Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike
Torre de Belém, Lissabon, Portugal. Auteur Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De strijd om de handel in specerijen

Deel 7 Index

Hoofdstuk 13

De strijd om de handel in specerijen

13.0 De strijd om de handel in specerijen

Geschreven door Arnold van Wickeren

In de vijftiende eeuw heeft Venetië volledig getriomfeerd over zijn rivaal Genua in de strijd om de suprematie in het oosten van de Middellandse Zee. In het vervolg concentreren de Genuezen zich op het westen daarvan en de Venetianen vervoeren met hun ronde schepen katoen en aluin van Syrië en Egypte, wijn van Kreta naar Engeland, slaven en graan van de Zwarte Zee en zout, olie en wijn tussen de Middellandse-Zeehavens en zelfs naar Vlaanderen. De handel in deze bulkgoederen heeft Venetië weliswaar welvarend gemaakt, maar zijn grandeur ontleent La Senerissima (de Hoog-verheven Republiek) vooral aan de handel, het vervoer en de distributie in Europa van Aziatische specerijen en oosterse luxegoederen. Venetiaanse handelaren ontvangen deze door de Arabieren uit Indië aangevoerde waren, uit de entrepots van Alexandrië en Beirout. Over Vasco da Gama’s eerste reis naar Indië heeft men zich in Venetië niet erg opgewonden. Verondersteld werd dat de lange en gevaarlijke reis, het verlies aan mensenlevens en de vijandschap van de Arabische kooplieden in Malabar de Portugezen ervan zou weerhouden nog meer reizen naar Indië te ondernemen.

Als Pedro Álvarez Cabral in de zomer van 1501 met het restant van zijn vloot (zes van de dertien schepen, waarmee hij is uitgezeild zijn verloren gegaan), geladen met 140 ton specerijen, in Lissabon terug-keert, wordt het resultaat van deze reis al snel in Venetië bekend. De in Lissabon wonende Venetiaan Giovanni Matteo Cretico, bekend als Il Cretico, schrijft vier dagen nadat de Nossa Senhora da Anunciada op 23 juni 1501 als eerste schip van Cabrals vloot in Lissabon is teruggekeerd, een brief aan de Signoria van Venetië, waarin hij veel bijzonderheden over de reis van Cabral verstrekt. Hij schrijft onder meer over de grote hoeveelheden specerijen die onderweg zijn naar Lissabon. Uit de bewaardgebleven dagboeken van de Venetianen Marino Sanuto en Girolamo Pruli blijkt dat ook zij gedetailleerde inlichtingen over Cabral reis hebben ontvangen. Priuli heeft het over `vier karvelen die zijn teruggekeerd met 3.000 cantara specerijen.’ Hij heeft ook genoteerd dat de koning van Portugal het vertrek van maar liefst 24 karvelen naar Indië voorbereidt.

Nadat het succes van de tocht van Cabral in Venetië bekend is geworden, vreest men daar dat de handel in specerijen geheel in Portugese handen zal overgaan, waardoor de markt voor specerijen zich zal verplaatsen van Venetië naar Lissabon. Uit het Dagboek van Girolamo Priuli blijkt dit ondubbelzinnig. Hij verwacht zulk een accu-mulatie van rijkdommen in Portugal, dat hij meent dat koning Manuel zich binnenkort de `Koning van het Geld’ kan noemen. `Als deze reis (van Cabral) van Lissabon naar Calicut het begin is van een hele reeks, dan zal er een tekort aan specerijen voor de Venetiaanse galeien ontstaan en de kooplieden zullen zijn als baby’s die geen melk en voedsel ontvangen en daarmee zal de stad Venetië onont-koombaar geruïneerd worden.’ De vrees wordt verder gevoed door het besef dat de Portugezen de specerijen in of veel dichter bij de productiegebieden zullen kunnen kopen voor een fractie van de prijzen die Venetiaanse handelaren de Arabieren moeten betalen, omdat de prijzen van de door hen aangeboden specerijen, door opslagen voor risico’s, transport- en andere kosten, winstmarges van de tussenhandel en heffingen en belastingen opgelegd door grote en kleine potentaten, tot duizelingwekkende hoogte zijn gestegen.

Terwijl de Portugezen bezig zijn vloten en weerbare mannen te ver-zamelen voor dienst in de Indische Oceaan, strijden de Venetianen op weinig geïnspireerde wijze tegen het Ottomaanse rijk, waarmee zij in 1499 in oorlog zijn geraakt. Zij ondervinden dat de Turkse vloot in de Middellandse Zee voor het eerst een factor van gewicht is. De Turkse aspiraties en de Turkse vloot vormen een wezenlijke bedrei-ging van de belangen van Venetië in het oosten van de Middellandse Zee. Ook het Mamelukse Egypte voelt zich bedreigd door de expan-siedrift van het Ottomaanse rijk. In Perzië sticht sjah Isma’il Al-Safawi in 1501 de Safawidenstaat en verklaart de sji’itische vorm van de islam tot staatsgodsdienst. Omdat de Safawiden, die reeds in 1500 een opstand in Anatolië hebben uitgelokt, doorgaan met hun gods-dienst naar het soennitische Turkije te exporteren, onderneemt sultan Bayezid in de jaren 1502-1503 een grote expeditie tegen hen. Hierbij worden zij en hun Turkse volgelingen naar Perzië teruggedreven.

In overeenstemming met zijn diplomatieke gebruiken tracht Venetië eerst zo nauwkeurig mogelijke inlichtingen in te winnen over de Portugese bedoelingen en successen. Daartoe zendt de Signoria een reeks geheime agenten naar Lissabon. Brieven van Domenico Pisani, Pietro Pasqualigo, Ca’ Masser en andere gezanten zijn bewaardgebleven. Zij werpen een scherp licht op de revolutionaire veranderingen die zich in de handel in oosterse producten voltrekken. Voorlopig zijn de Venetianen niet in staat effectieve maatregelen te nemen tegen de plotselinge Portugese uitdaging. Zelfs mondeling geuite blijken van vijandigheid of afkeuring zouden misplaatst zijn. Venetiës meest urgente behoefte is namelijk het inroepen van hulp tegen de opdringende Turken. De SIgnoria besluit dat de best begaanbare weg is, het doen van een beroep op de keizer, de paus, de koning van Spanje en op iedere andere christelijke vorst die daarvoor openstaat, met Venetië een heilig verbond te sluiten. Dus, in plaats van tegen koning Manuel te fulmineren, roepen de Venetianen sluw zijn hulp in. Het hulpverzoek wordt begin 1501 overgebracht door de Venetiaanse diplomaten Domenico Pisani en Giovanni Matteo Cretico. Zij moeten daarbij gedacht hebben dat ieder Portugees schip dat wordt ingezet in de Middellandse Zee, noodzakelijkerwijze onttrokken wordt aan de handel in specerijen. Tot grote verbazing van de Venetianen toont Dom Manuel zich het meest ontvankelijk van alle vorsten die zij benaderd hebben, Venetië hulp te bieden. Ofschoon Manuel aanvoert dat geldgebrek en stringente verplichtingen hem beletten zijn bijdrage te leveren door `zijn schitterende armada’ tegen de Turken in te zetten, wat hij overigens gaarne zou doen, biedt hij de Doge van Venetië niettemin al op 22 februari 1501 hulp aan, in de vorm van 35 solide schepen. De Venetiaanse ambassadeur, Pietro Pasqualigo wendt voor door Manuels hulpaanbod ontroerd en verheugd te zijn. Maar uiteindelijk wordt Venetië toch een poets gebakken. Als op 15 juni van dat jaar de Portugese hulpvloot, onder bevel van João de Menezes, Belém verlaat, om in het oostelijk gedeelte van de Middellandse Zee een tegenwicht te vormen tegen de bedreiging van de Turkse vloot, arriveren de schepen daar te laat om van werkelijk nut te zijn en João de Menezes heeft bovendien de strikte opdracht gekregen een confrontatie in open zee met Turkse vloten uit de weg te gaan. Aangezien de Turkse marine er eveneens naar streeft confrontaties te vermijden, blijkt de Portugese zeemacht alles behalve nutteloos voor de Venetianen, die kortgeleden in vijandelijke handen overge-gane bolwerken willen heroveren.

De Venetianen beseffen terdege de ironie van de situatie dat de Portugezen hen aan de ene kant tegen de Turkse dreiging met een grote vloot te hulp zijn gesneld, terwijl zij aan de andere kant bezig zijn hun Levantijnse handel bij de bron te ruïneren, wat in commer-ciële kringen paniek veroorzaakt. Nog ironischer is dat de aanwe-zigheid van de Portugese eskaders in de Arabische Zee, die verhin-deren dat specerijen Alexandrië en Beirout bereiken, wordt toege-juicht door de Signoria, omdat deze eskaders de Ottomaanse ex-pansie naar Azië kunnen beteugelen. Koning Manuel, hartelijkheid tegenover Venetië veinzend, slaat ambassadeur Pietro Pasqualigo tot ridder en maakt de Signoria peetvader van zijn pas geboren zoon. Dit is kennelijk meer dan de Venetianen kunnen verdragen. De Signoria roept in het voorjaar van 1502 Pasqualigo plotseling terug en verbreekt de diplomatieke betrekkingen met Portugal, daarbij verontachtzamend dat een ambassadeur in Lissabon zeer veel belangrijke inlichtingen kan verzamelen. Niet lang daarna veranderen de Venetianen verder van koers. Tussen 1501 en 1505 zendt de Signoria in het geheim een aantal ambassadeurs naar de sultan van Egypte, ook wel de `Grote Sultan’ (van Caïro) genoemd, om hem erop te wijzen hoezeer de gemeenschappelijke belangen van Venetië en de sultan dreigen te worden geschaad. De eerste van deze gezanten schijnt Benedetto Sanuto te zijn geweest. In december 1502 stelt de Signoria een commissie in van vijftien notabelen, wier opdracht het is na te gaan wat gedaan kan worden om Manuels schepen uit de Indische Oceaan te verdrijven, of ten minste de Portugezen ervan te weerhouden nog meer schade aan te richten. Om geen tijd te verliezen, zendt de Signoria, op voorstel van de commissie, een nieuwe gezant naar Egypte. Hij dient de bezorgheid van de commissie over wat Portugal Venetië’s oosterse handel aandoet, over te brengen. De eerste suggestie van de gezant aan de sultan is, de lasten op specerijen en andere Indische goederen te verlagen, om de prijzen te drukken, zodat deze kunnen concurreren met de prijzen die de Portugezen in Europa vragen. Dan stelt hij op discrete wijze voor dat er middelen moeten worden gevonden de Portugezen te ontmoedigen zich weer in de Indische wateren te vertonen. De door de Signoria gebruikte frase luidt: `snelle en geheime maatregelen,’ Deze frase is zo vaag dat, bij uitlekking van het nieuws naar de Christelijke Wereld, niemand echt kan beweren dat Venetië de ondergang van een andere katholieke mogendheid door toedoen van de ongelovigen ondersteunt. Omdat de aanvoer van specerijen in Alexandrië hoe langer hoe meer stagneert, besluit het Consiglio de Dieci, welke raad belast is met financiële zaken, in 1504 een andere gezant, Francisco Peldi, naar Caïro te zenden. Hij krijgt ook opdracht zich met de sultan te beraden op maatregelen die de groei van de Portugese handel met Indië kunnen stuiten. Hij dient in naam van de Signoria de instandhouding van de particuliere handel van Venetië te bepleiten. In Caïro moet hij heimelijk te kennen geven dat hij de sultan `solus cum solo’ wenst te spreken over een `matéria de singular e incomparável importância’. De Consiglio de Dieci benoemt tegelijkertijd een commissie die slechts tot taak heeft adviezen te verstrekken op welke wijze de angstige situatie het hoofd kan worden geboden.

Na de rampzalig verlopen Tweede Turkse Oorlog, heeft Venetië tenslotte in 1503 een ongunstig wapenstilstandsverdrag met een looptijd van zeven maanden, met het Ottomaanse rijk gesloten. De prijs daarvoor is het verlies van een vroegere verovering, het eenzaam in de Ionische Zee gelegen eiland Santa Maura. Tijdens de al in 1502 begonnen onderhandelingen die tot het ongelukkige verdrag zullen leiden, maken de Venetianen zich grote zorgen over de bedreiging van hun Oosterse handel. Alles wat zij kunnen doen om hun opkomende handelsrivalen te treiteren, is onder de Indische ambassadeurs die een bezoek brengen aan Lissabon, het gerucht te verspreiden dat Portugal een veel te arm land is om een goede afnemer van specerijen te zijn, Deze leugen wordt snel ontzenuwd (zie deel IV, pag. 28) en de Venetiaanse kooplieden geloven deze laster trouwens zelf ook niet.

Hoezeer de Venetiaanse vrees de handel is specerijen aan de Portugezen te verliezen gerechtvaardigd is, blijkt spoedig. In 1502 keren van alle door de Arabieren in Malabar met peper geladen, galeien, die naar Beiroet gezonden worden, nauwelijks een kwart in Malabar terug; de overige schepen zijn door de Portugese vloot genomen. Van de vijf schepen die in dat jaar naar Alexandrië vertrekken, keert er slechts één terug. In 1504 is de situatie al zo dramatisch gewijzigd, dat geen enkele lading peper Alexandrië of Beiroet bereikt en de Venetiaanse kooplieden in geen enkele haven in het Midden-Oosten specerijen kunnen aankopen.

Tegelijkertijd ontwikkelen Lissabon en Antwerpen zich tot grote distributiecentra voor oosterse producten, waarmee zij de voor-spoed en het kosmopolitische karakter van Beiroet en Alexandrië erven. De aanvoer van specerijen in de Scheldestad betekent de nekslag voor de handel in Brugge, die zich aan het begin van de 16e eeuw geheel naar Antwerpen verplaatst. Daar vestigen zich grote kolonies Engelse en Duitse kooplieden, die de specerijen van Portugese handelaren kopen. Ofschoon de Portugezen al in 1501 specerijen in Antwerpen hebben aangeboden, dateert het eerste contract over de levering van specerijen uit 1503. Dit con-tract is gesloten tussen een Antwerpse handelaar en de Portugees Tomé Lopes. Terwijl Antwerpen de Portugese specerijenhandelaren warm verwelkomt, worden Venetië en Alexandrië in diepe rouw gedompeld. Rijke handelaren en financiers, als Affaitati, Gualterotti, Welser en Imhof, die de goederen die de Portugese feitor*) koopt in ruil voor specerijen, financieren, verlaten Venetië en Genua en zetten hun zaken voort vanuit Lissabon en Antwerpen.

*) De Portugese feitor (factor) in de vreemde neemt een heel bijzondere positie in. Hij koopt in opdracht en voor rekening van de kroon handelsgoederen aan. De feitor in Antwerpen koopt, in ruil voor specerijen, vooral grote hoeveelheden bewerkt en onbewerkt koper, om aan de Minakust tegen goud te ruilen en om daarvan munten te slaan en wapens te vervaardigen. Hij krijgt ook opdracht om sieraden voor de koningin te kopen en schilderijen van Vlaamse meesters aan te schaffen om daarmee de koninklijke paleizen te verfraaien. Hij is niet alleen ’s konings handelsagent, maar hij int ook belasting voor de kroon en treedt op als scheidsrechter in geschillen tussen landgenoten.

Worden in Venetië de gevolgen van het Portugese optreden in Indië van meet af aan beseft; de moslimstaten Gujerat, Arabië, Egypte en Turkije, die in hoge mate profiteren van de transitohandel in Indische specerijen, verkeren aanvankelijk tussen hoop en vrees. Maar ook zij beseffen spoedig dat hun commerciële belangen geruïneerd worden. Degene die het meeste nadeel ondervindt en zich diep in zijn eer voelt aangetast, is de Mamelukse sultan van Egypte, Qansuh al-Ghuri, die zich voor keizer en kalief van het Huis van Mekka uitgeeft. Geen heerser in het Midden-Oosten, als deze `beschermer en verdediger’ van de heilige plaatsen in Arabië, bezit zoveel grote steden (Caïro, Alexandrië, Aleppo, Damascus en Beiroet), waarvan de wel-vaart afhangt van de winsten behaald met de transitohandel in specerijen.

In dezelfde periode dat Venetië de ene na de andere ambassadeur naar Caïro zendt, doen de getroffen handelaren uit die stad een vertwijfeld beroep op sultan Qansuh al-Ghuri zijn macht aan te wen-den om afbreuk te doen aan de Portugese positie in de Arabische Zee. Hetzelfde verzoek bereikt de sultan via ambassadeurs van Arabische handelaren in Voor-Indië, van de zamorin van Calicut en van de sultan van Aden. Ondanks dat allen een beroep doen op deze laatste sultan van de dynastie der Mamelukken om de Portugezen te bestrijden, aarzelt deze – volgens de kroniekschrijver Kansuh el Ghuri – een openlijke strijd aan te gaan, omdat dit grote kosten en risico’s met zich brengt. De sultan tracht langs andere weg de koning van Portugal ertoe te bewegen geen vloten meer naar de Arabische Zee te zenden. Hij poogt dit doel te bereiken door Frei Mauro, de prior van het Catarinaklooster aan de voet van de berg Sinaï, met een aantal dreigementen naar de Heilige Stoel te zenden. Frei Mauro laat paus Julius II in 1504 weten dat de sultan van Egypte het Heilig Graf in Jeruzalem zal verwoesten, dat hij de moslims in zijn rijk zal aanzetten de christenen met geweld te verdrijven. De `Grote Sultan’ laat ook dreigen dat zijn eskaders aanvallen zullen uitvoeren op de kusten van christelijke landen aan de Middellandse Zee, als de Pontifex Maximus de Portugese koning niet verbiedt zijn vloten naar Indië te zenden.

Aan het hof in Lissabon wordt na de terugkeer van Cabral de vraag bediscussieerd of de Portugezen in de Indische Oceaan dienen te streven naar vreedzaam handeldrijven, dan wel naar het met geweld veroveren van een monopoliepositie, hetgeen inbreuk zal maken op wat in de Indische Oceaan gebruikelijk is. De heersers over de grote handelscentra Malacca, Calicut, Ormoez en Aden en over de verschillende havens aan de Golf van Cambay (in 1500 vooral Diu, Cambay, Broach, Rander en Surat) danken het succes van hun havens aan de gunstige ligging, aan goede faciliteiten voor bezoe-kende handelaren en – in enige gevallen – aan een productief achter-land, maar niet aan dwang. Het zal uiteindelijk uitlopen op het verwer-ven van een monopoliepositie.

Terwijl de Signoria en de sultan van Egypte blijven aarzelen en tijd verdoen met het uiten van dreigementen, werken koning Manuel en zijn adviseurs in enkele maanden een plan uit voor de organisatie en verdediging van de Estado da India, terwijl tevens voorberei-dingen worden getroffen voor het zenden van een sterke vloot naar de Indische wateren. De Signoria zendt een illustere gezant naar Lissabon, in de persoon van de camaldolese monnik Fra Mauro, de beroemde cartograaf uit het klooster San Michele di Murano bij Venetië, die in 1459 in opdracht van koning Afonso V zijn mappa-mundi vervaardigd heeft. Als hij in juni 1505 in de Portugese hoofd-stad arriveert, om koning Manuel te laten weten dat paus Julius II wenst dat Portugal van zijn Indische onderneming afziet, is de eerste onderkoning, Dom Francisco de Almeida, al drie maanden daarvoor met 22 kraken uitgezeild naar Indië. Almeida, die zowel een veteraan is van de Slag bij Toro in 1479 als van de belegering van Granada (in dienst van het Katholieke Koningspaar dat hij onder Afonso V bestreden heeft), heeft opdracht de Portugese macht in de Indische Oceaan te vestigen, door de suprematie ter zee te veroveren en forten te stichten op strategische plaatsen (Sofala en Kilwa aan de kust van Oost-Afrika, aan de monding van de Rode Zee, op Angediva voor de kust van Kanara en in Cochin en Quilon aan Malabarkust). Almeida schijnt overigens niet de eerste keus voor deze belangrijke opdracht te zijn geweest. Koning Manuel heeft hem benoemd, nadat een andere fidalgo, in wie hij veel vertrouwen heeft en die hij daarom aanvankelijk had uitverko-ren, Tristão da Cunha, door tijdelijke blindheid is getroffen.

Koning Manuel hecht vooral aan de bouw van een fort aan de monding van de Rode Zee. Winius citeert uit het regimento: `Het komt ons voor dat niets ons beter zal dienen dan een fort te hebben aan de monding van de Rode Zee*) of daar dichtbij – liever erin dan erbuiten, zodat daardoor betere controle mogelijk is – omdat we van hieruit kunnen beletten dat er specerijen naar het land van de sultan van Egypte zouden passeren en allen in Indië zullen de illusie verliezen dat zij nog langer veilig hun waren kunnen vervoeren, tenzij via ons….U dient uw schepen te verzameling nadat u alles volbracht heeft wat u in Quilon te doen staat …..…. en zodra deze bijeen zijn gebracht, zou het ons behagen als u zich naar de monding van de Rode Zee begeeft.’

*) Francisco de Almeida zal noch een fort bouwen aan de monding van de Rode Zee, noch in Quilon en al evenmin op Ceylon en in Malacca, tot de bouw van welke forten hij een jaar later opdracht krijgt, terwijl het fort dat op Angediva zal verrijzen, alweer na korte tijd zal worden opgegeven. Daarentegen bouwt Almeida wel een fort in Cannanore, wat hem niet is bevolen. Dit is vooral merkwaardig omdat Dom Francisco bepaald geen voorstander is van de bouw van forten op allerlei plaatsen aan de kust. Zoals gezegd bouwt hij geen fort in Quilon, de belangrijkste peperhaven van Malabar, hoewel zijn regimento hem daartoe verplicht, Winius citeert in dit verband uit een brief van Almeida aan Manuel, die in 1508 geschreven zou zijn. De essentie van het citaat luidt: `Wat het fort hier in Quilon betreft,’ ben ik van mening, `dat hoe meer forten Uwe Majesteit zou bezitten, des te meer zal uw macht verdeeld worden; al uw krachten dienen op zee te zijn …. Als u machtig bent op zee, zal heel Indië u toebehoren, maar indien u niet zulk een macht op zee bezit, zullen forten aan de kust er weinig toe doen.’

De voorkeur van Manuel voor een fort aan de monding van de Rode Zee is terecht, want de Portugese blokkade van de toegang tot de Rode Zee heeft ertoe geleid dat nog maar heel weinig specerijen Alexandrië of Beiroet bereiken. In de jaren 1502, 1503 en 1505 hebben Venetiaanse galeien slechts geringe hoeveelheden Indische specerijen in deze havens kunnen laden; in 1504 kunnen zij in het geheel niets kopen. In 1506 sparen de Venetianen zich de moeite hun galeien naar Alexandrië te zenden en vinden zij in Beiroet geen lading. Zodra echter de Portugese blokkade wordt opgeheven, slip-pen meest kleine vaartuigen de Rode Zee binnen. Zij zijn ’s nachts in het diepste geheim geladen in de vele kleine havens van Malabar, die onmogelijk allen door de Portugese vloot bewaakt kunnen worden. Zij weten door vlak onder de kust te zeilen ongezien de Straat van Bab al-Mandab te bereiken.

Na jarenlang geaarzeld te hebben, besluit sultan Qansuh al-Ghuri, onder druk van de zamorin en de Arabische kooplieden in Calicut, de strijd aan te binden met de Portugezen, die met hun boycot van de Arabische handel in specerijen hem niet alleen van een groot deel van zijn inkomsten hebben beroofd, maar ook zijn prestige zeer hebben aangetast. Daar het Egypte ontbreekt aan geschikt timmerhout, wordt dit in 25 gehuurde schepen aangevoerd uit streken aan de Zwarte Zee. Voor dit ruwe materiaal Egypte heeft bereikt, spannen het weer en de kruisridders samen ten gunste van Portugal. Als de houtvloot in de buurt van Rhodos zeilt, ontwaren de Egyptenaren opeens een vloot van de Hospitaalridders van Sint Jan, die toevallig onder bevel staat van een Portugees. Bij de daaropvolgende aanval worden elf Egyptische vaartuigen tot zinken gebracht of veroverd. Later wordt het geteisterde transport overval-len door een zeer krachtige storm, waarin nogeens vier schepen verloren gaan. Slechts tweevijfde deel van de oorspronkelijke lading bereikt uiteindelijk Alexandrië. Als het hout over land naar Suez is getransporteerd, is het inmiddels 1507. Oorspronkelijk zou het de bedoeling zijn geweest dertig of meer galeien te bouwen, maar als de commandant, Husain Bey al-Kurdi, emir van de sultan van Egypte, ook wel aangeduid als Amir Hussain, Mir Husayn en Mir Hocem, in februari 1507 de haven van Suez verlaat, beschikt hij over slechts een dozijn grote schepen en over 1500 weerbare mannen. Volgens de door Serjeant geciteerde Arabische bron zou Mir Husayns vloot hebben bestaan uit slechts drie galjoten en drie schepen van een ander type. Onder de 1.600 matrozen en soldaten op de vloot bevinden zich – volgens deze bron – grote contingenten in de strijd zeer ervaren Venetianen, Turken en Levantijnen. Er is vaak beweerd dat de Venetianen technische bijstand bij het bouwen en uitrusten van de Egyptische schepen hebben verstrekt en dat zij deze van de modernste bewapening hebben voorzien. Diffie schrijft daar-over het volgende: `Of de Venetianen hebben deel gehad aan de voorbereidingen, blijft onbekend. De Portugezen zijn er als de kippen bij hen te beschuldigen, wat niet verbazingwekkend is, maar daarvoor schijnt geen overtuigend bewijs te zijn. Als de Signoria een aandeel heeft gehad in de uitrusting van de Egyptische vloot, dan moet haar hulp zeer beperkt zijn geweest en in het diepste geheim zijn verstrekt. Wel is zeker dat de Venetianen de sultan veel succes met zijn onderneming, waarover zij verrukt waren, hebben gewenst en dat zij diep ontgoocheld waren toen zij het falen daarvan hadden vernomen.

Profiterend van een tijdelijke opheffing van de Portugese blokkade van de Straat van Bab al-Mandab, verlaat de Egyptische vloot in de herfst van 1507 de Rode Zee, om zich bij Diu te voegen bij een vloot van 40 galeien, die de zamorin van Calicut in het diepste geheim ter versterking van Mir Husayns strijdmacht naar Cambay heeft gezon-den. Deze vloot van galeien staat onder bevel van Malik Ayaz of Melique Iaz, een tot de islam overgegane voormalige Russische slaaf, die namens de sultan van Gujarat het zwaar gefortificeerde Diu bestuurt. Diu moet de uitvalsbasis worden van de operaties tegen de Portugezen. Mir Husayn stopt tweemaal aan de kust van Arabië om oude rekeningen te vereffenen met vijanden van de Mamelukse sultan. Bij een aanval op de plaats Imbo vindt de sjeik daarvan de dood. Daarna wordt de stad Ioda geplunderd. Door dit oponthoud arriveert Mir Husayns vloot later bij Diu dan waarop de zamorin heeft gerekend.

Natuurlijk heeft onderkoning Francisco de Almeida vernomen dat er een Egyptische vloot in aantocht is. Almeida heeft echter al zo vaak alarmerende berichten over een naderende vijandelijke vloot ontvan-gen en telkens bleek het loos alarm te zijn. Daarom heeft hij geen bijzondere maatregelen getroffen. Hij zendt zijn zoon Lourenço met acht schepen naar het noordelijk gelegen Chaul, om bescherming te bieden aan in Chaul geladen schepen, die terugkeren naar Malabar. Ook dient hij de Egyptische schepen, aan het bestaan waarvan nauwelijks geloof wordt gehecht, op te vangen. Lourenço de Almeida komt in januari 1508 in Chaul aan en wordt daar goed ontvangen. Plotseling doemt een vloot op. Verondersteld wordt dat dit het uit Ormoez verwachte eskader van Afonso de Albuquerque is. Als de Portugezen hun vergissing bemerken, is Mir Hocem de haven reeds binnengevaren, in de verwachting dat de daar liggende Portugese schepen zich zonder meer aan hem zullen overgeven. De Portugese zeelieden hebben net voldoende tijd om aan boord van hun schepen te gaan en de vijandelijke vloot een warm welkom te bereiden. Anders dan de Portugezen in Indië gewend zijn, beantwoordt de vijand het Portugese vuur met goed gerichte schoten, uit geschut dat niet voor de eigen artillerie onderdoet. Nadat tot zonsondergang is gevochten, waarbij aan weerszijden veel slachtoffers zijn gevallen, is de slag onbeslist. De volgende morgen hervatten de moslims de aanval. De Portugese kapiteins hebben opdracht ieder een vijandelijk schip te enteren. De bemanningen van slechts twee galeien slagen erin hun directe tegenstander buiten gevecht te stellen, nadat zij de gehele bemanning daarvan met hun zwaarden hebben afgemaakt.

Op het moment dat Dom Lourenço de overhand lijkt te krijgen, doemt de vloot van 40 galeien van Melique Iaz plotseling op. Dat deze vloot op het strijdtoneel verschijnt is voor Dom Lourenço een zeer onaangename verrassing, die hij aan zichzelf te wijten heeft. Hij heeft deze vloot, vooral bestaande uit galeien van de zamorin al eind 1506 ontdekt bij Dabul. Bij een missie naar Chaul, aldaar geladen vaartuigen van de bondgenoten Cannanore en Cochin tegen zeerovers te beschermen, is hij op de kust toegevaren en heeft hij in Dabul vernomen dat de vloot van de zamorin zich in het estuarium van de rivier ophoudt. De ontdekking van deze vloot was ook toen al voor Dom Lourenço een onaangename verrassing. Het is hem en zijn vader ontgaan dat de zamorin, zes maanden nadat zijn vloot in het voorjaar van 1506 vrijwel geheel vernietigd is (zie deel IV, pag. 143), kans heeft gezien deze alweer op te bouwen. Het is onwaarschijnlijk dat Dom Lourenço toen bevroed heeft dat de vijandelijke vloot, die kans heeft gezien ongemerkt langs Cannanore te slippen en die zich niet ver van Chaul schuilhoudt, zich wil voegen bij de naderende Egyptische vloot. Dom Lourenço, die geen geloof hecht aan de geruchten over een naderende Egyptische vloot, heeft toen vermoedelijk gedacht dat de schepen van Calicut er slechts op uit zijn de kooplieden van Portugals bondgenoten het leven zuur te maken. Daarom heeft hij gehoor gegeven aan de bezwaren van zijn kapiteins, die het te gevaarlijk vonden de smalle ondiepe rivier op te varen, om de vijandelijke vloot aan te vallen. Het ongemoeid laten van de vloot van de zamorin is Dom Lourenço door zijn vader, de onderkoning, niet in dank afgenomen en zal hem nu noodlottig worden.

Lourenço de Almeida zendt twee galeien en drie karvelen op de vloot onder bevel van Melique Iaz af, om te verhinderen dat deze strijd-macht Mir Hocem te hulp komt. Deze opzet gelukt tijdelijk. De vloten van Dom Lourenço en Mir Hocem wisselen artillerieduels uit tot de avond valt, waarbij beide partijen opnieuw grote verliezen lijden. De Portugese kapiteins ontraden Dom Lourenço de strijd tegen zulk een sterke tegenstander voort te zetten, maar deze wil van het staken van het gevecht niet weten en de volgende morgen wordt de strijd weer hervat, waarbij nu ook de grote vloot van Melique Iaz aan de aanval deelneemt. Het vlaggeschip van Dom Lourenço overvaart enige in de rivierbodem geslagen palen en maakt daardoor zoveel water dat het dreigt te zinken. Tot overmaat van ramp wordt Dom Lourenço kort daarna ernstig gewond door een zware kanonskogel die zijn boven-been treft. Hij geeft opdracht de wond te verbinden, maar hij is te zwaar gekwetst om op de been te blijven. Hij laat zich daarom aan de hoofdmast van zijn kraak binden en blijft, met schier bovenmenselijke kracht, zijn manschappen aanmoedigen. Na verloop van tijd wordt hij opnieuw door een zware kanonskogel getroffen. Deze verbrijzelt zijn rug. Terwijl hij stervende is, enteren de Moren zijn vlaggenschip, dat spoedig daarna zinkt. Slechts 19 bemanningsleden daarvan overle-ven de strijd. Zij worden gearresteerd en naar Cambay gebracht. `Sommigen’ schrijft Barros `zijn dodelijk gewond, maar hopen in leven te blijven.’ Een van hen is de scheepsjongen André Fernandes, die zich twee dagen lang geheel alleen vanuit een van de manden van het kraaienest verdedigd heeft en die door zijn arrestatie aan de hongerdood ontsnapt. Onder de gesneuvelden bevindt zich de beroemde loods voor de vaart op Indië Pero Eanes, bijgenaamd o Guanchino, die zijn ervaringen heeft opgenomen in zijn Regimento do Cruzeiro do Sul. Het overlijden van Lourenço de Almeida en het verlies van het vlaggenschip is voor de Portugese kapiteins aanlei-ding het gevecht af te breken. Zij weten uit de haven van Chaul te ontkomen en keren rechtstreeks terug naar Cochin.

Bij de strijd zijn 140 Portugezen omgekomen, terwijl bijna eenzelfde aantal gewond is geraakt. Mir Hocem heeft ook zware verliezen geleden, maar de overwinning is aan hem, hetgeen het aanzien van de vloot van de `Grote Sultan’ enorm doet stijgen en bij de moslims in Malabar de hoop doet herleven dat de Portugezen uit Indië kunnen worden verdreven, als de moslims over een militaire uitrusting kunnen beschikken, die gelijkwaardig is aan die van de Portugezen.

Vanzelfsprekend neemt onderkoning Dom Francisco de Almeida zich voor de schande van de nederlaag voor Chaul en de dood van zijn zoon Lourenço, waarmee de opportunist Melique Iaz hem schijnheilig heeft gecondoleerd, te wreken. Daartoe verzamelt hij een grote strijdmacht. Als hij erop heeft toegezien dat de schepen die eind 1508 met specerijen naar Portugal zullen vertrekken vanuit de factorij in Cannanore geladen en uitgezeild zijn, kan hij ten strijde trekken tegen de Egyptische vloot bij Diu. Almeida’s vloot bestaat uit 19 schepen, met 1.600 matrozen en soldaten, van wie er 400 afkomstig zijn uit Malabar. Het inzetten van inheemse troepen voor de Portugese zaak zal, naarmate militaire operaties de mogelijkheden van het kleine en dun bevolkte Portugal te boven gaan, vaker worden toegepast, niet alleen in Azië, maar later eveneens in Brazilië en tot in de tweede helft van de 20e eeuw ook in Afrika.

Almeida zeilt via Angediva naar Dabul, toentertijd een rijke handels-stad en een bondgenoot van de zamorin. Als de vloot 30 december de haven van Dabul binnenloopt, blijkt het garnizoen voorbereid te zijn op een aanval. De onderkoning laat drie eenheden drie poorten tegelijkertijd aanvallen. De verdedigers weren zich zo dapper dat Almeida een compagnie, onder Nuno Vaz Pereira, de stad op een onverwachte plaats laat aanvallen. De verdedigers voelen zich in de flank aangevallen en vluchten naar de moskee of naar de bergen. In de vijf uren die volgen doden de Portugezen 1.500 verdedigers en verliezen zelf maar 16 man. De morgen daarop geeft Almeida het sein tot plundering. Hierbij worden de plunderaars gehinderd door-dat er uit de stad op hen gevuurd wordt. Voor de onderkoning is dit aanleiding de stad in enkele uren in puin te doen schieten. De buit heeft een waarde van 150.000 gouden dukaten. De aanval op Dabul, die zo weinig te maken heeft met het doel waarvoor Almeida is uitgezeild, zou ondernomen zijn om de troepen buit te laten verwerven en daardoor hun moreel te verhogen voor de komende strijd. Na ook de schepen in de haven in brand gestoken te hebben, verlaat de vloot Dabul op 5 januari 1509.

Kort daarna wordt een Turkse galei gekaapt, waarop zich een prachtige Hongaarse vrouw blijkt te bevinden. Zij zal later in Cochin trouwen met Diogo Pereira. In de rivier bij Bombay wordt een bark uit Gujarat geplunderd, waarmee de voorraden van de vloot een noodzakelijke aanvulling ondergaan. Op 21 januari wordt Mahim bereikt. De bewoners zijn de bergen ingevlucht, zodat zonder problemen hout en andere voorraden kunnen worden ingenomen. Malik Ayaz heeft inmiddels vernomen dat de Portugese vloot bij Dabul zeer sterk is en hij acht het niet uitgesloten dat Almeida erin zal slagen de Mamelukse vloot in Diu te vernietigen. Malik Ayaz, die een sluw man is; besluit op twee paarden te wedden. Ofschoon een aantal Gujarati-vaartuigen, waaronder vier zware schepen, aan Mir Husayns vloot in Diu zijn toegevoegd, neemt hij in het diepste geheim contact op met Almeida. Om hem gunstig te stemmen, stelt hij hem onder meer voor, de gevangenzittende bemanningsleden van het in 1508 voor Chaul verloren gegane vlaggenschip van Dom Lourenço’s vloot, vrij te laten.

Op 2 februari arriveert Almeida bij Diu, waar Malik Ayaz en Mir Husayn een vloot van 200 vaartuigen bijeen hebben gebracht, om de Portugese aanval op te vangen. De Gujarati en de Egyptenaren hebben geweten dat Almeida in aantocht is, want het uitrusten van diens vloten in Cochin en Cannanore is aan de zamorin gemeld en deze heeft zelfs kans gezien Mir Husayn een aantal lichte schepen te zenden, ter versterking van diens krijgsmacht. Na drie of vier schepen voor Diu te hebben achtergelaten, om de vloot van de zamorin op te vangen, zeilt Almeida, na beraad met zijn kapiteins, in de loop van de volgende morgen met de rest van zijn schepen rechtstreeks de smalle en ondiepe haven van Diu binnen, waarop een algemeen gevecht tussen beide vloten losbarst. Omdat rond de haven overal artillerie staat opgesteld, moet Mir Husayn deze manoeuvre als een dwaasheid zijn voorgekomen, maar de kanon-niers rond de haven durven bijna geen schot te lossen, bang als ze zijn de eigen schepen te raken. Mogelijk als gevolg van het dubbel-spel van Malik Ayaz, blijft Mir Husayns vloot voor anker liggen. De schepen van de bondgenoten Egypte, Gujarat en Calicut liggen zo dicht bij elkaar, dat zij geen enkele manoeuvreerruimte hebben en van vlakbij door de Portugese artillerie onder vuur kunnen worden genomen. In een bloedig man tegen man gevecht, temidden van boordvuur, enterhaken, scheepsplanken en neerdalend as en roet van brandende schepen, worden de gedemoraliseerde vijanden door de Portugezen afgeslacht. Mir Husayn verlaat gewond zijn schip, om de sultan van Gujarat van het treffen op de hoogte te brengen. De Portugezen, die zelf meer dan honderd man verliezen, behalen een klinkende overwinning. Zij doden zoveel mogelijk Egyptenaren en Gujarati die, om hun resterende schepen in veiligheid te brengen, trachten uit te breken. Naar verluidt is de haven roodgekleurd door al het vergoten bloed. De Portugezen voegen vier schepen en twee galeien aan hun eigen vloot toe en verbranden alle overige schepen, na daaruit rijke buit verworven te hebben.’ Almeida laat Diu zelf met rust, omdat hij over onvoldoende middelen beschikt om de stad te kunnen veroveren. De vaandels van de sultan van Egypte en van Mir Husayn worden later, als bewijs van de klinkende overwinning op de verenigde vloot van Egypte en Gujarat, naar Portugal gezonden.

Als de slag gestreden is, zendt Malik Ayaz, die niet zelf op het strijdtoneel aanwezig is geweest, de onderkoning een boodschap-per, om hem met zijn overwinning te feliciteren. Dit gebaar is zonder twijfel ingegeven uit vrees voor de wraak van de Portugezen, waaraan hij denkt te kunnen ontsnappen. Almeida, niet minder vilein dan de Rus, laat de boodschapper weten dat hij op de eerste plaats zijn nederlaag bij Chaul heeft willen wreken. Nu dat gebeurd is, wenst hij de uitlevering van de Portugezen die bij Chaul zijn gevangengenomen. De bekwame Malik Ayaz sluit vrede met Almeida en laat de mannen van Dom Lourenço’s gezonken vlaggenschip, goed gekleed en wel doorvoed, vrij. Hij belooft bovendien een nederig onderdaan van koning Manuel te zijn. De onderkoning verlangt ook de overdracht van de artillerie van de nog in de haven van Diu lig-gende Egyptische schepen, terwijl deze schepen zelf in brand dienen te worden gestoken. Tenslotte wenst Almeida in Diu voorraden voor zijn vloot te kunnen kopen. Nadat Malik Ayaz 17 Portugese krijgsge-vangenen heeft overgedragen en de schepen bevoorraad zijn, keert Dom Francisco terug naar Malabar. Onderweg maakt hij Nizamaluco, de koning van Chaul, schatplichtig aan de Portugese kroon. Aanvankelijk heeft hij betaling van 50.000 cruzados ineens en een jaarlijkse schatting van 10.000 cruzados geëist, maar Nizamaluco heeft hem ervan kunnen overtuigen dat hij niet meer dan 2.000 cruzados kan betalen. De onderkoning, die voldaan is dat hij de dood van zijn zoon gewroken heeft, zeilt van Diu terug naar Cochin. Hij stopt alleen om de schatting in Dabul op te halen en hij intimideert de bewoners van vijandige steden langs de kust, door de armen en benen van de Egyptische gevangenen op hun daken en in hun straten te schieten.

Aan de glorierijke overwinning van Dom Francisco de Almeida bij Diu kleeft een schaduwzijde. Om een voldoende sterke strijdmacht bijeen te brengen om de verenigde vloot van Egypte, Gujarat en Calicut te kunnen verslaan, heeft hij de Portugese schepen die deelnamen aan de afsluiting van de toegang tot de Rode Zee tijdelijk moeten terugtrekken om deze te kunnen inzetten bij Diu. Het gevolg is geweest dat in 1509 heel wat met specerijen geladen Arabische vaartuigen de Rode Zee hebben weten te bereiken. Zodra de blokkade wordt opgeheven, slippen meest in het geheim geladen kleine vaartuigen de Rode Zee binnen.

Op 5 november 1509 neemt Afonso de Albuquerque het roer over van Dom Francisco de Almeida. De 56-jarige nieuwe capitão-geral heeft zijn sporen verdiend. Volgens zijn zoon Braz heeft zijn vader al in 1476 deelgenomen aan de Slag bij Toro. Hij heeft dienst gedaan in Marokko en in 1489, toen hij opnieuw in Marokko diende, behoorde hij bij de dappere verdedigers van fort Graciosa. Hij stond zo hoog in aanzien bij João II, dat die hem heeft benoemd tot estaleiro-mór (opperstalmeester). Hij moet hoge posities hebben bekleed in de nabijheid van de koning Manuel en diens vertrouwen hebben gewonnen, anders kan niet worden verklaard dat hij zozeer in aanzien is gestegen, dat hij wordt aangewezen als opvolger van Almeida. Voor het optreden van Albuquerque op weg naar en in Indië wordt verwezen naar de deel IV (hfdst. 3) en deel V; hier is slechts van belang erop te wijzen dat Albuquerque zijn uiterste best doet de Straat van Bab al-Mandab doeltreffend af te grendelen. In januari 1510 gelukt dit, ondanks het echec van Calicut (zie deel V, par. 2.3). Ook in de jaren 1512-1515 is de blokkade effectief.

Met de zege van Diu van 1509 is de Egyptisch-Turkse bedreiging van de Portugese positie in Azië nog geenszins verdwenen. In 1510 ver-neemt Albuquerque van Timoja dat het restant van Mir Husayns vloot in Goa ligt en dat zich daar ook veel overlevende Egyptenaren en Turken van deze vloot verzameld hebben. Zij hebben de schade aan hun schepen hersteld en zijn begonnen met de bouw van een eskader naus naar Portugees voorbeeld. De verovering van Goa maakt aan deze dreiging een einde (zie deel V, par. 2.4 en 2.5). Ook zijn er steeds weer geruchten over een nieuwe Egyptisch-Turkse vloot, die in aantocht zou zijn. Arabische handelaren brengen deze geruchten te pas en te onpas in omloop om de Portugezen en hun bondgenoten schrik aan te jagen. De geruchten zijn niet volstrekt uit de lucht gegrepen. Nadat de Egyptische vloot in januari 1509 bij Diu is vernietigd zendt de `Grote Sultan’ van Caïro een aantal schepen, onder bevel van Muhammad Bey naar de Ottomaanse haven Ayas, om hout te halen voor het bouwen van een nieuwe oorlogsvloot. De met hout geladen Egyptische schepen worden op de terugweg door Europese piraten belaagd, maar zij weten de aanval af te slaan en keren met hun kostbare lading terug in Egypte. Uit het vervolg van de gebeurtenissen kan worden afgeleid dat de piraten mogelijk vermomde Maltezer ridders van Rhodos zijn geweest. In juni 1510 zendt sultan Qansuh al-Ghuri opnieuw een vloot met hetzelfde doel, onder dezelfde bevelhebber, naar dezelfde haven. Als deze vloot, geladen met scheepstimmerhout, zeildoek, kabels, Turkse bogen en pijlen, de haven van Ayas verlaat, wordt zij overvallen door een eskader uit Rhodos. Dit eskader, bestaande uit zes schepen en vier galeien, staat onder bevel van de Portugese broeder André do Amaral. De Ridders van Malta begrijpen dat de Egyptische schepen tegen de christenheid gerichte materialen en uitrusting hebben geladen en zij hebben, mogelijk op instigatie van de Portugese leden, besloten het gevaar in de kiem te smoren. Ondanks dat de Egyptenaren zich duch tig weren, wordt hun vloot van 28 schepen op 23 augustus 1510 door de Ridders veroverd. Hierbij vinden veel moslimsoldaten de dood.

Als het slechte nieuws Caïro bereikt, ontstaat daar grote consternatie. De sultan beveelt de arrestatie van de christelijke religieuzen en kooplieden in heel het rijk. Op hun bezittingen wordt beslag gelegd en er wordt hen bevolen van de Ridders van Malta teruggave van de buit te eisen. De Mamelukse sultan dreigt anders de Heilige Plaatsen te verwoesten, de daar levende monniken gevangen te nemen en hun bezittingen te confisqueren. Hij roept ook de hulp in van de Porte en zendt Yumus Adili met een vloot naar Turkije, om hout, ijzer en kruit te kopen. De vloot keert in januari 1511 uit Klein-Azië terug met 300 geweren, 30.000 pijlen, 40 vaten uitstekend kruit, 2.000 houten roei-spanen, koper, wagens, kabels, touwen, ijzeren ankers en ander takelwerk. `De Porte heeft niets in betaling willen aannemen.’ In 1512 wordt Hamid Maghribi met een opdracht naar Constantinopel gezon-den. Sultan Selim I (1512-1520), die de politiek van zijn voorganger Bayezid II (1481-1512) voortzet, stemt toe in het laden van `talrijke schepen met bronzen kanonnen, ijzer, hout, kabels en andere beno-digdheden’. De vloot keert in december 1512 in Egypte terug. In dezelfde maand moet Mir Husayn, dezelfde die in 1508 bij Chaul een overwinning op de Portugese vloot heeft behaald, maar in 1509 bij Diu is verslagen, zich verantwoorden voor zijn afwezigheid van zeven jaar. Mir Husayn kan slechts wijzen op de fortificatie van Djedda, waar zijn despotisch optreden overigens tot algemene ontevreden-heid heeft geleid, en op een vage afspraak met de sultan van Gujarat en met andere moslimvorsten in Indië. Deze bescheiden resultaten weerhouden Qansuh al-Ghuri er niet van opnieuw een vloot voor een expeditie naar de Indische Oceaan uit te rusten en de hand te leggen op de havens aan de Straat van Bab al-Mandab, Aden inbegrepen, deze te fortificeren en tot uitvalsbases van zijn vloot te transformeren. Het nieuws van deze oorlogsvoorbereidingen verneemt Albuquerque van Joodse kooplieden uit Caïro, die Goa bezoeken. Als Albuquerque in 1513 de Rode Zee zal binnenvaren, verwacht hij niet zonder reden de Egyptische vloot daar aan te treffen.

Nadat de capitão-geral half februari 1513 instemming van zijn kapi-teins heeft verkregen voor zijn expeditie naar de Rode Zee vaart de vloot van twintig schepen op 18 februari uit (zie voor een uitgebreid verslag van deze expeditie deel V, par. 5.5). De vloot telt 1.700 Portugezen en 1.000 inheemse soldaten. Bovendien zijn enige joden uit Caïro aan boord. Zij kunnen zonodig optreden als tolken. De vloot zeilt eerst naar Kaap Guardafui en vandaar naar Socotra, waar water wordt ingenomen. Op Witte Donderdag, 24 maart, gaan de schepen voor anker op korte afstand van de haven van Aden, een ommuurde stad met circa 50.000 inwoners. Gouverneur Mira Merjão, die onlangs van de `Grote Sultan’ 100.000 xerafins heeft ontvangen om de verdediging van de stad te versterken, laat de volgende dag vragen met welke bedoelingen de vloot gekomen is. Albuquerque antwoordt dat hij naar Djedda en eventueel naar Suez of Tor zal gaan, om de vloot, die de Grote Sultan tegen de koning van Portugal heeft uitgerust, op te zoeken. Mira Merjão biedt gevo-gelte, schapen, sinaasappelen en citroenen aan en verklaart dat Aden toebehoort aan de koning van Portugal, maar weigert deson-danks de poorten voor de Portugese troepen te openen. Hierop besluit Albuquerque de stad in de vroege morgen van 26 maart aan te vallen. De aanval mislukt, omdat de zeer brede ladders waar-langs de Portugezen de muren bestormen, keer op keer bezwijken onder het gewicht van teveel manschappen (zie deel IV, pag. 163 en 164). Voordat de vloot wegzeilt, beschiet Dom Garcia vanaf het eilandje Sirah enige tijd Aden, waarbij de stad veel schade lijdt. Bovendien worden 29 grote Moorse schepen in de haven geplun-derd en daarna in brand gezet. Portugese bronnen vermelden niet het aantal gesneuvelden van de mislukte aanval op Aden. De Arabische kroniekschrijver Tarikh al-Shihri schat het aantal gedode `Franken’ op 200; een andere Arabische bron noemt 100 gedode `ongelovigen’ en 50 gesneuvelde moslims.

Als Albuquerques gepavoiseerde en vreugdeschoten afvurende vloot via de Straat van Bab al-Mandab de Rode Zee binnenzeilt, is er geen vijandelijk schip te zien. Albuquerque zal koning Manuel schrijven: `het scheen mij toe Hoogheid dat op het gerucht van onze komst alle schepen verdwenen waren en dat zelfs de vogels het scheren over het water hadden gestaakt; zo bevangen en verlaten was de Rode Zee bij onze komst.’ De volgende dag worden vier grote schepen van de `Grote Sultan’ geladen met grote baren koper voor Indië, geplun-derd en in brand gezet. Daarna vervolgt de vloot haar weg naar het eiland Kamaran. Eind mei 1512 bereikt een koerier uit Mecca, na een reis van negen dagen op een drommedaris, Caïro. Hij laat weten dat de Portugezen zich bij Kamaran bevinden, dat zij Suakin belegeren, dat de sjarif en het gehele garnizoen van Mecca naar Djedda zijn overgebracht, maar dat vrouwen en kinderen voor de verwachte aanval uit Djedda zijn geëvacueerd en dat de bevoorradingsroute naar Yemen is afgesneden. Qansuh al-Ghuri is totaal verbijsterd. Twee weken later stuurt hij 300 Mamelukken met kanonnen, vergezeld van smeden, fuseliers en boogschutters, naar Suez. Eind september worden opnieuw versterkingen naar Suez gezonden. De sultan zou zich ook zelf naar Suez begeven hebben, om de voltooiing van zijn daar in aanbouw zijnde vloot te versnellen. De Portugese penetratie in de Rode Zee komt voor Qansuh al-Ghuri wel op een erg ongelukkig moment. Hij moet zich ook teweerstellen tegen sjah Isma’il Al-Safawi, die met een groot Perzisch leger Aleppo bedreigt. Qansuh al-Ghuri is ervan overtuigd dat de gelijktijdige Perzische en Portugese dreiging het gevolg is van een samenzwering tegen zijn dynastie, die binnenlandse steun geniet. Dit kost drie bevelhebbers het leven. De gouverneur van Damascus, die ter verantwoording naar Caïro is ontboden, redt zijn leven door het bevel te negeren.

De `Grote Sultan’ behoeft in 1512 de Portugezen niet al te zeer te vrezen. Tegenwind belet hun vloot nog verder naar het noorden te zeilen. Daardoor zijn de twee door koning Manuel zelf aangewezen doelen, Djedda en Tor, onbereikbaar. Ongunstige winden houden de schepen maanden bij Kamaran gevangen. Op 15 juli 1513 kan de vloot eindelijk Kamaran verlaten. Hij zeilt via het eiland Perim, in de Straat van Bab al-Mandab, naar Aden. De stad wordt opnieuw vanaf het eiland Sirah beschoten, maar pogingen de Moorse schepen in de haven in brand te steken, hebben maar beperkt succes. Albuquerque zeilt met zijn gehele vloot op 4 augustus 1513 van Aden weg, zonder opnieuw een poging te doen de stad in te nemen. De reden waarom hij van een tweede aanval afziet, is niet bekend. Vaststaat dat een Portugees steunpunt aan of vlak bij de Rode Zee op weinig sympa-thie van de kapiteins en andere fidalgos kan rekenen. Het is er heet en ongezond; de aanvoer van voedsel en water lijkt problematisch en men bevindt zich overal omringd door vijandige Moren.

Het opgeven van de verovering van Aden betekent niet het opgeven van de blokkade van de Rode Zee. Deze is zo effectief dat de Caïreen Ibn Yias in maart 1514 in zijn dagboek schrijft, dat de haven van Djedda sedert zes jaar geen schip meer ontvangen heeft, doordat Europese piraten in de Indische Oceaan kruisen. Toch wil dit niet zeggen dat de aanvoer van Indische specerijen naar de Rode Zee volledig onmogelijk is. Brekers van de Portugese blokkade van de Rode Zee zijn de gebroeders Cherina en Mammale Mercar, gefortuneerde Hindoe-kooplieden in Cochin, wier handel door de Portugezen niets in de weg wordt gelegd. Cherina Mercar laat een met specerijen geladen schip, dat een cartaz (transport-vergunning) heeft ontvangen voor Ormoez, naar Aden zeilen, waar zijn handel meer opbrengt. Hij verdedigt zich met het argument dat zijn schip door de storm uit de koers is geraakt. Mammale Mercar weet enige van de radja van Cochin ten onrechte verkregen cartazes te doen aftekenen door de Portugese capitão in Cochin. Dit bewijst dat sommige capitães aan bevriende kooplieden weinig kritisch een cartaz afgeven, dan wel dat zij zich door hen laten omkopen.

In juli 1514 heeft de `Grote Sultan’ een nieuwe strijdmacht voor Indië gevormd. In februari 1515 worden aanvullende contingenten onder de wapenen geroepen. Het vertrek van de troepen is voorzien tus-sen juni en augustus, maar het is uiteindelijk begin oktober als de vloot het anker licht. Overigens gelooft men in Portugal dat Venetië met Egypte samenspant tegen de Portugese aanwezigheid in Indië, als dank voor de hulp die Portugal La Senerissima in 1501 tegen de Turken geboden heeft. Portugese regeringskringen beschuldigen Venetië ervan de `Grote Sultan’ te hebben geadviseerd een grote oorlogsvloot te bouwen en deze via de Rode Zee naar Indië te zenden. Zij beschuldigen Venetië er ook van uit Anatolië hout te hebben aangevoerd voor het bouwen van de Egyptische vloot en dat land zelfs voorzien te hebben van timmerlieden, breeuwers en kanon-nengieters. Nog in 1517, zal de Portugese ambassadeur in Londen zich tegenover Sebastiano Giustiniani erover beklagen dat de Signoria Egypte hulp biedt tegen de koning van Portugal.

In 1516 is de laatste grote Egyptische vloot die de Portugezen het hoofd moet bieden, gereed. Sedert 1508 is gebouwd aan ten minste twintig galeien, waarvoor al het hout, de masten, het geschut en alle andere materialen over de landengte naar Suez zijn vervoerd. De kosten, met inbegrip van soldij en voeding voor vier maanden van de opvarenden, vergen de formidabele som van 800.000 xerafins. De galeien zijn uitgerust met een overvloed aan artillerie. Het aantal bemanningsleden en helpers is circa 3.000. Het leger, dat onder meer uit 1.000 musketiers en vele boogschutters bestaat, omvat vogels van diverse pluimage: Mamelukken, Turken, lieden uit de Magreb, tot de islam overgegane christenen en vele anderen. De Turk Sulaiman Reis, voorheen kaper in de Middellandse Zee, wordt benoemd tot admiraal en Yashbak tot vice-admiraal. De oude Mir Husayn (Mir Hocem), die Djedda bestuurt en die zich daar, met twee in Diu gebouwde schepen en een galjoen, bij de vloot zal voegen, zal de troepen aanvoeren. Het doel van de expeditie is be-trekkelijk bescheiden; in eerste instantie moet het eiland Kamaran gefortificeerd worden, om te verhinderen dat de Portugezen nog-maals de Rode Zee binnendringen. Dan zullen nieuwe instructies uit Caïro volgen. Deze zullen niet veel verder kunnen reiken dan het vestigen van de Mamelukse heerschappij over Yemen, om daarmee toegang te verkrijgen tot de Indische Oceaan. Op Kamaran worden inderdaad een fort en een moskee gebouwd en omdat er water is, installeert zich daar een garnizoen. Als het verblijf langer duurt, wordt het voedsel krap, terwijl de soldij niet regelmatig wordt uitbetaald.

Caïro heeft andere zorgen; het Mamelukken-leger in het noorden van Syrie wordt bedreigd door de Ottomaanse sultan Selim I, bijgenaamd de `Grote Turk.’ Deze heeft in 1514 zijn greep op het oosten van Anatolië verstevigd en dreigt nu de Mamelukken in Noord-Syrië aan te pakken, mogelijk als de opmaat voor een nieuwe veldtocht tegen Isma’il Al-Sawafi, de sjah van het sji’itische Perzië en de doodsvijand van de soennitische Turken. Qansuh al-Ghuri, de Mamelukse sultan van Egypte, Syrië en Palestina en de verdediger van de Heilige Plaatsen, Mecca en Medina, daarom de `Grote Sultan’ genoemd, heeft zijn troepen in Syrië versterkt en steun gezocht bij Isma’il Al-Sawafi. Omdat niet op hulp uit Caïro gerekend kan worden, wenden admiraal Sulaiman Reis en generaal Mir Husayn zich tot sjeik Amir van Yemen en vragen hem om financiële hulp en mondvoorraad. De hulp wordt geweigerd; de Yemenieten vertrouwen de enorme maritieme en militaire strijdmacht voor hun kust niet. Zij menen door hulp te weigeren de vloot te dwingen terug te keren naar Egypte, of door te zeilen naar Indië. Om het vertrek van de vloot te bespoedigen, belet sjeik Amir zelfs de bevoorrading van Kamaran. Mir Husayn landt daarop met een sterke strijdmacht, bestaande uit musketiers en boogschutters en ruim voorzien van artillerie, bij Ras Zebid, de Yemenitische hoofdstad. Dankzij hun vuurwapens dwingen de Turken het Yemenitische leger tot de terugtocht en maken zij zich met geweld meester van de stad. Vervolgens trekken zij op naar Taesa, dat zich, uit vrees voor de musketiers, zonder strijd overgeeft. De kaids en stammen, die ontevreden zijn met sjeik Amir en zijn regering, hebben de Turken tot de invasie aangezet en hebben ook hun zijde gekozen. Ondanks dat de troepen een aanzienlijke buit in de schoot is gevallen en zij zich luxueus hebben gehuisvest, eisen zij uitbetaling van hun soldij. Omdat het de troepen ook aan voldoende voedsel ontbreekt, wordt een aantal kapiteins naar Zeila, de haven van het islamitische Adel, gezonden, om daar leeftocht te gaan halen. Uit vrees het lot van Zebid te moeten delen, levert Zeila niet alleen de gevraagde proviand, maar stelt ook roeiers voor de galeien beschikbaar en betaalt bovendien 10.000 gouden xerafins.

Mir Husayn heeft van de `Grote Sultan’ opdracht gekregen het zwaar gefortificeerde Aden te tuchtigen. Adens sultan, Mira Merjão (Amir Mardjan), heeft zich achter zijn fortificaties zo sterk gevoeld, dat hij zijn suzerein heeft durven trotseren. Mir Husayn opent de aanval op Aden, maar het garnizoen van de stad slaagt erin zijn artillerie te bemachtigen. Sulaiman Reis schiet te hulp en herovert de artillerie. Ondanks een hevig bombardement, waarbij een bres in de stadsmuur geschoten wordt en de aanvallers de stad binnen-dringen, moeten zij uiteindelijk toch wijken. Onder het vuur van het Adense geschut moeten zij zich op hun schepen in veiligheid stel-len. De Egyptisch-Turkse vloot zeilt terug naar Kamaran en vandaar naar Ziden. Daar wordt vernomen dat Qansuh al-Ghuri op 23 augustus 1516 bij Marj Dabiq, ten noorden van Aleppo, is omge-komen in een verloren strijd tegen de Ottomanen. De `Grote Turk’, die 9 oktober zijn intrede heeft gedaan in Damascus, rukt nu op tegen Egypte. Voor Mir Husayn is dit nieuws aanleiding naar Mecca te vluchten. Uit vrees voor de Porte leveren de inwoners van de stad hem uit aan Sulaiman Reis. De admiraal zet de emir op een schip naar Egypte en laat de kapitein daarvan weten dat het de bedoeling is dat hij daar niet levend aankomt. De bevolking van Caïro schaart zich onder de Turkse dreiging achter een nieuwe sultan, Touman Bey, die met een leger dat in hoofdzaak uit volks-milities bestaat, een desperate poging doet Caïro tegen de Turken te verdedigen. Het verzet wordt in 1517 in bloed gesmoord, waar-mee Selim de Meedogenloze zijn bijnaam alle eer aandoet. Hij installeert de verrader Khair Bey als Ottomaans gouverneur van Egypte. Sulaiman Reis wordt begin 1518 in Caïro gearresteerd, maar hij herwint de gunst van de sultan en keert naar Yemen terug. Daar zal hij blijven en grote rijkdommen verwerven, totdat hij in 1526 wordt vermoord.

Albuquerque heeft in 1515 overwogen zijn neef en trouwe strijdmakker Dom Garcia de Noronha begin 1516 naar de Rode Zee te zenden, om de vloot van de `Grote Sultan’ te vernietigen en in Dahlak of Suakin een fort te bouwen. Dom Garcia’s terugkeer naar Portugal gevolgd door Albuquerques overlijden in december 1515 hebben de uitvoering van dit plan verhinderd. Het bevel van Manuel, die het nieuws over de opbouw van de Egyptische vloot via Rome vernomen heeft, deze vloot te onderscheppen, bereikt Indië in januari 1516. Lopo Soares de Albergaria, de opvolger van Afonso de Albuquerque (zie deel VI, pag. 125 e.v.), maakt niet veel haast met zijn expeditie naar de Rode Zee; hij gebruikt het gehele jaar 1516 voor het verzamelen van een zeer grote strijdmacht. Op 8 februari 1517 lichten in Goa vijftien kraken, acht galeien, tien karve-len en andere vaartuigen, een brigantijn en een caravelão, tezamen 35 schepen, het anker. De schepen zijn zwaar bewapend met artil-lerie en hebben – volgens Godinho – 3.000 soldaten en zeelieden aan boord en een jonk uit Malacca transporteert bovendien 500 à 700 soldaten uit Malabar, die bewapend zijn met lansen, zwaarden en schilden. Cortesão spreekt over een strijdmacht van 1.800 man, Danvers over 2.800 man en Winius over 5.400 Portugezen, huurlin-gen uit Indië en slaven. Er is proviand voor een jaar bijeengebracht en bij het passeren van Socotra kan men de watervoorraden aan-vullen. Het plan schijnt te zijn om in één klap de Egyptisch-Turkse maritieme macht te vernietigen, de Straat van Bab al-Mandab af te grendelen, daar een fort te bouwen en vaste betrekkingen met Preste Joam van Ethiopië te vestigen. Mogelijk overschatten de Portugezen de problemen die Egypte ondervindt door de oorlog tussen de Mamelukken en de Ottomanen.

Als de armada onverwachts op 14 maart voor Aden verschijnt, heeft sultan Mira Merjão geen andere keus dan de Portugezen de soeve-reiniteit over de stad aan te bieden. Hij kan de stad namelijk niet verdedigen, omdat de door Sulaiman Reis in de stadsmuur gescho-ten grote bressen nog niet zijn gedicht. De sultan staat ook toe dat de Portugezen, ter verdediging tegen de Ottomanen, bij Aden een fort bouwen. Hij laat ook weten dat hij tegenover Albuquerque dezelfde houding zou hebben aangenomen, als deze er niet de voorkeur aan had gegeven de stad stormender hand te willen veroveren. Albergaria begaat de onvergeeflijke blunder het aanbod van de sultan af te slaan; hij verklaart zich tevreden te zijn met het onderhouden van vriendschappelijke betrekkingen, daarmee de unieke kans verzuimend zonder slag of stoot de zeer belangrijke overslaghaven en stapelplaats Aden in handen te krijgen en koning Manuel zijn vurig begeerde fort nabij de ingang van de Rode Zee te verschaffen. De kritiek van zijn kapiteins pareert hij met het argument dat hij opdracht heeft de Egyptische vloot te bestrijden en niet om steden in te nemen. Bovendien kan hij eventueel op de terug-weg alsnog van het aanbod van Mira Merjão gebruikmaken. Na in Aden vier loodsen voor het bevaren van de Rode Zee en overvloe-dige voorraden, die de stad zich gehaast heeft aan te bieden, aan boord te hebben genomen, zeilt de vloot uit. Onderweg naar de Rode Zee plundert Álvaro de Castro, de kapitein van een brigantijn, enige vaartuigen. Bij het inladen van de buit, maakt zijn schip zoveel slagzij dat het zinkt, waarbij Castro en 40 van zijn mannen verdrinken. Na deze tegenslag zeilt Albergaria eerst naar Ziden en verneemt daar dat de vijandelijke vloot zich bij Djedda bevindt. Dan besluit hij naar deze plaats te zeilen.

Door tegenwinden geplaagd, duurt de reis zolang dat Sulaiman Reis alle gelegenheid heeft zich op de komst van de Portugese vloot voor te bereiden. Hij manoeuvreert zijn schepen de nauwe en bochtige kanalen binnen, aan het begin waarvan hij zijn geschut opstelt. Het onverwachte bezoek van de Egyptische vloot en de arrestatie van gouverneur Mir Husayn hebben onder de inheemse bevolking van Djedda grote onrust teweeggebracht. Er is een pro-Egyptische en een pro-Turkse factie ontstaan. Als de Portugese vloot tenslotte voor Djedda is aangekomen en gebleken is dat de vijandelijke vloot zich buiten het bereik van het Portugese scheeps-geschut bevindt, adviseren Albergaria’s kapiteins hem de in twee-dracht verkerende stad aan te vallen; zij preferen een gevecht waar-van de uitkomst niet bij voorbaat vaststaat, boven een dodelijk nietsdoen. Albergaria lijkt het aanvankelijk met hen eens te zijn, maar als de hij de zware verdedigingswerken en een paar zeer grote Turkse kanonnen ziet en erachter komt dat het garnizoen van de stad zeer talrijk is, geeft hij na elf dagen aarzelen het bevel de ankers te lichten, zonder ook maar een poging te wagen troepen te ontschepen, om de stad aan te vallen, ofschoon zijn strijdmacht daarvoor sterk genoeg is. Ook deze beslissing is volstrekt onbe-grijpelijk, zeker als Gaspar Correia in zijn Lendas da India gelijk heeft met zijn verhaal dat een uit Djedda gevluchte christelijke slaaf heeft laten weten dat de verdedigers nauwelijks gebruik kunnen maken van hun geschut, omdat zij vrijwel al hun kruit bij Aden ver-schoten hebben. Opnieuw verdedigt Albergaria zijn afzien van een aanval met het argument dat zijn regimento hem slechts toestaat de Egyptische vloot op zee te vernietigen en dat hij zich moet hoeden gebruik te maken van zogenaamde onvoorziene kansen om een stad in te nemen. Hij betoogt ook dat de Egyptische bedreiging van Indië is afgewend door het sneuvelen van de `Grote Sultan’. Hierin heeft hij ongelijk. De Ottomanen volgen de Mamelukken eveneens op als beschermers van de Heilige Plaatsen, Mecca en Medina, en beheersen daarmee ook de Rode Zee. De Portugezen krijjgen vanaf 1517 rechtstreeks te maken met de naar de Indische Oceaan opdringende Turken. In het vervolg zullen deze de ruggegraat vormen van elke tegen hen gevormde coalitie. Coalities die zich zullen uitstrekken tot aan de Indonesische archipel en het Maleise schiereiland. De Ottomaanse Turken zijn de enige macht in Azië wier scheepsgeschut niet voor dat van de Portugezen onderdoet.

Als Albergaria van Djedda wegzeilt, valt Sulaiman Reis de achter-hoede van de Portugese vloot aan. Hij vernielt met zijn geschut twee of drie schepen, maar geraakt zelf ook in moeilijkheden. Serjeant, die de Hadrami-kronieken citeert, vermeldt dat een boordschutter op Sulaiman Reis’ schip een kanon onklaar maakt, door met het kruit te knoeien, waardoor aan boord van het schip brand ontstaat. Naar verluid zou de saboteur een christenslaaf zijn, die zijn daad van verzet met zijn executie moet bekopen. Sulaiman Reis achtervolgt de wegzeilende vloot. In de buurt van al-Luhaiyah (Loheia) weet hij een Portugees vaartuig te overmeesteren en worden 17 Portugezen overrompeld en naar Djedda afgevoerd. Albergaria, die verzuimd heeft op de heenweg naar Djedda op Kamaran water in te nemen, krijgt op de terugweg weer te kampen met tegenwind. De reis duurt zo lang dat er een nijpend gebrek aan water ontstaat, dat 700 opvarenden het leven kost. Eenmaal bij Kamaran aangekomen, moet de vloot daar wegens de in de zomer gebruikelijke perioden van windstilte van mei tot juli blijven liggen. Het verblijf in de hete zomer bij Kamaran eist opnieuw mensen-levens (zie de uitgebreide beschrijving van Albergaria’s expeditie deel VI, par. 6.3). Albergaria laat op Kamaran het pas gebouwde fort, dat wellicht nog niet eens voltooid is, verwoesten.

Terug voor Aden, drijft Mira Merjão de spot met Albergaria. De sultan, die inmiddels de verdedigingswerken heeft laten herstellen, piekert er niet meer over toe te staan dat de Portugezen een fort bouwen. Hun gevechtskracht is zozeer verzwakt, dat de sultan weinig meer van hen te vrezen heeft en hij weigert de vloot de gevraagde proviand te leveren. Albergaria moet de vernedering slikken dat hij van Mira Merjão water moet kopen, om te voorkomen dat nog meer zeelieden sterven. Na de rampzalig verlopen expeditie, arriveert de vloot begin september 1516 voor Goa, de stad die Albuquerque na zijn expeditie naar de Rode Zee een groots welkom heeft bereid, maar die nu door Albergaria gemeden wordt; hij zeilt door naar Cochin. Overal in Arabië en Egypte verheugt men zich dat Sulaiman Reis de Portugese vloot op de vlucht heeft gedreven.

Met het aantreden van Albergaria komt er een ontwikkeling op gang, waarbij meer en meer Portugese overheidsdienaren handeldrijven voor eigen rekening, daarmee de belangen van hun koning schadend. Van degenen die commerciële successen boeken, vestigen velen, na afloop van hun diensttijd, of nadat zij ontslag uit dienst hebben genomen, zich als particulier koopman in een van de vele steden aan de kusten van Voor-Indië en later ook elders in Azië. Zij voegen zich in de interregionale handelsnetwerken. Hier-door ontstaat er een belangenconflict tussen de Portugese kooplie-den die vreedzaam willen handeldrijven en de dienaren van de kroon, die de handelsstromen naar de Rode Zee serieus willen afsnijden en zoveel mogelijk specerijen voor rekening van hun koning rond Kaap de Goede Hoop willen leiden. Dit belangenconflict, dat zich dagelijks doet gevoelen, wordt vaak niet onderkend door de vanwege de kroon gezonden controleurs die soms onbekend zijn met deze fundamentele realiteit. Dit alles neemt niet weg dat de Portugezen vanaf 1503 de handel in specerijen naar de Rode Zee in ernstige mate hebben belemmerd en dat tot het midden van de 16e eeuw zullen blijven doen. Daar vrijwel alle specerijen die de markten van de Levant bereiken, worden aan-gevoerd via de Rode Zee, veroorzaakt de blokkade van deze zee een ernstige crisis in het gehele Midden-Oosten. Omdat de Portugezen niet alleen de route via de Perzische Golf open laten, maar deze handel zelfs bevorderen, komt deze handelsroute tot bloei. Dit is mede te danken aan de karavaanroute van Basra naar Damascus en Aleppo, die voorheen van weinig betekenis was. De politiek de handel via Ormoez ongemoeid te laten en zelfs te bevorderen, bewijst dat Portugal in Perzië een bondgenoot zoekt, eerst tegen de Mamelukken en daarna tegen de Ottomanen. Een andere reden is dat Indië via Ormoez voorzien wordt van de onmis-bare Perzische paarden en van het eveneens onmisbare zilvergeld (larins). Ook hebben de Portugezen er alle belang bij de welvaart van Ormoez, nadat de stad in 1514 onder hun controle is gekomen, te bevorderen en haar commerciële positie verder te ontwikkelen.

Naarmate de corruptie onder Portugese functionarissen in Indië toeneemt en meer en meer Portugezen zich als koopman in Azië vestigen, bereiken grotere hoeveelheden specerijen het Midden-Oosten en herstelt zich de handelspositie van de Venetianen, die opnieuw een grote rol gaan spelen als aanbieders van Indische specerijen op de voortdurend groeiende Europese markten.

Bijlage. De reis van Fernão de Magalhães 1.0 In Portugese dienst (1492-1517).

x

Check Also

Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De Malediven. Expansie van het Império Português (1515-1521)

Deel 6 Index Hoofdstuk 7 Expansie van het Império Português (1515-1521) 7.1 De Malediven Geschreven door Arnold van ...

banner
Close
GDPR
EU laws require that we request your consent to the use of cookies. We use cookies to ensure that our site works properly. Some of our advertising partners also collect data and use cookies to publish personalized ads.




Subscribe to our YOUTUBE channel: