Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike
Torre de Belém, Lissabon, Portugal. Auteur Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De Kaapverdische eilanden en Opper-Guinée. De Atlantische eilanden en Opper-Guinée

Deel 9 Index

Hoofdstuk 1.

De Atlantische eilanden en Opper-Guinée

1.2. De Kaapverdische eilanden en Opper-Guinée

Geschreven door Arnold van Wickeren

De onbewoonde Arquipélago de Cabo Verde is ontdekt in de jaren 1456-1462 (zie deel II, pag. 113-114). Ofschoon de ontdekking van de Kaapverdische eilanden ook is opgeëist door de Venetiaan Alvise de Ca’ da Mosto en de Portugees Diogo Gomes, heeft de Genuees in Portugese dienst António da Noli in 1462 de eer gekregen in 1456 de eilanden São Tiago en Maio te hebben waargenomen. Diogo Afonso heeft rond eind 1461 de laatste westelijk gelegen eilanden ontdekt. António da Noli is de beoogd capitão van een van de twee op het grootste eiland Santiago te stichten capitanias, naar het voorbeeld van de capitanias op Madeira en de Azoren. Onder zijn leiding heeft zich in 1462 een groepje kolonisten, onder wie zijn broer Bartolomeo en zijn neef Raffaello, op de zuidelijke helft van Santiago gevestigd. Op 19 september 1462 is António da Noli formeel tot capitão van dit deel van het eiland benoemd, terwijl Diogo Afonso capitão wordt van het noorden van Santiago. Aan de zuidkust van het eiland wordt Ribeira Grande gesticht. Omdat de plaats gelegen is aan een goede haven, wordt zij een veilige aanloophaven voor de talrijke Portugese schepen die handeldrijven langs de kust van West-Afrika.

De vooruitzichten voor kolonisatie van de archipel zijn niet rooskleurig; het klimaat is weliswaar mild, maar er valt weinig regen en de eilanden kennen langdurige perioden van droogte, waardoor zij ongeschikt zijn voor het verbouwen van tarwe. Bovendien ligt de archipel erg ver van Portugal en zijn er geen sporen van goud of specerijen te bekennen. Om de bevolking van de Kaapverdische eilanden te bevorderen, verleent koning Afonso V kolonisten al in 1466 een aantal voorrechten. Zij worden vrijgesteld van betaling van bepaalde belastingen op exporten naar het moederland. Zij kunnen vrij handeldrijven in hun eigen koopwaren, zowel op de eilanden als daarbuiten, tegen een belastingheffing van 25% en zij genieten het monopolie op de handel met het reeds ontdekte deel van de Afrikaanse kust. Dit is bij benadering de kust van Opper-Guinée vanaf de monding van de Senegal tot de Serra Leoa. De privileges die de Kaapverdianen genieten gelden ook voor Portugezen die zich vestigen aan de kust van Opper-Guinée. De maatregelen sorteren effect. Beide capitães slagen erin nieuw-komers aan te trekken, die weer worden gevolgd door andere blanke kolonisten, onder wie enige priesters. In 1466 maakt Noli namelijk melding van de komst van twee franciscanen: Frei Rogerio en Frei Jaime, naar zijn capitania Ribeira Grande. Het aangeplante suikerriet levert suiker van prima kwaliteit. Ook de katoenteelt wordt een succes, evenals de veeteelt, maar de tarweoogst wordt door sprinkhanen vernield. Omdat er op de Kaapverdische eilanden, evenals op de Azoren, een soort korstmos, urzela, groeit waaruit een purpere kleurstof wordt gewonnen, komt ook de kledingindustrie tot ontwikkeling. Er worden zwarte slaven van het vasteland geïmporteerd, die op de plantages en in de kledingindustrie worden tewerkgesteld. Omdat zich onder de eerste kolonisten maar enkele blanke vrouwen hebben bevonden, hebben veel immigranten kinderen bij zwarte vrouwen verwekt. Het gevolg is dat er op Santiago een gemengde bevolking opgroeit. Het eiland bereikt een zekere welvaart die weer nieuwe kolonisten aantrekt. Kolonisatie van andere eilanden blijft voorlopig uit. Weliswaar hebben al in de jaren zestig lieden behorend tot het huishouden van koning Afonso’s broer, prins Fernando, zich als kolonisten op Fogo gevestigd, maar zij hebben zoveel problemen ervaren dat zij al weer snel vertrokken zijn. Een soortgelijke ontwikkeling heeft zich op Maio voorgedaan.

In 1476 worden de kolonisten op Santiago door een ramp getroffen. De kleine sterkte Ribeira-Grande wordt in dat jaar belegerd door een grote Castiliaanse vloot, onder bevel van admiraal Carlos de Valera. Ribeira-Grande wordt gebrandschat capitão António da Noli en enige andere kolonisten worden door Valera gearresteerd en hij maakt niet minder dan 400 slaven buit. De Castilianen overvallen ook de andere Kaapverdische eilanden. Veel tegenstand ontmoeten zij daarbij niet omdat de kolonisatie daarvan nog maar nauwelijks begonnen is. António da Noli ontkomt aan gevangenschap wegens schending van door Castilië opgeëist gebied, door afstand te doen van het hem toevertrouwde gouverneurschap en trouw te zweren aan koning Ferdinand. Daarop wordt hij hersteld in zijn waardigheid. Het overlopen van Noli is voor Castilië een groot voordeel; hun capitán is niet alleen een ervaren koopman, zeeman en carto-graaf, maar hij is ook volledig vertrouwd met de Portugese commerciële gewoonten aan de Minakust. Hij laat weten dat de schelpen van de trompethoornslak, die op de stranden van de Kaapverdische eilanden worden gevonden, zeer gewilde ruilwaar aan de Minakust vormen. Enige jaren later komt er een einde aan de oorlog tussen Portugal en Castilië. In het Verdrag van Alcáçovas (1479) erkennen de Reyes Católicos Portugals soevereiniteit over de Kaapverdische eilanden. Noli weet zich kennelijk vrij te pleiten van verraad, want hij behoudt zijn capitania tot aan zijn overlijden kort voor 8 april 1497. Uit een document van die datum blijkt dat de capitania Ribeira Grande overgaat op de Jorge Correia, voorheen capitão-mór in de Golf van Guinée (zie deel II, pag. 131), omdat hij gehuwd is met Noli’s dochter en erfgename Dona Branca de Aguiar.

De economie van Santiago ontwikkelt zich na 1466 voorspoedig. Door de komst van nieuwe immigranten en de bouw van een ziekenhuis (1497) wordt Ribeira Grande een plaats van enige betekenis. De producten van de kledingindustrie vormen de voornaamste handelswaar van de Kaapverdianen langs de kusten van Guinée en aan de Minakust. Naast kleding en kleurstoffen exporteren de Kaapverdische eilanden katoen, suiker, zout van het eiland Sal, vis, fruit en kruiden. De op de stranden van de eilanden ruim voorhanden zijnde schelpen van de trompethoornslak doen op het vasteland dienst als geld. Voor fraaie schelpen ontvangen de Portugezen niet alleen ivoor en slaven, maar zelfs goud. Omdat te grote export van trompet-hoornschelpen naar het vasteland daar tot inflatie leidt, verbiedt Afonso V in 1480, de particuliere export van deze schelpen. Overtreders van dit verbod wacht geseling, confiscatie van hun goederen en verlies van hun burgerlijke rechten. João II (1481-1495), die meer grip op de gang van zaken in Guinée uitoefent dan zijn vader, laat de capitães van de Kaapverdische eilanden weten dat zij dienen te gehoorzamen aan de door de kroon gezon-den vedor da fazenda, die hun boeken komt onderzoeken en die nagaat in hoeverre hun optreden legaal is. De capitães wordt te verstaan gegeven dat zij de vedor da fazenda alle gevraagde medewerking dienen te verschaffen, op straffe van het verlies van hun capitania. Vanaf dit moment zijn de capitães onderwor-pen aan toezicht, controle en zo nodig bestraffing door de kroon.

De kolonisatie van de andere eilanden dan Santiago heeft lang op zich laten wachten. Pas in 1510 wordt Fogo effectief bevolkt, onder leiding van een eigen capitão. Nadat Maio gesplitst is in twee (rivaliserende) capitanias komt ook daar de kolonisatie op gang. Op Boavista graast vee, waarvan de eigen capitão de vruchten plukt, maar het eiland blijft voorlopig onbewoond. De andere eilanden, waarvan de grotere zijn: Santo Antão, São Vicente, Santa Luzia, São Nicolau, Sal en Brava, blijven onbewoond tot aan het einde van de 17e, of tot het begin van de 18e eeuw. Omdat er vee graast op deze eilanden, leveren zij huiden, vet en vlees, naast het zout van het eiland Sal. Dat de eilanden niet gekoloniseerd worden is daaraan te wijten dat hun capitães rijke in Portugal wonende bureaucraten zijn. Zij voelen er niets voor het risico van de kolonisatie te lopen en zelf in hun capitania de handen uit de mouwen te steken.

Santiago ontwikkelt zich al spoedig tot het handelscentrum met Opper-Guinée. Portugese kolonisten en handelaren steken over naar de kust, om daar handel te drijven. De oorspronkelijk kolonisten worden spoedig gevolgd door avonturiers, afvalligen en verbannenen (degredados) die hun burgerlijke vrijheden hebben verloren. De laatsten hebben van koning João II verlof gekregen zich op de Kaapverdische eilanden te vestigen. Hun manier van optreden tegenover de zwarten is niet bevorderlijk voor de officiële handel van Santiago met het vasteland. De Kaapverdianen stichten een reeks blanke handelsposten aan de kust ten zuiden van Cabo Verde, zoals Beziguiche op het Ilha das Palmas (Gorée) en Rufisque, Rio Fresco, Portudal en Joala aan Senegalese kust. Later zullen er ook handelsposten gesticht worden in het toekomstige Portugees Guinée: Biguba (ca. 1550), Cacheu (1587), Farim (1642), Zinguichor en vele anderen. Deze en niet genoemde handelsposten bestaan soms maar korte tijd, maar de geschiedenis van Cacheu en Bissau zet zich voort tot in onze tijd. Kolonisten en degredados dringen via rivieren en kreken diep het achterland binnen. Sommigen van hen vestigen zich in bestaande dorpen, en leven temidden van de zwarte bevolking, waar zij en hun mulatto-nakomelingen optreden als lasthebbers of tussenpersonen bij de ruilhandel tussen blank en zwart, waarbij zij goud, ivoor, maar ook slaven verwerven. De slaven zijn veelal bij stammenconflicten gemaakte krijgsgevangenen die door de zegenvierende stam-hoofden gretig worden geruild met de Portugezen.

Sommigen van de zich in Afrikaanse dorpen neergelaten hebbende blanke en Afro-Portugezen gaan in hun aanpassing aan hun omgeving zover dat zij hun kleren uittrekken, hun lichamen tatoeëren, de lokale taal overnemen en zelfs deelnemen aan inheemse riten en erediensten. Aanvankelijk worden zij aangeduid als lançados, maar later is voor hen de term tangos-maus in zwang geraakt. Jaime Cortesão citeert de jezuïet Fernão Guerreiso, die over de lançados schrijft: `Muitos deles andam nus e para mais se acomodarem e co-naturalizarem com os gentios da terra onde tratam, riscam o corpo todo com um ferro, ferindo-o até tirarem sanque e fazendo neles muitos louvores …’ (`Velen van hen liepen naakt en om zich meer aan te passen en zich nog minder te onderscheiden van de mensen van het land waar zij verbleven, schraapten zij met een stuk ijzer over hun gehele lichaam, zich tot bloedens toe verwondend, waarbij zij zich in alle bochten wrongen.’)

De opeenvolgende Portugese koningen hebben geen bezwaar tegen rasvermenging, maar zij kunnen moeilijk toestaan dat veel lançados over hun handel geen belasting aan de kroon afdragen. Uiteindelijk wordt in 1518 tegen deze belastingontduikers de doodstraf afgekondigd, maar dit blijft een dode letter, omdat de Portugese kroon geen rechtsmacht heeft buiten de factorijen en de onmiddellijke omgeving van de forten aan de Minakust. Een nog veel grotere ergernis voor de kroon is dat Kaapverdianen er soms niet voor terugdeinzen het monopolie van de koning op de handel in goud te breken. Zo komt van de overigens bescheiden hoeveelheden goud die Serra Leoa oplevert (zie hierna en deel II, pag. 120 en 121) maar weinig in de Casa da Moeda terecht. Het meeste goud van de Rio das Palmas wordt bemachtigd door particuliere handelaren, vooral Kaapverdianen. Het aantal cruzados dat de Casa da Moeda kan laten aanmunten van het goud dat voor rekening van de koning uit Serra Leoa en dan voornamelijk van de Rio das Palmas ontvangen is, bedraagt in de jaren 1520, 1521, 1523 en 1524 niet meer dan respectievelijk 100, 267, 566 en 413 stuks. De afstammelingen van de tangos-maus zullen tot in de 19e eeuw een ergernis voor Lissabon blijven. Het is overigens aan de vele lançados te danken dat de Portugese taal de lingua franca van Opper-Guinée wordt en hij zal dat in veel streken blijven lang nadat de Portugese handels-hegemonie is teloorgegaan.

De Portugezen zijn in Afrika allerminst uit op veroveringen. Ook tijdens de 16e eeuw streeft Portugal naar het handhaven van vreedzame betrekkingen met belangrijke potentaten in het binnenland van Opper-Guinée. Zo zendt de factor van de Casa da Mina, João de Barros, in 1534 Pero Fernandes in naam van koning João III met een boodschap naar de Mandi-Mansa, de koning van Mali, met de opdracht zijn hulp in te roepen bij het oplossen van problemen die de Portugezen aan de Minakust ondervinden, bij de aanvoer van goud uit het binnenland. Alleen als er geen stammenconflicten zijn, floreert de handel. blanke en Afro-Portugezen handelsagenten bewegen zich vrij in het stroomgebied van de Senegal en de Gambia. De kust van Guinée wordt door de kroon gesplitst in een aantal gebieden, waarop het handelsmonopolie, tegen betaling van een jaarlijkse pachtsom aan de kroon, voor perioden van drie jaar gegund wordt aan verschillende concessionarissen.

Onder verwijzing naar hoofdstuk 4 van deel VIII, waarin uitvoerig is ingegaan op de dalende goudontvangsten van São Jorge da Mina en Axim ten tijde van João III en op de oorzaken daarvan, zij eraan herinnerd dat de goudontvangsten uit Guinée na het overlijden van koning Manuel juist aanzienlijk toenemen. De aantallen uit deze ontvangsten geslagen cruzados lopen op, totdat in 1532 niet minder dan 5.000 cruzados uit het goud van Guinée kunnen worden aangemunt. Voor de jaren 1533-1550 ontbreken de gegevens, hetgeen erop kan wijzen dat in die periode al het goud uit Guinée in handen is gekomen van particuliere handelaren, vooral de Kaapverdianen. Ook is niet onmogelijk dat de betekenis van de goudhandel in deze periode is afgenomen. Een aanwijzing hiervoor is de opmerking van Jean Alfonse, een Portugese pilot die Fransman is geworden. Hij schrijft in 1544: in de veelheid van kleine rivieren tussen de Gambia en de Serra Leoa worden zuiver goud en krachtige slagtanden verzameld, maar over het geheel genomen neemt het edele metaal in deze streken geen plaats van groot belang in; de handel bestaat uit andere goederen dan goud. In de jaren 1551 en 1552 ontvangt de Casa da Moeda opnieuw aanzienlijke hoeveelheden goud voor rekening van de koning uit Guinée. In 1553 volgt een scherpe daling tot het equivalent van 1118 cruzados. Daarna wordt in het geheel geen goud meer uit Guinée ontvangen.

De handel van de Portugezen aan de kust van Serra Leoa is van geringe betekenis, hoewel op verschillende plaatsen aan deze kust kleine hoeveelheden goud verkregen worden. Hiervoor is het dorp Quinamo, gelegen een stukje stroomopwaarts aan de Rio das Palmas, vooral van belang. In Quinamo verwerven de Portugezen jaarlijks goud ter waarde van 1.500 dobras. Soms kopen zij ook enkele slaven. Goud en slaven worden geruild voor kornalijnen, manilhas, geelkoperen kommen, roodgeverfde en andere stoffen, tin en zout. Het goud van Serra Leoa vermag het enthousiasme te wekken van Jean Alfonse. Hij laat daarover in 1544 weten: `Tussen de stad Jago en het kasteel van de ‘Myne’ is een gebergte waar het zuiverste goud ter wereld wordt gevonden.’ En een andere keer schrijft hij: ` en toute ceste terre y a de l’or fin, principalement en la montaigne Lyonne.’ Hiermede bevestigd Jean Alfonse de woorden van Álvaro Velho do Barreiro, die niet geaarzeld heeft aan het begin van de 16e eeuw over Serra Leoa te zeggen dat `Em esta terra ha ouro e ho mais fim q ha em toda terra de Guynee.’ Dat de Portugezen zich ook nog ten tijde van João III met de goudhandel in Serra Leoa bezighouden, weten we weer van Jean Alfonse. Hij schrijft: `Aan de voet van het gebergte, daar waar aan de rivier het dorp Laou ligt, wonen Portugezen vanwege het goud dat er is.’ (Laou is waarschijnlijk het huidige Port-Lokko.)

De welvaart van Santiago is mede te danken aan de handel in slaven met Guinée. Als tegen het einde van de regeringsperiode van João III de export van zwarte slaven naar Brazilië goed op gang komt, wordt Santiago een entrepot voor slaven die wachten op verscheping naar de Nieuwe Wereld. Boxer schat dat de Portugezen in de tweede helft van de 16e eeuw 150.000 zwarte slaven uit Guinée betrekken. De belangrijkste bron van inkomsten van Santiago vormt het ravitailleren van Portugese schepen, die op weg zijn naar Indië, of die daarvan terugkeren naar Portugal. Zij vinden in Ribeira Grande en Praia de Santa Maria uitstekende ankerplaatsen, waar zij water, maïs, vlees, vis en fruit innemen, zoals de vloten van Vasco da Gama in 1497 en van Pedro Álvares Cabral in 1500 hebben gedaan. In de loop van de 16e eeuw wordt het aanbod van voedsel gevarieerder. Het bestaat uit: geiten, gevogelte, maïs, zout, rietsuiker, vis, fruit en kruiden. Daarnaast exporteren de Kaapverdische eilanden, behalve kleding, kleurstoffen en katoen, ook paarden en muil-dieren. Ondanks een zekere welstand die Santiago heeft bereikt verloopt de kolonisatie heel traag; de bevolking blijft min of meer stabiel. Van de Kaapverdische eilanden kan alleen Santiago de vergelijking met de Azoren en Madeira doorstaan. Ribeira Grande groeit uit tot een vila en wordt in 1533 enigszins voorbarig betiteld als stad, als het is aangewezen tot Sedes Episcopalis van het bisdom Cabo Verde. De bisschop van Kaapverdië oefent ook zeggenschap uit over de gebieden aan de westkust van Afrika, van Marokko tot aan Guinée. Zoals eerder vermeld is, heeft koning João II de capitães van Kaapverdië al in de 15e eeuw onderworpen aan toezicht, controle en zonodig bestraffing door de kroon. In 1534 wordt de macht van de capitães nog verder ingeperkt. In dat jaar verschijnen de eerste corrigadores (juridi-sche ambtenaren) op de eilanden en in 1600 zullen de capitães plaatsmaken voor koninklijke gouverneurs.

Tenslotte dient nog enige aandacht te worden geschonken aan de Portugese positie aan de Peper- of Graankust ten tijde van João III. Godinho vermeldt dat Dom António de Ataíde, graaf van Castanheira, ’s konings schatmeester en meest invloedrijke minister, zijn vorst in de loop van het tweede decennium van de 16e eeuw laat weten dat de handel in malagueta, zijnde de pepersoort aan deze kust, ‘devasso’ is geworden, dat wil zeggen dat vreemdelingen erin slagen hun aandeel in deze handel te verwerven. Het middel om dit tegen te gaan, is volgens de Vedor da Fazenda de bouw van een fort aan de Peperkust; maar naast andere hindernissen is het vooral het budgettaire tekort dat de bouw van zulk een fort verhindert. Om de Portugese handels-belangen tegen indringers te beschermen laat João III vanaf circa 1529 (bijna) elk jaar de Peperkust bewaken door een Portugees eskader. In oktober 1532 vertrekt Duarte Coelho, een van Portugals befaamste zeevaarders (zie deel VIII, o.a. pag. 101) naar de Graankust om er een fort te bouwen. Zijn vloot, die 400 koppen aan boord heeft, bestaat uit een groot galjoen, een schip van gemiddelde grootte en drie karvelen. Deze poging slaagt echter niet. In 1540 wordt een tweede poging gewaagd. Dit keer met een versterkt eskader onder bevel van Manuel de Macedo, dat bestaat uit twee kraken, drie galjoenen en drie karvelen. Het eskader vertrekt eind oktober met 700 man en materialen voor de bouw van de fortificaties aan boord. Een storm doet deze nieuwe poging stranden; de capitania raakt lek en twee andere schepen zijn gedwongen beschutting te zoeken in Galicische havens. Men had gehoopt dat de armada machtig genoeg zou zijn geweest `os cossários, que a continuavam com teima e force’ de Graankust te bezoeken, daarvan te verdrijven.

Het nieuwe échec verklaart de ontgoochelde toon van het rapport van de Vedor da Fazenda uit 1542: het constateert dat de `trato de malagueta was ‘devasso’ gedurende 28 of 29 jaar. En daar-aan zal geen einde komen. In 1547 keert een schip, toebehorend aan Antonio de Pesquera, waarmee ook Portugezen reizen, naar San Lúcar de Barrameda terug met onder meer een lading goud en paradijskorrels (malagueta). En het volgende jaar wordt een Castiliaans vaartuig dat dezelfde reis maakt, opgebracht door een schip van de koning van Portugal, die protesteert bij keizer Karel V. De Franse kroniekschrijver André Thevet bericht dat de zwarten, die van ‘cap des Trois Pointes jusqu’au cap des Palmes’ varen, in het derde kwart van de 16e eeuw uit angst voor de Portugezen, in hun barken beschikken over een geheime bergplaats, waarin zij de paradijskorrels aan boord van Franse en Engelse schepen brengen.

Uit het voorgaande valt niet af te leiden dat de Portugezen, ondanks de aantasting van hun handel door vreemdelingen, toch nog grote hoeveelheden malagueta weten te verkrijgen. In 1537 moet Portugal, ondanks dat het land een politiek van vaste prijzen hanteert, genoegen nemen met een prijs van 12 cruzados voor een quintal paradijskorrels, tegen 15 cruzados per quintal in 1512. De oorzaak daarvan is dat de koning van Portugal in 1537 niet minder dan de enorme hoeveelheid van 400 quintais malagueta verkoopt.

De relaties met het koninkrijk Benin 2.0 De eerste contacten met Benin, de factorij in Ughoton en de rol van de eilanden São Tomé en Príncipe.

x

Check Also

Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De Malediven. Expansie van het Império Português (1515-1521)

Deel 6 Index Hoofdstuk 7 Expansie van het Império Português (1515-1521) 7.1 De Malediven Geschreven door Arnold van ...

banner
Close
Stay informed about Colonial Voyage