Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike
Torre de Belém, Lissabon, Portugal. Auteur Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De opkomst van Macao. De handelsrelaties met China

Deel 12 Index

Hoofdstuk 3.

De handelsrelaties met China

3.3. De opkomst van Macao

Geschreven door Arnold van Wickeren

De opkomst van Macao, aan het einde van de 20e eeuw door de Portugezen gespeld als Macau, is een mirakel in de commerciële historie van Oost-Azië. Binnen enkele decennia is de groei en bloei van het eertijds bescheiden vissersdorp, gelegen op de kop van Kaap Hsiang-shan, aan de uiterste zuidpunt van het estuarium van de Parelrivier, zodanig dat Macau zelfs de haven van Canton overschaduwt.

Ofschoon de bloei van Macau begint na 1557, wordt de haven in de tijd van keizer Chêng-tê (1506-1521) al voor commerciële doeleinden gebruikt, nadat de Cantonese autoriteiten buitenlandse handelaren gevraagd hebben hun zaken af te wikkelen in de kustplaats Tien-po, gelegen op 180 mijl ten zuidwesten van Canton. In 1535, dat wil zeggen kort na de hervatting van de buitenlandse handel, verplaatsen de autoriteiten, op verzoek van de Pei-wo, Huang Ch’ing, het douanekantoor naar Macau, waar de regering de eerste jaren 20.000 taels per jaar belasting int. Door deze maatregel worden vreemdelingen uit de haven van Canton geweerd, wat onrust in de stad voorkomt. In die tijd speelt het grote eiland Lang-pai-kao (Lampacau), gelegen op ongeveer 30 mijl ten westen van Macau, aan de zuidrand van de rivierdelta, een belangrijke rol in de buitenlandse handel van Canton. De geografische positie van Lang-pai-kao maakt het eiland tot een natuurlijke ontmoetingsplaats voor smokkelaars. In 1542 zouden de Portugese handelaren het eiland hebben bezet, waarmee zij voor het eerst na twintig jaar terug zijn op Cantonese bodem. Vanzelfsprekend hebben de mandarijnen de landing oogluikend moeten toestaan. Het per ongeluk door drie Portugezen ontdekte eilandenrijk Japan in 1542 opent een nieuwe zeer winstgevende markt, waardoor mogelijk de Lusitaanse pogingen de handel met China formeel te doen heropenen wat minder nadruk hebben gekregen. Aan de andere kant nopen de gevaren die de logge Portugese kraken en galjoenen lopen, bij het bevaren van de door taifoens geteisterde Chinese wateren, de Portugezen ertoe een beschutte aanloophaven tussen Malacca en Kyushu te gaan gebruiken. Als zij in deze aanloophaven voldoende ruwe zijde en zijdenstoffen, de goederen die het leeuwendeel van hun lading uitmaken, kunnen betrekken, is dat een extra voordeel. In of rond 1550 bereiken de Portugezen stilzwijgende overeenstemming met de Chinezen op het eiland Shang-ch’uan (Sancian) een jaarlijkse ‘ruilbeurs’ van waren te houden. De Portugezen verblijven van augustus tot november op Sancian, dat 50 mijl ten zuidwesten van Macau ligt. Zij bouwen er hutten die hen beschutting bieden tegen de zon en die zij bij hun vertrek in brand steken. In zulk een tijdelijk onderkomen op het eiland Sanchuan is Francisco Xavier in december 1552 gestorven. Om onbekende redenen is de jaarlijkse ‘ruilbeurs’ in 1554 verplaatst van Sancian naar Lang-pai-kao, mogelijk als gevolg van de afspraak tussen Leonel de Sousa (zie hierna) en de Chinese autoriteiten. De jaarlijkse ‘ruilbeurs’ blijft in ieder geval tot 1558 op Lang-pai-kao bestaan. In 1560 verblijven 500 of 600 Portugezen op Lampacau. Hieruit kan worden afgeleid dat Macau in 1554 door de Portugezen verlaten is. Over de rol en zelfs het bestaan van Lampacau is veel gediscussieerd. Volgens Souza wordt Lampacau nog steeds beschouwd als `a mystery of the Far East’.

De Sino-Portugese handel wordt officiëel hervat in 1554. In dat jaar zou – volgens Frei Gaspar da Cruz o.p. – door Leonel de Sousa, afkomstig uit de Algarve, samen met de capitão-mór van Chaul, daarover een verdrag met China zijn gesloten. In het verdrag wordt bepaald dat de Portugezen in de Chinese havens de gebruikelijke belasting betalen. Het opnemen van deze voorwaarde ligt voor de hand, omdat de Portugezen dit in het verleden geweigerd hebben. Overigens is Gaspar da Cruz de enige bron van het Luso-Chinese verdrag. Charles Boxer spreekt slechts over een mondelinge afspraak.

In 1557 bestaat er al een kleine Portugese kolonie in Macau, waarbij zich handelaren van andere nationaliteiten hebben aangesloten. Er is veel gediscussieerd over de status van Macau. De Portugezen hebben betoogd dat zij Macau en omgeving hebben gezuiverd van piraten en dat de keizer hen, uit dankbaarheid hiervoor, heeft toegestaan zich in Macau te vestigen. De Chinezen stellen hier tegenover dat China geen territoriale rechten heeft prijsgegeven. De Portugezen hebben de Chinese soevereiniteit over Macau altijd stilzwijgend erkend door jaarlijks 500 taels pacht te betalen, evenals havengelden. Bovendien heeft China nimmer toegestaan dat de Portugezen verdedigingswerken in Macau zouden bouwen. In de loop der eeuwen hebben zij in strijd met dit verbod gebouwde fortificaties enige keren verwoest. De Chinese lezing staat haaks op de tot aan het einde van de 20e eeuw gehandhaafde Portugese aanspraken. De Chinese lezing luidt: `In het 32e jaar van Chia-ching (1553) arriveerden in Hao-ching enige vreemde schepen, waarvan de kapiteins beweerden dat zij te maken hebben gehad met een storm en dat de artikelen die zij hadden meegebracht als tribuut nat waren geworden door zeewater. Zij verlangden toestemming deze goederen te laten drogen aan de kust van Hao-ching. Wang Po, de Hai-tao gaf hen deze toestemming. Voor hen worden slechts rieten onderkomens opgetrokken, maar kooplieden, verlokt door de hoop op winst, kwamen ongezien en bouwden huizen van baksteen, hout en natuursteen. Daarop verkregen de Feringis, waarbij zich andere vreemdelingen hadden aangesloten, toegang tot tot Hao-ching. Dus vreemdelingen begonnen zich te vestigen in Macao ten tijde van Wang Po.’ Uit de hiervoor geciteerde passage moet worden begrepen dat de oorsprong van de Portugese vestiging in Macao gezocht moet worden in een gunst aan vreemdelingen in 1553 toen de Portugezen nog niet opnieuw tot de handel met China waren toegelaten. Deze redenering overtuigt niet; de Portugezen zullen echt geen huizen voor permanente bewoning in Macau hebben gebouwd, als zij het gevoel hebben gehad dat hun verblijf daar afhankelijk is van de gunst van enkele mandarijnen. De toevloed van Portugezen in Macau en de snelle groei van de haven tonen aan dat de nieuwe bewoners het gevoel hebben gehad dat zij zich veilig in Macau konden vestigen. Deze zekerheid kan niet alleen gebaseerd zijn op een gunst. Souza noemt in dit verband een derde lezing die van de jezuïet Álvarez Semedo, in zijn Relatione della Grande Monarchia della Cina, dat Semedo in 1643 in Rome heeft uitgegeven, nadat hij 22 jaar in China heeft gewoond en daar zeer accuraat inlichtingen heeft verzameld. Semedo schrijft: `Vierenvijftig mijl vandaar (Shang-ch’uan) dieper in het koninkrijk, ligt een ander eiland genaamd Gau Xan en door de Portugezen Macao genoemd; het is klein en zo rotsig, dat het gemakkelijk te verdedigen is en erg geschikt is als ontmoetingsplaats voor rovers, wat inderdaad het geval is, als veel van hen zich daar verzameld hebben, zij teisteren alle eilanden daar in de buurt. De Chinezen overlegden met elkaar hoe zij zich van deze plaag kunnen bevrijden. Óf omdat het hun ontbrak aan moed, óf omdat zij er voor kozen het karwei te doen verrichten met minder gevaar voor henzelf en op kosten van anderen, droegen zij de onderneming op aan de Portugezen, wier strijdlust zij kennen, met de belofte dat zij zich op het eiland mogen vestigen, als zij de rovers daarvan verdreven hebben.’ `De Portugezen accepteerden de voorwaarde met veel plezier en blijdschap, ofschoon zij met weinigen zijn en veel minder talrijk waren dan de rovers, waren zij niettemin zeer bedreven in de kunst van het oorlogvoeren; zij verzamelden zich en vielen hen op zo’n wijze aan dat zij zonder ook maar een man aan hun kant te verliezen, een grote slachting aanrichtten onder de vijand, zodat zij spoedig heer en meester van het strijdtoneel en van het eiland zijn. Zij begonnen ogenblikkelijk met bouwen van huizen, waarbij iedereen een plaats die hem geschikt leek uitzocht.’ De Ming-autoriteiten mogen nu wel Portugese handelaren tot het land toelaten, op Portugese missionarissen hebben ze het allerminst begrepen. De dominicaan, Frei Gaspar da Cruz, die in 1556 tracht in China te prediken, moet het land verlaten.

Macau bestaat uit een klein, bijna volledig bebouwd, schiereiland en twee eilanden. Het ene, Taipa, is iets kleiner, het andere, Coloano, iets groter dan het schiereiland. De naam Macao is afgeleid van A-ma-o of A-ma-ngao, dat wil zeggen Baai van Ama (godin van zeelieden). De pittoreske tempel gewijd aan deze godin bij de ingang van de binnenhaven is het oudste gebouw van Macau en het is waarschijnlijk weinig veranderd sedert Fernão Mendes Pinto1 en zijn landgenoten het gebouw in 1555 voor het eerst zagen. De godin Ma of Ama zou een van de openbaringen zijn van Kwan Yin, de godin van de barmhartigheid, het populaire boeddhistische equivalent van Onze Lieve Vrouw. Boxer merkt op dat het misschien niet ongepast zou zijn geweest dat de Chinese godin van barmhartigheid vervangen zou zijn door haar opvolgster, de meelevende christelijke Koningin des Hemels. De eerste Portugese kolonisten noemen hun nieuwe woonplaats Povoação do Nome de Deos na China. In plaats van povoação (vestigingsplaats) spreekt men soms van Porto do Nome de Deos of Porto e Amacao en zelfs van Porto da China. In 1586, als Macao is uitgegroeid tot een stad, wordt de naam formeel gewijzigd in Cidade do Nome de Deos na China. De Portugezen beschikken bij Macau niet over landerijen die; in cultuur gebracht zouden kunnen worden. Ze zijn daarom voor de aanvoer van levensmiddelen volledig afhankelijk van de medewerking van de provinciale autoriteiten van de omringende Chinese provincie Kwangtung. De Chinezen kunnen de Portugezen op elk moment dwingen te vertrekken.

De commerciële vooruitzichten voor de Portugezen in Macau zijn bijzonder rooskleurig. Er is bijna geen handelsverkeer tussen China en Japan, terwijl er in Japan grote vraag is naar Chinese zijde en in China naar Japans zilver. Het vrijwel ontbreken van handel tussen beide landen is een gevolg van het optreden van Japanse piraten, die in toenemende mate de Chinese kust, vooral die van Fukien, bedreigen. Dit is waarschijnlijk al vele jaren het geval; in de periode 1549-1561 is deze zogenaamde Wako-crisis op haar hoogtepunt en rond 1480 heeft de Ming-keizer formeel de handel tussen China en Japan verboden. Er is alleen sprake van enige smokkelhandel tussen beide landen, want er zijn maar weinig Japanse handelsschepen die de reis naar China wagen, omdat de Chinese kustprovincies voortdurend worden bedreigd door de angstaanjagende overvallen door niets en niemand ontziende Wako-piraten.. De Portugezen verkrijgen hierdoor tijdelijk vrijwel het monopolie op de Chinees-Japanse handel. De eerste jaren na de ontdekking van Japan in 1542 is de handel met China en Japan voor iedereen open, maar vanaf 1550 wordt de handel op monopolistische basis gestoeld, in overeenstemming met de economische en politieke ideeën in die tijd. Het recht handel te drijven in de Chinese Zee is voorbehouden aan de Capitão-mór da Viagem da China e Japão. Deze autoriteit wordt jaarlijks aangewezen door de koning van Portugal of door diens plaatsvervanger in Goa. De zeer lucratieve post is een beloning voor een fidalgo die zich heeft onderscheiden. Erg bijzonder is dat niet, want de handel met de Molukken, Bengalen, Pegu, Moçambique en andere plaatsen zijn eveneens gestoeld op een koninklijk monopolie, waarvan een begunstigde fidalgo, die ’s konings gunst geniet, enige tijd de vruchten mag plukken.2 Als de begunstigde niet zelf in staat is de reis naar het Verre Oosten te ondernemen, kan hij zijn privilege verkopen aan een ander, die reis met dezelfde voorrechten onderneemt. De Capitão-mór da Viagem da China e Japão is gedurende zijn reis de erkende bevelhebber van de Portugese schepen en posten tussen Malacca en Japan en hij is ook de officiële gesprekspartner met de Chinese en Japanse autoriteiten. De haven van vertrek is gewoonlijk Goa (een enkele keer Jacatra) is de enige aanloophaven tijdens de reis is Malacca. De Capitão-mór da Viagem dient zelf zijn schip uit te rusten, maar soms kan hij het schip waarmee de jaarlijkse reis naar Japan wordt ondernomen van de koning huren, mits op voorwaarde van voldoende zekerheidsstelling.

De Portugezen verwerven in China ruwe en bewerkte Chinese zijde, waarnaar in Japan veel vraag bestaat en dat verreweg het belangrijkste exportartikel van China naar Japan is. Zij geven daarvoor Japans zilver, naar welk artikel in China veel vraag bestaat. Andere Chinese exportproducten zijn goud, muskus, koper en porselein. De Portugezen zijn in de 16e eeuw de enige aanbieders van Europese goederen in Japan en zij exporteren ook kleding en stoffen naar dat land.

1 Er is een brief van Pinto bewaard gebleven die hij geschreven heeft vanuit Macau; hij schrijft daar in november 1555, te zijn aangekomen, tezamen met de jezuïet Belchior Nunes Barreto.

2 Zie in dit verband deel XI, pag. 158, voor de privileges die kapiteins van de naus da carga in Pulicat in 1548 genieten.

Hoofdstuk 4 Birma en Siam 4.0 De unificatie van Birma.

x

Check Also

Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De Malediven. Expansie van het Império Português (1515-1521)

Deel 6 Index Hoofdstuk 7 Expansie van het Império Português (1515-1521) 7.1 De Malediven Geschreven door Arnold van ...

banner
Close
GDPR
EU laws require that we request your consent to the use of cookies. We use cookies to ensure that our site works properly. Some of our advertising partners also collect data and use cookies to publish personalized ads.




Subscribe to our YOUTUBE channel:
Stay informed about Colonial Voyage