Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike
Torre de Belém, Lissabon, Portugal. Auteur Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

Het beleg van Goa en Chaul in 1570; vice-rei Dom Luís de Ataide (1568-1571). De Estado da India in de jaren 1558-1581

Deel 15 Index

Hoofdstuk 1.

De Estado da India in de jaren 1558-1581

1.2. Het beleg van Goa en Chaul in 1570; vice-rei Dom Luís de Ataide (1568-1571)

Geschreven door Arnold van Wickeren

Dom Antão de Noronha wordt als vice-rei van de Estado da India opgevolgd door Dom Luís de Ataíde, conde de Atouguia. Hij is in maart 1568 uit Lissabon vertrokken, vergezeld door vijf schepen, waarop zich een groot aantal manschappen bevindt, en hij arriveert in oktober van hetzelfde jaar in Goa, waar hij met algemene voldoening ontvangen wordt. Bij de orders die hij meeneemt, is er een die regelt dat een heer slechts met onbedekt hoofd met hem spreekt en als de heer daarbij een zetel wordt aangeboden dan dient het een stoel te zijn zonder rugleuning. Het eerst waarmee de nieuwe onderkoning zich bezighoudt is het uitzenden van schepen in diverse richtingen. Tot de uitgezonden schepen behoort de vloot van dertien zeilen, waarmee Luís de Mello da Silva in februari 1569 naar Malacca zeilt, om daar Dom Leonis de Pereira te ontzetten. Afonso Pereira de Lacerda zeilt met zes vaartuigen naar het noorden en Martim Afonso de Miranda wordt met 36 schepen naar de kust van Malabar gezonden om piraten die daar de wateren onveilig maken, op te sporen. In een ontmoeting met hen, loopt Martim Afonso verwondingen op doordat hij wordt getroffen door een kanonskogel, nadat hij vijf grote vaartuigen heeft vernietigd. Hij wordt vervolgens overgebracht naar Cochin, waar hij sterft. De strijd tegen de piraten wordt door anderen overgenomen. Dom Jorge de Menezes vaart met twee galeien uit om de piraat Kunhale te achtervolgen. Hij slaagt er niet in hem te vinden, maar hij ontmoet een groot aantal vaartuigen in de rivier Carapatan, die hij aanvalt. Dom Jorge entert een grote galei, waarvan hij de gehele moorse bemanning van 180 man doodt. Dom Paulo de Lima Pereira vertrekt in 1569 met acht schepen naar het noorden en Ayres Teles de Menezes zeilt ook met acht schepen uit. In de Rio Banda, dichtbij Goa, vindt hij vier caturs, of Malabaarse aken, die hij aanvalt, maar ofschoon de vijand in dit treffen veel manschappen verliest, slagen de caturs erin te ontsnappen. Ayres Teles de Menezes vervolgt hierna zijn reis naar het noorden. Hij heeft opdracht Rustum Khan te ontzetten, omdat deze beloofd heeft als tegenprestatie voor militaire hulp schatplichtig aan de koning van Portugal te worden. Hij wordt door de Mogols belegerd in Broach, welke plaats hij veroverd heeft gedurende de verwarring die in Cambay was ontstaan na het overlijden van koning Bedur. Het kost Ayres Teles de Menezes weinig moeite de Mogols uit Broach te verdrijven, maar zodra Rustum Khan niet meer in gevaar verkeert, weigert hij zijn deel van de afspraak na te komen. Terwijl deze gebeurtenissen plaatsgrijpen in Broach, vertrekt Dom Pedro de Almeida, capitão van Damão, naar Surat, om Agaluchem, de heer van deze stad, ter verantwoording te roepen, omdat hij twee grote vaartuigen heeft beladen, zonder toestemming van de onderkoning. De consequentie van dit verzuim is dat de schepen en hun lading, die bij elkaar een waarde hebben van maar liefst 100.000 dukaten, worden geconfisqueerd.

Omdat de Portugezen Agaluchem het vuur na aan de schenen leggen en een eskader uit Damão, onder bevel van Nuno Velho Pereira, doende is de Golf van Cambay, een dichtbevolkte streek met een bloeiende textielindustrie en het commerciële zwaartepunt van het noordwesten van het Indische subcontinent, te ontdoen van vijanden, heeft de gouverneur van Surat een verzoek om hulp gericht aan de zamorin van Calicut. Dom Diogo de Menezes houdt de scheepvaart aan de Malabarkust echter zo nauwkeurig in de gaten, dat de zamorin geen kans heeft Surat te hulp te komen. Nuno Velho Pereira laat zich in 1569 stevig gelden; hij steekt twee dorpen en verschillende schepen in brand en maakt ook diverse gevangenen. Vervolgens achtervolgt hij met 400 man een strijdmacht van de Mogols, die gevlucht is naar de vrijwel onneembare vesting Parnel, gelegen op een berg op drie léguas van Damão. Nuno Velho Pereira begint met zijn mannen aan de beklimming van de berg, zonder dat hij de sterkte van de vesting, noch die van het garnizoen daarbinnen kent. De Mogols, in feite 800 man, bekogelen de moeizaam de berg opklimmende Portugezen met grote keien. De aanvallers klimmen op handen en voeten naar boven en bereiken de buitenste loopgraven en na hevige tegenstand van de verdedigers te hebben overwonnen, jagen de Portugezen hen de vesting in, maar zij lopen vergeefs storm tegen het fort. Nuno Velho Pereira breekt de aanval af, nadat hij zeven man verloren heeft. De vijand betreurt echter 30 gesneuvelden en zij hebben ook 50 paarden, enige kamelen en ossen verloren. Nuno Velho pleegt na zijn aftocht overleg met Álvaro Peres de Tavora, die Pedro de Almeida als capitão van Samão is opgevolgd. Besloten wordt een nieuwe aanval op de vesting Parnel te wagen, omdat de Portugezen geen vijandelijke strijdmacht in de onmiddellijke omgeving van Damão dulden. Nuno Velho Pereira trekt opnieuw tegen Parnel op, deze keer met een strijdmacht van 100 Portugezen met 50 Arabische paarden en 650 halfbloeden die als voetknechten dienst doen en die drie kanonnen de berg opslepen. De aanvallers stuiten op hevige tegenstand; zij worden met vijf kanonnen vanaf de top beschoten. Zij hebben drie dagen nodig om de top te bereiken en zij plaatsen daarop een van hun kanonnen, waarmee zij zes dagen lang onophoudelijk het fort beschieten. Als zij de beschieting staken, zien zij dat de vijand het fort verlaat en wegtrekt. Hierna breken de Portugezen de vesting tot de grond toe af.

In de omgeving van Baçaim ligt eveneens een onneembaar fort. Het door de Portugezen bezette fort van Açarim, dat grote aantrekkingskracht uitoefent op de koningen van Coles en Sarceta, die een poging ondernemen zich er meester van te maken. Nadat de vijanden op weg naar het fort al de nodige verwoestingen in de omgeving van Baçaim hebben aangericht, slaan zij hun kamp op voor het fort. Zij ondernemen een aanval, maar André de Villalobos, die het bevel over het garnizoen heeft, verdedigt zich dapper, totdat onderkoning Dom Luís de Ataíde versterkingen zendt. Als de verdediging van het fort is aangegroeid tot 800 man, onderneemt André de Villalobos een tegenaanval op zijn belegeraars. Hij dwingt hen niet alleen het beleg op te breken, maar achtervolgt hen ook op hun eigen gebieden, daarbij verwoest en doodt hij alles wat en iedereen die hij tegenkomt te vuur en te zwaard, waarna hij terugkeert naar het fort.

De Portugese invloed in en rond de Golf van Cambay is groot. Het handelsverkeer van de vele havens aan de Golf wordt door de Portugezen strikt gecontroleerd door middel van de afgifte van cartazes en het innen van belasting door het douanekantoor in Diu, waar alle schepen zich dienen te melden. Portugese kooplieden kunnen zich ongestoord vestigen in de havensteden rond de Golf van Cambay, zoals in Surat, Broach, Ansote, Cambay en Gogo. Verschillende reizigers die in de loop van de zestiende eeuw de streek bezoeken, hebben ons bijzonderheden laten weten over de stad waaraan de Golf van Cambay haar naam ontleent. Duarte Barbosa, die de stad vóór 1517 bezoekt, geeft op over de rijkdom van zowel moslim als ‘heidense’ kooplieden en hij geeft een opsomming van de producten van de textielindustrie en van de vele andere voorwerpen die er vervaardigd worden, van schaakstukken en schaakborden tot gouden sieraden. Cesare Frederici heeft in 1563 een heel andere indruk. Er heerst zo’n schaarste aan voedsel dat de inwoners hun zonen en dochters voor een paar happen eten aan de Portugezen verkopen. Desondanks gaat de handel door; hij ziet talloze kleine barken, geladen met alle soorten specerijen, Chinese zijde, sandalen, ivoor, fluweel, allerlei soorten kleding, indigo, suiker, opium, geneesmiddelen, edelstenen en vruchten. Vincent le Blanc, die Cambay kort voor de verovering van de stad door de Mogols in 1571 bezoekt, noemt Cambay ‘een van de rijkste steden van de Oriënt, waar alles te koop is wat voor het leven noodzakelijk is en waar de Portugese invloed aanzienlijk is en de sultan vrijheid van godsdienst toestaat. De Portugezen, die in Cambay zaken kopen om Diu en Goa te bevoorraden, hebben er net zulke mooie huizen gebouwd als in Ormoez en Diu. Le Blanc maakt ook melding van koop en verkoop van vrouwen en kinderen in Cambay. Over vrouwen deelt hij nog mede dat zij hun ivoren armbanden kapot breken als hun ouders overleden zijn. Ralph Fitch, die tussen 1583 en 1591 een bezoek aan de stad brengt, spreekt over een grote volkrijke stad, maar hij heeft het opnieuw over hongersnood en de verkoop van kinderen. Cambay drijft volgens Fitch handel met alle delen van Voor-Indië, maar ook met Ormoez en Mecca. Maar hij rept niet over de verzanding van de rivier.

Zodra de moesson het in 1569 toelaat, zendt de onderkoning opnieuw eskaders uit naar diverse bestemmingen. Dom Rodrigo de Sousa vertrekt met zes schepen naar Cambay; Pedro Lopes Rabello en Giles Goes zeilen met twee schepen en drie galjoenen naar Aden; Dom Diogo de Menezes gaat met twaalf galeien en dertig kleine vaartuigen naar de Malabarkust en Pedro da Silva e Menezes tenslotte, vertrekt met dertien zeilen naar Barcelor, een havenstad tussen Baticale en Mangalore. De onderkoning die de koning van Tolar heeft beledigd en die daarom bezorgd is dat deze het fort1 in Barcelor zal innemen, heeft met de commandant afspraken gemaakt dat hij het fort door verraad in handen van de Portugezen zal brengen. Pedro da Silva e Menezes, die op weg is om het fort in bezit te nemen, zeilt hiertoe de Rio Sanguicer, die door de gebieden van de Adil Khan van Bijapur stroomt, op en steekt twee steden en verscheidene vaartuigen in brand. De commandant van Barcelor, draagt het fort, zoals hij eerder heeft beloofd, ’s nachts over aan de Portugezen, die daarop de stad intrekken en meer dan 200 inwoners gevangennemen. De koningen van Tolar en Cambolim laten het er niet bij zitten; nog dezelfde nacht brengen zij 1.500 man tegen de Portugezen op de been. Deze strijdmacht versterken zij de volgende nacht met 5.000 man. Na een gevecht waarin de Portugezen de vijand zware verliezen toebrengen, komen zij tot de conclusie dat het fort onhoudbaar is, zodat zij gedwongen zijn het te verlaten. Zij vertrekken officieel met slaande trommen en wapperende vaandels en met medeneming van twintig kanonnen en een enorme hoeveelheid ammunitie en wapens. In 1569 sluit vice-rei Dom Luís de Ataíde een verdrag met de Adil Khan, waarin de laatste erin toestemt de Portugezen strategische goederen als salpeter, zwavel en ijzer te leveren. Vóór de Slag bij Talikote in 1565, waren de Portugezen de enige afnemers van salpeter van Vijayanagar. Van uitvoering van de overeenkomst komt niets terecht, omdat de vreedzame situatie van 1569 spoedig tot het verleden behoort. De Portugezen kopen veel salpeter in het achterland van Devanampattinam, wat een groot deel van zijn rijkdom aan de export van salpeter, textiel en indigo te danken heeft. De Portugezen hebben grote behoefte aan salpeter, dat zij nodig hebben om hun militaire superioriteit te handhaven. Een verwijzing door Frei Nicolau Pimenta s.j. naar de beschikbaarheid van salpeter en van het gebruik daarvan bij de productie van kruit in Gingee, draagt bij aan de theorie dat de handel slechts een complementaire rol speelt bij de vervulling van de politieke ambities van de Portugezen in Tamilland. De grote hoeveelheden salpeter die worden geproduceerd in Devanampattinams achterland worden opgeslagen in de salpetergoedangs (casa de salitre) die in die tijd een onderdeel zijn van de plaatsen waar zich veel Portugezen hebben gevestigd. Later na de stichting van de Companhia Portuguesa das India Orientales in 1580, zal de verantwoordelijkheid voor de aankoop en export van salpeter naar Lissabon, worden toevertrouwd aan deze compagnie. Het belangrijke centrum van de handel in salpeter aan de Coromandelkust zal evenwel in 1608 door de nayak van Gingee aan de Hollanders worden gegeven en de Portugezen zullen uit Devanampattinam worden verdreven.

Mem Lopes Carrasco, die met slechts een schip en 40 strijdbare mannen op weg is naar Sunda, passeert de haven van Atjeh, precies op het moment dat de sultan van Atjeh de haven verlaat met een vloot van 20 galeien, 20 galjoenen en 160 andere vaartuigen. Het is voor Mem Lopes onmogelijk de vloot te vermijden en hij besluit zijn huid zo duur mogelijk te verkopen. De gehele vijandelijke vloot valt hem aan en schiet zijn gehele tuigage aan flarden, maar als de nacht valt, breken zij het gevecht af. De volgende dag echter wordt de strijd met verdubbelde energie hervat. De krachtmeting duurt drie dagen, waarbij de sultan 40 schepen verliest en met de rest van zijn schepen terugkeert naar de haven. Mem Lopes slaagt erin, ondanks de opgelopen schade, Malacca te bereiken, maar zijn schip is dermate toegetakeld, dat daarvan nog maar weinig boven water uitsteekt.

Koning Miran, een heerser over enig gebied dat ligt tussen door de Mogols beheerst gebied en Cambay, streeft ernaar de kroon van Cambay te verwerven. Hij denkt dat hij hiervoor de beste papieren bezit, daar hij de steun geniet van de wettige erfgenamen van sultan Bedur. Miran vraagt de onderkoning om diens assistentie bij het verdrijven van Himi Khan, die hem bestrijdt. In ruil voor het verdrijven van de overweldiger, biedt Miran de onderkoning, naast een som geld, enige steden aan. Dom Luís de Ataíde gaat op het verzoek van Miran in. Hij brengt in korte tijd 140 schepen bijeen, natuurlijk vragen oproept over de voorgenomen inzet van zulk een grote in allerijl geformeerde vloot. Dom Luís laat uitlekken dat er een expeditie tegen Malabar wordt voorbereid. Hij zendt gezanten naar Miran om over de komende campagne te overleggen. Intussen voorkomt Dom Luís dat het moreel van zijn strijdkrachten wordt aangetast door nietsdoen, totdat de gezanten zijn teruggekeerd van Miran. Hij zeilt met zijn vloot naar de rivieren van Barcelor en Onor, waarvan de oevers worden bewoond door Canarezen, die, op instigatie van Malabaren, geweigerd hebben schatting aan de Portugezen af te dragen. Terwijl de vice-rei zich met de besproken zaken bezighoudt, arriveren vier schepen uit Lissabon in Goa. De aankomst van schepen uit Lissabon is altijd een bijzondere gebeurtenis, omdat de bemanningen daarvan nieuwtjes uit het verre vaderland meebrengen.

Dom Paulo de Lima, die het bevel voert over een galjoen en zes andere schepen, en Martim Afonso de Mello, capitão van Baçaim, verzamelen tegen het einde van 1569 een strijdmacht die bestaat uit 130 cavaleristen en 800 Portugese voetknechten voor een expeditie tegen de koningen van Coles en Sarceta. Hoewel de vijand beschikt over 400 ruiters en 2.000 man voetvolk, wordt hij toch verslagen en op de vlucht gedreven. Daarna verwoesten de overwinnaars de steden Darila en Varem evenals de omliggende landerijen. Op de terugweg naar Goa maakt Dom Paulo de Lima zich meester van twee vijandelijke schepen; hij wordt met eerbetoon door de vice-rei in Goa verwelkomd.

In november 1569 zeilt de onderkoning uit met een vloot van 130 schepen, waarop zich, naast Inheemse soldaten, 3.400 Portugese soldaten bevinden. De vloot zeilt de rivier bij Onor op en 2.300 man voeren een landing uit, waarbij de vijand enig verzet pleegt. Onor is door zijn ligging een sterke stad en is bovendien goed gefortificeerd, zodat het een vrijwel onneembare sterkte lijkt. Niettemin beginnen de Portugezen de heuvel, waarop Onor ligt, te beklimmen, ondanks een regen van kogels die op hen neerdaalt. Zodra de aanvallers de top bereiken, verlaten de verdedigers de stad en trekken zich terug in het fort, terwijl de koningin van Garçopa zich in het binnenland terugtrekt. De stad Onor, die veel mooie en rijke gebouwen kent, wordt eerst geplunderd en daarna in brand gestoken. Daarna wordt het fort aangevallen en na een bombardement van vier dagen geeft het garnizoen zich over, op voorwaarde dat het wordt toegestaan dat de verdedigers met behoud van hun wapens vertrekken. Daarna nemen de Portugezen het fort in bezit en er wordt een garnizoen van 400 man, onder bevel van Jorge de Moura in het Fortaleza de Santa Catarina gelegerd.

Dom Luís de Ataíde gaat vervolgens naar Barcelor, een plaats die qua sterkte en ligging met Onor overeenkomt. De landing daar is veel moeilijker, omdat 11.000 tegenstanders weerstand bieden, maar na een hard gevecht, waarbij de Portugezen 200 vijanden hebben gedood, veroveren zij een deel van de stad. Deze terreinwinst ontmoedigt de verdedigers zozeer, dat zij hun fort verlaten en dit zonder tegenstand in handen van de Portugezen laten vallen. Spoedig daarna vallen de koningen van Tolar en Cambolim het door de Portugezen ingenomen fort in een zeer donkere nacht aan, maar zij vinden capitão Pedro Lopes Rabello en zijn 200 manschappen voorbereid op een aanval. Nadat de vijand 300 man in de strijd verloren heeft en wanhoopt succes te kunnen boeken, wordt er een vredesverdrag gesloten. Een van de overeengekomen voorwaarden is de verhoging van de jaarlijks te betalen schatting. Voordat de onderkoning uit Barcelor vertrekt, heeft hij een ontmoeting met de twee vorsten en met de koningin van Garçopa, waarin zij vriendschap sluiten. De Portugezen zijn meer dan een maand bezig in Barcelor een nieuw fort te bouwen, dat ligt op een gunstiger plaats, tussen de stad en de riviermonding. Van dit fort wordt António Botelho capitão.

Ondertussen wacht Dom Luís de Ataíde vergeefs op antwoord van koning Miran. Later zal blijken dat op het moment dat Miran Cambat binnentrekt, de Mogols zijn eigen gebied zijn binnengevallen, zodat Miran genoodzaakt is geweest terug te keren om zijn eigen land te verdedigen. Omdat er voor de grote vloot die de onderkoning bijeen heeft gebracht, geen taak is, verdeelt Dom Luís de Ataíde de vloot in zeven eskaders, die hij elk een kant uitstuurt. Dom Pedro de Castro krijgt de taak handelsschepen naar Goa te begeleiden; Fernão Telles wordt met een eskader naar het noorden gezonden. Twee van zijn schepen, onder bevel van Ruy Dias Cabral en Dom Henrique de Menezes, dwalen af en ontmoeten 50 schepen uit Malabar, die het tweetal onbezonnen aanvalt. De gevolgen zijn, zoals mag worden verwacht, rampzalig. Ruy Dias wordt met 70 man gedood en Dom Henrique de Menezes wordt in slavernij gevoerd en wordt later vrijgekocht. Dom Manuel Pereira en João da Silva Barreto zijn te laat ter plaatse om effectief hulp te kunnen bieden, maar zij jagen de vijand wel op de vlucht. De onderkoning stoort zich aan het geleden verlies, niet zozeer vanwege de omvang daarvan, maar meer omdat het de eerste keer is geweest dat Vrouwe Fortuna zich tegen hem heeft gekeerd.

Dom Luís de Ataíde gaat naar Mangalore, twaalf léguas te zuiden van Barcelor om een geschil, dat nadelig is voor de handel, uit de weg te ruimen. De problemen zijn een uitvloeisel van de vijandschap tussen de koning van Banguel, ten noorden van Mangalore, en de koningin van Olala, ten zuiden van deze stad. De onderkoning wordt beter ontvangen dan hij heeft verwacht. Hij spreekt met beide vorsten en beslecht hun geschillen. Op zijn terugweg naar Goa laat hij 600 man achter bij António Botelho, de capitão van Barcelor. Hij laat ook António Cabral met drie goedingerichte schepen achter om Barcelor vanaf de zeezijde te beschermen. In Onor voegt Dom Luís 500 man toe aan het garnizoen van Jorge de Moura en hij laat Francisco en Roque de Miranda met zes schepen achter. Zij verwoesten te vuur en te zwaard enige steden, die in opstand zijn gekomen, zodra de onderkoning zijn hielen had gelicht. Eind 1569 arriveren vijf schepen uit Portugal in Goa en de koningin van Garçopa keert uit de heuvels terug naar Onor.

Dom Diogo de Menezes, die 42 schepen tot zijn beschikking heeft, voert oorlog tegen Portugals vijanden aan de kust van Malabar, waar de bewoners van de steden Coulete, Tiracole, Capocate, Padrarigale, Ponnani en Calicut veel te lijden hebben van het optreden van de Portugezen, waarbij 1.000 inwoners worden gedood of gevangen genomen. Dom Diogo maakt meer dan 60 vaartuigen buit, maar nog veel meer schepen worden tot zinken gebracht of in brand gestoken. De Portugezen verliezen slechts vier man bij deze acties. De zamorin laat weten over vrede te willen onderhandelen, om verdere verwoesting van zijn land te voorkomen, maar zijn voorstellen zijn aan dovemansoren gericht. Een aanzienlijke weersverslechtering, die operaties aan de Malabarkust onmogelijk maakt, komt echter de zamorin te hulp.

Luís de Mello trapt niet in de bedoelingen van de koningin van Garçopa, die veinzend dat zij uit is op een vredesverdrag, in het geheim voorbereidingen treft voor voortzetting van de oorlog. Hij steekt verschillende van haar steden in brand en verwoest haar land en vernielt het fort aan de Rio Sanguicer. Tezelfdertijd maakt Vicente de Saldanha menig koopvaarder van Mangalore buit en stroopt Dom João Coutinho de wateren af van Cambay, Cochin en Chaul (nu Revadanda). Dom Francisco de Almeida in Diu, jaagt zes Malabaarse galjoten op de vlucht. Zij hebben getracht de haven van Diu binnen te dringen, om schepen daar in brand te steken.

Aan het begin van de winter rust de onderkoning twee eskaders uit om Onor en Damão te ontzetten, voor het geval de koningin van Garçopa de eerste stad zou willen aanvallen en de Mogols snode plannen hebben met de tweede stad. Zijn grootste zorg is Onor, omdat de vijand al heeft getracht de Portugezen door verraad te vernietigen, wat hen met de wapens niet is gelukt. Zij hebben na hun falen enige Canarezen omgekocht, om de Portugezen te vergiftigen door middel van de vrucht van de Stramonium Datura, een vrucht waarvan gezegd wordt dat als mannen haar eten zij ongevoelig worden voor opgelopen verwondingen. Het verraad is tijdig ontdekt en de verraders zijn over de muur gehangen, in het zicht van de degenen die hen omgekocht hadden. Als duidelijk is geworden dat het verraad is ontdekt, breken er openlijke vijandelijkheden in Onor uit. Op dat moment lopen er een galei en drie andere Portugese schepen de haven van Onor binnen. De Portugezen aan boord van de schepen ontzetten het fort dat inmiddels werd belegerd.

Uit al het bovenstaande blijkt hoe uiterst agressief de Portugezen in hun Estado da India optreden en hoezeer de bevolking daarvan te lijden heeft. In het verleden hebben de Indische vorsten hun hoop gesteld op de Ottomanen, met wier hulp zij de Portugezen dachten te kunnen verdrijven. Maar omdat gebleken is dat de Turkse vloot in de Arabische Zee geen enkele kans maakt tegen de Portugese eskaders, is bij de Indische vorsten het inzicht gerijpt dat zij zelf de Europese indringers moeten zien te verdrijven. Om dit te bereiken is nauwe samenwerking en absolute geheimhouding geboden. De drie vorsten van de grootste staten: de Adil Khan van Bijapur, de Nizam-ul-Mulik van Ahmednagar en de Zamorin van Calicut sluiten in het diepste geheim een verdrag om de Portugezen met een enorme gezamenlijke krachtsinspanning te verdrijven. Zij vormen grote legermachten en zij zijn er bij voorbaat zozeer van overtuigd dat hun plannen zullen slagen, dat zij op voorhand de buit verdelen. Goa, Onor en Barcelor vallen toe aan de Adil Khan; Chaul, Damão en Bassein aan de Nizam-ul-Mulik en Cannanore, Mangalore, Cochin en Chalè (Chalyam) aan de zamorin. De eerste heeft zelfs in Goa al kantoorruimte toegewezen aan zijn hoogste ambtenaren. Met de sultan van Atjeh is afgesproken dat hij de Portugezen in Malacca zal aanvallen als het bondgenootschap in Indië tot de aanval overgaat. Adil Khan Alecdaxa marcheert in 1570 op tegen Goa en Nizam-ul-Mulik Xaoxem brengt tezelfdertijd Chaul in het nauw, in weerwil van het vredesverdrag dat beide vorsten met de Portugezen gesloten hebben. De vice-rei toont grote onverschrokkenheid. In Portugese kringen is algemeen bekend dat als de nood aan de man komt Chaul zal worden ontruimd om de verdediging van Goa te kunnen versterken, maar Dom Luís de Ataíde beslist dat de vijand niets cadeau krijgt. Hij zendt direct Dom Francisco de Mascarenhas met 600 man in vier galeien en vijf kleinere vaartuigen naar Chaul, om de stad te ontzetten. Dom Francisco wordt vergezeld door een groot aantal edelen die zich daarvoor hebben aangemeld. De strijdmacht vertrekt eind september uit Goa naar Chaul.

Vervolgens wijdt de onderkoning zich aan de verdediging van Goa. Hij stationeert Fernando de Sousa de Castelo-Branco, een veteraan, met 120 man in de pas van Banesterim, Dom Paulo de Lima met 60 man in Fortaleza Rachol, een oorspronkelijk door de inheemsen gebouwd fort in Salcete. In totaal verdeelt de onderkoning 1.500 inheemse soldaten over vele detachementen die hij posteert op strategische plaatsen. Er bevinden zich slechts 700 Portugese soldaten in Goa; zij vormen de strategische reserve, die zal worden ingezet overal waar het grootste gevaar dreigt. De stad wordt in handen gesteld van de dominicanen, franciscanen en andere geestelijken, bij elkaar 300 man, die worden geassisteerd door 1.000 slaven. João de Sousa, die 50 ruiters aanvoert, is paraat om overal naar toe te gaan waar zijn hulp nodig is. Dom Jorge de Menezes, bijgenaamd Baroche, bewaakt de rivier met 25 zeilen. De onderkoning laat ammunitie en voorraden levensmiddelen van overal aanvoeren, laat herstelwerkzaamheden verrichten en rond half december betrekt hij zijn commandopost aan de rivieroever.

Deze maatregelen zijn nog maar nauwelijks getroffen, of de eerste groepen soldaten van de Adil Khan, dalen, onder leiding van diens generaal Nori Khan, de heuvels van de Ghats af en slaan hun kamp op in Ponda, ten zuidoosten van Tiswadi, het eiland waarop Goa ligt. Nori Khan en zijn mannen verblijven tot eind december in hun kamp. Zij vormen slechts de voorhoede van het leger en zij treffen voorbereidingen voor de ontvangst van de hoofdmacht, die acht dagen later arriveert en posities bezet in Ponda. De Adil Khan zelf voert 100.000 soldaten aan, naast een onafzienbaar aantal mensen dat zich bij de strijdmacht heeft aangesloten; 35.000 paarden, 2.140 oorlogsolifanten, 350 kanonnen, waarvan de meeste van buitengewone afmetingen, en enige grote vaartuigen (die worden vervoerd met muildieren), om daar te water gelaten te worden waar zij nodig zijn. De belangrijkste generaals zij Nori Khan, die Hener Maluco wordt genoemd, Rumer Khan en Cojer Khan. Zij en andere aanvoerders, onder wie de Turkse generaal Soleyman Aga, stellen zich ieder met een paar duizend ruiters, honderden musketiers, honderden olifanten en vaak veel geschut op in de gebieden die de Ilhas (Tiswadi, Divar en Chorão) omringen. De vice-rei die de posities te weten komt van de verschillende vijandelijke legeronderdelen, past zijn verdediging hierop aan. Hij inspecteert zijn defensieve posities en herschikt deze zo nodig. Naast stellingen die meestal door enige tientallen en soms door meer dan honderd manschappen worden verdedigd, beschikt de vice-rei over verscheidene met kleine stukken geschut bewapende vaartuigen die in de rivieren patrouilleren. De Portugezen verdedigen Goa met niet meer dan 1.600 man en met slechts 30 kanonnen.

Terwijl de Nizam-ul-Mulik met een grote legermacht optrekt naar Chaul, begint de aanval op Goa met een algemeen bombardement, uit alle vijandelijke kanonnen, op de Portugese posities. Vooral het fort en de andere verdedigingswerken van Benasterim hebben het zwaar te verduren. Gelukkig ziet de vijand niet de gevolgen van zijn beschietingen, omdat de Portugezen ‘s nachts de schade herstellen die overdag is aangericht. Maar dat de beschieting hevig is kan daaruit worden afgeleid dat in de post van Álvaro de Mendoça 600 vijandelijke kogels worden gevonden. De Portugese patrouillevaartuigen doen goed werk; hun geschut werkt zeer doeltreffend. Tijdens de eerste fase van de belegering van Goa breekt de tijd aan waarop de jaarlijkse retourvloot naar Lissabon vertrekt. Het gaat begin 1570 om vier schepen, met een bemanning van 400 koppen. Natuurlijk breekt er in Goa een discussie los of het vertrek niet moet worden uitgesteld, zodat de bemanningen kunnen worden ingezet bij de verdediging van de stad, maar onderkoning Dom Luís de Ataíde wil hiervan niets horen, zijn eer Goa te hebben verdedigd zonder bijzondere ingrepen, zal des te groter zijn. De Portugezen kunnen al snel vaststellen dat hun geschut de vijand meer schade berokkent dan de vijandelijke kanonnen bij hen zelf teweegbrengt. Er worden echter enige aanzienlijke Portugezen getroffen door vijandelijk vuur. Dom Francisco da Silva, die door een kanonskogel dodelijk is gekwetst, blijf zijn mannen tot het laatst moed inspreken. Pedro Homem da Silva, die driemaal door een kogel uit een musket is geraakt, vuurt zijn mannen aan tot hij sterft. De bemanningen van de Portugese patrouillevaartuigen doen uitstekend werk; zij pakken de vijand aan waar zij maar kunnen en zij plegen vaak overvallen op door de vijand aangelegde stellingen, waarbij zij wapens en vaandels buitmaken en zelfs gevangenen maken. Dom Jorge de Menezes Baroche met zijn vaartuigen en Dom Pedro de Castro met 200 soldaten doden zoveel vijanden, dat de onderkoning twee karrenvrachten afgehakte handen naar Goa zendt, om het moreel van de bevolking te sterken. Gaspar Dias en zijn broer Lançarote overvallen ’s nachts met 80 man twee dorpen en enige boerderijen, zij brengen veel gevangenen mee terug en ook hoofden van gedode vijanden en enig vee. Bij een andere gelegenheid vallen de twee broers met 130 man Cojer Khan en Rumer Khan aan en verwoesten daarbij alles wat zij hebben gebouwd om over te steken naar het eiland dat João Lopes verdedigt, vermoedelijk Divar. Bij deze aanval gooit Francisco da Cunha Coutinho, een dienaar van de onderkoning, drie granaten in een groep moren, waarbij verschillende gewonden vallen en de gooier onverletst ontsnapt. De vijand heeft bewondering voor de dapperheid van de Portugezen, maar is helemaal verbaasd te vernemen dat de onderkoning, spijts zware gevechten, Dom Diogo de Menezes, die met een eskader van de Malabarkust komt, daar naartoe terugstuurt en dat hij Dom Fernando de Vasconcellos met vier galeien en twee kleinere vaartuigen naar Dabul zendt. De onderkoning doet dit om de Adil Khan te tonen hoe weinig hij zijn krachtsontplooiing vreest. Dom Fernando steekt twee grote schepen en vele kleine vaartuigen in brand en hij brandt, na een landing te hebben uitgevoerd, ook nog enige dorpen plat en hij zou ook nog een stad hebben verwoest, als zijn eigen kapiteins hem daarvan niet zouden hebben weerhouden. Hij keert naar Goa terug en richt een zware slachting aan onder de mannen van Angoscan. Zijn mannen geraken zo bedwelmd door hun succes, dat zij niet meer te houden zijn en geen bevelen meer opvolgen. De vijand herstelt zich en valt nu de Portugezen aan, doodt enigen, terwijl de overigen op de vlucht slaan. Hun aanvoerder is, verzwakt door bloedverlies en uitgeput door het gewicht van zijn bewapening, niet in staat zijn schip te bereiken en voert zijn doodstrijd in het water. Zijn vaandeldrager, Augustin Fernandes, sterft terwijl hij vecht met zijn rechterhand en de vlag in zijn linkerhand heeft. Veertig Portugezen vinden de dood en hun hoofden en vaandels worden in triomf naar de Adil Khan gebracht. De onderkoning zendt direct Dom Jorge de Menezes Baroche met 100 man extra uit, om het schip van Dom Fernando de Vasconcellos, dat in handen van de vijand is geraakt, in brand te steken. Deze actie heeft niet alleen succes, maar de mannen keren zelfs terug met het scheepsgeschut.

De zamorin laat onverwachts weten een vredesverdrag te willen aangaan, maar de onderkoning, die gerede twijfel heeft aan de oprechtheid van de vorst, gaat hierop niet in en blijft bij deze beslissing. De Adil Khan beweegt de koningin van Garçopa ertoe de Portugezen in Onor de oorlog te verklaren en hij is hoogst verbaasd dat de onderkoning in staat is troepen vrij te maken in Goa om het garnizoen van het Fortaleza de Santa Catarina in Onor te versterken. Maar Dom Luís de Ataíde is niet alleen in staat Onor te hulp te schieten, maar hij zendt ook versterkingen naar Gonçalo Pereira Marramaque, capitão van de Molukken en naar Francisco Barreto, capitão van Sofala & Moçambique.

Begin maart 1570 heeft het beleg van Goa twee maanden geduurd, veel gebouwen in de stad zijn door vijandelijk geschut in puin geschoten, veel vijanden zijn gedood door de artillerie van de verdedigers, en nog is de strijd niet afgezwakt. António Cabral vaart de Rio Chapora op met vier schepen, zet 50 man aan land, zet vier dorpen en meer dan 50 zeilen in brand en maakt veel goederen buit. Dom Paulo de Lima doet hetzelfde in Rachol met 40 man. De onderkoning gebruikt alle middelen om zich te verzekeren van inlichtingen uit het vijandelijke kamp. Hij koopt daar enige tot de islam overgegane Portugezen om en zelfs de favoriete vrouw van de Adil Khan en via haar slaagt Dom Luís erin inlichtingen te verwerven over de geheimste plannen en bedoelingen van de vorst. De Adil Khan blijkt van mening dat zijn leger genoeg verliezen heeft geleden tegen de kleine strijdmacht van de Portugezen en dat Goa recentelijk is versterkt met van buiten aangekomen squadrons. Daarom beginnen er besprekingen over vredesvoorstellen van de Adil Khan. Maar desondanks wordt het beleg voortgezet en begin april vallen 700 moren een passage aan die door 200 Portugezen wordt verdedigd. Maar zodra de laatsten versterkingen hebben ontvangen tegen de opdringende vijand, slaan de moren in zulk een wanorde op de vlucht, dat nog hun eigen officieren, noch de onderkoning hen kan achterhalen. Hun beide kapiteins vinden op de vlucht de dood.

Goa ontvangt meer versterkingen. Luís de Mello, die al voor het beleg van Goa door de onderkoning eropuit is gestuurd met een vloot van veertien schepen de vloot van Atjeh op te zoeken, heeft deze gevonden in de buurt van de haven van Atjeh. De vijandelijke vloot bestaat uit 60 deugdelijk bemande schepen, die bewapend zijn met een groot kanon. Commandant van de vloot is de erfgenaam van de sultan. De beide vloten werpen zich zonder aarzelen in de strijd, waarin de vloot van Atjeh geleidelijk aan volledig wordt verwoest. Luís de Mello verovert drie galleien en zes kleinere vaartuigen en de overige heeft hij allen op een na tot zinken gebracht. De Portugezen verliezen geen enkele man, maar de moren betreuren 1.200 gesneuvelden, onder wie de zoon van de sultan, en 300 gevangenen. Luís de Mello keert met zijn vloot en zijn buitgemaakte schepen en gevangenen terug naar Malacca en na enige mannen naar de Molukken te hebben gezonden, keert hij terug naar Indië. In Cochin aangekomen, blijkt daar Vasco Lourenço de Barbuda druk bezig te zijn met het treffen van voorbereidingen de onderkoning te hulp te komen. Vasco Lourenço en Luís de Mello da Silva zeilen beiden naar Goa, waar zij de verdediging versterken met maar liefst 1.500 man.

In het voorjaar van 1570 gaat de strijd in Goa onverminderd voort. Het eiland van João Lopes (Divar?) wordt aangevallen door 3.000 moren. António Fernandes de Chalè zet met 120 man de tegenaanval in. Met zijn kleine dappere schare doodt hij een groot aantal vijanden en jaagt de rest op de vlucht. Gedurende deze periode, voorafgaande aan de regentijd, ondernemen de Portugezen bliksemsnelle invallen in vijandelijk gebied, waarbij zij de door de moren aangelegde werken nodig voor hun opmars, verwoesten en vele vijanden doden. Dit is het geval in Banesterim, Xatiarrao, Chatigão en Rachol. De Adil Khan, die de wanhoop nabij is, tracht zijn positie in Goa blijvend te verbeteren. Daartoe besluit hij een nieuwe serieuze poging te wagen Tiswadi te veroveren. Hij wil met 9.000 man de passage van Mercantor oversteken. Deze plaats wordt niet bewaakt, omdat de rivier daar te breed is. Maar als de Portugezen ter plaatse tromgeroffel horen, snellen zij naar de oever en zien dat de Adil Khan de aanval persoonlijk leidt. Als Dom Luís de Ataíde dit verneemt, zendt hij verse troepen naar de bedreigde plaats en komt daar zelf ook naar toe. Ondanks hevige Portugese tegenstand, slagen 5.000 moren, onder leiding van de Turk Soleyman Aga, de kapitein van de paleiswacht, erin de rivier over te komen. Nieuwe versterkingen brengen de strijdmacht van de Portugezen op 2.000 man, die het tegen de grotere invasiemacht moeten opnemen. De aanval die plaatsvindt over een afstand van twee léguas langs de rivier, duurt de gehele dag vanaf de vroege morgen van 13 april 1570 en de volgende dag, is de Adil Khan er getuige van dat zijn troepen er niet in slagen hun positie op het eiland Tiswadi te versterken en dat zij tenslotte genoodzaakt zijn zich terug te trekken. De Portugezen betreuren 20 gevallenen bij deze strijd, maar het aantal slachtoffers onder de aanvallers bedraagt meer dan 4.000, onder hen zijn Soleyman Aga, de zwager van Adil Khan, en andere vooraanstaande lieden. Ook hebben de Portugezen een aantal vaandels op de vijand buitgemaakt. De Adil Khan is furieus over de mislukking en hij zweert in het openbaar dat hij het beleg niet zal opgeven voordat dit falen is uitgewist. Niettemin erkent hij zijn moeilijke positie en heimelijk haakt hij ernaar met de Portugezen tot een vergelijk te komen. Hiertoe doet hij enige voorstellen, waarvan er een is dat de Portugezen Goa aan hem overdragen. Het is natuurlijk ondenkbaar dat de onderkoning een pakket voorstellen, waarin sprake is van de overdracht van Goa, zelfs maar zou willen overwegen. Dom Luís de Ataíde ziet een andere mogelijkheid om uit de impasse te geraken, namelijk zich te ontdoen van de Adil Khan. Daartoe opent hij onderhandelingen met de Nori Khan. Als deze zijn vorst zou (laten) doden, belooft Dom Luís hem de kroon van of tenminste veel macht in de regering van het sultanaat Bijapur. Nori Khan gaat op het voorstel van de vice-rei in, maar voordat het kan worden uitgevoerd, wordt het verraad ontdekt en wordt Nori Khan gearresteerd, terwijl zijn medestanders het plan laten varen.

De poging de oorlog te beëindigen is dus op niets uitgelopen en het beleg wordt voortgezet, maar niet meer met de vastbeslotenheid van voorheen. Het geschut van de vijand blijft schade aanrichten aan de gebouwen van Goa, maar voor de rest zit er geen vooruitgang in de belegering. De Adil Khan haalt, in een poging de strijdmacht van de onderkoning te verzwakken, de koningin van Garçopa ertoe over de stad Onor aan te vallen. Zij verzamelt een leger van 3.000 van haar eigen mensen en ontvangt van haar grote bondgenoot nog 2.000 man versterking. Met deze strijdmacht slaat de koningin in juli 1570 het beleg voor het Fortaleza de Santa Catarina in Onor. Zodra de onderkoning van dit beleg hoort, zendt hij António Fernandes de Chalè met twee galeien en acht andere schepen en met zoveel soldaten als de vloot kan vervoeren naar Onor. António Fernandes is vijf dagen later in Onor en verenigt zijn strijdmacht met het garnizoen van Jorge de Moura. Met vereende krachten doen de Portugezen een geslaagde aanval op de moren die zij met grote verliezen op de vlucht jagen, met achterlating van hun geschut, dat binnen het fort wordt gebracht.

De onderkoning poogt, om zijn positie te versterken, verdeeldheid te stichten onder zijn tegenstanders. Daartoe stookt hij in het diepste geheim andere Indische vorsten op invallen te ondernemen in Bijapur, om de Adil Khan te nopen het beleg op te geven. Maar van dit plan komt niets terecht. Ondertussen snakken zowel de vice-rei als de Adil Khan naar vrede, maar zij houden dit beiden voor elkaar geheim en daarom worden uiterlijk zowel het beleg als de verdediging daartegen onverminderd voortgezet, maar goede waarnemers kunnen zien dat de fut er aan beide zijden uit is en dat de leiding verslapt. Gedurende de gehele regentijd gebeurt er weinig, maar tegen eind augustus als het weer de vijand operaties in het veld weer toelaat, zien de Portugezen dat het aantal vijandelijke tenten op het vasteland langzamerhand afneemt; daarna verdwijnen de manschappen en tenslotte ook al hun kanonnen. Na een beleg van tien maanden, waarin de vijand 12.000 soldaten, 300 olifanten, 4.000 paarden en 6.000 ossen heeft verloren, is Goa plotseling bevrijd en de Adil Khan heeft zich teruggetrokken zonder dat een vredesregeling of welke regeling dan ook is getroffen. Later echter, op 13 december 1571, zal een nieuw verdrag tussen de nieuwe onderkoning en de Adil Khan worden gesloten.

In dezelfde tijd dat de Adil Khan het beleg slaat voor Goa, begint de Nizam-ul-Mulik aan de belegering van Chaul. Zijn generaal, Farete Khan, omringt de stad met 8.000 cavaleristen en 20.000 infanteristen en op de laatste dag van november 1569 gaat Farete Khan, onder tromgeroffel en trompetgeschal, tot de aanval over. Luís Ferreira de Andrade, een bekwaam man onder wiens leiding het Fortaleza de Santa Maria do Castelo in goede handen is, heeft niet veel geluk gehand. Hij heeft heel lang moeten wachten op vele voor het doorstaan van een langdurige belegering, hoogstnoodzakelijke zaken. Hieraan is een einde gekomen toen Dom Francisco de Mascarenhas hem te hulp kwam met 600 man in vier galeien en vijf kleinere vaartuigen en met een aantal barken met voorraden levensmiddelen. De vesting van Chaul ligt op ongeveer 18º N.B., nog geen twaalf mijl van de monding, aan de oever van een rivier. De bezetting heeft voor de komst van de versterkingen bestaan uit 50 ruiters en een klein aantal voetknechten.

Farete Khan wenst zich al te onderscheiden voordat de Nizam-ul-Mulik op het strijdtoneel is gearriveerd. Hij valt Chaul aan, maar wordt, na een gevecht van drie uur, met grote verliezen teruggeslagen. De vijand dringt vervolgens de stad binnen en om te verhinderen dat de moren beschutting vinden in de huizen in de omgeving van het fort, worden de meeste huizen op last van Luís Ferreira de Andrade neergehaald. Tijdens de rest van de maand december vinden slechts enkele kleine schermutselingen plaats, maar begin januari 1570 arriveert de Nizam-ul-Mulik met de rest van zijn leger dat, tezamen met de soldaten die al eerder in Chaul zijn aangekomen, bestaat uit 34.000 ruiters, 100.000 voetknechter, 16.000 soldaten van de genie, 4.000 smeden en andere handwerkslieden, 300 olifanten, een ontelbaar aantal buffels en ossen en 40 kanonnen, waarvan de meeste met een enorm kaliber, die kogels afvuren met een gewicht van 100, 200 en zelfs 300 lbs. Er kamperen dus 150.000 goed bewapende mannen voor Chaul, een stad met een enkele verdedigingsmuur, een fort dat niet veel sterker is dan een stevig huis en een handvol manschappen om een en ander te verdedigen. Farete Khan slaat zijn kwartier op bij het huis van de vicaris, naast de kerk ‘da Madre de Deus’. Hij heeft 7.000 ruiters en 20 olifanten bij zich; Agalas Khan ligt met 6.000 cavaleristen bij het huis van Diogo Lopes en Ximiri Khan bevindt zich met 2.000 man tussen die plek en het hoger gelegen deel van de stad, zodat de stad volledig is omsingeld. Terzelfdertijd zijn 4.000 ruiters de omgeving van het niet veraf gelegen Bassein aan het plunderen. De Nizam-ul-Mulik heeft zijn tenten opgeslagen bij het verste einde van de stad en een ruimte met een lengte van twee léguas is bedekt met vijandelijke tenten.

Spoedig nadat het nieuws over de kritieke positie van Chaul bekend is geworden tijgen veel Portugese burgers als vrijwilligers naar de stad, zodat het aantal verdedigers in korte tijd oploopt tot 2.000 man. Besloten wordt het Mosteiro de São Francisco te verdedigen en de leiding daarvan te geven aan Alexandre de Sousa. Nuno Álvarez Pereira dient met 40 man enige huizen aan de kust te verdedigen; Dom Gonçalo de Meneses verdedigt met zijn mannen de huizen tussen de Santa Casa da Misericórdia en de kerk van São Domingos, terwijl enige andere huizen onder de hoede komen van Nuno Velho Pereira. In Goa heerst de mening dat Chaul zal worden ontruimd als de nood aan de man komt, maar de vice-rei wijst dit plan resoluut van de hand. Hij krijgt hierbij de steun van Fernando de Sousa de Castelo-Branco. Dom Luís de Ataíde zendt vervolgens Dom Duarte de Lima en Fernão Telles de Menezes met twee galeien en een aantal andere mannen met vier schepen naar Chaul, om de plaats te versterken. Ximiri Khan, die de Nizam-ul-Mulik heeft beloofd als eerste de stad binnen te trekken, doet een woedende aanval op de posities van Henrique de Betancor en Fernando Pereira de Miranda. Zij houden dapper stand en slaan de vijand, nadat zij versterking hebben ontvangen terug. De vijand verliest daarbij 300 man, terwijl de Portugezen slechts zeven doden te betreuren hebben. De vijand keert vervolgens zijn kanon tegen het Mosteiro de São Francisco, waar Alexandre de Sousa over enige stukken geschut beschikt. Met de aanval is enige tijd gemoeid, maar uiteindelijk wordt deze afgeslagen. De Nizam-ul-Mulik is razend over dit laatste falen en hij wil zich nog dezelfde avond wreken met een aanval op het Mosteiro de São Francisco. De moren doen een furieuze aanval die vijf uren duurt, maar zij worden opnieuw teruggeslagen met een verlies van 300 doden. De vijand herhaalt de aanval de volgende dag en zet zijn aanvallen vijf dagen voort. De verdedigers weren zich dapper en doen af en toe uitvallen, waarbij zij het terrein met doden bezaaien en ook verschillende vaandels veroveren, maar op den duur kunnen zij hun sterkte niet houden en trekken zij zich terug in de stad. De vijand bezet het fort en het klooster van São Francisco en tracht ook enige huizen te veroveren, maar deze poging kost hun 400 doden. Chaul is nu danig in het nauw gebracht en Ruy Gonçalves da Câmara wordt om hulp naar Goa gezonden. Hij keert terug met hulp in twee galeien.

In die tijd doen 5.000 cavaleristen van de Nizam-ul-Mulik een inval in de streek bij Bassein. Nadat zij bij Açarim en Damão zijn teruggeslagen slaan zij hun kamp op voor Caranja, waar Estêvão Perestrelo met een garnizoen van 40 man ligt. Caranja is een klein onbeduidend fort aan de kust tussen Chaul en Damão. Het wordt omringd door kleine beekjes en wordt beschouwd als een eiland. Terwijl de vijand zich op een aanval voorbereid, arriveert Manuel de Lima met 30 man, zodat de verdediging nu uit 70 man bestaat. Estêvão Perestrelo onderneemt zo’n vastberaden uitval op de veel talrijker vijand, dat hij het kleine eiland bezaait met gedode moren. De rest van de belagers neemt de vlucht, met achterlating van zijn kanon en een aanzienlijke hoeveelheid wapens en ammunitie.

We keren terug naar Chaul, dat onophoudelijk wordt beschoten door 70 grote kanonnen. Het bombardement houdt een maand aan, waarbij dagelijks160 kogels worden afgevuurd. Deze beschietingen veroorzaken grote verwoestingen aan de huizen en doden menig verdediger. Een enkel schot doodt zes personen. Het bombardement richt zich aanvankelijk op het Bastião da Cruz en daarna op de positie van Pedro Ferreira en Mem de Ornelas, die spoedig met de grond wordt gelijkgemaakt. De Portugese soldaten rukken echter uit en veroveren de batterij en verwoesten de vijandelijke stellingen. João Álvarez Soares, een belastingambtenaar, rust, nadat hij heeft vernomen in welk gevaar Chaul verkeert, voor eigen rekening een schip uit en zeilt met een aantal soldaten naar Chaul, waar hij en zijn mannen een grote bijdrage leveren aan de defensie van de stad. De vijand onderneemt een aanval op verschillende huizen en wordt bijna overal teruggeslagen, maar slaagt erin zijn vlag te plaatsen op het huis van Heytor de Sampayo, waarna een hevig gevecht volgt. Het huis is ondermijnd, om het desgewenst te kunnen verwoesten en tijdens het gevecht geraakt het kruit van een mijn in brand, waardoor het huis wordt opgeblazen en 42 Portugese soldaten worden gedood, terwijl de moorse soldaten ongedeerd wegkomen. De laasten plaatsen hun vlag op de ruïnes van het huis en op dat van Xira, nadat zij dit ook veroverd hebben. Ximiri Khan onderneemt met 600 man een nachtelijke aanval op het Bastião da Cruz, maar Fernando Pereira en Henrique Betancor, slaan de aanval af met 30 man. Zij veroveren daarbij vijf vaandels die de moren op hun stellingen hadden geplaatst. Betancor vecht met zijn linkerhand, omdat hij zijn rechterhand in de strijd heeft verloren en Domingos del Alama die verlamd is, wordt op een stoel naar buiten gebracht om van dichtbij de strijd te kunnen meemaken.

Het is inmiddels april, de regentijd zal snel invallen, maar het ziet ernaar uit dat Nizam-ul-Mulik het beleg niet zal opbreken. De moren beginnen daarentegen belegeringswerktuigen te bouwen om hun uitgangspositie te versterken. Alexandre de Sousa en Dom Gonçalo de Menezes doen met 200 man een verwoede uitval en zij verwoesten de in aanbouw zijnde werktuigen, na de vijand daarvan verjaagd te hebben. Bij deze actie sneuvelen een paar Portugezen en 50 moren. De Nizam-ul-Mulik die verbaasd is over de aanhoudende tegenstand van de Portugezen, besluit tot een algemene aanval met zijn gehele leger, waarbij alle Portugese posities op hetzelfde moment zullen worden bestormd. Er is nauwelijks een positie die niet wordt aangevallen en waarop de vijand zijn vlag niet plant, om met dezelfde verbetenheid opnieuw te worden verdreven. De volgende morgen blijken 500 moren en vier of vijf Portugezen bij de jongste aanval te zijn gesneuveld. In die tijd arriveren versterkingen uit Goa, Diu en Baçaim bestaande uit 200 soldaten en een grote hoeveelheid ammunitie.

Twee nieuwe gevaren bedreigen nu de belegerden in Chaul; een daarvan is een lastige, maar niet fatale ziekte, die veroorzaakt dat degenen die worden aangevallen geen kracht meer hebben in hun ledenmaten. Het andere gevaar is het beroep dat de Nizam-ul-Mulik heeft gedaan op de koning van Sarceta en andere rebellen in Cambay, om de Portugezen op andere plaatsen aan te vallen, zodat zij naar Chaul geen versterkingen meer kunnen zenden. Geen van hen gaat op dit verzoek in en de Nizam-ul-Mulik concludeert dat hij slechts kan vertrouwen op eigen kracht, om het avontuur dat hij is begonnen te voltooien. Hij voert een bombardement uit op het huis van Dom Nuno Álvares Pereira, dat 42 dagen aanhoudt, en na afloop daarvan valt hij met 5.000 man aan. De verdedigers die aanvankelijk bestaan uit 40 man, ontvangen al gauw versterking en de vijandelijke aanval wordt met een verlies van 50 gesneuvelden aanvallers afgeslagen. De vijand valt het huis opnieuw aan en wordt weer teruggeslagen, maar als de aanvallen doorgaan, kan het huis niet langer in handen gehouden worden. De capitão besluit daarom het huis op te blazen. Op het moment dat de Portugezen het huis verlaten, trekt de vijand er binnen en op het moment dat zij hun vlag op het dak planten, explodeert een geplaatste mijn en doodt enige moren. Zij de de explosie weten te ontvluchten, vallen ten offer aan het zwaard van Dom Francisco de Mascarenhas. Op gelijke wijze wordt het huis van Francisco de Mello opgegeven, na een lang volgehouden verdediging.

Het droge seizoen loopt nu echt ten einde en de Nizam-ul-Mulik treft voorbereidingen om de regentijd voor Chaul door te brengen. Meer dan 200 Portugezen, die vrezen dat Chaul verloren is, verlaten de stad, terwijl 300 anderen uit Goa arriveren, waardoor de stand van zaken aanzienlijk verbetert. Op 11 april 1570 valt Ruy Gonçalves da Câmara 500 moren in een boomgaard met zoveel succes aan dat er niet meer dan 50 ontsnappen. Hij verovert twee vaandels en betreurt zelf twee doden, hoewel het aantal gewonden aanzienlijk is. Het is echter niet zo dat een zijde altijd geluk heeft in de strijd. De moren, woedend over hun verliezen, beschieten hun tegenstanders zonder ophouden, waarbij een gelukkig schot een van de galeien treft. Het schip zinkt met man en muis en met goederen ter waarde van 40.000 dukaten. De moren hebben niet lang de kans zich over dit succes te verheugen, want Fernão Telles doet de volgende dag een krachtige uitval met 400 man, verslaat de vijand met zware verliezen en maakt een kanon, ammunitie, wapens en andere zaken buit. De Nizam-ul-Muik die het gevecht van een afstand heeft gevolgd, wordt later gezien met een zweep in zijn hand, terwijl hij woedend mensen bedreigt, die hij hun lafheid verwijt. Dom João de Lima, Francisco de Sá en Dom Muro Álvares, gaan op zoek naar moren die mijnen leggen. Zij betrappen een aantal op heterdaad, vallen hen aan en doden allen met het zwaard. De Portugezen hebben in deze twee acties zes soldaten en de volgende officieren: Dom Luís de Castelo-Branco, Dom João de Lima, António da Fonseca, Francisco Barradas, Ruy Pereira de Sá en nog vijf andere fidalgos verloren.

Nadat de Nizam-ul-Mulik door zijn voorbereidingen duidelijk heeft aangegeven het beleg in de regenrijd te willen voortzetten, en alles daarvoor in gereedheid is gebracht, geeft Farete Khan signalen af dat hij de strijd wil beëindigen, waarbij hij overigens niet de steun geniet van zijn vorst. De Nizam-ul-Mulik geeft bevel Farete Khan vast te nemen, niet omdat hij eigenmachtig is opgetreden, want daarvoor heeft hij ongetwijfeld geheime instructies ontvangen, maar op verdenking van omkoperij. Het is niet verwonderlijk dat de Nizam-ul-Mulik naar vrede verlangt, na een stad zeven maanden vergeefs te hebben belegerd en daarbij 7.000 man te hebben verloren. Noch is het verrassend dat de Portugezen ook vrede willen, want er dient te worden bedacht dat zij 400 landgenoten verloren hebben, naast het verlies aan inheemse soldaten. De hoop op spoedige vrede wordt in ieder geval de bodem ingeslagen door de gevangenschap van Farete Khan, dus doet Jorge Pereira Coutinho met zijn vloot een aanval op schepen van de Nizam-ul-Mulik en steekt er drie in brand.

Begin juni zijn de aanvallen die de vijand onderneemt weer even krachtig als ware de belegering pas begonnen. De volgende poging van de vijand betreft het huis dat verdedigd wordt door Dom Nuno Álvares, dat door zorgeloosheid verloren gaat. Enige Portugezen, evenwel, pogen het huis te heroveren, maar falen in hun poging, waarin twintig mannen sneuvelen. Bovendien bezet de vijand bij een grote aanval het Mosteiro de São Domingos. Dom Gonçalo de Menezes verdedigt zijn post met succes, maar de Portugese verliezen zijn zwaar, evenals op andere plaatsen, die onophoudelijk door het vijandelijke geschut beschoten worden. Van eind mei tot bijna eind juni bombardeert de vijand de Portugese stellingen zonder ophouden en na afloop besluit de Nizam-ul-Mulik een zodanig breed gat daarin te maken dat hij met zijn hele leger kan optrekken. Op 28 juni verschijnen de olifanten met kastelen vol manschappen op hun rug. Het gehele leger is in afwachting van het signaal op te trekken, maar dit signaal blijft uit, omdat het Portugese geschut een hoge moorse officier heeft gedood, wat de Nizam-ul-Mulik als een slecht voorteken beschouwt, reden om de aanval tot de volgende dag uit te stellen. Het uitblijven van de aanval, verleidt de Portugezen tot uitvallen; zij dringen de moren terug met geweerschoten, waarbij 118 man sneuvelen en 500 worden gekwetst.

De volgende dag geeft de Nizam-ul-Mulik rond het middaguur het signaal tot de aanval; het gehele leger dringt op onder een afschuwelijk gegil en het geluid van oorlogsinstrumenten. Agalas Khan onderneemt aanvallen op respectievelijk Diogo Soares de Albergaria, João da Silva Barreto, Rodrigo Homem da Silva en Lourenço de Brito. Farete Khan en Sujate Khan dringen op bij de Santa Casa da Misericordia en Misnarão, kapitein van de wacht, valt de positie aan, waarover Ruy Gonçalves het bevel voert. Dom Francisco de Mascarenhas, de Portugese opperbevelhebber, die een deel van zijn troepen heeft verdeeld over de plaatsen waar zij het meest nodig zijn, neemt met de rest positie in tegenover de Nizam-ul-Mulik. De dagen worden verduisterd door de rook uit de kanonnen en de nachten verlicht door de vlammen van brandende gebouwen, de slachtpartij en de verwarring is aan alle kanten groot. Er wordt een aantal vijandelijke vlaggen en vaandels geplaatst op de Portugese stellingen, maar deze worden spoedig veroverd of neergehaald met de mannen die ze hebben geplaatst. De olifanten, die door de nairs zijn dronken gevoerd om ze woester te maken, lopen in de verwarring brandwonden en andere kwetsuren op, zodat zij verdwaasd rondlopen. De strijd gaat door tot de avond valt, maar de Portugezen hebben hun posities weten te behouden en zij hebben meer dan 3.000 aanvallers, onder wie een zoon van Agalas Khan gedood. Tijdens de actie hebben de Portugezen enkele soldaten en acht edellieden verloren: Dom Henrique de Menezes, die verlamd is, heeft gezeten op een stoel, de gevechten van nabij gevolgd. Lourenço de Brito heeft een groot aantal vaandels buitgemaakt. Gonçalo Rodrigues Caldeira en Jerónimo Corvo hebben, ofschoon zij ernstig gewond zijn, naast vele anderen, nimmer hun post verlaten. Op verzoek van de moren wordt er een wapenstilstand afgesproken, opdat zij hun doden kunnen begraven.

De Nizam-ul-Mulik verlangt naar vrede, maar hij wil dat niet tonen, terwijl Dom Francisco de Mascarenhas eveneens gaarne een einde ziet komen aan de oorlog, maar niet de eerste stap wil zetten om dat te bereiken. Tenslotte echter staken beide zijden de vijandelijkheden en in korte tijd sluiten zij een verdrag. Farete Khan en Azafa Khan zijn de afgevaardigden die optreden voor de Nizam-ul-Mulik; Pedro da Silva e Menezes en António de Teyoe zijn de vertegenwoordigers van de Portugese strijdkrachten en Dom Francisco de Mascarenhas treedt op namens de capitão van Chaul. De belangrijkste bepaling uit het vedrag is een offensief en defensief bondgenootschap tussen de Nizam-ul-Mulik en koning Dom Sebastião van Portugal.

De zamorin, de derde partij in het verbond tegen de Portugezen, valt hen op zee aan, maar geeft op zeer halfhartige wijze uitvoering aan zijn contractuele verplichtingen. Nadat het beleg van Goa en Chaul een maand heeft geduurd, zendt de zamorin niet zijn oorlogsvloot naar zee, maar hij doet de onderkoning vredesvoorstellen met het veronderstelde oogmerk hetzij tijd te winnen, hetzij om zijn waakzaamheid te doen verslappen. De voorstellen worden prompt in de Senado da Câmara van Goa besproken, maar als vice-rei Dom Luís de Ataíde de zamorin antwoordt dat hij slechts vrede wel sluiten op zeer nauwkeurig geformuleerde voorwaarden, zendt de zamorin eind februari zijn vloot, onder bevel van Catiproca Marcar, naar zee. Hij verschijnt spoedig met 21 schepen, die veel soldaten – waaronder 1.000 musketiers – aan boord hebben, voor het belegerde Chaul. In het holst van de nacht sluipen deze vaartuigen langs de Portugese galeien en galjoenen, die de haven vullen, zonder ook maar de geringste tegenstand te ontmoeten. Slechts twee paraos ontmoeten tegenstand, maar een van hen slaagt er desondanks in de haven te bereiken. De Malabaren scheppen op over deze prestatie en niet geheel zonder reden en de manschappen van de Nizam-ul-Mulik zijn natuurlijk begeesterd door zo’n succes. De vorst Is natuurlijk zelf ook blij met de komst van deze versterkingen, hij laat de musketiers posities innemen op het strijdtoneel en hij spoort de bemanningen van de vloot van Calicut aan de Portugese schepen, die onder bevel staan van Lionel de Sousa, aan te vallen Een groot aantal calemutes, een speciaal soort kleine vaartuigen, die de andere 21 vaartuigen hebben vergezeld, gaan zo vastbesloten tot de aanval over dat het erop lijkt dat zij zeker zijn van succes. Zij varen af op het vlaggenschip van Lionel de Sousa, maar zodra het schip naar voren komt om zijn belagers aan te vallen, vluchten zij weg, zonder ook maar een schot te hebben gelost. De Nizam-ul-Mulik, die vanaf een hoogte getuige is van de bewegingen van de vloot, kan de kapiteins van de calemutes er niet toe bewegen de aanval te hervatten en de scheepjes blijven doelloos in de haven liggen. Na twintig dagen slippen zij gedurende de nacht ongezien weg.

De koningin van Mangalore, die denkt dat zij uit de oorlogssituatie enig voordeel kan behalen en die ook heeft vernomen dat Catiproca met zijn oorlogsvloot in de buurt is, laat hem weten hoe gemakkelijk het is om het Portugese Forte São Sebastião te veroveren en zij biedt hem tegelijkertijd aan alle kosten daarvan voor haar rekening te nemen. Catiproca gaat op het voorstel in, omdat hij hoopt daardoor zijn prestige dat in Chaul een zware deuk heeft opgelopen, te kunnen terugwinnen. Hij zet zijn mannen tamelijk onverwachts aan land en met behulp van ladders bestormen zij ’s nachts de muren. Enige dienaren van Dom António Pereira, die capitão is van het garnizoen van Forte São Sebastião, worden wakker en bemerken wat er gaande is. Zij openen het raam en gooien het eerste het beste dat voorhanden is, zijnde een kist met zilvergeld die toebehoort aan Dom António, op de mannen op de ladder, die naar beneden storten. De commandant en het hele garnizoen worden wakker van het lawaai, zij vallen de vijand aan en dwingen hem zich terug te trekken. De aanvallers keren terug naar hun schepen en nemen daarbij de kist met zilvergeld met zich mee. Als de moorse vloot Cannanore passeert, zeilt Dom Diogo de Menezes met zijn squadron tegen hen uit. De moren vluchten de Rio Tiracole ten noorden van Goa op. Dom Diogo volgt hen, valt hen aan en vernietigt de gehele vijandelijke vloot en laat geen enkel schip ontsnappen. Catiproca sneuvelt in de strijd en zijn neef Cutiale wordt gevangengenomen. De kist met zilvergeld wordt ontdekt en aan haar eigenaar teruggegeven.

Tegen eind juni 1570, als de Adil Khan en de Nizam-ul-Mulik op het punt staan het beleg van Goa en Chaul op te breken, arriveert de zamorin met 100.000 man, meest musketiers, voor het fort in Chalè, een plaats op slechts twee léguas ten noorden van de residentie van de zamorin. Capitão van het fort is Dom Jorge de Castro. De vijand plaatst 40 koperen kanonnen rond het rechthoekige fort. De omsingeling is volledig en de beschieting is zo hevig dat het onmogelijk is de versterkingen en voorraden waarmee Dom António de Noronha uit Cochin arriveert, het fort binnen te brengen. Francisco Pereira de Sousa, die met hulp uit Cannanore komt, weet met grote dapperheid het probleem te omzeilen, maar de hulp is erg bescheiden. Zodra de onderkoning de toestand in Chalè verneemt, zendt hij Dom Diogo de Menezes met achttien zeilen naar het fort om het belegerde garnizoen van voorraden te voorzien. Met grote moeilijkheden bereikt hij in september Chalè, als het belegerde garnizoen gereduceerd is tot een minimum; van de 600 soldaten in het fort zijn er nog mar 60 in staat wapens te hanteren. Dom Diogo de Menezes moet zich naar het fort toe vechten om zijn voorraden te kunnen afleveren. Hij slaagt erin een grote hoeveelheid voedsel en ammunitie naar het fort te brengen, maar verliest daarbij niet minder dan 40 man.

De sultan van Atjeh, de vierde vorst van de tegen de Portugese macht in Azië gerichte verbond, heeft voortdurend plannen gesmeed tegen Portugees Malacca en in 1570 zendt hij als afleidingsmanoeuvre een vloot in die richting. Maar voordat de vloot haar bestemming bereikt, wordt zij ontdekt door een Portugese vloot onder bevel van Luís de Mello da Silva. De vloten geraken met elkaar in gevecht, waarbij de moorse vloot volledig wordt vernietigd en de bewoners van Malacca opgelucht kunnen ademhalen. En zo eindigt het machtige tegen de Portugezen gerichte verbond, dat met succes is weerstaan door de kracht van de onderkoning die het geluk aan zijn zijde had. Hij heeft zich teweergesteld tegen de krachten die zich tegen hem verenigd hadden en hij is er daarbij in geslaagd voor enige tijd het Portugese militaire prestige te herstellen, dat recentelijk enige deuken had opgelopen.

Dom Luís de Ataíde, conde de Atouguia, een man van onbetwistbare kwaliteiten, heeft voordat hij voor de eerstemaal vice-rei in Indië werd, grote ervaring opgedaan in militaire zaken, waaraan hij zichzelf al vanaf zijn jeugd heeft gewijd. Zijn geest is zo vrij van hebzucht dat, waar anderen zich schatten in Indië verzamelen, hij in 1572 naar Portugal terugkeert met vier kruiken die water bevatten van vier beroemde rivieren: de Indus, de Ganges, de Tigris en de Euphraat, die vele jaren in zijn kasteel in Peniche zijn bewaard. Nadat hij in Afrika en Europa heeft gediend, is Dom Luís naar Indië gekomen. Hij is op de leeftijd van 22 jaar door gouverneur-generaal Dom Estêvão da Gama (1540-1542) op de Monte Sinaï tot ridder geslagen. Teruggekeerd in Portugal, wordt hij door koning Dom João III (1521-1557) als ambassadeur naar keizer Karel V gezonden. Hij is aanwezig bij de Slag bij Mühlberg, waarin de keizer de lutheranen, onder de landgraaf en de keurvorst van Saksen, verslaat. Dom Luís toont zich in de slag zo moedig dat keizer Karel V aanbiedt hem tot ridder te slaan. Dom Luís de Ataíde antwoordt dat hij al op de Monte Sinaï tot ridder is geslagen, zodat hij voor de eer moet bedanken. De keizer antwoordt op zijn beurt dat hij zich meer verheugd over de eer die Dom Luís verdient dan over de overwinning. Dom Luís keert begin 1572 naar Portugal terug en bij aankomst ontvangt koning Dom Sebastião met veel eerbetoon, maar later overkomt hem hetzelfde als wat de held Duarte Pacheco Pereira ondervonden heeft van koning Dom Manuel. Sebastião behandelt hem met geringschatting, maar naderhand herwint hij de gunst van de wispelturige vorst. In 1578, als Dom Sebastião een opperbevelhebber voor zijn veldtocht in Marokko dient te benoemen, is de graaf van Athouguia verreweg de meest onderscheiden generaal in Portugal en de koning, die aanvoelt dat hij hem moeilijk kan passeren, biedt hem de leiding van de expeditie aan. De veteraan die kennelijk weinig heil ziet in het bizarre avontuur, weigert het commando te aanvaarden, waarop Dom Sebastião, die in het geheel niet verbolgen is over deze weigering, hem voor de tweede maal tot vice-rei van de Estado da India benoemt. Zijn opvolger is Dom António de Noronha, niet te verwarren met zijn naamgenoot die van 1564 tot 1568 onderkoning in Goa is geweest.

1 De naam van het pas gebouwde (1568/9 fort is niet bekend.

1.3 De capitães-gerais Dom António de Noronha, António Moniz Barreto, Dom Diogo de Menezes, Dom Luís de Ataíde en Fernão Telles de Menezes (1571-1581)

x

Check Also

Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De Malediven. Expansie van het Império Português (1515-1521)

Deel 6 Index Hoofdstuk 7 Expansie van het Império Português (1515-1521) 7.1 De Malediven Geschreven door Arnold van ...

banner
Close
Stay informed about Colonial Voyage