Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike
Torre de Belém, Lissabon, Portugal. Auteur Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De Mombaçakust (1575-1599). De Swahilikust

Deel 14 Index

Hoofdstuk 2.

De Swahilikust:

2.3. De Mombaçakust (1575-1599)

Geschreven door Arnold van Wickeren

Uit Portugese bron is weinig bekend over de kust van Oost-Afrika tussen Cabo Delgado en Cabo Guardafui in de jaren direct volgend op de Barreto-Homem expeditie. In 1584 rapporteert de onderkoning van Portugees Indië aan zijn koning over de ongerechtvaardigde diefstallen en afpersingen en de tirannieke onderdrukkingen van de Portugese capitães-mores aan de Malindikust. Hij vreest dat de koningen aan deze kust in hun nood de Turken om hulp zullen vragen. Filipe I beveelt de vice-rei, Dom Duarte de Meneses, graaf van Tarouca, een onderzoek tegen hen in te stellen om uit te maken of zij schuldig zijn aan misbruiken. Door deze maatregel moeten de lokale heersers tot bedaren worden gebracht en bovendien krijgen toekomstige capitães strikte bevel hun opdrachten en instructies na te leven.

Maar de maatregelen van de koning komen te laat. De Turken hebben al uitnodigingen ontvangen de Swahilikust te bevrijden. De Arabieren zijn verbitterd dat de Portugezen verlangen dat alleen de over een Portugees cartas beschikken de Indische Oceaan bevaren en dat zij schepen zonder cartas confisqueren. De Turken zijn er zeer op gebrand aan de Afrikaanse kust timmerhout te verkrijgen om een vloot te kunen bouwen, om de Portugese suprematie op zee uit te dagen. De vizier van Arabië, Amir Asenasi, wil graag alles doen wat binnen zijn beperkte vermogens ligt, om aan de hulpverzoeken tegemoet te komen. Hij geeft opdracht twee galeien uit te rusten en hij benoemt Amir Ali Bey, die zich heeft onderscheiden bij de verovering van Muscat op de Portugezen in 1581, de kust van Malindi te verkennen en hem te rapporteren waar het best een fort kan worden gebouwd, om lokale koningen en sjeiks moed te geven om voorbereidingen te treffen om de Portugezen te verdrijven.

Ali Bey passeert eind 1585 de Straat van Bāb al-Mandab. De galeien komen in zwaar weer van de noordoostmoesson terecht; een galei maakt water en is gedwongen terug te keren naar de Rode Zee. De andere galei, die niet veel beter is dan de eerste en die Ali Bey en meer dan 80 soldaten aan boord heeft, slaagt erin Cabo Guardafui te ronden ‘en vervolgt zijn weg al was zij een gezonde armada’, schrijft de Portugese historicus uit de zeventiende eeuw Manuel de Faria y Sousa met een mengeling van afgunst en bewondering. De eerste haven die Ali Bey aandoet is Mogadiscio. Voor hij de haven invaart, zendt hij een boodschapper naar de bestuurders van de stad. Hij vraagt hen hun aanhankelijkheid aan de “Grote Turk’ te betuigen en dreigt de stad te verwoesten als zij aan zijn verzoek niet tegemoet komen, waarbij hij de indruk wekt de voorloper te zijn van een hele vloot. De bestuurders schikken zich; zij brengen geld en manschappen bijeen om Ali Bey’s zaak te ondersteunen. Zij stellen hem een aantal pangaios, bemand met lokale Arabieren ter beschikking. In Brava, Jugo (Juba?) en Pate, heeft Ali Bey ook succes; alle heersers erkennen de Turkse opperheerschappij en brengen geld bijeen opdat Ali Bey zijn zegentocht kan voortzetten. In Pate lacht het geluk hem toe; hij vindt daar een naveta die daar pas aangekomen is uit Diu, met een dozijn Portugezen aan boord, die geen verzet bieden.

Op het nabijgelegen eiland Lamu bevindt zich Roque de Brito Falcão, wiens ambtstermijn als Capitão aan de Malindikust het vorig jaar is verstreken. Omdat op zijn reis naar Indië zijn naveta op de kust is geworpen, maar hij en zijn bezittingen gered zijn door de bemanning van een zijn naveta vergezellende fusta, wacht Falcão op Lamu de moesson af, totdat hij zijn reis kan voortzetten. Als hij van de aankomst van de galei hoort, zoekt hij met zijn vijftien Portugese en mulatto metgezellen bescherming bij de lokale koning. Ali Bey vraagt om hun uitlevering. De koning is oud en blind en heeft de troon niet rechtmatig verworven; hij kan de eis van de Turken niet terzijde schuiven. Ali Bey, dertig landgenoten en een groep Arabieren trekken op naar het huis waarin de Portugezen verblijven. Falcão trekt zijn zwaard en pakt zijn schild en met vijf van zijn compagnons gaat hij desperaat de strijd aan, maar hij geraakt al gauw serieus gewond. Zijn slaven en goud, ivoor, was en amber, bij elkaar 40.000 cruzados waard, vallen in handen van Ali Bey. De Turken bewapenen de fusta en daarmee en met de pangaios en de galei is Ali Bey nu de commandant van een flottielje van twintig vaartuigen. Hiermee keert hij terug naar Pate.

Berichten over de komst van de Turken zijn ook doorgedrongen naar het zuiden. De nieuwe Capitão aan de Malindikust, Rui Lopes Salgado, waarschuwt zoveel kooplieden en andere christenen als hij kan bereiken en adviseert hen uit te wijken naar Malindi, waar zij veilig zijn in het Portugese fort ter plaatse. Diogo de Couto verwijt Salgado dat hij de schepen die uit Baçaim en Chaul verwacht worden niet heeft laten waarschuwen voor de Turken, maar dit is op het hoogtepunt van de noordoostmoesson moeilijk zo niet onmogelijk geweest. Het schip uit Chaul arriveert al in Pate voor Ali Bey daar terugkeert; de Portugezen aan boord laden hun kleine kanonnen en bereiden zich voor op de verdediging. Ali Bey durft de levens van de weinige Turken die bij hem zijn niet op het spelte zetten en evenmin wil hij riskeren dat hij naast de handelswaar grijpt die hij hoopt te verwerven. Bijgevolg zet hij Brito Falcão, wiens wonden zijn verzorgd, onder druk een boodschap naar zijn landgenoten uit Chaul te zenden. Hij raadt hen aan zich over te geven, opdat hen een ellendige dood bespaard blijft. Zij volgen dit advies op en zodra zij bij de galei aankomen, zet Ali Bey hen aan de riemen. De galei neemt het Portugese schip met handelswaren op sleeptouw. Ali Bey doet diverse havens aan en ruilt daar de handelsgoederen voor goud en ivoor, amber en slaven. Hij aanvaardt ook de vazalliteit van lokale heersers, terwijl sultans helemaal uit Kilifi en Mombaça hun ambassadeurs zenden om de ondernemende Turk eer te bewijzen. Ali Bey verlaat de Swahilikust in april 1586 met buit ter waarde van 150.000 cruzados en 260 gevangenen, onder wie 50 Portugezen. Hij komt ongehinderd aan in de Rode Zee en zodra hij voor anker is gegaan in het veilige Mocha, valt zijn galei in stukken uiteen. Roque de Brito Falcão wordt naar Constantinopel gezonden, waar hij humaan wordt behandeld; hij wordt vrijgekocht voor 2.000 cruzados, maar sterft voordat hij van zijn vrijheid heeft kunnen genieten.

João dos Santos o.p. geeft twee oorzaken voor het opmerkelijk succes van Ali Bey’s expeditie. Een daarvan is het schandalige gedrag van de Portugezen aan de kust, welk gedrag de bewoners rijp gemaakt heeft voor een toestand van rebellie. De andere oorzaak is de natuurlijke antipathie van moslims jegens christenen, dat veel krachtiger is dan de animositeit tussen soennieten en sjiieten. Moslims wonend in geïsoleerde havens, die voorheen vaak afgunstig op elkaar waren, beginnen zich meer en meer te realiseren dat zij een gemeenschappelijke vijand, een gemeenschappelijke bondgenoot en hetzelfde geloof hebben. De regering in Lissabon is zich zeer bewust van de Turkse dreiging. In 1585 heeft Filipe I zijn vice-rei Dom Duarte de Meneses, opgedragen de sjah van Perzië te helpen tegen de Turken, door een grote vloot naar de ingang van de Rode Zee te zenden om de druk op de sjah te verminderen. Koning Filipe beschouwt het ook aanbevelingswaardig een fort te laten bouwen in Panane, aan de Malabarkust bij Calicut. De capitão-geral van de Estado da India, Manuel de Sousa Coutinho (1588-1591), die vice-rei Dom Duarte de Meneses – na diens plotselinge overlijden – is opgevolgd, besluit beide operaties te combineren en in november van het jaar 1588 vertrekt een zeer grote vloot, onder bevel van Gonçalves da Câmara, uit Goa naar de Malabarkust, terwijl de gouverneur een licht vaartuig uitstuurt om poolshoogte te nemen naar de plannen van de Turken. Het vaartuig staat onder bevel van Cosme Faia, die de wateren aan de ingang van de Rode Zee goed kent. Hij moet het gebied verkennen en hij dient in het bijzonder te letten op het bouwen en uitrusten van Turkse galeien. Het schip moet doorvaren naar Massawa, om daar de franciscaan, Giovanni Batista Briti, een bekend Italiaans filisoof, aan land te zetten. De monnik vervult een missie voor de Heilige Stoel; hij dient de Abessijnse Kerk weer te doen gehoorzamen aan Rome. Faia vertrekt midden december 1585 uit Goa. In Chaul wisselt hij zijn schip om voor een steviger fusta, waarmee hij in januari 1586 uitzeilt. Hij passeert de Straat van Bāb al-Mandab, nadat Ali Bey de Rode Zee verlaten heeft. Op het eiland Kamarān neemt hij een boomstamkano in beslag en hij gijzelt de opvarenden op twee man na; die zendt hij uit op water en voedsel. De Portugezen verheugen zich als zij twee grote baggalas zien naderen, maar als zij langszij de fusta komen, springen plotseling 200 gewapende mannen, die zich achter vee verstopt hadden, te voorschijn. Zij komen aan boord van de fusta en brengen alle opvarenden om met het zwaard. De lokale sjeik biedt de fusta aan aan de pasja van Mocha.

Ondertussen is Gonçalves da Câmara overgestoken van Panane naar Socotra. Hier neemt hij water in en hoort hij van de inval van Ali Bey, maar over Faia’s lot verneemt hij niets. Na vergeefs op hem te hebben gewacht, vaart hij de Rode Zee binnen en ankert in een baai op tien of twaalf léguas van Mocha. Câmara heeft opdracht de haveninstallaties van die stad te verwoesten en in het bijzonder de galeien, die geacht worden daar te zijn, in brand te steken. Gonçalves da Câmara zendt spionnen aan land om de sterkte van Mocha te verkennen, maar voordat zij kunnen terugkeren, zeilt een schip de baai binnen en ook weer eruit en op vijf of zes schepen na achtervolgt de Portugese vloot het vluchtende schip. De achtervolgers worden ’s nachts overvallen door een opstekende storm. Terwijl Gonçalves da Câmara, ligt te wachten op de terugkeer van zijn vloot, besluit hij water in te nemen van een bron anderhalve légua het binnenland in en de vermoeide Portugezen komen plotseling te staan tegenover een vijandelijke strijdmacht van wel 2.000 man, uitgezonden door de pasja van Mocha. De overlevenden keren terug naar hun schepen, maar er kan natuurlijk geen sprake meer zijn van een verrassingsaanval op Mocha. De weer verenigde vloot zeilt naar het eiland Kamarān, steekt daar het dorp in brand en zeilt de Rode Zee uit, voordat Ali Bey daarin terugkeert. Daarna wordt koersgezet naar Muscat en vandaar zeilt Gonçalves da Câmara, overeenkomstig zijn instructies uit om de Nequilús te tuchtigen, omdat zij zich offensief tegen Ormoez hebben gedragen. Maar de verachte stamleden drijven de gelande Portugezen terug in zee, waarbij zij 250 edellieden en soldaten doden. Zij brengen de Portugezen – volgens Diogo de Couto – een van de zwaarste nederlagen toe die zij ooit in het Oosten hebben geleden. De nederlaag ondermijnd het Portugese prestige in de moslimwereld verder, maakt lokale nationalistische gevoelens wakker en verergert Portugals kritieke tekort aan mankracht in het Oosten nog meer.

Zodra de Turken van de Swahilikust zijn vertrokken, zendt de sultan van Malindi een gezant in een pangaio naar Indië om rapport uit te brengen over de Turkse inval en over de verwelkoming die de heersers aan de Malindikust Ali Bey hebben bereid; hoe de sultan van Mombaça de Turken een plek heeft aangeboden om er een fort te bouwen dat eenmaal gereed zijnde, de vernietiging van Portugees Indië zal inluiden; de Turken kunnen immers van Mombaça naar Moçambique komen en de scheepvaart tussen Portugal en de Oriënt verwoesten en meesters worden van de goudmijnen van Monomotapa. Alleen de koning van Malindi, wiens lot zo onverbrekelijk verbonden is met dat van Portugal, is de Portugezen trouw gebleven

Onderkoning Dom Duarte de Meneses besluit, na overleg met zijn adviseurs, een zo groot mogelijke vloot bijeen te brengen, om degenen die hun gehoorzaamheid aan Portugal hebben opgezegd en Mombaça aan de Turken willen geven, te straffen. De vloot dient in Muscat een fort te bouwen, om de dreiging van een andere Turkse invasie het hoofd te bieden. Martim Afonso de Mello Pombeyro vertrekt in januari 1587 met een armada van twee galeãos, drie galeras en dertien fustas uit Goa. De vloot steekt in minder dan twintig dagen de Arabische Zee over. Martim Afonso verneemt dat er dat jaar geen Turkse galeien langs de kust van Oost-Afrika naar het zuiden zijn gevaren, zodat er geen haast geboden is naar Mombaça te gaan. Hij zet koers naar Faza, op het eiland Pate, de noordelijkse stad onder Portugese invloed, waarvan de inwoners een zieke Portugese gevangene van Ali Bey, João Robela, die door hem op de kust was gezet, gestenigd zouden hebben, omdat hij zijn christelijke geloof niet wilde afzweren. De sultan, die voor de komst van de vloot is gewaarschuwd, verzamelt al zijn strijdbare mannen, zo’n 4.000 man; richt palissaden op, laat grachten graven en barricadeert de uiteinden van de straten. De vloot gaat voor anker in de baai van Faza, er worden verkenners uitgezonden en de derde dag roept de capitão-mór zijn officieren bijeen. Besloten wordt de stad van twee kanten aan te vallen; een groep, onder bevel van Simão de Brito de Castro, de tweede man op de vloot, zal de kreek waaraan Faza ligt opvaren en een frontale aanval op de aanlegsteiger van de stad doen, terwijl de andere groep, onder de capitão-mór zelf, een landing buiten de stad zal doen en Faza van de landzijde zal aanvallen. De volgende dag gaan de Portugezen aan land. De mannen van Brito de Castro beschieten de havenpier, aan de kop waarvan sultan Estambadur met het grootste deel van zijn mannen staat, met haakbussen. Er ontstaat een man-tegen-man gevecht, waarbij de sultan sneuvelt. Zijn opvolger, een neef, trekt terug en sneuvelt ook. De Portugezen stormen het centrum van de stad binnen. Op dit moment trekken de troepen onder Martim Afonso de Mello, zonder tegenstand te ondervinden, Faza binnen totdat zij de voor Brito de Castro vluchtende bewoners tegenkomen. Ingeklemd tussen de twee strijdgroepen, hebben zij geen schijn van kans en de strijd is snel voorbij, ofschoon groepen bewoners zich in geïsoleerde huizen blijven verzetten. Deze huizen worden in brand gestoken. João dos Santos o.p. laat weten : ‘De Portugezen willen geen levend wezen sparen; zij doden vrouwen en kinderen, apen en papegaaien en andere onschuldige dieren, met zo’n woede alsof zij verantwoordelijk zijn voor de zonden van de stad’. De pater schat dat 400 bewoners met het zwaard worden omgebracht en dat er 300 worden gevangengenomen. Aan Portugese kant zijn vier doden en 40 zwaar gewonden te betreuren. Het grote aantal zwaar gewonde Portugezen is het gevolg van het desperate verzet van de regerend sultan en 35 getrouwen, die zich letterlijk doodvechten en die 78 van hun aanvallers verwonden, aldus Boxer, die dit gegeven heeft ontleend aan Francisco Rodrigues da Silveira. Couto, een verslag citerend waarin de slachting ongetwijfeld overdreven is, geeft een aantal van 2.000 doden en spreekt over ‘vele’ gevangenen; hij noemt ook vier gedode of dodelijk gewonde Portugezen en schat het aantal gewonden op tachtig. Het op een lans gestoken hoofd van sultan Estambadur kijkt neer op de verwoeste stad, terwijl de winnaars twee dagen nodig hebben om de buit in hun schepen te laden. Wat niet ingeladen kan worden, wordt gegeven aan stamleden op het vasteland, waarna Faza in brand wordt gestoken. Ook een zeewaardig vaartuig en een sleep kleinere vaartuigen ondergaan dit lot. Tenslotte kappen de overwinnaars de kokospalmen die de stad omringen, 8.000 in totaal. Santos merkt op: ‘Alles wat overbleef van de eens zo trotse stad Ampaza, is niet meer dan een vlak terrein.

De vloot gaat voor anker bij Pate, aan de zuidkant van het gelijknamige eiland. De sultan, zich volledig bewust van wat Faza is overkomen, verklaart dat hij nooit zijn trouw aan Portugal heeft opgezegd; hij heeft de Turken alleen aan land laten komen om de stad, haar inwoners en zichzelf te beschermen. Martim Afonso de Mello aanvaardt zijn verontschuldigingen en spreekt af dat Pate 100.000 cruzados per jaar als tribuut zal betalen.

De vloot passeert het eiland Manda en arriveert voor de stad Lamu. De sultan en zijn volgelingen ontvluchten de stad. Martim Afonso de Mello Pombeyro verklaart hem vervallen van de troon en confisqueert zijn bezittingen. Hij plaatst de weduwe van de vorige sultan op de troon, nadat zij vazaliditeit gezworen heeft en beloofd heeft 100.000 cruzados per jaar als tribuut te betalen.

De sultan van Malindi ontvangt de Portugezen met vreugde. Martim Afonso de Mello overhandigt de vorst enige brieven van de vice-rei en een paar stukken geschut, waarmee hij erg blij is. De sultan biedt aan een aantal van zijn volgelingen deel te laten nemen aan de expeditie naar zijn aartsrivaal Mombaça. Martim Afonso voegt een fusta toe aan de drie pangaios van de sultan. Hij zendt zijn gewonden naar Malindi, om daar op te knappen. De aankomst van een schip uit Goa, met de opdracht zich, na uitvoering van zijn oorspronkelijke regimento, voor overwintering naar Ormoez te begeven en de sjah van Perzië te steunen tegen de Turken, bespoedigt de voorbereidingen voor vertrek. Daags nadat de vloot bij Mombaça voor anker is gegaan, belegt Martim Afonso een vergadering, waaraan ook de sultan van Malindi en zijn belangrijkste aanvoerders deelnemen. De sultan van Mombaça zou de komst van de Portugezen met vertrouwen hebben afgewacht, omdat hij 7.000 man tot zijn beschikking heeft en onder hun wapens zijn ook vuurwapens. Het enthousiasme waarmee de Portugezen aan de onderneming begonnen zijn, verdampt meer en meer en nu wordt afgesproken dat naar een vreedzame regeling gestreefd zal worden, maar als deze niet op Portugese voorwaarde kan worden bereikt, dan zal de gecombineerde strijdmacht van Portugal en Malindi de stad aanvallen. De volgende dag zeilt de armada de haven van Mombaça binnen. Twee fustas stoten op de koraalbank tegenover een paar bastions aan de haven, waarschijnlijk bij Ras Serani. Er wordt vuur uitgewisseld; de Portugezen van de gestrande fustas stormen aan land en drijven het garnizoen op de vlucht en vernagelen de weinige kleine kanonnen die zij aantreffen. Zodra de armada voor anker is gegaan, arriveert een boodschapper uit de stad die Martim Afonso smeekt de sultan te ontvangen. De rest van de dag en de volgende dagen wordt op de komst van de sultan gewacht. Maar de sultan en zijn aanvoerders zijn bezorgd over het lot dat hen ongetwijfeld wacht als zij zich aan boord van een Portugees schip begeven en de sultan en de zijnen benutten de tijd die op hen wordt gewacht met de evacuatie van het eiland. Als de Portugezen tenslotte aan land komen, ontmoeten zij geen weerstand. Zij plunderen het paleis en de stad en maken daarbij veel ivoor en kleding buit. Zij verwoesten het leeggehaalde paleis en zetten een groot deel van de stad in brand en daarna beginnen zij de tuinen en bossages die de stad omringen, te verwoesten. Vervolgens keren zij terug naar de stad en beginnen de stadsmuren neer te halen. Als grote stukken muur al gesloopt zijn, naderen een aantal bewoners met een vredesvlag, Zij voorkomen verdere verwoesting door 4.000 cruzados te betalen.

De vloot blijft twintig dagen in Mombaça, waar de schepen worden gebreeuwd, opgekalefaterd en andere herstellingen worden verricht. Er wordt vers voedsel ingeslagen en er wordt gewacht op de onderwerping van de sultan, maar ofschoon hij een hypocriete brief schrijft, laat hij zich niet zien. Tijdens het verblijf in Mombaça, arriveren twee pangaios met soldaten, gezonden door de Capitão van Sofala en Moçambique. De soldaten zijn afkomstig van de nau São Filipe, welk schip in april 1586 Portugal verlaten heeft en in Moçambique heeft moeten overwinteren. De São Filipe is niet doorgevaren naar Indië, maar heeft in Moçambique de lading aan boord genomen, waarmee de nau São Lourenço uit Indië onderweg was naar Portugal. Dit schip is niet in staat geweest langs Moçambique te komen en het is daar gelost. De São Filipe keert met de lading van de São Lourenço naar Portugal terug. De versterkingen afkomstig van de São Filipe worden verdeeld over de galeras en fustas. De vloot komt ook de nau São Salvador te hulp. De nau heeft, onderweg naar Portugal, in stormen aan de zuidkust van Afrika zulke zware schade opgelopen, dat het heeft moeten terugkeren naar Moçambique, maar het heeft Moçambique niet kunnen vinden en de wanhopige bemanning staat op het punt het schip te doen stranden. Martim Afonso zendt het schip met boodschappen en met het afgehouwen hoofd van de onfortuinlijke Estambadur terug naar Goa. In Goa wordt het hoofd, gestoken op een lans en vergezeld van muziek van trommels en trompetten, aan het volk getoond, terwijl in de stad plechtige proclamaties worden afgestoken. De koning van Portugal is wel tevreden met het succes van de vloot, die bij aankomst in Ormoez 70.000 cruzados aan buit vervoert, maar hij beklemtoont de noodzaak inlichtingen te verkrijgen over de houdingen en bedoelingen van de koningen aan de Swahilikust.

Kort nadat Manuel de Sousa Coutinho de plotseling overleden onderkoning Dom Duarte de Meneses als capitão-geral van de Estado da India is opgevolgd, besluit Dom Paulo de Lima, moe van het oorlogvoeren en teleurgesteld over de geringe mate van erkenning, terug te keren naar Portugal. Hij scheept zich in op de São Tomé, onder kapitein Estevam Veiga, welk schip tezamen met de andere naus van de retourvloot, zal uitzeilen. Aan de kust van Natal stoot het schip lek en om de nau te redden, wordt al zijn lading overboord gezet. Er wordt een reddingsboot gestreken, maar daarin nemen zovelen opvarenden plaats dat de boot overladen is en met alle inzittenden zinkt. Een andere reddingsboot zinkt niet, omdat er tijdig voldoende inzittenden overboord worden gegooid. Zij verdrinken en slechts 89 personen slagen erin het strand te bereiken. Zij komen aan land dicht bij de Rio Simão Dote, op 50 léguas ten zuiden van de baai van Lourenço Marques. De schipbreukelingen trekken naar de stad van de koning van Manica, door wie zij vriendelijk worden ontvangen. Hij biedt hen ook verstrooiing en geeft hen toestemming zich in de stad danwel op een naburig eiland te vestigen, totdat een Portugees schip zal arriveren, waarmee zij kunnen vertrekken. Zij aanvaarden het aanbod zich op het eiland te vestigen, waar diverse Portugezen overlijden. Na korte tijd steekt een aantal schipbreukelingen over naar het vasteland; een deel van hen weet uiteindelijk Sofala te bereiken, terwijl de anderen de stad van de koning van Inyack arriveren. Hier stuiten zij op enige Portugese kooplieden, die eveneens schipbreuk hebben geleden. Van degenen die op het eiland zijn gebleven, sterven naderhand verschillende mensen, onder wie Dom Paulo de Lima, die daar aan het strand wordt begraven. De overlevenden worden na enige tijd gered door een schip dat op weg is naar Goa, vanwaar zij bij eerste gelegenheid naar Portugal vertrekken.

De algemene blijdschap over het succes van de vloot onder Martim Afonso de Mello is voorbarig; in Ormoez wordt vernomen dat Ali Bey een vloot van vier galeien aan het uitrusten is, om naar de kust van Oost-Afrika te gaan om in Mombaça een fort te bouwen. Ook zou de tuchtiging van de sultans hen niet tot het gedwee aanvaarden van Portugals suzereiniteit brengen, maar zij hebben daarentegen boodschappers met brieven en geschenken aan de Turken gezonden en zij hebben hen gevraagd de aanvallen waaraan zij hebben blootgestaan te komen vergelden. Gebrek aan hout voor de bouw van de galeien vertraagt zijn vertrek, maar in januari 1589 zeilt Ali Bey uit met vier galeien en de fusta die oorspronkelijk heeft toebehoord aan Roque de Brito Falcão. De inwoners van Mogadiscio verwelkomen hem en geven hem geld. Hij zeilt verder naar het zuiden en wordt in de meeste van de grotere steden goed ontvangen; zij ondersteunen hem en smeken hem om bescherming tegen de Portugezen.

Het flottielje arriveert op zekere dag bij Malindi net als de schemer invalt. De Capitão aan de Malindikust, Mateus Mendes de Vasconcelos, geeft bevel twee valken los te laten en zij komen in aktie op de top van een zanderige hoogte, ongetwijfeld de kam van de lage kliffen die liggen ten zuiden van Leopard Point, en ondanks de nachtelijke duisternis weten de valken de galeien enige schade toe te brengen. Ali Bey haalt zijn anker op en vervolgt zijn reis langs de kust. Hij besluit naar Malindi terug te keren als hij in Mombaça een fort heeft gebouwd. Ali Bey bouwt het fort snel, waarschijnlijk door vergroting van eerder genoemd bastion bij Ras Serani. Maar de vijand die hij het meest moet vrezen, verschijnt niet op zee, maar komt van het vasteland en is aanzienlijk angstwekkender dan de Portugezen zijn.

Santos is ervan overtuigd dat de Zimbas die plotseling op het toneel verschijnen dezelfde stam is die zich eerder in de vallei van de Cuama al zeer oorlogzuchtig heeft getoond. Een of andere niet erg machtige chief begint plotseling een carrière van plunderaar; hij en zijn volgelingen vechten zich naar het oosten en noorden, waarbij zij de gebieden waar zij doorheen trekken plunderen en verwoesten en de inwoners die niet hun lot met hen willen delen opeten, waarbij zij niets en niemand ontzien. Zij naderen Kilwa tegen de tijd dat hun horde is aangegroeid tot 15.000 krijgers. Zij kamperen tegenover het eiland, dat zij niet kunnen bereiken, en blijven daar wonen. Na enige maanden steekt een inwoner van Kilwa, gedreven door hebzucht, ’s nachts in het geheim bij een doorwaadbare plaats de Mlango Mugongo over naar het kamp van de Zimba en biedt aan hen de weg naar Kilwa te wijzen, in ruil voor een veiligheidsgarantie voor zijn gezin en hemzelf. Hij wil ook een deel van de buit en een stuk land. De leider van de Zimba gaat gretig op het aanbod in. De verrader leidt de krijgers – ongetwijfeld bij nieuwe maan – door het kanaal en in de eerste uren van de morgen vallen de Zimbas de nietsvermoedende eilandbewoners aan. De meeste stedelingen worden gedood voordat zij zich kunnen verdedigen; de rest van de inwoners van Kilwa wordt gevangengenomen en wordt door de Zimbas op hun gemak opgegeten. In totaal worden – volgens schatting van Santos – meer dan 3.000 Swahili gedood en verorberd, onder hen zijn veel vrouwen ‘die erg mooi en delicaat’ zijni. De enige overlevenden zijn zij die het bos en de mangrovemoerassen zijn ingevlucht en zich daar schuilhouden totdat de Zimbas van het eiland vertrekken, nadat zij het paleis van de sultan, de moskeeën en de huizen grondig hebben geplunderd. De chief van de Zimba ontbiedt de verrader en zegt hem dat iemand die zo wreed, zelfzuchtig en vals is als hij, niet verdient te leven. De chief geeft opdracht de verrader en zijn gezinsleden vast te binden en in zee te gooien, want het is voor de Zimbas niet raadzaam vlees te eten dat zozeer is bedorven. De Zimbas zetten hun opmars in noordelijke richting voort. Zij kamperen tegenover Mombaça, maar kunnen niet naar het eiland oversteken; het kanaal is te diep om te doorwaden en er zijn geen verraders. En Ali Bey legt twee van zijn galeien bij Makupa om het eiland te beschermen. Juist in die tijd arriveert de Portugese vloot bij Mombaça en dwingt de Turken op twee fronten te strijden.

Voordat de Turkse galeien de Rode Zee voor de tweede keer verlaten, worden de voorbereidingen daartoe gerapporteerd aan de Capitão aan de Malindikust. Deze zendt een fusta met de verontrustende tijding naar Goa en verzoekt om hulp. De capitão-geral, Manuel de Sousa Coutinho, brengt haastig een armada bijeen, bestaande uit twee galeãos, vijf galeras, zes galeotas en zes fustas, waarop zich duizend soldaten bevinden. Omdat Martim Afonso de Mello in Ormoez is overleden en daarom zijn taak een fort te bouwen in Muscat aan zijn opvolger moet overlaten, geeft de gouverneur zijn broer, Tomé de Sousa Coutinho, het bevel over de vloot. De vloot verlaat Goa op 3 (Boxer) of 30 (Axelson) januari 1589. Een galera maakt in zwaar weer water en keert terug; en verschillende vaartuigen zijn gedwongen lading overboord te zetten en de galeãos hebben het ook zwaar te verduren en verliezen het contact met de vaartuigen met roeiers die aan de kust van Somalië behoed worden voor aan de grond lopen dankzij een paar toevallige vuren aan de kust.

De schepen verzamelen zich in Brava, waar bevestiging ontvangen wordt dat de Turken inderdaad op weg zijn naar het zuiden. De vloot vertrekt daarom zo spoedig mogelijk en bereikt op 22 februari Faza, dat opnieuw bevolkt en ten dele herbouwd is. De nieuwe sultan, die doodsbang is, vraagt om veiligheidsgaranties, voordat hij het vlaggenschip zal bezoeken. Hij krijgt de gevraagde garanties en wordt hoffelijk door Tomé de Sousa Coutinho ontvangen. De capitão-mór belooft een vredesverdrag met hem te zullen sluiten, op voorwaarde dat hij zal bewijzen een trouw vriend te zijn van de Portugezen en dat hij de Turken zal afwijzen. Coutinho zendt een bericht naar de stad Pate, waarin gevraagd wordt om anti-Mombaça gezinde krijgers voor landoperaties tegen Mombaça. De vloot zeilt naar Lamu om water in te nemen. Hier ontvangt Coutinho een boodschap van Mateus Mendes de Vasconcelos, die rapporteert dat Ali Bey in Mombaça is aangekomen. De Capitão aan de Malindikust dringt erop aan dat de vloot zo snel mogelijk naar Mombaça vaart, om te voorkomen dat Ali Bey op de nadering van de vloot wegglipt. Op 3 maart arriveert de vloot in Malindi, waar Mateus Mendes in persoon rapport uitbrengt aan Coutinho. De capitão-mór vraagt naar de sultan; deze komt aan boord op het vlaggenschip en Coutinho geeft hem een geschenk van zijn broer, gouverneur-generaal Manuel de Sousa Coutinho. De vloot vervolgt haastig haar weg nadat Mateus Mendes daaraan een galeota en een fusta heeft toegevoegd. Tijdens de reis verneemt Tomé de Sousa Coutinho waarom de sultan van Pemba in Malindi verbleef. Op Pemba wonen veel Portugese oud-soldaten en oud-kooplieden die feitelijk de lakens op het eiland uitdeelden. Zij vielen de eilandbewoners voortdurend lastig. Zij stelen het toebereide voedsel uit de keukens van de inheemsen, omdat zij te lui zijn zelf te koken en zij eigenen zich alles toe wat van hun gading is. De inheemsen zijn daardoor zo geïrriteerd geraakt, dat zij onverwachts een aanval op de vreemdelingen hebben ondernomen. Zij zijn ook te hoop gelopen tegen het paleis, omdat de sultan niets heeft ondernomen om de Portugezen in toom te houden. De Portugezen die de opstand hebben overleefd en de gehate sultan zijn in pangaios naar Malindi gevlucht.

De vloot van 19 vaartuigen verschijnt bij het aanbreken van zondag 5 maart bij Mombaça. De Turken vuren een groot kanon van het pas gebouwde fort af en ontvouwen vlaggen ten teken dat zij de strijd willen aangaan. Kleinere stukken schieten ijzeren kogels af, waarmee zij de vloot op afstand houden, terwijl de capitão-mór juist voorbereidingen treft voor een landing. Hij geeft Mateus Mendes de Vasconcelos opdracht de voorhoede, die bestaat uit de kleinere schepen te leiden. Daarna volgen de galeotas en tenslotte komen de galeras, op een waarvan de capitão-mór zich bevindt. De schepen naderen de haveningang met wapperende vlaggen, het roeren van trommels en trompetgeschal. Het fort opent het vuur, dat door het vlaggenschip wordt beantwoord, waarbij een gelukkig schot de chief van de Turkse schutters doodt. Het schieten van het fort wordt gestaakt en het garnizoen vlucht de stad in. De Portugezen denken Ali Bey, prominent rijdend op een paard, te kunnen onderscheiden. Een jonge edelman stormt met vijf companen aan land; zij vinden het fort verlaten, op twee dode en twee nog levende Turken na. Zij sturen de laatsten weg en halen de zijden vlaggen naar beneden. De leidende Portugese schepen enteren de twee galeien en de fusta die voor de stad voor anker liggen en in ‘minder dan vijf credo’s’, zoals Couto zich uitdrukt, zijn de Turken aan boord dood of zij liggen in het water. Enige Portugezen springen, met het zwaard tussen hun tanden, de laatsten achterna en doden hen op het strand. De capitão-mór geeft enige schepen opdracht naar het uiteinde van het eiland te varen, waar Ali Bey’s twee andere galeien worden genomen, ofschoon de Turken aan boord van deze galeien meer tegenstand bieden, omdat zij geen alternatief hebben. Enige Turken ontkomen naar het vasteland, waar zij prompt worden gedood door de Zimbas, en vervolgens door hen worden verorberd. De Turken die de strijd overleven geven de voorkeur aan gevangenschap bij christenen. Aan boord van de Turkse schepen vinden de Portugezen grote rijkdommen aan goud en, amber en ivoor, fijne kleding, civet en slaven, om nog maar te zwijgen over 29 stuks artillerie, waarvan 23 bronzen kanonnen. Zij bevrijden een aantal christenen die aan de roeibanken gekluisterd waren. De operaties over de hele dag kosten het leven aan slechts vier Portugezen, ofschoon er velen gewond zijn. De commandant schat het aantal gesneuvelde Turken op 100, terwijl er 70 zijn gevangengenomen.

Die nacht, verzoekt de sultan van Mombaça om vrede, wetende dat zijn vluchtweg hem bij de Zimbas brengt. Tomé de Sousa Coutinho antwoordt met de boodschap dat hij de verzekering wil hebben dat de Turken die nog in Mombaça verblijven aan hem zullen worden uitgeleverd en wel binnen 24 uur. Maar geen Turk geeft zich over en daarom landen 500 Portugezen op de morgen van 7 maart, onder de vlag met de figuur van Christus met het kruis. De inwoners van de stad vluchten het bos in en de Portugezen ontmoeten geen tegenstand. Zij plunderen de stad en steken haar vervolgens in brand. Na 1505 en 1529 is dit de derde maal dat de Portugezen Mombaça verwoesten. Aan het strand wordt een aantal vaartuigen, met inbegrip van een met tamelijk grote afmetingen, genomen. Coutinho ontvangt van de Zimbas een boodschap waarin zij voorstellen tezamen met de Portugezen met de Turken af te rekenen. De Portugezen hebben hiertegen geen bezwaar en Santos spreekt zelf over aanvaarding van het voorstel. De Zimbas overstromen op 15 maart het eiland. Zij doorzoeken de bosjes kokospalmen en kammen het struikgewas uit naar Turken en stadsbewoners die zich hebben verstopt en die naar het strand vluchten. Ali Bey rijdt op zijn paard de zee in en de Portugezen redden hem en dertig leidinggevende Turken, ofschoon een regen van pijlen op hen neerdaalt. Zij nemen ook 200 inwoners van Mombaça gevangen, onder wie een zoon en een broer van de sultan van Kilifi.

Op 15 maart, de laatste dag van de operaties, arriveren de twee galeãos in Mombaça, met welke schepen het contact tijdens de storm in de Arabische Zee verloren is gegaan, tezamen met de prins van Pate, die aan het hoofd staat van een aanzienlijke strijdmacht uit die stad. De schepen vuren hun kanonnen af om het Portugese succes te vieren, ofschoon het nog niet zeker is of zij ook de uiteindelijke overwinnaars zullen zijn. Tomé de Sousa Coutinho geeft de Capitão aan de Malindikust opdracht de sultan van Pemba zijn troon te hergeven, voor welk doel capitão Mateus Mendes de Vasconcelos met diverse schepen van de vloot vertrekt, voor een strafexpeditie naar Pemba. Daar wordt geen weerstand ondervonden en de verdreven Portugese factor en de sultan keren terug op het eiland, maar de sultan zal na korte tijd opnieuw de wijk moeten nemen. De rest van de vloot verlaat Mombaça op 22 maart en zeilt naar Malindi, waar de schepen enthousiast worden verwelkomd. De capitão-mór laat twee schepen en een aantal soldaten in Malindi achter, om de sultan zo nodig te helpen als de stad zou worden aangevallen door de Zimbas.

De vloot bereikt op 28 maart Lamu. Sultan, Bwana Bashira, komt naar de galeien toe om de capitão-mór zijn respect te betuigen, maar deze geeft opdracht de sultan te grijpen en hem subiet aan de riemen te zetten. Tijdens een belegde vergadering wordt besloten Bwana Bashira te executeren als een waarschuwing aan het adres van andere afvallige sultans. De vloot zet haar reis voort naar het eiland Pate. Tomé de Sousa Coutinho beveelt de prins van Faza en de sultan van Siyu en hun volgelingen zich op 6 april op het strand te verzamelen. Hier hebben de Portugezen een platform opgericht en na toespraken in het Portugees en het Swahili wordt Bwana Bashira als verrader en rebel bestempeld. Hij wordt ervan beschuldigd Roque de Brito en andere Portugezen aan de Turken te hebben uitgeleverd en zelf een bondgenootschap met hen te zijn aangegaan. Vervolgens wordt Bwana Bashira onthoofd. Daarna ondergaat de broer van de sultan van Kilifi hetzelfde lot. Twee bestuurders uit de stad Pate, die naar de Rode Zee zijn gereisd om Ali Bey te vragen terug te komen naar de Swahilikust en die hem naar Mombaça hebben gebracht, worden ook onthoofd, maar omdat zij niet van koninklijke bloede zijn, worden zij geëxecuteerd aan de voet van het platform en hun lichamen worden gevierendeeld en in Pate aan de bevolking getoond. De capitão-mór veroordeelt de stad Pate bovendien tot betaling van 4.000 cruzados boete, omdat de stad zich niet tegen de Turken heeft verzet. Bovendien moet een fort worden afgebroken dat kortgeleden is gebouwd. De sultan van Siyu, die de gebeurtenissen met stijgende bezorgdheid heeft gevolgd, wordt vervolgens gearresteerd omdat hij de Turken heeft verwelkomd en Mombaça en Pate niet te hulp is gekomen. Zijn stad wordt een boete opgelegd van 3.000 cruzados, moet de stadsmuren afbreken en zolang een en ander niet is gebeurd, wordt de sultan in een galei aan de riemen gezet. Tomé de Sousa Coutinho zendt dan een aantal van zijn kleinere schepen naar Manda. De bewoners ontvluchten de stad bij de komst van de Portugezen, die daarop de stad tot de grond toe afbreken. Zij kappen daarna duizend kokospalmen in de buurt van de verwoeste stad, waarbij onwillige mannen uit Pate gedwongen worden de soldaten te helpen.

Als de strafexpeditie op 10 april voltooid is, verlaat de vloot Pate en gaat voor anker bij Faza. Hier sluit Tomé de Sousa Coutinho een plechtig verdrag met de prins, die op de koran zweert de vrede met de Portugezen te bewaren, de toegang tot zijn land te weigeren aan Portugals vijanden en in het bijzonder belooft geen fris water, loodsen en andere diensten aan de Turken te verstrekken. De prins belooft ook zich met de sultans van Siyu en Pate te verbinden tegen de Turken als zij zich nog ooit in deze wateren laten zien. Tenslotte belooft de prins jaarlijks twintig slaven te leveren voor de galeien van Portugees Indië. Hem wordt goed ingeprent dat als hij zich niet aan het verdrag houdt Faza hetzelfde lot zal ondergaan als Mombaça. Sousa Coutinho zweert vervolgens de prins in als de natuurlijke heerser van Faza. Soortgelijke verdragen worden aangegaan met de sultan van Siyu en met de nieuwe sultan van Pate. De vloot verlaat de wateren van Pate op 15 april en bereikt Goa op 16 mei 1589. Ali Bey wordt naar Portugal gezonden, waar hij zich bekeert tot het christendom. De andere Turken en met hen verbonden Arabieren en Swahili worden verdeeld over diverse galeien in Indië.

De achtereenvolgende overwinningen van de Portugezen, de Zimba en de Segeju plaveien de weg voor de bouw van een Portugees fort op het eiland Mombaça. Aanvankelijk is de Portugese Kroon tegen de bouw van een fort op het eiland Mombaça gekant en de koning is geneigd volledig te steunen op de trouw van Malindi. Op 21 januari 1591 schrijft koning Filipe I zijn gouverneur Manuel de Sousa Coutinho een brief waarin hij hem opdracht geeft advies in te winnen over de bouw van een fort in Mombaça bij lieden die ervaring hebben aan de Swahilikust. Het fort dient de Turken te weerhouden nogmaals de Swahilikust te bedreigen en het levert een algemene bijdrage aan de veiligheid in het gebied. Het eiland dient te worden overgedragen aan de sultan Muhammad van Malindi, die heeft gevraagt zijn persoon en zijn hof te mogen verplaatsen naar Mombaça, als beloning voor zijn loyaliteit. Koning Filipe schrijft ook dat uit de opbrengsten van het in Mombaça op te zetten douanekantoor (alfândega) het garnizoen daar zou kunnen worden betaald. Filipe vervolgt, omdat Malindi al een eeuw lang Portugal ononderbroken trouw is geweest, zou het eiland en de stad Mombaça aan de sultan van Malindi kunnen worden overgedragen, waarom niet alleen sultan Muhammad heeft verzocht, maar wat ook is aanbevolen door gouverneur Manuel de Sousa Coutinho. De sultan zou Mombaça in naam en tot genoegen van koning Filipe besturen en aan hem en zijn opvolgers zou al het land kunnen worden gegeven dat niet behoort aan de capitania Mombaça, waarin de capitania van de Malindikust is opgegaan, en aan Portugese bewoners. Het fort dient te worden gebouwd op de plaats waar de Turken eerst hun fort hadden gebouwd, of op een betere plaats als die zou kunnen worden gevonden. Het fort zal worden ontworpen en gebouwd door João Batista, die volgens Couto in Milaan is geboren en wiens achternaam Cairato is, zoals blijkt uit de steen die de bouwopdracht weergeeft. Cairato heeft in 1560 het toezicht gehad op de verbeteringen van de fortificaties van het eiland Malta, toen dit eiland vreesde voor een aanval van de Turken; hij is een gerenommeerd expert op het gebied van de bouw van forten geworden en op uitnodiging van koning Filipe is hij in 1577 naar Spanje gekomen; in 1583 is hij naar de Oriënt gezonden, als hoofdarchitect van de Estado da India.

De Zimbas, dringen ondertussen meedogenloos op van Mombaça naar het noorden. Zij naderen Malindi en de stadsbewoners, die worden ondersteund door slechts 30 Portugese soldaten en handelaren, werken furieus aan de verbetering van de verdediging van de stad. Veel Zimbas worden gedood met vuurwapenen, maar desondanks verkrijgen zij vaste voet in de benedenstad en zij zijn bijna meester van een bastion, als 3.000 Segeju-stamleden, opgeroepen door sultan Muhammad, in korte tijd arriveren en de achterhoede van de Zimbas overrvallen. Het zijn nu de Zimbas die tussen twee vuren inzitten en na zich vastbesloten te hebben verdedigd, worden zij tenslotte tot een ordeloze vlucht gedreven, waarbij zij worden achtervolgd door de Segeju, een Bantoe-volk dat korte tijd geleden uit het noorden is gearriveerd. Santos schat dat niet meer dan 100 Zimbas aan hun achtervolgers ontkomen; zij keren terug naar de vallei van de Cuama, vanwaar zij hun opmars zijn begonnen.

De sultan van Malindi wendt zich tot zijn krachtige en zegenvierende buren om een einde te maken aan langdurige vete met Kilifi, ongeveer halverwege tussen Malindi en Mombaça. Rovers uit dit gebied plegen inwoners van Malindi in hinderlagen te lokken en uit te schudden. In 1592 bestormt een strijdmacht bestaande uit Segeju, inwoners van Malindi en Portugezen de fortificaties die Mnarani, de belangrijkste stad van Kilifi, moeten beschermen. De stad wordt geplunderd en tot de grond toe verwoest. De buit is aanzienlijk en er worden ook veel gevangenen gemaakt. Overlevenden van Kilifi ontsnappen naar Mombaça. De stad is aan het herstellen en de sultan heeft een strijdmacht van ongeveer 5.000 Swahili en inheemse vazallen op de been gebracht, om een inval te doen in het gebied van de Segeju. De laatsten vallen de strijdmacht van de sultan aan en behalen de overwinning. In het gevecht zijn de sultan, drie van zijn zonen en een aantal andere leidinggevende inwoners van Mombaça gevallen. De Segeju achtervolgen de overlevenden tot op het eiland Mombaça, waar zij veel vrouwen, de overgebleven bestuurders en een jonge zoon van de sultan gevangennemen. De zoon van de sultan en de bestuurders worden aan boord van twee in Mombaça gevonden schepen overgebracht naar de haven van Malindi, waar de Capitão aan de Malindikust zeer bezorgd een aanval van troepen uit Mombaça afwacht. Groot is de vreugde als ontdekt wordt dat het wiel van fortuin naar de andere kant is gedraaid. De jonge prins uit Mombaça bewijst de sultan Muhammad van Malindi eer. Sjeik Muhammad is de eerste sultan van een nieuwe dynastie (de laatste sjeik van de oude dynastie is door de Segeju gedood) De sultan en de Capitão aan de Malindikust zeilen direct naar Mombaça, waar de Segeju het eiland overdragen aan de sultan. Nadat de Zimba het eiland Mombaça verlaten hebben, schijnt het enige tijd te zijn bezet, eerst door de sjeik van Kilifi en dan door de Segeju, die er in 1592 geen bezwaar tegen hebben om het eiland over te dragen aan de heerser van Malindi en aan de Portugezen, omdat zij een volk van veehoeders en niet van stedelingen zijn. Sultan Muhammad kiest Mombaça als zijn residentie en laat Malindi in zijn naam besturen door gouverneurs.

In deze tijd steken veel leden van de Kilindini-stam, waarvan de meerderheid van de heden ten dage in Mombaça levende oude families afstamt, van het vasteland de Makupa-kreek over en vestigen zich in de Swahili-kustdorpen ten zuiden van Mombaça-stad. Zij doen dit met toestemming van de Portugezen en wellicht ook van sultan Muhammad die het eiland, dat vrijwel uitgemoord is door de Zimba, opnieuw willen bevolken. Voor bijzonderheden over de Swahilikust zijn we volgens Boxer aangewezen op hetgeen de dominicaan Frei João dos Santos en de franciscaan Gaspar de São Bernardino ons hebben nagelaten. Het fort in Mombaça en de gehele kust van Cabo Delgado tot Brava staat onder jurisdictie van de Capitão aan de Malindikust die, evenals alle capitães van de forten in Portugees Azië benoemd is voor een termijn van drie jaren. Deze capitão heeft feitores gestationeerd in elk van de Swahili-centra: Kilwa, Mafia, Pemba, Zanzibar, Lamu en Pate. De handel bestaat voornamelijk uit ivoor, grijze amber, de schilden van schildpadden, slaven, was, gierst en rijst, welke goederen vooral worden geruild voor textielwaren van katoen en kledingstukken uit Indië, ofschoon Pate zelf in die tijd beschikt over een bloeiende textielnijverheid die voor een groot deel aan de regionale vraag tegemoet komt. Langs de kust en op de eilanden is voedsel over het algemeen goedkoop en in overvloed aanwezig. Pemba voert citrusvruchten en kippen uit en Mombaça is een exporteur van vis. Op Zanzibar en Pemba groeit ook veel suikerriet, maar de Swahili zijn te onwetend of te lui om daaruit suiker te verkrijgen. Aan de andere kant zijn het bouwen van vaartuigen en de vervaardiging van matten en hoeden van stro bloeiende plaatselijke industrieën. De Swahili-steden worden omschreven als goedgebouwd, met huizen van meerdere verdiepingen, maar – naar Arabisch gebruik – met erg nauwe straatjes en steegjes. Kilwa verkeert in vergevorderde staat van verval, maar zijn kolossale half tot een ruine vervallen moskee geeft de bezoeker nog een indruk van Kilwa’s vroegere grootheid. De Swahili-heersers zijn allen schatplichtig aan de Kroon van Portugal, maar de jaarlijks ingezamelde bedragen variëren in ieder individueel geval. Pate en Faza schijnen in 1606 de meest welvarende steden te zijn , ondanks de drastische behandeling die zij vijftien jaar eerder hebben ondergaan. De Swahili worden door de twee paters omschreven als in hoge mate geafrikaniseerd en – volgens Santos zijn de meeste Swahili sjiieten, ofschoon er ook een aantal Soennieten woont. Op Pemba floreert hekserij en tovenarij.

In januari 1593 zendt vice-rei Mathias de Albuquerque (1591-1597) een vloot van zes fustas, vier galeotas en een galeão uit. De vloot vervoert: artillerie, munitie, kleding en geld, steenhouwers, metselaars, zagers, timmerlieden, soldaten, officieren en ambtenaren voor de bouw van het fort in Mombaça. Capitão-mór is de ervaren Mateus Mendes de Vasconcelos, die gemachtigd is de plannen die Cairato op tafel legt goed te keuren als zij hem passend voorkomen. Cairato heeft ook tot taak de beste plaats voor het fort, waarvan Mateus Mendes capitão wordt uit te kiezen. Zijn regimento luidt dat hij Moçambique moet beschermen tegen aanvallen vanuit het noorden en hij dient de gehele Malindikust schatplichtig te maken aan de Portugese Kroon. Op 11 april 1593 starten de bouwwerkzaamheden. Het fort zal verrijzen op een verhoging waar de ingang tot de binnenhaven overzien kan worden. Het werk vlot goed, dankzij de speciaal aangestelde mestre das obras, ene Gaspar Rodrigues. ‘Gebouwd volgens een hoogst origineel plan, heeft Forte Jesus door de eeuwen heen geen structurele wijzigingen behoeven te ondergaan. Hoewel gebouwd in de zeventiende eeuw, blijft het een opmerkelijk product van architectonische theorie uit de zestiende eeuw en…zijn concept markeert een hoogtepunt van denkbeelden uit de Renaissance. Het plan is rechthoekig, bijna vierkant, met vier grote hoekbastions met karakteristieke uitstulpingen om de postities van de schutters te beschermen’. De namen van de bastions luiden: São Matias (als een eerbewijs aan Mathias de Albuquerque), São Mateus (naar Mateus Mendes de Vasconcelos), São Filipe (naar Philips II van Spanje, koning Filipe I van Portugal) en Santo Alberto (naar kardinaal-aartshertog Albrecht VII de Austria, onderkoning van Portugal). Bij alle forten uit die tijd blijken de verborgen zijkanten van de bastions de beste plaats te zijn om er de kanonnen te plaatsen. Hiervandaan kunnen de zijkanten van de bastions nauwkeurig in het oog worden gehouden en om de maximale effectiviteit van het geschut te verkrijgen, is de toegestane lengte van de muren zorgvuldig berekend, zodat deze niet zou uitgaan boven het bereik van het geschut. Er kan een voortdurend kruisvuur worden onderhouden als twee symmetrische bastions worden gebruikt om elkaar te beschermen en de aanvaarding dat bastions elkaar dekkingsvuur moeten kunnen geven, is een fundamenteel kenmerk sinds de introductie van geschut. In Forte Jesus kunnen de bastions São Filipe en Santo Alberto kruisvuur afgeven; de vorm van de andere twee bastions – São Matias en São Mateus – zijn ingegeven door de plaatselijke omstandigheden; zij kunnen geen kruisvuur afgeven, maar beheersen de zee optimaal. Het resultaat is – volgens Boxer en Azevedo – een zeer interessant ontwerp.

Terwijl voortgang wordt gemaakt met de bouw van Forte Jesus, stellen de autoriteiten in Goa regels op voor het douanekantoor, dat in 1594 wordt voltooid. Over alle handelsgoederen die naar Mombaça komen, onverschillig of zij uit Indië komen of van de kust van Malindi (zoals amber en ivoor, schelpen van schildpadden, pek en kokosvezels) dient 6%, plus 1% extra om het fort te financieren, aan rechten te worden betaald. Zij die deze rechten hebben betaald, kunnen de goederen verzenden waarheen zij willen (uitgezonderd vijandelijke gebieden) zonder iets te hoeven betalen, maar als de goederen worden verkocht of anderszins vervreemd, dient nogmaals 6%, plus 1% te worden betaald, bij het verlaten van het douanekantoor, hoewel over tarwe, meel, olijven, olie, wijn, rijst, gierst, bonen en vlees geen 6%, maar slechts 1% moet worden betaald. Ieder schip uit Portugal dat door weersomstandigheden genoodzaakt is Mombaça aan te doen en dat daar wordt gelost, betaalt geen belasting over handelswaren of voorraden levensmiddelen bij aankomst, maar is wel 6%, plus 1% verschuldigd als het gebied van het douanekantoor verlaten wordt. Ieder vaartuig dat vaart tussen Indië en Moçambique mag vrij ankeren in door de capitão afgebakend gebied, maar over de goederen die aan land worden gebracht is 6% plus 1% verschuldigd. Alle vaartuigen uit Indië of Moçambique die op weg zijn naar de Malindikust, zijn verplicht Mombaça aan te doen en daar 6% plus 1% te betalen, op straffe van confiscatie van schip en lading. Hetzelfde geldt voor vaartuigen komend van de Malindikust, die naar een andere haven varen. Informanten ontvangen eenderde van de waarde van geconfisqueerde goederen en de rest is voor de schatkist. Er worden geen uitzonderingen gemaakt; ook de capitão en de feitor mogen niet onbelast handeldrijven. De koning van Malindi, evenwel, krijgt voor zijn loyaliteit en verleende diensten gedurende twee Turkse invallen, eenderde deel van de 6% en hij is bevoegd zijn eigen rechten te heffen op handelswaren die van zijn hof naar het vasteland worden vervoerd.

Het is een hele opluchting voor koning Filipe als hij verneemt dat aan Forte Jesus wordt gebouwd en dat Mateus Mendes de Vasconcelos tot capitão daarvan is benoemd, omdat hij inlichtingen heeft ontvangen dat de Turken met een nieuwe expeditie, bestaande uit twee galeien en een fregat, naar de Malindikust willen komen. Hij stemt ermee in dat de vice-rei sultan Muhammad van Malindi de helft van de landerijen op Mombaça-eiland heeft gegeven, maar laat weten dat zijn instemming noodzakelijk is als de onderkoning van plan zou zijn hem landerijen op het vasteland te geven. De koning gaat ook akkoord met de stichting en reglementering van het douanekantoor. Ook de bouwplannen van Forte Jesus en het zenden van versterkingen en meer steenhouwers uit Indië naar Mombaça krijgt ’s konings goedkeuring. Hij hoort ook met voldoening, ofschoon de inlichtingen prematuur zijn, dat de bouw van het fort bijna is voltooid en dat vazallen van de sultan van Malindi goed hebben geholpen. Filipe weigert hardvochtig João Batista Cairato toestemming te geven de Estado da India te verlaten, voordat er een Portugese of Italiaanse opvolger is gearriveerd en verondersteld wordt dat Cairato in Goa is gestorven zonder Europa te hebben teruggezien.

De sultan van Malindi beziet de bouw van Forte Jesus met gemengde gevoelens. Hij juicht het optreden toe van zijn machtige Europese bondgenoten zolang zij hem helpen zijn plaats als belangrijkste vorst aan de kust te behouden, maar nu zij een permanente militaire basis in Mombaça aan het creëren zijn, die zijn eigen autoriteit overschaduwt, is sprake van een heel andere zaak. Hij schrijft brieven aan de koning van Portugal, waarin hij betoogt dat de bouw van het fort een zeer kostbare, maar onnodige uitgave is. Deze brieven hebben de koning tot 1597 niet bereikt en de brieven van Filipe I aan hem worden eveneens onderschept. De sultan aanvaardt eenderde deel van de opbrengsten van het douanekantoor als een vorm van beloning voor bewezen diensten. Maar hij klaagt erover dat de stichting van het douanekantoor de handel aan de kust kapotmaakt, speciaal de verplichting dat alle bootjes, onverschillig wat hun uiteindelijke bestemming ook mag zijn, zich eerst in Mombaça moeten melden, betreurt hij. De sultan schrijft ook dat schepen die uit Indië in Mombaça aankomen, de Malindikust thans overslaan en zij hebben grote moeite tegen de moesson in naar deze kust terug te keren. Hij vraagt dat het zijn vaartuigen op zijn minst wordt toegestaan zich vrij naar alle havens aan de Swahilikust te begeven, zonder dat belasting moet worden betaald. Hij vraagt ook ieder jaar een schip naar Mecca te mogen zenden. Hij klaagt ook over de tirannieke acties van de Capitão van Mombaça, António Godinho de Andrade, die Mateus Mendes de Vasconcellos in 1596 is opgevolgd. Hij klaagt er ook over dat hij buiten zijn geboorteland moet leven. Tenslotte maakt de sultan aanspraak op het eiland Pemba, welks sultan overleden is.

De nieuwe vice-rei Dom Francisco da Gama, conde de Vidigueira, (1597-1600) heeft de gelegenheid de klachten van sultan Muhammad persoonlijk te onderzoeken. Hij zeilt in april 1596 uit, brengt in september van dat jaar een kort bezoek aan Moçambique en reist door naar Indië. Hij slaagt er niet in Indië te bereiken en is gedwongen terug te keren. Hij ankert op twaalf léguas van Faza. De heersers van Faza, Pate en Lamu komen naar het schip. Dom Francisco ontvangt hen goed en hij bekrachtigt het bedrag van de schatting die zij aan de Portugese Kroon verschuldigd zijn. Hij schenkt ook aandacht aan hun klachten over Portugese kooplieden die aan de kust handeldrijven en Diogo de Couto geeft als zijn mening dat dit soort kooplieden altijd, of bijna altijd, schandalen veroorzaakt, waar zij ook optreden. Dom Francisco neemt fris water in en zeilt naar Mombaça, waar hij op 4 december aankomt en waar hij verwelkomd wordt door capitão António Godinho de Andrade. En waar hij de volgende moesson zal afwachten. Hij geeft opdracht een onderkomen voor hem te bouwen op 150 passen van de bron die het fort van water voorziet. Sultan Muhammad brengt een bezoek aan Dom Francisco en bespreekt met hem de werking van het douanekantoor. De sultan legt de onderkoning uit hoezeer de alfândega de handelsstructuur langs de gehele kust verwoest. De prins van Pemba die, wegens zijn pro-Portugese houding al twee keer van dat eiland verdreven is, komt ook bij Dom Francisco klagen; hij vertelt hem dat hij door de overweldiger van het eiland van de troon gestoten is. De onderkoning toont zich gevoelig voor zijn klacht en belooft hem te zullen helpen; hij zal hem mee naar Goa nemen, waar hij een vloot bijeen zal brengen om hem zijn troon te hergeven. De van Pemba verdreven sultan bekeert zich in Goa tot het christendom en treedt in het huwelijk met een van de Portugese weesmeisjes, die periodiek door de Kroon naar Indië worden gestuurd. Als later een tweede poging de verdreven vorst opnieuw op de troon van Pemba te doen plaatsnemen, moet worden afgebroken, zal vice-rei Dom Francisco da Gama alle Portugese kolonisten en oud-soldaten die naar Pemba zijn teruggekeerd opdracht geven het eiland te verlaten en zich te vestigen op Mombaça-eiland, waar zij beter in de gaten kunnen worden gehouden. Een van zijn laatste daden die Dom Francisco da Gama in Mombaça verricht voordat hij doorreist naar Indië, is toe te staan dat een kluizenaarshut die uitziet op de haven, wordt veranderdii in een klooster, waarin paters augustijnen kunnen worden ondergebracht. Omdat de augustijnen ervaring hebben met de bekering van moslims en zij ook werkzaam zijn in Muscat en Ormoez in de Perzische Golf, geeft hij deze orde de verantwoordelijkheid voor de prediking van het christendom op het eiland Mombaça en aan de Malindikust, waarvan tot dan toe nog geen sprake is. De aartsbisschop van Goa zal later in 1597 Pedro de Nazaret en drie andere paters naar Mombaça zenden, om het huis te bewonen en een seminarie te starten en nog voor het einde van de zestiende eeuw beweren de augustijnen dat zij in een jaar 1.200 personen hebben gedoopt – onder wie de zoon van de gouverneur van Malindi – en van 4.000 zielen de biecht hebben afgenomen.

Boxer laat weten dat er, naast een half dozijn augustijnen in Mombaça een eenzame missionaris in een kleine kerk in Faza werkzaam is en wellicht ook een in Lamu. Tot de dag van vandaag wordt in Malindi bezoekers de ruïne aangewezen van een kapel, maar in 1606 treft Gaspar de São Bernardino in Malindi geen Portugezen aan. Op Zanzibar moet een kerk of kapel geweest zijn, waar – althans tijdelijk – een niet-augustijn werkzaam is geweest. De missionarissen boeken weinig succes aan de Swahilikust, evenals elders in de moslimwereld. Zij bekeren enkele slaven en heidense Bantoes, maar zijn in hoofdzaak werkzaam onder hun landgenoten en hun mulattokinderen.

Dom Francisco da Gama rapporteert aan Lissabon dat het douanekantoor jaarlijks al 4.500 cruzados opbrengt, wat een geweldige vooruitgang is. Hij is van oordeel dat het aandeel van de sultan van Malindi hierin, zijnde 1.500 cruzados, een ruime beloning is voor zijn verdiensten, zodat zijn aandeel op dit bedrag kan worden bevroren. Dit, evenwel, is koning Filipe geenszins van plan te doen en hij laat weten dat de sultan een derde deel van de opbrengst van het douanekantoor blijft ontvangen, onverschillig op welk bedrag dit uitkomt. De koning staat echter afwijzend tegenover de aanspraak van de sultan op Pemba, waar de onderkoning geen tegenstander van is. Filipe stelt dat Francisco Barreto op Pemba een nieuwe sultan heeft geïnstalleerd, die een vazal is geworden van de Kroon van Portugal en die derhalve verplicht is jaarlijks schatting te betalen. Zijn zoon heeft geholpen bij de bouw van Forte Jesus en toen in 1595 de Swahilikust opnieuw werd bedreigd door de Turken, is hij direct met veel volgelingen naar Mombaça gekomen, om het fort te bevoorraden en te verdedigen. Veel bewoners van Pemba vonden dat hun sultan en zijn zoons te sympathiek staan tegenover de Portugezen en het christendom. De sultan en zijn zonen zijn dan ook vermoord; alleen de jongste zoon heeft het bloedbad overleefd en die is door Dom Francisco meegenomen naar Goa. Hij heeft beloofd een christen te worden. Daarom wil de onderkoning hem laten trouwen met een Portugese en hem als koning de troon van Pemba laten bestijgen. Maar uiteindelijk heeft de prins geweigerd het christendom te aanvaarden, reden waarom Dom Francisco de claim op de troon van Pemba van de sultan van Malindi ondersteunt. Maar Filipe verklaart, terecht, dat het onjuist is dat de troon naar een vreemde gaat en hij geeft opdracht dat de broeder van de vermoorde sultan, ook al blijft hij een moslim, de troon verwerft. Maar geestelijken in Goa gaan door met het uitoefenen van zware druk op de jonge prins en als hij tenslotte naar Pemba terugkeert, ontstaat er opnieuw een opstand, waarbij de jonge aspirantkoning en veel Portugezen die niet tijdig de bakens verzet hebben, van het eiland verdreven worden.

Een andere consequentie van het bezoek van Dom Francisco da Gama aan Mombaça is, dat de havens die het eiland omringen voor de eerste keer volledig onderzocht zijn. De loods Manuel Monteiro is in het bijzonder onder de indruk van Twarka, het moderne Kilindini; de ingang tot de haven wordt gemarkeerd door een prominente padrão, en de haven is zo’n diepe veilige ankerplaats, dat er al direct stemmen opgaan om van Mombaça de belangrijkste aanloophaven op de zeeweg naar Indië te maken, wat het ook zal worden. De Portugese gouverneurs aan de Swahilikust zullen resideren in Forte Jesus, dat de belichaming wordt van de Portugese macht in dit deel van de wereld en daarmee het belangrijkste doel van hun vijanden.

i F.J. Berg merkt in zijn bijdrage aan Zamani’s A survey of East African History, Nairobi, 1968 op: Zowel de destructieve kracht van de Zimba als hun kannibalistische eetlust schijnen door Portugese en latere historici schromelijk te zijn overdreven.

ii Volgens Boxer en Azevedo (pag. 30) bezitten de augustijnen op Mombaça een klooster in de stad en een kluizenaarshut daar buiten.

Deel 15: De Estado da India in de jaren 1558-1581, De Estado da India in de jaren 1581-1597, De komst van Hollanders en Engelsen naar Indië 1597-1600

x

Check Also

Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De Malediven. Expansie van het Império Português (1515-1521)

Deel 6 Index Hoofdstuk 7 Expansie van het Império Português (1515-1521) 7.1 De Malediven Geschreven door Arnold van ...

banner
Close
GDPR
EU laws require that we request your consent to the use of cookies. We use cookies to ensure that our site works properly. Some of our advertising partners also collect data and use cookies to publish personalized ads.




Subscribe to our YOUTUBE channel: