Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike
Torre de Belém, Lissabon, Portugal. Auteur Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De komst van de Hollanders naar Indië. De komst van Hollanders en Engelsen naar Indië

Deel 15 Index

Hoofdstuk 3.

De komst van Hollanders en Engelsen naar Indië

3.1. De komst van de Hollanders naar Indië

Geschreven door Arnold van Wickeren

De Staten van Holland en Zeeland, die het gehate Spaanse juk beu zijn, nemen op 29 maart 1580 een resolutie aan om nooit vrede te sluiten of onderhandelingen aan te gaan met de koning van Spanje op basis van zijn soevereiniteit over de Lage Landen. Dezelfde resolutie voorziet erin dat zijn naam – tot dan toe gebruikt in alle publieke akten – voor eeuwig zal worden doorgehaald, dat zijn zegel zal worden gebroken en dat de naam en het zegel van de Prins van Oranje daarvoor in de plaats zullen treden in alle organen en publieke documenten. Op 5 juli 1581 aanvaardt de Prins van Oranje de volledige autoriteit van Soeverein en hoofd van de Staat, zolang de oorlog met Spanje zal duren en op de 24e van dezelfde maand worden eden van trouw uitgewisseld tussen de Prins en de Staten. Twee dagen later, op 26 juli, publiceren de Staten-Generaal het Plakkaat van Verlatinghe, wat neerkomt op de afzwering van Philips II en de verklaring van onafhankelijkheid door de afgevaardigden van de Verenigde Provinciën. De Staten verklaren duidelijk dat hun afschuw van het Officie van de Inquisitie een van de belangrijkste oorzaken is van de afzetting van hun monarch en in de onderhandelingen tussen de gezanten van de Staten-Generaal en François-Hercule de Valois, Hertog van Anjou wordt opgemerkt, “De koning heeft getracht, onder het voorwendsel van handhaving van de roomse religie, met duivelse middelen de gehele gestrengheid van plakkaten en de Inquisitie in werking te stellen, terwijl de Inquisitie de eerste en ware oorzaak van al onze ellende is.”

Na de moord op de Prins van Oranje worden er serieuze beraadslagingen gehouden, of er een beroep op bijstand moet worden gedaan op Engeland of op Frankrijk, maar in het algemeen gaat de voorkeur uit naar Engeland. Er zijn agenten uitgezonden naar zowel Engeland als Frankrijk, om te voorzien, indien mogelijk, in een lichting troepen voor onmiddellijk gebruik; de poging heeft in Frankrijk geen succes, maar de Hollandse gemeente van de in Londen woonachtige gereformeerden stelt een bedrag beschikbaar van 9.005 florijnen, welk bedrag, met andere bijdragen, voldoende blijkt te zijn voor een regiment voetvolk, dat reeds korte tijd later in gedeelten aankomt in de Nederlanden. Walsingham, de minister van Koningin Elizabeth, bij de onderhandelingen met Holland, consulteert vaak Roger Williams, een oud-soldaat, die opmerkt als de juiste manier om Spanje aan te vallen ter sprake komt, “Ik ben er zeker van, dat als jij en Treslong, de Admiraal van de Staat, driemaal zeilen naar zijn Indië zenden, wij hem zullen dwingen zich te onthouden van verdere veroveringen en dat hij zich ermee zal moeten verzoenen dat andere vorsten leven als hij.” In Engeland wordt sterk gevoeld dat het toestaan dat de Verenigde Provinciën opnieuw onder het Spaanse juk komen, fataal zou zijn voor de religieuze en politieke belangen van Engeland en dat het toestaan dat Frankrijk in deze staten een overwicht zou krijgen nauwelijks minder schadelijk zou zijn. Koningin Elizabeth is een groot voorstander van een gezamenlijk protectoraat van Engeland en Frankrijk over de Nederlanden, maar in de tussentijd wordt William Davison door de Engelse Regering naar Den Haag gezonden om de gevoelens van de Staten-Generaal te peilen. De naar Frankrijk gezonden boodschappers, om de soevereiniteit over de Nederlanden aan te bieden aan koning Henri III, moeten na drie maanden naar Den Haag terugkeren, met een absolute weigering op hun verzoek. Eventuele annexatie van of het verwerven van de soevereiniteit over de Nederlanden zijn definitief van de baan. Het schijnt dat de koning van Frankrijk tijdens de onderhandelingen dubbel spel heeft gespeeld. Hij heeft recent van koningin Elizabeth de Orde van de Kousenband ontvangen, uit de handen van Lord Derby; nu poogt hij niet alleen de hem aangeboden soevereiniteit over de Nederlanden te ruilen tegen een mooie vergoeding voor de aanspraak van de koningin-moeder, Catharine de Medici, die erfgenaam is van de Portugese troon, maar hij stelt feitelijk pogingen in het werk de koning van Spanje ertoe te bewegen samen met hem een invasie in Engeland te ondernemen. Daarom kan veilig worden verondersteld dat Philips II, middelen heeft gevonden, koning Henri III ervan te weerhouden het aanbod te accepteren en tezelfdertijd heeft de diplomatieke druk van Engeland op hem hetzelfde effect. Afgezien hiervan, pogen agenten van Philips II in Frankrijk de bevolking van Parijs op te stoken tot een burgeroorlog, om dat land ervan te weerhouden zich te bemoeien met de belangen van de Nederlanden; en hij overweegt tezelfdertijd een invasie te ondernemen in Engeland. Zodra de onderhandelingen zonder resultaat zijn beëindigd, verliest de Engelse Regering geen tijd om de Staten vertrouwelijk te laten weten dat zij niet zonder bondgenoot zullen worden gelaten. De laatsten, die er geenszins bezwaar tegen hebben onderdanen van Koningin Elizabeth te worden, zijn niet in staat grote en belangrijke steden te verpachten, zoals Vlissingen, Brielle en andere, waarom was gevraagd, tot zekerheid voor de terugbetaling van de subsidies die Elizabeth van tevoren heeft gegeven. Zij geven er de voorkeur aan te betalen door het afstaan van soevereiniteit, boven betaling in geld, maar dit schikt Elizabeth niet.

Nadat de gezanten van hun niet-succesrijke missie naar Frankrijk zijn teruggekeerd, benaderen de Nederlandse gezanten in Engeland op 21 maart 1585 de ministers met het oog op de stichting van een Engels protectoraat. Op 22 april richten de Staten-Generaal een brief aan Koningin Elizabeth, waarin zij haar de soevereiniteit van de Verenigde Provinciën aanbieden. Na het bereiken van een goed onderhandelingsresultaat en na aankomst van frisse onderhandelaars uit de Nederlanden, wordt er op 12 augustus een verdrag gesloten, tussen de gezanten en de Lords of the Council, gericht op het ontzet van Antwerpen, in combinatie met een ander verdrag inzake permanente Engelse bijstand aan de Verenigde Provinciën. Het is een erkend feit dat de huidige oorlog van de Nederlanden de oorlog is van Engeland, van het protestantisme en van de Europese vrijheid en het is voor Engeland onmogelijk te vermijden dat het land daarbij betrokken raakt. Beide partijen trachten door onderhandelingen zich een goede uitgangspositie te verschaffen. Verder uitstel vindt plaats door behandeling in de Staten-Generaal, zodat het geratificeerde verdrag Engeland bereikt op 31 oktober 1585. Het tijdverlies veroorzaakt dat Antwerpen in handen valt van Spanje, voordat Engelse troepen kunnen worden ontscheept om dat te verhinderen. Er wordt nu besloten dat er een permanent Engels leger, bestaande uit 5.000 man voetvolk en 1.000 ruiters, op kosten van de Koningin, naar de Verenigde Provinciën zullen worden gezonden, en dat de steden Vlissingen en Brielle in Hare Majesteits handen zullen worden gegeven tot aan de algehele terugbetaling van het totaal van de daarvoor gedane uitgaven. De Engelse legermacht scheept zich in op 9 december 1585 in Harwich, onder commando van de Earl of Leicester, die ook vergezeld wordt door een afdeling lanciers, geworven op eigen kosten, een vloot van vijftig schepen en “the flower and chief gallants of England.” Deze expeditie bereikt Vlissingen op 19 december.

Tot aan die tijd zijn de Portugezen tevreden geweest met hun vloten Oosterse producten naar Lissabon te brengen, welke plaats druk wordt bezocht door handelsschepen van de Verenigde Provinciën, die over de middelen beschikken de handelsgoederen te distribueren over Noord-Europa. In het jaar 1585 beveelt Philips II dat alle Hollandse schepen, die op dat moment in Spaanse havens liggen, worden genomen, waarop de Staten-Generaal op 29 november het verbod uitvaardigt dat niemand met schepen en goederen waar dan ook naar toe mag zeilen in Spanje, Portugal, of welk eiland of plaats dan ook behorend aan de koning van Spanje, op straffe van verbeurdverklaring van schip en goederen, of de gezamenlijke waarde daarvan; en dat schippers of eigenaren van vaartuigen ook gestraft zullen worden als dit verbod met hun kennis en instemming wordt overtreden. Het verbod van de Staten-Generaal bewerkstelligt grote consternatie onder de kooplieden, aangezien, indien het strikt wordt uitgevoerd, de belangrijkste handel van de Nederlanden in handen van anderen zal komen. De Hollandse kooplieden zetten, om hun belangen veilig te stellen, hun handel op het Iberisch schiereiland voort met schepen onder neutrale vlag, Het verbod wordt, evenwel, lang voordat het wordt herroepen, nooit erg strikt afgedwongen. Maar soortgelijke verboden worden van tijd tot tijd uitgevaardigd en tussen 1585 en 1600 is door de Staten-Generaal wel tienmaal een verbod uitgevaardigd handel met Spanje en Portugal te drijven.

Vanaf 1565 hebben de Hollanders handel ontwikkeld met de landen in het noorden en tegen 1585 hebben zij het gebied van de Witte Zee bereikt. In 1581 ontvangt Gerard Mercator van Johan Belek een brief, waarin hij hem schrijft dat Cathay (China) via het noorden te bereiken is, door de al gedane ontdekkingen in die richting verder uit te breiden en korte tijd later stelt Balthasar de Moucheron aan Prins Willem van Oranje voor dat de regering steun zal verlenen aan het ondernemen van een expeditie via de noordelijke route naar China en Indië. De politieke stand van zaken in die tijd verhindert de Staten-Generaal om de gevraagde hulp te verlenen en het is niet eerder dan 5 juni 1594 dat de voorgenomen expeditie, onder bevel van Jacob van Heemskerck en Willem Barents, vertrekt. Indië blijkt echter niet via deze route te bereiken, maar in die periode heeft een man zitting in de Staten van Holland en West-Friesland aan wie de Hollanders veel dank verschuldigd zijn, niet alleen om de door hem verstrekte inlichtingen die hebben geleid tot hun deelname aan de handel met Indië, maar ook om zijn grote bijdrage aan de wetenschap en de vooruitgang van de beschaving. De bedoelde persoon is Jan Huygen van Linschoten. Hij is in 1563 geboren in Haarlem en is behept met een sterk verlangen tot reizen. Hij verlaat het ouderlijk huis op de leeftijd van 16 jaren en vertrekt naar Spanje, waar zijn broer woont en daarna naar Lissabon, waar hij in dienst treedt van de nieuw benoemde aartsbisschop van Goa, Dom Aleixo de Menezes o.e.s.a.. Na enige jaren in Lissabon te hebben gewoond, vertrekt hij met zijn werkgever naar Goa en verblijft daar van 1583 tot 1589 en klimt op tot boekhouder en secretaris van de aartsbisschop. Hij toont zich een zorgvuldig en ijverig waarnemer, hij vergaart een grote schat aan inlichtingen over bijna iedere tak van onderzoek, speciaal met inbegrip van de producten die de Portugezen in grote hoeveelheden via Cabo da Boa Esperança naar Europa transporteren. Van Linschoten keert in 1592 naar huis terug en in 1596 publiceert hij de resultaten van zijn jarenlange onderzoek, die begerig worden bestudeerd, niet alleen door wetenschappers, maar ook door kooplieden en zeevaarders. Hij publiceert ook een praktische handleiding van zijn reizen naar Indië voor zeevaarders. Hij beschrijft de route van Lissabon naar het Oosten, de stromingen, de passaatwinden, de moessons, de havens, eilanden, zandbanken, zich onderwater bevindende rotsen en gevaarlijke drijfzanden, en hij voegt aan zijn werk toe kaarten van landen en kusten, evenals verschillende astronomische en mathematische berekeningen. Linschoten is nog maar nauwelijks naar Holland teruggekeerd, of Amsterdamse kooplieden zenden, op advies van Peter Plancius, predikant en geograaf en een leerling van Gerardus Mercator, Cornelis de Houtman naar Lissabon, om verder onderzoek te doen naar de Indische handel; hij wordt gearresteerd voor het stelen van zeekaarten en keert na zijn vrijlating in 1594 terug naar Holland. Direct na zijn aankomst wordt er een vergadering belegd van de belangrijkste scheepseigenaren van Amsterdam, waarbij ook Peter Plancius aanwezig is. Als de belangrijkste vraag, de Indische handel, wordt besproken, wordt een resolutie aangenomen om spoedig een vloot naar Indië te zenden. Negen Amsterdamse kooplieden stellen gezamenlijk de noodzakelijke fondsen voor de expeditie beschikbaar. Zij richten de Compagnie van Verre op en zullen vier schepen doen vertrekken, schijnbaar voor een reis “naar de landen liggende aan de andere kant van Kaap de Goede Hoop.” Deze schepen – Mauritius, Hollandia of de Hollandsche Leeuw Amsterdam en het jacht of de pinas het Duyfken – zeilen op 2 april 1595 van de rede van Texel uit naar de Oost, onder bevel van Cornelis de Houtman en zijn eeuwige rivaal, de tweede koopman Gerrit van Beuningen. Zijn broer Frederik de Houtman is ook van de partij en Pieter Dircksz Keyzer is de loods. Deze schepen blijven bijna 2½ jaar weg. Uit financieel gezichtspunt is de expeditie niet erg succesrijk; de Amsterdam moest worden verbrand, omdat het schip volkomen ongeschikt was geraakt voor verder gebruik. De drie resterende schepen halen op de terugweg bij Sint Helena op 26 mei 1597 de Portugese retourvloot1, in en zij zijn 11 augustus2 1597 terug bij Texel, met slechts eenderde van de bemanning van de oorspronkelijke vier schepen. De vaart op Indië is echter geopend en er is een verdrag aangegaan met de koning van Bantam, de vorst van de belangrijkste peperhaven van West-Java.

In hetzelfde jaar dat de Hollanders hun eerste expeditie naar Indië zenden, legt Philips II, zonder enige waarschuwing, opnieuw beslag op alle Hollandse schepen, die zich in Spaanse wateren ophouden en hij confisqueert alle eigendommen van Hollandse kooplieden in het land. Hun boeken en papieren worden allemaal meegenomen, met de bedoeling daaruit het bedrag te achterhalen van de goederen en bedragen die men elkaar schuldig is en tevens aan de weet te komen in welke mate zij crediteuren van Spanjaarden of Portugezen zijn. Er wordt ook een proclamatie uitgegeven die behelst, dat geen Spaans onderdaan enige schuld aan een Hollander betaalt, op straffe van verbeurdverklaring van hetzelfde bedrag aan de kroon. Inlichtingen over dit onjuiste decreet bereiken Holland, via Sicilië en Antwerpen, waarop de Staten-Generaal op 12 augustus 1595 besluiten dat, om verder ongerief en verdere verliezen te voorkomen, hangende de ontvangst van verdere inlichtingen over dit onderwerp, alle betrekkingen met Spanje via zeevaart zullen worden opgeschort. Er worden bevelen gezonden naar de vijf Admiraliteiten (de Maas, Amsterdam, Zeeland, Friesland en het Noorderkwartier), die strikt verbieden dat schepen uit een Nederlandse haven uitvaren naar Spanje en Portugal en naar gebieden die afhankelijk zijn van de Spaanse Kroon. Later wordt het nieuws ontvangen dat alle in Spaanse wateren in beslag genomen schepen zijn geconfisqueerd en door de koning worden ingezet tegen de Hollanders, of tegen andere vijanden. De Staten-Generaal besluiten daarop, op 3 oktober 1596, dat teneinde de koning van Spanje alle middelen te onthouden die hij zou kunnen inzetten tegen het heil van de christenheid, alle schepen die worden gereedgemaakt om uit te zeilen naar Spanje, Portugal of Italië het dwingende bevel krijgen niet uit te zeilen. Een paar weken later, op 19 oktober, worden orders verstrekt aan de Admiraal van Holland en aan de afgevaardigden van de Admiraliteit een schip van de Maas te zenden naar het Kanaal tot aan Calais. Dit schip wordt bevolen, evenals alle andere Hollandse oorlogsschepen die het ontmoet, alle Hollandse schepen die zij zien en waarvan de kapiteins blijken op weg te zijn naar Spanje, Portugal of Italië, te verbieden hun reis naar ieder van deze landen voort te zetten, op straffe van het verlies van zowel het schip als de lading, en hen bevel te geven terug te keren naar Holland. Er worden ook schepen naar de Elbe en de Eems gezonden om dezelfde waarschuwing te geven aan Hollandse vaartuigen die daar worden aangetroffen. Dus in antwoord op de poging van Philips II de handel met Holland aan te tasten, nemen de Staten-Generaal de meest stringente maatregelen die zij maar kunnen bedenken, om verdere commerciële relaties tussen de beide landen te verbreken.

Dezelfde personen die ook de eerste reis onder Cornelis de Houtman hebben uitgereed, dus de bewindvoerders van de Compagnie van Verre, rusten wederom een vloot uit voor de “tweede schipvaart”. Deze vertrekt, onder bevel van admiraal Jacob van Neck en vice-admiraal Wybrandt van Warwijck op 1 mei 1598 met acht schepen en 560 koppen van Texel naar de Oost. Bovendien vertrekken dat jaar twee Zeeuwse expedities met twee en drie schepen, terwijl Mahu en Cordes met vijf en Olivier van Noort met vier schepen uit Rotterdam naar Oost-Indië vertrekken. Hiermee komt het totale aantal schepen die dat jaar naar Oost-Indië vertrekken op 22. Hieruit blijkt dat de Verenigde Provinciën vastbesloten zijn de veelbelovende onderneming voort te zetten. Uit de in de bijlage besproken reizen van de zogenaamde voorcompagnieën blijkt dat er al voor de oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) op 20 maart 1602, meer dan 60 schepen uit Holland en Zeeland naar Oost-Indië zijn gezonden. De Hollandse concurrenten komen niet alleen met grote vloten (de eerste VOC-vloot telt 12 schepen) naar de Oriënt om specerijen te verwerven waarop de Portugezen dachten het monopolie te bezitten, maar die men ook gaarne aan anderen verkoopt. De aanval van Wolfert Harmensz op de Portugese vloot van 30 schepen, die de Hollanders uit Bantam moest weren, op 3 januari 1603 heeft geleid tot een zeer smadelijke vlucht van de Portugese vloot naar Ternate. De nieuwkomers worden al van meet af aan zeer gevreesd door de Portugezen. Dauril Alden geeft daarvan een mooi voorbeeld. Als Nederlandse schepen3 zich in september 1601 voor Macau laten zien, ontstaat er zo’n paniek in de stad, dat overwogen wordt alle vrouwen en kinderen in veiligheid te brengen in het jezuïetencollege. Maar deze maatregel blijkt niet nodig te zijn; de sloep van een van de Hollandse schepen valt in handen van de Portugese verdedigers. De 20 inzittenden daarvan worden beschuldigd van piraterij en 17 van hen worden bijgevolg geëxecuteerd, maar niet dan nadat zij zich hebben bekeerd tot het katholicisme en de autoriteit van de paus hebben erkend.

1 bestaande uit de naus São Simão, Conceição, São Filipe en Vencimento do Monte do Carmo

2 16 dagen voordat de retourvloot de Taag binnenloopt

3 Het gaat om de Haarlem en Leiden uit de tweede vloot van Jacob van Neck, onder bevel van Gaspar Groensbergen

3.2 De komst van de Engelsen naar Indië

x

Check Also

Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De Malediven. Expansie van het Império Português (1515-1521)

Deel 6 Index Hoofdstuk 7 Expansie van het Império Português (1515-1521) 7.1 De Malediven Geschreven door Arnold van ...

banner
Close
Stay informed about Colonial Voyage