Categorieën
Portugees kolonialisme

De ontdekking van Californië. Het aandeel van Portugezen in de ontdekking van Noord-Amerika

Deel 8 Index

Bijlage 2.

Het aandeel van Portugezen in de ontdekking van Noord-Amerika

2.0. De ontdekking van Californië

Geschreven door Arnold van Wickeren

Het gaat in deze bijlage om het aandeel van Portugezen in de ontdekking van wat later de Verenigde Staten van Noord-Amerika zullen worden rond het jaar 1542. Van de ontdekkingen in veel noordelijker streken van het Amerikaanse continent in de 15e en in het begin van de 16e eeuw wordt verwezen naar: par. 2.8 van deel II, par. 2.1 van deel VI en pagina 41.

2.0 De ontdekking van Californië.

De ontdekking van Californië staat op naam van João Rodrigues Cabrilho (Juan Rodriguez Cabrillo). Deze Portugees in Spaanse dienst arriveert, in gezelschap van Pedro Alvarato, omstreeks 1518 op Cuba. Korte tijd later vergezelt hij de Spaanse krijgsman Panfilo de Narvaez, als kapitein op een van zijn schepen, naar Nieuw Spanje (Mexico), waar hij in april 1520 aankomt. In hetzelfde jaar bewijst Cabrilho in de Slag bij Atumba tegen de Azteken dat hij een bekwaam aanvoerder is. Zijn bekwaamheden blijken opnieuw in de expedities naar Oxaca en naar Guatemala. Aan de kust van dat laatste land laat hij in 1540 schepen bouwen voor een verkenningstocht naar het legendarische eiland van de ‘Sete Cidades (zie deel II, pag. 134-135). Men verbeeldde zich toentertijd dat dit eiland in Noord-Amerika gezocht moest worden. Politieke verdeeldheid onder zijn Spaanse opdracht-gevers verhindert echter dat de expeditie uitzeilt.

In die tijd is de westkust van de latere Verenigde Staten nog totaal onbe-kend, maar men gelooft algemeen dat er een doorgang moet zijn tussen de Atlantische en de Grote Oceaan, wat voor de Spaanse verbindingen tussen beide oceanen een enorm voordeel zou zijn. Don Antonio de Mendoza, onderkoning van Nieuw Spanje, die de zeevaartkundige en leidinggevende kwaliteiten van Cabrilho onderkent, belast hem in 1542 met een onderzoek naar de veronderstelde doorgang, die in de mystieke geografie de naam ‘Estrecho de Anian’ heeft gekregen. Op 27 juni van hetzelfde jaar vertrekt Cabrilho met twee kleine schepen uit een haven aan de westkust van Nieuw Spanje en gaat op zoek naar de veronderstelde zeestraat. Na een tocht van drie maanden in noordelijke richting, ontdekt hij op 28 september een haven die hij São Miguel noemt. In feite is de Portugese zeevaarder de huidige Baai van San Diego binnengevaren, waarmee hij de huidige staat Californië heeft ontdekt. Tijdens het zesdaagse verblijf in genoemde haven, tonen de Indianen zich ontzet bij het zien van de blanken. ’s Nachts schieten zij op enige Spanjaarden die aan het vissen zijn pijlen af, waarbij zij drie van hen verwonden. Men heeft verondersteld dat de vijandige houding die de Indianen aannemen, is ingegeven door berichten uit het oosten, dat wil zeggen uit streken in het binnenland die op dezelfde breedtegraad liggen en die toen al door de Spanjaarden bereikt waren. De pijlenschieters hebben er wellicht weet van dat de eerste contacten tussen de Spanjaarden en de Indianen in die oostelijke streken vaak allerminst vreedzaam zijn verlopen.

João Rodrigues Cabrilho tracht daarentegen vriendschap te sluiten met de Indianen. Hij doet dit door hen, zowel bij de eerste als bij latere ontmoetin-gen, geschenken aan te bieden en alles te vermijden wat deze primitieve mensen angstig zou kunnen maken of wat vijandige gevoelens bij hen zou kunnen opwekken. Cabrilho gedraagt zich dus zoals Pedro Álvares Cabral zich in Brazilië tegenover de Indianen gedragen heeft en de eerste betrek-kingen tussen de vreemdelingen en de Indianen ontwikkelen zich vreedzaam, een feit dat Californische historici met voldoening hebben vastgesteld. Op 3 oktober vervolgt de kleine expeditie haar weg naar het noorden. Zij arriveert achtereenvolgens bij de eilanden Santa Catalina en São Clemente, in de Baía dos Fumos, voor het huidige Santa Monica en bij de eilanden in het Kanaal van Santa Barbara. Vandaar zeilen de schepen langs de kust tot ongeveer 34 NB. Hier staat zo’n sterke noordwestenwind dat de zeelieden genoodzaakt zijn terug te keren naar de laatste archipel. Op het kleine eiland São Miguel, waar zij een week blijven, komt Cabrilho ten val en breekt zijn arm vlak onder de schouder. Ondanks zijn fysieke handicap, die hem danig hindert, zet de Portugese commandant de reis voort. De schepen tornen 3½ maand bijna voortdurend tegen zware stormen op, waarbij zij soms gedwongen worden terug te keren en een schuilplaats op te zoeken. Op ongeveer 39 NB bereikt Cabrilho de omgeving van Forte Ross, daarna komt hij in de Baai van Monte Rey en vervolgens aan de Golden Gate, aan de ingang van de Baai van San Francisco, en Drakes bay. Deze laatste baai heeft Cabrilho op 16 november ontdekt, nadat hevige stormen, die de schepen op de kust te pletter dreigden te laten slaan, hem tot de terugtocht hadden gedwongen om beschutting te zoeken in een andere baai. Nog dezelfde dag wordt de Golden Gate vanuit de verte gezien.

Eind november keert Cabrilho opnieuw terug naar de eilanden in het Kanaal van Santa Barbara, met de bedoeling daar drie maanden te blijven om de schade die de schepen hebben opgelopen te herstellen en de mannen op verhaal te laten komen. Maar als er op 3 januari nauwelijks een maand verstreken is, bezwijkt Cabrilho aan de gevolgen van zijn armbreuk. De zeer slechte weersomstandigheden tijdens de stormachtige maanden oktober en november hebben zijn toestand zodanig verslechterd dat dit hem noodlot-tig is geworden. Bartolomeu Ferrolo, die door Cabrilho nog geen uur voordat hij overlijdt als zijn opvolger is aangewezen, geeft 18 februari 1543 bevel de tocht voort te zetten en op 1 maart wordt op 42 30’ NB de noordgrens van Californië bereikt. De omstandigheden tijdens de terugreis zijn niet te vergelijken met de tocht in tegengestelde richting, waarin 800 zeemijlen kust zijn onderzocht. Na een reis van 1½ maand zijn de schepen terug in de haven van vertrek, terwijl de heenreis acht maanden heeft gevergd.

2.1 Andere verkenningstochten.

Categorieën
Portugees kolonialisme

De laatste fase van de oorlog. De verovering van het moslimkoninkrijk Granada

Deel 8 Index

Bijlage 1.

De verovering van het moslimkoninkrijk Granada

1.4. De laatste fase van de oorlog

Geschreven door Arnold van Wickeren

De vóór 1488 ondernomen veldtochten hebben geleid tot een reeks vijandige forten ten westen Granada-stad: Colomera, Moclín, Íllora, Montefrío. Loja, Alhama en Vélez-Málaga. De campagne van 1488 – overigens een jaar van weinig militaire activiteit, na de enorme krachtsinspanning die de verovering van Málaga heeft gevergd – heeft tot doel een bres te slaan in de oostelijke verdedigingslinie van Granada. De christenen willen doordrin-gen tot Almería. Als dit zou lukken dan wordt het Nasridische koninkrijk gereduceerd tot een kwetsbaar en van alle kanten bedreigd eiland. De Reyes Católicos zijn er mogelijk op uit onder één hoedje te spelen met de alcaide van Almería, Yahy al-Nayyr, met het doel alle kustgebieden van Granada in bezit te krijgen. Dit zal overigens maar gedeeltelijk lukken.

De uitvalsbases voor de operatie liggen in het koninkrijk Murcia. Koning Fernando brengt een leger op de been dat 5 juni Lorca verlaat, terwijl de markies van Cádiz al eerder met zijn troepen in Vera, aan de monding van de Rio Almanzora is gearriveerd. De angst van de Moren voor een herhaling van wat hen in Málaga is overkomen, begunstigt de Castliaanse opmars. In de loop van enkele dagen geven Cuevas, Huércal, Líjar, la Sierra de Filabres, Níjar, Vélez-Blanco en Vélez-Rubio, Cúllar, Mojácar, Banamaurel en andere plaatsen zich zonder verzet over. El Zagal voor-komt nog net op tijd dat alcaíde Yahy al-Nayyr ook Almería zonder slag of stoot overgeeft. Hij zet hem af en versterkt het garnizoen van de stad. Als de Rey Católico verneemt dat Almería niet van plan is zich zonder meer over te geven, trekt hij zijn leger terug naar Huéscar, dat zich aan hem overgeeft. Eind juli keert don Fernando terug naar Murcia.

Met de veldtocht van 1489 wordt verovering van de gebieden waar el Zagal het voor het zeggen heeft beoogd. El Zagal legt – anders dan Boabdil, wiens handen gebonden zijn door zijn overeenkomsten met het Spaanse vorstenpaar – een grote militaire en politieke activiteit aan de dag en een groot deel van de Granadijnen stelt zijn hoop op de energieke oom van de Rey Chico, die de druk van de Castiliaanse troepen verlicht. El Zagal trekt de streek van Alcalá la Real binnen en in de maanden juni en juli herovert hij Níjar, la Sierra de Filabres, de streek rond de Rio Almanzora, Nerja en andere in 1487 opgegeven gebieden. El Zagal trekt ook de Vega van Granada binnen en bezet de boerderijen van Alhendín en El Padul. Boabdil kan niet over zijn kant laten gaan dat zijn rivaal op zijn territorium komt en roept daarom de hulp in van de Reyes Católicos. Boabdil heeft ook de hand in een opstand van mudéjars van Gaucín en het bergachtige land rond Ronda tegen hun overwinnaars, hoewel dit ver-moedelijk niets te maken heeft met de geslaagde veldtocht van el Zagal.

Om de situatie aan het front te stabiliseren benoemen de Reyes Católicos op 2 november 1488 don Rodrigo Ponce de León, markies van Cádiz en graaf van Arcos tot kapitein-generaal aan het front. Een van zijn eerste daden is het waarschuwen van de inwoners van Carmona voor de aanwezigheid van ‘een grote menigte Moren in Bezmiliana, die nog aangroeit vanuit Cómpeta.’

De veldtocht van het jaar 1489 wordt er een van beslissend belang en tevens een van de grootste en kostbaarste van de oorlog, die bovendien – tegen de gewoonte in – zal worden voortgezet tot in het winterseizoen. Het doel van de campagne is de stad Baza. Eind mei verlaat een chris-telijke strijdmacht, bestaande uit 13.000 ruiters en 40.000 voetknechten, de stad Jaén. Na Zújar tot overgave te hebben gedwongen, zonder dat weerstand is geboden, en de plaatsen Freila, Benzalema, Caniles en Bácor in de omgeving van Baza te hebben bezet, wordt op 20 juni in Bácor met de omsingeling van Baza begonnen. Door het verzet van de verdedigers van Baza is dit een langzaam verlopend en moeilijk karwei. Hier komt nog bij dat een gordel van moestuinen rond de stad moet worden vernietigd, voordat de artillerie kan worden ingezet. Bovendien dienen loopgraven te worden aangelegd, tegenover alle delen van de stad. Al deze voorbereidingen leiden ertoe dat het eigenlijke beleg eerst in oktober begint. Op 5 november arriveert koningin Isabel in het leger-kamp voor Baza. Haar komst maakt een einde aan de hevige gevechten, die weinig onderdoen voor die bij Málaga. Yahy al-Nayyr, de verdedi-ger van Baza, verzoekt het vorstenpaar onderhandelingen te beginnen.

De onderhandelingen tussen el Zagal en de Reyes Católicos worden gevoerd door Yahy al-Nayyr, die uitstekende betrekkingen met het vorstenpaar onderhoudt en die het jaar daarvoor al op het punt gestaan heeft Almería zonder verzet aan hen over te dragen. Door zijn bemoeie-nissen geeft Baza zich al op 4 december over. Een paar dagen later volgt de overgave van Purchena en van alle plaatsen in de streek van de Rio Almanzora en in de bergen van Filabres. Op 10 december ondertekenen Fernando en Isabel de capitualatie-overeenkomst met el Zagal, wie zij, in ruil voor de overdracht van alle gebieden die hij nog controleert, in het bezit willen stellen van de ‘tahas’ (bronnen) in de districten Andarax, Lecrín en Lanjarón en van de helft van de zoutpannen van Malahá. Als el Zagal ervoor zou kiezen over te steken naar Noord-Afrika dan zullen de Reyes Católicos hem schadeloos stellen door betaling van 30.000 Castiliaanse doblas. Bovendien zullen zij hem schepen beschikbaar stellen, waarmee hijzelf, zijn hele familie, voorzien van hun kostbare meubelstukken, kunnen uitzeilen. Het akkoord zal worden ondertekend zodra zijn residentie Almería, alsmede Guadix en de streek van de Cenete daadwerkelijk zijn overgedragen, hetgeen tussen 23 en 30 december ook gebeurt. Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat de verove-ring van het koninkrijk Granada gepaard gaat met edelmoedige gebaren van het Katholieke Koningspaar bij capitulaties. Aan de gebruikelijke concessies met betrekking tot levens, landgoederen, geloof, gebruiken, enz. worden andere toegevoegd. Deze hebben betrekking op de nazaten van christenen en op tot de islam bekeerde christenen. Hen wordt toege-staan als praktizerende moslims in Spanje te blijven wonen, ofschoon aan de andere kant moslims die willen emigreren geen strobreed in de weg zal worden gelegd. De campagne tegen Baza is enorm hard geweest en heeft schatten gekost. Ladero schrijft over ‘een demonstratie van kracht en weerbaarheid en tezelfdertijd een bewijs dat een flexibele houding bij capitulaties het einde van de oorlog kan bespoedigen en de gevolgen van de veroveringen kan verzachten, doordat de nieuwe mudéjars acceptabele levensomstandigheden worden geboden.

De verovering van van het oostelijk gedeelte van het koninkrijk Granada heeft vermoedelijk, na de capitulatie van Loja in 1486, het einde van de oorlog en de overgave van Granada ingeluid. In 1490 wordt daarover onderhandeld. Voor Granada worden deze gevoerd door Ab I-Qsim al-Mulh (Abulcacén el Muleh). Niet bekend is of deze onderhandelingen ertoe hebben bijgedragen dat de Reyes Católicos uiteindelijk Boabdil weinig edelmoedig behandelen. Zij zijn niet bereid in ruil voor Granada hem in het bezit te laten van enig gebied in het oosten van het koninkrijk, waarvan in 1487, na de val van Loja, sprake is geweest. Het vorstenpaar stelt zich ook onverzoenlijk op tegen de Granadijnen die tot het laatst de lasten van de oorlog gedragen hebben. Kennelijk is Boabdil zo teleur-gesteld in de houding van het Katholieke Koningspaar in 1490 dat hij besluit de relaties met hen te verbreken en tot het einde verzet te bieden.

In mei 1490, na de bruiloft te hebben gevierd van hun dochter Isabel, begeven Fernando en Isabel zich, aan het hoofd van een legermacht die Fernando del Pulgar berekend op 5.000 ruiters en 20.000 voetknechten, naar de Vega van Granada. In het zicht van de stad verenigt dit leger zich met de troepen van hun nieuwe vazallen el Zagal en Yahy al-Nayyr, die na zijn bekering tot het christendom door het leven gaat als don Pedro de Granada. Vanaf de muren van Granada is te zien dat de vijandelijke legermacht de Vega van Granada ontdoet van struikgewas en andere begroeiing, dat zij de vesting Alhendín bevoorraadt en dat don Juan, de Prins van Asturië, met veel luister de ridderslag ontvangt. De kapwerk-zaamheden zijn nog maar nauwelijks uitgevoerd als Boabdil de hoeve El Padul inneemt en een aanval lanceert op Lecrín, Lanjarón en Andarax, liggend in gebied dat de Reyes Católicos belooft hebben aan el Zagal. Deze heeft zijn toevlucht gezocht in Almería, waaruit hij in 1491 naar Tlemcén in Noord-Afrika emigreert.

Na in Granada te zijn teruggekeerd, omsingelen troepen van Boabdil de vesting Alhendín, die door de christenen in staat van verdediging is gebracht. Terwijl men zich aan christelijke zijde nog beraadt op een gepast antwoord op het heropenen van de vijandelijkheden door de Rey Chico, slaat deze het beleg voor de vesting Salobreña en tracht hij Almúñecar te heroveren. Fernando komt de belegerden te hulp, verbreekt de omsingeling en tracht de terugweg naar Granada voor de belegeraars af te sluiten. Midden augustus laat de koning opnieuw de Vega van begroeiing ontdoen, waarna hij zich een maand later naar Córdoba gaat. Voor zijn vertrek heeft hij gelast alle mudéjars die Boabdil steunen, uit hun woonsteden te doen vertrekken.

De gebeurtenissen van 1490 vormen de zwanenzang van het verzet van Granada. Aan Castiliaanse kant wordt gediscussieerd over het tijdstip van de beslissende aanval op Granada, dat bijna volledig wordt omsingeld door een formidabele legermacht. Omdat het de stad ook ontbreekt aan de mogelijkheid hulp van buitenaf te ontvangen verkeert Granada in een uitzicht-loze positie. Dit neemt niet weg dat de Granadijnen vastbesloten zijn zich tot het uiterste te verdedigen en voorbereid zijn op een langdurig beleg. De Reyes Católicos voelen niets voor langdurige en kostbare strijd en voor ontplooiing van de artillerie. Zij spelen op tijdwinst. Carriazo heeft de strijd die om Granada is gevoerd omschreven al ‘een serie typisch middeleeuwse ridderepisoden: bijna een langdurig toernooi,’ waardoor een ramp onvermijde- lijk is. Terwijl Boabdil zich bij nieuwe onderhandelingen inschikkelijk toont, strijden zijn Moorse ridders, in de nadagen van het nationale bestaan en vande aanwezigheid van de islam op Spaanse bodem, met grote onver-schrokkenheid en persoonlijke heldenmoed, tegen de christelijke overmacht.

De gevechten zijn nog maar nauwelijks uitgebroken als de Castiliaanse troepen een geslaagde operatie ondernemen tegen Alpujarra en Valle de Lecrín, vanwaar versterkingen en hulp Granada kunnen bereiken. Vervolgens wordt het Castiliaanse legerkamp verplaatst van El Gozco naar de omgeving van het dorp Santa Fe. Hiermee wordt niet beoogd de omsingeling van Granada te verbreken; het nieuwe kamp is een onder-steuningskamp dat in gebruik zal blijven totdat de stad zich overgeeft. Op 8 juli wordt begonnen met de laatste ontbossing van de Vega. Na de landerijen van Albolote van alle begroeiing te hebben ontdaan, breekt er een gevecht tussen Castilianen en Granadijnen los bij Acequia Gorda, waarin de Doncel van Sigüenza sneuvelt. Bij deze laatste schermutseling van de oorlog wordt het nog na de Slag bij la Zubia resterende deel van de Granadijnse cavalerie vernietigd.

Tijdens deze laatste gevechten zijn in het diepste geheim tussen partijen gesprekken op gang gekomen. Deze gesprekken, die zullen uitmonden in de capitulatie van Granada, worden gevoerd door Fernando de Zafra, secretaris van het Spaanse vorstenpaar, en vizier Abulcacén el Muley. Als zij in eigen kring ruggespraak houden, bemoeien zich vanzelfspre-kend Fernando en Isabel en de sultan van Granada en diens belangrijk-ste adviseurs: ‘alguacil’ Abén Comixa en ‘alfaquí’ Muhammad al-Baqqan (el Pequeñí) zich met de gesprekken. Formele onderhandelinge beginnen in de zomer van 1491. Zij slepen zich traag voort, waarbij van christelijke zijde bedreigingen worden geuit, beloften worden gedaan en zelfs gepoogd wordt de tegenpartij om te kopen. Uiteindelijk wordt op 25 november in een kamp op de Vega de capitulatie getekend. Boabdil en de zijnen tekenen voor de vorm nog protest aan.

De voorwaarden waaronder Granada zich overgeeft, blijken uit een samenstel van bepalingen van ongelijk belang, die de Reyes Católicos opleggen aan de stad en het koninkrijk Granada, aan Boabdil en zijn gezin en aan Abulcacén el Muleh en aan Abén Comixa, zoals gezegd de belangrijkste onderhandelaars. Ondanks het bijzondere karakter van de verzoeken van de Granadijnen – buitensporig voor overwonnenen – willigen de Reyes Católicos nagenoeg al deze verzoeken in. Wij weten niet of deze houding is ingegeven door goed vertrouwen, of door de wens de overgave te bespoedigen. Natuurlijk zijn de adviseurs van de monar-chen van oordeel dat het allerbelangrijkste is dat de stad valt en dat er tijdens het beleg nog genoeg tijd zal zijn om allerlei zaken te regelen. Als de zege eenmaal zal zijn behaald, kan Fernando el Católico, die jaren later model heeft gestaan voor Machiavellis Il Principe, de knopen door-hakken op zijn eigen voorwaarden.

De belangrijkste teksten zijn ongetwijfeld de bepalingen die betrekking hebben op de capitulatie van Granada en op het weinige dat daarna van het koninkrijk overblijft. Van deze teksten bestaan twee versies, die van 25 november en de definitieve van 30 december 1491. De laatste wijken op enige punten af van de eerste en er zijn ook nieuwe bepalingen toegevoegd. Maar van wezenlijke verschillen is geen sprake. Het belang-rijkste verschil gaat over de termijn waarop Granada dient te worden overgedragen. Bij de eerste capitulatie zou zijn overeengekomen dat dit vóór 31 maart 1492 zal zijn en in de tweede tekst is de overdracht vervroegd tot uiterlijk twee maanden ná 25 november 1491. De belang-rijkste toegevoegde artikelen hebben betrekking op de volgende zaken: het verbod aan christenen de muur te beklimmen die Albaicín scheidt van de citadel; de concessie dat de intocht van de christelijke troepen in het Alhambra zich voltrekt buiten het blikveld van de bevolking van Granada, om hen de smaad te besparen de intocht van de zegenvierende troepen te moeten aanschouwen en de belofte dat Moren die de stad ontvlucht zijn daarin kunnen terugkeren. De capitulatie impliceert dat de overwin-naars de overwonnenen formeel en plechtig een reeks garanties bieden. Tezelfdertijd wordt de invoering afgekondigd van het algemene juridische kader, krachtens welk de onderworpen moslims of mudéjars worden bestuurd en dat hun interne betrekkingen en die met de Castiliaanse kroon regelt. De hoofdzaken van de capitulatievoorwaarden worden ont-leend aan de anonieme auteur van de Nubdat al-Asr.

Van de voorwaarden overeengekomen tussen de Granadijnen en de koning van de christenen zijn de volgende de meest opvallenden: de koning garandeert de levens, nederzettingen, vrouwen en kinderen, vee, bouwterreinen, moestuinen, landerijen, in één woord alle bezittingen; zij die in Granada achterblijven behoeven geen belasting te betalen, anders dan de ‘azaque’ en de tiende en zij die ervoor kiezen het land te verlaten verkopen hun onroerende goederen aan moslims of aan christenen voor de prijs die zij overeenkomen en die in geen geval nadelig zal zijn; zij die naar de kust van Marokko willen vertrekken kunnen hun onroerende goederen verkopen en hun contante geld meenemen, waarbij de koning zich verplicht hen de eerste drie jaren te vervoeren met zijn schepen naar onverschillig welk moslimland, zonder betaling van passage of welke heffing dan ook; hij die verkiest in Granada te blijven wordt veiligheid verleend, in de al eerder genoemde vorm.’

De eerste artikelen van de capitulatieovereenkomst van 25 november garanderen de inwoners van Granada daadwerkelijk het behoud van hun geld en hun eigendommen; vrijheid van geloofsuitoefening in hun mos-keeën, zonder dat obstakels worden opgeworpen, dus met openbare oproepen tot gebed; het van kracht blijven van hun wetgeving – de Sharia en Soenna – en handhaving van traditionele gezagsdragers (alcadíes, alguaciles en almotacenes) en tenslotte de mogelijkheid om in de komen-de drie jaren te emigreren, zonder gehouden te zijn voor de overtocht te betalen, of naar Granada terug te keren. De vorsten verplichten zich ook het oude belastingsysteem te handhaven en geen bijdragen in de vorm van ‘sofras’ te heffen, of het verrichten van bijzondere dienstverlening te verlangen, noch om christenen onderdak te verschaffen. De capitulatie-voorwaarden besteden bijzondere aandacht aan gevangenen en overlo-pers (elches). Wat de eerste categorie betreft bepaalt een van de eerste artikelen dat overeengekomen is dat alle gevangenen, zowel christenen als moslims, moeten worden vrijgelaten. Over de elches is besloten dat zij niet verplicht zijn tot het christendom terug te keren. Als zij daarvoor wel kiezen en ze zijn gehuwd dan kunnen hun vrouwen en wettige kinderen moslim blijven.

Behalve de algemene capitulatievoorwaarden, die slaan op zowel de inwoners van de stad, als op die in het bergachtige gebied Las Alpujarras en op die op de boerderijen in de omgeving van Granada, zijn er ook bepalingen die betrekking hebben op sultan Boabdil en op zijn belang-rijkste medestanders. Boabdil en zijn gezins- en familieleden worden in het bezit gelaten van hun onroerende goederen in de stad en daarbuiten. Bovendien is bepaald dat zij de baas worden over de tahas (bronnen) van onder meer Andarax, Ujíjar, Órgiva, Ferreira, Poqueira en Berja, alle in Las Alpujarras. Boabdils zoon, Ahmad, ontvangt ook bronnen in Berja en in Dalías. Boabdil en de zijnen mogen als zij dat willen ook naar Afrika gaan. In dat geval mogen zij al hun mooie meubelstukken, alsmede hun goud, zilver en wapens meenemen. Boabdil zal bovendien 30.000 gouden castellanos ontvangen op de dag dat het Alhambra zal worden ingenomen. De onderhandelaars Abulcacén el Muleh en Abén Comixa zullen ieder 10.000 castellanos in een keer ontvangen, alsmede de plaats Quempe, met zijn boerderijen, zoutpannen en inkomsten, de bronnen van Lecrín en Lanjarón; de zoutpannen rond Dalías en de boerderijen van Otura en Pulianas, vrij van belastingen en overdrachtskosten.

De feitelijke overdracht van Granada is voorzien op een of andere dag vóór eind januari 1492. Niettemin bestaat de vrees dat de Granadijnen weigeren in te stemmen met deze bespoediging van de overdracht, die door de ondertekening van de capitulatieovereenkomst van 30 december ineens wel erg dichtbij komt. Als op 1 januari 1492 gijzelaars, die op basis van de capitulatievoorwaarden moeten worden vrijgelaten, daadwerkelijk de stad verlaten, ontstaat er onrust in de stad. In een poging de opstand in de kiem te smoren, verzoekt Boabdil de Reyes Católicos het Alhambra nog dezelfde dag in te nemen. In de nacht van 1 op 2 januari ontvangt een detachement dat gezonden is door don Gutierre de Cárdenas, Grootcommandeur van de Leónese tak van de Orde van Santiago, van Boabdil de sleutels van het Alhambra. Zoals afgesproken begeven de Reyes Católicos zich rond het middaguur van 2 januari vanuit hun kamp bij Santa Fe, aan het hoofd van een schitterend escorte, naar Granada. Om drie uur ’s middags vindt op de zandvlakte van Gentil de ontmoeting plaats tussen Fernando el Católico en Boabdil. Kort daarvoor zijn de graven van Tendilla (pas benoemd tot alcaide van het Alhambra) en Cifuentes, met de hen vergezellende troepen, doorgedrongen in het Alhambra en als bewijs van de bezetting daarvan wapperen inmiddels aan de toren van Vela de koninklijke standaard en de standaard van Santiago, met het kruis van broeder Hernando de Talavera, die tot aartsbisschop en gouverneur van Granada is benoemd. Hieronder volgt het relaas van Bernardo del Roi, die getuige is geweest van de gebeurtenissen.

Een gewapende boodschapper, die zijn plaats heeft ingenomen op de toren, schreeuwt met hoge duidelijke stem: Santiago, Santiago, Santiago, Castilië, Castilië, Castilië, Granada, Granada, Granada, voor de meest verheven en machtigste heersers don Fernando en doña Isabel, koning en koningin van Spanje, die hebben overwonnen deze stad Granada, en heel zijn koninkrijk door de kracht van zijn wapenen de ongelovige Moren, met de hulp van God en van zijn moeder, de glorierijke Maagd en van de gelukzalige apostel Sint Jacobus en met de hulp van onze allerheiligste vader Innocentius VIII, hulp en bijstand van de groten, prelaten, ridders, edelen en gemeenten van hun rijk! En later nadat de genoemde bood-schapper zijn geschreeuw had gestaakt, leek het of de aarde beefde door een enorm lawaai veroorzaakt door de lombarden en kanonnen die, als uiting van vreugde en victorie, alle gelijktijdig vuurden. En direct daarna hoorde men trompetten en klarinetten in alle soorten en geluiden en prach-tige instrumenten met zeer hoge klank als teken van feest en blijdschap.’

Van de ontmoeting tussen Boabdil en de Reyes Católicos bestaan verschillende versies. De kortste is waarschijnlijk die van Pulgar, die zegt:

Daar verscheen koning Chiquito en steeg van zijn paard met de sleutels in zijn handen en hij gaf hen de genoemde sleutels van het Alhambra, van het fort en van de stad Granada; en daarna betraden hunnen hoogheden het Alhambra en zij namen hun intrek in het koninklijk huis.’

Andere kroniekschrijvers geven meer details en hebben zelfs de woorden vermeld die Boabdil gesproken zou hebben bij het overhandigen van de sleutels van de stad en van het Alhambra. Zo laat Rodrigo de Ardila het volgende weten:

De Moorse koning arriveerde op de plaats waar koning don Fernando was; hij naderde hem, nam zijn tulband af en haalde zijn voet uit de stijgbeugel, zoals was overeengekomen. Hij richtte zich tot koning don Fernando, die niet afsteeg. Hij kwam dichterbij, tilde zijn arm op en overhandigde de sleutels van de belangrijkste deuren van het Alhambra en zei in zijn taal: Mucho te quiere Dios; éstas son las llaves de este paraíso.’

Nu Granada is overgedragen, zenden de Reyes Católicos, ter uitvoering van de voorwaarden van de capitulatie, Boabdils zoon Ahmad, die als gijzelaar in de vesting van Moclín heeft verbleven, terug naar zijn vader. Nog dezelfde middag worden de gevangen christenen, die zijn opgesloten in het ‘corral’ van Granada, vrijgelaten. De schattingen van hun aantal lopen uiteen van 400 tot 700, maar men is het er over eens dat zij, in een lange stoet de stad verlatend, het Te Deum Laudamus aanheffen, waarna zij door de vorsten met eerbetoon onthaald werden.

Bijlage 2 Het aandeel van Portugezen in de ontdekking van Noord-Amerika 2.0 De ontdekking van Californië.

Categorieën
Portugees kolonialisme

De val van Ronda (1485), Loja (1486) en Málaga (1487). De verovering van het moslimkoninkrijk Granada

Deel 8 Index

Bijlage 1.

De verovering van het moslimkoninkrijk Granada

1.3. De val van Ronda (1485), Loja (1486) en Málaga (1487)

Geschreven door Arnold van Wickeren

De inleidende operaties van 1484 hebben zwakheden in de defensie van het koninkrijk Granada aan het licht gebracht en tevens de noodlottige gevolgen van de politieke verdeeldheid getoond. In feite is Granada geen eenheidsstaat; iedere prins, iedere aanvoerder, iedere stad en ieder fort is verplicht op eigen kosten en uitsluitend vertrouwend op eigen kracht aan de oorlog deel te nemen. Dit blijkt wel heel duidelijk als Alboacen weigert het bedreigde Ronda te hulp te komen. De in de steek gelaten inwoners van de stad geven zich, om erger te voorkomen, in juni 1485 over, nadat de alcaide, aangelokt door een Castilaanse schijnaanval op Málaga, tezamen met al zijn Noordafrikaanse huurlingen de stad verlaten heeft. De val van Ronda leidt tot overgave van al het omringende berg-gebied, de Marca van Ronda genoemd, alsmede tot de bezetting van Marbella en van de bovenloop van de Rio Guadalhorce, waarmee Málaga binnen het bereik van de veroveraars komt.

De Marca van Ronda, destijds vermoedelijk de streek vanwaaruit aanvallen op het achterland van Sevilla werden uitgevoerd en het dal van de Rio Guadalete worden voortvarend gereorganiseerd, allereerst door herbevol-king van de steden waaruit de moslimbevolking is verdreven (Ronda, Casarabonela, Setenil, Marbella en Cártama. Daarna wordt het gehele defensiesysteem aangepast aan de nieuwe situatie. De nieuwe grens wordt voortaan verdedigd door de forten van Gibraltar en Jemina, Castellar de la Frontera, Zahara, Olvera, Pruna, Sentenil, Cañete la Real, Teba en Ardales. Deze nieuwe linie is veel sterker dan de eeuwenlang gehandhaafde oude grenslinie.

In 1485 overlijdt de oude koning Alboacen. Zijn volgelingen erkennen als zijn opvolger zijn broer el Zagal, die vanaf februari, behalve Málaga, ook Almería controleert. Kort na zijn uitroeping tot sultan, gaat in de sector Jaén een aantal plaatsen verloren: Cambil, Alhabar, Iznalloz, Piñar en Arenas. Dit verlies lokt de heropleving van de burgeroorlog in Granada uit. In maart 1486 komen de inwoners van Albaicín in opstand ten gunste van Boabdil; met hun hulp herovert de Rey Chico of el Chiquito (het knaapje), zoals de Castilianen hem denigrerend noemen, het Alhambra. El Zagal en Boabdil bereiken een akkoord, waarbij het slinkende grond-gebied van Granada tussen hen beiden wordt verdeeld. Boabdil wordt door zijn oom erkend als heer van Granada, Málaga en Almería, terwijl el Zagal zich tevredenstelt met de heerschappij over een klein gebied in het oosten van het koninkrijk.

Boabdil, die vertrouwt op eerbiediging van het Pact van Córdoba uit 1483, trekt zich terug op Loja. Koning Ferdinand weet niet, of wil niet weten, dat Loja in het gebied van zijn verdragspartner Boabdil ligt. De vorst houdt er rekening mee dat Loja wellicht tot het territorium van el Zagal behoort. Hij valt de stad aan met alle beschikbare strijdkrachten. Na enige zeer hevige aanvallen, voorafgaand aan de verovering van de buitenwijken, capituleert Loja, na een bombardement dat de gehele voorafgaande dag heeft geduurd. Een paar dagen later bevelen de Reyes Católicos de herbevolking van Loja. Dan vallen Íllora, Moclín, Colomera en Montefrío in hun handen. Deze expeditie opent de weg naar de hoofdstad, althans naar de Vega van Granada. De bewoners daarvan zijn vanaf dat moment overgeleverd aan de genade van de Castiliaanse troepen.

De val van Loja leidt tot een nieuw akkoord tussen het Katholieke Koningspaar en sultan Boabdil. De indruk bestaat dat het vorstenpaar niet ongenegen is de vazalstaat Granada in het bezit te laten van enig gebied in het oosten van het land. Hierbij zou zijn gedacht aan de plaatsen Guadix, Baza, Vélez, Vera en Mojácar. Er zou dan uitsluitend gevochten worden tegen Boabdils oom el Zagal. Ladero gaat ervan uit dat de Reyes Católicos bij dit vreemde akkoord voor ogen heeft gestaan het gehele resterende grondgebied van Granada te onderwerpen, maar zich bij de gewapende strijd te richten op de aanhangers van el Zagal. In dat geval ligt het voor de hand dat Castilië een weg bewandelt waarbij de verdeling van het koninkrijk Granada wordt geaccentueerd. Dit verklaart Boabdils verzoek aan de Reyes Católicos, vervat in een brief waarin hij het akkoord bevestigt, hem tijdens het driejarig bestand alle steden, dorpen en forten, met inbegrip van Granada, toe te kennen, die Reyes Católicos als rechthebbenden op de Alhambra-troon erkennen

De ‘verdeel en heers politiek’ van Fernando en Isabel werpen in 1487 nieuwe vruchten af. De inwoners van Albaicín rebelleren opnieuw ten gunste van Boabdil, waarbij deze keer gerekend wordt op de aanwezig-heid van Castiliaanse troepen, onder bevel van de alcaide van Íllora, Gonzalo Fernández de Córdoba, de toekomstige ‘Gran Capitán. Midden april wordt de in Códoba verzamelde troepenmacht – volgens Ladero ‘het sterkste leger sedert het begin van de oorlog’ – verplaatst naar het front bij Vélez-Málaga, waar het in afwachting is van de aankomst van de artillerie uit Écija. Het opnieuw uitbreken van de burgeroorlog in Granada speelt de belegeraars in de kaart. El Zagal, wiens aanhangers in Málaga die van Boabdil geneutraliseerd hebben, kunnen de aankomst van de artillerie niet verhinderen en nog minder hulp bieden aan de belegerden. Vélez-Málaga geeft zich 27 april over. De inwoners verlaten de stad met hun geld en hun goederen. Het falen van el Zagal Vélez-Málaga hulp te verlenen, maakt voor Rey Chico de weg vrij zich als heer van het Alhambra te doen erkennen. Terwijl el Zagal zich terugtrekt op Almería, ondertekent Boabdil een nieuwe overeenkomst met de Reyes Católicos. Hierbij verplicht hij zich de stad Granada aan Castilië over te dragen in ruil voor Guadix, de Cenete, Baza, Vera, los Vélez, Mojácar, het dal van Purchena, de streek van Almanzora en andere gebieden aan de kust. Tezelfdertijd garanderen de Spaanse monarchen de belangrijkste mede-standers van Rey Chico hetzelfde wat zij beloofd hebben aan de ‘reinas moras,’ behoud van hun eigendommen, vrijheid van vestiging en geloofs-uitoefening, vrijstelling van belastingen voor de moslims in Albaicín, vrij-lating van zich in handen van de christenen bevindende gijzelaars en een bondgenootschap tegen el Zagal. Het bestuur over Vélez-Málaga en over de Axarquía wordt gescheiden van dat over Málaga, hetgeen past in het vooropgezette plan Málaga te omsingelen. Een omsingeling die zich betrekkelijk kort daarna aankondigt. Niettemin zal Málaga, tegen aller verwachting in, verbitterd tegenstand bieden, bijna ‘Numantina’ volgens Ladero. Deze onvoorziene omstandigheid laat zich verklaren uit de aan-wezigheid in de stad van een groot detachement huursoldaten van het Canarische eiland La Gomera. De bewoners van de Canarische eilanden, Guanches genaamd, genieten een grote reputatie als vechtersbazen

De Guanches zijn naar Málaga gezonden door Ahmad al-Tagrï (Hamet el Zegrí), die acte de presence heeft gegeven bij de Slag van Lopera en bij de verdediging van Ronda. Aan de moslimstrijdkrachten in Málaga zijn bovendien toegevoegd: een aantal zeer vooraanstaande christelijke over-lopers, elches genoemd, alsmede lieden die de eerste activiteiten van de Inquisitie in Sevilla en Córdoba zijn ontvlucht. Zij allen zijn debet aan de desperate tegenstand, die leidt tot ‘een langdurige en hevige strijd, terwijl op een gemakkelijke diplomatieke fase gerekend was.’ Eerst verlaat de bevolking van Málaga zich op de diplomatieke overtuigingskracht van de rijke voorman Ibn Kuma (Abén Comixa). De tussenkomst van Hamet el Zegrí, aan het hoofd van zijn huursoldaten en elches, doen de in het kamp voor Vélez-Málaga begonnen onderhandelingen echter mislukken.

Het afbreken van de onderhandelingen en de goede defensieve positie van Málaga dwingen de Reyes Católicos tot wijziging van hun strategie en vooral tot een enorme militaire en financiële krachtsinspanning. Bij de militaire moeilijkheden, die het gevolg zijn van de verbitterde weerstand die Málaga biedt en die de omsingeling maakt tot de bloedigste van de hele oorlog, komen nog de problemen met de bevoorrading van het kamp van de belegeraars. Deze problemen leiden tot prijsverhogingen, die extra hard aankomen door het getalm van Fernando zijn troepen op tijd te betalen. De gevolgen van al deze problemen blijken uit een brief van de aanvoerder van het contingent uit Carmona aan zijn gemeenteraad. Hij schrijft daarin over zijn manschappen: ‘zij hebben twee of drie dagen geen brood ontvan-gen.’ Met de verlenging van het beleg stijgt het aantal zieken, gewonden en deserteurs, waarover de koning klaagt in een brief aan de gemeente-raad van Sevilla. Om de vastbeslotenheid van het Katholieke Konings-paar Málaga te veroveren te demonstreren, voegt koningin Isabel zich bij haar gemaal in het Castiliaanse kampement. Na een maandenlang beleg, waarbij de artillerie de doorslag heeft gegeven bij het breken van het verzet, capituleert Málaga op 18 augustus 1487. Aan de capitulatie zijn moeizame en langdurige onderhandelingen voorafgegaan. Aan de kant van Málaga is hieraan deelgenomen door ‘Alï Dordux. In een brief aan de gemeenteraad van Sevilla doet Fernando el Católico op sobere wijze verslag van de zware strijd en van de uiteindelijke victorie, die ‘Nuestro Señor Dios’ hem geschonken heeft.

Voor de eerste en enige keer heeft een gevechtsronde een lange nasleep. De uitvoering van de gemaakte afspraken vereist de inzet van middelen op grote schaal. Begin september worden vermogende Moren, op voorstel van ‘Alï Dordux, tegen betaling van losgeld vrijgelaten; zij worden naar Noord-Afrika gebracht en daar in vrijheid gesteld. De bewoners van Málaga die geen losgeld kunnen betalen, worden in Sevilla verzameld. Vandaar worden zij per schip naar havens die nog in handen zijn van Granada vervoerd, in de hoop dat zij door hun geloofsgenoten zullen worden vrijgekocht of dat zij geruild kunnen worden tegen christenen die zich daar bevinden. Het lot van de volgelingen van Hamet el Zegrí is zwaarder. Nadat zij de vesting Gibralfaro hebben overgedra-gen, worden hij en zijn Guanches opgesloten in Carmona; de tot de islam overgegane christelijke overlopers worden, zoals te doen gebruikelijk het hardst aangepakt. Volgens Zurita worden zij verbrand of op een andere gruwelijke wijze ter dood gebracht. De ongeveer 450 joodse inwoners van Málaga worden in beginsel op dezelfde wijze behandeld als de Moorse. Overgebracht naar Sevilla worden zij echter veel sneller vrijgekocht, dankzij de invloed van don Abrahán Señor, opperrabbijn van Castilië.

De campagne tegen Málaga is de felste van heel de oorlog geweest. Valera heeft de verliezen becijferd op 3.000 man aan christelijke kant en 5.000 man aan moslimzijde. De militaire krachtsinspanning van Castilië is aanzienlijk geweest. Niet minder dan 10.000 ruiters en 45.000 voetknech-ten hebben aan de strijd deelgenomen. Ook de financiële inspanning is groot geweest; alleen al de betalingen aan ezeldrijvers die de kampen van de belegeraars voor Vélez-Málaga en voor Málaga hebben bevoor-raad bedragen meer dan 16 miljoen maravedís. Aan Castiliaanse kant hebben troepen uit heel Castilië aan de strijd deelgenomen; daarin is het Andalusische aandeel groot; 43% van de cavaleristen en 38 % van het voetvolk heeft uit Andalusiërs bestaan.

1.4 De laatste fase van de oorlog.

Categorieën
Portugees kolonialisme

De ‘Guerra de Granada’ tot 1485. De verovering van het moslimkoninkrijk Granada

Deel 8 Index

Bijlage 1.

De verovering van het moslimkoninkrijk Granada

1.2. De ‘Guerra de Granada’ tot 1485

Geschreven door Arnold van Wickeren

Als de vijandelijkheden tussen Castilië en Granada in 1478 uitbreken, staan de twee landen op het punt een wapenstilstand te ondertekenen, die evenals het bestand van 1475 niet de clausule bevat dat de Granadijnen verplicht zijn tijdens het bestand de gebruikelijke parias te betalen. De oorzaak van deze Castiliaanse lankmoedigheid is de oorlog die koningin Isabel, die in 1474 de troon van Castilië bestegen heeft, vanaf 1475 voert met Portugal, omdat de Portugese koning Afonso V (1438-1481) de troon van Castilië opeist. Met het sluiten van het Verdrag van Alcáçovas-Toledo (1479-1480) kan het Katholieke Koningspaar, Isabella van Castilië en Ferdinand van Aragón, die sedert 1479 gezamen-lijk beide landen regeren, al zijn aandacht aan Granada wijden.

De Guerra de Granada begint op de gebruikelijke manier: als een opeen-volging van – soms ernstige – incidenten, waaruit zich een algemene oorlog ontwikkelt. Eigenlijk wordt het bestand van 1475 telkens geschonden door in aantal toenemende geweldadige aanvallen, zowel van de ene als van de andere kant. In 1476 plundert Alboacen de plaats Cieza in het koninkrijk Murcia en in 1477 verschijnt hij met een groep ruiters in de omgeving van Antequera. Van zijn kant plundert de markies van Cádiz, don Rodrigo Ponce de León in de zomer van 1477 Garciago, dichtbij Cardela en in 1481 bereikt hij op een strooptocht de poorten van Ronda. Op dit laatste incident reageren de inwoners van Ronda met een verrassings-aanval. In de nacht van 27 december 1481 veroveren zij de plaats en het kasteel van Zahara, waarvan de verdediging is opgedragen aan don Gonzalo de Saavedra. De val van Zahara is de casus belli voor de finale oorlog tegen Granada. Dit is niet alleen de mening van de kroniekschrijvers uit die tijd, maar ook van de meeste latere historici. Daarvoor is natuurlijk een goede reden. Een tijdgenoot van de gebeurtenissen, de kroniek-schrijver Diego de Valera, spreekt in zijn brief aan de Reyes Católicos van 10 februari 1482 de verwachting uit dat de op dat moment heersende oorlog wel eens de beslissende zou kunnen blijken te zijn. Hij legt de monarchen daarom een uitgewerkt plan voor om het koninkrijk Granada met gepaste inzet van middelen geheel te veroveren. Dit plan zal in de daarop volgende jaren ook worden uitgevoerd. Vaststaat dat het begin 1482 aan de grens met Sevilla erg onrustig is en dat Granada heeft gehoopt met de verovering van Zahara de eerste grote klap te hebben uitgedeeld.

De val van Zahara en de weigering van Alboacen aan Castilië de verschuldigde parias af te dragen, leidt tot het besluit een grote veldtocht tegen Granada te organiseren. Deze veldtocht, waaraan veel edelen en Andalusische gemeenten deelnemen, schijnt door Sevilla’s ‘asistente’ te zijn gecoördineerd. Tot de deelnemende edelen behoren: don Rodrigo Ponce de León, markies van Cádiz, don Pedro Enríquez, gouverneur van Andalusië en don Martin de Córdoba, een zoon van de graaf van Cabra. Het gros van het voetvolk en van de ruiterij bestaat uit manschappen uit Sevilla, Jerez de la Frontera, Carmona, Arcos de la Frontera, Morón de la Frontera, Marchena, Archidona en Antequera. In de nacht van 27 op 28 februari verschijnt een kleine christelijke strijdmacht voor de stad Alhama, nog geen 50 km van Granada, dat bij verrassing genomen wordt. De vermetele actie is een grote slag en een vernedering zonder weerga voor Granada. Het effect daarvan klinkt na in het bekende gedicht waarvan iedere strofe wordt besloten met het refrein: iAy de mi Alhama! Voor Castilië is het geen eenvoudige zaak een stad zo diep in vijandelijk gebied gelegen te verdedigen, maar nu Alhama eenmaal veroverd is, wordt de beslissing genomen haar te behouden. Voor de Reyes Católicos impliceert dit besluit dat een echte oorlog niet meer te vermijden is.

De oorlog met Granada verloopt in verschillende fasen, met meer of minder gevechtshandelingen. Aanvankelijk heeft de oorlog een typisch traditioneel karakter. Vermoedelijk streeft Castilië er aanvankelijk naar Granada enige gevoelige verliezen toe te brengen, waarna het koninkrijk bereid is een of andere eervolle wapenstilstand te aanvaarden die de met de gevechtspauzes van 1475 of 1478 beoogde situatie herstelt. Deze doelstelling kan worden afgeleid uit het karakter van de veldtocht tot 1485. Desalniettemin geeft de omgeving van de Reyes Católicos al in een vroeg stadium uiting aan het denkbeeld de oorlog voort te zetten totdat heel het koninkrijk Granada is veroverd. Alles pleit voor deze onderneming: het verlangen van Fernando en Isabel de Reconquista te voltooien en de vurig gewenste hereniging van het Iberisch schiereiland zouden worden bevorderd. Het niet in staat zijn van Granada het hoofd te bieden aan de Castiliaanse en Aragonese legers; zijn internationale isole-ment, en de immer onder de Granadijnen heersende politieke verdeeld-heid, wakkeren de oorlogswil van Castilië nog aan. De mogelijkheid de aanwezigheid van de islam in Europa te beëindigen, op een moment dat de Turkse dreiging in het oosten Europa ’s vrees voor de islam vergroot, maakt het extra aanlokkelijk de rollen in het westen om te keren.

De Spaanse historicus Miguel Á. Ladero Quesada onderscheidt drie fasen in de Guerra de Granada: de verdediging van Alhama (1482-1484); de beslissende jaren (1485-1487) en de laatste veldtochten (1488-1492). Hij legt veel nadruk op de fundamentele gebeurtenissen in de eerste fase – de verovering en verdediging van Alhama, die een jarenlange tactische militaire inzet heeft gevergd. J. E. López de Coca Castañer daarentegen verdeelt de oorlog in vier fasen: de traditionele oorlog (1482-1483), de verovering van het westen van Granada (1484-1487), de ineenstorting van de weerstand in het oosten (1488-1489) en de ‘doodstrijd’ van Granada (1490-1491). López de Coca besteedt veel aandacht aan het typische Andalusische karakter van de eerste fase en hij ziet de val van Granada als een te voorziene gebeurtenis die logisch voortvloeit uit alles wat eraan voorafgegaan is. Er is slechts sprake van nuanceverschillen.

Lópes de Coca bestempelt de eerste jaren van de oorlog met Granada terecht als ‘guerra tradicional.’ De oorlog ontwikkelt zich namelijk op de gebruikelijke wijze op basis van aanvallen en tegenaanvallen, zonder dat daaraan een duidelijk plan ten grondslag ligt. Er wordt, evenals bij oorlog-voering in de middeleeuwen, veel geïmproviseerd. Dat het voortouw genomen wordt door de Andalusische adel en de monarchie de hoofdrol aan de edelen overlaat en dat dit ertoe leidt dat de oorlog gebruikt wordt als uitlaatklep voor adellijke rivaliteit, die rampzalig uitpakt voor de burger-bevolking en die voorrang verkrijgt op koninklijke belangen, onderstreept het middeleeuwse karakter van de oorlog.

Alhama is feitelijk moeilijk te verdedigen omdat de plaats ver verwijderd is van de Castiliaanse bases. De plaats is zelfs onverdedigbaar, tenzij de bevoorrading van de veroveraars, die zich al snel bevinden in de positie van belegerden, een permanent operationeel doel is. De eerste bevoor-rading van Alhama is spectaculair en een bewijs van de onder de bevol-king van Andalusië levende solidariteit. De omvang van de hulp is, gelet op het fortuinlijke verloop van de strijd, van beslissende betekenis. De hulp bestaat uit niet minder dan 5.000 ruiters en een menigte voetvolk dat door enige auteurs op 40.000 man wordt geschat. Een van de eersten die Alhama bereikt is de hertog van Medina-Sidonia, een aartsvijand van de markies van Cádiz, met wie hij zich openlijk verzoent. De verschillende kroniekschrijvers en de Sevillaanse documenten geven een volledig beeld van de enorme krachtsinspanning die Castilië moet leveren om te kunnen slagen. De enige door koning Fernando zelf georganiseerde veld-tocht, die naar Loja, eindigt in een ramp, ondanks de enorme logistieke ontplooiïng, inbegrepen het gebruik van artillerie. De monarch – bevestigt Bernáldez – ‘tomó lición y deprendió ciencia con que después fizo la guerra e, con ayuda de Dios, ganó la tierra’ De ramp van Loja heeft in de eerste fase van de oorlog allerlei schermutselingen uitgelokt. Wellicht hebben de Castilianen de grootscheepse aanval op Loja ondernomen om de druk op Alhama te verlichten. Ook Granada neemt soms het initiatief, dat vervolgens een vijandelijke reactie uitlokt. Zo leidt een provocatie van de ruiterij van Ronda tot verwoesting van de plaats Lomo del Judío door de cavalerie van Utrera en door volk uit La Campiña, die wanneer zij zich terugtrekken op eigen gebied 11.000 stuks vee met zich voeren.

Op hetzelfde moment waarop de Castilianen voor Loja falen, wordt hun positie versterkt door het uitbreken van de burgeroorlog in Granada. Muhammad Ab ‘Abd Allh (Boabdil) rebelleert, opgestookt door zijn moeder, een jaloerse vrouw, in Guadix tegen zijn vader Alboacen. Hij neemt in 1482 het Alhambra in en wordt in Granada erkend als emir Muhammad XI, dankzij de hulp van de Abencerrajes. Boabdil slaagt erin de controle over en het beste deel van het koninkrijk te verwerven. Alboacen, die zijn toevlucht heeft gezocht in Málaga, weet, met steun van de Zegries-familie de hoofdstad weer in handen te krijgen. Alboacens troon wordt betwist door zijn broer el Zagal, die ondersteund wordt door de Venegas-familie. Terwijl Alboacen Granada en het Alhambra contro-leert, is Málaga de machtsbasis van el Zagal.

In 1483 wordt de oorlog op traditionele wijze voortgezet, zij het dat de directe controle van de Rey Católico, op de bevelhebbers aan de grens afneemt. De belangrijkste bevelhebbers zijn: don Alonso de Cárdenas, Meester van Santiago, in de basis Écija en don Pedro Manrique, hertog van Nájera, aan de frontsector Jaén. Zij ondernemen nieuwe geslaagde bevoorradings- en hulpexpedities naar Alhama. Hoewel deze enigszins routine worden, zijn zij verre van gemakkelijk. In 1483 leidt een expeditie tot de nederlaag bij Axarquía en een ander tot de Slag bij Lucena.

Aan het begin van de lente van 1483 onderneemt het puikje van de adel van Andalusië een expeditie te paard tegen de grensstreek Axarquía ten noorden van Málaga. Uit inlichtingen verkregen van een overloper uit Osuna wordt afgeleid dat de expeditie zeer profijtelijk belooft te worden. De troepen verzamelen zich bij Antequera en beginnen hun onderneming in de namiddag van 19 maart. Slecht geleid en nog slechter gegidst worden zij volledig verslagen door de bewoners van de streek, onder aanvoering van Boabdils oom en opponent el Zagal. Een Arabische tekst uit die tijd beschrijft het enorme bloedbad dat de boeren onder de vijande-lijke ruiters en voetknechten hebben aangericht: ‘zij stortten van gevaar-lijke hoogten en passen in ravijnen, als vliegen en vlinders in het vuur. En zij die het overleefd hadden werden afgeslacht in afgelegen boerderijen.’ Bernáldez wijdt het ‘desberato’ aan als een straf van God. ‘Wat de meer-derheid van de expeditieleden is overkomen, is niet het gevolg van het bestrijden van vijanden om hen te overwinnen omwille van het heilige katholieke geloof, maar is een straf voor hun zucht naar het stelen van sieraden en andere zaken, zoals in Alhama is gebeurd, waar velen zich naar verluid hebben verrijkt.’ Hert verlies aan doden en gevangenen aan Castiliaanse kant bedraagt ongeveer 2.000 man. Onder hen bevinden zich – volgens Bernáldez – circa 250 ‘hombres principales,’ zoals don Juan de Silva, de graaf van Cifuentes en de ‘asistente’ van Sevilla. De Meester van Santiago en het grootste deel van de hoge Andalusische adel – de markies van Cádiz, don Alonso de Aquilar, de ‘adelantado’ van Andalusië – zijn aan de ramp ontsnapt. De financiële documenten van Sevilla herinneren nog lange tijd aan de gevangenen van de Axarquía.

De christenen worden prompt gecompenseerd voor de nederlaag in de Axarquía. Om zijn politieke positie in Granada te versterken wil Boabdil profiteren van de verwarring die de nederlaag onder zijn vijanden heeft gesticht. Bemoedigd door de overwinning van de boeren in de Axarquía, lanceert hij een aanval tegen de frontplaats Lucena. Een afdeling ruiterij van Granada vindt tegenover zich troepen van de graaf van Cabra en van don Diego Fernández de Córdoba, ‘Alcaide de los Donceles.’ De aanval loopt uit op een nederlaag. Tussen de talrijke door de christenen gemaak-te gevangenen bevindt zich ook Boabdil. Zijn gevangenneming bezorgt het vorstenpaar een politiek voordeel dat zij ten volle willen uitbuiten. Zij zullen dit doen op een in de 15e eeuw gangbare wijze, namelijk door in te spelen op de binnen het koningshuis van Granada heersende rivaliteit. De Reyes Católicos zullen Boabdil ondersteunen tegen zijn vader en rivaal Alboacen. Opdat deze niet langer kan profiteren van de gevangen-schap van zijn zoon, besluiten de Katholieke Monarchen Boabdil te doen terugkeren naar Granada. Hij herkrijgt na vijf maanden zijn vrijheid, maar niet dan nadat hij een akkoord (Pact van Córdoba) met hen heeft ondertekend. Dit behelst onder meer dat Boabdil ermee instemt een vazal te worden van de Reyes Católicos en dus parias te betalen, wat Alboacen tot nu toe geweigerd heeft. Bovendien dient Boabdil enige honderden christelijke gevangenen vrij te laten en de gebieden die in handen zijn van zijn oom el Zagal aan de Castilianen over te dragen. In ruil hiervoor beloven de vorsten Boabdil te helpen Alboacen, die het Alhambra nog in handen heeft, uit Granada te verdrijven, zodat Boabdil zijn troon weer kan innemen. Zij zeggen toe bescherming te zullen geven aan ‘alle steden, dorpen, gehuchten, kastelen en forten’ die Boabdils zijde zullen kiezen.

Tijdens de gevangenschap van Boabdil is de oorlog tegen Granada voortgezet. In juni 1483 heeft koning Ferdinand, aan het hoofd van een enorme legermacht, een systematische aanval uitgevoerd op het dal waarin Granada ligt. De plaats Tájarja en het fort ter plaatse zijn veroverd, daarna is Alhama bevoorraad en vervolgens heeft het christelijke leger zich verspreid over de vlakte en is zelfs doorgedrongen tot voor de poorten van de hoofdstad, waarbij alles wat de soldaten op hun weg hebben gevonden vernietigd en gebrandschat is. Alboacen beantwoordt de Castiliaanse aanval met een grondige plundering van de omstreken van Antequera en Teba, maar een aanval van de cavalerie, onder leiding van de gouverneur van Málaga, loopt op een debacle uit. Bij hun terug-keer van een grondige plundertocht van de landerijen rond Utrera worden de Moren, bij Torre de Lopera (dichtbij het huidige Montellano) verrast en verslagen door troepen uit Utrera en strijdkrachten van de markies van Cádiz. Deze overwinning stelt hen in staat eind oktober 1483 het fort van Zahara te heroveren. De Reyes Católicos stellen don Rodrigo Ponce de León aan tot verdediger van het fort en verlenen hem de titel ‘markies.’

In 1484 wordt de oorlog, met wederzijdse overvallen, op kleine schaal voortgezet. Zo poogt don Rodrigo Ponce de León te plaats Caedela te veroveren, wat mislukt. Fernando el Católico wordt geconfronteerd met urgente problemen, zoals dat van de Roséllon (Rousillon). Terwijl de hij dit probleem tot een oplossing brengt, verwoesten Andalusische edelen, na Alhama weer eens bevoorraad te hebben, de omstreken van Álora, Cártama, Alhaurín en Coín. In juni keert de koning naar Andalusië terug. Het Castiliaanse leger, verzameld in Antequera, trekt op tegen Álora. Na een kort beleg geeft de stad zich over, waarbij de inzet van artillerie voor het eerst de doorslag heeft gegeven. In september wordt een andere succesrijke kortstondige aanval uitgevoerd tegen Sentenil, wat duidelijk maakt dat de belangrijke stad Ronda en het omringende bergland het doel van de eerstvolgende campagne zullen zijn.

Tot dat moment heeft een meerderheid van de bevolking van Andalusië zwaar onder de oorlog geleden. Het koningspaar heeft de bevolking betrokken bij een oorlog die op traditionele wijze wordt uitgevochten. Zij hebben weliswaar de strategie bepaald, maar zij hebben de uitvoering daarvan niet strak in de hand gehouden en de regionale adel een deel van het initiatief gelaten. Deze heeft zich, althans in de eerste fase, van de oorlog meestergemaakt. De Guerra de Granada wordt hoe langer hoe meer een Andalusische oorlog, met Andalusische aanvoerders en in overgrote meerderheid Andalusische strijders. Zo bestaat bij de aanval op Álora 70% van de ruiters en 97,5% van de voetknechten uit Andalusiërs.

1.3 De val van Ronda (1485), Loja (1486) en Málaga (1487).

Categorieën
Portugees kolonialisme

Langdurige vrede en hervatting van de Reconquista. De verovering van het moslimkoninkrijk Granada

Deel 8 Index

Bijlage 1.

De verovering van het moslimkoninkrijk Granada

1.1. Langdurige vrede en hervatting van de Reconquista

Geschreven door Arnold van Wickeren

Vanaf het midden van de 14e eeuw doen zich politieke en economische veranderingen voor, waardoor de bereidheid tot oorlog voeren verdwijnt. Sultan Ab al-Hassan ‘Alï verliest in 1349, zijn troon. Hiermee eindigt de bemoeienis van Fez met Granada. Ook Aragón valt als oorlogpartij af, omdat het de commerciële hegemonie in het westen van de Middellandse Zee overlaat aan Genua en zelf de blik richt naar het oosten. Aan de Rio Guadalquivir ontstaan bloeiende handelbetrekkingen tussen Granada, Castiliaans Andalusië en de Genuezen, die begunstigd wordt door vrije scheepvaart door de Straat van Gibraltar. Een andere factor die partijen verhindert de strijd voort te zetten is het afgrijselijk verlies aan mensen-levens ten gevolge van de ‘Zwarte Dood’ en de angst voor nieuwe uitbra-ken. Maar de belangrijkste oorzaak dat Granada een langdurige periode van vrede tegemoet gaat, zijn de interne problemen in Castilië, waar Pedro I en zijn halfbroer Enrique de Trástamara elkaar de troon betwisten (zie deel I, par. 4.3). Bevrijd van politieke druk van zowel de Mariniden als van Castilië gaat Granada onder Muhammad V (1354-1359; 1362-1391) de periode van zijn grootste bloei tegemoet. Onder de adviseurs van de emir bevinden zich de grootste geleerden van die tijd, zoals de universeel geleerde en historicus Ab ‘Abd Allh ibn al-Khtib, de fysicus Ab Ja’far ibn Khtima en de dichter Ab ‘Abd Allh ibn Zamraq. Geleerden in Noord-Afrika onderhouden nauwe contacten met hen.

Emir Muhammad V steunt Pedro I de Wrede (el Cruel) van Castilië (1350-1369) in zijn strijd met zijn rivaal Enrique de Trástamara en in zijn in 1356 ontketende oorlog met Aragón. Deze steun doet hem in 1359 zijn troon verliezen aan Ism’l II, die wordt opgevolgd door Muhammad VI, maar in 1362 weet Muhammad V zijn troon, met hulp van Pedro I te heroveren. Granada neemt in de jaren 1262-1263 deel aan Pedro’s strijd tegen Aragón. Als Enrique met Franse hulp in 1367 tijdelijk de troon van Castilië heeft verworven, blijft Muhammad V trouw aan zijn vriendschap met Pedro en bestrijdt hij Enrique. Troepen van Granada plunderen Utrera en Jaén, slaan in 1368 het beleg voor Córdoba, heroveren Cambil, Alhabar en Rute en zijn van plan de aanval te openen op Osuna en Marchena. De militaire succes- sen leiden tot een voordelige wapenstilstand met Castilië, waar Enrique de Trástamara in 1369 zijn vermoorde rivaal als Enrique II (1369-1379) is opgevolgd. In 1370 wordt het bestand tussen Castilië en Granada her-nieuwd en zal er decennia lang vrede heersen, omdat ook de opvolger van Enrique II, Juan I (1379-1390) geen interesse heeft voor de Reconquista.

Nadat Muhammad V in 1391 gestorven is, wordt hij opgevolgd door zijn zoon Ysuf II (1391-1392), die zijn troon nalaat aan zijn zoon Muhammad VII (1392-1408). Onder diens bewind wordt in 1394 het bestand zwaar geschonden door Martín Yáñez de Barbuda. Deze Meester van de religieus-militaire Orde van Alcántara, trekt, geïnspireerd door religieus fanatisme, op eigen gezag, aan het hoofd van een strijdmacht van 300 ruiters en 1.000 man voetvolk de Vega van Granada binnen, waar zijn troepen door de moslims worden vernietigd. De zaak, die zeer veel stof doet opwaaien, leidt niet tot verbreking van de vrede. Tegen het einde van de 15e eeuw neemt het aantal schermutselingen aan de grens van Granada, vooral in de sector Murcia, toe en de wil van partijen de vrede te handhaven neemt navenant af. De Turkse expansie in het gebied van de Middellandse Zee leidt tot verheviging van de anti-islamitische senti-menten in het Westen. Enige maanden voor zijn dood in 1406 bereidt Enrique III (1390-1406) de hervatting van de oorlog met Granada voor, in antwoord op grensschendingen bij Los Collejares en elders.

Over de 15e eeuw, de periode van neergang van de dynastie van de Nasriden, is van islamitische zijde weinig bekend, omdat met Ibn al Khtib de laatste grote historicus van Granada is overleden. Wat we over het koninkrijk Granada in deze eeuw weten, stamt uit christelijke bronnen en uit de verhalen van reizigers. De agressieve politiek van Muhammad VII geeft Castlië voldoende aanleiding de vijandelijkheden te hervatten, temeer daar het land de tijd dat het verdeeld en zwak was achter zich heeft gelaten en de idee van de Reconquista door de Turkse dreiging en de verheerlijking van de strijd tegen de moslims in vele balladen nieuw leven wordt ingeblazen. Regent Fernando, de broer van Enrique III, die regeert voor zijn oomzegger Juan II (1406-1454) die bij zijn troonsbestij-ging nog maar twee jaar is, onderneemt twee campagnes tegen Granada, in 1407 en in 1410. In 1407 verovert hij de kastelen van Zahara en Pruna, alsmede andere forten in het bergachtige gebied rond Ronda, maar hij faalt voor Sentenil. In 1410 neemt hij na een beleg van meer dan vier maanden Antequera (Antaqirah) in, waarbij zijn artillerie een grote rol speelt. Emir Ysuf III (1408-1417), die zijn broer is opgevolgd, neemt een verzoenende houding aan. Het verlies van Antaqirah is namelijk een grote slag voor Granada; niet alleen dreigen de westelijke gebieden hierdoor afgesneden te raken van de rest van het land, maar bovendien ligt de weg naar Málaga, Granada’s belangrijkste havenstad en handelscentrum, voor de Castilianen open. Fernando accepteert een bestand, omdat hij zijn inspanningen volledig verlegt naar een andere zaak; hij richt zijn aan-dacht op het verkrijgen van de troon van Aragón. Afgezien van de gebruikelijke wrijvingen aan de grenzen blijft Granada tot 1428 gevrij-waard van Castiliaanse aanvallen. De prijs daarvoor is een verhoging van de parias tot 13.000 doblas en de vrijlating van een aantal gevangenen.

Om te voorkomen dat tijdens een bestand, dat meestal voor een periode van drie jaar wordt afgesloten, kleine grensincidenten leiden tot grote bestands-schendingen hebben Castilië en Granada het instituut van ‘alcalde entre los cristianos y los moros,’ ook wel genoemd ‘juez de la frontera y de los fieles del rastro’ ingesteld. De institutie, waarvan voor het eerst sprake is bij het bestand van 1310, houdt in dat voor iedere sector van het front een christen en een moslim die goed bekend zijn met de gang van zaken aan het front, worden aangesteld, om klachten van grensbewoners over onheus optreden van de tegenpartij te onderzoeken. De christelijke rechter onderzoekt klachten van moslims en de moslimrechter die van christenen. De betreffende functionarissen, die er ook op toezien dat er geen militair gevoelige zaken over de grens gesmokkeld worden, vervullen hun eer-volle functie soms vele jaren achtereen. Zo is Alfonso Fernándes de Córdoba juez van 1383 tot 1424 en Juan Arias de Saavreda, heer van El Castellar, die vanaf 1439 in functie is, wordt nog in 1476, dus tijdens de finale oorlog tegen Granada, opgevolgd door zijn zoon. De inschakeling van deze rechters schijnt veel schermutselingen te hebben voorkomen.

Na het overlijden van Ysuf III in 1417 wordt hij opgevolgd door zijn minderjarige zoon, Muhammad VIII, door de Castilianen aangeduid als el Izquierdo (de linkshandige). Omdat diens scheepvaart veel last heeft van de Portugese aanwezigheid in Ceuta, blokkeert de Rey Esquerdo in 1418 met zijn vloot de haven van deze stad, die hij hoopt in bezit te krijgen en die op dat moment belegerd wordt door Marokkaanse troepen (zie deel I, pag. 150 e.v.). Muhammad VIII wordt in 1419 door de zeer machtige familie Abencerrajes van de troon gestoten. Zij vervangen hem door de kleinzoon van Muhammad V, die regeert onder de naam Muhammad IX. In 1427 herovert de afgezette emir de troon, met behulp van andere invloedrijke families. In 1430 keert Muhammad IX met Castiliaanse hulp terug op de troon. De interne verdeeldheid in Granada lokt verdere inmenging uit van Juan II, maar vooral die van zijn hofmaarschalk Álvaro de Luna uit. Onder het voorwendsel dat Granada toenadering zoekt tot Alfonso V van Aragón, een politieke rivaal van don Álvaro, bereidt Castilië de oorlog tegen Granada voor en schuift het een eigen kandidaat voor de Alhambra-troon naar voren, in de persoon van Ysuf ibn al-Mawl, een kleinzoon van Muhammad VI. In juni 1431 start een grote militaire campagne, waarbij de Castilianen Granada dwingen tot een veldslag bij La Higueruela, die voor Muhammad IX in een ramp eindigt. Een nieuwe aanval van Castilië brengt hun pretendent als Ysuf IV op de troon van Granada. Deze accepteert in 1432 een bestand, waarbij de parias verhoogd wordt tot maar liefst 20.000 doblas per jaar en Granada ook nog eens alle gevangengenomen christenen dient vrij te laten.

Ysuf IV is in Granada zeer omstreden; hij kan zich slechts in het zadel houden met steun van Castilië. De afgezette emir Muhammad IX belet in maart 1432 dat een Castiiaanse colonne die Ysuf hulp komt bieden de stad Granada bereikt. Vervolgens trekt hij met zijn getrouwen de stad binnen en vermoort zijn rivaal. Hiermee is don Álvaro’s project, in Granada een emir te installeren op wiens volgzaamheid vertrouwd kan worden, mislukt. De oorlog wordt voortgezet, waarbij de numeriek veel sterkere Castilianen de meeste voordelen behalen. In 1433 veroveren zij op verschillende fronten Xiquena, Benzalema en El Castellar, in 1434 gevolgd door Solera en Huéscar, beide bij Jaén. Veel moslims in zowel de nieuw veroverde steden, waarin zij zijn blijven wonen, als geloofs-genoten in bedreigde grenssteden keren zich onder Castiliaanse druk af van Muhammad IX. Terwijl in 1438 al onderhandeld wordt over een bestand dat in april 1439 moet ingaan, valt ook Huelma in Castiliaanse handen. Aan het einde van de jaren veertig neemt Muhammad VIII, de oude vijand van Muhammad IX het initiatief en herovert vele kortgeleden aan Castilië verloren plaatsen, die kennelijk zwak verdedigd worden. In 1451 herkrijgt Granada ook Jimena. De militaire successen van Granada komen tot uitdrukking in de bestandvoorwaarden van 1439. De parias wordt verlaagd tot 8.000 doblas per jaar, maar Granada dient in drie jaar 550 gevangenen christenen vrij te laten, zonder voor hen losgeld te eisen. In 1453 sterft Muhammad IX; hij wordt volgens afspraak opgevolgd door een zoon van Muhammad VIII.

In 1454 roept Sa’d, een kleinzoon van emir Ysuf II, die jarenlang als balling aan het hof van Juan II heeft verkeerd, zich uit tot emir van Granada. De opvolger van Juan II, Enrique IV aarzelt niet om te profiteren van Granada’s dynastieke problemen. Hij onderneemt in de jaren 1455, 1456 en 1457 verschillende veldtochten tegen het emiraat, waarbij hij op systematische wijze tracht zoveel mogelijk territoor te veroveren. Nadat in 1456 Jimena in christelijke handen is overgegaan, maar Solera in handen van de moslims is gevallen, accepteert Enrique een bestand. Granada dient jaarlijks weer 12.000 doblas tribuut te betalen en moet 600 christen-gevangenen per jaar vrijlaten, zonder losgeld te mogen vragen. Na afloop van het bestand verovert Enrique IV in 1462 Gibraltar en Archidona, maar in 1463 sluit hij opnieuw een wapenstilstand met Granada, omdat de burgeroorlog in Castilië zijn aandacht opeist. Dit bestand wordt verlengd in de jaren 1464, 1469, 1472 en 1475.

Het gevolg van de hervatting van de Reconquista door Enrique IV leidt ertoe dat de Granadijnen zich veel minder tolerant betonen ten opzichte van de christenen en de faqihs in Granada prediken de meest extreme vorm van xenofobie. De politiek van onverdraagzaamheid en vreemdelin-genhaat, die kenmerkend is voor de moslims in de Magreb die onder voortdurende Portugese militaire druk staan, slaat over naar Granada, nu dat serieus in zijn bestaan bedreigd wordt. De Granadijnen denken aan christelijke hegemonie te kunnen ontsnappen door omhelzing van fanatie-ke islamitische idealen en de meest extreme vorm van xenofobie. In de Magreb werpt deze politiek resultaten af, omdat het de militaire opmars van de Portugezen stopt, maar in Spanje vormt deze politiek een casus belli, die leidt tot voortzetting van de ‘Guerra de Granada,’ die uiteindelijk leidt tot de ondergang van de islamitische staat en de voltooiïng van de Reconquista op het Iberisch schiereiland.

Terwijl in de jaren de militaire druk van Castilië op Granada niet bijzonder groot is, omdat tussen 1463 en 1475 sprake is van herhaalde verlenging van de wapenstilstand, is de politieke situatie in Granada verward. Emir Sa’d heeft getracht zich met geweld te ontdoen van de Abencerrajes. De overlevende familieleden zijn naar Málaga gevlucht. Zij roepen daar een nieuwe Ysuf tot emir uit. Deze doet met Castiliaanse steun op zekere dag in 1463 zijn intocht in Granada, maar wordt kort daarna vermoord. In het jaar daarop heeft Ab al-Hassan ‘Alï, die zich verbonden heeft met de Abencerrajes, zijn vader Sa’d van de troon gestoten. Een paar jaar later maakt de nieuwe emir zich los van de Abencerrajes en verwerft een zekere steun van de legitimistas, die streven naar herovering van al het aan Castilië in de loop der jaren verloren grondgebied. De Abencerrajes keren zich tegen Ab al-Hassan, door de Castilianen aangeduid als Muley Hacén of als Alboacen, en roepen in 1470 diens broer Ab ‘Abd Allh Muhammad az-Zaghall of el Zagal in Málaga tot emir uit. Alboacen vervolgt de aanhangers van zijn rivaal zo onbarmhartig, dat de overle-venden uitwijken naar Castiliaans Andalusië. Zij vinden onderdak bij zeer invloedrijke edelen als Alonso Pérez de Guzman en Alfonso Fernándes de Córdoba. Alboacen blijkt een oorlogszuchtige emir; die veelvuldig overvallen in vijandelijk gebied laat uitvoeren. De bekendste aanval van Granada voorafgaande aan een reeks van ernstige incidenten die tot hervatting van de oorlog leiden, is die op La Higuera de Martos in 1471.

1.2 De ‘Guerra de Granada tot 1485.’

Categorieën
Portugees kolonialisme

Voortdurende schermutselingen met Castilië. De verovering van het moslimkoninkrijk Granada

Deel 8 Index

Bijlage 1.

De verovering van het moslimkoninkrijk Granada

1.0. Voortdurende schermutselingen met Castilië

Geschreven door Arnold van Wickeren

Ofschoon het onderwerp van deze bijlage behoort tot de meest favoriete thema’s van de Spaanse geschiedschrijving is de in mei 2000 door de Universidad de Granada uitgebrachte studie: ‘Historia del Reino de Granada,’ waaraan veel historici, onder de ‘dirección’ van Manuel Barrios Aguilera en Rafael G. Peinado Santaella hun medewerking hebben ver-leend en dat ik bij een bezoek aan Andalusië in het voorjaar van 2001 in Sevilla heb gekocht, voor mij aanleiding geweest in een bijlage bij deel VIII terug te komen op deze eerder en passant vermelde gebeurtenissen, die ook van grote invloed zijn geweest op de Portugese positie in Marokko.

Deze bijlage is als volgt opgebouwd: in de paragrafen 1.0 en 1.1 worden de hoofdlijnen geschilderd van de bijna 250-jarige geschiedenis van het islamitische Granada, dat telkenmale door Castilië bedreigd wordt. In de paragrafen 1.2, 1.3 en 1.4. wordt een meer gedetailleerde beschrijving gegeven van de ‘Guerra de Granada’, waardoor Granada ophoudt als autonome staat te bestaan, waarmee Castilië de Reconquista heeft voltooid.

1.0 Voortdurende schermutselingen met Castilië.

De geschiedenis van het emiraat of koninkrijk Granada begint in 1232, als een aanzienlijke inwoner van Arjona, Muhammad ibn al-Ahmar, die preten-deert een afstammeling van de Profeet te zijn, aanzet tot opstand tegen Ibn Hd, de Almohadische legeraanvoerder. Ibn al-Ahmar wordt in april 1232 in Arjona als emir erkend. Dankzij de steun van zijn familielid Ab al-Hassan ‘Alï sluiten de steden Guadix, Baza en Jaén zich aan bij de opstand, die niet de eerste opstand van Al-Andalus tegen de tanende macht van de Almohaden is. Nog in 1228 heeft de taifa Murcia zich afgekeerd van het Almohadische kalifaat van Krtuba (Córdoba) en de Abassidische kalief van Bagdad als zijn geestelijk leider erkend. Deze opstand heeft heel Andalusië verenigd; alleen Balnsiyya (Valencia) en Lbla (Niebla) hebben zich van deze ontwikkeling afzijdig gehouden. Als Ibn Hd de christenen bevecht, breidt Muhammad ibn al-Ahmar zijn gebied naar het zuidoosten uit, met de steden Granada, Málaga en Almería. Hierdoor ontstaat een territorium van voldoende omvang en samenhang om de militaire druk van de christenen te kunnen weerstaan.

Terwijl Al Andalus zich verenigt, zet Fernando III, koning van Castilië (1217-1252) en León (1230-1252) de Reconquista, die al vijf eeuwen – zij het met langdurige onderbrekingen – gaande is, voort. De in 1671 gecanoni seerde Fernando III (San Fernando) coördineert zijn strijd tegen de Moren met de Portugese koning Sancho II (1223-1246). In 1230 zijn zij beiden op oorlogspad; de Leonezen veroveren Mérida, de oude hoofdstad Emerita Augusta van het Romeinse Lusitania, terwijl Sancho de nabijge-legen plaatsen Elvas en Juromenho inneemt. Twee jaar later veroveren de Portugezen Serpa, Moura en Beja. In 1236 stort de macht van de Almohaden op het Iberisch schiereiland ineen, nadat zij hun hoofdstad Krtuba (Córdoba) verloren hebben aan Fernando III en Melén Rodríguez Gallinato het veel zuidelijker gelegen Morón voor zijn koning veroverd heeft. Morón dat nu aan de Castiliaanse kant met het koninkrijk Granada ligt, heet voortaan Morón de la Frontera. De Almohadische aristocratie trekt zich terug naar de Magreb, waar hun positie eveneens sterk onder druk staat (zie deel I, pag. 93). Twee jaar later maakt emir Muhammad ibn al-Ahmar, die regeert onder de naam Muhammad I al-Ghalib, van Granada zijn hoofdstad; hij vestigt daar de dynastie van de Nasriden, begint met de bouw van het Alhambra en legt de basis voor Granada’s toekomstige welvaart door islamitische refugé’s uit Sevilla, Valencia en Murcia te verwelkomen.

De verovering van Córdoba door Castilië inspireert Sancho II tot voortzet-ting van de Reconquista .Hij wil de Moren zo mogelijk geheel uit Portugal te verdrijven. In 1238 valt Mértola in zijn handen en in 1239 bereiken zijn troepen de Algarve en veroveren de kussteden Tavira en Cacela. Slechts een deel van het westen van de Algarve, waaronder de steden Shilb (Silves) en Shanta Marya Al-Harun (Santa Maria de Faro) zijn nog in moslimhanden. Dit zijn enclaves van de taifa Lbla, dat ten oosten van de Rio Guadiana ligt. Ook Fernando III zet de Reconquista voort. In 1244 moet Granada de stad Arjona aan hem afstaan. Als de Castilianen in 1245 de belangrijke stad Jaén omsingelen, begrijpt emir Muhammad I dat hij met Castilië tot een vergelijk moet zien te komen, om te voorkomen dat hij steeds meer grondgebied aan dat land verliest. Granada volgt hiermee het voorbeeld van de taifa’s Lbla, dat sedert 1234 een Castiliaans protec-toraat is, en Murcia, dat zich in 1243 aan Fernando onderworpen heeft. Granada sluit in februari 1246 met Castilië het Verdrag van Jaén. In ruil voor deze stad en een jaarlijkse schatting (parias) van 150.000 maravedís (in 1252 tot 50.000 maravedís verminderd) verkrijgt het land een wapen-stilstand met een looptijd van 20 jaar. Het Verdrag van Jaén kan worden beschouwd als de geboorteakte van het emiraat Granada. Het verdrag bevat ook een clausule over wederzijdse militaire bijstand. Dit verklaart dat 500 Granadijnse ruiters aan de zijde van Castlilië strijden wanneer dat in 1247 het beleg slaat voor Sevilla. Na een langdurig beleg deze stad zich in 1248 over. De opvolger van de Portugese koning Sancho II, Afonso III (1248-1279), valt de eer te beurt de Reconquista wat Portugal betreft geheel te voltooien. In 1249 vallen Silves en Faro in zijn handen en in 1250 neemt Afonso de rest van de Westelijke Algarve in. Deze veroveringen brengen Portugal in conflict met Castilië. De vorst van de taifa Lbla, die zijn geloofsgenoten al zo vaak vergeefs om effectieve hulp tegen de opdringende christenen heeft gevraagd, heeft uiteindelijk de koning van Castilië als zijn opperheer moeten aanvaarden en hij heeft Fernando’s zoon, kroonprins Alfonso, als zijn troonopvolger aangewezen. De verovering van de aan Lbla behorende enclaves in de Algarve houdt in dat Portugal gebieden, waarop Castilië rechten kan doen gelden, verworven heeft. Dit leidt in 1250 zelfs tot schermutselingen tussen Castilië en Portugal. Na het overlijden van Fernando III in 1252 breekt opnieuw oorlog tussen beide landen uit. Door bemiddeling van paus Innocentius IV staken Fernando’s zoon en opvolger, Alfonso X, bekend als Alfonso de Wijze (1252-1284), in 1253 de strijd, die wellicht in het voordeel van Castilië is verlopen. Portugal en Castilië lossen hun conflict op (zie deel I, pag, 97), waarbij de Algarve op termijn onbetwist geheel aan Portugal toevalt.

Het is voor Castilië van groot strategisch en economisch belang de havens aan de Atlantische kust in het zuiden en die aan de Straat van Gibraltar in handen te krijgen. Ook Portugal heeft hier belang bij, omdat daardoor de bedreiging van de Algarve door de Marinidische sultans van Fez afneemt. Nadat Alfonso el Sabio in 1254 het Verdrag van Jaén uit 1246 met Granada heeft verlengd, heeft hij de handen vrij om de taifa Lbla te veroveren en kan Muhammad I, bevrijd van Castiliaanse druk, zijn macht in Granada consolideren. In 1256 verovert Alfonso de havenstad San Lucár de Barrameda. Alonso Pérez de Guzman wordt aangesteld als de militaire gouverneur van Castiliaans Andalusië. Hij voorziet San Lucár van een geducht fort. In 1257 valt ook de stad Huelva in handen van de christenen, in 1262 gevolgd door Niebla. De verovering van de Atlantische kust wordt in datzelfde jaar voltooid als de jonge Castiliaanse oorlogsvloot een succes-rijke aanval uitvoert op Cádiz. Om de strijd met de moslims naar Noord-Afrika te kunnen verplaatsen, krijgt Alfonso X hetzelfde jaar van Granada toegang tot de havens Tarifa en Gibraltar. De houding van de emir van Granada is minder vreemd dan zij lijkt; Granada heeft er belang bij dat Castilië verhindert dat de Mariniden een grote troepenmacht overzetten om hun geloofsgenoten in hun strijd met de christenen bij te staan. De invasies van de Almoraviden in 1085 en de Almohaden rond het midden van de 12e eeuw hebben duidelijk gemaakt dat hulp op grote schaal onver-mijdelijk leidt tot overheersing van Al-Andalus door de Noordafrikaanse bondgenoot. Muhammad I en zijn opvolgers zullen steeds een wankel evenwicht trachten te bewaren tussen hun geloofsgenoten in Noord-Afrika en hun christelijke opperheer. Zij nemen gaarne vrijwilligers uit de Magreb, die tegen de christenen willen strijden, op in hun leger, maar zij hebben nimmer toegestaan dat een groot invasieleger hen te hulp komt.

In de herfst van van 1264 wordt Alfonso X geconfronteerd met een opstand van mudéjars. Zijn islamitische onderdanen verlangen grotere lokale autonomie. De onrust slaat over op zijn vazalstaten Murcia en Granada. Alfonso slaat de opstand neer en op verzoek van Muhammad I, helpt hij ook de rust in Granada te herstellen. Daarvoor betaalt Granada 250.000 maravedís, en verliest het de grenssteden Jerez en Arcos, dit worden Castiliaanse steden aan de grens met het koninkrijk Granada, vandaar dat aan hun naam toegevoegd wordt: ‘de la Frontera.’ Omdat Muhammad l zijn geloofsgenoten in Murcia aan hun lot overlaat, kan Castilië begin 1266, met behulp van Jaime I van Aragón, het koninkrijk Murcia veroveren. Als de mudéjars van Murcia in 1272 in opstand komen tegen Alfonso, wordt Murcia, met steun van Nuño Gonzales de Lara en andere ontevreden Castiliaanse edelen aan het koninkrijk Granada toegevoegd. De opvolger van Muhammad I al-Ghalib, Muhammad II (1272–1302), hernieuwt het bestand met Castilië, waarbij de schatting verhoogd wordt tot 300.000 maravedís per jaar.

In een poging de controle over de Straat van Gibraltar weer in handen van de moslims te brengen zendt de koning van Fez in het voorjaar van 1275 een invasiemacht, onder bevel van Ab Ysuf de zeestraat over. Muhammad II heeft Tarifa en Algeciras als landings- en uitvalsbases afgestaan. Ook Ronda heeft hij aan zijn Noordafrikaanse bondgenoten overgedragen. Aanvankelijk slagen de Castilianen er niet in de invasiemacht, die veel gebied rond de monding van de Guadalquivir in bezit heeft genomen, te verdrijven. Alfonso’s zoon en opvolger, Sancho IV (1284-1295) brengt de invallers echter in 1290 een nederlaag toe en in 1295 geven zij hun bases aan Granada terug en verlaten zij Andalusië. Niettemin blijven de moslims de Straat van Gibraltar controleren. Koning Fernando IV (1295-1312) van Castilië verbindt zich met de koning van Aragón, Jaime II, die rechten laat gelden op Murcia. Tussen 1295 en 1302 verovert Fernando de plaatsen Quesada, Alcaudete, Bedmar, Arenas en Locubín aan de bovenloop van de Guadalquivir, in de hoop deze met Granada te kunnen ruilen tegen de verloren steden bij de Straat Van Gibraltar (Tarifa, Medina Sidonia, Vejer en Alcalá de los Gazules), die van groter strategisch belang zijn.

Muhammad III (1302-1309) herstelt in 1303 de vriendschap met Castilië, met welk land hij een wapenstilstand voor drie jaar sluit. In maart 1309 verliest Muhammad zijn troon aan zijn broer Nasir (1309-1314). Deze ziet zich geconfronteerd met een alliantie tussen Fez, Aragón en Castilië. Troepen van de koning van Fez, heroveren – met Catalaanse maritieme ondersteuning – de Marokkaanse havenstad Ceuta, die drie jaar daarvoor in handen van Granada was gekomen. Jaime II blokkeert vergeefs de haven van Almería; maar mag als dank voor zijn hulp een Aragonees garnizoen in Ceuta legeren. Fernando faalt eveneens bij zijn aanval op Algeciras, maar hij weet wel Gibraltar in bezit te krijgen. Het matige resultaat van de christelijke vorsten is te wijten aan hun ‘bondgenoot’ Fez, die versterkingen naar Algeciras en Ronda heeft gezonden. In 1310 onderwerpt Granada zich, tegen betaling van een tribuut van 11.000 doblas per jaar, opnieuw aan Fernando IV, maar deze behoudt de vijf eerder door hem veroverde plaatsen in Hoog-Andalusië. Bovendien valt Rute in 1312 ook nog in handen van de Castilianen.

Emir Nasir wordt van de troon gestoten door sm’l I (1314-1325), waar-mee een andere tak van de Nasriden in Granada aan de macht komt. De weer ontbrande strijd met de christenen kent zijn ups en downs. In 1316 wordt in de Straat van Gibraltar een Castiliaans eskader vernietigd, maar prins Pedro weet in de oorlog ter land de plaatsen Cambil, Alhabar en Bélmez in bezit te krijgen. Als Pedro in juni 1319, tezamen met zijn broer Juan, de Vega (laagvlakte) van Granada binnendringt, wordt hun leger vernietigd en vinden zij beiden de dood, in de grootste nederlaag die Castilië in die tijd lijdt. De overwinning levert Granada bij het sluiten van de wapenstilstand enige steden op: Martos bij Jaén en Huéscar, Orce en Galera, in het noordoosten. Als Muhammad IV (1325-1333) zijn vermoorde voorganger is opgevolgd, is Alfonso XI 14 jaar en gaat zelf regeren. Hij hervat de Reconquista; verovert in 1327 de kastelen van onder andere Olvera en Pruna, sluit in 1329 een alliantie met Alfonso IV van Aragón en neemt het jaar daarop Teba in. In februari 1331 besluiten Castilië en Granada tot een gevechtspauze van vier jaar. De parias is opgelopen tot 12.000 gouden doblas per jaar, maar nieuw is de bepaling dat Granada, dat altijd problemen heeft met de bevoorrading, tijdens het bestand vee en andere levensmiddelen in Castilië mag kopen. Een mogelijkheid waar-van op grote schaal wordt gebruikgemaakt.

De nieuwe sultan van Fez, Ab al-Hassan ‘Alï, mengt zich in de zaken van Granada. Met zijn hulp komt Gibraltar tussen 1331 en 1333 weer onder moslimbestuur. Als Muhammad IV in oktober 1333 een gevechtspauze met Castilië is overeengekomen, wordt hij bij een paleisrevolutie vermoord. Hij wordt opgevolgd door zijn broer Ysuf I (1333-1354). De oorlogspartij wil, met Gibraltar, Algeciras en Ronda in bezit van Granada, hoe dan ook de Straat van Gibraltar blijven beheersen. Als in 1338 het bestand afloopt, worden de gevechtshandelingen hervat. In april 1340 wordt de Castiliaanse vloot, die Algeciras bedreigt, met hulp van schepen uit Genua en Fez, vernietigd, hetgeen de weg vrijmaakt voor een invasie vanuit Marokko. Aragón en Genua zijn bereid Alfonso XI te helpen dit gevaar te keren, maar willen daarvan primair zelf beter worden. Zij verhuren Castilië galeien tegen de woekerprijs van 1.000 gouden doblas per galei per maand. Deze kostbare hulp kan niet verhinderen dat Ab al-Hassan in juni 1340 met een invasiemacht naar het Iberisch schiereiland over-steekt. Hij landt bij Tarifa en slaat het beleg voor de stad. Met behulp van Afonso IV van Portugal (1325-1357) vernietigt Alfonso XI op 30 oktober 1340 de Moorse invasiemacht in de beroemde Slag aan de Rio Salado. Dit is de laatste grote veldslag van de Reconquista, omdat er na 1340 geen Moorse invasie op het Iberisch schiereiland is uitgevoerd. Het is ook een overwinning van doorslaggevende betekenis, die het de koning van Castilië mogelijk maakt in 1341 belangrijke plaatsen aan andere sectoren van het front (opnieuw) in te nemen (Alcalá la Real, Priego, Benamejí en Rute) en in augustus 1342 ook het beleg te slaan voor Algeciras. Dit beleg wordt volgehouden totdat de stad zich in maart 1344 overgeeft. De kosten van het langdurige beleg zijn zo hoog dat zij in geen verhouding staan tot de omvang van de buit en het strategische belang van Algeciras op dat moment. De inname van de stad wordt gevolgd door een nieuw bestand, waarbij de door Granada te betalen parias weer wordt vastgesteld op 12.000 doblas, terwijl Granada ook nu weer tijdens het bestand voedsel mag importeren uit Castilië. De sultan van Fez en de koning van Aragón sluiten zich bij het verdrag aan. In 1349 slaat Alfonso XI opnieuw het beleg voor Gibraltar, dat voortduurt tot in het volgende jaar. Er komt een einde aan het beleg nadat in het Castiliaanse kamp builenpest is uitgebroken. Deze wordt Alfonso zelf ook noodlottig.

1.1 Langdurige vrede en hervatting van de Reconquista.

Categorieën
Portugees kolonialisme

De teloorgang van Portugals monopoliepositie. De goudhandel aan de Minakust

Deel 8 Index

Hoofdstuk 4.

De goudhandel aan de Minakust

4.1. De teloorgang van Portugals monopoliepositie

Geschreven door Arnold van Wickeren

Eind 1438 beginnen Franse en Engelse piraten hun aanvallen op de Portugese scheepvaart in de zuidelijke Atlantische Oceaan te intensiveren. Ook scheepvaart van en naar de Minakust geniet hun belangstelling. De berichten die de Casa da Mina over de toegenomen brutaliteit van vreemde indringers ontvangt van kapiteins in de Carreira da Mina zijn zeer verontrustend. In het voorafgaande decennium is incidenteel een Franse indringer gezien, maar in 1539 worden diverse Portugese handelsschepen door Franse piraten genomen. Om dit gevaar het hoofd te bieden laat João III zwaar bewapende galjoenen, als de São João en de Trinidade, de bevoorradingsschepen naar de Minakust escorteren. Een van de twee galjoenen beschermd de met goud geladen karvelen op hun tocht naar Lissabon en het andere schip jaagt in de Golf van Guinée op indringers.

Naast aanvallen van piraten dreigt er een veel groter gevaar. De druk van handelskringen in Engeland en Frankrijk het embargo op de commerciële vaart naar de Minakust op te heffen, neemt toe met elk bericht over de aankomst van een met goud geladen karveel in de haven van Lissabon. Op 13 november 1540 heft de Franse koning, François I, het embargo, dat sinds midden 1536 gehandhaafd is, op. Een van de centra van de Franse handel op Afrika is de stad Rouen, waar begin 1540 al een goed georgani-seerd consortium van kooplieden is gesticht. Dit consortium, waar-toe behoren: Jean en Pierre Dumochel, Guillaume le Seigneur, Guillaume Deshayes en Jean Ribault, neemt deel in de financiering van de reis die de l’Esperance, onder bevel van Guillaume le Mire, in september 1541 naar de Minakust maakt. Het consortium rust de Catherina de Honfleur uit. Met dit schip zeilt Gratian Perys in januari 1546 uit. Hem is opgedragen rechtstreeks goud te ruilen met de Afrikanen. Dit zijn slechts enkele bekende voorbeelden van de Franse handel met de Minakust, waarnaar in de jaren veertig waarschijnlijk elk jaar tussen december en maart Franse schepen uitzeilen, wat door de functionarissen van in São Jorge wordt bevestigd.

In februari 1541 verneemt capitão-geral António de Miranda dat er Fransen aan de kust zijn gesignaleerd. Hij zendt een kano met zwarten op hen af, maar die wordt bij Axim door hen aan-gehouden. Miranda haast zich, vooruitlopend op een aanval, de verdediging van fort Santo António, die al tien jaar verwaarloosd is, te versterken en het na een brand in 1540 verwoeste interieur te herstellen. De Franse aanval blijft uit en als in juni 1541 bouw-materialen in Axim arriveren, wordt van de negers vernomen dat de Fransen al vertrokken zijn, met medeneming van een lading goud. In februari 1543 ontdekt een Portugese patrouille uit Axim weer een Frans schip op negen léguas van de post. Estêvão de Limpo, capitão en feitor van Axim zendt direct een kano naar São Jorge, om het nieuws te melden. António de Miranda komt snel in aktie. Hij stuurt een sectie soldaten er in een kano op uit om te ontdekken waar de Fransen precies handeldrijven. De soldaten hebben opdracht hen niet uit het oog te verliezen en iedere indringer die zich aan land zou wagen dood te schieten. De soldaten gaan, onopgemerkt door de Fransen, aan land. Aan de plaats gekomen waar zij zich zouden ophouden, zien zij een flottille bestaande uit een grote bewapende galjoen, twee schepen van 20 of 30 ton en drie heel kleine schepen, waarmee vlak langs de kust en zelfs op rivieren gezeild kan worden. De Fransen lichten het anker en zeilen Axim voorbij naar een plaats tussen Axim en São Jorge. Zij verhandelen daar dezelfde goederen als de Portugezen, alleen tegen veel lagere prijzen, zodat de negers die ver van de Portugese posten leven, gaarne zaken met hen doen. Omdat het Miranda aan middelen ontbreekt tegen de Franse vloot op te treden, verzoekt hij Lissabon om twee of drie galeien te mogen bouwen. Daarmee kunnen de Fransen, die zich al drie jaar achtereen aan de Minakust hebben laten zien, worden ver-jaagd. Dit is veel effectiever en goedkoper dan het zenden van meer troepen en de aanleg van nieuw bases aan land. Het zal tien jaar duren voordat João III Miranda’s advies overneemt.

De gevolgen van de Franse commerciële activiteiten aan de Minakust zijn voor de Portugeze desastreus. De goudontvangsten, die in de jaren dertig nog gemiddeld 1.400 tot 1.800 marcos per jaar hebben bedragen, bereiken een dieptepunt van 615 marcos in 1544. Tegen het midden van de eeuw is de handel van São Jorge duidelijk in verval. In de periode 1549-1553 is deze met 60% gedaald tot gemiddeld 600 marcos per jaar. De terugval is niet geheel aan de Fransen te wijten, maar ook aan oorlogen in het binnenland. Kort voor 1543 belet de burgeroorlog tussen een aantal leden van de Akani-confederatie de aanvoer van goud naar de Portugese factorijen. Gedurende een aantal jaren komt slechts een klein aantal Akani-kooplieden naar de kust. Over 1548 wordt bericht dat dezen vrezen voor hun goed en hun leven op de routes door het binnenland van de zuidelijke Akani-staten, waar hevige stammenstrijd woedt. In 1551 rapporteert de capitão-geral dat kooplieden van 150 mijl ver São Jorge hebben bereikt, maar kort daarna breken weer nieuwe gevechten uit. In 1557 wordt de onbelemmerde handel met de Akani-staten her-steld. Dat jaar worden geschenken gezonden aan de Grandes Akanes e Pequenos Akanes, om hen ertoe te bewegen de handel te hervatten. Capitão-geral Botafogo bericht dat acht maanden na het zenden van de giften de eerste Akani-kooplieden sinds de dagen van António de Miranda naar São Jorge zijn gekomen.

De goudontvangsten van het kleine fort in Axim zijn nog meer gedaald dan die in São Jorge. In 1538 ontvangt de factor van São Jorge slechts 144 marcos goud uit Axim en de twee jaren daarop 159 en 157 marcos. Maar nadat de Fransen verschenen zijn, dalen de ontvangsten van Axim in 1541 tot 32 marcos, wat het peil zal blijven, gedurende een heel decennium.

In de jaren veertig laat João III de vesting São Jorge renoveren. Het fort moet bestand zijn tegen aanvallen van het modernste scheepsgeschut, daarom worden de muren versterkt, de torens uitgebouwd tot bastions en er wordt een nieuwe muur gebouwd dwars over het schiereiland waarop het fort ligt De bewapening van het fort wordt eveneens aan de eisen van de tijd aangepast. Een vedor das obras, een nieuwe functionaris, die voor lange tijd is aangesteld, moet erop toezien dat alle werkers: metselaars, timmerlieden en slaven, hun taken nauwgezet verrichten. Iedere kapitein die naar São Jorge da Mina wordt gezonden, dient aan de Casa da Mina te rapporteren hoe het met de renovatie gaat.

Behalve Fransen verschijnen ook Castilianen aan de Minakust. Zo keert Antonio de Pesquera uit San Lúcar de Barrameda in 1547 in Andalusië terug met goud, malagueta-peper en andere zaken. Aangemoedigd door dit succes, rust hij twee jaar later weer een schip uit. Hij zeilt uit met een lading cauris, trompet-hoornschelpen, manilhas en koperen vaatwerk. Koning João, die weet krijgt van zijn snode plannen, zendt hem een karveel achterna, dat bij de Canarische eilanden Pesquera’s schip, waarop zich een Portugese loods blijkt te bevinden, overmeestert. In hetzelfde jaar 1549 wordt een ander Castiliaans schip, dat handeldrijft aan de kust van Guinée, door een Portugese vloot genomen. Daarna laat João III een eskader voor de kust bij Arguim kruisen, om Spanjaarden van de Canarische eilanden ervan af te houden naar Guinée te gaan; begin 1552 maakt dit eskader zich meester van twee schepen en loert dan op de volgende prooi.

In de jaren vijftig verschijnen de eerste Engelse concurrenten op het toneel. Capitão-geral Rui de Melo verneemt hun komst in 1553 van Afikaanse informanten. Naar aanleiding hiervan rappor-teert hij aan de Casa da Mina, dat twee grote schepen en een pinas, gegidst door een Portugese overloper, die aanwijst aan welke delen van de kust kan worden handelgedreven, naar het oosten zeilen. De Engelsen hebben ervoor gezorgd dat zij niet ontdekt zijn door de Portugezen in Axim. Dit verklaart dat zij al op weg zijn naar Benin als Rui de Melo van hen hoort. Hij kan dus niet anders meer doen dan de zwarten met sancties dreigen als zij met de nieuwe concurrenten in zee gaan. In 1552 strand op de Engelse kust het schip van Simão Pires, een Portugees die zich in Noord-Europa heeft gevestigd. Hij keert, nadat hij een reis naar de Minakust gemaakt heeft, in Engeland terug met 30 marcos goud en 18 ton malagueta-peper. Mogelijk was hij de kapitein van een van de Engelse schepen, waarover Rui de Melo in 1553 heeft gehoord en is hij de bewuste overloper die deze schepen naar de Minakust en Benin heeft geleid. Van volgende Engelse reizen naar de Minakust geeft Vogt veel bijzonderhe-den. Deze worden hierna op de voet gevolgd.

Kapitein Thomas Windham is de commandant van – voor zover bekend – de eerste Engelse expeditie die het vooropgezette doel heeft het Portugese monopolie aan de Minakust aan te tasten. Zijn kleine vloot bestaat uit The Lion, een groot schip van 150 ton, onder bevel van Windham zelf, The Primrose en een pinas, genoemd The Moon. De laatste twee schepen zijn geleend van de marine. Onder 140 manschappen van de drie schepen, die zijn uitgerust door een groep Engelse (meest Londense) kooplieden, bevinden zich een Portugese stuurman, Francisco Rodrigues genaamd en de zoon van de Lord Mayor van Londen. Kapitein Windham heeft het geluk dat zijn medebevelhebber, de Portugees António Anes Penteado, een zeeman is, die in de tijd van João III, veel ervaring heeft opgedaan bij Portugese kust-bewakingsexpedities naar Brazilië en naar de Minakust. Penteado’s nautische bekwaamheden hebben hem vrije toegang verschaft tot het huishouden van João III, die hem beschouwt als een zeer ervaren loods. Penteado is echter bij de koning uit de gunst geraakt en heeft zijn toevlucht in Engeland gezocht. Dat hij zonder koninklijke toestemming uit Portugal vertrokken is, vormt een inbreuk ’s konings wet, die ervaren loodsen verbiedt in dienst te treden van andere naties. João’s pogingen Penteado weer naar Portugal te halen, zijn op niets uitgelopen. Diens staat van dienst en zijn gedetailleerde kennis van de wateren en kusten van Guinée, doen hem ook voor Engeland van zeer groot nut zijn. Hij is gewoon te waardevol om hem naar Portugal te laten terugkeren. Daarom wordt hij uitverkoren om Windham op zijn eerste expeditie naar de Minakust te vergezellen.

Op 12 augustus 1553 verlaten de drie schepen de haven van Portsmouth. Penteado’s raad, eerst handel te drijven aan de Graan- of Peperkust, wordt in de wind geslagen; Windham wil direct doorvaren naar de Costa da Mina. Nadat de expeditie daar 150 pounds puur goud heeft geruild, wil Windham doorzeilen naar Benin, om daar een vracht peper te laden. Penteado raadt dit met klem af; wegens het ongezonde klimaat in Benin; hij adviseert ook de rest van de ruilwaren aan de Minakust tegen goud te ruilen en dan zo snel mogelijk naar Engeland terug te keren. Penteado wil zo kort mogelijk in Portugese wateren verblijven, omdat hij vreest dat zijn landgenoten, wanneer hij als overloper in hun handen valt, korte metten met hem zullen maken. Maar Windham is vastbesloten ook peper, waarover Penteado het heeft gehad, te laden. This whoreson Jew hath promised to bring us tot such places as are not, or as he cannot bring us unto: but if he do not, I will cut off his eares and naile them to the mast.’ Geintimideerd door dit dreige-ment, brengt Penteado de expeditie naar Benin. Omdat The Lion en The Primrose aanzienlijk groter zijn dan de karvelen die de Portugezen in hun handel op Benin gebruiken, gaat Windham voor anker in de monding van een rivier, terwijl Penteado en de kooplieden in de pinas naar Ughoton zeilen. Afgezanten van de Oba brengen de vreemdelingen naar Benin-stad, waar zij in audiëntie worden ontvangen in het paleis van de Oba. Deze spreekt hen aan in het Portugees, dat hij in zijn jeugd heeft geleerd, terwijl Penteado en de kooplieden voor hem zijn neergeknield. De Oba verzoekt hen op te staan en vraagt waarom zij naar zijn land zijn gekomen. Als de vorst vernomen heeft dat zij belang stellen in peper, toont hij zijn bezoekers een pakhuis, met daarin opgeslagen 1.500 à 2.000 kilogram peper en hij vraagt of hij mag zien wat zij zelf hebben aan te bieden. Ambtenaren van de Oba vergezellen Penteado en de kooplieden naar Ughoton en zij verzorgen het vervoer van hun ruilwaren naar de hoofdstad, op een wijze waarmee de Portugezen al vertrouwd zijn. De ruilwaren, waarvan geen details bekend zijn, bevallen de Oba kennelijk, want hij geeft bevel alle drie Engelse schepen binnen dertig dagen met peper te laden. De Oba zou de Engelse kooplieden zelfs krediet hebben willen verlenen, door aan hen meer peper te doen leveren dan overeenkomt met de waarde van de Engelse ruilwaren, maar het lijkt zeer onwaarschijnlijk dat de Oba lieden die hij voor het eerst ziet krediet heeft gegeven. De ruil wordt gesloten en boodschappers reizen door het land om peper naar Benin-stad te doen brengen en binnen dertig dagen zijn er 80 ‘tuns’ bijeen gebracht.

Ondertussen krijgen veel bemanningsleden koorts en als er op één dag vijf man zijn gestorven, zendt Windham iemand naar Penteado in Benin-stad met de boodschap direct terug te komen. Als deze laat weten te willen wachten tot de zaken zijn afgerond, dreigt Windham zonder hem te ver-trekken. In een uiterste poging uitstel van vertrek te bewerkstelligen, reist Penteado naar de schepen. Daar blijkt dat Windham zelf ook is overleden en de overlevenden verkeren in paniek. Zij willen direct vertrekken en zelfs niet op de terugkeer van de Engelse kooplieden wachten. Zij laten, wegens gebrek aan zeelieden, The Lion zinken en dwingen Penteado zich in te schepen op een van de andere schepen. Slechts 40 van de oorspronke-lijke 140 zeelieden keren met één schip en hun goudschat in Engeland terug. Van hen zullen er nog velen sterven. Ondanks de enorme verliezen aan mensenlevens verwekken de 150 pounds goud, die de expeditie heeft meegebracht, sentatie. De winst bedraagt zoveel meer dan de handel in ivoor oplevert dat direct met de voorbereidingen voor een nieuwe expeditie wordt begonnen. Windhams schepen hebben ondubbelzinnig bewezen dat Engelse schepen in staat zijn om een reis naar de Portugese Minakust te maken en om vandaar ook terug te keren.

De kooplieden die Windham financiële steun hebben geboden, sturen een familielid van hem, Alexander Coles naar Vlaanderen, om de noodzakelijke handelswaren te kopen en geven het bevel over hun tweede expeditie aan John Lok. Zijn vloot, die bestaat uit drie koopvaarders en twee pinassen voor kustverkenning, verlaat de Theems op 11 oktober 1554 op weg naar de Portugese wateren van São Jorge da Mina. In januari 1555 arriveert de vloot in de Golf van Guinée en wendt zij de steven naar het oosten. Lok blijft uit de buurt van Axim, om zijn aanwezigheid niet aan de Portugezen te verraden. Hij denkt dat het mogelijk moet zijn dat hij, na handelgedreven te hebben, alweer zou kunnen vertrekken voordat het nieuws van zijn aankomst de Portugezen in São Jorge bereikt heeft en zij de tijd hebben gehad een aanval op zijn schepen uit te voeren. Maar spionnen van de koning van Portugal zijn de route van de nieuwe expeditie aan de weet gekomen en het vertrek daarvan is al door de Portugese ambassadeur aan het hof van Sint James aan Lissabon gemeld. Hij heeft in het geheim boodschappers via Vlaanderen naar Lissabon gezonden. Zij worden begin december 1554 door koning João ontvangen. In feite heeft Lok enorm geluk. Nog voor zijn schepen uit Londen vertrokken, is een gewapend Portugees eskader van vier of vijf schepen uitgestuurd naar São Jorge. Om onduidelijke redenen wijzigt capitãomor Luís de Melo zijn koers, nadat hij op een van de Kaapverdische eilanden voorraden heeft ingenomen en zeilt naar het noorden van Brazilië. Zou hij rechtstreeks naar de Minakust zijn gevaren, dan zou hij de schepen van Lok hebben ingehaald.

Gegidst door enkele overlevenden van Windhams expeditie gaat Lok op nieuwjaarsdag 1555 voor anker bij het dorp Shama, niet ver van São Jorge, en opent de handel met de zwarten. In het voorafgaande jaar heeft capitão-geral Rui de Melo een sterke Portugese patrouille naar Shama gezonden, om de dorpelingen te straffen omdat zij handel hebben gedre-ven met Thomas Windham. Voorheen hebben de Portugezen een kleine factorij geopend in Shama, maar deze is gesloten enige jaren voor de komst van Windhams vloot. Op hun terugweg van Benin hebben de overlevenden van Windhams expeditie gezien dat de Portugezen bij wijze van straf het gehele dorp Shama tot de grond toe hebben afgebrand. Lok rekent er niet op dat zich Portugezen bevinden in de factorij, die slechts nu en dan gebruikt wordt, om in vreedzame tijden handel te drijven. Lok is zeer verrast als zijn landing wordt verwelkomd met kanonvuur. De oorzaak daar-van is dat Rui de Melo kort tevoren een afdeling soldaten, die twee of drie stukken geschut bemannen, in de factorij heeft gelegerd. Lok denkt dat het kanonvuur afkomstig is van de dorpelingen, maar uit Portugese bronnen blijkt dat het Portugezen zijn geweest die de batterijen hebben bediend.

Lok hijst de zeilen en zet koers naar het oosten. Bij São Jorge zeilt hij zo ver uit de kust dat de Portugese wachten op het dak van het fort hem niet kunnen zien. Als de Portugezen weet hebben van zijn aanwezigheid dan laat Lok hen in het ongewissen over zijn exacte positie. De schepen passeren de gebieden van de Commany en de Efutu en bereiken het dorp Cabo Corso. De Engelsen worden hier hartelijk verwelkomd, omdat het dorpshoofd met de Portugezen op voet van oorlog verkeert. Er ontstaat een levendige handel, waarbij Engelse kleding wordt geruild voor goud. Een van Loks schepen, de Trinity, wordt verder naar het oosten gezonden, om daar zaken te doen met de bewoners van andere kustdorpen.Tezamen met de andere vier schepen winnen de Engelsen klanten aan de gehele Minakust tot aan zijn uiterste grens bij Accra. Wanneer Lok 13 februari 1555 naar huis terugkeert, heeft hij bijna een maand ongehinderd Portugese wateren bevaren. De enige tegenstand die Lok heeft ontmoet is de kanonnade bij Shama, maar als hij op de terugweg weer voor Shama aankomt, hebben de Portugezen de factorij weer ontruimd en drijft hij vreedzaam handel met de inwoners van dat dorp. De terugweg verloopt tergend langzaam, maar als de schepen na een tocht van bijna twintig weken worden uitgeladen, blijken zij bij elkaar 400 pounds stofgoud, 250 olifantstanden en 36 okshoofden peper aan boord te hebben. Zoveel goud verkregen in een enkele expeditie is meer dan genoeg om de kooplieden tot meer expedities te prikkelen.

Als de Portugezen van dit enorme succes vernemen, zendt João III de diplomaat João Roiz Correa naar koningin Mary om scherp te protesteren tegen de Engelse inbreuk op het Portugese goudmonopolie door Windham, Lok en volgende indringers. João Roiz Correa vraagt Mary en haar Privy Council: uitlevering van de bij de expedities betrokken Portugezen; teruggave van de aan de Minakust verkregen goederen; afkondiging van een algemeen verbod op toekomstige expedities, onder bedreiging met koninklijke sancties. Koningin Mary verzekert ambassadeur Roiz Correa dat zij zich over deze aangelegenheden zal doen adviseren, maar op dat moment gaat haar aandacht geheel uit naar haar trouwplannen. Sedert de zomer is bekend dat Mary in Winchester in het huwelijk zal treden met prins Philip van Spanje. Verwachtingen dat Philip enige invloed op zijn nieuwe bruid zou kunnen uitoefenen om Engelse schendingen van door Spanje en Portugal opgeeiste gebieden te beperken, verdwijnen als sneeuw voor de zon, als Philip begin 1555 Engeland verlaat, om de Spaanse troon te bestijgen, die vakant is na het aftreden van zijn vader Carlos I (Karel V). Het Anglo-Spaanse bondgenootschap is weldra verleden tijd.

Toch verbiedt koningin Mary in juli 1556 haar onderdanen reizen te ondernemen naar ‘Guyne, Bynie and the Mina.’ Met ‘Bynie’ is vermoedelijk niet Benin bedoeld, maar de gehele kust ten oosten van de Costa da Mina. De Engelsen laten zich drie decennia lang niet meer in Benin zien, maar dat is minder een gevolg van Mary’s verbod dan van het rampzalig verblijf daar van Windhams expeditie. Het verbod naar de Minakust te zeilen, haalt weinig uit; de succesrijke reis van Lok leidt tot een vloed van Engelse reizen naar de Minakust in de twee volgende decennia. Tot de gedenkwaar-digste tochten behoren de drie reizen van William Towrson in de jaren 1555, 1556/57 en 1558. Zij vallen samen met de Portugese versterking van de defensie van de Minakust. Gedurende de eerste reis, die begint in de herfst volgende op Loks terugkeer, passeert Towrson met zijn twee schepen, de Hart en de Hind, onopgemerkt Axim. Zou hij daar zijn waarge-nomen dan zou de capitão dit direct aan São Jorge hebben gemeld, door met een snelle kano een boodschap aan de capitão-geral te zenden. Op 3 januari wordt Cape Threepoints gerond en de schepen gaan voor anker in de monding van de Rio Pra bij Shama, waar de Portugezen in conflict zijn met de lokale bevolking. Als gevolg daarvan is de Portugese factorij onbe-mand en kunnen de Engelsen ongestoord met de zwarten handeldrijven. Towrson verneemt in Shama dat het opperhoofd van Cabo Corso, Dom João, ook een geschil heeft met de Portugezen. Towrson verlaat daarop Shama, vaart met een grote boog om São Jorge heen en bereikt ongezien Cabo Corso. Hij hoopt hier even goed te kunnen handeldrijven als John Lok het jaar daarvoor. Als de schepen bij de handvol met stro gedekte lemen hutten aankomen, is er geen spoor van Dom João te zien, maar lokale vissers laten weten dat de komst van de Engelsen is gemeld aan hun koning, die in zijn hoofdstad in het binnenland verblijft. Zij vragen de Europeanen de aanstaande komst van hun heerser af te wachten. Towrson splitst zijn eskader. De Hart krijgt opdracht in Cabo Corso te blijven en te wachten op het Afrikaanse opperhoofd, terwijl Towrson met de Hind en de pinas verder naar het oosten zeilt. Hij drijft twee dagen handel aan de kust. Voorzichtigheidshalve weigert hij in te gaan op de smeekbeden van de zwarten een sloep met handelsgoederen aan de kust te lossen. Hij geeft er de voorkeur aan handel te drijven vanuit de sloep die juist achter de branding voor anker ligt. Als er ineens Portugese oorlogs-schepen zouden opduiken, of als de zwarten onverhoeds tot de aanval zouden overgaan, is hij in staat om de sloep met handelsgoederen snel terug te halen.

De voorzorg van de Engelse kapitein is gerechtvaardigd. Het nieuws van zijn aanwezigheid heeft São Jorge bereikt en Rui de Melo heeft ook vernomen dat de Hart en de Hind inmiddels Shama verlaten hebben. Zijn Afrikaanse informanten vertellen hem ook bijzonderheden over de Engelse schepen, zoals hun aantal en hun grootte. Zij vertellen Rui de Melo ook dat de vol-gende stop van Towrson Cabo Corso zal zijn. Op dat moment beschikken de Portugezen nog niet over galeien; zij hebben slechts een klein bevoor-radingskarveel dat goederen naar Axim vervoert. Ofschoon een echte zee-slag niet mogelijk is, neemt Rui de Melo het risico een expeditie naar Cabo Corso te zenden, om de Engelse schepen te onderscheppen. Hij zendt een gewapende patrouille uit, bestaande uit 30 of 40 soldaten, bijna de helft van het Portugese garnizoen van São Jorge. De soldaten zijn bewapend met musketten, kruisbogen en een klein kanon. Zij verplaatsen zich niet over land, uit vrees dat hun nadering zou worden verraden door de Portugezen niet welgezinde zwarten, maar zij schepen zich met hun wapens in op het karveel. Zij hebben opdracht ongezien vlakbij Cabo Corso aan land te gaan en de Engelsen te verrassen als zij aan land en dus kwetsbaar zijn. Op de tweede dag dat de Engelsen bij Cabo Corso handeldrijven, ontdekt de bemanning van de Hind de Portugese patrouille op de top van een lage heuvel vlak achter het dorp. De Portugese soldaten dalen al schietend de heuvel af naar het strand. Dom João en zijn onderdanen gaan ervandoor en laten het aan de Engelsen over hun sloepen van het strand weer in zee te duwen. Er volgt een korte schotenwisseling, waarbij geen bloed vloeit. De Portugezen vuren namelijk vanachter rotsen en de Engelsen beantwoor-den het vuur vanaf deinende sloepen. De Portugezen nemen het dorp bij Cabo Corso in en Towrson zeilt verder naar het oosten. Als de Engelsen langs de kust zeilen, zien zij aan de in brand gestoken Afrikaanse kust-dorpen dat de Portugezen hen voor zijn geweest.

Towrson ontmoet, varend in oostelijke richting, bij iedere stop weerstand van de Portugezen. Als de Engelsen bij Cormantin aankomen trachten zij aan land te komen en de handel te openen. Na enige aarzeling komen de zwarten naar het strand, waar een tent wordt opgezet om de Engelse factor en diens waren schaduw te bieden. Towrson is van mening dat hij ver genoeg verwijderd is van de Portugese strijdkrachten in São Jorge om te riskeren aan land te gaan om zaken te doen. Hij vergist zich, want als de tent nog maar net is opgericht, ontdekken de Engelsen dat zij in de val zijn gelopen. Portugese troepen hebben hen geschaduwd in hun kleine karveel. Een afdeling soldaten met een klein kanon is bij Cormantin geland. Buiten het zicht van de dorpsbewoners, die zich verdringen rond de factor, sluipen de Portugezen dichterbij en openen het vuur. De Engelsen hollen naar hun boten, met achterlating van hun ruilwaren. De Portugezen geven nog drie maal vuur af, voordat de boten van de indringers buiten hun bereik zijn.

Towrson had verwacht dat de inwoners van Cormantin hem goed gezind zouden zijn, want hem hebben berichten bereikt dat zij op voet van oorlog verkeren met de Portugezen. Wat de kapitein niet weet is dat het bezoek van Loks expeditie een ommekeer in de houding van de dorpelingen heeft veroorzaakt.. Toen Lok hier in 1555 verbleef, heeft een van zijn officieren, Robert Gainsh, de zoon van een lokaal opperhoofd en drie andere zwarten, die bij hem aan boord waren gekomen om handel te drijven, gevangengenomen. Zij zijn naar Engeland overgebracht in de hoop dat zij bij latere expedities als tolken zouden kunnen optreden. Helaas heeft de onbezonnen daad van Gainsh de bewoners van Cormantin ertoe gebracht zich te verbinden met de Portugezen tegen de Engelsen. Het karveel schaduwt de Engelsen bij hun vertrek uit Cormantin. Als Towrson tussen Cormantin en São Jorge landt, vuurt het karveel schoten af, om de zwarten te waarschuwen bij de Engelsen uit de buurt te blijven. De waarschuwing wordt genegeerd en Towrson kan een week goede zaken doen. Als de lokale heerser op 22 januari naar zijn hoofdstad in het binnenland gaat, zeilt Towrson naar het westen. Onderweg drijft hij hier en daar aan de kust handel, totdat begin februari zowel zijn handelswaren als zijn levensmiddelen zijn uitgeput. De schepen nemen vers water en ballast in en zeilen terug naar Engeland. Als Towrson op 14 mei 1556 in Bristol terugkeert heeft hij 120 pounds goud, een paar olifantstanden en twee okshoofden peper bij zich. De expeditie is matig succesrijk geweest, temeer daar onderweg maar één man gestorven is en er geen schepen verloren zijn gegaan. Hoezeer de Engelse expeditie de Portugese belangen heeft geschaad, blijkt uit een aantekening van Rui de Melo. Hij schrijft dat de Engelsen de kust hebben overstroomt met zoveel goedkope kleding van slechte kwaliteit, dat enige maanden lang geen zwarte handelaren naar São Jorge of Axim komt. In mei 1556 noteert Melo dat de handel niet meer dan 55.000 cruzados goud heeft opgebracht.

Towrson vindt zijn tocht succesrijk genoeg om een tweede expeditie naar de Minakust te wagen. Hij krijgt hiervoor nog geen maand na zijn terugkeer financiële rugdekking. De Hart wordt gerepareerd en er wordt een groot vracht-schip, de Tiger, aan zijn vloot toegevoegd. De voorbereidingen voor de expeditie worden door de Portugese ambassadeur aan João III gemeld. Als Towrson op 14 september 1556 met drie schepen uit Harwich vertrekt, heeft Portugal maatregelen genomen om de nieuwe dreiging het hoofd te bieden. De nieuwe capitão-geral Afonso Rodrigues Botafogo, die Rui de Melo na vijf jaar moet aflossen, wordt naar de Minakust geëscorteerd door een eskader van vijf grote oorlogsschepen en een karveel. Het eskader vervoert voorraden en versterkingen voor het garnizoen van São Jorge. Botafogo heeft opdracht indringers te onderscheppen voordat zij aan de Minakust aan land gaan om er handel te drijven. De gelegenheid om de bevelen uit te voeren doet zich vrijwel direct voor. Als Botafogo midden december 1556 op weg is naar São Jorge, nemen drie van zijn schepen bij Cape Threepoints een Frans vaartuig waar. Het schip de Roubarge is, vergezeld van een kleine handelspinas, op weg naar de Minakust. De Portugezen openen het vuur, maar de aktie wordt afgebroken, om de bevoorrading van São Jorge niet te vertragen. Terwijl de voorraden worden uitgeladen, nadert William Towrson, die zijn succes van vorig jaar wil herhalen. Als zijn schepen op 30 december de Minakust naderen, ontmoeten zij een Franse vloot, die eveneens op weg is naar de Minakust. De vloot bestaat uit de Espoir uit Hableneff, onder bevel van admiraal Denis Blundel, de Leuriere uit Rouen, van kapitein Jerome Baudet, een derde schip uit Honfleur en twee pinassen. Towrson en de Franse bevelhebbers besluiten samen op te trekken.

De Anglo-Franse vloot passeert op 8 januari de rode kliffen op 20 of 30 mijl voor Cape Threepoints Vanaf dit punt dient rekening te worden gehouden met patrouillerende Portugese oorlogsschepen. Een week later zeilt de grote vloot openlijk voorbij São Jorge da Mina. Voordat Botafogo zijn strijd-krachten inzet wil hij er zeker van zijn wat de bestemming van de schepen is. Informanten laten hem weten dat de vloot zich heeft gesplitst. Een deel is doorgevaren naar het oosten en de rest van de schepen drijft handel tussen São Jorge en Axim. Op 19 januari vindt er aan de monding van de Rio Pra een korte schermutseling plaats tussen Engelse zeelieden en Portugese soldaten, die erop uitgestuurd zijn om dorpen te tuchtigen die eerder met indringers zaken hebben gedaan. Bij zonsondergang openen Portugese kanonniers het vuur op de Engelsen, die aan land komen om te handelen met de bewoners van Shama. De Portugezen kunnen hun aanval niet doorzetten, omdat zij met veel minder zijn dan de zwarte krijgers van Shama, die hen nog steeds vijandig gezind zijn. Zodra de bevoorradings-schepen in São Jorge gelost zijn, zendt Botafogo deze op de indringers af. In de namiddag van 25 januari krijgen de vijf Portugese oorlogsschepen de Anglo-Franse vloot bij Cape Threepoints in het vizier. De gehele volgende dag trachten beide partijen hun schepen zodanig te manoeuvreren dat zij optimaal kunnen profiteren van de wind, terwijl aan dek alles in gereedheid wordt gebracht voor het gevecht, dat op 27 januari uitbreekt. Hierbij wordt de helft van de bemanning van het Franse admiraalsschip gedood, evenals 16 man op een Franse pinas, die zo zwaar beschadigd wordt, dat het in brand wordt gestoken, nadat het kanon in veiligheid is gebracht. Ondanks de geleden nederlaag besluiten Towrson en zijn Franse bondgenoten nog een maand aan de Minakust te blijven. Hierbij blijven zij nooit langer dan enkele dagen op een bepaalde plaats, houden hun schepen onder zeil en vermijden ieder contact met het Portugese kustbewakingseskader. Het enige gebied aan de kust waar de Engelsen zich veilig genoeg voelen om op zoek naar handel aan land te gaan is Efutu. Towrson zendt enige mannen een paar mijl het achterland in naar de grote Afrikaanse plaats Eguafu, waar koning Abaan hofhoudt. De betrekkingen tussen Efutu en zijn Portugese buren in São Jorge zijn al maanden gespannen. Wanneer de Engelsen, op zoek naar handel, naar Abaan toekomen vraagt de koning hun in zijn land een fort te bouwen en hij biedt hun al een stuk grond daarvoor aan.

Op 3 maart 1557 aanvaardt Towrson de thuisreis en als langs São Jorge zeilt, ziet hij de vijf Portugese oorlogsschepen daar in de haven voor anker liggen. Dezelfde middag zien de Engelsen een tweede Portugese vloot vanuit het westen naderen. De vloot is op weg naar São Jorge. Het nieuwe eskader is gezonden ter aflossing van het eerste en is nog machtiger, omdat het twee zeer grote oorlogsschepen telt van naar schatting 200 en 500 ton. De Portugezen openen de jacht op Towrson, maar hij weet, onder dekking van de duisternis, te ontkomen. Bij aankomst in Engeland blijkt de expeditie slechts 70 pounds goud te hebben verworven, wat minder dan 20% van de opbrengst van de vorige expeditie is, maar nog altijd genoeg om de Engelse expedities naar de Minakust tot in de jaren zestig voort te zetten. Het exacte aantal van de Engelse en Franse expedities naar de Minakust in die jaren zal wel wel nooit bekend worden. Het schijnt dat indringers uit beide landen elk jaar deze kust bezeild hebben. Maar als gevolg van de toenemende Portugese tegenstand, zijn de successen van de eerste expedities nooit meer geëvenaard, laat staan overtroffen.

In 1557 zijn de strooptochten van Fransen en Engelsen, evenals in de jaren daarvoor, van grote invloed op het Portugese monopolie in São Jorge. In april van dat jaar schrijft de Portugese feitor daar dat er het hele jaar nog geen zaken met de zwarten zijn gedaan, omdat Towrson en de Fransen hun goederen zo goedkoop hebben aangeboden. Al vanaf 1544 hebben de handel en de goudopbrengsten aan de Minakust van jaar tot jaar grote wisselingen laten zien. De oorzaken daarvan zijn niet alleen de activiteiten van Franse en Engelse indringers aan de kust en de aanvallen van piraten op met goud geladen karvelen, maar ook problemen met de bevoorrading van São Jorge met ruilwaren. De Portugese economische positie aan de Minakust is snel verslechterd. In de jaren 1549-1554 beweegt de handel zich op het laagste peil sedert het begin daarvan. In 1553 wordt slechts 415 marcos goud ontvangen en in de periode 1542-1557 bedragen zij maar 687 marcos gemiddeld per jaar. Dit alles neemt niet weg dat de Casa da Moeda in de jaren 1555 en 1556 1.658 en 1.052 marcos goud van São Jorge ontvangt, zodat in deze jaren sprake is van een opmerkelijk herstel.

Bijlage 1 De verovering van het moslimkoninkrijk Granada 1.0 Voortdurende schermutselingen met Castilië.

Categorieën
Portugees kolonialisme

Afnemende goudopbrengsten. De goudhandel aan de Minakust

Deel 8 Index

Hoofdstuk 4.

De goudhandel aan de Minakust

4.0. Afnemende goudopbrengsten

Geschreven door Arnold van Wickeren

In deel VI, pag. 71-72 is vermeld dat de beroemde energieke en vindingrijke Duarte Pacheco Pereira (zie deel VI, pag. 19, 65-66, 71-72 en 75-78) in de jaren dat hij capitão-geral aan de Minakust was (1519-1521/22) de goudontvangsten tot absolute record-hoogten heeft weten op te stuwen. In die jaren werd gemiddeld 2.100 marcos (483,84 kg.) goud verkregen. Pacheco Pereira geeft in zijn Esmeraldo de situ orbis een nog rooskleuriger beeld. Volgens hem komt elke maand een karveel voor 20.000 cruzados fijn goud in São Jorge ophalen, wat neerkomt op 4.000 marcos per jaar. Waarschijnlijk heeft de auteur van de Esmeraldo over het hoofd gezien dat niet ieder schip dat uit São Jorge naar Portugal zeilt een lading goud aan boord heeft. Pacheco Pereira’s opvolger, Dom Afonso de Albuquerque pakt de zaken heel anders aan. Hij dwingt de zwarte inwoners van het nabij São Jorge gelegen dorp Edina tot het verrichten van slavenarbeid voor het garnizoen. Zij die zich hieraan onttrekken worden zwaar gestraft; zij worden beboet, of zelfs gevangengezet. Veel van hen trekken weg en de goudontvangsten dalen scherp. De situatie loopt zo uit de hand dat koning João in 1523 ingrijpt. De capitão-geral krijgt het consigne in de toekomst veel gematigder tegen de zwarte bevolking op te treden. Onder de capitães-geral Dom Afonso de Albuquerque (1521-1524), João de Barros (1524-1526) en João Vaz de Almada (1526-1529) bedragen de gemiddelde jaarlijkse goudontvangsten 1.150 à 1.200 marcos en zij overschrijden nimmer 1.300 marcos. Koning João III wil de zaken ten goede keren en geeft de nieuwe capitão-geral, Estevão da Gama (1529-1532) een nieuw regimento, waaraan hij zich strikt dient te houden. Hem wordt gelast een einde te maken aan de handel in gebruikte kleding (roupa velha), eertijds fel begeerd aan de Minakust, maar hoe langer hoe meer genegeerd door de zwarte handelaren. De nog voorradige oude kleding dient te worden teruggezonden aan de Casa da Mina. De goudontvangsten hebben zich na drie jaar hersteld tot een peil dat 70% is van het topniveau van de jaren 1519-1521 en zullen tot aan de jaren veertig op dat peil blijven. Dit is mede te danken aan het in exploitatie nemen van een nieuwe mijn die volgens João de Barros tot in de jaren veertig veel goud oplevert en hij voegt eraan toe: aldus zag de ‘zeer vrome koning’ zich beloond voor zijn gebrek aan belangstelling, die hem de handel tussen Benin en Mina heeft doen verbieden. De goudontvangsten van de Casa da Moeda van São Jorge da Mina bedragen in de jaren 1529-1531, dus tijdens de ambtstermijn van Estevão da Gama: 211, 150 en 212 kilogram, hetgeen nauwelijks de helft is van wat in São Jorge ontvangen is. De in 1532 naar Portugal terugkerende capitão-geral laat zich vergezellen door een vloot van elf karve-len. Zij brengen tezamen 2.960 marcos (690 kg.) naar Lissabon. Vogt schrijft: ‘The governor judged that a grand entry into Lisbon with enormous quantities of gold for his sovereign would make a decidedly impression on John III.’ (Dat hij daarin geen ongelijk heeft gehad, blijkt uit het verloop van Estevão da Gama’s verdere carrière: in 1534 wordt hij benoemd tot capitão in Malacca en in 1540 tot governor-geral van de Estado da India.)

Er is slechts één register, waarin handelstransakties van São Jorge genoteerd zijn, bewaard gebleven. Het gaat om ontvang-sten en uitgaven van Gonçalo de Campos, die als feitor heeft gediend onder de capitães-geral João Vaz de Almada en Estevão da Gama. Het register beslaat de periode 10 juni 1529 tot 31 augustus 1531. Ofschoon de pagina 1-23 en 85-93 ontbreken biedt het een goed inzicht in de omvang en de frequentie van de afgewikkelde handelstransakties. Van de 812 dagen (waarvan 150 zon- en feestdagen) zijn er op niet meer dan 71 dagen trans-akties vermeld. Iedere ruil is voorafgegaan door dagenlang gesteggel tussen de Portugese factor en de zwarte handelaren over prijzen en kwaliteiten. Niet iedere dag worden er zaken afgewikkeld; soms zit er maar één dag tussen twee transakties (11 september 1529), soms veel meer. De langste periode waarin geen zaken zijn gedaan telt 37 dagen (18 december 1529 tot 24 januari 1530). Het lijkt erop of iedere week, of tweemaal per week, zaken worden gedaan, maar niet op vaste dagen. Tussen de hoeveelheden goud die per transaktie ontvangen worden bestaan grote verschillen. In december 1529 worden op één dag 200 marcos (46 kg.) goud verantwoord. Dit is de ontvangst van een groep Akani-kooplieden, die alleen al 19.255 manilhas (6 kg. zware u-vormige beugels om kettingen met elkaar te verbinden). hebben gekocht. Door deze grote aankopen zijn de voorraden zozeer geslonken dat de handel pas weer hervat kan worden als karvelen nieuwe handelsvoorraden heeft aangevoerd. De kleinste ontvangst is op 15 juli 1529 en bedraagt omgerekend 3,664 marcos (844 gram) goud. Het is de opbrengst van 1 lambem, 19 koperen vaten en 295 manilhas.

In deel VI (zie pag. 64 e.v.) is uitvoerig aandacht besteed aan de soorten goederen die de Portugezen aan de Minakust ruilen voor goud, in mindere mate ivoor en malagueta-peper en soms voor andere bosproducten. Niet minder dan 40% bestaat uit kleding, 37% betreft metaalwaren en de rest andere goederen. Zeer gewilde kledingstukken zijn: lambens of hambels. Dit zijn lappen zeer fijn geweven wollenstof van 2,7 bij 6,5 meter, die gedragen worden als mantels, als daarin openingen zijn aange-bracht voor het hoofd en de armen. De lambem wordt in windingen rond het middel gedragen en hangt af tot de grond. ’s Nachts kan een lambem dienst doen als deken, waarin men zich oprolt. Daar-naast zijn aljaravias (een soort cape met halve mouwen en een capuchon) zeer populair. Aanvankelijk was er aan de Minakust ook een markt voor gebruikte kleding, maar de vraag daarnaar is in de loop der tijd sterk afgenomen. De factors ervaren dat de Afrikaanse handelaren steeds veeleisender worden. Zij zijn pas tot ruilhandel bereid als zij kunnen kiezen uit een breed aanbod van ruilgoederen. Als een bepaald goed of een bepaalde kwaliteit niet (meer) voorradig is, weigert een zwarte koopman soms alle andere goederen en komt er geen ruil tot stand. De metaalwaren bestaan aanvankelijk uit baren en bewerkt roodkoper. Het gaat om potten, pannen, schalen, ketels, kommen, vaten, bijlen en messen en niet in de laatste plaats om manilhas. Later worden baren en producten van messing veel gevraagd. Tenslotte bieden de Portugezen schelpen, kralen, koraal en later ook caparica-wijn aan. Bij schelpen gaat het om cauris (schelpen van de porseleinslak) en trompethoornschelpen.

De Casa da Mina sluit contracten af voor de levering van bepaalde goederen met binnen- en buitenlandse handelshuizen. Fernão Álvarez levert bijvoorbeeld in de jaren 1520-1531 lambens en aljaravias voor de Minakust. Uit de boeken van feitor Gonçalo de Campos (1529?-1531) blijkt dat veel van deze kledingstukken geweigerd worden, omdat zij beschadigd en dus onverkoopbaar zijn. Zij worden naar de leverancier teruggestuurd. Daarom wordt het contract opgezegd en gaat de Casa da Mina in 1533 voor onbepaalde tijd in zee met Francisco Lobo, eveneens een koop-man uit Lissabon. In 1541 sluit de Casa een contract voor onbepaalde tijd met de prominente koopman Afonso Torres, voor de levering van niet nader gespecificeerde goederen en als Rui de Melo capitão-geral is, mag Pedro Ruiz kleding leveren.

In de jaren twintig worden jaarlijks niet minder dan 8.000 à 9.000 quintais rood- en geelkoperen voorwerpen naar de Minakust ge-bracht. Het meeste is aangekocht door de Portugese feitor in Vlaanderen. Tegen het einde van de regeringsperiode van João III verschijnen er voorwerpen van ijzer aan de Minakust. De oorzaak daarvan is dat er geen koper of messing naar São Jorge wordt gezonden. Wegens de hevige concurrentie in Noord-Europa zijn de marges daarvan te sterk gedaald. De Duitse leveranciers accep-teren nog slechts goud en zilver en willen hun koper niet meer kwijt tegen specerijen. Als het contract met Erasmus Schetz in 1547 afloopt, wordt het niet vernieuwd. João Rebelo, de Portugese feitor in Antwerpen, weet nog wel een driejaarscontract voor de levering van manilhas en koperen vaten af te sluiten, maar vanaf 1550 bieden de Portugezen geen koper en messing meer aan.

Om illegale inbreuken op het monopolie te voorkomen, is het de in het Fortaleza São Jorge da Mina werkzame functionarissen en gelegerde soldaten toegestaan, onder zeer stringente voorwaar-den (zie deel VI, pag. 63-64) nauwkeurig gelimiteerde hoeveel-heden goud verwerven. Sommige functionarissen overschrijden hun limiet. Zo’n geval doet zich voor in 1536 als functionarissen van São Jorge rapporteren dat twee van hun voorgangers ille-gaal verworven goud ter waarde van 18.000 en 20.000 cruzados begraven hebben, voordat zij naar Portugal zijn teruggekeerd. Eenmaal in Lissabon trachten zij in het geheim de hulp van anderen te verwerven om hun schat in handen te krijgen. Hun activiteiten worden aan de kroon gerapporteerd in een van de maandelijkse rapporten van São Jorge. De schuldigen worden gearresteerd en het goud wordt ontdekt. Gedurende de eerste twee decennia van João’s regering liggen de particuliere versche-pingen van goud naar de Casa da Moeda rond 8% van de ver-schepingen voor rekening van de koning. In Manuels tijd was dat ruim 14%. In absolute zin is de daling nog veel groter, omdat João’s ontvangsten zijn gedaald. Na 1540 loopt het particuliere aandeel in de goudhandel op tot 23%, maar in absolute zin doet zich geen stijging voor.

Vanaf het begin van de jaren dertig ergeren de activiteiten van Portugese zeevaarders die het monopolie van de koning op de goudhandel doorbreken zowel de vorst als de functionarissen in São Jorge meer en meer. De laatsten schatten dat bijna de helft van al het aan de Minakust verkregen goud illegaal verhandeld wordt. Het komt in handen van Portugese piraten die zich zonder koninklijke licentie met de goudhandel bezighouden. Het best gedocumenteerd is de illegale reis die António Roiz tussen 1545 en 1553 heeft gemaakt. Hij heeft tijdens reizen in voorafgaande jaren zoveel nuttige inlichtingen verzameld over de Carreira da Mina, dat hij zich in staat voelt zelf naar de Minakust te zeilen. Terug in Portugal gaan hij en een aantal familieleden in zee met de koopman Francisco de Andrade. Er zal een particuliere han-delsreis naar de Minakust gemaakt worden. Als de Roiz-Andrade-expeditie in 1545 aan deze kust aankomt, wordt ieder contact met de Portugese posten vermeden, maar ondanks deze voor-zorgsmaatregel is hun aanwezigheid door Afrikaanse informan-ten gemeld aan de capitão-geral in São Jorge. Deze zendt een sectie soldaten, die die handelaren ongeveer negen léguas van São Jorge verrast. De indringers worden gearresteerd en opge-sloten in fort São Jorge; de aanzienlijke hoeveelheid ruilwaar wordt geconfisqueerd. António Roiz, die zelf niet aan land was toen de soldaten zijn expeditie overvielen, vlucht met zijn schip naar São Tomé. Als hij verneemt dat er een koninklijk arrestatiebevel tegen hem is uitgevaardigd, vlucht hij naar de Kaapverdische eilanden, waar hij gevangen wordt gezet. Roiz weet opnieuw te ontsnappen en arriveerd met een hoeveelheid goud ter waarde van 7.000 of 8.000 cruzados in Portugal. Daar wordt hij opnieuw gearresteerd en voor zijn leven naar de galeien gezonden.

Portugals mare clausum aan de Minakust is in het tijdvak 1480-1540 onaangetast gebleven. Dit is minder te danken aan de Portugese verdediging, maar veeleer omdat de aandacht van eventuele mededingers naar andere zaken is uitgegaan. Spanjes belangstelling is meer gericht op de Nieuwe Wereld, voorzover keizer Karel V zijn hoofd niet bij Europese politieke ontwikkelingen heeft. Engeland en Frankrijk zijn beide verstrikt in diepgaande interne religieuze en politieke problemen. Ook missen deze landen de maritieme traditie en de nautische kennis om de Iberische suprematie op zee aan te tasten. Niettemin beginnen commer-ciële kringen in beide landen druk uit te oefenen op hun vorst reizen naar de Golf van Guinée toe te staan. De onbekendheid met de gevaren van de vaart op Guinée en het gebrek aan astronomische kennis maken de kans dat een Engels of Frans schip uit de Golf van Guinée terugkeert niet groter dan 50%. De Portugese kroon dikt de gevaren van reizen naar Guinée aan door het gerucht te verspreiden dat vreemde schepen door tegenwind en ongunstige stromingen niet naar Europa kunnen terugkeren.

4.1 De teloorgang van Portugals monopoliepositie.

Categorieën
Portugees kolonialisme

De terugtrekking. Portugal in de problemen in Marokko

Deel 8 Index

Hoofdstuk 3.

Portugal in de problemen in Marokko

3.2. De terugtrekking

Geschreven door Arnold van Wickeren

In 1539 voelt koning Moulay Ahmed van Fez zich kennelijk zozeer bedreigd door de Sa’di-sjarifen dat hij toenadering zoekt tot de koning van Portugal. In de zomer van 1539 verblijft zijn gezant, in de persoon van de joodse diplomaat Jacob Rute, in Lissabon, om João III te winnen voor een bondgenootschap met Fez tegen de steeds verder naar het noorden opdringende macht van de Sa’di-sjarifen. João stelt zich terughoudend op, omdat hij de Portugese betrokkenheid bij Marokko juist wil ver-minderen. Toch zendt hij Francisco Botelho als zijn gezant naar de sultan. Op 14 december 1539 arriveert deze in Fez. Hij zal gebruik kunnen maken van de diensten van de tolk Bastião de Vargas, de Portugese factor in Fez, die tot taak heeft granen, vooral tarwe, van de sultan, van Moulay Ibrahim en van andere caïds te kopen in jaren waarin Marokko graanoverschotten en Portugal graantekorten heeft. De export geschiedt via de havens La Mamora en Larache. Er zit weinig schot in de onderhandelin-gen, omdat het onderlinge wantrouwen groot is, terwijl Portugal resultaat wil boeken, omdat het land de Sa’di-sjarifen als een bedreiging ziet voor Agadir, Safi, Azamor en Mazagão. Terwijl Bastião de Vargas in Fez betrokken is bij de onderhandelingen tussen Francisco Botelho en sultan Moulay Ahmed, verneemt hij dat de capitães van Agadir en Azamor, Dom Gutierre de Monroy en António Leite, op eigen houtje streven naar een wapenstil-stand met de sjarifen. Vargas, die een goede persoonlijke relatie met de sultan onderhoudt, vraagt Leite rekening te houden met diens opvattingen. De betrekkingen tussen Lissabon en Fez worden tijdens de onderhandelingen in Fez op de proef gesteld door een oude kwestie, de varkensfokkerijen van vooral ‘nieuwe christenen’ bij Ceuta en Tanger. Het fokken van deze in de ogen van moslims onreine dieren vormt op zich al een ergernis in Fez, maar dat deze loslopende beesten de gewassen van moslim-boeren ruïneren, is de sultan helemaal een doorn in het oog. Als koning João III deze moeilijkheden verneemt, worden Azamor en Safi bedreigd door de sjarif van Marrakech. Als de sjarif de Oum er-Rebi overtrekt en de Gharb nadert, geeft Moulay Ahmed zijn troepen geen opdracht zijn verdere opmars te beletten; hij blijft rustig in zijn paleis, temidden van zijn harem. Het is Vargas duidelijk dat deze sultan, bondgenoot of niet, weinig zal onder-nemen om de Portugezen te helpen als Azamor of Safi zou worden aangevallen. Bovendien prediken marabouts de verzoe-ning tussen de sultan van Fez en de hem bedreigende sjarifen.

Voor Portugal verslechtert de toestand snel: in de winter van 1540-1541 wordt Agadir belegerd en worden Mazagão en Azamor bedreigd. Agadir valt 12 maart 1541, na een belegering van zes maanden, in handen van sjarif Mohammed ech-Cheikh van de Sous, de meest geduchte van de twee broers. Zijn troepen heb-ben het fort Santa Cruz do Cabo de Gué, vanaf een hoger gele-gen punt (Pic) met 50 stuks artillerie beschoten. Bij de beslis-sende aanval hebben maar weinig Portugezen zich kunnen redden, door zich vanaf de rotsen in zee te storten. Dit is op zich een ramp en tegelijkertijd een slag voor het Portugese prestige. Als Vargas de koning schrijft dat hij bij geruchte heeft vernomen dat sultan Moulay Ahmed in het geheim contact heeft met de sjarif, besluit João III een echte ambassadeur naar de sultan te zenden. Hij moet trachten een effectieve militaire alliantie met de sultan aan te gaan. Vargas ontraadt de koning sterk een gezant te zenden, omdat hij de sultan daarmee in zijn eigen land in een onmogelijke positie brengt. De sultan zal namelijk verweten wor-den dat hij met de een christelijke vorst samenspant tegen een andere moslimheerser. Hij beveelt aan een geheime onderhan-delaar te zenden die zich voordoet als koper van graan, of verkoper van specerijen. Vargas zelf komt niet in aanmerking voor een diplomatieke missie, omdat hij daarvoor niet de opleiding noch het aanzien heeft.

João III, die verwacht dat het tot een breuk zal komen tussen de sjarif van Marrakech en zijn broer Mohammed ech-Cheikh van de Sous, negeert Vargas’ advies en zendt juist de topdiplomaat Lourenço Pires de Távora, ambassadeur aan het hof van keizer Karel. Távora reist naar Arzila, dat hij 11 juli 1541 verlaat voor Tétouan, waar de Moulay Ahmed dan verblijft. Bij zijn eerste audiëntie bij de sultan treedt Jacob Rute als tolk op, omdat Vargas niet tijdig in Tétouan is gearriveerd. Távora stelt de sultan voor dat Portugal meer troepen naar Marokko zendt, die samen met het leger van Fez de opmars van de sjarifen trachten te beletten. De sultan wijst verschrikt een openlijk bondgenoot-schap met Portugal af; hij wil wel beloven bij een akkoord de Portugese vestingsteden van levensmiddelen te voorzien, ook al zijn de oogsten van de laatste jaren slecht. De tweede audiëntie vindt begin augustus plaats in de omgeving van Tanger. Távora, die weet dat João III van plan is enige steden in het zuiden van Marokko op te geven, wil de achterdocht van de sultan wegne-men met de concessie dat Portugal, als blijk van ’s lands eerlijke bedoelingen, bereid is Azamor aan hem over te dragen. De besprekingen mislukken weer, omdat Moulay Ahmed eist dat hem ook de Portugese artillerie in Azamor wordt gelaten. Távora legt hem uit dat dit onmogelijk is; het is christenen verboden wapens aan ‘ongelovigen’ te leveren. Bovendien is de nabijheid van Mazagão een voldoende garantie voor de veiligheid van Azamor. Ook al omdat de marabouts de sultan onder druk blij-ven zetten zich met de sjarif, zijn moslimbroeder, te verzoenen, schrijft Távora in zijn brief aan koning João III, gedateerd 6 september 1541, dat hij niet gelooft dat de koning van Fez en zijn raadgevers zich ooit met christenen zullen verbinden om de sjarif te bevechten.

In zijn brief van 11 november 1541 laat Vargas de koning uit Fez weten dat Moulay Ahmed op 6 november een brief van zijn zoon ontvangen heeft, waarin deze schrijft dat de Portugezen inmid-dels Safi en Azamor verlaten hebben. Op dit bericht zouden de sultan de tranen in de ogen gesprongen zijn. Teleurgesteld zou hij gezegd hebben dat Portugal met deze ontruiming de sjarif in de kaart speelt. Bij een bezoek van Távora en Vargas aan de sultan blijkt deze ook te zijn teleurgesteld dat de Portugezen beide steden niet volledig hebben verwoest. Eind november ver-laat ambassadeur Lourenço Pires de Távora Fez met stille trom, met een brief van de sultan voor koning João III, waarvan de inhoud niet bekend is De missie is mislukt omdat Moulay Ahmed wordt verscheurd door tegengestelde sentimenten; aan de ene kant zijn haat tegen en vrees voor de sjarif en aan de andere kant de natuurlijke aversie die hij als moslim heeft tegen christenen. De sultan is een rechtvaardig en intelligent man, maar een te zwakke en besluitenloze vorst om zich uit dit dilemma te bevrijden. Overigens zou een alliantie tussen Fez en Portugal weinig verschil hebben gemaakt, omdat het João III ten ene male ontbreekt aan voldoende geld en manschappen om de sultan doeltreffende hulp te kunnen bieden.

In januari 1541 schiet Madeira het belegerde Agadir (Santa Cruz do Cabo de Gué) opnieuw te hulp en wel met twee karvelen; een is uitgerust door de overheid en het andere is bevracht door Francisco Lomellim uit Machido. Uit de brief van Luís Gonçalves de Ataíde aan João III, gedateerd Funchal, 14 maart 1541, blijkt dat er ook later nog hulp aan Santa Cruz is geboden en wel op het moment dat het fort dreigt te vallen. De hulp is verleend door vier schepen, die biscuit, meel, timmerhout en kanonkogels heb-ben aangevoerd. De schepen zijn drie maanden bij Santa Cruz do Cabo de Gué gebleven en zeilen weg op dezelfde dag dat Luís Gonçalves de koning schrijft dat de plaats, na een beleg van vijf maanden door de troepen van sjarif Mohammed ech-Cheikh en ondanks hardnekkige verdediging, is gevallen Er is onder meer geschoten met kanonnen die geplaatst waren op de van kantelen voorziene parochiekerk in de citadel, toegewijd aan São Salvador. Ook de geestelijkheid heeft hieraan zijn bijdrage geleverd, zoals de franciscanen uit het klooster São Sebastião. Hierbij is de vicaris, Diogo Vaz, gesneuveld en een Spaanse dominicaan is later aan zijn verwondingen bezweken. João meldt het verlies aan paus Paulus III en ontvangt van hem een condoleantiebrief, alsmede toestemming de kerken te vernieti-gen in de plaatsen die hij gedwongen is op te geven.

De inlichtingen die sultan van Fez op 6 november van zijn zoon ontvangen heeft over de Portugese ontruiming van Azamor en Safi zijn juist. Azamor is wellicht ontruimd tussen 20 en 31 oktober 1541. João III schrijft Luís de Loureiro, die met de ontruiming van Azamor is belast, dat het hout, de dakpannen, het kruit, de munitie en de artillerie naar Mazagão moeten worden overgebracht. Dom Fernando de Noronha, capitão van Azamor, dient de vrouwen en kinderen vóór 10 oktober naar Mazagão te zenden, vanwaar zij zullen worden geëvacueerd naar Portugal. Een deel van de bevolking blijft achter in de prachtige plaats Mazagão. Desondanks ontwikkelt Mazagão zich ook na 1541 niet voorspoedig. Dit blijkt daaruit dat de verplaatsbare kapel die koning Manuel in 1514 naar Mazagão heeft laten brengen, nimmer is vervangen door een permanent godshuis. In Mazagão ergert men zich eraan dat, ofschoon Azamor bij het verlaten van de stad in brand is gestoken, zich daar toch moslims hebben gevestigd. Om aan deze gêante toestand een einde te maken, zou de capitão van Mazagão de stad Azamor in 1546 opnieuw veroverd hebben. Volgens sommi-ge historici slechts met het doel de stad te plunderen en daarna grondig te verwoesten, volgens andere auteurs om de stad tot 1549 in bezit te houden.

Safi is in mei 1541 nog op grote schaal bevoorraad. Francisco Botelho, Portugees feitor in Andalusië (1541-1547), zendt in de maand nog soldaten, munitie en levensmiddelen naar Safi. Maar dat ook Safi in oktober 1541 verlaten wordt, blijkt daaruit dat 25 oktober 1541 in Lagos een schip aankomt met liturgische gewaden en gewijde vaten van het in 1514 voor 50 monniken gebouwde franciscanerklooster Santa Catarina in Safi. Om ontheiliging door de moslims te voorkomen, hebben de vertrek-kende Portugezen hun heiligdommen in Safi en Azamor ver-woest. In Safi betreft dit, behalve het klooster Santa Catarina, de kathedraal en in Azamor gaat het om het in de voormalige moskee gevestigde klooster van de augustijnen. Deze orde is destijds door de eerste capitão, Rui Barreto, naar Azamor gehaald, omdat Sint Augustinus uit Marokko afkomstig is. Ook het klooster van de franciscanen in Safi, gewijd aan Nossa Senhora da Graça, wordt verwoest. Na de evacuatie van Safi en Azamor wordt het bisdom Safi samengevoegd met het bisdom Tanger. De ontruiming van Azamor en van het prachtige Safi, waarbij ook de Genuese kooplieden vertrekken, valt overigens samen met de nederlaag die Karel V lijdt bij de mis-lukte aanval op Algiers. Aan deze expeditie, waarbij vrijwel de gehele keizerlijke vloot van 500 schepen, met 24.000 opvaren-den door noodweer vernietigd wordt, is ook weer deelgenomen door Gonzalo Pérez Gallego. Hij heeft zich, evenmin als bij de expeditie van Karel V naar Tunis zes jaar eerder (1535) de kans laten ontnemen tegen de ongelovigen ten strijde te trek-ken. Overigens wordt het opgeven van Azamor en Safi door de publieke opinie in Portugal niet begrepen. De bevolking wil niet de consequenties aanvaarden van het feit dat het land de laatste decennia zwakker is geworden. In december 1541 infor-meert João III keizer Karel V over de ontruiming van Safi, dat sinds 1508 in Portugees bezit is, en Azamor, dat in 1513 veroverd is.

In 1547 wordt Mazagão bedreigd. De Portugezen vragen hulp aan Málaga, Jerez de la Frontera en Puerte de Santa Maria. Gelet op de traditie van Andalusische hulp aan de Portugezen in Marokko, behoeft dit beroep op Andalusische hulp niet te verbazen.

In juni 1549 maakt koning João III voor het eerst bekend dat hij Arzila wil ontruimen. Naast militaire en financiële redenen, bestaat daarvoor ook een economische reden. De kliffen voor de rede van Arzila worden hoe langer hoe meer gezien als een ongemak en een gevaar, inplaats van als een beschutting. De Genuese kooplieden hebben tussen 1523 en 1541 Arzila al verlaten, omdat de handel daar steeds meer vervalt. Zij zijn uitgeweken naar het opkomende Larache, een plaats met een gemakkelijk toegankelijke haven. De Portugese factor in Fez Bastião de Vargas schrijft koning João III 13 mei 1544 dat het koninkrijk Fez voortaan de gehele invoer via Larache laat lopen. In Larache arriveren in grote getale schepen uit Cádiz, die de vijf maanden van het jaar slecht bereikbare haven van Arzila mijden. De Portugezen verplaatsen hun factorij ook naar Larache. De Andalusiërs doen in 1546 een poging Larache in handen te krijgen. Het blijft bij een poging, waarbij hun aanvoerder of een van hun aanvoerders, de edelman Bartolomé Estupiñán, sneu-velt. De Andalusische aanval is wellicht ten dele ingegeven door vrees voor de eigen veiligheid nu de Portugezen hun militaire aanwezigheid in het noorden van Marokko willen verminderen.

Luís de Loureiro, iemand met een grote militaire reputatie, wordt belast met de taken in Andalusië manschappen te recruteren en voorraden te kopen voor de garnizoenen in Marokko en schepen te charteren voor de ontruiming van Arzila. Loureiro vertrekt eind juni 1549 uit Lissabon naar Puerto de Santa Maria. Hij koopt daar 400 botas wijn, 1.500 arrobas (27.500 kg.) olie, 3.000 quintais (300.000 kg.) biscuit, 1.000 dozijn vissen, knoflook, azijn en meer dan 2.000 lege botas, omdat deze zaken in Puerto de Santa Maria goedkoper zijn dan in Lissabon. Ook chartert hij in Puerto schepen voor de evacuatie van Arzila en. recruteert hij manschappen in Sevilla, Málaga, Granada en Cordoue.

In 1549 krijgen de inwoners van Cádiz er lucht van dat João III van plan is Arzila te ontruimen. De autoriteiten stellen een onder-zoek in dat hun vrees niet wegneemt. Zij schrijven Maxmiliaan en Maria van Oostenrijk om hen op het dreigende gevaar te wijzen; zij alarmeren keizer Karel V die zich in Duitsland bevindt. Hierbij dient te worden bedacht dat de gehele agglomeratie Cádiz, Puerto de Santa Maria en Jerez de la Frontera voor de ravitaillering van de Portugese troepen in Marokko van het grootste belang is, maar ook dat de vrees voor een Moorse herovering van het Iberisch schiereiland in de politiek van Karel V een dominante rol speelt.

Terwijl de gecharterde evacuatieschepen wachten op gunstig weer om uit te zeilen, arriveert Dom Pedro Mascarenhas, neef van de vroegere capitão van Arzila, Dom Manuel Mascarenhas, in Puerto de Santa Maria voor overleg over Arzila met Luís de Loureiro, naar aanleiding van een door hem ontvangen brief van Mulei Boaçum (Aboû Hassoûn), de meest vasberaden broer van de verslagen sultan Moulay Ahmed (Mulei Ahmede) van Fez, zich noemende ‘Rei de Beles’ naar de havenplaats Vélez of Beles ten noorden van Fez. In de brief, gedateerd: Málaga, 6 augustus 1549, vraagt Mulei Boaçum Arzila aan hem over te dragen. Dom Pedro en Luís de Loureiro besluiten gezamenlijk de evacuatie op te schorten, het verzoek aan koning João voor te leggen en diens beslissing af te wachten. De koning gelast 17 augustus de evacuatie van alle vrouwen, kinderen en andere non-combat-tanten. Zij verlaten Arzila, terwijl Luís de Loureiro en het garni-zoen ter plaatse blijven, in afwachting van de beslissing op het verzoek van de ‘Rei de Beles’ Als Dom Pedro Mascarenhas, op weg naar Málaga, op 28 augustus de Baai van Cádiz uitzeilt, ontmoet hij 23 schepen met evacuées uit Arzila. Na een maand onderhandelen ondertekent Dom Pedro op 27 september 1549 in Málaga een akkoord met Mulei Boaçum. Dit akkoord beoogt Arzila tegen de oprukkende sjarif te verdedigen door Portugal, Spanje en de vroegere sultan van Fez gezamenlijk. João III is bereid Arzila aan de ‘Rei de Beles’ over te dragen en de artil-lerie, met de noodzakelijke ammunitie, daar achter te laten. De koning wil ook 500 soldaten en 60 lanças in Arzila handhaven en zelfs nog 2.000 lanças, ter verdediging van Arzila, naar Tanger overbrengen. Mulei Boaçum zegt van zijn kant toe zijn zoon naar Arzila te zenden en zelf naar het hof van Karel V te reizen, om 1.000 lanças voor de verdediging van Arzila te verwerven. Deze afspraak betekent voor Portugal een enorme militaire inspan-ning, want de term lança wil zeggen een groep van minstens drie personen. João III is dus bereid circa 700 man in Arzila te handhaven en nog eens 6.000 man naar Tanger te zenden, om eventueel Arzila te hulp te komen. Dit zijn grote, maar geen buitensporige, aantallen, gelet op de militaire kracht van de sjarif. Overigens komen Spaanse bronnen op veel lagere aantallen uit. Zij spreken over 60, respectievelijk 2.000 caballeros en niet over lanzas.

In januari 1550 heeft koning João vernomen dat Karel V, die al zijn aandacht en middelen voor Duitsland nodig heeft, niet aan de verdediging van Arzila wil bijdragen. Hiermee is het hele project met de ‘Rei de Beles’ van de baan en de koning legt zich neer bij de totale en definitieve evacuatie van Arzila. In Cádiz, waar men bevroedt dat de ontruiming van Arzila aanstaande is, maken de burgers zich in 1550 opnieuw ongerust. Een nieuw ingesteld onderzoek brengt aan het licht dat Arzila in april al ondermijnd is. Capitão Luís de Loureira weigert in die maand koopmansgoederen in de stad op te slaan. Op 9 juni 1550 schrijft João III zijn ambassadeur aan het hof van Karel V, Lourenço Pires de Távora, de keizer en Mulei Boaçum, die in Brussel zijn, in te lichten over zijn besluit Arzila te ontruimen. De feitelijke ontruiming van het roemruchte Arzila, waarvoor zoveel bloed vergoten is, heeft plaats op 24 augustus 1550, 79 jaar na de verovering van de stad door koning Afonso V

Onder druk van de militaire kracht van de sjarif en de lege schatkist, laat de koning in juni 1550 de in aanbouw zijnde fortificaties op de Seinal, een strategische heuveltop bij Alcácer Ceguer (Al-Ksar al-Seghir), slopen en de stad, die sedert 1458 in Portugese handen is, te ontruimen. De Spaanse ambassadeur in Portugal, Lope Hurtado de Mendoza, stelt Karel V in zijn brief van 16 juni van de evacuatie op de hoogte.

Het valt te begrijpen dat het overlijden van de priester Fernando de Contreras alle hoop op bevrijding van de nog niet vrijgekochte slaven de bodem inslaat. Omdat Dom Afonso de Noronha, capitão van Ceuta, zich de wanhoop van de gevangenen aantrekt, maakt hij in mei 1548 van zijn bezoek aan Lissabon gebruik om koning João te verzoeken twee leden van de pas opgerichte Sociëteit van Jezus naar Marokko te zenden, ter vervanging van Contreras. Dom Afonso de Noronha is bereid de jezuïeten in Ceuta een huis ter beschikking te stellen, hen met geld te ondersteunen en zich in te zetten van de caïds van Tétouan en Marrakech de noodza-kelijke toestemming te verkrijgen om de twee jezuïeten hun taak te laten verrichten. Uit het voorgaande blijkt dat de gouverneur er veel aan gelegen is dat de activiteiten van Contreras een vervolg krijgen. Tenslotte worden drie jezuïeten naar Marokko gezonden: de priesters Luís Gonçalves da Câmara en João Nunes Barreto en de broeder Inácio Vogado. De laatste is een zichzelf wegcijferende toegewijde hulp, van wie weinig bekend is. De beide paters zijn, zoals hierna blijkt, ‘zwaargewichten.’

Luís Gonçalves da Câmara stamt uit een adellijke en invloedrijke familie op Madeira. Hij is opgeleid aan de Sorbonne (1535) en is een humanist van naam. Simão Rodrigues de Azevedo, de provinciaal-overste van de Orde der jezuïeten in Portugal, belast hem met de leiding van het jezuïeten-college van Coimbra. Na zijn missie naar Marokko zal Luís Gonçalves de biechtvader worden van João III en van de kroonprins. Hij zal worden belast met een missie naar Rome, waar hij de vertrouweling wordt van Ignatius van Loyola. Bij een tweede missie naar Rome zal hij de assistent worden van de tweede generaal-overste van de jezuïeten, Diogo Lainez. Terug in Portugal zal hij worden belast met zeer delicate diplomatieke opdrachten en is hij tot zijn overlijden in 1575 de huisonderwijzer en biechtvader van de jonge koning Sebastião. João Nunes Barreto is een adellijke figuur, die is opgeleid in Salamanca en die als seculier priester is toegetreden tot de Sociëteit van Jezus. Na zijn missie naar Tétouan zal João III Ignatius van Loyolo vragen Barreto als patriarch naar Ethiopië te zenden, een hoge functie die meer risico’s zal blijken in te houden dan dat deze voldoening zal schenken. Tot patriarch gewijd op 5 mei 1555, zal Barreto eind maart 1556 vertrekken. Hij zal in 1562 in Goa sterven, zonder ooit in Ethiopië te zijn geweest.

Ofschoon niemand kan weten welke belangrijke rollen João Nunes en Luís Gonçalves zullen spelen, staan de twee jezuïeten in 1548 al bekend om hun geleerdheid, hun voorname optreden en de adeldom van hun familie. Hun keuze voor de moeilijke missie naar Tétouan vergroot nog hun reputatie. Zij reizen half augustus via Sevilla, waar zij de zegen willen ontvangen van bisschop Sebastián de Obregón, naar Ceuta. Hier moeten zij een paar weken wachten op toestemming van de caïd van Tétouan, om naar die stad te kunnen doorreizen. Zij wijden zich in die tijd aan de zielzorg van de Portugezen in Ceuta en predi-ken in de kathedraal van Nossa Senhora d’Africa. Capitão Dom Afonso de Noronha treedt in onderhandeling met de caïd ten bate van de jezuïeten en hij zendt een enthousiaste brief over hun optreden aan de provinciaal-overste Simão Rodrigues de Azevedo. Op 12 november arriveren de jezuïeten in Tétouan, net op tijd om een doodzieke Franse priester de Laatste Sacra-menten te kunnen toedienen. Zij treffen in Tétouan ongeveer 300 tot slavernij veroordeelde christenen aan. Zij preken, horen biecht, gaan voor in het avondgebed, verzorgen de zieken, beuren de mannen op en treffen voorbereidingen hen los te kopen. Als Luís Gonçalves koorts gekregen heeft, naar eigen zeggen van het water, zendt Barreto hem terug naar Ceuta, om losgeld in te zamelen bij de Portugese burgers. Ondertussen tracht Barreto de gevangenen af te brengen van het kaartspelen, waarbij zij zelfs hun hemd verliezen, en hij geeft zich ook moeite degenen die onder druk hun geloof hebben verzaakt en moslim zijn geworden van de dwalingen huns weegs af te brengen. Bij een van bezoeken van Luís Gonçalves aan Tétouan, begin december, wordt de vrijlating van 100 slaven, de meesten van de caïd zelf, voorbereid. Barreto gaat discussies aan met de vele joden in Tétouan, wat de islamitische omstanders vermakelijk vinden. Barreto discussieert zelfs vol vuur in een volle synagoge en dreigt de joden met hel en verdoemenis als zij niet aanvaar-den dat Christus de Messias is. Hij weet kennelijk een belang-rijke rabbijn te overtuigen, want de man zegt hem te willen uitwij-ken naar Ceuta. Begin 1549 vertrekt Luís Gonçalves via Ceuta naar Portugal, zonder in Al-Ksar al-Kabir (Alcácer Quibir), waar 120 tot 150 gevangen christenen zouden zijn, maar te zijn geweest. Hij zamelt in Portugal in korte tijd 10.000 cruzados en kleding in voor de gevangenen in Marokko, totdat hij naar het hof wordt geroepen. João Nunes Barreto blijft tot 1554 in Marokko en Inácio Vogado zelfs tot 1559.

Barreto laat in een brief, gedateerd 18 oktober 1549, weten dat Xerife Mohammed ech-Cheikh, nadat hij eind januari van dat jaar Fez veroverd heeft, zijn macht daar definitief gevestigd heeft. De toestand in de stad is zeer onrustig geweest omdat, door het verbreken van de handelsbetrekkingen met Spanje en Portugal, Europese artikelen (vooral stoffen) erg schaars en duur waren geworden. Daarom heeft de sultan half augustus de invoer van deze artikelen, via de havens van Tétouan, Salé, Larache en Vélez, hervat. Barreto zelf heeft het zeer zwaar; hij is een tijd ernstig ziek geweest en het aantal gevangen christenen, loopt, ondanks dat vele zijn vrijgekocht, nog steeds op. Het gaat niet alleen om soldaten van de garnizoenen van Alácer Ceguer en Tanger, maar ook om op zee gemaakte gevangenen en om mensen die bij raids op de kusten van Andalusië in handen van de moslims zijn gevallen. Het is voor de jezuïeten een grote teleurstelling dat vele christenen tot de islam overgaan, om hun lot te verzachten. Barreto laat ook weten dat hij weerstand heeft geboden aan een verzoek van capitão Dom Afonso de Noronha terug te keren naar Ceuta, omdat de aanwezigheid van jezuïeten in Tétouan noodzakelijk is. Zij beperken zich niet tot pogingen de vele afvalligen op andere gedachten te brengen, de slaven op te beuren en hen de biecht af te nemen en de zieken te verzorgen. Dankzij de fondsen die zijn medebroeder Luís Gonçalves hem doet toekomen, kan Barreto ook velen vrijkopen. Hij geeft daarbij de voorkeur aan vrouwen en kinderen, om hen te behoeden voor de harem, ontucht en geloofsafval. Barreto voert ook twistge-sprekken met de moslims over de absurditeit van hun voorstel-ling van het Paradijs. De brief besluit met enige zeer interessante gegevens over de toestand in Marokko.

Barreto laat weten dat de sjarif grote rijkdommen verzamelt. Op Palmzondag heeft hij zes wagens, gevuld met goud en zilver ontvangen, die zo zwaar waren dat acht grote stieren en vijftig man nodig waren om ze te trekken. Er moest zelfs een stuk van een stadspoort worden weggebroken om de wagens doorgang te verlenen. Zijn triomf, weelde en leeftijd (hij moet 84 jaar zijn) hebben de sjarif niet minder despotisch, wreed en hebzuchtig gemaakt. Mensen worden voor een kleinigheid gevangengezet, gegeseld en zelfs onthoofd. De sjarif verbiedt vrouwen uit te gaan, behalve oude vrouwen. Hij perst kleine luiden bijdragen en belastingen af en wordt algemeen gehaat. Als de koning van Portugal een sterk leger tegen hem in het veld zou brengen, zou het hele land in opstand komen en zich daarachter scharen. Men moet God bidden dat de koning hiertoe zal besluiten. Hij zal zich meester kunnen maken van het gehele land, dat rijker is dan Indië. De zandvlakten van de Sous zijn gevuld met goud. Het land is vruchtbaar, met zijn wijn- en olijfgaarden en zijn tarwe-velden. Alleen al de omgeving van Tanger is in staat heel Portugal te voeden en in Vélez is ijzer en hout in overvloed. Als de koning van Portugal het land niet verovert, zal de sjarif galeien bouwen, om de kusten van de Algarve en Andalusië te brandschatten.

Het laatste deel van de brief van Barreto moet met een grote korrel zout genomen worden. Natuurlijk wordt de sjarif gehaat door de voormalige machthebbers en ambtenaren van het oude regiem en het volk zal best gebukt gaan onder zijn despotisme. Maar dit wil nog niet zeggen dat het volk massaal de zijde zou kiezen van een christelijke vorst tegen hun moslimheerser. De jezuïeten schijnen niet te begrijpen dat de tijden van de Kruis-tochten definitief voorbij zijn. Ook de rijkdom van Marokko, een Portugese mythe die al minstens 150 jaar oud is, wordt sterk overdreven. Toch zullen gedachten als verwoord door Barreto in Portugal een rijke voedingsbodem vinden en indirect leiden tot het enorme militaire echec in Marokko van João’s opvolger, koning Sebastião in 1578.

De goudhandel aan de Minakust. 4.0 Afnemende goudopbrengsten.

Categorieën
Portugees kolonialisme

Handhaving van de status quo. Portugal in de problemen in Marokko

Deel 8 Index

Hoofdstuk 3.

Portugal in de problemen in Marokko

3.1. Handhaving van de status quo

Geschreven door Arnold van Wickeren

Een van de grootste problemen waarvoor Portugal zich met betrekking tot Marokko geplaatst ziet, is de voortdurende bevoor-rading van de garnizoenen. Niet alleen met wapens, maar ook met voedsel. Als er in een gebied tijdelijk vrede heerst, zijn de moslims meestal wel genegen de Portugese garnizoenen van voedsel te voorzien, maar nu deze zijn teruggedrongen tot achter de stadsmuren moet alles wat het garnizoen en de burgerbevol-king nodig hebben, niet alleen versterkingen, wapens en munitie, maar ook bouwmaterialen en levensmiddelen, zoals tarwe, meel en biscuit, over zee worden aangevoerd. Het meeste komt vanzelfsprekend uit Portugal zelf, maar daarnaast worden de Portugese steden in Marokko bevoorraad vanuit Andalusië, omdat de Portugese militaire aanwezigheid in Marokko voor Spanje de beste garantie is tegen een onverhoedse Moorse invasie op de Spaanse zuidkust. Soms doen kooplieden uit Andalusië rechtstreeks zaken met de Portugezen in Marokko en andere keren is het de Portugese factor in Andalusië die voorraden inkoopt en verzendt, of die zelfs soldaten voor de garnizoenen in Marokko aanwerft. In 1516 heeft de eerste Portugese factor in Andalusië, Nuno Ribeiro (1509-1516) het belegerde Arzila al bevoorraad. Verschillende van een hele reeks opvolgers, van wie Manuel Cirne (1532-1537) ten tijde van João III de bekenste is, volgen zijn voorbeeld. Francisco Botelho, feitor van 1541 tot 1547, zendt in mei 1541 soldaten, munitie en levensmiddelen naar Safi. Tenslotte ontvangen de Portugese garnizoenen aan de Atlantische kust van Marokko hulp van de Azoren, maar vooral van Madeira. Dit is vooral het geval tijdens belegeringen. Anders dan bij de bevoorrading vanuit Andalusië, waarbij sprake is van welbegrepen eigenbelang, spelen bij de hulp die de eilanden bieden patriottische gevoelens een rol. Dit blijkt duidelijk uit het optreden van Simão Gonçalves da Câmara, die zijn vader João Gonçalves da Câmara als capitão van Madeira is opgevolgd. Hij treedt in de voetsporen van zijn vader, die in 1489 een hulpexpeditie heeft georganiseerd en geleid, voor het in nood verkerende fort Graciosa bij Larache (zie deel III pag. 48). Kenmerkend voor de houding van Simão Gonçalves is het volgende voorval uit koning Manuels tijd. Toen de vorst in 1516 een corregador naar Funchal had gezonden, vreesde Simão Gonçalves dat deze pottekijker een bedreiging zou zijn voor zijn inkomsten. Hij besloot bij wijze van protest zich in Spanje te vestigen. Onderweg vernam hij dat Arzila aan belegering blootstond en dringend versterkingen behoefde. Hij heeft toen zijn reis onderbroken, om op eigen kosten 700 man te recruteren en naar Arzila te brengen. Toen deze versterking het tij had doen keren en de situatie zich genormaliseerd had, heeft Gonçalves zijn reis naar Sevilla voortgezet. Toen koning Manuel van zijn verblijf in Sevilla had vernomen, heeft hij ‘o Magnífico, zoals de erenaam van Simão Gonçalves da Câmara luidt, bewogen weer in Portugese dienst terug te keren.

Naast de economische hulp die Madeira en de Azoren aan de Portugese steden in Marokko leveren, is hun militaire hulp aanzienlijk. Tussen 1506 en 1541 wordt niet minder dan twaalf maal hulp verleend. De eerste keer dat er in de 16e eeuw sprake is van hulpverlening door een van de Atlantisch eilanden aan de Portugezen in Marokko, is in 1506 bij de bouw van het Castelo Real in Mogador. De bouwer, Diogo de Azambuja, betrekt al zijn bouwmaterialen van Madeira. In de twee jaren daarop ontvangt hij van dat eiland: wijn, azijn, olie, tarwe, hout, zilver en een boot. Maar vanzelfsprekend beperkt de hulp van Madeira zich niet alleen tot Mogador; als Diogo de Azambuja zich 13 december 1507 in Safi bevindt, ontvangt hij grote hoeveelheden hout van Madeira. In de zomer van 1507 zendt Simão Gonçalves da Câmara 300 man ter versterking naar het Castelo Real in Mogador. In hetzelfde jaar schiet hij ook Safi te hulp. Op verzoek van Diogo de Azambuja zendt hij 300 man, die hij binnen drie dagen op Madeira heeft gerecruteerd, naar Safi. Hij gaat in 1508 zelf met 13 schepen, 900 man en grote ravitaillering naar Safi, waar hij drie maanden blijft. In de jaren 1508-1511 voorziet een inwoner van Madeira, Rodrigo Marques, Safi van 146 moios, dat is ruim 1.200 hectoliter, tarwe.

In 1508 wordt Arzila danig door de moslims in het nauw gebracht. De capitão, Dom João Coutinho, graaf van Redondo heeft het fort al moeten prijsgeven en heeft zich met de rest van zijn troepen verschanst in de citadel, als plotseling hulp komt opdagen in de vorm van het eskader onder bevel van Dom João de Menesses, capitão van Azamor, dat de stad ontzet. In 1509 heeft Arzila opnieuw bijstand nodig. Nu is het Pero Anes do Canto, een fidalgo van de Azoren die, op weg naar Ceuta, hulp biedt met een schip en een grote groep manschappen. Hij vervolgt daarna zijn reis en verblijft van 1 december 1509 tot 15 mei 1510 in Ceuta. In 1510 versterkt Rui Gonçalves da Câmara van São Miguel in de Azoren het garnizoen van Arzila; met 40 ruiters, 50 boog-schutters en met een aantal infanteristen, die hij heeft aan-gevoerd vanuit Tanger. De inwoners van Madeira bieden hulp aan het belegerde Safi; hulptroepen, aangevoerd door Manuel de Noronha, broer van capitão Simão Gonçalves da Câmara, arriveren vanaf december 1510 verschillende keren aan het einde van de maand. Bij elkaar gaat het om 2.000 man.

Begin 1511 verschijnt niet, zoals te doen gebruikelijk, de caïd van Chechaouen ‘Ali ber-Rached met een leger voor Arzila, maar diens 20-jarige zoon Moulay Ibrahim. Hij vervangt zijn zieke vader en is vergezeld van van zijn zwager, El-Mandari, de caïd van Tétouan en Targa. Moulay Ibrahim zal, blijkens de kroniek Anais de Arzila van Bernardo Rodrigues, uitgroeien tot Portugals favoriete tegenstander in Marokko, reden waarom bij hem wordt stilgestaan.

Moulay Ibrahim is de zoon van een Spaanse moeder, wier vader, wegens het liberale klimaat, naar Marokko is uitgeweken en moslim is geworden. Zijn vader is caïd van Chechaouen. Moulay Ibrahim, die van het goede leven houdt, zal uitgroeien tot een grote voluptueuze man, die gek is op luxe, rijkdom, elegante kleding wijn en vrouwen. Hij laat zich bedienen door mooie jonge slavinnen en aarzelt niet voor een jonge vrouw die hem bevalt de benodigde goudstukken neer te tellen. Hij staat erop een zekere Fatima terug te kopen. Zij is door de Portugezen gevangengenomen, heeft zich tot het christendom laten bekeren en blijft 28 jaar kamenierster van de gravin van Borba, de vrouw van Dom Vasco Coutinho, die in die tijd capitão van Arzila is. Moulay Ibrahim, die vloeiend Spaans spreekt, is een hoffelijk en genereus man, die de door hem gevangengenomen Portugezen altijd met grote voorkomendheid behandelt. Hij laat hen gemakkelijk vrij, soms tegen losgeld, een andere keer is hij bereid meerdere Portugezen vrij te laten tegen een enkele moslim, terwijl andere Moorse bevelhebbers vaak het tegenover gestelde doen. Hij betaalt niet minder dan 50 cruzados voor Amelix, de weduwe van een fameuze aanvoerder van de Farrobo. Soms laat hij krijgsgevangenen vrij zonder enige tegenprestatie en menigmaal geeft hij hun fraaie afscheidsgeschenken. De smid van Arzila, Álvares Dias, die epilepsie voorwendt, herkrijgt zijn vrijheid op voorwaarde dat hij zijn vakkennis overdraagt op een moslim. Als Moulay Ibrahim zijn vijanden verliezen heeft toegebracht, zendt hij de capitão een condoleancebrief en laat deze vergezeld gaan van een aantal vrijgelaten gevangenen. De capitão van Arzila neemt deze gewoonte over. Als Moulay Ibrahim in 1523 Arzila aanvalt, zendt hij capitão Dom João Coutinho, graaf van Redondo, eerst zijn complimenten en hij schenkt hem een keer een prachtig paard. Zulk een geste, die in 1528 wordt herhaald, vindt navolging, zodat beide bevelhebbers elkaar in de loop der jaren een stroom van cadeaus doen toekomen. Als Moulay Ibrahim in 1530 ziek is, vraagt hij aan Dom João Coutinho, capitão van Arzila, hem de arts Duarte Rodrigues, de broer van de kroniekschrijver, te zenden, omdat hij weinig vertrouwen heeft in de Marokkaanse geneesheren. In 1532 vraagt hij weer om Duarte Rodrigues, nu voor zijn vrouw Lalla Aïcha, de zuster van sultan Moulay Ahmed el-Wattasi (1526-1549) van Fez. Als een Portugees in overspannen toestand, bijvoorbeeld na een huiselijke twist, zich bij Moulay Ibrahim meldt met het verhaal dat hij moslim wil worden, is deze zo ridderlijk de betrokkene te bewegen naar zijn vrouw en kinderen terug te keren, zoals de fidalgo Rui de Melo in 1532 ondervindt.

In 1513 neemt João Gonçalves da Câmara, zoon van capitão Simão Gonçalves da Câmara, met 21 schepen, 600 infanteris-ten en 200 cavaleristen deel aan de verovering van Azamor. Hij verblijft 14 maanden in Azamor en neemt deel aan verschillende operaties. In 1514 bevindt zich een hulpmacht van 200 boog-schutters van Madeira in Safi, onder overigens onbekende omstandigheden. In 1516 begeeft Simão Gonçalves da Câmara zich naar het belegerde Arzila. Hij neemt 700 vermoedelijk in Portugal gerecruteerde manschappen en veel voorraden mee, terwijl in datzelfde jaar de eerste Portugese factor in Andalusië, Nuno Ribeiro (1509-1516) het belegerde Arzila bevoorraadt. In 1517 zendt Madeira een schip met tarwe naar Azamor, maar het schip wordt gelost in Mazagão.

In 1517 wordt Tanger aangevallen door de koning van Fez, Mohammed el-Bortoukali. Ook Moulay Ibrahim is deel van de partij. Bij deze aanvallen lijden de Portugezen enige gevoelige verliezen. In 1518 verjagen de Portugezen met een furieuze aanval de oom van Moulay Ibrahim, Martinho Elche, uit de Farrobo-streek. Moulay Ibrahim komt zijn oom te hulp; hij lokt een aantal Portugezen in een hinderlaag ten noorden van Arzila. Zestien man, onder wie adail Fernão Galego, vinden de dood, de zwager van capitão Dom António Mascarenhas en vier met-gezellen worden gevangengenomen en de Farrobo wordt heroverd.

Arzila staat in de jaren 1519, 1520 en 1522 bloot aan aanvallen van de koning van Fez, Mohammed el-Bortoukali, waaraan ook Moulay Ibrahim deelneemt. In 1523 verschijnt Moulay Ibrahim alleen voor de muren van Arzila met 500 man uit Chechaouen, Tétouan en Targa, van welke plaatsen hij caïd is. Tijdens een van de velttochten die Moulay Ibrahim in 1524, tezamen met de sultan van Fez, tegen Arzila onderneemt, valt een morisco, een tot het christendom overgegane moslim, in handen van zijn vroegere geloofsgenoten. Op verzoek van de graaf van Borba, capitão van Arzila, spant Moulay Ibrahim zich in het leven van de afvallige, João Vaz, te sparen. De sultan is echter onver-murfbaar en laat João Vaz levend op de brandstapel werpen. Moulay Ibrahim begeeft zich dan aan het hoofd van 1.000 ruiters naar Arzila; hij rijdt, schitterend uitgedost en omringd door ruiters met de oorlogsbanieren, naar de stadsmuur en verlangt de graaf te spreken. Borba begeeft zich zonder te aarzelen buiten de muren en beide bevelhebbers voeren een vriendschappelijk gesprek. De gravin laat een aantal pages lekkernijen en verversingen aan het tweetal en hun entourage aanbieden. Zij worden door Moulay Ibrahim beloond met vijf cruzados voor ieder van hen. Kort na deze uitzonderlijke gebeurtenis, laat Moulay Ibrahim de graaf van Borba weten dat de autoriteiten in Fez het belegerde Arzila van dichtbij willen bekijken. Omringd door een menigte nieuwsgierige inwoners loopt het hoge Moorse bezoek dicht onder de muren rond de stad, natuurlijk zonder dat er een schot wordt gelost. De vreed-zame ontmoeting tussen beide bevelhebbers brengt geen verandering te weeg in de voortdurende aanvallen van de moslims op Arzila. Moulay Ibrahim speelt ook een grote rol in de politiek van zijn land. Na het overlijden van sultan Mohammed el-Bortoukali is hij opgevolgd door zijn broer Aboû Hasoûn, terwijl het de bedoeling is dat Moulay Ahmed, de zoon van de sultan, pas de troon zal bestijgen na het overlijden van zijn oom. Moulay Ibrahim trekt in 1526 aan het hoofd van 2.000 ruiters naar Fez, werpt sultan Aboû Hasoûn in het gevang en doet zijn vriend Moulay Ahmed de troon bestijgen. In de jaren 1526-1528 trekt Moulay Ibrahim minstens eenmaal per jaar tegen Arzila op. Als de stad niet belegerd wordt, vormt Arzila de uitvalsbasis voor Portugese aanvallen op Moors gebied, waarbij zij soms steun krijgen van edelen uit Andalusië die gaarne tegen de ongelovigen strijden. Een voorbeeld hiervan is de schatrijke edelman en vechtersbaas Gonzalo Pérez Gallego uit Jerez de la Frontera. Hij neemt in 1526 deel aan de gevechten van de Portugezen van Arzila tegen de caïd van Al-Ksar al-Kabir (Alcácer Quibir). Hij zal nog menigmaal van de partij zijn.

Arzila is in deze jaren niet de enige stad die zich tegen aanvallen moet verdedigen. In 1527 vindt Madeira aanleiding om 41 man uit Funchal ter versterking naar Santa Cruz do Cabo de Gué, te zenden. In april 1529 vergezelt Moulay Ibrahim sultan Moulay Ahmed (Mulei Ahmede) el-Wattasi (1526-1549) bij diens aanvallen op Tanger en Arzila. Bij die gelegenheid worden de op de velden rond Arzila staande gewassen verwoest. Deze wandaad lokt zulke wrede repres-sailles op Moorse inwoners van dorpen in de buurt van Arzila uit. Dat er een akkoord wordt gesloten dat voortaan de gewas-sen zullen worden gespaard. Dit akkoord houdt stand tot 1549, als het koninkrijk Fez in handen valt van de Sa’di-sjarif Mohammed ech-Cheikh. Nog vier achtereenvolgende jaren, dus tot en met 1533, jaren levert Moulay Ibrahim rond Tanger en Arzila slag met de Portugezen, met wie hij overigens ook zaken doet. Uit een brief van de Portugese factor in Fez, Bastão de Vargas, aan João III blijkt dat Moulay Ibrahim grote hoeveelheden tarwe aan de Portugezen verkoopt voor specerijen en andere producten, zoals schellak.

Als in 1530 in Andalusië bekend wordt dat de broer van de koning van Portugal, Dom Luís, met versterkingen naar Arzila zal gaan, wil de aristocratie van Jerez de la Frontera, Gonzalo Pérez Gallego voorop, ook van de partij zijn. Wanneer de Portugezen uit Tanger en Arzila in 1531 weer eens een expeditie voorbereiden tegen Al-Ksar al-Kabir (Alcácer Quibir), biedt Gallego opnieuw zijn diensten aan. Hij belooft bovendien 400 à 500 man voetvolk en 200 ruiters op zijn eigen kosten mee te brengen. Aan het begin van het nieuwe decennium is niet alleen in het noorden van Marokko de strijd in alle hevigheid ontbrand, maar capitão Simão Gonçalves da Costa van Santa Cruz moet een dringend beroep om hulp doen op Madeira. Het gevolg is dat Simão de Miranda (zie deel III, pp. 181, 193, 216 en 218) in 1531 met een groep vechtersbazen, die betaald zijn door de gemeenteraad van Funchal, Santa Cruz komt versterken.

In het noorden van Marokko wordt Portugal militair ondersteund vanuit Andalusië, maar Portugal verdenkt Andalusische kooplie-den ervan oorlogstuig te verkopen aan de moslims in de Sous. In 1532 ontkennen Spaanse handelaren uit Jerez de la Frontera opnieuw door João III aan Karel V geuite beschuldiging dat zij wapens, koper, ijzer, salpeter en zwavel exporteren naar Tarkoukou en daar aan de Moren verkopen. Capitão Simão Gonçalves da Costa van Agadir, die de bron is van deze beschuldiging, moet zich hebben vergist, want al deze zaken zijn goedkoper te verwerven in Tarkoukou dan in Andalusië. Damião de Góis bevestigt de leverantie van wapens, terwijl Tarkoukou een centrum is van agitatie tegen de Portugezen in Agadir. De Portugezen, die grote moeite hebben de groeiende invloed van de Sa’di-sjarifen te weerstaan, kunnen natuurlijk niet toestaan dat zich vlak voor de poorten van Agadir een centrum van verzet en vijandschap ontwikkelt. Waarop de rivaliteit kan uitdraaien, blijkt in 1549, aan de vooravond van de opschorting van de handel in Agadir. In Puerto de Santa Maria arriveert een schip uit Agadir, dat acht jaar daarvoor op de Portugezen is buitge-maakt. Van het grootste handelscentrum in de Sous, de haven-stad Massa, waar de Portugezen al in de vorige eeuw een factorij hebben gesticht en waar zich ook vele Castiliaanse en Genuese handelaren hebben gevestigd, is niets bekend over rivaliteit tussen Portugezen en andere Europeanen, zoals in Manuels tijd. De commerciële rivaliteit tussen de Portugezen en Castiliaanse kooplieden uit Andalusië in Zuid-Marokko verhin-dert niet dat Spanjaarden de Portugezen niet alleen defensieve hulp geven, maar ook dat Spanjaarden van de Canarische eilanden deelnemen aan strooptochten en razzia’s van de Portugezen van Agadir.

In 1532 vindt João III de militaire uitgaven voor de verdediging van de Portugese steden in Marokko een ondraaglijke finan-ciële last worden. Hij klaagt over ‘de hoge kosten voor de verdediging van deze plaatsen door fidalgos-cavaleiros en ge-wapende manschappen….die daar voortdurend in oorlog zijn.’ De voorspelling van Dom Pedro, een broer van Dom Henrique o Navegador, dat Ceuta een bodemloze put (sumidouro) zal blijken te zijn, is dus volledig bewaarheid. João vraagt paus Clemens VII in 1533 toestemming enige plaatsen op te geven en de christelijke kerken daar te vernietigen, om te voorkomen dat zij in handen vallen van de ongelovigen. Het betreft vooral het kleine en slecht te verdedigen Alcácer Ceguer (Al-Ksar es Seghir), omdat bij de verdediging daarvan vele Portugezen in het sterk geaccidenteerde terrein rond de stad sneuvelen. Ook in Zuid-Marokko komen de Portugezen steeds meer onder druk. Dit inspireert Madeira in 1533 tot een omvangrijke hulpexpeditie voor Santa Cruz do Cabo de Gué, wederom onder bevel van Simão Gonçalves da Câmara Hij zeilt met zes schepen en 600 man naar Santa Cruz en neemt het commando van het fort op zich, omdat deze functie vacant is na het over-lijden van capitão Simão Gonçalves da Costa. Hij blijft ongeveer twee maanden, laat uit Madeira een karveel met kalk komen en laat zijn oom Rui Dias de Aguiar als capitão in Santa Cruz achter. In het jaar daarop (1534) wordt ook Safi weer belegerd; ravitaillering van het garnizoen vindt plaats vanuit Puerto de Santa Maria. Zoals al eerder is opgemerkt is de voortdurende strijd in Marokko een kostbare zaak. In 1534 legt João III de Senado da Câmara van Lissabon een overzicht van zijn finan-ciële positie voor, opdat ‘u duidelijk de slechte situatie, die u aan niemand mag onthullen, kunt zien.’

In 1535 verschijnt in Marokko de Spaanse priester Fernando de Contreras, die zich het lot van de vele door de moslims gevangengenomen en tot slaven gemaakte christenen aantrekt. Alvorens zijn aktiviteiten te bespreken zal aandacht gegeven worden aan zijn persoon.

Fernando de Contreras, een seculiere priester, over wiens leven en werken zeer veel is gepubliceerd. Hij heeft in 1532, toen hij de voor die tijd respectabele leeftijd van 60 jaar reeds gepasseerd was, zijn eerste reis naar Noord-Afrika ondernomen. Hij bezoekt bij die gelegenheid Algiers, waar hij veel gevangenen verwacht, omdat de Peñón van deze stad admiraal don Rodrigo de Portudonde (zie deel III, pag. 72-73) in 1529 een zware nederlaag heeft toegebracht. Daarna heeft Contreras in de jaren 1533-1547 nog achtmaal Noord-Afrika bezocht, met geen ander doel dan door de moslims tot slaven gemaakte christenen vrij te kopen. Wat heeft de priester bewogen om eerst op zijn oude dag zulk een ondankbare, zware en gevaarlijke taak op zich te nemen. Contreras is een ingetogen en vroom priester, maar ook een musicus en een geleerde en hij bezit een licentiaat in de theologie van de Universiteit van Alcalá. Zijn reputatie is al gevestigd als hij in 1518 geroepen wordt de functie van ‘aalmoezenier’ te vervullen bij Doña Teresa Enriquez, sinds 1503 weduwe van de Grootcommandeur van de Leonese tak van de Orde van Santiago, don Gutierre de Cárdenas, die haar inmense fortuin aanwendt voor werken van barmhartigheid en devotie. Doña Teresa, die haar man heeft bijgestaan tijdens de oorlog van Castilië tegen Granada, heeft in 1487 de inname van Málaga door de Reyes Católicos meegemaakt. Zij is toen getuige geweest van de aangrijpende bevrijding van christenslaven. Vanaf dat moment heeft zij zich actief ingezet voor de bevrijding van christenslaven uit handen van de moslims. Zij heeft Contreras gevraagd voor dit doel naar Noord-Afrika te gaan. Eerst drie jaar na haar overlijden in 1529 onderneemt Contreras zijn eerste reis, die hem naar Algiers brengt. Nadat hij in 1533 weer naar Algiers is gegaan en in 1534 in Tunis is geweest, komt hij in 1535 voor het eerst naar Marokko. Mogelijk is hij door zijn zeer goede vriend Sebastián de Obregon, bisschop van Marokko zetelend in Sevilla, die de activiteiten van Contreras tot aan zijn overlijden ondersteunt, erop geattendeerd dat de christelijke slaven in Marokko, na het vertrek van de Italiaanse franciscanen, aan hun lot zijn overgelaten en het zonder troost en bijstand van de kerk moeten stellen. De franciscanen zijn genoopt uit Marokko te vertrekken, na aantijgingen van moslimzijde, die André de Spoleto ervan betichten in de jaren 1531-1532 anti-islamitische propaganda te hebben bedreven.

In de jaren 1539-1546 onderneemt Contreras via Ceuta vele reizen naar Tétouan, een plaats waar veel christenslaven ver-blijven. Zijn missie heeft succes. In 1541 begeleidt hij vrijgekochte slaven naar Gibraltar en in 1542 koopt hij maar liefst 340 gevan-genen vrij in Tétouan. Omdat Contreras daarbij zijn financiële middelen heeft overschreden, dient hij achter te blijven in Tétouan, totdat een bevriend Spaans zakenman, Juan de Herrera, hem vrijkoopt door zijn schulden te betalen. Contreras gaat nog een paar jaren door met het vrijkopen van gevangenen in Marokko, maar keert na 1546 niet meer terug. De laatste reis die hij voor zijn overlijden op 75-jarige leeftijd maakt, voert hem in 1547 weer naar Algiers.

Moulay Ibrahim treedt ook op als diplomaat. Als in 1531 de dreiging van de beide Sa’di-sjarifs toeneemt, wordt hij belast met een diplomatieke missie naar Marrakech, om het gevaar voorlopig te keren. Moulay Ibrahim zoekt toenadering tot de Portugezen, om zijn handen vrij te hebben tegen de sjarifen. In een in het Portugees gestelde brief, gedateerd 9 augustus 1536, die is bezorgd door de jood Jacob Rute, deelt hij Dom João Coutinho, graaf van Redondo en capitão van Arzila, mee dat sultan Moulay Ahmed el-Wattasi op 24 juli van dat jaar bij Oued el-Abid een nederlaag heeft geleden tegen de troepen van de sjarifen. Hij wijdt deze nederlaag, waarvan hij getuige is geweest, aan de desertie van de Khlot. Moulay Ibrahim laat weten vrede met de Portugezen te willen sluiten, om het gevaar uit het zuiden te keren. De koning van Fez voelt zich zozeer bedreigd door de toenemende macht van de sjarifen, dat hij João III zijn hulp aanbiedt bij een eventuele verovering van Tarkoukou. Na lange vredesonderhandelingen wordt tenslotte op 8 mei 1538 tussen de vorsten van Fez en Portugal een vredesverdrag gesloten dat elf jaar zal standhouden. Nauwe-lijks een jaar later sterft Moulay Ibrahim vredig in Fez.

Aan het einde van de jaren dertig spelen de Azoren weer een grote rol in de bevoorrading van de Portugese plaatsen in Marokko. In 1538 ontvangen deze, evenals in 1523 al het geval is geweest, grote ladingen tarwe. Dat deze bevoorrading daarna doorgaat, blijkt uit een In 1540 geuite klacht van de capitão van Safi dat Azamor en Agadir veel tarwe van de Azoren ontvangen, terwijl hij niets daarvan krijgt. Nog in 1547 arriveert een schip met tarwe uit de Azoren in Tanger. Tegenover de aanzienlijke export van de Atlantische eilanden naar Marokko staat niet meer dan incidentele uitvoer van vee en slaven naar Madeira. Marokko heeft wel zeer rijke visgronden. In 1537 sluit de capitão van Agadir, Luís de Loureiro, een verdrag met de inheemse autoriteiten dat de christenen toestaat te vissen tussen Kaap Sim en de monding van de Draa. Hiervan maken Spaanse en Portugese vissers gebruik. In 1540 worden de Portugezen in Agadir zozeer in het nauw gebracht dat capitão Dom Gutierre de Monroy koning João om hulp vraagt. De koning wendt zich tot Manuel da Câmara, capitão van São Miguel (Azoren). Deze arriveert in december 1540 met versterkingen en een arts in Santa Cruz do Cabo de Gué. De hulp is minder omvangrijk dan capitão Dom Gutierre de Monroy heeft gehoopt. Manuel da Câmara stort zich tot driemaal aan toe dapper in het gevecht en wordt tenslotte door de Moren gevangengenomen.

3.2 De terugtrekking.

Categorieën
Portugees kolonialisme

Globaal overzicht. Portugal in de problemen in Marokko

Deel 8 Index

Hoofdstuk 3.

Portugal in de problemen in Marokko

3.0. Globaal overzicht

Geschreven door Arnold van Wickeren

Gedurende het eerste kwart van de 16e eeuw lijdt het gehele gebied van de Sahara en van de Magreb, evenals tijdens de laatste decennia van de 15e eeuw, een kwijnend bestaan. De oorzaak daarvan is dat de Portugese karvelen erin geslaagd zijn aan de kusten van Guinée het overgrote deel van de handels-stromen uit Zwart Afrika, vooral goud en slaven, in handen te krijgen. Niettemin blijft een deel van de goudexport het land van de Berbers via de Sahara bereiken (zie ook deel VI, pag. 57). Dit blijkt duidelijk als de vloot van kardinaal Jimenez de Cisneros in 1509 Oran verovert en plundert en de Spanjaarden daar vol-doende goud vinden om zich te verrijken: ‘posta la citade a sacho, trovoranno oro assai et ce fecenno richi,’ schrijft Priuli. Toch is de situatie zonder twijfel veranderd sedert 1488, toen koning João II verklaarde te weten dat de Senegal langs de steden Timboektoe en Mombarce (mont de la Barque) stroomt, in welke steden zich de rijkste en bekendste goudmarkten ter wereld bevinden, waarvandaan het gehele land van de Berbers van west naar oost, tot Jeruzalem aan toe, voorzien wordt van het edele metaal. De Portugezen brengen de Magreb niet alleen grote economische schade toe door de handel van Guinée voor het grootste deel aan zich te trekken, zij controleren door hun aanwezigheid op Cabo de Gué de maritieme export van de Sous. Zij blokkeren de suikerexport van dit gebied in het zuiden van Marokko naar de markten van Europa, om daarvan geen concurrentie te ondervinden voor hun eigen suikerexport vanaf Madeira, de Kaapverdische eilanden en in mindere mate de Azoren. Bovendien hebben zij de uitvoer van indigo en katoen van de Sous aan zich getrokken.

De Portugezen mogen, met hun door militaire kracht ondersteunde handel, de moslims in Noord-Afrika wel veel economische schade toebrengen, wat overigens hun vooropgezette bedoeling is, Dit wil echter allerminst zeggen dat hun eigen positie in de Magreb erg florissant is. Terwijl Castilië de moslims met de Guerra de Granada in 1492 geheel van het Iberisch schiereiland verdrijft (zie bijlage 1) en hen in toenemende mate in Noord-Afrika bevecht, breidt Portugal zijn invloed in Marokko tegen het einde van de 15e en in het begin van de 16e eeuw ook steeds verder uit (zie deel III, par. 2.1). Aan de Portugese expansie in Marokko komt een einde door een reeks rampen: het sneuvelen van de onover-winnelijke vechtersbaas Nuno de Ataíde, de vernietiging van een grote Portugese invasiemacht bij La Mamora door de koning van Fez en de moord op de door de Portugezen aangestelde Moorse gouverneur van de Doukkala, Yahya ibn Tafouft (Yahya Bentafufa), allemaal in of kort na 1515. Daarmee is de Portugese droom in Marokko een protectoraat te kunnen stichten definitief in rook opge-gaan. Als João III in 1521 de troon bestijgt zijn de Portugezen teruggedrongen in acht gefortificeerde steden: Ceuta, Alcácer Ceguer (Al-Ksar es-Seghir) en Tanger, alle drie aan de Straat van Gibraltar; Arzila aan de Atlantische kust van Noord-Marokko; Azamor, Mazagão en Safi in de Doukkala en Agadir, met fort Santa Cruz do Cabo de Gué in de Sous. In alle forten is een factorij gevestigd, terwijl er ook een Portugese feitoria is in enige niet bezette plaatsen, zoals Larache, La Mamora, Fez, Meknés en Massa in de Sous. De Portugezen kopen in Marokko: kleding (hambels, djellabas, haïks, boernoes) paarden, graan, slaven en natuurlijk goud. Ondanks de in de loop der tijd toenemende mili-taire druk van de moslims, stroomt er nog zoveel goud naar Safi, dat de capitão van de stad, García de Melo nog in 1526 voorstelt in Safi een munthuis te stichten. De Portugezen verkopen in Marokko vooral stoffen, schellak, kornalijnen, zilver, borduurwerk (zie deel III, par. 2.2).

De Portugese steden staan aan frequente aanvallen en belegeringen bloot en soms moet een fort worden opgegeven; in 1510 is het eerste fort aan de Atlantische kust, het in 1506 gebouwde Castelo Real in Mogador, verloren gegaan en in 1525 wordt het in 1520 gebouwde Castelo de Aguz prijsgegeven.

Portugezen die zich buiten de muren van een vesting begeven, bijvoorbeeld om de landerijen te verzorgen, zijn kwetsbaar voor overvallen door moslims. Omdat het terrein vaak geaccidenteerd en ten dele van dichte vegetatie is voorzien, kunnen zich ’s nachts vijandelijke infiltranten verscholen hebben. Deze infiltranten hebben tot taak paniek uit te lokken, schade toe te bren-gen, of zoveel mogelijk vijanden te elimineren. De Portugese manier om zich te wapenen tegen een rebato, of plotselinge overval, bestaat uit een ingewikkeld systeem van uitkijkposten, schildwachten te paard en verkenners. Dit systeem verzekerd de veiligheid in de omgeving van de stad, althans voor een deel van de dag. Deze operatie wordt aangeduid met de term segurar o campo. Bij zonsopgang verlaten enige tientallen ruiters het fort, om hun vaste plaats (posto) in te nemen. Daarvandaan kunnen zij hun deel van de omgeving goed overzien, terwijl zij zelf eveneens goed zicht-baar zijn vanaf de hoogste toren van de stad. De schildwachters te paard, atalaias genaamd, dragen een lans met een bos stro aan de punt. Zodra zij onraad bespeuren, laten zij de bos stro tot halverwege de lans zakken. Op de hoogste toren van de stad staat een mast (facho), met een mand zonder bodem in top. Zodra de immer aanwezige schildwacht op deze belangrijkste uitkijkpost ziet dat een atalaia waarschuwt voor gevaar, laat hij zijn korf tot halverwege de facho zakken. Naast dit visueel waarneem-bare teken van gevaar, wordt ook de klok van de torre do sino geluid. Bij serieus gevaar waarschuwt een schot met de bombarde iedereen in de wijde omtrek daarvoor. Als het signaal uit drie schoten bestaat, rijdt de gouverneur of capitão zelf aan het hoofd van het garnizoen de stad uit. Eenmaal buiten besluit hij, in overleg met zijn adail (aanvoerder) waar zijn tussenkomst het meest geboden is. Vier schoten met de bombarde waarschuwt iedereen die zich buiten de muren bevindt ogenblikkelijk binnen de stadsmuur te komen. Een serie van zes schoten is een uitnodiging aan de vijand het gevecht aan te gaan. De verkenners, die cortadores of atalhadores worden genoemd, hebben tot taak ’s morgens het terrein rond de stad nauwkeurig te onderzoeken (descobrir) op nachtelijke sporen van infiltranten.

Al onder de regering van koning Manuel (1495-1521) begonnen zich politieke veranderingen in Marokko voor te doen die uitein-delijk zeer nadelig voor de Portugese positie in Marokko zullen blijken te zijn. Stammen ten zuiden van de Tensift keren zich af van de koning van Marrakech, wiens prestige door het optreden van de Portugezen zeer geleden heeft. Aangespoord door een van hun marabouts zoeken zij een nieuwe leider die hen kan aan-voeren in hun strijd tegen de christenen. Zij vinden hun nieuwe aanvoerder in 1510 in de persoon van de Sa’di-sjarif el-Kaim van Tagmaderte, levend in de oase van Dar’a in de Marokkaanse Sahara, die rijk is dankzij de productie van indigo. Een van de eerste doeleinden van sjarif el-Kaim is het verwerven van een exporthaven. In 1514 maakt hij zich meester van de havenstad Tafetane, wat de Portugezen in Santa Cruz zeer verontrust. De feitor en de escrivão laten koning João III in een brandbrief weten dat zij vrezen dat de sjarif el Kaim tenslotte het hele land zal beheersen, als hij daarvan niet tijdig wordt afgehouden. Nu al doen de Moren – schrijven zij – liever zaken in Tarkoukou dan met de Portugezen in Agadir. Twee jaar later verdient sjarif el-Kaim al aanzienlijke bedragen dankzij zijn handel met kooplieden uit Cádiz en met Genuese handelaren in Tarkoukou. De opkomst van het geslacht van de Sa’di-sjarifen zou wel eens kunnen zijn ingegeven door het Moorse verlangen zelf weer de vruchten te kunnen plukken van de handel in goud, slaven, verfstoffen en textiel. Daartoe zullen de karvelen dienen te worden geweerd en moeten de Portugezen van Cabo de Gué verdreven worden. De waarschijnlijk op basis van economische motieven ontketende heilige oorlog tegen de Portugezen zal in de toekomst een nationaal karakter krijgen, waaraan het door de economische crisis zieltogende koninkrijk Fez zal bezwijken.

Sjarif el-Kaim wordt in 1518 opgevolgd door zijn twee zoons, waarmee een-dynastie gevestigd is. De twee broers breiden hun invloed in de Sous voortdurend uit en in 1524 hebben zij hun macht gevestigd over geheel de Sous, een rijk gebied dat suiker en katoen voortbrengt. In 1525 is de oudste sjarif onbetwist heerser over Marrakech. Vanaf 1524 hebben de Sa’di-sjarifen hun blik-ken ook laten vallen op de Tafilelt. De sjeik daarvan roept de hulp in van de koning van Fez, die in 1526 een leger zendt dat de strijdkrachten van de sjarifen in een oase omsingelt en vele soldaten doodt, maar de drie caïds weten te ontsnappen. Deze terugslag zal de opmars van de Sa’di-sjarifen slechts tijdelijk stoppen. In 1537 verlaat de sjarif van Marrakech aan het hoofd van een legermacht zijn hoofdstad en maakt zich meester van een groot deel van Marokko. Deze overwinning is niet van groot belang; de werkelijke inzet is de Talifelt, ‘een zeer rijk land, waardoor al het goud uit Timboektoe wordt aangevoerd.’ De kroniekschrijver Léon l’Africain vermeldt Touat en andere oases in ‘dadelland’, die in de noordelijke Sahara dienen als pleister-plaatsen voor kameelkaravanen.

In 1539 acht het hof in Lissabon de tijd gekomen om keizer Karel V van de veranderde situatie in Marokko op de hoogte te brengen. João III zendt de graaf van Castanheira naar Spanje, om de keizer in te lichten over de rijkdommen van de Sa’di-dynastie, die bovendien geheime contacten onderhoudt met de Turken. Als sjarif Mohammed ech-Cheikh van de Sous in maart 1541 Santa Cruz verovert, legt João III zijn ambassadeur in Rome uit waarom de beide Sa’di-sjarifen zoveel succes hebben: ‘E dizem que ambos são dos mais rriquos homens do mundo, porque ihe vem camelos carregados de ouro de Tambocutum, que ihe trazem muy grande soma, e tem inteligencias com o Turquo.’ De vorst weet zijn ambassadeur ook nog te melden, dat de over-vloedige hulp die de sjarifen ontvangen, het hun mogelijk maakt hun legers uit te rusten met krachtige artillerie en met heel goede vuurwapens, de vervaardiging van kruit vindt plaats in Marokko, zelfs met lokale grondstoffen. Bovendien hebben zij een doeltref-fende cavalerie gevormd en zij hebben van de christenen de kunst van het belegeren geleerd. Van deze modernisering van de legers van de sjarifen is het herwinnen van de handel door de Sahara de basis geweest. De bloei van de export van suiker uit de Sous naar Engeland en Frankrijk is eveneens mogelijk geworden door de terugtocht van de Portugezen. Deze terug-tocht heeft ook andere grote gevolgen; ze leidt tot het ontstaan en de bloei van belangrijke exporthavens in het gebied van de Middellandse Zee en de Atlantische Oceaan, zoals Tétouan, Larache en Sale. Vanaf 1540 zijn deze plaatsen van essentiële betekenis voor de Marokkaanse export.

Met de inname van Agadir (Santa Cruz), die de inleiding vormt voor de ontruiming van Azamor en Safi, heeft sjarif Mohammed ech-Cheikh de Portugese macht in het zuiden van Marokko vrijwel vernietigd. Hij maakt zich daarna los van zijn broer in Marrakech en keert zich tegen sultan Moulay Ahmed el-Wattasi van Fez. Hij verslaat hem, ontneemt hem zijn troon en houdt eind januari 1549 zijn triomfale intocht in Fez. Enkele maanden later geeft João III ook Alcácer Ceguer (Al-Ksar Seghir) en Arzila op en behoudt alleen Ceuta, Tanger en Mazagão. De Portugese terugtocht uit Marokko, die feitelijk geschiedt in de jaren 1541 en 1549-1550, is in het belang van de Sa’di-sjarifen. Concluderend kan worden gesteld dat de kameel het gewonnen heeft van het karveel. Het Soedanese goud bereikt weer, althans voor een deel, via Marokko de Atlantische en de Mediterrane kust van Noord-Afrika.

Als sjarif Mohammed ech-Cheikh zich begin 1549 in Fez heeft gevestigd, zendt de koning van Portugal aan zijn zwager Karel V een ambassadeur wiens enige taak het is de keizer ervan te overtuigen dat deze nieuwe Marokkaanse macht zeer gevaarlijk is en het probleem van de nauwe zeestraat tussen Marokko en Spanje plotseling weer aktueel maakt. De Moorse commerciële scheepvaart, in de versukkeling geraakt vanaf het midden van de 15e eeuw, zal weer opbloeien. Alleen een nauwe samenwer-king tussen Portugal en Spanje kan deze bedreiging keren.

3.1 Handhaving van de status-quo.

Categorieën
Portugees kolonialisme

Defensie en ontwikkeling; gouverneur Duarte da Costa. Het begin van de kolonisatie van Brazilië

Deel 8 Index

Hoofdstuk 2.

Het begin van de kolonisatie van Brazilië

2.4. Defensie en ontwikkeling; gouverneur Duarte da Costa

Geschreven door Arnold van Wickeren

Dom Duarte da Costa, die zich openlijk afvraagt waarom João III uitgerekend hem, die nog nooit een militaire of bestuursfunctie van enige betekenis heeft vervuld, zo’n moeilijke taak heeft gege-ven, ondervindt al snel de recalcitrantie van bisschop Sardinha en ook zijn zoon Dom Álvaro bezorgt zijn vader veel hoofdbre-kens. Dom Álvaro en zijn maats hebben zo’n hevige en niet aflatende belangstelling voor de meisjes, dat zij een ergernis zijn voor de burgers van Baía. Sardinha eist van de gouverneur dat die zijn zoon in toom houdt, wat deze weigert. De ruzie die hier-door ontstaat, doet onder de bevolking twee partijen ontstaan. Gouverneur en bisschop beklagen zich over elkaar in brieven aan koning João III. De koning berispt de bisschop om de bittere toon van diens brieven, maar Sardinha gaat op de ingeslagen onverzoenlijke weg voort door zijn tegenstanders te excommuni-ceren. De bisschop wordt er zelfs van beschuldigd dat hij iemand de schedel heeft ingeslagen.

De hoog oplopende ruzie weerhoudt Costa er niet van een expeditie uit te rusten die in het binnenland op zoek gaat naar edele metalen. De twaalf man sterke expeditie die in 1553 vanuit Porto Seguro vertrekt, staat onder leiding van de Spanjaard Francisco de Bruz(z)a de Espinosa y Megare, die voorheen in Peru is geweest. João de Aspilceuta Navarro s.j. vergezelt, op bevel van Nóbrega, de expeditie. Bruza trekt 350 léguas diep het binnenland in, een afstand die Navarro later terugbrengt tot 200 léguas, maar er wordt niets gevonden. Navarro laat weten dat de verhalen over ‘goud en zilver’ bij de Indianen niet meer dan geruchten zijn.

De Tupinambás die rond Baía wonen gaan een tijdelijke alliantie aan met de in het binnenland levende Tapuias om de onderling verdeelde Portugezen het land uit te jagen. Op een zondag vallen zij onverhoeds de bekende engenho van António Cardoso aan. Ze stelen vee, vallen reizigers aan, doden slaven en kidnappen en doden blanken, onder wie priesters, monniken, vrouwen en kinde- ren. Nóbrega, die snel geneigd is het voor de Indianen op te nemen, is vooral geschokt dat de Indianen ook slachtoffers maken onder meisjes die zo lieftallig zijn ‘dat zelfs de bruutste beesten haar geen kwaad zouden doen.’ In de benarde situatie waarin de Portugezen komen te verkeren, sluiten bisschop Sardinha en Dom Álvaro noodgedwongen tijdelijk vrede. De gouverneur geeft zijn lastige en roekeloze zoon het bevel over 70 infanteristen en zes ruiters, ‘de eerste koloniale militie,’ die de dreiging moeten afwenden. Dom Álvaro slaagt in zijn opdracht; hij brand de dorpen van de Indianen plat, neemt het gestolen vee terug, bevrijdt de gevangenen en onderwerpt de Indianen. Hij die eerst de plaag van Baía was, keert als een held terug. Bisschop Sardinha daar-entegen heeft zich bij zoveel mensen onmogelijk gemaakt, dat hij niet meer is te handhaven. João III roept hem terug naar Portugal. Sardinha scheept zich in juni 1556 in op de Ajuda, maar het schip zal Portugal niet bereiken; het lijdt schipbreuk in de monding van de Rio Coruripe in Alagoas. De Caeté-Indianen helpen de schipbreukelingen zich aan land in veiligheid te stellen, maar al gauw blijkt waarom. De geredden, onder wie de bisschop, worden gedood en opgegeten, behalve een Indiaans-sprekende Portugees, door wie we weten wat er is gebeurd, en twee Indianen.

Tegelijk met gouverneur Dom Duarte zijn zeven jezuïeten in Brazilië aangekomen. Zij zullen allen van grote betekenis zijn bij de ontwikkeling van het land. Het invloedrijkst zal zijn José de Anchieta, een tengere man van 20 jaar, die afkomstig is van de Canarische eilanden. Hoewel hij nog niet gewijd is, geniet hij al enige faam wegens zijn kennis en vroomheid. Hij wordt rond kerstmis 1553 door Nóbrega naar São Vicente en later naar São Paulo gezonden. Hij onderwijst Latijn aan zijn medebroeders, van wie enige ook nog niet gewijd zijn. Anchieta leert snel Tupi en onder-richt jonge Indianen in de christelijke leer. De jonge jezuïeten leven aanvankelijk in grote armoede en overleven met bedelen. Nóbrega refereert in zijn brieven vaak aan de honger en kou die zij en hun Indiaanse pupillen moeten verdragen. ‘Het is een wonder dat de kinderen niet terugvluchten naar hun ouders,’ schrijft hij.

Anchieta beklaagt zich over de Tibiriça-Ramalhos-mestiços, ‘wier haat jegens ons van dag tot dag toeneemt. Zij jutten de Indianen op hun vijanden te doden en op te eten. Deze slechte christenen maken de gekerstende Indianen uit voor ‘vrouwen.’ Niettemin neemt het aantal Indiaanse kinderen dat zich door de jezuïeten laat onderwijzen, voortdurend toe. Luís Gonçalves da Câmara schrijft dat veel kinderen de catechismus spoedig beter kennen dan veel blanken. Zij leren ook goed lezen en schrijven; anderen leren zingen en fluitspelen en er zijn mamelucos die Latijn leren van een jonge uit Coimbra verbannen latinist.

De jezuïeten hebben het meest te stellen met de kinderen van de mestiços. Zij kunnen beter als Indianen worden behandeld, tot-dat zij voor hun verdere opleiding naar Portugal worden gezonden, ‘waar minder verleidingen en gevaren zijn om hen te gronde te richten dan hier, waar de vrouwen naakt lopen en zich niet alleen aan iedereen geven, maar zich zelfs aan mannen aanbieden en hen achternalopen, hen bij zich in de hangmat trekken, omdat zij het als een eer beschouwen met christenen te slapen.’ Een paar van de door de jezuïeten naar Brazilië meegebrachte weesjon-gens, die Tupi hebben geleerd, om als tolk te kunnen optreden, zijn zozeer in de ban geraakt van de Indiaanse meisjes, dat zij voor de jezuïeten niet meer bruikbaar zijn. De missionarissen kunnen niet voorkomen dat er af en toe oorlogen tussen Indianen-stammen uitbreken. Zegenvierende krijgers geven de geslachts-organen van hun overwonnen vijanden aan hun vrouwen voor de barbecue, omdat deze organen gezien worden als afrodisiaca. Kannibalisme blijkt heel moeilijk te bestrijden. Zelfs gevangenen die daarvan het slachtoffer dreigen te worden, laten zich soms niet door de paters redden, omdat zij dan ook door hun eigen volk als lafaarts worden beschouwd. In 1554 neemt het bloed-vergieten onder de Indianen zo’n omvang aan dat ook de stad São Vicente er niet aan ontkomt. Zelfs het opperhoofd Tibiriça moet ervan weerhouden worden weer tot kannibalisme te vervallen. De Portugezen typeren de Tupi als een volk zonder geloof, wet en koning. Hun uitdrukking ‘não tem fé, nem lei, nem rei’ is overigens niet alleen gebaseerd op observatie, maar verwijst ook naar het ontbreken van de letters f, l en r in hun taal. In 1554 worden Pero Correia en João de Sousa gedood door de Indianen tot wie zij predikten, nadat zij door een Castiliaan in de val zijn gelokt. Anchieta ziet dit als een goed teken, want is niet ‘het bloed der martelaren het zaad der kerk.’

Nóbrega is bijzonder slecht te spreken over tien paters missiona-rissen die al vele jaren in de hooglanden van São Paulo wonen; ‘Twee of drie uitgezonderd, hebben zij zeven of acht kinderen en harems van vijf of zes vrouwen en zij hebben soms al jaren de mis niet gelezen. Er leven in deze streken ongeveer 800 blanken die zich aan de justitie hebben onttrokken. Ze zijn georganiseerd in vijf, elkaar vijandig gezinde benden, die over 60 of 70 Indiaanse vrouwen beschikken. ‘Enige blanken slapen zowel met de moeder als met de dochter en hebben van beiden kinderen.’ Leonardo Nunes s.j. rapporteert dat sommige blanken in paniek raken als zij horen dat de jezuïeten in aantocht zijn. Zij trachten de bewijzen van hun zondige leven soms voor hen te verbergen. In 1557 of 1558 worden veel nederzettingen van blanken door de Indianen belegerd, als er in het kamp van de aanvallers pest uitbreekt. ‘De doden worden ’s nachts weggesleept en opgegeten door jaguars.’ Temidden van tumulteuze omstandigheden, gaat Anchieta door met de samenstelling van zijn Tupi-grammatica en Tupi-woordenboek.

João Ramalho, met zijn grote familie van mamelucos, die door Martim Afonso de Sousa tot capitão-mor van Piratininga is aange-steld, vervult een sleutelrol bij het stichten van Portugese neder-zettingen in de omgeving van São Paulo en bij het kerstenen van de Indianen. Nóbrega heeft evenwel zijn bedenkingen tegen Ramalho. Hij vraagt zich af of hij wel geheel aan de kant van de Portugezen en jezuïeten staat. Hij schrijft: ‘Hij heeft veel vrouwen; hij en zijn zoons gaan met hun zusters en hebben kinderen bij hen, de vader zowel als de zoons. Zij trekken ten strijde met de Indianen en hun festas zijn gelijk aan die van de Indianen en zij lopen zelf net zo naakt als de Indianen.’ Ramalho, op zijn beurt, beschuldigt de jezuïeten van sexuele zonden, als zij hem de communie weigeren, maar hij kan zijn aantijgingen niet bewijzen. Nóbrega wil zijn feitelijke excommunicatie opheffen als hij een monogaam huwelijk sluit met de dochter van stamhoofd Tibiriça, die hem al vele kinderen heeft geschonken. Er is echter een probleem. Ramalho heeft, toen hij in 1509 of 1510 naar Brazilië vertrok, zijn wettige echtgenote in Portugal achtergelaten. Nóbrega wil een beroep op de paus doen dit huwelijk, dat al heel lang niet meer geconsumeerd is, te ontbinden, zodat hij in Brazilië kan trouwen.

Governor-general Dom Duarte da Costa is niet in staat de Fransen uit Brazilië te verdrijven, daarvoor zijn zij te talrijk. Als de Franse kroon consequent voldoende kolonisten naar Brazilië zou hebben gezonden en niet alleen handelsposten zou hebben doen stichten, dan zou Brazilië Frans geworden zijn. Het zal overigens nog een eeuw duren voordat Brazilië vast en onbe-twist in Portugese handen is. De Fransen kappen brazielhout en drijven handel met de Indianen vanaf Santa Catarina in het zuiden tot aan de monding van de Amazone aan de noordkust. Zij hebben in het midden van de 16e eeuw een grote voorkeur voor de Baía de Guanabara (Rio de Janeiro), waar zij ook grote hoeveelheden Braziliaanse peper laden. Jaarlijks komen zeven à acht Franse schepen naar Cabo Frio. De Fransen gaan een verbond aan met de Tamoios, die deze contreien beheersen. In 1551 toont een incident hun kracht. Een Frans schip weerhoudt Gaspar Gomes er twee en een halve maand van de Baía de Guanabara te verlaten, terwijl het 800 liter peper en brazielhout laadt. Vier jaar later schrijft Francisco do Porto Carreio, de opvolger van Pero Lopes de Góis als commandant van de kustbewakings-vloot, aan João III over Franse schepen die Portugese schepen in Braziliaanse wateren hebben overmeesterd. Het probleem is dat Franse schepen overal langs de kust van Brazilië kunnen opduiken, maar de Fransen kunnen niet verdreven worden, omdat zij zich nergens vestigen. Als Villegagnon de regel beves-tigt door onverwacht toch een expeditie van kolonisten aan te voeren, hebben de Portugezen aanvankelijk het gevaar niet door. We zullen dit hoofdstuk besluiten door uitgebreid aandacht te geven aan de Franse pogingen zich blijvend in Brazilië te vestigen.

Nicolas Durand de Villegagnon, heer van Torcy is een Frans edelman, die in 1541 heeft deelgenomen aan de expeditie van Karel V naar Algiers. Hij heeft in Hongarije en op Malta gevochten tegen de Turken, in Italië tegen de legers van Karel V en in Schotland tegen de Engelsen. In 1548 heeft hij de vijfjarige katholieke koningin Maria Stuart naar Frankrijk in veiligheid gebracht. Na zijn expeditie naar Schotland maakt hij een reis naar Brazilië, waar de weelderige tropische plantengroei hem zeer bekoort. Als Villegagnon, die door koning Henri II benoemd is tot vice-admiraal van Bretagne, ’s konings steun moet ontberen in een conflict met de gouverneur van Brest, rijpt bij hem het plan om voor zijn land gebied in Brazilië te verwerven en er een Franse volksplanting te stichten. Villegagnon is een ontwikkeld man met een passie voor het religieuze debat, waarbij zijn ideeën zich bewegen tussen traditioneel katholieke opvattingen en de nieuwe denkbeelden van de Reformatie. Hij is weinig standvastig in zijn opvattingen en keert zich soms tegen de stellingen die hij kort daarvoor nog met vuur verdedigd heeft, om vervolgens zijn vroegere overtuigingen weer te omhelzen. In dit opzicht is hij een kind van zijn tijd. Zij die kiezen voor het verkeerde geloof, op een verkeerde plaats en op een verkeerd tijdstip kunnen in een periode van religieuze onrust, zoals Frankrijk dan doormaakt, hun bezittingen en zelfs hun leven verliezen. In deze omstandigheden keren velen hun zeilen naar de wind. Villegagnon ontvangt voor zijn plan zowel steun van protestantse als van katholieke kant. Hij krijgt hulp van admiraal Gaspard de Coligny, de voorman van de Franse protestanten, maar hij weet ook de steun voor de expeditie te verwerven van de katholieke koning Henri II en ook de kardinaal van Lotharingen is enthousiast voor zijn plan. Natuurlijk zijn er ook tegenstan-ders. Volgens hen zijn avonturen zo ver van huis voorbehouden aan criminelen.

De expeditie wordt onder strikte geheimhouding voorbereid. Als Henri II de Cambre des Comptes opdracht geeft 10.000 livres beschikbaar te stellen, wordt gezwegen over de aanwending van deze som. Villegagnon trekt Normandische en Bretonse zeelieden aan, die al eerder zaken hebben gedaan met Brazilië. Hij werft ook de benodigde soorten geschoolde ambachtslieden. Voorts mag hij onder tot de galeien veroordeelden in de gevangenissen van Rouen en Le Châtelet, alsmede in de Conciergerie van Parijs, geschikte bemanningsleden en kolonisten uitzoeken. Hij moet zich tevreden stellen met ongeschoolde industriearbeiders, schrijnwerkers, timmer-lieden, leerlooiers, schoenmakers en boerenarbeiders. Zijn Schotse lijfwacht bestaat uit mannen op wie Villegagnon onvoorwaardelijk kan rekenen en de ervaren Normandische en Bretonse schippers moeten de discipline onder de voormalige bajesklanten handhaven. De expeditie telt in totaal 600 man.

Villegagnon beschikt over twee gewapende schepen van 200 ton en een bevoorradingsschip van 100 ton, dat geladen is met bouwmaterialen voor een fort, munitie en andere voor een lange reis en het stichten van een nederzetting onontbeerlijke zaken. De meest uiteenlopende zaken worden ingeladen:: gereedschappen voor de ambachtslieden, voedsel zoals: tarwe, haver, prei en uien, maar ook misgewaden, cibories en hosties voor de mis en de communie. Bij de deelnemers aan de expeditie zijn de priester André Thevet en de dominee Nicolas Barré. Thevet, bekend om zijn kennis van de zee en van Brazilië, zal het relaas van de expeditie schrijven; Barré is een geletterd man met een grote botanische kennis.

De schepen kiezen zee op 12 juli 1555. Na een lange, moeilijke en bewogen reis, komt op 20 oktober het eiland Ascension in zicht en lijkt men op Kaap de Goede Hoop af te stevenen. Na een omweg van 1.000 mijl te hebben afgelegd, arriveert de vloot op 31 oktober, om 9.00 uur in de morgen, voor Cabo Frio. De schepen gaan voor anker en de eerste inheemse die zich aandient is stamhoofd Pindo. Hij is zo naakt als Adam en draagt een houten zwaard over zijn schouder. Hij geeft Villegagnon meel, wortelen en een bittersmakende drank. Na drie dagen, biedt Pindo de ontstelde Villegagnon een geroosterd mensenbeen aan. Hoewel Thevet van oordeel is dat het fort ter plekke kan worden gebouwd, licht Villegagnon na drie dagen het anker en zeilt op 10 november 1555 de schitterende Baía de Guanabara (Rio de Janeiro) binnen, waar sedert het bezoek van Magalhães in december 1519 niets is veranderd. De kustbewoners lopen naakt, zijn menseneters en de stammen bestrijden elkaar. De vloot kiest een goede ankerplaats tussen de kust en het eilandje Margageats (Ilha do Governor). Thevet draagt voor de met pijl en boog gewapende Indianen de mis op. De Indianen ontsteken vreugdevuren en bouwen voor de bezoekers een groot onderkomen van gebladerte, palmbomen en grote varens. Zij bieden manioc en goed smakende wortelen aan. De Fransen delen mooie gekleurde hoeden aan de mannen en spelden, messen en spiegels aan de vrouwen uit. Villegagnon wil dat de Indianen hun lichaam, althans hun geslachtsorganen, bedekken en hij laat daartoe zelfs enige onwilligen zweep-slagen toedienen. De op Margageats levende Indianen en de Tupinambás aan de kust verwelkomen de Fransen als hun bevrijders van de Portugezen. Villegagnon kiest het weinig begroeide eiland Sergipe (thans Villegagnon) uit om er Fort Coligny te bouwen, omdat de plaats zich goed laat verdedigen tegen eventuele aanvallen van de nu nog vriendelijke Indianen en tegen de Portugezen, die de Fransen vroeg of laat zullen ontdekken. In zijn brief van 3 maart 1557 aan Calvijn noemt Villegagnon nog een ander motief om het fort op Sergipe te bouwen: hij wil voorkomen dat zijn mannen slapen met Indiaanse vrouwen, die hij beschouwt als wilde dieren in mensenge-daante. Het leven is hard op Sergipe: Villegagnon laat zijn mannen van zonsopgang tot zonsondergang aan het fort bouwen, terwijl het vaak erg heet is. Omdat water, afgezien van opgevangen hemelwater, van de vastewal moet worden aangevoerd, moeten de mannen hun dorst lessen met water uit vaten, dat bij de heersende hoge temperaturen al snel groen is en stinkt. Dagelijks wijn drinken, zoals velen gewend zijn, is er ook niet bij. Het voedsel laat ook veel te wensen over: er is brood, maar dat is gebakken van manioc-meel, daarnaast is er fruit en enig inheems voedsel beschikbaar. De Fransen ervaren, evenals Spanjaarden en Portugezen, dat zij zonder aanvoer van eiwitrijk voedsel uit Europa op den duur niet in Zuid-Amerika kunnen overleven.

Villegagnon laat zijn mannen de nabijgelegen kust verkennen. Zij hebben nooit zo’n uitbundige vegetatie gezien; bossen bestaande uit zwart hout en verfhout. Ze zien ook Europeanen, schuwe baders, die gedeserteerde zeelieden blijken te zijn. Het hoofd van de stam der Margageats komt Villegagnon opzoeken. Zijn naam is Quoniambec. Hij draagt bij wijze van scepter een knots zwaar genoeg om een os mee te vellen. Tijdens de week dat hij in Fort Coligny verblijft, schenkt Villegagnon hem een ‘épée à deux mains.’ De mannen in zijn gevolg worden gepaaid met messen en de vrouwen ontvangen spiegels, knopen van geel, blauw en groen glas, waarmee zij zeer ingenomen zijn. Bij een tegenbezoek aan Quoniambec zien de Fransen bij de ingang van diens ‘paleis’ de schedels hangen van Portugezen. Het stamhoofd laat weten vijf van hen te hebben gedood en opgegeten. De Fransen zien de Indianen gedroogd ‘gras’ in een palmblad rollen. Zij steken het aan met een brandend takje en blazen de rook uit door hun neusgaten. Het roken van dit gras, ‘pétun’ genoemd, ontspant de hersenen, onderdrukt honger en stilt dorst, De christenen zijn volgens Thevet al snel verzot zijn op de geur van tabak!

De preken die Thevet af en toe houdt, leiden in enige gevallen tot een huwelijk van al lang met een Indiaanse samenlevende Europeanen. Ook bekeren zich enkele inheemsen, onder wie de zieke Pindahouson. Hij belooft, als hij weer gezond wordt, zich te kleden als Thevet en ter ere Gods zijn baard te laten staan. Villegagnon laat hem met veel pracht en praal dopen. De neiging van de Indianen de Europeanen te imiteren blijkt ook daaruit dat zij braaf meedoen met militaire oefeningen, waarbij zij de Fransen van voedsel voorzien. In december loopt de temperatuur zo op dat de hitte de mannen volkomen uitput. Velen sterven aan malaria. Door gebrek aan water is er geen sprake van hygiëne. Met Kerstmis is Thevet te ziek om te communie te kunnen uitreiken. Na anderhalve maand zijn de meeste vrijwilligers het verblijf op Sergipe zo zat, dat zij reikhalzend uitzien naar hun terugkeer naar Frankrijk. Veel mannen zijn zeer ontevreden over de puriteinse gedragcode van hun leider. Zij beschouwen buitenechtelijke sex als een vergeeflijke zonde en de Indianen, gewend aan vrij geslachts-verkeer, hebben helemaal geen begrip voor het verbod van Villegagnon. De tyrannieke Villegagnon verlangt van een op het vasteland wonende Normandiër dat hij zijn concubine trouwt, nadat zij is gedoopt. Als hij wei-gert, moet hij haar wegzenden, zo niet, dan zal hij de doodstraf opgelegd krijgen. Dit optreden van Villegagnon leidt tot een samenzwering tegen zijn leven. Hij wordt gered door zijn Schotse lijfwacht en de complotteurs worden geëxcuteerd. Andere Europeanen met een Indiaanse concubine, vluchten het binnenland in, waardoor Villegagnon 20 à 25 man tolken moet missen. Bovendien worden door een epidemie van onbekende her-komst vele Indianen, misschien wel 800 gedood. Zij geven de Fransen hiervan de schuld, maar die hebben in hun fort niets te vrezen. De relaties met de Indianen verbeteren langzamerhand. De Tamoios, die vijanden zijn van de Tupiniquins, de Goitacases en de Macapás, die ook allemaal rond de Baía de Guanabara en op de eilanden in deze baai leven, worden bond-genoten van de Fransen.

De expeditieleden die het voor gezien houden, keren op 31 januar (Diffie) of 14 februari (Peillard) 1556 naar Frankrijk terug. Boissy, heer van Bois-le-Compte en een neef van Villegagnon, krijgt het bevel over de twee vertrekkende schepen. Hij ontvangt voor die gelegenheid de fraaie titel: ‘Capitaine des navires du Roi en la France antarctique.’ Thevet, die weer wat is opgeknapt, scheept zich ook in, met medeneming van zijn notities, voor zijn beroemde boek: Singularité de la France Antarctique en wat ‘pétun,’’ om in Frankrijk aan te planten. Het wordt een lange, moeilijke en ongelukkige reis, via Caracas, Panama, Santo Domingo en Florida. Het vertrek van veel landgenoten laat een grote leegte in de kolonie achter. De blijvers weigeren te werken en velen willen naar het vasteland om daar een leven zonder sexuele beperkingen te leiden. De situatie moet voor Villegagnon zeer ontmoedigend zijn. Hij zit alleen op zijn eiland, omringd door mannen die hij lang niet allen kan vertrouwen. Hij steunt vooral op zijn katholieke Schotse lijfwacht. De spanningen lopen nog verder op door gepassioneerde religieuze disputen tussen katholieken en adepten van de Reformatie. Op 16 februari krijgt Villegagnon lucht van een complot. Hij kan rekenen op slechts acht getrouwen, terwijl 30 man tegen hem samenzweren. Zij zijn opgehitst door iemand die al zeven jaar met een Indiaanse in het bos leeft en hij heeft de mannen voorgespiegeld dat hun ook een mooi leven wacht als zij zich van Villegagnon ontdoen. Door tijdig in te grijpen kan Villegagnon de gangmakers arresteren en doen veroordelen; de meelopers schenkt hij gratie, omdat hij hen als werklieden nodig heeft. Zijn kordate optreden versterkt zijn autoriteit onder de Indianen. Gurende de rest van 1556 heerst er vrede, wat de handel ten goede komt. De Indianen doen met hun bootjes het eiland aan, waarbij zij ladingen hout, tabak en zeldzame objecten aanvoeren.

Bois-le-Compte heeft een boodschap voor koning Henri II bij zich. Daarin vraagt Villegagnon om meer geld en om duizenden kolonisten, onder wie handwerkslieden, huwbare meisjes en geestelijken. De kolonie die hij op het vasteland wil stichten noemt hij ‘La France Antarctique,’ omdat ‘dat goed in de oren klinkt.’ Hij laat weten dat als hulp uitblijft Brazilië voor Frankrijk verloren gaat. Henri II besluit, na raadpleging van Coligny, een aantal propagandisten van de Reformatie, die in Frankrijk voor onrust zorgen, naar Brazilië te zenden. Diffie merkt op dat Villegagnon, die kennelijk bij het vertrek van Bois-le-Compte weer wat meer neigt naar de Reformatie, om de komst van protestantse theologen heeft gevraagd. Een vriend van Coligny, Philippe de Corguillery, heer du Pont, trekt Pierre Richier en Guillaume Chartier, twee in Geneve studerende discipelen van Calvijn, alsmede en dominee Jean de Léry voor de expeditie aan. Léry, oorspron-kelijk schoenmaker zal zich ontpoppen tot een fel tegenstander van Villegagnon. Zijn boek Histoire d’un voyage fait en la Terre du Brésil, belicht de protestantse kijk op de gebeutenissen in Villegagnons kolonie..

Op 9 november 1556 vertrekt de hulpexpeditie, onder van Bois-le-Compte, uit Honfleur. De drie, op kosten van Villegagnon bewapende schepen: de Petite Ramberge, de Grande Ramberge en de Rosée, met 280 soldaten en zeelieden aan boord, worden uitgeleide gedaan met saluutschoten van de artillerie. Op de Petite Ramberge bevinden zich zes kinderen, die snel de taal van de inheemsen moeten leren, om als tolken te kunnen dienen. Het schip heeft ook vijf modieus geklede meisjes, begeleid door een gouvernante, aan boord. Hun fraaie kleding moet de Indiaanse vrouwen verleiden zich ook te kleden. De belangrijkste taak van de jonge vrouwen is natuurlijk om te trouwen en voor nageslacht te zorgen. Als de schepen in februari 1557 in Brazilië aankomen, maken de in totaal 14 dominees, al direct problemen. Hun barakken vinden zij de primitief, de vis heeft geen smaak en de vruchten die zij krijgen aangeboden, kennen ze niet.

Naar aanleiding van de eerste avondmaalsviering openbaren zich de tegenstellingen tussen katholieken en protestanten en al gauw grijpt de verwarring om zich heen. Villegagnon toont zich in een brief aan Calvijn ingenomen met de komst van de Calvinistische voormannen, maar schijnt aanvankelijk tolerant te zijn en deze tolerantie zou ertoe geleid hebben dat velen het in godsdienstig opzicht wel geloven. Richier en Cointat, twee praatgrage lieden met veel pretenties, trachten de kolonie voor de Reformatie te winnen. Tegen het midden van 1557 krijgt Villegagnon een hoogoplopend geschil met Pierre Richier over de aanvaardbaarheid van het toevoegen van water aan de sacramentele wijn. Hij heeft het voordeel dat hij Latijn, Grieks en Hebreeuws kent en is er bovendien de man niet naar zijn gezag te laten aantasten. Hij verbiedt Richier de sacramenten toe te dienen en zich in zijn preken uit te laten over het geschilpunt. De autocratische Villegagnon, die nu eens ertoe neigt katholieke dogma’s door dik en dun te verdedigen, maar die ook perioden kent dat hij zich tot thema’s van de Reformatie voelt aangetrokken, verlangt van zijn omgeving dat die zijn wisselende religieuze voorkeuren volgen; hij gedraagt zich niet alleen als een absoluut heerser, maar ook als een goeroe. Een veel geduchtere tegenstander en de werkelijke aanvoerder van de oppositie is du Pont. Hij zet 20 man aan tot desertie. Zij wijken, met medeneming van hun gereed-schappen, uit naar het vasteland, waar zij bevrijd zijn van Villegagnons puriteinse gezag, zich vrouwen nemen en tussen de Indianen gaan leven in de nederzetting La Briqueterie. Deze gebeurtenis veroorzaakt een volledige breuk met du Pont. Villegagnon betrapt Léry, Chartier, Richier, terwijl zij tegen hem complotteren. Chartier besluit naar Frankrijk terug te keren onder het voorwendsel dat hij Reformatorische theologen, zoals Calvijn, advies wil gaan vragen over de religieuze geschilpunten die de kolonie verdelen. Als Chartier op 4 juni 1557 vertrekt heeft hij tien Indiaanse jongens als geschenk voor Henri II bij zich. Zij zijn door Villegagnon losgekocht om hen van de dood te redden.

Ofschoon de Franse aanwezigheid in Brazilië voortduurt tot na het overlijden van koning João III op 11 juni 1557 en de verdere gebeurtenissen in en rond La France Antarctique in een volgend deel besproken behoren te worden, wil ik de lezer de afloop van het Franse avontuur in Brazilië niet onthouden. Hierbij worden de gebeurtenissen van Franse zijde belicht, op basis van de lezing van Léonce Peillard in Historia No. 535 (juillet 1991).

Villegagnon laat Bois-le-Compte, met het enige schip waarover hij nog beschikt, 500 mijl kust in zuidelijke richting verkennen. Hij wil de kolonie in zuidelijke richting uitbreiden om haar naam La France Antarctique meer recht te doen. Bovendien hoopt hij in de richting van de Rio de la Plata zilver en wellicht goud te vinden. De vice-admiraal van Bretagne wil rijkdommen verwerven voor ‘s konings de schatkist, evenals Spaanse en Portugese conquistadores dat voor hun koningen doen, wellicht om Henri II ertoe te bewegen hem van meer geld en manschappen te voorzien. Helaas keert Bois-le-Compte zonder goud of zilver terug. Villegagnon voelt zich danig in de steek gelaten, door zijn omgeving en zijn koning; de hem omringende protestanten spannen tegen hem samen om te kunnen terugkeren naar Frankrijk, voorzover zij rond oktober 1557 al niet naar het vasteland zijn uitgeweken.

Léry schrijft in zijn Histoire d’un voyage de Indianen humaner te vinden dan Villegagnon en zijn adepten. Léry geeft in zijn boek er blijk van een beetje Tupi te hebben geleerd. Hij heeft zich ook verdiept in Indiaanse gewoonten en in lokale planten en dieren. Du Pont, Rechier en Léry boeken, achter de rug van Villegagnon om, passage op de koopvaarder Jacques, die op het punt staat naar Frankrijk terug te keren. Nadat het drietal zijn bezittingen heeft ingeladen en 15 anderen zijn voorbeeld hebben gevolgd, licht de Jacques op 4 januari 1558 het anker. Door windstilte is het schip na acht dagen nog niet uitgezeild. Midden in de nacht wordt er een lek ontdekt. Vijf passagiers strijken een sloep en roeien naar de vastewal, omdat zij niet met het wormstekige schip durven uit te varen. De andere door hitte en tegenslag gedemoraliseerde passagiers willen het schip verlaten, maar dan blijkt het lek plotseling te zijn gedicht. Als de wind opsteekt, zeilt de Jacques uit naar Frankrijk. Het gevluchte vijftal zwerft een tijd rond, waarbij de mannen wellicht niet alleen in contact komen met de Indianen, maar mogelijk ook met de Portugezen. Uiteindelijk lopen zij langs het strand terug naar Baía de Guanabara en bereiken Fort Coligny. Villegagnon verbaast zich over hun terugkeer en denkt dat het vijftal, in opdracht van du Pont, uit is op zijn leven. Hij acht het ook mogelijk dat zij, in opdracht van de Portugezen het op zijn leven gemunt hebben. Hun gehakkel, verlegenheid en schaamte tijdens de ondervraging sterkt hem in zijn mening. Een ingestelde rechtbank acht drie van de vijf schuldig aan verraad van het geloof en de koning en veroordeelt hen ter dood. Het vonnis wordt in februari 1558 voltrokken.

Van opvarenden van Franse schepen die naar de Guanabarabaai komen verneemt Villegagnon dat er veel laster over hem verteld wordt en dat koning Henri II van plan is zijn handen van het Braziliaanse avontuur af te trekken. De koning wordt van protestanse zijde aangeraden Villegagnon te laten vallen en zij verwijten Thevet, die hem verdedigd heeft in zijn vermakelijke boek, dat hij zich met een monster verbonden heeft. Het licht voor de hand dat de koning uit Villegagnons eigen mond wil horen wat deze te zeggen heeft op alle tegen hem ingebrachte aantijgingen. Dit verklaart dat Villegagnon de kolonie aan de zorgen van Bois-le-Compte toevertrouwt en zelf naar Frankrijk vertrekt om zich te verdedigen. Uitgeput door het hete klimaat en aangeslagen door alle moeilijkheden, twisterijen en verraad, neemt hij de eerste de beste gelegenheid waar naar Frankrijk te zeilen. Hij neemt allerlei curiueze en zeldzame zaken: dieren, planten, Indiaans handwerk, een woordenboek, een handleiding voor het voeren van gesprekken in het Tupi en 50 Indianen: mannen vrouwen en kinderen, mee en arriveert 30 november 1559 via Brest in een onrustig Frankrijk; de hertog van Montmorency heeft koning Henri II tijdens de feesten in juli dodelijk verwond. Hij is opgevolgd door François II, een zwakke, ziekelijke jongeling, die slechts een jaar zal regeren. De vice-admiraal van Bretagne wordt ontvangen door de koning en door connétable Montmorency. Hij verweert zich door te stellen dat zijn vijanden iedereen van atheïsme beschuldigen die niet precies denkt als zij zelf. Richier laat weten dat Villegagnon door niemand aan het hof meer wordt herkend, ‘zelfs niet door de honden.’ Hij ontmoet in Saint-Germain Maria Stuart. Het kleine meisje dat hij destijds naar Frankrijk heeft gehaald, is nu ‘een betove-rende schoonheid van 16 jaar,’ schrijft Athur Heulhard, Villegagnons biograaf.

Terwijl Villegagnon in Frankrijk verblijft, laten Brazilië, Fort Coligny en zijn neef Bois-le-Compte, die hij met veel problemen en een zwak garnizoen heeft achtergelaten, hem niet los. Tijdens zijn afwezigheid verslechtert de situatie daar. De Fransen hebben zich de vijanschap van de Maracajá-Indianen op de hals gehaald. Deze verkeren op voet van oorlog met de Tamoios, volgens Diffie (dan) bondgenoten van de Portugezen. Deze laatsten hebben ontdekt dat de Franse koopvaarders, die zich overal langs de kust laten zien, andere bedoelingen hebben dan de Fransen in Fort Coligny. Met steun van de hertog van Guise, aan wie de kwestie is toevertrouwd, hoopt Villegagnon de weduwe van Henri II, Catherine de Médicis, ervan te kunnen overtuigen hem de beschikking te geven over een gewapende vloot van zeven schepen, waarmee hij kan terugkeren naar Brazilië, om de Portugese dreiging definitief af te wenden. Jean Nicot, ambassadeur in Lissabon, heeft al gewaarschuwd voor een Portugese aanval op en bezetting van Fort Coligny. De Franse koning heeft echter andere zorgen. Op de dag af dat Villegagnon in Brest voet op Franse bodem heeft gezet, is de in Lissabon door Dona Catarina verzamelde vloot, onder bevel van Bartolomeu de Vasconcellos, in Baía aangekomen. Niet minder dan 26 schepen, galeien en pataches, voorzien van een machtige artillerie en met 2.000 manschappen aan boord, verlaat Baía op 16 januari 1560 en arriveert op 21 februari in de Baía de Guanabara. Op 15 maart ontscheept de vloot troepen op het Ilha de Sergipe, waar Fort Coligny staat. De Portugese zeevaarder Mem de Sá schrijft in zijn memoires: ‘wij streden zonder ophouden dag en nacht tot het moment waarop de genade van Onze Lieve Heer, ons glorieus de plek in handen gaf….’ Zich ervan bewust dat Villegagnon 18 maanden daarvoor naar Frankrijk is vertrokken, oordeelt Mem de Sá als volgt: ‘Zij gedragen zich tegenover de wilden op geheel andere wijze dan wij. Zij tonen zich tegen-over deze wilden uiterst liberaal en behandelen hen heel rechtvaardig, zonder meer dient te worden aangenomen dat de Fransen welke fouten zij ook gemaakt mogen hebben, dat wat hij (Villegagnon) deed, hem zeer gevreesd maakte bij de zijnen en zeer geliefd bij de wilden..’.De Franse kolonisten worden niet door de Portugese soldaten achtervolgd; zij krijgen gelegenheid op de Morrio de Gloria, aan de Baía de Guanabara een klein fort te bouwen. Daarin wonen zij nog vijf jaar in een soort modus vivendi met de Portugezen.

De Portugese jezuïeten zijn niet tevreden met een halve overwinning, waarbij de Fransen nog steeds een stuk oever van de Baía de Guanabara en het fortje op de Morrio de Gloria bezetten. Na herhaald aandringen van Manuel de Nóbrega s.j. besluit Catarina een landing te laten uitvoeren op de oever van de Baía de Guanabara, om de Fransen te verjagen. De benodigde troepen worden op de been gebracht door de jezuïeten en ingescheept in Lissabon. Estacio de Sá wordt met de leiding van de expeditie belast. Op 1 maart 1565 zeilt de Portugese vloot de baai binnen en Estacio de Sá richt een kamp in aan de voet van de Pão de Açúcar, vlak bij een meertje. De Portugezen schijnen niet veel haast te hebben. Er verstrijken tien maanden voordat zij Morrio de Gloria naderen. Op enkele kilometers daarvandaan richten zij zich in. Op 18 januari voert Estacio de Sá zijn soldaten ten aanval op het fort. Er breekt een gevecht uit dat enkele uren duurt en waarbij Estacio de Sá dodelijk getroffen wordt door een gifpijl, want de inheemsen ondersteunen de Fransen. Deze trekken zich terug naar de kust, waar vier gewapende vaartuigen gereed liggen voor vertrek. Zodra de Fransen, onder bevel van Bois-le-Compte, aan boord zijn gegaan, lichten de schepen het anker. Brazilië is definitief voor Frankrijk verloren.

Portugal in de problemen in Marokko 3.0 Globaal overzicht.

Categorieën
Portugees kolonialisme

Gouverneur-Generaal Tomé de Sousa en de Jezuïeten. Het begin van de kolonisatie van Brazilië

Deel 8 Index

Hoofdstuk 2.

Het begin van de kolonisatie van Brazilië

2.3. Gouverneur-Generaal Tomé de Sousa en de Jezuïeten

Geschreven door Arnold van Wickeren

In 1544 wordt in Lissabon officieel vastgesteld dat: ‘Brazilië in de afgelopen twintig jaar niet alleen niets heeft opgebracht, maar dat het land meer dan 80.000 cruzados heeft gekost om het te koloniseren en te verdedigen.’ Deze vaststelling is te somber; Pernambuco en São Vicente zijn bloeiende kolonies, maar Portugal moet wel nieuwe initiatieven ontplooien om zijn rechten in Brazilië te verdedigen en de donatários, met inbegrip van de dappere Duarte Coelho in Pernambuco, te helpen. Het benodig-de geld kan alleen maar van de kroon komen, maar ’s konings schatkist is leeg. Al in 1541 had João III meer geld geleend dan hij in jaren kan terugbetalen. Er zijn nog andere omstandigheden die ertoe leiden dat ’s konings aandacht zich op Brazilië richt. In 1548 heeft ook Portugal weet van de zilvermijnen van Potosí in ‘Peru’, thans Bolivia. Omdat in de tijd gedacht wordt dat Brazilië en Peru hetzelfde land zijn, zijn de Portugezen ervan overtuigd dat Brazilië ook zilvermijnen heeft en Francisco Orellana’s verhalen over zijn tocht stroomafwaarts over de Amazone, heeft het enthousiasme alleen maar aangemoedigd. Portugal kan de veronderstelde schatten in het binnenland van Brazilië niet negeren, terwijl het land wanhopig nieuwe winstbronnen nodig heeft.

Brazilië moet dus voor Portugal behouden blijven en de Fransen die de hele kust van Itamaracá tot aan de Amazone onveilig maken, moeten verdreven worden, temeer daar gevreesd wordt dat zij het Ilha de Santa Helena zouden willen veroveren, om daar de rijk beladen schepen uit Indië te kunnen opwachten. Ook de Spanjaarden vormen een gevaar. Zij hebben in 1537 in Paraguay onder meer de stad Asunción gesticht en volgens de Portugese voorstelling van de ligging van de demarcatielijn zijn zij daarmee doorgedrongen op Portugees territorium. De dreigin-gen van de rivalen dienen te worden afgewend en daartoe moet Brazilië steviger in bezit genomen en krachtig verdedigd worden.

Als João III in 1548 ook nog het bericht bereikt dat Francisco Pereira Coutinho door de Indianen gedood en verorberd is, staat zijn besluit vast. Hij zal aan de Baía de Todos os Santos een nieuwe hoofdstad stichten vanwaaruit een centrale regering heel Brazilië zal besturen. Hiertoe zullen de bevoegdheden van de capitães-donatários ingeperkt dienen te worden. De man die hij op 7 januari 1549 benoemt tot de eerste governor-general van Brazilië en tevens tot capitão van Baía de Todos os Santos is Tomé de Sousa. een natuurlijke zoon van de Prior van Rates, een zijdelings familielid van João III en een neef van Martim Afonso de Sousa en van ’s konings belangrijkste adviseur, de graaf van Castanheira. Tomé de Sousa heeft de koning van 1527 tot 1534 gediend in Marokko, waar hij met de belegeraars van Arzila en Safi heeft gevochten. Hij staat zeer goed bekend. Gabriel Soares de Sousa (geen familielid) noemt hem een ‘fidalgo van eer, wijs, voorzichtig, en een moedig ridder van grote kwaliteit.

De vloot, waarmee Tomé de Sousa op 1 februari 1549 naar Baía uitzeilt, bestaat uit drie naus (kraken), twee caravelas (karvelen) en een bergantim (brigantijn); een flinke, maar geen bijzonder grote vloot in vergelijking met de vloten die jaarlijks naar Indië uitvaren. Aan boord zijn 600 soldaten, 400 degradados, onder wie vele nieuwe immigranten, verschillende hoge ambtenaren, specialisten op het gebied van de suikerproductie, timmerlieden, metselaars, een cementmaker, de bouwmeester Luís Dias, seculiere geestelijken en zes jezuïeten, onder aanvoering van Manuel da Nóbrega, de eerste provinciaal van de jezuïeten in Brazilië. De schepen hebben dakpannen, bakstenen, gereed-schappen en instrumenten voor de bouw van kleine vaartuigen aan boord. Om de Indianen te verlokken voor de Portugezen te werken neemt de vloot vishaken, spiegels, en kralen mee.

De schepen arriveren op 29 maart in Baía, waar de gouverneur begroet wordt door Diogo Ávares (Caramurú) en zijn grote familie. Diogo Álvares, met zijn 25 vrouwen en talloze kinderen, is inmiddels in Portugal zo bekend, dat de koning Tomé de Sousa een brief voor hem heeft meegegeven, waarin hij uitgeno-digd wordt een bezoek aan de vloot te brengen. De nieuwko-mers zijn verrukt van Brazilië. Nóbrega laat weten: ‘De heuvels lijken op tuinen en olijfgaarden.’ Direct na de landing wordt op de wal een groot kruis geplaatst en nemen de soldaten defen-sieve posities in, want de vijandige Indianen zullen niet ver uit de buurt zijn. De intocht van de gouverneur in Coutinho’s verwoeste hoofdstad Baía gaat met veel luister gepaard.

In het beroemde regimento, gedateerd 17 december 1548, geeft João III de volgende redenen voor het koninklijke ingrijpen:

  1. de dienst aan God en de Koning;

  2. het behoud en de verheffing van de capitanias;

  3. om orde te scheppen en de middelen te verschaffen om de (Braziliaanse gewesten) vooruitgang te brengen en veiliger te kunnen bevolken, ter bevordering van ons Heilig Geloof en de welvaart van mijn Koninkrijk, bezittingen en onderdanen.’

Tomé de Sousa’s regimento beperkt uitdrukkelijk de mate waarin hij zich als gouverneur mag mengen in de zaken van andere donatárias; hij mag daarbij de privileges en het gezag van de andere capitães niet aantasten. Hij is in de eerste plaats een van hen en dient hun hulp te vragen bij de verdediging van Brazilië tegen Europese indringers. In zijn eigen capitania heeft Sousa dezelfde rechtsmacht als de andere capitães in hun capitania, maar daarbuiten is hij de vertegenwoordiger van de Portugese kroon. De andere capitães zijn vrij de koning te schrijven en met hem te onderhandelen, maar zij mogen niet naar hem toe reizen. Zij dienen hun klachten te uiten bij ’s konings vertegenwoordiger.

De belangrijkste punten van Sousa’s regimento zijn:

  1. Baía moet uitgroeien tot de hoofdstad van heel Brazilië; Tomé de Sousa dient de stad uit te bouwen, waarbij de buitenwijken tot zes léguas van het centrum reiken.

  2. Het grondgebied van Baía wordt zoals voorheen verdeeld in sesma-rias. Zij die hun grond ontvlucht zijn genieten daarbij de voorkeur, als zij voor een langere periode willen terugkeren. De mensen die belast zijn met de bewerking van de grond, zijn verplicht het land in cultuur te brengen, zoals blijkt uit de regimentos van de capitães.

  3. Speciale aandacht dient te worden geschonken aan het opzetten van engenhos langs iedere rivier en waterloop. De ontwikkeling van deze plaatsen wordt uitgegeven in sesmaria aan personen die de noodzakelijke middelen hebben om de suikermolens gedurende een door de gouverneur te bepalen periode te exploiteren. Een van hen dient, onder zekere voorwaarden een klein fort te bouwen, niet alleen om de engenho maar ook om de kolonisten bescherming te bieden. Het privébezit van engenhos dient te worden aangemoe-digd, waarbij degene die de molen exploiteert de voorkeur geniet.

  4. Zodra in Baía orde op zaken is gesteld, dient de gouverneur de andere capitanias te gaan inspecteren. Hierbij laat hij zich verge-zellen door de ouvidor-geral (hoogste rechter), die juridische zaken afhandelt, en door de provedor-mor da fazenda (schatkistbewaar-der), die fiscale zaken regelt. Sousa’s speciale aandacht verdienen bestuurlijke zaken en de verdediging.

  5. In alle steden en dorpen dient minstens eenmaal per week markt te worden gehouden, zodat heidenen en christenen handelsrelaties met elkaar kunnen onderhouden. Het is Europeanen verboden het binnenland in te gaan om handel te drijven met de inheemsen. De capitães en de governor-geral mogen alleen in uitzonderingsgeval-len van dit verbod ontheffing verlenen. In dat geval is het verboden Indianen te bedriegen of de vrede in gevaar te brengen.

  6. Het belangrijkste motief van João III om Brazilië te bevolken is zijn wens de inheemsen het christendom te brengen. De governor-geral dient te bezien met welke middelen dit doel het best bereikt kan worden. Geen middel mag onbeproefd blijven om de Indianen te ‘prikkelen’ zich te bekeren. Zij dienen daarom door de Portugezen goed te worden behandeld. Europeanen die schuldig blijken te zijn aan onderdrukking van de Indianen of die hen anderszins niet goed behandelen, dienen streng te worden gestraft.

  7. De governor-general en de andere capitães worden verzocht prijzen vast te stellen van alle exportproducten en van uit Portugal ingevoer-de goederen. Deze prijscontrole is noodzakelijk om misverstanden en misdaden te voorkomen.

  8. Bij de inspectie van de capitanias moet Tomé de Sousa zich ervan vergewissen hoe de ambtenaren die belast zijn met het incasseren van de opbrengsten voor de kroon, zich van hun plichten kwijten. Als er in een capitania geen plichtsgetrouwe ambtenaren zijn, dient hij met de capitão na te gaan hoe dit tekort kan worden opgeheven, waarbij hij altijd het regimento van de capitão dient te respecteren.

  9. De koning is ervan op de hoogte dat overal langs de kust van Brazilië slavenhalers actief zijn. Enige kooplieden zijn zo brutaal dat verbod te negeren en blijven slaven in de verschillende capitanias verkopen. Dit is de belangrijkste reden waarom veel inheemsen tegen de Portugezen in opstand komen. João III is vastbesloten aan deze praktijken, hoe dan ook, een einde te maken. Daarom verbiedt hij het bouwen van ieder soort vaartuig voor particuliere handelaren, tenzij de governor-general hiervoor toestemming heeft gegeven.

  10. Er mogen geen wapens aan de Indianen worden verkocht en zeker geen artillerie en andere vuurwapens. Dit verbod is in lijn met het algemene verbod, dat alle christenen bindt, geen wapens en ander oorlogsmateriaal aan de ongelovigen te verkopen. Zowel de wetten van de kerk als die van de staat nemen dit verbod strikt in acht.

  11. De verdediging van Brazilië is een plicht die op iedereen rust. Iedere stad, ieder dorp en engenho moet met een muur omgeven en goed gefortificeerd zijn. Alle capitães moeten in hun capitania de beschik-king hebben over musketten en artillerie, om iedere situatie het hoofd te kunnen bieden. Iedere kolonist en iedere eigenaar van land, waterloop of schip moet op dezelfde manier bewapend zijn. Deze wet wordt gehandhaafd onder bedreiging met verschillende straffen. De uiteindelijke beslissing omtrent de straf zal genomen worden door de provedor-mor da fazenda.

  12. Kolonisten mogen hun capitania verlaten om zich in een andere capitania te vestigen, maar alleen met permissie van de capitão, om te voorkomen dat misdaden ongestraft blijven en misdadige kolonisten uitwijken naar een andere capitania.

  13. Het is noodzakelijk een strijdmacht achter de hand te houden, voor de beveiliging van de Braziliaanse kust. Daartoe dient er steeds een flottielje klaar te liggen dat direct zee kan kiezen, om indringers op elk moment het hoofd te kunnen bieden. De gouverneur en de capitães dienen zich te bezinnen op de wijze waarop deze schepen het best onderhouden kunnen worden. De defensieuitgaven zijn voor gezamenlijke rekening. Zodra er nieuws ontvangen wordt over activiteiten van piraten dient dit direct aan de gouverneur te worden gemeld. Hij komt, naar gelang de omstandigheden, direct in aktie.

  14. Alle naar Brazilië verbannen misdadigers die aantonen zich daar goed te gedragen kunnen, met toestemming van de governor-geral, in een lage ambtelijke rang worden benoemd. Dit geldt zowel voor lieden die in dienst zijn van de koning, als voor hen die werkzaam zijn in een capitania. Zij die veroordeeld zijn voor diefstal of oplich-ting zijn van deze mogelijkheid tot gratie uitgesloten.

  15. Er zal geen oorlog tegen de inheemsen worden gevoerd wegens misdaden en beledigingen uit het verleden, als zij daarover berouw tonen. Hun onwetendheid ontheft hen grotendeels van hun verant-woordelijkheid. Het is ’s konings wil dat zij zich bekeren, zij dienen te worden overtuigd en aangelokt en niet te worden afgestoten.

  16. Enige kortgeleden in Portugal afgekondigde wetten tegen ‘overcon-sumptie’ verbieden het dragen van kleding die in overdreven mate bestaat uit zijde, brocaat of andere luxe stof. Deze wetten gelden evenzeer in Brazilië.

  17. Voor de verheffing van toekomstige generaties adviseert de koning gekerstende Indianen apart van de heidenen te doen wonen. Zij dienen in de nabijheid van dorpen en steden te leven, opdat zij lang-zamerhand geciviliseerd raken en hun kinderen kunnen worden opgevoed, zodat hun gewoonten en gebruiken zich op den duur zullen wijzigen. Tomé de Sousa moet de scheiding van gekerstende en heidense Indianen in de koninklijke capitania Baía direct door-voeren en hij dient de andere capitães te laten weten dat de koning het zeer op prijs stelt als deze politiek elders wordt nagevolgd.

De hoogste ambtenaren die de koning met Tomé de Sousa naar Brazilië heeft meegezonden zijn: Pero Borges, ouvidor-geral en António Cardoso de Barros, provedor-mór da fazenda, die zijn eigen donatária in Ceará niet in bezit heeft genomen. Zij hebben een eigen regimento ontvangen. Het regimento van de provedor-mór da fazenda bevat onder meer de volgende punten:

  1. Direct na aankomst dient hij in alle capitanias zorgvuldig inlichtingen in te winnen over hetgeen aan de kroon toekomt en wat niet; in elke capitania moet hij vaststellen wat er aan artillerie en bijbehorende ammunitie aanwezig is en moet hij onderzoeken wat daarvan aan de kroon toebehoort.

  2. Hij dient in Baía een douanekantoor te bouwen en de werkzaamheden goed te organiseren. Daarenboven moet hij een Casa dos Contos, stichten. Daarin dienen de financiële documenten van de capitanias te worden bewaard. Het gaat daarbij in het bijzonder over belasting-heffing, uitgaven, contracten, namen en voornamen van allen die in dienst van de koning zijn, alsmede hun salarissen, enz. Beide instel-lingen: het douanekantoor en de Casa dos Contos, dienen voorzien te worden van bekwame en doeltreffend werkende beambten.

  3. Alle discussies over het aandeel van de koning en andere fiscale aangelegenheden, die in een of andere capitania rijzen, worden beslecht door de provedor-mór da fazenda.

  4. Aangezien suiker het beste en belangrijkste product van Brazilië is, is het vanzelfsprekend noodzakelijk de kwaliteit daarvan op een hoog peil te handhaven. De provedor-mór bewaakt dit peil en hij benoemt een deskundige op dit gebied, die verantwoordelijk wordt gehouden voor de hoge kwaliteit van de Braziliaanse suiker.

Ofschoon nergens uit het het regimento van Tomé de Sousa blijkt dat het de bedoeling is de capitanias te onderwerpen aan een centraal gezag, beperkt dit regimento toch de macht van de capitães, zoals deze ongetwijfeld zullen hebben begrepen. De capitães accepteren dit, omdat het kennelijk de prijs is die zij voor de koninklijke hulp moeten betalen. Alleen Pernambuco is welvarend genoeg om Duarte Coelho de hulp te kunnen doen afslaan, om zijn autonomie, die vastgelegd is in zijn zijn carta de doação te kunnen bewaren. Toen Coelho had vernomen dat er een governo-general zou worden ingesteld, heeft hij in een zeer vrijmoedige brief aan João III zo furieus geprotesteert tegen de aantasting van zijn autonomie, dat de koning Tomé de Sousa, zeer tegen diens zin, heeft gelast Pernambuco bij zijn inspectie over te slaan. De andere capitães dient hij van zijn aankomst op de hoogte te stellen, onder toezending van een afschrift van zijn regimento. Hij dient hen ook hulp toe te zeggen als een beroep op hem wordt gedaan. Sousa is evenzeer bevoegd de Indianen die Francisco Pereira Coutinho hebben gedood, te tuchtigen en beloningen te geven aan de Portugezen welgezinde Indianen.

Al in augustus 1551 wordt, onder leiding van Luís Dias, een begin gemaakt met de bouw van de nieuwe hoofdstad São Salvador, op een door de nieuwe gouverneur uitgekozen plek. De stad zal verrijzen aan de Baía de Todos os Santos, op een circa 100 meter hoge heuvelrug, waar een koele zeebries waait en het uitzicht op de baai schitterend is. Tomé de Sousa zet iedereen aan het werk bij de bouw van São Salvador, waarbij hij zelf het goede voorbeeld geeft. In twee maanden zijn al 100 huizen gebouwd. De muren zijn opgetrokken uit gedroogde klei, waarin de stengels van suikerriet zijn verwerkt; de daken zijn met stro bedekt. De huizen zullen blijken niet bestand te zijn tegen tropische regenbuien en harde wind, maar er is een begin gemaakt. Rond de stad wordt een omwalling opgetrokken van hetzelfde materiaal, dat extra verstevigd is met de keiharde mangroventakken. De openbare gebouwen, waaronder het stad-huis, de wapenopslagplaats, een groot pakhuis, het Casa dos Contos, het douanekantoor en de gevangenis, worden opgetrok-ken uit baksteen bedekt met een pleisterlaag. Hun daken zijn met dakpannen bedekt. Er wordt zelfs een kathedraal gebouwd, hoewel de eerste bisschop pas over drie jaar zal arriveren. De eerste bestuursdaad van de Senado da Câmara (gemeente-raad), waarvan de vereadores (leden) waarschijnlijk door een zeer kleine elite zijn verkozen, is het afkondigen van de viering van de feestdag van Corpus Christi op 13 juni. De bevoegdhe-den van de Câmara liggen vast in de Ordenações do Reino, welke wetgeving ook overzee geldt. Het gildenwezen, dat in Portugal gereglementeerd is door de Corporações de Mesteres, is in Brazilië van weinig betekenis, omdat het meeste handwerk wordt verricht door slaven.

Ofschoon Brazilië een vruchtbaar land is, dat al snel grote hoeveelheden citrusvruchten en vijgen voortbrengt, kunnen de Europeanen er niet overleven zonder de zuivelproducten, het vlees en de werkkracht van huisdieren. De kleine door Tomé de Sousa meegebrachte veestapel, wordt in 1550 en 1551 aange-vuld, door de aanvoer van vee met het karveel Golga vanuit de Kaapverdische eilanden. In december 1550 verkoopt Tomé de Sousa vier koeien en een jonge stier à 2.000 reais per stuk aan onder meer García d’Ávila, zijn criado (huisknecht). In juli 1552 verkoopt García d’Ávila twee jonge trekstieren aan de gouver-neur, wellicht de eerste verkoop van vee door de man die eige-naar zal worden van grote kudden en die de bouwer zal worden van een torre, een paleisachtig fort, dat hem zijn titel Senhor da Torre zal opleveren. In 1552 bezit hij al bijna 200 runderen, naast varkens, geiten en merries. García d’Ávila krijgt steeds meer land, onder meer zes léguas, in eeuwigdurende sesmaria van de graaf van Castanheira. Zijn afstammelingen bezitten duizenden vierkante mijlen en veestapels van duizenden dieren langs de Rio São Francisco. Terwijl de fortuinlijken, fidalgos en andere geprivilegieerden, moeiteloos grondstukken in sesmaria ontvangen ter grootte van negen vierkante mijl en meer, moet de gewone man het met heel wat minder doen. In 1552 reserveert de Senado da Câmara drie léguas langs de kust en twee léguas langs de Rio Vermelho voor pastos baldios, dat wil zeggen percelen die door een aantal kolonisten gezamenlijk worden bewerkt en waarvan zij (en hun gezinnen) moeten leven. Ook de lagere ambtenaren die in de verschillende capitanias worden ingezet, behoren bepaald niet tot de geprivilegieerden; hun salaris is zo laag dat zij dit wel moeten aanvullen met steek-penningen. Bij de vaststelling van hun salaris is ervan uitgegaan dat zij zich zouden laten omkopen door degenen die van hun diensten gebruik zouden maken. Zo wordt de basis gelegd voor een onderbetaald bestuursapparaat, bestaande uit corrupte, onverschillige en inefficiënt werkende ambtenaren.

In 1549 is Pero Lopes de Góis als capitão-mór van het kustbe-wakingseskader naar Brazilië teruggekeerd. Hij moet de Franse indringers de op vele plaatsen langs de kust pau-brasil laden, ver-jagen. Daartoe beschikt hij over twee karvelen en een brigantijn, waarmee hij het moet opnemen tegen soms zwaarbewapende Franse schepen tot 200 ton. In november van dat jaar schepen ouvidor-geral Pero Borges en provedor-mór da fazenda António Cardoso de Barros zich bij hem in, om hun inspectietocht langs de capitanias te beginnen. De inspectiereis, die in Baía begint, gaat in zuidelijke richting, omdat Pernambuco op last van de koning met rust gelaten dient te worden. (Als António Cardoso zich later toch in Pernambuco vertoont, krijgt hij het direct met Duarte Coelho aan de stok en vertrekt met de staart tussen de benen. Coelho legt met zijn verzet de basis voor Pernambuco’s rebelse houding tegenover koninklijk en later republikeins cen-traal gezag, dat tot op de dag van vandaag voortbestaat.) Uit de rapporten van de inspecteurs blijkt dat zij misstanden aan het licht brengen. Pero Borges treft misdadigers in gemeenteraden aan en in Ilhéus en Porto Seguro zijn rechters aangesteld die analfabeten blijken te zijn. Er blijken ook spanningen te bestaan tussen de jurisdictie van de kerk en die van de staat. Frei João Bezerra, die zo’n kwalijke rol heeft gespeeld in Baía, Ilhéus en Porto Seguro, biedt bescherming aan een gevluchtige misdadi-ger. Het tweetal leeft temidden van de Indianen. De vluchteling wordt gearresteerd, maar de priester wordt ongemoeid gelaten.

Pero Lopes de Góis laat in São Vicente de ouvidor en de provedor achter en gaat op jacht naar Franse indringers. Hoewel zijn twee karvelen en zijn brigantijn onderbemand zijn en zijn acht kanonniers niet met het geschut overweg kunnen en geen zeelui zijn, laat Pero Lopes zich niet ontmoedigen. Overal hoort hij geruchten over Franse activiteiten. In de Baía de Guanabara en bij Cabo Frio, welke streken rijk zijn aan brazielhout, zijn zij zeer actief. Bij Cabo Frio treft Góis een zwaar bewapend Frans galjoen van 200 ton, geladen met brazielhout. Góis gaat met één karveel en met de brigantijn in de aanval, omdat het andere karveel uit zicht is gezeild. Hij laat 50 schoten op het galjoen ‘hoog als een toren’ afvuren, maar geen schot treft doel. De wind verdrijft de aanvallende schepen. Waarom de kapitein van het galjoen niet heeft teruggeschoten, is een raadsel. Góis vindt het tweede karveel terug in Espirito Santo. Hij ontslaat de kapi-tein, wat later door Tomé de Sousa wordt bekrachtigd. Zodra Góis in Baía aankomt, vraagt hij om bekwame kanonniers, maar Sousa antwoordt dat de koning hem heeft laten weten dat kanonniers in Brazilië getraind dienen te worden, omdat Portugal een tekort aan getrainde mensen heeft. Góis heeft twee Fransen in Baía de Guanabara gearresteerd. Sousa laat João III weten dat de ene een goed te gebruiken tolk is en dat hij de ander kruisbogen en andere wapens laat vervaardigen. De Fransen zullen nog een eeuw aan de kust van Brazilië blijven. Góis rapporteert aan Tomé de Sousa, dat er in Baía de Guanabara zoveel Franse schepen zijn dat hij ze niet heeft kunnen verjagen en Luís Dias schrijft in 1551: ‘Gedurende het jaar 1550 zijn vijf of zes schepen verloren gegaan, met inbegrip van de schepen die door de Fransen genomen zijn.’

De mogelijkheid goud of zilver in het binnenland te vinden blijft de Portugezen intrigeren en zij zijn bereid de Indianenverhalen daarover te geloven. Duarte de Lemos, die toch weer naar Porto Seguro is teruggekeerd, beweert dat Peru vanuit zijn capitania, dat op dezelfde breedtegraad ligt, gemakkelijk te bereiken is. De Spaanse ‘farmaceut en astroloog’ Felipe Guillén, naar verluid de uitvinder van een soort astrolabium, heeft enige Indianen,’ die leven langs de grote rivier,’ gesproken. Zij hebben hem verteld over een ‘heldere, glanzende berg,’ die de Indianen ‘de zon van de aarde’ noemen. Guillén heeft het ook over smaragden en andere edelstenen. Tomé de Sousa zendt een expeditie, onder bevel van Miguel Henriques, op onderzoek uit. Zij vertrekt op 5 november 1550 tijdens stormweer om via de Rio São Francisco, met zijn veelbelovende brede monding, tot het binnenland door te dringen. Als Miguel Henriques zeven maanden later nog niet is teruggekeerd, schrijft Tomé de Sousa aan João III dat de expeditie schipbreuk heeft geleden.

Tezamen met Tomé de Sousa zijn de eerste jezuïeten: Manuel da Nóbrega, Leonardo Nunes, João de Azpilceuta Navarro en nog een vierde pater, alsmede twee broeders in Brazilië aange-komen. Manuel da Nóbrega, de eerste provinciaal in Brazilië, is de zoon van een hoge functionaris aan het Portugese hof. Hij heeft in Coimbra en Salamanca rechten en theologie gestudeerd en nadat hij vergeefs naar een academische post had gesollici-teerd, is hij in 1544 tot de Sociëteit van Jezus toegetreden. In 1550 komen nog vier jezuïeten naar Brazilië; zij brengen zeven weesjongetjes mee. Die moeten behulpzaam zijn bij de bekering van de Indianen door snel de Tupi-taal leren. De jezuïeten stich-ten in diverse plaatsen een colegío voor de ‘Meninos de Jesus,’ waar de kinderen (blijkens de naam vooral jongens) van reeds gekerstende en in aldeias (dorpen) levende Indianen, tezamen met de Portugese jeugd onderricht ontvangen. Slechts een klein deel van de Braziliaanse bevolking profiteert van dit onderwijs. Kinderen van het blanke proletariaat, slaven, vrijgemaakte slaven en niet-gekerstende Indianen blijven hiervan verstoken. Naar schatting heeft niet meer dan één procent van de Indiaanse bevolking van dit onderwijs genoten. Onderwijs heeft in de Portugese koloniën nooit een hoge prioriteit gehad; Brazilië heeft in de koloniale tijd zelfs nooit een eigen universiteit gehad.

Al in april 1549, een paar weken na zijn aankomst in Brazilë, bezoekt Nóbrega de stad Vila Velha. Hij wordt daar enthousiast door 50 landgenoten verwelkomd, maar is zeer verstoord als hij hoort hoe missionarissen, die de jezuïeten zijn voorgegaan, leven. Hij concludeert dat kennelijk ook van de geestelijkheid het ‘uitschot’ naar Brazilië komt. Hij ervaart ook al snel dat deze priesters de Indianen wel erg oppervlakkig hebben bekeerd. De Indianen blijken het gedrag van de blanken tijdens de eredienst perfect te kunnen imiteren, zonder dat zij enige notie hebben van de betekenis van de rituelen. Pater Navarro, een grande lingua, vertaalt de belangrijkste gebeden in het Tupi en pater Vicente Rodrigues start met het onderwijs aan de Tupiniquins. Hij werpt ook de vraagstukken op als ‘het eten van mensenvlees en het hebben van meer dan één vrouw.’ Er zijn tal van tekenen dat enige missionarissen die in Brazilië werkzaam zijn voordat de jezuïeten daar in 1549 aankomen, hun missiewerk zeer serieus hebben genomen. Denkbaar is dat de jezuïeten daarvoor te weinig waardering hebben, om zelf met de eer te kunnen gaan strijken.

Manuel de Nóbrega en António Pires gaan naar Pernambuco, waar donatário Duarte Coelho hen verwelkomt. Zij constateren dat de blanken zich daar promiscue gedragen met de Indiaanse meisjes en dat ook seculiere priesters er met concubines leven. Als de blanken dit slechte voorbeeld geven, is het voor de jezuïeten wel erg moeilijk aan de Indianen monogamie te prediken. Coelho wenst de jezuïeten succes en geeft hun toe-stemming zich in Pernambuco te vestigen, op een heuvel, naast een al bestaande kerk. Nóbrega vertrekt in 1552 naar Baía en laat de bouw van een kerk en een colégio over aan António Pires. Ondanks dat er op dat moment niet meer dan tien jezuïeten in Brazilië zijn, zendt Nóbrega, die over uitstekende leiderscapaciteiten beschikt, jezuïeten naar alle capitanias. Gouverneur-generaal Tomé de Sousa is een fervent aanhanger van de jezuïeten en de waardering is wederzijds. Nóbrega merkt over hem op: hij is ‘een door God gezonden leider.’ Ofschoon al in 1549 een vicaris voor Brazilië is benoemd en deze, in de persoon van Frei Manuel Lourenço, in december van dat jaar in Baía een kerk heeft gesticht, zou Nóbrega gaarne zien dat er een bisschop naar São Salvador zou komen, mits deze is opgewassen tegen de verleidingen van het land. Nóbrega pleit ook bij voortduring voor het zenden van goede kolonisten, die Brazilië kunnen ontwikkelen en hij laakt de deplorabele houding van veel blanken, wier leven zich op een laag moreel niveau afspeelt. Zij hebben een overvloed aan steeds wisselende con-cubines en slapen ook met hun slavinnen. Zij verklaren hun gedrag uit het ontbreken van huwbare blanke vrouwen. Nóbrega meent dat als de negros, zoals de Indianen algemeen genoemd worden, geen kannibalen zouden zijn, zij een beter leven zouden leiden dan veel blanken Een voorbeeld van blanke verdorven-heid is de beruchte Frei João Bezerra, die ten onrechte een opperhoofd doodt, waarna zijn zonen een opstand ontketenen.

Nóbrega vraagt vaak hulp uit Portugal. Hij heeft slaven nodig om voedsel te verbouwen en vis te vangen voor zijn in aldeias levende Indiaanse kinderen. Hij wil ook katoen aanplanten, die in Portugal verwerkt kan worden tot kleding, zodat de gekerstende Indianen ten minste hun vergonhas (schaamdelen) kunnen bedekken. Hij vraagt een broek voor iedere vrouw, zaaizaad en gereedschappen. Ook blaasinstrumenten zijn zeer welkom; de jezuïeten hebben namelijk ervaren dat de Indianen dol zijn op plechtige processies, waarbij op trompetten en tuba’s wordt geblazen. Na enkele jaren zijn er al 600 of 700 catecumenos, die zich op het doopsel voorbereiden. Niet iedere jezuïet denkt dat de bekeringen blijvend zijn. Francisco Rodrigues oordeelt dat de geloofsijver van de Indianen ‘niets anders is dan de zucht naar het dragen van kleding en naar het doopsel.’ Natuurlijk moeten de jezuïeten bij hun missiewerk ook tegenslagen incasseren. Sommige catecumenos haken af en keren terug naar hun stam, waar zij de paters als tirannen afschilderen en andere keren terug naar de banketten waar mensenvlees op het menu staat.

Wat de jezuïeten blijft ergeren is het verval van zeden onder de blanken. Als Nóbrega enige aldeias bezoekt doet hij een nieuwe ervaring op. De daar wonende priesters, die evenals de andere blanken in concubinaat leven, zijn gewoon hun concubines te dopen, alsvorens zij hen beslapen. De jezuïeten blijven zich verzetten tegen veelwijverij en het samenwonen van priesters met vrouwen, maar zij zijn noodgedwongen geneigd het concu-binaat tussen een blanke man en een gekerstende Indiaanse door de vingers te zien, in de hoop dat beiden nog eens in de echt verbonden zullen worden. Vanzelfsprekend kan er alleen van acceptatie sprake zijn, als de man niet ook een gezin heeft in Portugal en zijn verhouding met de bekeerde ‘negra’ mono-gaam is, wat zelden het geval zal zijn, omdat promiscuïteit nu eenmaal een element is van de Indiaanse cultuur en dit cultuur-element gemakkelijk door de blanke mannen is overgenomen. Nóbrega blijft daarom vragen om ‘moradores (kolonisten) die van het land houden en het bebouwen’ en niet om lieden ‘wier hart in Portugal is.’

Nóbrega wil ook ‘slaven van Guinée’ ontvangen, om hen op de boerderij en in de katoenvelden te laten werken. Later zal hij Simão Rodrigues de Azevedo schrijven dat de voor het colégio bestemde slaven door de slechte behandeling tijdens de overtocht naar Brazilië gestorven zijn en dat alleen de koeien veilig zijn aangekomen. Hij vraagt opnieuw om drie of vier slaven voor het Colégio de Jesus da Baía, te betalen met onbewerkte katoen. De ervaring met de Indiaanse slaven is niet zo best. Zij leven in gezinsverband op de boerderij, maar de vrouwen doen al het werk, terwijl de mannen zich met weinig meer bezighouden dan met vissen en jagen. Dat de jezuïeten het de eerste jaren in Brazilië heel moeilijk hebben blijkt uit Nóbrega’s mededeling dat zij soms bedelend van deur tot deur gaan. De paters hebben het niet begrepen op oudere Indiaanse vrouwen, die zij zien als de drijvende krachten achter het roosteren en consumeren van vijanden en die heel wantrouwend tegenover de missionarissen staan. Nóbrega vraagt ook of er een tamborileiro (tamboerijn-speler) en een gaiteiro (fluitspeler) naar Brazilië gestuurd kunnen worden, omdat dan geen enkel opperhoofd zal nalaten zijn kinderen naar het colégio te zenden.

Als op 22 juni 1552 bisschop Pedro Fernandes Sardinha, na een reis van drie maanden, in Baía land, is Nóbrega aanvankelijk daarover zeer verheugd, want hij smacht al lang naar de komst van een goede bisschop, om de zondige blanken op hun slechte levenswandel te wijzen. Al snel blijkt dat de bisschop hopeloos autoritair is en dat hij bovendien niet bestand is tegen de ‘verlei-dingen van dit land.’ Er rijzen verschillende problemen met de bisschop. Nóbrega is gewend de biecht te horen met behulp van een tolk, als de Indianen geen of slecht Portugees spreken, wat zelfs het geval is met de (eerste) vrouw en de kinderen van Diogo Álvares (Caramurú). Sardinha keert zich hiertegen. In Brazilië plegen blanken en Indianen door elkaar in de kerk te zitten. Ook hierover ontstaan moeilijkheden. Sardinha laat de vicaris van São Salvador eens tien dagen opsluiten in de gevan-genis, wegens ongehoorzaamheid, zonder dat duidelijk is wat hij precies heeft misdaan en hij is niet de enige priester die dit lot treft. Sardinha is ook van mening dat het sacrament van het doopsel moet worden geweigerd aan Indianen die naakt lopen. Vanzelfsprekend hebben de jezuïeten er moeite mee dat kinde-ren van Indiaanse slaven worden verkocht als vee. De meeste priesters hebben zich niet tegen deze praktijken gekeerd, maar hebben de andere kant opgekeken. Nóbrega legt dit ethische probleem voor aan de letrados van de Universiteit van Coimbra, maar hij krijgt geen antwoord. Ook van Sardinha heeft hij niets te verwachten, want deze rekent de Indianen niet tot zijn kudde.

Tomé de Sousa acht de zaken in Baía eind 1552 dermate goed geregeld, dat zijn afwezigheid te rechtvaardigen is. Hij besluit, zoals zijn regimento voorschrijft op inspectiereis naar de andere capitanias te gaan. Wat hem daar wacht, weet hij niet, omdat er bijna geen onderlinge contact tussen de verschillende capitanias is. In het eerste jaar van Sousa’s verblijf in Baía heeft niet één schip uit Recife, Espírito Santo of São Vicente de haven aange-daan. In 1552 schrijft Francisco Pires s.j. er komen meer schepen uit Portugal dan uit een andere capitania. Nóbrega bevestigt deze waarneming in 1553 vanuit São Vicente met de opmerking: ‘Het is gemakkelijker om een bericht uit Lissabon te krijgen dan uit Baía.’ Een van de oorzaken daarvan is dat de kust van Brazilië heel vaak slecht te bezeilen is zonder hulp van roeiers, maar daarvoor zijn de meeste schepen weer te groot. Ondanks de zeilproblemen vaart de gouverneur uit. Zijn vriend Nóbrega vergezeld hem, om een bezoek te brengen aan de jezuïeten in de andere capitanias en hij wil daar ook aldeias en colégios stichten. Sousa laat Duarte Coelho in Pernambuco met rust, zoals hem is bevolen en zeilt eerst naar Ilhéus. Ofschoon hij een bloeiende kolonie aantreft, ontslaat hij de alcaide-mór, die dienst doet als capitão, omdat deze cristão novo is aangeklaagd bij de Inquisitie. Meer naar het zuiden bezoekt Sousa in Porto Seguro de befaamde Pero Campo de Tourinho, die het onder-zoek van de Inquisitie naar zijn beweerde ketterij en blasfemie heeft overleefd. Hij overleeft ook Sousa’s inspectie. Nóbrega is minder tevreden. In Ilhéus en Porto Seguro behandelen de cor-rupte blanken de vreedzame Tupiniquins als ‘honden’ in plaats van dat zij hun volgzaamheid benutten door hen de christelijke leer te onderwijzen. In Espirito Santo, waar Sousa op koninklijk bevel de zaken weer op orde moet brengen, treft hij capitão Vasco Fernandes Coutinho, kort voordat deze er de brui aan geeft en uitwijkt naar Baía. Coutinho wordt in Baía door Sardinha geëxcommuniceerd, wegens ‘het drinken van rook.’ Hij heeft, zoals zoveel blanken, het gebruik van tabak van de Indianen overgenomen. Luís de Góis zal het roken spoedig in Portugal introduceren en pater André Thevet (over wie later) neemt het nieuwe genotmiddel mee naar Frankrijk. De naam Jean Nicot. Frans ambassadeur in Portugal, is eeuwig met roken verbonden.

Tomé de Sousa slaat de verlaten capitania São Tomé aan de Rio Paraíba over. De capitão daarvan, Pero Lopes de Góis, comman-deert nu het eskader, waarop Sousa en Nóbrega zeilen. Ook Baía de Guanabara (Rio de Janeiro) wordt overgeslagen, omdat er geen capitania is en de Tamoios de Portugezen slecht en de Fransen goed gezind zijn. São Vicente is de volgende en laatste te inspec-teren capitania. Sousa is onder de indruk van de goede haven van Santos en hij bewondert de door zijn neef Martim Afonso de Sousa gestichte stad São Vicente. De kerk en de particuliere huizen en het jezuïtencollege zijn allemaal stenen gebouwen en in Bertioga is een stenen fort met kanon, onder bevel van de Duitse avonturier Hans Staden. Omdat Martim Afonso, die in Portugal leeft en een rijk en belangrijk man is, nog steeds formeel capitão van São Vicente is, durft Tomé de Sousa zich niet als gouverneur-generaal te laten gelden. Wel wil hij een kijkje nemen in de stad die Martim Afonso op het plateau van Piratininga, aan de oevers van de gelijknamige rivier, gesticht zou hebben. Pater Leonardo, die de in zonden levende blanken van São Vicente bekeerd zou hebben, laat weten dat er 14 of 15 léguas het binnenland in christenen, onder wie broeder Correia, verspreid onder de Indianen leven. Pater Leonardo, die als gids optreedt, kan zelfs geen spoor meer van de stad vinden. Afgezanten van de blanken in het binnenland vragen Sousa hen te komen bezoeken. Sousa verzamelt de restanten van de bewoners van de verdwenen stad en nieuwe kolonisten in een nieuwe nederzetting, Santo André da Borda do Campo, gelegen op de 1.000 meter hoge Serra do Mar. De governor-geral krijgt er ook lucht van dat de Spanjaarden, die zich in 1537 in Asunción hebben gevestigd. Via de Rio Paraguay en de Rio Paraná zijn doorgedrongen tot een gebied op korte afstand ten westen van São Vicente. Er is al sprake van een handelsroute langs de Rio Tieté naar de Paraná en via deze rivier naar Iguassú en vandaar wordt overgestoken naar Asunción. Hoe lang de handel al bloeit is niet duidelijk, maar in 1552 had het douanehuis van São Vicente al 100 cruzados uit deze handel van Spaanse kooplieden in kas. Sousa wil aan deze handel, die de Spanjaarden steeds verder naar het oosten trekt, een einde maken.

Er ontstaat een geschil tussen Tomé de Sousa en zijn vriend Nóbrega. De laatste wil 100 léguas landinwaarts een grote missie-post opzetten, om daarin de kinderen van de Indianen te onder-wijzen. Hij wil rond de missiepost de gekerstende Indianen onder-brengen in een grote nederzetting. Nóbrega en de zijnen zijn van oordeel dat hun prestige en hun missiewerk gefrustreerd worden door het slechte voorbeeld van de losbandig levenden blanken. Daarom willen zij ver van hen vandaag naar Paraguay, iets meer dan 100 léguas van de capitania, trekken. Zij denken dan nog steeds in gebied te zijn dat onder jurisdictie staat van de koning van Portugal. Sousa keert zich tegen dit plan. Hij vreest dat een grote stad in een gebied waar hij hoopt mijnen aan te treffen allerlei gespuis uit São Vicente zal lokken. Sousa, die het conflict met de jezuïeten diep betreurt, schrijft João III: ‘Zij beschouwen het als hun martelaarschap, dat ik hen opleg.’ Als Sousa naar Baía terugkeert, blijven Nóbrega en de andere jezuïeten in het zuiden achter. Nóbrega trekt enkele weken uit om een geschikte vestigingsplaats te zoeken en hij wil ook de route naar Paraguay verkennen, want hij heeft zijn plan nog niet opgegeven daar in de toekomst ook jezuíeten naar toe te sturen. Hij kiest ervoor zijn eerste missiepost in deze streken niet te ver van de kust te stichten. Op 29 augustus 1553 begint hij zijn activiteiten met 50 catechumenen. Op 25 januari 1554 wordt het colégio verplaatst naar een plek die São Paulo wordt gedoopt. De nederzetting groeit snel en absorbeert spoedig Santo André da Borda do Campo. De jezuïeten hebben in São Paulo geen inmenging te vrezen van de moeilijke bisschop van Baía, van de vriendelijke, maar autoritaire gouverneur en van de capitão van São Vicente.

Gouverneur Tomé de Sousa keert op 1 mei 1553 uit São Vicente in Baía terug en kort daarna, op 13 juli, draagt hij het bestuur over aan zijn opvolger Dom Duarte da Costa. Hij heeft gevraagt terug te mogen keren naar Portugal om zijn vrouw terug te zien en het huwelijk van zijn dochter te regelen. Nóbrega, die hem ‘een grote zegen voor het land’ heeft genoemd, had hem gaarne zien blijven. Sousa vertrekt met zeer tegenstrijdige gevoelens uit zijn geliefde Brazilië.

2.4 Defensie en ontwikkeling; gouverneur Duarte da Costa.

Categorieën
Portugees kolonialisme

De capitanias. Het begin van de kolonisatie van Brazilië

Deel 8 Index

Hoofdstuk 2.

Het begin van de kolonisatie van Brazilië

2.2. De capitanias

Geschreven door Arnold van Wickeren

Nadat Martim Afonso de Sousa in 1533 uit Brazilië is terug-gekeerd wordt besloten Brazilië op grote schaal te gaan koloni-seren, iets wat Cristovão Jacques al in 1529 heeft voorgesteld. Ook Diogo de Gouveia, die aan de Sorbonne doceert, adviseert verschillende delen van de Braziliaanse kust te koloniseren om te voorkomen dat de Fransen daarvan bezit nemen. In 1534 ver-deelt João III de kust van Brazilië in vijftien delen variërend van 30 tot 100 léguas, zonder dat de omvang daarvan landinwaarts is gedefinieerd, omdat de ligging van de Tordesillas-lijn niet vast-staat. De grenzen tussen de capitanias worden gevormd door breedtelijnen vanaf de kust naar het binnenland. De vijftien gedeelten van Brazilië worden in erfelijke leen gegeven aan fidalgos, die de verkregen lenen (donatárias) – als capitão – op min of meer feodale wijze dienen te besturen. Iedere capitania berust op twee juridische documenten: de carta de doação (akte van begunstiging), waarin de rechten en plichten van de donatário (begunstigde) of capitão zelf zijn opgenomen, en de foral, die de aan de inwoners te verlenen voorrechten en op te leggen verplichtingen bevat. Het eerste document verleent de capitão een groot aantal voorrechten die gewoonlijk aan de kroon toevallen en die voor eeuwig worden verleend. De foral bevat de statuten krachtens welke iedere stad dient te worden bestuurd. De capitão is verplicht een bepaald percentage van zijn donatária binnen 20 jaar in sesmaria uit te geven aan kolo-nisten, waarbij de sociale klasse van de kolonist er niet toe doet, mits hij maar rooms katholiek is. De houder van een sesmaria is verplicht de grond binnen meestal twee jaar in cultuur te brengen en na zekere tijd wordt hij daarvan eigenaar. Andere landerijen behoren aan de capitão; hij behoeft de grond niet uit te geven in sesmaria, maar hij dient deze wel in cultuur te (laten) brengen. Een houder van een sesmaria betaalt geen belasting, met uitzondering van de dizimo (10%) aan de Orde van Christus. De voorrechten van de capitão zijn: het stichten van dorpen en steden en het uitvaardigen van statutes of wetten krachtens welke zij moeten worden bestuurd; het aanwijzen van een opperrechter, lagere rechters, bestuurders en ambtenaren; het heffen van 5% belasting op de opbrengst van vis en op al het geëxporteerde brazielhout, waarop de kroon het monopolie be-zit; het heffen van de redizima, zijnde 10% van de 10% rechten die voor bepaalde goederen betaald dienen te worden aan de Orde van Christus of aan de kroon; het bezitten van voldoende slaven voor het bevaren van de rivieren; het belastingvrij verko-pen van een aantal slaven in LIssabon; het bezit van het mono-polie op zout; watermolens, engenhos en andere fabrieken.

Vaak is toestemming van de capitão vereist voor het ontplooien van economische activiteiten, zoals het exploiteren van een watermolen, een engenho of een katoenspinnerij of -weverij en moet hem daarvoor worden betaald, op basis van de regels vastgelegd in de foral. Alles hangt af van de inhoud van de foral. De uitgifte van land door de capitão-donatário wordt geregeerd door de Ordenações das Sesmarias. Soms bezit de eigenaar van bepaalde in sesmaria verkregen landerijen het privilege daarop naar eigen inzicht bedrijven te bouwen. In het geval de sesmaria-concessie om niet is verkregen, geldt dit ook voor de industriële concessie. Noch de capitão-donatário, noch zijn vrouw of erfgenamen mogen houder zijn van sesmarias. De belangrijkste zorg van de capitão is voor zijn donatária, waarvan het grondgebied intact dient te blijven, zoveel mogelijk kolonisten aan te trekken. Zij mogen dit doel met gebruikmaking van alle middelen nastreven. Kolonisten mogen zonder verlof van de capitão vrij van belasting handeldrijven met de Indianen, wat alle anderen, Portugezen of buitenlanders, verboden is. Het is toege-staan dat kolonisten handeldrijven met kolonisten in een andere capitania danwel met het buitenland, zonder dat daarvoor belas-ting aan de capitão behoeft te worden afgedragen. Deze mag niet meer belasting heffen dan de foral hem toestaat. Pau-brasil mag slechts verhandeld worden met koninklijke toestemming en tegen betaling van belasting aan de kroon.

Toen de Portugezen voor het eerst in contact kwamen met de Indianen hebben zij al ervaren dat deze er geen enkele moeite mee hebben hun dochters en soms zelfs hun vrouwen aan hen aan te bieden. Dit is een gebruikelijk gebaar van gastvrijheid. Hoewel jaloezie sommige Indianen niet volstrekt vreemd is, bederft deze eigenschap de betrekkingen tussen de Portugezen en de Indianen nauwelijks. Waar de oorspronkelijke bewoners van Brazilië, die geen individuele eigendom van de grond ken-nen, meer moeite mee hebben, is dat de Portugezen exclusieve rechten laten gelden op land, visgronden, jachtgebieden en dat zij zelfs hun vrouwen en dochters opeisen, als die niet worden aangeboden. Ook de gewoonte van de blanken sommige van hen tot slaven te maken, is de Indianen vreemd. Hoewel zij aan-vankelijk de Portugezen verwelkomd hebben, keren sommige stammen zich al snel van hen af; zij raken bevriend met de Franse indringers. Portugezen en Fransen laten zich in hun onderlinge gevechten bijstaan door bevriende stammen. Maar op den duur keren ook zij zich af van de Europeanen, die zij verradelijk vinden.

De kolonisatie van verschillende capitanias, zal niet alleen bemoeilijkt worden door de vijandige houding van de Indianen, maar evenzeer door het vaak bijna ondoordringbare oerwoud, met zijn vele gevaren (krokodillen, piranhas, gifslangen en dode-lijke insecten) en het verstikkende klimaat. Bovendien is de extreme vruchtbaarheid van de bodem eerder een vloek dan een zegen. Tarwe, haver, rogge en rijst groeien zo snel dat de graan-korrels geen tijd hebben zich te ontwikkelen. Planten met veel bladeren, als pompoenen en komkommers, doen het wel goed.

De namen van de 15 capitanias, van zuid naar noord, tot aan de monding van de Amazone zijn: Sant’Ana, São Vicente, Santo Amaro, São Tomé, Espirito Santo, Porto Seguro, Ilhéus, Baía de Todos os Santos, Pernambuco, Itamaracá, Paraíba, Rio Grande do Norte, Ceará, Piaui en Maranhão. Een probleem is dat de capitães, met uitzondering van Pero Lopes de Góis, die met Martim Afonso de Sousa in Brazilië is geweest, geen flauw idee hebben van wat hen te wachten staat en voor sommigen draait de doação op een regelrechte teleurstelling uit. Hieronder wor-den de lotgevallen van de verschillende capitanias besproken.

De kuststrook van 28 1/3 graad ZB tot Macehé ten noorden van Cabo Frio is al in 1532 door koning João III toebedeeld aan de gebroeders de Sousa, waarbij hun gebieden elkaar afwisselen. Een strook van circa 40 léguas tot Paranaguá, later aangeduid als Sant’Ana, komt aan Pero Lopes, dan volgt São Vicente, dat aan Martim Afonso toevalt. Santo Amaro, een strook van 10 léguas, zich uitstrekkend van de grens van São Vicente tot aan de monding van de Inqueriqueré, valt weer toe aan Pero Lopes en het laatse stuk, liggend aan de Baía de Guanabara, later Rio de Janeiro genoemd, komt aan Martim Afonso. Pero Lopes heeft 50 léguas in het zuiden en nog 10 léguas in het noordelijke Itamaracá ontvangen, terwijl de kustlijn van Martim Afonso’s São Vicente en Rio de Janeiro bij elkaar 100 léguas lang is.

Pero Lopes heeft, nadat hij in 1532 voorgoed uit Brazilië vertrokken is, zijn capitanias niet tot ontwikkeling gebracht en zijn weduwe, Isabel de Gamboa, die na zijn overlijden in 1539, zijn rechten geërft heeft, onderneemt ook niets. Onbegrijpelijk is dat niet: in Sant’Ana zijn de Spanjaarden actief, omdat dit gebied bij of over de demarcatielijn ligt en het hachelijk is hen uit te dagen en Santo Amaro, waarvan de bewoners te lijden hebben onder aanvallen van de Tamóios, profiteert ten volle van de economische voorspoed van het naburige São Vicente.

In São Vicente verloopt de kolonisatie, waarmee Martim Afonso de Sousa al een begin heeft gemaakt, ondanks moeilijkheden voorspoedig. Het aantal vestigingen en engenhos stijgt. De moraal van de kolonisten die Martim Afonso heeft meegebracht, is beter dan die van de degradados die zich later in andere capitanias vestigen. Onder hen bevinden zich Jorge Ferreira, een edelman, die in het huwelijk treedt met een van de dochters van João Ramalho en die de stamvader wordt van een zeer voorname familie in São Paulo. Ook de drie Italiaanse Adorno-broers, zijn prominente lieden en worden stamvaders van grote Braziliaanse families. In 1536 wijkt een groep Spaanse en Portugese schipbreukelingen, meest avonturiers en criminelen, geleid door Rui Mosqueia, een deserteur van de vloot van Cabote, uit naar Iguapé, in het zuiden van São Vicente. Hier fortificeren zij zich. Pero Lopes de Góis en Rui de Pinto zijn met de weerbare mannen het achterland ingetrokken, om tezamen met João Ramalho een strafexpeditie tegen de Carijós-Indianen te organiseren. Op dat moment vallen Rui Mosqueia en de zijnen, geholpen door hun Indiaanse vrienden, de onverdedigde stad São Vicente aan. Zij verbranden huizen en openbare gebouwen met de archieven, wellicht om de sesmaria-akten te vernietigen. Als Pero Lopes de Góis en Rui de Pinto zijn terug-gekeerd, worden de aanvallers verdreven, met behulp van het stamhoofd Tibiriçá van Piratininga en Ramalho’s schoonvader.

In 1538, wanneer António de Oliveira de capitania São Vicente voor Martim Afonso de Sousa bestuurt, trekt de bloeiende capitania veel kolonisten uit Portugal. Er arriveren twee broers van Pero Lopes de Góis, van wie Luís de Góis, evenals sommige anderen, zijn vrouw en kinderen heeft meegebracht. De meeste kolonisten huwen echter Indiaanse vrouwen, of leven langdurig met een Indiaanse vrouw samen. Ook een zwager van Pero Lopes de Góis, Brás Cubas zoekt zijn geluk in Brazilië. Het is deze Brás Cubas uit Porto, die een zeer prominente rol zal spelen. Als vertegenwoordiger van Martim Afonso geeft hij leiding aan de defensie en ontwikkeling van de kolonie.

Een ander probleem is dat São Vicente bij hoog tij soms geteis-terd wordt door overstromingen. Een hevige ressaca spoelt het stadhuis, de pelourinho en de kerk weg. Het volk vist de klok-ken uit zee en hangt deze in de nieuw gebouwde kerk in een nieuw, hoger gelegen, São Vicente. Omdat de eerste haven is vernietigd, laat Brás Cubas in 1543 tussen de eilanden São Vicente en Santo Amaro een nieuwe haven aanleggen. Op zijn eigen sesmaria sticht hij een nieuwe stad. Als Cubas in 1545 door Martim Afonso tot waarnemend capitão is benoemd, schoeit hij het bestuur van São Vicente op een nieuwe leest. Hij sticht een Santa Casa da Misericórdia, bouwt de kerk van Nossa Senhora da Misericórdia en het Hospital de Todos os Santos, dat zijn naam geeft aan de stad Santos, waarin het nieuwe São Vicente later opgaat. Brás Cubas bevordert niet alleen de kolonisatie van het Ilha de São Vicente, maar ook die van het nabije vasteland en om dat te pacificeren, onderneemt hij enige heuse veldtochten tegen de Indianen. Cubas verdrijft ook twee Engelse galeien, onder bevel van Edward Fenton, uit de haven van Santos. Er ontstaat een nieuw Portugal in de Braziliaanse wildernis. In zijn brief van 12 mei 1548 rapporteert Luís de Góis aan de koning dat de capitania al zes engenhos, vele boerderijen, 600 inwoners en 3.000, meest Indiaanse slaven telt. São Vicente heeft het nadeel: dat de daar vervaar-digde suiker niet kan concurreren met die van het gunstiger gelegen Pernambuco. Over het aan de Baía de Guanabara, tussen Santo Amara en São Tomé gelegen deel van Martim Afonso’s capitania valt nog weinig te zeggen, behalve dat de natuurlijke omstandigheden voor kolonisatie er veelbelovend zijn.

De capitania Paraíba do Sul, destijds aangeduid als São Tomé of Campo dos Goitacases, omvat de 30 léguas kustlijn vanaf het noorden van Rio de Janeiro totaan het zuiden van Espirito Santo. Tot het gebied behoort ook de vruchtbare streek rond de benedenloop van de Rio Paraíba. Capitão-donatário van São Tomé is Pero Lopes de Góis, die al met Martim Afonso de Sousa naar Brazilië is gekomen en die, evenals zijn broer Luís de Góis tot 1536 een steunpilaar is van de Portugese gemeen-schap van São Vicente, waar hij de houder is van een sesmaria. Pero Lopes de Góis is, naast Duarte Coelho, de enige capitão die het land goed kent; hij kent de gehele kustlijn en heeft een tocht naar de sertão (het binnenland) geleid om opheldering te verkrijgen over het lot van de in 1531 uit Cananéia vertrokken expeditie naar de Andes, onder leiding van Pero Lobo Pinheiro. Als Pero de Góis in 1536 uit Portugal, waar hij zijn capitania in ontvangst heeft genomen, in Brazilië is teruggekeerd, stichten hij en zijn broer Vila da Rainha aan de monding van de Rio Paraíba; zij planten er suikerriet, dat zij uit São Vicente hebben meegenomen. In 1542 reist hij naar Portugal om iemand te vinden die geld in zijn plantages wil investeren. Daartoe blijkt de rijke koopman Martim Ferreira bereid, maar als Góis terugkeert, blijkt zijn capitania verwaarloosd te zijn. De kolonisten hebben tijdens zijn afwezigheid ruzie onder elkaar en met de Indianen gekregen en zij hebben de plantages in de steek gelaten. Pero Lopes de Góis kiest een nieuwe plek uit om zich te vestigen, aan de Rio Monage, op acht léguas van de kust. Met behulp van Vasco Fernandes Coutinho, de capitão van het aangrenzende Espirito Santo brengt hij zijn suikerrietplantages tot bloei. Góis huurt Coutinho in voor een cruzado per dag, om een engenho op te zetten. Hij legt een weg aan naar de kust en bouwt twee door paarden getrokken engenhos, de een voor hemzelf en de andere voor de houders van sesmarias. Hij belooft zijn geld-schieter in Lissabon 2.000 arrôbas suiker per jaar, zodra er – drie jaar na de aanplant van het riet – suiker geoogst kan worden. Góis en zijn mannen bezitten weinig Indiaanse slaven, maar hopen binnenkort slaven uit Afrika te kunnen kopen. Onder-tussen weet hij midden 1545 een overeenkomst te sluiten met de Goitacá-Indianen, die in deze streken leven en die gek zijn op mensenvlees. De toekomst voor de kolonie ziet er veelbelovend uit, maar binnen een jaar zal alles verloren zijn.

Degradados, die in Brazilië een nieuwe start kunnen maken maar van wie velen hun hedonistische levenswijze voortzetten, zeilen, onder leiding van een zekere Henrique Luís, met een karveel van Espirito Santo naar een haven in de capitania São Tomé en knopen daar illegale handelscontacten aan met de Indianen. Zij ontvoeren een opperhoofd, ‘een groot vriend van de christenen’ en eisen een losgeld voor zijn vrijlating, maar in plaats van de man vrij te laten leveren zij hem over aan de dichtstbijzijnde vijandige stam, die hem doden en gulzig consu-meren. De degradados ontkomen en laten de kolonisten van São Tomé met de gevolgen van hun wandaad zitten. De voor-heen vriendelijke Indianen zijn zo verontwaardigd dat zij bij her-haling de kolonie van Góis binnenvallen; zij steken de suikerriet-plantages in brand en verwoesten de engenhos. Góis en de zijnen worden uiteindelijk belegerd in Vila da Rainha. De Indianen doden 25 mensen en Pero Lopes verliest in de strijd een oog. Hij en de andere overlevenden vluchten naar Espirito Santo, waar zij door Vasco Fernandes Coutinho verwelkomd worden. Luís de Góis keert met zijn Portugese vrouw naar São Vicente terug, maar Pero Lopes de Góis verlaat teleurgesteld het land. Hij laat João III weten dat als de koning zijn autoriteit niet laat gelden, heel Brazilië verloren gaat. Hij keert in 1549, als commandant van een kustbewakingsvloot naar zijn geliefde Brazilië terug, waar hij ook op een onbekend tijdstip sterft.

In mei 1535 arriveert de fidalgo Vasco Fernandes Coutinho als capitão-donatário in Brazilië. Hij is niet de eerste de beste, want hij heeft faam verworven in Marokko, Malacca (zie deel V, pag. 108) en Indië (zie deel V, pag. 201), Hij brengt twee andere fidalgos mee, Dom Jorge de Mascarenhas (zie deel VI, par. 7.8) en Dom Simão de Castelo Branco, die zich ook onderscheiden hebben in de Oost, maar daar ook voldoende fouten hebben gemaakt, om deze te mogen goedmaken in Brazilië. Het drietal wordt vergezeld door 60 andere kolonisten, onder wie veel degradados, van wie sommigen Pero Lopes de Góis het leven zullen zuurmaken. Omdat de fidalgos op Pinksteren aankomen, geven zij het nieuwe land, waarvan de kustlijn 50 léguas is, de naam Espírito Santo. De capitania wordt in het zuiden door São Tomé begrensd en in het noorden door Porto Seguro. De plaats waar Vasco Fernandes en de zijnen zich vestigen, ligt tussen de Porta do Tubarão en de Monte Moreno. In 1537 arriveert vanuit Baía Duarte de Lemos, eveneens een veteraan uit het Oosten (zie de delen IV, V en VI) met nog meer kolonisten. Zijn hulp is van doorslaggevende betekenis om de volksplanting tot een succes te maken. Er draaien al spoedig vier engenhos. Eerst heeft de kolonie last van de Goitacases, maar die worden spoedig verdreven. Coutinho en Lemos gaan naar Portugal, om bij João III te pleiten voor een expeditie, die op zoek gaat naar goud en zilver in het achterland.

Tijdens de afwezigheid van Vasco Fernandes vallen de Indianen de kolonie aan; de Tupiniquins van de ene en de Goitacases van de andere kant. Zij steken de engenhos en veel plantages in brand en doden Jorge de Meneses, die waarnemend capitão, en later ook zijn opvolger Castelo Branco en vele andere kolonis-ten. Enige overlevenden trekken zich terug op het voor de kust gelegen Ilha de Santo António dat Duarte de Lemos in sesmaria gegeven is. Hierop wordt een tweede stad gesticht, Nossa Senhora da Vitória, later bekend als Vila Velha. Als Coutinho en Lemos in 1543 terugkeren, treffen zij de kolonie in zulk een treurige staat aan dat Lemos het voor gezien houdt en Coutinho alleen met de brokken laat zitten. De laatste zet de strijd om te overleven voort, maar vertrekt opnieuw naar Portugal om hulp te zoeken. Dat gebeurt in 1549, hetzelfde jaar waarin Tomé de Sousa in Baía arriveert om daar een governo-geral op te zetten. Hij heeft een speciale opdracht ontvangen zich te bekommeren om Santo Espírito, omdat de koning vernomen heeft dat daar anarchie heerst. De kolonie weet de problemen te overwinnen. Coutinho keert terug als capitão, maar is daar niet bepaald welkom. Hij wijkt in 1553 uit naar Baía en sterft berooid in 1561.

De capitania Porto Seguro, ten noorden van Santo Espírito, is door de koning gegeven aan Pero do Campo Tourinho, een rijke landeigenaar uit Viana do Castelo in het noorden van Portugal, die ook befaamd is wegens zijn reis langs de kust tot aan de Rio de la Plata. Evenals Coutinho heeft hij al zijn bezittingen in Portugal verkocht en arriveert eind 1534 of begin 1535 met zijn gezin en een groot aantal familieleden en vrienden, bij elkaar 600 mannen en vrouwen, in zijn capitania. Aan de monding van de Buranhem sticht hij een dorp, dat later uitgroeit tot de stad Porto Seguro. Hij distribueert de sesmarias, verdrijft met harde hand de Indianen en sticht zes of zeven dorpen, waaronder Santa Cruz ten noorden en Santo Amaro te zuiden van van zijn eerste dorp. Tourinho is een harde werker die van anderen hetzelfde eist. Hij vindt kerkelijke feestdagen tijdverspilling en verwijt de vicaris en de andere priesters dat zij te veel kerkelijke feestdagen hebben afgekondigd. Het verwijt geldt vooral de nieuwe feestdag van de Franse heilige Saint Martin de Tours, die in Portugal niet wordt gevierd.

Tourinho krijgt het ook aan de stok met Frei João Bezerra. Deze priester die overal onrust veroorzaakt en daarom door Duarte Coelho van Pernambuco betiteld is ‘als een grote schoft’ heeft de gemoederen in Baía de Todos os Santos zozeer tegen capitão Francisco Pereira Coutinho opgehitst, dat deze is uitge-weken naar Porto Seguro. Tourinho heeft Bezerra een keer laten geselen, waarna de priesters uit is op zijn val. Tourinho die uitge-sproken kritisch staat tegenover kolonisten die zich onvoldoende inspannen, heeft met zijn kritiek veel vijanden gemaakt. De stokerijen van Bezerra vallen dus in goede aarde. De kolonisten beschuldigen Tourinho ervan met minachting over de geestelijk-heid te hebben gesproken. Hij zou de kardinalen en bisschop-pen ervan beschuldigd hebben dat zij feestdagen van nieuwe heiligen verzinnen om hun maîtresses, die dezelfde naam dra-gen, te behagen. Op 24 november 1546 wordt Tourinho op een schip naar Portugal gezet, om zich tegenover het Heilig Officie te verantwoorden. Hij weert zich echter dapper en onderstreept zijn positieve punten: ‘Ik heb zeven kerken in mijn capitania gesticht en twee broeders en vijf priesters op mijn kosten onderhouden.’ De onderzoeken duren jaren, hoewel Tourinho smeekt te mogen terugkeren naar zijn capitania, om die voor verval te behoeden. Hij wordt uiteindelijk vrijgelaten en is weer terug in Porto Seguro als Tomé de Sousa deze capitania in 1553 inspecteert, maar al in 1554 legt hij, vermoedelijk ontgoocheld en afgemat, zijn functie neer ten gunste van zijn zoon.

De kuststrook tussen Porto Seguro en Baía, dat om zijn vele eilanden Ilhéus wordt genoemd, is aan Jorge de Figueiredo Correia, de koninklijke schatkistbewaarder en een rijk man, gegeven Zijn hoge positie verhindert hem zelf naar Brazilië te gaan. Hij zendt zijn gemachtigde, Francisco Romero, een Castiliaan, op eigen kosten, met een vloot vol kolonisten, die voorzien zijn van alles wat zij nodig hebben, naar zijn nieuw verworven capitania. Onder hen bevinden zich Mem de Sá, de derde en grote gouverneur-generaal van Brazilië, Fernando Álvares, functionaris van de Casa da India, en de rijke Florentijn Lucas Giraldes, die uiteindelijk de capitania zal kopen van de zoon en erfgenaam van Jorge de Figueiredo Romero kiest in tweede instantie het al bestaande São Jorge de Ilhéus tot zijn hoofdstad, omdat deze kustplaats optimaal verdedigd kan worden. Er wordt land uitgegeven in sesmaria en er wordt een engenho gebouwd. De Tupiniquin-Indianen zijn de kolonisten aanvankelijk vijandig gezind, maar de relaties met hen verbete-ren snel. Evenals in Porto Seguro doet zich in Ilhéus een conflict voor tussen de kolonisten en de vertegenwoordiger van de donatário, die beschuldigd wordt van despotisme en oneerlijk-heid. Francisco Romero wordt naar Lissabon teruggezonden, waarmee de inmiddels aangetreden eerste gouverneur-generaal van Brazilië Martim Afonso de Sousa gepasseerd wordt. Romero keert uit Lissabon terug om de capitania gewapenderhand weer in bezit te nemen. Door dit optreden wordt tevens een einde gemaakt aan de verwoestingen die de Indianen in de kolonie aanrichten, waarmee Ilhéus het lot van andere capitanias, volledig verwoest te worden, bespaard blijft.

Het gebied rond de schitterende en uitgestrekte Baía de Todos os Santos wordt gegeven aan Francisco Pereira Coutinho, een held uit de Oost. Hij heeft met de grote Afonso de Albuquerque in 1510 gestreden in de straten van Calicut (zie deel V, pag. 43) en deelgenomen aan de verovering van Goa (zie deel V, pag. 51-59). Ook was hij in 1515 aanwezig bij Albuquerques inname van Ormoez. In 1515 is hij kapitein van het schip dat de door de sultan van Cambaya aan koning Manuel geschonken rinoceros naar Portugal brengt. Manuel zou dit dier, met een aantal andere exotische dieren, aan paus Leo X geschonken hebben, ware het niet dat de rinoceros bij het uitladen in Lissabon is verongelukt (zie deel V, pag. 123). Francisco Pereira heeft zich in Indië grote rijkdommen en de bijnaam Rusticão (de boer) verworven; beide neemt hij mee naar zijn capitania, die zich over 50 léguas, vanaf Ilhéus uitstrekt naar het noorden en nog juist de de schitterende en vruchtbare Recôncavo omvat. Francisco Pereira Coutinho, een vastbesloten (esforcado) bestuurder, met een tomeloze energie (animo incansável), arriveert in 1536 met een groot aantal familieleden, vrienden en andere kolonisten, zowel hele gezinnen als vrijgezellen, in Brazilië. Hij sticht zijn eerste dorp, Pereira geheten, geeft landerijen uit in sesmaria en staat toe dat twee gefortuneerde kolonisten op eigen kosten een engenho bouwen, wat later nog tot grote problemen zal leiden.

Gedurende de eerste jaren heerst er vrede met de Tupinambá-Indianen. De volksplanting ondervindt groot voordeel van de aanwezigheid van enkele kolonisten van het eerste uur, onder wie Diogo Álvares, die in Baía dezelfde rol vervult als João Ramalho in São Vicente. Diogo Álvares (Caramurú), die een harem van 25 vrouwen zou hebben bezeten, is vader van vele tweetalige kinderen, die optreden als intermediair tussen de Portugezen en de Indianen. Twee dochters van Caramurú zijn gehuwd met mannen van Martim Afonso de Sousa. Diogo Álvares en zijn schoonzoon Paulo Dias Adorno, een van de drie Italiaanse broers, ontvangen goede sesmarias. Ondanks de prima vooruitzichten ontsnapt ook Baía niet aan de gebruikelijke problemen: twistende blanken, met hun lage positie ontevreden mestiços en toenemende vijandigheid van de Indianen. In 1545 breekt er een conflict uit tussen de Indianen en de kolonisten, waarvan de oorzaken in het verleden liggen, maar dat snel op de spits wordt gedreven en waarvan de afloop tragisch is. De twee suikermolens worden vernield, de plantages gaan in vlammen op en veel Portugezen vinden de dood. Duarte Coelho, de capitão van het naburige Pernambuco, schrijft koning João III: ‘Francisco Pereira is oud en ziek en hij beschuldigt hem ervan dat hij…’niet als een goed christen met mensen weet om te gaan en te slap is om weerstand te bieden aan dwaasheden en verzoeken van gekken en hij is een slecht bestuurder, die rebellie en samenspanning uitlokt, van welke schuld hij zich niet kan vrijpleiten.’ ‘De bron van de problemen en van het kwaad’ is Frei João Bezerra die – zoals we reeds zagen – later ook in Porto Seguro veel ellende zal veroorzaken. Francisco Pereira is niet opgewassen tegen de van alle kanten komende bedreigingen. Voortdurend aangevallen door Indianen, die volgens Tourinho zijn opgehitst door de Fransen, en verraden door vijanden in eigen kring, wordt hij, na een aantal jaren oorlogvoeren en een lange belegering van Baía, genoopt zijn capitania te verlaten. Bezerra, die voorheen naar Ilhéus is gevlucht, keert vandaar terug met het vehaal dat hij uit Portugal komt. Hij toont een alvará (beschikking), zogenaamd van de koning, waarin de arrestatie van Coutinho en zijn overbrenging naar Portugal wordt gelast. Coutinho geeft zich over en wordt naar Ilhéus, in plaats van naar Portugal gebracht. Hij begeeft zich naar Porto Seguro, waar hij door Tourinho wordt behandeld als een onwelkome gast. Als Coutinho hoort dat het door Bezerra getoonde arresta-tiebevel vals en de situatie in Baía rustig is, keert hij in 1547 terug, waarbij Diogo Álvares (Caramurú), die ook de wijk had genomen, hem behulpzaam is. Een storm blaast de schepen van de terugkerende donatário en van Caramurú op het strand van Itaparica, een eiland in de Baía de Todos os Santos. Coutinho en enige van zijn metgezellen worden door de Indianen gedood en opgegeten. Caramurú, wordt, dankzij zijn perfecte kennis van de taal van de Indianen, gespaard en keert terug in de schoot van zijn grote familie. Als Tomé de Sousa in 1549 in Baía arriveert om het bestuur van Brazilië op een nieuwe leest te schoeien, treft hij daar Diogo Álvares aan.

De succesrijkste capitania is Pernambuco, of ‘Lusitania Nova,’ zoals zijn capitão-donatário Duarte Coelho zijn gebied noemt. Duarte Coelho, die mogelijk al in 1503 in Brazilië is geweest, tezamen met zijn vader Gonçalo (zie deel VI, pag. 33), is een van Portugals befaamste zeevaarders. Hij is in 1509 naar de Oost gezeild, is daar vele jaren gebleven en heeft zich menig-maal onderscheiden (zie deel VI, pag. 194-195, 197-198, 201 en 207). Als hij in 1527 in Portugal is teruggekeerd, dient hij zijn koning in West-Afrika en Marokko en in 1531 is hij in Frankrijk. In 1533 heeft Coelho op de Azoren een ontmoeting gehad met Martim Afonso de Sousa, toen die terugkeerde uit Brazilië. Mogelijk is toen zijn belangstelling voor dat land gewekt. Hij vraagt en verkrijgt een capitania, 60 léguas vanaf de Rio de São Francisco naar het noorden tot aan Igaraçú, de beste capitania voor de beste man. Pernambuco is vruchtbaar, beschikt over voldoende irrigatiewater, heeft rijke visgronden en ligt het gun-stigst ten opzichte van Europa. Duarte Coelho is een man met visie, die vele deugden bezit; hij is wilskrachtig, streng, recht-vaardig, sober, moedig en voorzichtig. Hij is een ontwikkeld man, die zich in zijn brieven aan de koning goed weet uit te drukken.

De Portugezen kennen Pernambuco beter dan welke kuststrook van Brazilië. Cristóvão Jacques heeft er mogelijk al in 1516 een feitoria gesticht en wellicht groeit er al vanaf 1521 suikerriet. Als Duarte Coelho in maart 1535 in Pernambuco arriveert, draagt Paulus Nunes aan hem het fort en de factorij over. Duarte Coelho vestigt zich aanvankelijk, tezamen met zijn vrouw Beatriz en twee andere kolonisten in Igaraçu. Er zijn geen vroege Portugese kolonisten van het kaliber van João Ramalho in São Vicente en Diogo Álvares in Baía, maar in Pernambuco leven wel al verschillende Portugezen uit eerdere contacten met het land samen met Indiaanse vrouwen, wier kinderen optreden als gidsen en tolken. Coelho laat de factorij verder versterken. Rond dit fort zal de stad Recife, genoemd naar het rif dat over een afstand van een paar mijl parallel aan de kustlijn loopt, verrijzen Van een opening in het rif, door de Indianen parana puca ge-noemd, is vermoedelijk de naam Pernambuco afgeleid. In het rif is een kleine veilige haven, die spoedig het middelpunt zal vormen van handel en scheepvaart. Het aantal gemengde gezin-nen met een Portugese vader en een Indiaanse moeder neemt snel toe. Onder de nieuwkomers bevindt zich een bekend literator, Vasco Fernandes de Lucena. Hij heeft zijn vrouw en kinderen in Portugal achtergelaten en in Pernambuco een nieuw mestiço-gezin gesticht. Hij maakt zich de taal van de Indianen zo snel eigen dat zij hem magische krachten toekennen. Bij een beleg door de Indianen, sluipt Lucena’s vrouw door de linies naar het Indiaanse kamp om de vrouwen te vragen er bij hun mannen op aan te dringen de strijd te staken, wat ook gebeurt.

Ten noorden van Recife, drie mijl stroomopwaarts aan de linker-zijde van de Rio Beberibe, sticht Duarte Coelho in maart 1537 op de top van de op de Indianen veroverde heuvel Marim, die uitzicht biedt op de Oceaan, de stad Olinda. De naam is afgeleid van O Linda (de mooie). Olinda wordt Coelho’s nieuwe hoofd-stad; daar vestigen zich ook de nieuwe planters. Een van hen is de uit Hessen afkomstige Hans Staden, die in 1548 op een schip van kapitein Penteado in Pernambuco is gearriveerd. Hij heeft verslag gedaan van de belegering door de Indianen en het ontzet van Igaraçú, waarvan hij heeft deelgenomen. De Senhores de Engenho in Olinda benijden op den duur de kooplieden in Recife, die profiteren van hun suikeroogsten.

Duarte Coelho heeft een groot aantal gehuwde Portugese mannen met hun vrouwen en kinderen meegebracht. Zijn eigen vrouw dona Beatriz de Albuquerque, komt uit een aanzienlijke familie. Haar broer Jerónimo, die ook is meegekomen, is een dappere vechtersbaas en een groot conquistador, zowel van vrouwen als van Indianen. Jerónimo heeft zich tot taak gesteld de kolonie te bevolken, zowel met mestiço-kinderen als met kinderen bij zijn Portugese vrouw, met wie hij later onder druk trouwt. Volgens sommigen heeft hij 24 en volgens anderen 32 erkende kinderen, bij zijn vele vrouwen. Jerónimo is de middelbare leeftijd al is gepasseerd, als koningin Catarina hem een van haar beschermelingen tot vrouw geeft; zij schenkt hem nogeens elf kinderen.

De berichten over de oorlogen met de Indianen zijn zo fragmen-tarisch en verward, dat daaruit niet de volgorde van de gebeur-tenissen kan worden afgeleid. Bovendien vermelden de vroege auteurs, Gabriel Soares de Sousa en Frei Vicente do Salvador, maar zelden een datum. En in de brieven, die Duarte Coelho aan zijn koning schrijft, heeft hij het vooral over zijn plannen en wensen. Hij wijdt voortdurend uit over zijn moeilijkheden, om de andere minder succesrijke capitães te tonen dat ook hij met problemen wordt geconfronteerd die zij niet weten op te lossen.

De Portugezen weten van meet af aan dat suikerriet het beste gewas is. Duarte Coelho concentreert zijn inspanningen daarom op het kappen van bos, om grond vrij te maken voor het planten van suikerriet, en het bouwen van engenhos voor de suikerraffi-nage. In minstens een half dozijn capitanias voltrekt zich dezelf-de ontwikkeling. Het vruchtbare land brengt grote stengels suikerriet, met een overvloed aan siroop, voort. Het grootste probleem is het bouwen en bevoorraden van de engenhos met ijzeren walsen om het riet te vermalen en met koperen potten om daarin de siroop te koken. Daarnaast moeten dammen wor-den gebouwd, om meertjes aan te leggen, die de watermolens in beweging moeten brengen en er zijn ossen en paarden nodig om onder meer het suikerriet te vermalen. Essentieel is echter dat kan worden beschikt over iemand die voldoende ervaring heeft met de productie van suiker. Overigens duurt het drie tot vijf jaar voordat er geoogst kan worden, nadat een perceel bos gerooid, schoongemaakt en beplant is. Ook de bouw van een engenho à 10.000 cruzados of meer gaat vooraf aan de verkoop van de eerste suiker. Niet één donatário is rijk genoeg om de benodigde investeringen alleen op te brengen, hoewel enkele zeer gefortuneerde lieden zich met de suikerproductie bezig-houden; iedereen moet bij kooplieden in Lissabon geld lenen, tenzij hij hulp ontvangt van de koning. Duarte Coelho is daarop geen uitzondering. In 1540 keert hij naar Portugal terug, om de koning te vertellen dat hij meer geld nodig heeft.

Duarte Coelho wordt ook geconfronteerd met de komst van vele degradados, die João III krachtens zijn decreet van 31 mei 1535 naar Brazilië zendt. Hij verbant hen liever dan dat hij hen voor jaren opsluit of ter dood laat brengen. Natuurlijk bevinden zich onder de degradados mensen die voor geringe vergrijpen zijn vastgezet, maar onder hen zijn ook moordenaars, onverbeter-lijke dieven en landlopers die, ondanks de nieuwe kans die zij krijgen, in de Nieuwe Wereld geen haar beter zijn dan in de wereld die hen heeft uitgestoten. Coelho wil geen degradados in zijn capitania, hoewel andere capitães de koning juist hebben gevraagd de gevangenissen te openen. Hij schrijft de koning: ‘Ik zou op mijn sterfbed nog zweren dat zij dit land goed noch voor-deel brengen.’ en ‘dit volk is erger dan de pest. Ik smeek u in godsnaam mij niet meer zulk vergif te zenden.’

Het ten noorden van Pernambuco gelegen Itamaracá, dat bestaat uit 30 léguas kustlijn tussen Igaraçú en de Baía de Traição en een klein eiland, eveneens Itamaracá geheten, is, zoals al vermeld, aan Pero Lopes de Sousa gegeven. Hij keert zelf niet naar Brazilië terug, maar zendt in zijn plaats Francisco Braga, die in 1532 zijn taak op zich neemt. Aan de kust van Itamaracá zijn niet alleen Portugese, maar ook Franse houtkap-pers actief. De dapper vechtende Potiguar-Indianen zijn op de hand van de Fransen. Francisco Braga kan ook redelijk opschie-ten met deze Indianen, maar niet met Duarte Coelho. Na diens aankomst in 1535 krijgt Braga het met hem aan de stok. Coelho krijgt de overhand en geeft opdracht Braga met een machete een houw in zijn gezicht te geven. Hierop vertrekt Braga, daarmee de kolonie zonder leider achterlatend. Nadat Pero Lopes de Sousa in 1539 is overleden wordt zijn weduwe Isabel de Gamboa in naam capitão. Zij zendt twee groepen nieuwe kolonisten, onder bevel van Pedro Vogado en João Gonçalves. Deze laatste, die al in februari 1538 is benoemd tot feitor e almoxarife (belastinginner), is een energieke en gedisciplineerde man, die veel later op Itamaracá-eiland de de stad Conceição sticht. Deze stad wordt een vluchthaven voor lieden uit het naburige Pernambuco, die iets op hun kerfstok hebben. Zij maken het eiland tot een smokkelnest. Coelho klaagt dat de bewoners van het eiland meer winst maken dan hemzelf is toegestaan en dat zij daarvan niets afdragen aan de kroon. In een ander opzicht is Itamaracá Pernambuco behulpzaam. In de jaren 1548-1549 worden zowel Igaraçu als Olinda door de Indianen belegerd. Portugezen die de belegeraars in de rug aanvallen, om de steden te ontzetten, hebben zich op Itamaracá kunnen bevoorraden. Volgens de Duitser Hans Staden, een van de ontzetters, ging het slechts om een incident, maar volgens Frei Vicente do Salvador werd het leven in de kolonie door de belegering volkomen ontregeld. Overigens heeft Itamaracá in 1549 nog geen korrel suiker geproduceerd.

We richten tenslotte de blik op Braziliës noordkust. De bekende kroniekschrijver João de Barros, Fernão Álvares de Andrade en Aires da Cunha ontvangen gezamenlijk 225 léguas noordkust. Na 25 jaar mogen de donatários het gebied onder elkaar verde-len. Het eerste stuk, 50 léguas, begint bij de monding van de Amazone. Het tweede stuk, dat 75 léguas breed is, grenst in het westen aan het eerste stuk en loopt door tot aan de Rio da Bruz (thans Camocin). Het derde stuk begint bij de Angra dos Negros, in het huidige Rio Grande do Norte. Tussen het tweede en het derde stuk in, krijgt António Cardoso de Barros 40 léguas kustlijn in Ceará. Het noordwestelijk deel, tussen de Amazone en het tegenwoordige São Luís de Maranhão, bestaat uit nauwelijks doordringbaar regenwoud. De rest van de kust, daar waar zich nu de moderne staten Maranhão, Piauí, Ceará, Rio Grande do Norte en Parabaí bevinden, bestaat uit lange stukken zanderige mangrove-stranden, die overgaan in een ruige droge wildernis met cactusplanten, caatinga genoemd. De donatários hebben weinig animo de noordkust, die daartoe zo weinig uitnodigt, tot ontwikkeling te brengen. Zij willen, op zoek naar goud en zilver, in de voetsporen treden van Diogo Leite, die in opdracht van Martim Afonso de Sousa in 1531 een mislukte verkennings-missie naar de Rio Maranhão (Amazone) heeft ondernomen. Noch João de Barros, noch Andrade komen zelf naar Brazilië, daarvoor bekleden zij te hoge posities in Portugal. Aires da Cunha, een oudgediende uit het Oosten, vertegenwoordigt hen. Het drietal rust een vloot uit van maar liefst tien schepen, een uitgave die geen enkele andere donatário zich kan veroorloven. De Spanjaarden, die lucht krijgen van de voorgenomen expedi-tie, maken zich daarover ongerust, omdat zij hebben ervaren dat de Portugezen in Brazilië geneigd zijn zover naar het westen door te dringen dat zij de demarcatielijn overschrijden.

De vloot zeilt eerst naar Pernambuca. Hier helpt Duarte Coelho de expeditie met voorraden en advies. Hij zegt dat de Indianen geneigd zijn de naar edele metalen op zoek zijnde blanken steeds naar andere plaatsen te verwijzen. Coelho geeft Aires da Cunha ook tolken en roeiboten, om de kust te verkennen. De expeditie is slecht voorbereid, omdat Cunha geen weet heeft van de geografische en klimatologische omstandigheden aan de noordkust, die niet eerst verkend is. Cunha kent ook de vijandige Potiguar-Indianen niet en is ook niet op de hoogte van de erva-ringen van Diogo Leites expeditie. Cunha en zijn compagnons denken land te kunnen veroveren met gewapende schepen, veel ruiters, voetvolk en artillerie, die zij allemaal zelf bekostigd hebben, om goud en zilver te vinden, waarvan zij uiteraard een vijfde deel aan de kroon zullen afdragen. De vloot vertrekt naar de kust van Maranhão. Het schip van Aires da Cunha lijdt schip-breuk en Cunha verdrinkt in het zicht van de kust, terwijl zijn compagnons vergeefs op hem wachten. Nu hun leider overleden is, vestigen de overlevenden zich op het Ilha da Trindade (São Luís de Maranhão) en stichten daar de stad Nazaré. Zij verblijven er drie jaar, zonder dat bekend is waarmee zij zich bezighouden. Zo is niet bekend of zij tijdens het verblijf op Trindade naar goud hebben gezocht. We weten alleen dat de expeditie geen goud gevonden heeft en na drie jaar Trindade verlaat om naar Portugal terug te keren. De vloot wordt door de wind en de oceaanstromingen naar de Antillen verzet, waar drie schepen door de Spanjaarden genomen worden. Coelho laat weten dat 700 tot 900 opvarenden in Spaanse gevangenschap omkomen.

In april 1541 wordt de Spanjaard Francisco de Orellana met 50 soldaten er in een brigantijn op uitgezonden om in de onbekende gebieden ten oosten van Quito naar levensmiddelen te zoeken. Hij bereikt de samenvoeging van de Napo en de Maranhão, Voortbewogen door de stroom bereikt hij in augustus 1542 de monding van de Maranhão. Terug in Spanje heeft Orellana het over bergen goud en kaneel en over ontmoetingen met Indianen. Het zijn stammen die worden aangevoerd door vrouwen, gelij-kend op de Amazones uit de Griekse mythologie, een vergelij-king die verondersteld wordt te hebben geleid tot de naam Amazone. Deze verhalen leiden in Spanje tot groot enthousias-me. Spanje wil het bestaan van de gemelde rijkdommen verder onderzoeken en verhinderen dat naar het westen opdringende Portugezen er de hand opleggen. Orellana keert terug naar het veelbelovende gebied. Zijn expeditie verloopt rampzalig: bij de oversteek naar Brazilië vergaan enkele schepen en Orellana’s eigen schip kapseist bij de monding van de Amazone, waarbij hij verdrinkt.

In 1554 is het weer de beurt aan Portugal. Luís de Melo da Silva tracht met vijf schepen de Amazone op te zeilen, maar hij lijdt schipbreuk. Het restant van zijn expeditie weet Santo Domingo te bereiken. Het jaar daarop doen twee zoons van João de Barros, João en Jerónimo, op last van koning João III, opnieuw een poging de Amazone te bevaren. Jerónimo heeft daarover het volgende geschreven: ‘mijn broer….en ik….gingen tot aan de Rio Maranhão (Amazone)…om te onderzoeken….in de hoop op grote handel in goud onderzochten (we) 500 léguas waarbij wij vele beproevingen te doorstaan hadden in gevechten met de Fransen….op drie plaatsen nederzettingen stichtten….geduren-de vijf jaren, allemaal op mijn vaders kosten…en gaven alles uit wat hij bezat en bewezen de koning niet veel diensten.’

Merkwaardig is dat João de Barros in zijn kroniek niets over de expeditie van zijn zoons heeft vermeld, behalve: ‘De kosten van deze armada hebben mij berooid achtergelaten.’ Ook over de rampzalig verlopen expeditie van Aires da Cunha, aan de financiering waarvan Barros veel heeft bijgedragen, heeft hij het stilzwijgen bewaard. António Cardoso de Barros, wiens capitania van 40 léguas ligt tussen die van João de Barros en zijn part-ners, maakt geen aanstalten zijn donatária te koloniseren. De noordoostkust zal pas in de 17e eeuw door Portugal veroverd worden. Voorlopig blijft het gebied in handen van de Indianen en van enige blanke handelaren, meest Fransen.

2.3 Gouverneur-Generaal Tomé de Sousa en de Jezuïeten.

Categorieën
Portugees kolonialisme

De expeditie van Martim Afonso de Sousa. Het begin van de kolonisatie van Brazilië

Deel 8 Index

Hoofdstuk 2.

Het begin van de kolonisatie van Brazilië

2.1. De expeditie van Martim Afonso de Sousa

Geschreven door Arnold van Wickeren

Het regimento van Martim Afonso de Sousa bevat drie opdrachten: Hij moet Spaanse kolonisatie aan de kust van Brazilië voorkomen; hij dient de Fransen die zich daar al gevestigd hebben te ver-drijven en hij moet een aantal manschappen op zijn vloot zich in Brazilië doen vestigen, opdat het land bevolkt wordt. Het voor-komen van Spaanse kolonisatie in mogelijk Portugees gebied is van vitaal belang. Weliswaar hebben de vier door koning João’s zwager, keizer Karel V (koning Carlos I van Spanje) uitgezonden expedities die de kust van Brazilië hebben bezocht (van Juan de Solis, Diego García, Sebastiano Cabote en Rodrigo de Acuña) daar geen kolonisten afgezet, maar João III is zich er terdege van bewust dat Castilië op basis van het Verdrag van Tordesillas aanspraak zou kunnen maken op een deel van de Braziliaanse kust. Hij vreest dat de Spanjaarden zich zouden kunnen vestigen aan de Rio de la Plata, om vandaaruit de hand te leggen op de rijkdommen van de ‘blanke koning’ in de Andes, naar wie Aleixo García al heeft gezocht. Bovendien beschikt Spanje in 1530 over veel betrouwbaarder inlichtingen over de rijkdommen van de Andes dan een aantal jaren geleden. Nadat Hernán Cortés voor Spanje Mexico heeft veroverd, heeft Vasco Nuñez de Balboa in 1513 de landengte van Panama ontdekt. Spanjaarden dringen, langs de kust van de Stille Zuidzee, het Zuidamerikaanse sub-continent binnen, op zoek naar het ‘rijke imperium’ waarvan de Indianen ten zuiden van de landengte hun verhalen vertellen. De verkenningen van Pascual de Andagoya in 1522 en de recente ontdekkingen, die Francisco Pizarro en Diego de Almagro, met financiële steun van de priester Hernando de Lugue, hebben gedaan, zijn in Portugal bij geruchte bekend, want als Portugese edelen in 1528 João’s zuster, keizerin Isabel naar het hof van Karel V begeleiden, zijn ook Pizarro en Cortés daar. Het is dus zeer onwaarschijnlijk dat de Portugese edelen niets zouden heb-ben vernomen van de acties van Spanjaarden in Zuid-Amerika.

Voordat Sousa naar Brazilië vertrekt, overlegt João III met zijn adviseurs op welke wijze Brazilië het best kan worden verdedigd en ontwikkeld. De koning wil voorkomen dat het met Brazilië dezelfde kant op gaat als met Indië, dat zijn schatkist uitput, terwijl zijn gunstelingen zich daar kunnen verrijken. ‘De factors worden rijk, terwijl de koning arm wordt’ is een bekend gezegde in Portugal. De koning hoopt erop dat hem in Brazilië ook zulke schatten in handen vallen als zijn zwager in Spaans Amerika bemachtigt, ofschoon hij daarvan een overdreven voorstelling van zaken heeft. Omdat niemand in Zuid-Amerika de grenzen kent tussen Portugees en Spaans gebied en omdat João III ervan uitgaat dat Peru aan Brazilië grenst, zou Peru – volgens hem – wel eens op de Portugese hemisfeer kunnen liggen. Deze redenering bewijst dat de Portugezen niet bepaald bescheiden zijn in hun aanspraken op gebied dat aan de uiterste grenzen van hun halfrond ligt. Een van de opdrachten van Martim Afonso de Sousa is geografische kennis te vergaren die de Portugese aanspraken op Zuidamerikaans territorium kunnen versterken. Als keizerin Isabel weet krijgt van Sousa’s expeditie en opdrach-ten protesteert zij, bij afwezigheid van haar man, bij haar broer João tegen de voorgenomen Portugese reizen naar de Rio de la Plata en over de Amazone, omdat de Portugezen zich daarmee op aan Spanje toekomend gebied zouden begeven. Later zal blijken dat Isabel hierin gelijk heeft gehad. João III zendt een afschrift van Sousa’s regimento naar Spanje, met de verzekering dat geen heimelijke bezetting van Spaans gebied beoogd wordt.

De Portugese koning heeft, door zijn vele en grote andere uit-gaven (zie par. 1.0), de grootste moeite om Sousa’s expeditie te financieren. Hij drukt Sousa daarom op het hart ‘denk aan je men-sen en je armada en aan wat dat kost en zal blijven kosten.’ Zijn schatmeester en belangrijkste adviseur, de Conde de Castanheira, een familielid van de koning en een neef van Sousa, meldt dat de schade geleden door schipbreuken tegen het midden van de eeuw 3.353.150 cruzados heeft bedragen, exclusief verloren schepen in de vaart op Guinée en Brazilië.

Martim Afonso de Sousa’s vloot bestaat uit twee kraken, het vlaggenschip en de São Miguel, de galei São Vicente en twee karvelen, de Princesa en de Rosa. Aan boord bevinden zich 400 (Diffie) of 500 (Marques en Cortesão) man, onder wie zeelieden, soldaten en kolonisten, van verschillende nationaliteiten. Naast Portugezen, gerecruteerd uit alle lagen van de samenleving en uit alle beroepen, bevinden zich op de vloot Italianen Duitsers en Spanjaarden. Zij hebben allerlei zaken bij zich die de kolonisatie tot een succes moeten maken, zoals vee, zaden, landbouw-werktuigen, bouwmaterialen en gereedschappen. Een van de opvarende, Pero Capico, is mogelijk dezelfde die in 1526 feitor in Pernambuco was. Ook andere leden van de expeditie zijn voorheen al in Brazilië geweest. João III geeft Sousa uitgebreide volmachten, maar verbiedt hem inbreuk te maken op Spaans gebied. Gegeven de gebrekkige geografische kennis van dat moment, is het niet te vermijden dat Spanjes rechten worden geschonden als Sousa schepen naar de Rio de la Plata en naar de bovenloop van de Amazone zendt. Niemand kent de ligging van de Tordesillas-lijn, die Zuid-Amerika in tweeën deelt. De Spanjaard Alonso de la Cruz heeft kort daarvoor in zijn Yslario geschreven dat de Portugezen aanspraak maken op Santo Amaro en São Vicente, maar schrijft hij: ‘zij zijn abuis,’ omdat Brazilië ‘vier graden verder naar het oosten’ ligt dan zij denken en dus ligt de demarcatielijn ten oosten van dit deel van de Braziliaanse kust. Deze Spaanse bewering, die tot 1750 is volgehouden, zal Sousa er niet van weerhouden behoedzaam vanuit São Vicente door te dringen tot de Rio de la Plata.

Sousa’s vloot zeilt op 3 december 1530 uit Lissabon weg. Omdat er geen enkele vrouw aan boord is (de eerste Portugese vrouw zal niet eerder dan in 1538 in São Vicente arriveren), hebben enige historici ontkent dat Sousa ook kolonisten bij zich had. De vloot bereikt eind januari 1531 Cabo Santo Agostinho in Pernambuco, waar twee met verfhout geladen Franse kraken liggen. Sousa neemt deze schepen, de een na de ander. Hij verneemt dat zich bij het Ilha de Santo Aleixo nog twee Franse kraken ophouden. Hij stuurt zijn broer Pero Lopes de Sousa, met de twee karvelen naar het Ilha de Santo Aleixo, om jacht te maken op de Franse kraken. Op 2 februari ontdekt Pero Lopes een van de twee gezochte schepen. Hij achtervolgt het en valt het later op de dag aan. Er volgt een gevecht dat 36 uur duurt en uiteindelijk wordt het Franse schip geënterd en veroverd. Op het in Ile Saint-Alexis omgedoopte eiland zouden ook nog vier Franse gebouwen, waaronder wellicht een versterkte factorij, zijn verwoest. Twee van de drie Franse schepen voegt Martim Afonso toe aan zijn vloot en het derde, wordt geladen met brazielhout, onder bevel van João de Sousa, met een deel van de gevangengenomen Fransen en een brief aan João III, waarin verslag wordt gedaan van de eerste botsingen met Franse schepen, naar Portugal gezonden. Vervolgens zendt Martim Afonso de karvelen Princesa en Rosa, onder bevel van Diogo Leite, op verkenningstocht naar de Rio do Maranhão (Amazone). Na nog een van de Franse kraken in brand te hebben gestoken, gaat Martim Afonso met de rest van zijn vloot op weg naar de Rio da Prata. De vloot arriveert op 13 maart in de Baía de Todos os Santos. Hier wordt Diogo Dias, de aan de Fransen ontsnapte feitor van de handelspost in Pernambuco, in een batel (sloep) aangetroffen en opgepikt. De batel is afkom-stig van een karveel dat met een aantal Indianen op weg is naar Sofala in Oost-Afrika. Sousa voegt het karveel toe aan zijn vloot, nadat hij de Indianen heeft vrijgelaten. Als zij geluk hebben gehad zijn zij terechtgekomen bij mensen van hun eigen stam, zo niet, dan zijn zij vrijwel zeker geconsumeerd. Pero Lopes noteert in zijn dagboek, het enige bewaardgebleven gedetailleerde relaas van de expeditie, dat Sousa een Portugese schipbreukeling die al vanaf 1509 in Brazilië leeft, spreekt. Het is Diogo Álvares, door de Indianen Caramurú en door de Portugezen o Galego (de Galliër) genoemd. Hij speelt een grote rol in de Portugese kolonisatie van Brazilië, omdat de dochter van het opperhoofd, Paraguaçú, hem een grote schare kinderen heeft geschonken. Pero Lopes vindt, net als andere Portugezen, zijn vele mestiça-dochters ‘erg knap’ en licht van huid, in vergelijking met negerinnen. Sousa zeilt na een paar dagen weg uit de Baía de Todos os Santos, nadat hij een grote hoeveelheid zaden bij Caramurú heeft achter-gelaten. Hij moet deze uitzaaien om te zien welke Europese gewassen ook in Zuid-Amerika groeien. De Portugese gewoonte te testen wat elders wortelschiet verklaart het grote aantal Europese planten dat weldra in Amerika groeit.

Op 17 maart vervolgt Sousa zijn reis naar het zuiden, wat door tegenwind en de verradelijke stromingen in dat jaargetijde geen sinecure is. Sousa’s vloot arriveert op 30 maart in de Baía de Guanabara, waarin de Rio de Janeiro uitstroomt. Hij richt er een tijdelijk gefortificeerd kamp (arraial) in, zoals de Portugezen gewoon zijn en bouwt twee brigantijnen, met ieder 15 roeiban-ken, met het doel rivieren te verkennen en bovenal om aan de Rio da Prata levensmiddelen voor een jaar te verzamelen voor de 400 man aan boord van de vloot. Martim Afonso de Sousa geeft er blijk van de hem toevertrouwde opdracht, de kust van Brazilië zorgvuldig te onderzoeken, zeer nauwgezet te vervul-len, wat ook blijkt uit de in 1534 voltooide kaart van Viegas. Op alle punten aan de kust die geschikt zijn om er aan te leggen, laat de capitão-mór zich inlichten over de rijkdommen van het land en hij verbreedt zijn kennis van Brazilië met alle hem ten dienste staande middelen. ‘Van hier’, schrijft Pero Lopes, ‘zond de capitão vier man naar het achterland en in twee maanden legden zij 115 leguas af.’ Naar schatting 65 léguas door de bergen en 50 léguas over een grote vlakte, waar ‘um grande rei,’ hen met veel eerbetoon ontvangt en hen de weg terug wijst naar Baía de Guanabara. Zij krijgen van hem voor hun capitão kristal en andere interessante zaken mee, maar de Portugezen stellen vooral belang in de mededeling dat de Rio Paraguay, die zij hebben gezien, ‘veel goud en zilver’ bevat. ‘De capitão bewees hem (de koning) veel eer en gaf hem veel geschenken…’ voor het goede nieuws.

De vloot verlaat de Baía de Guanabara op 1 augustus 1531 en zeilt verder naar het zuiden. Na negen dagen passeren de schepen São Vicente en op 12 augustus bereiken zij het Ilha de Cananéia, waar zij 44 dagen zullen blijven. Pero Lopes schrijft: ‘we zagen nooit de zon,’ bliksemschichten, donderklappen, regen, wind, gebroken kabels en verloren ankers is hun deel. In Cananéia maakt Sousa kennis met een bacharel – dezelfde als de eerder vermelde? Hij beweert al 30 jaar in Brazilië te zijn. Niet duidelijk is of hij een schipbreukeling, een banneling of een strandjutter is. De vermelding in Pero Lopes’ dagboek van de ontmoeting met de bacharel heeft velen geïntrigeerd. De bacharel en vijf of zes Castilianen zijn de nieuwe kolonisten zeer behulpzaam. Sousa ontmoet nog meer interessante lieden. Een zekere Henrique Montes, die gediend heeft in de Spaanse expe-dities van Solis en Cabote, heeft geweigerd naar Spanje terug te keren en Francisco de Chaves, ook een overlevende van Solis’ reis, woont lang genoeg in Brazilië om Tupí te hebben leren spreken, een taal die een van de stuurlieden, Pedro Anes, ook kent. Zij en andere inwoners van Cananéia verzekeren Sousa dat hun woonplaats een uitgelezen vertrekpunt is voor een expe-ditie naar het goudland van de ‘blanke koning.’ Chaves belooft 400 Indianen op de been te brengen om het goud te dragen. Sousa denkt dat hij een van de opdrachten van zijn koning laat uitvoeren, door hem goud en zilver te verschaffen. Hij kiest Pero Lobo Pinheiro uit om met 80 Europeanen: 40 espingardeiros (musketiers) en 40 besteiros (boogschutters) naar de beloofde rijkdommen te zoeken. Deze eerste bandeira verlaat Cananéia op 1 september 1531 en begeeft zich, meegesleept door het luchtkas-teel goud te zullen vinden, onverschrokken de sertão (binnenland) in.

Terwijl de 80 bandeirantes hun weg zoeken naar het hart van de wildernis, zet Sousa op 26 september zijn reis in zuidelijke rich-ting voort. Pero Lopes noteert dat het weer zo slecht is dat niet alleen de batel, maar ook ankers en zeilen verloren gaan. Bij het optornen tegen de stormen en de tegenstroom, vormen de vele zandbanken en rotsen gevaarlijke obstakels als gezocht wordt naar een veilige ankerplaats. Op 12 oktober wordt op 34 graden ZB Cabo de Santa Maria bereikt. Het vlaggenschip verliest in een zware storm het contact met de vloot en wordt op de kust geworpen. Hierbij komen zeven zeelieden om het leven en gaat een groot deel van de voor het vervolg van de reis noodzakelijke voorraden verloren. Martim Afonso weet zich met de rest van de bemanning op de kust in veiligheid te stellen en zeven dagen later zijn hij en zijn mannen weer verenigd met Pero Lopes en de gehavende overblijfselen van de vloot. De expeditie treft een nieuwe door de Spanjaarden gebouwde en om onbekende reden achtergelaten brigantijn aan, wat beschouwd wordt als een won-der. De capitão-mór roept zijn officieren bijeen en gezamenlijk wordt besloten de reis naar de Rio da Prata, gelet op de geha-vende schepen en de verloren gegane voorraden, te onderbreken. Maar om een van de voornaamste opdrachten van de expeditie, de verkenning van de Rio da Prata, niet te doen mislukken, zendt de capitão-mór zijn broer Pero Lopes in een brigantijn naar deze rivier. Ondanks de slechte weersomstandigheden vertrekt Pero Lopes op 23 november met 30 man voor de verkennings-tocht, waarvoor hij 20 dagen de tijd krijgt. Hij heeft twee padrões (stenen zuilen met de wapens van de koning van Portugal) bij zich om het gebied ‘por el-rei Nosso Senhor’ in bezit te nemen.’

Bij het verkennen van de Rio da Prata, wat door de wisselvallige weersomstandigheden een moeilijke en soms zeer gevaarlijke opgave is, bevaart Pero Lopes de rivieren Paraná en Uruguay over grote afstand. Daags voordat hij op vrijdag 13 december de terugtocht aanvaardt, plaatst hij de twee padrões aan de kust, waar later de Argentijnse stad San Pedro zal verrijzen. Na een tocht vol tegenslagen, voegt Pero Lopes zich eind december weer bij zijn broer. Op de laatste dag van 1531 zeilen de her-stelde schepen terug naar het noorden. Zij bereiken op 8 januari Cananéia en zijn op 20 januari in de haven van São Vicente.

Pero Lopes noteert: ‘dit land leek ons allen zo goed, dat de capitão, mijn broer, besloot het in gebruik te nemen.’ Martim Afonso geeft sesmarias aan enige kolonisten die zich willen vestigen in Brazilië. Zij kunnen daarvan levenslang de vruchten plukken, maar dit recht niet overdragen op hun erfgenamen. Martim Afonso sticht op het eiland São Vicente een plaats. Hij bouwt er een torre, die als wijk-plaats kan dienen bij eventuele aanvallen van de Indianen vanaf het vasteland, een kerk en een stadhuis, met de onontbeerlijke pelourinho, of martelpaal, als teken van zijn autoriteit.

De expeditie maakt kennis met João Ramalho (zie deel III, pag. 187), uit Coimbra, die al sedert 1509, als een soort opperbarbaar leeft temidden van de Tamoio-Indianen. Hij heeft een groot aantal mameluco-kinderen bij de dochter van het stamhoofd Tibiriça en bij een aantal andere Indiaanse vrouwen. Zijn dochters vallen zeer in de smaak bij veel Portugezen en sommigen worden stam-moeder van aanzienlijke geslachten. João Ramalho leidt Martim Afonso en zijn metgezellen door de Serra de Piranaciacaba naar zijn verblijfplaatsen van de stam aan de Piratininga, temidden waarvan hij verblijft. Martim Afonso sticht daar aan de oever van deze rivier op een plaats die, volgens de historicus Frei Gaspar da Madre de Deus, ‘praia de Tararé,’ heet, een dorp. Naast huizen wordt er een kerk, gewijd aan Nossa Senhora da Assunção, gebouwd. Martim Afonso laat een deel van de kolonisten, onder wie ten minste een priester, zich vestigen in het dorp, kondigt wetten en regels af, laat zijn mannen tijdens religieuze diensten in het huwelijk treden met de dochters van het land en stelt João Ramalho aan als capitão van het dorp aan de Piratininga, waarbij later de metropool São Paulo zal ontstaan. Ramalho zal zijn hele lange leven een belangrijke schakel zijn tussen de Portugezen en de Indianen.

De omstandigheden voor kolonisatie van São Vicente zijn gunstig; het klimaat is er niet zo moordend als verder naar het noorden en de grond is aanvankelijk vruchtbaar. Er zijn al runde-ren, schapen, varkens en kippen van vroegere schipbreuken en Martim Afonso heeft deze dieren ook zelf bij zich. Hij plant ook suikerriet aan. Bij zijn afwezigheid zwaait zijn Spaanse vrouw, Ana Pimentel, de scepter over zijn plantage en veestapel. Zij zetten ook de eerste engenho (suikermolen) in Brazilië op. Hij wordt bekend als de Engenho do Senhor Governado.*) Martim Afonso, sticht ook nog een companie van schippers, die zich met im- en export bezighouden, maar daarvan is weinig bekend. Terwijl Martim Afonso leiding geeft aan de kolonisatie in São Vicente, het bestuur van de nieuwe stad op poten zet, António Rodrigues aanstelt tot capitão en daar de terugkeer van de expeditie van Francisco de Chaves en Pero Lobo Pinheiro afwacht, vertrekt zijn broer met de twee geladen kraken naar Portugal.

*) De molen heet later de Engenho dos Armadores, wat erop wist dat hij behoort aan een compagnie, en draagt daarna de naam São Jorge dos Erasmus, naar Erasmus Schetz uit Antwerpen, die in Brazilië zo rijk wordt dat hij het hertogdom Urgel in Vlaanderen kan verwerven.

Pero Lopes zeilt op 22 mei 1532 vanuit São Vicente, via Pernambuco, naar Portugal. Als hij daar begin augustus aan-komt, verneemt hij dat daar in maart een kraak uit Marseille is gearriveerd. Het schip, de Pèlerine, onder bevel van kapitein Jean Duperret, is uitgerust met 18 vuurmonden en heeft 120 gewapende manschappen, materiaal voor de bouw van een fort, munitie, ruilwaren, gereedschappen en landbouwzaden aan boord. De expeditie, die kennelijk tot doel heeft een kolonie te stichten, is, met toestemming van François I, ondernomen door de baron van Saint-Blancard, bevelhebber van het Franse eskader in de Middellandse Zee. Bij aankomst in Pernambuco hebben de Fransen de kleine Portugese feitoria ter plaatse, die door zes Portugezen en enkele Indianen verdedigd werd, genomen en verwoest. Nadat de Fransen een fort hebben gebouw, is de Pèlerine met rijke lading naar Marseille vertrokken. Als eerste daad van kolonisatie hebben de Fransen een garnizoen van 70 man, onder leiding van de heer de la Mota in Pernambuco achtergelaten. Pero Lopes valt met de zijnen het Franse fort aan en verovert dit. Met behulp van enige uit Portugal gearriveerde karvelen neemt hij ook twee Franse kraken. Daarmee is het Portugese gezag aan dit deel van de kust van Brazilië hersteld. Volgens Franse bronnen hangt Pero Lopes de Franse garnizoenscommandant en 20 van zijn mannen op. Twee man zouden aan de Indianen zijn gegeven, om door hen te worden opgegeten en de overige Fransen zouden gevankelijk door Pero Lopes naar Portugal zijn gebracht, als deze in december 1532 wegzeilt van Pernambuco en in januari 1533 in Faro aankomt.

António Correia, capitão-mór van van het Portugese kustbewa-kingseskader in de Straat van Gibraltar, ontdekt bij toeval de met Braziliaanse handelswaar afgeladen Pèlerine in de wateren voor Málaga. Hij en zijn kapiteins, Gaspar Palha, Gonçalo Leite en Bartolomeu Ferraz dwingen de Pèlerine 15 augustus 1532 tot overgave, waarna het schip wordt opgebracht naar Portugal. Deze geschiedenis is ontleend aan de aanklacht die de baron de Saint-Blancard in 1538 bij de rechtbank van Bayonne indient. Tijdens de jarenlang slepende rechtszaak tussen Frankrijk en Portugal, zullen António Correia en de onder zijn bevel staande kapiteins beweren dat de Portugezen Pernambuco al bewonen vanaf…..1491 (sic!). De affaire met de Pèlerine heeft geleerd dat in dit geval geen sprake is geweest van een van de vele pogingen van corsairs een graantje mee te pikken van de rijkdommen van Brazilië, maar dat Portugal ontsnapt is aan een serieuze poging van de Fransen vaste voet in Brazilië te krijgen.

In september 1532 keert kapitein João de Sousa, die in 1531 door Martim Afonso met een geladen schip uit Pernambuco naar Portugal is gezonden, met twee gewapende karvelen in São Vicente terug. Hij heeft voor Martim Afonso een brief bij zich van koning João III. De koning schrijft hem dat hij kan kiezen na afloop van zijn aanstellingstermijn naar huis terug te keren danwel in Brazilië te blijven. João III laat hem ook weten dat hij besloten heeft in Brazilië het systeem van capitanias, naar het voorbeeld van de Atlantische eilanden, op te zetten. De vorst heeft voor Martim Afonso 100 en voor zijn broer Pero Lopes 60 léguas kust gereseveerd. Terwijl Martim Afonso nog alle tijd heeft over zijn beslissing na te denken, ontvangt hij in een van de eerste maanden van 1533 bericht dat alle 80 deelnemers aan de door Francisco de Chaves voorgestelde en door Pero Lobo Pinheiro geleide expeditie zijn afgemaakt door Carijós-Indianen van Curitiba. Martim Afonso is er dus niet in geslaagd voor zijn koning de felbegeerde rijkdommen te vinden, noch via de Rio de la Plata, noch over land. Ook de twee karvelen waar-mee Diogo Leite via de Amazone ‘naar Peru’ is gezonden, hebben geen resultaat geboekt; zij schijnen niet ver te zijn gekomen. Martim Afonso geeft er de voorkeur aan naar Portugal terug te keren, ofschoon hij het beheer over zijn capitania wel aanvaardt. Hij verlaat Brazilië nadat hij Gonçalo Monteiro heeft aangewezen als waarnemend bestuurder van zijn capitania. Pero Lopes de Góis, de toekomstige donatário van de capitania São Tomé en daarna capitão-do-mar ten tijde van gouverneur-generaal Tomé de Sousa, en Rui de Pinto ontvangen van Martim Afonso opdracht de Indianen die de 80 bandeirantes van Pero Lobo Pinheiro hebben vermoord, te tuchtigen. Martim Afonso de Sousa zal in 1541 door de koning worden uitverkoren capitão-geral van de Estado da India te worden. Hij weet zich in deze functie zeer te verrijken, zonder dat hem dit de gunst van de koning doet verliezen, maar Brazilië zal hij nooit meer terugzien. Dit geldt ook voor Pero Lopes; hij komt in 1539 om bij een schipbreuk bij Madagascar.

2.2 De capitanias.

Categorieën
Portugees kolonialisme

Inleiding. Het begin van de kolonisatie van Brazilië

Deel 8 Index

Hoofdstuk 2.

Het begin van de kolonisatie van Brazilië

2.0. Inleiding

Geschreven door Arnold van Wickeren

In paragraaf 5.5 van deel III van dit werk is de toevallige ontdek-king van Brazilië door Pedro Álvares Cabral in 1500 beschreven. Daarbij is ook aandacht besteed aan de vragen die bij historici met betrekking tot de ontdekking van Brazilië gerezen zijn en waarover zij al eeuwen discussiëren. In paragraaf 2.2 van deel VI zijn de eerste handelsreizen, de tevens kustverkenningsexpedities waren, naar en de eerste aarzelende pogingen tot kolonisatie van het ‘Terra da Vera Cruz’, behandeld. Gebleken is dat van meet af aan Spaanse, maar vooral Franse kooplieden en kapers grote belangstelling hebben voor brazielhout en voor de andere rijkdom-men van het voor Portugal in bezit genomen land. In 1516 heeft koning Manuel Cristóvão Jacques naar Brazilië gezonden, met de uitdrukkelijke opdracht de Fransen en Spanjaarden daar te verdrijven. De factorij in Pernambuco, waarvan later sprake is, is wellicht al door Jacques gesticht, omdat al in een vroeg stadium zich de eerste kolonisten in Pernambuco vestigen. Mogelijk ont-staat daar een vroege vorm van een capitania, evenals wellicht rond Porto Seguro, Rio de Janeiro en São Vicente, maar van kolonisatie op grote schaal is ten tijde van Manuel geen sprake; kolonisten hebben meer belangstelling voor het rijke Indië. Wel zijn er vanaf 1516 veel missionarissen, vooral franciscanen naar Brazilië getrokken, die al snel veel Indianen hebben weten te kerstenen. De meeste Indianen zijn Tupinambás. Dit volk, dat kort voor aankomst van de Portugezen in Brazilië de primitievere Tapuias van de kuststreken naar het binnenland heeft verdreven leeft verspreid langs de gehele kust, vanaf de monding van de Amazone tot aan het Ilha de São Vicente, bij het huidige Santos. In veel kuststreken wonen ook andere Tupi-stammen. In Paraíba en Pernambuco zijn dit Pitiguares of Potiguar-Indianen; aan de Baía de Todos os Santos wonen de Mureis; Tupiniquins vinden we vooral in Espirito Santo; bij de Baía de Guanabara houden zich de Tamoios op en nog meer naar het zuiden, in Santa Catarina, leven veel Carimos. Naast deze grootste Indianenstammen, wonen in veel streken kleinere volkeren.

Ofschoon Cristóvão Jacques langs de kust van Brazilië patrouil-leert tot aan de Rio de Solis en Manuel elke twee jaar een paar schepen naar Brazilië zendt om de kustlijn daarvan te bescher-men, blijven de Fransen komen. Het zijn vooral schepen uit de Normandische havens Rouen en Dieppe, alwaar in de 16e eeuw een bloeiende textielindustrie is ontstaan, die Brazilië aandoen. Eerst kopen de Normandiërs het Braziliaanse verfhout (pau-brasil), waarmee kleding gekleurd wordt, van de Portugezen, maar zij doen al gauw rechtstreeks zaken met de Indianen. De troonsbestijging van João III in 1521 maakt vanzelfsprekend geen einde aan de Franse infiltraties. Hugo Rogier zou in dat jaar in Brazilië zijn geweest; Jean Parmentier, een dichter uit Dieppe, laat weten tussen 1520 en 1525 Brazilië te hebben bezocht en de kosmograaf Crespin zegt dat de Normandiërs in 1525 aan de Rio de Janeiro zijn geweest. Maar ook Spaanse schepen doen Brazilië bij verschil-lende gelegenheden aan.

Legendarisch is het verhaal van Aleixo García. Hij en vier met-gezellen zijn overlevenden van Spaanse expeditie naar de rivier, die naar de leider van de expeditie, de in Portugal geboren João Dias (de) Solis, Rio de Solis zal worden genoemd. Verschillende expeditieleden, onder wie Solis zelf, zijn gedood en verorberd door de Indianen. García en de zijnen vertrekken wellicht in 1524 vanuit Santa Catarina, waar zij acht jaar hebben gewoond, naar de Andes, op zoek naar een fabelachtig rijke ‘blanke koning’ die daar zou leven. Zij begeven zich op weg met 2000 Guaraní-Indianen voor een onderneming die belooft een grote buit op te brengen. Onderweg verliezen enige Guaraní-krijgers het leven onder aanvallen van Andean-Indianen. De overigen willen niet verder mee dan tot de voet van de Andes. García en zijn overge-bleven metgezellen worden aangevallen, beroofd en gedood door Guaraní-Indianen uit Paraguay, waarbij hun zilver en goud, zo zij dit verworven hebben, verloren gaan. Dit verhaal heeft de mythe van de rijke ‘blanke koning’ doen voortleven onder de Portugezen.

Een andere expeditie die Spanjaarden in Brazilië brengt is de in paragraaf 1.0 genoemde expeditie van Frei García Jofre de Loaysa naar de Molukken. Een van zijn kapiteins, Rodrigo de Acuña, is er niet in geslaagd door Straat Magellan of rond Kaap Hoorn te komen. Komende vanuit het zuiden, zoekt hij beschutting in Santa Catarina. Een aantal van zijn mannen deserteert daar en voegt zich bij de andere Europeanen die in Santa Catarina leven. Acuña zeilt verder naar Baía, waar opnieuw zeelieden deserteren en een aantal anderen wordt gedood. Acuña beleeft nog meer avonturen, maar hier is van belang dat hij rapporteert dat hij in Baía drie Franse schepen heeft aangetroffen en dat de Fransen in Pernambuco een handelspost bezitten.

In 1525 doen drie Spaanse schepen, onder bevel van Diego García, de haven van São Vicente aan. García treft daar een niet bij naam genoemde man aan, die hij de ‘bacharel,’ dat wil zeggen iemand met een baccalaureaatsopleiding, ontmoet. Deze ook door anderen als de bacharel aangeduide figuur, heeft niet stilgezeten. Hij is de vader van talrijke mestiça-dochters, die hij heeft uitgehuwelijkt aan Europese schipbreukelingen en degradados. García sluit met deze stamvader, of met een zekere Gonçalo da Costa, een contract tot levering van Indiaanse slaven, voedsel-voorraden en een nog te bouwen brigantijn.

Sebastiano Cabote, een Venetiaan in dienst van Karel V, komt in 1526, op weg naar de Molukken, in Pernambuco aan. Hij zal niet verder komen dan de Rio de Solis, door hem omgedoopt tot Rio de la Plata, omdat hij verwacht daar grote rijkdommen te zullen aantreffen. Cabote brengt een bezoek aan de Portugese factorij in Pernambuco, die mogelijk al in 1516 door Cristóvão Jacques is gesticht, danwel uit 1521 of 1526 stamt. In dat jaar wonen er al talrijke groepen Portugese kolonisten langs de Braziliaanse kust. Naast hen zijn er ook Spanjaarden, Duitsers, Italianen, Basken, Catalanen, Genuezen, Napolitanen, Levantijnen en natuurlijk ook Fransen. Dit is het gevolg van de internationale samenstelling van scheepsbemanningen in die tijd. Pernambuco produceert in 1526 ook al suiker, welke productie wellicht al eerder is begonnen.

In de eerste jaren van regeringsperiode van João III, dat wil zeggen in de jaren 1521-1523 wordt de Braziliaanse kust door een klein eskader van twee karvelen bewaakt. Dit blijkt uit de brief die de ambassadeur van Castilië, João de Zuniga, op 27 juli 1524 aan Karel V schrijft. In deze brief meldt de ambassadeur dat twee Portugese karvelen zich enige tijd hebben op gehouden in de Rio de la Plata. Van de periode 1523-1526 is niets bekend, maar in 1526 vertrekt Cristovão Jacques opnieuw naar Brazilië, als bevelhebber van een tamelijk grote vloot. De aanleiding daartoe is deze: op 11 februari van dat jaar laat João de Silveira, João’s gezant in Frankrijk, de koning weten dat niet minder dan tien Franse schepen zich opmaken uit te varen naar Brazilië. Cristóvão Jacques vertrekt al na enkele maanden met zes schepen. Hij dient Pero Capico, een van de capitães van een Braziliaanse capitania, mee terug te nemen naar Portugal, omdat diens driejarige ambtstermijn is verstreken en hij de koning heeft laten weten naar het vaderland te willen terugkeren, maar Jacques’ belangrijkste taak is natuurlijk de Fransen uit Brazilië te verdrijven. Onderweg verliest Jacques een van zijn schepen en als hij in Pernambuco aankomt, zendt hij een van zijn naus naar Portugal terug, zodat hij met maar vier schepen zijn tocht langs de kust naar het zuiden begint. In de Baía de Todos os Santos vindt een treffen plaats tussen drie goedbewa-pende en met de opbrengsten van het land geladen schepen die de ‘fleur de lys’ voeren. Er wordt de gehele dag verbitterd gevochten en uiteindelijk brengt de Portugese vloot de Franse schepen tot zinken en neemt de bemanningen gevangen. Een aantal Fransen weet zich in het binnenland in veiligheid te stellen en zal zich later beklagen bij hun koning François I. Niet minder dan 300 Fransen worden naar Pernambuco gebracht, waar zij volgens Franse beweringen op gruwelijke wijze ter dood zijn gebracht; zij zouden zijn doodgemarteld, waarbij sommige zeelieden tot aan hun hals zouden zijn begraven, waarna hun hoofd zou hebben gediend als doel voor kruisboogschutters (arcabuzes). Portugese historici beweren echter dat de gevan-gengenomen Fransen levend naar Portugal zijn vervoerd, maar sporen daarvan zijn niet gevonden. Natuurlijk protesteert de Franse koning bij Lissabon scherp tegen de behandeling van zijn zijn onderdanen. João III wijst dit protest af en beweert dat de Franse aanvallen hem tot nu (1530) toe al 300 schepen hebben gekost en dat voor 500.000 cruzados koopwaar verloren is gegaan, hetgeen Diffie overdreven lijkt. François I verleent Jean Angot uit Dieppe een carte de corsaire om de dood van de Franse bemanningen te wreken. Angot, een zeer vermogend man, bewapent op eigen kosten een vloot, om de Portugezen zowel in West-Afrika als in Brazilië schade toe te brengen. Er is niets bekend over andere verrichtingen van Cristovão Jacques in Brazilië; hij keert in 1529 naar Portugal teruggekeerd en António Ribeiro volgt hem op als capitão-mór in de Braziliaanse wateren.

Ook ten minste één Engelse expeditie bereikt in die tijd Brazilië. William Hawkins maakt drie reizen naar Afrika en Brazilië, waar-van de eerste in 1530. Hij meldt dat hij goed kon opschieten met de Indianen. Andere bronnen leren ons dat tegen 1530 Franse, Spaanse en Engelse schepen, naast Portugese, handeldrijven op Brazilië. Veel bemanningsleden bereiken de kust na schipbreuk te hebben geleden, worden als degradados aan de kust achter-gelaten, of deserteren van de schepen om vrijwillig in Brazilië te blijven. Anderen komen aan land nadat hun schip in een zeege-vecht op de kust is gedreven, of aan de kust tot zinken is gebracht. Niet allen die in handen van de Indianen vallen worden aan het spit gebraden. Al deze Europeanen vestigen zich op eilandjes voor of aan de kust; de gezinnen die zij stichten vormen het begin van dorpen en stadjes van kolonisten. Diffie verwerpt de door Oliveira Marques aanvaarde opvatting van Jaime Cortesão dat er overal waar zich Europeanen vestigen factorijen ontstaan, tenzij ieder afscheeppunt van brazielhout als factorij betiteld wordt. Niettemin zijn er, zoals blijkt uit getuigenissen van García en Cabote, in hun tijd al meerdere factorijen in São Vicente. Zij spreken ook over ‘tien of twaalf huizen, waarvan een van steen en gedekt met pannen en een toren’ die de kolonisten gebouwd hebben ter bescherming tegen aanvallen van de Indianen. ‘Deze hebben de beschikking over inheemse vruchten, Spaanse kippen en zwijnen en een overvloed aan groenten.’ Het is namelijk de gewoonte van de Portugezen levende dieren als voedsel voor onderweg op de schepen mee te nemen en zaden en dieren in nieuw ontdekte gebieden aan land te brengen. Als Cabote in mei 1530 uit Brazilië wegzeilt, heeft hij 70 Indianen aan boord die eigendom zijn van Gonçalo da Costa, de bacharel en ‘van andere christenen die in het land wonen.’ Niet bekend is of de Indianen snel in gevangenschap sterven en of hun zielen door het doopsel gered zijn. De eerste kolonisten, onder wie ook Franse houtkappers, zijn van groot nut als eenmaal tot formele kolonisatie besloten is.

João III ziet de noodzaak in van krachtige kolonisatie. Cristóvão Jacques biedt aan 1.000 kolonisten over te brengen, maar João aanvaardt zijn aanbod niet. João de Melo da Câmara, broer van de capitão-donatário van São Miguel in de Azoren, wil, zonder dat dit de kroon ook maar één cruzado kost, 2.000 kolonisten naar Brazilië overbrengen. De aanbieder heeft het over ‘personen van gewicht en heel rijk, die veel paarden, merries, vee en alles wat voor de ontwikkeling van het land nodig is’ zouden kunnen meebrengen. De koning gaat ook hierop niet in. Hij belast zijn 30-jarige bloedverwant Martim Afonso de Sousa, een afstammeling van Afonso III en een speelkameraad uit zijn jeugd, met de taak Brazilië te koloniseren. Sousa heeft voor Karel V in Frankrijk gediend in de voortreffelijke ruiterij van de hertog van Alba en de graaf van Alba de Liste. Hij is een onkreukbare, zelfbewuste en dappere man, met een vasthoudend karakter. Sousa is als het ware de incarnatie van het ideale type Portugees in de Renaissance.

2.1 De expeditie van Martim Afonso de Sousa.

Categorieën
Portugees kolonialisme

De ontwikkelingen overzee. Portugal onder koning João III (1521-1557)

Deel 8 Index

Hoofdstuk 1.

Portugal onder koning João III (1521-1557)

1.6. De ontwikkelingen overzee

Geschreven door Arnold van Wickeren

De familiebanden tussen het Spaanse en het Portugese vorsten-huis en het Verdrag van Zaragoza, dat João III in 1529 met Karel V heeft gesloten, hebben de voorwaarden geschapen voor een hechte vriendschap met Spanje. João III concentreert zich hoe langer hoe meer op de grote overzeese expansie en stelt steeds minder belang in de Europese politieke verhoudingen. Het monopolie op ontdekkingen en de verdeling van de wereld tussen Spanje en Portugal, zoals vastgelegd in de Verdragen van Tordesillas en Zaragoza wordt in toenemende mate door andere machten betwist. Hun aanspraken worden niet formeel ter discussie gesteld, maar Franse en later Engelse schepen beginnen de zich te mengen in de Afrikaanse en Amerikaanse handel. João III, wordt vooral ernstig geplaagd door Franse aanvallen op de Portugese Atlantische bezittingen. In de late jaren twintig beginnen de Fransen namelijk zeer actief overvallen uit te voeren op de kusten van Brazilië en zij kapen zoveel Portugese schepen als zij kunnen. De in de Braziliaanse wateren kruisende eskaders van Portugal zijn niet langer in staat de kusten goed te verdedigen. Bovendien ontbreekt het de kleine verspreid liggende capitanias aan middelen waarmee zij zich kunnen verdedigen tegen groot-schalige aanvallen, gericht op het in bezit nemen van territoor, ofschoon zij zeer wel in staat zijn lokale aanvallen af te slaan.

Al in Manuels dagen heeft de Franse piraat Mondragon zich opgehouden bij de Azoren, om schepen komende uit Amerika te onderscheppen. Klachten bij het Franse hof hebben niets uitge-haald, maar hij is tenslotte gevangengenomen en daarna weer vrijgelaten. De kapers gaan door met hun activiteiten en zeilen naar Brazilië. Als zij door de Portugezen worden aangehouden, tonen zij kaperbrieven van de Franse assemblée. Onder deze omstandigheid is het niet meer dan logisch dat het Portugese hof tracht tot samenwerking te komen met Spanje.

João III laat een plan uitwerken voor de systematische kolonisatie van Brazilië. Vervolgens wordt de edelman Martim Afonso de Sousa, als capitão e governador, met zes schepen naar Brazilië gezonden. Hij beschikt over hooguit 500 man, de bemanning en een aantal kolonisten inbegrepen. Hij vertrek in december 1530 uit Portugal en arriveert twee maanden later in Brazilië. Hij dient een drievoudige opdracht uit te voeren: de kust verdedigen tegen de Fransen, het bepalen van de exacte grenzen van Brazilië en het uitoefenen van toezicht op permanente vestigingen langs de gehele kust van noord naar zuid. Hiertoe is hij met uitgebreide volmachten bekleed. Sousa verdeelt de kust in stroken. Ieder daar-van wordt uitgegeven aan een capitão, die volksplantingen sticht en de handel opent. Martim Afonso de Sousa, sticht te kolonie São Vicente, bij de huidige haven Santos, waarvan hij de capitão is.

Omdat de Franse kapers de kusten van Brazilië blijven aandoen, ook al weet Sousa hen soms te verdrijven, gaat João III de jaren daarna door met protesteren bij het Franse hof, waarbij hij stelt dat Franse kapers zich tot 1531 hebben meestergemaakt van niet minder dan 300 Portugese schepen. Volgens Diffie een over-dreven aantal, dat dient om Portugals protesten bij de Franse koning kracht bij te zetten. João III vraagt François I met klem het kapen van schepen te onderzoeken en de verstrekte kaper-brieven in te trekken. In januari 1535 herinnert João Karel V aan deze klachten, waarbij hij de keizer erop wijst dat ‘de zaak ook hem aangaat.’ Pas in 1539 verbiedt François I, zijn onderdanen naar Brazilië of de Malagueta-kust (Peperkust) te varen, welk verbod uiteraard slechts tijdelijk enig soelaas geeft.

In de jaren veertig acht João III het geboden een centrale regring (governo-geral) in Brazilië te vestigen en in 1549 wordt Tomé de Sousa aangesteld tot gouverneur (capitão-geral) van het hele gebied. Hem wordt de taak toevertrouwd aan de Baía de Todos os Santos een hoofdstad te stichten. Op de rijke vlakten van de aan-grenzende Recôncavo wordt suikerriet aangeplant en daarvoor worden negerslaven aangevoerd uit West-Afrika. Tegen 1560 zal Brazilië de plaats van Madeira hebben ingenomen als de grootste suikerproducent en in 1570 zullen al 60 engenhos, of molens zijn, welk aantal in 1585 zal zijn opgelopen tot 122.

João III heeft van zijn vader de hersenschim, in Marokko een Noordafrikaans rijk te kunnen stichten, geërfd. Volgens de meeste historici ziet João wel in dat Portugals aanwezigheid met grote garnizoenen in acht forten in Noord-Afrika, wellicht Ceuta en Tanger uitgezonderd, van weinig economische waarde is en dat hij zijn troepen uit dat land beter kan terugtrekken. Maar voordat hij accepteert dat Safi en Azamor in 1542 als eerste steden worden opgegeven, nadat fort Santa Cruz do Cabo Gué al in maart 1541 door de Moren veroverd is, zijn we 20 jaar, 450.000 cruzados, heel wat verloren veldslagen en duizenden levens verder. Als in januari 1549 sjarif Mohammed ech-Cheikh het koninkrijk Fez verovert en de gehele Magreb verenigt, gaat de mogelijkheid van een verovering van de Magreb door de chris-tenen definitief in rook op. De garnizoenen van Alcácer Ceguer en Arzila worden in 1549, respectievelijk 1550 teruggetrokken, waarna slechts drie steden: Ceuta, Tanger en Mazagão, in handen blijven van Portugal. Al het geld en de vele mensenlevens zijn verspild in een land waar Portugals aanwezigheid niets oplevert en dit is allemaal ten koste gegaan van de defensie van Indië, Portugals primaire winstbron. Zou João III Manuels politiek in Marokko hebben voortgezet, dan zou alleen dit voldoende zijn geweest om Indië te beroven van de noodzakelijke mensen en wapens. Ondanks dat de aanvoer van specerijen uit Voor-Indië, de Molukken en Ceylon in de jaren vijftig van de 16e eeuw zijn top bereikt, om daarna in de rest van de eeuw en in de volgende eeuw geleidelijk te dalen, wordt het onder João’s regering duide-lijker dan het ooit onder Manuels bewind is geweest, dat Estado da India nooit genoeg schepen en manschappen heeft ontvangen om het strategische plan te voltooien waaraan Albuquerque zo was gehecht, namelijk een grote campagne te lanceren om hetzij Aden te veroveren, hetzij de Rode Zee op andere wijze af te sluiten. Gedurende het grootste deel van João’s regeringsperiode zijn de omstandigheden daarvoor gunstig en met een additioneel bedrag van 350.000 cruzados – het bedrag dat voor de Molukken is betaald – zou het ook hebben kunnen lukken, als het geld zou zijn aangewend voor het zenden van schepen, manschappen en voorraden aan een gouverneur-generaal van het type João de Castro, Estevão da Gama of Nuno da Cunha, alle drie mensen die bewezen hebben goede aanvoerders te zijn. De bekwaamheid van de Portugezen stand te houden in Indië zonder hulp op grote schaal, kan niet het feit verdoezelen dat hun formidabele offensieve capaciteit, nog slechts herinnering is. De karakteristieke situatie van de Estado da India onder João’s gehele regering is echter feitelijk zodanig, dat de Portugezen de ene na de andere belegering moeten doorstaan. Hun enige grote verovering, die van Diu, is slechts bereikt onder omstandigheden die niemand kon hebben voorzien. Goa heeft onder João niet opeens al zijn strijdbare man-nen verloren, maar waar het aan ontbreekt is offensieve kracht. Al het geld daarvoor is verspild in Marokko en naar Spanje gevloed.

Portugals offensieve kracht mag dan wel goeddeels zijn verdwenen, zoals Winius – die in de vorige alinea is aangehaald – stelt, en de op-volgers van Afonso de Albuquerque, die de macht van Portugal in Azië stevig verankerd heeft, mag dan wel verweten worden dat zij zich hebben schuldig gemaakt aan misdrijven, wreed-heden en corruptie, maar dat wil allerminst zeggen dat de Portugese macht in Azië taant, integendeel, Portugals invloed zal tot het midden van de 16e eeuw alleen maar toenemen. In 1518 is Colombo op Ceylon ingenomen en het eiland zal de spil worden van de Portugese invloed in Azië. Aan het einde van Manuels regeringsperiode zijn forten gebouwd In Quilon (1519), op het Maldiven-eiland Mal (1519), in Chaul (1521) en in Pacem, op Sumatra (1521) en is opdracht gegeven een fort op Ternate te bouwen. In de volgende decennia zullen nog vele forten volgen. De plaatsen Diu, Damão en Bassein, allen in Voor-Indië, zullen, zoals Goa, echte Portugese steden worden en hun groei zal niet eerder afnemen dan in het begin van de 17e eeuw. Portugese kooplieden, die al in 1515 China voor het eerst bereikt hebben, ontvangen in 1557 het territorium van Macau en mogen daar een factorij opzetten voor de handel met Canton. Portugese handela ren vestigen zich ook in andere Chinese kuststeden en zwermen uit over heel Oost-Azië, met inbegrip van Japan en Timor. Japan is al in 1543 voor het eerst door Portugezen bereikt en op Timor, dat al in 1512 is ontdekt (zie deel V, pag. 132) hebben zich in of omstreeks 1552 de eerste Portugezen gevestigd. Ook de missio-narissen zwermen uit over de hele wereld, zoals reeds gebleken is in par. 1.5, In 1556 jaar heeft de dominicaan, Frei Gaspar da Cruz, getracht in China te prediken, maar hij is genoopt het land te verlaten. In 1565 zullen de jezuïeten zich in Macau vestigen en de beroemde Matteo Ricci zal in 1583 erin slagen het keizerlijke hof in Beijing te bereiken.

Het vestigen van Portugals macht in Azië is natuurlijk niet zonder strijd verlopen. We behoeven maar te denken aan de grote zee-slagen bij Chaul (1508) en Diu (1509). Handhaving en uitbreiding van de Portugese invloed gaat wederom met strijd gepaard, zoals het voorbeeld Diu duidelijk maakt. Deze plaats wordt in de jaren 1531/32 veroverd. In 1538 slaat António de Silveira het eerste beleg van Diu af en João de Mascarenhas verdedigt het fort in de jaren 1546/47 tijdens het tweede beleg van Diu, totdat onderkoning João de Castro het fort ontzet. Al deze slagen hebben de Portugezen uitgevochten tegen dezelfde vijand: een coalitie van Gujarati, Egyptenaren en Turken. Ten tijde van João III moet in de jaren 1547/48 opnieuw strijd geleverd worden tegen Bijapur, aan welke moslimstaat in 1510 Goa ontrukt is. Aan de reeks oorlogen met de zamorin van Calicut (1505, 1509 en 1510) wordt er in de jaren 1525-26 weer een toegevoegd. Ook buiten het Voorindische subcontinent is ten tijde van koning Manuel strijd geleverd en wel om Ormoez (1507/08 en 1514) en Malacca (1509 en 1511) en de Rode Zee, waar de Portugezen al tweemaal (1513 en 1516) hebben getracht een verwoestende raid uit te voeren, overigens zonder veel succes, en waar zij in 1541 weer ten strijde zullen trekken.

Het bestuur over Goa volgt het patroon van Lissabon. Er wordt een gemeenteraad ingesteld en deze câmara, bestaande uit vereadores, juizes en procuradores, bij elkaar tien personen, is waarschijnlijk gekozen uit degenen die zich permanent in Goa gevestigd hebben. De capitão van Goa, welke functie overeen-komt met die van alcaide in steden in Portugal, heeft het recht en de plicht de câmara bijeen te roepen. Albuquerques oorspron-kelijke regeling is in 1516 door koning Manuel bekrachtigd en de daarin vastgelegde privileges worden nauwgezet door de leden van de câmara gekoesterd en in de loop der tijd bevestigd of hernieuwd. De stad groeit in omvang en bevolkingstal. Het oor-spronkelijke inheemse stadspatroon ondergaat veel veranderingen en wordt langzamerhand het ideale patroon van een stad ten tijde van de Renaissance. De gouverneur-generaal, de topambte-naren en de welgestelde kooplieden laten nieuwe kostbare huizen bouwen. Er worden verschillende monumentale kerken gebouwd. Goa wordt in 1534 een bisdom, met jurisdictie over de kust van Oost-Afrika en heel Azië. In 1524 worden in Goa 450 Portugese huishoudens geteld, bestaande uit circa 2.500 zielen. In 1540 zijn er al 1.800 huishoudens van afstammelingen van Europeanen, wat neerkomt op 10.000 mensen, niet meegerekend Hindoes, moslims en slaven. Zij brengen het totale aantal inwoners op 30.000 à 40.000. De hoge sterftecijfers onder blanken worden voortdurend gecompenseerd door nieuwe aanwas uit Portugal. Goa groeit spoedig uit tot een van de belangrijkste Portugese steden, die zelfs Lissabon naar de kroon steekt. Elders wordt hetzelfde patroon gevolgd. Als een stad door de Portugezen is veroverd en zijn bestuurder is afgezet, trachten zij de stad te Europeaniseren en te doen lijken op een bestaande stad in Portugal. Zij voeren een politiek van rassenvermenging, met het doel de bevolking sneller te doen toenemen, waarmee zij een permanente Portugese aanwezigheid nastreven. Evenals de Phoeniciërs en de Grieken in het verleden, zijn de Portugezen er meer opuit een uitgebreid netwerk van volksplantingen, ver-spreid over de kustlijn, te stichten, dan dat zij territorium willen veroveren. In enige andere steden (Cochin bijvoorbeeld en later Bassein) waar de Portugese aanwezigheid groot is, worden Europese gewoonten met geweld doorgevoerd. Dit is echter meer uitzondering dan regel. In de meeste plaatsen brengen de Portugezen nauwelijks verandering in de levensstijl. Zij houden zich bij hun handelshavens en forten en accepteren het lokale gezag en de inheemse gebruiken, hoewel hun aanwezigheid toch op beide invloed heeft.

Malacca, de stad die de Portugezen tot hun hoofstad in het Verre Oosten maken, is vergelijkbaar met Goa. De stad heeft, evenals Goa, zeggenschap over het directe achterland. Dit is niet alleen nuttig voor een betere verdediging, maar garandeert ook de aanvoer van levensmiddelen. Ook in Malacca worden Portugezen aangemoedigd met inheemse vrouwen te trouwen en groeit een kaste van halfbloeden op. In Malacca worden ook de instituties van Lissabon en Goa overgenomen.

De capitão-geral of gouverneur-generaal vertegenwoordigt de kroon in alle Portugese vestigingen van Sofala tot Macau. Hij wordt door de koning benoemd voor een periode van drie jaar. Als een nieuwe gouverneur-generaal zich inscheept naar Indië, heeft hij drie genummerde verzegelde brieven bij zich. In brief 1 staat de naam van zijn opvolger; in brief 2 de naam van degene die hem opvolgt als de in brief 1 aangewezen opvolger niet (meer) beschikbaar is en in brief 3 wordt een opvolger bekend gemaakt, als zowel de eerste als de tweede opvolger overleden zijn. Dit is een goed systeem, omdat het anders – gelet op de afstand – anderhalf jaar zou duren voordat een opvolger kan aantreden. De gouverneur-generaal draagt soms de titel vice-rei, met de daarbij behorende koninklijke prerogatieven. Dit is het geval als hij van hoge geboorte is, of als hij zeer bij de koning in de gunst staat, of als de omstandigheden vereisen dat ’s konings vertegen-woordiger met groot prestige en autoriteit optreedt. Van de elf van 1505 tot 1550 benoemde gouverneurs heersten slechts vier als onderkoning (Francisco de Almeida, Vasco da Gama, Garcia de Noronha en João de Castro) over het Império Português do Oriente. De gouverneur-generaal stelt de lokale autoriteiten aan, leidt offensieve en defensieve campagnes, bepaalt de economi-sche politiek en is verantwoordelijk voor de handhaving van de wet.

Ook in het westen van de Estado da India, dat wil zeggen aan de Oostafrikaanse Swahili-kust, breidt de Portugese invloed zich uit. Naast de sterke militaire positie in Sofala en op het eiland Moçambique, alsmede de verworven politieke suzereiniteit over Zanzibar, Malindi en Lamu, worden in Oost-Afrika nieuwe handels-posten gesticht in Sena (1531) en vervolgens in het midden van de jaren veertig ook in Tete, Quelimane en Inhambane, met tijde-lijke factorijen aan de rivieren Pungue en Buzi in het binnenland. Bovendien legt Lourenço Marques de basis voor een perma-nente Portugese aanwezigheid rond de naar hem genoemde baai. Ondanks de uitbreiding van het aantal vestigingsplaatsen aan de Oostafrikaanse kust, blijft het aantal Portugezen dat zich aan deze kust vestigt zeer gering. In het midden van de 16e eeuw wonen er op het vasteland niet meer dan 200 à 300 Portugezen.

Portugal ontbreekt het niet alleen aan geld om zijn machtspositie in Azië en elders uit te bouwen, maar ook aan schepen en mensen. In 1536 heeft Portugal 300 oceaanschepen; een groot aantal voor een klein land, maar volstrekt onvoldoende voor het wereldwijde handelsrijk. Bovendien kan het land de schepen waarover het beschikt bij lange na niet bemannen. De grote naus (kraken) van 1.000 tot 2.000 ton, die tussen Goa, Macau en Nagasaki varen, worden, op de officieren en 15 tot 20 kanonniers na, geheel bemand door Aziatische en Afrikaanse slaven. De Portugese handels-schepen in de Indische Oceaan hebben vaak slechts één blanke aan boord. Zelfs de kapitein en de bootsman zijn dikwijls moslims uit Gujarat. Als Dom João de Castro in 1539 een expeditie naar de Rode Zee uitrust, blijken er geen Portugese kapiteins te zijn die bekend zijn met de Straat van Bb al-Mandab of die beschik-ken over kaarten van dit gebied. Castro neemt noodgedwongen Arabische kapiteins en kapiteins uit Gujarat en Malabar aan, die hun eigen zeekaarten bezitten. Een ander voorbeeld is ontleend aan Diogo de Couto. Hij schrijft dat als João III in 1538 40 schepen naar het Oosten wil zenden, hij er slechts 12 weet te bemannen, omdat de edelen volhouden dat er in Indië niet tegen de ongelo-vigen dient te worden gevochten, maar dat met dat land slechts handelgedreven moet worden. João dreigt de weigeraars te ont-heffen van hun comendas die zij in de militaire orden innemen; zij verzetten zich zo heftig tegen deze maatregel, dat de koning hiervan afziet. De edelen om wie het gaat zijn van hun grond vervreemde landjonkers die, in afwachting van een lucratieve functie, op kosten van de koning aan het hof leven, Zij hebben er weinig trek in hun leven te riskeren in de strijd met de moslims. Het gebrek aan zeelieden aan de ene kant en de weigering van fidalgos, uiteraard als bevelvoerende officier, naar Indië te gaan aan de andere kant brengt scherp aan het licht wat de problemen zijn.

West-Afrika van Marokko tot Angola krijgt onder João III lang niet die aandacht als onder zijn voorgangers. We hebben hiervoor al gezien dat de geldverslindende Portugese militaire aanwezigheid in Marokko in de jaren veertig aanzienlijk wordt verminderd door het opgeven van enige posities aan ’s lands Atlantische kust. Verder naar het zuiden, aan de kust van het huidige Mauretanië, stelt de eertijds bloeiende handelpost op het eiland Arguim weinig meer voor. Godinho schrijft dat de betekenis van de factorij daar, door smokkel van Portugezen, Castilianen en Fransen, in 1542 vrijwel nihil is. Wat de Minakust betreft, kan evenmin van vooruit-gang worden gesproken. In november 1540 heft de Franse koning François I voor zijn onderdanen het verbod op naar de Minakust te zeilen. Vanaf dat moment verschijnen er ieder jaar tussen december en maart Franse schepen aan deze kust, die grote hoeveelheden goud weten te bemachtigen. Daarnaast trachten particuliere Portugese handelaren inbreuk te maken op het goudmonopolie van de kroon. De goudhandel voor rekening van de kroon komt verder onder druk te staan door jarenlange stam-menoorlogen in het binnenland, die de goudhandel goeddeels stilleggen. Eerst in 1557 worden de betrekkingen met het binnenland hersteld. Vanaf 1550 dringen ook Engelse vloten door tot de handel aan de Minakust. Ook zij weten grote hoeveel-heden goud te bemachtigen. Het gevolg van een en ander is dat de goudontvangsten van de kroon tijdens João’s regering drama-tisch dalen, al wordt dit in sommige jaren ten dele gecompen-seerd door toename van de goudontvangsten uit Guinée.

De zeer vriendschappelijk relatie die koning Manuel met de katholieke koning Afonso I van Congo heeft opgebouwd en gekoesterd, verwatert onder João III. De Portugezen in de Congolese hoofdstad M’banza-Congo gaan wel door met het verfraaien van de stad, die door zijn brede, door palmen omzoomde lanen en schitterende stenen gebouwen en vele kerken, steeds meer een Portugese stad wordt. Als in 1534 de kathedraal gereed is, wordt de stad herdoopt in São Salvador (do Congo). In de jaren twintig en dertig wordt de regio Andongo, waar de Ngola huist, een Portugees expansiegebied. Handelaren van São Tomé en Santo Antão verwerven hier 4.000 tot 5.000 slaven per jaar, die via de Congolese haven Mpinda worden uitgevoerd. Ten tijde van João III is er geen sprake van het aanknopen van betrekkingen met de Ngola, laat staan dat er toen al getracht is vaste voet in dat land te verwerven.

Nadat Dom Cristóvão da Gama, de zoon van Vasco da Gama, zich in 1541 in Ethiopië heeft doodgevochten tegen de moslims die dit christelijke land dreigden te overrompelen, is het Portugese prestige dat land enorm gestegen en is de Portugese invloed er groot.

Met deze laatste opmerking wordt het globale overzicht van de Portugese maritieme expansie ten tijde van koning João III beslo-ten. In het vervolg van dit deel en in volgende delen zal meer gedetailleerd aandacht worden geschonken aan de wereldwijde Portugese expansie in drie continenten, te beginnen met de kolonisatie van Brazilië

Het begin van de kolonisatie van Brazilië 2.0 Inleiding.

Categorieën
Portugees kolonialisme

De Jezuïeten. Portugal onder koning João III (1521-1557)

Deel 8 Index

Hoofdstuk 1.

Portugal onder koning João III (1521-1557)

1.5. De Jezuïeten

Geschreven door Arnold van Wickeren

De stichter van de Sociëteit van Jezus, die zo’n grote rol in de historie van Portugal en zijn overzeese gebieden zal spelen, is Iñigo López de Recaldo (1491-1556), een Navarrees edelman, die in 1521 bij het beleg van Pamplona getroffen wordt door een Franse kanonskogel. Na zijn herstel wijdt hij zich aan geestelijke zaken. Hij gaat in 1528 naar Parijs, waar hij onder meer studeert aan het door Diogo de Gouveia geleide Collège de Sante Barbe, waar hij zich ontpopt als een spiritueel leider. Na in 1532 afstand te hebben gedaan van zijn vroegere leven en zich Iñigo de Loyola (Ignatius van Loyola) is gaan noemen, verzamelen zich zes volgelingen om hem heen, onder wie: Diego Lainez, zijn opvolger, Francisco Xavier, evenals Iñigo stammend uit een adelijk Navarrees geslacht en de beroemste missionaris van de orde, en de Portugese edelman Simão Rodrigues de Azevedo, de stichter van de orde in Portugal. Op weg naar het Heilige Land, wonen Iñigo de Loyola en zijn volgelingen in 1537 in Venetië. Hier sluiten zich meer leerlingen bij hen aan. Door de oorlogssituatie in het oosten van de Middellandse Zee is het onmogelijk naar het Heilige Land te zeilen. Bij een bezoek aan Rome, blijken paus Paulus III (1534-1549) en zijn omgeving zeer onder de indruk te zijn van de scholing van Iñigo de Loyola en zijn volgelingen. Zij worden uit naijver bij de Inquisitie aangeklaagd, op beschuldiging Lutherse ketters te zijn. Als zij van alle blaam gezuiverd zijn, geeft de paus, op voorspraak van Donna Constanza Farnese, een onwettige dochter van Paulus III en de invloedrijkste vrouw in Rome, kardinaal Guidiccioni en Dom Pedro Mascarenhas, de Portugese ambassadeur bij de Heilige Stoel, in zijn bul Regimini militantis ecclesiae van 25 september 1540 toestemming tot de oprichting van de Sociëteit (in de naam) van Jezus, waarvan de omvang echter beperkt dient te zijn.

In juni 1540 arriveren de eerste twee jezuïeten, Francisco Xavier en Simão Rodrigues, in Portugal. Dom João III ontvangt hen met grote geestdrift, omdat hij Diogo de Gouveia hun deugden heeft horen roemen. De jezuïeten komen net op tijd om Dom Frei Bartolomeu dos Mátires o.p., aartsbisschop van Braga en lid van het Concilie van Trente, behulpzaam te zijn in zijn pogingen de kwaliteit van het religieuze leven in het land te verbeteren door de discipline onder de clerus te versterken. De twee jezuïeten, die spoedig gevolgd worden door een aantal medebroeders, brengen de meeste tijd door aan het hof, als zielzorgers van de koninklijke familie en leden van de hofhouding en zij leggen ook contacten met de vele edelen en hooggeplaatste functionarissen die het hof bezoeken. De jezuïeten prediken ook op pleinen en in straten van Lissabon en zij nemen de zielzorg op zich van patiënten in het grootste ziekenhuis van de stad en van gevangenen. De Curia Regis bediscussieert het denkbeeld de energie en het enthousiasme van de leden van de nieuwe orde in te zetten in de missie, een gedachte die ook sterk leeft aan het Spaanse hof. Xavier en Rodrigues willen eigenlijk ook zelf zo spoedig mogelijk naar Indië vertrekken. Kardinaal Henrique is hiervan een voorstander, maar João III wil de jezuïeten liever in Portugal houden. Er wordt een compromis gevonden: Xavier mag naar Indië vertrekken, wat hij in april 1541 ook doet, mits Rodrigues in Portugal blijft. João III stelt hem in 1543 aan als privé-leraar van zijn zoon, João. Rodrigues en veel andere jezuïeten doceren ook aan de Universiteit van Coimbra, die zij vanaf 1555 gaan leiden, zonder ooit de volledige zeggenschap over de Universiteit te verwerven. Als gevolg van de goede naam die de jezuïeten zich verwerven en koninklijke begunstiging die zij genieten, neemt het aantal volgelingen sterk toe. De toeloop is zo groot dat Simão Rodrigues in 1546 slechts 13 van de 53 aspirant-jezuïeten die zich aanmelden, aanneemt.

De grootinquisiteur, kardinaal Henrique, staat erop dat er een onderzoek wordt ingesteld naar de mate van orthodoxie van de jezuïeten, de orde wordt van alle blaam gezuiverd en de kardinaal trekt daarna een jezuïet aan als zijn biechtvader. In die tijd is Henrique gepikeerd door de mislukking van wat hij beschouwt als een werkelijke Inquisitie en Ignatius intervenieert in Rome ten bate van de Portugese Inquisitie, wat in 1547 zal leiden tot de bul Meditatio cordis. Henrique wordt langzamerhand een groot aanhanger van de jezuïeten en hij nodigt hen uit in zijn aartsbis-dom Évora een door hen te leiden college te stichten. Simão Rodrigues neemt de uitnodiging aan en loopt met negen mede-broeders van Coimbra naar Évora, waarbij zij met bedelen aan de kost komen. De tien jezuïeten openen eind 1551 het Colégio Espírito Santo in Évora. In 1554 studeren daar al 300 studenten. Op 1 november 1559 krijgt het college de status van universiteit onder formele supervisie van de jezuïeten.

In 1552 mag de Sociëteit van Jezus de gebouwen van het oude klooster van Santo Antão betrekken. Zij stichten daarin hun eerste college annex studentenhuis, waarin gratis onderwijs wordt gegeven aan toekomstige jezuïeten en aan anderen, ongeacht de sociale klasse waaruit de studenten voortkomen. In het jaar daarop stelt João III vijf andere gebouwen voor de orde in Lissabon beschik-baar. In 1552 is het aantal jezuïeten in Portugal opgelopen tot 318 en in 1554 studeren al 600 studenten op het door hen geleide college in de hoofdstad. Om de discipline onder de studenten te vergroten wordt strenger geselecteerd; eenderde tot de helft van de studenten valt af. De strenge selectie leidt ertoe dat het aantal leden van de orde in de jaren vijftig nog maar langzaam stijgt; in acht jaar stijgt met niet meer dan 42 tot 350 in 1560. In dat jaar wordt het eerste door de jezuïeten geleide college in het noorden van Portugal geopend, namelijk het Colégio de São Lourenço in Porto, dat een jaar later gevolgd wordt door het Colégio de São Paulo in Braga. In 1562 wordt zelfs in de uithoek Bragança een door de jezuïeten geleid college gesticht. In 1600 zullen zij over 20 vestigingen en 600 leden beschikken en leiden zij noviciaten, ziekenhuizen, krankzinnigengestichten, scholen en seminaries. Hun priesters zwermen uit over heel Portugal en zijn imperium en behoren tot de populairsten van allen. Hun invloed neemt bij de heersende klassen toe, opdat zij optreden als biecht-vaders, kapelaans, adviseurs enzovoorts. Hun invloed vormt een uitdaging voor andere religieuze orden en maakt hen tot voor-werp van afgunst en aanvallen. De jezuïeten scheppen een eigen perfecte methode voor beoefening van spiritualiteit en haar leden worden bijzonder goed opgeleid. Hun hoofddoel is de jeugd en zij slagen erin bijna het gehele onderwijs in Portugal in handen te krijgen. In de komende twee eeuwen zullen de jezuïeten de sterkst denkbare invloed op het onderwijs hebben. Zij steken hun energie ook in aanvallen op ketters en joden. Zij zullen bijna een eeuw lang partners zijn van de Inquisitie in een soort ‘verenigd front’ met de seculiere geestelijkheid en zij weten de koning en de onderkoning in Indië naar hun hand te zetten. Naarmate de macht van de jezuïeten en die van de Inquisitie toeneemt, weten beide instituties de maatschappij meer en meer te beïnvloeden.

Hun befaamste resultaten bereiken zij in de missie. Francisco Xavier arriveert in mei 1542, na een reis van dertien maanden, met de vloot van Martim Afonso de Sousa in Goa, tezamen met een andere priester en een broeder. Deze jezuïeten zijn niet de eerste missionarissen in Indië. Sedert 1500 zijn jaarlijks observante franciscanen in Goa gearriveerd en in 1518 hebben zij er hun eerste klooster gesticht. De jezuïeten zijn ook niet de laatste missie-orde die naar Indië komt; zij zullen nog worden gevolgd door de: dominicanen (1548), recollecte franciscanen (1566), augustijnen (1572) en ongeschoeide karmelieten (1607). Sint Franciscus Xaverius, de Apostel van de Indies, predikt in de jaren 1542-1545 in Voor-Indië, Malacca en Ceylon. In 1545, negen jaar na de oprichting van de Inquisitie in Portugal, verzoek hij koning João III schriftelijk de weldaden ervan zich ook tot Indië te laten uitstrekken, ‘om aan de joodse perfidie een einde te maken.’ Pas in 1560 zal kardinaal-infant Dom Henrique, grootinquisiteur van Portugal, een rechtbank van het Heilig Officie in Goa doen stichten en aan het einde van dat jaar zal de eerste inquisiteur Aleixo Diaz Falcão, wiens jurisdictie zich uitstrekt tot alle gebieden ten oosten van Cabo da Boa Esperança, in Goa arriveren. Francisco Xavier, aan wiens aktiviteiten bij de bespreking van de gang van zaken in de Estado da India ruim aandacht zal worden besteed, verblijft van januari 1546 tot juni 1547 in de Molukken en vertrekt na terugkeer direct naar Japan, waar hij in 1549 aan-komt en twee jaar verblijft. Hij is van plan zijn werk in China voort te zetten, maar sterft in 1552 op het Cantonese eiland Sancian en wordt in Goa begraven.

De eerste jezuïeten, Frei Manuel da Nóbrega en vijf mede-broeders, bereiken Brazilië in 1549. Zij arriveren, tezamen met de eerste gouverneur-generaal, Tomé de Sousa en duizend anderen op 29 maart in Baía de Todos os Santos. Nóbrega sticht op vele plaatsen in Brazilië scholen voor de de kinderen van gekers-tende Indianen, waaronder het beroemde colégio in het dorp Piratininga, waarbij later São Paulo is ontstaan.

1.6 De ontwikkelingen overzee.

Categorieën
Portugees kolonialisme

De Inquisitie. Portugal onder koning João III (1521-1557)

Deel 8 Index

Hoofdstuk 1.

Portugal onder koning João III (1521-1557)

1.4. De Inquisitie

Geschreven door Arnold van Wickeren

Domingo de Guzman, beter bekend als de Heilige Dominicus, sticht in 1215 de orde van de dominicanen of predikheren, die al in 1216 door paus Honorius III wordt goedgekeurd. Dominicus wordt, volgens Pedro Monteiro o.p., auteur van het monumentale werk Geschiedenis van de Portugese Inquisitie, door zowel oude als moderne schrijvers beschouwd als de oprichter van de Inquisitie en als de eerste inquisiteur. De Portugese inquisiteur António de Sousa ziet in Dominicus de door Innocentius III en Honorius III aangestelde apostolisch inquisiteur, de vader der inquisiteurs, hun voorbeeld en hun norm. De Portugese Inquisitie is bij lange na niet het onderwerp geweest van zoveel en zulke complete studies als de Spaanse. Sommige algemene werken vermelden haar zelfs niet. Ze was echter niet minder aktief en wreed en ze heeft belangrijke archieven nagelaten, waarvan de inventarisatie in 1979 is ter hand genomen.

Na haar oprichting richt de Inquisitie in een groot deel van Europa al snel haar rechtbanken in; Languedoc en Provence, 1233, Navarra 1234, Italië 1235, Aragón en Catalonië 1248. In Portugal hebben de dominicanen al vroeg vaste voet verkregen, maar er worden pas in 1376 inquisiteurs benoemd en die hebben aanvankelijk geen macht.

Spanje is Portugal voorgegaan met de Inquisitie. In dat land wordt getwijfeld aan de oprechtheid van tot het christendom bekeerde joden, de zogenaamde ‘nieuwe christenen.’ Deze twijfels liggen aan de basis van de Spaanse Inquisitie. Op 6 februari 1481 vindt in Andalusië de eerste auto-da-fe (actus fidei) plaats. Nadat de Reyes Católicos 1492 de joden uit Spanje verdreven hebben, richt de Spaanse Inquisitie zich vooral tegen personen met joods bloed. Dit blijkt duidelijk als op 25 juli 1547 in Toledo het definitieve statuut is uitgevaardigd over de limpieza de sangre, ‘zuiverheid van het bloed’. Eerst is dit statuut controversieel, maar het wordt goedgekeurd door paus Paulus IV (niet door zijn opvolgers) en door Filips II. Vanaf dat moment is het voor mensen met joods bloed onmogelijk openbare functies te bekleden. Het is de Inquisitie die commissarissen benoemt, die de verlangde ‘zuiverheid’ nagaat.

De verdrijving van de joden uit Spanje in 1492 heeft in Portugal tot een belangrijke aanwas van de joodse bevolking geleid. Hoewel joden en conversos aanvankelijk door koning Manuel zijn verwelkomd, hebben er vanaf 1497 gedwongen bekeringen plaatsgevonden en in 1506 is er tijdens een pestepidemie in Lissabon een pogrom uitgebroken. De joden zijn niet populair in Portugal en zij krijgen overal de schuld van, of het nu misoog-sten, miskramen of epidemieën betreft. De pogrom is op last van Dom Manuel beteugeld, en de aanstichters, onder wie twee paters dominicanen, zijn ter dood veroordeeld en vervolgens zijn tolerantiemaatregelen afgekondigd. Koning Manuel heeft paus Leo X in 1515 om de instelling van de Inquisitie verzocht, omdat hij, in navolging van de Spaanse kroon, de beschikking wilde hebben over deze rechtbank, als wapen om nog meer macht in handen van de koning te kunnen centraliseren. In die tijd vormden protestanten, noch joden een serieuze bedreiging voor de religieuze eenheid van het land. Protestanten zijn er nauwelijks; hoewel veel Portugezen door intensieve contacten met de wereld van de Hanze veelvuldig in aanraking komen met het lutheranisme, slaat de Reformatie in Portugal niet aan. Oliveira Marques verklaart dit uit de omstandigheid dat er op de Portugese geestelijkheid ten tijde van de Reformatie niet meer aan te merken is dan voorheen. Misbruik en accumulatie van kerkelijke ambten komt voor, maar niet in die mate dat de bevol-king daartegen in het geweer komt. Portugezen voelen zich bovendien verbonden met de Latijnse traditie en zij moeten, net zo min als Spanjaarden en Italianen, veel hebben van, aan de Reformatie inherente, vernietiging van heiligenbeelden en versobe-ring van kerkelijke rituelen. En de weinige Portugese intellec-tuelen die zich aangesproken voelen door de ideeën van de Reformatie, laten het wel uit hun hoofd zich, na de instelling van de Inquisitie, anders voor te doen dan als vrome katholieken. Veel joden zijn uit het land verdreven of gedwongen bekeerd en het aantal cristãos novos daalt voortdurend door snelle integratie of assimilatie met de ‘oude christenen.’ Het tijdvak waarin joden vriendelijk bejegend en niet lastiggevallen werden, loopt echter op zijn einde.

João III, die fanatiek en bekrompen is, heeft in 1526 toegestaan dat veel ‘nieuwe christenen’ het land verlaten, om naar de Lage Landen te vertrekken, maar in 1531 vraagt hij paus Clemens VII opnieuw om instelling van de Inquisitie in zijn koninkrijk. De Heilige Stoel wijst ook nu het verzoek af, wel inziende dat het vooral bedoeld is voor het verkrijgen van de bezittingen van de ‘nieuwe christenen.’ Toch wordt 1531 de bul afgekondigd die invoering van de Inquisitie in Portugal mogelijk maakt. De ‘nieuwe christenen’ tekenen hiertegen verzet aan bij de paus, die de bul intrekt en een generaal pardon voor alle cristãos novos afgekondigt. In juni 1532 verbiedt João III hen Portugal te verlaten en scheepskapiteins is opgedragen geen goud of kostbaarheden van hen te vervoeren en de koning en zijn adviseurs blijven zich inspannen voor de instelling van de Inquisitie. Gedurende vele jaren is er sprake van diplomatieke manoeuvres en intriges. De Heilige Stoel weigert Portugal krachtig een rechtbank van de Inquisitie te geven en de joden bewerken op de achtergrond beide partijen met steekpenningen om de instelling van de Inquisitie te voorkomen, of op zijn minst uit te stellen. Karel V intervenieert in de zaak ten gunste van zijn zwager, de koning van Portugal. De Inquisitie wordt uiteindelijk door João III van Rome gekocht, hoewel paus Paulus III nog in oktober 1535 het generale pardon van zijn voorganger vernieuwt, vaardigt hij op 23 mei 1536, op verzoek van João III, een breve* uit waardoor de Inquisitie in Portugal een feit wordt. De instelling gaat echter gepaard met grote beperkingen op de vrijheid van handelen van de recht-bank. Ofschoon het een publiek geheim is dat João’s verzoek gericht is tegen de cristãos novos, is het de bescheiden opkomst van het protestantisme in Portugal én een pauswisseling die tot de instelling hebben geleid.

De Inquisitie gaat functioneren in zes Portugese steden: Lissabon, Coimbra, Évora, Porto, Lamego en Tomar. De breve bepaalt dat de paus drie en de Portugese koning één inquisi-teur aanwijst, hetgeen João niet zint. De Inquisitie is een zeer gecompliceerd instituut, met ideologische, economische en sociale doelstellingen, die zowel gewetensvol, als gewetenloos worden nagestreefd. Haar werkterrein, gestrengheid en samen-hang veranderen in de loop der tijd aanzienlijk. Het Heilig Officie van de Inquisitie is natuurlijk bovenal een religieuze instelling, waarvan het doel en de procedure als heilig worden beschouwd. Het dient te waken voor de zuiverheid van het katholieke geloof en onderzoeken in te stellen naar ketterij, verzaking van het geloof en het uitvoeren van joodse, mohammedaanse, Lutheraanse of magische riten, Biechten en openlijk afzweren zijn vereist in geval-len waarin op vrijdag of zaterdag de sabbath gehouden werd, tijdens de ramadan gevast werd, gebeden werden gezegd nadat de schoenen waren uitgedaan, het gehele lichaam gebaad werd, geweigerd werd varkensvlees of wijn te consumeren, geen waarde werd gehecht aan de hel, het paradijs, de mis, de absolutie, de maagdelijke geboorte of de artikelen van het geloof, of als men anders dan met uitdrukkelijke toestemming een bijbel bezit in het Portugees. Derhalve speurt de Inquisitie naar alle uitingen van verdachte theologische, filosofische en zelfs literaire stromingen. Zij vecht ook tegen wat beschouwd wordt als bijgeloof, hekserij, afgodendienst en alle soorten heidense gebruiken. Als rechtbank die zich ook bekommert om de seksuele moraal, bestrijdt zij ook afwijkingen als bigamie, sodomie en bestialiteit. Deze misdaden komen in een klein land als Portugal te weinig voor om de macht, de autonomie en het optreden van de Inquisitie te rechtvaardigen en omdat er nauwelijks protestanten en joden zijn, dient de Inquisitie in Portugal een permanent doel te vinden om haar eigen bestaan te rechtvaardigen. Zij vindt dat in de cristãos novos, die er collectief van verdacht worden in het geheim joodse gebruiken in ere te houden. Hoewel dit sporadisch voorkomt, zijn de nakomelingen van de meeste ‘nieuwe christenen’ trouwe katholieken, wier geloofsbeleving zich in niets onderscheidt van Portugezen van niet-joodse afkomst. Door hen te discrimineren en van ‘judaïsme’ te beschuldigen, creëert de Inquisitie een geïsoleerde groep en houdt deze in stand, in plaats van dat zij deze laat opgaan in de bevolking, wat na hun bekering voor de hand zou liggen. De integratie van de cristãos novos wordt dus kunstmatig gestopt en zij zullen nog 200 jaar een voortdurend afnemende afzonderlijke kaste vormen. In 1542 bedraagt hun aantal minder dan 60.000 en in 1604 zal dit tot de helft geslon-ken zijn. Overigens worden soms bij de Inquisitie personen aange-klaagd die in het geheel geen of nauwelijks joods bloed hebben.

De eerste inquisiteur-generaal, de bisschop van Ceuta, maakt geen aanstalten zijn macht te gebruiken en de Inquisitie komt tot 1539 niet in actie. João III beoordeelt hem als te mild en zijn werk als onbevredigend. Hij vervangt hem eenvoudigweg door zijn broer Henrique, de 27-jarige aartsbisschop van Évora, die zich zal ontpoppen tot een fanatieke grootinquisiteur.

João III geraakt in conflict met de Heilige Stoel. De cristãos novos die steeds strenger worden behandeld, hebben in Rome beschermers en ze oefenden ook invloed uit op de nuntiï die naar Portugal worden gestuurd. Die vallen op door hun omkoopbaarheid en ook de pausen (Paulus III en daarna Julius III) staan niet onverschillig tegenover het aanbod van enorme geldbedragen. De cristãos novos bieden honderdduizenden cruzados aan in ruil voor breves die vrijstelling geven van confiscatie. Als João III hierte-gen protesteert, blijkt de Heilige Stoel bereid de breves te herroepen.

Het eerste Portugese auto-da-fe vindt in 1540 in Lissabon plaats. In hetzelfde jaar speelt de komische episode van de valse nuntius Juan Pérez de Saavedra, gewiekst oplichter en impersonator, die na zijn ontmaskering naar de galeien wordt gestuurd, maar aan wie na 19 jaar gratie wordt verleend, ‘omdat hij vele zaken had gedaan die de godsdienst ten zeerste tot nut strekten.’ Er is zelfs – ten onrechte – beweerd dat Saavedra de oprichter van de Portugese Inquisitie is geweest.

De Inquisitie komt in Portugal over het algemeen aarzelend op gang. Na het eerste auto-da-fe in Lissabon in 1540 zijn er maar enkele tijdens de regering van João III. In Porto, Lamego en Tomar worden de rechtbanken van de Inquisitie nog vóór 1547 buitenwerking gesteld en in Coimbra functioneert het tribunaal pas vanaf 1567. Alleen in Évora is de Inquisitie wel actief. Na het eerste auto-da-fe in 1542 volgen er zes andere in 15 jaar. Deze ongebruikelijke activiteit is het gevolg van het fanatisme van groot-inquisiteur Henrique, aartsbisschop van Évora. In het algemeen kan aanvankelijk noch de geestelijkheid, noch het volk veel enthousiasme voor de nieuwe institutie opbrengen.

Ook de Heilige Stoel is weinig enthousiast over het functioneren van de Inquisitie in Portugal. In september 1544 gelast paus Paulus III opschorting van alle vonnissen van de Inquisitie, maar zijn breve komt te laat om het grote auto-da-fe in Lissabon, waarbij 19 cristãos novos, onder wie 7 vrouwen, levend worden verbrand, te verhinderen. Koning João III is woedend; hij wijst de nuntius uit, die op zijn beurt de inquisiteurs excommuniceert.

De Heilige Stoel spreekt met twee monden: aan de ene kant verleent paus Paulus III de cristãos Novos in 1547 een aflaat, om vervolgens in zijn bul Meditatio cordis, gedateerd 16 juli 1547, de beperkingen, waaraan de Inquisitie in Portugal sedert de oprichting in 1536 onderworpen is geweest, op te heffen. Hij verleent het Heilig Officie in Portugal volledige rechtsmacht en de koning volledige zeggenschap over dit tribunaal, maar in 1548 stelt de Heilige Stoel de voorwaarden vast voor hervatting van de Inquisitie: volledig gratie voor allen die tot dat moment zijn veroordeeld, geheimhouding van afzweringen en uitstel van het voltrekken van vonnissen. Henrique, inmiddels tot kardinaal verheven, verdedigt schuldbelijdingen in het openbaar en onmiddelijke voltrekking van vonnissen, maar uiteindelijk accepteert hij de pauselijke voorwaarden en aanvaart zijn ambt. Ondertussen zijn zijn eerste slachtoffers al in 1543 in Évora verbrand. Voor Portugal is een nieuwe tijd aangebroken.

Om de willekeur van de Portugese inquisiteurs in te tomen, vaar-digt Paulus III in 1549 een breve uit waarin de geheime getuige-nissen worden afgeschaft, maar dit wordt nooit in Portugal toe-gepast. Dit spel zou nog jaren zo doorgaan, ‘terwijl de weeg-schaal van de ene naar de andere kant doorsloeg, afhankelijk van de vaten wijn en de geschenken die beide ruziënde partijen in Rome uitdeelden,’ zoals I.S. Revah het stelt.

In Portugal is de inquisiteur-generaal weliswaar afgevaardigd door de paus, maar hij is onafhankelijk en kan excommunicaties uitspreken die in principe zijn voorbehouden aan de Heilige Stoel. Niet alleen de koning, maar ook de paus heeft weinig greep op de inquisitie. Madrid, en Lissabon nog meer, zijn erg ver weg van Rome, waardoor tenslotte alle inspanningen om de Iberische Inquisities te controleren vergeefs zijn.

De ‘nieuwe christenen,’ verreweg de belangrijkste slachtsoffers van de Inquisitie, behoren in hoofdzaak tot de middenklasse van kooplieden en kredietverschaffers, die in Portugal (evenals in andere Europese landen) een zekere rol in ’s lands economie spelen. ‘Oude christenen,’ behorend tot de bourgeoisie, en de feodale adel, die zich ook met handelsactiviteiten bezighouden, misgunnen de ‘nieuwe christenen’ hun zakelijke successen en de grote arme massa ziet in de ‘nieuwe christenen’ de erfgenamen van de gehate joodse woekeraars van weleer. De meerderheid van de bevolking juicht derhalve iedere maatregel toe die de positie van de ‘nieuwe christenen’ verzwakt. De bevolking verwel-komt dus ook de vervolging die de Inquisitie tegen hen instelt en ze is bepaald niet afkering het Heilig Officie daarbij behulpzaam te zijn. Slechts de kroon, die geld leent van de cristãos novos, een kleine verlichte groep intellectuelen en de financiële kracht van de ‘nieuwe christenen’ zelf kan hen bescherming bieden tegen de furie van de Inquisitie.

Om de lezer een indruk te geven van de werkwijze van de Inquisitie, wordt deze paragraaf besloten met een samenvatting van de proces-gang en de beschrijving van het auto-da-fe, ontleend aan Frédéric Max.

De procesgang

De arrestatie van een verdachte is bijna altijd het gevolg van aanklachten, spontaan (kwaadwillige buren zijn al voldoende) of door een ‘visitatie’ van de inquisiteurs uitgelokt. Zij hebben een ‘edict van genade’ uitgevaardigd dat de bevolking, op straffe van excommunicatie, drie dagen de tijd geeft zichzelf of een ander te beschuldigen. De promotor fiscal (officier van justitie) schrijft op basis van de aanklacht(en) zijn petitio, zijnde een verzoek tot arrestatie met sekwestratie. De beschuldigde wordt op straat, of thuis gear-resteerd door twee alguacils (bewakers) enige familiares (meestal lieden van adel die dit ereambt uitoefenen), de gerechtsontvanger en de notaris van sekwestratie, want een arrestatie gaat altijd gepaard met confiscatie van de bezittingen van de gearresteerde, waardoor zijn gezin vaak direct tot de bedelstaf wordt veroordeeld. De veronderstelde ketter, of de van judaïsme verdachte cristão novo en in de 18e eeuw vooral de van vrijmetselarij be-schuldigde, worden opgesloten in een cárcere secreto (geheime gevangenis). De cellen in het Palácio dos Estaus in Lissabon hebben de naam ‘beter’ te zijn dan die te Coimbra of Évora, die om hun smerigheid en stank berucht zijn. Niemand, ook zijn naaste familie niet, verneemt ook maar iets van het lot van de gearresteerde; het heeft er de schijn van dat hij door de aarde is verzwolgen. Kenmerkend is dat hij niet te horen krijgt wie hem waarvan hebben beschuldigd. De ondervragingen door een inquisiteur gaan niet ge-paard met het uiten van beschuldigingen, die moeten worden toegegeven, maar de gearresteerde wordt, na ieder verhoor aangeraden zijn geweten te onderzoeken en te ontlasten. De beschuldigde moet zijn hele leven vertellen en grote aandacht wordt besteed aan de personen met wie hij omgang heeft gehad of die hij heeft ontmoet, vooral als het om buitenlan-ders gaat. Hij wordt op zijn beurt ook aanbrenger, vaak zonder zich hiervan bewust te zijn. Desgevraagd wordt hem een advocaat toegewezen, die hem niet verdedigt (op het verdedigen van ketters staat excommunicatie) maar hem aanspoort te bekennen. De reo (gevangene) wordt alleen opge-sloten en wordt overgeleverd aan verveling. Hij mag zelfs de H. Schrift niet lezen noch de mis of de sacramenten ontvangen. In sommige gevangenissen, vooral in Portugal, worden zonodig meerdere reos in een cel opgesloten, wat het mogelijk maakte verklikkers in te zetten. Uiteraard wordt de reo, als het vermoeden bestaat dat hij iets achterhoudt, met foltering bedreigd en soms ook daadwerkelijk gefolterd. In Portugal (en Spanje) kent het Heilig Officie drie soorten foltering: De pijnbank (potrô), waarbij het slachtoffer touwen om de armen, onderbenen en dijen worden gebonden, die met een staaf vijf slagen worden aangedraaid. De waterproef (toca) en de polé (katrol), of palei, hierbij wordt het slachtoffer opgehangen aan zijn op de rug gebon-den armen, terwijl zijn benen met ketenen of gewichten zijn verzwaard, gevolgd door het plotseling naar beneden laten vallen. In Portugal bleef de foltering in gebruik bij talrijke processen, zoals dat van de toneelschrijver António José da Silva in 1726 en dat van de Franse vrijmetselaar Jean Coustos in 1744. Het schijnt dat niet beoogd werd met de foltermethoden de slachtoffers blijvend letsel te bezorgen, maar zij die niets weten op te biechten, worden toch soms voor het leven verminkt of overlijden tijdens de foltering, maar ‘dat is natuurlijk niet de schuld van zijn beulen, maar van zijn eigen verstoktheid.’ Na verscheidene verhoren, al dan niet gepaard gaande met bekentenissen, spreekt de fiscal zijn requisitoir uit, in stereotiepe ‘strenge en harde’’ bewoordingen, zonder plaats en dag van de delicten te noemen en zonder dat de namen van de getuigen worden prijsgegeven De Inquistie in Portugal schafte deze geheimhouding in 1774 af als ‘tegenstrijdig met het goddelijke en het natuurrecht.’ Als het vonnis is goedgekeurd door een commissie, de Consulta da fe, wordt dit niet aan de betrokkene medegedeeld, waardoor deze niet in beroep kan gaan bij de Suprema, die trouwens vrijwel nooit de vonnissen van lagere rechtbanken van het Heilig Officie vernietigt, in weerwil van het devies Justitia et Misericordia dat op haar banieren prijkt

Het auto-da-fe

Openbare auto da fe’s, zijn grootse met veel ceremonieel gepaard gaande plechtigheden. Daardoor zijn zij een prefiguratie van het Laatste Oordeel. Weken van tevoren trekt een stoet familiares, notarissen en commissarissen van het Heilig Officie door de straten van de stad om de auto-da-fe aan te kondigen. En ruim van tevoren wordt een begin gemaakt met de opbouw van de cadalso, een houten schavot, omgeven door tribunes, met een kansel en een altaar. Het podium dat gereserveerd is voor de autoriteiten, wordt met een rood tapijt bedekt en de lessenaar met baldakijn voor de inquisiteur- secretaris van de Secreto is bekleed met karmijnrode zijde. Daags voor de auto-da-fe trekt de Heilige Kruisprocessie door de straten, om een groot kruis op het podium te plaatsen. Eronder prijkt het devies van het Heilig Officie: Exsurge, Domine, et judica causam tuam (Verrijs o Heer en oordeel over uw zaak; psalm LXXIV, 22), samen met het embleem met de twee armen: de ene gewapend met het zwaard en de ander met de olijftak. Bij het vallen van de avond wordt de processie ontbonden, maar de ‘domini canes’ (de honden van de Heer) waken de gehele nacht bij het podium. De volgende ochtend worden de veroordeelden in alle vroegte uit hun cellen gehaald en met een ‘gewijd boetekleed’, het kleed der schande, getooid. Uit de symboliek van de kleuren en tekeningen van hun kleding, sambenitos, (van sacos benitos) en carochas (mijters), kunnen zij enige aanwijzingen krijgen over het lot dat hen te wachten staat. Alle veroordeelden, behalve zij die tot de doodstraf veroordeeld zijn, dragen een kaars. Aan het hoofd schrijdt de notaris van het Heilig Officie, gevolgd door de dragers van de kisten die het gebeente bevatten van degene die in de gevangenis zijn overleden en waarop de beeltenis van de overledene is aangebracht. Dan komen de verschillende soorten veroordeelden, eerst de lichtst gestraften, daarna zwaardere ‘misdadigers.’ Als laatsten komen de overgedragenen, met geschilderde vlammen op hun mijter, ten teken dat de brandstapel hen wacht. Zij worden voorafgegaan door een groot kruis, waarvan zij de achterkant zien, ten teken dat zij alle hoop kunnen laten varen, dit in tegen-stelling tot degenen die voor het kruis lopen. Aan ridders, allen familiares van de Inquisitie, valt de eer te beurt de met fluweel overtrokken en met goudgallons afgezette koffers met doodvonnissen te dragen. Aangekomen bij de cadalso neemt eenieder, volgens strikt protocol, zijn plaats in. De plechtigheid begint met de eedsaflegging, gevolgd door de mis. Een pater dominicaan houdt een lange preek. Deze homilieën worden, vooral in Portugal, vaak uitgegeven ter stichting van de gelovigen. Na het afleggen van de geloofsbelijdenis, volgt een eindeloos lange gedetailleerde voorle-zing van de vonnissen. Bij de auo-da-fe van 16 mei 1682 werden acht onschuldigen vrijgesproken, nadat ze in de gevangenis waren overleden; van de 94 veroordeelden werden er vier ter dood veroordeeld. De anderen werden veroordeeld tot boetedoeningen: gebeden, pelgrimstochten, vasten, onderricht in een klooster, of tot de vergonha, de schande om op een ezel door de straten te worden geleid, blootgesteld aan de spot van de menigte, soms gepaard gaande met geseling met 100 tot 200 zweepslagen. Deze straffen vielen vaak samen met verbanning, tot de galeien (meestal voor 5 jaar), tijdelijke of ‘onvergeeflijke’ gevangenisstraf (in de praktijk zelden levenslang). Verbanning betekende verblijf in de Algarve, Brazilië en – het ergste – Angola. Bovendien verloor de veroordeelde zijn of haar gehele bezit. Nadat de rechtbank in de openlucht een copieuze maaltijd had genuttigd, die uren kon duren, werden de godslasteraars en onboetvaardige ketters geketend en gekneveld naar de plaats van de terechtstelling gebracht, tezamen met de kisten met beenderen van overleden ter dood veroordeel-den, en overgedragen aan het wereldlijk gezag, dat de executies dient te voltrekken, omdat Heilig Officie zelf geen bloed kan doen vloeien. De over-dracht gaat gepaard met een pro forma gratieverzoek: ‘Wij verzoeken u de veroordeelde welwillend en godvruchtig te behandelen, zonder over te gaan tot zijn terdoodbrenging of het vergieten van zijn bloed.’ De lekenrechter die evenwel zou weigeren het vonnis uit te voeren, zou onmiddellijk geëx-communiceerd en als ketter vervolgd worden. Eenieder begeeft zich ver-volgens naar de brandstapel, meestal ergens buiten de stad. Als een ter dood veroordeelde alsnog zijn ketterij afzweert, wordt hij eerst gewurgd, alvorens te worden verbrand; blijft hij halsstarrig dan wordt hij levend verbrand. Bij de auto-da-fe van 16 mei 1682 in Lissabon, begon de beul ermee de gezichten van de veroordeelden eerst te verbranden met een bos brandende takken (de baard scheren) en de takkenbossen waarop ze geketend waren, waren zo hoog geplaatst dat ze er met behulp van de wind bijna twee uur over deden om ‘eerder levend gebraden dan verbrand’ te worden.
________________

*pauselijk schrijven op wit perkament in gewoon schrift, met de vissersring rood gezegeld, meestal door de kardinaal-staatssecretaris ondertekend en behelsende de mededelingen van gunsten, benoemingen enz.

1.5 De Jezuïeten.

Categorieën
Portugees kolonialisme

Culturele aspecten. Portugal onder koning João III (1521-1557)

Deel 8 Index

Hoofdstuk 1.

Portugal onder koning João III (1521-1557)

1.3. Culturele aspecten

Geschreven door Arnold van Wickeren

In de tweede helft van de 15e eeuw zijn veel Portugese studenten naar onder meer Parijs, Leuven, Oxford, en Salamanca getrok-ken, niet om daar eenvoudig theologie, rechten of medicijnen te studeren, maar om er kennis op te doen van de humanioria, de filosofie en letteren. De publicatie van gedrukte boeken heeft in hoge mate het verlangen gestimuleerd humanistische studies te volgen. In de eerste helft van de 16e eeuw studeren alleen al in Salamanca 800 Portugezen canoniekrecht en rechten. Maar de humanistische ideeën bereiken de Portugese bovenlaag vooral via Frankrijk (Parijs). Laat in de 15e eeuw komt de befaamde Italiaanse humanist Cataldus Aquila Siculus naar Portugal, als leraar van prins Jorge, een bastaardzoon van João II, en van enige andere jonge edelen. Hij heeft hun opleiding gestoeld op een nieuwe culturele basis en hij heeft daarbij enorme invloed uitgeoefend op hun voorbereiding op de hoge maatschappelijke functies, die deze elite ten tijde van de koningen Manuel en João III is gaan vervullen. Dat het tijdvak 1525-1550 de bloeitijd van het Portugese humanisme is blijkt uit drie zaken: het onderwijs, de literaire productie en de internationale contacten.

Het hoger onderwijs komt op een hoger plan doordat beroemde docenten uit het buitenland, als Nicolas Cleynaerts (Clenardus), uit de Lage Landen en de Schot George Buchanan, in Portugal komen doceren. Maar de favoriete opleiding voor Portugese studenten is nu Parijs, waar Dom Manuel het Collège de Sainte Barbe heeft gesticht. Het college wordt geplaatst onder leiding van een Portugese wetenschapper, Diogo de Gouveia. In 1526 verstrekt João III aan 50 Portugezen een studiebeurs om in Parijs te gaan studeren. In het volgende decennium, als Parijs het toneel is van religieuze tegenstellingen, begint het Portugese hof eerder te denken aan revitalisering van het binnenlandse hoger onderwijs. Tussen 1520 en 1557 doceren achtereenvolgens drie geleerde humanisten uit de familie Gouveia in Frankrijk, waar André de Gouveia in de jaren 1534-1547 het Collège de Guyenne in Bordeaux tot het beste van Frankrijk maakt. In de jaren dertig en veertig van de 16e eeuw worden meer dan twintig colleges in Portugal gesticht. De didactisch zeer begenadigde Clenardus sticht een college in Braga, waar hij zeer goede resultaten bereikt en het onderwijs in vreemde talen hervormt.

In 1520 heeft koning Manuel al met de gedachte gespeeld in Évora een geheel nieuwe universiteit te stichten, omdat het niveau van het onderwijs aan de door koning Dinis in 1290 gestichte Universiteit van Lissabon, die in de 14e eeuw al twee-maal naar Coimbra is verplaatst, maar die sedert 1377 altijd in Lissabon is gebleven, tot een onaanvaardbaar laag peil is gezakt en er noch onder de hoogleraren, noch onder de studenten veel discipline heerst. Bovendien is de universiteit een bolwerk van de scholastiek en van middeleeuwse vooroordelen en een meester in het verdedigen van zijn oude rechten. Het gevolg is dat de studenten en masse uitwijken naar Salamanca en andere universiteiten in het buitenland. Door gebrek aan gekwalificeerde docenten is er niets van de universiteit in Évora terechtgekomen en João III kondigt een complete onderwijshervorming af om greep te krijgen op de Universiteit van Lissabon. In de jaren dertig van de 16e eeuw is het aantal opleidingen op universitair niveau in Coimbra, al zo groot, dat het uitgroeien tot een universiteit volstrekt in de rede ligt. De kloosterschool van Santa Cruz van de paters augustijnen, die door Dom Manuel in 1513 is hervormd, waarborgt de kwaliteit van de opleidingen in Coimbra. De Universiteit van Lissabon ziet in dat haar dagen zijn geteld en na afloop van het studiejaar 1536/37 sluit zij haar deuren tot…1911. Slechts enkele hoogleraren uit Lissabon vinden emplooi aan de Universiteit van Coimbra, die in 1537 haar deuren opent en waar onderwijs wordt gegeven in: rechten, rhetorica, en wiskunde, naast: theologie, medicijnen, taalkunde en Grieks, vakken die sedert de hervorming aan Santa Cruz worden onder-wezen. De Universiteit van Coimbra wordt gezien als een geheel nieuwe universiteit, waar de pauselijke invloed veel geringer zal zijn dan in Lissabon. João kan er echter niet omheen dat de Heilige Stoel zijn goedkeuring hecht aan de studies theologie en canoniek recht. Dat neemt niet weg dat de Universiteit van Coimbra ondergeschikt is aan de koning en dat de traditionele invloed van de kerk en de paus is verminderd. Om de groei en bloei van de nieuwe universiteit te bevorderen, is het Portugese studenten vanaf 1541 verboden in het buitenland te studeren.

Verreweg het beroemste college is het Colégio Real, of het Colégio das Artes e Humanidades, dat João in 1547 sticht naar het voorbeeld van het college dat François I in 1530 in Parijs heeft gesticht en waarvoor João III de befaamde André de Gouveia naar Portugal terugroept. Aan het Colégio Real wordt Latijn en filosofie onderwezen door André de Gouveia en door andere docenten die hij uit Parijs en Bordeaux heeft meegebracht. Na het plotseling overlijden van André de Gouveia in 1548 volgt Diogo de Gouveia hem op. De door hem meegebrachte docenten uit Parijs beginnen vrijwel direct over geloofskwesties te twisten met de factie uit Bordeaux en het Colégio Real, dat dan al 1.200 studenten telt, wordt verscheurd door de rivaliserende facties. De tegenstellingen worden nog verscherpt door beschuldigingen van ketterij, waarmee de Inquisitie zich bemoeit. In 1550 arres-teert het Heilig Officie een aantal aanhangers van uit Bordeaux gekomen docenten, onder wie de Schot George Buchanan en de Portugese geleerde Diogo de Teive. Zij blijken onschuldig en worden na twee jaar vrijgelaten, waarop Buchanan ijlings het land ontvlucht. Teive wordt met de leiding van het college belast, maar in 1555 geeft João III hem opdracht het beheer over het Colégio das Artes over te dragen aan de jezuïeten.

Tot de belangrijkste voortbrengselen van de Portugese profane literatuur behoren de kronieken van het koninkrijk, die de ver-schillende historici in opdracht van achtereenvolgende koningen geschreven hebben. De officiële kroniekschrijver wordt daartoe aangesteld tot guarda-mor do Arquivo Nacional da Torre do Tombo (beheerder van de koninklijke archieven en bibliotheek).

De eerste officiële kroniekschrijver, Fernão Lopes (1380-1460), een historicus van internationale faam, heeft in opdracht van Dom João I (1385-1433) de korte Crónica de D. Pedro I, de meer uitgewerkte Crónica de D. Fernando en de monumentale Crónica de D. João geschreven, Het laatste, onvoltooid gebleven, werk telt niet minder dan 400 hoofdstukken. Zijn opvolger, Gomes Eanes de Azurara, of Zurara (1410?-1474?) schrijft in opdracht van Dom Afonso V (1438-1481) zijn bekende Crónica de descobrimento e conquista da Guiné. Hij is ook de auteur van Crónica da tomada de Ceuta en van de Chronica do Conde Dom Duarte Menezes. Zurara’s werk vertoont aanwijsbare fouten en omissies. Rui de Pina (1440?-1523?), die in 1497 door Dom Manuel tot guarda-mor van de Torre do Tombo is benoemd, is de auteur van de Chronica d’El-Rei Dom Duarte en van de Chronica d’El Dom. Afonso V. Hierbij heeft hij zijn beide voorgangers ten dele geplagieerd.

De belangrijkste kroniekschrijvers uit de 16e eeuw: João de Barros, Fernão Lopes de Castanheda, Damião de Góis en Garcia de Resende, steunen dus op een lange traditie.

João de Barros (1496-1570), opgevoed en gevormd aan het hof, wordt door Dom Manuel aangemoedigd een epische geschiedenis te schrijven over het Portugese optreden in Azië, als de vorst zijn ridderroman Crónica do Imperador Clarimundo (1520), gelezen heeft. In 1522 zendt João III hem als capitão-geral naar São Jorge da Mina en na zijn terugkeer wordt hij eerst schatkistbewaarder (1525-1528) en daarna factor van de Casa da India e Mina (1533-1567), een functie waarin Barros, – namens de kroon – in feite de Portugese bezittingen in Afrika en Azië bestuurt. Hij schrijft in de jaren 1539-1549 zijn Décadas da Ásia: dos feitos que os Portuguezes fizeram no descobrimento das terras e mares do Oriente, een episch historisch verslag van Portugese ontdekkingen en veroveringen in het Oosten, dat tot 1538 loopt.

Barros positie staat hem toe terugkerende soldaten, zeelieden, handela-ren, bestuurders en alle officiële stukken te raadplegen, terwijl hijzelf persoonlijk betrokken is bij het vertrek en de terugkeer van de jaarlijkse vloten naar Indië. Ofschoon Barros al in 1539 een voorlopige versie van zijn eerste deel voltooit, wordt dat deel in 1552 gepubliceerd. De volgende delen verschijnen tussen 1553 en 1563. Zijn laatste posthuum verschenen deel, dat de periode 1539 tot het einde van de 16e eeuw beslaat, is bezorgd en ten dele geschreven door de kritischer Diogo de Couto. Het ver-schijnt in 1615. Ook andere werken van Barros, over geografie, handel en scheepvaart, verschijnen na zijn overlijden. Het staat buiten kijf dat Barros’ eerste Decade Portugals grote nationale dichter, LuÍs Vaz de Camões, geïnspireerd heeft bij het schrijven van zijn Os Lusiadas, welk werk in 1572 verschijnt en waaraan daarom in een volgend deel aandacht zal worden besteed.

Ongeveer in dezelfde jaren dat het Barros Décadas da Ásia, afgezien van het laatste deel, worden gepubliceerd, verschijnt van 1551 tot 1561 in Coimbra een soortgelijk werk. Het is een kroniek in acht delen: História do descobrimento e conquista da India pelos portugueses van Fernào Lopes de Castanheda. Zijn kroniek beslaat een korter tijdvak dan het werk van Barros (het begint bij Vasco da Gama en eindigt in 1542), maar wordt over het algemeen als accurater beschouwd.

Damião de Góis (1502-1574) is niet alleen een kroniekschrijver, maar een vooraanstaand Portugees humanist, een man met een encyclopedische kennis en een van de meest kritische geesten van zijn tijd.

Góis, die geboren is uit adelijke ouders, verblijft in zijn jeugd tien jaar aan het hof van Dom Manuel. In 1523 geeft João III hem een administratieve functie in de Feitoria de Flandres. Tussen 1528 en 1531 vervult hij een serie diplomatieke en commerciële opdrachten in Europa. In 1533 verlaat Góis de overheidsdienst, om zich geheel te kunnen wijden aan humanistische studies. Hij raakt nauw bevriend met Desiderius Erasmus, die hem van advies dient bij zijn studie en mede richting geeft aan zijn geschriften. Tussen 1534 en 1538 studeert Góis in Padua, waar hij de Italiaanse humanisten Pietro Bembo en Lazzaro Buonamico leert kennen. Kort daarna vestigt hij zich voor zes jaar in Leuven. Bij de Franse invasie van de Nederlanden, wordt Góis gearresteerd, maar door interventie van João III, die hem naar Portugal terugroept, spoedig vrijgelaten. In 1548 wordt hij guarda- mor de Arquivo Nacional da Torre do Tombo en tien jaar later krijgt hij van kardinaal Henrique opdracht de officiële kroniek van Dom Manuel te schrijven, welke opdracht hij in 1567 voltooit. Enige vooraanstaande adelijke families voelen zich door zijn historisch werk beledigd en in 1571 moet hij zich verdedigen tegenover de Inquisitie. Góis verblijft bijna twee jaar in de gevangenis en moet een reeks verhoren ondergaan. In de steek gelaten door zijn familie, sterft hij in zijn geboorteplaats Alenquer. Tot zijn belangrijkste werken behoren de Crónica do Felicíssimo Rei Dom Emanuel (vier delen; 1566/67) en de Crónica do Príncipe Dom João (1567). Anders dan Barros bewaart Góis de nodige afstand tot zijn hoofdpersonen.

Garcia de Resende (1470-1536) is een Portugese dichter en kroniekschrijver, die zijn leven slijt in dienst van het Portugese hof, onder drie koningen: João II, Manuel en João III.

Begonnen als page bij João II, wordt hij in 1491 diens secretaris. In 1498 vergezelt hij koning Manuel naar Castilië en in 1514 maakt hij, als schatkistbewaarder en secretaris, deel uit van het beroemde gezantschap van Tristão da Cunha naar de Heilige Stoel, dat het tribuut uit het Oosten aan de voeten van paus Leo X legt. Zijn Crónica de D. João II (1545), waarin Resende ruimschoots Rui de Pina’s kroniek over Afonso V plagieert, bevat persoonlijke anekdotes, die het werk van belang maken. Veel van zijn werk verraadt inzicht in het sociale leven en de mores van zijn tijd. In de 300 stanzas van zijn Miscelânea, overziet hij met verbazing en trots – maar niet zonder kritiek op de maatschappij – enige maat-schappelijke gebeurtenissen (inclusief de grote Portugese ontdekkingen) in de tijd waarhij leeft. Zijn Cancioneiro Geral, een door hem bijeen-gebrachte bloemlezing van liederen en van eigen composities, vormt de belangrijkste bron van Portugese dichtkunst uit de late middeleeuwen.

Tenslotte moeten wij aandacht geven aan Fernão Mendes Pinto (1510-1583), een avonturier en de auteur van de Peregrinação (Pelgrimstocht: de reizen en avonturen van Fernão Mendes Pinto), een literair meesterwerk, dat beschrijft welke indruk 16e eeuwse Aziatische beschavingen, vooral die van China, op een Europeaan maken. Het boek is in 1614 verschenen.

Pinto ging in 1537 naar Indië en beweerde later dat hij, gedurende meer dan 21 jaar, gereisd, gevochten en handelgedreven had, in bijna ieder deel van Azië. Hij beweerde dat het lot hem nu eens bijzonder goed gezind was geweest, maar dat de fortuin hem ook vaak in de steek had gelaten; hij was ‘dertien maal een gevangene en zeventien maal een slaaf ‘ geweest. In China, bijvoorbeeld, was hij veroordeeld voor plundering van koninklijke graftomben en, als straft werden zijn duimen gebroken en was hij veroordeeld tot een jaar dwangarbeid bij de bouw van de Grote Muur. De Peregrinação is geschreven na Pinto’s terugkeer naar Portugal in 1558. Hij vestigde zich in Almada, trouwde en ontving een jaargeld van koning Filipe. Pinto’s Peregrinação heeft geen geografische waarde, maar het boek is van groot belang, omdat het beschrijft welke indruk de bescha-vingen van het Verre Oosten maken op een intelligente Portugees en om zijn nauwelijks verholen kritiek op het gedrag van zijn landgenoten. Aanvankelijk werd gedacht dat veel van Pinto’s belevenissen aan zijn fantasie waren ontsproten. Historisch onderzoek heeft deze verdenking geloochenstraft, al wordt soms betwijfeld of Pinto zelf getuige is geweest van bepaalde gebeurtenissen, of dat hij deze van horen zeggen heeft. Peregrinação zal, onder verwijzing naar deze bron, naast andere bronnen, gehanteerd worden.

De Portugese ontdekkingsreizen oogsten de bewondering van velen in Europa. Zij trekken kooplieden en avonturiers, maar ook nieuwsgierige geleerden naar Portugal. De laatsten leveren een belangrijke bijdrage aan de opleiding van de komende generatie van het land. Het respect dat Portugal door zijn expansie en rijk-dom in het buitenland verwerft, straalt af op ‘’s lands vorsten. De koningen João II, Manuel I en João III hebben een zekere faam verworven als goede bestuurders en typische vorsten tijdens het tijdperk van de Renaissance. Geen wonder dat de internationale contacten toenemen en dat culturele en economische uitwisselin-gen allen ten goede komen. Erasmus draagt, na een weigering zelf naar Portugal te komen, een van zijn werken, de Chrysostomi Lucubrationes (1527), op aan Dom João III. Twee jaar later doet de Franse mathematicus Jean Fernet hetzelfde met zijn Cosmotheoria en in 1531 draagt ook de Spaanse pedagoog Juan Luis Vives zijn De tradendis Disciplinis aan de Portugese monarch op.

Na 1494 ontstaat er, tengevolge van een Duits initiatief, een Portugese pers. Duitse, Italiaanse en Franse drukkers beheersen een groot deel van de drukkerijen. In de eerste helft van de 16e eeuw worden ongeveer duizend boeken gepubliceerd, tegen twintig in de 15e eeuw. De helft van de boeken is van theologi-sche en religieuze aard. Portugese schrijvers laten hun boeken ook veel in het buitenland drukken, in Salamanca, Lyon, Parijs, Antwerpen, Venetië en nog in dertig andere plaatsen.

In 1543 verschijnt de eerste Index van verboden boeken in Italië, drie jaar later gevolgd door een Index in Spanje, die model staat voor de Portugese lijst van livros defeos, gepubliceerd in 1547. De lijst bevat 160, uitsluitend buitenlandse titels, maar vier jaar later bevat een nieuwe lijst van livros defeos 495 titels, waarvan 13 in het Portugees of Castiliaans geschreven zijn..

Portugal importeert ook ten tijde van João III veel schilderijen van Vlaamse meesters uit de Lage Landen en het land heeft ook zelf grote schilders. De scholen van Lissabon, met als belang-rijkste vertegenwoordiger Jorge Afonso, en die van Viseu, aan-gevoerd door Vasco Fernandes, bijgenaamd Grão-Vasco, bren-gen veel meesterwerken voort. In de jaren veertig ondergaan deze scholen Italiaanse invloeden, die tien jaar later domineren.

De bijdrage van Portugal ten tijde van de Renaissance aan de kunsten en humanioria mag dan niet zo groot zijn, aan de wetenschap levert het land een grote bijdrage en dan vooral op de gebieden zeevaartkunde, astronomie, natuurkunde, wiskunde en natuurlijk geografie. Door hun reizen stellen de Portugezen proefondervindelijk vast dat de aarde rond en dus te omzeilen is, dat de oceanen met elkaar verbonden zijn, enzovoorts. Menig Europees vorst tracht van hun kennis te profiteren. Het bekend-ste voorbeeld daarvan is de expeditie van Fernão de Magalhães, die in Spaanse dienst de Filippijnen ontdekt.

Een andere Portugees in Spaanse dienst is Estêvão Gomes, die heeft deelgenomen aan de expeditie van Magalhães,* Hij wordt door keizer Karel V belast met de ontdekking van de ‘noordwest-doorgang.’ Hij verlaat Spanje in 1525, slaagt niet in zijn opzet, maar onderzoekt de Amerikaanse kust tussen Newfoundland en Chesapeak (zie deel VI, pag. 26). Een Spaanse kaart, getekend in 1529, noemt dat gebied ‘Tiera de Estêvão Gomez’ en bevat tevens een korte beschrijving van zijn resultaten. In het noord-westen toont dezelfde kaart ‘Tiera Nova de Corte Real’ en ‘Tiera del Labrados,’ wat verwijst naar Portugese reizen en ontdekkers. Veel later (1542/43) zeilt weer een Portugese zeevaarder, João Rodrigues Cabrilho, onder Spaanse vlag uit. Hij bereikt als eerste Californië en onderzoekt dat gebied nauwkeurig tot aan San Francisco Bay. Aan zijn tocht is bijlage 2 gewijd. Het aantal Portugezen dat de leiding heeft in deze en andere Spaanse, zowel als Franse en Engelse, reizen toont aan welk een bekwame zee-vaarders de Portugezen in die tijd zijn. Zij zijn zeer gevraagd als ongeëvenaarde experts in zeevaardkunde. De buitenlandse bij-drage aan Portugese ontdekkingsreizen is, vooral na het midden van de 15e eeuw, veel geringer. Enige Spanjaarden en Italianen staan Portugal met raad en daad bij en in de Indische Oceaan bewij zen moslim- en Hindoeloodsen de Portugezen onschatbare diensten.

________________

*) Uit de door The Olive Tree Genealogy op het Internet gepubliceerde List of survivors of the first voyage around the world blijkt dat bij de 18 overlevenden die met de Victoria in Sevilla zijn teruggekeerd, zich 2 Portugezen hebben bevonden. Een van hen, aangeduid als Vasco Gomez Gallego en uitgevaren als scheepsjongen op de Trinidad, zou deze Estêvão Gomes zijn.

1.4 De Inquisitie.