Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike
Torre de Belém, Lissabon, Portugal. Auteur Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De Specerijeneilanden in het begin van de 16e eeuw

Deel 5 Index

Hoofdstuk 4

De Molukken en de Banda-eilanden

4.1 De Specerijeneilanden in het begin van de 16e eeuw

Geschreven door Arnold van Wickeren

Tegenwoordig worden alle eilanden en groepen van eilanden tussen Sulawesi (Celebes) en Nieuw-Guinea tot de Molukken ge­rekend. Al deze eilanden zijn van vulkanische oorsprong. Zij zijn

zeer vruchtbaar en op vele eilanden groeit de sagopalm. De gemakkelijk verkrijgbare sago vormt het volksvoedsel, dat wordt aangevuld met gevogelte. De Portugezen verstaan In de 16e eeuw onder de Ilhas das Especiarias slechts twee kleine groepen eilanden: de Banda-eilanden, enige kleine eilandjes ten zuiden van Ceram, en de eigenlijke Molucas, zijnde de ten westen van Halmahera gelegen eilanden Tidore, Ternate, Makian, Motir, Mareh en Hiri. Op deze eilanden groeien op de vulkaanhellingen kruidnagelbomen. Soms werd het grote eiland Batjan in die tijd ook tot de Molukken gerekend, omdat dit eiland jaarlijks 500 bahar kruidnagelen voortbrengt. Hetzelfde geldt voor de omge­ving van Gilolo, aan de westkust van Halmahera, waar sinds kort kruidnagelplantages zijn aangelegd. Tidore, het grootste eiland van de Molukken, heeft een oppervlakte van 116 km²; Ternate is 10 km² kleiner; Makian is half zo groot als Tidore; de oppervlakte van Motir is ongeveer 30 procent van die van Makian. Mareh en Hiri zijn nog veel kleiner. Tenslotte is het eilandje Maitara van belang; het is strategisch gelegen in de één mijl brede zeestraat tussen Ternate en zijn eeuwige rivaal Tidore. Tomé Pires schat de kruidnagelopbrengst van alle eilanden samen op 6.000 bahar per jaar en die van Tidore, Makian en Motir op 1.400, 1.500 en 1.200 bahar.

Als de Portugezen de Molukken bereiken heersen daar vier vor­sten: Aanvankelijk is de heerser van Gigolo de kolano moloco (koning van de Molukken), later is deze titel overgegaan op de koning van Ternate, terwijl de koning van Gigolo, die zijn vazal is geworden, het moet stellen met de titel djkomo kolano, dat wil zeggen: koning van de bocht (in Halmahera’s kustlijn). De koning van Tidore is de kiema kolano (bergkoning) en de koning van Batjan siert zich met de naam kolano madehe, oftewel, koning aan het einde (van de Molukken). De Maleise en Javaanse afne­mers van kruidnagelen halen deze specerij in de Molukken op, omdat de Molukse vorsten niet over handelsschepen beschik­ken. Zij hebben alleen coro-cora’s, grote oorlogsprauwen met outriggers, elk bemand met honderd krijgers. Daarmee bestrijden zij elkaar en houden hun vazallen onder de duim. Ternate, dat over de meeste cora-cora’s beschikt, heeft zijn macht naar het noorden, westen en zuiden uitgebreid. Aan de kolano moloco zijn onderworpen: Ternate, Hiri, de helft van Motir, en groot deel van Halmahera, het eiland Morotai, ten noorden daarvan, waarop Tidore ook aanspraak maakt, de oost- en noordkust van Celebes en de eilanden ten noordoosten en ten oosten daarvan, waar­onder Buru, de Ambon-groep en een groot deel van Ceram. Bovendien zijn de Bandanezen gehouden de kruidnagelen die zij in de Molukken komen halen, om deze op Banda door te verkopen, te betrekken van producenten op Ternate. De invloed van de sultan van Ternate zal zich in de 16e eeuw uitbreiden tot het zuiden van Mindanao en tot een aantal Kleine Soenda-eilanden. Ternate zal in die eeuw ook het kruidnagel-eiland Makian van Tidore verwerven. De vorst van Tidore heerst in het begin van de 16e eeuw ook over: Mareh, de helft van Motir, Makian, de oostkust van Halmahera, het oosten van Ceram, het westen van Nieuw-Guinea en over de eilanden tussen Nieuw-Guinea en Halmahera. De vorst van Batjen heerst over dit grote eiland en over de daarbij gelegen Obi-eilanden.

De Banda-eilanden produceren muskaatnoten en foelie, zijnde de bloesems van deze notenbomen. De twee belangrijkste eilan­den van de Archipel en de enige met havens zijn Banda (Lontor) en Neira. Het zijn markten en stapelplaatsen voor kruidnagelen, die de Bandanezen halen op Ternate en Batjen en in Gilolo. De Maleise en Javaanse kooplieden betalen voor een bahar foelie evenveel als voor zeven bahar muskaatnoten en vaak wordt foelie alleen in combinatie met muskaatnoten verkocht. De prijs van kruidnagelen is in het begin van de 16e eeuw gelijk aan die van foelie en bedraagt 3 à 3,5 cruzados. Omdat Banda nauwe-lijks voedsel voortbrengt, hetgeen overigens ten koste zou gaan van specerijen, moet de Archipel bijna alle voedsel importeren. Sago wordt, in ruil voor kleding, betrokken van de Aroe- en Kai-eilanden. Rijst en andere voedingsmiddelen worden in Banda aangevoerd door Javaanse en Maleise kooplieden, de kopers van specerijen. Naast sago betrekken de Bandanezen van de Aroe- en Kai-eilanden goud en gedroogde papegaaien en para-dijsvogels. Deze goederen worden betaald met textielproducten uit Bengalen. De vogelveren komen uiteindelijk terecht in Perzië en Turkije, waar zij dienen om de hoofdtooi te verfraaien. Banda importeert, naast door kleine handelaren aangevoerde goedkope kleding van Soembawa en textiel uit Bengalen, ook kostbare kleding uit West-Azië. Deze wordt betrokken van de groothandel uit Gresik. De Bandanezen (en Molukkers), laten hun specerijen ook betalen met luxegoederen, als kostbare kleding, koperen gongs, ivoor en fijn porselein. Anders dan de Molukkers, bren­gen de Bandanezen zelf specerijen naar Malacca. Zij zijn echter geen goede zeelui; hun schepen hebben houten ankers en worden meestal bemand door slaven, die bij het minste geringste gevaar zwemmend de kust trachten te bereiken. Bij aanvallen van buiten af, trekken de Bandanezen zich met hun bezittingen terug in een versterkt dorp in de bergen. Ten tijde van Pires zijn de kustbewoners van Banda al dertig jaar bekeerd tot de islam en hebben de mullahs aanzienlijke politieke invloed.

De Molukken zijn eerder dan de Banda met de islam in aanra­king gekomen. Slechts de vorsten en zij die direct contact heb-ben met Javaanse en Maleise islamitische handelaren, hebben het nieuwe geloof aanvaard. Zij zijn echter geen fanatieke mos­lims. De islam is op Ternate het meest aangeslagen; op Makian zijn veel minder moslims en de Tidorezen zijn nog heidenen, of­schoon de koning van Tidore moslim is geworden. Makian heeft de beste haven van heel de Molukken; bij Ternate kunnen hooguit twee of drie schepen ankeren en de haven van Tidore kan niet door zeeschepen worden aangedaan. Ternate betrekt voedsel van Motir en ijzeren bijlen, zwaarder en messen van de Banggai-eilanden. Van elders betrekt het eiland enig goud, ivoor, goedkope kleding en gedroogde papegaaien. Afgezien van Motir en in mindere mate Tidore en Makian, brengen de Molukken geen voedsel voort. De Molukkers moeten hun gehele oogst aan kruidnagelen afstaan om zich te kunnen voeden en kleden. Al­leen een kleine bovenlaag is welvarend en kan zich luxegoede­ren permitteren. Chinese kooplieden, die nooit Ambon, Ceram en Banda hebben aangedaan, zijn na de 14e eeuw ook niet meer in de Molukken gezien. Wel hebben zich Chinezen uit de Filippijnen op de Eilanden gevestigd. Het zijn tolken en taxateurs.

Er hebben zich in de Molukken, de Banda-archipel en op Ambon en Ceram ook veel Maleise en Javaanse Hindoe-kolonisten gevestigd. Zij wonen meestal aan de kust en de oorspronkelijke bewoners, de Alfuren, hebben zich, voor zover zij zich niet vermengd hebben met de nieuwkomers, veelal in het binnenland teruggetrokken. Het zijn vooral de kustbewoners die in de 15e en 16e eeuw overgaan tot de islam. De koning van Ternate is de eerste Molukse vorst die – vermoe­delijk in 1495 – het nieuwe geloof omhelst. Hij heeft zich daartoe naar Gresik begeven. Deze stad, in de nabijheid waarvan in 1415 de eerste Wali van Java, Malik Ibrahim, is begraven, is in de 15e eeuw uitgegroeid tot een belangrijk centrum van islamitische cultuur. In dit spirituele cen­trum heeft de vorst zich in de nieuwe leer te laten onderrichten. Zijn voorbeeld is spoedig gevolgd door de koning van Tidore en andere vorsten. Met de komst van de Portugezen begint een eeuwenlang proces van kerstening. Rond 1600 zullen er aan de kusten van Ceram, maar ook elders, bijvoorbeeld op Ambon en op de Banda-eilanden, moslims, christenen en heidenen wonen, hetgeen tot veel spanningen tussen deze groepen zal leiden.

4.2 De Specerijen eilanden bereikt.

x

Check Also

Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

Ceylon. Expansie van het Império Português (1515-1521)

Deel 6 Index Hoofdstuk 7 Expansie van het Império Português (1515-1521) 7.2 Ceylon Geschreven door Arnold van ...

banner
Close
Stay informed about Colonial Voyage