Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike
Torre de Belém, Lissabon, Portugal. Auteur Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De regering van vice-rei João Nunes da Cunha (1666-1668). De Estado da India op weg naar herstel

Deel 21 Index

Hoofdstuk 3

De Estado da India op weg naar herstel

3.1 De regering van vice-rei João Nunes da Cunha (1666-1668)

Geschreven door Arnold van Wickeren

In de Letters-Patent van 11 maart 1666 wordt de naam genoemd van de 30e onderkoning van de Estado da India. Het is João Nunes da Cunha, die op 2 april door Afonso VI verheven wordt tot o primeiro Conde de São Vicente, als een extra aansporing de hoge positie te aanvaarden. Nunes da Cunha mag dan wel nauwe familiebanden hebben met de koning en met Castelo-Melhor, maar dat neemt niet weg dat hij in Azië een zeer eigenzinnige en rigide politiek zal voeren. Zijn houding lijkt in niets op de praktische Machiavellistische houding van ’s koning escrivão da puridade. De familie van Nunes da Cunha bezit een indrukwekkende staat van imperiale diensten aan de Kroon. Hij is de zoon van Nuno da Cunha en Dona Francisca de Lima, zijn vader is een van belangrijkste “restores” in de kwestie van het heroveren van Bahia van de Nederlanders in de jaren twintig en hij is omgekomen vechtend in een van de galeãos van de armada van Dom António de Menezes twee decennia later. Nunes da Cunha kan ook een directe familielijn aanwijzen naar zowel Tristão da Cunha, ambassadeur naar Rome voor Dom Manuel I, die in 1506 naar Indië is gezeild, de eilanden heeft “ontdekt” die zijn naam dragen en Socotra heeft veroverd; en Nuno da Cunha, Vedor da Fazenda van Dom João III en Capitão-geral van de Estado da India. João Nunes da Cunha is in 1619 geboren in Lissabon. Hij bezit een heldere geest en is bijzonder geletterd en hij zal twee boeken publiceren, in de jaren vijftig Peregrinação de Dom João IV en circa tien jaren later Vida de Dom Pedro o Cruel rei de Castela. Nunes da Cunha is, evenals Castelo-Melhor, in hofkringen hogerop gekomen door zijn scherpzinnigheid en door zijn fama de valor die hij heeft getoond op de slagvelden van Alentejo. In de vroege jaren zestig is hij lid geweest van het Conselho da Guerra en van de Chave Dourado en afgevaardigde van de Junta van de Drie Standen. Hij is kamerheer geweest van prins Dom Teodosio en later van Afonso VI, en hij heeft ook toelagen ontvangen van de commanderies van Castelo, São Romão do Erdal en Santa Maria de Vouzela van de Orde van Christus. Op 12 april 1666 zeilt hij aan boord van een vloot van vier schepen: de nau Santa Teresa de Jesus, de galeão São Bento en de navetas Nossa Senhora de Penha de França en Nossa Senhora de Nazaré e Santo António.

Zelfs ofschoon Castelo-Melhor het heel druk heeft met continentale zaken in het algemeen en met het arrangeren van het bondgenootschap met Frankrijk in het bijzonder, moet hij hebben verondersteld dat een intellectueel als Nunes da Cunha de zorgvuldige en betrekkelijk zuinige politiek van zijn voorganger zou voortzetten. In dit geval lijkt het erop dat de escrivão da puridade zijn man niet goed heeft beoordeeld, zoals hij later Pedro niet goed zal inschatten en dat met fatale gevolgen. De Santa Thereza de Jesus bereikt de Mandovi laat in september van het jaar 1666, en de Conde de São Vicente neemt de macht over van zijn voorganger Melo e Castro in een formele ceremonie op 17 oktober, waarbij hij plechtig belooft de voormalige grootheid van de Estado da India door “ijzer en vuur” te herstellen. Daarna, echter, richt São Vicente zijn aandacht en energie zowel intellectueel als bestuurlijk voornamelijk op tamelijk slecht geleide religieuze campagnes en op de rijzende kracht van de Omani-Arabieren. Wat het eerste betreft stelt hij zich op tegen de critici in Goa die al lange tijd klagen over de misbruiken en alles overheersende kracht van de rooms-katholieke kerk, de Goanese Inquisitie (zie bijlage) en de hoeveelheid religieuze kloosterorden die in het Aziatische império zijn gesticht. Ondanks het bewonderenswaardige werk van Melo e Castro aangaande de regularisering en stabilisering van de financiële condities in de Estado da India, ziet Nunes da Cunha kans de meeste van deze besparingen te verspillen en nog 102.000 xerafins te lenen van leidende christelijke kooplieden in Goa voor de uitrusting van een grote armada van 18 schepen. Een deel van de armada, onder bevel van Dom Francisco Manuel, gaat naar de Straat van Ormoez om de Sultan van Oman, Ibn Saif al-Ya’rubi, te vernederen en, zo mogelijk, Muscat te veroveren. De vloot bestaat uit de naus Santa Thereza de Jesus en São João e São Jacinto, de caravela Nossa Senhora de Nazaré e Sant’António en zes fragatas. De vloot, die 1.800 man aan boord heeft, vertrekt vroeg in het voorjaar van 1667. In dezelfde tijd zendt de vice-rei vier fragatas, onder Dom Jerónimo Manuel naar de forten do Norte om deze te beschermen tegen een aanval van de Omani. Het schijnt dat het eskader Muscat en andere posities aan de kust heeft gebombardeerd, heeft zij zich moeten hergroeperen in Cong a Port of Bandar Kung, nadat een storm de vloot uit elkaar geslagen heeft voordat zij eind augustus met twee prijzen naar Goa terugkeert. De president van de EIC in Surat schrijft aan zijn directeuren in Londen, in een brief gedateerd 5 april 1667: “Er is uit Portugal een nieuwe vice-rei in Goa aangekomen, die zichzelf sinds zijn aankomst heeft beziggehouden met de uitrusting van een aanzienlijke vloot…..maar het doel daarvan is niet geheel duidelijk; enigen zeggen dat het doel Muscat is, anderen houden het op Cong a Port, dicht boven Gombroon, dat behoort aan de koning van Perzië.”

Nunes da Cunha’s religiositeit vertaalt zich vooral in zijn verlangen de Reconquista voort te zetten tegen de ongelovigen in de Straat van Ormoez. António de Melo e Castro heeft de macht en de misbruiken van de religiosos openlijk veroordeeld in harde bewoordingen: “Van de grootste kwalen die al vele jaren in de Estado da India bestaan is de grootste de veelheid van kloosterorden.” São Vicente, echter, doet alles wat hij kan om hen te helpen hun sociale, politieke en economische macht vast te leggen. In twee brieven van 25 januari 1667 aan Afonso VI, houdt de onderkoning staande dat de zekerste middelen om de bestuurlijke doelmatigheid te verbeteren en de corruptie te bestrijden daaruit bestaan religieuzen op te nemen in het bestuur, daar “in alle gevallen waar dit niet het geval is” veel wordt gestolen. São Vicentes uitzonderlijk lage dunk van leken in het bestuur doet hem klagen dat het bestaande systeem ertoe heeft geleid dat het empire wordt bestuurd door “mannen zonder God.” In dezelfde maand schrijft de vice-rei, tegen het advies in van de Procurador van de Kroon en het Conselho do tesouro, dat hij zich verzet tegen iedere poging belasting te heffen op de bezittingen van Sociëteit van Jezus in Goa. “Men zal niet nemen van religosos die zo’n uitstekend voorbeeld geven en die zich zo ijverig wijden aan de dienst aan God en Zijne Majesteit in hun bijdrage aan het behoud van de Estado da India.“ In februari 1667, in het midden van pogingen de Colecta voor de financiering van reguliere vloten opnieuw vast te stellen, krijgt São Vicente bijval van de Senado da Câmara, de adel, en de bevolking van Goa. Desondanks tekenen de jezuïeten, de dominicanen, de augustijnen en de karmelieten protest tegen de plannen aan. En tegen de achtergrond van hun belang besluit de onderkoning te wachten op het advies van de Kroon voor de zaak door te zetten. Te midden van deze religieuze opleving overlijdt São Vicente in Goa op 7 november 1668, op de leeftijd van 49 jaren en na twee jaren en 21 dagen geregeerd te hebben. Gelukkig voor hem is zijn steun aan de religiosos niet vergeten. Hij wordt ten slotte begraven aan de voet van het Altaar van São Francisco Xavier, de apostel van het Oosten, in de kerk van de jezuïeten van Bom Jesus in Velha Goa.

3.2 Het Conselho de Governo Interino van António de Melo e Castro, Manuel Corte-Real de Sampaio en Luís de Miranda Henriques (1668-1671)

x

Check Also

Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De Malediven. Expansie van het Império Português (1515-1521)

Deel 6 Index Hoofdstuk 7 Expansie van het Império Português (1515-1521) 7.1 De Malediven Geschreven door Arnold van ...

banner
Close
GDPR
EU laws require that we request your consent to the use of cookies. We use cookies to ensure that our site works properly. Some of our advertising partners also collect data and use cookies to publish personalized ads.




Subscribe to our YOUTUBE channel:
Stay informed about Colonial Voyage