Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike
Torre de Belém, Lissabon, Portugal. Auteur Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De vervolging van de christenen. De Christelijke eeuw in Japan (1549-1650)

Deel 20 Index

Hoofdstuk 4

De Christelijke eeuw in Japan (1549-1650)

4.5 De vervolging van de christenen

Geschreven door Arnold van Wickeren

De potentiële dreiging van een christelijke “vijfde colonne” is in de geest van de Japanse bestuurders nooit helemaal afwezig geweest, sinds deze dreiging was gesuggereerd door de autistische geeste-lijkheid in de dagen van Nobunaga. Hideyoshi’s verdenking is pas echt gerezen door Coelho’s ondoordachte voorstellen in de jaren 1586-1587 en deze is opnieuw gevoed door de beweerde indiscretie van de stuurman van de San Felipe tien jaren later.

De houding van shogun Tokugawa Ieyasu tegenover de missionarissen en hun bekeerlingen is aanvankelijk minstens zo tolerant als die van zijn voorganger shogun Toyotomi Hideyoshi. Zijn geduld raakt echter snel uitgeput door een drietal incidenten.

De eerste daarvan is de ontdekking van een hofintrige. Hierbij is betrokken de christen daimyo-familie Arima, in die tijd de steun en toeverlaat van de christenen in Japan. Arima Harunobu is bezorgd over de teruggave van enig grondgebied dat hij tijdens de burger-oorlog in de voorafgaande eeuw is kwijtgeraakt aan Matsura van Hirado. Om dit te bevorderen, “gebruikt hij enige middelen die niet erg in overeenstemming zijn met de reden, noch met Gods gebod zoals mocht worden verlangd,” zoals een kroniekschrijver die jezuïet is het uitdrukt. Met andere woorden, hij huwelijkt zijn zoon en erfgenaam, Naozumi (doopnaam Miguel) uit aan een adoptief kleindochter van Ieyasu, genaamd Senhimé, onbewust van het feit dat de jongen binnenkort hoopte voor de kerk te trouwen met Konishi’s christennicht Martha. Arima senior heeft voorts het voornemen een tot het chris-tendom bekeerde secretaris van Honda Kozuke-no-suké, genaamd Paulo of Okamoto Daihachi, om te kopen, gelovende dat de laatste de teruggave van de begeerde gebieden zou kunnen bewerkstelligen door zijn meester te beïnvloeden. Arima heeft al een grote som aan steekpenningen betaald voor hij ontdekt dat Okamoto noch iets kan of wil ondernemen om hem te helpen. Hij roept dan de hulp in van een broeder jezuïet, maar deze blijkt niet in staat te zijn de twistende partijen met elkaar te verzoenen; en de intrige wordt prompt verraden door zijn zoon en schoondochter, die kennelijk een verbond hebben met Hasegawa Sahioye, bugyo van Nagasaki, tegen het hoofd van de familie. Ieyasu is furieus als de zaak hem ter ore komt. Arima senior wordt in 1612 zijn leen ontnomen en hij wordt het jaar daarop geëxcecuteerd. De windvaan Miguel valt prompt van zijn christelijke geloof af en hij ontvangt als beloning zijn vaders leen. Lang geniet hij niet van zijn leen, want in 1614 wordt hij uitgewezen naar Hyuga. Okamoto wordt levend verbrand ten aanschouwe van zijn vrouw voor het vervalsen van Ieyasu’s briefpatent.

Aangezien drie van de betrokkenen in deze armzalige tragedie christenen zijn, wordt Ieyasu’s aversie tegen het Geloof groter dan ooit. Die neemt nog verder toe als uit een onderzoek onder de leden van zijn privé huishouding blijkt dat zich daaronder christenen bevinden. Zij moeten hun geloof herroepen of worden zonder veel omhaal gedwongen zich elders te vestigen. De belangrijkste onder hen is een van zijn favoriete toekomstige vrouwen, een Koreaanse genaamd Julia Ota, ofschoon de jezuïeten zeggen dat zij in die tijd niet zijn concubine is, zoals de franciscanen beweren. Arima junior wordt een vervolger tegen wil en dank, die twee van zijn eigen halfbroers doodt, maar als hij een aantal christenen levend heeft verbrand, omdat zij weigeren hun geloof af te zweren, toont een hymnen zingende en gebeden opzeggende menigte van naar schatting 30.000 zielen zich bereid voor hun geloof te sterven. Deze demonstratie doet de Bakufu1 in woede ontsteken, omdat deze uiting van de menigte chriistenen beschouwd wordt als ongehoorzaamheid aan de feodale wet en orde.

Ieyasu is nog maar nauwelijks bijgekomen van de schok van de Arima-onthullingen, als vrijwel tegelijkertijd het vreselijke Okubo-schan- daal aan het licht komt. De vertakkingen van deze buitengewoon louche zaak zijn nog altijd verre van duidelijk en het is nog steeds niet helder dat de belangrijkste boosdoener een christen is, zoals zijn beschuldigers beweren. Okubo Nagayasu is een toneelspeler van niets die zich gespecialiseerd heeft in de sarugaku of apendans, voordat hij de aandacht trekt van Ieyasu met zijn voorstel de productie van de goud- en zilvermijnen te vergroten. Evenals Murayama, Hasegawa en anderen van deze soort, stijgt zijn aanzien snel in de Japanse wereld en hij wordt uiteindelijk daimyo van Hachioji. Hij bezit klaarblijkelijk reële talenten, want hij heeft niet alleen de opbrengst van de mijnen op het eiland Sado en in de provincie Idzu doen stijgen, maar het vervoersysteem langs de Tokaido en andere hoofdwegen tot een hoge graad van efficiëntie gebracht. Hij buit zijn positie van opzichter van de mijnen uit door afrekeningen te vervalsen en zaken op grote schaal te verduisteren. Na zijn overlijden in 1613, worden zijn misdaden ontdekt door de acties van zijn 24 concubines die klagen dat hij zijn erfgenamen heeft bedrogen door hen grote sommen goud, die hun beschermer hen heeft beloofd, te onthouden. De rest van de te ontdekken feiten levert geen overtuigend bewijs om de bewering te staven dat Okubo heeft samengezworen met de missionarissen over de uitzending van een expeditiemacht om de inheemse christenen te helpen tegen de Bakufu. Maar ofschoon de bewering zeker niet op waarheid heeft berust, zou Ieyasu daaraan toch geloof hebben kunnen hechten. Okubo bevindt zich buiten het bereik van Ieyasu, maar zijn zonen worden gedood, zijn fortuin wordt geconfisqueerd en Ieyasu’s zesde zoon, Tadateru, valt in ongenade, omdat hij betrekkingen met de beschuldigde heeft onderhouden..

De betrekkingen van de christenen met misdadigers en samen-zweerders van iedere rang is in de ogen van de Bakufu verbonden met de arrestatie en kruisiging van de beruchte misdadiger, genaamd Jirobioye, die een christen is geworden. “Veel mensen willen, zoals de gewoonte is in vele plaatsen, de executie bijwonen, en als de christen de geest geeft, knielen de toeschouwers die zelf ook christen zijn neer op hun knieën en zij bevelen de ziel van de gekruisigde aan in Gods genade; en daarop nemen enige christenen, kwaadwillige personen, de gelegenheid te baat te verkondigen dat zij de op deze wijze gekruisigde aanbidden.

Hasegawa Sahioye zendt nu een memorandum aan de Bakufu, waarin hij de gevaren uitlegt van de bestaande feodale wijze van regeren, die een voortdurende propaganda voor het christendom met zich brengt. Wijzend naar de affaires van Arima en Jirobioye om zijn standpunt te verduidelijken, verwerpt hij de christenen en hun geloof op de volgende gronden:

1. De christelijke doctrine onderwijst dat gelovigen de paters zullen gehoorzamen als hun geestelijke herders, eerder dan de daimyo als hun tijdelijke heer.

2. De christenen offeren alles op ten gunste van hun wet, en vereren misdadigers die terecht zijn veroordeeld als misdadigers en rebellen; zij dragen hun relieken en amuletten.

3. Om Jezus Christus te imiteren, die werd gekruisigd tussen twee dieven, zijn de christenen er trots op zulk een dood te sterven voor zulk een zaak; vandaar dat zij een fanatieke en schadelijke sekte vormen, gevaarlijk voor het keizerrijk en bereid tot iedere ondeugd.

Dit memorandum en het nieuws van de spectaculaire massale demonstratie bij de kruisiging van de Arima-martelaren schijnen Ieyasu’s laatste aarzelingen te hebben weggenomen. Hij besluit alle missionarissen in Japan uit te wijzen, alle kerken te sluiten en een strikt verbod af te kondigen op uitingen van het christendom door Japanners. De kerken van de minderbroeders in de Kwansai en Kwanto zijn in het voorafgaande jaar al officieel gesloten, wat ongetwijfeld te wijten is aan Ieyasu’’s ergernis over de nauwe relaties tussen de franciscanen en de weinig coõperatieve Spaanse ambassadeur Sebastián Vizcaíno. De jezuïeten zijn (na aanvan-kelijke aarzeling) uitgesloten van deze regeling, door de tussenkomst van Itakura Karsushige, de shoshidai of shogunaal gouverneur van Kyoto, die door de jezuïeten beschreven wordt als een “respectabel, gematigd en principieel man en een vriend van de paters.” De franciscanen, ofschoon schijnbaar van al hun rechten beroofd, wordt toegestaan in Fushimi te blijven. Het decreet van 1614 heeft betrek-king op alle missionarissen zonder uitzonderingen. Pater Pedro Morejon S.J., rector van het college in Kyoto, is gewaarschuwd voor de komende maatregel in december 1613, toen hij een brief ontving van Hasegawa Sahioye en een andere van Goto Shozaburo, die hem vertellen wat gaat komen, ofschoon Hasegawa niet in zijn brief vermeldt dat hijzelf de belangrijkste instigator van Ieyasu’s laatste beslissing is. .

De tekst van het beroemde edict dat wordt afgekondigd op 27 januari 1614, verwijst verschillende keren naar de Confuscianistische geleerde Hayashi Razan en naar de Zen-priester Soden van de Konji-in te Kyoto. Waarschijnlijk hebben beiden de brief geredigeerd, daar het een curieus mengsel is van Boeddhistische en Confucianistische ideeën, met een paar terloopse toespelingen op Shinto. De tekst begint met het aanroepen van de grondbeginselen van Yang (mannelijk of positief) en Yin (vrouwelijk of negatief) als de basis van alle leven en zinspelingen op verschillende Boeddhistische teksten, voordat het christendom met de volgende bewoordingen verworpen wordt: “de Kirishitan bende is naar Japan gekomen, niet alleen zendend hun handelsschepen om goederen te ruilen, maar ook hunkerend om een boosaardig geloof te verkondigen, om het ware geloof omver te werpen, zodat zij de regering van het land kunnen veranderen en het land in bezit kunnen nemen. Dit is de kiem van een grote ramp die moet worden vernietigd.”

Terwijl dit edict wordt afgekondigd, is de openlijke vervolging feitelijk beperkt tot de afvallige Arima-leen en de kerk wordt elders met rust gelaten, al is het de kalmte die aan de storm voorafgaat. De pater jezuïet die de Jaarlijkse Brief voor 1614 heeft geschreven, of beter gezegd, de tijdgenoot die de brief in het Engels heeft vertaald, schrijft over de situatie elders dan in Arima: “De kerken daar stonden open voor allen en Gods woord wordt daarbinnen vrij verkondigd, ofschoon men bevreesd is voor de stormen die verwacht worden. Zij vieren in het jaar 1613 de Nacht van onze Gezegende Verlosser en zijn Geboorte in alle hiervoor genoemde plaatsen, met grote plechtigheid, toeloop van gelovigen en vroomheid van de christenen.”

De klap valt twee dagen na de bedrieglijk vreedzame kerstmorgen, als Itakura het bevel ontvangt om alle christenen in het Kyoto-district te vermelden in een lijst. De lokale jezuïeten worden in spanning gelaten totdat zij brieven van Hasegawa en Goto ontvangen, waarin zij worden gewaarschuwd dat Ieyasu overweegt het christelijke geloof geheel te verbieden. Het officiële document arriveert in Kyoto op 14 februari 1614, als de jezuïeten “worden verzocht een catalogus met de namen van alle paters, broeders, doxucos of seminaries, alsmede van al het huishoudelijke personeel op te stellen en af te geven, zodat niemand kan achterblijven. Maar omdat het noodzakelijk is dat enige paters in het geheim zullen achterblijven om de christenen van die stad en van andere stadjes en dorpen in de omgeving te helpen, worden van de acht paters er slechts drie in de catalogus vermeld. Van de zeven broeders ook drie en van de twintig seminaristen niet meer dan zes.

Hieraan behoeft nauwelijks te worden toegevoegd dat deze ‘vrome fraude’ – die op andere plaatsen in Japan waar jezuïeten wonen eveneens wordt toegepast, nooit effectief heeft kunnen zijn zonder de oogluikende instemming van Itakura. De jezuïeten onderhouden al jaren familiaire betrekkingen met hem, en het is duidelijk dat hij een blind oog moet hebben gehad voor de tastbare discrepantie tussen het aantal dat vertrekt en het totale aantal aanvankelijk in huis zijnde jezuïeten. De paters zijn ook getuige van de vriendelijkheid en voor-komendheid die hij en zijn gunstelingen hen tonen gedurende hun arrest en hun overbrenging naar Nagasaki. Deze goede behandeling is de algemene bedoeling, niet de vaste regel; en het is duidelijk dat Ieyasu orders moet hebben gegeven de missionarissen niet persoon-lijk te molesteren of slecht te behandelen. Al het missiepersoneel, of het nu gaat om Europeanen of Japanners, moet verzameld worden in Nagasaki, waar zij aan boord zullen gaan naar Macau en Manila. Een aantal leidende christenen, onder wie Takayama Ukon en Naito Tokuan, dient zich ook in Nagasaki te verzamelen.

Het is niet gemakkelijk zelfs bij benadering het aantal christenen in Japan te schatten als de vervolging in 1614 begint. Enige auteurs komen uit op twee miljoen, maar dit lijkt een buitensporige schatting. Fernão Guerreiro claimt in zijn Relaçam Annual van 1605 een totaal van 750.000 in dat jaar, maar het is waarschijnlijk dat zelfs dit cijfer overdreven is. Padre Valentim de Carvalho, die ten tijde van de uitwijzing hoofd van de missie van de jezuïeten in Japan en sinds 1611 provinciaal in Nagasaki is, stelt dat er in januari 1614 bijna 300.000 christenen in Japan zijn. Daar Carvalho bij zijn schrijven alle jaarlijkse rapporten tot zijn beschikking heeft, is zijn schatting zeker een redelijke. Het komt ook redelijk overeen met de schatting van de schrijver van de Jaarlijkse brief van 1614, die noteert “dat er dan meer dan 250.000 christenen in Japan leven.” Sedert het eerste decennium van de zeventiende eeuw is er sprake van een voort-durende toeneming in de propagandering van het christendom in Japan en er zijn geen berichten over vervolging van christenen op grote schaal of massale afvalligheid. Het is zeker dat Guerreiro’s schatting veel te hoog is. Carvalho’s cijfer van 300.000 dient als het maximum te worden beschouwd, inclusief de Japanners die zijn bekeerd door de bedelorden, waarvan volgens de jezuïeten het aantal missionarissen gering, maar hun geestdrift groot is. Gelet op het totale aantal missionarissen (143) dat in Japan werkzaam is, is het aantal bekeerlingen opmerkelijk. De omstandigheden waaronder de missionarissen werken zijn er niet beter op geworden nu zij de steun van Arima en Konishi moeten missen. De totale bevolking van het keizerrijk in die tijd is ruw geschat ongeveer twintig miljoen, maar het zou moeilijk, zo niet onmogelijk zijn, een ander hoog ontwikkeld heidens land te vinden waar het christendom zoveel indruk heeft gemaakt, niet slechts in aantal maar ook in invloed. Vanaf 1612 zijn de statistieken van de jezuïeten betrouwbaar, omdat zij elk jaar de gegevens aan hun generaal-overste in Rome dienen te sturen. Het aantal jezuïeten bedraagt in dat jaar 116 (bisschop Cerqueira, provinciaal Carvalho, 62 padres en 52 irmãos). De jezuïeten leiden 58 jeugdigen en kinderen op aan twee colleges. In 1613 zijn in totaal 534 personen van de jezuïeten afhankelijk. De aantallen tot de bedelorden behorende missionarissen vallen hierbij in het niet. In Japan zijn in die tijd veertien franciscanen, negen dominicanen en vier augustijnen. De minderbroeders zijn gevestigd in onder meer Kyoto, Uraga en Yedo en de andere twee orden in Hizen en Bungo. Tenslotte telt Japan nog zeven seculiere geestelijken, van wie vier parochiepriesters zijn in Nagasaki.

In februari 1614 overlijdt bisschop Cerqueira tijdens het hoogtepunt van de crisis en zijn opvolger, de provinciaal Valentim de Carvalho, besluit padre Diogo de Mesquita, rector van het college in Nagasaki en een oude vriend van Hasegawa Sahioye naar de bugyo te zenden om hem te bewegen ten gunste van de jezuïeten te pleiten bij Tokugawa Ieyasu. De pater krijgt echter van Hasegawa Sahioye te horen, dat het niet mogelijk is een audiëntie in deze zaak te verkrijgen, omdat de shogun al definitief besloten heeft dat niet één jezuïet in Japan mag blijven, waarop de gezant bevel krijgt direct terug te keren naar Nagasaki.

Nagasaki wordt nu het toneel van een uitbraak van een massale religieuze geestdrift die de missionarissen moeten hebben herinnerd aan Lissabon of Sevilla gedurende de Goede Week. De maand mei is bijna helemaal gevuld met een serie religieuze processies, waaraan duizenden deelnemen, met inbegrip van Murayama Toan en zijn gezin. Gevallen waarin boetelingen zichzelf geselen of verminkingen toebrengen zijn aan de orde van de dag. Verschillende boetelingen sterven aan zelftoegebrachte wonden. Er gaat ook een bus rond waarin vele burgers van alle leeftijden en seksen een briefje deponeren waarin zij de intentie weergeven trouw te blijven aan hun geloof tot in de dood. De jezuïeten hebben niet het initiatief tot dit alles genomen, maar zij gaan daar ook niet tegenin.

De nogal slecht gekozen gelegenheid om hun religieuze geestdrift te tonen alarmeert Hasegawa, die een overdreven verslag daarover schrijft aan de bugyo in Shidzuoka. Hij schrijft dat Nagasaki op het punt staat in opstand te komen. Ieyasu zendt als hij hiervan hoort, een speciale gezant, Yamaguchi Suruga-no-kami Masatomo, naar Nagasaki, met 500 samurai om de rust en het gezag te herstellen. Maar dit is niet nodig, want toen Hasegawa Sahioye de stad bezocht, was de rust alweer teruggekeerd. Deze beide functionarissen laten Ieyasu een paar dagen later weten dat het Zwarte Schip uit Macau, onder bevel van capitão-mor João Serrão da Cunha is gearriveerd. Ieyasu is verrukt over dit nieuws, maar hij vraagt zijn adviseurs bezorgd of zij denken dat de Portugezen willen blijven handeldrijven als hij de missionarissen noopt te vertrekken. Als de jezuïeten de aankomst van de Nossa Senhora da Vida vernemen, zijn ook zij verheugd. Zij vragen de capitão-mor naar Ieyasu te reizen, hem een geschenk te overhandigen en te vragen of de jezuïeten in Nagasaki één kerk mogen heropenen, voor eigen gebruik. Hoewel João Serrão dit gaarne zou doen, komt hiervan niets terecht door tegenwerking van de lokale autoriteiten.

Hasegawa belooft zijn zuster O-Natsu te zullen schrijven om haar te vragen of zij iets voor de Portugezen kan ondernemen. Het sprankje hoop dat de jezuïeten uit deze belofte putten dooft in oktober als in Nagasaki het bericht wordt ontvangen dat alle priesters, catechisten (zowel Japanners als vreemdelingen) zich voor het einde van de maand dienen in te schepen naar Macau of Manila. Maar hiermee is voor de jezuïeten de beker met kwellingen nog niet geheel gevuld. Op de vooravond van hun vertrek ontstaat er een geschil tussen de Societas Jesu en de bedelorden. De laatste verzetten zich tegen de verkiezing van de provinciaal Valentim de Carvalho als opvolger van bisschop Cerqueira. Aanvankelijk leggen de franciscanen zich neer bij de uitslag van zijn verkiezing, maar later karakteriseert de commissaris van de minderbroeders, Fray Diego de Chinchon, Carvalho als een onwettige indringer. Hij is namelijk van mening dat een jezuïet de functie van bisschop alleen kan aanvaarden als de generaal van de jezuïeten en de paus akkoord gaan met zijn verkiezing. De gelovigen nemen aanstoot aan het openlijke conflict in een tijd dat eenheid in de klerikale gelederen meer dan ooit nodig is. Na de deportatie van de missionarissen uit Japan, breidt het geschil zich uit tot Macau, Manila en Goa. Het wordt uit de wereld geholpen door de aartsbisschoppen van Manila en Goa, Don Diego Vazquez de Mercado en Dom Cristovam de Sá e Lisboa, beiden geen jezuïeten.

De missionarissen verwijderen de afbeeldingen en andere religieuze objecten van hun kerken en kloosters voordat de Japanners de gebouwen formeel op 27 oktober 1614 in bezit nemen. Zij graven ook de lichamen op van hun overleden confraters en die van de daar begraven Japanse martelaren en herbegraven de lichamen ’s nachts in het geheim, om te vermijden dat hun graftomben ontwijd worden. De uitgewezen missionarissen verblijven totdat zij zich inschepen in Fukuda en in een ander afgelegen dorp. Zolang zij nog niet aan boord zijn gegaan, worden zij scherp bewaakt opdat zij geen contact onder-houden met hun treurende parochianen. De meeste kerken worden direct gesloopt, maar de Santa Casa da Misericordia en een of twee andere gebouwen worden voorlopig gespaard. Naast het ‘Zwarte Schip’ uit Macau, liggen er twee kleinere schepen in de haven. Het konvooi van drie schepen verlaat Nagasaki op 7-8 november, de Nossa Senhora da Vida en een jonk gaan naar Macau en het derde schip heeft Manila tot bestemming. Alle missionarissen zouden gaarne in Japan zijn gebleven om de gelovigen bij te staan, maar dat is moeilijk, omdat het bevel om te vertrekken volstrekt ondubbelzinnig is en ook omdat het niet eenvoudig is onderduikadressen te vinden. Niettemin slaagt een redelijk aantal missionarissen erin in Japan te blijven, om de christenen te tonen dat zij niet zijn gedeserteerd en dat hun herders bereid zijn zonodig hun bloed te geven voor hun geloof. Tot degenen die in Japan blijven behoren 27 jezuïeten, 7 franciscanen, 7 dominicanen, 1 augustijn en 5 seculiere geestelijken. Bovendien blijven meer dan 100 dojuku achter, wat voor hen betrekkelijk eenvoudig is. Een aantal missionarissen verblijft in Nagasaki, waar zij zich uitgeven voor Iberische kooplieden, die door heel het land kunnen handeldrijven. Het achterblijven in Japan van heel wat missionarissen blijft natuurlijk op den duur niet voor de autoriteiten verborgen.

Het schip dat naar Manila zeilt met Takayama, Naito en hun volgelingen, vervoert ook 7 bedelmonniken, 23 jezuïeten en 15 dojuku. De reis blijkt lang en moeilijk te zijn en Takayama’s gezondheid is zozeer ondermijnd door de gebeurtenissen, dat hij ziek wordt en sterft kort na zijn aankomst in Manila, waar de refugees met veel sympathie door de Spanjaarden ontvangen zijn.

Als de Bakufu bemerkt hoeveel bewegingsvrijheid Iberische kooplieden hebben, wordt de Engelsen en Hollanders bevolen hun handelsoperaties te beperken tot Hirado en Nagasaki, zodat de Bakufu deze vreemdelingen in de gaten kan houden, opdat zij niet stiekem het christendom verspreiden. Adams laat Specx in oktober 1616 weten dat de beperking van de bewegingsvrijheid van Engelsen en Hollanders te wijten is aan de Portugese priesters. “Al onze moeilijkheden zijn geheel toe te schrijven aan de papen.”

In 1613 zendt de gouverneur van Nagasaki, Hasegawa Sahioye, aan Arima Naozumi een brief, waarin hij hem verwijt een christen te zijn. Om te bewijzen dat dit niet zo is, ontbiedt Arima acht christelijke samurai en vraagt hen hun geloof af te zweren. Drie van hen weigeren en worden volgens Japans recht met hun gezinsleden veroordeeld tot de brandstapel. Het vonnis wordt voltrokken ten aanschouwe van een grote menigte hymnen zingende gelovigen. Hun protesten versterken de Bakufu in zijn overtuiging dat het christendom een subversieve religie is. De demonstraties van de christenen doen Ieyasu in woede ontsteken, maar, ondanks het verdrijvingsedict van januari 1614, wordt de gekwelde christenen een tijdelijk uitstel gegeven bij het uitbreken van de Osaka-campagne. Tokugawa Ieyasu vindt een gelegenheid om Toyotomi Hideyori, de zoon van Hideyoshi, te verslaan in diens kasteel te Osaka. Op 4 juni 1615 geeft Hideyori zich gewonnen en pleegt zijn gehele familie zelfmoord, waarmee het huis van Toyotomi ten onder gaat. In het garnizoen van Osaka zijn vele christen samurai en rōnin opgenomen, en padre Rodriguez Girão, in maart 1616 schrijvende vanuit Nagasaki, voegt daaraan toe: “er zijn zoveel kruisen, Jesus en Santiagos op de vlaggen, tenten en andere krijgs-haftige tekenen, die de Japanners gebruiken in hun kampementen, dat dit Ieyasu buikpijn moet hebben bezorgd.” Wat zijn ergernis nog moet hebben vergroot is dat er niet minder dan zeven religieuzen (twee jezuïeten, drie bedelmonnik en twee inheemse geestelijken) in het fort zijn als het valt. Ofschoon aan de val van het fort een vreselijk bloedbad voorafgaat, waarin duizenden onschuldige vrouwen en kinderen omkomen, wordt er geen enkele buitenlandse missionaris gedood. Tijdens Ieyasu’s leven verliest geen vreemdeling zijn leven voor zijn geloof.

Nu de Toyotomi’s van het toneel zijn verdwenen, verkrijgen de Tokugawa’s de volledige alleenheerschappij over Japan. Hoewel Tokugawa Hidetada sinds 1605 shogun is, is zijn vader, Tokugawa Ieyasu, nog steeds de stuwende kracht achter deze overwinning geweest. Dit zou stabiliteit en vrede brengen tot aan de Meiji-restauratie in 1868.

De “vreselijke oude man” overleefd zijn overwinning nauwelijks twaalf maanden; hij overlijdt in juni 1616 in Shidzuoka. Zijn opvolger, Hidetada bewijst een meer vastbesloten vervolger te zijn dan zijn vader en hij heeft veel minder belangstelling voor de buitenlandse handel, wat voor zijn vader een reden is geweest zich tolerant tegenover de missionarissen te gedragen. Niettemin gaat Hidetada met de christenen van Nagasaki in gesprek, want een openlijke herroeping van hun geloof eist de shogun op dat moment niet. De mate van vervolging varieert nogal in de verschillende provincies, omdat enige daimyô hun vazallen houden aan de toepassing van de antichristelijke wetten, terwijl andere daimyô de aanwezigheid van christenen en zelfs buitenlandse missionarissen in hun leen gedogen.

De bedrieglijke kalmte die in Nagasaki heerst, zelfs na het overlijden van Ieyasu, moedigt enige gevluchte bedelmonniken aan zich weer in de openbaarheid te vertonen. De jezuïeten ergeren zich hieraan, omdat zij beseffen dat de stilte plotseling kan worden verbroken doordat de vlam in de pan slaat. De pater visitator van de jezuïeten, Francisco Vieira, schrijft in november vanuit Macau, dat het roekeloze gedrag van de monniken het optreden van de bugyo van Nagasaki uitlokt. Zij voelen zich zelfs verplicht de zaak aan de Bakufu te rapporteren voordat deze de shogun ter ore komt via een van de talloze regeringsspionnen die in Kyushu zijn gestationeerd. Hidetada heeft al in oktober 1617 een antichristelijk decreet afgekondigd dat de maatregelen van Ieyasu bevestigt en verzwaart. Er ontstaat nu een fris herbegin van de vervolgingen, waarin voor de eerste maal enige buitenlandse missionarissen hun leven offeren. Een jezuïet en een franciscaan worden in april 1617 onthoofd in Omura en een paar weken later worden een dominicaan en een augustijn in hetzelfde leen geëxecuteerd. De twee laatsten hebben hun martelaarschap min of meer uitgelokt om het geloof onder hun kudde te versterken, omdat tot op dat moment nog uitsluitend inheemse bekeerlingen hun leven geofferd hebben voor hun geloof. Zij worden, zonder te zijn gemarteld, onthoofd. Desondanks blijven de Portugezen missionarissen uit Macau, vermomd als kooplieden of soldaten, naar Nagasaki aanvoeren. In de jaren 1615-1618 bedraagt het aantal naar Nagasaki gesmokkelde missionarissen circa twintig. Als de intensiteit van de vervolging toeneemt, wordt het steeds gevaarlijker missionarissen Japan binnen te smokkelen en uiteindelijk ziet men hiervan helemaal af uit vrees dat de handel met Macau anders wellicht verloren gaat.

Het is twijfelachtig of de beweerde onzorgvuldigheid van de bedel-monniken de belangrijkste oorzaak is geweest voor de daaropvolgende verhoging van het tempo van de vervolgingen. Meer kwaad heeft waarschijnlijk gedaan de bittere twist tussen Murayama Toan en Suetsugu Heizo die in 1618 zijn hoogtepunt bereikt. Jorge Durões, de door Richard Cocks vertrouwde Goanese agent in Nagasaki, schrijft hem in juni van dat jaar “hoe Feze Dono zijn naamgenoot Twan Dono heeft beschuldigd 17 of 18 Japanners te hebben gedood zonder dat deze daartoe veroordeeld zijn en bovendien een gezin, omdat de ouders niet wilden toestemmen hem de hand van hun dochter te geven, waar de dochter zelf ook niets voor voelde.” Maar de raad laat Feze Dono weten dat hij hem misdaden heeft te melden en geen lijken dient te verschaffen. Daarom beschuldigt Feze Dono Twan en zijn kinderen ervan christenen en beschermers van de jezuïeten en de bedelmonniken, te zijn. Er zijn 18 of 20 geestelijken, die vijanden van de staat zijn, gearresteerd. Zodat hieruit in Nagasaki een grote vervolging zal voortvloeien.

Richard Cocks beknopte rapportage kan worden aangevuld met verwijzingen naar Portugese en Spaanse bronnen uit die tijd. Daaruit leren wij dat het Toan is die als eerste Heizo beschuldigt van het verbergen van jezuïeten. Hij maakt gebruik van Fabian en andere ex-dojuku, “die, evenals dieven van de huishouding, goed weten hoeveel paters er zijn en in welke huizen zij zijn verborgen.“ Heizo neemt prompt wraak door Toan te beschuldigen van het verbergen van zijn geestelijke zonen en enige Spaanse bedelmonniken, terwijl hij tezelfdertijd formeel verklaart zijn christelijk geloof te hebben opgegeven. Dit geeft hem een voordeel in de campagne van wederzijdse lasterpraat, aangezien Toan zijn geloof niet ontkent, ofschoon de jezuïeten hem bestempelen als “de belangrijkste Judas van Japan.” De Bakufu beslist ten gunste van Heizo, die benoemd wordt tot luitenant-gouverneur van Nagasaki, terwijl Toan wordt veroordeeld tot de dood, samen met zijn meeste familieleden. Zijn naam overleeft in de geschriften van de jezuïeten als die van een afvallige, terwijl de Dominicaanse kroniekschrijvers in hem een van hun eerste martelaren zien. Een cynicus zou kunnen opmerken – schrijft Boxer – dat er redenen zijn voor beide betitelingen, maar wat zijn Toans werkelijke motieven? Richard Cocks had gelijk in zijn voorspelling dat deze affaire de vervolgingen in Nagasaki zal intensiveren.

Ofschoon de kerken en andere geestelijke gebouwen in Nagasaki zijn ontmanteld bij het vertrek van de missionarissen in 1614, zijn zij niet geheel verwoest en enige (zoals de Santa Casa da Misericordia) zijn alleen maar gesloten. Als gevolg van de “heksenjacht” veroorzaakt door de Suetsugu-Murayama onthullingen van lokale cryptochristenen, worden al deze gebouwen volledig verwoest en daarvoor in de plaats worden straten aangelegd of Boeddhistische tempels gebouwd. Ook worden de begraafplaatsen van christenen ontwijd en de lichamen van degenen die daar begraven zijn, worden opgegraven. Deels als gevolg van de consternatie die opgravingen teweegbrengen, deels door de onthulling van de schuilplaats van veel missionarissen door de afvallige Japanse pater jezuïet, Thomas Araki (voorheen ontslagen en geëx- communiceerd voor onkuisheid), neemt het aantal arrestaties en gevallen dat de gearresteerden de marteldood ondergaan in 1619 scherp toe.

Maar de laatste categorie, die is afgeleid van de voorgaande, de arrestaties, valt nog scherper terug in de volgende twee jaren, om voorgaande records te overtreffen met het “Grote Martelaarschap” van Nagasaki in september 1622. Het overgeleverde aantal van hen die zijn gedood, gemarteld tot de dood erop volgt, of gestorven aan in de gevangenis geleden ontberingen gedurende de jaren 1614-1622, is als volgt: In 1614, 63 personen; in 1615, 13; in 1616, 13; in 1617, 20; in 1618, 68; in 1619, 88; in 1620, 17; in 1621, 20 en in 1622, 132. Natuurlijk staan deze cijfers voor het absolute minimum, en het is zeker dat ook anderen hebben geleden voor hun geloof, wier namen of martelaarschap hun weg niet hebben gevonden in de rapportages van de missionarissen, waarop de voorgaande cijfers zijn gebaseerd.

Pater João Rodriguez Girão schrijft in 1615 dat de bevolking van Nagasaki in twee jaren met 20.000 mensen is gedaald Waarschijnlijk is dit het gevolg van christenen die de vervolgingen in Nagasaki willen ontlopen en die uitgeweken zijn naar de noordoostelijke provincies. Het edict van verdrijving van 1614 is er niet alleen de oorzaak van dat veel christenen ondergronds gaan, maar ook dat zij zich ver naar het noorden verspreiden, tot aan het eiland Yedo, het tegenwoordige Hokkaido. Ofschoon er flinke beloningen staan op het verraden van ondergedoken priesters, slagen sommige pastores erin lange tijd of tot aan hun dood door hun kudde te worden verstopt.

Als Iemitsu in januari 1623 zijn vader Hidetada als shogun opvolgt, wordt het er voor de christenen niet beter op, De nieuwe shogun blijkt een humeurige, wrede, wispelturige, intelligente tiran te zijn. Noch de infame brutaliteit van de methoden die worden gebruikt om het christendom uit te roeien, noch de heldhaftige standvastigheid van de slachtoffers zijn ooit overtroffen in de lange en pijnlijke historie van het martelaar-schap, dat kan worden verdiend door trouw te zijn tot de dood, hetzij door executie, marteling, uithongering, slechte voeding in de gevangenis, of blootstelling aan de elementen. Gewelddadigheid of gewapend verzet diskwalificeren de aanspraak op het martelaarschap; de gevallen christenen in de Shimabara rebellie (1637-1638) worden niet als martelaren beschouwd. Aan de andere kant, wordt een klein kind dat samen met zijn moeder wordt gedood, beschouwd als een martelaar, zelfs als het nog niet is geboren.

Rooms-katholieke berichten over het karakter van de derde Tokugawa shogun uit zijn tijd kunnen worden beschouwd als bevooroordeeld; maar het is waard kennis te nemen van wat François Caron en andere protestantse Hollanders die Iemitsu persoonlijk kennen over hem te zeggen hebben. Zij vinden hem ijdel, wispelturig en neurotisch, dit afgezien van zijn beruchte neiging tot dronkenschap, ontucht en seksuele omgang met knapen.

Tokugawa Iemitsu (1623-1632) is nog maar nauwelijks aan de macht als er een bloeiende christengemeente wordt ontdekt in de schaduw van zijn kasteel in Yedo. Dit komt als een grote schok voor hem. De tirannieke, megalomane heerser is in het bijzonder razend te moeten vaststellen dat terwijl de daimyô en de leidende samurai de anti-christelijke edicten gehoorzamen, eenvoudige boeren en trekkende rōnin halsstarrig weigeren zich te conformeren. “Het moet volstrekt ondenkbaar voor hem zijn geweest hoe deze mensen zonder macht en rijkdom de wil van hun heerser kunnen weerstaan, tenzij zij op mysterieuze wijze worden verleid en ondersteund door een buiten-landse macht. Zij zijn onmiskenbaar verraders die de strengste straffen verdienen,” zegt de Japanse autoriteit Masaharu Anesaki.

Een van de meest bijzondere kenmerken van het eerste decennium van de in 1614 afgekondigde vervolgingen is dat de autoriteiten vaak massa- demonstraties van gelovigen toestaan als enige van hun geloofs-genoten op de brandstapel hun leven geven. Deze demonstraties worden vermoedelijk toegestaan omdat de autoriteiten de indruk hebben dat het lijden van de slachtoffers de omstanders zal bewegen hun geloof op te geven. Maar na enige tijd moet worden erkend dat deze spectaculaire verbrandingen bevestigen dat het bloed der martelaren het zaad der kerk is. Verre van te worden geïntimideerd, wordt de meerderheid van de omstanders juist gesticht door de standvastigheid van degenen die lijden en zij verlangen ernaar hun voorbeeld te kunnen volgen. Overigens doet het de slachtoffers goed dat zo vele van hun volgelingen hun dood afwachten en voor hen bidden.

Er is al verwezen naar de spectaculaire demonstratie van religieuze orden bij de verbranding van de Arima-martelaren in oktober 1613. “Bij die gelegenheid steken de omstanders, nadat de slachtoffers allen aan een pilaar zijn gebonden, een zeer devoot schilderij van onze Gezegende Verlosser, die ook aan een pilaar is gebonden, omhoog. Dan steken de soldaten stro en hout in brand, de Heilige Martelaren die zich te midden daarvan bevinden roepen voortdurend devoot de hulp in van onze Gezegende Verlosser. Zij worden omringd door op hun knieën liggende christenen, die het Credo, het Pater Noster, het Ave Maria en andere gebeden bidden, totdat de martelaren hun Heilige zielen in de handen van God hebben gegeven.”

Soortgelijke scènes hebben plaats bij andere terechtstellingen gedurende het volgende decennium. De meest opmerkelijke is de verbranding van Fray Luis Flores O.P. en Fray Pedro de Zuñiga O.E.S.A. met hun Japanse compagnons in augustus 1622. Deze beproeving wordt bijgewoond door 150.000 mensen, zoals enige schrijvers beweren, of 30.000 volgens andere en waarschijnlijk meer betrouwbare kroniekschrijvers. Als de takkenbossen worden aangestoken, zeggen de martelaren sayonara of vaarwel aan de omstanders, die het Magnificat inzetten. Dit gezang wordt gevolgd door de psalmen Laudate pueri Dominum en Laudate Dominum omnes gentes, terwijl de Japanse rechters aan een kant zitten ”in voorgewende voornaamheid en ernst, wat hun favoriete houding is.” Daar het de voorafgaande nacht hevig heeft geregend, zijn de brandstapels nat geworden, waardoor het hout maar langzaam brand; maar zolang de verbranding duurt, blijven de toeschouwers hun gezangen zingen. Wanneer de dood een eind maakt aan het lijden van de slachtoffers, zet de menigte het Te Deus Laudanum in.

De marteldood van velen in Nagasaki wordt ook bijgewoond door een menigte die sympathiek staat tegenover de slachtoffers, maar de procedure wordt vervolgens strakker aangehaald. Bij de marteldood van de Italiaanse jezuïet Pietro Paolo Navarra en zijn confraters in november van dat jaar, hebben de toeschouwers niet het recht de naam van Jezus aan te roepen, noch om maar het geringste teken van aanmoediging te geven tegen pijn of zij worden door de bewakers neergeslagen. Doch bij de marteling van padre Girolamo de Angelis S.J. en zijn 49 gezellen te Yedo in december 1623, wordt er geen poging ondernomen om te voorkomen dat de jezuïeten tot de menigte preken, met het effect dat twee van de omstanders naar voren dringen en de dienstdoende rechter vergeefs smeken hen de martelaren te doen vergezellen.

Dit is ongeveer de laatste gelegenheid geweest waarbij zulk een demonstratie van sympathie is toegestaan, want de autoriteiten beseffen dat het afschrikkend effect van deze openbare martelingen in de regel wordt overtroffen door de bewondering voor de heldhaftigheid van de slachtoffers. Dit zou waar kunnen zijn, omdat het in die tijd ook in Europa niet zou worden toegestaan dat bij het ophangen van katholieke priesters in Londen, of bij de autodafe voor de joden in Lissabon, omstanders hun sympathie voor de slachtoffers zouden tonen. Maar vanaf ongeveer 1626 worden gevangengenomen missionarissen, zowel Japanse als Europese, naar de executieplaats gezonden met “het haar van hun hoofd en baard half afgeschoren, terwijl het geschoren gedeelte rood is geverfd. Er wordt een gebit in hun mond gedaan, opdat zij niet kunnen praten en om hun nek dragen zij een halster die hun hoofd naar achter drukt, zodat zij gedwongen zijn hun gezicht omhoog te houden, als zij zittend op een mager paard naar de plaats rijden waar zij gemarteld zullen worden.”

Ofschoon de wreedheid van de executies langzamerhand verhard als antwoord op de kalme moed van de terechtgestelden, zijn er heel wat uitzonderingen op de algemene regel. Zowel Japanse als Europese bronnen geven aan, dat de wijze waarop executies worden voltrokken in de verschillende lenen variëren. Enige daimyô gaan voort de ogen te sluiten voor de cryptochristenen in hun domeinen, althans tot Iemitsu in 1623 aan de macht komt. Zo achterhaalt de Matsumae daimyo van Yezo padre Girolamo Angelis S.J. door zijn doorzichtige vermomming in 1619, maar hij vertelt hem dat hij niets te vrezen heeft, ofschoon de shogun het christendom in Japan verboden heeft, “want Matsumae is niet Japan.” Zelfs traditioneel antichristelijke daimyo, als Matsura van Hirado, tonen soms grotere menslievendheid tegenover de gehate katholieken dan degenen die door banden van ras en religie dichter bij hen staan.

Richard Cocks schrijft over de “Gomrok Dono”. Met hem bedoelt hij Hasegawa Gomroku, een neef van Sahioye, die in 1615 zijn oom is opgevolgd als bugyo van Nagasaki. Gedurende de tien jaren dat hij deze functie vervult, geeft hij vaak blijk van zijn verlangen bloedvergieten te vermijden en van de tegenzin waarmee hij optreedt als waakhond van de shogun. De Hollander Reyer Gysbertszoon, die hem goed kent, laat weten dat “hij altijd ziek is of het voorwendt te zijn” en hij voegt daaraan toe dat hij ’s nachts niet kan slapen wegens zijn onaangename verplich-tingen. Bovendien laat een augustijner kroniekschrijver weten dat als informanten naar zijn yashiki komen met nieuws over de verblijfplaats van enige missionarissen, hij gewoonlijk iets bedenkt om het zenden van zoekers te vermijden, totdat hij een vertrouwde dienaar heeft uitgezonden om de missionaris te laten weten dat hij zich elders dient te verbergen.

Ter gelegenheid van de marteldood in november 1619 van de Portugees Domingos Jorge, de eerste Europese leek die sterft voor het Geloof in Japan, de Japanse jezuïet Leonardo Kimura, Murayama Toan, een van de fameuze Yoans zonen, en nog twee Japanners, geeft Hasegawa Gomroku een soort afscheidspartij voor hen. Op weg naar de executie-plaats, stoppen de martelaren bij zijn huis, waarbij Hasegawa Gomroku “van ieder van hen afscheid neemt, in het bijzonder van de broeder, die hij heel goed kent. Hij biedt alle veroordeelden wijn aan en ontvangt van ieder van hen de sakazuki, wat in Japan de gewoonte is, waarbij de omstanders de tranen in de ogen springen. De zwakste ontvangt een liter wijn en Hasegawa biedt ook Domingos Jorge een liter wijn aan, maar de dappere Portugees antwoordt dat “hij te voet en ongeschoeid zal gaan, om Onze Heer Jezus Christus, die te voet en ongeschoeid de Calvarie-berg berg beklom om voor ons te sterven,” na te volgen. De capitão is een man van zijn woord en hij loopt met een rode bonnet op zijn hoofd “zo opgeruimd verder dat het lijkt of hij op weg is naar een picknick, in plaats van de plek waar hij en zijn lotgenoten levend zullen worden verbrand.

Hasegawa’s meest opmerkelijke inspanning, echter, houdt verband met de cause célèbre van Fray Luis Flores O.P. en Fray Pedro de Zunñiga, O.E.S.A., die in 1621 op zee zijn gevangengenomen door de Engelsen. Zij geven zich uit voor Spaanse kooplieden uit Manila, maar als er bij hen brieven worden gevonden van de kerkelijke autoriteiten in Manila, wordt geconcludeerd dat zij missionarissen op weg naar Japan zijn. Ondanks dat Hasegawa Fray Pedro goed kent uit de tijd dat hij in Nagasaki heeft gewoond (hij heeft een aantal jaren eerder de monnik persoonlijk gewaarschuwd naar Manila te vertrekken), weigert hij de augustijn vriendelijk te herkennen als hij hem ziet. Hij blijft doof voor alle protesten van de Hollanders en Engelsen en hij weigert botweg de oprechtheid van hun brieven en berichten te accepteren. Pas als de dominicaan en de augustijn tenslotte eerlijk opbiechten dat zij missionarissen zijn, neemt de Japanse justitie haar loop. Hoe zeer zijn inquisitoriale verplichtingen hem tegenstaan, blijkt duidelijk daaruit dat hij de Bakufu bij herhaling heeft gevraagd hem van zijn functie te ontheffen wegens zijn slechte gezondheid. Hij is inderdaad een man die vaak ziek is en die tenslotte in 1626 wordt vervangen.

Zijn opvolger, Mizuno Kawachi, is een heel ander slag man; hij lijkt op zijn meester, de neurotische, megalomane Iemitsu. Zeer intolerant tegen oppositie, besluit hij de christenen met alle middelen uit Kyushu te verdrijven, wat het begin betekent van een driejarige periode van terreur, waardoor men erin slaagt de vreemde religie uiteindelijk grotendeels uit te roeien. Voordat de methoden die hij en zijn gelijkge-stemde opvolger, Takenaka Uneme-no-sho , aangenomen hebben om hun doel te bereiken, beschreven worden, dient te worden opgemerkt dat de bugyo en de daikwan zich in een moeilijke positie bevinden. Zij staan aan de ene kant onder druk van de razende shogun en aan de andere kant hebben zij te maken met de halsstarrige christenen. Maar waar Hasegawa Gomroku heeft getracht de potentiële slachtoffers te sparen, willen Kawachi en Takenaka van geen compromis horen. Zij vinden een bekwaam handlanger in de afvallige Suetsugu Heizo, die daikwan is geweest sedert Murayama in 1618 uit de gratie is geraakt. Alle drie maken zij gebruik van omkoping en corruptie en daar-naast van wreedheid en professor Anesaki merkt op dat deze mentaliteit van zich uitleven in hebzucht en lichtzinnigheid samengaat met haat en wreedheid tegenover de veroordeelden. Het schenkt voldoening te weten dat het met alle drie in een of andere vorm slecht is afgelopen.

Voordat meer en detail wordt verhaald aan welke beproevingen christenen worden onderworpen, dient eraan herinnerd te worden dat alles wat zich volgens de catalogus van verschrikkingen in Japan heeft voorgedaan zich ook in die tijd in Europa had kunnen voordoen. Een mogelijke uitzondering hierop is de staat van de gevangenissen in Japan. Hoe vuil en smerig de Europese gevangenissen in die tijd ook waren, zij lijken toch niet zulk een hel op aarde te zijn geweest als de Japanse variant is. De Spaanse franciscaan Fray Diego de San Francisco is een van de missionarissen die langjarige ervaring heeft opgedaan in de Yedo-gevangenis en die over het leven daarin een gedetailleerde beschrijving heeft achtergelaten. Van zijn overlijden is niets bekend; wellicht is hij een van de twee franciscaanse martelaren uit 1639, wier identiteit nimmer is vastgesteld.

In de eerste twaalf tot vijftien jaren van de algemene vervolging, was levend verbranden de algemene straf voor de meeste buitenlandse missionarissen en voor vele van de inheemse bekeerlingen die werden opgepakt. De Japanse vorm van verbranding op de brandstapel verschilt weinig van de in Europa in die tijd gebruikelijke wijze. In Japan wordt het slacht-offer niet strak aan een paal gebonden, terwijl de takkenbossen worden opgestapeld aan zijn voeten. De normale praktijk in Japan is dat het slachtoffer losjes met een pols aan de paal wordt gebonden, terwijl de takkenbossen in een kring om hem heen worden gelegd op enige afstand van de paal en het slachtoffer. De idee hierachter is dat de pijn van het nabije vuur de gefolterde zou laten hoppen en springen op een belachelijke wijze, als de spreekwoordelijke kat in het nauw, dit tot vermaak van de vele toeschouwers. Hierin worden de vervolgers teleurgesteld, want de overgrote meerderheid van de martelaren ondergaat haar vurige beproeving zonder terug te wijken. Richard Cocks beschrijft hoe hij zag dat 55 personen van alle leeftijden en van beide geslachten in oktober 1619 levend in de droge bedding van de Kamo rivier werden verbrand. Onder hen bevonden zich kinderen van vijf of zes jaar oud, die in de armen van hun moeder schreeuwden “Jezus ontvang hun zielen.”

Tussen de zeer zeldzame uitzonderingen op dit algemene stoïcisme, kan worden genoemd het bericht van de Hollander Reyer Gysbertszoon die op 10 september 1622 in Nagasaki getuige was van de terechtstelling van de Italiaanse jezuïet Spinola en zijn confraters, die levend werden geroosterd. “Twee anderen, die iets meer in de wind stonden en wier touwen door de vlammen verteerd waren, sprongen, ernstig verbrand door het vuur, en smeekten alsnog hun geloof te mogen afzweren om hun leven te redden, maar zij worden door de beulen met behulp van staken en stokken weer het vuur in gedreven, terwijl zij zeggen dat zij hun geloof niet willen herroepen uit innerlijke motieven, maar alleen maar omdat zij de hitte van de vlammen niet langer kunnen verdragen en dat hadden zij eerder moeten bedenken, er is nu geen genade meer voor hen.” Deze gebeurtenis spreekt de verzekering tegen van professor James Murdoch, die zegt dat de Japanse ambtenaren altijd bereid zijn iemands leven te sparen, als hij zijn geloof afzweert, waarbij zij overigens tevreden zijn met een formele verloochening van het Geloof. Daarbij zinspeelt hij op het afvallig worden van vier Portugese en Spaanse leken, die daarmee, als herbergiers van missionarissen, in juni 1626 hun dood op de brandstapel hebben willen voorkomen. Fray Diego de San Francisco schrijft: “ Ik geloof dat deze afvalligheid meer schade doet door haar slechte voorbeeld, dan alle Japanners die tot nu toe hun geloof hebben afgezworen. God moge hen in zijn barmhartigheid bekeren. Broeder Francisco de Santa Maria schrijft hen dat zij zich dienen te verzoenen met God en hun herroeping dienen in te trekken, waartoe hij aanbiedt hen naar de gouverneurs te begeleiden. Twee van hen antwoorden dat gedane zaken geen keer nemen.” Een van de vier afvalligen is Richard Cocks’ oude vriend, Alvaro Muñoz, hoewel Cocks verder gelijk had met zijn opmerking in 1620, dat de overgrote meerderheid van de christenen in Kyushu liever zal sterven dan onder martelingen hun Geloof te herroepen.

De duivelse vastbeslotenheid van de vervolgers heeft de stand van zaken tien jaren later totaal veranderd. Japanse, Iberische en Hollandse bronnen zijn het er allen over eens dat dit het gevolg is van de door de twee bugyo Kawachi en Takenaka gehanteerde methoden. De Bakufu introduceert ook meer drastische wetgeving tegenover de Nagasaki christenen. Zij die weigeren hun geloof te herroepen, wordt verboden deel te nemen in de commerciële scheepvaart, of in andere soorten handel waarmee zij hun dagelijkse brood kunnen verdienen. Gezinnen van christenen zien zich tot de bedelstof veroordeeld, tenzij zij elders een broodwinning kunnen vinden. Niet veel kiezen voor deze laatste mogelijkheid, zoals Fray Diego de San Francisco (terug in Japan sinds 1618) klaagt, en de afvalligheid, of deze nu oprecht is of niet, stijgt tot aanzienlijke aantallen. Het systeem van het betalen van geldelijke beloningen voor informanten begint vruchten af te werpen na het vertrek van Hasegawa Gomroku, die, zoals gezegd, deed of deze lieden niet bestonden.

Een van de mildere vormen van marteling is de zogenoemde water-marteling, waarvan de belangrijkste varianten zijn beschreven door een contemporaine Portugese bron. “In de eerste plaats, hangen zij de martelaar ondersteboven op met de benen uiteen en het hoofd gedompeld in een emmer met water dat tot boven de neusgaten reikt. Als het touw waarmee zijn voeten zijn vastgemaakt wordt strakgetrokken, dan draait het lichaam langzaam rond in de lucht. Dit is een zeer pijnlijke marteling, door de inspanningen die het slachtoffer doet om adem te halen. In de tweede plaats laten zij de martelaar neerdalen op een plank. Waarbij zijn linkerhand vrij is, zodat hij deze op zijn borst kan plaatsen indien hij een teken wenst te geven dat hij zijn geloof wil herroepen. Zij laten zijn hoofd een beetje naar beneden hangen en de marteling stopt niet want zij gieten grote hoeveelheden water in zijn gezicht (dat gewoonlijk bedekt is met een dunne lap stof). De slachtoffers spannen zich zo verwoed in om adem te halen dat er gewoonlijk een ader van hen barst. Van de Italiaanse jezuïet, Marcello Mastrilli wordt gezegd dat hij de watermarteling twee dagen heeft weerstaan, waarbij hij alleen al op de tweede dag 400 kruiken water heeft moeten incasseren.

Kawachi introduceert een nieuwe wredere vorm van watermarteling door verschillende honderden bijzonder halsstarrige slachtoffers naar de hete zwavelbronnen van Unzen te brengen. Daar worden de arme stakkers gemarteld doordat hun wonden worden toegebracht waarin langzaam kokend water wordt gegoten. Indien deze behandeling faalt het slachtoffer zijn geloof te doen herroepen dan wordt hij alsnog opgehangen of in de hete zwavelbron gegooid. Daar Kawachi’s beoogde doel is afvalligen eerder dan martelaren te verkrijgen, heeft hij altijd een arts bij de hand, die tussenbeide komt als het slachtoffer dreigt van uitputting te sterven. De martelaar wordt dan een paar dagen met zorgen omringd totdat hij voldoende is hersteld om dezelfde martelingen opnieuw te ondergaan. Ondanks alle voorzorgsmaatregelen van Kawachi sterft een aantal mensen onder deze behandeling, maar hierdoor en door andere methoden dwingt hij 370 personen uit een totaal van 400 hun geloof te herroepen; deze mensen worden als vrije mannen naar Nagasaki teruggezonden.

Na hun aankomst in de haven, wordt geproclameerd dat iedereen die zijn geloof niet binnen een bepaalde tijd herroept, hetzelfde lot te wachten staat. Fray Diego de San Francisco, schrijvend vanuit een geheime plaats in november 1629, zegt dat nu ongeveer duizend christenen de stad zijn ontvlucht, maar dat feitelijk alle achterblijvers hun geloof herroepen, “zonder dat zij daarvoor zijn beloond of gestraft, anders dan met de gebruikelijke straf waaronder zij al lang lijden.” Namelijk dat zij de stad niet mogen verlaten, niet mogen werken of handeldrijven, noch hun dagelijkse brood mogen verdienen en dat zij belastingaanslagen moeten betalen. Hij schat dat slechts 200 van de 1.000 geweigerd hebben hun geloof te herroepen. Hij voegt hieraan toe dat de formele herroeping wordt afgelegd door het hoofd van het gezin en dat hierbij van de vrouwen, kinderen en dienaren geen stellingname wordt verlangd. Als het gezinshoofd zijn keuze heeft gemaakt, wordt het geacht een kwestie van tijd te zijn voordat de andere gezinsleden het Geloof vaarwel zeggen.

Deze methoden worden overgenomen in Omura, Arima en elders, met het resultaat dat de eens bloeiende christengemeenten van Kyushu eind 1630 feitelijk zijn uitgeroeid. Het algemene succes van de methoden van Kawachi en Uneme wordt aangetast door het buiten- gewone heldendom dat wordt getoond door een groep van vijf buiten-landse missionarissen en twee Macaunese vrouwen, die gedurende de gehele maand december van het jaar 1631 worden gemarteld in de zwavelbronnen van Unzen. Geen van allen herroept het Geloof, mogelijk met uitzondering van de jongste van de twee vrouwen, die nog slechts een meisje is. Uneme moet uiteindelijk zijn verlies erkennen en de groep wordt teruggebracht naar Nagasaki, toegetakeld, maar triomferend. De missionarissen worden levend verbrand in september van het volgende jaar en de heroïsche Beatriz da Costa en haar dochter worden uitgewezen naar Macau.

De succesrijke weerstand die de groep heeft geboden aan het ergste dat de zwavelbronnen van Unzen kunnen doen, is waarschijnlijk de reden voor het niet meer toepassen van deze bijzondere vorm van marteling en zijn vervanging door de ana-tsurushi, of ophanging in de kuil. Deze duivelse uitvinding die is toegeschreven aan Takenaka Uneme en ook wel aan de (latere) inquisiteur, Inouye Chikugo-no-kami Masashige, vervangt vanaf 1632 in de meeste gevallen de brandstapel. Portugese en Hollandse ooggetuigen leggen de methode uit. Het slachtoffer wordt met een touw rond het lichaam gebonden, waarbij een hand wordt vrijgelaten om het signaal van afzwering van het geloof te kunnen geven, ondersteboven aan een galg in een kuil gehangen. Men laat het slachtoffer zakken in de kuil, die gewoonlijk is gevuld met uitwerpselen en andere viezigheid, totdatj alleen zijn onderbenen boven de kuil uitsteken. Om het bloed enige lucht te geven, zijn enige lichte sneden in het voorhoofd aangebracht. Enkele sterke martelaren leven meer dan een week hangend aan de galg, maar de meerderheid overleeft slechts een dag of twee.

Deze nieuwe methode wint enorm aan prestige bij de inquisiteurs als de toepassing hiervan de afvalligheid bewerkstelligt van de bejaarde provinciaal van de jezuïeten, padre Cristovão Ferreira, die het signaal voor herroeping gaf na in oktober 1633 zes uren lang ondraaglijk pijn te hebben geleden. Zijn werkzaamheid in het bewerkstelligen van geloofsafval is in veel andere gevallen gebleken. De Hollandse factor in Hirado, François Caron, verhaalt hoe “enigen van hen die de marteling twee of drie dagen doorstonden mij hebben verzekerd dat de pijnen die zij moesten verdragen totaal ondraaglijk zijn, noch vuur, noch andere marteling veroorzaakt zulke helse pijn.” Nochtans verdraagt een jonge vrouw deze marteling veertien dagen lang en sterft dan als martelaar.

Als de Europese missionarissen zich niet langer kunnen uitgeven voor buitenlandse kooplieden, reizen zij, vaak vermomd als vrouwen en met behulp van de gonin-gumi2, dwars door heel Japan, zowel over de breedte als de lengte, gewoonlijk ’s nachts, waarbij zij zich telkens bij een andere groep van de gonin-gumi aansluiten. Op deze wijze weet Fray Francisco de Jesus O.E.S.A. op een nacht in 1626 te ontsnappen uit Nagasaki. Via de gonin-gumi verspreiden de onder-gronds levende christenen hun nieuws, brieven en boodschappen; enige van hun rapporten bereiken zelfs de paus. De lokale gonin-gumi krijgen tot taak door omkoping van bewakers extra voedsel voor in de gevangenis verblijvende missionarissen naar binnen te smokkelen. Er worden ook brieven in en uit de gevangenissen gesmokkeld, wat blijkt uit het grote aantal brieven dat in de gevangenis is geschreven, vaak door martelaren op de vooravond van hun executie. Zuñiga en Flores ontsnappen met hulp van de gonin-gumi uit gevangenschap in Hirado, maar door domme pech worden zij opnieuw gevangen-genomen. Dankzij de gonin-gumi blijft het christendom meer dan twee eeuwen in het geheim in zuidwest Kyushu bestaan, zonder de aanwezigheid van buitenlandse missionarissen, terwijl de Japanse christenen geheel zijn afgesloten van de buitenwereld.

De handel van Japan met Manila neemt in de eerste vijftien jaren van de zeventiende eeuw voortdurend toe. Dit blijkt ook uit de groei van de Japanse bevolking in de Filippijnen, die meestal wonen in Dilao, een voorstad van Manila. In 1593 telde hun aantal 300 à 400 zielen, maar ten tijde van de onderdrukking van de Sangley-opstand in 1603 is hun aantal al toegenomen tot 1.500 en drie jaren later is dit aantal verdubbeld. Na het neerslaan van de opstand in de jaren 1606-1607, is een aantal Japanners gedeporteerd, maar de achter-uitgang is slechts tijdelijk en de handel blijft op bescheiden schaal bestaan totdat Tokugawa Ieyasu in 1614 het christendom verbiedt. Takayama Ukon en zo’n 300 uitgewezen christenen arriveren aan het eind van dit jaar en deze vormen de kern van een meer permanente kolonie. De vestiging van Japanners in Dilao is waar-schijnlijk de grootste groep Japanners buiten Japan, die Hernando de los Rios Coronel in 1619 schat op 2.000 zielen. Aartsbisschop Serrano schat het aantal tot het katholicisme bekeerde Japanners in Dilao op meer dan 1800, maar gouverneur-generaal Alonso Fajardo de Entenza (1618-1624) schrijft vier maanden later dat een groot aantal Japanners recentelijk is uitgewezen “zodat er voor lange tijd niet meer zo weinig Japanners zullen zijn dan thans.”

Voordat de handel tussen Japan en Manila in het derde decennium van de eeuw slinkt tot nihil, heeft deze klaarblijkelijk een respectabele omvang bereikt. Duarte Gomes de Solis, een Portugees-Joodse economist die in 1622 schrijft, klaagt bitter over de schade toegebracht aan de Iberische belangen door de neiging van Manila uit te breiden als een opslagplaats voor Chinese zijde, wat ten koste gaat van Macau. Hij beweert dat de Spanjaarden de prijs van zijde hebben opgedreven tot meer dan het dubbele van de kosten toen de Portugezen nog de enige kopers daarvan waren. Overigens komen de Japanners zijde kopen in de Filippijnen, waar de driehoeks- competitie de prijs heeft doen stijgen van 140 tot 260 pesos de pikol.

Ondanks het voorgaande, is de komst van het Zwarte Schip van Macau in die tijd nog steeds de belangrijkste factor in de buitenlandse handel van Japan. Chinese zijde in de een of andere vorm is het meest begeerde handelsartikel van alles wat Japan importeert en het zijn nog steeds alleen de Portugezen die toegang hebben tot de Chinese zijdemarkt. Bijgevolg wordt er gewoonlijk in Goa scherp geboden op de aankoop van deze reizen, ofschoon de succesrijke bieder soms reden heeft om zijn zaak te betreuren, zoals het verhaal over de rampspoed van João Serrão da Cunha leert.

Deze fidalgo was, zoals blijkt uit de notariële stukken van zijn vijftienjarig proces tegen de kroon, een van de rijkste kooplieden in Goa, toen hij tijdens de jaarlijkse veiling van 9 maart 1610 voor de som van 27.000 xerafins een handelsreis naar Japan kocht. Dit is in die tijd een gemiddelde prijs, als geschat wordt dat de reis voor de capitão-mor een zuivere winst opbrengt van 150.000 xerafins, “eerder meer dan minder.” João Serrão’s particuliere reis wordt op de veiling verkocht om fondsen bijeen te brengen voor de fortificatie van de stad Cochin, en in overeenstemming met de gewoonte, betaalt hij de helft van de prijs contant en geeft zekerheid voor de betaling van de rest bij zijn terugkeer uit Japan. João Serrão da Cunha koopt ver-volgens een mooie nieuwe nau, die genoemd is Nossa Senhora da Vida. Dit schip is pas van stapel gelopen bij de radja van Cochin en het is ook gebouwd voor de kalpathi zelf. João Serrão betaalt meer dan 40.000 xerafins in contant geld voor de nau, “uitgerust en klaar voor vertrek gemaakt in de haven van Goa”, wat volgens hem een redelijke gemiddelde prijs is voor een nau met bestemming Japan. Daar zijn oorspronkelijke werkkapitaal slechts 50.000 xerafins bedraagt, is hij verplicht een lening af te sluiten voor het betalen van gages aan de bemanning en het innemen van voedsel voor de reis. Deze twee posten blijken gemiddeld uit te komen op 500 xerafins per maand.

Nieuws van de ramp met de Nossa Senhora da Graça en van de Hollandse plunderingen in de Chinese Zee bereiken Goa voordat João Serrão da Cunha in april 1611 de haven van Goa uitzeilt. Hij wordt begeleid door vijf galjoenen, onder bevel van Miguel de Sousa Pimental, samen met een schip dat toebehoort aan de capitão van Malakka. De eerste tegenvaller voor João Serrão bestaat daaruit dat zijn eskader de moesson mist en veroordeeld is in Malakka te overwinteren, om eerst in het volgende jaar Macau te bereiken. Daar is in de jaren 1610 en 1611 geen sprake van handelsreizen naar Japan, omdat de Macaunezen deze reizen niet aandurven, totdat Soutomaior het shogunale paspoort met het rode zegel mee terugbrengt, samen met de verzekering van Honda, Goto en Hasegawa dat de Portugezen de Pacific kunnen bevaren. De reizen naar Japan worden dan in 1612 vernieuwd door Pero Martins Gayo in de grote galeão São Felipe e Santiago, daar Pero Martins zijn reis eerder gekocht heeft dan João Serrão en wel voor de fortificatie van Malakka. Pedro Martins heeft daarom het recht eerder dan João Serrão naar Japan te reizen. Een ander en duidelijker shuinjo komt in 1613 uit Japan, maar João Serrão’s recht om de volgende reis naar Japan te maken wordt betwist door twee fidalgos, die twee reizen naar Japan hebben gekocht, die hen gegund zijn door de koningin van Spanje voor het Grande Real Monasterio de la Encarnacion in Madrid. Deze twee reizen hebben de voorrang boven alle andere en ofschoon João Serrrão zijn zaak voorlegt aan de het gerechtshof in Macau en in Goa, verliest hij zijn zaak in beide plaatsen.

De onfortuinlijke capitão-mor, die nu twee jaren overtijd is en dieper in de schulden steekt dan ooit, is genoodzaakt nog een lening aan te gaan voor zover hij daarvoor nog over dekking beschikt, om een van zijn rivalen uit te kopen en het zichzelf mogelijk te maken uit te zeilen. Dit doet hij, maar pech blijft hem achtervolgen. Tegenwinden en slecht weer weerhouden hem ervan de reis nog dat jaar te maken, waardoor hijzelf, zijn gezin en zijn bemanning genoodzaakt zijn nogmaals een jaar werkloos door te brengen. Pas in juli 1614 komt de ongelukkige João Serrão da Cunha Nagasaki te zien, maar zelfs dan zijn zijn moeilijkheden nog maar nauwelijks begonnen.

Ondanks dat Tokugawa Ieyasu dat jaar de jezuïeten heeft uitgewezen laat de balans van de handel van het Zwarte Schip dat jaar een aantrekkelijke winst zien, maar het aandeel van capitão-mor João Serrão da Cunha ontgaat hem wegens betalingen aan zijn schuldeisers. Hij is niet in staat geld te lenen om zijn volgende reis te financieren en zijn crediteuren executeren in september 1616 zijn bezittingen, als zijn schip en nog enige andere bezittingen worden verkocht. Gedurende de vijf en een half jaar die de ongelukkige reis heeft geduurd, heeft hij meer dan 50.000 xerafins betaald aan lonen en lopende uitgaven alleen. Van een van de rijkste mannen van Goa is hij verworden tot een bedelaar.

1 Het regeringsapparaat van de shogun

2 Gonin-gumi is een homogene groep van vijf huishoudens die zodanig zijn georganiseerd dat zij over en weer voor elkaar verantwoordelijk zijn.

4.6 Het gesloten land

x

Check Also

Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De Malediven. Expansie van het Império Português (1515-1521)

Deel 6 Index Hoofdstuk 7 Expansie van het Império Português (1515-1521) 7.1 De Malediven Geschreven door Arnold van ...

banner
Close
Stay informed about Colonial Voyage