De nieuwe politiek van de Chinezen. De komst van andere Europeanen naar het Verre Oosten

Deel 20 Index

Hoofdstuk 2

De komst van andere Europeanen naar het Verre Oosten

2.5 De nieuwe politiek van de Chinezen

Geschreven door Arnold van Wickeren

Op 9 april 1609 brengt het Twaalfjarige Bestand een tijdelijke beëindiging van de vijandelijkheden tussen Spanje en de Nederlanden, ofschoon dit verdrag buiten Europa eerst een jaar later van kracht wordt. De Spanjaarden staan voor de enorme moeilijkheid te voorkomen dat de Hollanders een aandeel verwerven in de oosterse handel. Zij geven dit doel althans tijdelijk op. Er wordt overeengekomen dat de Hollanders buiten Europa tijdens het bestand geen zaken zullen doen in de havens en plaatsen die in het bezit zijn van de Spanjaarden of de Portugezen, maar dat het hen vrij staat handel te drijven met “alle andere” heersers en volkeren.

Het bestand geeft de Portugezen in zowel Macau als elders een prachtige gelegenheid de fortificaties van hun bezittingen te versterken en om nauwere samenwerking tussen henzelf en de Spanjaarden tot stand te brengen in het geval de vijandelijkheden met de Hollanders herleven. Helaas wordt niets belangrijks met betrekking tot nauwere samenwerking bereikt, terwijl de geheime fortificering van een deel van Chinees gebied alleen maar het wantrouwen van de Chinezen opwekt. De verdenking van de Chinezen is zodanig toegenomen dat de lokale autoriteit in 1612 verklaart dat een Portugees oorlogsschip verplicht is voortaan liggeld te betalen indien het gewapend is “en guerre et marchandise”. In deze categorie vallen de galjoenen, die door de Chinezen meer beschouwd worden als koopvaarders dan als oorlogsschepen. De onmiddellijke invoering hiervan leidt tot disputen waaruit de verbitterde gevoelens van beide kanten blijken. De capitão-mor verwerpt de nieuwe regeling en verklaart dat hij indien noodzakelijk zijn weigering met wapengeweld zal onder-steunen. Maar de Chinese autoriteiten zetten opnieuw hun krachtigste wapen in, zij snijden de aanvoer van levensmiddelen naar de kolonie af. Onder deze druk gaat de Senado da Câmara door de knieën; de raad gaat akkoord met de wensen van de Chinese autoriteiten. De kapiteins van de galjoenen, evenwel, zijn doof voor de oproepen, verklaringen en smeekbeden. Het tot wanhoop gedreven volk neemt tenslotte de kapiteins van de galjoenen gevangen en dwingt hen hun belastingen te betalen. De som die wordt betaald bedraagt 4870 taëls.

Na dit incident besluiten de Chinezen grotere controle op de Portugezen te gaan uitoefenen. Omdat Japanners piratenstreken uithalen, is het hen verboden de Chinese bodem te betreden. Ondanks deze wet, huisvesten de Portugezen een aanzienlijk aantal Japanners in Macau. Dit feit wordt ter kennis gebracht van de Chinezen. In 1614 beveelt onderkoning Chang Ming-kang (Zhang Ming-gang) de Portugezen onomwonden de Japanners uit Macau te verdrijven. De Portugezen gehoorzamen uit angst anders te zullen worden gestraft. Volgens Danvers vaardigen de Chinezen, naast de verdrijving van de Japanners, andere orders uit, zoals het verbod Chinese onderdanen te kopen, die eenmaal gekocht, hun haar wordt afgeschoren en gekleed worden als Portugezen; geen huizen zonder toestemming te bouwen; voorts is het ongehuwde kooplieden verboden hun schip te verlaten. Deze orders moeten worden gehoorzaamd op straffe uit Macau te moeten vertrekken. In antwoord op de Chinese orders verklaart de bevolking van Macau deze te zullen gehoorzamen. Hierna biedt onderkoning Chang Ming-kang de keizer een memorandum aan, waarin de met de Portugezen afgesproken zaken, beknopt zijn weergegeven.

“De vreemdelingen in Macau lijken op een zweer op iemands rug, terwijl de Japanners daar lijken op de flanken van een Portugese tijger. Het feit dat wij in staat zijn geweest de Japanners in zulk een korte tijdspanne te verdrijven, zonder de noodzaak om maar een pijl te gebruiken is te danken aan zowel het aanzien als aan de deugd van Uwe Heilige Majesteit. Nu zijn de Japanners verdreven, maar de Portugezen zijn er nog steeds. Sommige mensen denken dat zij vernietigd zouden moeten worden, terwijl anderen van mening zijn dat de Portugezen zouden moeten verhuizen naar Lang-pai-kao (Lampacau) of zouden moeten worden toegestaan slechts handel met ons te drijven aan boord van hun schepen, die in open zee zouden moeten blijven.”

“Naar mijn mening moeten wij niet onze toevlucht nemen tot wapengeweld zonder de gevolgen daarvan goed af te wegen. Daar Macau aan de grens ligt van ons land en het een deel is van het district Hsaiang-shan, kunnen onze strijdkrachten de wacht over de vreemdelingen houden door hen te bewaken in de Macau omringende zee. Bovendien zijn zij voor de aanvoer van levensmiddelen volledig van ons afhankelijk; wij kunnen hen met de dood bedreigen zodra zij tekenen van ontrouw koesteren. Als wij hen naar open zee verdrijven, welke middelen staan ons dan nog open om hen en vreemde boosdoeners te straffen en hoe kunnen wij hen onderwerpen en onszelf tegen hen verdedigen? Het komt mij voor dat het beste wat wij kunnen doen, is, de vreemdelingen definitief beperkingen op te leggen, terwijl noch schadelijke Chinezen, noch Japanners naar Macau mogen gaan. Wij dienen hen niet te provoceren, maar tegelijkertijd zullen wij de voorzorgs-maatregelen niet moeten veronachtzamen. Op deze wijze zullen wij met de vreemdelingen in vrede leven.”

De politiek van onderkoning Chang wordt door het hof bekrachtigd. Er worden additionele militaire stappen gezet als voorzorgs-maatregelen tegen eventualiteiten. De hai-tao Yü An-hsing werkt zelfs een gedetailleerde overzicht uit om ‘gevaarlijke personen’ in de kolonie te ontdekken. Later bestaat er een wet van vijf artikelen die is geformuleerd door Hai-tao Yü en krachtens deze is er een keizerlijke sanctie gegrifd in een stenen tablet dat is bevestigd aan de ingang van het gebouw waarin de Senado da Câmara bijeen komt. Naast het verbod Japanners toe te laten, Chinese onderdanen aan te kopen en nieuwe huizen zonder toestemming te bouwen, zoals eerder vermeld, wordt ook verordend dat alle schepen die naar de haven van Macau dienen te komen voor het opmeten van het schip en de betaling van belastingen, maar pogen dit te vermijden door naar een andere haven te gaan, streng zullen worden gestraft evenals de smokkelaars. Daarnaast zullen hun goederen en schepen worden geconfisqueerd.

Maar hoe lang en tot welke omvang wordt deze wet gerespecteerd? De corruptie van de mandarijnen aan het einde van een in verval geraakte dynastie is schokkend. Voor de slecht betaalde mandarijnen in de lagere rangen, vormt deze wet een additionele mogelijkheid om prachtige giften van de vreemdelingen te ontvangen. Als het om een gift gaat, zien zij er niet tegen op inbreuk te maken op zowel de letter als de geest van de additionele clausule, die de ‘herbouw van oude huizen’ toestaat. Want veronderstelde funderingen van voormalige huizen worden opgegraven en de Chinese bouwvakkers krijgen vergunning om de ‘herbouw’ uit te voeren. Het gevolg daarvan is dat de Portugezen niet alleen nieuwe huizen bouwen, maar ook forten.

Vooruitlopend op de hervatting van de Hollandse aanvallen na afloop van het Twaalfjarige Bestand, geeft de Koning van Spanje in 1615 opdracht Macau te fortificeren en het draagt de capitão-mor op zijn plannen geheim te houden. In het geval er een onderzoek naar de bouwactiviteiten zou worden ingesteld, dient hij de mandarijnen uit te leggen dat het ook in hun belang is Macau te beschermen tegen aanvallen van ‘piraten’. Bij de uitvoering van hun plan schijnen de Chinezen hen tot 1621 niet veel in de weg te hebben gelegd. Maar in dat jaar is de Chinese ongerustheid zodanig toegenomen dat het noodzakelijk wordt geacht de Portugezen een waarschuwing te geven. De autoriteiten zenden een rechter, genaamd Fêng Ts’ung-lung, naar het Ilha Verde om de daar gebouwde fortificaties te doen afbreken. De Portugezen zouden geen verzet hebben geboden. Tezelfdertijd worden de Chinese militaire en zeestrijdkrachten rond Macau versterkt en er worden waakzame maatregelen genomen. Verder gebeurt er niets; de Portugezen hebben geleerd kalm en passief te blijven bij wat de Chinezen doen.

Ondanks hun moeilijkheden met de Chinezen, hun onzekere positie en afnemende handel met Japan en tenslotte de dreigende kaapvaart van de Hollanders, blijven de Portugezen van Macau welvarend. In een bericht over de plaats uit 1621 wordt gezegd dat Macau ongeveer duizend Portugese inwoners telt, die allen zeer rijk zijn en dat zij voortkomen uit de beste families in Indië. Daar de bruidsschatten van bruiden uit Macau royaal zijn, gaat menig voornaam man naar Macau om er een bruid te vinden. Ofschoon er geen gedetailleerde gegevens zijn waaruit blijkt wat de omvang is van de totale handel, kan de belangrijkheid worden afgeleid uit de belastingheffing op schepen die handelen met Japan. Deze bedraagt 300.000 xerafins (klaarblijkelijk per jaar), Daar de belasting 10 procent van de waarde van de goederen bedraagt, bedraagt de waarde van de handel 3 miljoen xerafins per jaar. De jaarlijkse uitgaven voor het behoud van de fortificaties en de betaling van het garnizoen bedragen 40.000 dukaten. De reizen naar Japan van ambassadeurs met geschenken voor de keizer en zijn omgeving kosten 25.000 xerafins. De in 1569 gestichte Santa Casa da Misericordia geeft 8.000 à 9.000 uit voor werken van liefdadigheid; afgezien van al deze uitgaven kan de stad zich veroorloven er twee hospitalen, drie parochiekerken en vijf kloosters op na te houden en herhaaldelijk aalmoezen te zenden aan behoeftige katholieken in Annam, Japan, Tonkin, Cochinchina, Cambodja en Siam.

De hebzucht en de trots van de Portugezen en het vaak onterechte wantrouwen van de Chinezen heeft de twee volkeren, wier commerciële belangen nauw samenhangen, ervan weerhouden nauwe vriendschapsbanden aan te gaan. Nu geeft de Manchu-dreiging in Noord-China hun een goede gelegenheid de vriendschaps- banden nieuwe inhoud te geven. Kennelijk ingegeven door het verlangen de Chinese vriendschap te winnen, bieden de Portugezen in 1621 aan de Chinezen met 200 manschappen uit Macau te steunen in hun strijd tegen de Manchu’s. Gonsalvo Teixera, een jezuïet, wordt naar het hof in Peking (Beijing) gezonden met een gezantschap en een geschenk van Macau om het aanbod te doen, dat dankbaar wordt aanvaard. De mandarijnen in Canton krijgen de opdracht zoveel mogelijk steun aan de soldaten uit Macau te geven en hen welwillend te behandelen. Bijgevolg rusten de Portugezen een compagnie van 200 soldaten uit. Velen van hen zijn Portugezen; sommigen zijn geboren in Portugal en anderen in Macau. De meerderheid bestaat echter uit door de Portugezen getrainde Chinezen. Vorstelijk beloond en voorzien van alle gemakken, gaan zij op weg. In alle plaatsen waar zij doorheen trekken, worden zij heel goed ontvangen en onthaald door de adel en de magistraten en zij zijn het voorwerp van veel nieuwsgierigheid van een deel van de bevolking. Zij trekken van Canton, door Kiang-si (Jiangxi) totdat zij de provinciehoofdstad Nan-cha’ng-fu (Nanchang) bereiken. Hier ontvangen zij het nieuws dat zij niet langer nodig zijn.

De onverwachte terugroeping van dit kleine leger is te wijten aan de tegenwerking van de kooplieden in Canton, die als tussenpersonen optreden tussen de Portugezen en handelaren in het binnenland van China. Zij kopen geïmporteerde goederen in Canton, distribueren deze in andere delen van China, verzamelen inheemse producten in deze plaatsen en verkopen deze aan de Portugezen, die de goederen exporteren. Het is geen wonder dat deze handelaren gekant zijn tegen alles wat de Portugezen een kans zou kunnen geven om direct contact te hebben met inwoners van het binnenland van China. Bovendien bestaat er de vrees dat als erkenning van hun diensten, de Portugezen het privilege zou kunnen worden gegeven in andere delen van China handel te drijven. Zich ter dege bewust van al deze mogelijkheden, verzetten de handelaren uit Canton zich van meet af aan tegen uitzending van het Portugese contingent naar het noorden. Eerst hebben zij de provinciale autoriteiten benaderd. Als hun is verteld dat er al veel geld is uitgegeven om het contingent uit te rusten, kunnen zij niet anders dan naar het front worden gestuurd. Hierop bieden de kooplieden aan de gemaakte kosten aan de keizerlijke schatkist terug te betalen. Nadat de kooplieden er niet in zijn geslaagd te verhinderen dat het contingent uit Canton is vertrokken, wenden zij zich tot enige hoge ambtenaren aan het hof. Geld opent vele deuren. Dit is bijzonder waar als schaamteloze functionarissen aan het hof van een keizerrijk in verval daarbij zijn betrokken. Het schandelijke bericht gaat rond dat precies dezelfde mandarijnen die eerst de keizer ertoe hebben bewogen het hulpaanbod van de Portugezen te aanvaarden nu een tegenovergesteld memorandum aan de keizer hebben geschreven. In dit laatste memorandum betogen de mandarijnen dat het contingent uit Macau niet langer nodig is. Ondanks dat het de keizer ergert dat de mandarijnen verschillende adviezen geven, geeft hij toch bevel het Portugese contingent naar Macau te doen terugkeren.

2.6 Vergeefse Hollandse pogingen zich meester te maken van Macau en van het monopolie van de handel met China

About Marco Ramerini

I am passionate about history, especially the history of geographical explorations and colonialism.
x

Check Also

De Malediven. Expansie van het Império Português (1515-1521)

Deel 6 Index Hoofdstuk 7 Expansie van het Império Português (1515-1521) 7.1 De Malediven Geschreven door Arnold van ...