Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike
Torre de Belém, Lissabon, Portugal. Auteur Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De val van Ormoez. Overige verwikkelingen in de Estado da India

Deel 16 Index

Hoofdstuk 2.

Overige verwikkelingen in de Estado da India

2.4 De val van Ormoez

Geschreven door Arnold van Wickeren

Sjah Abbas zoekt al jaren naar een gunstige gelegenheid om de Portugezen uit de Perzische Golf te verdrijven, maar dit kan niet worden gerealiseerd zonder de medewerking van de marine van een buitenlandse mogendheid en zonder dat er vrede heerst met de Turken. Wachtend op het geschikte moment om openlijk tegen hen op te treden, ontvangt de gouverneur van Shiraz opdracht zo nu en dan kleine schermutselingen met de Portugezen uit te lokken. De gouverneur aarzelt niet de opdracht van zijn meester uit te voeren en in 1602 verovert hij op de Portugezen Bahrein en al-Qatif, aan de overkant van de Perzische Golf. De gouverneur bedreigt ook de Portugese forten aan de kust van Moghistan, waaronder dat van Bandal.1. De militaire dreiging van het hof van Isfahan verontrust de Portugese capitão van Ormoez, die daarover aan koning Philips III (Filipe II) rapporteert. Deze zendt in antwoord op de klacht opnieuw António de Gouvea naar Perzië. Hij heeft een brief van Philips III bij zich. Hierin wordt gevraagd om teruggave van de bezette plaatsen en wordt de sjah gefeliciteerd met zijn op de Ottomanen behaalde overwinningen.2In 1614 veroveren de Perzen de Portugese forten in Moghistan, onder meer het fort van Gombrūn, waar de karavanen gevormd worden die met handelswaren uit Indië naar het binnenland van Perzië vertrekken. Aangemoedigd door dit succes verdrijven de Perzen de Portugezen ook uit Sohar en Corfaçao (Khor Fakkan), maar dit succes is van korte duur, omdat de capitão van de twee forten in Muscat, Ruy Freyre de Andrade, zowel Sohar als Khor Fakkan herovert. Sohar wordt in 1616 door de Portugezen bezet en wordt een van de belangrijkste feitoria in Oman.3

Aan het einde van het jaar 1614 belegert d’Emancoulibey, de opperbevelhebber van de gouverneur van Shiraz het eiland Kishm. Met behulp van, uit Engelse oorlogsschepen uitgeladen, zwaar geschut, wordt het Portugese fort bestookt. Nadat het garnizoen is gaan muiten, is Ruy Freyre de Andrade tenslotte gedwongen zich over te geven. De Portugezen worden met Engelse schepen naar Ormoez gebracht, nadat zij de gevangengenomen Arabieren hebben onthoofd, afgezien van de 15 of 20 die door Engelse matrozen zijn gered.. De val van het eiland Kishm alarmeert de Portugezen in Ormoez, Zij bieden sjah Abbas vrede aan, maar hij heeft daar geen oren naar. Cambar Beque, de khan van Lara, claimt van Ormoez achterstallige afdracht van belastingen, maar In werkelijkheid is de betaling hiervan opgeschort vanaf het moment dat Afonso de Albuquerque in 1514 Ormoez heeft bezet. Sjah Abbas voert de druk op Ormoez op; hij bemoeilijkt de handel van de stad aanzienlijk en hij neemt diverse Portugese koopvaarders in beslag. Er ontstaan met Perzië ook geschillen over de handel in zijde en de Portugezen weigeren de claims over dit onderwerp te erkennen. De sjah sluit een overeenkomst over de handel in zijde met de Engelse koning, James I. Begin november 1613 waarschuwt koning Philips III (Filipe II) de Portugese autoriteiten in Indië dat Robert Sherley in Engeland onderhandeld heeft over schepen voor een aanval op Ormoez en dat hij uit Europa is vertrokken, voorzien van een machtiging een verdrag over de handel in zijde met sjah Abbas aan te gaan. De Spaanse koning staat erop dat Ormoez tegen de Engelsen wordt gefortificeerd en hij verzoekt alles in het werk te stellen om de Engelse ambassadeur naar de sjah van Perzië in handen te krijgen. Iedere inspanning in die richting faalt evenwel, ofschoon de officier die met deze taak is belast, Dom Luíz da Gama, een zeer intelligent man is. Robert Sherley slaagt erin aan hem te ontsnappen en naar Perzië te reizen.

In 1614 pogen de factors van de Engelse East India Compagny in Surat de handel te openen met Perzië, nadat de Engelsen van Grootmogol Jahangir (1605-1627) toestemming hebben gekregen met zijn onderdanen handel te drijven. Het plan voor de handel met Perzië is afkomstig van Richard Steele, die naar Aleppo is gereisd om een schuld te innen van een koopman in die stad. Deze is naar Indië gevlucht en Richard Steele is hem dwars door Perzië gevolgd en is tenslotte in Surat aangekomen. In het rapport dat hij uitbrengt aan de factors ter plaatse, maakt hij melding van de grote voordelen die verwacht mogen worden van de handel met Perzië. Zij zijn het met hem eens en zenden hem en een zekere Crowther, een van de bedienden van de Compagny, naar Perzië, om de praktische uitvoerbaarheid van de plannen te onderzoeken. Zij dienen ook na te gaan welke uitvoerhavens bruikbaar zijn. Om hun uitgaven te kunnen betalen, worden zij voorzien van kredietbrieven op Sir Robert Sherley, die in Isfahan is gevestigd en wiens goede relatie met sjah Abbas voor het welslagen van het plan van Steele van groot nut zijn. De Engelse missie naar Isfahan, die ook waardevolle adviezen ontvangt van Sir Thomas Roe, de Engelse ambassadeur aan het hof van de Grootmogol, heeft ook brieven bij zich voor sjah Abbas en voor de gouverneurs van de provincies die zij moeten passeren. Richard Steele beschrijft de stad Jask, op 90 mijl van Ormoez, als een geschikte haven, vanwaar de handelsgoederen dwars door Perzië naar Aleppo en vervolgens naar Engeland vervoerd kunnen worden. Het plan wordt van harte aanbevolen aan de bewindslieden van de Compagny. In het volgende jaar zendt het Engelse agentschap in Surat een vaartuig met goederen naar Jask, waar de expeditie goed wordt ontvangen en zij een licentie ontvangt om de goederen aan land te brengen. Twee factors worden achtergelaten in Moghistan, terwijl Thomas Barker en Edward Connock, die de leiding hebben van de expeditie, doorreizen naar Isfahan. Bij aankomst van de Engelse karavaan in Isfahan, verzoeken de Engelse agenten de sjah dringend verlof een factorij te stichten in Gombrūn (Bandar Abbas), welke haven acht dagen reizen dichter bij Isfahan ligt dan Jask. Zij openen daar in 1613 een factorij. In 1617 schrijft de agent van de Engelse East India Compagny, in Isfahan, Connock, naar Engeland dat Jask een zeer geschikte plaats is voor het bouwen van een fort in Perzië en hij voegt eraan toe dat hij verwacht daar gemakkelijk toestemming voor te krijgen. Later, op 4 augustus van dat jaar, ontvangt sjah Abbas agent Connock in audiëntie, tijdens welke hij om wijn vraagt en hij drinkt op de gezondheid van de Koning van Engeland, die hij zijn oudere broer noemt. De sjah zegt ook dat hij diens vriendschap hogelijk waardeert en dat hij de Engelsen Jask, of iedere andere haven die zij zouden wensen, wil geven. Dit wordt gezegd in aanwezigheid van de Spaanse gezant, voor wie de vorst nog nooit een goed woord heeft overgehad. Het nieuws over de audiëntie wordt overgebracht naar Goa en Lissabon. Er worden opdrachten verstrekt dat tot iedere prijs dient te worden voorkomen dat de Engelsen gaan handeldrijven met Perzië. En om deze instructies kracht bij te zetten, wordt Ruy Freyre de Andrade met een vloot van vijf galjoenen naar Ormoez gezonden. Hij komt daar begin juni 1620 aan. Ondertussen is Mr. Connock als agent in Isfahan opgevolgd door Mr. Barker en de laatste heeft in 1618 drie firmaunds ontvangen en deze worden gevolgd door een verdrag, waarbij de Engelsen aanzienlijke handelsfaciliteiten in Perzië worden gegeven. Het volgende jaar leveren de agenten in Isfahan bij sjah Abbas een brief af van koning James I en suggereert de sjah zijn plan Ormoez op de Portugezen te heroveren.

Omdat de druk van Hollanders, Engelsen en Perzen op de Estado da India voortdurend toeneemt, heeft Lissabon besloten sterke vloten naar Indië te zenden. Als alle schepen Goa veilig zouden hebben bereikt, dan zouden de Portugezen – aldus Boxer – de bedreigingen met kans op succes het hoofd hebben kunnen bieden. Tegen het voorjaar van 1620 vertrekken acht schepen uit Lissabon. Eerst twee grote en logge urcas (hulken), de São João Baptista en de São João Evangelista, alsmede twee oorlogsschepen met platte spiegels, pataxos (pinassen): de Nossa Senhora da Conceição en de Nossa Senhora de Nazare; later gevolgd door vier grote naus (kraken): de Nossa Senhora do Paraíso, de Nossa Senhora da Conceição, de Nossa Senhora da Penha de Franca en de Santo Amaro. Kapitein Dom Francisco Lobo moet met zijn nau Nossa Senhora da Conceição naar Lissabon terugkeren. Van de overige zeven schepen komen er slechts drie: Nossa Senhora de Nazare, São João Baptista en Nossa Senhora da Penha de Franca in 1620 in Goa aan en de Nossa Senhora do Paraíso bereikt, na een reis vol pech, eerst in 1622 Goa. De overige drie schepen lijden schipbreuk; de pataxo Nossa Senhora da Conceição bij Malacca, de São Evangelista bij de Rio Luabo aan de kust van Oost-Afrika en de Santo Amaro bij Mombaça. Nog voor de omvang van de rampen, die de vloot van 1620 hebben getroffen, de autoriteiten in Lissabon volledig bekend is, zeilt de nieuwe vice-rei, Dom Afonso de Noronha, in het voorjaar van 1621, met een uitzonderlijk sterke vloot, uit. Zijn vloot bestaat uit vier naus: Nossa Senhora da Conceição, São Tomé, São Carlos en São José en zes galeãos (galjoenen): Trinidade, Misericordia, São Salvador, Santo André, São Simão en São João. De galjoenen zijn nauwelijks uitgevaren, als zij door een zware storm zo beschadigd worden dat zij moeten terugkeren, met uitzondering van de São João, die veilig in Goa aankomt. De naus bereiken de kust van Guinée en keren vandaar wegens windstilte terug. Dit is de eerste maal dat een nieuw benoemde capitão-geral van de Estado da India en dan nog wel een vice-rei, Goa niet weet te bereiken.

Sjah Abbas wendt zich na zijn verovering van Kishm direct tot de East India Compagny en vraagt de compagnie haar zeemacht bij de hervatting van de oorlog tegen de Portugezen in te zetten. Op zijn verzoek wordt 16 november gunstig beslist, tijdens een vergadering in Soualy, vlak bij Surat, onder voorzitterschap van Thomas Rostell. Er wordt besloten dat vijf grote oorlogsschepen en vier pinassen zich naar de Perzische Golf zullen begeven, om zich meester te maken van alle schepen die afhankelijk zijn van de Portugezen of van hun bondgenoot, de zamorin van Calicut, hun lading zal worden geconfisqueerd, hun bemanningen zullen worden gevangengenomen en het eskader van admiraal Ruy Freyre de Andrade zal worden aangevallen, zodra het is ontdekt. Van zijn kant geeft de sjah opdracht aan de gouverneur van de Fārs, Allāh Verdy Khān, en aan zijn zoon, Imam Qoly Khan, met hun troepen op mars te gaan. Als de Engelse schepen zijn aangekomen, begeven zij zich naar de kust. Vervolgens haasten zich functionarissen naar de Engelse commandanten, om hun hulp tegen de Portugezen in te roepen. Er wordt op 21 december aan boord van de Jona Whol4 opnieuw krijgsraad belegd, om de condities vast te leggen waaronder de Compagny steun zal verlenen. Bepaald wordt dat als het Portugese fort van Ormoez veroverd wordt, dit door de Engelsen zal worden bezet en dat de Perzen op hun kosten een ander fort bouwen. De geheven douanerechten zullen gelijk verdeeld worden en op Engelse goederen zullen geen rechten worden geheven. Gevangengenomen christenen komen aan de Engelsen en moslims worden aan de Perzen overgedragen. De Perzen dragen voor de helft bij in de kosten van het Engelse garnizoen in Ormoez. Dit geldt zowel voor de voeding, als voor de soldij en de vervanging van materiaal. Zij moeten bovendien voorzien in kruit en projectielen. Allāh Verdy Khān en zijn zoon komen op 8 januari 1622 aan in Mina, aan de kust van de Perzische Golf. Zij beginnen direct onderhandelingen met de Engelsen, met het doel een verdrag aan te gaan. Uiteindelijk wordt men het erover eens dat het kasteel van Ormoez zal worden bezet door Engelsen en Perzen tezamen, tot aan een definitief besluit van sjah Abbas en op goederen geleverd door de sjah en de gouverneur van Fārs zullen geen rechten geheven worden. Wat de behandeling van gevangenen aangaat, wordt een uitzondering gemaakt voor Ruy Freyre de Andrade, admiraal van de Portugese vloot, en voor Simão de Mila, gouverneur van Ormoez. Van krijgsgevangenen zal niet worden verlangd dat zij van geloof veranderen en de uitgaven gedaan voor kruit en projectielen, worden gelijk gedeeld. Zodra partijen het eens zijn gaan zij tot de aanval over.

Voordat aandacht besteed wordt aan de val van Ormoez, bezien we de vorderingen van de Engelsen in Perzië. In november 1620 zijn twee schepen van de East India Compagny, de Hart en de Eagle van Surat naar Jask gevaren, maar bij hun poging de haven binnen te varen, vinden zij deze geblokkeerd door de Portugese vloot van Ruy Freyre. Omdat deze superieur is aan de twee Engelse schepen, zijn de laatste verplicht terug te keren naar Surat. Daar voegen zich de London en de Roebuck bij de Hart en de Eagle en gezamenlijk keren de vier Engelse schepen terug naar Jask waarop 17 december 1620 een onbeslist gevecht plaatsvindt met de vloot van Ruy Freyre. De Portugezen, evenwel, geven toe en staan de Engelse schepen toe de haven van Jask binnen te varen en zelf trekken zij zich terug naar Ormoez om de opgelopen schade te doen herstellen. Kort daarna keren zij terug naar de rede van Jask om het gevecht te hervatten. Bij dit treffen wordt kapitein Andrew Shilling, die het bevel voert over de Engelse schepen, geveld door een schot in zijn schouder, tengevolge waarvan hij op 6 januari 1621 overlijdt. Op 28 december vindt er weer een zeeslag plaats en wordt de vloot van Ruy Freyre verslagen. Het succes van de Engelsen bij hun acties tegen de Portugese vloot doet hun prestige enorm stijgen en vergemakkelijkt de aankopen van Perzische zijde door hun factors. Mister Monnox heeft in die tijd een karavaan met honderden balen zijde van Isfahan naar Jask gezonden. De karavaan wordt in Moghistan tot stoppen gedwongen door Imam Qōli Khan, gouverneur van Shiraz. Hij beoogt hiermee niet de handel van de Engelsen te stoppen, maar hen te dwingen de Perzen te helpen tegen de Portugezen. Als in december 1621 opnieuw Engelse schepen in Jask arriveren, weigert de khan hen toe te staan de schepen te laden, tenzij zij er van tevoren mee instemmen de Perzen te helpen de Portugese agressie terug te dringen. Uiteindelijk zijn zij verplicht met deze voorwaarde in te stemmen. In overeenstemming met deze afspraak vertrekt een Engelse vloot, die bestaat uit vijf schepen en vier pinassen, onder bevel van de kapiteins Blithe en Weddel uit Surat, om de Portugese vloot in de Perzische Golf te ontmoeten. Ondertussen bereiden de Perzen een aan val op Ormoez met landstrijdkrachten voor.

De Arabieren, die de zijde van de Perzen kiezen, slagen erin de forten te Julfar en Dola op de Portugezen te veroveren. Omdat dit de bronnen zijn waaruit de Portugezen in hoofdzaak hun watervoorraden betrekken, Hierdoor geraakt het Portugese garnizoen in Ormoez al direct in de problemen. Ruy Freyre de Andrade verdeelt zijn vloot in tweeën; enige van zijn schepen laat hij in Ormoez en de andere neemt hij mee naar Kishm, op welk eiland hij een nieuw fort bouwt. Nadat dit werk op 8 mei 1621 is voltooid, zendt Ruy de Freire schepen uit om de nabijgelegen vijandelijke Perzische kust af te stropen; naast het vernietigen van 400 zeilen, steekt hij de steden Boami, Camir, Congua, Astan en Doçar in brand, terwijl hij in Niquilay vier schepen en meer dan 80 lange barken neemt of vernietigt. De Engelse vloot komt op 22 januari 1622 bij Ormoez aan en gaat die nacht tegenover de stad voor anker, op ongeveer twee léguas van het Forte Nossa Senhora da Conceição, in afwachting van de Portugese vloot, die bestaat uit vijf galjoenen en twintig fregatten en die de uitnodiging voor het aangaan van een gevecht aanvaardt. De schepen blijven echter vlak bij het fort liggen. De volgende dag, vernemen de Engelsen dat capitão-mór Ruy Freyre de Andrade, met de rest van zijn schepen, zich bij zijn nieuwe fort op het eiland Kishm bevindt. De Engelse vloot zeilt naar Kishm en weet het fort in korte tijd tot overgave te dwingen. Het schijnt dat Kishm al een aanval van het Perzische leger te verduren heeft gehad en dat zij het fort al behoorlijk in het nauw gedreven hebben en dat het garnizoen zich niet lang meer kan verdedigen. De Engelsen bieden Ruy Freyre eervolle voorwaarde voor overgave, maar hij weigert dit. Hij schijnt te hebben verwacht dat ’s nachts Portugese schepen zouden arriveren, om hem naar Ormoez te brengen en hij ontmantelt het fort. Nadat hij in zijn verwachting is teleurgesteld, stelt hij zijn mannen voor, het fort in brand te steken en een eervolle dood in het veld te vinden. Zijn mannen aanvaarden dit voorstel niet; zij voelen er niets voor hun leven voor een verloren zaak te geven. Zij beginnen te deserteren door van de muren van het fort in zee te springen om hun leven te redden. Verdere weerstand is onder deze omstandigheden zinloos, na een aantal vergaderingen en onderhandelingen geeft Ruy Freyre de Andrade zich op 1 februari 1622 over aan de Engelsen. Hij wordt als gevangene naar Surat overgebracht aan boord van de Lion. Hij weet echter ‘s nachts, met drie van zijn kameraden, te ontsnappen in een skiff, terwijl de Lion op de rede van Surat voor anker ligt. Nadat hij een schip heeft bemachtigd, keert hij terug naar Ormoez, om te ervaren dat de stad al gevallen is. Daarna zeilt hij door naar Muscat dat nog in Portugese handen is.

Nadat de Perzen op 20 januari 1622 de haven van Gombrūn en met behulp van 12 Engelse kanonnen, daarna ook het Portugese fort ter plaatse hebben veroverd, brengen Engelse schepen op 9 februari 3.000 Perzische soldaten naar het eiland Ormoez over. Bij een eerste aanval op de stad verliezen de Perzen 300 man, maar zij krijgen op 24 februari nieuwe moed, als de Engelsen de Portugese loopgraven binnendringen en de São Pedro, van 1.500 ton in brand schieten. Omdat de Portugese vloot niet over de middelen beschikt zich tegenover de Engelse vloot te weren, kappen de Portugezen de ankerkabel van de São Pedro. Telkens als de Perzen een nieuwe aanval lanceren doet het Portugese garnizoen een uitval en drijft de Perzen terug. Op 14 maart arriveert een vaartuig met moren die de zijde van de Portugezen gekozen hebben. Zij worden ontdekt en willen zich terugtrekken, maar krijgen van de generaal van het Perzische leger de verzekering dat hen niets zal overkomen, maar na de capitulatie van de Portugezen onthoofden de Perzen 24 van hen en zij voeren de overigen als slaven weg. Op 17 maart willen de aanvallers een doorbraak forceren; zij slaan met een mijn een bres in de stadsmuur en dringen in grote aantallen de stad binnen, maar zij stuiten op zulke Portugese tegenstand, dat zij zich moeten terugtrekken. Gedurende het beleg overlijdt de capitão van het fort. Hij wordt opgevolgd door Simão de Mello die voor een onmogelijke opgave staat. Zijn garnizoen wordt niet alleen verzwakt doordat manschappen sneuvelen, maar ook door de pest en de honger en het is daarom niet meer in staat krachtige uitvallen te doen. Simão de Mello begint met de Perzen te onderhandelen over vrede, echter zonder effect, want de strijd wordt voortgezet en de Perzen slaan met hun mijnen steeds grotere gaten in de stadsmuur. Luíz de Brito de Vasconcellos, die zich in het fort bevindt, is een van degenen die Ormoez wil opgeven en zo hun levens te sparen, Hij wordt aan een touw van de muur neergelaten om de Engelse captain te bereiken. Hij komt met de captain de voorwaarden, waarop de Portugezen zich zullen overgeven, overeen en hij keert terug naar de stad, om deze in werking te stellen. Simão de Mello wendt voor tegen overgave te zijn, waarop de soldaten beginnen te muiten (waarvan men gelooft dat deze bewust is uitgelokt door Simão de Mello) Hierop stemt Simão de Mello met capitulatie in. De stad wordt bijgevolg op 22 mei overhandigd aan de Engelsen en de gehele Portugese bevolking, bestaande uit 2.000 mensen van beide seksen en alle leeftijden, worden overgebracht naar Muscat, waarbij zij alle kostbaarheden in handen van de vijand moeten laten.

Het verlies van de rijke handelsstad Ormoez, met zijn Portugese douanekantoor, is vanzelfsprekend een ramp voor de Portugezen. Er volgt een rechtszaak, waarin verschillende officieren die bij het verlies van Ormoez betrokken zijn geweest, zich moeten verantwoorden. Rui de Freire de Andrade wordt verschoond van alle blaam, wat voornamelijk een gevolg zou zijn van zijn verdiensten geleverd in de Perzische Golf, waar zijn naam zeer gevreesd is bij de Arabieren. Dom Gonsalvo da Sylveira, capitão-mór van de galeien, wordt aangewreven dat hij de vijand niet bevochten heeft en geweigerd heeft zijn kapiteins te helpen; een van hen was Luíz de Brito de Vasconcellos die, na een proces dat enige maanden heeft geduurd, is veroordeeld tot acht jaar verblijf in Trincomalee op Sri Lanka, maar in 1643 is dat vonnis vernietigd. Simão de Mello, de capitão van het fort, wordt echter ter dood veroordeeld, maar als hij is ontsnapt naar het land van de moren, wordt het vonnis uitgevoerd door zijn beeltenis te vernietigen.

Overigens is het verlies van Ormoez voor de Portugezen geen aanleiding de strijd tegen de Perzen op te geven.

Op 23 juni 1622 voeren twee Hollandse schepen een aanval uit op Macau; zij beschieten niet alleen de stad, maar voeren ook een landing uit met de bedoeling Macau op de Portugezen te veroveren. De 800 Hollandse musketiers, ondersteund door Japanse soldaten. worden met grote verliezen verdreven door Lopo Sarmento de Carvalho, zoals zal blijken uit een uitvoerige bespreking van de gebeurtenissen in een volgend deel. In het jaar 1622 komt er ook een einde aan het gouverneurschap van Fernão de Albuquerque

1 Marco Ramerini situeert fort Bandal, dat volgens Bayani gebouwd is door de Perzen (pag. 76) in Bandar Abbas of in Bandar-e Kong.

2 In de Brief, gedateerd, Madrid, 17 januari 1607, die koning Philips III aan zijn ambassadeur Gouveau voor de “Hoogverheven en zeer machtige vorst Sjah Abbas, Koning van Perzië, onze zeer goede vriend, meegeeft, afficheert hij zichzelf als “Ik Dom Philippe, door de Gratie Gods Koning van de Spanjes en van de Oost en West Indiën en van de Eilanden en Provinciën van de Oceaan, Koning van Napels, Sicilië en Jerusalem, van de Algarven aan deze en gene zijde van de Zee van Afrika, Aartshertog van Oostenrijk en Hertog van Milaan

3 De Portugezen betrekken koper uit de nabijgelegen gebieden. Sohar blijft tot 1643 of 1645 in Portugese handen, als Imam Nassir ibn Murshid hen uiteindelijk verdrijft.

4 Deze merkwaardige naam noemt Bayani

Hoofdstuk 3. De Portugezen aan de Tamilkust in de periode 1560-1640 3.0 . De parelvisserij aan de Costa da Pescaria

x

Check Also

Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De Malediven. Expansie van het Império Português (1515-1521)

Deel 6 Index Hoofdstuk 7 Expansie van het Império Português (1515-1521) 7.1 De Malediven Geschreven door Arnold van ...

banner
Close
GDPR
EU laws require that we request your consent to the use of cookies. We use cookies to ensure that our site works properly. Some of our advertising partners also collect data and use cookies to publish personalized ads.




Subscribe to our YOUTUBE channel: