Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike
Torre de Belém, Lissabon, Portugal. Auteur Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

Capitão-geral Martim Afonso de Sousa (1542-1545). De Estado da India in de jaren 1538-1545

Deel 11 Index

Hoofdstuk 1.

De Estado da India in de jaren 1538-1545

1.4. Capitão-geral Martim Afonso de Sousa (1542-1545)

Geschreven door Arnold van Wickeren

De eerste maatregel van Martim Afonso de Sousa is, de uitrusting van de schepen in alle havens in Indië met grote spoed op peil te brengen. Hij verlaagt de soldij van de soldaten, een maatregel die tot veel gemor leidt. Desondanks slaagt hij erin een strijdmacht van 2.000 man op de been te brengen. Daarmee zeilt hij, in een vloot van 70 schepen van diverse afmetingen, naar Baticale (Bhatkal) aan de Canarakust. Het doel van deze expeditie is een zeker bedrag aan schatting van de koningin van die plaats te verkrijgen en haar te bestraffen voor het toelaten van piraten tot haar gebied. Bij aankomst in Baticale vraagt de gouverneur om de schatting en om uitlevering van de schepen van de piraten. De koningin onderneemt verschillende pogingen zich te verontschuldigen, in de hoop tijd te winnen, maar deze truc helpt haar niet. De gouverneur laat 1.200 man aan land gaan en deelt hen in in twee bataljons, het ene onder zijn eigen bevel en het andere onder leiding van Fernão de Sousa de Távora. Hij zendt schepen met weinig diepgang de rivier op, om de stad aan te vallen. De capitão-geral trekt met zijn bataljon door een dicht bos en stuit op vijandelijke troepen, die ondanks hun hevige tegenstand worden teruggedreven naar de stadspoorten die de Portugezen ’s nachts in bezit nemen. Als zij de volgende morgen de stad beginnen te plunderen, raken zij onderling slaags over de verdeling van de buit. Hun vijanden die het tumult gadeslaan vanaf een nabijgelegen heuvel, storten zich in groten getale op de twistenden, die in zulk een wanorde naar hun schepen vluchten dat verschillende soldaten verdrinken. De volgende morgen wordt een nieuwe aanval ingezet en uiteindelijk gaat de stad in vlammen op en worden de omliggende landerijen verwoest. Het gebied wordt dermate geterroriseerd, dat de koningin, niet in staat zich te verzetten, zich onderwerpt en de vrede moet kopen tegen een veel hogere prijs dan zij had moeten betalen als zij zich niet zou hebben verzet.

Hierna moet Martim Afonso het hoofd bieden aan serieuze moeilijkheden, omdat een groot aantal Portugezen ’s konings dienst wil verlaten, om zich als koopman te vestigen, hetgeen een grotere kans op winst en minder gevaar voor lijf en leven oplevert. Om dit tegen te gaan en daarbij rekening te houden dat in het douanekantoor van Malacca sprake is van fraude op grote schaal, bepaalt de gouverneur dat belasting die vreemdelingen in die haven moeten betalen, dient te worden verlaagd, om hun handel aan te moedigen, maar dat Portugese kooplieden juist meer belasting moeten gaan betalen. De eerste maatregel vormt, zoals te verwachten was, een geweldige stimulans voor de handel en doet de revenuen van de haven zeer stijgen, maar de tweede maatregel sorteert geen effect, omdat er talloze manieren voor de Portugezen zijn om de hogere belasting te ontwijken die zij, dat leidt geen twijfel, tot het uiterste hebben benut.

De schatting die de koning van Ormoez is opgelegd bedraagt bijna 100.000 ducaten per jaar. De vorst kan dit bedrag niet of nauwelijks opbrengen en hij heeft een betalingsachterstand van 500.000 ducaten. Nadat Martim Afonso de Sousa zich ervan heeft overtuigd dat de koning zijn opgelopen schuld echt niet kan betalen, gaat hij er in 1542 of 1543 mee akkoord alle vorderingen op hem te laten vallen, op voorwaarde dat de koning voortaan het totale bedrag van de door het douanekantoor ontvangen tollen1 en belastingen aan de Portugezen afstaat. De koning van Ormoez moet deze eis accepteren, gelet op zijn zwakke positie. In ruil voor de afdracht van de gehele ontvangst aan tollen en belastingen van het eiland Ormoez, laat de koning van Portugal alle uitstaande vorderingen op Ormoez vallen. Voorts staat Dom João III toe dat de koning van Ormoez jaarlijks 40 lecques, of 1.800 gouden xerafins per jaar besteedt aan uitgaven voor zijn kleding en 250 lecques of 9.036 gouden pardãos voor zijn huishoudelijke uitgaven. Voorts wordt bepaald dat de moorse ambtenaren van het douanekantoor hun functie behouden.

Tegen het einde van 1544 rust gouverneur-generaal Martim Afonso de Sousa een vloot uit van 45 schepen, die 3.000 soldaten en zeelieden aan boord heeft. Het doel van de voorgenomen expeditie, dat zo lang mogelijk geheim gehouden wordt, is de beroving van de Pagode van Tremele, twaalf léguas landinwaarts vanaf São Tomé de Meliapur, in het hindoe-koninkrijk Bisnaga (Vijayanagar). Het plan moet worden opgegeven, omdat het slechte weer de onderneming onmogelijk maakt.

Omdat in die tijd de schatkist van de Estado da India vrijwel leeg is, bedenkt Martim Afonso de Sousa een ander middel om aan geld te komen. Hij vertrekt op 12 augustus 1543, met een vloot van 36 schepen, uit Goa en zet koers naar Jaffna op Ceylon. De expeditie wordt van meet af aan door pech achtervolgd; stormen verspreiden de schepen over de Indische Oceaan en de gouverneur is blij met zijn schip beschutting te vinden bij Neduntivo, een eilandje voor de kust van Jaffna.2 Vandaar worden onderhandelingen geopend met Chaga Raja, de regerende vorst in Nallur, de hoofdstad van Jaffna. Er wordt zolang op hem ingepraat, dat hij tenslotte een overeenkomst sluit. Hij belooft daarin een jaarlijks tribuut van 5.000 xerafins en twee van slagtanden voorziene olifanten.3 Hem wordt bovendien gevraagd de schatting van twee jaar bij vooruitbetaling te voldoen. Aan de andere kant wordt het Chaja Raja toegestaan een groot aantal kanonnen, die hij heeft geborgen van Portugese schepen die schipbreuk hebben geleden, te behouden, mits hij de waarde daarvan betaalt. Als dit alles zijn beslag heeft gekregen, keert Martim Afonso naar Goa terug.

Martim Afonso begeeft zich in 1545 naar Tebelicate, bij Caleconlam, en plundert daar enige pagodes. Nadat hij in Goa is teruggekeerd, blijken er tijdens zijn afwezigheid vier schepen uit Portugal te zijn aangekomen. Aanvankelijk bestond de vloot uit vijf schepen, maar een daarvan heeft wegens een zware storm moeten terugkeren.

Sultan Mahmud III van Cambay is in 1545 de dood van zijn oom sultan Bahadur Shah, door toedoen van gouverneur-generaal Nuno da Cunha, nog niet vergeten en hij streeft ernaar Diu terug te winnen. Een van de artikelen van de met onderkoning Dom García de Noronha gesloten overeenkomst geeft de onderdanen van de sultan toestemming tussen Diu-stad en de Portugese vesting een muur te bouwen. De muur is al zo hoog opgetrokken dat deze Manuel de Sousa e Sepulveda, de capitão van Diu, ergert. Hij verdrijft daarom de lieden die met de bouw bezig zijn en haalt naar beneden wat zij al gebouwd hebben. De sultan is over dit optreden zeer verbolgen. Op instigatie van Coge Sofar, de belegeraar van Diu uit 1538, begint hij de naburige vorsten aan te sporen de Portugezen te verdrijven, niet alleen uit Diu, maar uit geheel Azië.

Als gevolg van dit gestook gaan zich complicaties in de omgeving van Goa voordoen, die de grootste aandacht van de gouverneur vergen. De Acede Khan, een machtig aanvoerder in Bijapur, koestert het voornemen de sultan van Bijapur, de Adil Khan, de af te zetten en diens broer Meale Khan de troon te doen bestijgen. Hij tracht hiervoor de steun te verwerven van Dom García de Castro, capitão van Goa, maar deze is daarover zeer verontwaardigd. De Acede Khan stelt daarop alles in het werk de capitão-geral aan zijn kant te krijgen en wel door vrijgevig aanbiedingen te doen. Martim Afonso de Sousa let er minder op welke partij in Bijapur het recht aan zijn kant heeft, dan welke partij bereid is voor zijn steun de Kroon van Portugal het grootste voordeel te verschaffen. Vooralsnog neigt hij ertoe de zijde van de Acede Khan te kiezen, die hem het koninkrijk Konkan, waarvan de opbrengst meer dan een miljoen is, aanbiedt. Hij treft voorbereidingen Meale Khan met militaire middelen te steunen. Op verzoek van Pero de Faria, die hem uitlegt hoe onrechtvaardig deze steun zou zijn, verandert Martim Afonso zijn bedoelingen en sluit hij Meale Khan op. Kort daarna sterft de Acede Khan, de promotor van de intrige, maar dit weerhoudt de Adil Khan er niet van wraak te nemen op degenen die in zijn complot betrokken zijn geweest. Hij daalt met een sterk leger de Ghats af en na de rebellie te hebben neergeslagen, herovert hij voor hemzelf het koninkrijk Konkan.

Omdat hij vreest dat er opnieuw een complot tegen hem zal worden gesmeed, biedt de Adil Khan Martim Afonso de Sousa aan de landstreken Bardez en Salcete aan de Portugezen over te dragen, tegen de uitlevering van Meale Khan. Martim Afonso wil echter niet zo verradelijk handelen tegenover een man wiens zaak hij kort daarvoor van plan is geweest te ondersteunen. Hij belooft daarom, op voorwaarde dat Bardez en Salcete aan hem worden overgedragen, Meale Khan te verbannen naar een gebied waar hij de Adil Khan niet meer tot last kan zijn. Deze gaat daarmee akkoord en na zijn deel van de overeenkomst te hebben vervuld door Bardez en Salcete aan de Portugezen over te dragen, zendt Martim Afonso Maele Khan naar Cannanore, maar korte tijd later brengt hij hem openlijk terug naar Goa. De Adil Khan heeft niet alleen Bardez en Salcete overgedragen aan de Kroon van Portugal, maar hij geeft Martim Afonso ook een deel van de door de Acede Khan verzamelde gelden die bestemd waren om zijn rebellie te financieren. Het zou gaan om een bedrag van tien miljoen ducaten, waarvan één miljoen in de handen van Martim Afonso terechtkomt. Volgens enige bronnen zou hij de helft hiervan voor eigen gebruik naar Portugal gezonden hebben, maar andere beweren met nadruk dat het geld voor een groot deel in de publieke sector van de Estado da India is aangewend, naast hetgeen aan de koning in Portugal is gezonden.

Als de Adil Khan bemerkt dat hij is bedrogen, zet hij Martim Afonso onder druk om zijn deel van de afspraak na te komen en Meale Khan weg te zenden, of datgene terug te geven dat hem op die voorwaarde is overhandigd. De gouverneur tracht tijd te winnen en zendt João Fernandez de Negreiros als ambassadeur naar de Adil Khan, om met hem over de kwestie te onderhandelen. De Adil Khan arresteert de ambassadeur en alle Portugezen die hem vergezellen en sluit hen op in de gevangenis. Hij houdt hen achter als gijzelaars, totdat de afspraak ook van Portugese zijde geheel zal zijn nagekomen. Martim Afonso is dus wel gedwongen zich te schikken; hij geeft de verzekering dat hij Meale Khan naar Malacca zal zenden, zodra het seizoen dit toelaat.

Het bezit van Bardez, ten noorden van Ilhas en van Salcete, ten zuiden daarvan, is voor de Portugezen van groot belang, omdat hun schepen, zeilend over de Mandovi of de Zuari, op weg van of naar Goa, niet meer aan een zijde van de rivier langs vijandelijk gebied behoeven te varen. De overdracht door Bijapur van Bardez en Salcete valt in hetzelfde jaar (1543) als de mislukte invasie van Bijapur in Vijayanagar. Het is niet duidelijk of de nederlaag die Vijayanagar de Adil Khan heeft toegebracht, ertoe heeft geleid dat deze geen weerstand kan bieden aan de druk van capitão-geral Martim Afonso de Sousa en de zijnen om Bardez en Salcete af te staan, danwel dat de Adil Khan deze gebieden overgedraagt om zich rugdekking te verschaffen voordat hij opnieuw tegen Vijayanagar ten strijde trekt. De aanval van 1543 van Bijapur op Vijayanagar is de zoveelste in een lange reeks. Aan het einde van Krishsna Deva’s regeringsperiode (1509-1529) heeft Isma’il Adil Shah (1510-1534) willen profiteren van opstanden in Vijayanagar. In de jaren dertig lokken interne problemen in dat land aanvallen uit van verschillende moslimstaten; niet alleen van Bijapur, maar ook van Golconda en Orissa. De heerser van Vijayanagar, Achyuta Deva Raya (1529-1542), door de Portugese schrijver Alvar Núñez Cabeza de Vaca een zeer losbandig levend vorst genoemd, rekent echter met al zijn vijanden af. De Portugezen en Rama Raya de feitelijke machthebber in Vijayanagar, sluiten in 1547 een verdrag. Aanleiding hiertoe is de schade die de zich uitbreidende Portugese steunpunten aan de kust van Malabar de laatste jaren berokkenen aan de handel van de inheemsen. Het verdrag zal in 1558 verbroken worden als Rama Raya van de Portugezen schadevergoeding eist voor de door hen verwoeste hindoetempels. Het jaartal 1558 maakt het weinig waarschijnlijk dat al in 1540 sprake zou zijn geweest van systematische verwoesting van hindoetempels, zoals Panikkar beweert.

In Indië zijn de kanonnen van koper. Aangezien de Portugezen koper voor specerijen geven, voorzien zij hun eventuele vijanden daarmee van wapens en voeden daarmee de droom van de moslims het Portugese juk te kunnen afschudden. Het beleg van Diu van 1538 heeft aangetoond welk gevaar de Estado da India loopt. De expeditie van Dom Estêvão da Gama naar de Rode Zee van 1541 heeft de Turkse dreiging niet weggenomen. Sher Shah (1540-1545) heeft het mogolrijk van Delhi zijn glans hergeven. Aleixo de Sousa, de voornaamste Vedor da Fazenda tijdens het gouverneurschap van Martim Afonso, legt de gouverneur een plan voor dat moet verhinderen dat de ongelovigen Portugees koper in handen krijgen. Martim Afonso stemt met het plan in. Hij sluit eerst nieuwe contracten met de koningen van Malabar voor de aankoop van peper, waarbij zij erin toestemmen voortaan goud en zilver te aanvaarden in plaats van koper. Er wordt een vaste prijs afgesproken van 12 pardãos per quintal peper. Dan verbiedt hij de levering van koper aan de ongelovigen. Vervolgens wordt een monetaire hervorming doorgevoerd, waarbij koperen bazarucos worden geslagen. Voor de aanbieders van koper is het profijtelijker dit metaal te doen aanmunten dan het aan de ongelovigen te verkopen.

De gouverneur-generaal is op 1 september 1545 doende met de retourvloot naar Portugal te laden, als er zes schepen uit Portugal in Goa arriveren. Een daarvan, de São Tomé, brengt Dom João de Castro, die Martim Afonso de Sousa als gouverneur van Indië moet opvolgen. Martim Afonso de Sousa, de twaalfde gouverneur van de Estado da India, heeft zijn ambt drie jaar en vier maanden bekleed. Hij is weinig gelukkig geweest met zijn positie, en wil maar al te graag zijn ambt neerleggen, als hij om zich heen alle corruptie en oneerlijkheid ziet. Bij een gelegenheid heeft hij opgemerkt dat hij Indië niet durft te besturen, omdat de mensen daar zo ver zijn afgedwaald van de waarheid en van hun eer. Hij heeft zelfs gezworen de brieven, waarin zijn opvolging is geregeld in het geval hij plotseling zou komen te overlijden, te openen en af te treden en het bestuur te zullen overdragen aan degenen die daarin zou worden genoemd, als zijn opvolger niet spoedig aankomt.

De nieuwe gouverneur krijgt bij aankomst in Goa, terwijl hij zich nog aan boord van zijn schip bevindt, bezoek van een zekere Luco, die koper exporteert naar moslim- en hindoegebieden. Luco bepleit de invoering van de koperen bazaruco, een maatregel van de oude Vedor da Fazenda, met vijf dagen uit te stellen, opdat hij een commerciële operatie die hem veel winst oplevert, kan realiseren. Als Dom João de Castro aan land komt blijkt de overdracht van de macht gepaard te gaan met grote onrust in de stad. Kooplieden sluiten hun winkels, handwerkers hun ateliers en de stad wordt niet meer bevoorraad. De franciscanen aan wie Dom João advies vraagt, beschrijven hem de ellende van de bevolking; arm en rijk lijden onder het gebrek aan levensmiddelen. Zelfs ‘pessoas honrades’ zijn gedwongen brood te laten halen bij de kloosters die daardoor geen brood meer kunnen uitdelen aan bedelaars? De prijzen zijn al verdubbeld en stijgen verder. De ‘Misericordia’ vraagt de nieuwe gouverneur om meer geld om de zieken in haar hospitaal te kunnen voeden. Als Dom João de oude Vedor da Fazenda, Aleixo de Sousa, die de ‘mudanca de moeda,’ heeft ingevoerd, om uitleg vraagt, krijgt hij een heel ander verhaal te horen. De Câmara van Goa verzoekt Dom João de Castro, uit naam van heel de stad, de bazarucos om te smelten en nieuwe zwaardere munten, dus met een hogere intrinsieke waarde, te slaan. De gouverneur stemt hiermee in, ofschoon dit de Estado da India jaarlijks een verlies van 30.000 pardãos bezorgt. De vertrekkende gouverneur, Martim Afonso de Sousa, en de oude Vedor da Fazenda Aleixo de Sousa reageren op de maatregel met een technisch rapport vol ironie. Dom João de Castro’s antwoordt met beschuldigingen en geeft er blijk van dat hij niet competent is in monetaire zaken. Hij gelast de arrestatie van Aleixo de Sousa en de confiscatie van zijn bezittingen, maar deze wijkt tijdig uit naar Portugal en Martim Afonso de Sousa, die gebrouilleerd is met zijn opvolger, stapt ook op een schip naar het vaderland. Hij heeft een goudschat bij zich van 320.000 pardãos (240.000 cruzados), zijnde het bedrag waarmee de inkomsten de uitgaven van de Estado da India, tijdens zijn ambtstermijn hebben overtroffen. In Lissabon legt hij rekening en verantwoording af aan de Casa da India en draagt de 320.000 pardãos aan deze instantie af.

1 Ieder schip dat opweg is naar de Perzische Golf moet in Ormoez tol betalen; Afrikaanse schepen naar de Golf betalen tol in Muscat

2 De Portugezen zullen het eilandje later Das Vacas noemen en de Hollanders geven het de nam Delft.

3 Aldus Pieris; Danvers vermeldt 4.000 ducaten.

De Estado da India in de jaren 1545-1558 2.0. Capitão-geral, later vice rei, Dom João de Castro (1545-1548)

x

Check Also

Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De Malediven. Expansie van het Império Português (1515-1521)

Deel 6 Index Hoofdstuk 7 Expansie van het Império Português (1515-1521) 7.1 De Malediven Geschreven door Arnold van ...

banner
Close
Stay informed about Colonial Voyage