Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike
Torre de Belém, Lissabon, Portugal. Auteur Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De verovering en het behoud van Ceuta

Deel 7 Index

Hoofdstuk 2

De verovering van Ceuta

2.1 De verovering en het behoud van Ceuta

Geschreven door Arnold van Wickeren

Van de verovering van Ceuta is verslag gedaan door Gomes Eanes de Azurara, meestal aangeduid als Zurara. Hij is een man van eenvoudige afkomst, wellicht de zoon van een kanunnik van Coimbra en Évora. Door protectie van Afonso V heeft hij zich kunnen scholen. In 1434, hij is dan vermoedelijk 24 jaar, geeft de koning hem werk in de Arquivo Nacional da Torre do Tombo. Zurara krijgt door deze aanstelling de mogelijkheid zich verder te bekwa-men, wellicht aanvankelijk onder leiding van Fernão Lopes. In 1449 ontvangt hij van Afonso V de opdracht een kroniek van de inname van Ceuta te schrijven. Daarmee is Zurara de officiële kroniek-schrijver van Portugal. Hij kwijt zich van zijn taak door nog in leven zijnde deelnemers aan de inname van Ceuta, onder wie de prinsen Pedro en Henrique te vragen naar hun belevenissen. Van deze twee is prins Henrique ongetwijfeld Zurara’s belangrijkste bron. Tussen september 1449 en 25 maart 1450 schrijft Zurara zijn Crónica da tomada de Ceuta. Hierin doet hij uitgebreid verslag van de inname van de stad en geeft hij een gedetailleerde beschrijving van Ceuta. Gelet op de snelle voltooiing van de kroniek en zijn grote bewondering voor Henrique, ligt het voor de hand dat hij vooral is afgegaan op hetgeen deze hem – bijna 30 jaar na dato – heeft medegedeeld. Mogelijk heeft hij diens rol nog wat aangedikt. Robert Ricard heeft aangetoond dat in Zurara’s kroniek ook vele feitelijke onjuistheden voorkomen. Zurara geeft bijvoorbeeld een overdreven voorstelling van de omvang van Ceuta, terwijl de beschrijving van de vestingwerken niet door later onderzoek kon worden bevestigd. Ondanks de tekortkomingen is Zurara’s kroniek een belangrijke bron van kennis.

Op 23 juli verlaat de vloot Lissabon. David Divine geeft van de expeditie de volgende kleurrijke beschrijving. Aan boord bevinden zich koning João en de prinsen Duarte, Henrique en Pedro. De koning en zijn zonen dragen geen rouw, maar de stralende kleuren van de Middeleeuwse oorlog. Onder trompetgeschal en getooid met schitterende banieren, dringt de voorhoede van de vloot door de engten van de Taag, viert de zeilen en gaat op weg naar Cabo de São Vicente. De reis verloopt dankzij de noordenwind voorspoedig. Bij de kaap worden de marszeilen bakzeil gehaald bij wijze van groet aan de heilige. Voorbij Sagres wordt de koers verlegd naar Lagos. Tot op het moment van de koersverandering is de expeditie een meesterwerk van maritieme organisatie. De maatstaven van die tijd, en de gigantische omvang van de expeditie in aanmerking nemende, is de logistiek volmaakt, de tijdsberekening onberispelijk en de discipline bewonderingswaardig. De bedoelingen van de expeditie worden nog steeds geheimgehouden, maar door naar Lagos te zeilen, begaat João een grote fout. Hij had, gebruikma-kend van de gunstige windrichting, direct moeten doorzeilen naar Ceuta. Nu loopt de vloot het risico de haven van Lagos niet te kunnen verlaten als de wind naar het zuiden draait. Gelukkig doet zich dit niet voor, maar de expeditie loopt in Lagos wel drie dagen vertraging op met ceremoniën aan de wal. Frei João Xeira houdt daar een preek en er worden missen opgedragen. Om niet te begrijpen redenen wordt de bestemming van de expeditie bekend gemaakt. Als de vloot eindelijk uitvaart is de noordenwind verdwe-nen en worden de schepen door lichte winden naar het oosten gedreven. Zeven dagen lang dobberen zij bij windstilte rond in de hitte voor Faro. Met tien dagen vertraging op het schema krijgt de bemanning van het voorste schip de Rots van Gibraltar op 10 augustus in zicht. João ankert in de Baai van Algeciras, op ruim 24 kilometer van Ceuta en in het zicht van de Zeven Broeders. Omdat de komst van de vloot in Ceuta natuurlijk niet onopgemerkt is gebleven, gaat met het ankeren aan de overkant van de Straat van Gibraltar het verrassingselement verloren. Het lijkt overigens niet waarschijnlijk dat men in Ceuta nog niet op de hoogte is van de Portugese vlootbeweging. João, die nauwelijks maritieme ervaring heeft en aan boord van een schip vrijwel altijd gekweld wordt door zeeziekte, is niet de man om energiek leiding te geven aan maritie-me operaties. Een krijgsraad, in de Baai van Algeciras gehouden, adviseert João heel onverstandig de vloot te laten uitvaren bij het vallen van de avond; de daaropvolgende dag, een zondag, op zee door te brengen met het treffen van voorbereidingen en maandag in alle vroegte de aanval op Ceuta in te zetten. Als de schepen ‘s nachts het anker lichten, is het mistig en heersen er lichte westen-winden. Door een combinatie van de wind en de oppervlaktestroming wordt de vloot de Middellandse Zee in gedreven. Iets wat vele schepen onder soortgelijke omstandigheden later ook overkomen is. Sommige schepen komen helemaal bij Málaga terecht, terwijl een aantal galeien bij Ceuta aan lagerwal geraakt. De rest raakt verspreid in een reusachtige halvemaan in het westelijke smalle gedeelte van de Middellandse Zee. Als zij terugzeilen naar Gibraltar om zich te hergroeperen slaat de Levantijn, de storm uit het oosten, fel toe. Vele schepen worden daardoor zwaar beschadigd.

Deze catastrofe zou João – volgens de legende – juist de overwinning hebben bezorgd. Salah ben Salah, de gouverneur van Ceuta en een man met een grote militaire reputatie, zou hulp hebben ontvangen van bewoners van het nabijgelegen Rifgebergte en van de koning van Fez. Met deze hulp had hij iedere aanval kunnen weerstaan. Toen hij zag dat de Portugese vloot in verwarring werd teruggedre-ven naar de beschutting van de Baai van Algeciras zou hij tot de conclusie zijn gekomen dat Ceuta niet het doelwit was en dat hij zijn versterkingen veilig naar huis kon sturen. Deze lezing is niet erg waarschijnlijk. Fez ligt op 225 kilometer afstand van Ceuta aan een kronkelige bergweg. Natuurlijk is er tijd genoeg geweest om bood-schappers per paard naar Fez te zenden, maar niet aan te nemen is dat er tijdig een strijdmacht van enige omvang door het gebergte in Ceuta heeft kunnen aankomen. En al zouden de stad versterkingen uit het achterland hebben bereikt, dan zou geen ervaren garnizoens-commandant het in zijn hoofd hebben gehaald deze weg te zenden, terwijl een vijandelijke vloot – zelfs al is deze door de storm geruï-neerd – op 20 kilometer afstand voor anker ligt. Niets in de verdedi-ging van Ceuta wijst erop dat er een verdedigingsplan heeft bestaan; de loop van de gebeurtenissen toont juist aan dat Salah ben Salah zich misrekend heeft en zich heeft laten verrassen.

Ceuta ligt op een schiereiland van vier en een halve kilometer lengte, dat het einde vormt van een landtong, die zich vanaf het meest noor-delijke punt van Afrika uitstrekt naar het oosten. Het brede westelijke deel daarvan is een uitloper van de Heuvels van de Broeders. De zuidelijke zuil van de `Zuilen van Hercules’, de Abyla, ligt in het midden van deze heuvels. De citadel van Ceuta ligt ten westen van de stad op de istmus van de landtong. De haven bevindt zich aan de noordzijde van het schiereiland, maar er is naar Phoenicisch voor-beeld ook een winterhaven; deze ligt aan de zuidzijde van de stad. Volgens Zurara is Ceuta geheel ommuurd en is vooral de noordelijke muur, die doorloopt naar de Abyla, uitzonderlijk sterk. Hetzelfde geldt voor de citadel. Op 20 augustus wordt aan boord van de vloot krijgs-raad gehouden. Er gaan, in het zicht van de vestingwerken, stemmen op om van de hele onderneming af te zien. João en zijn zonen willen daarvan echter niet weten en de aanval wordt vastgesteld op de volgende morgen. Het aanvalsplan schijnt van João zelf afkomstig te zijn geweest, hoewel Zurara zijn best doet het aan Henrique toe te schrijven. Het plan bestaat daarin dat de Portugese hoofdmacht aan de noordzijde van de landtong zal blijven liggen, terwijl Henrique met een beperkt aantal schepen naar de zuidzijde daarvan zeilt. João rekent erop dat de Moren ervan zullen uitgaan dat de hoofdmacht een landing zal uitvoeren aan de noordzijde, waartegen zij dan hun verzet zullen concentreren. Henrique krijgt de opdracht, op een teken van João, aan de andere kant van de stad met de zijnen aan land te gaan. Als het strand genomen is, zal de vloot de aanvallers dekking geven. Henrique dient zo snel mogelijk door te stoten naar de Almina-poort, om deze toegang tot de stad in handen te krijgen.

Terwijl Henrique op zijn galei op het teken van zijn vader wacht, popelend om – zoals een aanvoerder betaamt – als eerste vijandelijke bodem te betreden, springt een zekere Ruy Gonçalves, een page van de graaf van Barcelos, als eerste overboord en waadt naar het strand. Henrique, die dit voorval na dertig jaar kennelijk nog het vermelden waard vindt, springt hem spontaan na. Hiermee is de landing op een ongeordende wijze begonnen. Terwijl de Portugezen door het water wadend op de kust toelopen, staan bewoners van Ceuta hen langs de winterhaven te tarten. Zij bieden nauwelijks verzet, maar schijnen zich beperkt te hebben tot schreeuwen. Zurara maakt ophef van een reusachtige neger, `die er zeer dreigend uitziet, geheel naakt is en die geen andere wapens gebruikt dan stenen’. Hij weet de opmars naar de Alminapoort inderdaad te vertragen. Een steen breekt het vizier van de helm van Vasco de Albergaria, die deel uitmaakt van de staf van Henrique. De Portugezen doorsteken daarop de stenengooier met een lans. Als de inwoners van Ceuta dit zien, vluchten zij naar de stad. Zij stromen in paniek door de poort terug, maar niemand heeft de tegenwoordigheid van geest de poort voor de neus van de hen achtervolgende vijanden te sluiten. Henrique, zijn vaandeldrager en een aantal andere aanvallers komen dus wel heel gemakkelijk binnen de stadsmuur. Om hoeveel andere Portugezen het gaat, valt niet te zeggen; volgens het ene verslag gaat het om vier mannen en volgens een ander om vijfhonderd. De rest van Zurara’s relaas gaat over verwarde gevechten in de nauwe straatjes en doodlopende stegen van de kasba. Zurara legt bij het beschrijven van deze gevechten wel erg grote nadruk op de ver-richtingen van Dom Henrique en op de gevaren waaraan deze ternauwernood ontsnapt. Hoe zwaar de strijd in de kasba is, wordt echter niet duidelijk. Dat er op een bepaald moment van serieuze tegenstand sprake is, blijkt daaruit dat Henrique afgesneden raakt van de zijnen en misschien ook lichte verwondingen oploopt. Hij wordt gered door zijn vriend Vasco de Ataíde, die zelf bij de scher-mutseling de dood vindt. Dat er van zware tegenstand geen sprake is, blijkt uit het volgende door Zurara vermelde voorval. Op een `gevaarlijk punt in de stad’ ontmoet Henrique een van zijn oud-leraren. De man, García Monez, voegt hem toe: `Denk maar niet dat uw mannen nog belangstelling hebben om tegen de Moren te vechten; zij zitten door de hele stad verspreid en plunderen de lege huizen.’ Zurara vermeldt ten aanzien van de plundering ook nog: `De stad wordt vanzelfsprekend volledig uitgeplunderd, vooral de pakhuizen, waarin zich grote hoeveelheden koopwaren bevinden en bovenal specerijen liggen opgehoopt; zij wordt bij het zoeken naar buit zelfs ten dele verwoest.’ Zurara wijdt met een zeker genoegen over dit onderwerp uit en de details die hij vermeldt, maken duidelijk dat de grondige plundering van de stad een van de oorzaken moet zijn geweest dat het islamitische karakter van Ceuta zo snel verdwijnt. Vroeg in de middag is alles voorbij. Henrique wordt naar de grote moskee geroepen. Hier hebben zijn broers zich reeds geïn-stalleerd om een aanval op de citadel te beramen. Voor er iets besloten kan worden, ziet een boer spreeuwen (anderen zeggen `zwaluwen’) op de borstwering zitten, hetgeen er volgens hem op wijst dat daar geen mens is. Als de Portugezen optrekken om de poorten van de citadel in te rammen, roepen twee mannen hen vanachter de poort toe dat het garnizoen gevlucht is en dat zij de grendels zullen wegschuiven. Het tweetal, van wie de een uit Genua en de ander uit Biskaje afkomstig is, schuift de grendels inderdaad weg en aldus komen de Portugezen ook in het bezit van de citadel. Hiermee is Ceuta vast in Portugese handen.

Zurara stelt de inbezitneming van Ceuta voor als een geweldige zegen: `Die zeer roemrijke verovering van de grote stad Ceuta, waarvan de hemelen de glorie hebben gevoeld en de aarde de weldaad.’ Dit is wel zeer overdreven. Feitelijk heeft maar een heel klein gedeelte van de grote invasiemacht aan de gevechten deelge-nomen; de toren op wielen van vijf verdiepingen, die het beklimmen van de muren van de citadel had moeten mogelijk maken, is niet eens aan land gebracht; de nieuw gemaakte bombardons zijn niet afgevuurd. De gehele `roemrijke verovering’ heeft het leven van Vasco de Ataide en niet meer dan zeven andere Portugezen gekost. In feite was er geen verdediging, afgezien van enig verzet in de kasba. Er is veel over gespeculeerd waarom Salah ben Salah de stad en de citadel zonder verzet heeft prijsgegeven. Vaststaat dat hij niet in ongenade is gevallen; hij is twaalf jaar later gouverneur van Tanger. Dat hij onopgemerkt zijn garnizoen en – gelet op de `lege’ huizen die geplunderd worden – ook een deel van de bevol-king heeft weten de evacueren, wijst op een tactische manoeuvre. Mogelijk heeft men aan Moorse kant gedacht dat de Portugezen slechts eropuit zijn Ceuta te plunderen, of dat een expeditieleger vanuit zee niet in staat is de stad te behouden. Het moslimgezag zou dan kunnen worden hersteld, als de schepen weer vertrokken zijn. Als Salah ben Salah dit inderdaad gedacht heeft, dan komt hij wel zeer bedrogen uit.

De koning roept (na de verovering van Ceuta) zijn adviesraad bijeen, om uit te maken waarmee God en ‘s konings eer het meest gediend zijn: met Ceuta te behouden of de stad na plundering op te geven. De raad is verdeeld. Een deel wil de stad opgeven, omdat de kosten om haar te behouden de voordelen van het bezit ervan overtreffen. Daar wordt tegenin gebracht, dat het plunderen van de stad en het doden van de paar daarin achtergebleven oude moslims past bij een machtig piraat, maar een koning onwaardig is. Het weer opgeven van Ceuta zal leiden tot de terugkeer van de moslims, die eens te meer uit wraak plundertochten in Algarve zullen onderne-men, zoals zij al zo vaak hebben gedaan. Ook wordt betoogd dat lieden die tot nu toe verbannen worden naar Castilië (degredados) God en hun koning zouden kunnen dienen in Ceuta. Besloten wordt de stad te behouden en Pedro de Menezes, graaf van Viana, te be-noemen tot gouverneur. Deze jonge graaf heeft Henrique aangebo-den de stad voor zijn koning te behouden. Hij wordt achtergelaten met een garnizoen van 2.700 man, een paar schepen, voedsel en ammunitie. De rest van de vloot zeilt op 2 september, beladen met rijke buit, terug naar Portugal.

Omdat het bezit van alleen Ceuta voor Portugal van weinig waarde blijkt, bepleiten sommigen de verovering van meer steden in het achterland van Marokko; anderen zijn het daarmee niet eens. Onder hen bevindt zich prins Pedro, die zijn broer kroonprins Duarte al tussen 1425 en 1428 vanuit Brugge heeft laten weten dat Ceuta een bodemloze put voor manschappen, wapens en geld is. Hij wil de stad juist opgeven en tracht daarvoor steun te verwerven van Duarte. In 1433 lopen de discussies zo hoog op dat koning João I in Santarém zijn adviesraad bijeenroept. De graaf van Arrailos heeft Duarte de vraag voorgelegd of het niet beter is dat Portugal een verbond met de koning van Castilië aangaat, om gezamenlijk het Moorse koninkrijk Granada te veroveren. Dat is beter dan Marokko opnieuw aan te vallen. De verovering van Granada is eerder ook al door Henrique voorgesteld. Duarte is het hiermee eens, evenals Afonso, graaf van Barcelos en halfbroer van de prinsen Duarte, Pedro en Henrique. De graaf van Ourém is eveneens voorstander van een aanval op Granada. Hij wil echter alleen deelnemen aan een veldtocht in Marokko als deze niet wordt geleid door Henrique, maar door Duarte. Henrique wil zowel samen met Castilië Granada veroveren, als Marokko aanvallen. João I voelt het meest voor een aanval op Marokko en prins Pedro verwacht noch van de strijd te-gen Granada, noch van die tegen Marokko voor Portugal voordeel. Het zal tot 1437 duren alvorens het land zich in een nieuw avontuur in Marokko zal storten; voorlopig heeft het de handen vol om Ceuta, dat vele belegeringen heeft te doorstaan (zie deel I), te behouden

3.0 Ontwikkelingen in scheepsbouw en navigatie

x

Check Also

Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De Malediven. Expansie van het Império Português (1515-1521)

Deel 6 Index Hoofdstuk 7 Expansie van het Império Português (1515-1521) 7.1 De Malediven Geschreven door Arnold van ...

banner
Close
Stay informed about Colonial Voyage