Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike
Torre de Belém, Lissabon, Portugal. Auteur Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De invasie van de Imbangala in Angola. Angola en Kongo

Deel 14 Index

Hoofdstuk 1.

Angola en Kongo:

1.4. De invasie van de Imbangala in Angola

Geschreven door Arnold van Wickeren

De Europese activiteiten in West-Centraal-Afrika en het op gang komen van de transatlantische slavenhandel heeft spoedig gevolgen voor gebieden die niet direct met de Europeanen in aanraking komen. Deze gevolgen nemen de vorm aan van aanvallen op de staten Ndongo en Kongo, die door de overzeese slavenhandel enige welvaart hebben verworven. Bedoelde aanvallen, althans enige daarvan, kunnen worden begrepen als ruwe pogingen mee te profiteren van de welvaart verkregen met de overzeese handel. De drie belangrijkste invallende volkeren zijn: de Teke, die uit het noorden komen wat geen of weinig direct invloed heeft op de Mbundu; de Jaga, die vanuit het oosten Kongo binnenvallen en de Imbangala, die vanuit het oosten invallen doen in Ndongo.

De aanvallen van de Teke en de Jaga gelijken in enige opzichten zo sterk op elkaar dat waarnemers destijds in verwarring hebben gebracht. Beide aanvallen zijn woest en waarschijnlijk bezitten beide volkeren kannibalistische krijgers. Er zijn evenwel belangrijke verschillen tussen de Teke en de Jaga. De Teke zijn afkomstig uit een georganiseerde staat waarin de metaal- en de kledingindustrie tot ontwikkeling zijn gekomen en zij hebben veel verstand van de organisatie van de handel. Van dit laatste is geen sprake bij de Jaga, die tevreden zijn met plundering en vernieling voor direct gewin zonder zich te bekommeren om handel of politieke structuren. Overigens verplaatsen de Jaga zich met geweld, terwijl zij leven van wat het land oplevert. De Teke daarentegen voeren invallen uit en trekken zich daarna terug naar hun thuisland, De zestiende-eeuwse kroniekschrijvers João de Barrosi en Duarte Pacheco Pereiraii schrijven over de oorlogen van de Teke en over de grote koning van de Teke ‘Emcuqua-anzico, later bekend als Makoko.

In de jaren zestig van de zestiende eeuw beginnen – zoals eerder vermeld – de Jaga Kongo te infiltreren, terwijl Kongo in die tijd oorlog voert met de Teke. Duarte Lopez beschrijft de Jaga als grote weerzinwekkende kannibalen, die hun vijanden met grote wreedheid aanvallen. Hij vergelijkt hun nomadische plundering met de verwoestingen van de Arabische stammen. Hun wapens zijn speren, messen en schilden. Het is van belang op te merken dat Duarte Lopez niet spreekt over bogen en pijlen, wat de belangrijkste wapens van de Imbangala zijn. Het is mogelijk dat de Jaga, evenals de Ngoni in de negentiende eeuw, van mening zijn dat zij beter kunnen vechten met een korte speer en een schild dan hun vijanden vanaf grote afstand te beschieten. In de tijd dat de Jaga Kongo bereiken en de oostelijke grensstreek Mbata overrompelen, zouden zij naar verluid al een grote afstand hebben afgelegd en veel landen veroverd hebben. Over de oorsprong van de Jagabenden is niets met zekerheid bekend. Een hypothese is dat zij behoren tot de volkeren die ontsnapt zijn aan de turbulente wereld van de Luba in Katanga. Zij kunnen bijvoorbeeld afkomstig zijn uit de verbannen Luba-kolonies van de Bena Lulua aan de benedenloop van de Kasai. Een andere mogelijk is dat zij, evenals de Imbangala, door veroveringen van de Luba, verdreven zijn uit het gebied langs de bovenloop van de Kasai.

Het aantal Jaga-invallers is waarschijnlijk klein. Bij hun opmars rekruteren zij aanhangers in de landen die zij overvallen. Tegen de tijd dat zij uit Kongo verdreven worden (1572) bestaat een groot gedeelte van de zogeheten Jaga uit Kongolese volkeren. Als zij verdreven worden, trekken de Jaga opnieuw over de Rio Kwango en vestigen zich aan de rechteroever van de rivier. Daar vormen zij ongetwijfeld een belangrijk element van het Yaka-volk, dat in deze regio opduikt. Een eeuw of meer later worden deze Yaka overwonnen door de Lunda, die de dynastie van Mwene Puto Kasongo stichten.

De derde van buiten komende groep invallers in Kongo-Angola is de Lunda of Imbangala groep. Het verschijnen van de Imbangala lijkt, op het eerste gezicht, minder deining te hebben veroorzaakt dan de invasies van de Teke of de Jaga. Maar dit is een onjuiste gevolgtrekking. De moeilijkheid bij het navorsen van de geschiedenis van de invasie van de Imbangala is dat bijna alle waarnemers van destijds de Imbangala verwarren met de Jaga. De relatie tussen beide stammen is nog niet duidelijk. De toenmalige opvatting dat de Imbangala uit Kongo verdreven Jaga zijn, is onjuist gebleken. Mondelinge overleveringen beschrijven namelijk de route die de Imbangala hebben gevolgd op hun weg naar Angola. Er blijven nog andere mogelijkheden over; de Jaga en de Imbangala zouden twee verschillende takken van dezelfde van de Lunda afgesplitste stam kunnen zijn, of het kunnen ook twee verschillende stammen zijn, die beide hun wortels hebben in dezelfde regio van Centraal-Afrika. Waar het bij de bestudering van de Angolese geschiedenis om gaat is dat ertussen beide volkeren onderscheid wordt gemaakt, zelfs ofschoon zij in een eerder stadium met elkaar verbonden zijn geweest.

Het eerste gedetailleerde rapport van de aanwezigheid van de Imbangala in Angola is rond 1600 opgesteld, toen Andrew Battell begon handel te drijven langs de kust ten zuiden van de Rio Cuanza. Battells handelsexpedities zijn ondernomen ten voordele van João Furtado de Mendoça, gouverneur van Angola. Op zijn eerste trip bezoekt Battell de Ndombe aan de Baía das Vacas, nabij de plaats waar later de moderne stad Lobito is verrezen, en hij kocht vee, schapen, koper, bonen en granen. Op zijn tweede trip wil hij slaven kopen, en bij deze gelegenheid komt hij aan de monding van de Rio Kuvu in aanraking met de Imbangala. De Imbangala verkopen slaven ‘zo goedkoop dat vele nog geen real kosten, die in de stad twaalf milreais waard zijn.’ Battell zegt dat deze mensen zichzelf betitelen als ‘Imbangolas’, maar dat de Portugezen hen Jaga noemen en hij zegt dat zij de stad Kongo gepasseerd zijn en dat zij gereisd hebben rond de grote stad van Angola genaamd Ndongo, voordat zij de Benguelakust hebben bereikt. Hun leider heet Kalandu of Kalandula. Battells beschrijving van de Imbangala is belangwekkend. Zij wonen in een ‘machtig kamp’ aan de zuidzijde van de Rio Kuvu. Dit kamp is ingewikkeld gebouwd en gefortificeerd. Iedere afdeling heeft zijn eigen aanvoerder en zijn eigen uitgang door de omringende muur van balken en doornstruiken. De manier van leven van de Imbangala is volkomen onproductief. Zij blijven nooit lang genoeg op een plaats om een gewas te kunnen oogsten, maar zij leven een halfnomadisch bestaan, waarbij zij hun kamp opbreken om nieuwe plaatsen te veroveren, als zij al het voedsel hebben opgegeten, dat zij hebben kunnen vinden op de plaats waar zij hun kamp hebben opgeslagen. Zij houden zelf geen dieren, maar stelen het vee van andere volken. Hun meest kenmerkende karakteristiek is dat zij mensenvlees eten als een vanzelfsprekendheid en blijkbaar vinden zij dit smakelijk en bovendien is het meer beschikbaar dan iedere andere soort vlees. Hun belangrijkste luxe goed is de wijn van palmbomen en hun trektochten zijn in hoge mate afhankelijk van de aanwezigheid van palmbomen. Zij tappen de wijn af door op spilzieke manier met de palmbomen om te gaan. Zij kappen de palmen om en winnen uit het binnenste van de stam wijn, totdat de gevelde boom uitdroogt. De Mbundu weten hoe wijn te winnen is uit de top van de palmboom, zonder de boom te vellen. Om in staat te zijn zo beweeglijk mogelijk te zijn bij hun campagnes, brengen de Imbangala geen kinderen groot. Zelf hun hoogste aanvoerder, die vele vrouwen heeft, dood al zijn pas geboren kinderen. Om de rangen aan te vullen adopteert iedere groep adolescenten uit de rijen van de overwonnen volkeren. Deze ‘leerjongens’ dragen een halsband als een teken van slavernij, totdat zij zich kwalificeren voor de titel van soldaat door het afgehouwen hoofd van een vijand aan hun aanvoerder te tonen. De troep van Imbe Kalandula beschikt over niet meer dan een dozijn originele ‘Jaga’-krijgers. De rest, naar schatting 16.000 zielen, zijn rekruten die zijn opgepikt toen de troep zich door het land bewoog. Als zij een aanval op een vijand voorbereiden, slaan de Imbangala hun kamp op naast de woonplaats van de vijand en zij ondermijnen diens moreel door een serie mensenoffers te brengen en andere ceremonies uit te voeren. Battell is getuige van hun aanval op Oud Benguela, op de noordoever van de Rio Kuvu, nadat hij hen de rivier heeft overgezet om te kunnen aanvallen. Kalandula en zijn volgelingen leven vijf maanden van de veestapel en de graanschuur van hun slachtoffers en zij verkopen hen daarna aan Portugese handelaren. Aan het einde van hun verblijf drinken zij de hele voorraad palmwijn op en trekken weg.

Als de Imbangala de kust verlaten, worden zij gevolgd door een groep van vijftig Portugezen en mulatten, die willen blijven profiteren van de winstgevende handel. Terwijl zij het spoor van verwoesting volgen, worden zij gevangengenomen door een lokale heerser, die hen onder druk zet zich bij zijn leger aan te sluiten, omdat hun geweren zeer waardevol zijn. De Portugezen ontkomen tenslotte door aan te bieden dat Andrew Battell hun gijzelaar zal zijn, tot zij terugkeren. Als de Portugezen vertrokken zijn, gelukt het ook Andrew Battell te ontsnappen en met de Imbangala mee te trekken naar hun nieuwe kamp. Vijf maanden later trekken de Imbangala opnieuw weg en na nog een stop onderweg bereiken zij tenslotte de Rio Cuanza in de nabijheid van Ndongo. Zij steken de rijke Mbundu-stad Shilla Mbanza, die behoort aan een oom van de Ngola, in brand en dan keren zij om naar het westen aan de zuidoever van de rivier. Als zij Quiçama binnentrekken, komen de volgelingen van Kalandula in conflict met Kafushe en wordt een grote onbesliste slag tussen hen uitgevochten. Kalandula bouwt een nieuw oorlogskamp, waarna de oorlog nog verschillende maanden wordt voortgezet, waarbij Battell zijn musket effectief gebruikt om Kalandula te steunen.

Gedurende of spoedig na deze oorlog slaagt Battell erin te ontsnappen naar Massangano, tezamen met enige pombeiros die gekomen waren om slaven te kopen. Na deze ontsnapping – schrijft David Birmingham – schildert hij een levendig portret van Kalandula en de groep Imbangala, met wie hij achttien maanden is opgetrokken. Het is gelijkluidend aan de eerder geciteerde beschrijving van het grote ‘Jaga-opperhoofd’ Gaga Calando ontleend aan The Dark Kingdoms van Allan Scholefield, waaruit blijkt dat ook moderne schrijvers De Jaga en de Imbangala met elkaar verwisselen.

Het is van belang – gaat Birmingham verder – vast te stellen wanneer de Imbangala naar Angola zijn gekomen. Eerdere studies suggereren dat het eerste contact met de Portugezen rond 1610 heeft plaatsgevonden. Maar er zijn bewijzen dat dit jaartal ten minste 35 jaren te laat is. De Imbangala waren Lunda-invallers die naar Angola zijn getrokken na zich gevestigd te hebben tussen hun landgenoten van de Luba-dynastie van de jager Kibinda Ilunga. De naam Imbangala of Bangala is overgeleverd als de naam die de Portugezen gebruikten voor de volkeren uit het koninkrijk Kasanje, dat gesticht was aan de bovenloop van de Rio Kwango door een Lunda-aanvoerder met die naam. Het meest gedetailleerde rapport van de uittocht van de Lunda waarover we beschikken, is bewaard gebleven in de overleveringen van de Kasanje-staat, die in de negentiende eeuw zijn verzameld door een Portugese soldaat met de naam A.R. Neves. Deze kunnen aangevuld worden met de overleveringen van de Lunda, die verzameld zijn door Léon Duysters.

Het samengaan van denkbeelden van de Lunda en de Luba om een krachtige verenigde natie te krijgen, heeft in de overlevering de vorm aangenomen van een huwelijk tussen de Lunda-prinses Lueji en de Luba-prins Kibinda Ilunga. Veel Lunda-mensen accepteren dit nieuwe regiem niet. Een aanvoerder van de opponenten is Kinguri, de broer van Lueji. Liever dan overheerst te worden door een vreemde ‘dynastie’, besluiten Kinguri en zijn volgelingen het land te verlaten. Zij trekken naar het westen, steken de Kasai en nog vele andere rivieren en tenslotte de Rio Kwango over en vestigen zich in de vallei van de Rio Luando, juist ten oosten van de elleboog in de bovenloop van de Rio Cuanza. Als Kinguri en acht andere aanvoerders enige tijd in hun nieuwe woonplaats verblijven, sluiten nog negen aanvoerders met hun volgelingen zich bij hem aan.

Kinguri zendt verkenners uit naar het westen, om te zien of er nog goed land te vinden is. Na enige tijd rapporteert Songo aan Kinguri dat er blanken zijn in het land van de Mbundu. Deze blanken hebben mooie waren en vuurwapens, die de Lunda niet kennen. Kinguri besluit zich te vestigen in Bola Kasash, aan de andere kant van de Rio Cuanza dan Ndongo en dichter bij de Portugezen. Volgens de overleveringen zou Kinguri hier gestorven zijn. De heerser van het gebied, Sungwe a Mboluma, zou Kinguri wrede optreden gelaakt hebben; hij zou hebben samengespannen met ontevreden Imbangala-hovelingenen zij hebben de uitgang van de hut waarin Kinguri lag te slapen, afgesloten. De oude man was niet in staat uit zijn gevangenis uit te breken en is daar gestorven.

‘Toen de Quinguri-Cabanguella (Kinguri kia Bangela) dood was, kozen de macotas een nieuwe heerser, Kasanjeka-Kulashingo die, gedreven door zijn verlangen naar aangename goederen, besluit de blanke mannen te bezoeken. Hij, zijn hovelingen en enige van zijn volk dalen af naar de Rio Cuanza, maar zij kunnen zich niet voorstellen aan het opperhoofd van de Portugezen, omdat hij nog verblijft op het eiland van Luanda, dat toen Muxima-a-Lunda heette. De koningin van de Jinga (de koning of koningin van de Mbundu) bevond zich aan de kant waar vandaag Luanda ligt en Kasanje wordt belet met de Portugezen te spreken.’ Kasanje is niet sterk genoeg om de Ngola aan te vallen en hij moet de hinderpalen wegnemen om ontevreden elementen onder de Mbundu te rekruteren. Door deze methode toe te passen, slaagt hij erin de Ngola te verdrijven naar ‘ Milembo-aka-Ngola, nu Teba genoemd’. Kasanje maakt vervolgens zijn opwachting bij de ‘Portugese chef’, toen nog Paulo Dias de Novais, en nodigt hem uit zich op het vasteland te vestigen. De Portugezen antwoorden dat de Mbundu nog te dichtbij zijn en dat zij alleen naar het vasteland komen als de Mbundu daar verdreven worden. Kasanje valt daarop de Mbundu opnieuw aan en verdrijft hen uit de plaatsen Cacuaco, Kifa-Ndongo, Muju-a-Prata, Kalukembu naar Nganga-Mboa of Pungu a Ndongo. De ontmoeting tussen Kasanje en de Portugezen gaat met veel ceremonieel gepaard. Als erkenning voor zijn diensten geeft Paulo Dias de Novais de leider van de Imbangala twee vlaggen, een voorstelling van goud (waarschijnlijk religieus), een uniform, enige kleding en wat vuurwater. Paulo Dias wenst vervolgens Kasanje te brandmerken, waarmee hij kan laten zien dat hij een trouw vazal van de koning van Portugal is. Kasanje bedankt voor de eer en stelt voor dat de merktekens, in plaats van op zijn huid, op zijn vlag zullen worden aangebracht en zo geschied. In de overleveringen wordt geen melding gemaakt van een geschenk in de vorm van vuurwapens aan de Imbangala. Daarvan zal eerst sprake zijn in een verslag over de komst van Kinguri kia Bangela en zijn opvolger Kasanje-ka-Kulashingo van Mussumba, de hoofdstad van het Lunda-imperium, naar Luanda. De waarde daarvan is overigens zeer toegenomen door het feit dat alle stadia kunnen worden bevestigd, hetzij door onafhankelijke mondelinge overleveringen hetzij door geschreven rapporten.

Het vertrek van Kinguri kia Bangela van Lunda en zijn tocht naar de Rio Luando, waar de verdeling van de Imbangala plaatsvond, wordt verteld in de overleveringen die zijn verzameld door Henrique Dias de Carvalho. Kinguri weigerde hulde te bewijzen aan Kibinda Ilunga en organiseerde een opruiende oppositie. Vervolgingen en vechtpartijen namen hand over hand toe totdat Lueji zich begon zorgen te maken over haar Luba-echtgenoot. Toen Kibindi steun ontving van zijn broer Kasongo, de heerser van de Luba, was Kinguri genoodzaakt naar het westen te vluchten. Kinguri was van plan een nieuwe Lunda-staat op te bouwen, vanwaaruit hij de Luba-invallers zou kunnen verslaan en doen omkeren. Hij reist in een westzuidwestelijke richting, levend van jagen en plunderen. Na verscheidene jaren te hebben gereisd, komt hij aan in het stroomgebied van de bovenloop van de Rio Cuanza en hij steekt over naar Libolo. Daar laat hij zich neer in het gebied van opperhoofd Ngongo, wiens zuster hij trouwt. Het verhaal van de verdeling van de Imbangala van hun eerste stopplaats in de vallei van de Rio Luando, voordat Kinguri oversteekt naar de bovenloop van de Cuanza, wordt verteld in de overleveringen die in de jaren vijftig en zestig van de zeventiende eeuw zijn verzameld door Giovanni Antonio Cavazzi de Montecuccoloiii. Hij schijnt er bewijzen voor te hebben dat terwijl de Imbangala zich gevestigd hebben in de vallei van de Rio Luando zij een aantal Jaga in hun midden hebben opgenomen. Deze verbinding heeft bijgedragen aan de verwarring tussen Imbangala en Jaga bij de toenmalige waarnemers. Carvazzi was zich er ongelukkigerwijze schijnbaar zelf ook niet bewust van het onderscheid en het verhaal dat hij vertelt is daarom moeilijk te ontrafelen.

Volgens Cavazzi is Zimbo de grote leider van de Jaga (of Engangiaghi). Hij schrijft de overvallen op de kustplaatsen van zowel Oost- als West-Centraal-Afrika toe aan volgelingen van Zimbo. Een van Zimbo’s opvolgers. Donji, verovert een gebied aan de bovenloop van de Rio Kwango, dat hij nalaat aan zijn buitensporige wrede dochter, Temba Ndumba. Deze vrouw wordt verantwoordelijk gehouden voor de gedetailleerde uitwerking van de ‘Kishili-wetten’, die handelen over het vermoorden van kinderen en over menselijke offers, zaken die de vijanden van de Imbangala de stuipen op het lijf jagen. Zij wordt tenslotte gedood door een soldaat en haar volgelingen worden overwonnen of opgenomen door het leger van een ‘lokaal opperhoofd’ Kinguri. Donji en zijn mannen die blijkbaar ‘echte’ Jaga zijn, schijnen later dan de Imbangala aan de oostgrens van Angola, te zijn aangekomen want zij beschrijven Kinguri als een lokaal opperhoofd. Cavazzi gaat door met het beschrijven van de tweede fase van de opmars van de Imbangala naar de zee. Kinguri valt Ndongo binnen en vecht als een leeuw tegen de Mbundu. Hij sneuvelt in de strijd en zijn chefs kiezen Kalushingo als zijn opvolger. Kulashingo blijkt een zwak leider te zijn die wordt vermoord. Daarna kennen de Imbangala niet meer een enkele leider, maar zij splitsen zich in dertig benden, ieder geleid door een aanvoerder, van wie de beroemdste zijn: Kasanje, Kayomba, Kabuku, Kasa en Kahete.

Op dit punt in de opmars van de Imbangala wordt er voor het eerst in documenten naar hen verwezen. In 1563 beschrijft António Mendes een grote campagne die de Ngola van Ndongo in persoon heeft geleid tegen de ‘Koning van Banguella’. Deze koning wordt gedood en de Ngola wijst twee van zijn zoons of onderdanen aan om het veroverde gebied te besturen. In 1563 blijkt deze regeling te hebben gefaald en de Ngola onderneemt een nieuwe campagne tegen zijn vijand. Mogelijk is dat de ‘Koning van Banguella’. Kinguri kia Bangela, geweest. Uit Cavazzi bewijs zou blijken dat Kinguri gesneuveld is in de strijd tegen de Ngola. In Cavazzi’s overlevering herinnert men zich ook dat het Ngola Mbandi (die dezelfde is als Ndambi) die het eerst te lijden heeft van de plunderingen van de Imbangala. Mbandi roept hulp in, eerst van Kongo en daarna van de Portugezen, naar aanleiding waarvan Paulo Dias naar zijn hof is gezonden. Er kunnen argumenten worden aangevoerd, dat Mbandi of zijn voorganger dit beroep op de Portugezen al in 1548 hebben gedaan. Als dit het geval is dan zou de Imbangala-kolonie van uit Lunda uitgeweken Imbangala zich al vóór 1548 in het dal van de Rio Luando hebben gevestigd en zijn zij toen al met hun overvallen op Ndongo begonnen.

De laatste fase van de opmars van de Imbangala brengt hen, volgens Neves’ versie van de overleveringen, naar de zee bij Luanda. Er is duidelijk bewijs dat Kasanje-ka-Kulashingo inderdaad Luanda heeft bereikt en dat hij geen halt heeft gehouden bij de Portugezen verder stroomopwaarts aan de Rio Cuanza. Het schijnt zelfs dat een aantal Imbangala zich neergelaten heeft en dat zij een klein staatje, genaamd Nsaka de Kasanje, niet ver ten oosten van Luanda hebben gesticht. Dit staatje heeft de Portugezen in het eerste kwart van de zeventiende eeuw veel last bezorgd. Verdere bevestiging dat de ontmoeting van Kasanje met de Portugezen werkelijk in Luanda heeft plaatsgevonden wordt ook in gevonden in de overlevering, die zegt dat de Mbundu zijn teruggedreven voorbij Cacuaco, een zoutvoortbrengend dorp op twaalf mijl ten noorden van Luanda. Een en ander komt overeen met de overleveringen van de Mbundu, zoals zij worden herinnerd door de Pende. De grootste grief van dit Mbundu-volk tegen de Portugezen is dat deze de zoutpannen van de Mbundu hebben gestolen. Volgens de overlevering van de Imbangala heeft Kasanje de Portugezen uitgenodigd zich op het vasteland te vestigen, waaruit zou blijken dat Kasanje al voor 1576, het jaar waarin Paulo Dias en zijn kolonisten naar het vasteland zijn verhuisd, in Luanda zijn aangekomen. Daar de overlevering ook zegt dat Kasanje de oppositie van de Mbundu tegen zijn ontmoeting met de Portugezen heeft moeten onderdrukken, mag verondersteld worden dat, terwijl dit proces voortgang vindt, hij al enige tijd vóór 1576 in de buurt van Luanda was.

Er bestaat substantieel bevestigend bewijs voor dat Kasanje Luanda al had bereikt toen de expeditie van Paulo Dias daar aankwam. Vanaf het begin van de Portugese poging Angola te veroveren, waren de Imbangala daarvoor ten minste een even grote hinderpaal als de Mbundu. De eerste schermutseling vindt plaats in 1575, als João Castanho Velez met tachtig soldaten een aanval doet op een vijand genaamd ‘Caçanze’, waarmee zeker Kasanje is bedoeld. Alle Portugezen worden gevangengenomen, twintig van hen worden gedood en de rest kan worden vrijgekocht. André Velho da Fonseca, schrijft in 1612: ‘Mani-Cassamje’’ valt de Portugezen aan, nadat zij zich op het vasteland gevestigd hebben en hij dwingt Paulo Dias de ‘Stad van Sebaste’ op te geven en naar Luanda-eiland terug te keren. Het gevolg hiervan is dat de Portugezen, bij hun terugkeer naar het vasteland, een fort bouwen in Luanda. Duarte Lopez, die Luanda in 1578 bezoekt, memoreert ‘Cazzanzi’ als een van de opperhoofden die in de buurt van Luanda woont. Al deze aanwijzingen maken zonder twijfel duidelijk dat ten minste een tak van de Imbangala de kust van Angola vóór 1575 al bereikt heeft.

De andere leiders van de Imbangala verspreiden zich in alle richtingen. Songo, een van Kinguri’s oorspronkelijke volgelingen en de kapitein die hem het eerst de aanwezigheid van de Portugezen heeft gerapporteerd, is wellicht de ‘Songa’ geweest, die de Portugezen hebben ontmoet aan de benedenloop van de Rio Cuanza en die zij later hebben overwonnen en gedoopt en tot peetzoon van Paulo Dias hebben gemaakt. Een nabije oosterbuur van Songo is Kafushe, met wie de Portugezen bij vele gelegenheden hebben gevochten. Ook hij was volgens Neves een volgeling van Kinguri. Kalandula is later naar het Cuanza-front gekomen, zoals bewezen door Battell. Hij heeft Kafushe aangevallen in een poging de Portugese slavenmarkten, die door zijn mede-Imbangala werden gemonopoliseerd, te bereiken, Als deze poging faalt, tracht Kalandula klaarblijkelijk nauwer contact met de Portugezen te maken en hij bereikt een speciale verstandhouding met hen, die andere Imbangala, die de Portugese handel aanmoedigen, maar zich verzetten tegen de Portugese verovering, niet hebben.

De vestiging van een bondgenootschap tussen Kalandula, een laat aangekomen Imbangala, en de Portugezen is waarschijnlijk de gebeurtenis waarvan melding wordt gemaakt in de tweede helft van Carvalho’s versie van de overlevering van de Imbangala. Dit rapport zegt dat als ‘Kinguri’ op de zuidoever van de Rio Cuanza aankomt, de Portugezen met de Mbundu in gevecht zijn aan de noordoever. Het fort in Massangano is klaarblijkelijk al gebouwd, maar dat in Cambambe nog niet. Kinguri waadt de Rio Cuanza door en maakt zich bekend aan de Portugese capitão, zeggende dat hij van heel ver gekomen is om de ‘Mwene Puto’, de koning van Portugal te zoeken. Hij wordt eerst naar Massangano en dan naar Luanda begeleid. Hier wordt hij voorgesteld aan ‘Dom Manuel’, de gouverneur. Deze accepteert Kinguri’s aanbod hem te helpen in zijn oorlog met Ndongo en geeft hem een geschenk van vuurwapens en geweerkruit. Hij wijst hem ook landerijen toe aan de Rio Lucala, waar hij en zijn volk zich kunnen vestigen. Dit plan blijkt niet te werken en binnen twee jaren zijn de Imbangala weer vertrokken.

Om deze overlevering van Carvalho te begrijpen, moet worden bedacht dat het verhaal geen betrekking kan hebben op de oorspronkelijke Kinguri, want deze is gedood door de Mbundu in de laatste fase van de opmars van de Imbangala. Daarom moet worden aangenomen dat het om een of andere Imbangala-hoofd gaat die de naam of de titel van Kinguri heeft aangenomen. Dit zou hij hebben kunnen doen om zijn aanzien te verhogen en om te demonstreren dat hij, de drager van diens naam, een erfgenaam is van de oorspronkelijke Kinguri. De overlevering kan ook betrekking hebben op Kalandula. De eerste gouverneur van Angola met de voornaam Manuel is Manuel Cerveira Pereira, die zijn ambt heeft bekleed van 1603 tot 1607. In die tijd is Kalandula aan de Rio Cuanza aangekomen, een gebeurtenis die is opgenomen in de chronologie van Battells avonturen. Carvalho zou de overlevering vernomen kunnen hebben van volgelingen van Kalandula, die zijn opgenomen in het complexe koninkrijk Kasanje, dat in de jaren dertig van de zeventiende eeuw gesticht is aan de bovenloop van de Rio Kwango. Het is ook mogelijk dat Carvalho de overlevering heeft opgetekend uit de mond van mensen die behoren tot een andere groep van Imbangala, die tot in de negentiende eeuw hun eigen specifieke identiteit bewaard hebben.

Het koninkrijk Kasanje, waarvan de stichting later zal worden behandeld, schijnt het laatste van een serie door de Imbangala en andere Lunda-immigranten gestichte koninkrijken in de omgeving van Angola te zijn geweest. Afgezien van de Imbangala-koninkrijken in Quiçama is er een aantal staten ten oosten van de bovenloop van de Rio Cuanza, in de regio waarin Kinguri zich het eerst heeft gevestigd, die hun bestaan te danken hebben aan Lunda-immigranten en hun politieke voorstellingen. Baltasar de Rebelo de Aragão, een Portugese kapitein die in 1607 heeft getracht Afrika over te steken en daarbij 400 mijlen landinwaarts is gereisd, heeft vier grote staten ten oosten van Ndongo gevonden, waarin talen worden gesproken die verwant zijn aan elkaar en aan talen die volkeren spreken die ver in het binnenland wonen. Deze staten zijn Matamba, Malemba, Shinje en Songo. Shinje en Songo bestaan nog steeds en hun volkeren zijn verwant aan de Lunda. Het is interessant vast te stellen dat Matamba wordt aangeduid als een Lunda-staat. In de vijftiende eeuw is dat een bondgenoot van Kongo en in de zeventiende eeuw wordt Matamba overstroomd door Mbundu-volkeren, die op de vlucht zijn voor de Portugezen. In de zestiende eeuw wordt het land klaarblijkelijk overvallen door de Imbangala. Het feit dat Matamba nog in 1530 schatting aan Kongo zendt, doet veronderstellen dat de invasie van de Imbangala niet plaats heeft voor dat jaar. Cavazzi’s overleveringen suggereren aarzelend dat Matamba een van de eerste landen is geweest die door de Imbangala zijn veroverd. Een andere verwijzing naar Matama wordt gevonden in het rapport van Domingos Abreu e Brito over de grote Slag aan de Lucala in 1590. De auteur suggereert dat de belangrijkste partner in de alliantie die Luís Serrão heeft verslagen, de koning van Matamba is en het lijkt niet onwaarschijnlijk dat de Imbangala eerder dan de Mbundu in hoofdzaak verantwoordelijk zijn voor de nederlaag van de Portugezen bij die en bij andere gelegenheden.

De geschiedenis van de Imbangala-invasie van Angola is belangwekkend niet alleen op zichzelf, maar ook om het verband dat het verschaft tussen de geschreven rapporten over de activiteiten aan de kust, met een zekere datum toegeschreven aan iedere gebeurtenis, en de mondelinge verslagen van de Bantoe in Centraal-Afrika, waarbij de data min of meer kunnen worden afgeleid uit de chronologie van de gebeurtenissen. In het verleden ondernomen pogingen dit verband te bestuderen, hebben abusievelijk doen veronderstellen dat de ontmoeting van de Imbangala met ‘Dom Manuel’ een verwijzing is naar de komst van de Imbangala in Angola. Zij hebben bovendien getracht ‘Dom Manuel’ te identificeren met Dom Manuel Pereira Forjaz en niet met Manuel Cerveira Pereira. Dit heeft geleid tot de veronderstelling dat de Imbangala voor het eerst contact met de Portugezen hebben gemaakt rond 1610.

Uit de hier gepresenteerde herwaardering van de Imbangala-invasie volgt dat de Luba-invasie niet heeft plaatsgevonden tegen het einde van de zestiende eeuw, zoals is verondersteld, maar waarschijnlijk vlak voor het begin van die van die eeuw, of wellicht nog iets eerder. Uitgaande van dit nieuwe bewijsmateriaal is het mogelijk schattenderwijs een jaartal af te leiden van de omverwerping van het rijk van de Songye, een van de meest ingrijpende gebeurtenissen in de geschiedenis van Centraal-Afrika. Als het tijdsverloop tussen de vestiging van het nieuwe regiem en het uitzenden van migranten om nieuwe staten te vormen even lang is geweest in het nieuwe Luba-rijk als het is geweest in het latere Lunda-rijk, mag verondersteld worden dat de omverwerping van de Songye-dynastie een eeuw voor de kolonisatie van de Lunda heeft plaatsgegrepen. Een aanvaardbare periode zou kunnen zijn het eerste deel van de vijftiende eeuw, waarbij de infiltratie van de Lunda al in de veertiende eeuw is begonnen.

De migratie van de Imbangala onder Kinguri was de eerste van twee zulke migraties uit Lunda. De tweede exodus is volgens de overlevering geleid door Kinguri’s broer, Kinyama. Het vertrek van Kinyama en zijn volgelingen heeft waarschijnlijk plaatsgegrepen enige tijd na het vertrek van de Imbangala, waarschijnlijk in de zeventiende eeuw. De migranten onder leiding van Kinyama hebben nooit het land van de Mbundu bereikt, noch hebben de leiders, voor zover wij weten, ooit contact met de Portugezen gezocht. Daarom behoeft hier niet verder aandacht te worden besteed aan Kinyama. Er dient echter op te worden gewezen dat de tweede golf van uitwijkelingen van Lunda ten minste van evenveel belang was als de eerste. Een tak, bestaande uit de Lwena-volkeren, verspreidt zich, zij het schaars, over het gebied aan de bovenloop van de Zambezi in het oosten van Angola. Een andere tak heeft het Tschokwe-volk voortgebracht, met de kern aan de bovenloop van de Rio Tsihikapa. Vanuit dat punt hebben de Tschokwe zich in de negentiende eeuw verspreid en tenslotte het machtige Lunda-rijk omvergeworpen.

Nadat de twee migratiegolven, onder leiding van Kinguri en Kinyama, het gebied van de Lunda verlaten hadden, hebben de achterblijvende Lunda hun koninkrijk georganiseerd op de wijze van de Luba. David Birmingham citeert Duysters bij de opsomming van de belangrijkste functionarissen van de nieuwe staat. De koning draagt de titel van Mwata Yamvo of Mulopwe. Een van de belangrijkste symbolische figuren is de koningin-moeder, genaamd de Lukonkeshia. De belangrijkste helpers van de koning zijn de Swana Mulopwe of eerste minister en de Sanama, die de veroverde gebieden van zuidelijk Lunda regeert en vaak de troonopvolger is. De Kalala en Kanapumba commanderen de voorhoede en de achterhoede van het leger van de Lunda. De Mutie en de Mwanate zijn de behoeders van het recht en de tradities. De Tubungu’s, de aanvoerders die veroveringen voorbereiden, worden de hoeders van de voorouders en de ‘eigenaren van het land’. Tenslotte de Swana Mulunda; zij is de symbolische moeder van alle Lunda en de erfgenaam van Lueji. Ofschoon de Lunda hun matriarchale opvolgingssysteem behouden, wordt de Mwata Yamvo opgevolgd door een zoon in de manlijke lijn.

Het is niet duidelijk hoeveel tijd de Lunda nodig hebben gehad om hun politieke structuur, die in de achttiende en negentiende eeuw het opperste gezag in Centraal-Afrika geweest is, te ontwikkelen. Het proces van consolidatie gaat wellicht terug tot in de zeventiende eeuw. De vroegst bekende heerser over de Lunda, van wie men de naam kan herinneren, is Yavo Naweji. Waarschijnlijk heeft hij het startsein gegeven aan de tweede serie migraties die vertrokken zijn uit het land van de Lunda. Deze migraties verschillen veel van die welke onder leiding van Kinguri en Kinyama hebben gestaan. In plaats van de horden geleid door aanvoerders die uit Lunda wilden vertrekken, bestonden de migraties onder Yavo Naweji uit volkeren die door de centrale regering van Lunda werden uitgezonden, om de omliggende regio’s te onderzoeken en vazalstaten te vinden, opdat nieuwe bronnen van welvaart voor de Mwata Yamvo geëxploiteerd kunnen worden. Derhalve komen de Lunda in de late zeventiende eeuw opnieuw in contact met de Mbundu, deze keer niet als immigranten, maar als handelaren. In de tussentijd, evenwel, zijn de Portugezen de vallei van de Rio Cuanza binnengetrokken, waarbij zij zowel de Mbundu als de Imbangala terugdrijven als deze zich vertonen.

i João de Barros (1496-1570), hooggeplaatste beambte en historicus, is de auteur van de Décadas da Ásia, gepubliceerd in de jaren 1552-1615. In 1524 wordt Barros benoemd tot capitão-geral aan de Minakust en het jaar daarop wordt hij aangesteld als schatmeester (1525-1528) en daarna als factor van de Casa da India e Mina (1533-1567) een post waarin hij – namens de Kroon – Guinée en het Império Português do Oriente bestuurt. De opzet van het eerste deel van zijn Décadas da Ásia, Dos feitos que os Portuguezes fizeram no descobrimento das terras e mares do Oriente, voltooit Barros in 1539 en de Primeira Década da Asia wordt in 1552 gepubliceerd. Voor het samenstellen van zijn kroniek ondervraagt Barros soldatem, kooplieden en bestuurs-ambtenaren die uit de overzeese gebieden terugkeren en raad-pleegt hij de officiële correspondentie. De volgende Décadas verschijnen in de jaren 1553, 1563 en posthuum in 1615. Het laatste deel, die de periode 1539 tot het einde van de zestiende eeuw beslaat, is geschreven en uitgegeven door de historicus Diogo de Couto. João de Barros is minder accuraat en ook een minder goed schrijver dan Fernão Lopes de Castanheda, wat blijkt uit diens in 1551 gepubliceerde História do descobrimento e conquista da India pelos portugueses.

ii Duarte Pacheco Pereira is een zeekapitein en ontdekker, die claimt in 1498 Brazilië te hebben ontdekt, twee jaren voor de ontdekking van dat land door Pedro Álvares Cabral. Duarte Pacheco exploireert in 1488 de kust van Afrika en hij keert terug in Portugal aan boord bij Bartolomeu Dias. Deze heeft hem op zijn terugreis van zijn befaamde ontdekkingsreis rond Cabo da Boa Esperança, aangetroffen op het eiland Principe. De reisverslagen van Duarte Pacheco, met inbegrip van de uit de mond van Bartolomeu Dias opgetekende bijzonderheden over diens reis, vormden voor zijn tijdgenoten een een zeer belangrijke bron van kennis. In de jaren 1505-1508 schrijft hij zijn beroemde Esmeraldo de Situ Orbis, dat hij zelf een boek over zeemanskunst en kosmografie noemt. Het werk is voor de vaart op Indië van groot belang, omdat het tal van loodsvoorschriften (portolani) bevat. In 1504 verdedigt Duarte Pacheco met 200 Portugezen en met grote heldenmoed en vindingrijkheid Cochin en zijn radja tegen 20.000 manschappen van de zamorin van Calicut. Bij zijn terugkeer in Portugal in 1505 schrijdt O Famoso, zoals zijn bijnaam luidt, vergezeld door koning Manuel in een processie van de Sé van Lissabon naar het klooster van São Domingos. Bij deze gelegenheid releveert de bisschop van Viseu, Dom Diogo Ortiz de Vilhegas, zelf een befaamd kosmograaf en destijds adviseur van koning João II, in een dankgebed de vele dappere daden van Duarte Pacheco. Ook in vele andere steden en dorpen van Portugal wordt zijn terugkeer gevierd, terwijl koning Manuel de paus en vele christelijke vorsten in Europa bericht over zijn roemrijke optreden tegen de ongelovigen in Malabar. Luís Vaz de Camões noemt hem de Aquiles Lusitano. Als beloning wordt Duarte Pacheco Pereira benoemd tot capitão-geral van São Jorge da Mina, maar hij valt in ongenade na valselijk beschuldigd te zijn van verduistering van goud. Hij wordt echter van alle blaam gezuiverd en sterft kort daarna in armoede.

iii Giovanni Antonio Cavazzi de Montecuccolo vermeldt in zijn Istorica, Descrizione de tre’ regni Congo, Matamba et Angola situati nell Etíopia Inferiore Occidentale, Bologna 1687 een relaas over het ontstaan van het koninkrijk van de Mbundu in Angola, dat hij in de zeventiende eeuw moet hebben vernomen van Mbundu-zegslieden. (zie deel IX)

1.5 Het verval van Ndongo en de opkomst van Matamba en Kasanje, 1603-1641; Luanda bedreigd door de Hollanders

x

Check Also

Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De Malediven. Expansie van het Império Português (1515-1521)

Deel 6 Index Hoofdstuk 7 Expansie van het Império Português (1515-1521) 7.1 De Malediven Geschreven door Arnold van ...

banner
Close
GDPR
EU laws require that we request your consent to the use of cookies. We use cookies to ensure that our site works properly. Some of our advertising partners also collect data and use cookies to publish personalized ads.




Subscribe to our YOUTUBE channel: