Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike
Torre de Belém, Lissabon, Portugal. Auteur Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De eerste reis van Diogo Cão; contacten met Congo

Deel 2 Index

Hoofdstuk 3

De maritieme expansie ten tijde van João II (1481-14­95)

3.4 De eerste reis van Diogo Cão; contacten met Congo

Geschreven door Arnold van Wickeren

In 1482 wordt niet slechts de Portugese macht aan de Mina-kust gevestigd, door de bouw van het kasteel São Jorge da Mina, het is tevens het jaar waarin de ont­dek­kings­rei­zen hiervat worden. De exploratie van de kusten van Afrka geschiedt, anders dan in het verleden, onder ko­nink­lij­ke auspi­ciën. João II heeft de expedities terdege voorbe­reid. De koning heeft een groep advi­seurs om zich verza­meld die de vergelij­king met die van Henrique glansrijk kan door­staan. Genoemd kunnen worden: Meester Rodrigo, lijfarts des konings en wiskundi­ge, bis­schop Diogo Ortiz van Ceuta, biechtvader van João, de jood José Vizinho, discipel van Abraham Zacuto van Salaman­ca, die tien jaar later zelf ook naar Lissabon k­omt. De eerste expedi­tie die João II naar Afrika uitzendt, staat onder leiding van Diogo Cão, dezelfde die kort daarvoor met drie buitge­maakte Castiliaan­se sche­pen van de Mina-kust is terugge­keerd. Voor de rest is van Diogo Cão nauwe­lijks iets be­kend. Zijn groot­vader Gonçalo Cão heeft zich onder­scheiden in de oorlog tegen Castilië en zijn vader heeft koning Afonso V gediend. Diogo Cão, die rond het midden van de 15e eeuw geboren moet zijn, heeft zijn uitver­kiezing wellicht te danken aan zijn doortas­tende optre­den aan de Mina-kust. Alle origi­ne­le docu­men­ten die betrek­king hebben op de reizen van Cão (en Bartolomeu Dias), zoals de regimentos (opdrachten) en de logboeken, zijn verlo­ren gegaan bij de aardbe­ving van 1755. Wat het regimento betreft, schrijft ­Fernão Lopes de Cast­anheda, dat João II de ontdekkingsrei­zen wilde voortzetten, om zijn gebieden te vergroten. Hij voegt daaraan toe: `Naar het hem toe­leek, zou hij langs die kust het rijk van Preste Joam, over wie hij had horen spre­ken, kunnen ontdek­ken, zodat het langs die weg mogelijk zou worden Indië binnen te komen en zijn kapiteins de rijkdom­men te laten wegha­len die de Venetia­nen te koop aanbie­den,’ om het land van Preste Joam te vinden om van­daar Indië te bereiken en om aldus zijn kapi­teins beslag te laten leggen op de rijkdom­men van dat land, die de Vene­ti­anen te koop aanbie­den. Castan­heda geeft echter geen verslag van de reizen van Diogo Cão. Anderen die iets vermelden over de expedi­ties van Cão zijn Martin Behaim en Duarte Pacheco Pereira, die beiden in São Jorge da Mina verbleven toe Cão op de heen­weg van zijn eerste reis daar ankerde, en tenslotte João de Barros. Al hun opmerkingen bij elkaar geven echter een zeer fragmen­taris beeld van de belangwekkende reizen van Diogo Cão.

Het feitelijk verloop van de expe­di­ties van Diogo Cão en Bartolo­meu Dias kan min of meer worden afgeleid uit de atlassen die kort na hun reizen zijn vervaardigd. Aller­eerst is er de `Cantino-atlas’. Degene aan wie de atlas zijn naam ontleent, Alberto Cantino, is geens­zins de vervaardi­ger. Alberto Canti­no is een geheim agent, doe door Ercole d’Es­te, hertog van Ferrara, onder het mom van handelaar in paarden, naar Portugal is gezonden. Hij vindt een Portugese cartograaf bereid om voor twaalf gou­den ducaten een af­schrift te maken van de officiële atlas van de bekende wereld. De atlas, die Cantino in november 1502 naar hertog Ercole zendt en die in Modena wordt bewaard, wordt later aan de hand van inlichtingen verkregen van andere spion­nen, aangevuld. Hij bevat niet minder dan 109 topografische namen tussen Cabo de Santa Catarina en het verst door Bartolomeu Dias bereikte punt. Een andere bron vormt de Ginea Portugalexe, een in 1485 door de Venetiaan Christof­oro Soligo vervaardigde kaart naar een verloren gegaan Portugees origi­neel, die in het British Mu­seum wordt be­waard. Voorts is er de wereld­atlas van Henri­cus Martel­lus Germa­nus in Florence, opgeno­men in zijn Insulari­um Illustra­tum. Deze in 1489 vervaardigde atlas, bevindt zich even­eens in het British Mu­seum. Tenslotte kennen we nog de wereldat­las die Juan de la Cosa in 1500 vervaardigd heeft voor de Spaanse autori­teiten. Deze wordt bewaard in het Museo Naval in Madrid. In de beroemde globe die Martin Behaim uit Neuren­berg tussen 1490 en 1493 vervaardigt, is de Afri­kaanse kust ten zuiden van Guinée veel minder nauw­keurig aangegeven. Hieruit kan worden afgeleid, dat de bewe­ring van Behaim, dat hij zich bij Diogo Cão aan boord heeft bevonden, zeer twijfelachtig is. Eric Axelson lijkt het on­waar­schijnlijk dat koning João II heeft toegestaan dat een buitenlander aan de belangrijke expeditie van Diogo Cão zou deelnemen. Omdat over de be­lang­wek­ken­de reizen van Cão zo weinig met zekerheid bekend is, terwijl het resultaat van de tweede reis, bo­ven­dien om­stre­den is, speculeren historici tot op de dag van vandaag over de ware toedracht van de verschillen­de ge­beurtenissen van Cão’s ontdekkings­reizen.

Als Cão uitvaart, hebben ‘s konings adviseurs hun voor­naam­ste werk, het in 1495 uitgegeven Regi­mento do Astro­labio e do Quadran­te, al bijna voltooid. Het is vrijwel zeker dat Cão over dit hand­boek, dat de nieuwste portolani bevat, alsmede over de recente kaarten van Fra Mauro en Andrea Bianco, kan beschik­ken. De navigatie-instru­menten waar­mee Cão werkt, zijn verbe­terd. Martin Behaim heeft het astrolabi­um toepasbaar gemaakt voor het gebruik op zee en ook het kwa­drant is verbeterd, terwijl de zandlopers nauw­keu­riger zijn ge­wor­den. Wellicht heeft Cão reeds een vroege kruis­staf aan boord. Afschoon het Portugese hof er veel aan gelegen is de verde­re exploratie van de Afrikaanse kust geheim te houden, lukt dit niet. Het stijgende aanbod van goud in Europa wekt de belangstelling van bankiers in het Rijnland en van ande­ren. De Duitsers hebben van hun belangstelling blijk gegeven in de persoon van Martin Behaim, terwijl de Castilia­nen en de Vla­ming Eustache de la Fosse getracht hebben zaken te doen aan de Mina-kust. Ook de Italia­nen, met hun grote maritie­me tradi­tie, zijn zeer nieuws­gierig naar de resultaten van de Portuge­se ontdek­kingsrei­zen. Dit bleek bijvoorbeeld reeds uit het verhaal van de Cantino-atlas.

Aangenomen wordt dat de mededeling van Martin Behaim, dat Diogo Cão met twee karvelen ver­trekt, juist is. Hij zeilt waarschijnlijk in het voorjaar (van 1482) uit. Het ligt voor de hand dat hij naar São Jorge is gevaren, om in de beschutte baai bij dit nog niet voltooide fort de schade aan de karvelen te herstellen, zijn mannen op verhaal te laten komen en fris water, brandhout en proviand in te nemen. Voorts wordt veronder­steld dat Cão hier nauw­keurig ervarin­gen heeft uitgewis­seld met in het fort aanwezi­ge ervaren zeelie­den als João Afonso de Aveiro en Bartolo­meu Dias. Deze veronder­stelling berust op de aanname dat koning João aan Diogo Cão de instruc­tie heeft gegeven na te gaan of datgene wat de door Fernão Gomes uitgezonden expedi­ties hebben gemeld over de kust voorbij São Jorge in overeen­stem­ming is met zijn eigen waarne­mingen. Kenne­lijk komen de bevin­dingen van Aveiro en Dias in hoge mate overeen met de gegevens op de portolani van Cão, dat hij afziet van verken­ning van een deel van de te onder­zoeken kustlijn en recht­streeks van de Mina-kust over­steekt naar de Cabo de Santa Catarina, waarmee hij de gehele Bochts van Biafra afsnijdt. Achthonderd­vijftig mijl over open zee, het­geen een bewijs is dat het alleen bij dag langs de kust varen, heeft plaats gemaakt voor een nieuwe vorm van navigatie. Uit de vele nieuwe topografische namen in de `Cantino-atlas’ kan wor­den afgeleid, dat Diogo Cão vanaf Cabo de Santa Catarina de kust plichts­getrouw heeft onder­zocht; mogelij­ke door­gan­gen worden verkend en grote rivieren worden een eind­weegs opgeva­ren in de hoop in contact te komen met volkeren die weet hebben van Preste Joam. Wellicht blijkt dat diens rijk bereikt kan worden door een grote rivier op te varen. Uit de gegeven namen kan worden afgeleid wat hem aan de kust is opgevallen. Vanaf de Cabo de Santa Catarina zeilt Cão langs de Serra do Espiri­to Santo en komt aan een niet geïdentificeerde kaap, die hij vernoemt naar Pero Dias. Hierdoor weten we dat de broer van de beroemde Bartolo­meu Dias aan de expeditie van Cão heeft deelgeno­men, wellicht zelfs als tweede man. Enkele andere markante punten die Cão van een naam voorziet zijn: het brede strand bij het huidige Setté Cama, dat hij Praia Impe­ratoris noemt; de Ponta das Barreiras, bij het huidige May­oumba; de Ponta das Montes en de Dous Montes. Aan de kust van het huidi­ge Zaire bereikt Cão een schitterende baai, die hij daarom Praia Formosa noemt. Het is de huidige Loan­gobaai. Het gebergte aan deze baai ver­schijnt onder de benaming `Sera da Praia Fermosa de S. Domenego’ op kaarten uit die tijd. Als de benaming van Cão afkomstig is, dan moet hij op 24 maart (1483), de feestdag van Sint Dominicus, in de Loan­gobaai zijn ge­weest. Verder naar het zuiden ontwaart Cão een rood­achtig gebergte. Een top daarin noemt hij daarom de Ponta da Barreira Vermelho. Een volgende baai ontvangt de naam Golfo das Almadias (Cabin­dabaai), omdat negers in almadias (uit één boomstam ver­vaar­digde kano’s) op de karvelen afkomen. Dit is de eerste maal dat de expeditie handel kan drijven. De commer­ciële mogelijkheden die zich ter plaatse voordoen, zal leiden tot vestiging van de Portuge­zen aan de Cabindabaai, waar­door ten noorden van de monding van de Zaire een enclave ontstaat die thans tot Angola behoort.

Vanaf Cabinda zeilt Cão langs een schitterende groene kustlijn. Hij moet ver in zee steken, omdat de kustwateren tot diep in zee zeer ondiep zijn. De rossige heuvel­rug loopt tot aan de zeer brede monding van de Zaire. Omdat de heu­vel­rug bedekt is met palmbo­men noemt hij het einde daar­van, de Cabo das Palmas. Latere zee­lieden gebrui­ken de kleurrij­ker naam Ponta do Diablo Vermel­ho (Brug van de Rode Duivel). De lage kaap (544′ ZB) markeert de mon­ding van de Zaire. De geweldi­ge watermas­sa’s van de op twee na grootste rivier ter wereld maken een diepe indruk op de Portuge­zen. João de Barros schent eerst aandacht aan Cão’s reis als hij de Zaire heeft bereikt. Volgens Barros vaart Cão de rivier, die hij Rio Pederoso (machtige rivier) noemt, een eind op. De oevers zijn overdekt met reuze-man­gro­ven, sommi­ge wel dertig meter hoog met luchtwor­tels tot zes meter boven de grond, op. Een paar mijl stroom­op­waarts gaat hij voor anker. De Portugezen brengen hier hun eertse padrão aan land en plaatsen de aan Sint Joris, de patroon van Portugal, gewijde zuil op een hoogte aan de zuidelijke oever van de Zaire. De plek wordt op oude kaarten aange­duid als de Cabo do Padrão. Hoe deze padr­ão er precies heeft uitgezien weten wij niet. In het algemeen zijn padrões ronde kalk­stenen zuilen, van boven uitmon­dend in een recht­hoekig blok, waarop een kruis is geplaatst. De ruim twee meter hoge zuilen zijn uitgehou­wen in Alcantara. In het rechthoeki­ge blok zijn het wapen en de naam van de koning van Portu­gal, de naam ontdek­kingsreizi­ger en het jaartal waarop de expeditie is uitgevaren, uitgehou­wen. Het kruis op de padrão is van kalk­steen, hout of ijzer. De Portugezen plaat­sen padrões aan belangrij­ke kapen of rivieren om daar­mee aan te geven dat zij het land, althans de kust, voor de koning van Portugal in bezit nemen. Vele van deze monu­men­ten zijn bewaard geble­ven. Evenwel niet de padrão do São Jorge aan de oever van de Zaire. Deze padrão is in 1641 door de Hollanders verwoest, bij hun invasie in Ango­la. De brokstukken hebben eeuwen dienst ge­daan als fetisj. Uiteindelijk is een klein deel van de zuil in het museum van de Sociedade de Geografia de Lisboa terecht geko­men. Volgens Duarte Pacheco Pereira zou deze eerste padrão voorzien zijn geweest van drie inscripties, een Latijnse, een Portugese en een Arabische. De Arabische inscriptie zou zijn aangebracht, omdat de padrão geplaatst diende te worden aan de kust van het rijk van Preste Joam, wiens land grenst aan dat van de Moren.

Toen de karvelen in de monding van de Zaire voor anker waren gegaan, kwamen de daar wonende ne­gers nieusgie­rig, in hun almadias naar de karvelen. Het uitladen, versle­pen en oprichten van de padrão trekt grote groepen nieuws­gierigen, die geen weet hebben van het bestaan van blan­ken, laat staan ze ooit gezien hebben. De conversatie met de inheemsen verloopt moeizaam; Cão’s tolken kennen hun taal niet. De Portuge­zen begrijpen tenslotte dat de rivier waar­op zij zich bevinden de Zaire heet en dat deze stroomt door een mach­tige koninkrijk, dat Congo heet. De koning van dit rijk resideert ver in het binnen­land. Cão besluit een kleine dele­gatie Portugezen over land naar de koning te zenden. Hij vraagt enige stamleden hen te begelei­den en met hen terug te keren op een afge­sproken tijdstip.

Nadat de termijn waarop de delegatie zou terugkeren reeds tweemaal verstreken is, zonder dat iets erop wijst dat de koning gezon­den Portugezen in aantocht zijn, geeft Cão aan dat hij vertrekt, maar dat hij over vijftien maanden zal terug­keren om zijn mannen op te halen. Barros’ verslag houdt hier plotseling op, zodat het verdere verloop van de expeditie uit atlassen moet worden afgeleid. Het ligt voor de hand dat Cão eerst de Zaire een eind opgevaren is, om vast te stellen of de Zaire een rivier is of een doorgang naar de Indische Oceaan, zoals de atlas van Fra Mauro lijkt te suggereren. Als Cão zijn ontdekkingsreis langs de kust voortzet, blijkt dat niet gemakkelijk te zijn. De winden waai­en uit zuidelijke richtingen en hij heeft ook de Benguela-stroom tegen. De karvelen moeten vaak een eind uit de kust hebben ge­zeild en zij hebben ongetwijfeld geprofiteerd van de nachtelijke landbriezen. De kust is zeer aantrekkelijk met haar parkachti­ge land­schappen en kleine zanderige inham­men. Een rivier, de Rio Dande, wordt Madalena gedoopt, hetgeen aan­geeft dat Cão de rivier op 22 juli, de feestdag van Maria Magdale­na heeft waargenomen. De karvelen vertoeven enige tijd in de haven van Luanda, waar zij later hun fort São Miguel zullen bouwen en de hoofdstad van Angola zullen stichten. De inwoners van het voor de kust liggende eiland genieten een zekere welvaart, die zij danken aan het verzamelen van schelpen, zinbos of nzimbus geheten Deze zinbos circuleren in het koninkrijk Congo als geld. Weliswaar worden schelpen van de porseleinslak langs grote delen van de kust gevon­den, maar de schelpen van Luanda zijn het meest begeerd, omdat zij een goudkleurig en transparant zijn. Pigafetta, de kroniekschrijver van Magalhães, laat weten dat het verzame­len van zinbos vrouwenwerk is. Daartoe lopen zij diep het water in, vullen hun mand met zand en zeven de schelpen daaruit. Voorbij Luanda moeten de karvelen zeven mijl uit de kust varen, omdat de zee onder de kust vaak maar tien vadem diep is. Mede daardoor mist Cão, zowel op de heen als op de terugweg, de monding van de Rio Cuanza, de op een na grootste rivier van Angola. Cão moet bovendien slechts weer hebben gehad, want in sommige jaren is de verkleu­ring van de zee aan de monding van de Cuanza tot vijftien mijl uit de kust te zien. Cão komt op 1020′ ZB bij de Cabo das Tres Pontas en vervolgens aan de Ponta de São Lourenço, waarschijnlijk de Morro de Benguela, aan de zuidzijde van de Benguelabaai. Uit de naamgeving blijkt dat de expeditie hier op 10 augustus is. De niet geïdentificeerde Angra de Santa Maria is mogelijk op Maria Hemelvaart (15 augustus) waar­genomen. De huidige Kaap Choca noemt Cão wegens zijn op fort gelijken­de kliffen Caste­lo d’Altar Pedro­so, naar een fort bij Évora. Van­daar zeilt hij verder langs een kust van graniet, waarin mica en kwarts de zonnestralen als een reusachtige spiegel weer­kaatsen, naar een kaap op 1326′ ZB. Omdat Cão bij deze kaap een bruine massa robben ziet, noemt hij de kaap Cabo do Lobo geeft. Bij Cabo do Lobo, later her­doopt in Cabo de Santa Maria, plaatst Cão op 28 augustus 1483, de naamdag van Sint Augustinus, zijn tweede padrão. Deze Padrão do Santo Augustine is in 1892 naar Lissabon overge­bracht en berust eveneens in de So­ciedade de Geografia. De hoogte van de zuil bedraagt 1,69 meter en die van het vierkante blok, met alleen een Portuge­se tekst, is 0,47 meter. De tekst luidt:

ERA DA CREACÃ DO M_NDO DE SEIS MIL BJc LXXXJ ANOS DO NACIMENTO DE NOSO SENHOR JESHU DE MIL CCCCLXXXJJ ANOS O MUJ ALTO MUJ EICELTE PODEROSO PRINCIPE ELREY DÕ JOAM SEGUNDO DE PORTUGAL MÃDOU DESCOBRIR ESTA TERRA E POER ESTES PADRÕES POR DIOGO CÃO ESCUDEIRO DE SUA CASA.

(‘6681 jaar na het Tijdvak van de schep­ping van de Wereld (en) 1482 jaar na de geboorte van Onze Heer Jezus beval de zeer verhe­ven, voortreffelijke en mach­tige prins koning João II van Portugal dit land te ont­dekken en deze gedenktekenen te doen plaatsen door Diogo Cão, schild­knaap in zijn huis’)

Curieus is, dat de Portugese kroniekschrijvers uit de 16e eeuw Diogo Cão in 1484 uit Portugal hebben laten uitzei­len, terwijl uit het jaartal op de padrão blijkt dat zij zich twee jaar vergist hebben.

Toen Cão besloot op de Cabo do Lobo zijn tweede en laat­ste padrão te plaatsen, moet hij van plan geweest zijn van­daar de terugreis te aanvaarden. Ofschoon hij twaalf gra­den, dat is zevenhonderd mijl, nieuwe kust ontdekt heeft, rijst toch de vraag waarom Cão uitgerekend op dit punt terug­zeilt naar de mon­ding van de Zaire. Waren zijn voorraden bijna uitgeput of leden zijn manschappen aan scheurbuik, of veronderstelde Diogo Cão op­recht de zuidpunt van het Afri­kaanse continent vrijwel te hebben bereikt? Cão zeilt ver­moedelijk in korte tijd met de wind in de rug naar de mon­ding van de Zaire terug. Als zijn bood­schap­pers naar de koning zich daar niet blijken te bevin­den, gijzelt hij vier zwarte bezoe­kers. Diogo Cão zendt een bood­schap naar de wal, waarin hij laat weten dat de vier, als hij op een volgen­de reis Congo weer aandoet, zullen worden geruild tegen de nu nog niet van hun missie terugge­keerde Portugezen. Vervolgens zet Cão koers naar Portugal. Hij moet de Bocht van Biafra diagonaal zijn overgestoken, anders had hij op weg naar São Jorge niet ten zuiden van São Tomé een heuvelachtig en bebost eiland kunnen vinden. Cão noemt dit eiland Ano Bom, waardoor wij weten dat hij het eiland, dat thans Annobon heet, op nieuwjaarsdag (1484) heeft ont­dekt. Na aan de Mina-kust vers voedsel, water en proviand te hebben ingenomen en de laatste nieuwtjes uit Portugal vernomen te hebben, arriveert Diogo Cão vroeg in april 1484 in Portu­gal. Hij wordt als een held ingehaald. Als João II de successen van de ontdek­kingsreis vernomen heeft, kent hij Cão en diens afstammelingen op 8 april een pensi­oen toe van duizend reis per jaar. Zes dagen later verheft de koning Diogo Cão in de adelstand. Op zijn wapen­schild prijken de twee pad­rões die hij aan de Afrikaan­se kust heeft geplaatst. Zijn Congole­se gijzelaars worden verhe­ven tot gezan­ten en opgenomen in de hofhou­ding van de koning. Het publieke enthou­siasme voor de zeer geslaag­de reis van Diogo Cão bereikt een hoogte­punt. Hij heeft niet alleen bijna duizend mijl nieuwe kust ontdekt, evenveel als alle kapiteins van Fernão Gomes tezamen.

Begin 1485 verspreidt zich in Lissabon het gerucht dat het verste punt dat Cão bereikt heeft niet Cabo de Santa Maria is, maar dat hij verder gegaan zou zijn om de Indische Oce­aan te bereiken. Tegen het einde van het jaar wordt dit gerucht ook in Rome gehoord. De bron hiervan is de bood­schap die de Portugese ambassa­deur bij de Heilige Stoel, Dr. Vasco Fernandez de Lucena, op 11 december aan paus Innocentius VIII en zijn hof heeft overgebracht. In zijn rede prijst de ambassadeur, nadat hij de onderworpenheid van de kroon van Portugal aan de Heilige Stoel heeft verwoord, de grote verdiensten van zijn koning, onder wiens bewind in ruim vier jaar evenveel van de kust­lijn van `Ethiopië’ is ontdekt, dan onder het bewind van Afonso V in tweeënveer­tig jaar. De bouw van het kasteel in het midden van Ethiopië heeft de naam van de Verlosser bekend gemaakt onder voorheen barbaarse en wrede volke­ren. Lucena benadrukt dat de Portugezen een overvloed aan goud verwerven, dat daardoor niet meer in handen komt van de vijanden van het Christelijk geloof die in Noord-Afrika wonen. De ambassa­deur vervolgt zijn uiteenzetting met de opmerking, dat de Portugezen gefundeerde hoop hebben spoedig de Arabische Golf te zullen bevaren. Aan de kusten van daarvan leven­ nog sle­chts vaag bekende vorsten en volkeren, die het christelijk geloof praktiseren. Lucena voegt aan deze woor­den nog toe dat Portugese zeevaarders een punt hebben bereikt, vanwaar zij in enkele dagen het Promontorium Prassum, waar de Arabische Golf begint, kunnen bereiken. Deze laatste op­mer­king is, uitgesproken kort na Cão’s terugkeer van zijn eerste reis, zeer opmerkelijk. De vraag reist waarop de uitgesproken verwach­ting is gebaseerd.

Eric Axelson volgt de redenering van professor Damião Peres uit 1957, dat Diogo Cão werkelijk heeft gedacht dat hij vrijwel het einde van het Afrikaanse continent had be­reikt. Hiervoor bestaan de volgende argumenten. De be­roem­de kaart van Ptolemae­us toont het Pro­montorium Prassum aan de kust van Oost-Afrika op onge­veer dezelfde ­breedte als Cabo de Santa Maria aan de west­kust. De Ginea Portuga­lexe geeft de kustlijn aan vanaf de Bocht van Biafra tot voorbij Cabo de Santa Maria. Volgens deze kaart loopt de kust­lijn vanaf Cabo de Santa Maria eerst naar het zuid­oosten om vervolgens af te bui­gen naar het noord­oos­ten. Voor Eric Axelson is dit aanleiding om in zijn Portuguese in South-East Africa 1488-1600 (1973) te veronderstellen, dat het verste punt dat Diogo Cão op zijn eerste reis bereikt heeft, niet de Cabo de Santa Maria is, maar de dertig mijl zuidelijker gele­gen Cabo de Santa Marta, omdat volgens de Ginea Portuga­lexe, de kustlijn hier afbuigt naar het noord­oosten. In zijn Congo to Cape (1973), dat de reizen van Cão veel gedetailleerder beschrijft dan in zijn andere boek, rept Axelson niet over de Cabo de Santa Marta en is de Cabo de Santa Maria het verste punt dat Cão op zijn eerste reis bereikt. Aannemende dat Axelson zijn Congo to Cape later geschreven heeft dan zijn Portuguese in South-East Africa, is dit een goede verbetering. De kustlijn mag volgens de Ginea Portugalexe bij de Cabo de Santa Marta dan wel afbuigen naar het noordoosten, in werkelijkheid is dit niet het geval en loopt de kustlijn door naar het zuiden. Diogo Cão kan nooit geloofd hebben dat hij bijna de zuidpunt van Afrika bereikt heeft, als hij doorgezeilt zou zijn naar de Cabo de Santa Marta. In dat geval zou hij geconstateerd hebben dat de Ginea Portugalexe het verloop van de kustlijn daar­ niet goed aangeeft. Door juist niet verder te varen dan de Cabo de Santa Maria, ontdekt hij dit niet en kan hij geloven dat hij vrijwel de zuidpunt van het Afrikaanse conti­nent heeft bereikt.

3.5 De tweede reis van Diogo Cão.

x

Check Also

Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

Ceylon. Expansie van het Império Português (1515-1521)

Deel 6 Index Hoofdstuk 7 Expansie van het Império Português (1515-1521) 7.2 Ceylon Geschreven door Arnold van ...

banner
Close
Stay informed about Colonial Voyage