Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike
Torre de Belém, Lissabon, Portugal. Auteur Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

Demografische, economische, sociale en culturele ontwikkelingen ten tijde van koning Sebastião, Henrique en de Habsburgers. De vereniging van Portugal met Spanje

Deel 13 Index

Hoofdstuk 1.

De vereniging van Portugal met Spanje:

1.4. Demografische, economische, sociale en culturele ontwikkelingen ten tijde van koning Sebastião, Henrique en de Habsburgers

Geschreven door Arnold van Wickeren

De grote demografische groei vanaf de Late Middeleeuwen zet zich in bijna heel Europa wordt tot in de eerste jaren van de zeventiende eeuw en op het Iberisch schiereiland ten minste tot aan het einde van de zestiende eeuw. Had Portugal rond 1530 nog 1½ miljoen inwoners, in 1640 is de bevolking, in weerwil van enige pestplagen die het Schiereilandi teisteren, gestegen tot twee miljoen zielen. Tegelijkertijd is er sprake van een zekere migratie van het zuiden van het land naar het noorden en van voortschrijdende urbanisatie ten faveure van vooral Lissabon, dat zijn inwonertal ziet stijgen van 65.000 in 1527, via 100.000 in 1551, naar 165.000 in 1620. Daarmee is de metropool weliswaar niet zo groot als Londen, Parijs en Napels, maar groter dan welke Spaanse stad ookii en ongeveer even groot als Amsterdam en Venetië. De andere Portugese steden zijn een stuk kleiner; Porto, Coimbra, Évora en Elvas tellen in 1620 allen 16.000 tot 20.000 inwoners.

De aanplant van maïs, voorheen al een gewas dat het erg goed doet in Portugal, neemt toe ten koste van tarwe, rogge en gerst. Portugal wordt daardoor nog meer afhankelijk van de import van granen. In 1581 vraagt de Cortes aan Philips II de grens te openen voor graanimporten uit Castilië, wat zijn zoon eerst in 1604 zal toestaan. De regering stelt de prijs van graan vast en kondigt zware straffen af tegen monopolisten. Desondanks leiden graantekorten tot hongersnoden: 1596-1597, 1621, 1627 en 1632, maar minder vaak dan voorheen. Na 1640 zal het land weer graan invoeren uit Noord-Europa. De productie van olijfolie en wijn neemt voortdurend toe. Niet alleen het zuiden va het land exporteert wijn naar Engeland, maar Minho voert wijn uit via de haven van Caminha en Lamego gaat Douro-wijnen exporteren. In Porto vestigen zich de eerste Engelse handelshuizen die portwijn uitvoeren. In 1635 worden in Portugal uit China ingevoerde sinaasappelen aangeplant, die worden uitgevoerd naar heel Europa en het gebied van de Middellandse Zee. Met het fokken van vee gaat het meer en meer bergafwaarts, wat een gevolg is van de betere verspreiding van de bevolking over het land. De koningen Sebastião en Henrique bevorderen, uit militaire overwegingen, het fokken van paarden, maar Philips II sluit, op verzoek van de bevolking, de fokkerijen.

De commerciële positie van Portugal is aan het einde van de zestiende eeuw niet veel anders dan aan het begin daarvan. Het land voert wijn, fruit, olijfolie, zout en vele andere producten uit naar Noord-Europa, naar Spanje en naar de Mediterrane Wereld. Uit deze landen importeert Portugal voortdurend toenemende hoeveelheden: graan, textiel, metalen (koper en zilver), industriële producten, zoals wapens en ammunitie, en luxe goederen. In de zestiende eeuw nemen vooral de zilverimporten uit Spanje toe. Er worden veel ingevoerde goederen opnieuw uitgevoerd naar Azië, Afrika en Brazilië. Het gaat vooral om zilver, koper, textielwaren en luxe goederen. De importen van specerijen uit Indië, de Molukken en Ceylon, die in de jaren vijftig van de zestiende eeuw een hoogtepunt hadden bereikt, dalen geleidelijk in het laatste deel van de eeuw en na de eeuwwisseling. In plaats daarvan komen producten uit China en Japan; ook de invoer van suiker, hout en later tabak uit Brazilië en de Atlantische eilanden wordt hoe langer hoe belangrijker. Tussen Afrika en Brazilië komt rond het midden van de zestiende eeuw de handel in slaven op.

Onder de Habsburgers vermindert de rol en betekenis van Italiaanse, Vlaamse en Duitse handelshuizen en dito kapitaal. Hun plaats wordt ingenomen door Spaanse, Engelse en Franse namen. Lissabon heeft zeer nauwe handelsbetrekkingen met Antwerpen, de Azoren en na sluiting van de koninklijke factorij in Antwerpen** in 1549 met Sevilla en Amsterdam. Ook Medina del Campo, ten zuiden van Tordesillas, en Madrid maken deel uit van dit netwerk. Crisisverschijnselen die zich in een van deze plaatsen voordoen, zijn eerder bekend in de andere steden van het netwerk dan op het omringende platteland. In de tweede helft van de zestiende eeuw onderhoudt Lissabon intensieve handelsrelaties met Sevilla. Tot omstreeks 1630 is er in Portugal zilver, dat in Lissabon wordt aangemunt, in overvloed. Goud is van veel minder betekenis. Als de importen van goud uit Amerika in Sevilla aanzienlijk dalen, neemt de betekenis van Sevilla als aanvoerhaven ook af en in Lissabon wordt in de jaren dertig nog maar heel weinig zilver aangemunt.

In Portugal maakt het staatskapitalisme meer en meer plaats voor particuliere handelsorganisaties. Zo wordt in 1587 een Portugese compagnie voor de handel met Indië opgericht, maar deze is een kort leven beschoren, wegens gebrek aan enthousiasme. Meer belovend is de Compagnie voor Navigatie en Handel met India, die in 1619 is opgericht, maar waarvan de juridische status eerst in 1628 is vastgelegd. Hierin participeren meer dan vijftien handelaren en de gemeente Lissabon. De compagnie wordt wegens gebrek aan kapitaal geen succes; zij wordt in 1633 alweer opgedoekt.

De ontvangsten en uitgaven van de staat stijgen enorm. Hebben zij in 1557 607.000 cruzados bedragen, in 1588 zijn zij opgelopen tot 939.000, in 1607 tot 1.322.000 en in 1619 tot 1.484.000 cruzados. Deze cijfers hebben uitsluitend betrekking op het binnenland. Worden de staatsontvangsten uit Azië, Afrika en Brazilië meegeteld dan komt men op bedragen die ruimschoot het dubbele zijn. Af en toe wordt het land getroffen door een financiële crisis, als gevolg waarvan in de jaren 1563, 1582, 1614, 1620, 1624 en 1630 de rente wordt verlaagd. Financiële crises dienen volgens Oliveira Marques, aan wie deze cijfers ontleend zijn, niet te worden verward met economische achteruitgang of een gebrekkig bestuur. Ondanks depressies, is er tot aan de jaren twintig altijd voldoende geld in Portugal geweest en in weerwil van renteverlagingen heeft de staat altijd zoveel geld kunnen lenen als nodig was. Het prijspeil in Portugal volgt het algemene prijspeil in Europa. Hoewel de prijs van tarwe sterk fluctueert met de omvang van de oogst, is de trend stijgend. De prijs van een bushel tarwe, in 1530 nog slechts 30 reais, is in 1636 opgelopen tot 380 reais. De sterke prijsstijging van tarwe, maar evenzeer van andere eerste levensbehoeften als wijn en olijfolie, kan niet worden losgezien van de demografische ontwikkelingen. Vitorino Magalhães-Godinho heeft aangetoond dat onderbrekingen in de prijsstijgingen, gedurende de zestiende en het begin van de zeventiende eeuw wijst op een economische crisis in Portugal, die min of meer samenvalt met de situatie in het buitenland. In Portugal is sprake van een crisis in de jaren: 1533-1535, 1544-1551, 1576-82, 1594-1605 en in de jaren dertig van de zeventiende eeuw.

Aan het einde van de zestiende eeuw bestaat de Portugese adel uit drie categorieën. Een onderscheid dat tot in de achttiende eeuw zal blijven bestaan. Aan de top staat de hofadel of noblesse d’epée. Uit deze categorie worden gerecruteerd: dragers van een hoog ambt in het landsbestuur en militaire commandanten van het leger en de vloot. Na deze grandes, zoals zij onder Spaanse invloed worden genoemd, komt de noblesse de robe. Hiertoe behoren: leden van de rechterlijke macht, hoogleraren en de meeste hogere ambtenaren. De laagste adellijke klasse is die van de landadel, de fidalgos. Zij die hiertoe behoren, leven op hun landgoed, hebben zelden een aandeel in structurele veranderingen en zijn verarmd door de prijsinflatie. Het aantal grandes, wier toelagen (tenças) door de Kroon worden aangepast aan de inflatie, is van 25 in 1550 gestegen naar 69 in 1640. De Habsburgers hebben in hun ogen verdienstelijke personen bedacht met een adellijke titel, om hun trouw te kopen en om het reservoir waaruit geput kan worden bij benoemingen te vergroten. De Portugese grandes zijn minder talrijk en minder rijk dan die in Castilië. De hertog van Bragança, de rijkste grande van het land, met een jaarinkomen van 120.000 dukaten, wordt qua inkomen overtroffen door de Castiliaanse hertogen van Medina Sidonia (160.000 dukaten), Medina Rioseco, Lerma en Ossuna. Omdat er na 1580 geen koninklijk hof in Portugal bestaat en zij er niet voor voelen naar het hof in Madrid te verhuizen, trekken veel edelen die behoren tot de noblesse de robe zich terug op hun bezitting op het platteland. Het resultaat van deze ontwikkeling is dat na het herwinnen van de onafhankelijkheid, de versterking van het centrale gezag een prioriteit van de nieuwe regering zal zijn.

Evenals voorheen, zijn adel en geestelijkheid aan de top niet goed gescheiden; de overgrote meerderheid van de bisschoppen en abten is afkomstig uit een beperkt aantal adellijke geslachten, zoal Menesses, de Noronhas, de Melos en de Pereiras en alle inquisiteurs-generaal zijn edellieden. Van 1550 tot 1670 zijn van de 135 benoemde bisschoppen er 115 van adel. Vanaf 1564 is de accumulatie van kerkelijke ambten verboden, waardoor bisschoppen in hun diocees en priesters in hun parochie moeten wonen. Naast de priesteropleidingen aan de universiteiten van Coimbra en Lissabon, worden er, verdeeld over het land, zeven seminaries gesticht.

Ten tijde van de vereniging met Spanje verandert de rangorde van de bisdommen. Het inkomen van het in 1540 gestichte aartsbisdom Évora is het hoogst. Braga is het armst en Lissabon en Coimbra strijden om de tweede plaats. Ook bij de gewone bisdommen doen zich verschuivingen voor: Guarda rukt in 1632 op van een van de laatste naar de vijfde plaats; Lamego valt terug van de vijfde naar de negende plaats. De kathedralen van Miranda do Douro en van de Algarve worden belangrijker, terwijl die van Viseu, Porto en Portalegre terrein verliezen. Helemaal onderaan komen Funchal en Angra op de Azoren. De inkomsten van de bisdommen in Castilië zijn veel hoger dan die van de Portugese bisdommen: de aartsbisschop van Toledo ontvangt vijfmaal zoveel als zijn collega van Évora en de gemiddelde Castiliaanse bisschop toucheert viermaal zoveel als zijn Portugese ambtgenoot.

De religieuze opleving die het gevolg is van de Contrareformatie, doet veel zoons en dochters voor een religieus leven kiezen, wat tot de stichting van veel nieuwe kloosters leidt. Het gevolg hiervan is dat de beroepsbevolking en de inkomsten van de kroon dalen. Tussen 1550 en 1668 worden er 166 kloosters gesticht; het meest van de franciscanen, jezuïeten karmelieten en arrábidos. In 1630 wordt het totale aantal kloosters geschat op 450, met een bevolking van 4.200 monniken en 3.200 nonnen. Meer dan eenderde is van de franciscanen; zij worden op grote afstand gevolgd door cisterciënzers, dominicanen, jezuïeten, benedictijnen en augustijnen. In 1652 is, ondanks de stichting van nieuwe kloosters, het totaalbeeld nauwelijks veranderd. In de tussentijd zijn verschillende orden gesticht. De hervormingen die in Spanje zijn geïnitieerd door Santa Teresa de Avila en San Juan de la Cruz leiden tot de geboorte van een nieuw tak van de karmelieten, de ongeschoeide karmelieten. Zij komen in 1581 naar Portugal. Pas in 1587 arriveren de eerste kartuizers in het land, maar zij worden niet erg populair. De hospitaalridders van São João de Deus, een Portugese heilige, stichten verschillende ziekenhuizen. De grootste en belangrijkste orde uit de late zestiende en de zeventiende eeuw is, zoals uit het voorgaande is gebleken, de orde van de jezuïeten, of Societas Jesu.iii In juni 1540 arriveren de eerste twee jezuïeten, Francisco Xavier en Simão Rodrigues, in Portugal. Dom João III ontvangt hen met grote geestdrift, omdat hij Diogo de Gouveia hun deugden heeft horen roemen. De jezuïeten komen net op tijd om Dom Frei Bartolomeu dos Mátires o.p., aartsbisschop van Braga en lid van het Concilie van Trente, behulpzaam te zijn in zijn pogingen de kwaliteit van het religieuze leven in het land te verbeteren door de discipline onder de clerus te versterken. De twee jezuïeten, die spoedig gevolgd worden door een aantal medebroeders, brengen de meeste tijd door aan het hof, als zielzorgers van de koninklijke familie en leden van de hofhouding en zij leggen ook contacten met de vele edelen en hooggeplaatste functionarissen die het hof bezoeken. De jezuïeten prediken ook op pleinen en in straten van Lissabon en zij nemen de zielzorg op zich van patiënten in het grootste ziekenhuis van de stad en van gevangenen.

De Koninklijke Raad bediscussieert het denkbeeld de energie en het enthousiasme van de leden van de nieuwe orde in te zetten in de missie, een gedachte die ook sterk leeft aan het Spaanse hof. Xavier en Rodrigues willen eigenlijk ook zelf zo spoedig mogelijk naar Indië vertrekken. Kardinaal Henrique is hiervan een voorstander, maar João III wil de jezuïeten liever in Portugal houden. Er wordt een compromis gevonden: Xavier mag naar Indië vertrekken, wat hij in april 1541 ook doet, mits Rodrigues in Portugal blijft. João III stelt hem in 1543 aan als privéleraar van zijn zoon, João. Als gevolg van de goede naam die de jezuïeten zich verwerven en koninklijke begunstiging die zij genieten, neemt het aantal volgelingen sterk toe. De toeloop is zo groot dat Simão Rodrigues in 1546 slechts 13 van de 53 aspirant-jezuïeten die zich aanmelden, aanneemt.

Inquisiteur-generaal, kardinaal Henrique, staat erop dat er een onderzoek wordt ingesteld naar de mate van orthodoxie van de jezuïeten, de orde wordt van alle blaam gezuiverd en de kardinaal trekt daarna een jezuïet aan als zijn biechtvader. In die tijd is Henrique gepikeerd door de mislukking van wat hij beschouwt als een werkelijke inquisitie en Ignatius intervenieert in Rome ten bate van de Portugese inquisitie, wat in 1547 zal leiden tot de bul Meditatio cordis.

In 1552 mag de Societas Jesu de gebouwen van het oude klooster van Santo Antão in Coimbra betrekken. Zij stichten daarin hun eerste college annex studentenhuis, waarin gratis onderwijs wordt gegeven aan toekomstige jezuïeten en aan anderen, ongeacht de sociale klasse waaruit de studenten voortkomen. Simão Rodrigues en veel andere jezuïeten doceren ook aan de Universiteit van Coimbra, die zij vanaf 1555 gaan leiden, zonder ooit de volledige zeggenschap over de Universiteit te krijgen.

Henrique wordt langzamerhand een groot aanhanger van de jezuïeten en hij nodigt hen uit in zijn aartsbisdom Évora een door hen te leiden college te stichten. Simão Rodrigues neemt de uitdaging aan en loopt met negen medebroeders van Coimbra naar Évora, waarbij zij met bedelen aan de kost komen. De tien jezuïeten openen eind 1551 het Colégio Espírito Santo in Évora. In 1554 zullen daar al 300 studenten studeren. In 1558 zal kardinaal Henrique paus Paulus IV vragen de nieuwe instelling de status te geven van universiteit.De paus zal aan deze wens tegemoet komen en op 1 november 1559 zal het college de gevraagde status verwerven, onder formele supervisie van de jezuïeten. De eerste rector is Melchior Carneiro, die later bisschop van Ethiopië zal worden.

In 1553 stelt João III vijf andere gebouwen voor de orde in Lissabon beschikbaar. In 1552 is het aantal jezuïeten in Portugal opgelopen tot 318 en in 1554 studeren al 600 studenten op het door hen geleide college in de hoofdstad. Om de discipline onder de studenten te vergroten wordt strenger geselecteerd; eenderde tot de helft van de studenten valt af. De strenge selectie leidt ertoe dat het aantal leden van de orde in de jaren vijftig nog maar langzaam stijgt; in acht jaar met niet meer dan 42 tot 350 in 1560. Spoedig daarna worden de jezuïeten verantwoordelijk voor drie colleges in het noorden van het land. Francisco Borgiaiv, provinciaal-overste in Portugal, bewerkstelligt de stichting van het Colégio de São Lourenço in Porto, dat zijn deuren opent op 10 augustusv 1560; in Braga wordt een bestaand college, het Colégio de São Paulo, op verzoek van aartsbisschop Bartolomeu Mártires, in 1561 overgenomen door de jezuïeten in Braga. Het derde nieuwe jezuïetencollege in het afgelegen Bragança, opent in 1562 zijn poorten en telt na zes jaar al 330 studenten.

In 1600 zullen zij over 20 vestigingen en 600 leden beschikken en leiden zij noviciaten, ziekenhuizen, krankzinnigengestichten, scholen en seminaries. Hun priesters zwermen uit over heel Portugal en zijn imperium en behoren tot de populairsten van allen. Hun invloed neemt bij de heersende klassen toe, opdat zij optreden als biechtvaders, kapelaans, adviseurs enzovoorts. Hun invloed vormt een uitdaging voor andere religieuze orden en maakt hen tot voorwerp van afgunst en aanvallen. De jezuïeten scheppen een eigen perfecte methode voor beoefening van spiritualiteit en haar leden worden bijzonder goed opgeleid. Hun hoofddoel is de jeugd en zij slagen erin bijna het gehele onderwijs in Portugal in handen te krijgen. In de komende twee eeuwen zullen de jezuïeten de sterkst denkbare invloed op het onderwijs hebben. Zij steken hun energie ook in aanvallen op ketters en joden. Zij zullen bijna een eeuw lang partners zijn van de inquisitie in een soort ‘verenigd front’ met de seculiere geestelijkheid en zij weten de koning en de onderkoning in Indië naar hun hand te zetten. Naarmate de macht van de jezuïeten en die van de inquisitie toeneemt, weten beide instituties de maatschappij meer en meer te beïnvloeden. Na de jaren twintig van de zeventiende eeuw ontstaan er in de maatschappij vooralsnog geheime krachten die zich keren tegen de jezuïeten en de inquisitie. In 1640 kiezen de jezuïeten voor de onafhankelijkheid van Portugal en zij zullen tot de trouwste volgelingen van de hertog van Bragança behoren als die als João IV de troon heeft bestegen.

Vanaf het midden van de zestiende eeuw valt in Portugal en elders de tendentie te bespeuren dat het aantal handelshuizen vermindert, maar dat de omzetten van de overblijvende firma’s stijgen. Er is dus sprake van de concentratie van kapitaal. De schattingen voor Lissabon voor de jaren 1565 en 1619-1620 zijn daarvan een duidelijk bewijs. De gedwongen ‘leningen’ van 1626 en 1631 tonen aan hoe klein de groep zakenlieden is geworden in vergelijking met 1552. Aan de andere kant is hun economische kracht aanzienlijk gestegen.

Zoals eerder is opgemerkt is het vereniging van Portugal met Spanje gunstig voor de Portugese bourgeoisie. De regering in Madrid is zich veel meer bewust van het belang van een middenklasse, want als de overheid aanzienlijke sommen gelds nodig heeft, dan zijn het alleen de zakenlieden die dat kunnen uitlenen. Het zijn ook welgestelde cristãos novos die de overheid geld lenen, maar velen maken van de geboden gelegenheid gebruik om het land voorgoed te verlaten.

Na de grote bestuurlijke hervormingen aan het begin van de zestiende eeuw, is er een lange periode van staatkundige rust gevolgd, die nog voortduurt onder de koningen Sebastião en Henrique. Het enige belangrijke dat voor de vereniging met Spanje is bereikt, is het besluit van 1570, waarbij twee reizende rechtbanken in het leven werden geroepen, een voor de Alentejo en de Algarve en de ander voor de rest van het land. Beide rechtbanken zijn uitgerust met een groep vaste ambtenaren en magistraten. De bedoeling is te voorzien in een beter rechtssysteem voor de bevolking.

Het bestuur van de Habsburgse koningen daarentegen brengt veel substantiële hervormingen met zich mee, die vaak eeuwen worden gehandhaafd. Portugal profiteert van het hoogst geavanceerde Spaanse bureaucratische patroon, doordat zijn bestuursmethoden min of meer worden aangepast aan wat in Spanje gebruikelijk is. Ook de rechtspraak profiteert van verschillende verbeteringen. In 1582 wordt het in 1570 opgezette systeem ingrijpend gewijzigd: een van de belangrijkste tribunalen, de Casa do Civiel, wordt voor onbepaalde tijd overgebracht naar Porto. De instelling wordt geheel gereorganiseerd en ontvangt de naam, Relação da Casa do Porto. Tezelfdertijd wordt in Lissabon een ander tribunaal, de Casa de Suplicação geïnstalleerd, in plaats van de reizende rechtbank. Een nieuwe regeling maakt van de Casa de Suplicação een appèlrechtbank voor heel het land, maar voor Zuid-Portugal, Madeira en de Azoren behandelt het hof zaken in eerste aanleg. Andere wetten, van 1582 en 1592, veranderen de regelingen voor desembargadores (hoge magistraten) en corregadores, waarbij hun competenties en het gebied waarin ieder werkzaam is, zijn vastgelegd.

Voor het douanekantoor in Lissabon wordt in 1587 een moderne regeling (foral) ontworpen en in 1592 wordt een nieuw hof voor economische aangelegenheden ingesteld. Dit Tribunal do Consultado, waarin kooplieden en juristen zitting hebben, behandelt geschillen tussen kooplieden, problemen over het wisselen van geld en andere zaken van economisch belang. Aan het tribunaal zijn veel ambtenaren verbonden en er wordt een speciale belasting ingevoerd om de instelling te bekostigen. In 1602 heft Philips III het tribunaal op, onder het voorwendsel dat het nutteloos is, terwijl hij de opbrengst van de speciale belasting behoudt. Het tribunaal bekend als Mesa da Consciência e Ordensvi ontvangt in 1607 een nieuw en beter statuut. Het centrale bureau voor openbare financiën, de Casa dos Contos, ondergaat in 1633 ingrijpende veranderingen. Andere nieuwe wetgeving heeft betrekking op herverkiezing van rechters, de hervorming van het secretariaat van de staat en dergelijke.

Er worden wettelijke inspanningen verricht om de zaken in de metropool Lissabon beter te doen verlopen. Onder Sebastião’s regering is er al een nieuwe regeling voor het bestuur van de stad ingevoerd. Onder Philips II en Philips III gaat het om zaken als de toevoer van water, gezondheidszorg en de politie. De wetten van 1605 en 1608 verdelen de stad in bestuurlijke eenheden en reorganiseren de stedelijke politie. Andere maatregelen hebben betrekking op bestrating, drainage en dergelijke.

Over het algemeen maakt Portugal ten tijde van Philips II (I) een verarmde en matte indruk. Dit is echter niet geheel te wijten aan de Spaanse bezetting. Sinds de tijd van Dom Manuel is het meer en meer gewoonte geworden bij vererving te bepalen dat landgoederen niet vervreemd mogen worden. Het gevolg hiervan is dat veel oudere zonen, die hun fortuin hebben verdeeld of uitgegeven, grote landerijen bezitten die zij niet kunnen verkopen, terwijl het hun aan middelen ontbreekt de grond te verbeteren. Gepoogd wordt het aantal processen over de onvervreembaarheid van de grond te beperken, en het wordt gezinnen mogelijk gemaakt voorzorgsmaatregelen te treffen om de toekomst voor jongere zonen veilig te stellen. Tenslotte wordt de corregadores opgedragen erop toe te zien dat braakliggend land wordt gebruikt. Al deze maatregelen leiden niet tot een merkbare verbetering van de situatie.

Na de invoering van de Ordenações Manuelinas in de jaren 1512-1521, zijn er veel belangrijke wetten verschenen. Kardinaal-regent Dom Henrique verordonneert de publicatie daarvan in een lijvig boekwerk, samengesteld door Duarte Nunes do Leão. Deze Collecião de Leis extravagantes verschijnt in 1569. Van 1569 tot 1580 verschijnt ook veel nieuwe wetgeving, met het gevolg dat Philips II systematische manier van regeren leidt tot een nieuwe codificatie van alle wetgeving van 1512 tot 1595, volgens een nieuw schematiseringsplan en veranderingen in de procedures van rechtsvordering. Deze nieuwe codificatie van de wetgeving, die de belangrijkste hervorming onder de Spaanse koningen, is bekend als de Ordenações Filipinas. De nieuwe Ordenações zijn klaar in 1595, maar zij worden gepubliceerd in 1603, na het overlijden van Philips II.

Uit de Ordenações Filipinas, blijkt dat de overheid de landbouw en de boeren wil beschermen door de lasten die op de boeren drukken te verminderen. Er worden pogingen ondernomen om het jagen, nog steeds de favoriete bezigheid van de adel, onder controle te brengen en de heerlijke rechten te beperken, om te voorkomen dat landbouwwerktuigen worden verpand of geconfisqueerd. Ook wordt het dorpsraden mogelijk gemaakt geschillen te beslechten, waardoor het hof wordt ontlast. Auteurs over deze periode wijzen vaak op de ontvolking van het platteland en op veel braakliggende grond. Een eeuw lang hebben de stad, de zee, het leger en de kerk mensen aangetrokken die mitsdien hun geboortegrond hebben verlaten en tijdens het grootste deel van de eeuw is het land verplicht geweest granen en andere belangrijke voedingsmiddelen te importeren.

Aan het einde van de zestiende en in het begin van de zeventiende eeuw komt het regeren met behulp van adviesraden in zwang, ofschoon er altijd raadgevers zijn geweest, naar wie de koning luisterde als dat nodig was. Deze raden zijn kleine lichamen, die bestaan uit meer of minder competente lieden, gekozen uit de rangen van de adel, de geestelijkheid en de ambtenarij. Zij adviseren de koning en zijn ministers over zaken van belang. Later, na het herstel van de onafhankelijkheid, beperken en controleren zij de koninklijke macht, waarbij zij dikwijls zelf een machtsfactor worden. In 1563 installeert kardinaal-regent Dom Henrique de Conselho de Estado, met duidelijke taken en statuten die zes jaren onveranderd zullen blijven. De Conselho de Estado wordt gevolgd door de Conselho da Fazenda, welke raad Philips II instelt op basis van het Regimento da Fazenda van 1591 die een geheel nieuwe regelgeving voor de openbare financiën inhoudt; het ambt van vedor da fazenda wordt afgeschaft en in plaats daarvan is de nieuwe adviesraad ingesteld. Dezelfde vorst had, toen hij in 1583 van Lissabon terugreisde naar Madrid, de Conselho de Portugal gesticht, om hem te assisteren in alle zaken betreffende het nieuw verworven koninkrijk. De Raad heeft een secretariaat, dat in 1602 in vieren wordt gesplitst, in 1607 wordt samengevoegd tot twee, om tenslotte in 1631 uit te komen op drie. In 1640 houdt de Raad op te bestaan. In 1604 is de Conselho da India in het leven geroepen, maar tien jaren later wordt deze Raad ontbonden, als hij in conflict is geraakt met andere bestuursorganen.

De uitvoerende macht ondergaat ook enige belangrijke wijzigingen. De functie van escrivão da puridade verdwijnt onder Sebastião; zijn secretariaat wordt in drieën opgedeeld. Het Spaanse bestuur beperkt deze tot twee stuks: het Secretariaat van de Staat en dat van Mercés (liefdadigheid). Hiernaast is er in Madrid nog het secretariaat van de Conselho de Portugal. Voor de opper kanselier, de chancelor-mór wordt in de periode 1589-1595 een geheel nieuwe regeling gegeven.

In de beschouwde periode vermindert de rol van de Cortes sterk. Dit is geen nieuwe ontwikkeling, maar een continuering van de al eerder zichtbare trend naar centralisatie van de macht bij de koning. Er zijn zittingen van de Cortes in de jaren 1562-’63, 1579 en 1580, maar alleen de eerste is een traditionele zitting; in 1579 en 1580 is de Cortes in bijzondere zitting bijeen geroepen om te adviseren over de opvolgingskwestie. Philips II vindt het nodig de Cortes een zekere schijnmacht te geven, om onder de bevolking aanhang te verwerven. Hij roept de Cortes tweemaal, in 1581 en in 1583, in vergadering bijeen. Als zijn zoon, Philips III in 1619 Lissabon bezoekt, wordt de Cortes weer bijeengeroepen, maar dat is meer om Philips III een welkom te bereiden, dan dat men een serieuze agenda afwerkt.

De universiteit ondergaat geen grote veranderingen, afgezien daarvan dat de instelling in 1576 onder toezicht wordt geplaatst van de Mesa da Consciência e Ordens. De universiteit wordt dus een staatsinstelling. Ondanks zes statutenwijzigingen tussen 1559 en 1612, blijft de structuur in grote lijnen onveranderd tot in de achttiende eeuw De statuten van 1612, die in 1653 door Dom João IV worden bevestigd zullen meer dan honderd jaar geen wijzigingen ondergaan. Bepaald is dat de Universiteit van Coimbra vier Faculdades omvat: Theologie, Canoniek Recht, Rechten en Medicijnen. Daarnaast zijn er zeven Escolas menores voor het onderwijs in Wiskunde, Muziek, Kunsten, Hebreeuws, Grieks en Latijn en elementaire zaken als lezen, schrijven en rekenen. Bijgevolg kent de Universiteit twee studieniveaus, hoger onderwijs en middelbaar onderwijs en zelfs primair onderwijs. Een student kan zijn hele opleiding, vanaf zijn kindertijd totdat hij volwassen is aan de Universiteit volgen.

Het monopolie op hoger onderwijs van Coimbra wordt bedreigd door de jezuïeten, die streven naar de controle op de opvoeding, aan welk streven de Universiteit van Coimbra sterk weerstand biedt. In 1559 slagen de jezuïeten erin hun eigen universiteit te krijgen, als op 1 november van dat jaar hun Colégio Espírito Santo in Évora, dankzij kardinaal Henrique door paus Paulus IV als universiteit wordt erkend. Negen jaar later geeft de paus de jezuïeten de controle over het college; waarover de generaal van de Societas Jesu de volledige jurisdictie krijgt. Maar de Universiteit van Évora is veel kleiner dan die van Coimbra en men kan er slechts de volgende vakken studeren: Theologie, Kunsten, Bijbelwetenschappen, Latijn en Casuïstiek, ook kan er middelbaar onderwijs worden gevolgd, evenals elementaire cursussen. Om hun invloed in het hoger onderwijs te vergroten, bepleiten de jezuïeten dat een student slechts toegang heeft tot de Faculdades van Canoniek Recht en Rechten als hij in het bezit is van een diploma van Colégio das Artes waarvan zij de leiding hebben. In 1561 krijgen zij hun zin.

De geschiedenis van het Colégio das Artes is treurig. Het is gestart als een humanistische school, met een zeer complex curriculum en een excellente groep docenten, onder wie veel buitenlanders. Het wordt al snel duidelijk dat zulk een school kan uitgroeien tot een centrum van vrijdenkerij, een bedreiging voor de eenheid van het geloof en voor de nieuwe religieuze en culturele politiek van de koning João III. De pas gecreëerde inquisitie ontdekt in het Colégio das Artes een goed slachtoffer voor haar ijver. Diverse docenten worden gearresteerd en berecht. Onder hen bevinden zich de Schotse humanist George Buchanan en Portugese geleerde Diogo de Teive. Beschuldigingen van de misdaad homoseksualiteit en andere immorele daden dienen als verdere voorwendsels. Na vijf jaren van aanvallen, is het Colégio das Artes bevrijd van zijn beste en gevaarlijkste elementen en wordt het een gedwee instrument in de Contrareformatie. Dom João III zet zijn nieuwe politiek voort door het Colégio das Artes in 1555 toe te vertrouwen aan de jezuïeten, die het verenigen met het door hen in de gebouwen van het klooster Santo Antão gestichte college.

De jezuïeten trachten de opvoeding op elk niveau te controleren, wat natuurlijk verzet bij velen oproept, de Universiteit van Coimbra niet uitgezonderd. De andere religieuze orden, in het bijzonder de augustijnen en de dominicanen, die zich ook in hoge mate met de opvoeding bezighouden en die bovendien zeer invloedrijk zijn, reageren heftig, maar tevergeefs. In 1560 tracht de hertog van Bragança, Teodósio, een derde universiteit te stichten in Vila Viçosa, in Alentejo, waar zich zijn hof bevindt, en deze te plaatsen onder het beheer van de augustijnen. Zijn overlijden kort daarna verhindert de uitvoering van het plan. In 1562 protesteert de Cortes al tegen het groeiende aantal en de toenemende invloed van de jezuïeten en tegen hun overname van het Colégio das Artes, maar tevergeefs. De jezuïeten, de inquisitie en de Kroon zijn in die tijd sterk verenigd tegen ketterij, culturele nieuwlichterij en afwijkingen van de politiek van het Concilie van Trente. In het hele land wordt een groot aantal docenten vervolgd, gearresteerd, veroordeeld of gedwongen hun ambt op te geven. Er worden maar enige vernieuwingen in het onderwijs en leerproces aanvaard. Universiteiten en colleges worden zeer starre instellingen, die vasthouden aan de scholastische methodologie en die geen verbeteringen te zien geven in hun commentaren op de oude meesters. Zij laten zich niet beïnvloeden door welke wetenschappelijke vooruitgang ook, zij verwerpen de culturele vooruitgang waarvan elders sprake is en zijn een eeuw lang een voorbeeld van nutteloosheid en dogmatisme. Vruchtbare en progressieve wetenschap is alleen te vinden bij eenvoudige pragmatici als zeelieden, kolonisten overzee, reizigers en buitenlanders.

Enige artsen, bijvoorbeeld Amato Lusitano (1511-1568) leveren een bijdrage aan de medische vooruitgang, terwijl een belangrijke groep botanici en zoölogen wordt opgeleid in Azië, Afrika en Amerika. García da Horta (1501-1568), die werkzaam is in Indië, brengt plantkunde met medicijnen en farmacologie in verband waarmee hij de basis legt voor de tropische geneeskunde. Pedro Nunes (1502-1578) gaat dapper voort en perfectioneert de traditie van wetenschappelijke zeevaart, astronomie en mathematiek. Het gaat echter maar om weinigen en hun experimenten leiden niet tot een echte systematische wetenschappelijke attitude. Bovendien behoren deze lieden allemaal tot een generatie die rond het midden van de zestiende eeuw leeft en hun opvolgers zijn middelmatig en niet talrijk. Er is slechts één uitzondering, Francisco Sanches (1551-1623), een voorloper van Descartes voor wat betreft diens beroemde methode van twijfel. (Tractatus de multum nobili et prima universali scientia quod nihil scitur; een verhandeling over de zeer nobele en zeer universele wetenschap van Necience, 1581). Maar Sanches, die werkzaam is geweest aan verschillende universiteiten, heeft het grootste deel van zijn leven in Frankrijk gewoond.

Binnen het universitaire leven, worden de enige voorbeelden van vooruitgang op wetenschappelijk gebied gevonden op het terrein van de filosofie. In Coimbra is en school van commentatoren op Aristoteles ontstaan, de Conimbricenses de befaamde groep die zal voortbouwen op de middeleeuwse studies over Aristoteles en zal een eeuw bloeien. Het Colégio das Artes publiceert tussen 1592 en 1606, onder leiding van Pedro da Fonseca (1582-1599), acht delen van commentaren op Aristoteles (Commentarii Collegii Conimbricensis Societatis Iesu) Pedro da Fonseca, die ook doceert in Évora, schrijft diverse boeken over soortgelijke onderwerpen, waarvan zijn Institutionum Dialecticarum Libri Octo, een soort leerboek, van 1564 tot 1625 niet minder dan 34 edities in heel Europa beleeft. Al deze werken hebben een geweldige invloed in Portugal en daar buiten, met vele edities in Frankrijk, Duitsland en Italië en zij worden geprezen door geleerden als Descartes en Leibniz.

In Évora is de grote man de filosoof Luis de Molina (1535-1600). Hij is Spanjaard van geboorte, maar woont, werkt en schrijft het grootste deel van zijn leven in Portugal. Molina’s De Concordantia liberi arbitrii cum gratiae donis, divina prescientia et providentia (1588) lokt een levendige internationale polemiek uit over de mogelijkeverzoening van het leerstuk van de vrije wil met dat van de predestinatie. Het Molinisme, een filosofische doctrine afgeleid van Molina’s geschriften, heeft in de zeventiende en achttiende eeuw een grote invloed op de theologische en filosofische wereld.

Er is niet alleen sprake van controle van Kerk en Staat op cultuuruitingen via universiteiten en colleges. De invoering en organisatie van de censuur is een andere en meer effectieve wijze. Sinds de jaren twintig van de zestiende eeuw bestaat er koninklijke controle op de pers, maar deze is vaag en onnauwkeurig. De privileges verleend aan drukkers dienen als een middel van toezicht op de voortbrenging van boeken. Van echte censuur is pas sprake na de oprichting van de inquisitie Vanaf 1540 wordt een zeker aantal criteria opgesteld, aan de hand waarvan boekhandels periodiek worden geïnspecteerd door geestelijken. Hetzelfde gebeurt met schepen komende uit het buitenland. De criteria worden geleidelijk aan knellender naarmate de inquisitie sterker wordt en meer en meer doordringt in alle aspecten van het dagelijks leven. Niet alleen boekhandels, ook particuliere huizen worden bezocht door lieden van de inquisitie, als iemand is gestorven die verondersteld wordt boeken en manuscripten te bezitten.

In 1543 is in Italië de eerste Index van verboden boeken verschenen. Spanje is al in 1546 gevolgd en in Portugal is in 1547 voor het eerst een lijst van livros defesos gepubliceerd. De lijst bevat 160 titels. Vier jaren later wordt er een nieuwe lijst in Portugal van kracht; hierop staan 495 titels, met inbegrip van 13 Portugese en Castiliaanse. Vanaf dat moment zullen tot het midden van de zeventiende eeuw verschillende lijsten van in Portugal verboden boeken verschijnen, waarbij de boeken die in Spanje op de Index staan, de basis vormen van de Portugese lijst en de Heilige Stoel alle over het christendom handelende boeken toetst aan de op het Concilie van Trente genomen besluiten. De Portugese Indices van 1561, 1581 en 1624 tonen niet alleen duidelijk aan welke ontwikkeling de drukpers heeft doorgemaakt, maar zijn ook een bewijs van de toegenomen ijver van de censuur; meer dan 50 titels in het Portugees en Castiliaans in 1561, 94 in 1581 en 330 in 1624; een toename van 88% van 1561 op 1581 en van 251% van 1581 op 1624, oftewel 339% over de gehele periode. Tot de verboden boeken behoren boeken over ketterijen, dan wel boeken die zijn geschreven, vertaald of uitgegeven door een ketter; boeken over wellustige en onnette zaken; boeken over hekserij, astrologie en dergelijke. De formule die de censors later hanteren luidt: alle boeken of gedeelten daarvan die zich richten tegen “ons heilig geloof en de goede zeden.” Tegen het “geloof en de zeden” zijn de geschriften van menig Portugees auteur, bijna alle klassieken van de Portugese literatuur. Schrijvers als Camões, Gil Vicente, Sã de Miranda, António Ferreira, Bernardim Ribeiro, João de Barros en vele anderen zien hun werken verboden of verminkt door de censuur. Verboden boeken worden verbrand in autodafe’s; boeken die niet geheel verboden zijn, dienen door hun bezitters naar de inquisitie te worden gebracht, die de gewraakte gedeelten verwijdert.

De inquisitie heeft niet het monopolie op de boekcensuur. Zowel de bisschoppen als de koning gebruiken hun macht eveneens om de literaire productie te controleren. De koning doet zijn macht gevoelen in het laatste decennium van de zestiende eeuw en de bisschoppen gaan eerst in de zeventiende eeuw censuur uitoefenen. Als een auteur zijn boek wil uitbrengen dan dient hij zijn manuscript eest voor te leggen aan de inquisitie, vervolgens aan zijn bisschop en tenslotte aan de koning. Voordat een boek kan verschijnen is de schrijver soms jaren verder. Vanzelfsprekend is de drievoudige censuur bepaald geen aanmoediging voor schrijvers hun werk te doen uitgeven. Kennelijk reflecteren de boeken die tegen het einde van de zestiende eeuw en in de zeventiende eeuw worden uitgegeven de staat waarin de natie verkeert. Het overgrote deel bestaat uit religieuze titels. Andere soorten zijn juridische studies, dichtbundels, historische werken en reisverhalen. Slechts een zeer klein deel van de boeken is gewijd aan de wetenschap. Tussen 1551 en 1599 worden ruim duizend boeken in Portugal gedrukt, dus twintig boeken per jaar.

Ondanks alle barrières die een bloeiend cultureel leven in de weg staan, is de Portugese wereld in de tweede helft van de zestiende eeuw en de eerste helft van de zeventiende eeuw krachtig genoeg om een aantal meesterwerken voort te brengen. De humanistische opleving brengt haar beste vruchten voort na 1550. Het gaat om werken van mannen die opgegroeid zijn vóór of rond het midden van de eeuw. Luís Camðes (1525?-1580) is de grootste van allen, een dichter van internationale bekendheid, de auteur van het Portugese epische gedicht Os Lusiadas, gepubliceerd in 1572, en van de prachtigste lyrische poëzie. Tot zijn generatie behoren dichters en schrijvers van proza als António Ferreira (1528-1583?), Diogo Bernardes (1530-1605), Heitor Pinto (1528-1583?) en de esthetische en artistieke Francisco de Holanda (1517-1589), vergelijkbaar met het beste dat het zestiende-eeuwse Europa heeft te bieden. Latere generaties brengen ook enige goede auteurs voort, de historicus Diogo de Couto (1542-1615) en Luís de Sousa (1555- 1632) en andere schrijvers van proza, zoals Francisco Rodrigues Lobo (1579?-1621), Francisco Manuel de Melo (1608-1666), António de Chagas (1631-1682) en António Vieira (1608-1697). Maar er is weinig twijfel over dat zowel het aantal als de kwaliteit van de schrijvers (met uitzondering van Vieira) in de zeventiende eeuw enigszins achteruitgaan en dat de opflikkering als gevolg van het herstel van de onafhankelijkheid snel na 1640 is uitgedoofd.

De stijl van de Renaissance, die zo laat naar Portugal is gekomen, heeft zich snel ontwikkeld tot een stijl die wordt aangeduid met de term Maniërisme. Er zijn dan ook maar weinig voorbeelden van een zuivere Renaissancestijl van ná 1550. De nieuwe kathedralen van Leiria, Miranda do Douro en Portalegre, die allen gebouwd zijn in de jaren vijftig, laten een mengvorm tussen Renaissance en Maniërisme zien. De markt van Beja met zijn Italiaanse loggia is een van de weinige voorbeelden van een stijl die zichzelf overleefd heeft. Het Portugese Maniërisme heeft zijn belangrijkste centra in Lissabon, Évora, Coimbra en Porto. Italiaanse en Spaanse meesters zetten de toon en Italiaanse en Spaanse monumenten worden gemakkelijk overal nagebootst. De invloed van de Italiaanse architect Sebastiano Serlio (1475-1554) doordringt ook Portugal in de zestiende en zeventiende eeuw. Een andere Italiaan, Filippo Terzi (1520?-1597), sticht in Lissabon de bekende school voor architectuur en heeft de leiding bij de bouw van verschillende belangrijke monumenten. (São Vicente de Fora). Tot de beste voorbeelden van deze bouwstijl behoren de nieuwe Sé van Coimbra, de Igreja de São Bento in Porto en de Igreja da Graça in Évora.

De opvattingen van de jezuïeten over religie en hun methoden van zieltjes winnen, de aandacht van de mensen te trekken en hun verbeelding te prikkelen, heeft ook gevolgen voor de kunst en dan vooral voor de bouwkunst. De meeste kerken van de jezuïeten (São Roque in Lissabon; Espirito Santo in Évora) hebben nauwelijks zijbeuken en veel zijkapellen zijn gereduceerd tot nissen in de muren. Daardoor lijkt de gehele kerk een grote kamer die de mensen dwingt hun ogen en gedachten te richten op de preekstoel en het altaar. Sterk beïnvloed door de kerk van Gesú in Rome wordt dit soort kerken snel favoriet, ook bij anderen dan jezuïeten. Ook het interieur van kerken is aan veranderingen onderhevig. Veel kerken worden in die tijd voorzien van tegelwerk (azulejos)

Een van de belangrijkste bouwactiviteiten rond het midden van de zestiende eeuw betreft militaire forten in Portugal en in zijn imperium. In 1550 is de uit Óbidos afkomstige engenheiro Inofre de Carvalho benoemd tot mestre dos trabalhos reais. Hij vertrekt nog hetzelfde jaar met de nieuwe onderkoning, Dom Afonso de Noronha, naar Indië, om met name aan de Perzische Golf bestaande forten te verbeteren en nieuwe forten te bouwen. Inofre de Carvalho** is een leerling van Miguel de Arruda, die de militaire bouwmeester van het Império Português, Benedeto da Ravenna, een decennium eerder al behulpzaam is geweest bij de modernisering van de vestingwerken van Ceuta en Mazagão. De Portugese Kroon heeft daarna besloten de belangrijkste verdedigingswerken rond de wereld te moderniseren en daarbij de eenvoudige Italiaanse uitgangspunten voor de bouw van vestingwerken aan te houden. In 1546 zijn tegelijkertijd de forten in Tanger, Diu, Moçambique en São Salvador de Baía onder handen genomen en het proces heeft een hoogtepunt bereikt in 1548, toen Miguel de Arruda werd benoemd tot mestre dos trabalhos de fortificação do reino. De grote bouwmeester laat zich bij de bouw van fortificaties, maar ook van kerken en huizen, bijstaan door een kring van leerlingen, onder wie Inofre de Carvalho. Arruda bouwt in Xabregas, een voorstad van Lissabon, een koninklijk paleis, naar een ontwerp van Michelangelo, en rond 1562 het machtige Fortaleza de São Julião da Barra aan de monding van de Taag, naar het voorbeeld van het Fortezza da Basso in Florence.

Er worden in verschillende plaatsen (Coimbra, Vila do Conde) aquaducten gebouwd, waaruit blijkt dat de aanvoer van water een toenemende zorg is van de regering. Het grote aantal edelen dat in de steden, in het bijzonder in Lissabon, verblijft resulteert in de bouw van vele prachtige huizen en paleizen. Philips II laat in Lissabon een nieuw paleis bouwen. Op het platteland verschijnen meer boerderijen (quintas) en zomerhuizen. Wat de schilderkunst betreft is de grootste naam uit de zestiende eeuw die van Gregório Lopes (1516-1595), maar hij is zeker niet de enige. In Lissabon en in kleine steden en aan de hoven van bisschoppen en edelen floreert de teken- en schilderkunst. In de zeventiende eeuw nemen schilderijen met religieuze voorstellingen in kwaliteit en kwantiteit af; daarentegen bereikt de portretkunst grote hoogten.

i In 1599-1600 maakt de pest alleen al in Castilië 500.000 slachtoffers

ii Sevilla, in die tijd de grootste Spaanse stad, heeft 120.000 inwoners.

iii De stichter van de Sociëteit van Jezus, die zo’n grote rol in de historie van Portugal en zijn overzeese gebieden zal spelen, is Iñigo López de Recaldo (1491-1556), een Navarrees edelman, die in 1521 bij het beleg van Pamplona getroffen wordt door een Franse kanonskogel. Na zijn herstel wijdt hij zich aan geestelijke zaken. Hij gaat in 1528 naar Parijs, waar hij onder meer studeert aan het door Diogo de Gouveia geleide Collège de Sante Barbe, waar hij zich ontpopt als een spiritueel leider. Na in 1532 afstand te hebben gedaan van zijn vroegere leven en zich Iñigo de Loyola (Ignatius van Loyola) is gaan noemen, verzamelen zich zes volgelingen om hem heen, onder wie: Diego Lainez, zijn opvolger, Francisco Xavier, evenals Iñigo stammend uit een adelijk Navarrees geslacht en de beroemste missionaris van de orde, en de Portugese edelman Simão Rodrigues de Azevedo, de stichter van de orde in Portugal. Op weg naar het Heilige Land, wonen Iñigo de Loyola en zijn volgelingen in 1537 in Venetië. Hier sluiten zich meer leerlingen bij hen aan. Door de oorlogssituatie in het oosten van de Middellandse Zee is het onmogelijk naar het Heilige Land te zeilen. Bij een bezoek aan Rome, blijken paus Paulus III (1534-1549) en zijn omgeving zeer onder de indruk te zijn van de scholing van Iñigo de Loyola en zijn volgelingen. Zij worden uit naijver bij de inquisitie aangeklaagd, op beschuldiging Lutherse ketters te zijn. Als zij van alle blaam gezuiverd zijn, geeft de paus, op voorspraak van Donna Constanza Farnese, een onwettige dochter van Paulus III en de invloedrijkste vrouw in Rome, kardinaal Guidiccioni en Dom Pedro Mascarenhas, de Portugese ambassadeur bij de Heilige Stoel, in zijn bul Regimini militantis ecclesiae van 25 september 1540 toestemming tot de oprichting van de Sociëteit (in de naam) van Jezus, waarvan de omvang echter beperkt dient te zijn.

iv Francisco Borgia, oorspronkelijk Francisco Borja y Aragón, duque de Gandia en onderkoning van Catalonië, is de derde generaal van de jezuïeten (1565-1572) geweest. Hij heeft de vrijlating van de door Orde gehouden slaven gelast en is heilig verklaard.

v De feestdag van Sint Laurentius

vi De door João III in 1532 opgerichte rechtbank voor religieuze zaken in Portugal en overzee.

Hoofdstuk 2. Sebastião’s rampspoed in Marokko. 2.0 Inleiding; Portugals positie in Marokko in de jaren 1415-1557

x

Check Also

Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De Malediven. Expansie van het Império Português (1515-1521)

Deel 6 Index Hoofdstuk 7 Expansie van het Império Português (1515-1521) 7.1 De Malediven Geschreven door Arnold van ...

banner
Close
Stay informed about Colonial Voyage