Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike
Torre de Belém, Lissabon, Portugal. Auteur Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

Problemen tussen Engelsen en Nederlanders in Indië. De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640

Deel 17 Index

Hoofdstuk 1.

De teloorgang van Portugals positie in Azië: de Estado da India in de periode 1622-1640

1.1. Problemen tussen Engelsen en Nederlanders in Indië

Geschreven door Arnold van Wickeren

Danvers wijdt het afzijdig blijven van de Engelse schepen (op één na) bij de strijd van de Hollanders met de Portugese vloot op 24 augustus 1622 aan het niet erkennen van Jacob Dedel als hun admiraal. De zaak ligt echter veel ingewikkelder. De Engelsen en Hollanders hebben getracht in 1615 in Den Haag de tussen hen in Indië gerezen problemen op te lossen, nadat in 1613 onderhandelingen in Londen over hetzelfde onderwerp zijn mislukt. De conferentie in Den Haag heeft evenmin tot resultaat geleid. Een geschilpunt is dat de Hollanders van de Engelsen militaire steun tegen de Spanjaarden (en Portugezen) in Azië willen ontvangen, wat de Engelsen weigeren. Al in 1615 heeft de zeer anti-Engels gezinde Jan Pieterszoon Coen (1587-1629), die in 1615 de zaken van de VOC waarneemt en die op 30 april 1618 formeel tot de vierde1 gouverneur-generaal van de bezittingen van de VOC wordt benoemd, de Engelsen verweten altijd daar een handelspost te vestigen, waar de VOC eerst de weg geëffend heeft. Zij plukken zodoende steeds mede de vruchten van de inspanningen van de VOC. Coen heeft in 1615 al het besluit genomen de Engelsen uit de Molukken te verdrijven en hij heeft dit onomwonden aan de Engelse gezaghebber in Bantam, John Jourdain, laten weten. De Heeren XVII, de bewindhebbers van de VOC, willen liever de vrede met de Engelsen bewaren. In 1616 ontmoet een Hollandse vloot van negen schepen, onder bevel van Jan Dircksz Lam, vier Engelse schepen, onder Samuel Castleton, die op weg zijn naar de Molukken. Als de beide bevelhebbers elkaar niet goed zouden hebben gekend, zou er ongetwijfeld slag zijn geleverd. Nu zendt Lam een schip naar Ambon om voor de komst van de Engelsen te waarschuwen. De rest van deze § is, op enkele niet essentiële aanvullingen na, ontleend aan “An Empire of Spices” www.periclespress.com/Dutch_ spices.html

Op 25 december 1616 arriveert de Engelsman Nathaniel Courthope, bijgenaamd Mister Nutmeg, met de schepen Swan en Defence, van Sukadana op Borneo, waar hij factor was, bij het Banda-eiland Run. Op dat moment controleren de Hollanders vijf van de zes grotere2 Banda-eilanden, de enige producent van muskaatnoten. “De eilanden Ai, Gunung Api, Banda Neira, Lontor en Rozenjin hebben zich onderworpen. Run is de enige uitzondering”. Het verzet van de bewoners van Run en van het naburige eiland Ai tegen de komst van de Hollanders blijkt onverwachts sterk. De Bandanezen hebben in hun verzet tegen de Nederlandse kolonisatoren niet altijd alleen gestaan: ”De Engelsen hebben het hunne bijgedragen om de Nederlandse territoriale expansie te hinderen. Door de Bandanezen te helpen met de bouw van een fort en hen te trainen in het hanteren van het schieten met musketten en met het kanon.”

Op het eiland Ai hebben de Engelsen in augustus 1609 en factorij gevestigd, in het zicht van sterke Nederlandse militaire aanwezigheid. Wat de Engelsen een onderhandelingsobject verschaft is de niet te voorspellen krachtige tegenstand van de Bandanezen tegen de Hollanders. In mei 1609 hadden zij de Nederlandse admiraal Pieter Verhoeff uitgenodigd voor een gesprek met locale bestuurders op Neira over de bouw van een fort. De ongewapende Hollanders zijn aan de oostkant van het eiland in een bosje gelokt, waar 42 van hen, onder wie Verhoeff, gedood en daarna onthoofd zijn. Na het bloedbad tart William Keeting, een Engelse kapitein, niet alleen het bevel van Simon Hoen, de Nederlandse bevelhebber, het eiland binnen vijf dagen te verlaten, maar hij laat hem ook weten dat de Engelse factorij op het eiland Ai een blijvend karakter heeft.

Van de Bandanees-Engelse militaire samenwerking gaat een zekere dreiging uit en ondanks de militaire suprematie van de Hollanders is sprake van een ongemakkelijke vrede. Zij dulden tot 1615 de Engelse aanwezigheid op Ai and Run.

Op 14 mei 1615 landt een Nederlandse strijdmacht van bijna 1.000 Hollandse en Japanse soldaten op Ai. De tegenstand die zij ondervinden, steunt op Engelse fortificaties en op de bekwaamheid van Bandanese scherpschutters en is moeilijker te overwinnen dan verwacht. Bij het invallen van de duisternis hebben aanvallers het eiland veroverd, met uitzondering van een klein fort. In de stellige verwachting dat zij het fortje de volgende dag kunnen innemen, leggen zij zich te rusten. De Bandanezen lanceren echter de volgende morgen vroeg een aanval, wat de Hollanders zeer verrast. Gedemoraliseerd trekken zij zich terug en dan blijkt dat zij slechts strijdend hun boten kunnen bereiken. Liever dan de aanval, die hun 36 doden en 200 gewonden heeft gekost, te vernieuwen, zeilen zij naar Banda Neira. Het volgende jaar wordt uit Amsterdam het bevel ontvangen om het eiland Ai in te nemen en een nieuwe admiraal, Jan Dircksz Lam, wordt aangewezen dit bevel uit te voeren.

De Heeren XVII achten het van groot belang controle op het Banda-eiland Ai te verwerven. Verwerkelijking daarvan zal echter tot een conflict leiden tussen twee ambitieuze betrokkenen, Jan Pieterszoon Coen, de Hollandse gouverneur-generaal van de bezittingen van de VOC na 30 april 1618, en John Jourdain, hoofdfactor van de English East India Company, die tot een openlijke oorlog zal leiden.

Coen verdenkt de Engelsen ervan dat zij zich bemoeien met het verzet van de Bandanezen tegen de Hollanders en dat zij zelfs de moord op admiraal Verhoeff in 1609 gepland hebben. Hoe dan ook, hun betrokkenheid bij het verzet op Ai is onbetwist; zij hebben de Bandanezen getraind in het gebruik van musketten en zij hebben de overval op de Hollanders vanuit het fort beraamd. John Jourdain is vanaf 1613 een grote voorstander van de Engelse aanwezigheid in de Molukken. Ofschoon hij geen Hollandse wateren binnendringt met een vloot, althans niet tijdens zijn vroege avonturen, zendt hij onophoudelijk schepen naar streken waar de Hollanders handel drijven en hoewel hij niet aanstuurt op oorlog, is hij bereid de Hollanders voortdurend met Engelse aanwezigheid te confronteren en uit te dagen, en hij heeft de inheemsen enige keren opgestookt tegen het Nederlandse gezag. Coen, van zijn kant, is al even vastbesloten om Engelse aantasting van Hollandse handelsprivileges te doen stoppen. Hij negeert keer op keer instructies om aanvallen op de Engelse scheepvaart te staken.

Beiden, zowel Jourdain als Coen, voelen zich gesteund door hun respectieve hoofdkwartieren. Terwijl de Heeren XVII bezorgd zijn over oorlog met Engeland door Nederlandse acties in Indië, zijn zij bereid Coens fouten over het hoofd te zien, zolang hij erin slaagt met specerijen geladen schepen naar het vaderland te sturen.

Het falen van de Nederlanders op Ai moet Jourdains dromen over een Engelse overname van de handel in specerijen hebben aangewakkerd, want de Hollanders hebben zich militair kwetsbaar getoond, want ofschoon zij beschikten over alle voordelen van een moderne Europese macht, zijn zij verslagen door een half zo grote inheemse strijdmacht. In januari 1616 heeft Jourdain bij Bantam een vloot verzameld van vijf schepen. Jourdan beveelt naar de Banda-eilanden te zeilen. Als de vloot daar aankomt, beginnen de Engelsen zowel Ai als Run te fortificeren. Ondanks hun moed lijken de vijf schepen geen partij voor de twaalf Hollandse schepen die met 1.000 soldaten aan boord pas uit Nederland zijn aangekomen, nog gevolgd door een tweede vloot. De Hollanders zijn van mening dat de Engelse schepen de ingang tot de vaargeul blokkeren.

Jan Dircksz Lam, die het bevel voert over de Nederlandse vloot, beschikt waarschijnlijk over voldoende vuurkracht om zich toegang tot het eiland te verschaffen, maar hij spaart zich de moeite. De Engelse commandant, Samuel Castleton, biedt uiteindelijk aan het eiland Ai over te dragen als vergoeding voor een gunst die Lam hem een aantal jaren geleden bewezen heeft. Lam heeft toen, op verzoek van Castleton, een aanval ondernomen op twee Portugese schepen bij Sint Helena om de Engelse bemanning te redden die op het eiland was achtergelaten. De aanval heeft Lam een van zijn schepen gekost. Dit is het excuus dat Castleton aanvoert voor zijn houding. In ruil voor de terugtrekking van zijn vloot en het verstrekken van inlichtingen over de verdediging van Ai, ontvangt hij handelsrechten met het overgedragen eiland. Richard Hunt, de Engelse factor op Ai, wordt achtergelaten op het eiland met instructies van Castleton niet deel te nemen aan gevechten. De Engelse vloot zeilt vervolgens weg.

Met het vertrek van de Engelse vaartuigen raken de orangkayas’s in paniek en zij dragen zowel Ai als Run formeel over aan Richard Hunt en aan de Engelse Kroon. Ook de nieuwe Hollandse invasiemacht maakt maar weinig vorderingen door het taaie verzet en de hevige regenstormen. Het kost drie dagen om het eiland Ai te onderwerpen. De meeste Bandanezen weten te ontvluchten naar Run, ook Richard Hunt, die uiteindelijk passage vindt naar Bantam. Daar stelt hij Jourdan het document ter hand waaruit blijkt dat de Bandanezen Ai en Run aan de Engelsen hebben overgedragen.

Na Ai te hebben veroverd, is het belangrijkste doel van de Hollanders de blokkade van het eiland Run, in de hoop door uithongering de verdedigers tot overgave te dwingen. Daar er op Run maar weinig watervoorraden zijn en er op het eiland ook maar weinig voedsel groeit, zijn de vooruitzichten op succes hoog. Bovendien wordt hun strategische positie niet bedreigd op de andere Banda-eilanden. Met een oppervlakte van nog geen drie vierkante kilometer, is Run maar een eilandje van niets. De muskaatnotenbomen, waarmee bijna het gehele eiland is bedekt, vertegenwoordigen een fortuin, maar alleen als zij de markten van Europa of Azië kunnen bereiken.

Voor John Jourdan is een miniem stukje grond van 700-acre alles wat hij nodig heeft om een aandeel in de specerijenhandel te verwerven. Daarom benoemt hij in oktober 1616 Nathaniel Courthope tot commandant van twee schepen, de Swan en de Defence, en draagt hem op naar Run te zeilen. Hij komt daar op 23 december aan en al spoedig bereikt hij zijn eerste doel; een herbevestiging van het verdrag van overgave, gesloten met Richard Hunt. Elf orangkaya’s ondertekenen een nieuw verdrag aan boord van de Swan, waarin zij hun trouw aan de Engelse Kroon erkennen.

Courthope’s tweede doel is het eiland Run in staat van verdediging te brengen, in verband met een verwachte aanval van de Hollanders. Hij kan voor een deel steunen op de natuurlijke mogelijkheden het eiland te verdedigen, een reeks van kliffen aan de zuidelijke kustlijn die uitkijken op een laag gelegen rif. Op de in het oosten gelegen atol Nailika, echter, bouwt hij Fort Defence, met een batterij van drie kanonnen. Aan de westkant van het eiland bouwt hij het Fort Swan, ook met drie kanonnen. Plannen om nog aanvullend geschut op het eiland af te zetten, worden verhinderd als de met levensmiddelen terugkerende Swan door de Hollanders wordt veroverd en overgelopen leden van de bemanning wegzeilen met de Defence. De zware bewapening wordt nog verhoogd doordat Bandanese krijgers recentelijk zijn getraind als musketiers. De Hollanders ontdekken hoe effectief de verdediging van het eiland is als zij trachten te landen met een invasiemacht, nadat zij de Solomon hebben buitgemaakt. De Solomon is in 1618 bij Run gearriveerd om het eiland te ontzetten. De Bandanezen verslaan de invallers. Ondanks het behalen van enige militaire successen, heeft de blokkade effect op de verdedigers van Run, die moeten overleven op een dieet van rijst, vis en een pap bereid van sagomeel.

De Hollanders bevinden zich in een duidelijk nadelige situatie als een grote Engelse vloot in december 1618 voor Jakarta aankomt. Op dat moment is Jan Pieterszoon Coen in Jakarta een fort aan het bouwen, vooruitlopend op de verplaatsing van zijn hoofdkwartier van Bantam naar Jakarta, dat bestuurd wordt door de pangéran Wijayakrama. De verslechterde verhouding met de Engelsen in Bantam heeft daar tot gevechten geleid, waarbij doden en gewonden zijn gevallen. De verhouding tussen de Hollanders en de pangéran verslechtert als ook de Engelsen zich in Jakarta vestigen. De uitbouw van de VOC-loge tot een fort door de Hollanders leidt tot omsingeling van het fort door troepen van de pangéran, die bovendien steun van de Engelsen vraagt. Coen heeft de beschikking over maar zeven schepen en zeventig manschappen. De Engelsen hebben elf schepen en nog vier andere die zijn aangewezen de wacht te houden bij Bantam.

De Engelse commandant, Sir Thomas Dale, schijnt afkerig te zijn geweest van een gevecht; hij hoopt Coen te intimideren zodat deze zich overgeeft. Op 2 januari 1619 raken de twee vloten slaags. Coen trekt de volgende dag zijn schepen terug en zeilt met zijn vloot naar Ambon, waar zijn hoofdvloot voor anker ligt. Dale kiest niet voor een zeeslag, maar lanceert een aanval op het in aanbouw zijnde fort in Jakarta. De aanval wordt echter afgeslagen met behulp van 4.000 Bantammers die gekant zijn tegen een al te grote machtsontplooiing van hun rivaal Jakarta. De Bantammers eisen het fort op, maar de Hollanders weigeren dit over te dragen. De Engelsen brengen hun batterijen aan boord van hun schepen en hun vloot neemt haar toevlucht tot een blokkade. Coen keert van Ambon terug met zestien schepen. Hij verovert op 30 mei 1619 met duizend compagniesoldaten Jakarta, dat hij in brand laat steken. De al op 12 maart in Batavia herdoopte plaats kan nu uitgroeien tot de hoofdstad van de VOC in Indië. Als na enige maanden het ook de Engelsen blijkt dat hun blokkade niet effectief is, geeft Dale zijn vloot bevel naar India te zeilen. Hij zal op 19 juli 1619, een maand na aankomst in Masulipatam, aan de kust van Coromandel sterven.

Hoewel Dale’s vloot er niet in is geslaagd Jakarta te veroveren, Coen’s oorlogsschepen te vernietigen of Courthope op het eiland Run te ontzetten, schijnen de Engelsen desondanks een houding van zelfgenoegzaamheid, zelfs van overmoed te hebben aangenomen. Van hun kant gezien is de niet-verklaarde oorlog voorbij en is elk gevaar geweken. (Zij weten in die tijd niet dat er in juli 1619 in Europa een Anglo-Hollands vredesakkoord, dat een einde maakt aan de vijandelijkheden tussen de oorlogvoerende partijen, is ondertekend; dat wordt eerst in het voorjaar van 1620 in de regio bekend.) Voor Coen betekent de zeeslag voor Jakarta dat hij de opgelopen schade aan zijn schepen kan herstellen en dat hij zijn tactische concept opnieuw moet overdenken, maar het is geen signaal de strijd te staken. Vanaf dat moment patrouilleren Hollandse schepen niet meer alleen, maar met meerdere schepen samen.

Op 17 juli 1619 vallen drie Hollandse schepen twee Engelse vaartuigen aan die voor anker liggen in een haven op het Maleise schiereiland. Een van de schepen hijst de bestandsvlag, na een hevige actie die tot overgave had moeten leiden. Als de commandant zich laat zien, doodt een Hollandse scherpschutter de man met een schot in de borst. De gedode man is John Jourdain. Ofschoon het een ernstige inbreuk op de gedragscode betreft, zou Coen persoonlijk het bevel tot de aanval hebben gegeven. Coen geeft de Hollandse kapitein, Hendrik Jansen, een beloning in de vorm van een gouden ketting ter waarde van 1.400 gulden en de schutter ontvangt 100 reais. Patrouillerende Hollandse schepen nemen in augustus het Engelse schip Star, als het door Straat Soenda zeilt. In oktober veroveren andere patrouillerende Hollandse schepen vier Engelse schepen, de Red Dragon, de Bear, de Expedition en de Rose, in de Sumatraanse haven Tecu terwijl zij peper aan het laden zijn.

Tegen de tijd dat Coen een invasiemacht bijeenbrengt om eindelijk de Banda-eilanden te onderwerpen, hebben de Engelsen niet meer dan drie schepen beschikbaar om aan de expeditie deel te nemen. (De strijdende partijen zijn krachtens het Anglo-Hollandse verdrag, van juli 1619 verplicht hun strijdkrachten samen te voegen.) De Hollanders hebben dertien grote schepen, enige kleinere verkennings- vaartuigen en bijna veertig jonken en pramen. De strijdkrachten die aan land gaan zijn opgevoerd tot 1600 Europeanen, 250 man van het garnizoen van de Banda-eilanden, 300 Japanse veroordeelden uit Jakarta en 100 Japanse huurlingen.

Op 11 maart 1620 landt de strijdmacht op Lontor en de volgende dag heeft zij de controle over dit grootste eiland van de Banda-archipel verworven. De aanvallers hebben niet meer dan zes doden en 27 gewonden te betreuren. Als de Hollanders beginnen met de bouw van Fort Hollandia op het eiland, resulteren guerrilla-aanvallen in nog eens negen doden en 27 gewonden.

De ontvolking van de Banda-eilanden

Hoe groot zijn verliezen ook zijn, Coen is niet van plan terug te trekken. Zijn oplossing voor de voortgaande dreiging van een opstand van inheemsen, is deportatie, evacuatie of de hongerdood van de Bandanezen. Een schatting van de gevolgen van zijn optreden in die tijd gaat ervanuit dat de oorspronkelijke bevolking van 15.000 mensen gereduceerd is tot 1.000. Coen heeft zelf berekend, dat niet meer dan 2.500 mensen zijn omgekomen, hetzij door honger, hetzij door militair optreden, terwijl 300 mensen hebben kunnen vluchten.

Het voorwendsel voor de Hollandse acties is de inbreuk op het vredesverdrag dat de orangkaya’s ondertekend hebben bij de overgave van Lontor. Hierbij hebben zij zich verplicht hun gehele oogst aan de VOC te verkopen, maar sommige boeren hebben hun muskaatnoten zelfs met de Engelsen geruild voor kanonnen. Om zijn doel, de ontvolking van de Banda-eilanden, te bereiken, moet Coen een buitensporig geweld aanwenden, ofschoon de acties van zijn troepen bedoeld zijn de eilandbewoners te provoceren tot verzet, om daardoor Coens optreden te rechtvaardigen. De troepen krijgen bevel de onbeschermde dorpen te vernietigen en de inwoners in te delen in arbeidsgroepen.

Coen vestigt zijn hoofdkwartier in een van de dorpen op het eiland Lontor. De Hollandse plaatselijke commandant gebruikt het ontmoetingspaviljoen van het dorp als commandopost en legert troepen in de moskee, daarmee beide plaatsen in de ogen van de dorpelingen ontwijdend. Troepen die bij hun patrouilles uit zijn op plunderen, worden altijd in de beste inheemse woningen ingekwartierd. De boten en huizen van degenen die weigeren de op dat moment rottende muskaatnootvruchten te oogsten, worden verbrand, samen met de geplunderde lokale kostbaarheden.

Op 21 april 1621 slaapt de eerder bedoelde plaatselijke commandant in de moskee als een opgehangen lamp op de vloer kapot valt. Of de lamp nu uit zichzelf is gevallen of dat het een soort signaal is, de Hollanders denken dat het een signaal is voor een verrassingsaanval. Zij folteren een kind dat opbiecht dat de vallende lamp inderdaad het signaal voor een aanval is. De orangkaya’s worden gearresteerd en gemarteld totdat zij een samenzwering bekennen. Coen heeft eindelijk de rechtvaardiging om zijn plan uit te voeren.

Militaire patrouilles stropen systematisch het eiland af, steken dorpen in brand en nemen inwoners gevangen. Zij worden zo snel mogelijk bijeengedreven en naar Batavia overgebracht, waar zij die de reis hebben overleefd worden verkocht als slaven. De eerste naar Batavia vervoerde groep bestaat uit 883 mannen, vrouwen en kinderen. Velen die weigeren zich over te geven ontsnappen per boot, doden zichzelf door van Lontors kliffen te springen of sterven de hongerdood in het bos. Een groep van 45 orangkaya’s onder de gedeporteerden zal later worden geëxecuteerd voor deelname aan een veronderstelde samenzwering in Batavia.

Op de Banda-eilanden gelast Coen nog een serie arrestaties. De gearresteerden worden gemarteld aan boord van de Dragon, Coens vlaggenschip, en zij erkennen te hebben behoord tot het veronderstelde complot dat op 21 april een bloedbad had zullen aanrichten. Op 8 mei worden 44 man, onder wie acht orangkaya’s, gearresteerd en opgesloten in Fort Nassau. Er wordt een doodvonnis voorgelezen en zes Japanse samurai onthoofden de ongelukkigen en zij hakken hun lichamen in vier delen. Hun familieleden, verzameld als getuigen, worden gedwongen de executie af te wachten. Coen wordt later door de Heeren XVII officieel voor de executie berispt, maar dit belet hen niet hem te belonen met 3.000 gulden voor de onderwerping van de Banda-eilanden.

Korte tijd later zenden de Hollanders een strijdmacht van 25 schepen en 500 soldaten naar het Banda-eiland Run. Fort Swan wordt afgebroken en de daar aanwezige Bandanezen worden gedeporteerd. Het wordt de Engelsen toegestaan op het kleine atol Nailakka te blijven. Daarop hebben zij Fort Defence gebouwd, maar niet bij machte vanaf dit punt aan de handel deel te nemen, vertrekken de Engelsen na een paar jaar van het eilandje.

In 1623 wordt Coen vervangen door gouverneur-generaal Pieter de Carpentier. Coen zal echter in 1627 terugkeren en tot 1629 opnieuw gouverneur-generaal zijn. In zijn afwezigheid ontdekken de Hollanders opnieuw een samenzwering, deze keer op Ambon. In februari 1623 wordt een Japanse huurling gearresteerd na in het donker te zijn staande gehouden door een Hollandse schildwacht. Hij bekent een samenzwering met de Engelsen. De vijftien Engelse factors die daar verblijven worden gearresteerd en gemarteld totdat zij hun betrokkenheid bekennen. Zij worden vervolgens geëxecuteerd. Dit incident wordt bekend als het Bloedbad van Ambon. De Engelsen zijn over de gewelddaad zeer verontwaardigd en spreken zelfs over oorlog, maar zover komt het niet. Coen zelf overlijdt in 1630 in Batavia op de leeftijd van 42 jaar.

Met de verovering van de Banda-eilandBanda-eilanden hebben de Nederlanders zich verzekerd van de handel in specerijen. Engelse fouten, gecombineerd met geluk en Hollandse volharding, hebben hun de overwinning bezorgd. Hoewel de Engelsen in de recente krachtmeting de directe vijanden van de Hollanders zijn geweest, vechten beide naties om de erfenis van het rijk van de specerijen van de Portugezen.

Dit overzicht van de problemen tussen Engelsen en Nederlanders in Indië, dat is ontleend aan Engelse bronnen, wordt besloten met een overzicht van andere Nederlandse successen in Azië.

In januari 1641 wordt de Maleise stad Malacca, in 1511 veroverd door Afonso de Albuquerque, aangevallen door de Hollanders, die zich verzekerd hebben van de steun van Johore, het sultanaat aan de zuidelijke tip van het Maleise schiereiland. De stad zal, na zware gevechten, in juni 1641 vallen.

In juli 1601 hebben twee Hollandse schepen onder bevel van Joris van Spilbergen Ceylon aangedaan en de Hollanders zijn goed ontvangen door de Singalese heerser Wimala Dharma Suriya, die Hollandse steun zoekt tegen de Portugezen. Anderhalf jaar later, in november 1602, bezoekt een tweede Hollandse bevelhebber, Sebald de Weert, de haven van Batticaloa. Hij wordt eveneens goed ontvangen door de Singalese koning in de hoog in de bergen gelegen stad Senkadagala. De koning is bereid jaarlijks 9000 kilogram kaneel te leveren in ruil voor Hollandse hulp. De beloofde verbintenis wordt enige maanden later vernietigd door daden van De Weert. Terugkerend van Sumatra, weigert hij af te zien van het slachten van enige heilige koeien om zijn mannen te voeden. En nadat hij zijn soldaten de dieren heeft laten doden, wat een daad van heiligschennis is die niet licht over het hoofd kan worden gezien, nodigt hij de koning en zijn gevolg uit voor een feestmaal. Sebald de Weert wordt dronken en geraakt in een discussie met de koning, wat voor de Singalezen een affront betekent. Zij trekken hun zwaarden en doden alle Hollanders die aan het feestmaal deelnemen. Een andere groep van 300 Singalezen overvalt een groep Hollanders aan het strand. Bij elkaar worden 47 zeelieden gedood.

Raja Sinha II komt in 1628 in Kandy aan de macht. In1636 wil hij zo graag hulp tegen de Portugezen ontvangen dat hij bereid is de gebeurtenissen van 1603 te vergeten. Hij begint onderhandelingen met de Hollanders over het aangaan van een militair verbond. Zij bieden militaire assistentie aan, op voorwaarde dat zij alle kosten die zij daarvoor maken vergoed zullen krijgen. Bovendien krijgen de Hollanders het monopolie op belangrijke handelsgoederen

De Hollanders beginnen in 1639 hun militaire operaties met aanvallen op de aan de oostkust gelegen havensteden Trincomalee en Batticaloa. Trincomalee geeft zich zonder slag of stoot over aan Antonio Caen. Na de verovering van deze steden, richten zij hun aandacht op Kandy. In 1640 wordt Negombo, in het westen van het eiland, na zware strijd veroverd. De stad zal nog in hetzelfde jaar heroverd worden door de Portugezen, die Negombo tot 1643 tegen de Hollanders blijven verdedigen. Galle, aan de zuidpunt van het eiland, de havenstad die Lourenço de Almeida het eerst in 1505 heeft bezocht, is weliswaar gefortificeerd, maar wordt verdedigd door een klein garnizoen dat een tekort aan munitie heeft. Op 9 maart 1640 zijn de Hollanders in staat een strijdmacht van 700 man aan de zuidkust van het eiland aan land te zetten. Colombo zendt een ontzettingsmacht onder capitão Francisco de Mendonça. Nadat de Portugese aanvoerder is gesneuveld, vallen de Hollanders het Forte Santa Cruz in Galle aan en zij veroveren het op 13 maart. Beide zijden komen in 1645 een wapenstilstand overeen. Ondanks hun overeenkomst met Raja Sinha, houden de Hollanders Negombo en Galle na verovering in eigen handen, met het argument dat Kandy niet de gemaakte kosten voor militaire uitgaven heeft betaald.

De wapenstilstand op Ceylon wordt in 1652 verbroken. Een Portugese generaal die met pensioen is, Gaspar Figueira de Sepa, krijgt opnieuw het opperbevel en hij weet de Hollanders te weerstaan. In oktober 1655 wordt hij gedood en zijn leger verslagen in de Slag van Kalutara. Het restant van zijn leger trekt zich terug op Colombo. Het Fortaleza de Colombo, gebouwd in 1554, wordt verdedigd door een garnizoen van slechts 600 Europeanen en 200 inheemse soldaten. Ondanks een artilleriebombardement dat de buitenmuren verwoest, verliezen de Hollanders een schip en hebben zij 300 doden te betreuren bij de eerste aanval. Een Hollandse blokkade voorkomt dat Goa de stad kan ontzetten. De verdedigers houden het uit tot 10 mei 1656, op welke datum zij zich overgeven. Als het Fortaleza op 12 mei wordt ontruimd, zijn er nog maar 73 Portugese soldaten in leven. Het Tamil-koninkrijk in het noorden van het eiland zal in 1658 vallen.

Volgend op de verovering van Ceylon, beginnen de Hollanders, onder commando van Rijckloff van Goens, een campagne tegen de Portugese vestigingen in India. Tuticorin, bij de zuidelijke tip van India, valt in 1658. Negapattinam, aan de Coromandelkust in 1660. Cannanore, op de Malabarkust, valt in 1662, gevolgd door Cranganore en Cochin in 1663.

Cornelis Speelman zal in 1667 Makassar, op het eiland Celebes veroveren. Het sultanaat Bantam, op Java, zal in 1682 worden geannexeerd. Dit is de laatste in de reeks van expansionistische veroveringen. Zij zullen daarna nog alleen in 1693 Pondicherry, de Franse vestiging aan de Coromandelkust, veroveren, maar zij zullen die in 1699 weer verliezen aan de Fransen.

1 Aan Jan Pieterszoon Coen zijn voorafgegaan: Pieter Both (1610-1614), Gerard Reynst (1614-1614) en Laurens Reael (1616-1619).

2 Tot de Banda archipel behoren nog ten minste vier kleine eilandjes: Nailakka bij Run; Karaka tussen Gunung Api en Banda Neira; Sjahrir of Pisang bij Lontor en Baru Kapal bij Sjahrir.

1.2 Dom Frei Luís de Brito, Nuno Álvares Botelho, en Dom Miguel de Noronha, conde de Linhares

x

Check Also

Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De Malediven. Expansie van het Império Português (1515-1521)

Deel 6 Index Hoofdstuk 7 Expansie van het Império Português (1515-1521) 7.1 De Malediven Geschreven door Arnold van ...

banner
Close
GDPR
EU laws require that we request your consent to the use of cookies. We use cookies to ensure that our site works properly. Some of our advertising partners also collect data and use cookies to publish personalized ads.




Subscribe to our YOUTUBE channel: