Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike
Torre de Belém, Lissabon, Portugal. Auteur Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

Vergeefse Hollandse pogingen zich meester te maken van Macau en van het monopolie van de handel met China. De komst van andere Europeanen naar het Verre Oosten

Deel 20 Index

Hoofdstuk 2

De komst van andere Europeanen naar het Verre Oosten

2.6 Vergeefse Hollandse pogingen zich meester te maken van Macau en van het monopolie van de handel met China

Geschreven door Arnold van Wickeren

De idee van een Hollandse aanval op Macau is in 1622 niet nieuw. Afgezien van de overvallen van 1601, 1603 en 1607, die niet beoogden de kolonie te veroveren, dateert het plan van verovering van Macau om de plaats te gebruiken als een commerciële basis in China vanaf het moment dat de Nederlanders de factorij in Hirado hebben gesticht, dus in 1609.

De Nederlandse handel in deze kleine vissersplaats – waar de Engelsen van 1613 tot hun bankroet in 1623 ook zijn gevestigd – kan onmogelijk op gelijke basis wedijveren met hun Portugese concurrenten in Nagasaki. Dankzij hun positie in Macau en bijgevolg gemakkelijke toegang tot de markt in Canton, verkeren de Lusitaniërs in de meest gunstige positie voor het verkrijgen van ruwe zijde en zijdeproducten voor verkoop in Japan. De Hollanders hebben geen steunpunt in China, geen toegang tot welke haven ook, zijn afhankelijk van kleine hoeveelheden die zij kopen in Patani en (na 1619) Batavia, of van het kapen van Portugese en Chinese schepen in de Chinese Zee. De Japanse autoriteiten zien deze zeeroversactiviteiten met lede ogen aan en vaak beschuldigen zij de Hollanders ervan meer piraten dan handelaren te zijn.

Het project van het stichten van een Hollandse basis op of nabij de Chinese kust is een van de favoriete doelen van Jan Pieterszoon Coen en een doel dat hij bij de Heren XVII te pas en te onpas bepleit. In januari 1614 schrijft hij hen een brief, waarin hij een aanval op Manila en Macau bepleit, bewerende dat het gemakkelijk zal zijn een groot aantal Japanse huursoldaten in zijn expedities op te nemen. De bezetting van Macau, legt hij bij deze en vele andere gelegenheden uit, stelt de Hollanders niet alleen in staat de Portugezen op te volgen als aanbieders van Chinese zijde voor de Japanse markt, maar zij brengt ook het belangrijkste steunpunt van het Lusitaanse Aziatische rijk in Nederlandse handen. Het zal de Spanjaarden in de Filippijnen beroven van hun hulp-middelen en het zal de latere bezetting van Malakka en Manila, die het Iberische koloniale rijk in tweeën zal splijten, gemakkelijker maken. En last but not least, de bezetting van Macau geeft de Nederlanders een wurggreep op de Chinese overzeese handel, en nog belangrijker, geeft hen directe toegang tot de “welvaart en producten uit China, die door de gehele wereld worden begeerd”.

Dus Coen is een optimistisch man en als zijn dagdroom van Hollandse hegemonie in de maritieme handel van Azië vandaag de dag uitermate ambitieus lijkt, in die tijd leek de droom niet ver af te liggen van wat mogelijk werd geacht. Op voorwaarde dat de Chinezen de Hollanders in plaats van de Portugezen in Macau accepteren en gegeven de afwezigheid van effectieve Iberische, Engelse en Japanse wedijver, zouden de Hollanders met hun ondernemingsgeest, hulpbronnen en kracht een monopolie van de zeehandel tussen Kaap de Goede Hoop en Japan hebben kunnen opbouwen dat completer zou zijn dan dat van hun Portugese voorgangers in de zestiende eeuw. De mogelijke resultaten van zulk een monopolie op de overzeese expansie van China en Japan is een fascinerend onderwerp voor speculatie; maar aangezien de zaken anders zijn gelopen, moeten we teruggaan naar de beschouwing over het lot van Coens plan.

De Nederlanders in Batavia denken dat zij geen al te zware tegenstand te verwachten hebben bij een aanval op Macau, dat zij kennen als een open stad en zij staan niet alleen in die visie. Richard Cocks die in september 1621 aan zijn superieuren in Londen schrijft, beveelt warm het project aan van een gecombineerde Anglo-Hollandse expeditie, die hij met de volgende woorden bepleit: “Het is zeer zeker dat onze defensievloot met weinig gevaar een aanval kan doen op Amacon in China, dat wordt bewoond door Portugezen. Want de stad is niet omgeven met muren en de koning van China zal hen niet toestaan dat te doen of fortificaties te maken of een platvorm op te richten en drievierde deel van de inwoners zijn Chinezen.” Wat de staat van de fortificaties van Macau aangaat, zijn de inlichtingen van Cocks dicht bij de waarheid en deze worden bevestigd en aangevuld door een verzekering door de Hollanders. Zij hebben namelijk aan boord van het Portugees prijsschip Gallias, dat eind 1621 is genomen voor Malakka, brieven gevonden. Afgaande op deze onderschepte brieven en op de beschikbare inlichtingen in Japan, gaan Coen en zijn Raad er vanuit dat Macau niet in een positie verkeert dat het zich effectief kan verdedigen tegen een serieuze aanval. Dus in de preambule van de instructie voor de Hollandse admiraal die het bevel voert over de expeditie, staat: “….Macau is altijd een open plaats geweest zonder garnizoen, die, ondanks dat zij is voorzien van een kleine hoeveelheid munitie en enige ondiepe loopgraven, gemakkelijk kan worden veroverd door een strijdmacht van duizend of 1.500 man die Macau kunnen veranderen in een sterkte die we kunnen verdedigen tegen de gehele wereld.” Elders in hetzelfde document wordt deze bewering ondersteund op basis van het volgende; “Sinds wij en de Engelsen met Japan handeldrijven met vele schepen, is de bevolking in hoge mate gealarmeerd. De plaats is daarom versterkt met enige bolwerken, en er zijn twaalf kanonnen uit Manila gearriveerd, terwijl nog vijf kanonnen worden verwacht. Zij wilden de stad gaarne fortificeren, maar de Chinezen wilden daarvoor geen toestemming geven, zeggende dat daarvoor tijd genoeg is als de vijand daadwerkelijk verschijnt. Zij dwingen de Portugezen een paar kleine stenen gebouwen te verlaten, die de jezuïeten hebben gebouwd op een bepaald eiland (Ilha Verde), ongeveer 18 jaren geleden; thans wonen er in Macau 700 à 800 Portugezen en Indo-Europeanen naast ongeveer 10.000 Chinezen. De regeringsvorm is zo verward dat een bepaalde jezuïet heeft gezegd dat tenzij de koning een capitão zendt om de verantwoordelijkheid voor de stad op zich te nemen, de stad verlaten zal worden of in handen zal vallen van de Chinezen of de Hollanders. In oktober 1621 wordt de inwoners van Macau verteld te zorgen voor een contingent van honderd man en enige kanonnen om tegen de Tartaren te vechten. Dit bevel is in naam van de koning van China overgebracht door de mandarijnen van Peking. De jezuïeten die voorheen door deze mandarijnen uit Peking zijn verdreven, worden thans opnieuw belast met het onderwijzen van de Chinezen in het gebruik van deze kanonnen. Iedere man van het contingent van Macau ontvangt 150 taëls, naast een maandelijkse wedde. De Portugezen zijn zeer ingenomen met dit nieuws, daar zij hopen hierdoor een vrije haven en goede handel met China te verkrijgen, naast de bekering van China tot het christendom.”

De laatste paragraaf is een toespeling op de prestaties van de christen mandarijn Paul Hsu Kwang-ch’i, die eraan herinnert dat de troon de bediening van een uit Macau afkomstig kanon in 1620 toevertrouwt aan artilleristen tegen de invasie van de Manchu’s. Allereerst zijn vier bronzen kanonnen gezonden, die in november 1621 worden gevolgd door een contingent van dertig man. Zij bereiken Peking in de maand mei van het jaar 1622, maar ofschoon zij goed worden ontvangen door de keizer, worden zij na een paar maanden alweer weggezonden, nadat een van hen is omgekomen bij het uit elkaar barsten van een kanon tijdens schietoefeningen. Aan de andere kant is de inlichting volkomen accuraat en dit brengt ons tot de volgende beschouwing van Macau’s verdediging in 1622.

Er is een batterij geschut bij de ingang van de binnenhaven, waar in 1629 het Forte de Santiago da Barra is gebouwd, dat nog gedeeltelijk bestaat. Er is ook een batterij in Forte São Francisco, op het hoogste punt van Macau. De derde batterij staat bij Bomparto, aan een van beide uiteinden van de halvemaanvormige baai tegenover de buitenhaven. Deze forten worden kennelijk verdedigd door aarden wallen of lage stenen muren. De citadel van São Paulo, waaraan de jezuïeten in 1616 begonnen zijn, is in 1622 nog maar half afgebouwd. Dit schijnt alles te zijn geweest wat er aan fortificaties in Macau is, terwijl het aantal voor de verdediging geschikte mannen is aangetast doordat veel burgers van Macau zich in Canton bevinden, waar zij goederen voor de handel met Japan op de jaarlijkse markt aan het kopen zijn. In de oudste Portugese versie van de aanval op Macau wordt beweerd dat er slechts vijftig musketiers en honderd inwoners in de stad zijn die in staat zijn een wapen te dragen en dit wordt in grote lijnen bevestigd door een verklaring van de Hollanders dat hun latere verdediging voornamelijk berust op de vechtkracht van de slaven “want onze mensen zagen erg weinig Portugezen.” Aan de andere kant hebben openhartige figuren hieraan toegevoegd dat ofschoon het aantal Portugese inwoners gering is, zich onder hen enige “heldhaftige ridders en capitães bevinden. Zij hebben zich grote faam in dienst van de koning verworven, zoals een contemporaine kroniekschrijver laat weten. De vloot die voor de expeditie naar Macau in Batavia wordt uitgerust, bestaat uit een kern van acht schepen. Op weg naar China dient ieder Nederlands schip dat wordt ontmoet, zich bij deze vloot aan te sluiten; zij bestaat uit:

Schip tonnage bemanning kapitein
Zierikzee (vlaggenschip) 800 221 Cornelis Reijersen
Groningen 700 192 Willem Bontekoe
Oude Delft 700 196 Andriessen
Enkhuizen 500 165 D. Pietersen
de Galiasse 220 91 D. Floris
de Engelse Beer 96 L. Nanning
St. Nicholas 40 J. Constant
Paliacatta 23 J. Jacobsen

Precieze informatie over de bewapening van het eskader ontbreekt, maar het lijkt waarschijnlijk dat de grote schepen tussen de 20 en 40 kanonnen aan boord hebben, en de kleinere 10 tot 15. Onder de bemanningen bevinden zich enige laskaren en Maleiers, maar minder dan anders, want de soldaten die zijn uitgezocht om aan land te gaan zijn met groter zorg geselecteerd dan gewoonlijk. Coen is voldaan over de samenstelling van zijn strijdmacht en hij schrijft aan de Heren XVII dat het hem spijt dat hij deze magnifieke expeditie niet in eigen persoon kan leiden. De bewindvoerders van de VOC moeten deze brief (geschreven in september 1622) met gemengde gevoelens gelezen hebben, want zij hebben hun overijverige dienaar op 14 april geschreven “…..Er dient haast gemaakt te worden met de aanval op Macau, voordat de Portugezen tijd hebben gehad de stad te fortificeren. Wij geloven dat dit project in strijd is met onze eerdere voornemens. We hebben al meer dan genoeg kostbare oorlogen in Indië uit te vechten; wij wensen daarom dat u niets in dit opzicht onderneemt voordat u verder advies van ons hebt ontvangen, nadat wij meer inlichtingen over de zaak hebben ontvangen.” Maar deze waarschuwing komt te laat. Reijersen heeft de rede van Batavia verlaten vier dagen voordat de inkt van dit document is opgedroogd.

Zijn bevelen behelzen hoe dan ook een basis aan de Chinese kust te verwerven, onverschillig of daarvoor Macau moet worden aangevallen of niet. De uiteindelijke beslissing wordt overgelaten aan de bevelhebber van de expeditie en zijn raad – hij heeft de instructie ontvangen een gefortificeerde vestiging te stichten in de Pescadoren, wat Coen beschouwt als uit strategisch oogpunt zelfs beter gelegen dan Macau. Indien de Chinezen zich onwillig tonen om handel te drijven met de Hollanders in hun nieuw verworven basis, dan dient Reijersen alle Chinese schepen aan te vallen die hij ontmoet en de kust van China zo nauwgezet te blokkeren als mogelijk is. De gevangen-genomen bemanningen dienen naar Batavia te worden gezonden om dienst te doen als werkkrachten op Java en Banda. Coen vertrouwt erop dat zijn politiek van het onbeperkt vreesaanjagen de Chinezen spoedig tot rede zal brengen. En hij zou de woorden van Lord Elgin volmondig hebben bevestigd “dat de Chinezen nooit zwichten voor redelijkheid en alles doen onder dreiging met geweld.” Opeen-volgende gebeurtenissen bewijzen dat hij zich daarin vergist, zoals ook de Japanners zich drie eeuwen later blijken te hebben vergist als zij op basis van dezelfde onjuiste veronderstellingen hun agressie-politiek tegenover China bedrijven.

Cornelis Reijersen verlaat Batavia op 10 april 1622 en zet koers naar de kust van Annam. Coen heeft reeds zijn orders gezonden naar Willem Janszoon, admiraal van de Anglo-Hollandse defensievloot, die bezig is de haven van Manila te blokkeren, om hem te bevelen enige van zijn schepen te detacheren aan het eskader van Reijersen. Janszoon is ook verteld dat hij ieder aanbod van Engelse schepen hulp te bieden kan aanvaarden, als het om puur maritieme operaties gaat; maar hij mag in geen geval ingaan op een Engels aanbod mee te helpen bij de aanval op Macau of soldaten te leveren voor het garnizoen als de stad eenmaal veroverd is. Deze orders bereiken Willem Janszoon te laat om er nog wat mee te kunnen doen, maar hij heeft al twee Hollandse en twee Engelse schepen vrijgemaakt om de haven van Macau te blokkeren en dit eskader van vier schepen verschijnt 29 mei 1622 voor Macau.

Op 8 juni neemt Reijersen in de Baai van Camranh aan de kust van Annam, op bijna 12 graden noorderbreedte, brandhout en water in. Het is vanuit deze baai, een van de beste natuurlijke havens in het Verre Oosten, dat de Russisch-Baltische Vloot uitzeilt om haar ondergang in Tsushima in mei 1905 tegemoet te gaan. En het is van hier dat het grootste deel van het Japanse konvooi vertrekt om in december 1941 zijn troepen in Malakka aan land te zetten. Aan de kust van Indo-China sluit Reijersen zich aan bij vier Nederlandse schepen die hij opneemt in zijn vloot, terwijl hij een van zijn jachten met berichten voor admiraal Janszoon naar hem toezendt, zodat zijn vloot nu bestaat uit elf zeilen. Hij zet zijn reis voort en komt op 10 juni een Siamese oorlogsjonk tegen. De jonk heeft een bemanning van 28 Siamezen aan boord en nadat de jonk een paar dagen op zee was heeft de kapitein 20 Japanners opgepikt. De Japanners vragen toestemming te worden opgenomen in de Hollandse expeditie en dit verzoek wordt gehonoreerd.

De voorbereidingen voor de aanval op Macau beginnen spoedig na het verlaten van de Baai van Camranh. De 201 soldaten aan boord worden ondergebracht in een van drie compagnieën en zij worden gedrild onder het commando van twee kapiteins en een vaandrig. De zeelieden worden ingedeeld in zes compagnieën van vijftig man elk, dus bij elkaar driehonderd. Er zijn dus negen compagnieën van Europese soldaten en matrozen en deze worden georganiseerd in drie detachementen – voorhoede, hoofdmacht en achterhoede – ieder bestaande uit een compagnie soldaten en twee van matrozen. Ieder detachement is voorzien van 272 kilogram kleine kogels, zes tonnen kruit en een scheepsarts. Zij kunnen van elkaar worden onderscheiden door respectievelijk een rode, een groene en een blauwe vlag. Er zijn ook 60 stormladders, 1.000 zandzakken en 3 kanonnen. Als aanvulling op de 500 Europeanen is er een Japans contingent en zijn er enige Bandanezen en Maleiërs, de gehele landingsmacht telt ongeveer 600 man. Een commissie van twee infanteriekapiteins en een zeekapitein wordt benoemd om de schepen te bezoeken om toezicht te houden op de voorbereidingen van de strijd.

De vloot komt op 21 juni in het zicht van Macau en Reijersen sluit zich aan bij de vier schepen (twee Hollandse en twee Engelse) van Janszoons blokkade-eskader. Deze schepen zijn al op 29 mei voor Macau aangekomen, maar zij zijn er niet in geslaagd ook maar een Portugees schip buit te maken, omdat de capitão-mor, Lopo Sarmento de Carvalho “haastig zeven uitstekende chos1 heeft uitgerust, om de schepen die uit Indië worden verwacht te escorteren” en wel zodanig dat zij veilig tussen de eilanden door naar de haven worden begeleid. Dit lukt uitstekend en niet alleen met de schepen uit Indië, maar ook met die afkomstig van Solor, Borneo en Macassar. Een ander bericht geeft de eer voor de succesrijke begeleiding aan de commandant van de gewapende jonken, Francisco Tavares.

Cornelis Reijersen bevindt zich nu aan het hoofd van een vloot van dertien Hollandse schepen (Zierikzee, Groningen, Oude Delft, Galiasse, Engelse Beer, Enkhuizen, Palliacatta, Haan, Tijger, Victoria, Santa Cruz, Trouw en Hoop), met aan boord 1.300 man, zodat hij in staat is het detachement dat aan land gaat met nog eens honderd Europeanen te versterken. De twee Engelse schepen – de Palsgrave en Bull – nemen geen deel aan de onderneming, nadat Reijersen, in overeenstemming met de instructies van Coen, weigert toe te staan dat de Engelse bemanningen delen in de te verwachten buit, waarop de Engelsen weigeren met de aanval mee te doen.

Op 22 juni zendt de Hollandse admiraal drie man met een Chinese gids aan land, om de Chinese voorstad te verkennen en uit te vinden of de inwoners neutraal zullen blijven. Zij kunnen niemand vinden en zij keren zonder ontvangen inlichtingen weer aan boord. De Portugese berichten maken geen melding van deze verkenningsgroep, die dus kennelijk ’s nachts aan land is gegaan. Op 23 juni, het vigilie van Sint Johannes de Doper, verkent Reijersen, vergezeld door zijn senior officieren, de plaats vanuit een sloep en er wordt besloten de landingstroepen de volgende dag op het strand van Cacilhas aan land te laten gaan. Om de aandacht van de gekozen landingsplaats af te leiden, gaan ondertussen drie schepen – Groningen, Galiasse en Engelse Beer – voor anker bij de batterij van São Francisco, die tijdens de namiddag hevig wordt gebombardeerd. De schepen lopen echter meer schade op dan zij aanrichten, want ofschoon hun schoten enige schade aanrichten aan huizen en veel consternatie veroorzaken onder de inwoners, wordt geen van hen feitelijk gedood, als we de Portugese berichten mogen geloven. Gedurende dit artillerieduel schreeuwen de Hollandse bemanningen naar de verdedigers van de batterijen dat zij de volgende dag heer en meester in Macau zullen zijn en dat zij de vrouwen zullen verkrachten na alle mannen boven de twintig jaar te hebben gedood. De schepen nemen meer afstand van de kust bij zonsondergang, maar de bemanningen vieren de verwachte overwinning door de gehele nacht op de trompetten te blazen en op de trommels te slaan. Volstrekt niet geïntimideerd door deze snoeverij, geeft Lopo Sarmento de Carvalho bevel dat dezelfde krijgshaftige uitingen van vreugde ten beste dienen te worden gegeven op de bolwerken van de stad “zodat de vijand zal begrijpen dat wij meer reden hebben om verheugd te zijn, wegens de vele genaden die Onze Lieve Heer ons heeft getoond. “Daar het duidelijk is dat de vijand de volgende dag zal landen, besteedt Lopo Sarmento de hele nacht aan het bezoeken van alle gefortificeerde plaatsen en hij roept de soldaten en burgers op tot het laatst te vechten. Hij legt uit dat zij geen genade hebben te verwachten van hun ketterse vijanden, noch een wijkplaats vinden bij de Chinezen, omdat de meerderheid van hen de stad al verlaten heeft.

Bij zonsopgang op de feestdag van Sint Johannes de Doper (24 juni) hervatten en intensiveren de Hollandse schepen Groningen en Galiasse hun bombardement op het bolwerk van São Francisco. De Portugese artilleristen beantwoorden de schoten met dezelfde vastberadenheid, maar met meer succes, want de Galiasse wordt zo zwaar beschadigd dat het jacht moet worden verlaten. Een paar weken later zinkt het schip. Ongeveer twee uren na zonsopgang gaat de strijdmacht van 800 man die gaat landen in 32 roeiboten, die zijn uitgerust met een swivelgun2 in de voorsteven en vijf sloepen. Zij varen naar het strand van Cacilhas aan de noordoostkant van de stad, beschermd door de kanonnen van twee van de schepen. Verdere bescherming wordt verschaft door rook afkomstig van een ton waaruit een nevel van kruitdamp ontsnapt, – misschien een van de vroegste gevallen van het tactisch gebruik van een rookgordijn. Ongeveer 150 Portugese en Indo-Europese musketiers, onder bevel van António Rodriguez Cavalhino, leveren strijd met de gelande vijanden, schietend vanuit een schaduwrijke loopgraaf op het strand. Een gelukkig musketschot op goed geluk in het rookgordijn geschoten, treft de Nederlandse admiraal in zijn buik, zodat hij aan het begin van de actie moet worden teruggebracht naar het vlaggenschip. De Nederlanders zijn niet erg geschokt door het uitvallen van Reijersen en de senior militaire officier, kapitein Hans Ruffijn laat de gelande soldaten zich in rijen opstellen en drijft de Macaonezen uit hun loopgraven, na ongeveer 40 man bij de landing te hebben verloren. António Rodriguez Cavalhino wacht de aanval van de Hollanders niet af, maar trekt terug naar de stad, onderhand achterhoedegevechten leverend. De Nederlanders laden nu hun drie stukken veldgeschut uit en de rest van hun landingstroepen komt ook van boord. Hierbij ondervinden de aanvallers geen tegenstand meer. Ruffijn laat twee achterhoedecompagnieën aan het strand van Cacilhas blijven, met het oog op een eventuele terugtrekking van de hoofdmacht voor het geval de aanval op de stad zou blijken niet succesrijk te zijn. Dit gedaan hebbend, hervat hij de opmars met 600 man, “stoutmoedig marcherend in ordelijke slagorde langs het veld met borders aan de voet van de heuvel van Nossa Senhora da Guia, terwijl zij hun musketten met zo’n precisie en handigheid afvuren dat zij hiervoor de grootste bewondering bij onze mensen oogsten“, zoals een jezuïet die ooggetuige is, rapporteert.

Op deze wijze zetten de Nederlanders hun opmars voort, terwijl zij schermutselingen leveren met de musketiers van António Rodriguez Cavalhino, totdat zij een kleine bron bereiken die Fontinha heet en waar de locale vrouwen gewoon zijn de was te doen. Deze plaats ligt binnen het bereik van de artillerie van de stad en nu komen de Hollanders onder vuur te liggen van de grote kanonnen van het bolwerk van de nog maar halfvoltooide citadel van São Paulo. Dit geschut wordt bediend door de jezuïeten. Een gelukkig schot van een kanon dat voorheen nooit is gebruikt en later ook nooit meer gebruikt zal worden, afgevuurd door de Italiaanse jezuïet en wiskundige padre Giacomo Rho, treft een vat kruit, dat ontploft te midden van de opruk-kende troepen, met verwoestende gevolgen. Ontmoedigd door deze onverwachte ramp en bang dat hen een hinderlaag wacht in het nabije bamboebosje, staken de Hollanders hun opmars naar de stad en nadat de senior officieren met elkaar hebben overlegd, keren zij om en gaan zij naar de Guia-heuvel, waarop een kluizenaarshut staat. Hun opmars op deze heuvel wordt gezien door een groep van dertig Macaunese en neger tirailleurs, die hen van achter onder vuur nemen. De schutters bevinden zich op een ruwe met rotsblokken bezaaide helling, waarachter zij dekking vinden. De aaneengesloten rijen van de Hollanders hebben hierop geen effectief antwoord.

Nu (bijna) al het kruit van de aanvallers verloren is gegaan bij de explosie, die het resultaat is van het gelukkige schot van pater Rho en zij voortdurend worden beschoten door de Macaonezen van de Guia-heuvel aan de ene kant en van de groep van António Rodriguez aan de andere kant, en zij vermoeid zijn van drie uren marcheren en deelnemen aan schermutselingen in de hitte van de zomerdag, houden de Hollanders voor de tweede maal de pas in, terwijl hun hoofdmannen overleggen over de situatie. Na een korte discussie, besluiten zij een gunstige tactische positie te bezetten op een stuk hoger gelegen grond bij de Guia-heuvel, vanwaar men ook uitkijkt op het strand van Cacilhas. Gelet op de onverwachte sterkte van de verdediging en het onvoorziene verlies van hun ammunitie wordt klaarblijkelijk besloten de aanval af te breken en de troepen terug te trekken naar de schepen nu daar nog tijd voor is.

Terwijl de slag of liever de schermutselingen doorgaan, zitten de verdedigers van de stad niet stil. De commandant van het garnizoen van São Tiago bij de ingang tot de binnenhaven, realiseert zich dat de hoofdaanval te verwachten is van de landzijde en dat het scheepsbombardement op São Francisco een afleidingsmanoeuvre is geweest. Hij detacheert een afdeling van 50 man, onder bevel van capitão João Soares Vivas bij de hoofdmacht van de verdedigers die voor een beslissende tegenaanval wordt bijeengebracht door capitão-mor Lopo Sarmento de Carvalho. João Soares Vivas, een uiterst krachtige man, komt met zijn welkome versterking juist aan op het moment waarop de Nederlanders zich beginnen terug te trekken. De Portugese capitães, die zien wat er gebeurt, haasten zich de hoge grond te bezetten waar de Hollanders naar toe bewegen, voordat de laatsten hun doel kunnen bereiken. Van de geschikte gelegenheid gebruikmakend, geeft Lopo Sarmento het signaal voor de tegen-aanval, terwijl hij de Iberische strijdkreet Santiago aanheft. Zijn gretige volgelingen hebben geen tweede gebod nodig en de hele bonte menigte van Portugese soldaten, Macaunese burgers en negerslaven – om maar niet te spreken van gewapende jezuïeten en bedel-monniken – neemt de kreet over en stort zich op de Nederlanders. Een paar verstrooide musketschoten hebben geen effect op hun geestdrift, en het sneuvelen van kapitein Hans Ruffijn, die zijn mannen op dit kritieke moment staat aan te moedigen, is kenmerkend voor het verloop van de dag. Ontmoedigd door de val van hun leider en gedemoraliseerd door de furieuze aanval van dronken negerslaven, keren de Hollanders zich om en nemen de vlucht na enige tegenstand te hebben geboden. Om de zaken nog erger te maken, vluchten de twee achterhoede compagnieën die op het strand van Cacilhas verbleven, in paniek naar de boten, zonder een schot te lossen, zodra zij de op de vlucht geslagen hoofdmacht zien aankomen. Het sluitstuk van de complete demoralisatie wordt geleverd door de zeelieden die de landingsboten bemannen, die bang dat hun vaartuigen zullen worden overspoeld door een massa vluchtende soldaten, de boten naar dieper water duwen, zodat velen die ontsnapt zijn aan het koude staal van de Portugezen verdrinken of in zee worden doodgeschoten. De paniek is zo volledig, dat de gehele strijdmacht waarschijnlijk zou zijn uitgeroeid, als velen niet gered zouden zijn door het feit dat veel negerslaven de achtervolging van de vijand staken om de lichamen van de gesneuvelden te plunderen.

De nederlaag is de meest beslissende die de Nederlanders ooit is toegebracht door de Portugezen in Azië. De laagste Lusitaanse claim beweert dat meer dan driehonderd van hun ketterse vijanden bij deze gelegenheid zijn afgeslacht, maar er zijn ook berichten dat er zes- of zelfs achthonderd vijanden zijn gedood. Dit is natuurlijk absurd, maar de officiële Hollandse versie geeft een verlies toe van 136 Europese gesneuvelden, naast 126 gewonden. Deze cijfers hebben kennelijk geen betrekking op de Bandanese en Japanse contingenten, waarvan het laatste hevige verliezen heeft geleden en de totale lijst van slachtoffers zou weleens driehonderd kunnen zijn. Het verlies aan officieren is bijzonder serieus, daarbij zijn zeven kapiteins, vier luitenants en zeven vaandrigs. De Hollanders verliezen ook al hun kanonnen, vlaggen en uitrusting; de overwinnaars verzamelen meer dan duizend wapens op het slagveld. Gelet op deze verschrikkelijk zware nederlaag, is het niet verrassend dat Reijersen die avond in zijn journaal noteert “en zo keren onze mannen terug aan boord in hoge mate teleurgesteld,” – een feit dat de wachtende Engelse bemanningen van de Palsgrave en Bull ook met een zekere plaagzieke voldoening noteren, want de betrekkingen tussen de twee protestantse bondgenoten zijn nog steeds alles behalve hartelijk. Jan Pieterszoon Coen vat de algemene mening samen als hij schrijft “op deze schaamvolle manier verloren wij meer van onze beste mannen op de vloot samen met de meeste wapens.”

Er zijn maar weinig gevangenen gemaakt. Een Portugese bron beweert dat de negers geen gevangenen hebben willen maken, maar dat zij de gewonde ketters het hoofd afsloegen om op deze wijze het feest van Johannes de Doper te vieren. Gegeven de tijdgeest en het aantal gewapende priesters en broeders die aan de strijd hebben deelgenomen “met apostolische klappen en slagen” lijkt deze bewering geloofwaardig. Ten minste een lid van de kerkelijke militie had echter meer genade, voor de eenzame Hollandse kapitein die persoonlijk is gevangen genomen door de jezuïet pater Johann Adam Schall Von Bell. Zijn biograaf claimt dat deze beroemde missionaris – later koninklijk astronoom in Peking – ook de man is geweest die het fatale schot, dat de Nederlandse kruitreserves heeft opgeblazen, waardoor de Portugezen aan de winnende hand kwamen, heeft afgevuurd. Dit lijkt een beetje vergezocht, want hij kan niet op twee plaatsen gelijk zijn geweest en de versie die het gelukkige schot toeschrijft aan pater Rho lijkt waarschijnlijker, temeer daar dat ook stoelt op het getuigenis van een andere jezuïet, die ooggetuige is geweest. Deze, pater Bruno, weet ook te melden dat de gevangene van Schall zo belangrijk voor de Hollanders is, dat zij voor zijn vrijlating 300 Portugese gevangenen in vrijheid willen stellen. Dit verhaal wordt niet bevestigd door Hollandse of andere Lusitaanse bronnen, die niet meer mededelen dan dat Reijersen de volgende dag iemand met een wapenstilstandsvlag aan land zendt om over het loskopen van gevangenen te onderhandelen – een aanbod dat bruusk wordt afgewezen. De verliezen van de overwinnaars zijn onbetekenend vergeleken met die van de verliezers. Zes Europeanen (vier Portugezen en twee Spanjaarden) zijn gedood en ongeveer twintig zijn gewond, afgezien van enkele slaven.

Onmiddellijk na de zege, laten veel Portugezen in Macau hun negerslaven vrij, om de grote moed die dezen hebben getoond bij de verdediging van de stad te belonen. Ferenão de Queiroz S.J. maakt melding van een heldhaftige negerin die een hellebaard hanteert met zo’n dodelijk effect dat getuigen daarvan haar optreden bewonderen. Ook Coen is ervan overtuigd dat de overwinning aan de slaven te danken is. Hij schrijft: ”Vele Portugese slaven, kaffirs- en dergelijke, die dronken zijn gevoerd, vallen onze musketiers zo onbevreesd aan, dat het wonderlijk was om te zien.” Reijersen maakt in zijn verslag weinig woorden aan de debacle vuil, waarschijnlijk – merkt Arend de Roever op – omdat de mislukking te wijten is aan de nogal slechte uitvoering van zijn strijdplan door enkele officieren.

Met het oog op een te verwachten nieuwe Hollandse aanval, worden de fortificaties van Macau aanzienlijk versterkt. Rond de hele stad wordt een muur gebouwd. Hierin bevinden zich zes bastions, waarin 44 kanonnen worden geplaatst. Enige kannonnen zijn in staat kogels van 50 pounds af te schieten. Een naburige berg die uitrijst boven een van de bastions, wordt ook gefortificeerd en voorzien van zware kanonnen.

Het falen van de Hollandse aanval doet de Portugezen onbetwist meester blijven van Macau. Vanaf die tijd zullen de Hollanders nooit meer een poging doen Macau in handen te krijgen. Deze tegenslag van de Hollanders kan worden beschouwd als het grootste militaire succes van Macau en de laatste en meest briljante heldendaad van de Portugese verdediging van hun positie in het Verre Oosten. Het betekent overigens niet dat daarmee een halt is toegeroepen aan de ondergang van het koloniale rijk van de Portugezen. De hardnekkige en meedogenloze aanvallen van hun sterkere vijanden worden voortgezet, omdat – zoals we hebben gezien – de oorzaken van de Portugese zwakheid veel dieper liggen dan dat een enkele militaire victorie daartegen een remedie kan zijn.

In maart 1629 beloont Koning Philips capitão-mor Lopo Sarmento de Carvalho met een ridderschap in de Orde van Christus, omdat hij Macau 7 jaar eerder dapper verdedigd heeft tegen de Hollanders. Dit succes is dubbel welkom omdat Ormuz in mei van dat jaar veroverd is door een Anglo-Perzische legermacht. De volgens Faria y Sousa Hercules-achtige João Soares Vivas kan deze erkenning van zijn rivaal slecht hebben. Na een lange en avontuurlijke carrière in het Verre Oosten keert de ontstemde capitão in 1640 terug naar Portugal. Hij getuigt dat jaar voor het Tribunaal van het Heilig Officie in Lissabon en uit ernstige beschuldigingen tegen het gezin van Lopo Sarmento, wiens Macaunese vrouw, volgens hem, was geboren uit een moeder “van wie publiekelijk in de stad Macau wordt gezegd, door groot en klein, rijk en arm, dat zij een Moorse is, de dochter van een zwarte Moor en van een cryptojood en zo wordt zij ook gezien en gewoonlijk beschouwd.” Waar of niet, de nederige afkomst van Dona Maria Sequeira weerhoudt haar niet drie flinke zoons te baren, twee van hen geven hun leven voor hun land in de oorlog tegen de Hollanders op Ceylon, terwijl de oudste, Inacio Sarmento de Carvalho, de geschiedenis is ingegaan als de heroïsche verdediger van Cochin in de jaren 1659-1663. Vivas beweringen voor het Tribunaal van de inquisitie beletten niet dat ook Inacio Sarmento verheven wordt tot ridder in de Orde van Christus en de bitterheid van Vivas tegen de succesrijke familie Sarmento is waarschijnlijk een van de redenen dat hij in 1641 deserteert naar Spanje.

Na te zijn teruggeslagen voor Macau, zeilt de Hollandse vloot naar de Penghu-eilanden of de Pescadores3. Dit is een groep van 21 eilanden die ligt tussen Formosa en de kust van Fukien (Fujian). Cornelis Reijersen komt op 10 juli 1622 op Penghu aan. Afgezien van een paar vissersdorpen zijn de eilanden onbewoond en zij hangen voor de aanvoer van voedsel in hoge mate af van het vasteland. Tegenover deze nadelen staat het enorme voordeel dat de Pescadores – naast Macau – geografisch buitengewoon gunstig liggen om van daaruit handel te drijven met China. Tegenover de Penghu-eilanden liggen Amoy (Xiamen), Ch’üanchow (Zhangzhou), waarvan het belang in China’s buitenlandse handel alleen wordt overtroffen door Canton. Een eindje naar het noorden ligt de haven van Fuchow (Fuzhou).

Anders dan bij T’ai-wan of Formosa, staan de Penghu-eilanden al onder Chinese jurisdictie. De Nederlanders negeren dit feit en beginnen een fort te bouwen precies aan de zuidpunt of ingang van de haven van Makung (Magong), door de Chinezen Fêng-kuei-tzü-wei (Fengguei) genoemd. Veel Chinese vissers worden door de Hollanders gekidnapt om bij de bouw van het fort, waarin niet minder dan 20 kanonnen kunnen worden geplaatst, te worden ingezet. Wanneer de Hollanders met de Chinezen willen gaan onderhandelen over het openen van handelsbetrekkingen, staan de laatsten erop dat de Hollanders verdwijnen van de Penghu- eilanden en zich vestigen in niet-Chinees gebied, bij voorkeur Formosa, voordat er ook maar over handeldrijven kan worden gesproken. Tezelfdertijd wordt Chinese onderdanen verboden betrekkingen met de Hollanders aan te gaan. De Hollanders weigeren zich te schikken. Na langdurige vruchteloze onderhandelingen, besluiten zij dat zij hun doel gemakkelijker kunnen bereiken door hun toevlucht te nemen tot geweld. Er worden gewapende schepen uitgestuurd om Chinese schepen die handel-drijven met Manila en andere plaatsen te onderscheppen. Op 17 oktober 1622 wordt een vloot met 422 man, onder bevel van Cornelis van Nieuweroode, factor van de Hollandse factorij in het Japanse Hirado, naar de Chinese kust gezonden met de opdracht “zoveel mogelijk schade aan de Chinezen toe te brengen,” in overeenstemming met de instructies van Jan Pieterszoon Coen, de Hollandse gouverneur-generaal in Batavia. De toestand is door captain F. Brinkley als volgt beschreven:

“Er is geen geschil tussen China en Holland. De twee landen zijn volkomen vreemden voor elkaar. Hun kennismaking begint met een gewapende poging van de Hollanders de Portugezen te verdrijven van een plaats die de laatsten van hen gehuurd hebben en ten tweede door het met geweld nemen van een andere plaats op Chinees gebied, ofschoon er geen oorlogssituatie bestaat en zelfs geen sprake is van een geschil. In andere woorden: de Hollanders maken zich kenbaar aan de Chinezen als internationale vrijbuiters. Onder deze omstandig-heden hebben zowel Chinezen, Spanjaarden als Portugezen er belang bij de nieuwkomers te weerhouden van handel met het the Middle Flowery Kingdom (Chung Hwa Kwah). Maar de Hollanders zijn slim, dapper, en doelgericht; zij laten zich niet afschrikken door hindernissen en zij verliezen niet de moed bij een mislukking. De Hollanders brengen hun vijanden zoveel schade toe dat men hen beter te vriend kan houden.

De Chinezen zien spoedig in dat zij geweld moeten gebruik om de Hollanders van de Pescadores te verdrijven. Na vijf gewapende schermutselingen, waaronder een aanval op het eiland Gulangyu, wordt tenslotte overeenstemming bereikt met Shang Zhouzou, de gouverneur van Fujian (Fukien). De Nederlanders dienen het fort op de Pescadores te ontruimen, maar mogen daarvoor in de plaats een handelspost stichten op Formosa, dat wil zeggen buiten China. Daarna zullen zij van de Chinezen zoveel zijde kunnen betrekken als zij wensen. Terwijl Reyersen op antwoord uit Batavia wacht, besluit Nan Juyi, de nieuwe gouverneur van Fujian, het Nederlandse fort op Penghu alsnog aan te vallen en de Nederlanders met geweld van het Chinese grondgebied te verdrijven. Voor dit doel wordt een leger op de been gebracht van 10.000 man, die met 150 oorlogsjonken worden overgebracht naar Penghu. Zij vallen de Hollanders aan in Penghu en nemen de ene plaats na de andere in. Zij omringen met hun bootjes de grote Hollandse schepen en steken daarbij de Muiden in brand, terwijl de Erasmus ternauwernood kan worden ontzet De Nederlanders, die hun fort met 850 man verdedigen, zien spoedig in dat het nutteloos is verzet te blijven bieden. Op 3 augustus 1624 accepteert de nieuwe Nederlandse bevelhebber Martinus Sonck de Chinese voorwaarden. Zij zullen Penghu verlaten en zich vestigen op Formosa. Met Chinese hulp wordt het fort afgebroken. Het meeste materiaal wordt naar Formosa verscheept, om te worden gebruikt voor de bouw van Fort Zeelandia. Dit fort, waar de VOC 39 jaren zal blijven, is genoemd naar het schip waarmee Sonck naar Penghu is gekomen.

De Hollanders hebben dus op alle punten toegegeven aan de Chinese wensen, zoals Willem Pieter Groeneveldt opmerkt, en de opofferingen die zij meer dan twee jaren hebben moeten doorstaan, zijn nutteloos geweest. Enigen van hen zien de noodzaak in hun politiek te heroverwegen. Zijn mislukking uit het verleden overdenkend, schrijft commandant Sonck nadat hij de Pescadores heeft verlaten: “De vroegere methode toegepast aan de Chinese kust maakt dat de Chinezen zo verbitterd zijn over ons optreden, dat wij bekent staan als moordenaars, indringers en piraten….De methoden die wij tegen de Chinezen hebben aangewend zijn inderdaad hard en wreed geweest en naar mijn mening zijn zij zodanig geweest dat wij op die wijze nooit de handel met China hadden kunnen verwerven.”

1 Van het Cantonese Ts’o, dat is een zeewaardige jonk

2 Kanon geplaatst op een voetstuk, dat kan draaien en op en neer kan worden bewogen

3 Pescadores is Portugees voor vissers

3.0 Slecht bestuur en interne verdeeldheid

x

Check Also

Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De Malediven. Expansie van het Império Português (1515-1521)

Deel 6 Index Hoofdstuk 7 Expansie van het Império Português (1515-1521) 7.1 De Malediven Geschreven door Arnold van ...

banner
Close
GDPR
EU laws require that we request your consent to the use of cookies. We use cookies to ensure that our site works properly. Some of our advertising partners also collect data and use cookies to publish personalized ads.




Subscribe to our YOUTUBE channel:
Stay informed about Colonial Voyage