Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike
Torre de Belém, Lissabon, Portugal. Auteur Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

Vice-rei Dom Francisco da Gama (1597-1600). De komst van Hollanders en Engelsen naar Indië

Deel 15 Index

Hoofdstuk 3.

De komst van Hollanders en Engelsen naar Indië

3.0. Vice-rei Dom Francisco da Gama (1597-1600)

Geschreven door Arnold van Wickeren

Dom Francisco da Gama, conde de Vidigueyra, neemt direct na zijn aankomst in Goa in mei 1597 het ambt van onderkoning op zich. Vanaf het begin slaat de nieuwe gouverneur tegenover anderen zo’n hoge toon aan en hij gedraagt zich in het algemeen zo aanmatigend dat hij in korte tijd buitengewoon onpopulair is. Dom Francisco is vooral gehaat omdat hij zonder daarover van wie dan ook advies te vragen zijn eigen mensen op hoge ambtelijke posten benoemt. Hij staat hun toe hoge functies te bekleden, mits zij daarvoor geld op tafel leggen. Dus, in plaats van dat hij zich wendt tot mensen die door lange en efficiënte dienstverlening de gerechtvaardigde verwachting koesteren te worden bevorderd, vallen de begeerde functies in handen van volslagen onwaardige personen. Het valt niet te verwachten dat deze stand van zaken lang kan duren en de klachten klinken op het laatst zo luid dat Dom Francisco zich daarvoor niet langer doof kan houden. Nadat hij zich in de materie heeft verdiept, rectificeert hij de misbruiken door de kopers van ambten terug te geven wat zij voor hun functies hebben betaald en deze ambten te verlenen aan bekwamere mensen. In 1597 bouwt de Goanese engenheiro en architect Julio Simão, in opdracht van vice-rei Dom Francisco da Gama, de Arco dos Vice Reis, waarop deze kleinzoon van Vasco da Gama in 1599 een standbeeld van zijn grootvader heeft laten plaatsen.1

Catula, de koning van Orissa, heeft een bepaalde beroemde pagode die aan de Patanis behoort, ontwijd en geplunderd. De Patanis komen onverwachts in opstand, vallen hem aan en doden zijn zoon en 2.000 van zijn mannen. De Grootmogol zendt daarop Manasinza met een leger van 35.000 ruiters, 80.000 man voetvolk en met een groot aantal olifanten, uitgerust met kastelen en ander oorlogstuig. Deze strijdmacht dient de Patanis te onderwerpen. In Jassalor vallen alle inwoners, ongeveer 6.000 in getal, furieus over de vijand heen en aanvankelijk doden zij er velen, maar tenslotte geeft de numerieke overmacht van de vijand de doorslag en vinden bijna alle moedige inwoners van Jassalor de dood. De vijand dringt tenslotte Jassalor binnen, plundert de stad, waarna de rest van de Patanis zich onderwerpt aan de Mogols. Manazinza marcheert dan op tegen Orissa en Catula die niet in de positie verkeert zich tegen Manasinza te verzetten, biedt vrijwillig zijn onderwerping aan de Mogols aan. Nadat in 1597 een langdurige oorlog op Ceylon is geëindigd, waarvoor verwezen wordt naar een volgend deel, moet de graaf van Vidigueyra een ander probleem onder ogen zien en wel de komst van Hollandse schepen naar de Indische Archipel. Alvorens daaraan aandacht te schenken, dienen we stil te staan bij de politieke situatie in Europa in die tijd. Daarvoor wordt verwezen naar de volgende paragraaf.

Zoals gebruikelijk rust Dom Francisco da Gama, spoedig nadat hij het ambt van vice-rei op zich heeft genomen, twee eskaders uit. Een daarvan zendt hij uit naar de kust van Malabar en de andere vertrekt naar het noorden. De noodzaak daartoe is in belangrijke mate vergroot als uitvloeisel van de activiteiten van de piraat Kunhale Marakkayar, die, met de geheime instemming van de zamorin, ermee doorgaat de scheepvaart in deze zeeën aan te tasten. Het eskader bestemd voor de Malabarkust wordt geplaatst onder het bevel van Dom Luíz da Gama, broer van de onderkoning, en bestaat uit vijf galeien en 36 andere schepen, waarin zich bijna 2.000 zorgvuldig gekozen mannen bevinden. De vloot koerst langs de kust, waarbij zij plaatsen behorend aan de zamorin aanvalt en verwoest, uit wraak voor de verliezen die Kunhale heeft toegebracht aan Portugese schepen en om de zamorin ertoe te dwingen mee te helpen de piraat te vernietigen. Het eskader voor het noorden bestaat uit tien schepen, onder bevel van Luíz da Silva. Hij zeilt eerst naar het eiland Sangenes, dat een gebruikelijk toevluchtsoord is voor vaartuigen van piraten, maar als hij daar geen enkele piraat vindt, gaat hij daar met zijn mannen aan land en verwoest het eiland om de bevolking daarvan te straffen, omdat zij de piraten toestaat daar te ankeren. In de Rio Chapora treft Luíz da Silva vier paraos aan die toebehoren aan deze piraten. Hij neemt twee van deze vaartuigen en hij brengt een ander met zijn kanonnen tot zinken; veel bemanningsleden worden gedood, maar verschillende anderen vluchten het land op en van hen worden 200 man gevangengenomen en onthoofd. Hun hoofden worden aan de monding van de rivier opgezet als een waarschuwing aan anderen. Bij Chaul neemt Luíz da Silva een galjoot en verderop verovert hij een galei, waarin zich een neef van Kunhale Marakkayar bevindt. Van zijn manschappen worden er 200 gevangengenomen, van wie er 100 worden gedood, zonder dat aan Portugese kant doden te betreuren zijn. Volgens Danvers verschijnen in 1597 “twee Hollandse2 schepen die zijn doorgedrongen in de Oosterse zeeën, aan de Malabarkust. Zij richten daar en aan andere plaatsen enige lichte schade aan.”

De Kunhale, aangemoedigd doordat de zamorin hem toestaat straffeloos de schandelijke daden te begaan, waarmee hij zichzelf in hoge mate verrijkt, begint zich hoe langer hoe meer onafhankelijk op te stellen en hij noemt zichzelf ”Koning van de Moren van Malabar” en “Heer van de Indische zeeën. Deze betitelingen moeten de trots van de zamorin mateloos gekrenkt hebben, maar de Kunhale geeft spoedig een bewijs van zijn minachting voor degene wiens titels hij zo arrogant heeft aangenomen. Door de staart van een van zijn olifanten af te laten snijden en door een van zijn nairs zwaar te beledigen. De Portugezen laten er geen gras over groeien om de situatie uit te buiten en zij zetten de zamorin opnieuw onder druk om een overeenkomst met hen aan te gaan om de macht van de Kunhale te breken. Deze keer hebben zij meer succes en een verdrag over een gezamenlijke actie tegen de piraat is, zoals gezegd, aangegaan door Dom Álvaro de Abranchez, op instigatie van de Matias de Albuquerque. De tijd is nu aangebroken waarop Dom Francisco da Gama de artikelen van deze overeenkomst in werking stelt. De toestand van Kunhales fort is bewonderenswaardig aangepast aan de verdediging; het ligt namelijk bijna op de punt van een schiereiland, dat gevormd wordt door een bocht in de rivier Pudepatan (Kotta-rivier). In de drempel van deze rivier is een smalle kreek die naar het zuiden loopt, waar alleen maar lange vaartuigen tot de helft van hun lengte kunnen doordringen. De isthmus waarop het fort staat wordt aan de landzijde beschermd door een sterke muur, die zich uitstrekt van de kreek tot de rivier. De Kunhale heeft een grote voorraad levensmiddelen aangelegd en heeft alle mogelijke maatregelen genomen om de aanval die hij verwacht, te weerstaan. Zijn garnizoen bestaat uit 1.500 moren, allen uitgelezen en goedbewapende mannen, die hij heeft gelegerd op bepaalde punten van zijn verdedigingslijn. De kleine vaartuigen van de vloot nemen eerst positie in aan de monding van de rivier en zij vallen het fort aan met hun kanonnen met het oogmerk de verdedigers bezig te houden, zodat zij niet slaags raken met de troepen van de zamorin, terwijl deze hun posities innemen aan de landzijde van de fortificaties. Tezelfdertijd controleert Dom Ferdinão de Noronha de kust, om aanvoer van levensmiddelen of andere hulp voor het fort te verhinderen. Kort na het begin van de aanval, arriveert het eskader van Dom Luíz da Gama, dat bestaat uit vier galeien en 35 kleinere schepen. Deze vloot wordt vergezeld door tien vaartuigen die door particulieren zijn uitgerust op hun eigen kosten. Ook arriveren er drie andere schepen; zij zijn geladen met manschappen en ammunitie, die zijn gezonden door de stad Cochin, naast twee grote barken met grote kanonnen om het fort te bombarderen. De koning van Cochin, de kalpathi, altijd bang dat een toenadering tussen de Portugezen en de zamorin, tegen zijn belangen indruist, speelt een gemeen spel. Hij brengt het gerucht in omloop en draagt er zorg voor dat de Portugese commandanten dit vernemen, dat de zamorin een geheime afspraak met de Kunhale heeft gemaakt, die inhoud, dat zodra de Portugezen tot de aanval overgaan, de zamorin en de Kunhale zich gezamenlijk op hen zullen storten. Dit bericht faalt, evenwel, het beoogde effect te sorteren; want, terwijl het bericht niet wordt geloofd, leidt het gerucht ertoe dat de Portugese commandanten extra zorgvuldig te werk gaan. Zodra de gehele vloot zich tegenover het fort van Kunhale, heeft verzameld, wordt ontdekt dat, boven op alle al genoemde verdedigingswerken, een aaneengesloten rij naast elkaar varende galjoten de rivier voor het fort komt afdrijven, om een aanval van die kant te voorkomen. Er wordt, voorafgaand aan een algemene aanval, krijgsraad gehouden. Er wordt besloten dat de schepen in een linie de rivier op zullen zeilen, met het achterschip naar de kust, zodat de schepen de manschappen bij een aanval maximaal bescherming kunnen bieden. Voordat dit plan wordt uitgevoerd, wordt het eerst naar Goa gezonden, om de toestemming van de onderkoning te verkrijgen, en hij, instemmend met het aanvalsplan, zendt zijn broer opdracht dat het plan correct wordt uitgevoerd. Dom Luíz da Gama, evenwel, die overreed is door enige van zijn officieren, acht het gepast deze opdracht niet te gehoorzamen, en, onder het voorwendsel dat het oversteken van de rivierdrempel gepaard zal gaan met groot gevaar en wellicht tevens fataal zal blijken te zijn voor het succes van de gehele expeditie, onderneemt hij een aanval vanaf de kant van Ariole. Aan deze ongehoorzaamheid aan de opdracht is het falen van de gehele aanval hoofdzakelijk toe te rekenen. De zamorin, die de stad van de andere kant aanvalt, verzoekt om enige Portugezen ter assistentie naar hem te zenden, waarop Dom Luíz da Gama, denkende aan het gerucht dat eerder is vermeld, aarzelt aan dit verzoek te voldoen, tenzij in ruil gijzelaars worden gestuurd. Dit verzoek wordt direct door de zamorin gehonoreerd; hij zendt zes mannen van hoog aanzien, onder wie de prinsen van Tanur, Chalè en Carmene en de opperrechter van Calicut, waarop 300 Portugezen, onder bevel van Belchior Ferreira, tot zijn beschikking worden gesteld. Op de avond van de 3e mei 1598, gaan Portugese troepen aan land; als eerste gaat Luíz da Silva, met 600 man, onder wie major Dom António de Leyva. Het signaal voor beide legers met de aanval te beginnen, die is voorzien voor middernacht, is een brandende lans en de persoon die het signaal zal geven is Belchior Calaca. Hij, evenwel, zich vergissend in het afgesproken uur, geeft het signaal te vroeg, met het gevolg dat aanzienlijke verwarring ontstaat. Belchior Ferreira, die aan de kant van de zamorin strijdt, zet de aanval in met zijn 300 Portugezen en 5.000 nairs zodra hij de vlam ziet, maar hij wordt teruggeslagen met een verlies van 28 man. Luíz da Silva, die tegelijkertijd in de aanval zou gaan, beweegt zijn manschappen niet, omdat het afgesproken uur nog lang niet is aangebroken, hoewel hij paraat is en het signaal heeft gezien. Het geheel van arrangementen voor de aanval wordt derhalve danig gefrustreerd. Tegen de morgen besluit Luíz da Silva de plaats aan te vallen met de troepen onder zijn commando, maar zonder eerst zijn bedoeling af te spreken met Belchior Ferreira, en zich te verzekeren van de coöperatie van de strijdkrachten van de zamorin. Bijgevolg steekt hij de kreek van Balyçupe over met 500 man in 60 almadias. Benedict Correa, die als eerste aan land gaat, wordt onmiddellijk neergeschoten; Luíz da Silva, die volgt, wordt ook gedood, waarop het commando overgaat op Dom Francisco Pereira, die spoedig sneuvelt en die wordt opgevolgd door major Leyva. Zijn naam, evenals de namen van veel andere fidalgos, worden spoedig bijgeschreven op de lijst van gesneuvelden en de Portugese strijdkrachten worden korte tijd later verslagen en in zulk een verwarring gebracht dat 153 van hen deserteren en op de vlucht slaan. Het is nu duidelijk dat Dom Luíz da Gama een fatale fout heeft gemaakt door geen acht te slaan op zijn opdracht, aangezien hij, vanuit de door hem, in strijd met zijn opdracht, ingenomen positie niet in staat is de noodzakelijke ondersteuning aan de aanvallende partij te geven, omdat hij zijn vaartuigen aan de andere kant van het fort heeft liggen. Omdat hij niet over boten beschikt van waaruit hij zou kunnen landen, springt hij in het water en waadt naar de kant, zijn mannen oproepende hem te volgen. In deze poging aan land te komen, verliezen 300 man hun leven, waarbij de meeste van hen verdrinken; en ofschoon zij niet bij machte zijn Luíz da Silva’s manschappen te behoeden voor een nederlaag, wreken zij in zekere zin zijn dood door de stad binnen te dringen en voor een deel in brand steken, met inbegrip van de moskee en zij doden 500 moren en Malabaren, onder wie 40 man van aanzien. Hierna keren zij terug naar hun schepen. De aanval op Kunhale is dus van alle kanten mislukt, Dom Luíz da Gama keert terug naar Cochin, terwijl hij Dom Francisco de Sousa achterlaat om de ingang tot de rivier te bewaken. De laatste zet de zamorin onder druk om een andere aanval op de stad te wagen, waarbij Dom Francisco betoogt dat de laatste slachtpartij Kunhales strijdkrachten zozeer verzwakt heeft dat de stad gemakkelijk kan worden genomen. Er wordt een nieuwe aanval ingezet met 10.000 man, maar deze wordt eveneens afgeslagen. Als in Goa het nieuws wordt ontvangen over het afslaan van de tweede aanval, wordt Dom Luíz da Gama teruggezonden om met de zamorin af te spreken het beleg van Kunhale niet op te heffen, maar zijn positie voor de stad gedurende de winter te handhaven totdat de Portugese vloot volgend voorjaar kan terugkeren om de aanval te hervatten. Er wordt vervolgens zo’n overeenkomst gesloten, waarna Dom Luíz da Gama besluit Dom Ferdinão de Noronha met twaalf schepen achter te laten, om te verhinderen dat Kunhale vanuit zee bevoorraad wordt. Als Dom Luíz da Gama weer in Goa is teruggekeerd, wordt een beschuldiging tegen hem ingediend in verband met het mislukken van de aanval op Kunhale en hij wordt voor de rechter gebracht, maar vrijgesproken. Hierna wordt Dom Luíz da Gama naar Ormoez gezonden, omdat hij voor zijn vertrek uit Lissabon door de koning tot capitão van Ormoez is benoemd.

In het volgende jaar, 1599, richt de onderkoning wederom zijn aandacht op de oorlog tegen Kunhale, zodra hij de retourvloot van dat jaar en de gebruikelijke eskaders heeft doen vertrekken. Kunhale heeft zich, nadat hij de in 1598 tegen hem uitgezonden expeditie een nederlaag heeft toegebracht, bovendien getooid met de titels “Verdediger van het Mohammedanisme” en “Verdrijver van de Portugezen” en verschillende inheemse vorsten zijn begonnen te speculeren over wat de gevolgen zullen zijn als Kunhale tenslotte zou zegevieren over zijn vijanden. Vice-rei Dom Francisco da Gama belast André Furtado de Mendoça als bevelhebber van een nieuwe expeditie tegen Kunhale, die wordt uitgevoerd met drie galeien en 54 andere vaartuigen. Met deze vloot zeilt André Furtado naar zijn bestemming, nadat hij onderweg de koning van Banguel en de koningin van Olala heeft afgeraden Kunhale hulp te bieden, als zij van plan waren dat te doen; hij maakt ook vijf schepen uit Mecca buit, die Kunhale voorraden willen bezorgen. Nadat André Furtado bij Kunhale is aangekomen, heeft hij een onderhoud met de zamorin, waarvan het resultaat is, dat korte tijd later, in december 1599, een verdrag tussen beiden wordt gesloten. Hierin wordt bepaald dat de zamorin zolang als nodig is 1.000 werklieden voor het kamp en het beleg en 15 olifanten voor zolang het beleg zal duren ter beschikking zal stellen. Hij zal ook voorzien in al het noodzakelijke timmerhout, de nodige timmerlieden, zagers en andere handwerkslieden, 5.000 gewapende mannen voor de belegering en voorts vier schepen met zeelieden en lascars om de rivier te bewaken en te beschermen, naast 30 kleine boten voor hetzelfde doel en tenslotte 200 bijlen en 1.000 manden voor het beleg. André Furtado, van zijn kant, neemt op zich het fort van Kunhale direct te verwoesten als het zou worden ingenomen en zegt toe dat de zamorin de helft van het geld, de goederen en de artillerie die ter plaatse gevonden zal worden, zal ontvangen, terwijl al de andere wapenen die daar blijken te zijn het eigendom van de vinders zijn. De zamorin neemt voorts op zich een kerk en een feitoria te bouwen voor de Portugezen in Calicut. Nadat al deze regelingen zijn getroffen, stromen er uit Goa en andere plaatsen extra troepen en schepen (een galjoen, een galei, 11 schepen en 21 andere vaartuigen) toe, die extra ammunitie en 790 man aanvoeren. Voordat de operaties beginnen, inspecteert André Furtado de Mendoça de vijandelijke verdedigingswerken persoonlijk, geeft opdracht waar de verschillende batterijen te plaatsen en waar zijn bombardementskanon opgesteld dient te worden en hij maakt zich volkomen meester van de rivier. Zijn eerste operaties zijn gericht op enige buitenposten van de vijand, waaruit de moren snel verdreven worden. Daarna voert Kunhale zelf versterkingen aan en verdrijft de Portugezen uit de door hen veroverde buitenposten. Zodra André Furtado ziet dat zijn mannen moeten wijken, komt hij aan land om persoonlijk een nieuwe aanval te leiden, deze keer met succes; niet minder dan 600 moren worden gedood, terwijl de Portugezen twee kapiteins en negen soldaten verliezen. Hierna wordt de aanval op Fort Blanco ingezet en ofschoon deze op zich geen succes heeft, voelt Kunhale zich zozeer onder druk gezet, dat hij contact opneemt met de zamorin met de bedoeling hem om te kopen. Hij belooft de zamorin grote geschenken als deze bereid is bij de overgave van de plaats te accepteren dat de levens van al zijn mannen gespaard zullen worden. De zamorin heeft wel oren naar dit voorstel, maar zodra André Furtado in de gaten krijgt wat er speelt tussen Kunhale en de zamorin, zet hij een nieuwe aanval in op het vijandelijke fort, met al zijn beschikbare troepen. Hierop breekt de zamorin de onderhandelingen af en valt het Fort Blanco van de andere kant aan met 600 nairs. Na enige strijd dringen de aanvallers het fort binnen en het lager gelegen deel van de stad wordt geplunderd en in brand gestoken. Vervolgens worden batterijen ingezet tegen de bovenstad en het hoofdfort, waarbij grote verwoestingen worden aangericht en uiteindelijk blijkt de Kunhale niet meer in staat verdere weerstand te bieden. Hij geeft zich over op de enkele conditie dat zijn leven gespaard zal worden. Hij marcheert zijn fort uit met een zwarte sluier over zijn hoofd, terwijl hij zijn zwaard met de punt naar de grond richt. Hij draagt zijn zwaard over aan de zamorin, die het doorgeeft aan André Furtado. Kunhale wordt gevangengenomen en overgebracht naar Goa, waar hij, ondanks de voorwaarden waarop hij zich heeft overgegeven, ter dood wordt veroordeeld als een verrader van zijn koning, een piraat en een vervolger van de christenen. Hij wordt vervolgens onthoofd, tezamen met vele van zijn kompanen. Het fort van Kunhale en alle erbij behorende werken worden tot de grond toe neergehaald, overeenkomstig de voorafgesloten overeenkomst over dit onderwerp. We moeten nu een paar jaren teruggaan om te zien welke belangrijke gebeurtenissen zich elders in Portugees Indië hebben voorgedaan terwijl de macht van Kunhale vernietigd werd.

Rond het jaar 1597 arriveert Dom John de Samudio in Macau als bevelhebber van een Spaans schip. Hij bouwt een fort in de haven van Pinal, ondanks het verzet van en de protesten tegen zijn optreden van de zijde van Dom Paul de Portugal, die daar het bevel voert.3 In de jaren 1597 en 1598 duurt de oorlogssituatie op Ceylon, waar de Portugezen een leger van 20.000, van wie nog geen 1.000 Europeanen, in stand houden, voort.4

Sjah Abbas I (1588-1629) is sterk betrokken bij zijn strijd tegen de Ottomanen, hij wil hen met alle mogelijke middelen verslaan. Een gelukkige gebeurtenis helpt hem de politiek van zijn voorgangers te volgen. In 1598 arriveert een Engelsman, Sir Anthony Sherley (of Shirley), met zijn gevolg, aan het hof in Qazvin om zich in dienst te stellen van de sjah van Perzië. De bijzonder goede verstandhouding tussen sjah Abbas I en Sherley zal van beslissende invloed zijn op de Portugese positie in de Perzische Golf. Daarom wordt hieraan uitgebreid aandacht geschonken.

Sir Anthony Sherley, telg uit een roemrijk geslacht met deze naam, is in 1563 geboren in Wiston. Na zijn studie in Oxford te hebben voltooid, vertrekt hij in 1586 naar de Verenigde Provinciën en strijdt in 1591 met de graaf van Leicester, Sir Robert Dudley, in de Slag van Zutphen. In 1595 onderneemt hij, onder bescherming van de graaf van Essex, een expeditie tegen São Tomé en de Spaanse koloniën in Amerika. Twee jaren later wordt Sir Anthony door de graaf van Essex ter beschikking gesteld van Don Cesare d’Este, de natuurlijke zoon van de hertog van Ferrara, die paus Clemens VIII, het bezit van de hertogstitel betwist. Don Cesare heeft zich voor de komst van Sherley aan de paus onderworpen, waardoor de missie van Sherley niet meer van nut is. De graaf van Essex stelt hem dan voor zich naar Perzië te begeven om sjah Abbas te vragen of hij kan instemmen met een tegen de Ottomanen gericht verbond van christelijke vorsten en met het vestigen van commerciële relaties tussen Engeland en Perzië. Sir Anthony aanvaardt deze avontuurlijke missie zonder aarzeling. Hij scheept zich op 24 mei 1598 in Venetië in, met een gevolg van 25 personen, onder wie zich bevinden: zijn broer Sir Robert Sherley, kapitein Powel, John Howard, John Parrot, die in Lahore zal overlijden en een artillerist, bedreven in de kunst van het gieten van kanonnen. Sherley heeft zijn eerste audiëntie in Qazvin. De sjah die is teruggekeerd uit Khorāsān na een geslaagde campagne tegen de Oezbeken, ontvangt hem allerhartelijkst. Sherley is niet een echte gezant: hij gedraagt zich als iemand die carrière heeft gemaakt en die aan de sjah zijn diensten en die van zijn kompanen komt aanbieden Dankzij het vertrouwen van Allāh Verdy, opperbevelhebber van het Perzische leger, weet hij de tegen hem gerichte intriges te trotseren en een corps Perzische infanterie op te leiden dat in staat moet zijn het hoofd te bieden aan de Janitsaren. Ook dient dit corps sjah Abbas onafhankelijk te maken van de luimen van en de onrust onder zijn stamhoofden, op wie zijn leger steunt. Vervolgens stelt Sherley hem voor, om de vorst zijn volledige toewijding te bewijzen, met de vorsten van Europa een offensieve en defensieve alliantie tegen het Ottomaanse Rijk aan te gaan. Als waarborg voor zijn oprechtheid en goede trouw, biedt hij aan, bij zijn vertrek naar Europa, zijn broer Robert, wiens militaire talenten een grote hulp zullen blijken te zijn bij de campagne die gaat worden ondernomen, en vijf van zijn kompanen aan het hof van de sjah achter te laten. Sjah Abbas stemt met het voorstel in. Een ambassadeur van de Porte, die is gekomen om te praten over vernieuwing van de wapenstilstand die tussen het Ottomaanse Rijk en Perzië van kracht is, wordt zonder veel plichtplegingen de laan uit gestuurd en sjah Abbas biedt Sir Anthony aan deel te nemen aan de aanstaande campagne tegen de Ottomanen. Hij is van plan om het gezantschap van Sir Anthony te doen vergezellen van een van de voornaamste persoonlijkheden aan zijn hof, maar overwegingen van persoonlijke aard en bovendien de vereiste aanwezigheid van de uitverkorene aan het hof brengen sjah Abbas ertoe als metgezel van Sir Anthony te kiezen voor Hussein ‘Ali Beyk, een man van middelmatige bekwaamheid, Voorzien van geloofsbrieven5 voor de vorsten van Europa, neemt Sherley afscheid van de sjah, die resideert in Ispahan, en hij begeeft zich naar Rusland. Na een zeer gevaarlijke reis van zes maanden komt hij aan in Moskou en tijdens zijn verblijf in de stad krijgt hij te kampen met de ongelukkige procedures van de regering van de groothertog. Men wendt voor hem niet te erkennen als ambassadeur van de sjah; alle eerbewijzen en alle voorkeursbehandelingen worden gegeven aan zijn metgezel Hussein ‘Ali Beyk, die onder zijn gezag is gesteld; de brieven waarvan Sir Anthony de drager is, worden hem ontnomen en zij worden geopend; tenslotte wordt hem formeel verboden betrekkingen te onderhouden met in Moskou woonachtige Engelse kooplieden. Na een verblijf van zes maanden, ontvangt Sherley verlof Moskou te verlaten om zich naar Arhangelsk te begeven. Daar kan hij zich inschepen naar Stettin. Hij arriveert tenslotte in de herfst van het jaar 1600 in Praag, waar hij plechtig wordt ontvangen door keizer Rodolph II. Na een verblijf van drie maanden, verlaat Sir Anthony Praag om verder naar Rome te reizen. Daar aangekomen, wordt de ambassadeur van de koning van Perzië het object van een pompeuze ontvangst door de Heilige Vader, paus Clemens VIII. Hij verblijft in Rome tot de maand juli 1601. In die maand verlaat hij schielijk de Heilige Stad om zich in het geheim naar Venetië te begeven. De motieven voor dit overhaaste vertrek zijn een mysterie gebleven. Er is geopperd dat zijn papieren en de aan de diverse vorsten van Europa door sjah Abbas gerichte brieven, door een van de leden van het gezantschap zijn ontvreemd; zij zouden naar Istanbul zijn gebracht en bezorgd zijn aan de grootvizier. Zich niet veilig voelend, heeft Sherley gemeend zich onder de bescherming te moeten stellen van La Serenissima Repubblica di Venezia. Don Juan de Persia, van zijn kant, bevestigt dat Anthony Sherley een deel van de geschenken bestemd voor de christelijke vorsten in Moskou heeft verkocht aan Engelse handelaren die zich hadden gevestigd in de Baltische Haven van Moskou. Er zou een zeer hevige woordenwisseling hebben plaatsgehad in Siena, in tegenwoordigheid van de door paus Clemens VIII gezonden kardinaal, tussen Sherley en Hussein ‘Ali Beyk, toen deze de geschenken die men aan de paus had moeten geven, opeiste, maar die niet konden worden teruggevonden. Twee maanden later verlaat Hussein ‘Ali Beyk Rome. In Barcelona wordt hij ontvangen door de hertog van Feria, onderkoning van Catalonië, die hem begeleidt naar Valladolid, waar Philips III hem een plechtige audiëntie verleent. Tijdens zijn verblijf aan Spaanse hof, die twee maanden duurt, geraken twee leden van het gezantschap ‘Ali Qoli Beyk, zijn neef, en Urūdj Beyk zozeer bekoord door de pracht van de katholieke eredienst en het leven in Spanje, dat zij hun geloof vaarwel zeggen en christen worden. De koning en de koningin van Spanje treden op als hun peter en meter en geven aan hen de namen don Philippe en don Juan. De ambassadeur van Perzië besluit over zee naar zijn land terug te keren en hij laat de voorgenomen bezoeken aan de vorsten van Engeland, Schotland, Frankrijk en Polen wachten tot betere tijden. Nadat hij van Philips III een gouden ketting ter waarde van 500 ecu’’s en een bedrag van 10.000 dukaten om zijn reis te bekostigen, heeft gekregen, gaat hij naar Lissabon om zich daar begin 1602 in te schepen voor Cabo da Boa Esperança en Ormoez. Hussein arriveert in de loop van de herfst in Ormoez; van zijn terugreis naar Perzië is ons niets bekend.

In het voorjaar van 1598 is Dom Hierome Coutinho gereed om met een vloot van vijf schepen naar Indië te zeilen, maar dit blijkt niet mogelijk te zijn, omdat de monding van de Taag wordt geblokkeerd door een Engels eskader, onder bevel van de Earl of Cumberland, dat daar blijft liggen totdat het seizoen al te ver gevorderd is om nog uit te zeilen. Daarom is er in 1598 geen vloot uit Lissabon naar het Oosten vertrokken. Inmiddels heeft koning Philips zijn onderkoning in Indië een brief geschreven, gedateerd 10 maart 1598, waarin hij beveelt dat schepen van de retourvloot tot eind mei bij Sint Helena op elkaar moeten wachten, om sterker te staan tegenover Hollandse zeerovers. Vroeg in het jaar 1599 zeilt Dom Hierome Coutinho uit met vier schepen van de vloot van het vorige jaar. Hij wordt vergezeld door Simão de Mendoça, die het bevel voert over drie andere schepen. Zij brengen het bericht dat koning Philips II van Spanje (Dom Filipe I van Portugal) op 13 september 1598 in Madrid is overleden. Bij Sofala gaat een van deze drie schepen verloren en een andere nau levert op de terugweg een gevecht met twee Hollandse schepen nabij het eiland Sint Helena en zou in dit gevecht de overhand gekregen hebben. Dit laatste schip, de nau São Simão, onder bevel van kapitein Diogo de Sousa uit Viana, zou de rest van de thuisvloot vooruit zijn gesneld. Bij Sint Helena liggen twee Hollandse schepen6, ieder met twee rijen geschut, die op het eiland water aan het innemen zijn. Zij zenden een boodschap naar Diogo de Sousa, waarin directe overgave wordt verlangd, wil hij niet naar de andere wereld geholpen worden. Het enige antwoord dat Diogo de Sousa geeft is een kanonschot, dat direct wordt beantwoord door acht schoten van de vijand. De hevigheid van de beschieting door de Hollandse schepen alarmeert de Portugese bemanning zozeer, dat verschillende van hen trachten van het schip af te komen, maar nadat hen moet is ingesproken door de kapitein, keren zij naar hun posten terug en richten met hun kanonnen veel schade aan de vijandelijke schepen aan. Het gevecht duurt de gehele middag, de hele nacht en de volgende morgen, als de Hollandse schepen, die behoorlijke schade hebben opgelopen, wegzeilen, met achterlating van de watervaten. Kort na het gevecht arriveren de andere schepen van de retourvloot. Diogo de Sousa sluit zich bij hen aan en de schepen vervolgen hun reis gezamenlijk.

In het jaar 1600 arriveren vier schepen uit Lissabon in Goa, onder commando van Ayres de Saldanha, die de graaf van Vidigueyra als onderkoning zal opvolgen. Een van deze vier schepen zal gekaapt worden in de monding van de Taag. Op een van de andere schepen keert de afgetreden onderkoning naar huis terug, tot zeer grote tevredenheid van de bevolking van Goa, die zich niet inhoudt om haar afkeer van de conde de Vidigueyra te tonen, zodra deze zijn ambt heeft overgedragen. Boven op de belangrijkste poort van de stad staat een groot marmeren standbeeld van Dom Vasco da Gama en dit beeld wordt op een nacht door de bevolking naar beneden gegooid, waarbij het beeld in stukken breekt. Deze stukken worden op verschillende openbare plaatsen opgehangen. Op de dag dat de afgetreden onderkoning zich zal inschepen, gaan 40 goedbewapende mannen aan boord van zijn schip en zij hangen zijn beeltenis op aan de nok van de ra. Deze beeltenis is speciaal voor dit doel gemaakt en zij lijkt sprekend op hem, zowel qua gezicht als qua kostuum. Bij zijn aankomst aan boord informeert Dom Francisco wat die figuur aan de ranok voorstelt en hij krijgt het antwoord, “het is Uwe Hoogheid en zij zijn de mannen die het hebben gedaan”. Dom Francisco da Gama antwoordt “Niet meer, niet meer Indië.” Hij geeft bevel het portrait naar beneden te halen en in zee te gooien en daarna de zeilen te hijsen, maar hij is verplicht na twee dagen terug te keren, om gevogelte in te laden, omdat al het gevogelte dat voorheen aan boord is gebracht, vergiftigd blijkt te zijn. Dom Francisco zeilt opnieuw uit op 25 december 1600 en hij bereikt Lissabon al op 27 mei 1601. Hij heeft de reis dus volbracht in vijf maanden, in die jaren een ongelooflijk korte tijd. Er wordt gezegd dat de winden zo gunstig waren dat het onnodig is geweest gedurende de reis de zeilen ook maar een keer op te rollen, welk feit iemand de opmerking heeft ontlokt dat “de elementen de graaf kennelijk meer liefhebben dan de mensen.”

Het koninkrijk Pegu, dat tot dan toe niet van grote betekenis was, is tijdens de ambtsperiode van Dom Francisco da Gama uitgegroeid tot een van de grootste rijken in Azië. Hierop wordt later teruggekomen.

1 Hutt geeft als oorspronkelijk bouwjaar van de Arco 1543 en vermeldt dat de Arco in 1954 is herbouwd en in 1971 is gerestaureerd

2 Dit moeten de twee resterende Engelse schepen van de expeditie van kapitein Benjamin Wood zijn geweest, die door de Portugezen voor Hollandse schepen zijn gehouden. (Zie volgende paragraaf.)

3 Bij de behandeling van Macau, in een van de volgende delen, wordt op deze zaak teruggekomen

4 Zie de bespreking van de Portugezen op Ceylon, in een van de volgende delen

5 Sjah Abbas noemt Sir Anthonie Sherley in deze brieven zijn vriend, met wie hij dagelijks uit dezelfde schaal heeft gegeten en uit dezelfde beker heeft gedronken, zoals broers dat doen.

6 Het gaat hier vrijwel zeker om de Zon en de Langebarke van de Middelburgse Compagnie

3.1 De komst van de Hollanders naar Indië

x

Check Also

Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De Malediven. Expansie van het Império Português (1515-1521)

Deel 6 Index Hoofdstuk 7 Expansie van het Império Português (1515-1521) 7.1 De Malediven Geschreven door Arnold van ...

banner
Close
Stay informed about Colonial Voyage