Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike
Torre de Belém, Lissabon, Portugal. Auteur Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De nederlaag en de dood van Dom Cristóvão Da Gama. De Portugese expeditie naar Abessinië

Deel 11 Index

Bijlage 1.

De Portugese expeditie naar Abessinië

1.2. De nederlaag en de dood van Dom Cristóvão Da Gama

Geschreven door Arnold van Wickeren

Dom Christovão’s bange voorgevoel wordt bewaarheid als hij in Wofla terug is; de volgende morgen slaan de moren, die nu beschikken over meer dan 1.000 Turkse schutters, hun kamp op, naast dat van de Portugezen en begroeten hem met salvo’s uit hun artillerie en lontroeren. Dom Cristóvão houdt crisisberaad; besloten wordt tot de volgende dag te wachten, om dan de totale omvang van de vijandelijke strijdkrachten te verkennen. Ondertussen zendt hij een boodschapper naar de 30 Portugezen die met de buitgemaakte paarden, muildieren en met het vee onderweg zijn van Amba Sel; zij dienen zich te haasten, omdat een veldslag onvermijdelijk is.

De volgende morgen, 28 augustus 1542, de dag waarop de kerk de onthoofding van Johannes de Doper herdenkt, valt Imam Ahmad bij het aanbreken van de dag met al zijn kracht aan, waarbij de 1.000 Turkse schutters het spits afbijten. Dom Christovão besluit tot de verdediging en wel op de volgende manier. Als de Turken door de palissaden rond het kamp dreigen heen te breken, laat hij een van zijn capitães met zijn 50 manschappen, uitgerust met lontroeren en pieken, een tegenaanval uitvoeren. Nadat zij de Turken hebben teruggeworpen, keren zij binnen de eigen gelederen, achter de palissaden, terug. Dom Cristóvão zelf is de eerste die een tegenaanval uitvoert Als hij zich terugtrekt vinden vier van zijn mannen de dood en anderen raken gewond, onder wie hijzelf. Hij heeft een kogel in zijn been. Vervolgens gaat Manuel da Cunha in de tegenaanval; hij drijft de Turken ook terug, waarbij hij velen doodt en verwond, maar als hij zich terugtrekt, sneuvelen vijf of zes van zijn mannen en raken verschillende anderen gewond. Om de verliezen aan eigen kant te beperken wordt overgegaan tot de volgende tactiek. Telkens als een capitão zich met zijn mannen na een tegenaanval terugtrekt, gaat een andere capitão in de aanval. Desondanks sneuvelen bij iedere terugtocht enige Portugezen. De Turken dringen het kamp binnen en doden daar ook enige Portugezen. De dag is al een eind op streek als de gewonde bevelhebber zijn mannen nog steeds aanvuurt. Castanhoso prijst zijn moed. Ite Sabla Wangel en haar hofdames verplegen de vele gewonden die haar huis, midden in het kamp, worden binnengebracht. Als Dom Cristóvão bemerkt dat de Turken doordringen tot aan het huis van de koningin en al twee van haar hofdames door kogels hebben verwond, geeft hij Francisco de Abreu bevel in de tegenaanval te gaan. Zijn broer Inofre moet zijn flank dekken en oprukken als Francisco en zijn mannen zich terugtrekken. Francisco de Abreu valt aan, doodt vele Turken, maar op de terugtocht sneuvelt hij doordat een kogel hem raakt. Zijn broer die dit ziet gebeuren, snelt hem te hulp, maar wordt eveneens gedood. Het sterkt uitgedunde Portugese legertje komt tegenover de hoofdmacht van de vijand te staan, waarbij weer veel Portugezen omkomen. Dom Cristóvão verzamelt kort na het middaguur degenen die nog tot vechten in staat zijn rond de Koninklijke Standaard. Hij spreekt met Manuel da Cunha af dat deze de moren aanvalt, als hij en zijn mannen zich terugtrekken. Manuel da Cunha en de zijnen drijven de moren over een grote afstand terug, wat Castanhoso doet opmerken, dat de Portugezen alsnog de overwinning hadden kunnen behalen als zij over de paarden hadden kunnen beschikken die van de Amba Sel naar het kamp onderweg zijn. De aanvallende Portugezen drijven de moren op als makke schapen, maar zij zijn zo uitgeput dat zij er haast bij neervallen. Als Dom Cristóvão met de zijnen, na zijn tegenaanval, op de terugtocht naar het kamp is, is hij ‘zo ver in het veld’ dat de moren veel van zijn mannen doden, terwijl hij zelf opnieuw een kogel, die zijn rechterarm breekt, moet incasseren. Ondanks de hevige pijn, keert hij terug. Manuel da Cunha beschermt zijn commandant door een aanval te doen op de moren, waarbij hij doden en gewonden heeft te betreuren. João da Fonseca, die vanuit zijn positie uitvallen naar de moren doet en hen terugdrijft, laat hierbij het leven. Hetzelfde overkomt Francisco Velho. Als Dom Cristóvão vaststelt dat vier van zijn vijf capitães zijn gesneuvelt en dat de rest van zijn mannen, net als hijzelf, zwaar gewond is, besluit hij geen tegenaanvallen meer te ondernemen. De Turken dringen het Portugese kamp binnen, maar worden tot tweemaal aan toe teruggeslagen. De zaken staan er zo beroerd voor, dat niemand meer in staat is de Koninklijke Standaard omhoog te houden. Voor de ‘patriarch’ is de situatie aanleiding een muildier te zadelen en zich op de heuvel naast het kamp terug te trekken. Ite Sabla Wangel wil hetzelfde doen, maar Dom Cristóvão beveelt haar kalm te blijven en met vertrek te wachten tot de Portugezen haar zullen vergezellen. Inmiddels dringen steeds meer Turken en andere moren het kamp binnen en de Portugezen, van wie de meesten zijn gedood of gewond, bieden geen weerstand meer. Zij zijn gedwongen zich terug te trekken op de heuvel, met achterlating van hun kanonnen en de meeste wapens. Dom Cristóvão aarzelt nog, maar wordt door zijn mannen overgehaald zich met hen terug te trekken, omdat de groep rond hem te klein is om nog tegenstand te bieden. Ite Sabla Wangel, gezeten op een muildier, gaat Dom Cristóvão vooraf, klaar om het lot dat de Portugezen wacht, te delen. Met grote moeite weten de vele geblesseerden op de heuvel te komen. De steilte van de heuvel is hun redding, want ruiters kunnen slechts heel langzaam de heuvel bestijgen. Bovendien werkt in het belang van de gewonde Portugezen dat de aandacht van de meeste moren zich aanvankelijk beperkt tot de buit. Dat neemt niet weg dat een aantal moorse voetknechten de vluchtende Portugezen wel achtervolgt en een aantal met pijlen en stenen doden, omdat zij niet vlug genoeg de helling kunnen bestijgen. De meeste Turken nemen niet deel aan de achtervolging, maar verzamelen in het kamp wapens en andere buit. Zij dringen het door de koningin verlaten huis binnen en beginnen daar ogenblikkelijk met het afslachten van de 40 zwaar gewonde Portugezen. Een van hen weet echter de kruitvoorraad die ook in het huis bewaard werd, tot ontploffing te brengen, waardoor allen die zich in het huis bevinden door de enorme ontploffing het leven laten.

Dom Cristóvão en de veertien Portugezen die bij hem lopen, blijven, ondanks hun vermoeiheid en verwondingen, de gehele nacht doorlopen. Om niet door de hen achtervolgende moren te worden ontdekt, hebben zij het pad verlaten en vervolgen hun weg door het dicht met bomen begroeide dal. Tegen de morgen komen zij bij een watervalletje en kunnen zij eindelijk hun wonden verzorgen. Zij slachten het muildier van Dom Cristóvão, om met het vet van het dier hun wonden te kunnen bedekken. Uiteindelijk wordt de groep ontdekt door twaalf Turken te voet en twintig Arabische ruiters, die fervent jacht maken op de Portugese bevelhebber. Een niet zeer zwaar gewonde Portugees van de groep weet te ontsnappen en heeft de toedracht van de ontdekking aan zijn kameraden verteld. Dom Cristóvão en de zijnen zijn bij toeval ontdekt, doordat een oude vrouw die de achtervolgers hadden willen verhoren, plotseling de weg verlaat en het dal in rent. Zij rent van het ene bosje bomen en struikgewas naar het andere, hierbij achtervolgt door de Turken. Uiteindelijk rent zij naar het bosje aan de waterval, waar de Portugezen zich verstoppen en de Turken hen vinden. Omdat de oude vrouw even plotseling is verdwenen als zij was opgedoken, houden de Portugezen haar voor de duivel en de moren voor een door ‘Mafamede’ gezondene.

De vijanden herkenning de aanvoerder aan de wapens die hij draagt. Zij brengen hem voor Imam Ahmad, Deze grieft hem door hem 160 afgehouwen hoofden van zijn soldaten te tonen. Hij heeft deze trofeeën kunnen verzamelen door voor ieder hoofd dat op het slagveld gevonden wordt, een beloning uit te loven. De koning van Zeila kan kennelijk geen enkele waardering opbrengen voor zijn verslagen vijand, want hij laat Dom Cristóvão van zijn kleding ontdoen en met op zijn rug gebonden handen laat hij hem aftuigen en folteren; daarna zendt hij hem langs de tenten van zijn kapiteins, die hem ook vernederen en slaan en tenslotte slaat hij hem eigenhandig het hoofd af. Van de behandelingen en de dood van Dom Cristóvão zijn 13 en misschien zelfs 40 Portugese gevangenen getuige geweest. Een van hen weet te ontsnappen en zich weer bij zijn kameraden te voegen. Castanhoso verhaalt de dood van Dom Cristóvão als de dood van een martelaar. Hij zou zijn martelingen God dankend ondergaan hebben. Hij maakt zelfs melding van een wonder op de dag van zijn overlijden. De Turken zijn verbijsterd en diep gegriefd dat Imam Ahmad, zonder hen daarin te kennen, de Portugese held ombrengt. Zij hadden hem levend naar de ‘Grote Turk’ willen zenden in de hoop dat hij hen zou belonen, want met het bezit van een Portugese held en fidalgo en nog wel de broer van de gouverneur en een zoon van grote Vasco da Gama, zou de Grote Turk een diplomatieke troefkaart in handen hebben gehad; hij zou in ieder geval een zeer aanzienlijk bedrag aan losgeld hebben kunnen bedingen. Het incident1 heeft de relatie tussen Imam Ahmad en zijn Turkse helpers zo zeer verslechterd, dat de Turken zich de volgende dag inschepen voor Zebid, met medeneming van het hoofd van Dom Cristóvão en de Portugese gevangenen. Het is ook mogelijk dat Imam Ahmad hen, afgezien van zijn vaste contingent van 200 Turkse schutters, heeft weggestuurd, omdat hij meent hen te kunnen missen, nu zijn vijand verslagen is en al zijn kanonnen, andere wapens, ammunitie en voorraden in zijn handen zijn gevallen. Wat heeft hij nog te vrezen van de kleine groep Europeanen, die zonder aanvoerder en zonder wapens rondzwerven in een vreemd land.

Terwijl Dom Cristóvão en zijn groep door de vijand werd verrast, zet de hoofdgroep zijn vlucht voort. De koningin rijdt nu met haar dames voorop en achter haar aan strompelen de gewonde Portugese soldaten voort. Helemaal achteraan lopen Fernão Cardoso en Lopo de Almansa. Zij zijn zwaar gewond en hebben de taak op zich genomen ervoor te zorgen dat niemand van hun kameraden de aansluiting met de anderen verliest en in handen zou kunnen vallen van de moren. Om 9.00 uur in de morgen van 29 augustus wordt de treurige stoet ingehaald door moorse soldaten, van wie er twee te paard zijn. Cardoso en Almansa, die gewapend zijn met een spies en een beukelaar, besluiten de ruiters aan te vallen en zich dood te vechten, om hun kameraden die uit het zicht verdwenen zijn, te redden. Zij steken onverwacht ieder op een van de ruiters in; een valt direct dood neer en de ander wordt verwond aan zijn arm. Als de voetknechten dit zien, vluchten zij weg, ondanks dat het om en grote groep gaat. Cardoso en Almansa, die de paarden van de twee moorse ruiters bestegen hebben, zetten nog even de achtervolging van de voetknechten in, maar keren dan terug naar hun kameraden. Als de anderen vernemen hoe het tweetal dat nauwelijks gewapend en nergens op verdacht was, aan de dood is ontsnapt, beschouwen zij dit als een mirakel. Er wordt halt gehouden aan de voet van een zeer ruige heuvel, waar de soldaten twee dagen op verhaal komen en waar het merendeel van de aan de moren ontkomen Portugezen zich verzamelt. De 30 man met de paarden, muildieren e.d. van Amba Sel, die nog geen weet hebben van het drama dat zich heeft afgespeeld, treffen daar hun landgenoten. Ook de Portugees die is ontsnapt toen Dom Cristóvão werd gevangengenomen en degene die getuige is geweest van zijn dood, arriveren bij hun kameraden. De koningin zendt verspieders uit naar eventueel nog ronddolende Portugezen. Uiteindelijk hebben zich 120 Portugezen verzameld en een van de verspieders van Ite Sabla Wangel komt met het verhaal terug, dat Manuel da Cunha, zich met 50 of 60 soldaten langs een andere weg uit de voeten heeft gemaakt.

1 Sejeant citeert Abdullāh Bā Makhramah, die vermeldt dat een groep Turkse desperado’s de tent van Iman Ahmad binnendringt en hem dreigt te doden als hij niet onmiddellijk 10.000 goudstukken geeft, maar hij vermeldt niet de oorzaak (de executie van Dom Cristóvão da Gama) van het incident.

1.3 De bevrijding van Abessinië van de moren

x

Check Also

Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De Malediven. Expansie van het Império Português (1515-1521)

Deel 6 Index Hoofdstuk 7 Expansie van het Império Português (1515-1521) 7.1 De Malediven Geschreven door Arnold van ...

banner
Close
GDPR
EU laws require that we request your consent to the use of cookies. We use cookies to ensure that our site works properly. Some of our advertising partners also collect data and use cookies to publish personalized ads.




Subscribe to our YOUTUBE channel: