. Het hele leger dient naar een nabijgelegen bergtop te marcheren, waar Dom Constantino zich temidden van zijn beste mensen zal plaatsen, om zich met hen te verdedigen tegen iedereen die op hen afkomt. En terwijl iedereen zich voor vertrek klaarmaakt, geeft hij bevel de vier verraders te plaatsen temidden van trouwe troepen, zodat zij als de nacht valt kunnen worden gedood. Dit is kennelijk de beslissing van de Hemel, denkt Assunção, tenzij de zonden van de Portugezen de toekomst een andere draai hebben gegeven. Pinto, een man die in alles te zelfverzekerd is, maakt de fout door voor uitstel te pleiten. “Heer, dit is niet het moment om deze mannen te doden, want dit zal zo vlak bij Uva, waar de Singalese vijand zich elk moment op ons kan storten, te veel commotie geven. We kunnen uw bevel beter morgenochtend uitvoeren, als wij een eind op weg zijn. Dit voorstel wordt aanvaard en deze laatste nacht in Badulla worden de verraders, gespaard. Dom Constantino heeft hen laten weten dat hun tijdens de terugmars een andere plaats is toebedeeld en het ontmaskerde viertal begrijpt dat zij direct wat moeten ondernemen om het er levend vanaf te brengen. Zij nemen contact op met een vijfde verrader, die nog niet is ontmaskerd. Hij voert, onder bevel van Luís Teixeira de Macedo, capitão van de achterhoede, de lascarins aan.

Pinto en Sá verwachten dat er van buitenaf problemen op hen af zullen komen, maar de moeilijkheden ontstaan in de eigen gelederen. Vroeg op de morgen van 21 augustus, kort na het vertrek uit Badulla, overvalt de verrader in de achterhoede, Dom Jerónimo, alias Raja Pasha, Teixeira de Machado en bindt hem vast. Minuten later verschijnen zes- of zevenduizend Singalezen, gekleed in gevechtsuniform, op een heuvelrug beneden Sá. Zij zwaaien met banieren en schreeuwen: ”Dit is het laatste uur van je leven.” Na dit signaal beginnen de vier bekende verraders leiding te geven aan de lascarins, die tot dat moment trouw zijn gebleven. Zelfs Sá is op dat moment misleid, omdat hij hen ziet als de volgelingen van het viertal. Desalniettemin schreeuwt Pinto dat alle lascarins muiters zijn. Het betrekkelijk geringe aantal Portugezen temidden van duizenden gewantrouwde lascarins en toegesnelde strijders van Kandy voelt zich steeds meer bedreigt. In de verwarring slaat Dom Cosmo het hoofd af van João Bernardes en steekt dat op een lans. Sá trekt zijn dolk en roept uit dat degenen die hij zo vaak zijn zonen heeft genoemd, thans leeuwen die op het punt staan hem te verscheuren, blijken te zijn. Sá geeft opdracht te zoeken naar Teixeira de Machado, waardoor de vijanden de gelegenheid hebben de Portugezen te omsingelen. Zijn officieren pleiten ervoor Machado aan zijn lot over te laten en zo snel mogelijk aan de terugtocht te beginnen, maar het blijkt hiervoor al te laat te zijn; de scherrmutselingen beginnen vrijwel onmiddellijk. Er wordt gevochten tot het donker is. ‘s Nacht steekt Sá zich in het uniform van een gewoon soldaat. De volgende dag valt de vijand de resterende 380 Portugezen van vier kanten aan en is ontsnappen aan de tot 12.000 man aangezwollen vijand onmogelijk.

Het eindgevecht begint met een salvo van Portugese vuurwapenen en een wolk van pijlen van hun tegenstanders. Sá’s dienaren laden zijn drie espingardas de pedernèira, die hij afwisselend gebruikt om zijn vijand neer te schieten. Winius schrijft dat Assunção wellicht gelijk heeft met zijn opmerking dat hij meer dan dertig man neerschiet, zonder van plaats te veranderen. Rond de capitão-general strijden zijn beste vrienden met hun kameraden, Luís Gomes Pinto, Simão de Pina en Calisto Machado, “zij verdedigen hem en zij vervullen de zwarte tegenstanders met ontzag.” Maar spoedig komt de natuur tussenbeide:”Het lijkt erop de Heer. Onze God, deze plaats heeft uitgekozen om als grafkelder te dienen voor de lichamen van zovelen christenen die hun leven geven in Zijn naam, want hij staat toe dat het van acht uur in de morgen tot drie uur in de middag onafgebroken regent, wat de Portugese vuurwapens onbruikbaar maakt, waardoor de vijandelijke pijlen onbelemmerd op de Portugezen neerdalen en hun rangen in korte tijd volledig ruïneren.” Dom Constantino, ridder van de in 1317 door koning Dinis gestichte Orde van Christus, en zijn vrienden blijven weerstand bieden tegenover een opdringende vijand. Op een bepaald moment wordt de capitão-general door een pijl in zijn borst getroffen en als hij desondanks zijn zwaard grijpt, wordt hij door nog meer pijlen en een lans getroffen. Hij valt zwaar gewond op de grond. De Singalezen slaan hem zijn hoofd af en dat gaat van hand tot hand. Pinto neemt het commando over, maar hij is twee uur later ook dood. De 130 nog in leven zijnde Portugezen begrijpen dat verder strijden zelfmoord betekent. Een uur later geven ook de overlevenden uit de achterhoede, die afgesneden is van de hoofdmacht en het zeer zwaar te verduren heeft, zich over. Een piramide van Portugese hoofden wordt op het slagveld verzameld. Dat van de capitão-general wordt aan Senerat aangeboden in een trom. Het ligt aan de voeten van de bejaarde en triomferende, maar zeer aangedane koning, die nadrukkelijk de volgende bittere woorden uitspreekt: “Hoe vaak heb ik gebeden dat je geen oorlog tegen mij zou beginnen en mij en mijn rijk zou vernietigen, maar mij in vrede zou laten leven, terwijl jij het beste deel van Lanka in handen had; maar als jouw opvolgers in jouw voetstappen zullen treden, zal jij niet de laaste zijn.” In de zakken van Sá’s uniform worden de brieven van de vice-rei gevonden, die hem de expeditie hebben doen ondernemen. “Deze brieven hebben Constantino de Sá gedood en Ceylon op de rand van ineenstorting gebracht,” schrijft padre Queiroz.

Bijna onmiddellijk na het sneuvelen van de grote capitáo-general wordt zijn nagedachtenis vereerd door zowel Portugezen als Singalezen in Kandy. De christenen prijzen in hoge mate zijn trouw, zijn rechtvaardigheid, zijn eerbied voor God en de koning, zijn armoede (hij laat maar een paar honderd xerafins na), zijn militaire successen en zijn eer. De inwoners van Kandy, die acht jaren onder zijn zwaard geleden hebben, gaan verder: zij zouden een schrijn gebouwd hebben, waarin zij hem vereren als Kusal Neti Deiyo (de ongelukkige God), zodat hij hun na zijn dood geen kwaad meer kan doen.

Danvers vermeldt de volgende bijzonderheden over Sá’s einde. De bouw van de Portugese forten in Trincomalee (1623) en later in Batticaloa betekent voor Senerat een geweldige confrontatie en hij verklaart de Portugezen de oorlog. Hierop laat Frei Francisco Negram aan Dom Constantino weten dat, als hij Kandy plotseling zou aanvallen, hij gemakkelijk de koning zou kunnen arresteren, omdat Senerat totaal onvoorbereid is op de verdediging. Dom Constantino gaat niet op dit advies in en hij vertraagt het aangaan van vijandelijke operaties enige tijd, waardoor hij een goede kans verzuimt. Als hij later wel in gevecht raakt met het leger van Kandy, brengt hij dat een grote nederlaag toe, waarop Senerat uitwijkt naar Uva en Sá de hoofdstad van Kandy binnentrekt, verwoest en in brand steekt.

Na de verwoesting van de hoofdstad voelt Sá zich – volgens Danvers – onoverwinnelijk en de vice-rei Dom Miguel de Noronha, graaf van Linhares (1629-1635) zou zich zelfs schamper hebben uitgelaten over Sá wegens zijn inactiviteit, wat niet in het belang van Portugal zou zijn. Sá wordt er door de bedrieglijke voorstellingen van bepaalde chefs van Kandy toe bewogen al zijn krachten te concentreren tegen Uva. Men heeft hem valselijk doen geloven dat de bevolking bereid is zijn standaard te volgen tegen haar inheemse dynastie. Dientengevolge trekt hij in augustus 1630 met 1.500 Europeanen, ongeveer hetzelfde aantal halfbloeden en 8.000 à 10.000 uit het laagland afkomstige Singalezen op, waarbij hij Colombo bijna zonder garnizoen achterlaat. Het wordt hem toegestaan de bergpassen over te trekken, zonder tegenstand te ondervinden. Het leger bereikt de stad Badulla, die geplunderd en in brand gestoken wordt. Maar op de terugweg deserteren zijn Singalese troepen plotseling en bloc, op een punt dat kennelijk van tevoren met lieden uit Kandy is afgesproken. De Singalezen verlaten niet alleen de Portugese gelederen, maar zij keren zich ook tegen hun voormalige wapenbroeders. Deze worden zonder erbarmen gedood. Sá behoort tot de gesneuvelden en zijn hoofd wordt, vervoerd in een trom, naar Raja Sinha, de zoon van Senerat, gebracht.

2.5 De komst van de Hollanders naar Ceylon

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

De pogingen van Dom Jerónimo de Azevedo (1594-1611) het Ilha de Ceilão te veroveren. Portugese pogingen Ceilão te veroveren

Deel 18 Index

Hoofdstuk 2.

Portugese pogingen Ceilão te veroveren

2.1. De pogingen van Dom Jerónimo de Azevedo (1594-1611) het Ilha de Ceilão te veroveren

Geschreven door Arnold van Wickeren

Op kerstavond van het jaar 1594 arriveert Dom Jerónimo de Azevedo of Dom Jerónimo de Oviedo (1594-1611) in Colombo als opvolger van Pero Lopes de Sousa en acht dagen later trekt het leger, vergezeld door Dharmapala zelf, naar Sitawaka. De wreedheid van de vergeldingen waarmee de nieuwe conquistador-geral terreur in het land zaait en de voorzichtigheid waarmee hij nadert, zijn veelbetekenend voor de uitgangspunten waardoor hij zich laat leiden gedurende de achttien jaren die hij op Ceylon is. Als het leger de desolate hoofdstad van Raja Sinha bereikt, blijkt het verwoeste paleis haastig te zijn gerepareerd voor de ontvangst van de koning en Samarakon wordt teruggeroepen van Galle, waar hij doende is geweest met de bouw van een fort. Hij wordt uitverkoren de operaties te leiden tegen Wimala Dharma, maar zijn vorderingen zijn traag en hij lijdt meer dan eens een terugslag bij de uitoefening van zijn moeilijke taak.

In die tijd is het de Portugezen duidelijk geworden dat hun nieuwe politiek van agressie hen in een positie van groot gevaar heeft gebracht. De schaarse aanvoer van zowel manschappen als geld uit Goa, dient slechts om hen in staat te stellen zich angstvallig vast te klampen aan het weinige van Ceylon dat zij in handen hebben en dat tegen kosten die buitensporig hoog zijn in verhouding tot de bereikte resultaten. Zij realiseren zich ook dat Wimala Dharma een aanzienlijk machtiger tegenstander zal blijken te zijn dan Raja Sinha ooit is geweest. Zijn lange verblijf tussen de Portugezen heeft gemaakt dat hij volledig vertrouwd is met hun omstandigheden en zij geloven terecht dat hij geduldig wacht tot zij zichzelf hebben uitgeput in kleine schermutselingen, om zich daarna te kunnen meester maken van heel het Eiland.

Het toch al kleine Portugese garnizoen neemt verder af door ziekte en door gebrek aan goede voeding. De ontberingen van de campagne tegen Wimala Dharma zijn welhaast ondraaglijk en de troepen verkeren op de grens van muiterij.

Het succes van de Singalees Domingos Correa tegen de prins van Uva, die strijd aan de zijde van Wimala Dharma, geeft korte tijd enig soelaas. Maar dit blijkt slechts de stilte voor de storm te zijn en ieder Portugees hart verkrampt van schrik als op een morgen in november van het jaar 1595 het gerucht de ronde doet dat Domingos Correa, met steun van Wimala Dharma Surya op de zeventiende van de maand in opstand is gekomen tegen zijn meester Dharmapala en zichzelf tot koning van Sitawaka heeft gekroond. De oude koning Dharmapala is genoodzaakt Sitawaka te verlaten en zich terug naar Colombo te vechten in gezelschap van het Portugese leger. Op dat moment zijn nog alleen Galle en Colombo in handen van Dharmapala.

In 1596 plukt Dom João de Austria, alias Wimala Dharma, koning van Kandy, voordeel uit de omstandigheid dat de Portugese bevelhebber op Ceylon, Dom Jerónimo de Azevedo zijn troepen over het eiland verspreid heeft. Het zet twee van zijn vazallen, de koning van Uva en de prinses van Dinavaca onder druk hem te vergezellen bij een aanval op de Portugezen. Voor dit doel verzamelt het drietal een leger van 4.000 man, waaronder veel musketiers en diverse gewapende olifanten. Met deze strijdmacht trekken de bondgenoten op naar het Portugese fort van Corvite, waar Salvador Pereira da Silva slechts 100 man commandeert. Salvador Pereira, die zich bewust is van de naderende vijand verlaat in een nacht met enkele uitgekozen dappere mannen zijn fort en trekt met hen naar het kamp van de vijand op vier léguas van Corvite. Het groepje doodt onverwachts een aantal vijanden, voordat deze in staat zijn hun wapens te grijpen. De plotselinge aanval in het donker veroorzaakt een complete paniek onder de vijanden, die niet weten door hoeveel man zij worden aangevallen. Zij vluchten overhaast weg, achtervolgt door Salvador Pereira en zijn handvol soldaten, die ongeveer 1.000 man doden, voordat zij met verschillende gevangenen, olifanten en andere buit naar Corvite terugkeren. In de volgende zomer onderneemt Wimala Dharma opnieuw een veldtocht, tezamen met de koning van Uva en Simão Correa, die een rebel is en zichzelf Koning van Sitawaka noemt. Hij neemt een dreigende houding aan tegen Matara, met de bedoeling Dom Jerónimo de Azevedo uit zijn verdedigingswerken te lokken. Als Dom Ferdinão de Modeliar, die in Matara het bevel voert, verneemt dat het Singalese leger in aantocht is, denkt hij het op dezelfde manier te verrassen als Salvador Pereira da Silva heeft gedaan. De vijand is dit keer echter meer op zijn hoede en in plaats van op de vlucht te slaan, zoals voorheen, bieden zij weerstand en in het gevecht dat volgt, weet Dom Ferdinão ternauwernood aan een nederlaag te ontsnappen, maar uiteindelijk slaagt hij erin de vijandelijke verdedigingswerken binnen te dringen, waar hij een groot aantal van hen doodt en een volledige overwinning behaalt.

De zeer snelle carrière van Domingos Correa, die nog geen dertig jaar is als hij in opstand komt, is kenmerkend voor de tumultueuze situatie in Ceylon van die tijd. Hij is de zoon van Edirille Arachchi, de tolk van Dharmapala en hij is evenals zijn vader een christen. Hij is de enige zoon van een negerin met de Portugese familienaam, Albuquerque. Edirille Arachchi’s dochter en twee nichtjes zijn gehuwd met Portugezen en dit verklaart de vriendelijke en liberale wijze waarmee zijn zoon door de Portugezen wordt behandeld, omdat de familie een bijdrage levert aan de sedert koning Manuel heersende Portugese politiek van rassenintegratie. Er bestaat op Ceylon niets wat vergelijkbaar is met de Europese ridderorden. Het is niet gebruikelijk dat een groep eminente mannen zich verenigt onder een bepaald embleem. Uitstekende dienstverlening wordt beloond met het geven van een gouden ketting, juwelen of een erezwaard, giften dienen, evenals de onderscheidingstekenen van Europese orden, teruggegeven te worden aan de koning na het overlijden van de ontvanger. Ook een dorp kan worden toegewezen aan een individuele persoon die bevoordeeld wordt, hetzij voor een bepaalde periode, hetzij voor altijd, zodat, in het laatste geval, zijn erfgenamen voldoende inkomen hebben en in staat zijn de bewoners van het dorp diensten te doen verrichten die de waardigheid van de gebieder onderstrepen. Deze dorpen worden toegewezen met inachtneming van de beperkingen die het kastenstelsel oplegt en de naam van de bevoorrechte zelf wordt gegraveerd in een blad koper, of geschreven op een strook van een palmblad en de authenticiteit wordt gewaarborgd door de letter Sri, die staan voor de koninklijke handtekening. Op vervalsing van zulk een handtekening staat de doodstraf. Degene die is begunstigd met een dorp staat bekend als de Rala, of Heer, van dat dorp, en evenals als andere hooggeboren personen, wordt hij nooit aangesproken bij zijn eigennaam, maar altijd bij een beleefdheids-vorm, zoals Robert Knox die meer dan twintig jaren als gevangene onder hen verbleven heeft, heeft gezegd: “het is een belediging en een schande voor hen te worden genoemd bij hun eigennaam, waarvan zij zeggen dat zulks gebruikelijk is bij honden.” Meer nog dan een gift bestaande uit juwelen of land wordt door de Singalezen als een teken van koninklijke gunst op prijs gestelde verlening van een erenaam. Deze wordt uitgekozen in overeenstemming met de verdiensten van de ontvanger, waarbij zijn verdiensten kunnen liggen in een heldendaad met wapenen, in grote geleerdheid, of in de vervaardiging van een zeldzaam product of handwerk. Als zo’n erenaam is verleend, bindt de koning met zijn eigen hand een gouden draad door het haar van degene die hij wenst te onderscheiden. In het geval het gaat om een persoon van minder aanzien dan worden minder kostbare materialen gebruikt en de uitreiking vindt plaats door een officier.

Domingos Correa is de persoonlijke naam die, overeenkomstig de Europese gewoonte, bij zijn doop is toegekend aan de zoon van Edirille Arachchi. Als kind is hij bekend bij zijn vaders naam en rang, maar dankzij zijn eigen verdiensten heeft hij promotie gemaakt en heeft hij de rang van mudaliyar verworven en voor zijn recente opvallende successen tegen de strijdkrachten van Wimala Dharma Surya is hem de erenaam Wikramasinha (Zegenvierende Leeuw) toegekend, waarmee hij de hoogstgeplaatste onderdaan van Dharmapala is geworden. Deze accumulatie van weldaden heeft bij de begunstigde niet de hunkering naar een koninklijke naam kunnen onderdrukken en op een fatale morgen kent hij zich, in de aanwezigheid van een leger van zevenduizend manschappen, de titel Edirille Bandara toe.

Zich volledig bewust van het gevaar waarin de koning verkeert, haast Dom Jerónimo de Azevedo zich in persoon naar Gurubewila en hij beveelt dat de garnizoenen in Menikkadawara en in Ruwanella zich dienen te concentreren in Sitawaka, een bevel dat eerst wordt uitgevoerd na buitensporig zwoegen, want het gehele district tot aan Colombo verkeert in een serieuze staat van opwinding en de wegen zijn overal geblokkeerd met bomen en andere haastig geïmproviseerde barricaden. Na een dag of vijftien wordt het voedsel schaars, want niemand in de naar opstand hunkerende omgeving is nog bereid voedsel aan de gehate Portugezen te leveren. De situatie waarin Dharmapala verkeert is zo gevaarlijk dat er bevel wordt gegeven Sitawaka te evacueren en de vorst naar Gurubewila te begeleiden. Alles in de stad dat door de vijand zou kunnen worden verbruikt wordt verbrand en potten aardewerk vol vergiftigde gekonfijte vruchten worden achtergelaten, tezamen met fusten met kruit zorgvuldig verborgen onder kleding en zodanig geplaatst dat het ontploft als de vijand naderbij komt om de fusten te plunderen. Het garnizoen, dat bestaat uit ongeveer 300 Portugezen, gaat op weg naar Gurubevila en loopt in een rustig tempo de gehele dag door, waarbij zij moeten optreden tegen hen hinderende Senegalezen. Tegen het vallen van de avond plegen de laatsten een vastbesloten aanval, waarbij hun olifanten vooropgaan. Herhaalde salvo’s verhinderen nauwelijks de aanvallen van de Singalezen en de Portugezen verliezen van hun kleine strijdmacht niet minder dan 23 soldaten.

In het holst van de nacht bereiken zij tenslotte Gurubewila. Hier worden zij weer geconfronteerd met honger. Twee weken lang krijgen de soldaten dagelijks niet meer dan een bord rijstgruwel. De blokkade is zo effectief dat de Portugezen geen druppel water uit de rivier kunnen halen zonder serieus risico te lopen. Het belegerde garnizoen besluit daarom dat het beter is de zwaarden van de vijand te trotseren dan van honger om te komen. Na gebiecht en gecommuniceerd te hebben vertrekken de Portugezen uit Gurubewila, waarbij de munitie wordt gedragen door de olifanten. Dom Jerónimo de Azevedo gaat te voet hoewel hij ziek is, terwijl de koning en de koningin worden vervoerd in draagstoelen. De gebruikelijke weg vermijdend, omdat deze door de vijand onveilig wordt gemaakt, trekken zij naar het zuiden in de Rayiam Korale, waar zich nog geen tekenen van ontrouw hebben voorgedaan. Domingos Correa steekt onmiddellijk de Kelaniya over en tracht de weg af te sluiten. De Portugezen zijn gedwongen stap voor stap een pad te nemen, waarbij zij hun bijl in een hand houden, terwijl zij in hun andere hand, klaar om een aanval af te slaan, hun musket en piek vasthouden Van alle kanten worden zij door de Singalezen belaagd. De capitão die de achterhoede aanvoert raakt zo ernstig gewond dat hij na korte tijd overlijdt. Een compagnie van dertig man wordt volledig vernietigd en een moedige Singalees ziet kans de standaard uit de handen van de vaandeldrager te trekken.

Drie dagen en drie nachten lang zijn de Portugezen genoodzaakt af te zien van slapen en eten en dan wordt er een grote aanval tegen hun achterhoede ingezet, terwijl Domingos Correa, ondersteund door twaalf olifanten, de voorhoede aanvalt en terugslaat naar het centrum, waar Dom Jerónimo de Azevedo positie heeft gekozen. In de verwardheid van de achtervolging, rollen vriend en vijand, levenden en doden over elkaar heen. De Portugezen betreuren op zeker moment al 134 doden, 118 gewonden, terwijl niet meer dan 112 man over zijn om de vijand te weerstaan. Gelukkig voor hen geraakt Domingos Correa zelf ernstig gewond, waarop zijn mannen zich terugtrekken.

Dom Jerónimo de Azevedo denkt nu zijn kans schoon te zien. Hij geeft het signaal twee trompetten en een drum, de enige muziek-instrumenten waarover hij nog beschikt, te roeren. Als de duisternis is ingevallen beveelt hij de overlevenden de doden en dodelijk gewonden achter te laten, opdat de overigen de terugtocht kunnen volbrengen. Hij laat de mannen de rivier oversteken en vervolgt met hen de terugtocht. Iddagoda Rala, echter, die het bevel van de gewonde Domingos Correa heeft overgenomen, zet de achtervolging met onvermoeibare vasthoudendheid voort. Tot hij erin slaagt de vluchtende Portugezen niet ver van de ontheiligde tempel van Horana tot staan te brengen.

De laatste hopeloze strijd voor lijfsbehoud is aangebroken en de vermoeide soldaten vechten met een roekeloze dapperheid die de bewondering oogst van hun Singalese tegenstanders, die vanuit hun rijen het vuur openen en de Portugezen bestoken met hun musketten. Velen zijn reeds gesneuveld en van de overlevenden is het grootste gedeelte geblesseerd, als helemaal aan het einde van een groot rijstveld de glinstering van staal verschijnt. Op het gezicht van wat verondersteld wordt versterkingen van het leger van Domingos Correa te zijn, vallen de armen van de Portugezen, wier ammunitie bijna is uitgeput, op dat moment moedeloos langs hun zijden neer. De Singalezen zien in de naderende groep soldaten het leger van Samarakon Rala, de machtige edelman, wiens hulp Edirille Rala heeft pogen te verkrijgen. Edirille Rala stopt hun aanval tot hij hen kan volgen. Hij behoeft niet lang te wachten, of Dom Diogo, de broeder van Samarakon, stormt, aan het hoofd van vijfhonderd christen topasses uit Colombo, die de voorhoede vormt van zijn leger, naar voren en hij belandt met zo’n grote onstuimigheid temidden van de troepen van Iddagado Rala dat deze zelf al bij de eerste aanval wordt gedood. Zijn lichaam wordt onthoofd en zijn hoofd wordt op de punt van een lans gezet en aan de voeten gelegd van de koning die hij heeft verraden. De hoofdmacht onder Samarakon komt in zicht en de rebellen trekken zich terug. Of bij deze miraculeuze bevrijding de vreugde of het verdriet overheerst is moeilijk te zeggen. Het uitgeputte restant van de Portugezen, die drie dagen lang voornamelijk hebben volgehouden door de moed niet te verliezen, zijn nu in staat om te rusten en te eten. De volgende dag keren zij met de koning terug in Colombo; nog geen vijftig Portugezen van het gehele garnizoen zijn niet gewond. Domingos Correa, die naar Colombo is gevlucht, is daar – volgens Valentijn – trouweloos door de Portugezen gedood, wat Wimala Dharma ertoe brengt verscheidene Portugezen voor de olifanten te doen werpen, terwijl hij van anderen de neus, oren en mannelijkheid laat afsnijden. Kort daarna – schrijft Valentijn – komt ook Simon Correa naar Colombo, veinzende zijn broeders dood te willen wreken. Hij wordt door de Portugezen goed ontvangen, treedt in het huwelijk, wordt landvoogd van een groot landschap en neemt deel aan de strijd tegen Kandy.

Edirille Rala zoekt nu zijn veiligheid bij Wimala Dharma Surya, die de koninkrijken Kotte en Sitawaka formeel aan hem overdraagt. Hun beider legers trekken spoedig ten strijde, maar de aankomst van verse troepen uit Indië stelt Dom Jerónimo de Azevedo in staat Malwana opnieuw te bezetten, terwijl Samarakon begint met de bouw van een fort in Uduwara en in Rayigam Korale. Hij hoopt later Edirille Rala te kunnen verrassen als deze met een leger van vijfduizend man een geforceerde mars maakt, maar hij wordt met hevige verliezen teruggeslagen door Samarakon, die van tevoren voor zijn komst is gewaarschuwd.

Zou Samarakon in staat zijn geweest hem te achtervolgen, dan zou de zaak daar op dat moment zijn opgelost, want Wimala Dharma is te ver weg om zijn bondgenoot te helpen. De rivier is door recente regenval zozeer gezwollen dat het onmogelijk is haar over te steken. Ofschoon er bij een poging daartoe al een aantal mannen is verdronken. Edirille Rala verbergt zich door rond te trekken in de omgeving, totdat hij tenslotte, na drie dagen door honger gedreven de hut van een oude vrouw betreedt en haar vraagt om wat voedsel. Hij bekent haar ook zijn identiteit en de vrouw, zich bewust van de hoge prijs die op zijn hoofd is gezet en genoopt door haar armoede, zendt een geheime boodschap naar Samarakon om hem te vertellen waar zijn vijand zich bevindt. Hij wordt spoedig gearresteerd en voor de mudaliyar gebracht. Deze ontvangt hem hoffelijk en geeft bevel zijn wonden te verzorgen en tegelijkertijd laat hij Dom Jerónimo de Azevedo, die zich in Kalutara bevindt, het goede nieuws weten dat hij Edirille Rala in handen heeft.

Er moeten vreemde gedachten bij Dom Jerónimo de Azevedo zijn opgeweld. Hij de trotse Portugees, op wiens militaire dapperheid zijn koning zijn hoop heeft gesteld, is genoodzaakt geweest zijn leven te redden door een smadelijke vlucht voor een slecht bewapende bende Singalezen, die geïnspireerd worden door de moed en geleid worden door de bekwaamheid van zijn eigen favoriet. Hoe gretig moet hij daarom hebben gezocht naar het water aan de voet van de Heuvel van Kalutara, eens de plek van een mooie tempel, die nu door de vreemdelingen is ontwijd door daar een fort te bouwen. Als drie dagen later de boot van Samarakon in de verte verschijnt, lijkt het erop dat dit plaatsvindt onmiddellijk onder de top van de heilige Piek. Duizenden verdringen zich aan de oevers als de sloep, waarin de slank gebouwde Singalese mudaliyar als een zeer onderscheiden gevangene, naderbij komt. De grote riemen dirigeren de sloep naar haar landingsplaats. Zij heeft nauwelijks de oever aangestoten, als een vreemd voorval plaatsgrijpt. De aanwezigen zien de verschrikkelijke conquistador-geral naar de waterkant rennen, gevolgd door de capitão van Colombo. Zij zien hoe de beide officieren de mudaliyar vastgrijpen, hem op hun schouders hijsen en Edirille Rala, onder het gejuich van duizend vivas van de Portugezen en vreugdekreten van de verzamelde Singalezen in triomf naar de tent van Dom Jerónimo brengen.

De gevangene wordt nu voor de conquistador-geral geleid en scherp ondervraagd, maar hij geeft zeer kalm antwoord. Over zijn lot wordt spoedig besloten en Dom Jerónimo keert terug naar Colombo en neemt de zwaar geketende gevangene met zich mee. De executie wordt veertig dagen uitgesteld, tot 14 juli 1595, in de hoop dat Edirille Rala er toe kan worden overgehaald de plaats te onthullen waar hij zijn schat heeft verstopt. Tenslotte breekt de dag aan. Een toneel voorzien van de tekenen van rouw die zijn rang vergen, is opgericht op de drukste plaats in de stad. De veroordeelde wordt hiernaartoe geleid en nadat hij in een paar woorden zijn spijt heeft betuigd over het kwaad dat hij heeft aangericht, ondergaat hij de straf voor zijn verraad.

De dood van Edirille Rala is het signaal voor nieuwe excessen van de zijde van de Portugese gezagsdragers. Dharmapala is hulpeloos in hun handen en Dom Jerónimo de Azevedo en Tomé de Sousa de Arronches, die dan capitão van Colombo is, verruilen hun kruiperige pluimstrijkerij, die zij tot dan toe hebben aangewend om geld van hem te verkrijgen, voor openlijke bruutheid en geweld. De koning is van mening dat de opbrengst van zijn gebieden jaarlijks 900.000 cruzados zouden moeten zijn, boven op de 30.000 cruzados douaneheffing. Al deze gelden zouden beschikbaar zijn voor militaire uitgaven, maar in werkelijkheid wordt er op alle mogelijke wijze geld verduisterd. Door zijn eigen mannen te benoemen tot feitors en escrivães brengt hij al spoedig de opbrengsten onder zijn controle en er wordt geen cent besteed aan zaken die niet in zijn plan passen. De handel in arekanoten, die naar schatting evenveel opbrengt als de invoerrechten bedragen, houden Dom Jerónimo en capitão Tomé de Sousa geheel voor zichzelf. De koning protesteert tegen deze bemoeienis met zijn schatkist en staat erop dat de opbrengsten van deze handel zullen worden gestort in een kas die wordt bewaard in het Convento de São Francisco. Deze kas wordt afgesloten met drie sleutels die afzonderlijk in handen zijn van vertegenwoordigers van hemzelf, de Koning van Portugal en de guardiaan van de franciscanen en onttrekkingen worden slechts gedaan op bevel van ’s konings Raad en in zijn eigen aanwezigheid. Hij staat erop dat de grote bedragen aan pachtgelden waarop hij recht heeft, volgens de gewoonte, aan hem persoonlijk zullen worden overhandigd en dat zij worden bewaard overeenkomstig de bevelen van zijn Raad. Hij benadrukt bovendien het feit dat de privileges verleend aan private personen met betrekking tot de havens niet verklaren hoeveel zijn inkomsten uit de export bedragen. Om zich te beschermen (want hij vindt dat de capitães optreden als ware zij zelf koning) stelt hij voor de benoeming van een select ‘Cabinet’ dat hem zou kunnen bijstaan bij het besturen van het land. Dit ‘Cabinet’ zou moeten bestaan – stelt Dharmapala voor – uit drie personen, een Singalees benoemd door hemzelf, een Portugees benoemd door de Koning van Portugal, en een franciscaan. De bevelen van dit ‘Cabinet’ kunnen door niemand worden aangevochten.

Boven op deze voorstellen doet Dharmapala een beroep op koning Philips de waardigheid van zijn koninklijke persoon te waarborgen, want er wordt inderdaad onder het personeel gefluisterd dat de Portugezen soms geweld tegen de vorst aanwenden om hem tot concessies te dwingen. Hij vraagt voorts om een Portugese secretaris en een kapitein van de wacht in wie hij vertrouwen kan hebben en die geen enkele band hebben met de capitão van Colombo en dat zij van een zodanige sociale standing zijn dat zij zijn hof niet in diskrediet brengen. De onbeschaamdheid en de wetteloosheid van de christenen die hun intrede hebben gedaan met de komst van de Portugezen hebben zo’n peil bereikt dat er speciale maatregelen moeten worden getroffen om de ongewenste gevolgen onder controle te houden. Overigens in Dom Jerónimo de Azevedo een voorstander van Portugese bemoeienis met de veroordelingen van Dharmapala en de onderkoning is onwillig om zijn autoriteit te laten gelden om zijn ondergeschikte in toom te houden. Dharmapala vraagt daarom om ervaren rechters die in staat zijn hem steun te verlenen in de rechtsbedeling. De roekeloze wijze waarop waarde-volle fruitbomen worden geveld voor de bouw van schepen is al vele jaren de oorzaak van klachten en Dharmapala verlangt dat het Portugezen zal worden verboden schepen te bouwen in het land.

Overigens ontvangt koning Philips betrouwbare inlichtingen dat zijn eigen schepen door Dom Jerónimo de Azevedo worden gebruikt voor zijn eigen handelstransacties en niet voor het vervoer van militaire goederen. Acht jaren lang is het onmogelijk geweest profijt te behalen uit het gebied waar edelstenen zouden zijn, maar dan wordt verteld dat Dom Jerónimo voorbereidingen treft de edelstenen te gaan exploiteren voor zijn eigen gewin en dit ondanks het feit dat het koninklijk privilege op edelstenen zo angstvallig wordt bewaakt, dat geen kuil kan worden geopend zonder speciaal bevel van de koning zelf. Er circuleren vage geruchten over een robijn ter grootte van een klein kippenei, die op oneerlijke wijze, maar met oogluikende toestemming van Dom Jerónimo en capitão Tomé de Sousa, is verkregen. Koning Philips is erg bezorgd of wel alle pogingen in het werk worden gesteld om te verzekeren dat de zeldzame edelsteen aan hem zal worden aangeboden. Philips zendt instructies naar zijn onderkoning om dit te bewerkstelligen. De franciscanen klagen openlijk dat er martelingen worden toegepast om geld van de beklagenswaardige bewoners van Ceylon af te persen. Een zwangere vrouw en haar kind sterven onder de brute behandeling waaraan zij door capitão Tomé de Sousa onderworpen wordt. Hij perst haar driehonderd gouden Portuguezes af. Het is niet verrassend dat de Singalese Boeddhisten met wantrouwen een religie bekijken die haar aanhangers zulke excessen doet bedrijven en dat het afkeurenswaardige gedrag van de christenen de kerstening van de Singalezen serieus belemmert.

Het is, evenwel, vergeefs dat koning Philips zijn hevige ontevreden-heid laat blijken over de rapporten die hem bereiken en hij staat erop dat Dharmapala met alle voorkomendheid zal worden behandeld. De vice-rei is zorgeloos en de lokale autoriteiten negeren de blijken van afkeuring van hun gedrag. Dharmapala overlijdt op 27 mei 1597. De koning is getreiterd, beroofd en wellicht vergiftigd door de Portugezen die aan zijn hof vertoeven; hij is zelfs een keer mishandeld en beledigd door de conquistadores en capitães, die zich andere keren slaafs hebben gedragen en met de vorst zoete broodjes hebben gebakken en hun gedragingen zijn uitsluitend ingegeven door hun hebzucht naar goud. Aan de andere kant hebben de Portugezen de onderdanen van Dharmapala van hem vervreemd doordat hij van het oude geloof van zijn voorvaderen is afgevallen en de vorst heeft veel van zijn macht verloren aan familieleden die hem hebben bestreden en zelf is hij tot het einde toe geduldig en waardig gebleven.

“De Meest Verheven Vorst Dom Joam, bij de Gratie Gods Koning van Ceilam, Perea Pandar”, is begraven in het Convento de São Francisco met alle status en pracht die de conditie van zijn land toelaat en zijn verheven positie vereist. Voor de eerste en de laatste maal is een Singalese koning begraven met christelijke rituelen en er zijn plechtige missen gezongen voor de rust van zijn vermoeide ziel.

Het graf van Dharmapala is nog nauwelijks gesloten of de Portugese autoriteiten beginnen aan de donatie van het koninkrijk aan de Kroon van Portugal. Op 29 september wordt een conventie bijeengeroepen te Malwana, een aardig dorp op de oevers van de Kelani Ganga, waarvan de bevolking wordt uitgenodigd twee afgevaardigden van iedere Korale te zenden om de eed van trouw aan de Koning van Portugal af te leggen. De gedelegeerden komen stipt bijeen en na twee dagen van onderhandelingen gaan zij akkoord met de erkenning van Philips II als hun koning, op voorwaarde dat de Portugese ambtenaren namens hem zullen garanderen dat er voor eeuwig geen inbreuk gemaakt zal worden op de wetten en gewoonten van de Singalezen. De verlangde garantie wordt gegeven, waarop de gedele- geerden acht vertegenwoordigers selecteren om de noodzakelijke eed af te leggen. Afgaande op hun namen zijn allen christenen en vijf van hen zijn edellieden geweest aan het hof van Dharmapala en dragen de begeerde titel ‘Dom’. Deze acht knielen rond een tafel en terwijl zij hun handen op een missaal plaatsen, leggen zij de eed af, waarin zij beloven de Koning van Portugal en zijn opvolgers op de Troon trouw en onderdanig te dienen. De conquistador-geral geeft de Koninklijke Standaard van Portugal daarop in de handen van Dom Antão, de belangrijkste persoon onder de Singalese edelen. Dom Antão loopt vervolgens aan het hoofd van de processie, waaraan alle gedelegeerden deelnemen, door de belangrijkste straten om de ambtsaanvaarding van de nieuwe koning bekend te maken.

Gelet op de situatie waarin de Singalezen verkeren, is de verandering van dynastie geen belangrijke zaak. Belangrijker dan dat zijn de gewoonten en deze hebben de Portugezen beloofd te zullen respecteren. Philips II is voor hen slechts een naam en in hun ogen is de werkelijke opvolger van Dharmapala de conquistador-geral, Dom Jerónimo de Azevedo, die bekend is als de Koning van Malwana, naar het dorp waarin hij zijn hoofdkwartier heeft gevestigd. Aan hem komen de aandelen in de opbrengst die voorheen aan de koning werden betaald. Hij wordt gegroet doordat mensen zich voor hem neerwerpen en het Witte Schild en de Parasol van Soevereiniteit vergezellen hem altijd als hij door het land trekt.

Dankzij de briljante resultaten van Jayawira is bijna het gehele gebied dat oorspronkelijk werd bestuurd vanuit Kotte, nu onder controle van de Portugezen. Dit gebied is verdeeld in vier grote provincies of disawani. De belangrijkste van deze is Matara, dat ligt aan de zeekust van Kotte tot de Walawe Ganga, en het bevat ook de vruchtbaarste gedeelten van het oude Ruhuma. Onmiddellijk ten noorden van Matara ligt Saparagamuwa, dat grenst aan de bergen van de Kandy en het eindigt in dezelfde rivier, de Walawe Ganga. Voorbij de Kelani Ganga is de provincie van de Four Korales, waar de weg doorloopt naar Senkadagala en welke provincie het toneel zal worden van hevige gevechten in de komende veertig jaren; ten Noorden van de Four Korales en grenzend aan de zee in het westen, liggen de Seven Korales, die uitloopt in de grote wouden van het Anuradhapura district. Deze drie laatstgenoemde provincies vertegenwoordigen ruwweg de Maya Rata, exclusief de hoogvlakte. Over iedere disawani is een groot edelman geplaatst die de titel ‘disawa’ voert. Hij is verantwoordelijk voor de opbrengsten en voor het beheer van de rechtspraak en het leger. Onder hem zijn talrijke rangen van ambtenaren, eindigend in de dorpshoofden of Mayorals, zoals de Portugezen hen noemen. De disawa of matara komt in rang onmiddellijk na de generaal1 en hij heeft het recht zich te laten voorafgaan door iemand die een wit schild met een karmozijnrood centrum draagt. Toen Samarakon zijn provincie bestuurde telde zijn leger 12.000 oorlogszuchtige inwoners.

De politiek van agressie die zo rampzalig is ingezet bij de expeditie van Pedro Lopes de Sousa naar Kandy wordt zonder onderbreking voortgezet tot 1638 en met een kracht die slechts verflauwt door het onvermogen van de regering in Lissabon de noodzakelijke soldaten en materialen naar Ceylon te zenden. De demarcatielijnen tussen de twee partijen in de langdurige oorlog zijn niet langer vaag als tijdens Dharmapala. Zijn standaard met de Leeuw en de Zon is overgegaan naar Senkadagala en zal nimmer meer wapperen boven Colombo, want de Singalese Boeddhisten hebben behoefte aan een Singalese koning en het is de banier van Christus die de Portugezen ten strijde leidt.

De vijandige houding tegenover de Boeddhistische geestelijkheid die Raja Sinha zich de laatste jaren van zijn regering heeft aangenomen, heeft tot gevolg gehad dat er nog nauwelijks een priester in het land is wiens wijding onomstreden is. Deze omstandigheid veroorzaakt veel verdriet en Wimala Dharma’s poging dit te verhelpen vergroot zijn populariteit en verstevigt zijn greep op de bevolking. In 1475 heeft een gezantschap, gezonden door koning Ramadhipathi van Pegu, een aantal priesters gewijd in de priesterlijke opvolging die onmiddellijk is afgeleid van de leerlingen van Gautama en die zonder onderbreking op Ceylon werkzaam zijn geweest naar dat land mee teruggenomen. Wimala Dharma zendt een ambassadeur naar Pegu om een aantal priesters naar Ceylon te halen, om de gewenste priesterlijke opvolging op Ceylon te herstellen. De missie heeft succes en in 1597 wordt, tot grote voldoening van de bevolking, een plechtige priesterwijding gehouden in de omgeving van de hoofdstad. Ongeveer tezelfdertijd wordt ook de Danta Dhatu die, op de nadering van het Portugese leger, uit Delgamuwa in veiligheid is gebracht, plechtig geïnstalleerd te Senkadagala, in een gebouw van drie verdiepingen met een kruisbloem van goud en edelstenen, ter verering opgericht binnen in het paleis. De kroon op al deze spirituele zaken vormt een pelgrimage van Wimala Dharma persoonlijk om de Voetstap op de Piek van Samanala Kanda te vereren. De vorst keert terug met een replica van de Voetstap uitgehakt in steen, die hij naast zijn paleis zet. De pelgrimage naar het origineel van de Voetstap is een langdurige, moeilijke en gevaarlijke reis en de dankbare onderdanen uit het gehele land komen naar de replica om het model eer te bewijzen, terwijl iedereen van zijn schaarse middelen datgene meebrengt dat hij kan missen voor de reparatie en het behoud van de ontwijde tempels.

Simão Correa, broer van Edirille Rala, heeft bezorgd gewacht op een gelegenheid om Wimala Dharma te bewijzen dat de gunsten waarmee de laatste hem heeft ontvangen niet onverdiend zijn; hij daalt nu met een leger de Idelgashinnapas af. Deze pas, van 4700 voet hoog. is de enige mogelijkheid om Uwa vanuit het zuiden te bereiken. En, terwijl hij langs de uiterste oostgrens van Saparagamuwa trekt, verschanst hij zich stevig in enige oplopende gronden bij Katuwana, zoals bij de dreigend uitziende Matara. Samarakon haast zich om de beweging van de troepen te controleren en hij wordt al snel gevolgd door een contingent van 2.000 man uit Colombo, onder bevel van Simão Pinhão, een Portugees die voor een daad van piraterij naar Ceylon is verbannen, waar hij een grote reputatie heeft verworven bij zijn vijandelijkheden tegen de koning van Jaffna in 1591. Hij is dan 35 jaar, taai van lichaam en ontzettend sterk en hij heeft een groot rond hoofd dat veel indruk maakt, omdat hij aan een oog blind is. Hij geniet een zodanig prestige dat hij waard is gevonden te worden beloond met de hand van Dona Maria Pereira, de kleindochter van Raja Sinha, en hij is Edirille Rala opgevolgd als bevelhebber over de lascarins.

Samarakon behaalt op 25 september een briljante overwinning op Simão Correa, die hij de bergen in terugjaagt. Zijn overwinning levert Samarakon de fel begeerde versierselen op van de militaire Orde van Christus. Hem wordt ook een dorp geschonken dat hem jaarlijks 500 pardãos oplevert. Correa’s opmars naar het zuiden blijkt echter onderdeel te zijn van een groter militair plan, want gelijktijdig met zijn opmars is een tweede legermacht naar het westen afgedaald van de Balanepas naar de Four Korales en deze heeft zich gevestigd in Iddamalpane, temidden van het ruige land waardoor de weg loopt naar Senkadagala. Een poging dit kamp te verrassen eindigt in een dramatische mislukking die de bevolking van de Four Korales naar de wapens doet grijpen. Simão Pinhão haast zich zijn landgenoten te hulp te komen, maar tijdens zijn afwezigheid neemt de verwarring nog toe doordat Afonso Moro, die belast is met de taak de strijdkrachten in het grensgebied van Saparagamuwa te bevoorraden deserteert naar Wimala Dharma, omdat hij smoorverliefd is op een Singalese vrouw. Simão Pinhão weet Attanagala te bereiken, maar verder komt hij niet. Dom Jerónimo de Azevedo doet een dringend beroep op de Portugese autoriteiten in Goa, maar deze zijn te druk met hun eigen oorlogen om hulp te sturen. De generaal heeft zich door zijn strenge wreedheid de weerzin van zijn soldaten op de hals gehaald. Na het overlijden van Dharmapala is zijn roofzucht onbegrenst, terwijl zijn meedogenloze wreedheid en zijn volslagen onverschilligheid tegenover het lijden van anderen toeneemt naarmate de Singalezen zich meer verzetten. Hij geeft opdracht baby’s op de punten van de lansen van zijn soldaten te steken en als hij hen hoort schreeuwen, beveelt hij hen te luisteren hoe deze hanen kraaien, waarbij hij doelt op de gelijkenis van de naam van de mensen, die Gala’s worden genoemd en het Portugese wordt galos voor hanen. Hij laat ook babies tot pulp vermalen door de moeders te dwingen hen tussen molenstenen te gooien en toe te zien hoe de kinderen de dood vinden, voordat zijzelf worden onthoofd. Mannen worden van de brug van Havana in het water gegooid als voedsel voor de krokodillen, die op het laatst zo tam zijn geworden dat zij afkomen op het signaal voor een volgend feestmaal. Het is vreemd dat de fantasierijke Signalezen deze gedrongen donkere Iberiër, met zijn gemene hangende onderlip, niet hebben vergoddelijkt als de vleesgeworden wreedheid die een mens maar kan bedenken; tenminste generaties lang heeft de herinnering aan zijn naam de mensen doen huiveren van ontzetting.

In 1597 woedt de oorlog op Ceylon nog in alle hevigheid. Wimala Dharma, koning van Kandy, heeft verschillende legergroepen op de been gebracht. Ieder daarvan telt 3.000 à 4.000 soldaten. Hij zendt deze in verschillende richtingen uit om de Portugezen te bestoken. Dom Jerónimo de Azevedo heeft Salvador Pereira da Silva en Simon Pironam ieder met een aantal zorgvuldig uitgekozen mannen, erop uitgestuurd om strafexpedities te ondernemen. Zij verwoesten met hun kompanen steden, veroveren forten, doden veel mensen en doen alle Korales die tegen de Portugezen in opstand waren gekomen, hen weer gehoorzamen.

Dom Jerónimo heeft zich voorgenomen in 1598 Kandy te veroveren, omdat Wimala Dharma door zijn vele aanvallen op de Portugezen een ware gesel voor hen geworden is. Dom Jerónimo laat eerst een sterk fort bouwen in Manicaware, dat de uitvalsbasis moet worden van de operaties tegen Kandy. Hij laat met hetzelfde doel nog een tweede fort bouwen in Saffragam, aan de grens met het koninkrijk Uva. Wimala Dharma, zelf ook een usurpator, wordt gealarmeerd door de bouw van beide forten. Hij zendt, in samenwerking met de koning van Uva, verschillende legergroepen op de Portugezen af, om hen te tarten. Maar deze worden spoedig verslagen. Waarschijnlijk worden de speldenprikken gevolgd door offensieve acties van Kandy, maar de Portugese troepen komen in opstand wegens de slechte verzorging met levensmiddelen, waardoor zij in zeer behoeftige omstandigheden verkeren. Het wordt de soldaten toegestaan voedsel te gaan bemachtigen in de dorpen in de omgeving. Zodra de mannen het nodige voedsel hebben geroofd en zich daaraan te goed hebben gedaan, keren zij terug naar hun rangen en spoedig zijn alle Korales weer onderworpen. Spoedig daarna behaalt Dom Jerónimo nog een zege aan de grenzen van Kandy. De handhaving van hun positie op Ceylon verplicht de Portugezen, in het licht van de constante aanvallen door Wimala Dharma, alsmede voor de bemanning van garnizoenen in de forten en ter bewaking van verschillende punten aan de kust, een leger van 20.000 man, waarvan 1.000 Europeanen te handhaven.

Ondanks Dom Jerónimo’s bekwaamheid en zijn vastbeslotenheid is de taak waarvoor hij zich gesteld ziet moeilijk uit te voeren met de middelen waarover hij beschikt en daarom wendt hij zich tot de vice-rei met het verzoek hem van zijn verplichtingen te ontheffen. Zijn verzoek kan, evenwel, niet worden ingewilgd en de inspanningen van Simão Pinhão dienen slechts om de vijand in bedwang te houden. Op dat moment duikt Simão Correa niet ver van Ruwanella weer op met een leger en tot geluk van de Portugezen imiteert hij het verraad van Jayawira en deserteert naar de generaal in Malwana. Bij de beproefde commandant is niemand meer welkom dan Simão Correa, maar de in 1560 in Goa geïnstalleerde Inquisitie dient eerst te worden gerustgesteld over de deugdelijkheid van Correa’s kijk op de religie. Zijn tekenen van spijt en berouw die hij tentoonspreidt lijken zo welgemeend dat er geen probleem is dat het Heilig Officie hem van alle blaam zuivert. Correa keert terug naar Ceylon in gezelschap van een Portugese vrouw, om zich te bewijzen als een beproefde leerling uit de school van generaal Dom Jerónimo. De strijd wordt met verdubbelde energie hervat en langs de gehele grens volgen aanval en tegenaanval elkaar in snel tempo op. Afonso Moro wordt bij verrassing gevangengenomen en ter dood veroordeeld. Etgala Tota, dat de overgang naar de Maha Oya beheerst, wordt bezet en in januari 1599 wordt een sterk fort gebouwd in Menikkadawara, Het is de bedoeling dat dit fort het hoofdkwartier wordt voor de voorgenomen operaties tegen Kandy. Het gebied om het fort is volledig verwoest; er is geen enkele boom blijven staan. Pusella Mudaliyar, een met zijn positie teleurgesteld man, deserteert naar de Portugezen en hij wordt door hen zo goed ontvangen, dat hij zijn dankbaarheid wil bewijzen. Hij richt een houten omheining op die hij vult met de hoofden van afgeslachte Singalezen. Hij wordt gegrepen en gedood door mannen van Wimala Dharma. Zijn familie wacht een vreselijke afstraffing.

De Singalese Boeddhisten geloven dat de dood slechts een incident is in de keten van het bestaan en dat de dood wordt gevolgd door de wedergeboorte op een hoger of lager niveau, afhankelijk van de verdiensten van het voorafgaande leven. Voor een land waar men dit gelooft, heeft de dood weinig angstaanjagends, ofschoon alleen de koning bekleed is met de macht de doodstraf op te leggen. Er is echter een straf die de koning kan opleggen die in de ogen van zijn onderdanen afschrikwekkender is dan de dood. Hoe groot de verdiensten van een persoon ook mogen zijn, de koning bezit niet de macht hem te verheffen in een hogere kaste dan waarin hij is geboren. Maar de koning bezit wel de macht iemand te straffen door hem te maken tot een kasteloze.

Hier en daar waren in Ceylon tot in het begin van de vorige eeuw2 kleine gehuchten te vinden waarin de zogenaamde Rodi, het volk van het vuil leefde. Hun gehucht was de Kuppayama, de hoop vuil. Het was hun niet toegestaan de grond te bewerken, noch water te vervoeren, noch een plaats van verering te betreden. De daken van hun ellendige hutten mochten slechts naar een kant aflopen en hun belangrijkste bezigheid was bedelen. De opbrengst daarvan werd aangevuld met wat de vrouwen verdienden met prostitutie en de mannen met diefstal. Het is onrein om een Rodi aan te raken en zij zijn verplicht de openbare weg te verlaten zodra zij daarop andere menselijke wezens ontwaren, opdat zij niet de kans lopen met hen in contact te komen. Als de schaduw van een Rodi viel over voedsel dan was daardoor ongeschikt geworden voor menselijke consumptie, Het enige werk dat Rodi mochten verrichten was het van hun huid ontdoen van op het land gestorven vee en het begraven van de karkassen. Van de huiden maakten zij snoeren die bestemd waren om olifanten aan vast te binden. Om het schandelijke verraad van Pusella Mudaliyar te straffen wordt zijn vrouw veroordeeld zich bij de Rodi te voegen. Uit medelijden met haar wordt zij eerst naar de oever van een rivier geleid om haar de kans te geven zich door verdrinking van het leven te beroven.

Zoals is gebleken hebben de Portugezen lang niet altijd succes met hun opmars naar Kandy en veel serieuze tegenslagen vertragen deze. De oevers van de Maha Oya hebben altijd de slechte reputatie gehad dat men er gemakkelijk ziek wordt en tijdens een bepaald seizoen van het jaar zou de vis die daar gevangen wordt vergiftigd zijn. Door de vis te eten, of – wat waarschijnlijker is – als gevolg van het uitbreken van malaria – wordt het garnizoen van Etgalatota door ziekte overvallen en korte tijd later kan het ziekenhuis in Colombo de grote aantallen zieken niet meer onderbrengen.

Een van de eerste zaken die de aandacht van Ayres de Saldanha, die in 1600 vice-rei van de Estado da India is geworden, vereist is de situatie op Ceylon. In tegenstelling tot het met de Portugezen gesloten verdrag, heeft de koning van Jaffna steun verleend aan Wimala Dharma. Met het oog op de voortdurende vijandelijkheden tussen Kandy en de Portugezen, kan dit natuurlijk niet worden getolereerd. De onderkoning geeft Manuel Barreto da Silva, de capitão van Manar, opdracht de koning van Jaffna opnieuw te onderwerpen. Manuel Barreto trekt vervolgens tegen de vorst op met een strijdmacht van 1.000 man. Zijn tegenstander tracht hem te weerstaan met een leger van 12.000 man. Maar voordat er sprake is van vijandelijkheden, onderneemt Frei Manuel van São Matias een bemiddelingspoging. Deze heeft succes, waardoor bloedvergieten vermeden wordt.

Ongeveer tezelfdertijd verwoesten mannen uit de Seven Korales, aangevoerd door Manuel Gomes, een officier die onder de Portugezen heeft gediend, de kust van Chilaw tot aan Negombo. Zij vernietigen de kerken, doden de priesters en eigenen zich de heilige vaten toe. De Portugezen haasten zich naar het bedreigde gebied, maar hoewel zij de dorpsbewoners zonder mededogen doden op basis van beweerde medeschuldigheid, zijn zij niet in staat bij Manuel Gomes te komen. Tezelfdertijd vallen de Singalezen de Portugese buitenposten aan en doden hun tegenstanders met het zwaard. Het gehele district wordt het toneel van een meedogenloze strijd, totdat Gomes tenslotte in een hinderlaag wordt gelokt en de dood vindt. Nadat de strijd tot de maand mei van het jaar 1601 heeft geduurd wordt de rust weer enigszins hersteld. Etgalatota wordt, evenwel, verlaten.

De aankomst van enige Portugese strijdkrachten op een wel heel gelukkig tijdstip versterkt de macht van Dom Jerónimo de Azevedo en door een serie snelle bewegingen bereikt hij Ganetenna, het fort dat de ingang beschermt naar de grote pas die toegang geeft tot de bergen. Pieris moet met deze onverwachte versterkingen bedoeld hebben, dat deel van de grote vloot van Dom André Furtado de Mendoça, dat onder bevel staat van Salvador Pereira da Silva. Zeer tegen de zin van Dom André Furtado in, vindt Dom Jerónimo de Azevedo zijn vroegere strijdmakker, Salvador Pereira da Silva bereidt zijn schepen en troepen enige tijd in te zetten bij de strijd op Ceylon, hetgeen achteraf door vice-rei Aires de Saldanha wordt goedgekeurd, zoals in § 1.0 van deel XVI is vermeld. Na twintig dagen trekken de Singalezen zich plotseling terug naar hun hoofdfort in Balane dat de pas van bovenaf beheerst. De Portugezen haasten zich de sterkte die zij hadden opgegeven opnieuw te bezetten. Acht jaren van hard werken heeft hen tenslotte aan de voet van de bergen gebracht.

Simão Pinhão wordt belast met de leiding van de operaties, terwijl Dom Jerónimo de Azevedo druk doende is een groot leger op de been te brengen om het Singalese koninkrijk te veroveren. Wimala Dharma begint aan een geheime correspondentie met Pinhão, waarin hij hem voorstelt hem koning te maken van het Ceylonese laagland als hij naar hem overloopt. Handelend op instructie van Dom Jerónimo stemt Simão Pinhão zwijgend met het voorstel in. Afgesproken wordt dat de twee partijen gevolmachtigden zullen uitwisselen. Tegenover hen leggen de koning en Pinhão een eed af dat zij trouw aan hun afspraak zullen blijven. Het is de bedoeling van Dom Jerónimo de koning bij die gelegenheid te doen doodsteken.

Wimala Dharma heeft, evenwel, lang genoeg tussen de Portugezen gewoond om het karakter van de mannen met wie hij in zee gaat te kennen. Op zekere morgen verschijnt Manuel Dias in het Portugese kamp. Hij was een page in het leger waarmee Pedro Lopes de Sousa destijds zijn aanval op Kandy heeft ingezet. Hij is door de Singalezen gevangengenomen, nadat Pedro Lopes verslagen was en hij geniet in hoge mate de gunst van Wimala Dharma. De uiterst bekwame Manuel Dias weet zelfs Dom Jerónimo de Azevedo ervan te overtuigen dat hij in hem nog een wonderbaarlijk instrument heeft gevonden om zijn plan Wimala Dharma te vermoorden uit te voeren. Het geheim wordt hem onthuld en hem wordt beloofd dat hij grote eerbewijzen zal ontvangen als hij en zijn mannen meehelpen aan de uitvoering van de onderneming. Manuel Dias stemt hiermee in en zweert alle eden die van hem verlangd worden met grote geestdrift. Om iedere verdenking tegen hem te verminderen keert hij terug naar het Singalese kamp met twee Portugese banieren en twee hoofden.

Het fort van Balane bekroont de hoogste piek van een reeks hoge bergen. De natuur heeft deze positie tot een bijna onneembare sterkte gemaakt en er zijn weinig mogelijkheden om nog iets toe te voegen aan de zekerheid van het fort. De ingang tot het fort ligt aan de basis van een steile rots en hij ligt onder een bolwerk dat de toegang tot de bergen controleert. Deze toegang loopt over een ruw en onbeschut pad, dat smal steil en lang is. De omliggende bergen zijn eveneens sterk bezet en de gehele positie vormt de sleutel tot het Singalese koninkrijk. De legertros onder bevel van de generaal, zet zich in beweging, waarbij Dom Jerónimo zijn beschikkingen met uiterste zorgvuldigheid treft. Er worden detachementen geposteerd langs de gehele weg vanaf Colombo en er worden verzegelde orders gegeven dat op de beslissende dag alle soldaten zich dienen te bewegen in de richting van Ganetenna, zodat als alles goed gaat het gehele Portugese leger deelneemt aan de verwachte triomfale intocht in Senkadagala. In de paasnacht rijdt de generaal uit om de wacht te houden tot hij het leger bevel zal geven zich in beweging te zetten. Slechte voortekenen vergezellen hem op de weg, waar zijn mannen worden belaagd door een wilde olifant, die zo tekeer gaat dat het om een duivels dier lijkt gaan. Twee man vinden de dood en verschillende andere soldaten raken gewond en de generaal zelf ontkomt met moeite, want vuurwapens hebben geen effect op het razende monster.

Ondertussen arriveren de Portugese gevolmachtigden bij het fort in Balane. Zij krijgen toestemming het fort te betreden, waar zij rustig worden gearresteerd, terwijl de Singalezen zich naar beneden haasten waar zij buiten de poort van het fort in hinderlaag gaan liggen. Het van tevoren afgesproken signaal wordt gegeven en de Portugezen, vertrouwend de victorie te zullen behalen, maken zich gereed voor een uitval. Simão Pinhão, evenwel, is net zo scherpzinnig als koning Wimala Dharma en hij dringt erop aan dat met de aanval wordt gewacht tot zonsopgang. Zijn advies zal worden gevolgd en voordat de dag aanbreekt komen drie lascarins die de gevolmachtigden hadden vergezeld aanrennen met het nieuws van hun arrestatie. De grote coup heeft dus gefaald en er zit niets anders op dan de garnizoenen terug te zenden naar hun uitgangsposities, terwijl Wimala Dharma aan Manuel Dias zijn dankbaarheid toont door hem te benoemen tot Maha, of Chef Mudaliyar over al zijn Singalese officieren.

Buiten het eiland Ceylon vinden ook snelle veranderingen plaats. In 1598 volgt Philips III van Spanje zijn vader op als koning van Portugal en met zijn regering begint het politieke en commerciële verval, dat zich voortzet onder zijn opvolger en dat de grootheid van het land vernietigt met een snelheid die uitstijgt boven die van de voorafgaande groei. Drie jaar daarvoor, in 1595, hebben de Hollanders vier van hun schepen naar de Oost gezonden. Deze schepen zijn doorgedrongen tot de peperhaven Bantam en zij zijn na een reis van twee en een half jaar teruggekeerd. In 1597 hebben de Hollanders op het eiland Java een factorij gesticht. Verschillende compagnieën wedijveren met elkaar om zich te verzekeren van de oosterse handel en in 1602 wordt de Verenigde Oost-Indische Compagnie opgericht. Op 31 mei van dat jaar verschijnt de in Antwerpen geboren Joris van Spilbergen met twee Zeeuwse schepen3 van Balthasar de Moucheron aan de oostkust van Ceylon. Op 1 juni komen enige Singalezen aan boord; een van hen spreekt Portugees. De tolk nodigt Joris van Spilbergen namens de mudaliyar uit aan land te komen en na enige inleidende onderhandelingen met de koning van Batticaloa, vertrekt Joris van Spilbergen op 6 juli 1602 naar het hof van keizer Wimala Dharma Suriya in Senkadagala. Hem is overal een ceremoniële ontvangst in het vooruitzicht gesteld en als hij de hoofdstad nadert arriveren er ieder uur boodschappers bij hem die hem naar zijn gezondheid vragen en hem geschenken van de keizer overhandigen. Als Joris van Spilbergen de Mahaweli Ganga bereikt, wordt hij opgewacht door Manuel Dias, die de Hollandse processie naar Senkadagala escorteert. Senkadagala is in die tijd nog een klein stadje met ongeveer 2.500 inwoners, voor het merendeel kooplieden uit Zuid-India. Dezelfde namiddag arriveren er drie gezadelde paarden van het paleis met een oproep voor de keizer te verschijnen. Joris van Spilbergen wordt ontvangen met alle starre formaliteiten van een oosters hof en nadat hij zijn eerbied heeft betuigd stalt hij alle meegebrachte geschenken ter keizerlijke inspectie uit op het karpet. Deze worden weggenomen en in het paleis gebracht om te worden getoond aan de keizerlijke huishouding, terwijl Wimala Dharma Suriya die gekleed is in het wit en in het roze, met zijn gast en diens metgezellen heen en weer wandelt, totdat de Hollanders verlof krijgen zich terug te trekken.

De volgende dag wordt een tweede audiëntie afgesproken, waarop de bezoeker de sluwheid van de koopman met zoveel succes combineert met de hoffelijkheid van de hoveling, dat de aangenaam verraste keizer hem alle peper en kaneel uit de keizerlijke pakhuizen aanbiedt, waarbij hij zich verontschuldigt voor de geringe hoeveelheden, daarbij uitleggend dat hij nooit handeldrijft in deze artikelen, maar dat hij de kaneelbomen zelfs heeft doen vernietigen, om de Portugezen niet naar zijn gebied te lokken. Er volgen dagelijks nieuwe gesprekken want de keizer kan niet genoeg horen over dit nieuwe volk, zijn gebruiken en zijn geloof en het vermaak van de bezoekers wordt besloten met een banket ten paleize, waarbij alles op Europese wijze is geregeld.

Eten neemt in het Oosten niet dezelfde positie in als bij westerse naties. In de tropen hebben mensen minder voedsel nodig dan in streken met een gematigd klimaat. De oosterlingen zijn zich ervan bewust dat het niet nodig is vlees te eten om krachtig te worden, want de olifant, zijnde het krachtigste wezen op aarde, voedt zich niet met vlees. De leer van Boeddha tegen het nemen van het leven van dieren heeft van de Singalezen vrijwel vegetariërs gemaakt en het weinige vlees dat zij eten wordt zodanig bereid dat iedere suggestie van bloed is verdwenen. Zij hebben van de Hindoes de verering van de koe geërfd en niemand eet rundvlees, behalve de paria. Langs de kust wordt gevist en gezouten vis wordt algemeen gegeten, maar op beroepsvissers wordt neergekeken. Rijst is het hoofdvoedsel, ofschoon het wordt aangevuld met een grote verscheidenheid aan groenten, die in overvloed groeien, zelfs in het bos, en die op vele verschillende wijzen worden bereid. Talrijke hartige hapjes stimuleren de eetlust en specerijen worden bij de bereiding van voedsel gebruikt als ontsmettingsmiddel en als middel om de spijsvertering te bevorderen.

Het is, evenwel, niet zulk een soort dis waarvoor Joris van Spilbergen is uitgenodigd, want de keizer heeft lang genoeg onder de Portugezen geleefd om een Europese maaltijd te presenteren. Rijke tapisserieën hangen af van de muren en gerieflijke Spaanse stoelen zijn rond de tafels geschikt. Aan het einde van het banket presenteert Joris van Spilbergen de koning een portret van Prins Maurits in volle wapen-rusting te paard. Het portret valt bij Wimala Dharma zeer in de smaak. Hij geeft bevel het in zijn eigen kamer op te hangen, opdat hij het vaker kan zien. Als laatste en grootste eerbetoon aan de Hollanders staat de vorst hen een interview toe met de keizerin; Dona Catarina verschijnt in Europese kleding, vergezeld door twee kinderen, een prins en een prinses. Om de Hollandse bezoekers te eren ziet de keizerin af van het dragen van lange witte kleding met gouden versierselen, In plaats daarvan draagt deze dochter van Karalliyada die jaren lang onder de naam Dona Catarina onder de Portugezen in Manar heeft geleefd, een daar naar Portugese snit gemaakte jurk.

Hoe bitter de vijandelijkheden tussen Wimala Dharma en de Portugezen ook zijn geweest, zowel de keizer als de keizerin koesteren sterke Europese sympathieën. Dezelfde gevoelens leven ook onder de hovelingen, die niet alleen bestaan uit Singalezen afkomstig uit het laagland, maar ook uit Portugezen en Mestiços. De keizer heeft iedereen welkom geheten die het zwaard goed kan hanteren en onder zijn attapattu of lijfwachten bevinden zich Portugezen, moren en kafirs. Veel edelen dragen Portugese namen en de keizer en zijn vrouw spreken evengoed Portugees als hun moedertaal. De Portugese jas en de Portugese muts of barrete zijn in een ietwat vervormde toestand ook na het overlijden van Wimala Dharma in Kandy veel gedragen kledingstukken gebleven. Een eeuw lang blijven Portugese ideeën de smaak aan het hof in Kandy beïnvloeden, totdat deze op hun beurt de Dravidische invloeden die gedurende de laatste eeuw van hun bestaan opkomen, beïnvloeden.

Het bezoek van de Hollanders is de keizer zo aangenaam geweest dat hij met oosterse overdrijving betoogt dat als Prins Maurits een fort in zijn gebied zou willen laten bouwen, hijzelf en zijn vrouw in persoon een bijdrage zouden leveren in de aanvoer van stenen en dat hij zijn keizerrijk vanaf die dag Vlaanderen zal noemen. Als Joris van Spilbergen tenslotte naar de kust vertrekt, laat hij een bijzonder geschenk aan de keizer achter, als tegenprestatie voor alle ontvangen giften. Dit door Wimala Dharma op hoge prijs gestelde geschenk bestaat uit twee westerse musici, Hans Rempel en Erasmus Martsberger, die tot het gevolg van Joris van Spilbergen behoren. De keizer heeft een grote voorkeur voor westerse muziek, omdat het westen een grotere verscheidenheid in muziekinstrumenten kent dan het Oosten. Op 8 augustus neemt Joris van Spilbergen een Portugese galjoot, met 46 man aan boord, onder bevel van António da Costa Monteiro. De buit bestaat onder meer uit wat peper en kaneel. Op 11 en 12 augustus maakt Joris van Spilbergen nog een enige Portugese sampans buit. Hiermee komt het aantal gevangengenomen Portugezen op circa honderd.

Een paar maanden later, op 28 november 1602, arriveert vice-admiraal Seebald de Weert met andere schepen. Hij wordt gastvrij aan het hof ontvangen en uitgenodigd deel te nemen aan een aanval op Colombo, die de keizer op dat moment van plan is te ondernemen. Hij belooft dit te doen op voorwaarde dat hij wordt schadeloosgesteld voor de te maken kosten. Op 14 januari zeilt hij weg naar Atjeh, met een grote hoeveelheid kaneel en peper, zijnde een gift van Wimala Dharma, die hem echter heeft verzekerd “dat hij geen koopman is, maar een soldaat. Die geen huizen bouwt of gewassen plant of die iets anders onderneemt waarmee hij winst kan maken, maar die zich slechts bekommert hoe hij zijn land kan beschermen.”

Ondertussen maakt Dom Jerónimo plannen om opnieuw een poging te ondernemen het fort in Balane te veroveren, want hij vertrouwt erop dat het numerieke overwicht van zijn strijdkrachten en de veronderstelde demoralisatie van de Singalezen door de desperate strijd van de laatste jaren, zullen voorkomen dat hem hetzelfde lot zal treffen als zijn voorganger. In januari van het jaar 1603 begint zijn, door vice-rei Ayres de Saldanha versterkte leger, die hoopt dat daarmee een snelle overwinning op Wimala Dharma kan worden geboekt, aan de opmars en het bereikt Ganetenna, vanwaaruit wegen worden geopend naar de basis in de bergen waar het fort Balane staat. Er worden batterijen op de omliggende hoogten gestationeerd en er komt een reguliere belegering tot stand, maar door de sterkte van de positie wordt er weinig vooruitgang geboekt. Op 1 februari verschijnt er plotseling een dorpeling in het Portugese kamp die aanbiedt een geheim pad te wijzen dat naar de sterkte leidt. Het aanbod wordt aanvaard en er wordt een aantal soldaten met de gids meegestuurd om de vijand te verrassen. Geleid door hun gids beklimmen de mannen moeizaam een steil en slecht begaanbaar pad en bij het aanbreken van de dag bereiken zij de muren van het fort, maar hun gids is opeens verdwenen.

De jubelende Portugezen bezetten het fort en vieren het feit dat zij na negen jaar van moedige strijd de laatste wijkplaats van hun Singalese tegenstander hebben ingenomen op plechtige wijze. Vanaf dit hoge punt hebben de Portugezen een goed uitzicht op de laagvlakte die zich aan hun voeten uitstrekt. Ver in het westen kan men de glittering van het zonlicht zien reflecteren op de golven van de Indische Oceaan. De basis wordt overschaduwd door een grote platte rotsformatie die de loodrechte zijde van Nav Gala, bekroont, tezamen met de gracieuze en op een kasteel lijkende massa van Utuwan Ka’da, die in het midden van het uitzicht oprijst, terwijl rechtsonder daarvan de forten van Ganetenna en Buddassagoda zichtbaar zijn. Zij worden overschaduwd door de sombere grootheid van Ura Kanda en Batala Gala. Zij zien zichzelf in hun verbeelding als de meesters van heel dit prachtige land en zij mopperen over de onverschilligheid van hun generaal die zich niet haast zijn overwinning bekend te maken.

Dom Jerónimo vertrouwt de zaak niet; de mysterieuze verdwijning van de Singalese gids geeft hem een ongemakkelijk gevoel en hij besluit te wachten op de komst van de zeer ervaren Simão Pinhão voordat hij verder actie onderneemt. Zijn vrees blijkt niet ongegrond te zijn, want op de vijfde morgen deserteren de lascarins, zonder wie de Portugezen hulpeloos zijn in de bergen, en masse naar Wimala Dharma. Het begint erop te lijken dat het leger van Dom Jerónimo hetzelfde lot zal treffen als dat van Pedro Lopes de Sousa in 1594. Er worden boodschappers omgekocht die de garnizoenen rond Colombo moeten waarschuwen. En tachtig zorgvuldig uitgekozen mannen dienen de passage te bewaken die de vijand geacht wordt te moeten passeren, terwijl de Portugezen haastig alles klaar maken voor hun terugtocht. Bij het aanbreken van de dag blijkt dat het in de omliggende bergen en valleien krioelt van vijandige Singalezen, wier trommels en trompetten te horen zijn. De desperate inspanningen van de tachtig uitgelezen manschappen houden hen tot de middag op afstand en om drie uur in de middag beginnen de Portugezen met groote spijt aan de evacuatie van het fort. Zij laten alles achter behalve de munitie. De Singalezen vallen als aasgieren naar beneden om de in het fort achtergelaten voorraden te plunderen en zij achtervolgen al spoedig de afdalende Portugezen, ondanks het hevige vuur waarmee dezen hen voortdurend bestoken. De Portugezen hebben al tweederden deel van de terugweg afgelegd als zij plotseling de banieren van Simão Pinhão, die zich haast om hen te hulp te schieten, in de verte zien. Tegen zonsondergang heeft het terugtrekkende leger de voet van het gebergte bereikt, ofschoon de Portugezen bijna honderd man aan doden en gewonden hebben te betreuren. Daar ontvangt Dom Jerónimo de Azevedo een boodschap van Samarakon die er bij hem op aandringt zijn terugtocht vooral voort te zetten, want anders zal er binnen drie dagen geen Portugees meer op Ceylon in leven zijn, omdat het gehele land zich heeft bewapend.

Samarakon zelf is met de grootste spoed vertrokken om de generaal te hulp te snellen. Onderweg wordt hij opgewacht door een deputatie die hem vraagt zich te onderwerpen aan de Singalese Kroon, waarbij hij de verzekering ontvangt dat allen bereid zijn hun leven voor hem te geven. Zij onderstrepen dat zich nog nooit een zo gunstige gelegenheid heeft voorgedaan de Portugezen het land uit te drijven. Zou hij er echter voor kiezen zijn lot te verbinden met dat van de vreemdelingen, dan zijn zij niet in staat hem te volgen, omdat zij al plechtig hebben beloofd zich in te zetten voor de bevrijding van het land. Het verzoek aan Samarakon stelt hem bloot aan een grote verleiding, maar de nobele Singalees verwerpt de idee disloyaal te zijn aan de erfgenaam van zijn laatste meester, Dharmapala. Samarakon zendt inlichtingen over wat er is gebeurd aan Simão Pinhão, terwijl hij de deputatie van samenzweerders meedeelt dat deze aan hun kant staat. Maar dat besloten is niets te ondernemen voordat de Portugezen in Sitawaka arriveren. Hij vraagt hem daarom de plannen voorlopig geheim te houden.

De Portugezen bereiken Ganetenna, vanwaaruit zij zich beetje bij beetje terugtrekken naar Sitawaka, waarbij zij de gehele weg bestookt worden door de Singalezen, net zoals Edirille Rala heeft gedaan bij hun vlucht uit Gurubewila. Driehonderd Portugese lijken markeren de weg als zij op de vijftiende dag de brede Kelani Ganga oversteken en Malwana bereiken. Hier wacht hen een andere vreselijke verrassing, want de Singalezen hebben Malwana al aangevallen en geplunderd en 19 grijnzende hoofden hangen van een tak van een boom af en groeten Dom Jerónimo de Azevedo als hij terugkeert naar zijn paleis, waaraan zijn wreedheden zo’n duivelse naam hebben gegeven. De Nestoriaanse christenen uit Malabar, die zij aan zij vechten met de Portugezen en die nutteloos blijken te zijn door gebrek aan opium waarvan zij afhankelijk blijken te zijn, zijn bijna tot de laatste man afgeslacht.

Voor de tweede maal is Dom Jerónimo de Azevedo, een van de meest prominente Portugese militaire aanvoerders in de Oost, door de Singalezen overijld op de vlucht gedreven. Het verlies aan mensenlevens is aanzienlijk, maar het verlies aan prestige is nog veel aanzienlijker en het gevolg daarvan zal nog vele jaren zichtbaar zijn. Veel officieren en manschappen die hebben deelgenomen aan de terugtocht zijn aan het einde van hun krachten en bezitten ook geen pardão meer. Zij maken van de gelegenheid gebruik naar Colombo te deserteren. Wat dit laatste betreft is de generaal zeer bezorgd als hij in Malwana plannen maakt voor de nabije toekomst. Op 15 maart 1603 schrijft hij zijn mannen een brief, waarin hij hen vermaant en oproept zich rond hem te verzamelen en hij voegt daaraan toe: “Ik verwacht u hier met een matje voor mijn tafel, want brood en vlees zijn de enige lekkernijen die de Singalezen mij gelaten hebben.”

Deze oproep is niet vergeefs gedaan en er staat al spoedig een nieuw leger in het veld. António Baretto, een van de dienaren van Samarakon, is zeer in aanzien gestegen tijdens de terugtocht; hij heeft verhinderd dat een groot aantal mannen dat naar de Singalezen is gedeserteerd, zich op de vluchtende Portugezen heeft gestort, door angstvallig voor hen te blijven lopen, om dit te voorkomen. De buitenposten, die met zoveel moeite zijn bezet om de verbindingen te onderhouden met een triomferend leger dat successen aan het boeken was in Kandy, zijn in handen gevallen van Wimala Dharma, omdat hun garnizoenen zijn omgebracht met het zwaard of de gevangengenomen garnizoensleden zijn verdeeld over de koninklijke dorpen. Van de veroveringen van Jayawira is, alles behalve Galle, verloren gegaan. Dankzij de persoonlijke invloed van Samarakon is Galle voor de Portugezen behouden gebleven.

De muren van Colombo verkeren in ruïneuze staat en iedereen zet zich met grote ijver aan de taak deze te repareren. De ervaring heeft aangetoond dat het vrijwel onmogelijk is voor de Singalezen, die niet over belegeringsartillerie beschikken, Colombo uit de handen van de Portugezen te rukken zolang als de zee openblijft. Als de Singalezen slechts hadden kunnen beschikken over een paar schepen waarmee zij de haven zouden kunnen blokkeren, dan hadden de Portugezen hun vernietiging nauwelijks kunnen ontlopen.

Het is op dit kritieke moment in de geschiedenis van het eiland Ceylon dat Seebald de Weert op 25 april 1603 met de heel noodzakelijke schepen in Batticaloa aankomt. Op 1 juni bereikt Seebald de Weert het bericht dat de keizer, die een paar dagen daarvoor de stad Menikkadawara heeft veroverd, dicht in de buurt is. Hierop trekt hij, vergezeld van al zijn officieren en tweehonderd manschappen, verder met de bedoeling de vorst te ontmoeten. Er worden hartelijke groeten met Wimala Dharma uitgewisseld, waarna zij zich gezamenlijk naar Sampanturai begeven. Daar wordt de meerderheid van de Hollanders weggestuurd met de opdracht naar de schepen terug te keren, maar in plaats van dit te doen, gaan zij naar de stad, waar zij zich bezatten.

De heersende mening onder de Hollanders is dat zij van plan zijn beslissende invloed uit te oefenen op het lot van het Singalese volk, hetgeen enige toelichting vergt. De Portugezen zijn, de zwarte uit Afrika afkomstige troepen buiten beschouwing latend, zeer gematigd in het gebruik van alcohol en tweeduizend jaar Boeddhisme met zijn verbod op het gebruik van alcoholische dranken heeft van de Singalezen in die tijd vrijwel een volk van onthouders gemaakt. “Zij verafschuwen dronkenschap”, schrijft Robert Knox, die in de zeventiende eeuw jarenlang op Ceylon heeft gewoond. “noch zijn er veel die zich daaraan overgeven.” Een zeker aantal spiritualiën wordt gedistilleerd uit kokospalmen (toddy), het sap afgetapt uit bloeiende kokospalmen, maar dat is hoofdzakelijk voor de export. Mannen uit hogere kasten raken geen alcohol aan, omdat dit sociaal niet aanvaardbaar is en de mogelijkheid dat alcohol door vrouwen zou worden genuttigd, komt niet in het hoofd van Singalezen op. Water is de algemeen gebruikelijke drank, behalve bij een of twee lagere kasten, die de toddy van sommige soorten palmbomen drinken. De hunkering naar een stimulerend of kalmerend middel wordt door de Singalezen gestild met het kauwen van betelbladeren, die verkregen worden van planten die behoren tot de peperfamilie. Hierop wordt gekauwd tezamen met een schijfje sterke arekanoten en een beetje citroen. Het kauwen op betelbladeren is gebruikelijk in alle sociale klassen van de Singalese maatschappij, evenals het drinken van thee in Japan algemeen gebruikelijk is.

Betelblad is hetgeen een maagd aan haar geliefde geeft; het is de verfrissing die wordt aangeboden aan iedere gast; het vergezeld iedere uitnodiging om deel te nemen aan de oogst of om een bruiloft bij te wonen; het verbergt vaak het smeergeld waarmee een burger een gesprek met een ambtenaar tracht te bewerkstelligen. De edelman wordt op zijn reis vergezeld door een page met lang haar die een grote opgesmukte beteltas over zijn schouder draagt, terwijl hij in zijn hand een rijkelijk versierde doos van goud of zilver, gevuld met citroen draagt. Deze milde stimulerende stof vervangt de lust naar alcoholische dranken, die de oosterlingen zo ergert. De aankomst van Seebald de Weert en zijn dronken zeelieden markeert een tijdvak in de geschiedenis van Ceylon.

De exacte details van de tragedie die volgt zijn niet bekend. Het ergert Wimala Dharma dat, in tegenstelling tot zijn bevelen, Portugese opvarenden van vier door Seebald de Weert in de omgeving van Batticaloa genomen Portugese vaartuigen door de Hollanders zijn vrijgelaten, maar desondanks staat hij Seebald de Weert een formele audiëntie toe, waarop de laatste de keizer onder druk zet zijn schepen te bezoeken. Maar hierin heeft de keizer geen zin. Vervolgens wordt gediscussieerd over de aanval van de Hollandse schepen op Galle en de keizer vraagt de Hollanders dringend naar Galle te zeilen; hijzelf, zegt hij, moet terugkeren naar de hoofdstad, waar hij de keizerin alleen heeft achtergelaten. Seebald de Weert, die onder invloed van likeur verkeert, verklaart onomwonden dat als de keizer niet zijn schepen bezoekt, hij op zijn beurt niet naar Galle zal zeilen en hij eindigt met een grove opmerking aan het adres van de keizerin. De geprikkelde monarch draait trots zijn rug naar de dronken zeeman en gebiedt de wachtende edellieden “bindt die hond vast.” Vier van hen leggen hun handen op hem, waarop deze zijn geweer te voorschijn haalt en om hulp schiet. Hij poogt vervolgens uit de kamer te ontsnappen, maar een van de edellieden grijpt hem bij zijn haar, terwijl een ander zijn zwaard trekt en hem zijn hoofd afslaat.

De keizer is geen getuige geweest van het gebeurde en hij is heel verdrietig als hij daarvan verneemt, maar het onheil kan niet worden teruggedraaid en er wordt besloten, nu de leider is gedood, alle anderen ook te doden. Hiertoe worden orders gegeven; de dronken Hollanders worden uit de huizen gejaagd en meer dan vijftig worden met het zwaard omgebracht. Enigen weten te ontsnappen door naar de schepen te zwemmen. Een jonge man wordt gespaard en door de keizer in dienst genomen. Het nieuws van het gebeurde, niet minder tragisch dan onverwacht, veroorzaakt consternatie aan boord van de schepen, maar de Hollanders zijn ervan overtuigd dat er sprake is geweest van een misverstand en de volgende morgen zenden zij een Singalees aan land met een brief. Kort daarna wordt een brief van de keizer ontvangen. “Hij die wijn drinkt”, schrijft de koning, “is walgelijk. God heeft het recht doen zegevieren. Als u vrede wenst, het zal vrede zijn. Als u oorlog wil, het zal oorlog zijn.”

Er wordt prompt een onderdanig antwoord gezonden aan de keizer, die alweer op de terugweg is naar zijn hoofdstad en veertien dagen later arriveert een boodschapper bij de Hollandse schepen. Hij heeft een brief van Wimala Dharma bij zich, waarin de keizer verzekert dat zijn houding tegenover de Hollanders nog steeds onveranderd is en hij nodigt de zeelieden uit hem te helpen bij de verovering van Colombo en Galle. De onderhandelingen daarover leiden niet tot overeenstemming en op 28 juli zeilt de vloot weg zonder ook maar iets te hebben ondernomen. De dwaasheid van een dronken Hollander heeft de verwijdering van de Portugezen van Ceylon voorkomen.

De vijandelijkheden slepen zich voort. Samarakon, die uitgezonden is om de Portugezen te helpen, blijkt niet in staat iets te bereiken en Dom Jerónimo de Azevedo, die ontevreden is over het gedrag van de grote Singalees, arresteert hem en zendt hem in kettingen naar Goa, vanwaar hij nooit meer terugkeert naar zijn geboorteland. De rest van het jaar 1603 gebeurt er niets van betekenis op Ceylon, want de volkeren zijn te zeer uitgeput om de strijd te hervatten, maar vroeg in 1604 verandert de stand van zaken totaal door het overlijden van Wimala Dharma. Voortdurende blootstelling aan de strijd heeft haar invloed op deze man van staal niet gemist en frequente aanvallen van koorts waarschuwen hem dat hij niet lang meer te leven heeft. De vermoeide koning begint zijn huishouding op orde te brengen. Hij ontbiedt zijn ministers in zijn kamer en stelt hun de regent voor die gedurende de minderjarigheid van zijn zoon, Astana Bandara, zijn neef Senerat, die zich heeft ontdaan van zijn priestergewaad en hij vraagt hun hem hun steun en trouw te beloven. De bejaarde chefs staan stil, terwijl de tranen over hun door de oorlog getekende gezichten stromen, terwijl de eerste minister de verlangde belofte namens allen aflegt. Zij trekken zich vervolgens terug en de nog jeugdige koningin en haar jonge kinderen worden geroepen en plechtig aan de zorgen van de regent toevertrouwd.

Een mijl ten noorden van de moderne stad Kandy ligt de heuvel van Asgiriya. De nieuwsgierige bezoeker die de moed heeft naderbij te komen door de ellendige omgeving zal een beetje terzijde een smal pad dat loopt door kaal gras zien. Daarvoorbij staan enige oude bomen, met zwaar ruikende ivoorkleurige bloemen, die een kleine tempel van massieve stenen overschaduwen. Daarachter is een spoorwegtunnel waaruit nu en dan wolkjes van roetige rook ontsnappen en dichtbij staat een christelijke school, wat wellicht gezien kan worden als een mogelijkheid een ten dode opgeschreven volk weer tot leven te brengen, aldus Pieris. Het is op deze plaats dat eeuwen geleden de heersers van Senkadagala zijn gecremeerd.

Hier wordt een grote brandstapel opgericht, geladen met de rijkste oosterse specerijen. Begeleid door het schrille geweeklaag van de fluiten en de sombere roffels op de begrafenistrommels, wordt het lichaam van Wimala Dharma, in een trage processie waarin duizenden meelopen, die het behaarde gezicht en de lange gestalte van de vorst gekend hebben, naar de brandstapel gebracht. Na een paar uren is er nog slechts een hoop as over, maar als men deze hoop beroert blijkt het hart van de overledene, dat dappere hart dat zoveel jaren voor het land geklopt heeft, ongeschonden door het vuur te voorschijn te komen.

Een zucht van dankbaarheid stijgt op uit Portugees Azië als het ‘Zwaard van de Staat’ is overgegaan in de aarzelende greep van de voormalige priester. Er valt nu een donkere sluier over de zaken die zich afspelen in Kandy, waarvan gedurende de komende zeven jaar nauwelijks een glimp kan worden opgevangen van wat er achter de sluier gebeurt. Koning Filipe II van Portugal is de oorlog meer dan moe. Hij stelt voor het eiland Ceylon te verdelen onder de Singalezen, waarbij prins Dom João, die nog steeds aan een van de colleges in Goa wordt opgevoed, een van de rivaliserende koningen van Ceylon wordt. Dit denkbeeld wordt niet aanvaard. Integendeel, de prins wordt kort daarna naar Europa gezonden. De vice-rei op zijn beurt is bezig met het samenstellen van een grote expeditie, om de stijgende macht van de Hollanders in de zuidelijke zeeën te weerstaan en hij geeft Dom Jerónimo de Azevedo opdracht zich een beetje in te houden totdat hij naar Colombo en Galle terugkeert

In de tussentijd wordt er overal bitter en niet zonder reden geklaagd over de onderdrukking en tirannie van de inheemse bevolking door Portugese ambtenaren, die van hen meer rechtvaardigheid hebben verwacht dan zij gewend zijn van hun eigen mensen te krijgen. De opbrengsten van de parelvisserij juist berekend en ammunitie voor het voeren van oorlog worden systematisch gesmokkeld naar vijandelijk gebied, zelfs vanuit de Portugese vestigingen aan de kusten van het zuiden van Voor-Indië. Bovenal is er de immer aanwezige vrees voor de intriges van de Hollanders, wier schepen al gezien zijn aan de westkust van Ceylon en die van inlichtingen worden voorzien door spionnen in Colombo.

Met het overlijden van Wimala Dharma, evenwel, veranderen de zaken. De generaal laat koning Philips III weten dat de politiek van concentratie, aanbevolen door de vice-rei, een desastreuze invloed zal hebben op de geest van de Singalezen, die nog steeds trouw blijven aan de Portugese macht en dat deze politiek tezelfdertijd het de Hollanders zal mogelijk maken een steunpunt op het Eiland te verkrijgen. Hij vertrouwt erop dat de onmiddellijke toevoeging van driehonderd soldaten aan zijn leger het hem mogelijk zal maken Ceylon voor eens en altijd te veroveren. Koning Philips III gaat hiermee akkoord. Het werk van de verovering heeft al zoveel bloed en geld gekost dat het niet langer mogelijk is terug te trekken. Er wordt een strikt onderzoek ingesteld naar het gedrag van de ambtenaren die zich niet aan de wet houden, terwijl er instructies worden uitgevaardigd dat het vertrek van schepen uit verdachte havens nauwkeurig gecontroleerd zal worden en de kust van Manar tot Galle zal worden geblokkeerd om te voorkomen dat de buiten-landers contact hebben met Singalezen. Door deze maatregelen blijven de Singalezen verstoken van noodzakelijke goederen die het Eiland niet zelf voortbrengt.

Hiervan is kleding het belangrijkste; verreweg de meeste kleding die Ceylon nodig heeft wordt ingevoerd uit Voor-Indië. Op de tweede plaats komt opium, dat in grote hoeveelheden door de Singalezen wordt geconsumeerd. Zij vinden hierin een krachtig voorbehoed-middel tegen verschillende ziekten die op de loer liggen in een heet en zeer vochtig land, ofschoon misbruik van drugs niet algemeen verbreid is. Wat de mensen in het hooggelegen binnenland bovenal nodig hebben is zout, dat niet in Ceylon wordt gevonden en dat vooral verkregen wordt van de zoutpannen voorbij Walawe Ganga. Een andere bron van aanbod van zout is het Chilaw district, terwijl er ook grote hoeveelheden komen van Trincomalee en Jaffna. Dit lokale zout, dat in het droge seizoen naar Kandy wordt vervoerd op de rug van ossen, wordt gewoonlijk verkregen door zeewater te doen verdampen, een methode die gebruikelijk is in China en die eeuwen geleden is overgenomen. De vraag naar zout is echter groter dan het aanbod en daarom worden er scheepsladingen zout aangevoerd uit het zuiden van Voor-Indië. De Portugezen zijn van mening dat als het aanbod van drie noodzakelijke producten gedurende een periode van drie jaren kan worden afgesneden de Singalezen gedwongen zullen zijn zich te onderwerpen en koning Philips III geeft opdracht dit plan met voortvarendheid uit te voeren.

Er wordt opdracht gegeven de fortificaties van zowel Galle als van Colombo zonder vertraging te versterken. De haven van Galle, de eerste meest zuidelijke haven van Azië, is van het grootste belang voor de handel in de Zuidelijke Zeeën en gevreesd wordt dat de Hollanders zullen pogen Galle te veroveren. Koning Philips hecht eraan dat in Galle daarom een werf en een arsenaal worden gebouwd, maar dit wordt verijdeld door de lokale autoriteiten, die het niet eens kunnen worden over de noodzakelijk te zetten stappen. De douane-heffingen, de opbrengsten van Manar en het tribuut dat verschillende Indische vorsten verschuldigd zijn worden voor het doen van uitgaven voor de oorlogvoering ter beschikking gesteld van Dom Jerónimo de Azevedo. De bisschop van Cochin, onder wiens spirituele jurisdictie Ceylon is geplaatst, wordt uitgenodigd het Eiland te bezoeken, niet zozeer om de soldaten te bemoedigen, maar om te zien dat de inheemsen rechtvaardig en mild worden behandeld door de ambtenaren die het strikt verboden is zich in te laten met de handel.

Senerat is niet de enige vijand; ook Satan dient bestreden te worden. Want het bezit van een land met uitgestrekte hulpbronnen is niet alleen belangrijk voor het Império Português do Oriente, maar ook voor de zielen van dertigduizend belijdende christenen, wier verlossing in gevaar zou kunnen komen als zij in handen vallen van ongelovige broeders, of in die van de ketterse Hollanders. Een van de zaken die is bevolen is dat geen Singalees mag worden gedoopt totdat hem behoorlijk de catechismus is onderwezen, want de koning is erover ingelicht dat er slechte resultaten zijn bereikt als hiermee de hand wordt gelicht. Zes jaar eerder heeft zijn voorganger bevolen een groter aantal priesters naar het Eiland te zenden en dat deze of zij nu worden ingezet in het onderwijs of bij de verkondiging van het Evangelie, zich vertrouwd dienen te maken met de landstaal, want de verkondiging van het geloof met behulp van een tolk is gebleken geen succes te zijn. Als gevolg hiervan zenden de jezuïeten, die zich in 1540 in Indië hebben gevestigd, een paar leden van hun orde naar Ceylon. Zij worden, ondanks oppositie van de franciscanen, verwel-komd door Dom Jerónimo de Azevedo, wiens eigen broer een zeer vooraanstaand lid van de Societas Jesu is geweest. De generaal bouwt voor hen uit eigen middelen hun casa in Colombo, waar zij in 1605 hun Colégio openen, en hij wijst hun de 62 dorpen toe, die voorheen tot het domein van de Munnesseram Tempel hebben behoord, tezamen met enige waardevolle koninklijke dorpen. Spoedig na de jezuïeten komen de dominicanen en augustijnen naar Ceylon. Er wordt een poging gedaan het Eiland onder de vier kloosterorden op te delen, maar daarvan komt in de praktijk weinig terecht, omdat men de grenzen van de invloedsferen niet in acht neemt.

Er is meer nodig om Ceylon voor de Portugezen te behouden dan missionair enthousiasme, maar dit kunnen de politieke autoriteiten in Goa niet bieden, want alle beschikbare hulpbronnen zijn toebedeeld aan de expeditie waarmee vice-rei Dom Afonso de Castro in hoogsteigen persoon in 1606 naar de Zuidelijke Zeeën vertrekt. Deze expeditie is in deel XVI besproken; zie pagina 54 e.v. Van de expeditie van de vice-rei maakt ook deel uit Samarakon Rala, aan wie de koning heeft getracht genoegdoening te verschaffen voor de grote onrechtvaardigheden die hij heeft ontvangen uit de handen van Dom Jerónimo de Azevedo. Er worden orders uitgevaardigd dat de Singalese edelman met alle voorkomendheid dient te worden behan-deld dat al zijn eigendommen die van hem genomen zijn aan hem dienen te worden teruggegeven en dat alle eisen van hemzelf of en van zijn gezin royaal dienen te worden ingewilgd. Hij wordt zelfs benoemd tot capitão van Goa, een positie die hem een zetel verschaft in de Concelho do Estado da India van de onderkoning, een onderscheiding zoals die waarschijnlijk in de komende 300 jaar nimmer door een Europese regering aan een oosterling is gegeven.

De vloot waarmee de vice-rei uitvaart is de grootste vloot die ooit uit Goa is uitgevaren. Een serie van hardnekkige krachtmetingen eindigt in het totale falen van de Portugezen hun doelstelling te bereiken en de vice-rei zelf sterft in juni 1607 aan een gebroken hart in Malacca. Er kan derhalve geen sprake zijn dat er hulp uit Goa zou kunnen worden verwacht. De raadsleden van Colombo schrijven aan de koning om hem te informeren. Ceylon is doende “De staat op te eten.” In de drie jaren die vooraf zijn gegaan aan 1609 heeft Colombo slechts vijftig man uit Indië ontvangen en alles wat Dom Jerónimo in staat is te doen is het zenden van twee expedities een jaar lang in vijandelijk gebied. Zij ontvangen de opdracht ieder levend wezen dat zij tegenkomen te doden en alle voedsel mee terug te brengen waarop zij de hand kunnen leggen. Simão Pinhão en Simão Correa, alsmede Dom Constantino Navaratna, een telg uit de koninklijke familie die in Matara Samarakon is opgevolgd, staan meestal aan het hoofd van deze expedities, maar desondanks hebben de Portugezen gewoonlijk te weinig te eten.

De teleurstelling van Dom Jerónimo de Azevedo uit zich in de stijging van zijn wreedheid, terwijl hij het optreden van zijn onderofficieren tegenover de bevolking aan henzelf overlaat. Hierdoor treedt iedereen op als hem goeddunkt. De Singalese bevolking is onderworpen aan vreselijk strenge afpersingen; hun tempels worden meedogenloos verwoest. En terwijl de diensten van loyale Singalezen, zoals Samarakon slecht worden beloond, worden afvalligen van het soort van Simão Correa met open armen ontvangen en bevorderd tot posities met grote macht en verantwoordelijkheid. De fortificaties van Colombo zijn zodanig verwaarloosd dat vee gemakkelijk zijn weg over de muren kan vinden; er is geen ziekenhuis dat die naam waardig is en de soldaten sterven van honger en gebrek, omdat hun soldij niet wordt uitbetaald en zij lopen rond in kleren die weinig beter zijn dan ruwe dierenhuiden. De Fransman François Pyrard de Laval4, die Ceylon in 1608 bezoekt, heeft een verslag nagelaten. Hierin schrijft hij dat de Portugese soldaten meest misdadigers en bannelingen zijn en dat er alleen maar vrouwen met een slechte naam naar Ceylon worden gezonden. Hij voegt hieraan toe dat “de Singalezen hun Portugese gevangenen niet willen doden, maar hen met afgesneden neus terugzenden, omdat zij hun grond niet willen vervuilen met de lichamen van vreemdelingen.” Aan de andere kant is het gebruikelijk dat Portugese soldaten die een misdaad hebben begaan, naar de Singalezen overlopen, om te ontkomen aan de gevolgen van hun misdaad. Hiertoe is in Colombo een heiligdom gebouwd, dat in 1610 wordt gevolgd door een heiligdom in Galle. De misdadiger die zijn toevlucht in een heiligdom zoekt, kan daar niet worden gearresteerd, behalve in gevallen van hoogverraad, valse munterij of het ombrengen van een drost of rechter.

De twintig jaren voorafgaande aan 1610 hebben 12.000 Portugese levens en de schatkist een halfmiljoen cruzados gekost, maar het einde lijkt verder weg dan ooit te liggen. In een geheime brief die iemand aan koning Philips schrijft, zegt hij “Ik verklaar dat de hoofdoorzaak is, dat wij Portugezen slechte christenen zijn, die weinig vrees voor God hebben.”

Onder zulke omstandigheden is het niet verrassend dat de koning zijn bittere teleurstelling uitspreekt over het mislukken van een onderneming die er zo veelbelovend heeft uitgezien. En nu kan zich nauwelijks een gunstiger gelegenheid voordoen om de taak te voltooien, want in 1609 – in welk jaar ook Senerat, die de koningin-weduwe heeft getrouwd en alle weerstand tegen de Portugezen staakt, consolideert zijn positie door de troon te bestijgen – is er het Twaalfjarig Bestand overeengekomen met de Verenigde Provinciën, een bestand die een formele erkenning van de onafhankelijkheid van de laatste betekent.

In 1611 is de Portugese regering in Indië in staat 700 Portugese soldaten ter beschikking van Dom Jerónimo de Azevedo te stellen. In augustus van dat jaar trekt hij persoonlijk ten strijde met 700 Portugese soldaten en 25.000 lascarins. Bij het oversteken van de Mahaweli Ganga bieden de Singalezen enige tegenstand. Maar als de Portugezen op een bepaald moment beginnen te wijken, springt Frei Gaspar de la Madalena, een franciscaner monnik, in de rivier, hij steekt een kruis omhoog en roept de mannen toe hem te volgen. Uitgedaagd door religieus enthousiasme en opwinding, zetten zij de aanval in en verdrijven de vijanden spoedig uit hun verdedigingswerken. De Portugezen nemen de verlaten hoofdstad van Kandy in en steken haar in brand. Na het omliggende land te hebben verwoest en een garnizoen van twee compagnieën, onder bevel van António Costa Monteyro, in Balana5 te hebben gelegerd, trekken de Portugezen zich terug naar Colombo, op afstand gevolgd door vijanden die aanvallen uitvoeren op de achterhoede en menig man doden. Na zijn nederlaag onderwerpt Wimala Dharma zich aan de Portugezen en geeft hij zijn beide zoons in handen van enige franciscaner monniken om te worden opgevoed als katholieken. Er wordt een verdrag met de koning van Kandy aangegaan en in een brief aan koning Philips III wenst Wimala Dharma de vorst geluk met diens troonsbestijging en hij spreekt de wens uit waardig te worden gevonden om zijn plaats in te nemen tussen de vorsten in Azië die Dom Filipe met zijn correspondentie vereert.

Sinds het overlijden van Wimala Dharma, leeft koning Senerat in goede verstandhouding met de Hollanders. Op 8 maart 1612 arriveert de onderfactor Marcellus Boschouwer met de Zwarte Leeuw in Ceylon. Hij reist door naar het hof, gewapend met brieven van de Staten Generaal en van Prins Maurits van Oranje, die zijn gericht aan “De Meest Illustere en Meest Nobele Keizer van Ceylon, Onze Geliefde Wapenbroeder.” Zijn bezoek is zo succesrijk dat op 11 mei tussen Singalezen en Hollanders een verdrag wordt gesloten, waarbij de twee contracterende partijen het erover eens zijn elkaar te ondersteunen tegen de Portugezen, terwijl de Hollanders wordt toegestaan een fort te bouwen in Kottiyar aan de oostkust van het Eiland, waardoor zij de controle krijgen over de mooie haven van Trincomalee. Tussen de Hollanders en de Singalezen is onbeperkte handel toegestaan, waarbij misdragingen worden gestraft door de eigen officieren. De keizer gaat er bovendien mee akkoord de Hollanders het monopolie op de handel in kaneel, kostbare stenen en parels te verschaffen, ofschoon hij zich het recht voorbehoudt munten te slaan. Er wordt ook afgesproken dat twee Hollanders zullen worden opgenomen in ’s keizers Oorlogsraad.

Marcellus Boschouwer valt bij keizer Senerat zo goed in de smaak dat deze niet kan besluiten hem te doen vertrekken. Hij ontvangt een gouden hoofdband van een dignitaris met wie hij beraadslaagt en hij neemt de plaats in tussen de edellieden aan het hof van Senerat, onder de naam Migamuwe Rala van de zeehaven Negombo, welke plaats aan Marcellus Boschouwer gegeven wordt te zijner onder-steuning. De keizer schenkt hem ook een Singalese prinses als vrouw.

1 Generaal is de door Pieris gebruikte aanduiding voor de hoogste Portugese militaire bevelhebber op Ceylon

2 Dankzij vooruitstrevende wetgeving en sociale welvaarts-politiek van de opeenvolgende regeringen na het verkrijgen van de onafhankelijkheid hebben de Rodi na eeuwen van onder-drukking de hen toekomende plaats in de Sri Lankaanse maatschappij kunnen innemen.

3 Schaap en Ram (zie bijlage van deel XV)

4 Zie deel XVII, pag. 59 en 60

5 De nieuwe hoofdstad van Kandy

2.2 Het Portugese bestuur over Ceylon

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee. DEEL 18

Geschreven door Arnold van Wickeren

Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee. DEEL 18

De bemoeiingen van Portugal met Ceylon in de jaren 1557-1640

INDEX

Verantwoording

Glossarium

Hoofdstuk 1. De Portugese bemoeiingen met Ceylon

1.0. Inleiding

1.1. Ceylon tot aan de komst van de Portugezen

1.2. De komst van de Portugezen naar Ceylon

1.3. De relaties met Ceylon in de jaren 1538-1558

1.4. Raja Sinha bereidt zich voor op de strijd

1.5 De belegering van Colombo door Raja Sinha en zijn dood

Hoofdstuk 2. Portugese pogingen Ceilão te veroveren

2.0. De moord op Jayawira Bandara en de nederlaag van Pedro Lopes de Sousa

2.1. De pogingen van Dom Jerónimo de Azevedo (1594-1611) het Ilha de Ceilão te veroveren

2.2. Het Portugese bestuur over Ceylon

2.3. De ontwikkelingen op Ceylon tot aan de komst van Dom Constantino de Sã e Meneses

2.4 Dom Constantino de Sá e Meneses de Noronha

2.5. De komst van de Hollanders naar Ceylon

Verantwoording

Wat mij in de geschiedenis van Portugal van jongs af aan vooral fascineert zijn de voortrekkersrol die het land heeft gespeeld in de ontdekking van de wereld en zijn maritieme expansie. Mijn boek gaat daarom voornamelijk over de verrichtingen van de Portugezen overzee in drie continenten. Het gaat dan om zaken als: de wereldwijde maritieme expansie in de vijftiende en in de eerste helft van de zestiende eeuw; de eerste tekenen van verval van de Portugese positie in Azië in de tweede helft van de zestiende eeuw en de vrijwel volledige teloorgang daarvan, mede door toedoen van de VOC, in de zeventiende eeuw; de strijd tegen de WIC om Brazilië en de Portugese gebieden in West-Afrika in de zeventiende eeuw; de bloei en het verlies van Brazilië in de achttiende, respectievelijk de negentiende eeuw; de uitbouw van het koloniale rijk in Afrika naar de binnenlanden aan het einde van de negentiende en in de eerste helft van de twintigste eeuw en het einde van de imperiale droom aan het begin van het laatste kwart van de vorige eeuw. Deze en soortgelijke zaken komen uitvoerig in dit werk aan de orde, terwijl de bespreking van de ontwikkelingen in Portugal zelf de noodzakelijke achtergrondinformatie geeft, waaruit het optreden overzee kan worden begrepen.

Bij het schrijven van elkaar opvolgende delen, is het soms gewenst zaken in te leiden met al dan niet samengevatte teksten uit voorgaande delen, waardoor enige overlap ontstaat. Er is temeer sprake van overlap als, zoals in mijn geval, het aantal deeltjes groot is, omdat de beschouwde periode soms maar enige decennia omvat. Daarom heb ik besloten te beginnen met deeltje XIII de te behandelen periode aanzienlijk te vergroten. Deel XIII en een aantal volgende delen omvatten dan ook de regeringsperioden van koningen Sebastião (1557-1578), kardinaal Henrique (1578-1580) en de Spaanse Habsburgers (1580-1640).

In de ‘Verantwoording’ van voorgaande delen is in zeer korte vorm vermeld wat de inhoud is van het betreffende deel en van de voorafgaande delen. Deze methodiek leidt ertoe dat de verantwoording bij elk nieuw deel qua omvang toeneemt. Bij deel XV en volgende delen volsta ik ermee te zeggen dat in de delen I t/m XII wordt besproken de periode vanaf de prehistorie tot aan het overlijden van Dom João III in 1557, dat in deel XIII de gebeurtenissen aan de orde komen die uiteindelijk in 1580 hebben geleid tot de personele unie van de Spaanse en de Portugese troon en van het zestigjarige bestuur van de Spaanse Habsburgers over Portugal en zijn overzeese imperium. Deel XIII verhaalt voorts Sebastião’s rampspoed in Marokko, de ontwikkelingen van de Atlantische eilanden en West-Afrika in de periode 1560-1640, waarin de strijd om en het verlies van het Fortaleza de São Jorge da Mina centraal staat. Deel XIV gaat over de bemoeienissen van de Portugezen met Angola en Kongo in hetzelfde tijdvak en over de Portugezen aan de Swahilikust van 1560-1600. Deel XV behandelt de ontwikkelingen in en rond de Estado da India onder de capitães-gerais Dom Constantino de Bragança t/m Dom Francisco da Gama (1558-1600). Idealiter zou in deel XVI besproken zijn de geschiedenis van de Estado da India vanaf het begin van de zeventiende eeuw tot aan het herwinnen van de Portugese onafhankelijkheid in 1640. Gelet op de verhalende vorm waarin de materie wordt behandeld, met specifieke aandacht voor curieuze details aan de ene kant en de nog immer toenemende omvang van de geraadpleegde literatuur aan de andere kant, is dit een onmogelijke opgave gebleken. In deel XVI worden de ontwikkelingen in de Estado da India besproken tot aan de komst van Hollanders en Engelsen naar Azië, wat uiteindelijk de teloorgang van Portugals positie in dat werelddeel zal inluiden. Het laatste, hoofdstuk is gewijd aan de Portugezen aan de Tamilkust in de periode 1560-1680. In dit deel zijn buiten beschouwing gebleven het Portugese optreden elders in Azië, zoals op Ceylon, aan de Golf van Bengalen, in Birma, Siam, Achter-Indië, Malacca, de Molukken en de Banda-eilanden, Solor en Timor, in China (Macau) en Japan en tenslotte aan de Swahilikust, die aanvankelijk ook tot de Estado da India gerekend werd. In deel XVII is de bespreking van de Estado da India voortgezet met de rampzalige periode 1623-1640. In hoofdstuk 2 worden de Portugese verrichtingen aan de Golf van Bengalen behandeld en hoofdstuk 3 is gewijd aan de aanwezigheid van Portugezen, Spanjaarden en Hollanders in Siam en Achter-Indië. In het voorliggende deel XVIII wordt aandacht besteed aan de Portugese aanwezigheid op Ceylon gedurende het tijdvak 1557-1640. Deze bespreking wordt ingeleid door de volgende vier paragrafen: 1.0 Inleiding, 1.1 Ceylon tot aan de komst van de Portugezen, 1.2 De komst van de Portugezen naar Ceylon, 1.3 De relaties met Ceylon in de jaren 1538-1558.

Bij het schrijven van dit werk sta ik als een dwerg op de schouders van reuzen. Dezen hebben de oorspronkelijke bronnen ontcijferd en daaruit de soms tegenstrijdige gegevens geschift, geordend, geduid en van annotaties voorzien. Ik heb mij slechts tot taak gesteld uit de veelheid van boeken de meest bruikbare te kiezen. Naarmate ik al doende meer inzicht verwerf in de zeer uitgebreide bibliografie van de Portugese aanwezigheid overzee, wordt het kiezen uit de immer aanzwellende stroom studies, moeilijker. Aan de ene kant is de verleiding groot zoveel mogelijk gebruik te maken van literatuur waarin aandacht wordt geschonken aan de heldendaden, lotgevallen en euveldaden van individuele personen, omdat deze kleur geeft aan de historie. Maar aan de andere kant leidt te grote aandacht voor details ertoe dat ik het werk waaraan ik vele jaren geleden ben begonnen, niet zal kunnen voltooien. Ik moet dus schipperen en zal gedetailleerde beschrijvingen moeten afwisselen met stukken die een globaal overzicht verschaffen. Bij de keuze van te raadplegen literatuur staat Dr. B. N. Teensma mij met raad en daad terzijde; ook heeft hij mij een aantal boeken van zijn hand geschonken en mij gestimuleerd op de ingeslagen weg voort te gaan. Tenslotte heeft hij een lovend voorwoord bij deel XIII verzorgd. Voor dit alles zeg ik hem oprecht dank. Mijn erkenning gaat ook uit naar Prof. Dr. Leonard Blussé voor zijn bemoedigende reacties op de eerder verschenen delen en voor enige werken die ik van hem heb mogen ontvangen. Van Dr. Ir. Ernst van Veen en Dr. Arend de Roever ontving ik hun dissertaties. Beiden zeg ik oprecht dank voor de waardevolle aanwinsten van mijn boekenlijst. Voorts gaat mijn dank uit naar Arie Pos, die van meet af aan belangstelling voor mijn werk heeft getoond en die het voorwoord van deel XVII heeft verzorgd. Voorts is hij zo behulpzaam geweest dat deel zorgvuldig na te lopen op type- en taalfouten. Arie Pos heeft toegezegd dezelfde aandacht te besteden aan komende delen. Voor dit alles ben ik hem zeer dankbaar. Ook vermeld ik met genoegen de voortreffelijke website Dutch-Portuguese colonial historyhttps://www.colonialvoyage.com/van Marco Ramerini. Deze site met zijn vele links vormt voor mij een bron van inspiratie en een uitstekende checklist voor zowel data als relevante literatuur. Marco Ramerini heeft mij ook voorzien van literatuuradviezen; heeft mij geattendeerd op relevante websites, zaken voor mij opgezocht en literatuur met mij uitgewisseld. Voor zijn vele blijken van vriendschap ben ik hem zeer dankbaar. Naast de website van Ramerini neemt het aantal bruikbare websites voortdurend toe. Tenslotte betuig ik mijn dank aan Pieter Jongepier, die mijn werk dermate waardeert dat hij het integraal op het Internet heeft gezet. (Zie https://www.colonialvoyage.com/geschiedenis_portugal_overzee/index.html) Voor dit blijk van waardering en voor al het werk dat Pieter Jongepier op zich heeft genomen, ben ik hem zeer dankbaar.

Hierna volgt een opsomming van de bij het schrijven van dit deel vooral geraadpleegde literatuur; daarbij zijn de werken waaraan ik het meest heb gehad, vet vermeld. In het laatste deel van dit werk zal een volledige literatuurlijst worden opgenomen.

Voor deel XVIII in zijn geheel zijn de volgende algemene handboeken geraadpleegd:

Leonard Blussé & Jaap de Moor: Nederlanders Overzee; de eerste vijftig jaar 1600-1650, Franeker, 1983;

Charles R. Boxer: The Portuguese Seaborne Empire 1415-1825, London, 1969;

Charles R. Boxer: The Dutch Seaborne Empire 1600-1800, London, 1965;

H.V. Livermore: A New History of Portugal, Cambridge U.K., 1966;

A.H. de Oliveira Marques: History of Portugal, Volume I & II, New York, 1976;

José Hermano Saraiva: História concisa de Portugal; Lisboa, 1979;

Ernst van Veen: Decay or Defeat? An inquiry into the Portuguese decline in Asia 1580-1645, Research School of Asian, African and Amerindian Studies Universiteit Leiden, The Netherlands, 2000;

VOC-Internet sites

Arnold van Wickeren: voorgaande delen van dit werk.

Naast deze boeken die gebruikt worden bij het schrijven van ale delen, zijn bij

het schrijven van deel XVIII de volgende werken geraadpleegd:

Alden, Dauril: The Making of an Enterprise; The Society of Jezus in Portugal,

Its Empire, and Beyond, 1540-1750, Stanford University Press,

Stanford, California, 1996

Associação Nacional de Cruzeiros (A.N.C.), Batalhas e Combates da Marinha

Portuguesa (Vol.V) van Saturnino Monteiro, waarvan het artikel “11 a 24 de Fevereiro de 1625” is gepubliceerd op de internetsite

http://ancruzeiros.pt/anchistoria-comb-1625.html

Boxer, C.R.: From Lisbon to Goa, 1500-1750: studies in Portuguese Maritime Enterprise, Variorum Reprints, London, 1984;

Boxer, C.R.: Mary and Misogyny; Women in Iberian Expansion Overseas 1415-1815, Gerald Duckworth & Company Limited, Londen, 1975;

Boxer, C.R.: Race Relations in the Portuguese Colonial Empire 1415-1825, Clarendon Press, Oxford, 1963;

Codrington, Humphry William, A Short History of Lanka, Macmillan and Co, London, 1926 (ontleend aan internet)

Danvers, Frederick Charles: The Portuguese in India, Volume II, W.H. Allen & Co. Ltd., London, 1894;

Fernando, Dr. K. D. V. D., Former President of the Royal Asiatic Society: Dona Catherina: the last empress of Lanka en het weerwoord van B.P. Aryatilake/The Island Dona Catherina was not an  Empress, WWW Virtual Library – Sri Lanka http://www.lankalibrary.com/geo/portu/dona.htm

Pieris, P.E.: Ceylon and the Portuguese 1505-1658, Ceylon Civil Service, Kandy, 1920;

Rajasingham, K. T; Portuguese: Religious conversion and ending Tamils’ Sovereignty IV, Asian Tribune, 2005-07-06, ontleend aan internet: Christian Aggression.org

Souza, Avelino de; (Goanet) Portugese rule ruined Jaffna, ontleend aan internet http://www.mail-archive.com/goanet.org//msg39190.html

Valentijn, François: Oud-en Nieuw Oost-Indiën, deel V, Uitgeverij Van Wijnen, Franeker, 2002

Winius, George Davison: The Fatal History of Portuguese Ceylon: Transition to Dutch Rule, Harvard University Press, Cambridge, Massachusetts, 1971;

Ook is veelvoudig en intensief gebruik gemaakt van het alsmaar toenemende van het Internet, naast de hiervoor al vermelde sites, waardoor de tot voor kort gebruikte naslagwerken, als de Encyclopædia Britannica, Le Petit Robert des Noms Propres, 2003 en vele andere naslagwerken vervangen konden worden door opzoeken van gegevens op het Internet.

Velen hebben mij gestimuleerd voort te gaan met het bestuderen van en het schrijven over het gekozen studiegebied; anderen hebben mij daadwerkelijk geholpen. Tot degenen op wie ik een beroep kon doen om technische problemen met de PC. te overwinnen behoren mijn oud-buurman Piet Vermaas RA. en mijn huidige buurman Kai de Jong. Hun zeg ik daarvoor dank. Het personeel van Multicopy in Heerhugowaard zeg ik dank voor de keurige verzorging van dit deel van mijn werk. Tenslotte spreek ik in het bijzonder mijn dank uit aan mijn vrouw, die – na mijn pensionering — mij weinig met huishoudelijke taken belast, maar mij alle gelegenheid geeft dit boek te schrijven.

De schrijver

Glossarium

Geschreven door Arnold van Wickeren

acre: 4046,86 m²

Adil Khan: rechtvaardige heerser van Bijapur

alvará: koninklijk decreet

ambalan: opvang van karavanen

amunam:varieert tussen de 24.000 en 26.000 noten

arachchi:

arekanoten: zaden van de palmboom Areca catechu, die met betelbladeren en verschillende soorten specerijen een ingrediënt vormen voor de vervaardiging van sirih (een soort ‘pruimtabak’)

armadas: vloten

arrayal: garnizoen

attapattu: lijfwachten

autodafe: actus fidei, geloofsdaad

bada:pottenbakkersbelasting

badagas: Portugese aanduiding van huurlingen in Jaffna afkomstig uit Zuid-India

bahar: Ceylonese bahar = 176,25 kg.

barrette: Portugese muts

berço: wiegje, kanon met korte loop, vergelijkbaar met een boordkanon

Bo-boom:

brahmanen: Indische priesterkaste

cabaya:lange Arabische tuniek die door de Portugezen vaak aan Indische radjas worden gegeven

Cabo da Boa Esperança: Kaap de Goede Hoop

cadjans: dakbedekking van palmbomen

Câmara (van Colombo):

camello: soort kanon

Canopy of Dominion:

capitães-gerais:kapiteins-generaal

capitão (kapitein): bevelhebber van een plaats, fort, garnizoen, of militaire eenheid:

capitão-ge(ne)ral: is de rang van de capitão aan de Minakust, van de conquistador van het Ilha de Ceilão, van de governor-geral van Brazilië en van de governor-general van de Estado da India

capitão-mor: bevelhebber van een vloot of eskader

caravanserai:

caravela (karveel):

langwerpig zeilschip van 60

tot 100 ton, met geringe

diepgang en een hoog dek, een

achterkasteel en 2 of 3

latijngetuigde masten

Carreira da India: Vaart op Indië

casa: huis

cassado: gehuwde kolonist

catur: klein roei- en zeilschip

Cidade de São Lourenço: Stad van Sint Laurentius (Colombo)

colégio: college

Conselho do Estado da India: Raad van de Staat van Indië

Conselho do Vice-Rei: Adviesraad van de onderkonng

Compañía, de Societas Jesu:

Orde van de Jezuïeten

conde: graaf

conquistador-geral: veroveraar van Ceylon

Convento de Sant’António: Klooster van Sint Antonius

Convento de São Francisco: Klooster van Sint Franciscus

Costa da Pescaria Visserijkust:

cruzado: gouden munt met een gewicht van 3,58 gram; een gehalte van 23,75 karaat en een waarde van 390 reais (1496-1514) en 400 reais in de periode (1514-1537. Rond 1550 werd in Malacca en zilveren cruzado in omloop gebracht met een waarde van 360 reais

Danta Dhatu: reliek in Sri

Lanka die een tand van Boeddha

zou zijn

de facto:

dewala:hindoe-tempel waarin goden worden vereerd die door de boeddhisten worden erkend

dessaye: functionaris

disawani: provincie

disawa: titel van een bestuurder van een provincie

Duruta: maand

escrivães: schrijvers, secretarissen

espingardas de pedernèira: wheel lock harquebusses

Estado da India: ‘Staat van Indië’ naam voor het Império Português do Oriente het geheel van Portugese havens, forten en steunpunten ten oosten van Cabo da Boa Esperança

estância: groep van 36-38 soldaten onder een capitão

facines van palmbomen

fanam: gouden Singalese munt met een waarde van tien reais

feitor: factor; beheerder van de handelsgoederen in een factorij of aan boord van een handelsschip

factor

feitoria: factorij

Feringhees: Franken

fidalgo: zoon van iemand

filho d’algo); edelman

filhas bastardas: bastaard kinderen/ zonen

frei: broeder, eerwaarde

fusta (hulk): lang en plat roei en zeilschip met een of twee masten

Ganegoda Deviyo:

Handuru Swami daruwo:’Gods kinderen, hoogste Singalese klasse

Ilha de Ceilão: Eiland Ceylon

Ilhas das Vacas: Eilanden van de koeien

Império de Cota: Koninkrijk Kotte

Império Português do Oriente: het geheel van Portugese havens, forten en steunpunten ten oosten van Cabo da Boa Esperança

Junta:Raad

Kailasa:

kafir: Arabisch woord voor ongelovige

kanda: berg

Kanda Uda Rata: Kandy, welk woord niet voorkomt in het Singalees

kattenogen:

kina: baal

korale: district

Korale Vidanes: lagere (juridische) ambtenaren

Kusa Jakata: groots gedicht in het Singalees van Alagiyawanna

lascarin:inheemse soldaat op Ceylon

légua: afstandsmaat waarvan de lengte, afhankelijk van de kroniek-schrijver, varieert van 5,93 tot 6,66 km

Lowa Maha Paya:

Maha Saman Dewalaya:

Maha: chef mudaliyar

mahottalas: secretarissen van de disawas

marala: ‘doodsplich’;belasting bij overlijden

maraleiros: inzamelaars van maralas

mayorals: dorpshoofden

Medindina: maand

Mesa da Consciência: koninklijke raad voor religieuze zaken

Mesa de Relação: hooggerechtshof

Mestiço: halfbloed

milreais: duizend reais

mudaliyar: bestuurder van een district of dorp op Ceylon

mulleriyawa:

naik:bestuurder van een beperkt gebied, bijvoorbeeld van Tanjore

nau (kraak): ‘groot schip,’ groot en breed zeilschip (800 – 2.000 ton) met drie masten; de fokkemast heeft een latijnzeil, de grote en de bazaansmast hebben dubbele vierkante zeilen; de nau is aanvankelijk gebruikt als vrachtvaarder in de Carreira da India, later aangepast tot oorlogsschip.

nayak:bestuurder van een beperkt gebied, bijvoorbeeld van Thanjavur

Nindagama: privilege toegekend aan ‘dorpsvader’

Officio de Rememoração: instantie in Portugal die bevoegd is verdienstelijke exmilitairen van overzee te belonen met een aanstelling voor een bepaald aantal jaren als capitão van een haven, rechter of factor

olas:

padre:pater

pagoda: gouden munt, ter waarde van 370 reais, met de beeldenaar van Vishnu

pansala:

parão: kleine galei met 20 of 30 roeiers en twee masten, vergelijkbaar met een galjoot. De parão is het meest algemene oorlogsschip in de Indische Oceaan in de zestiende eeuw

paravas: Tamils die aan de Parelvisserskust pareloesters opduiken, aanvankelijk voor moslimhandelaren, maar na hun kerstening voor de Portugezen

pardão of pardau: gouden munt ter waarde van 6 zilveren tangas, circa 360 reais. (Een zilveren pardão weegt 22 gram en heeft gedurende de eerste helft van de zestiende eeuw een waarde van 5 tangas of 300 reais)

pemural:is een Dravidische titel die Singalese koningen vaak toekennen aan hogere uit India afkomstge officieren van het hof

peya:

portuguez:is een grote gouden Portugese munt, die op de achterkant het Kruis van de Orde van Christus draagt, met een waarde van 15 xerafins, à 300 reais de xerafim. Een Portuguez heeft een waarde van 450 Singalese fanams.

pound: 0,454 kg.

Raja Sinha Maha Raja:

Ramayana:

Ra Sin Deviyo:

real (reais): zilveren of koperen Portugese munt

Reino de Candea:

safieren:

sages:

sannas:

sampans klein kustvaartuigen in de Indische archipel; soms uitgerust met twee masten en roeiriemen en niet of ten dele overdekt

Senado da Câmara: gemeenteraad

sinha:leeuw

Site: sterrenbeeld

Societas Jesu: Sociëteit van Jezus = Orde van de Jezuïeten

Sri:

Sri Dālada Maligawa:

Sri Pada:

thoneys: kleine houten boten

toddy: gedistilleerd bereid uit kokospalmen

tombo: kadasterregister

topasses:

Torre do Tombo, guarda-mor do Arquivo Nacional da: beheerder van de koninklijke archieven en bibliotheek

Vadagar: noorderlingen

Vadakar-troepen:

Vedi Rata:

(Vedor) da Fazenda: hoogste autoriteit belast met het financiële toezicht namens de Kroon

vice rei: onderkoning (Port.)

Viduna: inboeker van safieren en kattenogen

vihara:boeddhistische tempel

vise: instemming van de vedor

Walauwa: woning van de houder van een nindagama

Welekma: niet te overschrijden cirkel rond veroordeelde

xerafim: zilveren munt, aangemunt in Voor-Indië, met (gedurende de eerste helft ban de zestiende eeuw)een gewicht van 22 gram en een waarde van 300 reais.

zamorin: ‘Heer van de Oceaan’ Hindoevorst van Calicut

Hoofdstuk 1. De Portugese bemoeiingen met Ceylon 1.0. Inleiding 1.1. Ceylon tot aan de komst van de Portugezen

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

Hollanders in Cambodja. Portugezen, Spanjaarden en Hollanders in Siam en Achter-Indië

Deel 17 Index

Hoofdstuk 3.

Portugezen, Spanjaarden en Hollanders in Siam en Achter-Indië

3.4. Hollanders in Cambodja

Geschreven door Arnold van Wickeren

In 1641 krijgen de opperhoofden van het fluitschip Oostkapel van Gouverneur-Generaal António van Diemen en van diens toekomstig opvolger Cornelis van der Lijn opdracht naar de rivier van Cambodja te zeilen om daar voor de Japanse markt ruwe zijde, zijden stoffen, alsmede herten- en andere vellen te kopen. Dit is overigens niet de eerste maal dat de VOC zaken doet in Cambodja. Zij heeft daar in de hoofdstad Lovêk sedert 1635 of 1637 een vast comptoir, waar Jan Dirksz van Galen zijde en huiden voor Japan inkoopt. In Lovêk hebben Japanners, Chinezen, Siamezen ook een vestiging en ook de Portugezen doen daar zeer goede zaken.

De VOC heeft in Cambodja soms met tegenslagen te kampen die heel wat mensenlevens kost. François Valentijn maakt melding van een Hollandse jonk met een Chinese bemanning. De jonk zeilt eind 1638 of begin 1639 uit naar Japan. Op volle zee vermoordt de Chinese bemanning de achttien Hollanders aan boord en gaat er met het schip en de lading vandoor.

In 1642 bestijgt Chau Pnhea Chan de Khmer troon. In antwoord op schermutselingen tussen zeelieden van verschillende naties bepaald de nieuwe koning dat zowel buitenlandse schepen, als Khmer schepen afkomstig uit het buitenland alleen in Phnom Penh mogen afmeren als zij hun masten en roer verwijderd hebben.

De VOC heeft met meer tegenslagen te kampen. In september 1643 arriveert de tot gezant naar de koning van Cambodja gepromoveerde koopman Regemortes in dat land. Hij begeeft zich met een stoet van twaalf oppassers en een grote trein kooplieden, schippers en assistenten, allen te paard, naar het hof in Lovêk. De Cambodjanen ergeren zich vreselijk aan het in hun ogen schaamteloze optreden van de Nederlanders. De stoet wordt plotseling omsingeld door een grote groep Cambodjaanse soldaten, die de ongewapende ruiters onverhoeds neersabelen. Ook de 36 in het comptoir verblijvende Hollanders worden vermoord en 50 man worden gevangengenomen. Deze door de Portugezen in Lovêk geïnspireerde moordpartij blijft ongewroken.

Om het prestige van de VOC in Cambodja te herstellen, zendt Batavia 23 maart 1644 een eskader van vier schepen, met 452 gewapende mannen aan boord naar Phnom Penh. Het eskader bestaat uit de schepen Kievit, Dolfijn, Wakende Boei en Noordster. Drie van de vier schepen komen op 3 juni 1644 in Phnom Penh aan.

Op 22 juli 1644 wordt de Noordster aangevallen door schepem van de koninklijke Khmervloot. Tot de aanvallende schepen behoren de Rijswijk en de Oranjeboom, welke schepen de Cambodjanen vorig jaar van de Hollanders hebben buitgemaakt.

In 1646 gaat koning Chau Pnhea Chan (1642-1658) ermee akkoord de drie jaar eerder gevangengenomen Hollanders vrij te laten en de toen geconfisqueerde handelswaren terug te geven.

In 1651 komt er en Britse koopman naar Phnom Penh en deze sticht in augustus een factorij. In zijn dagboek schrijft hij over drie grote rivieren die Cambodja doorstromen en die bij Phnom Penh bijeenkomen. In de maanden januari, februari, maart en april kan men geholpen door gunstige winden in vijf dagen de 190 mijl afleggen van de riviermonding tot aan Phnom Phen, In de maanden mei en juni duurt de reis twaalf dagen en in augustus en september is de stroom zo sterk en zijn de winden zo ongunstig dat de reis 52 dagen vergt.

In 1653 verschijnt volgens Engelse documenten de eerste Fransman in Cambodja. Het is Bastian de Bouillon die met twee jonken, geladen met kleding ter waarde van 30.000 realen, uit Batavia in Phnom Penh arriveert.

Twee jaren sluiten de koning en de VOC een verdrag, dat de Khmer verplicht een vergoeding te betalen voor de aan handelspost van de VOC aangerichte schade. De Hollanders verwerven het handels-monopolie met Cambodja. In 1656 dragen de Britten hun factorij aan de Hollanders over. Sedert de stichting van de Britse factorij in 1651 hebben de Nederlanders de Engelsen het leven in Cambodja zuur gemaakt.

In 1659 bestijgt Barom Reachea VIII of Ang So (1659-1672) de troon van Cambodja. In hetzelfde jaar wordt de handelspost van de VOC geplunderd door de Annamieten.

In 1662 wordt in de Siamese hoofdstad de Societe des Missions Etranger de Paris gesticht. Een paar jaar later breidt zij haar religieuze activiteiten uit naar Cambodja, maar zij stuit op de oppositie van Spaanse dominicanen, die hun privilege in Cambodja verdedigen. Drie jaar later vestigt de Franse pater Louis Chevreul in de Cambodjaanse streek van Sway Rieng. Hij verhuist later naar Phnom Penh en tenslotte naar Oudong. Hij geraakt ontmoedigd door de onverschilligheid van de Cambodjanen en door de vijandigheid van Hispano-Portugese missionarissen. Hij geeft zijn inspanningen het Evangelie te verkondigen op en verlaat Cambodja.

Op 9 juli 1667 arriveert het jacht Schelvisch in Phnom Penh, om de Hollandse handelaren te evacueren, maar de nacht vooradgaande aan de evacuatie overvallen Chinezen het Hollandse comptoir, zij vermoorden de factor, Pierre Ketting, tezamen met enige van zijn mannen Zij plunderen de factorij en gaan ervandoor met de kas. Zij worden door de koning voorbeeldig gestraft. Op 12 juli verlaat de Schelvisch Phnom Penh, wat het einde betekent van de activiteiten van de VOC in Cambodja.

Deel 18: De bemoeiingen van Portugal met Ceylon in de jaren 1557-1640 

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

Portugezen en Hollanders in Achter-Indië. Portugezen, Spanjaarden en Hollanders in Siam en Achter-Indië

Deel 17 Index

Hoofdstuk 3.

Portugezen, Spanjaarden en Hollanders in Siam en Achter-Indië

3.1. Portugezen en Hollanders in Achter-Indië

Geschreven door Arnold van Wickeren

Onder Achter-Indië verstaan wij het voormalige Frans Indochina, dat bestaat uit de landen Laos, Cambodja en Vietnam. Dit laatste land bestond uit: Tonkin, Quinam of Annam en Cochin-China. Tonkin kwam ruwweg overeen met het voormalige Noord-Vietnam, Cochin-China viel ongeveer samen met het voormalige Zuid-Vietnam en Annam was het smalle middenstuk van Vietnam, rond de voormalige keizerlijke hoofdstad Hué.

Aan de lotgevallen van Spanjaarden, Portugezen en Hollanders in Cambodja wordt uitgebreid aandacht besteed in de volgende paragrafen, waarin Laos slechts sporadisch wordt genoemd, omdat de Portugezen zich niet permanent in dit land hebben gevestigd. De Portugezen hebben reeds kennisgemaakt met Vietnam ten tijde van Tomé Pires1 (1517). Aangenomen kan worden dat de Lusitaanse handel met Vietnam niet lang daarna geopend is. Het belangrijkste product van Tonkin is zijde. In Annam wordt zijde, benzoé (gomlak) en goud verworven en Cochin-China voert een gelige soort zijde, calamba (een soort hout), benzoé en koper uit. Als na de ‘ontdekking’ van Japan in 1543 of 1544 de handel met dat land goed op gang komt, breekt ook de bloeitijd aan voor de in 1535 gestichte feitoria in Faifo (Hoi An) aan de kust van Annam, die tot het einde van de eeuw zal blijven bestaan. In de beginjaren van de zeventiende eeuw neemt de invloed van de jezuïeten aan het hof van Nguyên (Cochin-China) toe, maar de Estado da India blijft twijfelen over de te volgen koers ten opzichte van Cochin-China. De augustijn Francisco Manrique, die een bezoek brengt aan Macau, bepleit daar de verovering van Cochin-China, maar ook van Siam, Champa en Cambodja. Zoals bekend komt hiervan niets terecht. Maar ook de invloed van de Hollanders in Cochinchina is kennelijk aan wisselingen onderhevig. Zo laat de vice-rei Dom Miguel de Noronha, conde de Linhares (1629-1635), weten dat de inwoners van Chincheo tegen de Hollanders zijn opgestaan2 en die hebben verslagen. Zij hebben bij verrassing verschillende van hun vaartuigen genomen en hij spreekt de wens uit dat hierdoor een einde zal zijn gekomen aan de Hollandse handel met dat land.

De eerste Nederlandse schepen die in 1601 de beschutte baai aan de monding van een rivier waar Faifo ligt bereiken zijn de Haarlem en de Leiden van de Oude Compagnie, een van de Voorcompagnieën van de VOC. De daar te verkrijgen artikelen – goud, zijde en gomlak – zijn bijzonder interessant. Maar het eerste Nederlandse bezoek aan Quinam is geen succes. Er worden 23 bemanningsleden vermoord en commandeur Gaspar van Groesbergen wordt gevangengenomen en pas vrijgelaten nadat een losprijs van twee kanonnen is betaald. De expeditie laat zich echter niet ontmoedigen en gaat bij Faifo opnieuw voor anker. Deze keer worden de zaken wel wat voorzichtiger aangepakt. De Leiden, met commandeur Van Groesbergen, blijft buitengaats, terwijl koopman Jeronimus Wonderaer, aan boord van de Haarlem, de haven invaart. Wonderaer tracht maandenlang zijde in te kopen. Dat blijkt niet gemakkelijk, maar hij slaagt er wel in de koning de toezegging te laten doen dat de schuldigen aan de moorden op de Nederlandse bemanningsleden gestraft zullen worden. Desondanks blijken de plaatselijke handelaren en de toezegging van de koning niet te vertrouwen. Als Van Groesbergen verneemt dat er een aanslag op de schepen wordt beraamd, houdt hij het in Quinam voor gezien, nadat hij eerst uit wraak nog een dorp heeft geplunderd en in brand gestoken.

Nadat het Japanse handelsembargo is opgeheven zet opperkoopman Abraham Kuiper in 1637 een kleine handelspost in Faifo op. De post wordt bezet door een opperhoofd met twee assistenten en zeven Japanse bedienden. Als in 1651 wordt onderhandeld over een nieuw handelsverdrag, worden de Nederlandse afgevaardigden gevangen gezet. Uiteindelijk heeft de VOC het comptoir in 1652 opgeheven. De ook in Faifo aanwezige Portugezen trekken dus aan het langste eind.

In 1637 zendt Gouverneur-Generaal António van Diemen koopman Karel Hartsink met het schip Grol en het jacht de Waterloze Werve naar Tonkin om daar ruwe zijde te kopen voor de Japanse markt. Hartsink wordt goed ontvangen in Tonkin. De koning van dat land neemt hem – zoals niet ongebruikelijk is in deze contreien – als adoptiefzoon. Hij sluit in 1637 een contract met de koning van Tonkin, waardoor hij op de westoever van de Rode Rivier een kantoor in Catcho, nabij de hoofdstad Tonkin (in of nabij het huidige Hanoi), kan openen. Deze vestiging is belangrijk voor de export van zijde uit Tonkin, een belangrijk productiegebied van zijde, naar Japan. Rond het midden van de zeventiende eeuw is de handel in zijde hier op haar hoogtepunt, maar loopt daarna snel terug. Omstreeks 1664 is de handel tot stilstand gekomen en wordt het comptoir tijdelijk gesloten. De koning van Tonkin vraagt echter de post te heropenen. Later verslechtert de relatie met de koning. Als het opperhoofd, Jacob van Loo, te weinig of niet de juiste geschenken voor de koning heeft, wordt hij persoonlijk gevangengezet. Dit is enkele malen voorgekomen. Daarom wordt de loge op last van de Hoge Regering in Batavia in 1699 opgeheven. Op 8 februari 1700 komt de bezetting van de loge met het jacht Kauw in Batavia aan. In Cochinchina heeft de VOC, evenmin als de Portugezen, een comptoir.

1 Zie deel VI, §7.8

2 Zie noot op pagina 66. De gebeurtenis wordt bevestigd in de Generale Missiven, VOC 1107, fol. 1-119, jaarverslag uit Batavia van 15 december 1633, gepubliceerd, in Cheng Shaogang: De VOC en Formosa 1624-1662, een vergeten geschiedenis. Deel 2 — Bijlagen, 1995, pp. 113-124.

3.2 De expeditie van Veloso, Ruiz en Gallinato naar Cambodja

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

Portugezen en Hollanders in Siam. Portugezen, Spanjaarden en Hollanders in Siam en Achter-Indië

Deel 17 Index

Hoofdstuk 3.

Portugezen, Spanjaarden en Hollanders in Siam en Achter-Indië

3.0. Portugezen en Hollanders in Siam

Geschreven door Arnold van Wickeren

Als eerste Europeanen nemen de Portugezen al in de zestiende eeuw een bijzondere positie in Siam in. Om dit te illustreren, leiden we deze paragraaf in met § 4.1 overgenomen uit deel XII:

In het midden van de 16e eeuw is Siam een machtig en welvarend land. In de hoofdstad Ayuthia wonen 300 Portugezen. Zij exporteren in hun jonken de produkten die het land voortbrengt, zoals rijst, tin, ivoor, indigo en allerlei houtsoorten naar hun feitorias in Ligor en Patani en vandaar naar Malacca. Deze produkten worden ook over land naar Tenasserim en Mergui gebracht en vandaar gedistribueerd over de kusten van Coromandel en Bengalen, waar de Portugezen eveneens feitorias hebben. Vanaf 1545 voert koning Chairacha1 (1534-1546) min of meer serieus oorlog met Changmai, een rijk dat ten noordwesten van Siam ligt. In Ayuthia merken de mensen weinig of niets van deze oorlog. De roemruchte Fernão Mendez Pinto2 geeft een verslag van de laatste veldtocht die koning Mahachakkaphat (1548-1568) in 1548 tegen Changmai voert. Changmai is, met steun van de Laotianen en enige andere volken, het noorden van Siam binnengevallen. Koning Chairacha brengt daarop een groot leger op de been om de invallers te verdrijven. Hij vraagt de 300 volwassen Portugese mannen die in Ayuthia wonen en daar in hoog aanzien staan en ook als strijders een grote reputatie genieten of zij met hem ten strijde willen trekken. Zij zullen, tegen hoge betaling, gunsten, eerbetoon en toestemming kerken te bouwen, de persoonlijke lijfwacht van de koning vormen. Er gaan 120 Portugezen op het verzoek in. Onder de aanvoerders van het Siamese leger bevindt zich, naast twee Turkse bevelhebbers, de Portugees Domingos de Seixas. Als het leger slaags raakt met de invallers, zaait de vijandelijke ruiterij dood en verderf onder het Siamese voetvolk. Chairacha zet dan zijn strijdolifanten in. Deze lopen het vijandelijke leger dat niet over olifanten beschikt onder de voet. De veldtocht wordt na vijf maanden afgebroken als de regentijd begint.

Tijdens de afwezigheid van koning Chairacha heeft diens gemalin Suriyothai overspel gepleegd met een van zijn hovelingen, van wie zij vier maanden zwanger is als de koning in Ayuthia terugkeert. Uit vrees voor wat haar te wachten staat, vergiftigt zij de koning, die nog geen twintig dagen later sterft nadat zijn negenjarige zoon tot zijn opvolger is gekroond. In zijn testament heeft de koning bepaald dat de 120 Portugezen die hem trouw bewaakt hebben de helft van het tribuut ontvangen van de tijdens de veldtocht schatplichtig gemaakte koningin van een rijkje aan de grens. Zij had de legers van Changmai vrije doortocht verleend. De Portugezen worden voor drie jaar vrijgesteld van het betalen van douanerechten en andere belastingen op hun handelsgoederen. Bovendien mag het katholieke geloof in heel Siam vrij verkondigd worden.

Fernão Mendez Pinto geeft hoog op van de edelmoedigheid en rechtvaardigheid van de overleden vorst. Hij geeft hiervan enige voorbeelden. Voor zover die voorbeelden betrekking hebben op de betrekkingen met de Portugezen, verdienen zij vermelding. Koning João III schrijft Pero de Faria tijdens diens tweede ambtstermijn als capitão van Malacca een brief waarin hij hem verzoekt de vrijlating van Domingos de Seixas te bewerkstellingen, die al 23 jaar in Siam gevangen wordt gehouden. Pero de Faria zendt Francisco de Castro als gezant naar Siam om te onderhandelen over de losprijs van Seixas en van 16 andere Portugezen. Koning Chairacha ontvangt de gezant vriendelijk en laat Domingos de Seixas halen, die dienst doet als bevelhebber aan de grens en daarvoor een jaargeld ontvangt. Hij en de andere 16 Portugezen mogen vertrekken nadat zij een grote som geld hebben ontvangen. Kennelijk verkiest Domingos de Seixas – nu als vrij man – in Siam te blijven, omdat hij enige jaren later mee ten strijde trekt tegen Changmai. Koning Chairacha gelast de vrijlating van 24 Portugezen en 50 slaven, die op weg van China naar Patani schipbreuk hebben geleden in de buurt van Ligor. Hun kapitein Luís de Montarroyo en alle anderen zijn door de sjahbandar van Ligor gevangengenomen en hij heeft ook de aangespoelde lading in beslag genomen. De schipbreukelingen worden vrijgelaten en ontvangen de inbeslaggenomen lading terug.

De weduwe van koning Chairacha vergiftigt ook de jonge koning, haar zoon, in wiens naam zij regeert. Zij treedt in het huwelijk met haar minnaar en laat hem tot koning uitroepen, waardoor hun beider zoon erfgenaam wordt van de troon. Spoedig daarna worden de koningin en haar nieuwe echtgenoot gedood door de oyá P’itsanulok en de koning van Cambodja tijdens een banket dat deze vorsten geven in een tempel. Daarna wordt een bastaardbroer van koning Chairacha, een monnik genaamd Chapraphat, tot koning uitgeroepen.

Als rond de eeuwisseling de Hollanders op het toneel verschijnen, melden deze zich op hun beurt aan het koninklijke hof in Ayuthia. Het is de admiraal van de eerste VOC-vloot Wijbrandt van Warwijck die in 1604 een bezoek aan Ayuthia brengt. Dit bezoek is zeer succesrijk en heeft grote gevolgen. Hij wordt goed ontvangen door de koning van Siam, Naresuan (Sanphet II, 1590-1605). Deze is zeer onder de indruk van de Hollandse militaire successen tegen de Portugezen en Spanjaarden. De Republiek lijkt de koning zo’n machtige handelspartner dat hij een handelsmissie van twintig personen naar Holland zendt. Dit zijn de eerste Siamezen die een bezoek brengen aan een Europees land. De VOC opent een handelspost in Ayuthia, die vanaf 1610 permanent bemand is. In de jaren daarop zal de VOC zich ook vestigen in Kedah, Junkseylon, Ligor en Singora. Met zes vestigingen in Siam, die zich voornamelijk met de handel in tin bezighouden, overvleugelen de Hollanders de Portugezen in het land. De Portugezen, die er bijna een eeuw lang de enige Europeanen zijn geweest, zien de groei van de Hollandse invloed in Siam met lede ogen aan. Philips II schrijft op 4 januari 1608 een bezorgde brief aan de capitão-geral in Goa, Dom Frei Aleixo de Menezes. Deze beveelt dan de bouw aan van een Portugees fort in Martaban, in het koninkrijk Pegu, met de bedoeling om zonodig militair te kunnen optreden tegen de koning van Siam als deze gemene zaak maakt met de Hollanders tegen de Portugezen. Dom Frei Aleixo de Menezes vraagt de koning van Siam de Hollanders uit zijn rijk te verwijderen, maar dit verzoek werkt averechts. De Hollanders krijgen zelfs nog het eiland Mergui, in de monding van de Tenasserim, in eigendom. Zo komt er in enkele jaren een einde aan de bijzondere relatie tussen Portugal en Siam.

Rond 1617 arriveert een ambassade van de koning van Siam in Goa die, als tegenprestatie voor de weldaden die hij van de Portugezen heeft ontvangen, de haven van Martaban aanbiedt aan de koning van Portugal, met toestemming om daar een fort te bouwen, overwegende dat daarin een garnizoen gelegerd wordt en dat het de basis zal zijn voor een kleine vloot die in de naburige zee kruist tegen de koning van Dua. De ambassadeurs wordt schitterend vermaak geboden en Frei Francisco O.P. wordt met hen mee terug gezonden in dezelfde hoedanigheid, met een kostbaar geschenk voor zijn koning. Frei Francisco stelt, na de gebruikelijke plichtplegingen, de koning van Siam voor dat het Portugese en Siamese leger zullen worden verenigd om de koning van Ava te onderwerpen; dat er sprake zal zijn van vrije handel tussen Siam en Malacca en dat de koning de Hollanders niet tot Siam zal toelaten. Hierop antwoordt de koning dat de Portugese kooplieden volledig toestemming hebben zonder enigerlei beperking naar zijn havens te komen, waar zij vrij zullen zijn van belastingheffing en dat zijn onderdanen ook met Malacca willen handeldrijven. De reden waarom zijn onderdanen niet of eerst in een laat stadium naar Malacca gegaan zijn, is dat zij in die haven slecht zijn behandeld, waarvan de koning verschillende voorbeelden opsomt. Hij informeert Frei Francisco O.P. dat hij de Engelsen, Hollanders en Maleiers toestemming heeft gegeven zijn havens te bezoeken, overwegende dat zij hem groot respect hebben betoond en hij hun handelsgoederen nodig heeft; dat hij de Portugezen al heeft bijgestaan tegen de Hollanders en dat hij in het geheel niet betrokken is bij het kwaad dat het volk van Malacca de koningin van Patani heeft aangedaan omdat zij een gekke vrouw is, maar omdat zij nu dood is, heeft hij daar iemand geplaatst met meer verstand en hij verlangt dat er vrije handel zal, zijn zowel met Patani als met Siam. De koning garandeert dat de goederen van Portugezen die in Siam komen te overlijden naar hun erfgenamen zullen gaan en hij verklaart formeel dat hij orders heeft uitgevaardigd om te bewerkstelligen dat elke Portugees die een of andere misdaad heeft begaan, zal worden berecht aan zijn hof, met het doel te voorkomen dat hij onrechtvaardig zou worden behandeld door bevooroordeelde inheemse magistraten. Op zijn terugweg naar Goa wordt Frei Francisco O.P. vergezeld door twee Siamese heren, die door de koning gezonden zijn om dienst te doen als ambassadeurs naar de koning van Spanje.

François Valentijn beschrijft enige gebeurtenissen waaruit blijkt dat de relatie tussen Spanjaarden en Portugezen en de koning van Siam in de eerste helft van de zeventiende eeuw verslechtert. In 1624 neemt Dom Fernando da Silva een Nederlands jacht dat zich bevindt in een Siamese rivier. De Siamese koning Songtham (1611-1628) dwingt Dom Fernando met de wapens het Nederlandse jacht terug te geven. In 1628 verschijnt Dom João Alcrassa (Don Juan Alcrassa) op last van Manila met twee galjoenen voor de rivier van Siam. Hij neemt niet alleen op verraderlijke wijze de Cantonese jonk van de koning, die hij na plundering met man en muis verbrandt, maar ook een Japanse jonk uit Nagasaki. De koning van Siam is hierover razend. Twee jaren later neemt hij wraak. In 1630 wordt de galjoot met zijn lading waarmee Gaspar Soares uit Macau is gekomen verbeurd verklaard en de bemanning wordt veroordeeld bedelend in de straten van Ayuthia aan de kost te komen. In 1633 komt een gezantschap uit Malacca van tien Portugezen, onder leiding van gezant Sebastião Mendes d’Avila, de vrijlating van de gevangenen verzoeken. Omdat bespotting zijn deel is, vertrekt de gezant met stille trom. Uit wraak blokkeren de Portugezen de Rivier van Tanaferry met twee fregatten, die verscheidene vaartuigen buitmaken. Koning Prasat Tong (Sanphet V, 1629-1656) is woedend over dit optreden en hij wreekt zich op gestrande Iberische schepen. Nog in hetzelfde seizoen strandt bij Ligor een Spaans schip onder bevel van Don Luis de Guzman, sargento-mayor van de Spaanse vesting Keelung op Formosa. Het schip was met 125 pikol zijde en andere Chinese waren op weg naar Ayuthia. Prasat Tong neemt de bemanning gevangen en confisqueert de lading van het gestande schip. In 1635 strandt er een Portugees schip op de wal bij Tanaffery, onder bevel van de kapitein die door François Valentijn wordt aangeduid met Francisco Cotring de Magalano, maar die luistert naar de naam Francisco Cotrim de Magalhães. Het schip, dat ook op weg was naar Ayuthia, heeft een bemanning van veertien Portugezen en ettelijke slaven aan boord. Zij worden gevangengenomen en gaan ook een ellendig leven tegemoet. In het volgende jaar begenadigt de koning zijn gevangenen en hij zendt gezanten met brieven en geschenken naar Goa en Manila. In 1637 arriveren in Ayuthia gezanten uit Goa en Manila met ‘treffelijke geschenken’ van de onderkoning en de landvoogd, ‘die alle vorige wonden zodanig hebben weten te zalven’ dat de oude vriendschap enigszins wordt hersteld.

1 In eerdere delen aangeduid met de naam Phrachai.

2 Aan zijn belevenissen is uitvoerig aandacht geschonken in de delen X, XI en XII.

3.1 Portugezen en Hollanders in Achter-Indië

Categorieën
Britse kolonialisme Franse kolonialisme Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

Portugese handel in Bengalen; de opkomst van rivalen. De Portugezen in Bengalen

Deel 17 Index

Hoofdstuk 2.

De Portugezen in Bengalen

2.5. Portugese handel in Bengalen; de opkomst van rivalen

Geschreven door Arnold van Wickeren

De hoge verwachtingen waarmee de Portugezen zijn gaan deelnemen aan de handel in Bengalen, zijn meer dan gerealiseerd. Tegen het midden van de zestiende eeuw is een groot deel van de handel en scheepvaart in hun handen. Al in 1535 verbiedt Diogo Rebello vreemde schepen Sātgāon aan te doen zonder toestemming van de Portugezen. De Portugezen verklaren in Bengalen de wet van toepassing die zij met geweld hebben ingevoerd in de Indische wateren om de Moorse zeevaart te vernietigen. Ieder schip dat handel drijft en dat niet beschikt over een cartaz wordt behandeld als een vijandelijk schip; het krijgt een verbod opgelegd verder te zeilen of wordt geconfisqueerd. De superioriteit van Portugese schepen in vergelijking met inheemse vaartuigen maakt het mogelijk dit principe met geweld in te voeren, ofschoon de Portugezen soms geduchte rivalen hebben in Turkse of Egyptische schepen. Op gewone Portugese koopvaarders zijn de kapitein, de schipper en de loods gewoonlijk Portugezen en de rest van de bemanning moren of mensen behorend tot een of ander Aziatisch volk. Totdat de Portugezen in 1580 hun grote vestiging in Hooghly stichten, blijven hun schepen niet permanent in Bengalen. De Portugese schepen beheersen echter vanaf 1537, toen zij hun vestigingen aan beide zijden van de Golf van Bengalen hadden gesticht, de gehele kustlijn vanaf Orissa tot aan Chittagong. Kabi Kankan vermeldt in de Chandi van 1577 dat de kust bij Hījīlī gevaarlijk is vanwege de schepen van Feringhi. De Portugezen arriveren met hun handelswaren voor de moesson invalt en zij spenderen de regenmaanden in Bengalen met het kopen en verkopen van goederen en met het doen van andere zaken. Als de moesson over is, keren de schepen, geladen met koopmansgoederen uit Bengalen terug naar Goa of andere Portugese havens.

De eerste commerciële relaties van de Portugezen in Bengalen zijn die met Chittagong (Porto Grande). João de Barros schrijft in 1532: “Chittagong is de beroemdste en welvarendste stad in het koninkrijk Bengalen en wat zijn haven betreft, daarin worden handelsgoederen uit alle oosterse streken aangevoerd.” Vanaf 1517 komt expeditie na expeditie naar Chittagong. Zij zijn geen daverend succes, totdat de Portugezen zich hier in 1537 neerlaten en onafhankelijke douanekantoren opzetten, zowel in Chittagong (Porto Grande) als in Sātgāon (Porto Pequeno). Sinds de val van Gaur in 15381 en vooral na de stichting van de Portugese vestiging in Hooghly in 1580, begint Chittagong zijn commerciële belangrijkheid te verliezen. Zelfs dan blijven Oostelijk Bengalen en het koninkrijk Arakan de plaatsen waar vele industrieën gevestigd blijven en Portugese schepen zijn gewoon met hun handelswaren naar Chittagong te gaan, ofschoon de haven van Hooghly vaker wordt bezocht. In 1567 treft Cesare Frederici meer dan achttien schepen voor anker liggen in Chittagong en hij schrijft dat vanuit deze haven de handelaren grote voorraden rijst en grote hoeveelheden kleding van iedere soort, suiker, koren en geld met andere koopwaar naar Indië wordt vervoerd.

In West-Bengalen is Sātgāon sedert 1537 het centrum van de Portugese handel. Het is de belangrijkste markt waar alle kooplieden uit Noord-India met hun koopwaar naartoe komen. Nadat de Portugezen zich in 1580 in Hooghly (Porto Pequeno) hebben gevestigd, wordt deze stad het centrum van hun handel, terwijl Sātgāon langzamerhand aan betekenis inboet. De grotere Portugese schepen varen door tot Garden Reach of liever Betor (Howrah), waar zij voor anker gaan omdat de Hooghly rivier voorbij Adhiganga (nu Tolly’s Nollah) niet bevaarbaar is, behalve voor kleine vaartuigen, zoals Cesare Frederici in 1567 laat weten. Deze kleine vaartuigen zeilen naar Sātgāon en laden daar rijst, kleding van verschillende soort, lak, grote hoeveelheden suiker, amandelen, gedroogd en als confiture, lange pepers, plantaardige olie en veel andere soorten koopwaar. In Betor worden de goederen opgeslagen in met stro of bamboe gedekte huizen en alle producten worden verkocht of geruild op grote lokale markten of zij worden naar andere plaatsen gebracht. Geleidelijk aan doen deze goederen de markten aan van Calcutta en Chitpore, toen nog zeer onbetekenende dorpen, die echter aan betekenis winnen. Over met daken bedekte huizen in deze dorpen merken Frederici en Manrique op: ze worden gebouwd door de Portugezen, die deze weer afbreken als zij vertrekken. Hieruit kan de oorsprong van de grote stad die Job Charnoch heeft gesticht worden afgeleid. Van Betor, Chitpore en Sutanuti, welke plaatsen worden voorzien van Portugese goederen, zien we de eerste tekenen van de latere commerciële betekenis van Calcutta. C.R. Wilson merkt op: “Het is onder hun (Portugese) commerciële suprematie dat de plaats die wij tegenwoordig kennen onder de naam Calcutta voor het eerst enige betekenis had; het is aan hen te danken dat we beschikken over inlichtingen over Hooghly en zijn markten.”

Het beste verslag over de Portugese handel in Bengalen is te vinden in Manrique’s Itinerario, merkt Campos op. Manrique bevond zich in Bengalen tijdens de bloeiperiode van de Portugese aanwezigheid ter plaatse en hij moet zelf hebben gezien wat hij beschrijft. De Portugezen importeren in Bengalen verschillende soorten goederen, afkomstig van andere plaatsen die hun vaartuigen bezoeken. De belangrijkste zaken die zij naar Bengalen brengen, komen uit Malacca, Sumatra en Borneo, zoals “brokaat, kleding, fluweel, damast, satijn, tafzijde en soortgelijke fijne stoffen en mousseline”, in alle kleuren, maar niet in zwart, dat als noodlot-brengend wordt beschouwd in Bengalen. Van Malacca brengen zij ook kruidnagelen, muskaatnoten en foelie en uit Borneo komt hooggeprijsde kamfer. Zij brengen ook kaneel van Ceylon en peper uit Malabar. Uit China worden aangevoerd verschillende soorten zijde, vergulde meubelen, zoals ledikanten, tafels, koffers, kisten, schrijfbladen, dozen en heel kostbare parels en juwelen, want de lonen liggen laag in China. “Deze worden gemaakt in Europese stijl, maar met grotere bekwaamheid en goedkoper.” Uit de Malediven komen zeeschelpen, die ten tijde van de hindoekoningen in Bengalen dienst doen als munten en die men cauris noemt. De grote soort schelpen wordt chanquo genoemd en deze is afkomstig van de visserij aan de Coromandelkust. De Portugezen importeren van Solor en Timor de witte en de rode soort sandelhout, wat in Bengalen een rijk handelsartikel is. Deze artikelen brengen zulke hoge prijzen op dat indien – volgens Tavernier – de Hollanders niet naar India zouden zijn gekomen, er geen stuk ijzer in de Portugese factorijen te bekennen zou zijn geweest, maar dat er alleen maar sprake zou zijn geweest van goud en zilver, omdat de Portugezen met twee of drie reizen naar China, Japan, de Filippijnen en de Molukken meer dan duizend procent op hun goederen zouden verdienen. Ondanks dat de Hollandse rivalen wel zijn gekomen, is er een overvloed aan goud en zilver in Portugese huizen in Goa en in andere delen van India te vinden.

Uit de verslagen van de East India Company (EIC) vernemen we voor een belangrijk deel over de handel en de macht van de Portugezen in Hooghly en aan de rivieren in Bengalen. In een brief gedateerd 26 februari 1616, schrijven de Engelse factors in Surat aan de EIC, “dat zij tot nu toe geen praktische manier hebben gevonden om de handel te openen met landen die aan de oevers van de Ganges liggen, omdat de Portugezen de exclusieve rechten op de handel in dit deel van het Schiereiland bezitten.” Een andere brief uit 1618 zegt: “voor kleine schepen zijn er geen andere havens dan de Portugezen bezitten.” Zij breiden hun handel uit tot Patna in Bihar, zoals Hughes en Parker hebben vastgesteld toen zij in 1620 vanuit Surat naar Patna zijn gereisd en daar de Portugese factorij hebben gezien. Hun fregatten zeilen met alle soorten specerijen en met Chinese waren vanaf Sātgāon de Ganges op tot Patna. In hun brief van 12 juli 1620 laten Hughes en Parker weten dat de Portugezen alle soorten specerijen en zijden stoffen uit China, juwelen, karpetten uit Jaunpore en een bepaald soort kleding aanvoeren. En op 6 augustus 1620 spreken zij over veel Portugese fregatten die van Sātgāon naar Patna komen en dat de Portugese kooplieden daar alles kopen waarop zij de hand kunnen leggen.

De Portugezen verschepen allerlei zaken uit Bengalen, waar veel industrieën gevestigd zijn. François Pyrard de Laval, die aan het begin van de zeventiende eeuw in Bengalen rondreist, zegt: “De inwoners (van Bengalen), zowel mannen als vrouwen, zijn wonderlijk handig in het vervaardigen van katoenen kleding en met zijde en met naald en draad om te borduren, wat met zoveel vakmanschap gebeurt, tot in de kleinste hoekjes, dat het een genot is om te zien.” De natuurlijke producten van Bengalen zijn ook overvloedig en verschillende reizigers hebben er rondgezworven over de vruchtbare bodem van Bengalen en langs de heilige Ganges. Als Manrique in 1628 naar Bengalen komt, vindt hij daar een overvloed van levensmiddelen, kippen, duiven, gecastreerde geiten, waarvan de bevolking het vlees prefereert boven dat van schapen, kalfsvlees, groenten, rijst, boter, snoepgoed, melk en toetjes. Om zaken zoals rijst, boter, olie en was te kunnen exporteren, komen ieder jaar 100 schepen naar de havens van Bengalen. Rijst is zeer goedkoop, een candi (ongeveer 500 lbs, maar in Bengalen 1.200 lbs) kost slechts drie of vier rupees; een contaro boter (75 lbs) kost slechts twee rupees. Twintig of 25 kippen kosten ongeveer twee rupees (een peso). Een koe kost een rupee (drie of vier realen); 200 lbs suiker zeven of acht annas. Deze prijzen die Manrique noemt mogen buitengewoon laag zijn, maar worden door anderen bevestigd. In de jaren 1669-1679 zijn de prijzen in Bengalen slechts een fractie gestegen.

Fruit schijnt er in Bengalen in overvloed te zijn. De kostelijkste van alle vruchten is de mango, zeer geprezen door Europese schrijvers. Er zijn geen wijnen in Bengalen, maar men stookt er een alcoholische drank uit rijst. In opium wordt veel gehandeld en het extract daarvan wordt zeer veel gebruikt als afrodisiacum. Dacca was toen een enorm handelscentrum. Daar worden al sedert de Romeinse tijd niet te betalen mousseline stoffen vervaardigd. De draad daarvan is zo fijn dat hij nauwelijks met het blote oog kan worden waargenomen. Tavernier laat weten dat “Muhammad Ali Beg bij zijn terugkeer naar Perzië van zijn reis als ambassadeur naar India, sjah Safi III een kokosnoot ter grootte van een struisvogelei aanbood. De kokosnoot is gevuld met kostbare stenen en toen hij werd geopend, kwam er een tulband te voorschijn die was vervaardigd uit een draad mousseline met een lengte van 60 el en zo fijn dat men nauwelijks beseft het in de hand te hebben.” De stoffen van mousseline hebben een lengte van 50 of 60 yards en zij zijn twee yards breed en de uiteinde zijn geborduurd met goud, zilver en gekleurde zijde. De keizer heeft in Dacca een opzichter aangesteld om de rijkste mousselines en andere varieteiten van kleding veilig te stellen voor het hof in Delhi. De spanning op de ogen van de wevers is zo groot dat uitsluitend personen van zestien tot dertig jaar oud met het weven mogen worden belast. Deze productiewijze heeft standgehouden tot op de dag van vandaag.

Alleen al de betelbladeren brengen de gouverneur van Dacca 4.000 rupees per jaar op. In Midnapore wordt geurige olie vervaardigd uit bloemen en een soort graan en deze geurstof wordt hogelijk gewaardeerd, omdat de mensen zich ermee insmeren na het bad. In Hījīlī is een omvangrijke handel in zout, suiker, was, zijde en kleding vervaardigd van gras (ginghams). Er is ook in Sandwīp een omvangrijke handel in zout en jaarlijks vertrekken 200 schepen geladen met zout van het eiland. Materialen voor het bouwen van schepen zijn in Sandwīp heel goedkoop en Cesare Frederici zegt dat de sultan van Constantinopel daar zijn schepen goedkoper laat bouwen dan in Alexandrië. Hij noemt Sandwīp het vruchtbaarste eiland van de hele wereld. Sprekend over de goedkope goederen merkt hij op: “En als de bevolking van het eiland een schip ziet aankomen, richten zij direct een bazar of markt tegenover de ligplaats van het schip in, waarin winkeltjes zijn voor alles wat de kapitein en de bemanningsleden nodig zouden kunnen hebben. Zij voeren grote hoeveelheden levensmiddelen aan die zij spotgoedkoop verkopen, zodat wij daarover zeer verbaasd waren.”

De Portugezen profiteren enorm van de lage prijzen in Bengalen en zij verkopen de daar gekochte goederen met enorme winsten elders in het Oosten. De rijkdom die zulk een handel de Portugezen verschaft is onvoorstelbaar. Het brengt ook luxe artikelen binnen hun handbereik. Pyrard de Laval zegt dat de Portugese mannen van kwaliteit paardrijden en dat de teugels van de paarden afkomstig zijn uit Bengalen, China en Perzië; zij zijn opgesmukt met zijden borduurwerk verrijkt met goud, zilver en fijne parels. De stijgbeugels zijn van verguld zilver, het hoofdstel is versierd met kostbare stenen en zilveren bellen. Over de rug draagt het paard mooie paardenkleding van rood fluweel, afgezet met goud en borduurwerk, om het paard te bedekken als zijn meester is afgestegen. Het is hier niet de plaats om alle luxe artikelen en rijkdom op te sommen die de handel met Bengalen of de Oriënt in zijn geheel de Portugezen heeft opgebracht. Een van de redenen waarom Akbar twee Portugezen uit Hooghly heeft gevraagd naar hem toe te komen, is dat hij gecharmeerd was de kostbare goederen te bewonderen die men hem zou brengen. De Portugezen hebben de handel met Bengalen zo profijtelijk gevonden dat Lissabon rond 1760 de toenmalige vice-rei Manuel de Saldanha de Albuquerque, Conde de Ega, heeft voorgesteld een handelscompagnie te vormen om uitsluitend handel te drijven met Bengalen. De compagnie heeft haar bestaan spoedig moeten beëindigen en het plan is, als zoveel plannen in die tijd, nooit gerealiseerd.

De rivaliteit tussen de Portugezen aan de ene kant en de andere Europese naties aan de andere kant, is in Bengalen niet minder scherp dan elders in Azië, zoals hierna zal blijken. De Hollandse schepen arriveren voor de eerste maal in het jaat 1615 in Bengalen. De Hollandse vloot vertoont zich voor het eerst in Bengalen als zij, aan de zijde van de koning van Arakan, de Portugese vloot bevecht voor de kust van Arakan. De slag, die een dag duurt, eindigt onbeslist. Daarna gaan de Hollanders voort met handeldrijven in Bengalen, maar – anders dan de Portugezen – vestigen zij zich daar aanvankelijk niet permanent. Eerst tegen het midden van de zeventiende eeuw stichten zij een factorij in Hooghly. Nadat de Hollanders zich eenmaal in Hooghly hebben geïnstalleerd, breiden zij hun activiteiten daar snel uit. Tezelfdertijd gaat het met de Portugese factorij in Hooghly minder goed. De factorij maakt een zware tijd door omdat zij sedert 1632 gebukt gaat onder bezetting. door de Mogols. De Portugezen gaan echter door met handeldrijven in Hooghly, ook nadat de Hollanders hen daar overvleugeld hebben, wat hen niet veel moeite heeft gekost. De Hollanders bouwen hun Fort Gustavus in Chinsura, stichten een factorij voor zijde in Cassimbazar en een andere factorij voor gezouten varkensvlees in Baranagar, ten noorden van Calcutta. Zij bezitten een schitterende tuin bij Chandernagore en later stichten zij een basis voor hun koopvaardijschepen in Fulta.

De eerste poging van de Engelsen om de handel te openen met Bengalen dateert uit 1617 en is te danken aan de invloed van Sir Thomas Roe, maar hij heeft geen succes. De pogingen van Hughes en Parker in 1620 en van Peter Mundy in 1632 om factorijen te stichten in Patna falen eveneens. Het eerste Engelse schip dat naar Bengalen of liever Orissa is gekomen, is het slecht vergaan in een gevecht met een Portugees fregat. In de brieven van de eerste Engelse factors in Bengalen, die ernaar streefden zich van handelsconcessies te verzekeren, wordt vaak gewag gemaakt van de suprematie van de Portugezen en van hun positie in de meeste havens van Bengalen. Door de goede diensten van Dr. Gabriel Boughton, die keizer Shāh Jahān van een ziekte heeft genezen, hebben de Engelsen een farman van de keizer verkregen om vrijelijk handel te drijven in Bengalen. In 1651 stichten de Engelsen hun eerste factorij in Bengalen en zes jaren later brengen zij hun nieuwe agentschappen in Balasore, Cosimbazar en Patna onder bij deze factorij. Hoe de Engelsen er later in zijn geslaagd zich over heel Bengalen te verspreiden is behandeld door andere schrijvers dan Campos, aan wie veel bijzonderheden uit dit hoofdstuk zijn ontleend.

De eerste Franse vestiging in Bengalen is het gevolg van een ongeluk. Het eerste Franse schip, de Fleming, dat in 1674 in Bengalen verschijnt, komt niet op eigen gelegenheid, maar het wordt door een Hollands schip opgebracht van Balasore naar Hooghly. Het vaartuig wordt echter vrijgelaten en de Fransen stichten een kleine factorij naast de Hollandse tuin, waarover Streynsham Master heeft geschreven. De stichting van de grote Franse vestiging in Chandarnagore is waarschijnlijk het gevolg van een farman die keizer Aurangzeb in 1688 heeft verstrekt. De Fransen leggen de Portugese handel in Bengalen evenwel geen strobreed in de weg. Totdat Joseph François Dupleix in 1731 wordt benoemd tot intendant van Chandarnagore, is dit kleine Franse gebiedje onbetekenend, omdat er maar een paar gezinnen kunnen wonen. Het bezit – zoals Alexander Hamilton zegt – “een aardig klein kerkje om de mis te horen, wat de belangrijkste bezigheid is van de Fransen in Bengalen is.”

De eerste factorij van de Denen werd in ongeveer 1636 gesticht in Balasore en een tijdje na 1676 vestigen zij zich in Hooghly. De factorij is gebouwd in Gondalpara ten zuidoosten van Chandernagore. Een deel van Gondalpara heet nog steeds Dinemardanga, dat is het land van de Denen. Zij kregen de vestiging van Serampore in 1755 van Ali Vardi Khān. Na de opkomst van de Denen vestigen zich ook de Pruisen respectievelijk de Vlamingen in Bengalen. Omdat zij in het geheel niet hebben bijgedragen aan de neergang van de Portugezen, behoeven hun belevenissen hier geen behandeling.

Het zijn de Mogols die de Portugese macht in Bengalen de genadeklap hebben gegeven. Eertijds hun beste vrienden, worden de Mogols hun grootste vijanden. De belegering van Hooghly in 1632 is het begin van de teloorgang van de Portugezen in West-Bengalen. In Oost-Bengalen maken de Portugezen tezelfdertijd een bloeiperiode door. Als Shaista Khān in 1668 Chittagong verovert is het tijdperk van de piraterij voorbij. Vanaf dat tijdstip kan niet worden gezegd dat de Portugezen de grootste invloed uitoefenen in Bengalen. Het tijdvak van de Portugezen is voorbij, terwijl dat van de andere Europese naties is aangebroken.

1 Zie deel XI, pag.167.

2.6 De ondergang van Filipe de Brito e Nicote en van Sebastião Gonsalves Tibau

Categorieën
Britse kolonialisme Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

Pedro da Silva en António Telles de Menezes (1627-1640). De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640

Deel 17 Index

Hoofdstuk 1.

De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640

1.3. Pedro da Silva en António Telles de Menezes (1627-1640)

Geschreven door Arnold van Wickeren

Op 12 april 1635 vertrekken twee naus uit Lissabon naar Indië. Aan boord van de Nossa Senhora da Saúde van capitão-mor António Telles de Menezes, bevindt zich de nieuwe vice-rei Pedro da Silva die de graaf van Linhares als vice-rei van de Estado da India is opgevolgd. De andere nau is de Santa Catarina de Ribamar, onder bevel van kapitein Luís de Castanheda de Vasconcellos. De beide naus arriveren tegen het einde van het jaar in Goa, waarop de graaf van Linhares direct de regering over Portugees Indië aan zijn opvolger overdraagt en zich inscheept op de Nossa Senhora da Saúde voor zijn reis naar huis. De Santa Catarina de Ribamar lijdt schipbreuk in het zicht van de haven; het slaat kapot tegen de rotsen van Cabo da Roca. De graaf van Linhares zeilt met de Nossa Senhora da Saúde naar Málaga, waar vele bemanningleden overlijden, veel lading wordt verspild en het schip zelf in stukken uit elkaar breekt. Van Málaga reist de graaf van Linhares naar Madrid, waar hij rijke geschenken aanbiedt aan de koning en de koningin. Aanvankelijk is hij met veel eerbetoon ontvangen, maar later wordt hij, evenals enige van zijn voorgangers, het slachtoffer van jaloezie en intrige en, als beloning voor zijn diensten in Indië, wordt hij veroordeeld tot gevangenschap voor bepaalde hem aangewreven delicten.

Pedro da Silva schijnt het te hebben ontbroken aan veel kwaliteiten die noodzakelijk zijn voor een gouverneur van Indië, Hij is van nature veel te gemakkelijk in het treffen van beschikkingen; als gevolg hiervan ontvangt hij de bijnaam ‘mole’, wat in het Portugees ‘week’ betekent. Hij schijnt zich bewust te zijn geweest van zijn ongeschiktheid voor de positie van onderkoning, want men heeft hem vaak horen verzuchten: “God vergeef degenen die mij hebben genoemd voor dit ambt, waarvoor ik niet geschikt ben.” Zijn benoeming is daarom ongelukkig geweest en al helemaal als we in aanmerking nemen met welke moeilijkheden de ‘onderkoning tegen wil en dank’ spoedig zal worden geconfronteerd.

De Hollanders, die aanvankelijk hun handel beperkten tot Java en de ten oosten daarvan gelegen eilanden, beginnen hoe langer hoe meer belangstelling te krijgen voor de Portugese bezittingen in Voor-Indië. Dit is vooral het geval nadat Anthonio van Diemen gouverneur-generaal Hendrik Brouwer (1632-1636) op 1 januari 1636 is opgevolgd. Onder Brouwer heeft de VOC veel afbreuk gedaan aan de Portugese handelsvaart, maar militair heeft Brouwer nauwelijks vorderingen gemaakt. Anthonio van Diemen (1636-1645) zal blijken een agressieve vechtersbaas te zijn, die zich ten doel stelt Ceylon, Malacca en zo mogelijk zelfs Goa op de Portugezen te veroveren. De eerste stad die zij aanvallen is São Tomé de Meliapor, waarvan zij de haven blokkeren en alle vaartuigen nemen die de haven willen aandoen of verlaten. Deze, eens de welvarendste stad van Voor-Indië, ziet door het Hollandse optreden zowel haar handel als haar bevolking teruglopen.

In 1635 ontmoeten twee Hollandse schepen in het noorden de Portugese vloot, die door de hevige wind enigszins uit elkaar geslagen is. De Hollanders maken dankzij de wind die in hun voordeel waait twee Portugese vaartuigen buit. In 1636 klaagt de onderkoning in een brief aan Lissabon dat de handel geheel in handen is gevallen van de Hollanders en dat, terwijl Indië het rijkste juweel aan de Portugese Kroon was, al haar forten verkeren in een staat van verval.

Ongeveer in die tijd (1636) biedt Venkata III, koning van Vijayanagar, de Portugezen aan het fort van Trevanampatinam aan hen over te dragen dan wel te verwoesten. Dit fort is door de koning van Maleisië gebouwd voor de Hollanders. Naar aanleiding van dit aanbod merkt Filipe III, koning van Portugal, op dat bovenal voorrang zal moeten worden gegeven aan het verdrijven van de Hollanders van de kust van Coromandel.

In maart 1636 zeilt capitão-mor António Telles de Menezes met zes galeões uit naar het noorden, in de verwachting dertien Hollandse schepen aan te treffen in de buurt van Surat. Een storm drijft zijn schepen terug naar Bombay en de vijand vermijdt een treffen door de haven van Dabul binnen te lopen. Van Bombay keert António Telles terug naar Goa en, terwijl hij zijn ankers uitwerpt op de rede van die haven, krijgt hij vier Nederlandse schepen in het zicht. Hij zeilt direct weer uit om zich met de vijand te meten. De vloten leveren twee dagen slag, waarna de Nederlandse schepen wegzeilen. Korte tijd later (begin november) komt een Nederlandse vloot van tien schepen op de Portugese schepen af, maar omdat de ongelijke krachtsver-houding António Telles te groot voorkomt, gaat hij een slag uit de weg en zoekt dekking in de haven van Goa. António Telles de Menezes schijnt verschillende maanden niet actief te zijn geweest, want eerst op 21 januari 1637 vernemen we over hem. Nadat hij door de Hollanders is uitgemaakt voor lafaard die bang is met hen de strijd aan te binden, vaart hij uit voor een ontmoeting met de Nederlandse vloot. Na een schotenwisseling van acht uren, zeilen de Nederlandse schepen weg, nadat zij naar het schijnt de nodige schade hebben opgelopen van de Portugese kanonnen. De twee vloten ontmoeten elkaar weer op 11 februari, wanneer 24 Portugese vaartuigen de vijandelijke vloot aanvallen, maar er vindt wederom geen beslissende actie plaats, ofschoon de Portugese schepen meester van het slagveld blijven en de Nederlandse schepen, evenals eerst, het gevecht afbreken. Van Diemen besluit door een blokkade van de haven van Goa de Portugezen zoveel mogelijk afbreuk te doen. De moessonwinden staan slechts een blokkade toe gedurende de maanden oktober tot half april. De Hollanders blijven met tien schepen voor Goa liggen en zij blokkeren de haven tot half april. Zij genieten daarbij het voordeel dat de sultan hun toestaat voedsel en water te betrekken in zijn havens, dus vlak bij Goa. Een ander voordeel voor de VOC is dat de schepen van de blokkadevloot buiten het bereik van de vele kustbatterijen van de forten bij Goa kunnen ankeren. De VOC-schepen behoeven dus niet voortdurend heen en weer te zeilen, wat niet wil zeggen dat de gehele blokkadevloot telkens een halfjaar lang voor Goa voor anker ligt. Sommige schepen verlaten tijdelijk het verband voor het uitvoeren van een handelsmissie, naar bijvoorbeeld Surat of Perzië. Ook wordt de blokkade soms onderbroken of met minder schepen voortgezet, omdat de vloot beter kan worden ingezet bij Ceylon. Zelfs als er veel VOC-schepen voor Goa voor anker liggen, dan wil dat nog niet zeggen dat de blokkade volledig is. Vooral de eerste jaren van de blokkade beschikken de Portugezen in Goa – zoals we zagen – over zoveel schepen, waaronder de grote veelal zwaar bewapende galeões, dat een massale uitbraak mogelijk is. Bovendien kunnen kleinere schepen, onder bescherming van de duisternis en dicht langs de kust varend, de haven van Goa, ongehinderd door de blokkade-vloot verlaten of daarin terugkeren. Gedurende de drie maanden dat de blokkade duurt, slagen de Hollanders er niet in ook maar een enkel Portugees schip te nemen. Zij maken slechts een vaartuig buit dat van een Portugese moor is. Bij de bespreking van de verschillende blokkades van Goa dient de lezer de geschetste omstandigheden in gedachten te houden.

Tijdens de eerste blokkade van 1636/1637 is driemaal een sterk Portugees eskader uitgevaren. De eerste maal, begin november, hebben beide partijen de strijd gemeden. Als in januari weer een eskader uitvaart, komt het – zoals we eerder zagen – tot een gevecht. De beide vloten vuren tegen de duizend schoten op elkaar af, waarvan verreweg de meeste geen doel treffen, of slechts de zeilen en de tuigage beschadigen. Twee galeões worden evenwel zwaar beschadigd, maar door het ongecoördineerde optreden van de Hollandse vloot weet deze geen duidelijke overwinning te behalen. De derde uitval, in februari, heeft door te weinig wind nauwelijks tot een treffen geleid. Na afloop van de blokkade zenden de Nederlanders een ambassadeur naar de Adil Khan om zijn steun te vragen bij het verdrijven van de Portugezen uit Goa en tegelijkertijd om toestemming te vragen een fort in Vingurla te mogen bouwen. Dit laatste verzoek wordt toegestaan en de Hollanders laten mensen achter die een factorij opzetten. De toestemming zich in Vingurla te vestigen schijnt echter korte tijd later te zijn ingetrokken. De Hollanders zenden ook een ambassadeur naar de Grootmogol om zijn hulp te vragen bij het verdrijven van de Portugezen. Na het sluiten van de wapenstilstand gaan de in Surat verblijvende Portugezen en Engelsen in de beste verstandhouding met elkaar om en zij maken de afspraak dat het de Engelsen is toegestaan, zonder dat de Portugezen hun daarbij een strobreed in de weg leggen, peper van de inheemsen te kopen. Een ander gevolg van het verdrag tussen Engelsen en Portugezen wordt duidelijk als in de haven van Goa arriveren captain Weddel en Nathaniel Mounteney van Courten’s Association, een in de jaren 1635-1650 met de EIC rivaliserende onderneming, gevestigd op het eiland Assuda bij Madagascar. Zij hebben een halssnoer en een medaillon als geschenken bij zich voor vice-rei Pedro da Silva. Deze, niet wetend dat zijn bezoekers niets van doen hebben met de Engelsen in Surat, geeft hun verlof een huis te huren in Goa en vandaaruit handel te drijven, mits zij de gebruikelijke belasting betalen. Vervolgens arriveren in oktober 1636 vijf Engelse schepen en deze blijven tot 8 februari 1637 in Goa. Daarvandaan gaan zij naar Surat en vervolgens naar Canara, waar zij aanbieden meer voor peper te betalen dan de Portugezen plegen te betalen. Wanneer deze dit vernemen, zijn zij zeer verontwaardigd. Captain Weddel zendt ook enige schepen naar Bhatkal (Baticala), terwijl hij een ambassadeur zendt naar Venkatappa Naik, de vorst van Bednur en de bestuurder van Onor (Honavar). De Engelsman geeft te kennen peper te willen kopen, waarna de Portugezen moeten vaststellen dat Venkatappa Naik zich tegenover hen gereserveerd opstelt, wat zij toeschrijven aan het optreden van de Engelsen, wat voor de hand ligt.

Kort hierna schrijft de onderkoning een brief over deze kwestie aan koning Filipe III van Portugal, gedateerd 5 oktober 1637. In deze brief merkt hij op dat het gedrag van de Engelsen na hun terugkeer in Indië niet bepaald bevorderlijk is voor de vriendschap van de Portugezen voor hen. Zij hebben niet alleen peper in Canara gekocht, wat door de Portugezen wordt geclaimd als hun territorium, maar zij hebben Venkatappa Naik en andere koningen tegen hen opgezet. De Engelsen1, zegt hij, hebben zich verbonden met een piraat genaamd Babia en zij hebben een factorij gesticht in Baticala dat valt binnen het rechtsgebied van Venkatappa Naik, met het doel peper van hem te kopen, waarvoor zij koper en lood afstaan, waarbij zij hogere prijzen geven dan de Portugezen. De Engelsen hebben Venkatappa Naik ook geschenken gegeven, waaronder een stuk artillerie. Dit alles bewijst, naar het oordeel van de onderkoning, dat de Engelsen bepaald niet het volk zijn waarmee de Portugezen commerciële betrekkingen kunnen aangaan, maar hij verkondigt een mening die zou moeten leiden tot verbreking van de wapenstilstand, maar dit zou allerminst in het belang zijn van de Portugezen.

Alle Portugese factors, wier handel kwijnende is, ontvangen in 1637 van vice-rei Pedro da Silva opdracht te vermijden dat er een breuk komt in eventuele commerciële relaties met de Engelsen. Indien hun schepen door slecht weer beschutting in een Portugese haven zoeken, dienen zij op alle mogelijke manieren te worden geholpen, maar het mag hun niet worden toegestaan daar handel te drijven of zich permanent te vestigen. Er wordt ook een verbod uitgevaardigd aan de Engelsen schepen te verkopen, hetzij groot of klein, ondanks dat de Portugezen eerder wel schepen aan de Engelsen hebben verkocht. Om de naleving van dit verbod te bevorderen, wordt het verboden schepen aan niet-Portugezen te verkopen.

In 1637 wordt er in Goa bericht ontvangen dat de Engelsen pogen een factorij te stichten in de haven van Covelong, twee léguas ten zuiden van de stad São Tomé, waarvoor zij al toestemming hebben gekregen van de Nayak (Naik) van de streek. Pedro da Silva beveelt de capitão-geral van Meliapor alles te doen wat mogelijk is om de uitvoering van het plan van de Engelsen te verhinderen en de vice-rei zendt met dit doel ook een ambassadeur naar Venkatappa Naik.

Als gevolg van de klachten over het optreden van de Engelsen aan hun president in Surat, antwoordt William Methwold de onderkoning in een brief gedateerd 25 juli 1637 dat hij de daden van captain Weddel volledig veroordeelt. Hij heeft de naam van de Engelsen in opspraak gebracht en ook de naam van de English East India Company in diskrediet gebracht. Mr. Methwold verwelkomt de mededeling van de onderkoning dat Engelse schepen altijd goed zullen worden ontvangen in Portugese havens en hij belooft dat Portugese schepen op dezelfde wijze door de Engelsen zullen worden behandeld. Hij informeert de onderkoning dat hij het aanbod van peper in Cannanore heeft verworpen om de Portugezen niet tegen het hoofd te stoten en hij voegt eraan toe dat hij altijd met één oog in de gaten zal houden dat zijn mensen zich tegenover de Portugezen vriendelijk zullen opstellen, terwijl hij met het andere oog de belangen van zijn mensen dient.

In dezelfde tijd dat er vriendelijke verhoudingen tot stand komen tussen de Portugezen en de Engelsen, blijft de verhouding tussen Portugezen en Hollanders zeer vijandig; tussen beide partijen heerst nog steeds de dodelijke animositeit als in de tijd dat de Hollanders voor het eerst in de Indische wateren verschenen. De onderlinge politieke verhouding tussen beide naties in Europa sluit in die tijd absoluut uit dat de onderlinge verstandhouding wat betreft de handel in Indië verbetert; geweld is het enige middel dat in deze zaak kan worden aangewend. Derhalve zien we dat de onderkoning in 1635 er krachtig bij de koning van Spanje op aandringt hem een voldoende sterke strijdmacht te zenden om de Hollanders te verslaan, waardoor – zegt hij – hun goede naam zal worden aangetast en zij van de handel in dit deel van de wereld zullen worden uitgesloten, “want zij worden overal hartgrondig gehaat en zij zijn alleen maar in staat handel te drijven door het aanwenden van geweld.”

De President van de Dansk Østindisk Kompagni, die de Portugezen goed is gezind, laat in 1637 Vice-rei Pero da Silva (1635-1639) weten dat de Hollanders een blokkade voorbereiden van Malacca, Ceylon en Goa. Deze inlichtingen gaan vergezeld van een aanbod van de Denen de Portugezen behulpzaam te zijn bij de verdediging van Negapattinam en Tranquebar, alsmede van een verzoek op Ceylon een factorij te mogen openen. Dit verzoek, dat niet goed is onderbouwd, houdt in dat de Denen aanbieden op Ceylon de Portugezen te helpen tegen de Hollanders, op voorwaarde dat het hen is toegestaan daar areca, olifanten en kaneel te kopen. De Raad van Portugal oordeelt dat deze zaak eerst kan worden beslist als er tussen de koningen van Portugal en Denemarken een vredesverdrag is gesloten. De komst van de Denen naar Indië heeft een lange en interessante voorgeschiedenis. Deze luidt als volgt:

In 1609 wordt de onderkoopman Marcelis Boschouwer door de eerste gouverneur-generaal van Nederlands Oost-Indië, Pieter Both van Amersfoort (1610-1614), met de Zwarte Leeuw van Coromandel naar Ceylon gezonden om aan de koning van Kandy brieven te overhandigen van de Staten-Generaal en van Prins Maurits, waarin mededeling wordt gedaan van het ingaan van het Twaalfjarig Bestand. Hij arriveert op 8 maart 1612 in Kandy en wordt daar zeer goed ontvangen. Koning Senarat (1604-1629), die grote achting voor Boschouwer koestert en hem ziet als een van zijn adviseurs, wil Boschouwer niet laten vertrekken en prest hem in Kandy te blijven door re dreigen het op 11 mei 1612 gesloten Hollands-Ceylonese handels- en bondgenootschappelijke verdrag te verscheuren als hij zou vertrekken. Op 9 mei 1615 krijgt Boschouwer verlof van Senarat over te steken naar de Hollanders in Coromandel om te zien of hij daar de beloofde hulp tegen de Portugezen zou kunnen verkrijgen. Boschouwer, die reist als officieel gezant van de ‘keizer’ van Kandy, arriveert op 9 juni in Masulipatnam. Hij verkeert in gezelschap van zijn Singalese vrouw, die hij de prinses van Mingone noemt omdat hij zelf de titel prins van Mingone voert, wat een van de vele titels is die Senarat hem heeft gegeven. Maar de directeur daar, Hans de Haze, vindt het geraden de prins van Mingone en zijn gade met zich mee te nemen naar Bantam om het verzoek van Kandy om militaire hulp voor te leggen aan Gerard Reynst, die Pieter Both in 1614 is opgevolgd als gouverneur-generaal. Doch bij aankomst in Batavia blijkt dat Reynst inmiddels is overleden. Op zijn verzoek reizen de prins en prinses van Mingone naar Nederland om persoonlijk bij de Heeren Bewindhebbers en bij prins Maurits te pleiten voor militaire hulp aan Kandy tegen de Portugezen. Marcelis Boschouwer, vergetende dat hij nog steeds een dienaar van de Heeren XVII is, blaast zich zo op als prins van een machtige vorst dat hij nul op het rekeest verkrijgt. Diep gekwetst vertrekt hij naar Denemarken, het land waarin in 1616 ook een Oost-Indische Compagnie is opgericht. Hij komt daar 16 juni 1617 aan. Op 30 maart 1618 wordt een verdrag gesloten tussen de ‘keizer van Ceylon’ en de Kroon van Denemarken. Koning Christiaan IV bekrachtigt dit verdrag niet alleen, maar hij belooft ook nog dit jaar een schip en een jacht beschikbaar te stellen om de gezant en zijn vrouw naar Ceylon terug te brengen. Er varen nog vijf andere Deense schepen uit. Deze worden, met een aantal gezinnen en een kleine troepenmacht, uitgezonden door de Dansk Østindisk Kompagni. Bevelhebber van de vloot is Gule Gedde, een Deense edelman. De zeven Deense schepen komen na 22 maanden rondgezworven te hebben, in welke tijd Marcelis Boschouwer is overleden, bij Ceylon aan, sommige schepen in de Baai van Batticaloa en andere in de Baai van Trincomalee, maar tenslotte vinden alle Deense schepen elkaar. Gule Gedde zendt enige dienaren naar ‘keizer’ Senarat om te vragen wat er moet gebeuren. Als de vorst verneemt dat de prins van Mingone is gestorven en tot welk bedrag deze uitgaven voor de defensie van Kandy heeft gedaan, ontkent hij glashard hem ooit opdracht te hebben gegeven zoveel geld uit te geven. De Denen begraven de prins van Mingone en diens eveneens overleden zoontje. De prinses van Mingone wordt met drie hofdames en een oude dienstmaagd naar Kandy gebracht, vanwaar zij na een verblijf van zeven jaar op verzoek van de Deense generaal Roeland Carpe door Senarat naar Trincomalee wordt gezonden. Nadat Gule Gedde zich ontdaan heeft van de prinses en haar gevolg, gaat hij bij Batticaloa afwachten op het definitieve antwoord van Senarat. Een Deens schip loopt aan de kust van Ceylon op een klip en breekt in stukken. De bemanning weet zich te redden en komt in kleine bootjes aan op de kust van Coromandel. Sommigen treden in dienst bij de Portugezen, anderen bij de Hollanders. De Denen, die op Ceylon niets meer te zoeken hebben, steken over naar de Coromandelkust en zij verkrijgen van de nayak van Tandzjaoer verlof in Tranquebar een factorij te stichten en een fort te bouwen. Nog in 1618 bouwen zij de vesting Dansburg.

Op 26 oktober 1637 vertoont een Hollandse vloot van 16 schepen van verschillende grootte, onder commando van admiraal Adam Westerwold, zich opnieuw op de rede van Goa. De Portugezen, denkende dat een aanval op Goa voor de deur staat, treffen alle voorbereidingen voor de ontvangst van de vijand, maar op 26 november zeilt de gehele vijandelijke vloot naar het noorden en bij Baçaim aangekomen, maken zij zich meester van een vaartuig dat daar wordt gebouwd. De Nederlanders keren korte tijd later naar Goa terug en op 4 januari 1638 zendt vice-rei Pedro da Silva een vloot uit om hen aan te vallen. De strijd barst om 8.00 uur in de voormiddag los en na een heftig gevecht wordt de vijand verdreven, na twee schepen te hebben verloren, tegenover de Portugezen een. Als de Portugezen hun overwicht aan vuurkracht en manschappen zouden hebben uitgebuit, zouden zij de slag zonder twijfel hebben gewonnen. Nu is het gevecht min of meer onbeslist geëindigd

Op 15 april 1638 sluiten Frei Fernando de Lahore, namens de Portugezen, en admiraal Adam Westerwold, namens de VOC, een verdrag waarin de vrijlating van belangrijke gevangenen wordt geregeld. Generaals worden vrijgelaten tegen generaals; bij ongelijke aantallen dient per generaal te worden betaald een losgeld van 200 patacas; voor admiraals geld hetzelfde, maar het losgeld bedraagt in dit geval 150 patacas; kapiteins die niet kunnen worden geruild, brengen 100 patacas op; voor leden van religieuze orden, niet zijnde een bisschop, aartsbisschop of patriarch, dient 40 patacas per persoon te worden betaald. Voor alle overige gevangenen die niet één op één kunnen worden geruild, is een losgeld van 10 patacas verschuldigd. Voor Portugese en Nederlandse vrouwen die in handen van de vijand vallen, wordt geen losgeld gevraagd.

In 1638 treft een Nederlandse vloot van zeven vaartuigen een Portugese vloot aan die in Puluhindin voor anker ligt. De Hollanders vallen hun vijanden zo krachtig aan dat zij alle Portugese schepen verwoesten. Slechts de bemanning van de helft van de schepen weet zich door te vluchten aan land in veiligheid te stellen. Met het oog op aanvallen als deze, realiseert onderkoning Pedro da Silva zich dat het zaak is de Hollanders met een krachtige aanval te verdrijven voordat zij zich stevig in Indië hebben gevestigd. Hij is verplicht door het treffen van buitengewone maatregelen nieuwe financiële bronnen aan te boren om de noodzakelijke fondsen voor dat doel te kunnen verwerven. Daartoe verkoopt hij alle benoemingen in overheidsdienst aan de hoogste bieders.2 Daartoe behoren ook de benoemingen tot capitão van forten, die in dit systeem, zonder twijfel, vaak in handen vallen van personen die volstrekt onwaardig en incompetent zijn. De toestemming voor het ondernemen van bepaalde handelsreizen, waarvan winst wordt verwacht, worden ook vaak verkocht. Wegens de grote behoefte aan contant geld, ontvangt de staat voor deze reizen vaak minder dan ontvangen zou zijn als de winst achteraf in de staatskas zou zijn gevloeid.

Als gevolg van de diefstal van drie Portugese vaartuigen in Diu, die zou zijn begaan door een Engelse piraat, zendt vice-rei Pedro da Silva een oorlogsschip uit om de piraat op te sporen. Aangezien de president van de EIC in Surat weigert enige genoegdoening te verschaffen voor deze belediging, wordt opdracht gegeven enige eigendommen van een Engelsman die zich in Goa heeft gevestigd weg te nemen en de zaak in handen te geven van het Tribunaal in de stad.

Het schijnt dat omstreeks die tijd (1638) de president van de EIC de Portugezen zou hebben voorgesteld voortaan hun handelswaren te vervoeren in Engelse schepen. Vice-rei Pedro da Silva laat de president daarop weten daar niet voor te voelen, want hierdoor zou niet alleen de Portugese reputatie worden aangetast, maar ingaan op het voorstel zou de gehele handel van de Portugezen in Engelse handen doen overgaan.

In 1638 baart de stand van zaken in Indië de Spaanse regering grote zorgen. Uit de rapportage ontvangen van de onderkoning blijkt dat de Nederlanders het monopolie hebben verworven van de handel met China vanaf de Baai van Cochinchina naar beneden tot aan de punt van Soenda aan toe. In Cochinchina en Tonkin hebben zij grote factorijen en zij hebben ook de handel geopend aan de rivier van Amoy, direct tegenover het eiland Formosa, waar zij peper ruilen tegen zijde, en vanwaar zij ook handeldrijven met Japan. Zij hebben ook factorijen opgezet in Cambodja, Siam, Borneo, Ambon, de Molukken, Jambi en Dandarquin en zij zijn heer en meester van de Banda-eilanden en van vele andere eilanden tot aan Atjeh. In de Golf van Bengalen drijven zij veel handel in de havens aan de kust van Gergelim, Masulipatam, Pulicat, Trivanapatam en andere factorijen boven Galle, evenals in het koninkrijk Bisnaga (Vijayanagar), Golconda en in de provincies van de Mogol en van de Adil Khan, naast de enorme handel met Surat, Perzië, de Straat van Mecca en de vele eilanden in de Oosterse Zeeën.

Om een halt toe te roepen aan de handel in jonge kinderen wordt er een wet ingevoerd die verbiedt kinderen onder de dertien jaar te verschepen naar Indië. Zijne Majesteit wijst de onderkoning er met klem op hoe belangrijk het is om Malacca te behouden, omdat alleen met Malacca in Portugees bezit er op gehoopt kan worden de handel met China en het zuiden te herkrijgen. Maar terwijl de koning veel woorden besteedt aan de stand van zaken in Indië, is Zijne Majesteit niet in staat hulp te zenden, aangezien hij recentelijk een grote vloot naar Brazilië heeft gezonden om de Nederlanders uit dat land te verdrijven. Pedro da Silva antwoordt dat het zonder hulp onmogelijk zal zijn het bestuur over Indië in handen te houden en hij merkt op dat als er geen strijdmacht kan worden gezonden, de Portugese bezittingen in het Oosten aan de wind zijn overgeleverd.

Op 15 november 1638 verschijnen de Nederlanders opnieuw voor Goa; zij blokkeren de haven met een vloot van elf schepen en zij zenden een ambassadeur naar de Adil Khan met het voorstel de Nederlanders te helpen met het verdrijven van de Portugezen uit zijn land. Het is aan de blokkade te wijten dat geen schip Goa kan verlaten en de onderkoning voelt zich niet krachtig genoeg om de strijd met de belegeraars aan te binden. Hij zendt een ambassadeur naar de Adil Khan om de vorst te vragen hem te helpen bij de verdrijving van de Hollanders. De ambassadeur heeft kennelijk weinig vertrouwen in zijn opdracht en faalt volkomen in de uitvoering daarvan. De Adil Khan staat niet alleen toe dat de Hollanders alsnog in het bezit blijven van hun factorij in Vingurla, maar hij onderhandelt ook over een andere factorij te Karwar, waar ook de Engelsen een plaats krijgen aangewezen om er een factorij te stichten.

In januari 1639 arriveert er in Goa een Portugese vloot die afkomstig is van Cabo da Boa Esperança. Het gaat hoogstwaarschijnlijk om de galeão São Bento, onder bevel van kapitein João Soares Vivas, en de Nossa Senhora da Conceição, onder João Cardoso de Almeida, die beiden in het voorjaar van 1638 uit Lissabon zijn vertrokken. Tezelfdertijd arriveren er ook schepen van de Coromandelkust. Alle schepen weten de blokkade te ontwijken en veilig de haven van Goa te bereiken. Nadat hij deze versterkingen heeft ontvangen, belegt Pedro da Silva een vergadering waarin hij voorstelt de vijand te gaan bestrijden. Maar de meerderheid van de vergadering is het niet eens met het voorstel van de onderkoning. Zij zien meer in het zenden van een sterke vloot naar Ceylon om dat eiland te ontzetten. De blokkade-vloot trekt zich in februari terug en zeilt ook naar Ceylon om de koning van Kandy bij te staan in zijn strijd tegen de Portugezen.

De blokkade 1638/1639 wordt door de Hollanders al in februari beëindigd. Goa is dus weer bereikbaar, maar gelet op de sterkte van de vijand in de naburige zeeën, dienen de Portugezen hun handelswaren naar het zuiden te vervoeren met kleine vaartuigen die door roeiers worden voortbewogen. Deze vaartuigen kunnen door dicht onder de kust te varen en door hun wendbaarheid en snelheid altijd aan de vijand ontkomen. De Portugezen zijn nu gedwongen tegenover de superieure Hollandse vijanden dezelfde tactiek toe te passen die de Moorse smokkelaars meer dan een eeuw geleden hebben moeten toepassen tegenover de toen oppermachtige Portugese vloot.

Dom António Telles de Menezes, de tweede man in Goa, wordt geconfronteerd met een belegering van Damão door inheemse troepen onder leiding van Oreng-Zeeb, terwijl de Portugese capitão van Damão overleden is. Hij zeilt in het voorjaar van 1639 met dertig kleinere schepen, waarop zich duizend man en twaalf stukken geschut bevinden, naar Damão om de verdediging van de plaats op zich te nemen. Korte tijd nadat de vloot is uitgevaren en Goa vrijwel onverdedigd heeft achtergelaten, overlijdt op 6 juni 1639 vice-rei Pedro da Silva. Hij wordt opgevolgd door Dom António Telles de Menezes, eerste graaf van Vila Pouca de Aguiar, die zich op dat moment in Damão bevindt. Dan verschijnt Cornelis Simonsz van der Veer op 30 september 1639 met de blokkadevloot van elf schepen voor Goa. Onder bescherming van het geschut van het in 1624 gebouwde fort in Mormugão liggen drie Portugese galeões. Naast de São Bonaventura zijn dat de nog geen jaar oude Bom Jesus, een in Goa gebouwd schip met 64 kanonnen, dat kogels afschiet van 18 tot 30 pond en dat 600 matrozen en soldaten kan vervoeren, en de São Sebastião, een tot galeão verbouwde nau, een schip met 54 kanonnen dat zich in 1625 in de Perzische Golf geweerd heeft tegen de Anglo-Hollandse vloot. Alleen de São Bonaventura is op 30 september bewapend; de andere twee galjoenen hebben op dat moment hun geschut niet aan boord. Negen Hollandse schepen zeilen naar de Mormugãobaai, zonder enige tegenstand te ontmoeten, want het fort verkeert door gebrek aan manschappen en ammunitie in een positie dat het zich niet kan verdedigen. De mannen van de Hollandse schepen slagen erin de twee niet bewapende galeões in brand te steken. Het grote kanon van de São Bonaventura draagt zover dat het schip niet te benaderen is. Bij het vuren ontstaat echter op het schip een brandje dat 300 vaten met kruit doet ontploffen. De explosie is een ware ramp en doodt zoveel manschappen dat de Portugezen bij elkaar 400 doden te betreuren hebben, tegenover de VOC ruim vijftig. Twee VOC-schepen worden echter zwaar getroffen.

Omdat de nieuwe onderkoning, Dom António Telles de Menezes, op het moment van zijn benoeming niet in Goa is, neemt een van de andere eventuele opvolgers, Dom Frei Francisco, de aartsbisschop van Goa, diens taken voorlopig op zich. Het eerste dat hij doet is bericht zenden naar Dom António Telles de Menezes om hem te laten weten dat hij benoemd is tot capitão-geral van de Estado da India, maar dat is voor de aartsbisschop geen reden om de zaken op hun beloop te laten. Zonder de aankomst van Dom António af te wachten neemt hij de in zijn ogen noodzakelijke stappen. Hij verliest geen tijd met de voorbereiding van het ontzet van Malacca. En voor dit doel rust hij twaalf oorlogs- en enige bevoorradingsschepen uit.

Op 13 augustus 1639 arriveert in Goa een ambassadeur van de nayak van Madurai, die de onderkoning in naam van zijn meester de verzekering geeft dat hij, indachtig de hulp die de nayak van de Portugezen ontvangen heeft bij het neerslaan van de opstand in het Marava-gebied in 1630, de koning van Portugal een fort aanbiedt in Uthear, in de streek Pampa of desgewenst elders, Hierin mogen, onder bevel van een Portugese capitão, vijftig Portugese soldaten en 100 lascars gelegerd worden. De nayak is ook bereid 3.000 pardaos te verstrekken voor het onderhoud van het fort. Voorts zegt de nayak toe op zijn eigen kosten een kerk te bouwen in Ramnad en zeven kerken tussen Pambam en Tondi. De nayak geeft iedereen die dat zou willen toestemming christen te worden en hij belooft de koning van Portugal kosteloos alle hulp te verstrekken die deze voor Ceylon zou verlangen, zowel wat manschappen als wat voorraden aangaat. Hij belooft voorts geen vriendschappelijke betrekkingen aan te knopen met de Hollanders en hen niet toe te staan zijn territorium te betreden en zijn havens te bezoeken.

Als in 1639 de Portugese capitão van São Tomé, ondanks het verdrag dat de onderkoning in Goa met de president van de English East India Company heeft gesloten, een Engels schip belet handel te drijven in São Tomé, is de tijd voor de Engelsen aangebroken om zelf een handelspost in de omgeving te stichten en dit temeer daar zij al een paar jaren uitzien naar een geschikte vestigingsplaats aan het zuidelijke gedeelte van de Coromandelkust. Francis Day stelt de Engelse gouverneur in Masulipatnam, Andrew Cogan, voor de post te vestigen een halve mijl ten noorden van São Tomé. Begin 1640 wordt het plan uitgevoerd en wordt tevens begonnen met de bouw van Fort Saint George, dat eind 1641 gereed is. Het fort telt twaalf stukken geschut. De Engelsen beschikken nu aan de kust van zuidelijk Coromandel over een even geschikte vestiging als de VOC in Pulicat.

Zodra Dom António zijn uitverkiezing tot gouverneur-generaal verneemt, keert hij terug naar Goa om zijn hoge ambt op zich te nemen. Dit is het geval op 4 oktober 1639. Dom António is buitengewoon kwaad dat zijn landgenoten in Goa de Hollanders de kans hebben gegeven de Bom Jesus en de São Sebastião in brand te steken zonder ook maar de minste weerstand te bieden en dat zij door onachtzaamheid het verschrikkelijke ongeluk met de São Bonaventura hebben laten gebeuren. Zijn korte ambtsperiode (1639-1640) geeft hem niet veel gelegenheid tegenslagen te boven te komen, want korte tijd nadat Dom António in Goa is teruggekeerd bereikt hem het bericht dat de Hollanders en de Atjeeërs hun strijdkrachten hebben gebundeld voor een aanval op Malacca, voor welke stad twaalf Hollandse oorlogsschepen en 25 Atjeese galeien zijn verschenen. Het gebrek aan fondsen in die dagen maakt het zeer moeilijk een efficiënte strijdmacht op de been te brengen om Malacca te ontzetten en terwijl Dom António desondanks alles op alles zet om dit doel te bereiken, arriveert in Goa João da Silva Tello de Menezes, conde de Aveiras, om het ambt van governador-geral op zich te nemen. De nieuwe vice-rei bereikt zijn bestemming in de galeão Santo António. Met hem arriveren João de Siqueira Varejão in de nau Atalaia; capitão-mor Pedro de Almeida Cabral in de nau Nossa Senhora da Rosa e Almas; Luís Ribeiro Pereira in de naveta Santa Maria Madre de Deus. Al deze schepen komen op 24 augustus in Goa aan. Tot de vloot van de vice-rei hebben ook nog behoord twee caravelas, die van de vlag zijn afgedwaald; zij bereiken hun bestemming op respectievelijk 15 mei en 7 juli 1641. De graaf van Aveiras aanvaardt zijn ambt op 20 september 1640 en neemt de volgende dag de regering van zijn voorganger over. Na het ambtszwaard aan zijn opvolger te hebben overgedragen, keert Dom António Telles de Menezes terug naar Portugal. Vrijwel direct na zijn ambtsaanvaarding schrijft de conde de Aveiras een brief aan Lissabon, waarin hij laat weten dat er dit jaar geen retourvloot geladen met specerijen van Goa naar Lissabon zal vertrekken, wat te wijten is aan gebrek aan mensen en geld. Met het oog op de situatie in Indië schrijft de afgetreden gouverneur-generaal dat er twee galjoenen zijn verbrand; dat Ceylon op het punt staat verloren te gaan. Malacca verkeert in een miserabele staat evenals de andere forten in de Estado da India, en hij voegt eraan toe dat als de vloot waarmee hij in Indië is aangekomen Goa niet zou hebben bereikt, waarschijnlijk alles in Indië verloren zou zijn gegaan.

Begin december 1639 zendt Cornelis Simonsz van der Veer, die het bevel voert over de blokkadevloot voor Goa, een gezant naar de sultan van Bijapur met het voorstel Goa door een gecombineerde aanval van land- en zeestrijdkrachten te veroveren. De sultan gaat hierop in en kan vrijwel direct 7.000 man in het veld brengen. Admiraal Van der Veer sneuvelt echter op 6 december in een onbeduidend gevecht met een Portugees vaartuig. Bovendien loopt een Hollands schip op de rotsen en moet als verloren worden beschouwd. Door deze rampen heerst er een zodanige verwarring op de blokkadevloot dat de gecombineerde aanval op Goa wordt afgelast. Goa ontkomt door het sneuvelen van de Hollandse vlootvoogd aan de meest serieuze bedreiging uit haar bestaan. Voor de Hollanders gaat de enige reële kans om de stad in handen te krijgen verloren. Ondanks dat zij afzien van een aanval op Goa worden de Portugezen in 1639 geconfronteerd met een indrukwekkende ontplooiing van de maritieme macht van de VOC. De vloot die Goa blokkeert en Ceylon aanvalt bestaat uit twintig schepen, met ruim 1.400 matrozen, ruim 800 Europese en ruim 250 Aziatische soldaten aan boord. Bovendien kruisen er tegelijkertijd nog tien schepen van de Compagnie voor de kust van Malacca. Dat de omvang van de VOC-vloten zozeer is toegenomen is te danken aan het zenden door de bewindvoerders van de Compagnie van respectievelijk 18, 20 en 26 schepen naar Indië in de jaren 1637, 1638 en 1639. Desondanks is gouverneur-generaal Anthony van Diemen van oordeel dat hij over te weinig schepen beschikt om de Portugezen overal doeltreffend te kunnen aanpakken.

In 1640 duiken er problemen op voor de Portugezen in de Perzische Golf. Arabieren werkzaam in het douanekantoor van Muscat hebben de Imam van die plaats verteld dat het Portugese fort aldaar in een zeer slechte staat van verdediging verkeert omdat het merendeel van de leden van het garnizoen is geplaatst op de vloot. De Imam valt het fort aan, maar hij wordt met aanzienlijke verliezen door het garnizoen teruggeslagen. De Portugezen die uit havens die dicht bij de Golf van Oman zijn gelegen koper exporteren, zullen nog enkele jaren in het bezit blijven van Sohar. Het zal tot 7 november 1643 duren voordat Imam Nassir ibn Murshid hen tenslotte uit Sohar zal verdrijven.

Terwijl de graaf van Aveiras nog op weg was naar Indië, vonden in Europa belangrijke politieke ontwikkelingen plaats die zullen leiden tot het herstel van Portugals onafhankelijkheid, waaraan al aandacht is geschonken in hoofdstuk 1 van deel XIII van dit boek. De lezers die niet over deel XIII beschikken, worden verwezen naar mijn Internetsite: Deel 13.

Desondanks volgt hierna de bespreking van de Portugese opstand tegen Spanje ontleend aan Danvers, omdat deze veelzeggende bijzonderheden bevat, die nog niet eerder ter sprake zijn gekomen.

Spanje, dat de machtigste staat in Europa is geweest, geraakt heel snel in verval; de welvaart die het land heeft genoten onder de regeringen van Karel V en Philips II, is verdwenen en zal nooit meer terugkeren. En het lot van Portugal is onlosmakelijk met dat van Spanje verbonden. Gedurende de regeringen van Philips III en Philips IV neemt een gevoel van onrust en ontevredenheid bij bepaalde Portugese edelen toe en deze wordt in het geheim gevoed door agenten van kardinaal Richelieu in het land. Frankrijk herstelt zich van de gevolgen van de burgeroorlogen in de zestiende eeuw en de politiek van zijn bestuurders is Spanje nog verder te verzwakken dan al het geval is en het land te helpen bij de neerwaartse beweging waarin zijn noodlottige politiek het land gebracht heeft.

Portugal heeft al symptomen van rebellie vertoond tegen de heersende machten: in 1634 heeft de bevolking van Lissabon geweigerd haar belastingen te betalen; in 1637 zijn er serieuze rellen uitgebroken in Évora, welke plaats vele maanden blijft verkeren in een staat van opstand; en over het gehele land vinden er constant aanvallen plaats op Spaanse soldaten en ambtenaren. Frankrijk laat nu zijn oog vallen op Portugal, om het land te helpen in zijn plannen tegen Spanje, zoals de Portugezen in Frankrijk het land bij uitstek zien om aan hen wezenlijke hulp te verlenen in hun strijd die het land op korte termijn zijn vrijheid moet doen herwinnen.

Bij het zoeken naar een leider van de overwogen revolutie houdt de bevolking van Portugal natuurlijk het oog gericht op João, hertog van Bragança, die de legitieme erfgenaam van de troon van Portugal is. Hij is gehuwd met Dona Luisa de Guzman, dochter van de hertog van Medina Sidonia, van welk huwelijk is gehoopt dat het de familie Bragança steviger aan Spanje zou binden. De hertogin is evenwel sedert haar huwelijk de Portugese zaak met hart en ziel toegedaan en omdat zij zich bewust is van de aanspraak van haar man op de troon van Portugal, is zij zeer bereid degenen te helpen en aan te moedigen die de revolutie voorbereiden om het Spaanse juk af te werpen.

In die tijd wordt Portugal bestuurd door Margaretha van Savoye, hertogin van Mantua en haar hof is, in tegenstelling tot de belofte van Philips II in de vergadering van de Cortes in Tomar, geheel gevuld met vreemdelingen, voornamelijk Spanjaarden en Italianen. De belangrijkste Portugees die deel uitmaakt van de raad van de hertogin van Mantua is Dom Sebastião de Mattos de Noronha, aartsbisschop van Braga, maar de hoogste bestuursmacht is toegekend aan Miguel de Vasconcellos de Brito, een man die intens wordt gehaat door zijn landgenoten.

De belangrijkste voorvechter van de rebellie is João Pinto Ribeiro, die, optredend met de volledige toestemming van de hertogin van Bragança, een complot opzet van leidende Portugese edellieden met het doel een revolutie op te zetten en de Spanjaarden het land uit te gooien. Het belangrijkste middel om deze edelen samen te brengen is de organisatie van grote jachtpartijen in Vila Viçosa, waarbij zij de gelegenheid hebben kennis te maken met hun toekomstige koning. Als de graaf van Olivares, de feitelijke machthebber van het Iberische schiereiland, tenslotte argwaan koestert over wat er gaande is, biedt hij de hertog van Bragança aan de stad Milaan te gaan besturen, wat de hertog afwijst, zeggende geen verstand te hebben van Italiaanse politiek. Olivares, die de hertog van Bragança een tijdje weg wil hebben, geeft hem opdracht een rondreis door Portugal te maken, in zijn hoedanigheid van hofmaarschalk, om de conditie van de defensiewerken te inspecteren. Deze reis geeft de hertog de gelegenheid kennis te maken met een groter deel van de bevolking, terwijl hij vermijdt in de verschillende vallen die men hem heeft bereid te trappen. Na opnieuw te zijn gedwarsboomd door de hertog, geeft Olivares hem de opdracht samen met het hoofd van de Portugese edelen dadelijk naar Madrid te komen om direct onder de koning te dienen door een rebellie in Catalonië neer te slaan.

De tijd lijkt nu duidelijk aangebroken dat een poging dient te worden ondernomen de vrijheid te verwerven, voor het te laat zal zijn. Dit realiseren de samenzweerders zich maar al te goed en zij ondernemen onmiddellijk actie in de zaak. Op de morgen van de eerste december 1640 verzamelen zij zich in de verschillende straten tegenover het paleis en op een vooraf afgesproken signaal gaat iedere samenzweerder naar de hem toegewezen plaats. Het hof van de onderkoning is geheel onvoorbereid zich te verdedigen; de Duitse en Spaanse schildwachten van het paleis worden zonder enig probleem overrompeld; een groep edelen, onder leiding van João Pinto Ribeiro, forceert de toegang tot het paleis en neemt de hertogin van Mantua gevangen.

Zodra de bevolking van Lissabon zich bewust wordt van wat er gaande is, staat zij op als een man en bewapent zich met alles dat te vinden is en arresteert iedere Spanjaard die zij kan vinden. Alle politieke gevangenen worden in vrijheid gesteld en een aantal jonge mannen roeit naar de Spaanse galjoenen in de haven en neemt gemakkelijk bezit van de schepen, omdat de meeste officieren al aan land zijn gearresteerd. Dom António de Almeida dwingt de hertogin een bevel betreffende de overdracht van het Kasteel van São Jorge te ondertekenen door te dreigen met het vermoorden van alle reeds gearresteerde Spanjaarden als zij dit zou weigeren.

Hierna wordt de aartsbisschop van Lissabon uitgeroepen tot luitenant-generaal van het koninkrijk en er wordt een Raad van State benoemd. De nieuwe regering zendt in alle richtingen koeriers uit om het nieuws van de succesrijke opstand wereldkundig te maken en zij geraakt in het vreedzame bezit van de belangrijkste forten en versterkte plaatsen rond Lissabon. De volgende dag neemt Afonso de Mello, in de naam van João IV en zonder dat er een druppel bloed vloeit, bezit van Elvas, de sterkste stad van Portugal. Op 3 december betreedt de hertog van Bragança Lissabon, temidden van algemene uitingen van vreugde en 15 december wordt hij plechtig gekroond in de kathedraal van de stad.

In de tijd dat Portugal zijn onafhankelijkheid verwerft, heeft het diverse bezittingen in het Oosten; in Afrika zijn dat de forten in Sofala en Moçambique en de stad Moçambique. Tussen de monding van de Rode Zee en de Perzische Golf bezitten de Portugezen het fort van Muscat. Tussen Bussora en het Indische schiereiland bezitten zij de forten van Bandel en Diu. En vandaar tot aan Cabo Comorin maken zij aanspraak op de forten in Damão, Assarim, Danu, São Geus, Agashi, Mahim, Manora, Trapor, Bassein met de stad Thana, Caranja, Chaul en Moro. Op het eiland van Goa hebben zij verschillende forten, evenals een fort in Bardes en in Rachol in Salsette; verder naar het zuiden zijn er nog de forten van Onor, Barcelor, Mangalore, Cannanore, Cranganore, Cochin en Quilon. Tussen Cabo Comorin en de Ganges bezitten de Portugezen forten in Negapattinam, São Tomé de Meliapor en Masulipatam. En verder oostwaarts hebben zij forten in Malacca, Macau en op het eiland Timor. Op Ceylon bezitten zij de forten van Colombo, Manar, Galle, Negombo en Jafnapatam.

Het is zaak dat de onderkoning in Goa op de hoogte wordt gesteld van de troonsbestijging van João IV. Daartoe verlaten op 30 maart 1641 twee schepen de haven van Lissabon. Het ene, de Nossa Senhora do Rosário, vermoedelijk een caravela, staat onder bevel van kapitein Manuel de Lis; het andere, de Nossa Senhora de Quietação, een zwaar bewapende nau, heeft – naast een bemanning van 250 koppen – 200 soldaten aan boord. Over de Quietação voert kapitein Sancho de Faria het bevel. Beide schepen hebben, volgens de gewoonte van die tijd, gelijkluidende documenten bij zich voor de autoriteiten in Goa, waaruit blijkt dat João IV de Portugese troon bestegen heeft. Manuel de Lis is als eerste op 2 augustus 1641 in de haven van Moçambique, waar het nieuws dat Portugal weer een eigen koning heeft met grote geestdrift wordt ontvangen. Als Lis op 6 september in de buurt van Goa aankomt, vindt hij de haven geblokkeerd door de VOC-vloot. Dit is de vloot van tien schepen die op 17 juli 1641 Nederland verlaten heeft om, onder bevel van Matthijs Hendriksz Quast, voor het zesde achtereenvolgende jaar de haven van Goa te blokkeren. Lis weet zijn negenjarige zoon André met de documenten waaruit blijkt dat João van Bragança tot koning van Portugal is gekroond en met de boodschap deze documenten aan de Vice-rei, de graaf van Aveiras, persoonlijk te overhandigen, op het strand van Salsette af te zetten. André bereikt Goa twee dagen later, juist als de zondagse hoogmis in de kathedraal van Santa Catarina wordt opgedragen. De jonge gaat naar binnen en schreeuwt het grote nieuws door de kerk. Aveiras laat André Lis bij zich brengen en neemt de documenten in ontvangst. Volgens Portugese bronnen is de graaf van Aveiras verheugd als hij de documenten gelezen heeft; Hollandse bronnen weten echter te vermelden dat de graaf partij kiest voor koning João IV als de aartsbisschop van Goa hem erop wijst dat hij, volgens een van de documenten die André heeft overhandigd, anders het bestuur aan hem dient over te dragen. Zodra het nieuws in Goa bekend is, wordt er uit dankbaarheid een plechtige hoogmis in de kathedraal gecelebreerd. De algemene vreugde in Goa en in de gehele Estado da India wordt mede ingegeven door de verwachting dat de oorlog met de Republiek nu voorbij is. Portugal en de Republiek zouden zich als bondgenoten tegen Spanje kunnen keren. De werkelijke intenties van de VOC zullen spoedig blijken. Als kapitein Faria op 22 september met zijn Quietação bij Goa aankomt, valt admiraal Quast het schip, ondanks dat het de bestandsvlag voert en Quast al op de hoogte is van de afscheiding van Portugal van Spanje, met vier of vijf schepen aan. Bij het gevecht sneuvelen bijna dertig Portugezen, onder welke kapitein Faria; aan de zijde van de VOC sneuvelen zestien man, maar een paar weken na het treffen bezwijkt admiraal Quast aan de tijdens het gevecht opgelopen verwondingen. De Hollanders veroveren de Quietação en noemen het schip ‘Amsterdam’. De onderkoning protesteert twee dagen later tegen het negeren van de bestandsvlag en verzoekt, onder overlegging van de uit Lissabon ontvangen documenten, om een wapenstilstand.

Hier eindigt de bespreking van de Estado da India. De draad zal in een volgend deel worden opgepakt met de bespreking van de jarenlange pogingen van de Portugezen om in Azië tot beëindiging van de vijandelijkheden te komen. Na een afzonderlijke § over de Carreira da India zal in hoofdstuk 2 aandacht worden geschonken aan de Portugezen aan de Golf van Bengalen. In hoofdstuk 3 ten slotte komen Siam en Achter-Indië aan de orde.

1 Hiermee bedoelt de onderkoning captain Weddel en Courtens Associatie.

2 Panikkar vermeldt dat de functie van een ‘minor’ capitão, wiens salaris over drie jaren niet boven £ 1.000 uitkomt,

£ 57.000 winst oplevert. (zie pag. 200)

1.4 De Carreira da India

Categorieën
Britse kolonialisme Franse kolonialisme Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

Dom Frei Luís de Brito, Nuno Álvares Botelho en Dom Miguel de Noronha, conde de Linhares. De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640

Deel 17 Index

Hoofdstuk 1.

De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640

1.2. Dom Frei Luís de Brito, Nuno Álvares Botelho en Dom Miguel de Noronha, conde de Linhares

Geschreven door Arnold van Wickeren

Er is niet veel bijzonders te melden over de korte regeringsperiode van Dom Frei Luís de Brito (1627-1628). Op Ceylon is de capitão van dat eiland, Dom Constantino de Sá e Noronha, in 1629 een fort aan het bouwen in Trincomalee, nadat hij in 1623 al een fort heeft gebouwd in Batticaloa. Een en ander leidt tot hervatting van de oorlog met Kandy, zoals we later zullen zien. Dom Frei Luís de Brito overlijdt in juli 1629. Als daarna de brieven waarin de opvolging geregeld wordt, geopend worden, kan daaruit – wegens spelfouten in de namen – met enige moeite worden opgemaakt dat Nuno Álvares Botelho de nieuwe capitão-geral van de Estado da India is. Zodra hij zijn ambt heeft aanvaard, verlaat hij op 2 augustus het paleis van de onderkoning in Goa en verplaatst hij zijn verblijf naar de kust, waardoor hij beter in staat is de voortgang van de voorbereidingen voor het ontzet van Malacca, dat ernstig wordt bedreigd door de sultan van Atjeh, in de gaten te houden. Onder zijn leiding wordt zo serieus gewerkt aan de uitrusting van een vloot, dat Nuno Álvares Botelho begin september een legertje van 500 goed getrainde artilleristen, naast een overvloed aan wapens en ammunitie, verzameld heeft. Daarnaast heeft hij dertig volledig uitgeruste vaartuigen klaarliggen om uit te varen. Nadat hij op 22 september het burgerlijke bestuur over Goa heeft overgedragen aan Dom Lourenço da Cunha, Nuno Álvarez Pereira het commando over militaire zaken op zich heeft genomen en Gonçalo Pinto da Fonseca zich heeft belast met het toezicht op de rechtsbedeling, zeilt de capitão-geral zelf uit om Malacca te ontzetten·.

Eerder is vermeld dat de graaf van Vidigueira teruggeroepen is naar Portugal en dat hem bevolen is zijn ambt over te dragen aan Dom Francisco Mascarenhas, maar deze heeft inmiddels Indië verlaten en is naar Spanje vertrokken. Nadat hij kennis heeft verkregen van zijn benoeming, is hij in 1628 met drie schepen uit Lissabon naar Goa vertrokken. Dom Francisco heeft enige interessante instructies bij zich. Zo moet hij onder meer een onderzoek instellen naar het functioneren van de bisschoppen in Indië, die op kosten van de staat leven, en hij dient het aantal bisschoppen te verminderen. Hij dient ook kritisch te kijken naar aanspraken en aspiraties van de jezuïeten. Voorts moet hij een onderzoek instellen naar de uitgaven van zijn voorgangers. Tenslotte dient hij te bezien of er bezuinigd kan worden op de uitgaven voor Justitie en Financiën. Een van de drie schepen bereikt zijn bestemming, maar de andere twee, waaronder het schip waarop de nieuwe onderkoning reist, zijn genoodzaakt naar Lissabon terug te keren. Na zijn terugkeer wordt Dom Francisco Mascarenhas ingezworen als lid van de Raad van Portugal, reden waarom hij afziet van zijn benoeming tot onderkoning.

In plaats van Dom Francisco Mascarenhas wordt Dom Miguel de Noronha, conde de Linhares, benoemd tot gouverneur en vice-rei van de Estado da India (1629-1635). De graaf van Linhares vertrekt in het voorjaar van 1629 uit Lissabon met drie naus en zes galeões. Een van de naus lijdt schipbreuk nabij Cabo da Boa Esperança, waarbij alle opvarenden, 400 mensen, omkomen. Spoedig nadat de graaf van Linhares in Goa is aangekomen, wordt daar het bericht ontvangen van de grote victorie die Nuno Álvares Botelho heeft behaald bij Malacca en dat hij direct daarna giften aan de sultan van Pahang heeft gezonden omdat deze de Portugezen in hun strijd tegen de Atjeeërs ondersteund heeft.

In 1629 schrijft de aartsbisschop van Goa1 de koning een brief, waarin hij Zijne Majesteit meedeelt dat, hoewel de Portugezen in de Indische wateren vele vijanden hebben, de grootste vijanden van de Estado da India de Portugezen zelf zijn. Omdat de staat de grootste moeite heeft Portugezen bereid te vinden voor uitzending naar Indië, maakt de koning bekent dat vanaf 1630 ook buitenlanders in dienst van de koning kunnen treden, om dienst te nemen in het Portugese leger in Indië en dat zij dezelfde soldij zullen ontvangen als de Portugezen.

In 1630 is de Portugese handel met Indië sterk verminderd, wat te wijten is aan Engelse en Nederlandse concurrentie. Omdat zijn rivalen zeer succesrijk zijn, besluit de koning van Spanje hun handelwijze te imiteren door ook een handelscompagnie op te richten. Bijgevolg wordt bij Koninklijk Decreet van 15 maart 1630 een handelscompagnie gesticht, waarin de koning zelf voor 1.500.000 cruzados deelneemt. De koning hoopt dat zijn onderdanen voor hetzelfde bedrag participeren. Alle gemeenten in Spanje en Portugal ontvangen een circulaire, die hen oproept in de nieuwe compagnie deel te nemen. Van de onderkoning in Indië wordt verwacht dat hij particulieren oproept in het kapitaal van de Compagnie te participeren, omdat de Compagnie de macht van de Europese concurrenten zal verzwakken. Ondanks de koninklijke aansporingen, neemt geen enkele particulier deel in het kapitaal van de Compagnie en slechts een handvol gemeenteraden ondersteunt de onderneming. De Compagnie wordt dus een volslagen mislukking en bijgevolg zal zij, na een kort en onbelangrijk bestaan, bij Koninklijk Decreet van 12 april 1633 weer worden opgeheven en zal de staat al haar bezittingen en schulden overnemen.

Na onderhandelingen in Madrid, sluiten de Kronen van Engeland en Spanje op 15 november 1630 een vredesverdrag. Desondanks maakt de Portugese gouverneur van Surat er bezwaar tegen het verdrag in werking te stellen. Van Iberische zijde wordt beargumenteerd dat, op basis van artikel 9 van het Verdrag van 1604, het de Engelsen niet is toegestaan naar Indië te komen, noch hebben zij het recht daar handel te drijven. En deze verboden worden bevestigd in de artikelen 3 en 8 van het Verdrag van 1630

Tijdens de onderhandelingen over het Verdrag van 1604 hebben de Spaanse gevolmachtigden grote druk uitgeoefend om de Engelse handel in Indië te doen erkennen als illegaal, maar zonder succes. De Engelse onderhandelaars hebben voorgesteld slechts akkoord te gaan met de proclamatie dat het Engelse onderdanen niet is toegestaan handel te drijven met Spaanse gebieden in Indië als daarin een uitzondering wordt gemaakt voor handel met inheemsen die niet onder gezag van koloniale machten staan. De Iberische onderhandelaars weigeren namens de Spaanse koning een belofte voor de handel in contrabande af te geven. Zij stellen zich ermee tevreden de gehele zaak buiten het verdrag te houden, ofschoon zij hun opvattingen op de conferentie duidelijk naar voren hebben gebracht.

Omdat de Engelsen geen handel met Indië drijven als andere verdragen dit verbieden, doet Philips IV van Spanje een beroep op Charles I van Engeland om al zijn schepen uit Indië terug te trekken en niet toe te staan dat daar nog iemand naar toe gaat. Dit is natuurlijk een ongepast voorstel. Zijne Excellentie de Koning van Spanje heeft het overwogen en vaak met zijn adviesraad besproken. Hij heeft besloten met dat voorstel in te stemmen, “daar de Koning van Engeland en de Koning van Spanje het hierover zijn eens geworden op 15 november 1630, zonder enige toevoeging of weglating, of een andere uitleg gevende aan wie dan ook, die niet in overeenstemming is met die vrede, desondanks zal worden begrepen dat er een wapenstilstand zal heersen en dat de wapens zolang zullen zwijgen als de meest illustere Koningen van Engeland en Spanje over en weer zullen verklaren, de een zowel als de ander, dat zij daarmee niet blij zijn en de vrede zal zes maanden duren nadat daarvan bericht zal zijn gegeven aan de al genoemde onderkoning van de Estado da India en aan de president van de Engelse natie in India, zodat de kooplieden de tijd hebben hun handelsgoederen terug te trekken.”

Onder alle vijanden van Portugal is er waarschijnlijk geen die de Estado da India meer kwaad doet dan de jezuïeten (en andere geestelijke orden) en hun arrogantie is tot zulk een hoogte gerezen dat de graaf van Linhares in 1631 aan koning Filipe III (Philips IV) schrijft dat hij heeft vastgesteld dat de priesters en monniken zijn orders negeren, maar hij stelt de koning er ook van op de hoogte dat de jezuïeten zich meester hebben gemaakt van Tuticorin en dat zij op hun eigen kosten benden van gewapende mannen erop nahouden, daarmee de regering trotserend; zij hebben zich de absolute meesters van Travancore en van de parelvisserij aan de kust gemaakt en feitelijk voeren zij op zee oorlog tegen de kapiteins van Zijne Majesteit. De onderkoning verklaart voorts dat de Estado da India meer schade ondervindt van de jezuïeten dan van zijn andere vijanden, als gevolg van het feit dat zij contact onderhouden met de Hollanders en met de moren. Bovendien soupeert de Societas Jesu een groot deel van de staatsinkomsten op. Zij zijn zover gegaan dat zij ook ontkennen dat de koning van Portugal heer van Indië is. En in het algemeen intrigeren zij in het Oosten tegen de regering van de Estado da India en zij stellen de koninklijke opdrachten ter discussie.

In 1631 zendt koning Filipe III van Portugal instructies aan de graaf van Linhares. Hij dient te trachten in contact te treden met de gouverneur van Ormoez, met het oogmerk deze plaats opnieuw in handen te krijgen voor de Kroon van Portugal. Vergeleken met dit ene project is al het andere van secundair belang en – indien nodig – mag het middel omkoping worden gebruikt. In overeenstemming met deze instructies, zendt vice-rei Dom Miguel de Noronha een zekere Dominic de Torale Valdez, een Spanjaard, naar Rui Freire de Andrade, de capitão-mor in de Perzische Golf, die zich in Muscat bevindt, om met hem te spreken over het onderwerp. Zijn opdracht mislukt, maar in plaats daarvan wordt een fort gebouwd in Julfar, in de buurt van een bekende parelvisserij, ongeveer 50 léguas van Muscat.

In 1633 rapporteert de graaf van Linhares aan de koning dat zich nieuwe concurrenten in de Indische wateren hebben gemeld. Het gaat om de Fransen die ook hun aandeel in de Oosterse handel komen opeisen2, nadat zij sinds het begin van de zeventiende eeuw al menig poging hebben gedaan de Indische wateren te bereiken. Uit het navolgende overzicht, dat onder meer is ontleend aan de Internetsite: http://www.histoire-genealogie.com/spip.php?article158, van pogingen daartoe, blijkt hoe moeizaam de Franse vaart naar Azië op gang is gekomen.

In 1601 rusten twee kooplieden uit Saint-Malo, Laval en Vitré geheten, twee gewapende schepen, Le Corbin en Le Croissant, uit voor een reis naar de nog door de Fransen te ontdekken Molukken. Ook François Pyrard de Laval, aan wie we het verhaal van de reis te danken hebben, is aan boord van Le Corbin. De twee schepen varen op 18 mei 1601 uit en zijn op 29 juni bij Anobom. De Portugezen daar openen het vuur, doden één man en nemen er vijf gevangen, die zij tegen een hoog losgeld vrijlaten. Nog juist voor het einde van het jaar wordt Cap de Bonne-Espérance gedubbeld en vaart men naar de Comoren. Le Croissant zeilt vandaar naar Atjeh, maar Le Corbin lijdt schipbreuk in de Malediven. De bemanning van Le Corbin wordt gered door de inheemse bevolking, maar de mannen worden behandeld als gevangenen. Zij worden verdeeld over de naburige atollen, waar zij het erg zwaar hebben. Pyrard bevindt zich met twee Franse maats op het eilandje Pandoué en wordt door zijn moedige houding al snel beschouwd als de heer van Pandoué. Na drie maanden neemt een officier van de koning van Malé hem mee naar zijn vorst. Deze behandelt hem goed en Pyrard, die inmiddels de landstaal heeft geleerd, beantwoordt al zijn vragen. De koning staat Pyrard toe met twee Franse en vijf Vlaamse lotgenoten te vertrekken aan boord van een schip uit Bengalen. Op weg naar Bengalen legt Pyrard op 5 februari 1607 een eed af dat hij een pelgrimstocht naar Santiago de Compostella zal maken uit dankbaarheid voor zijn redding. In Chartican (Chittagong) boekt Pyrard passage op een schip naar Calicut. Hij bereikt in februari 1608 Cochin, waar de Portugezen hem, als indringer in hun imperium, in het gevang gooien. Daar ziet hij de lijken van drie Hollanders. Dankzij bemiddeling door een jezuïet, aan wie Pyrard een hulpkreet uit de gevangenis heeft geschreven, wordt hij vrijgelaten. Hij komt ziek in Goa aan en wordt opgenomen in het ziekenhuis, ‘le plus beau hôpital au monde’. Pyrard belandt in Goa weer in het cachot, maar wordt vervolgens ingelijfd in het Portugese leger als gewoon soldaat, in welke hoedanigheid hij verschillende delen van Indië bezoekt. In de winter van 1609 boekt hij passage naar Lissabon, maar hij komt op 5 juni 1609 in Brazilië aan. Hij mag van geluk spreken, omdat niet minder dan 250 passagiers en matrozen onderweg zijn overleden, wat Pyrard vooral wijt aan de onhygiënische omstandigheden3 aan boord. Hij verblijft tot oktober 1610 in Brazilië en komt op 20 januari 1611 aan in Galicië, om zijn pelgrimstocht naar Santiago de Compostella te maken. Een maand later is François Pyrard in La Rochelle.

In 1604 is door handelaren uit Dieppe, met steun van de Vlaamse kapitein Gérard Le Roy, een maatschappij voor reizen naar Oost-Indië opgericht. De laatste bestuurt deze maatschappij tezamen met een financier, Antoine Godefroy, schatkistbewaarder van Frankrijk te Limoges. Zij draagt de naam ‘Compagnie de Le Roy et Godefroy.’ Zij ontvangt voor vijftien jaar het koninklijk monopolie voor de vaart op Indië. Haar agenten verwerven diverse schepen en vier ervan worden bewapend. Maar in 1609 heeft nog geen enkele expeditie Frankrijk verlaten, wegens de vijandschap van de handelaren van Saint-Malo, maar bovenal van de Hollanders.

In 1611 echter vragen Gérard Le Roy en Antoine Godefroy aan de regering op voorhand om vernieuwing van hun privilege. Dit verzoek wordt gehonoreerd en de compagnie wordt heropgericht voor een periode van twaalf jaren, maar dit sorteert geen enkel effect, want bij de eerste gelegenheid verlaat geen enkel schip Frankrijk. In 1615 trachten kooplieden uit Rouen, Jacques de Muisson en Ezéchéel Cahen, een compagnie voor de vaart op Indië op te zetten. Koningin Marie de Médici doet beide compagnieën fuseren en zij doet de ‘Compagnie van de Molukken’ het licht zien, waarbij de Compagnie gebaseerd is op patentbrieven, gedateerd 2 juli 1615. Deze laatste verlenen een privilege voor de handel op Azië voor achttien jaar. In 1616 vertrekt kapitein Lelièvre uit Honfleur uit deze haven met drie schepen en daarna verlaten twee andere schepen dezelfde haven, onder bevel van d’Antoine de Beaulieu en van de heer van Netz. Het zijn Le Montmorency en la Marguerite, die in 1617 Bantam op Java bereiken. Vandaar keren twee schepen van handelaren uit Saint-Malo naar Frankrijk terug. De Hollanders die ter plaatse aanwezig zijn, confisqueren of vernietigen van elk van beide expedities een schip. Desondanks zijn de Franse expedities rendabel.

De eerste concrete resultaten van de handel met Azië zijn dus het gevolg van de stichting van een compagnie in 1611 door Charles de Damville, Admiral de France, onder de naam van ‘Compagnie de Montmorency pour les Indes Orientales’. Zijn neef, Henri II de Montmorency, volgt hem in 1612 op en rust in 1613 één schip en in 1615 drie schepen uit met bestemming Indië, China en dichterbij zijnde eilanden.

De stichting van een factorij zal in 1617 plaats hebben in Pondicherry, wanneer de Saint-Louis, afkomstig uit Saint-Malo, de kust van Coromandel bereikt. Jean Pépin ontvangt van de nayak van Pondicherry toestemming om een fort te bouwen om de veiligheid van de Franse handel te verzekeren. Hij laat er een wacht achter en belooft spoedig te zullen terugkeren, wat hij overigens niet doet.

In 1619 komt er een fusie tot stand tussen de compagnie van de kooplieden uit Saint-Malo en de ‘Compagnie van de Molukken.’ Augustin Beaulieu vertrekt uit Honfleur met drie schepen, le Montmorency, l’Espérance en l’Ermitage. Hij keert terug met een enkel schip maar met een belangrijke lading. Bovendien heeft hij een factorij gesticht op Sumatra en hij heeft daar een douanevaartuig voor het belasten van de inter-Aziatische handel achtergelaten. Deze handel is voor de eerste maal profijtelijk voor de Fransen. Het douanevaartuig wordt geconfisqueerd door de Hollanders. In een relaas over zijn reis, dat Augustin Beaulieu na thuiskomst schrijft, noemt hij vaak Malacca en de belangrijke rol die de Portugese factorij in de regio speelt. Na zijn terugkeer in Le Havre, in 1622, moeten we opnieuw enige decennia wachten alvorens Franse schepen naar Zuidoost-Azië gaan om er handel te drijven.

In 1629-1630 presenteert Augustin Beaulieu een plan om de eilanden ten oosten van Madagascar te gaan exploiteren, waarbij Madagascar de uitvalsbasis zal zijn. Er wordt een compagnie van particuliere financiers gesticht die het oosten van Madagascar en de bedoelde eilanden (thans Reunion, Mauritius en Rodrigues) moet gaan exploiteren. In 1632 arriveert Rigault op Madagascar en in de jaren 1630-1632 heeft Gilles de Régimont een expeditie in de Indische Oceaan ondernomen en in 1635 associeert hij zich met kooplieden uit Dieppe om de Golf van Bengalen te bezoeken. Rigault onderneemt in de jaren 1635 en 1637, met behulp van lieden uit Dieppe, nog verschillende expedities in de Indische wateren.

In de jaren 1630-1632 onderneemt Gilles de Régimont verschillende tochten in de Indische Oceaan. Deze tochten zijn gerapporteerd aan Vice-rei Dom Miguel de Noronha, conde de Linhares. De rapportages hebben zijn bezorgdheid gewekt, die hij heeft willen delen met koning Filipe III van Portugal.

Er is nog een andere zaak die de onderkoning veel zorgen baart en dat is de volgende. Als er in Goa manschappen uit Portugal aankomen ter versterking van de Portugese strijdkrachten in Indië, vluchten zeer velen die de reis overleefd hebben naar een van de kloosters in Goa. Zij hopen hun leven en hun ziel te redden door zich te onttrekken aan de strijd en monnik te worden

De finale slag voor het Portugese prestige in Indië wordt ook uitgedeeld in 1633. Het schijnt dat de Mogol Shāh Jahān in zijn veldtochten tegen zijn vijanden meer tegenstand moet overwinnen dan hij verwacht heeft, zo ook nog recentelijk in de strijd van zijn troepen met de Adil Khan van Bijapur. De Grootmogol wijt dit aan de militaire steun die zijn vijanden van de Portugezen ontvangen en hij wil de Portugezen daarvoor straffen door hen uit Bengalen te gooien. Zij hebben zich daar in de stad Hoogly (Ugolim) gevestigd. In deze plaats wonen 200 Portugezen en 600 slaven, temidden van duizenden inheemse christenen, tegen wie Shāh Jahān een enorme strijdmacht inzet, zowel over land als over de rivier de Ganges. Het kleine Portugese garnizoen verdedigt zich dapper van 21 juni tot 29 september 1633, wanneer zij tenslotte verplicht zijn zich over te geven. De meerderheid van de nog in leven zijnde Portugese verdedigers worden gevangengenomen en naar Agra overgebracht, maar een klein aantal slaagt erin te ontsnappen. Zij fortificeren zich op een eiland tegenover hun vroegere fort. Zij zullen daar blijven tot in het jaar 1643, als zij naar Goa zullen worden gebracht door een expeditie die de vice-rei, de graaf van Aveiras, met dat doel heeft uitgestuurd. (In hoofdstuk 2 wordt op hierop teruggekomen.

Ondanks de geschillen over de interpretatie van het verdrag van 15 november 1630 tussen Londen en Madrid, sluit de graaf van Linhares in Goa op 20 januari 1635 een verdrag met de president van de English East India Company in India, William Methwold, waarin is vastgelegd dat er een staakt het vuren tussen Engeland en Portugal in India wordt overeengekomen en dat zij zich verenigen tegen gezamenlijke vijanden, wat niet slechts in het belang is van de onderdanen van beide staten, maar ook de faam van hun beider vorsten bevordert.

Wegens het gebrek aan schepen voor dienstverlening aan de Estado da India in Goa chartert de onderkoning in 1635 een Engels schip van Wiliam Methwold in Surat voor een reis naar China. Het schip is de London en het speciale doel van de expeditie is 4.000 quintais koper en ongeveer 100 stuks van ijzer vervaardigde stukken geschut naar Goa te brengen. Het gecharterde schip neemt in Goa een grote lading in, waartoe de bevolking van deze stad ook het hare gretig bijdraagt door zelfs de juwelen van hun vrouwen te verkopen om te voorzien in lading, omdat vervoer met een Engels schip grotere zekerheid oplevert dan vervoer met een Portugees schip. De onderkoning stelt in een brief aan de koning vast dat deze soort van handel vrijwel geheel in onbruik is geraakt en dat de bevolking de gelegenheid te baat neemt deze soort handel nieuw leven in te blazen “als gaat het om een generaal pardon.” Er gaan twee Portugese feitores aan boord van de London. Zij hebben de opdrac ht niet toe te staan dat de Engelsen aan land gaan in de havens die worden aangedaan, vooral niet in China. Dankzij een pas van de onderkoning kan het schip Malacca en Macau bezoeken. Bij aankomst op hun bestemming richten de Engelsen een verzoek aan de mandarijnen om hun schip op te meten,4 maar dit wordt belet door de Portugese factors aan boord. De Engelsen verrichten in China enige handel voor eigen rekening en zij vragen toestemming voor dat doel twee met pannen gedekte gebouwtjes te mogen opzetten; zij willen ook toestemming ontvangen volgend jaar naar China te mogen terugkeren en als een prikkel met hun verzoek in te stemmen, beloven de Engelsen de Chinezen drugs te zullen aanbieden voor de helft van de prijs die de Portugezen daarvoor vragen. Al deze omstandigheden in aanmerking nemende, geeft Pedro da Silva, die de graaf van Linhares als vice-rei (1635-1639) is opgevolgd, als zijn mening dat het zenden van de London naar China het slechtste is geweest wat de Portugezen hebben kunnen doen.

In hetzelfde jaar (1635) wordt voorgesteld een compagnie op te richten voor de handel met China en voor dit doel worden de inwoners van Indië aangemoedigd daarvoor eigen schepen ter beschikking te stellen, om inbeslagname door Europese vijanden te vermijden. Dit plan schijnt echter niet bij de Indische kooplieden in de smaak te zijn gevallen en er komt dan ook niets van het plan terecht. Voorheen hebben de inheemse handelaren de Handels-compagnie gevraagd goederen in hun schepen naar Europa te zenden, maar dit is afgewezen omdat, gelet op de wijze waarop de schepen van de Compagnie zijn uitgerust, het gevaar dat zij verloren gaan bijna zeker is. Aangezien de Compagnie inmiddels heeft opgehouden te bestaan, geeft de koning aan de onderkoning als zijn wens te kennen die Indische kooplieden ertoe over te halen goederen te transporteren in schepen van de koninklijke vloten.

Op 12 maart 1635 sluit de koning van Asarceta een vredesverdrag met de capitão van Damão. Hierbij is bepaald dat noch hij, noch zijn kapiteins een vijand van de Portugezen zullen ondersteunen; dat hij in tijden van oorlog hulp zal zenden aan de capitães en governadores van Damão wanneer daarom wordt gevraagd. En dat, in het geval hij een vijand de oorlog zal willen verklaren, hij daarvan eerst bericht aan de capitão zal geven, opdat deze de juistheid van de zaak kan onderzoeken en voorbereidingen kan treffen om hem (de koning) te ondersteunen.

Ongeveer tezelfdertijd treft de graaf van Linhares een regeling met de koning van Vijayanagar, Venkata III (1630-1641), waarbij de laatste zich verplicht de Portugezen te helpen de Hollanders uit Pulicat te verdrijven. De strijdkrachten van de koning zullen Pulicat over land aanvallen en de Portugezen vanuit zee. Voor zijn hulp ontvangt de koning 30.000 xerafins, twaalf paarden en zes olifanten voor zijn aandeel in de uitgaven. De koning van Portugal merkt op dat een succesrijke onderneming ertoe leidt dat de Hollanders worden beroofd van de kledinghandel in Coromandel en van de handel met het zuiden. Bijgevolg zenden de Portugezen een vloot van twaalf schepen naar Pulicat, maar Venkata III voert zijn deel van de afspraak niet uit, wat – zo legt hij later uit – te wijten is geweest aan onrust in zijn eigen gebieden, maar als de opstand zal zijn neergeslagen is hij bereid zijn deel van de afspraak na te komen. De Portugese vloot heeft inmiddels Pulicat verlaten en is op weg naar Tuticorin, om de nayak van Madurai te straffen en de jezuïeten ter plaatse schrik aan te jagen. De nayak heeft – op verzoek van de jezuïeten – een Portugese agent, die in Madurai salpeter wilde verwerven in ruil voor olifanten, gevangengenomen.

De onderkoning zendt opnieuw een vloot naar Pulicat, maar de koning van Vijayanagar komt opnieuw zijn afspraak niet na, waarop de graaf van Linhares als zijn mening geeft dat de vorst niet te vertrouwen is. Vervolgens valt Ventaka III Pulicat aan, maar al spoedig bereikt hij een onderhandelingsresultaat met de Hollanders en hij heft het beleg op, waarbij hij de Hollanders in het ongestoorde bezit van Pulicat laat. Zij zouden de vorst daarvoor 20.000 pardãos hebben betaald.

Als Shāh Jahān in 1635 de Deccan binnen valt, geeft koning Philips IV opdracht de Adil Khan en de Melique tegen de Grootmogol te helpen, om diens groeiende macht enigszins in bedwang te houden. De graaf van Linhares heeft bericht ontvangen dat Shāh Jahān Agra heeft verlaten aan het hoofd van 60.000 ruiters om de strijd met de Adil Khan aan te binden en hij heeft een ambassadeur vooruit gestuurd naar Meliques koninkrijk om de overgave van diens hele rijk en de betaling van dertig miljoen pagodas achterstallig tribuut te vragen. De Melique zou zich hebben omringd met adviseurs die op de hand zijn van de Grootmogol en de Portugezen vrezen dat de laatste erin zal slagen het koninkrijk van de Melique en Canara in zijn bezit te krijgen en hij zou vervolgens kunnen afdalen naar Portugees gebied.

Een van de laatste brieven van de graaf van Linhares, in zijn hoedanigheid van vice-rei van de Estado da India, aan de koning is gedateerd 30 november 1635. Hierin geeft hij een overzicht van de condities in Portugees Indië aan het einde van zijn regeringstermijn. Hij schrijft hierover het volgende. De koning van Japan is begonnen met de vervolging van de christenen, wat in hoge mate de handel van de Portugezen met dat land beïnvloedt. Deze handel wordt mede belemmerd door het feit dat veel individuele particulieren schulden bij de Japanners hebben opgebouwd tot bedragen groter dan 200.000 xerafins. Deze laatste moeilijkheid is evenwel gemakkelijk te overwinnen, omdat de Gemeenteraad van Macau de betaling van deze schulden heeft gegarandeerd.

De inwoners van Chincheo5 zijn, aldus de graaf van Linhares, tegen de Hollanders opgestaan en zij hebben hen verslagen. Zij hebben bij verrassing verschillende van hun vaartuigen genomen en hij spreekt de wens uit dat hierdoor een einde zal zijn gekomen aan de Hollandse handel met dat land.

De koning van Makassar staat in die tijd vriendschappelijk tegenover de Portugezen, maar vijandig tegenover de Hollanders. Hij heeft de eilanden van de Molukken en van Ambon, waarvan de bewoners de Hollanders verslagen hebben en hen enkel hun fort op het laatste eiland hebben gelaten, genomen. De koning van Makassar heeft een ambassadeur naar Goa gezonden om de Portugezen te vragen hem te helpen de Hollanders te verdrijven, waarbij hij hun het monopolie op de handel met zijn gebieden belooft. De onderkoning is echter niet in staat op dit aanbod in te gaan, omdat het hem ontbreekt aan een voldoende sterke zeemacht in Straat Singapore om het op te nemen tegen de Hollanders, die daar over een grote strijdmacht beschikken. De ambassadeur van Makassar verklaart dat de koning een strijdmacht naar Banda zal zenden om daar de muskaatnotenbomen te kappen, wat, zo wordt gedacht, een fatale klap voor de welvaart van de Hollanders zal zijn. Voor hen vormen de muskaatnotenbomen op Banda een zodanig grote bron van inkomsten dat zij hierdoor kunnen handeldrijven in India.

De onderkoning brengt de koning van Portugal het belang onder de aandacht hem een voldoende sterke strijdmacht te zenden om de Hollanders te verslaan, in welk geval, zegt hij, zij zozeer in diskrediet worden gebracht, dat iedereen zal weigeren nog zaken met hen te doen, want zij worden overal hartgrondig gehaat en zij zijn slechts in staat handel te drijven door middel van geweld en door het geven van bevelen. De vice-rei wenst ook de Hollanders in Mataram te imponeren om te verhinderen dat zij een overeenkomst met de koning van die plaats6 aangaan. De koning van Bantam heeft de Hollanders de oorlog verklaard en hij heeft een ambassadeur gezonden naar de Portugezen om hen een commerciële alliantie met hem aan te bieden. Aan de andere kant is de koning van Atjeh eerder op de hand van de Hollanders dan op die van de Portugezen.

De betrekkingen met de koning van Pegu hebben geresulteerd in de opening van de haven van Pegu voor de Portugezen. De nayaks van Guiga en Tanjore staan op vriendschappelijke voet; de havens van Bengalen staan ook open voor hun handel, waarmee de handel uit de haven van Cochin ook gediend is. De Portugezen staan echter niet op goede voet met de nayak van Madurai, tengevolge van de strafexpeditie die recentelijk tegen hem ondernomen is in Tuticorin. In Ceylon en aan de kust van Travancore verlopen de zaken in rust en vrede; de Kalpathi van Cochin en de Zamorin van Calicut staan op goede voet met elkaar en met de nayak van Viravada en de Kolathiri van Cannanore. De enige dringende zorg die in het rapport wordt geuit, betreft de vrees dat de Adil Khan zijn koninkrijk zal verliezen aan de Grootmogol, in welk geval de onderkoning vreest dat de Portugese gebieden in groot gevaar komen te verkeren.

De betrekkingen van de Portugezen met de Engelsen in het Oosten staan in schril contrast met die met de Hollanders. De onderkoning rapporteert kort voor zijn vertrek dat de Portugezen en Engelsen goed met elkaar omgaan: wij verkeren “in de beste verstandhouding met elkaar en de Engelsen verkopen ons koper tegen lagere prijzen dan we elders moeten betalen.” De graaf van Linhares merkt op dat er geen vrees bestaat dat de Engelsen misbruik zullen maken van de inlichtingen die zij hebben verkregen door het charteren van het schip de London, noch dat de Hollanders een breuk met de Engelsen zullen riskeren door de London buit te maken. Hij geeft echter als zijn mening dat het geen aanbeveling verdient de praktijk van het charteren van buitenlandse schepen voort te zetten.

In die tijd hebben de jezuïeten en andere religieuze orden een aanzienlijk overwicht in de Estado da India verworven en zij oefenen hun macht uit op een wijze die de regering in de grootst mogelijke verlegenheid brengt. De jezuïeten hebben op verschillende wijze het algemene toezicht op de bouw van forten in het noorden verkregen en zij weigeren zeer beslist rekening en verantwoording af te leggen van de daarmee verbandhoudende uitgaven, zodat het nodig is een speciale commissie in het leven te roepen om de zaak te onder-zoeken en aan wie ook geregeld dient te worden gerapporteerd. De invloed van de jezuïeten op de bevolking in het algemeen schijnt zeer aanzienlijk te zijn geweest en deze invloed wordt vaak voor het eigen particuliere voordeel aangewend, sedert het in 1635 nodig wordt gevonden het verbod uit te vaardigen religieuze orden legaten te geven of landerijen na te laten, zonder toestemming, “want als de religieuze orden rijk zijn, dan zijn de vazallen arm.” Ook wordt een poging ondernomen een einde te maken aan de bemoeienissen van de Societas Jesu met de parelvisserij aan de kust. Vanuit Portugal worden in die tijd bevelen ontvangen dat, wanneer de jezuïeten niet afzien van hun bemoeienis met de parelvisserij, de zielzorg voor de inheemse christenen zal worden toevertrouwd aan andere religieuze orden.

Het aantal monniken in India is de laatste tijd aanzienlijk gestegen, een omstandigheid die is bevorderd door de ruime toelage voor levensonderhoud die zij van de Estado da India ontvangen. De accumulatie van daardoor mogelijke besparingen heeft geleid tot aanzienlijke private bezittingen. De kloosterlingen baden in weelde, terwijl de regering een absoluut gebrek heeft aan fondsen om de soldaten te betalen. Het leger is vervallen tot een dergelijke staat van armoede dat veel soldaten zich voor een hap eten wenden tot de kloosters, terwijl andere soldaten zich aansluiten bij de monniken. De sollicitaties bij de kloosters schijnen zich niet te hebben beperkt tot de in Indië aanwezige soldaten. Velen zijn dit op voorhand van plan en anderen zijn van plan in dienst te treden van particuliere personen. Welke omvang de gesignaleerde praktijken hebben aangenomen, blijkt uit cijfers uit 1632: van de 1.500 man die dat jaar naar Indië zijn gezonden, zijn er na hun aankomst niet meer dan 500 beschikbaar om de koning te dienen. Het is daarom niet verrassend dat de graaf van Linhares bij de koning klaagt dat er genoeg schepen en wapens in Indië zijn, maar dat veel hiervan nutteloos is wegens gebrek aan manschappen. Noch hoeft het te verbazen dat, onder de hiervoor geschetste omstandigheden, er talrijke klachten worden geuit over de te grote aantallen jezuïeten en andere kloosterlingen en dat deze aantallen in geen verhouding staan tot het aantal ambtenaren en andere seculiere bewoners. Over Goa wordt in 1635 gerapporteerd dat er meer kloosterlingen zijn dan soldaten en burgers samen, terwijl er plaatsen zijn met niet meer dan vijftig inwoners en vier of vijf kloosters. De koning van Portugal aanvaardt deze feiten als voldoende oorzaak voor de schaarste aan manschappen voor de vloot en hij geeft bevel een speciaal lichaam in te stellen om het onderwerp te onderzoeken. Een in die tijd voorgestelde maatregel zou wellicht het probleem van het gebrek aan zeelieden en soldaten doeltreffend hebben kunnen bestrijden en dat is dat er voor gezorgd zou moeten worden dat soldaten op wie tijdelijk geen beroep wordt gedaan hun soldij of tenminste een deel daarvan zouden behouden, zodat zij niet door honger naar de kloosters gedreven worden. De monniken zijn echter niet de enigen die wat te verwijten valt en het is maar de vraag of zij alleen de Estado da India zozeer hebben kunnen ruïneren als is gebeurd. Er is nog een groep lieden die zich heeft verrijkt ten koste van de staat. Dat zijn de kapiteins in de Carreira da India. Er arriveren herhaaldelijk schepen in Goa die veel kinderen van een jaar of zes, zeven aan boord hebben. Zij komen naar Indië, hetzij om monnik te worden, dan wel om als page te worden toegevoegd aan het gevolg van adellijke personen. Voor de overtocht van deze jongetjes ontvangen de kapiteins geld van hun toekomstige werkgevers. Hierbij brengen de kapiteins voor hun rantsoenen hetzelfde bedrag in rekening als voor volwassenen.

Het gebrek aan geld is even groot als de bezorgdheid van de onderkoning voor het gebrek aan mensen. Wat dit betreft doet de koning de graaf van Linhares een oplossing aan de hand. Onder de gegeven omstandigheden zou de bevolking van Goa voor eigen rekening aan handelstransacties kunnen deelnemen. De onderkoning antwoordt Zijne Majesteit dat de mensen in Goa over het algemeen geen geld hebben om in handelstransacties te steken, maar hij doet al het mogelijke om aan de wensen van Zijne Majesteit tegemoet te komen. Het voorstel wordt stipt voorgelegd aan de kooplieden in Goa, maar zij antwoorden dat het plan thans niet uitvoerbaar is, sedert de handel van het land door de gewelddadige omstandigheden wordt bedreven met oorlogsschepen; en zij voegen eraan toe dat de vijand zo rijk is geworden door de verarming van de bevolking.

Uit zijn rapportage over zijn bestuur blijkt dat de graaf van Linhares de Portugese bezittingen in Indië in het algemeen achterlaat in een staat van vrede. Dit is echter niets anders dan de kalmte voor de storm, die een paar jaar later de Portugezen bijna al hun waardevolle bezittingen in de Oost zal kosten. De schatkist van de regering is leeg; de handel van de Portugezen is bijna volledig van hen afgenomen door de meer ondernemende Europese rivalen; hun leger is onderbemand en gedemoraliseerd; hun ambtenaren zijn corrupt en de bronnen van de staat worden ondermijnd door de jezuïeten en door andere religieuze organisaties. Dit is de erfenis die Pedro da Silva, de opvolger van de conde de Linhares als gouverneur van Portugees Indië, toevalt.

1 Wellicht is de briefschrijver Frei Sebastião de São Pedro, voorheen bisschop van Meliapor.

2 Bekend is dat al in het begin van de 16e eeuw een Franse corsair, Pierre Montdragon, langs Cap de Bonne-Espérance naar het Kanaal van Moçambique is gezeild en in 1526 hebben drie Franse schepen getracht via Straat Magalhães Cathay (China) en de Molukken te bereiken. Deze expeditie, die gefinancierd is door een Florentijnse bank met steun van François I, is georganiseerd door de Normandiër Ango met de broers Verazzani. Na een storm blijken de drie schepen te zijn verdwenen. De gebroeders Verrazani onderzoeken een stuk kust van Brazilië en slechts een bark dubbelt Cabo de Bonne-Espérance, doet de kust van Sofala aan, bereikt Sumatra en lijdt op de terugweg schipbreuk bij Madagascar. In mei 1528 rusten kooplieden ui Rouen La Marie-de Bon-Secours uit voor een tocht naar de Indische Oceaan. Het gewapende schip doet Diu aan, waar het door de Portugezen wordt genomen. In 1528 ondernemen de gebroeders Verazzani een nieuwe poging, die ook uitloopt op een echec. Het jaar daarop bewapent Jean Ango twee schepen voor Azië: La Pensée en Le Sacre. De schepen, die over Portugese loodsen beschikken, bereiken de kust van Zuidwest Sumatra, waar peper wordt ingekocht. Zoals in deel X, pag. 137 is vermeld, overlijden beide kapiteins aan de koorts. Uit het oogpunt van de navigatie gezien is de reis een succes, commercieel gezien zijn de resultaten armzalig. Het zal 70 jaar duren, voordat de Fransen zich weer in Azië laten zien.

3 Zie deel XV, noot pag. 171

4 De mandarijnen maten in de haven van Macau de schepen om havenbelasting en invoerrechten voor de handelswaar te berekenen. Direct contact met de mandarijnen bood de gelegenheidvia omkoping de handel te faciliteren.

5 Chincheo is de Portugese naam voor de kuststreek rond Amoy (Xiamen), tegenover Formosa, waar de machtige zeerover Zheng Zhilong alias Iquan in 1633 een Nederlands rskader uit de haven van Quemoy verjoeg, de Nederlandse Chinahandel in Fukien tijdelijk onmogelijk maakte en de Nederlandse positie op Formosa aan het wankelen bracht.

6 Wellicht bedoeld Danvers hier de plaats Mataram op het eiland Lombok

1.3 Pedro da Silva en António Telles de Menezes (1627-1640)

Categorieën
Britse kolonialisme Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

Problemen tussen Engelsen en Nederlanders in Indië. De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640

Deel 17 Index

Hoofdstuk 1.

De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640

1.1. Problemen tussen Engelsen en Nederlanders in Indië

Geschreven door Arnold van Wickeren

Danvers wijdt het afzijdig blijven van de Engelse schepen (op één na) bij de strijd van de Hollanders met de Portugese vloot op 24 augustus 1622 aan het niet erkennen van Jacob Dedel als hun admiraal. De zaak ligt echter veel ingewikkelder. De Engelsen en Hollanders hebben getracht in 1615 in Den Haag de tussen hen in Indië gerezen problemen op te lossen, nadat in 1613 onderhandelingen in Londen over hetzelfde onderwerp zijn mislukt. De conferentie in Den Haag heeft evenmin tot resultaat geleid. Een geschilpunt is dat de Hollanders van de Engelsen militaire steun tegen de Spanjaarden (en Portugezen) in Azië willen ontvangen, wat de Engelsen weigeren. Al in 1615 heeft de zeer anti-Engels gezinde Jan Pieterszoon Coen (1587-1629), die in 1615 de zaken van de VOC waarneemt en die op 30 april 1618 formeel tot de vierde1 gouverneur-generaal van de bezittingen van de VOC wordt benoemd, de Engelsen verweten altijd daar een handelspost te vestigen, waar de VOC eerst de weg geëffend heeft. Zij plukken zodoende steeds mede de vruchten van de inspanningen van de VOC. Coen heeft in 1615 al het besluit genomen de Engelsen uit de Molukken te verdrijven en hij heeft dit onomwonden aan de Engelse gezaghebber in Bantam, John Jourdain, laten weten. De Heeren XVII, de bewindhebbers van de VOC, willen liever de vrede met de Engelsen bewaren. In 1616 ontmoet een Hollandse vloot van negen schepen, onder bevel van Jan Dircksz Lam, vier Engelse schepen, onder Samuel Castleton, die op weg zijn naar de Molukken. Als de beide bevelhebbers elkaar niet goed zouden hebben gekend, zou er ongetwijfeld slag zijn geleverd. Nu zendt Lam een schip naar Ambon om voor de komst van de Engelsen te waarschuwen. De rest van deze § is, op enkele niet essentiële aanvullingen na, ontleend aan “An Empire of Spices” www.periclespress.com/Dutch_ spices.html

Op 25 december 1616 arriveert de Engelsman Nathaniel Courthope, bijgenaamd Mister Nutmeg, met de schepen Swan en Defence, van Sukadana op Borneo, waar hij factor was, bij het Banda-eiland Run. Op dat moment controleren de Hollanders vijf van de zes grotere2 Banda-eilanden, de enige producent van muskaatnoten. “De eilanden Ai, Gunung Api, Banda Neira, Lontor en Rozenjin hebben zich onderworpen. Run is de enige uitzondering”. Het verzet van de bewoners van Run en van het naburige eiland Ai tegen de komst van de Hollanders blijkt onverwachts sterk. De Bandanezen hebben in hun verzet tegen de Nederlandse kolonisatoren niet altijd alleen gestaan: ”De Engelsen hebben het hunne bijgedragen om de Nederlandse territoriale expansie te hinderen. Door de Bandanezen te helpen met de bouw van een fort en hen te trainen in het hanteren van het schieten met musketten en met het kanon.”

Op het eiland Ai hebben de Engelsen in augustus 1609 en factorij gevestigd, in het zicht van sterke Nederlandse militaire aanwezigheid. Wat de Engelsen een onderhandelingsobject verschaft is de niet te voorspellen krachtige tegenstand van de Bandanezen tegen de Hollanders. In mei 1609 hadden zij de Nederlandse admiraal Pieter Verhoeff uitgenodigd voor een gesprek met locale bestuurders op Neira over de bouw van een fort. De ongewapende Hollanders zijn aan de oostkant van het eiland in een bosje gelokt, waar 42 van hen, onder wie Verhoeff, gedood en daarna onthoofd zijn. Na het bloedbad tart William Keeting, een Engelse kapitein, niet alleen het bevel van Simon Hoen, de Nederlandse bevelhebber, het eiland binnen vijf dagen te verlaten, maar hij laat hem ook weten dat de Engelse factorij op het eiland Ai een blijvend karakter heeft.

Van de Bandanees-Engelse militaire samenwerking gaat een zekere dreiging uit en ondanks de militaire suprematie van de Hollanders is sprake van een ongemakkelijke vrede. Zij dulden tot 1615 de Engelse aanwezigheid op Ai and Run.

Op 14 mei 1615 landt een Nederlandse strijdmacht van bijna 1.000 Hollandse en Japanse soldaten op Ai. De tegenstand die zij ondervinden, steunt op Engelse fortificaties en op de bekwaamheid van Bandanese scherpschutters en is moeilijker te overwinnen dan verwacht. Bij het invallen van de duisternis hebben aanvallers het eiland veroverd, met uitzondering van een klein fort. In de stellige verwachting dat zij het fortje de volgende dag kunnen innemen, leggen zij zich te rusten. De Bandanezen lanceren echter de volgende morgen vroeg een aanval, wat de Hollanders zeer verrast. Gedemoraliseerd trekken zij zich terug en dan blijkt dat zij slechts strijdend hun boten kunnen bereiken. Liever dan de aanval, die hun 36 doden en 200 gewonden heeft gekost, te vernieuwen, zeilen zij naar Banda Neira. Het volgende jaar wordt uit Amsterdam het bevel ontvangen om het eiland Ai in te nemen en een nieuwe admiraal, Jan Dircksz Lam, wordt aangewezen dit bevel uit te voeren.

De Heeren XVII achten het van groot belang controle op het Banda-eiland Ai te verwerven. Verwerkelijking daarvan zal echter tot een conflict leiden tussen twee ambitieuze betrokkenen, Jan Pieterszoon Coen, de Hollandse gouverneur-generaal van de bezittingen van de VOC na 30 april 1618, en John Jourdain, hoofdfactor van de English East India Company, die tot een openlijke oorlog zal leiden.

Coen verdenkt de Engelsen ervan dat zij zich bemoeien met het verzet van de Bandanezen tegen de Hollanders en dat zij zelfs de moord op admiraal Verhoeff in 1609 gepland hebben. Hoe dan ook, hun betrokkenheid bij het verzet op Ai is onbetwist; zij hebben de Bandanezen getraind in het gebruik van musketten en zij hebben de overval op de Hollanders vanuit het fort beraamd. John Jourdain is vanaf 1613 een grote voorstander van de Engelse aanwezigheid in de Molukken. Ofschoon hij geen Hollandse wateren binnendringt met een vloot, althans niet tijdens zijn vroege avonturen, zendt hij onophoudelijk schepen naar streken waar de Hollanders handel drijven en hoewel hij niet aanstuurt op oorlog, is hij bereid de Hollanders voortdurend met Engelse aanwezigheid te confronteren en uit te dagen, en hij heeft de inheemsen enige keren opgestookt tegen het Nederlandse gezag. Coen, van zijn kant, is al even vastbesloten om Engelse aantasting van Hollandse handelsprivileges te doen stoppen. Hij negeert keer op keer instructies om aanvallen op de Engelse scheepvaart te staken.

Beiden, zowel Jourdain als Coen, voelen zich gesteund door hun respectieve hoofdkwartieren. Terwijl de Heeren XVII bezorgd zijn over oorlog met Engeland door Nederlandse acties in Indië, zijn zij bereid Coens fouten over het hoofd te zien, zolang hij erin slaagt met specerijen geladen schepen naar het vaderland te sturen.

Het falen van de Nederlanders op Ai moet Jourdains dromen over een Engelse overname van de handel in specerijen hebben aangewakkerd, want de Hollanders hebben zich militair kwetsbaar getoond, want ofschoon zij beschikten over alle voordelen van een moderne Europese macht, zijn zij verslagen door een half zo grote inheemse strijdmacht. In januari 1616 heeft Jourdain bij Bantam een vloot verzameld van vijf schepen. Jourdan beveelt naar de Banda-eilanden te zeilen. Als de vloot daar aankomt, beginnen de Engelsen zowel Ai als Run te fortificeren. Ondanks hun moed lijken de vijf schepen geen partij voor de twaalf Hollandse schepen die met 1.000 soldaten aan boord pas uit Nederland zijn aangekomen, nog gevolgd door een tweede vloot. De Hollanders zijn van mening dat de Engelse schepen de ingang tot de vaargeul blokkeren.

Jan Dircksz Lam, die het bevel voert over de Nederlandse vloot, beschikt waarschijnlijk over voldoende vuurkracht om zich toegang tot het eiland te verschaffen, maar hij spaart zich de moeite. De Engelse commandant, Samuel Castleton, biedt uiteindelijk aan het eiland Ai over te dragen als vergoeding voor een gunst die Lam hem een aantal jaren geleden bewezen heeft. Lam heeft toen, op verzoek van Castleton, een aanval ondernomen op twee Portugese schepen bij Sint Helena om de Engelse bemanning te redden die op het eiland was achtergelaten. De aanval heeft Lam een van zijn schepen gekost. Dit is het excuus dat Castleton aanvoert voor zijn houding. In ruil voor de terugtrekking van zijn vloot en het verstrekken van inlichtingen over de verdediging van Ai, ontvangt hij handelsrechten met het overgedragen eiland. Richard Hunt, de Engelse factor op Ai, wordt achtergelaten op het eiland met instructies van Castleton niet deel te nemen aan gevechten. De Engelse vloot zeilt vervolgens weg.

Met het vertrek van de Engelse vaartuigen raken de orangkayas’s in paniek en zij dragen zowel Ai als Run formeel over aan Richard Hunt en aan de Engelse Kroon. Ook de nieuwe Hollandse invasiemacht maakt maar weinig vorderingen door het taaie verzet en de hevige regenstormen. Het kost drie dagen om het eiland Ai te onderwerpen. De meeste Bandanezen weten te ontvluchten naar Run, ook Richard Hunt, die uiteindelijk passage vindt naar Bantam. Daar stelt hij Jourdan het document ter hand waaruit blijkt dat de Bandanezen Ai en Run aan de Engelsen hebben overgedragen.

Na Ai te hebben veroverd, is het belangrijkste doel van de Hollanders de blokkade van het eiland Run, in de hoop door uithongering de verdedigers tot overgave te dwingen. Daar er op Run maar weinig watervoorraden zijn en er op het eiland ook maar weinig voedsel groeit, zijn de vooruitzichten op succes hoog. Bovendien wordt hun strategische positie niet bedreigd op de andere Banda-eilanden. Met een oppervlakte van nog geen drie vierkante kilometer, is Run maar een eilandje van niets. De muskaatnotenbomen, waarmee bijna het gehele eiland is bedekt, vertegenwoordigen een fortuin, maar alleen als zij de markten van Europa of Azië kunnen bereiken.

Voor John Jourdan is een miniem stukje grond van 700-acre alles wat hij nodig heeft om een aandeel in de specerijenhandel te verwerven. Daarom benoemt hij in oktober 1616 Nathaniel Courthope tot commandant van twee schepen, de Swan en de Defence, en draagt hem op naar Run te zeilen. Hij komt daar op 23 december aan en al spoedig bereikt hij zijn eerste doel; een herbevestiging van het verdrag van overgave, gesloten met Richard Hunt. Elf orangkaya’s ondertekenen een nieuw verdrag aan boord van de Swan, waarin zij hun trouw aan de Engelse Kroon erkennen.

Courthope’s tweede doel is het eiland Run in staat van verdediging te brengen, in verband met een verwachte aanval van de Hollanders. Hij kan voor een deel steunen op de natuurlijke mogelijkheden het eiland te verdedigen, een reeks van kliffen aan de zuidelijke kustlijn die uitkijken op een laag gelegen rif. Op de in het oosten gelegen atol Nailika, echter, bouwt hij Fort Defence, met een batterij van drie kanonnen. Aan de westkant van het eiland bouwt hij het Fort Swan, ook met drie kanonnen. Plannen om nog aanvullend geschut op het eiland af te zetten, worden verhinderd als de met levensmiddelen terugkerende Swan door de Hollanders wordt veroverd en overgelopen leden van de bemanning wegzeilen met de Defence. De zware bewapening wordt nog verhoogd doordat Bandanese krijgers recentelijk zijn getraind als musketiers. De Hollanders ontdekken hoe effectief de verdediging van het eiland is als zij trachten te landen met een invasiemacht, nadat zij de Solomon hebben buitgemaakt. De Solomon is in 1618 bij Run gearriveerd om het eiland te ontzetten. De Bandanezen verslaan de invallers. Ondanks het behalen van enige militaire successen, heeft de blokkade effect op de verdedigers van Run, die moeten overleven op een dieet van rijst, vis en een pap bereid van sagomeel.

De Hollanders bevinden zich in een duidelijk nadelige situatie als een grote Engelse vloot in december 1618 voor Jakarta aankomt. Op dat moment is Jan Pieterszoon Coen in Jakarta een fort aan het bouwen, vooruitlopend op de verplaatsing van zijn hoofdkwartier van Bantam naar Jakarta, dat bestuurd wordt door de pangéran Wijayakrama. De verslechterde verhouding met de Engelsen in Bantam heeft daar tot gevechten geleid, waarbij doden en gewonden zijn gevallen. De verhouding tussen de Hollanders en de pangéran verslechtert als ook de Engelsen zich in Jakarta vestigen. De uitbouw van de VOC-loge tot een fort door de Hollanders leidt tot omsingeling van het fort door troepen van de pangéran, die bovendien steun van de Engelsen vraagt. Coen heeft de beschikking over maar zeven schepen en zeventig manschappen. De Engelsen hebben elf schepen en nog vier andere die zijn aangewezen de wacht te houden bij Bantam.

De Engelse commandant, Sir Thomas Dale, schijnt afkerig te zijn geweest van een gevecht; hij hoopt Coen te intimideren zodat deze zich overgeeft. Op 2 januari 1619 raken de twee vloten slaags. Coen trekt de volgende dag zijn schepen terug en zeilt met zijn vloot naar Ambon, waar zijn hoofdvloot voor anker ligt. Dale kiest niet voor een zeeslag, maar lanceert een aanval op het in aanbouw zijnde fort in Jakarta. De aanval wordt echter afgeslagen met behulp van 4.000 Bantammers die gekant zijn tegen een al te grote machtsontplooiing van hun rivaal Jakarta. De Bantammers eisen het fort op, maar de Hollanders weigeren dit over te dragen. De Engelsen brengen hun batterijen aan boord van hun schepen en hun vloot neemt haar toevlucht tot een blokkade. Coen keert van Ambon terug met zestien schepen. Hij verovert op 30 mei 1619 met duizend compagniesoldaten Jakarta, dat hij in brand laat steken. De al op 12 maart in Batavia herdoopte plaats kan nu uitgroeien tot de hoofdstad van de VOC in Indië. Als na enige maanden het ook de Engelsen blijkt dat hun blokkade niet effectief is, geeft Dale zijn vloot bevel naar India te zeilen. Hij zal op 19 juli 1619, een maand na aankomst in Masulipatam, aan de kust van Coromandel sterven.

Hoewel Dale’s vloot er niet in is geslaagd Jakarta te veroveren, Coen’s oorlogsschepen te vernietigen of Courthope op het eiland Run te ontzetten, schijnen de Engelsen desondanks een houding van zelfgenoegzaamheid, zelfs van overmoed te hebben aangenomen. Van hun kant gezien is de niet-verklaarde oorlog voorbij en is elk gevaar geweken. (Zij weten in die tijd niet dat er in juli 1619 in Europa een Anglo-Hollands vredesakkoord, dat een einde maakt aan de vijandelijkheden tussen de oorlogvoerende partijen, is ondertekend; dat wordt eerst in het voorjaar van 1620 in de regio bekend.) Voor Coen betekent de zeeslag voor Jakarta dat hij de opgelopen schade aan zijn schepen kan herstellen en dat hij zijn tactische concept opnieuw moet overdenken, maar het is geen signaal de strijd te staken. Vanaf dat moment patrouilleren Hollandse schepen niet meer alleen, maar met meerdere schepen samen.

Op 17 juli 1619 vallen drie Hollandse schepen twee Engelse vaartuigen aan die voor anker liggen in een haven op het Maleise schiereiland. Een van de schepen hijst de bestandsvlag, na een hevige actie die tot overgave had moeten leiden. Als de commandant zich laat zien, doodt een Hollandse scherpschutter de man met een schot in de borst. De gedode man is John Jourdain. Ofschoon het een ernstige inbreuk op de gedragscode betreft, zou Coen persoonlijk het bevel tot de aanval hebben gegeven. Coen geeft de Hollandse kapitein, Hendrik Jansen, een beloning in de vorm van een gouden ketting ter waarde van 1.400 gulden en de schutter ontvangt 100 reais. Patrouillerende Hollandse schepen nemen in augustus het Engelse schip Star, als het door Straat Soenda zeilt. In oktober veroveren andere patrouillerende Hollandse schepen vier Engelse schepen, de Red Dragon, de Bear, de Expedition en de Rose, in de Sumatraanse haven Tecu terwijl zij peper aan het laden zijn.

Tegen de tijd dat Coen een invasiemacht bijeenbrengt om eindelijk de Banda-eilanden te onderwerpen, hebben de Engelsen niet meer dan drie schepen beschikbaar om aan de expeditie deel te nemen. (De strijdende partijen zijn krachtens het Anglo-Hollandse verdrag, van juli 1619 verplicht hun strijdkrachten samen te voegen.) De Hollanders hebben dertien grote schepen, enige kleinere verkennings- vaartuigen en bijna veertig jonken en pramen. De strijdkrachten die aan land gaan zijn opgevoerd tot 1600 Europeanen, 250 man van het garnizoen van de Banda-eilanden, 300 Japanse veroordeelden uit Jakarta en 100 Japanse huurlingen.

Op 11 maart 1620 landt de strijdmacht op Lontor en de volgende dag heeft zij de controle over dit grootste eiland van de Banda-archipel verworven. De aanvallers hebben niet meer dan zes doden en 27 gewonden te betreuren. Als de Hollanders beginnen met de bouw van Fort Hollandia op het eiland, resulteren guerrilla-aanvallen in nog eens negen doden en 27 gewonden.

De ontvolking van de Banda-eilanden

Hoe groot zijn verliezen ook zijn, Coen is niet van plan terug te trekken. Zijn oplossing voor de voortgaande dreiging van een opstand van inheemsen, is deportatie, evacuatie of de hongerdood van de Bandanezen. Een schatting van de gevolgen van zijn optreden in die tijd gaat ervanuit dat de oorspronkelijke bevolking van 15.000 mensen gereduceerd is tot 1.000. Coen heeft zelf berekend, dat niet meer dan 2.500 mensen zijn omgekomen, hetzij door honger, hetzij door militair optreden, terwijl 300 mensen hebben kunnen vluchten.

Het voorwendsel voor de Hollandse acties is de inbreuk op het vredesverdrag dat de orangkaya’s ondertekend hebben bij de overgave van Lontor. Hierbij hebben zij zich verplicht hun gehele oogst aan de VOC te verkopen, maar sommige boeren hebben hun muskaatnoten zelfs met de Engelsen geruild voor kanonnen. Om zijn doel, de ontvolking van de Banda-eilanden, te bereiken, moet Coen een buitensporig geweld aanwenden, ofschoon de acties van zijn troepen bedoeld zijn de eilandbewoners te provoceren tot verzet, om daardoor Coens optreden te rechtvaardigen. De troepen krijgen bevel de onbeschermde dorpen te vernietigen en de inwoners in te delen in arbeidsgroepen.

Coen vestigt zijn hoofdkwartier in een van de dorpen op het eiland Lontor. De Hollandse plaatselijke commandant gebruikt het ontmoetingspaviljoen van het dorp als commandopost en legert troepen in de moskee, daarmee beide plaatsen in de ogen van de dorpelingen ontwijdend. Troepen die bij hun patrouilles uit zijn op plunderen, worden altijd in de beste inheemse woningen ingekwartierd. De boten en huizen van degenen die weigeren de op dat moment rottende muskaatnootvruchten te oogsten, worden verbrand, samen met de geplunderde lokale kostbaarheden.

Op 21 april 1621 slaapt de eerder bedoelde plaatselijke commandant in de moskee als een opgehangen lamp op de vloer kapot valt. Of de lamp nu uit zichzelf is gevallen of dat het een soort signaal is, de Hollanders denken dat het een signaal is voor een verrassingsaanval. Zij folteren een kind dat opbiecht dat de vallende lamp inderdaad het signaal voor een aanval is. De orangkaya’s worden gearresteerd en gemarteld totdat zij een samenzwering bekennen. Coen heeft eindelijk de rechtvaardiging om zijn plan uit te voeren.

Militaire patrouilles stropen systematisch het eiland af, steken dorpen in brand en nemen inwoners gevangen. Zij worden zo snel mogelijk bijeengedreven en naar Batavia overgebracht, waar zij die de reis hebben overleefd worden verkocht als slaven. De eerste naar Batavia vervoerde groep bestaat uit 883 mannen, vrouwen en kinderen. Velen die weigeren zich over te geven ontsnappen per boot, doden zichzelf door van Lontors kliffen te springen of sterven de hongerdood in het bos. Een groep van 45 orangkaya’s onder de gedeporteerden zal later worden geëxecuteerd voor deelname aan een veronderstelde samenzwering in Batavia.

Op de Banda-eilanden gelast Coen nog een serie arrestaties. De gearresteerden worden gemarteld aan boord van de Dragon, Coens vlaggenschip, en zij erkennen te hebben behoord tot het veronderstelde complot dat op 21 april een bloedbad had zullen aanrichten. Op 8 mei worden 44 man, onder wie acht orangkaya’s, gearresteerd en opgesloten in Fort Nassau. Er wordt een doodvonnis voorgelezen en zes Japanse samurai onthoofden de ongelukkigen en zij hakken hun lichamen in vier delen. Hun familieleden, verzameld als getuigen, worden gedwongen de executie af te wachten. Coen wordt later door de Heeren XVII officieel voor de executie berispt, maar dit belet hen niet hem te belonen met 3.000 gulden voor de onderwerping van de Banda-eilanden.

Korte tijd later zenden de Hollanders een strijdmacht van 25 schepen en 500 soldaten naar het Banda-eiland Run. Fort Swan wordt afgebroken en de daar aanwezige Bandanezen worden gedeporteerd. Het wordt de Engelsen toegestaan op het kleine atol Nailakka te blijven. Daarop hebben zij Fort Defence gebouwd, maar niet bij machte vanaf dit punt aan de handel deel te nemen, vertrekken de Engelsen na een paar jaar van het eilandje.

In 1623 wordt Coen vervangen door gouverneur-generaal Pieter de Carpentier. Coen zal echter in 1627 terugkeren en tot 1629 opnieuw gouverneur-generaal zijn. In zijn afwezigheid ontdekken de Hollanders opnieuw een samenzwering, deze keer op Ambon. In februari 1623 wordt een Japanse huurling gearresteerd na in het donker te zijn staande gehouden door een Hollandse schildwacht. Hij bekent een samenzwering met de Engelsen. De vijftien Engelse factors die daar verblijven worden gearresteerd en gemarteld totdat zij hun betrokkenheid bekennen. Zij worden vervolgens geëxecuteerd. Dit incident wordt bekend als het Bloedbad van Ambon. De Engelsen zijn over de gewelddaad zeer verontwaardigd en spreken zelfs over oorlog, maar zover komt het niet. Coen zelf overlijdt in 1630 in Batavia op de leeftijd van 42 jaar.

Met de verovering van de Banda-eilandBanda-eilanden hebben de Nederlanders zich verzekerd van de handel in specerijen. Engelse fouten, gecombineerd met geluk en Hollandse volharding, hebben hun de overwinning bezorgd. Hoewel de Engelsen in de recente krachtmeting de directe vijanden van de Hollanders zijn geweest, vechten beide naties om de erfenis van het rijk van de specerijen van de Portugezen.

Dit overzicht van de problemen tussen Engelsen en Nederlanders in Indië, dat is ontleend aan Engelse bronnen, wordt besloten met een overzicht van andere Nederlandse successen in Azië.

In januari 1641 wordt de Maleise stad Malacca, in 1511 veroverd door Afonso de Albuquerque, aangevallen door de Hollanders, die zich verzekerd hebben van de steun van Johore, het sultanaat aan de zuidelijke tip van het Maleise schiereiland. De stad zal, na zware gevechten, in juni 1641 vallen.

In juli 1601 hebben twee Hollandse schepen onder bevel van Joris van Spilbergen Ceylon aangedaan en de Hollanders zijn goed ontvangen door de Singalese heerser Wimala Dharma Suriya, die Hollandse steun zoekt tegen de Portugezen. Anderhalf jaar later, in november 1602, bezoekt een tweede Hollandse bevelhebber, Sebald de Weert, de haven van Batticaloa. Hij wordt eveneens goed ontvangen door de Singalese koning in de hoog in de bergen gelegen stad Senkadagala. De koning is bereid jaarlijks 9000 kilogram kaneel te leveren in ruil voor Hollandse hulp. De beloofde verbintenis wordt enige maanden later vernietigd door daden van De Weert. Terugkerend van Sumatra, weigert hij af te zien van het slachten van enige heilige koeien om zijn mannen te voeden. En nadat hij zijn soldaten de dieren heeft laten doden, wat een daad van heiligschennis is die niet licht over het hoofd kan worden gezien, nodigt hij de koning en zijn gevolg uit voor een feestmaal. Sebald de Weert wordt dronken en geraakt in een discussie met de koning, wat voor de Singalezen een affront betekent. Zij trekken hun zwaarden en doden alle Hollanders die aan het feestmaal deelnemen. Een andere groep van 300 Singalezen overvalt een groep Hollanders aan het strand. Bij elkaar worden 47 zeelieden gedood.

Raja Sinha II komt in 1628 in Kandy aan de macht. In1636 wil hij zo graag hulp tegen de Portugezen ontvangen dat hij bereid is de gebeurtenissen van 1603 te vergeten. Hij begint onderhandelingen met de Hollanders over het aangaan van een militair verbond. Zij bieden militaire assistentie aan, op voorwaarde dat zij alle kosten die zij daarvoor maken vergoed zullen krijgen. Bovendien krijgen de Hollanders het monopolie op belangrijke handelsgoederen

De Hollanders beginnen in 1639 hun militaire operaties met aanvallen op de aan de oostkust gelegen havensteden Trincomalee en Batticaloa. Trincomalee geeft zich zonder slag of stoot over aan Antonio Caen. Na de verovering van deze steden, richten zij hun aandacht op Kandy. In 1640 wordt Negombo, in het westen van het eiland, na zware strijd veroverd. De stad zal nog in hetzelfde jaar heroverd worden door de Portugezen, die Negombo tot 1643 tegen de Hollanders blijven verdedigen. Galle, aan de zuidpunt van het eiland, de havenstad die Lourenço de Almeida het eerst in 1505 heeft bezocht, is weliswaar gefortificeerd, maar wordt verdedigd door een klein garnizoen dat een tekort aan munitie heeft. Op 9 maart 1640 zijn de Hollanders in staat een strijdmacht van 700 man aan de zuidkust van het eiland aan land te zetten. Colombo zendt een ontzettingsmacht onder capitão Francisco de Mendonça. Nadat de Portugese aanvoerder is gesneuveld, vallen de Hollanders het Forte Santa Cruz in Galle aan en zij veroveren het op 13 maart. Beide zijden komen in 1645 een wapenstilstand overeen. Ondanks hun overeenkomst met Raja Sinha, houden de Hollanders Negombo en Galle na verovering in eigen handen, met het argument dat Kandy niet de gemaakte kosten voor militaire uitgaven heeft betaald.

De wapenstilstand op Ceylon wordt in 1652 verbroken. Een Portugese generaal die met pensioen is, Gaspar Figueira de Sepa, krijgt opnieuw het opperbevel en hij weet de Hollanders te weerstaan. In oktober 1655 wordt hij gedood en zijn leger verslagen in de Slag van Kalutara. Het restant van zijn leger trekt zich terug op Colombo. Het Fortaleza de Colombo, gebouwd in 1554, wordt verdedigd door een garnizoen van slechts 600 Europeanen en 200 inheemse soldaten. Ondanks een artilleriebombardement dat de buitenmuren verwoest, verliezen de Hollanders een schip en hebben zij 300 doden te betreuren bij de eerste aanval. Een Hollandse blokkade voorkomt dat Goa de stad kan ontzetten. De verdedigers houden het uit tot 10 mei 1656, op welke datum zij zich overgeven. Als het Fortaleza op 12 mei wordt ontruimd, zijn er nog maar 73 Portugese soldaten in leven. Het Tamil-koninkrijk in het noorden van het eiland zal in 1658 vallen.

Volgend op de verovering van Ceylon, beginnen de Hollanders, onder commando van Rijckloff van Goens, een campagne tegen de Portugese vestigingen in India. Tuticorin, bij de zuidelijke tip van India, valt in 1658. Negapattinam, aan de Coromandelkust in 1660. Cannanore, op de Malabarkust, valt in 1662, gevolgd door Cranganore en Cochin in 1663.

Cornelis Speelman zal in 1667 Makassar, op het eiland Celebes veroveren. Het sultanaat Bantam, op Java, zal in 1682 worden geannexeerd. Dit is de laatste in de reeks van expansionistische veroveringen. Zij zullen daarna nog alleen in 1693 Pondicherry, de Franse vestiging aan de Coromandelkust, veroveren, maar zij zullen die in 1699 weer verliezen aan de Fransen.

1 Aan Jan Pieterszoon Coen zijn voorafgegaan: Pieter Both (1610-1614), Gerard Reynst (1614-1614) en Laurens Reael (1616-1619).

2 Tot de Banda archipel behoren nog ten minste vier kleine eilandjes: Nailakka bij Run; Karaka tussen Gunung Api en Banda Neira; Sjahrir of Pisang bij Lontor en Baru Kapal bij Sjahrir.

1.2 Dom Frei Luís de Brito, Nuno Álvares Botelho, en Dom Miguel de Noronha, conde de Linhares

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

Dom Francisco da Gama, conde de Vidigueira (1622-1627). De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640

Deel 17 Index

Hoofdstuk 1.

De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640

1.0. Dom Francisco da Gama, conde de Vidigueira (1622-1627)

Geschreven door Arnold van Wickeren

In het jaar 1622 loopt de ambtstermijn van capitão-geral Fernão de Albuquerque af. Zijn burgerlijk bestuur van de Portugese bezittingen in het Oosten wordt goed beoordeeld, maar met zijn militaire operaties is hij niet erg gelukkig geweest, zoals blijkt uit het verlies van Ormoez. Zeer curieus is dat Fernão de Albuquerque tijdens zijn gehele ambtstermijn van drie jaren nimmer een brief van koning Philips III van Spanje = Filipe II van Portugal heeft ontvangen. De koning heeft op 29 april 1621 tot opvolger van de gouverneur benoemd Dom Afonso de Noronha. De nieuwe capitão-geral, tevens de laatste die door Philips III is benoemd, is gerechtigd de titel ‘vice-rei’ te dragen, wat hij ongetwijfeld te danken heeft aan zijn aanzienlijke geboorte. Het is Dom Afonso niet gegeven met zijn vloot, bestaande uit vier naus en zes galeões, Indië te bereiken. De nau Nossa Senhora da Conceição, waarover kapitein Dom Francisco Lobo het bevel voert, is evenals de andere drie naus gedwongen naar Lissabon terug te keren. De galeões komen in een vreselijke storm terecht, die de schepen behoorlijk toetakelt. Ofschoon de galeão São João in de storm zijn grote mast verspeelt en kapitein Luís Moura Rolim in Setubal de mast moet vervangen, is de São João de enige galeão die Goa weet te bereiken. Het arriveert daar op 27 september 1621. De andere galeões zijn gedwongen naar Lissabon terug te keren. Vier daarvan worden toegevoegd aan de kustbewakingsvloot en het kleinste galjoen, onder bevel van kapitein João Rodrigues da Cunha, wordt met gereedschappen voor de mijnbouw naar Moçambique gezonden, maar het schip vergaat bij de Baixos de Santa Anna. Dat de overige schepen niet in Indië aankomen, is een ernstige tegenslag voor de regering van de Estado da India, omdat de niet aangekomen naus aanzienlijke versterkingen aan boord hadden die onder de gegeven situatie broodnodig zijn.

De oprichting van de West-Indische Compagnie, op 3 juni 1621, vormt een grote bedreiging voor Brazilië en in ieder geval voor de Iberische scheepvaart op dat land. Gaspar de Guzmán y Pimentel, conde de Olivares y duque de Sanlúcar la Mayor (1587-1645), de feitelijke machthebber op het Iberische schiereiland ten tijde van koning Philips IV (1621-1665), Filipe III van Portugal (1621-1640), beseft, mede gelet op de voortdurende bedreigingen van de Iberische positie in Azië, terdege de zwakheid van het koninkrijk. Hij dringt er voortdurend op aan een permanente Spaans-Portugese verdedigingsmacht van 100.000 voetknechten en 10.000 ruiters te formeren en een vloot te bouwen om deze strijdmacht naar bedreigde kusten te vervoeren en om handelsschepen te escorteren. Het koninkrijk Portugal weigert de bevelen van de almachtige eerste minister te gehoorzamen en het land zal de verontwaardiging daarover zwaar te verduren krijgen. Hij dwingt het koninkrijk niet alleen uitgebreide verdedigingswerken te construeren, maar de stad Lissabon wordt gedwongen zich grote opofferingen te getroosten, om verschansingen en loopgraven aan te leggen die nimmer door soldaten zullen worden bezet.

Op een bepaald moment liggen er in de haven van Lissabon acht grote schepen, waarvan er echter maar twee zeewaardig zijn. Olivares geeft desondanks alle acht schepen het bevel de Taag te verlaten om de met specerijen en andere kostbaarheden geladen naus uit Indië naar Lissabon te escorteren. Hij geeft Dom Manuel de Menezes het commando over de uitzeilende vloot. Deze wijst zijn opdrachtgever op het grote gevaar van de opdracht, maar deze waarschuwing haalt niets uit. Het resultaat is zoals mocht worden verwacht. De vloot uit Indië wordt ontmoet, maar vervolgens slaat een storm de schepen van beide vloten uit elkaar en met uitzondering van het galjoen São Tiago, lijden alle schepen schipbreuk en de ramp is zo volledig dat ook de kostbare ladingen verloren gaan en bovendien maar zeer weinig opvarenden worden gered. De bemanningen van het schip onder bevel van Dom Manuel de Menezes zelf en die van het galjoen Santa Filipa zijn de enigen die de ramp overleven. Het verlies van zoveel schepen ruïneert de Portugese vloot en er dient een groot bedrag op tafel te komen, niet alleen om de verliezen te bestrijden van het vergaan van de retourvloot uit Indië. Het gaat daarbij niet alleen om de verliezen die de Koninklijke Schatkist lijdt, maar ook om de te bieden hulp, omdat de Portugese overzeese bezittingen nu wel zeer worden bedreigd.

In hetzelfde jaar dat Philips III van Spanje overlijdt (31 maart 1621) en Philips IV enkele dagen later de troon bestijgt, loopt het Twaalfjarig Bestand met Holland af en worden de Iberische havens opnieuw voor Hollandse schepen gesloten. De vijandelijkheden tussen Spanje en de Nederlanden worden direct hervat en de Hollanders verliezen geen tijd om een aanval op Portugees Macau uit te voeren, zoals aan het einde van het vorige deel al is vermeld. Danvers gaat als volgt verder met zijn betoog. “Philips IV is niet een man van groot moreel gewicht en hij beschikt evenmin over een sterk karakter; de macht van Spanje is over zijn hoogtepunt heen en zijn ontwrichting en verval hebben al ingezet; grote geesten, zoals die welke de monarchie waarover Philips II heeft geregeerd, hebben opgebouwd, zijn niet langer voor de staat beschikbaar en het proces van splijting en verval voltrekt zich in een rap tempo. Het is onvermijdelijk dat de Portugese staat wordt meegesleept in de ondergang van Spanje en als de Portugezen ongeveer negentien jaren later het Spaanse juk afschudden, is het te laat om de fouten uit het verleden te herstellen en Portugal dat de wereld radicaal veranderd en verbaasd heeft door zijn heroïsche daden moet het stellen met de herinnering aan zijn vroegere grootheid en genoegen nemen met een tweederangsplaats onder de Europese naties.”

Dom Francisco da Gama, conde de Vidigueira, verlaat na afloop van zijn driejarige ambtstermijn van gouverneur en onderkoning van de Estado da India in 1600 zijn standplaats, verwenst door de bevolking van Goa1. Hij heeft diverse keren op herbenoeming aangedrongen om de bevolking van Goa te bewijzen dat zij zich vergist heeft in de beoordeling van zijn daden tijdens zijn eerste ambtstermijn. Tijdens de regeringstermijn van Philips III heeft Dom Francisco geen succes met zijn pleidooi, maar Philips IV blijkt bereid zijn verzoek in te willigen. Nadat Dom Francisco zijn benoeming binnen heeft, schrijft hij Philips IV een brief, waarin hij hem eraan herinnert dat hij zijn benoeming heeft geaccepteerd nadat de functie van gouverneur van Portugees Indië aan drie anderen was aangeboden, die allen voor de eer hebben bedankt. Hieruit blijkt wel dat in het begin van de zeventiende eeuw de onderhavige functie niet zeer begeerd is. Later zal blijken dat Dom Francisco da Gama er ook verstandig aan zou hebben gedaan de functie niet te aanvaarden.

De nieuwe vice-rei vertrekt op 18 maart 1622 met de naus Santa Tereza de Jesus, São Carlos, São José en São Tomé, de volgende dag gevolgd door de galeões Trindade en São Salvador en de patachos São Pedro en Nossa Senhora do Rosário, onder bevel van Sancho de Tovar e Silva. Bij Natal wordt het schip van de onderkoning door de bliksem getroffen, maar het brandje wordt snel geblust en niemand raakt gewond. De São Tomé en de Trindade verlaten de vloot en zeilen op eigen gelegenheid naar Goa, waar zij op 22 en 24 augustus als eersten aankomen. Als de meeste schepen op 24 juli bij Moçambique zijn, ontmoet Dom Francisco vijf Nederlandse schepen: Goeden Fortuijn (admiraalsschip), het Wapen van Seelandt, Suijt-Hollandt, Noort-Hollandt en het Hert en vier Engelse schepen: Royal Exchange (vice-admiraalsschip), Royal Ann, Diamond en Dragons Claw. Admiraal van de gecombineerde vloot is de Hollander Jacob Dedel en vice-admiraal is de Engelsman Sir Humphrey Fitz. Op 24 augustus 1622 raken de Hollandse schepen slaags met de Santa Tereza, de São Carlos, de São José en de São Salvador. De Engelse schepen houden zich afzijdig (zie § 1.1), met uitzondering van de Royal Ann. De São José van kapitein Dom Francisco Mascarenhas wordt in een gevecht dat veertig uren duurt ernstig toegetakeld en als het op plunderen aankomt, zijn de Engelsen er als de kippen bij. De drie andere schepen trachten in het donker en zonder loods de haven van Moçambique binnen te sluipen. Dit lukt alleen kapitein Gonçalo de Siqueira de Sousa van de São Salvador, die in augustus behouden aankomt in Muscat en een jaar later Goa bereikt; de beide andere schepen, de Santa Tereza, die de onderkoning aan boord heeft, en de São Carlos, onder bevel van Dom Francisco Lobo, lijden schipbreuk bij Moçambique. Het eerste schip wordt door de Portugezen in brand gestoken; het andere wordt geplunderd, voordat het omslaat en zinkt. Op een bepaald moment ziet Jacob Dedel nog twee Portugese schepen verschijnen; het zijn de São Tomé en de Trindade. Hij tracht beide schepen te bereiken, maar zij weten te ontkomen. De beide schepen arriveren in augustus veilig in Goa. De São José zinkt tenslotte. Wat de beide patachos betreft, komt de São Pedro 24 augustus 1622, met een deel van de lading van de Santa Tereza en vermoedelijk ook met de vice-rei aan boord, in Goa aan. De Nossa Senhora do Rosário schijnt, na al dan niet Goa te hebben aangedaan, teruggekeerd te zijn naar Brazilië; het schip wordt bij Cadiz door de Turken veroverd en naar Algiers gebracht.

Het eerste dat de graaf van Vidigueira na aankomst in Indië doet, is de stand van zaken in de kolonie nauwkeurig onderzoeken en hij schrijft koning Filipe III menig brief over zijn bevindingen. Hij rapporteert dat alles in Indië in de slechtst mogelijke staat verkeert; dat de forten in een belabberde staat verkeren en dat het geschut veelal verdwenen is; dat Ormoez, eens de haven die de meeste winst opleverde van alle Portugese bezittingen in de Oost, verloren is gegaan en dat Cochin dat de meest welvarende stad is geweest, nauwelijks nog bedrijvigheid kent en zozeer is vervallen dat de stad zich niet tegen haar vijanden kan verdedigen, terwijl de vijanden van Portugal heer en meester in de Indische Oceaan zijn. Het enige dat de Portugezen te doen staat, is vrede sluiten met de Hollanders, zelfs al zouden zij daarvoor hun havens voor Hollandse schepen moeten openstellen. Tezelfdertijd merkt de bisschop van Cochin in een brief aan de koning op, dat de mensen die naar Indië gezonden worden geen echte soldaten zijn, daar zij eenmaal in gevecht zijnde de strijd zo snel mogelijk willen staken en zich uit de voeten maken.

Ondanks dat de regering van Portugees Indië alles doet om te verhinderen dat de Hollanders zich in Indië vestigen, schijnen bepaalde individuele Portugezen in verschillende plaatsen direct zaken met hen te doen en er zijn zelfs geestelijken die zich met deze illegale handel bezighouden, in de hoop dat hun positie waarborgt dat zij hiervan niet worden verdacht. De handel met de Hollanders neemt een zodanig hoge vlucht, dat hiertegen maatregelen dienen te worden genomen en daarom wordt bekend gemaakt dat iedereen die van illegale handel wordt beschuldigd, zal worden gestraft. De onderkoning adviseert de koning iemand naar Indië te zenden die, in zijn functie van algemeen inspecteur, het gehoorzamen aan de wetten afdwingt. Daarbij zou het niet alleen gaan om burgerlijke rechten. Alle soorten middelen worden aangewend om de legale handel te bevorderen. Onder meer is het dragen van bepaalde hoofddeksels verboden, omdat dit de verkoop van fijn linnen hindert. Tezelfdertijd gaat er in verschillende havens een procent extra belasting geheven worden om de forten van nieuwe artillerie te voorzien.

Een groot bedrag aan staatsinkomsten in Indië schijnt in de tijd naar verscheidene religieuze orden te zijn gegaan en hieraan refererend, merkt de graaf van Vidigueira in 1623 op, dat terwijl zij ondersteund worden door de overheid, zij zelf grote fondsen bezitten, terwijl de openbare kassen leeg zijn. Het aantal monniken is in de meeste plaatsen ook buitensporig talrijk. In Goa, merkt de onderkoning op, bedraagt hun aantal het dubbele van dat van andere Portugese inwoners en dit is eveneens het geval in andere plaatsen in Indië, zoals in Malabar. Cochin is niet alleen de zetel van een bisschop met de grote kathedraal van Santa Cruz, maar in de stad zijn ook kloosters van de jezuïeten, franciscanen, dominicanen, augustijnen en monniken van Sint Paulus en een seminarie. In het nabijgelegen Quilon, met zijn befaamde kerk van Sint Thomas, is een Santa Casa da Misericórdia, een hospitaal en zijn huizen van de jezuïeten en franciscanen. Namens de kerk zetelt er een vicaris-generaal.

In januari 1623 gaan drie Engelse en vier Hollandse schepen de haven van Goa blokkeren, om te verhinderen dat de Portugezen dat jaar met specerijen geladen schepen naar Portugal sturen. Vice-rei Dom Francisco da Gama heeft begin 1623 geen schepen in de haven van Goa liggen om de blokkade te doorbreken en hij kan niet anders dan de vijanden verduren, elke dag vrezend dat zij tot de aanval zullen overgaan. Maar als de tijd waarbinnen schepen aan de reis naar Portugal kunnen beginnen, verstreken is, zonder dat een schip heeft kunnen uitvaren, wordt de lokkade op 19 maart opgeheven.

In de eerste helft van de jaren twintig van de zeventiende eeuw moeten de Portugezen niet alleen machtige vijanden weerstaan, maar zij worden in die jaren ook achtervolgd door pech. Een en ander blijkt uit het onvermogen van Lissabon broodnodige versterkingen naar Azië te zenden; de schepen van de vloot van 1621 hebben – zoals vermeld – allen op een na rechtsomkeert moeten maken en de vloot uit 1622 is grotendeels vergaan in de strijd met de Hollanders. Op 24 maart 1623 zeilen twee vloten uit. Een onder bevel van Dom António Telo de Menezes; zij bestaat uit de naus São Francisco Xavier, Santa Isabel en Nossa Senhora da Conceição. Op dezelfde dag vertrekt Dom Filipe Mascarenhas met de drie galeões Santo André, Misericórdia en São Simão en de patachos São Braz en Nossa Senhora da Guia. Op de vloot bevinden zich 5.000 man die de Portugese gelederen in Indië moeten versterken. Danvers schrijft dat een schip gedwongen is naar Lissabon terug te keren en dat het vergaat in de monding van de Taag, maar dat de bemanning en de lading gered worden. Een tweede schip vergaat bij Sint Helena, maar de lading wordt gered en door andere schepen overgenomen. De derde nau en twee van de drie galeões gaan verloren bij Moçambique en een van de patachos lijdt schipbreuk aan de kust van Arabië door onbekwaamheid van de loods. Slechts een galeão en een patacho bereiken Indië. Charles Boxer geeft in zijn studie From Lisbon to Goa 1500-17502 een veel minder dramatisch beeld van de lotgevallen van deze vloot. De Santo André, het vlaggenschip van Dom Filipe Mascarenhas, bereikt als enige schip nog in het jaar van vertrek uit Lissabon zijn bestemming. Het arriveert al in oktober 1623 te Goa. De rest van de vloot is gedwongen in Moçambique te overwinteren. De beide andere galjoenen3 en twee naus, bereiken eerst in mei 1624 hun bestemming. Van de drie naus gaat de Santa Isabel op 24 januari 1624 door een plotselinge hevige rukwind bij Moçambique verloren. Van de beide patachos is de São Braz op 28 januari 1624 vergaan in Moçambique en de patacho Nossa Senhora da Guia wordt bij Cabo da Boa Esperança eerst toegetakeld door een Engelse coaster en vergaat dan aan de Arabische kust. Danvers mag dan wel een te somber beeld hebben geschetst, maar hij heeft ongetwijfeld gelijk dat van de 5.000 man versterkingen velen door ziekte zijn overleden, want een verblijf in het koortsverwekkende klimaat van Moçambique wordt veel door de reis verzwakte opvarenden fataal.

Dan keert het tij; op 2 september 1624 arriveren in Goa alle acht schepen: de naus Cinco Chagas en Nossa Senhora da Quietação en de galeðes São Francisco, São João, Santo António, São Pedro, São Tiago en Nossa Senhora da Conceição, die op 25 maart van dat jaar uit Lissabon zijn uitgezeild. Bovendien heeft de vloot, die onder bevel staat van João Pereira Corte Real, maar enkele lichamen van overledenen aan boord, terwijl de bemanning in uitzonderlijk goede gezondheid verkeert. De behouden aankomst van de schepen wordt in Goa met klokgelui gevierd. Eindelijk lijkt er een einde te zijn gekomen aan de rampspoed van de laatste jaren. Vijf galjoenen van de vloot van 1624 blijven in Indië; de graaf van Vidigueira zendt Nuno Álvares Botelho met deze schepen naar het noorden, waar zij worden toegevoegd aan de Armada de Alto Bordo, die in Goa en Bassein geformeerd wordt, om te worden toegevoegd aan de vloot van capitão-mor Rui Freire de Andrade, die de haven van Ormoez blokkeert. Zij dienen ook het hoofd te bieden aan de Anglo-Hollandse eskaders die – zo wordt verwacht – in december van Swally naar Gombrun zullen zeilen.

Vele bijzonderheden in het nu volgende verslag over het optreden van Nuno Álvares Botelho en Rui Freire de Andrade zijn ontleend aan Batalhas e Combates da Marinha Portuguesa (Vol.V) van Saturnino Monteiro, waarvan het artikel “11 a 24 de Fevereiro de 1625” is gepubliceerd op de internet-site: http://www.ancruzeiros.pt/anchistoria-comb-1625.html

Het bericht over het verlies van Ormoez bereikt het Schiereiland via Turkije en het gebied van de Middellandse Zee, in december 1622. Het veroorzaakt een enorme consternatie bij de bestuurders van zowel Spanje als Portugal. De toenmalige eerste minister van Philips IV (die de troon heeft bestegen in april 1621), de graaf van Olivares, een integer en energiek man, vastbesloten een halt toe te roepen aan corruptie en verval die zich verspreiden over het Spaanse hof, wil Spanje zijn vroegere grootheid hergeven.

Wat het verlies van Ormoez betreft, bestaat de reactie van Olivares daaruit dat hij Lissabon beslissende opdrachten geeft die erop neerkomen alle beschikbare hulpmiddelen in te zetten om onverwijld een zo groot mogelijke vloot uit te rusten en naar Indië te zenden, om het verloren terrein te heroveren. Het gaat hier klaarblijkelijk om een instinctieve reactie, die niet stoelt op een gedetailleerde analyse van de situatie en bovendien van de oorzaken die hebben geleid tot het verlies van het fort, namelijk het gebrek aan water op het eiland en het feit van de heerschappij ter zee, die in handen van de Engelsen is overgegaan.

Het resultaat van het door de graaf van Olivares genomen besluit is, dat op 2 maart 1623 drie naus, drie galeões en twee patachos de Taag afzeilen, met bestemming Indië. Het is overigens de bedoeling dat er nog meer galeões zullen worden uitgerust, die in september zullen uitvaren. Maar de reis loopt, zoals zo vaak in dat tijdvak het geval is, op een mislukking uit. De drie naus, die vertraging hebben opgelopen, zijn verplicht te overwinteren in Moçambique; een van de twee galeões en de twee patachos gaan verloren aan de oostkust van Afrika, alleen de galeões Misericórdia en Santo André vervolgen hun reis en bereiken Goa; de versterkingen die voor september zijn voorzien, vertrekken zelfs in hry geheel niet. In Indië zijn op dat moment vijf galeões: de São Sebastião, die in Damão is gebouwd, de São Francisco en de São Jerónimo, die in Baçaim van stapel zijn gelopen, en de Trindade en de São Salvador, die in 1622 uit Portugal zijn gekomen. Met de aankomst van de Misericórdia en de Santo André komt het totaal op zeven. Deze zeven galeões vormen een vloot van een redelijke omvang, bovendien liggen in Goa ook nog een zeker aantal urcas en patachos. Jammer genoeg is het op dat moment niet mogelijk al deze schepen te bewapenen, wegens gebrek aan artillerie, bedienaren van het geschut en Europese zeelieden. Dit probleem zou kunnen worden opgelost door het opgeven van forten die niet langer nodig zijn, maar vooral door de mensen en materiaal verslindende oorlog op Ceylon te staken en zowel de mensen als de kanonnen te gebruiken voor de vloot. Dit gebeurt echter niet, waardoor het tijdperk van verval en stagnatie wordt ingeluid.

Ondertussen spant men zich in Portugal in met het treffen van voorbereidingen om Indië te hulp te komen. En op 18 maart 1624 vertrekt, onder bevel van Nuno Álvares Botelho, weer een grote vloot. Zij bestaat uit twee naus en zes galeões, waarvan er vijf in Indië dienen te blijven. Anders dan wat de laatste jaren gebruikelijk is, bereikt de gehele vloot op 1 september 1624 Goa en vrijwel iedereen aan boord verkeert in goede gezondheid, wat tot grote opwinding in Goa leidt, omdat dit beschouwd wordt als een wonder. De zeer voorspoedige reis kan voor een groot deel worden toegeschreven aan de capitão-mor, een energieke, competente, eerlijke en tolerante man, die erin slaagt het vertrouwen, respect en sympathie van alle andere fidalgos aan boord te winnen. Met de ontvangen versterkingen, waarmee het aantal galeões in Indië op twaalf is gekomen, kan vice-rei Dom Francisco da Gama tenslotte een Armada de Alto Bordo samenstellen. Deze vloot zal eerst naar Surat moeten gaan, om de acht Engelse kraken en twee jachten die daar liggen te verdrijven. Zij dient vervolgens naar de Perzische Golf te gaan, om Ormoez te heroveren. Voor het uitvoeren van deze laatste taak dient de Armada de Alto Bordo zich te verenigen met de door roeiers voortbewogen vloot van Rui Freire de Andrade die men daar zal ontmoeten Om economische redenen en wegens gebrek aan personeel en artillerie, worden in Indië niet meer dan zes galjoenen uitgerust. Het zijn de volgende schepen: São Francisco (capitânia) met 48 stukken geschut en 350 man, welk schip in 1624 uit Portugal is gearriveerd; São Francisco (almiranta), 32 stukken en 250 man, gebouwd in Baçaim; São Sebastião, 40 stukken en 400 man, gebouwd in Damão; Trindade, 24 stukken en 250 man, in 1622 gearriveerd; São Salvador, 22 stukken en 200 man, in 1622 gearriveerd; Santiago, 22 stukken en 250 man, in 1624 gearriveerd; Misericórdia, 22 stukken en 200 man, in 1623 gearriveerd; Santo António, 22 stukken en 200 man, in 1624 gearriveerd. Het commando over de gehele vloot, die 226 kanonnen en 2.100 man aan boord heeft, wordt opgedragen aan Nuno Álvares Botelho. De Engelse kraken die zich, onder bevel van John Weddel, bij Surat bevinden zijn: de Royal James, met 48 stukken, de Jonas, met 44 stukken, de Star, 27 stukken, en de Eagle, met 22 stukken; de Hollandse kraken, onder bevel van Albert Becker, zijn de Zuid-Holland, met 46 stukken, de Nieuw Bantam, ook met 46 stukken, de Maagd van Dordrecht, met 24, en de Weesp, met eveneens 24 stukken geschut. Van de twee Engelse jachten, de Scout en de Spy, is de bewapening niet bekend. Ook is niet bekend hoeveel opvarenden de Engelse en Nederlandse schepen hebben, maar het zullen samen zeker minder manschappen zijn dan zich op de Armada de Alto Bordo bevinden. Bij elkaar heeft de Anglo-Hollandse vloot 281 kanonnen, wat 55 meer is dan waarover Nuno Álvares Botelho beschikt, nog afgezien van het geschut aan boord van de Engelse jachten. Saturnino Monteiro wijst vervolgens op de spanning die tussen Engelsen en Nederlanders bestaat, tengevolge van de massacre de Amboíno in 1623 dat de betrekkingen tussen Engelsen en Hollanders voor vele jaren belast.

Desondanks besluiten Weddel en Becker, wanneer zij vernemen dat de Portugezen in Goa doende zijn een grote vloot uit te rusten om hen te gaan bestrijden, hun gevoeligheden te laten rusten en zich gezamenlijk tegen de vijand te verdedigen. De Anglo-Hollandse vloot zeilt wellicht tegen eind december naar Ormoez. In haar gezelschap vertrekken van Surat twee Moorse naus en een Portugees vaartuig dat 11 november is buitgemaakt bij Chaul. Het wordt als derde jacht aan de vloot toegevoegd. Op 9 december 1624 vertrekt Nuno Álvares Botelho met zes van de acht galjoenen uit Goa naar Baçaim; daar aangekomen verneemt hij dat de Anglo-Hollandse vloot inmiddels Surat heeft verlaten en op weg is naar de Perzische Golf. Bang dat de vijand heeft weten te ontsnappen, laat hij de twee in Goa achtergelaten galjoenen ook naar Baçaim komen. Zij arriveren daar op 6 januari 1625, waarop hij begint aan zijn oversteek van de Arabische Zee. Maar dat blijkt geen pretje te zijn; de vloot wordt overvallen door een vreselijk onweer en komt 7 februari nogal toegetakeld in Muscat aan. De schade die de schepen door de storm hebben opgelopen wordt zoveel mogelijk hersteld en op 9 februari komt Nuno Álvares Botelho bij Ormoez aan en voegt hij zijn vloot bij de twintig galeotas en de twintig terranquins, zijnde met riemen voortbewogen vaartuigen van Rui Freire de Andrade, die doende is de Perzische kust te brandschatten en vervolgens daagt Nuno Álvares de Engelse en Hollandse schepen uit, die aan dezelfde kust ankeren. Zij aanvaarden de uitdaging en zeilen op de Portugese vloot toe. Op 11 februari 1625 ontstaat er, bij weinig wind, een algemeen gevecht tussen beide vloten van acht schepen elk, dat neerkomt op een lang aangehouden artillerieduel. De strijd wordt menigmaal verhevigd als door het opsteken van een windje de snelheid van de vijandelijke schepen toeneemt doordat zij de zijwind weten op te vangen. De Engelse en Hollandse kapiteins zijn daarin meer bedreven en zij bezitten een grotere tactische behendigheid dan de Portugese kapiteins. Desondanks krijgt geen van de partijen de overhand, omdat de grotere behendigheid van de vijandelijke kapiteins gecompenseerd wordt door de hulp die de Armada de Alto Bordo ontvangt van de roeischepen van Rui Freire de Andrade. Zij nemen de grote schepen zonodig op sleeptouw om deze een betere positie te verschaffen. Aan beide zijden vallen door de beschietingen vele doden en zwaargewonden. Onder de laatsten bevindt zich António Teles de Meneses, kapitein van de São Sebastião; hij wordt vervangen door Simão Quintal de Carvalho, kapitein van de São Jerónimo, wiens plaats wordt ingenomen door Manuel Quaresma Carneiro. Tijdens de nacht van 11 op 12 februari steekt de wind plotseling op en gaat er een frisse wind uit het noordwesten waaien, die de hele dag van 12 februari aanhoudt. De oorsprong van de noordwestenwind ligt in de onstuimige Arabische Zee, die een risico vormen voor de galjoten. Gegeven de windrichting is het voor de Portugese vloot onmogelijk om op de vijand toe te zeilen. De vijand ligt veilig beneden de wind. De Engelsen en Hollanders, wier schepen ernstig beschadigd zijn, hebben geen belang bij een gevecht bij de heersende weersomstandigheden. Daarom komen de beide vloten de gehele dag niet van hun plaats.

Op 13 februari vindt een tweede zeeslag plaats, opnieuw bij weinig wind. Deze slag ontwikkelt zich als de eerste en eindigt met identieke resultaten, dat wil zeggen, zonder voordeel voor een van beide zijden. Omdat zijn schepen veel schade in de tuigage hebben opgelopen, zeilt Nuno Álvares Botelho met zijn vloot naar het eiland Lareca (Lara), dat ten zuiden van Ormoez ligt, om de schade te herstellen en om water in te nemen. De Engelsen en Hollanders keren terug naar de Perzische kust om de lading van hun schepen aan te vullen. Omdat zij over nog maar heel weinig munitie beschikken, hebben zij er geen belang bij opnieuw het gevecht aan te gaan. Nadat de vijandelijke vloten zich hebben teruggetrokken naar de Perzische kust, roepen Nuno Álvares Botelho en Rui Freire de Andrade de kapiteins van alle schepen bijeen voor een vergadering. De meerderheid is van mening dat als de vloot bij Lareca blijft liggen de schepen in dit jaargetijde de kans lopen overvallen te worden door een van de talrijke onweders en dat het daarom zaak is zo spoedig mogelijk beschutting te zoeken in de haven van Muscat. De beide bevelhebbers willen daarvan niets weten, want als de Portugezen de wateren verlaten waar zij slag hebben geleverd, moeten de Perzen wel denken dat de Portugezen verslagen zijn.

Op 23 februari licht de Anglo-Hollandse vloot het anker en zij begint aan de terugreis naar Surat in gezelschap van twee Moorse kraken. Nuno Álvares Botelho bindt echter op 24 februari opnieuw de strijd aan met de Anglo-Hollandse vloot. Het nieuwe artillerieduel, dat plaats vindt in de Golf van Oman, heeft, hoewel het zeer hevig is, geen belangrijke gevolgen. De schade die de Portugese schepen in de eerdere gevechten hebben opgelopen, beletten hen dit keer voordeel te behalen op de vijand. De Engelse en Hollandse schepen dienen hun snelheid aan te passen aan de langzame bewegingen van de Moorse naus, die met hen vertrekken. Tijdens de nacht doven de Engelsen en Hollanders hun scheeps-lantaarns; zij breken de strijd met de Portugezen af en zeilen weg in zuidelijke richting, waarbij zij langs de Indische kust zeilen.

De volgende morgen zijn de vijandelijke schepen al erg ver weg. Nuno Álvares Botelho gaat met zijn vloot naar Corfação om de schade aan zijn schepen te herstellen. Rui Freire de Andrade keert met zijn roeischepen terug naar Perzië om verwoestingen aan de kust aan te richten. “Rest nog te vermelden dat de terugtrekking van de Engelsen en Hollanders hun prestige in de regio zeer ondermijnt. Daar staat tegenover dat het prestige van de Portugezen aanzienlijk toeneemt, niet alleen omdat zij meester van het slagveld zijn gebleven, maar ook wegens de uitwerking van de verwoestingen die de mede door roeiers voortbewogen schepen aan de kust van Perzië aanrichten waarmee de Perzen zich niet durven meten. Tenslotte besluit de sjah vrede met ons te sluiten, waarbij hij voor eeuwig de factorij in Congo, gelegen op het vasteland, niet ver van Ormoez, aan ons overdraagt. Aldus, dankzij het verstandige optreden van Nuno Álvares Botelho en Rui Freire de Andrade, die gebruikmaken van de helft van de vloot waarover zij beschikken, heroveren de Portugezen tijdelijk de heerschappij over de Perzische Golf en zij weten ook hun handel met Perzië grotendeels te herstellen. De stad Ormoez echter staat na het vertrek van de Portugezen voor een periode van toenemend verval, waarvan zij zich nimmer zal herstellen.”

Danvers vermeldt over de drie zeeslagen dat in het tweede gevecht twee Hollandse schepen onbruikbaar worden en dat de Portugezen veel doden en gewonden te betreuren hebben. Ook Nuno Álvares Botelho raakt gekwetst, Na de derde slag zijn de Portugese vaartuigen bijna al hun masten kwijt en zij hebben twee kapiteins en 40 soldaten verloren. De verliezen aan de kant van de Engelsen en Hollanders in de drie zeeslagen zouden 1.000 man zijn en er zouden drie schepen tot zinken zijn gebracht. Danvers laat de Anglo-Hollandse vloot ook na de derde slag terugkeren naar het eiland Comoran in de Perzische Golf. Ook volgens Penrose zeilt deze vloot naar Surat (zie pag. 253)

Penrose beschrijft nog een volgende zeeslag tussen Portugezen en Engelsen. Drie Engelse schepen, de Palsgrave, Dolphin en Lion, worden op 7 oktober 1625 opgejaagd door vier Portugese galjoenen, onder bevel van Nuno Álvares Botelho. De laatste krijgt het langzaamste Engelse schip, de Lion, te pakken met zijn snelste twee galjoenen. Het Engelse schip wordt behoorlijk toegetakeld; de Portugezen enteren het schip en steken het in brand. De aanvallers worden verjaagd en de branden geblust. De beide andere galjoenen leveren slag met de Palsgrave en de Dolphine. De Engelse schepen ankeren op 4 november bij Ormoez. Vier dagen later valt Rui Freire de Andrade de Lion met zijn fregatten aan. De Lion brengt twee fregatten tot zinken voordat de Portugezen het schip kunnen enteren. Als de Portugezen aan de winnende hand zijn, blazen de Engelsen de Lion op. De Engelse zeelieden die tijdig overboord zijn gesprongen, vallen in handen van Rui Freire, die 26 vijanden laat onthoofden. Bovendien zijn de lichamen van 42 Engelsen die zijn opgeblazen op de kust bij Gombrun aangespoeld en daar begraven.

De problemen van de Portugezen in Indië worden in de beschouwde jaren aanzienlijk vergroot doordat de Hollanders een gevaarlijk overwicht in de handel hebben verkregen en in 1623 laat koning Philips IV zijn vice-rei, de graaf van Vidigueira, weten dat hij zo spoedig mogelijk de inspanningen van de Engelsen, Hollanders en Fransen om zich de handel met Oost Indië, China en Perzië toe te eigenen, een halt dient toe te roepen, omdat dit van groot belang is voor de Kroon. Ervan uitgaande dat het in die tijd praktisch onmogelijk is de Engelsen en Hollanders met wapengeweld uit Indië te gooien, omdat hun kracht in Azië daarvoor veel te groot is en de Koninklijke Schatkist te zeer is uitgeput. Daarom dient list en toewijding te worden aangewend om hun handel te vernietigen, omdat de positie die zij in het handelsverkeer innemen de werkelijke bron van hun kracht is. Met het geschetste doel voor ogen wordt voorgesteld toe te staan dat peper en kaneel, kruiden die tot dan toe niet naar Perzië mogen worden gebracht, door een naar Hollands voorbeeld te vormen compagnie van samenwerkende Portugese kooplieden worden verhandeld en zij dienen in Perzië een overeenkomst met de sjah te sluiten om specerijen tegen zijde te ruilen. Voor alle relevante artikelen worden redelijke prijzen vastgesteld, opdat de compagnie kan blijven bestaan. Specerijen en kaneel kunnen verder worden vervoerd naar Moskou en naar Turkije, en vandaar kunnen deze artikelen via de haven São Nicolas en de Levant gedistribueerd worden over de noordelijke landen die tot nu toe door Holland bevoorraad worden. De handel van de Hollanders zal dus, naar wordt gehoopt, worden verwoest, of de Hollanders ondervinden zodanige concurrentie dat zij hun prijzen dienen te verlagen om hun marktaandeel niet geheel te verliezen. Ofschoon het plan bepaald ingenieus genoemd kan worden, schijnt nooit een poging te zijn gedaan om het in de praktijk te brengen.

Nadat Ormoez in 1622 voor de Portugezen verloren is gegaan, vestigen zij zich in 1623 in Bussora (Basra). Zij richten daar, aan het begin van de karavaanweg die de Perzische Golf verbindt met de Middellandse Zee, een feitoria in. Basra wordt ook de hoofdzetel van een religieuze communiteit en de plaats waar een seminarie wordt gevestigd.

In Goa wordt het bericht ontvangen dat de capitão van Sofala en Moçambique Nuno da Cunha in 1623 is overleden. Deze Nuno da Cunha is voorheen een inwoner van Goa geweest, die zichzelf evenwel in opspraak heeft gebracht. In 1611 heeft Dona Margarida de Mendonça over Nuno da Cunha een petitie aan de Kroon in Spanje gezonden, waarin zij de koning laat weten door Nuno da Cunha, een prominent fidalgo in Goa, te zijn verkracht. Hij heeft op het missaal en een crucifix gezworen met haar in het huwelijk te treden, maar uiteindelijk komt hij zijn belofte niet na. Zij en haar moeder verzoeken de koning Nuno da Cunha te veroordelen haar te trouwen. De Kroon vraagt vice-rei Dom Jerónimo de Azevedo zeer discreet een onderzoek in te stellen naar de klacht en Nuno da Cunha onder druk te zetten Dona Margarida te trouwen, als haar beweringen juist blijken te zijn. Boxer, aan wie deze geschiedenis is ontleend, schrijft niet te weten wat de uitkomst van het onderzoek was, maar Nuno da Cunha schijnt ongehuwd te zijn geweest toen hij in 1623 stierf.

In de zomer van 1624 zeilt Rui Freire de Andrade met zijn vloot van de basis Muscat naar het schiereiland Musandam om de oorlog tegen de Perzen, die nog steeds forten langs de kust bezitten, voort te zetten. Hij tracht te verhinderen dat er voedsel in Ormoez wordt aangevoerd en hij valt schepen aan die de haven van Ormoez willen aandoen of verlaten. Zijn gezamenlijk optreden met Nuno Álvares Botelho kwam al eerder ter sprake. Het volgende is ontleend aan de commentaren van Rui Freire de Andrade zelf en beschrijft4 de bestorming van Limah aan de oostkust van het schiereiland Musandam en tenslotte de aankomst bij het fort “Camufa”, Kumzar.

“Dit fort is gebouwd op de top van een heuvel buiten het bereik van onze artillerie, en zij wensen zich niet over te geven aangezien daarin een garnizoen van 400 Perzische soldaten is gelegerd; in tegendeel, zij vuren enige salvo’s met hun musketten op onze vloot, die het sneuvelen van acht Portugezen en de verwonding van vele andere veroorzaakt. Het schijnt de generaal toe dat deze oorlog onrechtmatig wordt voortgezet, dus geeft hij 300 goedbewapende Portugezen het bevel, onder hun eigen kapiteins, samen met een legermacht van 400 lascarins, onder leiding van Manuel Cabaco, te worden ontscheept op drie verschillende plaatsen, met de opdracht iedereen die zij in het fort zouden aantreffen met het zwaard te doden. Deze manschappen voeren snel en effectief de verschillende landingen uit, terwijl zij een regen van schoten moeten trotseren,.afgevuurd vanaf het fort met de bedoeling de landing te hinderen. Na de landing klimmen zij de heuvel op naar het fort, dat zij al bij de eerste aanval innemen, waarbij zij zich een weg banen met hun handgranaten. Zij doden allen met het zwaard die zij binnen aantreffen, zonder aanzien van leeftijd of sekse, en vervolgens steken zij de stad in brand en verwoesten het fort, waarbij zij geen leven sparen, noch een steen op de andere laten staan. Dit wordt allemaal verricht met het verlies van slechts zes gedode Portugezen en twaalf omgekomen lascarins, en iets meer gewonden. Nadat deze oorlogszuchtige furie is beëindigd, zeilt de generaal langs de kust en nadat hij Cabo Mussandam is gepasseerd, arriveert hij bij Camufa, waar hij goed wordt ontvangen door de inwoners van de stad, daar alle mannen vroeger hebben gediend als zeelieden op onze vloten of galeien in Ormoez, en zij zijn een volk dat nimmer ontrouw aan ons is geweest.”

De vijanden van Portugal in de Oost zijn rond 1625 zeer machtig geworden, zowel wat het aantal schepen als wat het aantal mensen aangaat. Bovendien zijn veel Nederlandse schepen groot en zij zijn zwaar bewapend. De moeilijkheden van de Portugezen worden nog vergroot doordat de opbrengsten van hun handel aanzienlijk zijn verminderd. Dit is het gevolg van smokkel op grote schaal, vooral in Goa en op Ceylon. Hierdoor ontbreken er fondsen voor het onderhoud en herstel van de vele Portugese forten in Indië. Om toch aan de benodigde fondsen voor het herstel van hun forten te komen, wordt het noodzakelijk gevonden de opbrengst van bepaalde schepen en reizen voor dit doel te bestemmen; maar deze komen soms ook ten goede aan bepaalde personen. In die tijd schijnt de Estado da India geen eigen inkomsten te hebben; veel dorpen bij Portugese vestigingen worden bevolkt door pachters, of de landopbrengst komt ten goede aan individuele personen. Als degenen die een bepaalde post in dienst van de overheid bekleden, sterven in de strijd met Europese vijanden, erft hun zoon maar vrij zelden zijn vaders functie en nog minder komt het voor dat de weduwe van een gesneuvelde overheidsdienaar die geen zoons bezit de functie van haar overleden echtgenoot gaat vervullen.

Het is enige tijd gebruikelijk weesmeisjes naar Indië te zenden. Zij zijn afkomstig uit de weeshuizen van Lissabon. De bedoeling is dat zij in Indië een echtgenoot vinden en voor hem gaan zorgen. Op deze wijze wordt de kolonie voorzien van Portugese vrouwen en wordt voorkomen dat Portugese mannen in Indië uitsluitend met inheemse vrouwen trouwen. In veel gevallen zijn deze wezen ook voorzien van een door de Estado da India verstrekte bruidsschat, die incidenteel de vorm heeft van een benoeming in overheids-dienst. Het is de bedoeling dat niet zij zelf, maar hun toekomstige echtgenoot de overheidsfunctie gaat vervullen. Er worden ook benoemingen verstrekt aan de dochters van inheemse ambtenaren die in het huwelijk treden, als beloning voor de diensten aan de Estado da India bewezen door hun ouders; in een geval heeft de bruidsschat de vorm van de benoeming tot gouverneur van Cranganore. Om de Estado da India niet al te zeer te belasten, wordt het in 1627 wenselijk geacht dit soort benoemingen te beperken, zodat een groter aantal benoemingen beschikbaar komt voor de verkoop. Zo wordt bepaald dat functies gegeven aan weesmeisjes slechts gelden voor drie jaren.

Tegemoetkomend aan de wens de Hollanders en Engelsen in de Indische wateren weerstand te bieden, neemt de conde de Vidigueira zijn toevlucht tot het plan kaperbrieven aan bepaalde inwoners van Cochin uit te geven. Zij krijgen daarmede verlof schepen uit te rusten om op rooftocht te gaan tegen ieder schip van deze naties dat zij ontmoeten. De onderkoning wenst niet alleen schepen, manschappen en fondsen om tegemoet te komen aan de dringende behoeften van de Estado da India, maar het geld dat op een of andere manier beschikbaar komt, wordt te vaak verkeerd aangewend of aan andere doeleinden besteed. Al lang geleden is er een belasting ingevoerd van 1 procent voor het onderhoud van geestelijken en voor andere vrome doelen, maar in 1621 is opdracht gegeven de opbrengst van deze belasting aan te wenden voor het onderhoud van vrouwen en kinderen van mannen die zijn omgekomen bij het vervullen van een publieke functie. Vervolgens wordt in bepaalde havens een extra belasting van twee procent geheven, om geld te verwerven voor de bouw van een vloot om de Hollanders uit Indië te gooien. Ondanks iedere voorzorgsmaatregel, blijft de situatie bestaan dat de opbrengsten van de Estado da India voor een zeer groot deel worden aangewend voor het levensonderhoud van grote aantallen priesters en verdwijnt door verduisteringen van de kant van personen die de hoogste posities in de regering bekleden.

In het jaar 1627 wordt de bouw van het enige vrouwenklooster in Goa, het Convento de Santa Mónica, voltooid. Aan het reusachtige complex is, op last van aartsbisschop Frei Aleixo de Menezes O.E.S.A., al in 1607 begonnen. Rond het begin van de zeventiende eeuw heeft de aartsbisschop nog twee opvanginstituties voor vrouwen, in dit geval jonge meisjes gesticht, namelijk het Recolhimento de Nossa Senhora da Serra en het Recolhimento de Santa Maria Madalena. Beide instellingen zijn bestemd voor vrouwen wier reputatie ernstig is geschaad omdat algemeen bekend is dat zij seksueel actief zijn buiten het huwelijk. In de eerste instelling worden mulheres de partido en concubines geplaatst. De tweede instelling is meer bestemd voor jonge ongehuwde moeders. Voor deze vrouwen is een huwelijk niet uitgesloten, zij het dat hun echtgenoten een lage sociale status hebben. Bijzonder is dat het bestuur over de beide Recolhimentos in handen wordt gegeven van de Santa Casa da Misericórdia5 in Goa. De aanmatigende arrogantie van de religieuze orden in Indië schijnt tenslotte een climax te hebben bereikt en er worden vervolgens instructies uit Portugal ontvangen, waarbij de aantallen personen behorend tot bepaalde kloosterorden zullen worden gelimiteerd. Deze instructie wordt een paar jaren later gevolgd door het verbod nieuwe kloosters te stichten.

Kort voor de afloop van de ambtstermijn van de conde de Vidigueira, rust de sultan van Atjeh een vloot van 35 galeien tegen Malacca uit. Dom Francisco Coutinho valt de vloot van Atjeh met 16 schepen aan. Hij steekt 34 galeien in brand en 3.000 Atjeeërs worden gedood of gevangengenomen. Tengevolge van de niet aflatende oorlogen met Atjeh en de rivaliteit met de Hollanders, is Malacca, dat eens de belangrijkste en bloeiendste handelshaven in de Oost was, gereduceerd tot een tweederangs haven, waarvan de inkomsten zijn verminderd tot 3.000 cruzados.

De regering van Macau verkeert niet in een betere positie. Op 10 juni 1627 verschijnen vier Hollandse schepen voor de haven. Zij zijn van plan de vloot die op het punt staat naar Japan te vertrekken, aan te vallen. Door gebrek aan geld en schepen is de capitão van Macau niet bij machte de vijand te weerstaan. Hierop rusten enige rijke kooplieden in de stad vijf schepen uit. Zij zeilen uit en vallen het Hollandse eskader aan. Het admiraalsschip6 wordt beschoten en in brand gestoken. Van de bemanning vinden 37 man de dood en 50 worden gevangengenomen. De kanonnen, de ammunitie, de schatkist en de voorraden worden ook in zekerheid gesteld. Na het verlies van een schip, trekken de drie andere schepen zich terug.

In het najaar van 1627 wordt er bericht uit Europa ontvangen dat de graaf de Vidigueira zijn ambt dient over te dragen aan Dom Francisco Mascarenhas, maar omdat deze officier ondertussen naar Spanje is teruggekeerd, draagt de graaf de Vidigueira het bestuur over aan Dom Frei Luís de Brito, bisschop van Cochin. De afgetreden vice-rei vertrekt met een van de in begin 1628 met specerijen geladen schepen naar Portugal. Ofschoon zijn bestuur in Indië opmerkelijk succesrijk is geweest, krijgt Dom Francisco da Gama bij zijn terugkeer in Lissabon allerlei aanvallen te verduren. Hij zou bepaalde wetten hebben genegeerd en hij zou tijdens zijn ambtstermijn verschillende ongeoorloofde uitgaven hebben gedaan. Uiteindelijk is de graaf tegenover de Kroon verantwoordelijk voor de terugbetaling van de niet toegestane uitgaven. Ook wordt Dom Francisco da Gama verweten dat hij het systeem van verkoop van bepaalde reizen heeft ingevoerd. De opbrengsten daarvan, die anders aan de Kroon zouden zijn toegevallen, zijn verdeeld over particuliere personen.

In 1601 zijn zowel koning Philips III van Spanje, als paus Clemens VIII zeer gebrand op het zenden van onderzoekers naar Cathay (China) en het winnen voor de Kerk van de volkeren ‘liggende tussen India en Cathay.’ Hun grandioze plannen worden niet eerder uitgevoerd dan in de jaren twintig7 van de zeventiende eeuw, als António de Andrade, de Portugese overste van de jezuïeten in Goa, aan de westkust van het Indische subcontinent, besluit een avontuur te lanceren, door over land via Kasjmir en Tibet naar China te reizen. Hij zal dan ook de eerste westerse missionaris zijn die Lhasa bereikt. Vroeg in het jaar 1624 vertrekt Andrade, vergezeld van broeder Manuel Marques, een opmerkelijke lekenbroeder, wiens naam een prominente plaats inneemt in het verhaal van de westerse exploratie van Tibet, van het keizerlijke hof van de Grootmogol in Agra in het noorden van India voor een ontdekkingsreis naar Tibet. In de herfst van 1624 bereiken Andrade en Marques, na een zware tocht over de bergkammen van de Himalaya, Tsaparang aan de bovenloop van de Sutley Rivier. Tsaparang is in die tijd de regeringszetel van Guge, een historisch Lamaïstisch koninkrijk waarvan het territorium min of meer samenvalt met het huidige district Gartok in West-Tibet.

De eerste ontmoeting tussen de westerse missionarissen en de Tibetanen schijnt veelbelovend te zijn. De Tibetanen begroeten Andrade en Marques met verrassende vriendelijkheid. In de loop van hun eerste verblijf, volgen de koning en de koningin van Guge dagelijks religieuze lessen en zij ontvangen van de jezuïeten dankbaar een voorstelling van de Heilige Maagd en het Kindeke. Dit koninkje is zo onder de indruk van Andrade dat hij op de avond van zijn terugkeer naar Goa, voordat de bergpassen afgesloten zullen zijn door de winterse sneeuwval laat in 1624, erop staat dat de missionarissen volgend jaar zullen terugkeren. In een brief over deze kwestie belooft de koning (Kri-bKra-Sis-grags-pa-Ide), ook hen te zullen beschermen op hun weg terug naar Noord-India. Andrade arriveert vroeg in 1625 terug in Goa, waar hij zijn ervaringen neerschrijft ten behoeve van de Provinciaal overste van de Jezuïeten. In zijn analyse noemt hij het hof in Guge een bijzonder goede omgeving om het geloof te verkondigen. Andrade heeft zich zo goed van zijn taak gekweten, dat de namen van drie andere priesters worden genoemd om hem te vergezellen op zijn tweede reis naar Tsaparang om daar een permanente missiepost te vestigen.

In augustus 1625 arriveren Andrade, Marques en pater Gonzales de Sousa weer in Tsaparang als een voorhoede, om daar de missiepost te openen. Zij beginnen op Pasen van het volgende jaar met de bouw van een permanente kerk, waarvoor de koning van Guge zelf de noodzakelijke fondsen heeft verstrekt en de plechtige ceremonie waarbij de eerste steen is gelegd met zijn aanwezigheid heeft opgeluisterd. Voordat het nieuwe kerkgebouw klaar is, arriveren de overige priesters, de paters João de Oliveira, Alano dos Anjos en Francisco Godinho. Een afgesplitste tak van de missie wordt spoedig daarna gevestigd in Rudok, 300 mijl ten noorden van Tsaparang, die wordt bemand door de nieuw aangekomen priesters. Volgens de rapportage van de jezuïeten zelf bedraagt het aantal lokale bekeerlingen in Guge in 1627 ongeveer honderd, onder wie de koningin, de kroonprins en enige andere belangrijke leden van de koninklijke familie. Zelfs de koning heeft Andrade toevertrouwd dat hij zich in de nabije toekomst wil laten dopen. Het mag een wonder heten dat de jezuïeten erin zijn geslaagd in het district Gartok, een streek waar het Boeddhisme en Lamaïsme een lange traditie hebben, een christelijk bruggenhoofd te vestigen.

Andrade moet naar Tsaparang gekeken hebben als naar een poort die leidt naar vele andere Lamaïstische koninkrijken in het gebied waar etnische Tibetanen wonen. Van Guge dringen de jezuïeten door naar het noorden naar Rudok en naar het westen naar Ladakh. Uit correspondentie van de jezuïeten blijkt dat er sprake is van missieactiviteiten ver naar het noorden in Kashgar, in Chinees Turkestan. Maar het meest opmerkelijke initiatief dat Andrade en zijn confraters hebben genomen, is dat wat in 1626 leidt tot de stichting van een buitenpost in Shigatse, de toenmalige zetel van het Tsang koninkrijk. De verloving van de dochter van de koning van Tsang met de kroonprins van Guge, zou Andrade, die een hartelijke vriendschap onderhoudt met de koninklijke familie van Guge, de mogelijkheid hebben geboden zijn missionaire taak uit te breiden tot Shigatse. In de zomer van 1626 bericht Andrade aan Goa dat hij van de Monarch van Tsang een koninklijk bevel en een invitatie heeft ontvangen. In het begin van 1628 ondernemen de jezuïeten Estêvão Cacella en João Cabral, op verzoek en aanbeveling van Andrade, de reis van Goa naar het Tibetaanse Tsang. De twee jeugdige jezuïeten reizen in werkelijkheid van Cochin in Malabar, waar zij werkzaam zijn, naar Bengalen, waar zij zich zes maanden op hun reis door Bhutan voorbereiden. Aan het einde van een verblijf van bijna acht maanden in Bhutan hebben Cacella en Cabral een ontmoeting met Shabdrung (heerser) Ngawang Namgyal (1594-1651), de stichter van Bhutan, wiens vooraanstaande grootvader door de Gelugpa Sekte (zie hierna) uit Tibet is verdreven. Cacella schrijft vanuit het Cheri klooster een uitgebreid rapport (Relação) naar zijn superieur in Cochin, waarin hij vertelt over de reis tot dan toe. Zij reizen door naar Shigatse (dicht bij de Brahmaputra) de residentie van de Panchen Lama en de plaats waar zich het grote Tibetaanse klooster Tashilhumpo bevindt. Hier worden zij hartelijk verwelkomd door de Karma Tenkyong, de heerser van Tsang. Als deze zijn ongebruikelijke gasten ontmoet, geeft de vriendelijke Karma Tenkyong de paters verlof het christelijke geloof te verkondigen in zijn Lamaïstische gebied en hij geeft de missionarissen genereus geld om dagelijks eten te kopen, zodat zij zich onbezorgd in Shigatse aan hun missionaire taak kunnen wijden. De missionarissen ondersteunende koning van Tsang gaat zelfs in op Cacella’s vrijmoedige suggestie een nieuwe reisroute tussen Shigatse en het noorden van India uit te zetten met het oogmerk de mogelijk florerende missieactiviteiten te bevorderen.

Waarom zijn de heersers van deze Lamaïstische koninkrijken zo enthousiast over de introductie van het christelijke geloof in hun rijken? Wat beweegt hen zo meegaand en hoffelijk op te treden tegenover de jezuïeten? Er moet wel sprake zijn van sterke politieke motieven bij de Tibetaanse monarchen en hun hoven achter hun steun aan de missionaire ondernemingen. Tegen de tijd dat Andrade en Marques Tsaparang bereiken, wordt de koning van Guge geplaagd door toenemende onrust en weerspannige kloostergemeenschappen in zijn gebied. De gehele situatie verslechtert nog meer als de onrust onder de monniken in het geheim wordt aangemoedigd door leden van de koninklijke familie. Aan het begin van de jaren twintig van de zeventiende eeuw hebben de hervormers van de Gele Hoed, bekend onder de meer formele naam van de Gelugpa sekte van het Lamaïsme, de overhand niet alleen in Guge, maar in heel Tibet. Met het groeiende aantal aanhangers van de Gele Hoed in Guge, zijn de kloosters in staat aanzienlijke hulpbronnen van hun volgelingen te verwerven. Zo heeft bijvoorbeeld de broer van de koning, als Lamachef, de koning lange tijd tegengewerkt door het aanwerven van Tsaparangs beste jongemannen voor de Gelugpakloosters, waarmee deze verloren zijn gegaan voor de militaire dienst. Vanzelfsprekend beschouwt de koning zulke activiteiten als een potentiële bedreiging van zijn seculiere heerschappij. Het inkomen van de Lamachefss neemt snel toe, zodat de Gelugpa sector een van de rijkste groepen binnen het koninkrijk dreigt te worden.

De koning van Guge aanvaardt het christendom als een tegenkracht tegen de Gelugpa, als een tegenwicht tegen zijn potentiële rivalen en als een versterking van zijn positie. Bij verschillende gelegenheden kiest de koning openlijk de zijde van Andrade. Hij staat de jezuïeten niet alleen toe aan zijn hof te prediken, maar hij verleent de missionarissen ook privileges en gunsten. De koning verliest onderwijl geen tijd om de Lamaïstische leer in diskrediet te brengen en zijn stijgende afkeer van de lama’s van de Gele Hoed te tonen. Hij staat de jezuïeten zelfs toe het Lamaïsme aan te vallen in publieke debatten tussen twee partijen. De openlijke kritiek op het Lamaïsme, die mogelijk is geworden door hun stijgende macht aan het hof, is ten dele verantwoordelijk voor het verlies van de gunst van ’s konings broer en van de monastieke autoriteiten die hij vertegenwoordigt. Er dreigt in Guge een politieke storm op te steken die het bestaan van het land bedreigt.

Aan het einde van de jaren twintig is de broer van de koning zo jaloers op de stijgende reputatie van Andrade dat hij een geheim complot smeedt om de christelijke invloed uit het koninkrijk te verwijderen. Terwijl de jezuïeten zich mogen verheugen in de steun van de koning, waaronder zijn financiële bijstand, en zij geraakt worden door de zichtbare getuigenissen van koninklijke sympathie, falen zij erin de groeiende publieke weerstand, uitgelokt door de ontevreden lama’s, waar te nemen. Het is onvermijdelijk dat de openlijke koninklijke gunst getoond jegens de vreemde missie de kloostergemeenschappen kwaad maakt en dat dit uiteindelijk zal leiden tot een botsing met de jezuïeten. In 1630 verliezen de jezuïeten invloed doordat António de Andrade is benoemd tot provinciaal overste van de Societas Jesu en dat hij mitsdien naar Goa vertrekt. Hij is de drijvende kracht van de missie geweest en haar voortdurende bron van inspiratie. Zonder zijn aanwezigheid is het nauwelijks mogelijk de grote invloed van de jezuïeten in Guge te handhaven. Als de koning later dat jaar ziek wordt, zien de dissidente Gele Hoed lama’s, geleid door de broer van de koning, hun kans schoon. Met geheime aanmoediging van de koning van het buurland Ladakh, staan de zittende clerus en de oorlogsmonniken op tegen de troon.

Het gevolg van de beroering van het jaar 1630 in Guge is een ramp, niet alleen voor de koning en zijn familie, maar ook voor de jezuïeten. De koning, de koningin en andere leden van de koninklijke familie worden gevangengenomen en zij worden naar Leh gebracht en er wordt nimmer wat van hen vernomen. Een prins van het hof van Ladakh wordt de feitelijke heerser van Guge, wat erop wijst dat Guge niet langer een onafhankelijk koninkrijk is, maar in het vervolg valt onder de suzereiniteit van Ladakh. De Tibetanen die zich tot het christendom hebben bekeerd krijgen het in de handen van de wraakzuchtige lama’s zwaar te verduren. Velen worden als slaven afgevoerd naar Ladakh. De kerkgebouwen en andere eigendommen van de kerk in Tsaparang en Rudok worden in brand gestoken en de vijf jezuïeten die op het moment van de aanval in Tibet zijn, zijn in feite de gevangenen van de uit Ladakh binnendringende lieden.

Het antwoord van Andrade in Goa op de ramp is dat hij zijn vroegere confrater in Tsaparang, Frei Francisco de Azevedo, een onderzoek laat instellen. Azevedo arriveert in de zomer van 1631 in Tsaparang en treft daar een situatie aan die zo beroerd is als hij zich heeft voorgesteld. Wat er over is van de missie van de jezuïeten is niet in staat de overgebleven gemeenschap van bekeerlingen te bedienen. Azevedo besluit de koning van Ladakh te benaderen om de evangelisatie in Tibet te kunnen voortzetten en de positie van de jezuïeten in Guge te herstellen. De koning van Ladakh stemt er tenslotte mee in dat er meer missionarissen uit Goa naar Tsaparang komen. Maar de jezuïeten zijn niet in staat hun voormalig aanzien in de stad te herstellen, vooral niet nadat de invloedrijke Andrade in 1634 is overleden, gevolgd door de dood van twee andere priesters als deze op weg zijn van Goa naar Tsaparang. De laatste poging om de missie in Guge te herstellen, strandt in 1640, als drie nieuwe priesters worden aangevallen bij hun binnenkomst in Tibet. Zij worden gedwongen rechtsomkeert te maken. Terugkijkend kan worden geconcludeerd dat Guge een christelijk land had kunnen worden, maar als reizigers uit het westen vele jaren later dit deel van Tibet bezoeken, treffen zij daar geen spoor meer van de vroegere kerstening aan.

In de hoofdstad van Tsang, Shigatse, vinden soortgelijke ontwikkelingen plaats als in Guge. Hier mengen de jezuïeten zich ook in plaatselijke religieuze en politieke intriges Bij het aanbreken van de zeventiende eeuw, hebben religieuze oorlogen geleid tot serieuze bedreigingen voor de Tibetaanse eenheid. Ofschoon in de jaren twintig de Gelugpa Sekte in de meeste Tibetaanse regio’s de overhand heeft, is de oude Katmapa Sekte dominant in enige delen van Zuid-Tibet, zoals in de streken Shigatse en Tsang. Als de paters Cacella en Cabral op 20 januari 1628 Shigatse bereiken, neemt de spanning tussen de Karmapa en de Gelugpa toe. Zowel koning Karma Tenkyong van Tsang en zijn Karmapa bazen streven ernaar hun aanzien tegenover de overal aanwezige Gelugpa kloostergemeenschappen te handhaven. Het is in hun belang de jezuïeten en de tot het christendom bekeerde Tibetanen als een tegenwicht te gebruiken tegenover hun machtige rivalen. Nadat Cacella en Cabral in Shigatse zijn aangekomen, heeft koning Tenkyong van meet af aan enthousiast op de activiteiten van de jezuïeten gereageerd.

Ondanks de voor de jezuïeten gunstige atmosfeer in Shigatse, wordt daar geen solide missionaire basis gelegd. De historische bronnen zijn te fragmentarisch om een definitieve conclusie te trekken over de reden waarom de jezuïeten tenslotte het koninkrijk Tsang hebben verlaten. Desondanks blijkt uit de correspondentie tussen Cacella en zijn superieuren in Goa dat de opstand van 1630 in Guge en de daaropvolgende ineenstorting van de missionaire inspanningen van de jezuïeten, de jezuïeten aan het denken hebben gezet of het verstandig zou zijn een stabiele gemeenschap van christenen te stichten in een Lamaïstisch rijk. Hun uiteindelijke conclusie moet negatief zijn geweest. Ondanks Karma Tenkyongs ijverige pogingen Cacella’s en Cabrals verblijf in Tsang te verlengen en wellicht een permanente missiepost in Shigatse te vestigen, wijzen de beide priesters de voorstellen van de koning af. In 1632 wordt het tweetal door Goa teruggeroepen en wordt de missiepost in Shigatse, na slechts korte tijd te hebben bestaan, verlaten.

1 Zie deel XV, pag. 150

2 Zie pagina’s 193-194.

3 Volgens O livro do Estado da India van Barreto de Rezende en António Bocarro komt de São Simão in Goa aan, maar volgens Dom Afonso Mendes, de Patriarch van Ethiopië, is het schip vergaan bij Moçambique, aldus Boxer.

4 Dit stuk is eind november 2006 ontleend aan de internetsite http://www.datainfo.com/hormuz/kumzar.htm

5 Zie deel X, pag. 22.

6 Volgens de VOC-site is op 12 oktober 1627 het gloednieuwe jacht Ouwerkerk van 100 ton door de Portugezen geënterd en in brand gestoken.

7 Afgezien van de reis van Bento de Gois, die 2 oktober 1602 uit Agra vertrekt naar Cathay, maar die China niet bereikt. (Zie § 2.1 van deel XVI)

1.1 Problemen tussen Engelsen en Nederlanders in Indië