Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike
Torre de Belém, Lissabon, Portugal. Auteur Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

Zuidoost-Afrika, 1637-1651. De Swahilikust in de jaren 1635 tot 1651

Deel 22 Index

Hoofdstuk 4

De Swahilikust in de jaren 1635 tot 1651

4.1 Zuidoost-Afrika, 1637-1651

Geschreven door Arnold van Wickeren

Het prijsgeven van het kolonisatieplan geeft de capitão van Moçambique de vrijheid voort te gaan met het genieten van zijn monopolie van de handel op de Rios. Zijn verplichting Moçambique te verdedigen en zijn persoonlijke hang naar het maken van winst blijven onverzoenlijk. Lourenço de Soutomayor, bijvoorbeeld, ziet er ondanks zijn vele verdiensten en ondanks dat hij een eed heeft afgelegd het fortaleza niet te zullen verlaten geen bezwaar in het fortaleza toe te vertrouwen aan zijn nog jeugdige zoon, om zelf de Zambezi te bezoeken. Vice-rei Pero da Silva, bijgevallen door de leden van zijn Raad, keurt het gedrag van de capitão af. Hij rapporteert dat de capitães van Moçambique vaak het fortaleza in de steek laten, voorwendende dat hun afwezigheid noodzakelijk is; en dat zij er geen probleem mee hebben de ambtenaren en bewoners hun handtekening te laten zetten onder documenten dat hun bezoeken aan de Zambezi essentieel zijn. De koning bevestigt, in de loop der tijd, de afkeuring van de vice-rei en geeft opnieuw een alvará, waarin het de capitão expliciet verboden wordt het fort te verlaten gedurende oorlogen die zijn persoonlijke aanwezigheid vergen.

De revolutie van 1640 en de troonsbestijging van een Bragança maakt geen verschil voor het bestuur van Zuidoost-Afrika. In 1644 bepleiten de radikale aanbevelingen van het Conselho Ultramarino dat de capitão van het fortaleza van Moçambique niet meer zal zijn dan een gesalarieerde castellan en dat de handel op de Rios openstaat voor iedereen die 8% belasting betaalt. Zuidoost-Afrika zal vallen onder een Governador e Conquistador die dezelfde rang zal hebben als de vice-rei van de Estado da India, maar onafhankelijk van hem is.

De Rios zullen bevolkt worden door arme gehuwde koppels, afkomstig uit Goa, Cochin en andere forten in het Oosten, en aan wie land en hulpmiddelen dienen te worden gegeven als zij zich ergens vestigen. De kolonisten kunnen katoen produceren en daarvan kleren maken om deze te ruilen tegen goud en ivoor. Enige immigranten uit Canara en Brahmanen, geholpen door enige soldaten, zouden het binnenland kunnen exploreren, het grote meer, waaruit de rivier naar Angola stroomt, bereiken en zijn loop volgen om verbinding te maken met Angola. Filipe de Mascarenhas spreekt met kennis uit de eerste hand als hij vice-rei van de Estado da India is. Hij bevestigt dat er geen zekerheid voor het fortaleza kan bestaan en de schatkist geen profijt van de handel op de Rios kan trekken, totdat Moçambique een castellan heeft die het verboden is handel te drijven. Maar koning João IV wil hiervan niets weten: met de stand van zaken van Portugal in de staat waarin zij verkeren, met de dreiging van een Spaanse invasie, kan er geen sprake van zijn een verovering in Zuidoost-Afrika te overwegen. In die periode lijdt Moçambique aan onzekerheid wegens het bovenmatige aantal veranderingen in bestuur. Een edelman die de capitania koopt van Soutomayor arriveert nadat hij onderweg naar Moçambique is overleden, hij laat zijn twintigjarige zwager als tijdelijk bestuurder. De vice-rei verkoopt de resterende twee jaar van de driejaarlijkse termijn voor 30.000 xerafins aan iemand die echter niet verschijnt om zijn termijn uit te dienen, omdat begin 1642 een opvolger wordt aangewezen. Twee andere capitães of plaats-vervangende capitães volgen snel daarna. In februari 1643 aanvaardt Júlio Moniz da Silva zijn functie met de titel Capitão e Governador en hij wordt in 1646 opgevolgd door Álvaro de Sousa de Távora.

De opvolging van capitães veroorzaakt dat het fortaleza nog smartelijker wordt verwaarloosd dan voorheen. Vanuit Lissabon gaan orders uit naar de capitães om de goedgekeurde verbeteringen aan het fortaleza aan te brengen, met name gaat het om het graven van een sloot aan de landzijde van het fortaleza en de herbouw van het bastion van Santo António. Ofschoon de vice-reis soms moe worden van het voortdurend herhalen van deze instructies, zenden zij de werklieden, materialen en munities die zij kunnen missen, maar dit is gewoonlijk zo onvoldoende dat er bij herhaling hulp uit Portugal gezonden dient te worden, en dat desondanks maar langzaam vooruitgang met de werkzaamheden wordt gemaakt. Wanneer Moniz da Silva zijn functie aanvaardt, zijn de sloot en het bastion nog niet voltooid; er is geen voorraad rijst als het fortaleza zou worden belegerd; veel soldaten slapen buiten, omdat er voor hen geen adequate accommodatie is het fortaleza is; en de huizen van hen die binnen slapen en de kerk van São Sebastião zijn gedekt met palmbladeren, wat een groot brandgevaar oplevert, gelet op de pyrotechnieken die in de moderne oorlogvoering worden gebruikt. Moniz da Silva bepleit de gebouwen van dakpannen te voorzien, wat niet alleen het brandrisico ondervangt, maar ook het houden van water in de waterbekkens verbetert. Het probleem is ten dele financieel, en Moniz da Silva beveelt aan 3.000 of 4.000 xerafins van de 33.000 die ieder jaar betaald worden als lening te bestemmen voor de fortificaties, in aanvulling op de 1%; het fortaleza zou daarna in prima staat verkeren. De koning keurt het voorstel geld te lenen als aanvulling op de 1% goed. Dit bedrag wordt gehouden in een koffer met drie sloten, waarvan de sleutels in handen zijn van de capitão, de feitor en de Superintendent van de Misericordia. Er wordt een energieke uitvoerder benoemd, die tot taak heeft met pannen gedekte barakken te bouwen en een kruitmagazijn te maken onder ieder bastion. Vice-rei Mascarenhas zendt een aantal metselaars, maar binnen een jaar zijn zij allemaal dood. In 1647 klaagt de koning dat de sloot nog niet af is, het bastion van Santo António is nog maar half af; hij vraagt de capitães achter te blijven om te worden ondervraagd. Residências dienen aan het licht te brengen wat zij met het geld hebben gedaan dat zij zeggen aan de fortificaties te hebben besteed. Het garnizoen blijft ver beneden de officiële sterkte, wat mede veroorzaakt wordt doordat het sterftecijfer hoog is. In 1651 klaagt de koning dat de fortificaties nog steeds incompleet zijn.

Het hospitaal blijft ook in een soortgelijke verwaarloosde toestand verkeren. Tegen 1637 is het gebouw zover verbeterd dat er patiënten kunnen worden ontvangen, maar er zijn niet meer dan 1.000 cruzados per jaar voor het hospitaal beschikbaar. Dit bedrag is geleend van de capitão, maar het is zeer onvoldoende gelet op de hoge kosten van levensonderhoud in Moçambique, omdat veel levensmiddelen dienen te worden ingevoerd uit Portugees Indië, van de Rios de Cuama of van andere eilanden voor de kust. De vice-rei oppert dat iedere keer dat een schip van Indië aan Moçambique wordt verkocht, 500 cruzados aan het hospitaal zullen worden geschonken. Maar het blijft bij deze suggestie; er wordt in deze niets ondernomen. De broeders van de Santa Casa da Misericordia leggen hun moeilijkheden voor aan de Koning, die slechts de vice-rei bijvalt om ervoor te zorgen dat het hospitaal van het noodzakelijke wordt voorzien. Het hospitaal functioneert zo slecht dat Moniz da Silva voorstelt het hospitaal te huisvesten in het fortaleza om daarmee 120 cruzados per jaar te besparen. Leden van het garnizoen klagen over het volledige gebrek aan medische aandacht; als zij ziek worden dan kunnen zij slechts op Gods hulp vertrouwen wegens gebrek aan menselijke hulp; en als zij sterven is er zelfs geen lijkwade beschikbaar om hen in te wikkelen.

Het zijn niet slechts de leden van het garnizoen die sterven. Belangrijk is niettemin dat Moçambique een basis is voor operaties op de Zambezi, de belangrijkste reden voor het bestaan van de vestiging in Moçambique is omdat het een aanloophaven is voor passerende schepen de belangrijkste haven tussen Portugal en Indië. Talrijke zeelieden, soldaten en passagiers sterven nodeloos, waardoor het tekort aan Portugese mankracht in het Oosten alleen maar ernstiger wordt.

Moçambique’s haven, gemakkelijk te bereiken door de kleinere, beter manoeuvreerbare en beter bestuurde vaartuigen van de 16e eeuw, levert moeilijkheden op voor de grotere galeãos en naus uit de 17e eeuw. Het galeão São Bento, bijvoorbeeld, lijdt schipbreuk in 1643. De inwoners van het eiland begeven zich in hun boten en in de pinas van de capitão naar de plaats des onheils, niet om hulp te bieden, maar om het vaartuig te plunderen; zij ontdoen het schip van de helft van zijn inhoud. Moniz da Silva treft de overlevenden in de meest ellendige omstandigheden aan. Hij helpt hen, maar verklaart dat er noch in de instructies van het fortaleza, noch in zijn eigen contract de opdracht staat de overlevenden te doen vertrekken met passerende schepen. De vice-rei gaat zover ervoor te pleiten dat met het oog op het riskante aandoen van de haven van Moçambique en de kwaadwilligheid van de inwoners van het eiland, het schepen komend uit Portugal zal worden verboden Moçambique überhaupt aan te doen.

De waarde van Moçambique als verversingsstation (en de tegenzin van de capitão geld uit te geven) wordt, echter, het volgende jaar aangetoond. Een naar Indië vertrekkend schip heeft voor het uitzeilen van de Taag voor slechts 360 personen eten aan boord, terwijl er 479 monden te vullen zijn. Als dit blijkt, keert de kapitein niet direct terug naar Lissabon, maar eerst bij Cabo da Boa Esperança rapporteert hij aan de kapitein van het schip dat het zijne begeleidt, zijn senior, dat hij te weinig voedsel aan boord heeft om Goa te kunnen bereiken. Het is inmiddels begin augustus, reden waarom het regimento voorschrijft dat de reis dient te worden vervolgd ten oosten van Madagascar. Maar besloten wordt Moçambique aan te doen. Moniz da Silva is zo vertwijfeld als hij de schepen ziet aankomen, dat hij ze drie dagen op de rede laat wachten, voordat hij een loods stuurt. Hij weigert voedsel te verkopen, of de zieken in het hospitaal op te nemen, terwijl hij verklaart dat de koninklijke fondsen hem niet toestaan liefdadigheid te bedrijven. De mannen zijn gedwongen buiten de kerk te bedelen, totdat de overlevenden met de moesson kunnen doorreizen naar Indië.

Met iedere moesson wordt er goud van Moçambique naar Indië gebracht en het zijn niet alleen schipbreukelingen die weigeren mee te werken aan de bouw van fortificaties, die de inwoners van Moçambique een slechte naam bezorgen; zij staan ook bekend als vervalsers van geld. Het goud arriveert puur van de Rios, maar zij vervalsen het door het te mengen met 35% koper om de handelaren uit Indië te bedriegen. Er worden twee analisten naar Zuidoost-Afrika gezonden, een naar Moçambique en een naar de Zambezi, en er worden meer munten aangemunt in Goa in een poging dit kwaad uit te roeien.

Er is geen Portugees fort aan de kust ten zuiden van Moçambique, ofschoon Lissabon voortgaat te bevelen dat er forten dienen te worden gebouwd in Quelimane en in Luabo. De vice-rei is van oordeel dat deze forten thans onnodig zijn en er in ieder geval geen geld is om ze te bouwen, ofschoon later, onder druk, stemmen opgaan Quelimane, dat de belangrijkste haven van de Rios is, te verdedigen. Lissabon blijft ook aandringen het fort in Sofala te restaureren en te versterken met takkenbossen om de ingang naar de rivier te bewaken. De vice-rei verklaart evenwel dat het fort niet waard is te worden hersteld en dat het onmogelijk zal zijn er een garnizoen voor te vinden. Het district levert geen winst op en het zou beter zijn het fort af te breken zodat geen enkele vijand zich erin kan nestelen. Het Conselho Ultramarino is het daarmee niet eens. De Raad vindt het fort essentieel om gehoorzaamheid te verkrijgen van de naburige stammen en om zich te verzekeren van de handel als er aanvoer is. De Raad bepleit het fort te repareren, ten minste met hout, zodat het een aanval van inheemsen kan weerstaan. Er is geen gevaar voor Europeanen, omdat geen schip groter dan een pinas het kanaal kan bevaren en zelfs Portugese vaartuigen het kanaal niet zonder lokale loods bevaren. Het Conselho Ultramarino beveelt aan dat er een capitão in Sofala geplaatst wordt met een gering salaris en enige vrijheden om handel te drijven en dat het hof in Goa geïnstrueerd wordt 25 degradados naar Sofala te zenden, die samen met lokale gevangenen verantwoordelijk zijn voor de verdediging van Sofala.

Het is inderdaad een geluk voor Portugal dat de posities aan de kust van Zuidoost-Afrika in deze periode geen aanvallen hebben te verduren. Dit vrij zijn van aanvallen is voor een deel te danken aan de tienjarige wapenstilstand, ondertekend in juni 1641, tussen Portugal en de Nederlanden, die erin voorziet dat iedere partij in het bezit blijft van het gebied dat bezet zou zijn op het moment dat de ratificatie uit Europa zou worden ontvangen. João IV’s ratificatie bereikt Den Haag in februari 1642 en nieuws over de ratificatie bereikt Goa in september, en Batavia in oktober van dat jaar. In Ceylon zwijgen de wapens eerst in november 1644. Het is de vergelijkenderwijs onbelangrijke strategische positie van Zuidoost-Afrika voor de Nederlanders en het gebrek aan welvaart, die de regio voor verdere aanvallen behoedt. De wapenstilstand behoedt Portugese bezittingen in Brazilië en Angola. De Nederlanders hebben Luanda bezet in 1641; in 1643 starten zij daar nieuwe operaties. Deze operaties zijn van invloed op de andere kant van het continent. Angola heeft kolonisten geleverd aan Brazilië, omdat de meeste slaven worden beschouwd als onontbeerlijk om op de suikerrietplantages te werken. Nu deze handel is afgebroken worden er verschillende suggesties gedaan dat de kust van Moçambique kan worden beschouwd als een andere bron van slaven. Eerder in 1643 heeft het Conselho Ultramarino bij verschil-lende private personen een verzoek ingediend hulp aan Moçambique te geven door daar slaven te halen voor Brazilië en de pinas die in 1644 hulp brengt naar Moçambique heeft voor het eerst orders ontvangen slaven in te laden en hen naar Brazilië te brengen, ofschoon later werd besloten dat de prijs te hoog is en het veel tijd zal vergen een waardevolle lading te verwerven. De vice-rei bepleit tegelijkertijd de opening van de handel in slaven tussen Moçambique en Brazilië; ofschoon de reis langer zal duren dan die van Angola, zullen de slaven een hogere prijs opbrengen omdat zij schaarser zijn en de vice-rei concludeert dat de kafirs van Moçambique sterker en dienstbaarder zijn dan die van Angola; de handel zal tot wederzijds voordeel strekken van de kolonisten van Brazilië en van de Koninklijke schatkist. Hij stelt vervolgens voor licenties te verstrekken aan avonturiers om de handel te openen als de koning daarin toestemt. De koning doet dit inderdaad; hij geeft inwoners van Moçambique toestemming zich met de handel in slaven bezig te houden en hij geeft een vrouw uit Lissabon toestemming een vaartuig naar Moçambique te zenden en vandaar naar Brazilië. Filipe de Mascarenhas deelt niet het enthousiasme van zijn voorganger voor het project en, ofschoon hij de moeite neemt de inwoners van Moçambique en de Rios te informeren, twijfelt hij zelf aan of er zowel een schip als de spirit voor de onderneming zal zijn en als zij start vraagt hij zich af of er winst voor de schatkist zal overblijven. Als de handel in slaven van Moçambique naar Brazilië van de grond zou komen, vraagt de vice-rei zich af of er in Indië voldoende kapitaalkrachtige individuen zijn om in de slavenhandel te participeren. Deze handel blijft bescheiden en de herovering van Angola door de Portugezen in 1648 maakt de slavenexport van Moçambique oneconomisch en onnoodzakelijk. De export van enige slaven naar Indië en Arabië gaat door, maar Zuidoost-Afrika blijft de verschrikkingen van ontvolking bespaard, die de slavenhandel in de 17e eeuw over Angola heeft gebracht.

Ofschoon de betrekkingen met de Nederlanders gedurende de jaren veertig van de 17e eeuw vijandig of bijna vijandig zijn, wordt deze tijd gekenmerkt door de ontwikkeling van vreedzame betrekkingen tussen Portugezen en Engelsen aan de kust. De English East India Compagny zendt de Blessing om te zoeken naar piraten die de Indische Oceaan teisteren. De Blessing stuit op kapitein Cobb, die kort tevoren bij het Comoreneiland Anjouan een Portugese Oost- Indiëvaarder heeft veroverd, maar het piratenschip weet te ontsnappen. De Blessing verfrist zich in Moçambique en blijft daar enige maanden (gedurende welke tijd 14 van haar bemanningsleden sterven); de Engelsen krijgen geen permissie in Moçambique slaven te kopen.

De Portugezen in Indië weten uitvluchten te verzinnen om schepen door de Nederlandse blokkade heen naar Moçambique te zenden. Desondanks huurt de capitão van Damão de pinas Francis van de E.E.I.C.; de pinas zeilt naar Cambay, waar zij stoffen en kralen inlaadt en met deze lading, die zou toebehoren aan de gouverneur van Surat, zeilt zij naar Moçambique, waar de pinas in mei 1649 aankomt. Het vaartuig blijft daar drie weken en zeilt dan naar Madagascar, waar het de Portugese handel met Oud en Nieuw Massalagem verzamelt en zeer goedkoop slaven, evenals rijst en vee koopt; maar van de slaven sterft meer dan de helft aan de pokken. De pinas keert terug naar Moçambique; twee van haar bemanningleden overlijden en vier deserteren naar de Portugezen. De opportuniteit van het vervoer van Portugese goederen onder Engelse vlag wordt onderstreept als, korte tijd later, de Nederlanders een Portugees vaartuig nemen dat van Moçambique op weg is naar Goa, en dat rijk geladen is met ivoor en goud.

De bestuurders van de E.E.I.C. in Londen besluiten weloverwogen de handelsmogelijkheden aan de kust te testen. Zij benoemen een officier die Moçambique heeft bezocht met de Blessing en de Francis als master op de Seaflower, welk schip in juli 1643 Moçambique bezoekt, maar zij is niet in staat daar wijn van de Canarische eilanden te verkopen, aangezien twee Portugese caravelas het eiland kort daarvoor hebben bevoorraad. De Seaflower zeilt met een paar Portugese passagiers naar Indië. In hetzelfde jaar weet het Courteen1 schip Hester lood en katoen te ruilen tegen goud.

Het volgende Engelse schip dat Moçambique bezoekt, valt minder bij de Portugezen in de smaak. De John arriveert in 1644, maar het vindt weinig handel. Als het schip uitzeilt, melden zich een welgesteld koopman, zijn vrouw en een aantal andere Portugezen en hun slaven. Zij willen, bij elkaar 40 of 50 personen, naar Indië reizen. De royalistische kapitein, die overhoop ligt met zijn officieren en kooplieden, die het parlement steunen, organiseert een picknick op Anjouan. De kapitein laat al zijn tegenstanders aan de picknick deelnemen. Ook de welgestelde koopman is van de partij. De kapitein kapt de scheepskabel door en gaat er heimelijk vandoor. De vrouw van de gefortuneerde koopman maakt zoveel misbaar omdat zij gescheiden is van haar man, dat de kapitein haar alsnog naar de achtergelaten partij laat brengen. In Engeland verneemt de kapitein dat het daar de royalisten tegenzit. Als er een inventarisatie van het schip wordt gemaakt, wordt ontdekt dat de 12.000 cruzados goud waarmee de koopman aan boord is gegaan, is afgenomen tot 4.000. Ondertussen slaagt de koopman erin over te steken naar Moçambique, en van daar reist hij in de Hester naar Indië.

Het schip ankert bij Swally Hole en het zicht op de indringer veroorzaakt grote verontwaardiging bij de functionarissen van de Compagny. De koopman dient prompt een claim in tegen de Compagny. De vice-rei in Goa vraagt 20.854 xerafins, en de koning van Portugal schrijft, wanneer hij is ingelicht over de omstandigheden, zijn ambassadeur in Londen en verlangt van hem dat hij alles doet wat in zijn macht ligt om terug te krijgen wat gestolen is. Koning Charles erkent ten slotte de Portugese claim; maar er is weinig dat hij kan doen om Portugal tevreden te stellen omdat de burgeroorlog woedt – en nog minder wanneer deze over is.

Van het incident met de John mag worden verwacht dat het de betrekkingen tussen Engelsen en Portugezen alles behalve goed heeft gedaan, maar slaven en ivoor, zo niet goud, blijven de Engelse schepen naar de kust trekken. En gedurende een zekere tijd lijkt er de mogelijkheid te bestaan dat er een meer intensieve handelsrelatie ontwikkeld gaat worden over het Kanaal van Moçambique, tussen de Portugezen in Zuidoost-Afrika en de nieuwe Engelse plantages op Madagascar. Engelse Oost-Indiëvaarders doen dikwijls Assada in de Sint Augustinusbaai aan, dat de bemanning beschrijft in enthousiaste bewoordingen. In 1637 zou daar een plantage worden gesticht, met de jeugdige prins Rupert als leider; maar de East India Compagny weigert deel te nemen in het avontuur. Als twee jaren later Lord Arundel het plan nieuw leven tracht in te blazen weigert de Compagny voor het transport zorg te dragen. Bovendien herroept de overheid de toestemming voor het stichten van plantages voorbij Kaap de Goede Hoop. Desondanks zeilen drie door het hof uitgeruste schepen, waaronder de Hester, naar Madagascar “om er een nieuwe commonwealth te stichten.” Maar de kolonisten in Assada hebben veel doden door ziekten te betreuren en de plantage is een kort leven beschoren. In 1649 wordt er een andere poging ondernomen om in Assada een vestiging te stichten. De Compagny is gedwongen haar oppositie te staken en met de avonturiers in Assada een overeenkomst te sluiten. De Compagny weigert eerst de handel tussen de kolonie en Indië goed te keuren, maar zij stemt in met de vrije handel met de Rio van Sofala, Moçambique en aangrenzende gedeelten aan de Malindikust. Maar deze kolonisten worden ook geteisterd door ziekten en de vijandschap van de inheemsen en in augustus 1650 wordt de plantage in de steek gelaten.

In 1651 besluiten de functionarissen van de East India Compagny de Assada Adventurer naar de kust van Malindi te zenden, met rijst en calicot, bij wijze van experiment. Omdat het schip eerst de Sint Augustinusbaai moet aandoen, heeft het nog slechts tijd om een bezoek te brengen aan Moçambique ; daar kopen de handelaren ivoor en enig goud, maar het ivoor brengt, na het betalen van belastingen, slechts 28% winst op. Het volgende jaar wordt het schip opnieuw gezonden, met de opdracht om, na een bezoek aan de Baai van Sint Augustinus, naar de Afrikaanse kust te zeilen vanaf Cabo Correntes en Sofala en Moçambique voorbij te varen, naar Malindi. Een lek vertraagt het vertrek van het schip en het dient eerst gerepareerd te worden. Het schip loopt serieuze schade op als het aan de Afrikaanse kust terecht komt in een cycloon en het schip is gedwongen terug te keren naar Indië.

Als de handel met Zuidoost-Afrika lucratiever zou zijn geweest dan zij in feite blijkt te zijn, dan zou dit de Engelsen wellicht hebben verleid zelf te gaan zoeken naar goud, ivoor en slaven. Misschien zouden de Engelsen zich in dit geval aan de kust hebben neer-gelaten. In die tijd worden de Portugezen niet bedreigd door vijanden van buiten of door wedijver van buitenlanders (ofschoon zij wel te maken hebben met een groot aantal [een groot aantal waarvan?], dat zij aan zichzelf te wijten hebben) bij hun inspanningen het binnenland te exploiteren.

Kort voordat Philips geen koning van Portugal meer was, heeft hij verklaard gedesillusioneerd te zijn over de verwachte minerale rijkdommen van de Rios. In de rapporten van de mijnwerkers leest hij dat er maar zelden lange en rijke aders zijn: de zon creëert het goud aan de oppervlakte en de aders houden dieper in de grond op. De ervaring heeft geleerd dat het goud liever niet met behulp van Europese methoden kan worden gewonnen, maar het kan beter geruild worden voor stoffen en kralen met inheemsen, die het goud verkregen hebben uit eenvoudige vindplaatsen. Het is daarom niet nodig grote uitgaven te doen om mijnen in het binnenland te gaan exploiteren en deze te verdedigen. De Portugezen koesteren ook nog de overweging dat de inheemsen bang zijn dat zij niet alleen uit zijn op het verkrijgen van de mijnen, maar op hun hele land en dat zij daarom de beste mijnen verborgen houden. Wat het zilver betreft zijn er nog geen definitieve inlichtingen over de mijnen, ondanks al het gezoek ernaar; deze onderneming zal daarom worden uitgesteld tot betere tijden als Portugal verlost zal zijn van zijn vijanden en er geld beschikbaar is.

Maar die betere tijden breken nog lang niet aan. De verdrijving van Philips leidt tot oorlog met Spanje en die oorlog vergroot Portugals gebrek aan fondsen en manschappen. In Azië bevestigt de wapenstilstand met de Nederlanden het verlies van enige van Portugals meest lucratieve bezittingen, zodat de belangrijkste resterende handel die met de kust van Oost-Afrika is. Er is sprake van opluchting in Portugees Indië als er schepen arriveren met goud, ivoor en slaven en de situatie versombert als deze schepen uitblijven. De instructies van Goa aan Moçambique krijgen hoe langer hoe meer een commercieel karakter.

De onafhankelijkheid van de Portugese inwoners van de Rios blijft een punt van zorg voor de vice-rei en de nieuwe koning. Maar voor een korte periode heerst er vrede aan de Rios, en de handel bloeit. Er is echter constant sprake van een bedreiging van Kapararidze, die nimmer zijn pogingen heeft opgegeven de troon te herwinnen, en Mavura, de marionet Monomotapa, vraagt herhaaldelijk om een garnizoen soldaten voor zijn residentie Zimbabwe. Zijn brieven worden voor hem geschreven door zijn Dominicaanse mentoren. Bij een vergadering in Sena wordt een tijdelijk geschikt hulpmiddel overeengekomen. Dit houdt in dat iedere handelaar die het land van de Monomotapa betreedt een contributie dient te betalen van een hoeveelheid textiel per corja voor het onderhoud van het garnizoen, dat het land net zo veilig maakt als het was toen de Portugezen het veroverden. De vice-rei verklaart – overdreven – dat 8.000 of 12.000 cruzados per jaar nodig zijn om een garnizoen van 30 man te onderhouden, en dit staat niet ter discussie, gelet op de desperate financiële toestand van Portugees Indië. De koning waarschuwt dat de soldaten van het garnizoen in Zimbabwe niet onttrokken mogen worden aan het garnizoen van het Fortaleza São Sebastião. Maar Moniz da Silva smeekt João IV meer aandacht te schenken aan de Rios; hij verklaart dat het nu onnodig is 300 soldaten in dat fortaleza te hebben; 200 man (gesteund door lokale inwoners) zijn een adequate bescherming en 100 man kunnen gereed worden gemaakt voor de Rios en voor Monomotapa; deze manschappen kunnen verdeeld worden over Sena, Tete en Zimbabwe. Deze soldaten dienen ervoor te zorgen dat de Monomotapa door zijn eigen volk meer gerespecteerd wordt en dat hij weer wordt gehoorzaamd door Portugese burgers. Moniz da Silva bepleit ook dat er gehuwde mensen naar de Rios worden gezonden. Wat dit laatste betreft wordt hij ondersteund door de Misericordia van Sena. Maar er bestaan plannen op lange termijn, ongeschikt om direct uit te voeren. De stichting van een fort in Zimbabwe heeft haast. Moniz da Silva betaalt 25 soldaten uit zijn eigen zak.

De ongemakkelijke vrede schijnt niet lang te hebben geduurd, want in 1644 hecht de Monomotapa zijn teken aan een brief aan de koning van Portugal. In deze brief drukt hij zijn dank uit aan de Portugezen die hem tweemaal hersteld hebben op zijn troon: hij is vooral dankbaar aan Sismando Dias Baião. Uit dankbaarheid erkent hij João IV als zijn rechtmatige koningen hij verklaart dat zijn land behoort aan de Portugese Kroon; als teken van vazalliteit neemt hij zich voor een slagtand te betalen. Hij vraagt om voortzetting van de Portugese bescherming en hij wenst de curva te ontvangen die aan zijn voorgangers is gezonden; als tegenprestatie geeft hij alle onderdanen van de koning toestemming zich met hun handel vrij in zijn land te bewegen, conform een overeenkomst gesloten tussen hem en Baião.

Mavura komt zijn afspraak na zo goed als hij kan. Hij begunstigt de dominicanen, hij onderhoudt kerken en markten in Zimbabwe en hij geeft de handelaren vrij toegang. Maar de handelaren trekken voordeel uit hun positie door hun vuurwapens en privélegers. Zij bouwen private fortificaties en legeren daarin hun eigen vazallen, die zij weglokken van hun natuurlijke chefs. Deze handelaren, klaagt Mavura, “doen de inheemsen veel kwaad, zij doden enigen en verwonden anderen, stelen hun zonen en dochters en de koeien uit hun kudde, zodat ik iedere dag klachten ontvang in mijn Zimbabwe.” Er bestaan geen rechtsregels, geen rechtvaardigheid, maar algemeen geweld. Veel inheemsen trekken weg uit de goudproducerende streken, die ontvolkt raken en de chefs worden bevestigd in hun pogingen de mijnen te verbergen voor het geval de handelaren hen overvallen. De Monomotapa zelf kan niets doen om hen tegen te houden, want hij heeft geen autoriteit over de Portugezen, en zij behoren tot de machtigste bewoners van de Rios. De Karanga vallen meer en meer af en Mavura vreest een rebellie. Toen hij de misdaden van de handelaren met vroegere capitães van Moçambique had besproken, waren onbeschaamdheden zijn deel. Moniz da Silva geeft de capitão van Zimbabwe ten minste opdracht de handelaren in toom te houden, maar dit leidt tot niets. Mavura vraagt daarom dat de handelaren hun domicilie beperken tot Luanze, Massapa en Dambarare, en dat het hen verboden wordt private fortificaties te bouwen en de Karanga te onderdrukken. Als de inheemsen bevrijd zijn van tirannie, zullen zij opnieuw in de mijnen gaan werken. Hij bepleit ook dat het slechts christenen zal worden toegestaan om voor de handelaren te werken; veel inheemsen hebben hun chefs verlaten en volgen de handelaren, en dit verval van de samenhang van de stam is verantwoordelijk voor veel onrust.

Moniz da Silva bevestigt de slechte staat van de Rios. Het is essentieel dat rechtspraak wordt gesteund door macht. De eerste noodzaak is deze Portugezen te onderwerpen die weigeren te erkennen dat zij vazallen van de koning van Portugal zijn. Als eerste stap tot het terugdringen van geweld en tirannie en de restauratie van soevereiniteit, wordt besloten het Fort São Marçal weer in gebruik te nemen en daarin 30 soldaten te legeren. Om te trachten kolonisten aan te trekken beveelt de koning de landerijen aan de Rios te herverdelen onder de gehuwde mannen die daar naartoe zullen worden gezonden; bij overlijden gaat eenderde deel van het landgoed naar de erfgenamen, terwijl de rest ten dele wordt verdeeld onder de nieuwe immigranten en ten dele wordt gebruikt voor het garnizoen in Zimbabwe. Enkele van de pachtopbrengsten ontvangen van de landgoederen aan de Zambezi worden aangewend voor dit garnizoen.

De autoriteiten in Goa zijn dankbaar voor het toekennen van zulke landgoederen om het respect van de bewoners te garanderen, zolang er geen sprake is van Koninklijke macht, maar over het algemeen genomen denkt de vice-rei dat het meer noodzakelijk is het land te bevolken dan om enkele mensen die daar al lang wonen op hun nummer te zetten. Degenen die daar al zijn worden ontmoedigd te vertrekken en de koning spoort de vice-rei aan zich inspanningen te getroosten frisse kolonisten uit Indië te zenden. Er wordt een rechter met enige helpers naar de Zambezi gezonden om landgoederen te verdelen, maar het enige type dat zich in Afrika wil vestigen is de verbannen crimineel.

Door Monomotapa’s brieven wordt João IV met zorg vervuld over mogelijke acties van Karanga-rebellen, maar hij onderneemt niets tegen zijn oproerige vazallen. De onderkoning verklaart dat de brieven meer de meningen weerspiegelen van de personen die ze hebben geschreven dan van de monarch die zijn stempel op de zaak zet; de condities daar verschillen veel van de wijze waarop zij zijn voor-gesteld; hij heeft bevolen een nieuwe capitão in Zimbabwe te benoemen en hij geeft simpel opdracht de brieven in het archief op te bergen.

De Portugezen aan de kust van Mombaça gedragen zich niet wezenlijk anders dan hun landgenoten aan de Rios. De vrede opgelegd door de krachtige Cabreira blijft niet lang na zijn vertrek bestaan. Het is niet bekend wanneer de volgende ongeregeldheden precies zijn uitgebroken, maar in 1642 worden de factor in Pate en de kapitein van een galjoot op dat eiland gedood. De vice-rei zendt een rechter om een residência in te stellen naar de aftredende capitão van Mombaça, Martim Afonso Manuel, en naar de wanorde die onder zijn bewind is ontstaan. De aantredende capitão, Manuel de Sousa Coutinho, dient een onderzoek in te stellen naar de inhoud van een petitie van de sultan van Pate, die toestemming wil ontvangen de stadsmuren te herbouwen om Pate te kunnen verdedigen tegen haar vijandige buren.

Als de rechter, Manuel Coresma de Lacerda, in 1643 Faza bereikt, verschijnt de lokale sultan plotseling ’s nachts in zijn slaapverblijf, slechts vergezeld van een enkele dienaar. Hij verklaart zijn gehechtheid aan Portugal, maar hij beklaagt zich bitter over de lokale Portugezen, uit vrees voor wie hij zijn klachten niet in het openbaar durft te uiten. Hij beschuldigt hen ervan de wet in eigen hand te nemen, die arbitrair wordt toegepast en men weigert de eigen subjecten zonodig conform de wet te bestraffen. Hij uit een aantal klachten tegen individuele personen, speciaal tegen de lokale factor van capitão Afonso Manuel die, toen hij de sultan opvolgde, 500 cruzados heeft gevraagd om de opvolging te erkennen; hij heeft een olifant gegeven als geschenk aan de capitão, maar toen bleek de feitor zich achtergesteld te voelen. De feitor heeft ook geweigerd cartazes aan kustvaartuigen te verstrekken tenzij hij eerst smeergeld heeft ontvangen. De sultan van Faza klaagt ook over de sultan van Pate; hij verklaart dat hij de overeenkomst die hem is opgelegd door Cabreira verbroken heeft en hij heeft Gallas en Maracates in dienst genomen om oorlog te voeren tegen Faza. Hij klaagt op soortgelijke wijze over de sultans van Siyu en Manda. Coresma de Lacerda heeft zijn klerk deze klachten laten opschrijven en zij worden de volgende dag in het paleis aan hem en zijn bestuurders voorgelezen. Deze bevestigen de klachten en dat doen ook enige Portugese bewoners van Faza, onder wie de vicaris, een pater Augustijn. De rechter vindt de aantijgingen substantieel en hij beveelt aan Afonso Manuel en zijn feitor in Faza te arresteren en in ijzers naar Goa te zenden, waar zij zullen worden berecht door het Hooggerechts-hof. In de stad Pate vindt de rechter bevestiging van de vijandige acties. Hij ontbiedt de sultan van Pate en zijn bestuurders en hij waarschuwt hen plechtig de met Portugal en met de buren gesloten verdragen in acht te nemen; hen wordt opnieuw verboden Gallas of Mascarates naar het eiland te halen of bezittingen op het vasteland te verwerven. Als het rapport van Coresma de Lacerda’s devassa Lissabon bereikt, realiseert men zich daar hoe wezenlijk de herhaalde klachten van de sultans aan de kust zijn tegen de slechte behandeling van hen en hun onderdanen door de capitães van Mombaça en de lokale Portugezen. De koning beveelt de vice-rei de schuldigen streng aan te pakken en stappen te ondernemen om klachten in de toekomst te voorkomen; de vriendschap met de sultans dient bewaard te worden. Maar de eilanden aan de kust liggen ver van Goa en verkeerde daden kunnen niet worden beëndigd per decreet .

Het fortaleza van Mombaça is beschreven in 1643, het jaar waarin het weer compleet hersteld is, maar een tekort aan manschappen heeft. De omstandigheden aan de kust verslechteren en in 1644 wordt Mombaça beschreven als zijnde in zulk een kritieke staat dat het Conselho do Estado da India besluit tot het zenden van vier goed bewapende vaartuigen, met zoveel soldaten voor de verdediging van het fortaleza als er beschikbaar zijn. In dat jaar wordt de zoon van Faqih Ali, die is opgegroeid in Goa, als gouverneur naar Mombaça gezonden; de lokale capitão wordt geïnstrueerd hem beleefd te behandelen. Hij moet een nul aan de kust zijn geweest, volstrekt onbekwaam, bijvoorbeeld, om de inlanders van Pemba aan banden te leggen, die in gevecht zijn met de stadsbewoners van Faza.

Tegen het midden van de 17e eeuw verzwakt Portugals controle op Zuidoost-Afrika. Dit is niet te wijten aan enige verandering in de politiek, noch aan het loslaten van hoge principes die men er in Lissabon op na houdt, maar aan de groeiende onafhankelijkheid van Portugese inwoners, zowel aan de kust als in het binnenland. Hun betrekkingen met de inheemse bevolking wordt zo ongeremd dat lokale reacties onvermijdelijk zijn; zij zijn onafhankelijk van hogere autoriteiten, zodat de Portugese Kroon in feite niet meer heerst over enige eilanden aan de kust van het land van de Monomotapa.

1 Schip behorend tot de vloot van Sir William Courteen, die van Charles I patent heeft gekregen handel te drijven met de E.E.I.C.

x

Check Also

Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De Malediven. Expansie van het Império Português (1515-1521)

Deel 6 Index Hoofdstuk 7 Expansie van het Império Português (1515-1521) 7.1 De Malediven Geschreven door Arnold van ...

banner
Close
GDPR
EU laws require that we request your consent to the use of cookies. We use cookies to ensure that our site works properly. Some of our advertising partners also collect data and use cookies to publish personalized ads.




Subscribe to our YOUTUBE channel: