Categorieën
Portugees kolonialisme

De revolutie (1383-1385); stichting van het Huis Aviz

Deel 1 Index

Hoofdstuk 4

Twisten met Castilië

4.3 De revolutie (1383-1385); stichting van het Huis Aviz

Geschreven door Arnold van Wickeren

Omdat Fernando geen mannelijke nakomelingen heeft, valt de troon toe aan het eerste kind (zoon of dochter) dat geboren zal worden uit het huwelijk van Juan I van Castilië en Fernando’s dochter Beatriz. Tot die tijd zal koningin-moeder Leonor Teles als regentes (regedor e governador) Portugal regeren. Bovendien is overeengekomen dat het huwelijk van Juan en Beatriz onder geen omstandigheid ertoe zal leiden dat de koninkrijken Portugal en Castilië verenigd worden. Na het overlijden van Fernando breken er in Lissabon en wellicht ook elders ongeregeldheden uit. Zij richten zich vooral tegen Leonor Teles en João Fernandez Andeiro. Deze genieten wellicht de steun van het grootste deel van de landadel, maar zij zijn gehaat bij de bourgeoisie en de lagere klassen. De oppositie wordt aangevoerd door João, meester van de religieus-militaire Orde van Aviz (voorheen Calatrava). Hij is de onwettige zoon van koning Pedro I en Teresa Lourenço. Juan I, gebruikmakend van de verdeeldheid in het buurland, eist de troon van Portugal op voor Beatriz en zichzelf. Wellicht daartoe uitgenodigd door João van Aviz, valt Juan in december 1383 Portugal binnen en neemt de stad Guarda in. De verontwaardiging in Lissabon tegen de invasie van de Castilianen is groot. Het volk herinnert zich maar al te goed de verwoestingen die zij in de jaren zeventig in Portugal hebben aangericht. Een golf van haat tegen het Galicische regime van Leonor Teles en Andeiro spoelt over de stad. João van Aviz wordt als aanvoerder van de opstand door de publieke opinie gedwongen zich zowel te keren tegen Leonor Teles en Andeiro, als tegen Juan en Beatriz. Hij breekt binnen in het koninklijk paleis in Lissabon en vermoordt Andeiro.

In het daarop volgende tumult wordt de Spaanse bisschop van de stad van de toren van de kathedraal gegooid en vlucht Leonor Teles naar Alenquer. De burgers van Lissabon dwingen João van Aviz ertoe de titel `regedor e defensor do Reino’(regent en verdediger van het koninkrijk) aan te nemen. Als het nieuws van de opstand Porto, Évora en andere steden bereikt, verdrijft de bevolking daarvan de aanhangers van Castilië. Leonor Teles vlucht van Alenquer naar Santarém. Juan I van Castilië schiet haar te hulp, maar verbant haar al spoedig naar een Spaans klooster.

Als steeds meer Baskische schepen en Castiliaanse troepen in Portugal arriveren, zendt João van Aviz een missie naar Engeland om de hulp van dat land in te roepen. De situatie wordt verder gecompliceerd, omdat zestig – meest kleine – plaatsen en kastelen gekozen hebben voor Castilië; zij zijn van mening dat Beatriz recht heeft op de troon van Portugal. Nuno Álvares Pereira, een bastaardzoon van de meester van de hospitaalridders, wordt ondanks zijn jeugd belast met de verdediging van Alentejo. Hij behaalt door bekwaam leidinggeven op 6 april 1384 een over-winning bij Atoleiros. Hij kan echter niet verhinderen dat steeds meer Castiliaanse troepen Lissabon bereiken. De stad wordt gedurende vijf maanden belegerd, maar als onder de belegeraars de pest uitbreekt, die 200 slachtoffers per dag eist, onder wie de beroemde admiraal Sancho de Tovar, zijn de belegeraars genoodzaakt zich terug te trekken naar Sevilla.

De pest blijft niet beperkt tot de Castilianen; Portugal wordt, na de epidemieën van 1348 en 1356, in 1384 voor de derde maal door de pest getroffen. Ondertussen roept João van Aviz zichzelf tot koning João I uit. De cortes, die door João op 6 april 1385 in Coimbra is bijeengeroepen, stemt hiermee in. Deze instemming wordt echter eerst verkregen, nadat een befaamde staatsrechtgeleerde, João das Regras, de cortes ervan heeft weten te overtuigen dat noch Beatriz, noch de onwettige zonen van koning Pedro en Inês de Castro, João en Dinis, rechtsgeldig aanspraak op de troon kunnen maken, ook al beweren de beide broers dat hun ouders in het geheim in het huwelijk zijn getreden. Daarna wordt João das Regas door koning João I tot zijn eerste kanselier benoemd. Ondertussen hebben zich in Plymouth 800 Engelse soldaten verzameld om de Portugezen te hulp te komen. João I zendt zes galeien naar Engeland om de troepen op te halen. Het is vermoedelijk dit eskader dat op weg naar Plymouth de eerste grote Portugese maritieme overwinning op een buitenlandse mogendheid boekt. De Amerikaanse historicus Barbara Tuchman vermeldt een uiterst gedurfde kaaptocht van Portugese schepen op de Seine, waarbij zij het schip van de heer van Coucy, `een van de kostbaarste van de gehele vloot…….zeer groot en rijk versierd’ en twee andere schepen buitmaken. De drie schepen behoorden tot een enorme Franse vloot bedoeld voor een invasie in Engeland, waarvan het overigens niet is gekomen.

Een aantal Portugese steden en kastelen is nog steeds op de hand van Castilië als Juan I in mei 1385 met een aanzienlijke legermacht in Centraal-Portugal verschijnt. Hij heeft de bedoeling op te trekken naar Lissabon. Dit leger is veel groter dan wat de Portugezen daartegenover kunnen stellen, ondanks dat zij gesteund worden door 800 Engelse boogschutters. Onder de bekwame leiding van Nuno Álvares Pereira winnen de Portugezen op 14 augustus 1385 de grote Slag van Aljubarrota, in het noorden van Estremadura. In deze slag, waarin de Engelse boogschutters een niet onbelangrijk aandeel schijnen te hebben gehad, wordt de Castiliaanse cavalerie uit elkaar geslagen en weet Juan I nauwelijks te ontsnappen. In de daarop gevoerde minder belangrijke gevechten bij Trancoso en Valverde worden de Castilianen opnieuw verslagen. Ter herinnering aan de grote overwinning bij Aljubarrota begint João in Batalha met de bouw van een klooster en een kerk. De legende wil dat hij aan de vooravond van de Slag bij Aljubarrota een gelofte heeft afgelegd, waarin hij God zou hebben beloofd een kerk te bouwen, als de veldslag met Zijn hulp gewonnen zou worden. De kerk wordt 240 meter lang, 66 meter breed en 97 meter hoog. Er wordt meer dan een eeuw aan het enorme godshuis gebouwd, desondanks zijn enkele kapellen onvoltooid gebleven. Het prachtige gotische bouwwerk is de grootste kerk van Portugal. De overwinning bij Aljubarrota verzekert João I van zijn koninkrijk en is ook in ander opzicht van historische betekenis. Een ridderleger wordt verslagen door gewapende boeren, evenals in hetzelfde jaar het geval is bij Sempach, waar Zwitserse boeren een overwinning behalen op een leger van ridders van de Oostenrijkse Habsburgers. Beide veldslagen tonen aan dat persoonlijke dapperheid en krijgslisten de ridders niet noodzakelijkerwijs de overwinning bezorgen. Coördinatie en het behouden van overzicht tijdens de gevechten zijn belangrijker dan het zich met grote moed op de vijand storten, waarbij de ridders elkaar soms verdringen om als lid van de `avantgarde’ te kunnen opvallen in dapperheid.

João I wordt spoedig door het buitenland als koning van Portugal erkend en de overwinning op Castilië maakt het land tot een begeerde bondgenoot. Een bondgenootschap met Engeland ligt voor de hand, omdat een legertje Engelse boogschutters in de Slag bij Aljubarrota heeft meegevochten. Engeland en Portugal sluiten dan ook op 17 mei 1386 het Verdrag van Westminster. Dit verdrag verheft de Anglo-Portugese relatie tot een zeer stevig bondge-nootschap tussen de Engelse en de Portugese kroon, dat een permanent karakter zal aannemen. De hertog van Lancaster, die zichzelf nog steeds beschouwt als rechthebbende op de troon van Castilië, komt volgens afspraak in juli 1386 naar het Iberisch schiereiland. Hij onderneemt, in samenwerking met João I, een aanval op Castilië. Deze derde fase van de oorlog met Castilië, die tot november 1387 duurt en buiten de grenzen van Portugal wordt uitgevochten, verloopt voor de bondgenoten weinig succesrijk. Nog in 1387 wordt een voorlopige bestand ondertekend. Na afloop daarvan vinden in de jaren 1396-1397 nog enige onbeduidende schermutselingen plaats, die in 1411 gevolgd worden door een wapenstilstand van tien jaar. Deze wordt enige keren hernieuwd, waarna in 1432 een vredesverdrag tussen Portugal en Castilië wordt getekend. Hierbij erkent Castilië het Huis Aviz als de rechthebbende op de Portugese troon.

De opstand en de oorlog met Castilië zijn belangrijke gebeur-tenissen in de Portugese geschiedenis. De overwinning van João van Aviz wordt door het merendeel van de Portugese historici beschouwd als de overwinning van de nationale geest op de aanhangers van de gevestigde feodale orde. Dus van de voorstanders van maritieme expansie op hen die de blik richten op het Iberische schiereiland. Zij zien in de troonsbestijging van dom João I de zegenpraal van allen die willen handeldrijven overzee op hen de zich willen blijven meten met Castilië. Een groot deel van de hoge adel en de bovenlaag van de bourgeoisie, onder wie veel vermogende joden, hebben met hun dienaren – althans aanvankelijk – Leonor Teles en Beatriz gesteund. De lagere adel, de rest van de bourgeoisie en de arbeidende klasse, die een groter aandeel in het plaatselijk bestuur (vooral in Lissabon) en in economische aangelegenheden wenst, hebben de zijde van João van Aviz gekozen. Zij winnen aan invloed. João beloont zijn aanhangers op kosten van de oude adel en op kosten van de kroon. Naarmate edelen langer trouw zijn gebleven aan Castilië, verliezen zij meer bezittingen. Hierdoor treden er aanzienlijke verschuivingen op in de sociale structuur. Vele leden van de oude aristocratie verliezen hun positie en de overigen verliezen zoveel aan prestige dat grote aan-tallen van hen afhankelijke ambachtslieden hun autoriteit trotseren. De nieuwe adel, van wie velen tot het Huis Bragança behoren, zijn dikwijls uit de bureaucratie of de geestelijkheid afkomstig.

Deze gebeurtenissen kunnen niet worden losgezien van wat zich tezelfdertijd in de rest van Europa voordoet. In de jaren tachtig van de veertiende eeuw doen zich sociale onlusten voor in de meeste grote Europese stedelijke centra: in Parijs aarzelen de Maillotins niet de ontvangers van de nieuwe belastingen dood te slaan. In Florence breekt in 1378 de opstand van de Ciompi, dus van handwerkers uit. Hij wordt geleid door de kaarder Michele di Lando en neergeslagen in 1382. In Gent is het Filips van Artevelde (1340-1382), een ruwe poorter en de aanvoerder van vijfduizend ‘chaperons blancs’ en van de burgers van Gent, Brugge en Yperen, die in 1379 de revolutie leidt. Maar hij wordt in 1382 gedood. In 1381 breken er op grote schaal boerenopstanden uit in Engeland. De leider hiervan is Walter Tyler, een werker uit Kent, maar deze wordt gedood door sir William Walsworth, burgemeester van Londen, die gesteund wordt door een schildknaap van koning Richard II. We dienen de Portugese revolutie van 1383-1385 te plaatsen tegen de achter-grond van de opkomst van de burgerij, die gepaard gaat met sociale onrust. Het is van belang te onthouden dat minder dan tien jaren voor de geboorte van dom Henrique in 1394, de gebeurtenissen van 1383-1385 getuigen van de opkomst van de Portugese burgerij en van haar verlangen de weg in te slaan van de maritieme expansie, aan welk verlangen zal worden voldaan door de derde zoon van João I en Filipa van Lancaster, dom Henrique o Navegador.

Op 2 februari 1387 treedt de jonge koning João in de kathedraal van Porto in het huwelijk met Filipa van Lancaster. Koning João I is een fysiek krachtige man, eem goed ruiter en jager, geestelijk evenwichtig en hij geniet een uitstekende gezondheid. De jonge koningin vormt een scherp contrast met de vrouwen – koninginnen of favorieten – die tot nu toe aan het hof van de koningen uit het Huis Bourbon geleefd hebben. Zij, de dochter van John of Gaunt, hertog van Lancaster en de kleindochter van Edward III, koning van Engeland, legt haar entourage een vrome ingetogenheid op. Na de tumulteuze levens van Inès de Castro (de door haar ‘schoonvader’ ter dood gebrachte morganatische geliefde van Pedro I), Leonor Teles (weduwe van koning Fernando, die haar toevlucht heeft gezocht bij de Castiliaanse vijand), Teresa Lourenço (de uit overspel geboren moeder van João I) en Catarina Rouet (een andere favoriete blondine van Pedro O Justiceiro), slaagt Filipa erin het hof verre te houden van alle losbandigheden. Voor zijn huwelijk heeft João I, een jonge aantrekkelijke prins, bij een van zijn maîtresses twee natuurlijke kinderen verwekt: Afonso en Beatriz. Filipa accepteert de twee kinderen, maar verlangt van haar man dat deze hun moeder nimmer terugziet. De koningin verzekert als voorbeeldige christelijke echtgenote en als voorbeeldige moeder het voortbestaan van de nieuwe dynastie, door haar man vijf zonen te schenken. Op 31 oktober 1391 wordt in Viseu dom Duarte, de toekomstige koning van Portugal (1433-1438) geboren; op 9 december ziet dom Pedro, de toekomstige regent (1438-1449) het levenslicht; op 4 maart 1394 komt in Porto dom Henrique, de toekomstige O Navegador ter wereld; daarna bevalt de koningin op 13 januari 1499 van dom João en op 29 september 1402, sluit dom Fernando, de latere infant-martelaar, de rij1. Filipa is niet tevreden met haar rol als moeder; zij oefent grote invloed uit op haar man en op de Portugese samenleving; zij voert verschillende Engelse gebruiken in Portugal in en de banden met Engeland worden aangehaald. Handelskringen in Lissabon en Porto profiteren van de nauwe banden met Engeland. Filipa’s invloed neemt nog toe als haar broer, de hertog van Lancaster, in 1399 als Henry IV (1399-1413) de Engelse troon bestijgt. In 1377 is Filipa’s grootvader Edward III overleden, enkele maanden na het overlijden van zijn oudste zoon, de stoutmoedige ‘Zwarte Prins’ (1330-1376). Diens oudste zoon Richard II (1367-1399) is nog slechts tien jaar. En hij laat zijn oom Jan van Gent, de vader van Filipa, het land besturen. Bij diens overlijden in 1399 volgt zijn eigen zoon Henry, Filipa’s broer, hem op. Onder zijn zoon en opvolger, Henry V (1413-1422) leveren Portugese vrijwilligers die onder bevel van Álvaro Vaz de Almada in de Honderdjarige Oorlog aan Engelse zijde strijden, in 1415 hun aandeel in de overwinning bij Azincourt. En een dozijn Portugese ridders verdedigt op een elegant tournooi in Londen de kleuren van twaalf edele Engelse dames. Filipa laat, ten behoeve van de opvoeding van haar zes kinderen, de door de dichter John Gower in 1384, op verzoek van Richard II geschreven Confessio amantis uit het Engels in het Portugees vertalen door Robert Payn, kanunnik van Lissabon. João I omringt zich met geschoolde juristen en bureaucraten, afkomstig uit de standen die hem bij de opstand gesteund hebben. De koning kan echter niet voorkomen dat er door concentratie van landbezit een nieuwe klasse van feodale grootgrondbezitters ontstaat. Hun leider is Nuno Álvares Pereira, de held van Aljubarrota, die de koning tot zijn hofmaarschalk benoemt. Kort hierna wendt Pereira, die door de nieuwe adel wordt beschouwd als de voorvechter van zijn belangen en privileges, zich van de wereld af. Hij doet 14 oktober 1431 als lekenbroeder zijn intrede in de Carmo, een klooster van de karmelieten in Lissabon. Omdat Pereira zich afkeert van de wereld, levert dit hem de bijnaam de `Heilige Connétable’ op. Of er druk op Pereira is uitgeoefend om zich terug te trekken, of dat zijn opmerkelijke stap uitsluitend is ingegeven door geestelijke motieven, is niet overgeleverd.2

Nuno Álvares Pereira wordt als leider van de arrogante nieuwe aristocratie opgevolgd door Afonso, de voorechtelijke filho bastardo van koning João. Afonso, graaf van Barcelos, gehuwd met een dochter van Nuno Álvares Pereira en later de eerste hertog van Bragança, zal na João’s overlijden beslissende invloed op de gang van zaken in Portugal uitoefenen. Koning João zal trachten de machtsbalans in evenwicht te brengen, door zijn wettige zonen grote rijkdommen en macht te bezorgen. Hij zal de heldendaden van Duarte, Henrique en Pedro bij de inname van Ceuta in 1415 aangrijpen om de eerste tot hertog van Viseu en de tweede tot hertog van Coimbra te verheffen. Tot dan toe in Portugal een onbekende titel. Twee andere zonen zullen, dankzij medewerking van de Heilige Stoel, leiding gaan geven aan rijke religieus-militaire ridderorden; João als governador e administrador van de Orde van Santiago en Fernando als governador e administrador van de Orde van Sint Benedictus van Aviz. Dom Henrique zal bovendien administrador e governadorr worden van de rijkste van alle orden, de Orde van Christus. Gewoonlijk is het gevolg van het verlenen van macht en rijkdom aan koningszonen, dat zij hiervan gebruik-maken om de macht van hun vader uit te dagen. In dit geval gebeurt dat niet, hetgeen te danken is aan de persoonlijke autoriteit en het grote prestige van João. De koning weet zijn zonen tijdens zijn gehele leven in het gareel te houden, wat mede te danken is aan de uitstekende opvoeding die dona Filipa haar kinderen heeft gegeven.

5.0. Portugal aan het begin van de 15e eeuw

1 Naast deze vijf zonen heeft Filipa haar man op 21 februari 1397 een dochter, Isabel, geschonken. Twee andere kinderen – Branca en Afonso – zijn op zeer jeugdige leeftijd overleden.

2 Michel Vergé-Franceschi legt een verband (pag. 62) tussen de vroomheid van dona Filipa en de bekering van deze vechtersbaas.

Categorieën
Portugees kolonialisme

Fernando I (1367-1383); oorlogen met Castilië

Deel 1 Index

Hoofdstuk 4

Twisten met Castilië

4.2 Fernando I (1367-1383); oorlogen met Castilië

Geschreven door Arnold van Wickeren

Fernando, zoon van Pedro I en Constança, is 22 jaar als hij in 1367 aan de macht komt. Hij is knap, heeft liberale opvattingen en is onstuimig. Fernando erft een stabiele troon, Portugal is als geheel redelijk welvarend en de inkomsten van de koning zijn hoog. Er zijn ook bijna geen verwikkelingen met het buitenland. Portugal zal echter spoedig betrokken raken bij de problemen rond de troon van Castilië. In dat land regeert sedert 1350 Pedro de Wrede. Diens troon wordt betwist door Don Enrique de Trastámara, één van de vele natuurlijke broers van Pedro. In 1353 treedt Pedro in het huwelijk met Blanche van Bourbon. Hij verlaat reeds na twee dagen zijn vrouw voor zijn maîtresse, een daad die de woede wekt van Charles V (1364-1380) van Frankrijk en paus Innocentius VI (1352-1362) en Don Enrique een voorwendsel geeft de strijd met zijn broer aan te binden. De strijd verloopt in het voordeel van Pedro en Enrique wijkt in 1356 uit naar Aragón. Pedro bindt nu de strijd aan met dit land, waarmee geschillen bestaan. In 1362 sluiten Castilië en Aragón na pauselijke bemiddeling, maar zonder Enrique daarin te kennen, vrede. Enrique wijkt daarop uit naar Frankrijk en vraagt hulp aan Charles V. Deze ziet in een veldtocht tegen Castilië een middel om af te komen van de talrijke benden die na de wapenstilstand met Engeland in 1360, het zuiden van het land brandschatten en plunderen. Bertrand du Guesclin verzamelt de meeste benden voor de veldtocht. Nadat de troepen paus Urbanus V (1362-1370) in Avignon, onder bedreiging de stad te plunderen, 200.000 goudfranken voor `reiskosten’ hebben afgeperst, trekken zij op tegen Pedro de Wrede, die wordt verslagen en van de troon gestoten.

Hierop wordt Enrique de Trastámara als Enrique II tot koning van Castilië gekroond. Pedro doet daarop een beroep op Edward van Wales, zoon van de Engelse koning Edward III, bijgenaamd de `Zwarte Prins’. Engeland wil het verbond tussen Frankrijk en Castilië verbreken, omdat de machtige Castiliaanse vloot een ernstige bedreiging voor Engeland vormt. In een van de beroemdste veldslagen van de Middeleeuwen lijden de Fransen onder Du Guesclin op 13 april 1367 bij Najera een verpletterende nederlaag tegen de `Zwarte Prins’. Pedro bestijgt opnieuw de troon van Castilië. In 1369 zendt Charles V Bertrand du Guesclin weer met een leger de Pyreneeën over om aan de zijde van Enrique opnieuw de strijd met Pedro aan te binden. Pedro wordt in het nauw gebracht en biedt Du Guesclin zes leengoederen en 200.000 gouden dobles aan als deze hem uit zijn belegerde kasteel in veiligheid brengt. Du Guesclin aanvaardt dit aanbod, maar geeft Pedro over aan Enrique. Nadat beide rivalen tegenover elkaar staan, grijpt Pedro een mes om Enrique neer te steken, hetgeen door een waakzame Franse ridder belet wordt. Hierop doodt Enrique Pedro met een dolkstoot en herovert de troon van Castilië.

Vele Castilianen beschouwen Enrique niet als hun legitieme koning. Pedro de Wrede heeft echter geen mannelijke nakomelingen. Fernando I van Portugal is een legitiem kleinzoon van koning Sancho IV (1284-1295) van Castilië. Daarom bieden na de dood van Pedro enige Galicische steden Fernando hun trouw aan. Fernando claimt daarop de troon van Castilië en trekt Galicië binnen, waar hij enthousiast verwelkomd wordt. Enrique valt als vergelding Portugal binnen en bezet Braga. Terwijl hij Guimarães belegert, bedreigt de Marinidische koning van Granada, Muhammad V (1354-1359; 1362-1391) die een bondgenoot is van de legitimisten in Galicië, christelijk Andalusië. Dit gevaar noopt Enrique ertoe zich uit Portugal terug te trekken. Fernando sluit op 29 juni 1370 een tegen Enrique gericht verdrag met Pedro IV van Aragón (1336-1387), die tussen 1356 en 1369 al enige verwoestende oorlogen met Castilië heeft uitgevochten. Fernando verlooft zich met de Aragonese prinses Leonor. Er komt een einde aan de voor Portugal desastreus verlopende oorlog, nadat paus Gregorius XI (1370-1378) vrede op het Iberisch schiereiland heeft bewerkstelligd. In maart 1371 wijzigt Fernando plotseling zijn politiek. Hij sluit met Castilië de Vrede van Alcoutim, waarbij hij zijn aanspraken op de Castiliaanse troon intrekt en belooft de dochter van Enrique II, Leonor, te huwen. Met deze belofte, verbreekt hij zijn eerdere verloving met de Aragonese Leonor. Fernando komt opnieuw zijn huwelijksbelofte niet na door in 1372 de Portugese Leonor Teles de Menezes te trouwen, hoewel deze al getrouwd is en ondanks felle protesten van de burgers van Lissabon.

Fernando sluit in 1372 een verbond met de Engelsen in de persoon van John of Gaunt (Jan van Gent), hertog van Lancaster en derde zoon van koning Edward III. Lancaster is niet alleen een ervaren krijgsman, maar oefent in feite de macht in Engeland uit. Hij is gehuwd met een dochter van Pedro de Wrede en meent daarom de troon van Castilië te kunnen opeisen. Het bondgenootschap tussen Fernando en Lancaster tart Enrique II, die daarop Portugal binnen-valt, Viseu verovert en een aanzienlijk deel van het land plundert en verwoest. De Castilianen bereiken Lissabon en bezetten een groot deel van de stad, daarbij in brand stekend en verwoestend wat zij maar kunnen. In januari 1373 belooft Lancaster Portugal hulp tegen Castilië. Deze blijft echter uit, omdat hij zijn veldtocht van juli 1373 tegen Frankrijk voorbereidt. Fernando wordt daarom gedwongen op 19 maart de vernederende Vrede van Santarém te sluiten. Hij dient zijn verbond met Engeland te verbreken en zich een bondgenoot van Castilië te tonen. Bovendien moet hij enige kastelen aan Castilië afstaan en een aantal personen in gijzeling geven. De gedwongen verbreking van het Anglo-Portugese bondgenootschap weerspiegelt het overwicht dat de bondgenoten Frankrijk en Castilië tijdens de Honderdjarige Oorlog op Engeland verkrijgen. Als de strijd na afloop van de wapenstilstand in 1369 hervat wordt, moet Engeland de maritieme kracht van Castilië vrezen. Op 23 juni 1372 vernietigt een Castiliaanse vloot, onder bevel van de beroepsadmiraal Ambrosio Boccanegra, bij La Rochelle een Engels eskader onder leiding van een schoonzoon van koning Edward, de onervaren graaf van Pembroke. Bij dit treffen wordt een schip met 20.000 Engelse ponden aan boord tot zinken gebracht. Deze geldsom is goed voor de soldij van 3.000 Engelse soldaten in Aquitanië gedurende een jaar. Tussen 1374 en 1378 brengt een eskader onder Sancho de Tovar aan de Engelse zuidkust grote verwoestingen teweeg. In 1380 vaart deze admiraal met 20 galeien de Theems op en steekt Gravesend en Winchelsea in brand. De maritieme kracht van Castilië doet zich ook in de 15e eeuw tegenover Engeland gelden. Pedro Niño teistert met zijn aanvallen de Engelse kusten en Castiliaanse eskaders helpen bij de verovering van Pontoise, Dieppe, Honfleur, Caudebec en Rouen op de Engelsen.

De instabiliteit en de economische ontreddering die door de Honderdjarige Oorlog in West-Europa zijn ontstaan, worden nog verergerd door het schisma in de kerk. Als paus Gregorius XI (1370-1378) na afloop van de strijd in 1377, op aandringen van Catharina van Siëna, de Heilige Stoel van Avignon definitief terug verplaatst naar Rome, blijven de Franse kardinalen aan het weelderige pauselijke hof in Avignon achter. Op 9 april 1378 wordt de aartsbisschop van Bari tot opvolger van Gregorius gekozen; hij neemt de naam Urbanus VI (1378-1389) aan. Voor de Franse kardinalen is Urbanus, een man van lage afkomst, als paus onaanvaardbaar. Zij kiezen daarom op 20 september 1378 een tegenpaus: kardinaal Robert van Geneve, een wreed veldheer die zich de bijnaam `de Slager van Cesena’ verworven heeft. Hij noemt zich Clemens VII (1378-1394). De Iberische staten kiezen voor Urbanus. Onder Franse druk moeten de beide Spaanse koningen, Juan I van Castilië (1379-1390), die Enrique II na diens overlijden is opgevolgd, en Pedro IV van Aragón (1336-1387), paus Clemens erkennen. Een voorbeeld dat door Portugal gevolgd moet worden. De meeste andere landen, waaronder Engeland en het Duitse rijk steunen Urbanus VI, ofschoon deze na zijn pausverkiezing is ver-anderd van een nederig man in een krankzinnige despoot en daarom de geschiedenis is ingegaan als `Urbanus de Verschrikkelijke’.

Eerst na de dood van Enrique II durft Fernando Castilië weer te trotseren. In 1380 wordt de Engelse relatie hersteld en in juni 1381 komt een jongere broer van Lancaster, Edmund van Langley, graaf van Cambridge (later hertog van York), en een onbeduidende man, met 3.000 soldaten naar Portugal om Castilië binnen te vallen. Fernando erkent onder invloed van de Engelsen opnieuw paus Urbanus VI. De Engelsen gedragen zich in Lissabon weinig beter dan de Castilianen. Zij beschouwen Portugal als een veroverd land. Bovendien gaat vrijwel de gehele Portugese vloot verloren. Het avontuur op het Iberisch schiereiland leidt in Engeland al evenzeer tot grote problemen. De nieuwe belastingheffingen die de Engelse bevolking zijn opgelegd om Lancaster de troon van Castilië te doen bemachtigen, leiden in november 1381 tot een opstand van de Engelse boeren die echter wordt onderdrukt. Omdat het Anglo-Portugese leger eerst in december 1381 de grens met Castilië bereikt, is de veldtocht eigenlijk al mislukt. Dit is zeker het geval als dit leger pas in juli 1382, ergens tussen Elvas en Badajoz, tegenover het Castiliaanse leger komt te staan. De Engelse troepen zijn onervaren en beschikken niet over ruiters. Op 10 augustus bezoeken enige Portugese bevelhebbers het Castiliaanse kamp en sluiten een geheim verdrag. Overeengekomen wordt dat de tien-jarige Beatriz, het enige wettige kind van Fernando I, Juan I van Castilië zal huwen, wat later ook gebeurt, ondanks haar verloving met Edward, de zesjarige zoon van Edmund van Langley. Voorts wordt in het geheime verdrag bepaald dat Castilië schepen zal leveren om de Engelsen te evacueren, hetgeen eveneens geschiedt. Tenslotte kiest Portugal opnieuw voor paus Clemens VII.

De militaire avonturen van Fernando I leiden in Portugal tot een galopperende inflatie, nadat de Portugese munt vanaf ongeveer 1360 reeds voortdurend verzwakt is. De geldontwaarding zal blijven aanhouden tot 1409, een decennium nadat vrede en rust zullen zijn teruggekeerd. De achterliggende oorzaak van de enorme prijsstij-gingen, is het gebrek aan goud en zilver. Deze oorzaak zal eerst worden weggenomen als in de jaren veertig van de 15e eeuw het eerste goud uit Afrika beschikbaar komt. De omvang van de geldontwaarding blijkt daaruit dat in 1325 één mark (230 gram zilver) 19 Portugese libras waard is, terwijl in 1435 voor dezelfde mark, 25.000 libras moeten worden neergeteld. De enorme prijsstij-gingen leiden, naast alle verwoestingen die de opeenvolgende oorlogen met zich brengen, tot een grote sociale ontreddering. De ontevredenheid van de lagere klassen richt zich vooral op de middenklasse van handelaren, die alsmaar hun prijzen verhogen. De eerste rellen hebben reeds in 1372 in Lissabon plaatsgehad toen de koning met Leonor Teles in het huwelijk trad. Nadien blijkt in de cortes hoe de onrust in het gehele land voortdurend toeneemt. Deze situatie is er de oorzaak van dat Fernando er weinig moeite mee heeft voldoende soldaten en avonturiers aan te trekken voor zijn veldtochten tegen Castilië. Slechts de adel heeft baat bij de oorlogen en sommige adellijke families (Menezes en Castro) weten zich ongehoorde voorrechten te verschaffen. Ook de joden, die ‘s konings bescherming genieten, schijnen een belangrijke rol in de financiering van de oorlogen te hebben gespeeld. Het schisma in de kerk verdeelt de geestelijkheid en de gelovigen. Koningin Leonor is gehaat bij het volk; zij wordt gezien als de kwade genius achter de koning en zij zou er slechts op uit zijn de belangen van de adel, in het bijzonder die van haar familie, te dienen.

Toch doet de koning zijn best om de crisisverschijnselen te bestrijden. Het restaureren van kastelen en het van nieuwe verdedi-gingswallen voorzien van Lissabon, Porto en Évora dient ter verdediging van het land en verschaft het stadsproletariaat werk. De ontvolking van het platteland, leidend tot een toename van de fogos-mortos (braakliggende gronden) wordt ook aangepakt. Op 26 mei 1375 vaardigt Fernando zijn Lei das Sesmarias uit, waarbij eigenaren van landerijen, onder bedreiging van strenge straffen, verplicht worden deze in cultuur te brengen of te verpachten. Dit geldt vooral de kerk die veel nieuw verworven grond braak laat liggen of voor minder productieve doeleinden dan voorheen aanwendt. Aan de andere kant bindt de wet de landarbeiders zoveel mogelijk aan de grond en aan hun heer, waarmee hun mobiliteit beperkt wordt. De wet houdt de lonen laag en treedt op tegen werk-schuwen en zwervers. Het volk ziet niet in dat de koning met zijn Lei das Sesmarias tracht de landarbeiders en hun gezinnen een bestaan te garanderen om te voorkomen dat nog velen van hen zich voegen bij het werkloze lompenproletariaat in de steden, terwijl Fernando ook beoogt de agrarische productie zoveel mogelijk in stand te houden. Het volk beschouwt de Lei das Sesmarias vooral als een wet die dient om de adel te bevoordelen. De wet en plaat-selijke maatregelen die haar versterken gaan bovendien in tegen de maatschappelijke ontwikkelingen. De Portugese maatschappij tendeert tussen ongeveer 1375 en 1425 naar vergroting van de mobiliteit van de factor arbeid en een eeuw later werkt vrijwel iedere arbeider op basis van een opzegbaar of tijdelijk arbeidscontract. Ofschoon sommige voormalige landarbeiders die in de steden geen werk vinden noodgedwongen terugkeren naar het platteland, blijft er een tekort aan werkers op het land bestaan. Dit tekort brengt veranderingen in de agrarische productie teweeg. De productie van granen neemt af, waardoor soms tekorten aan tarwe ontstaan, hetgeen in later tijd, als de bevolking weer toeneemt, tot aanzienlijke structurele importen van graan zal leiden. De veeteelt en dan vooral het houden van schapen neemt toe, waardoor de wolproductie stijgt. Ook de voortbrenging van olijfolie en wijn vermeerdert, omdat wijn- en olijfgaarden minder arbeid vergen dan het verbouwen van granen. Het land wordt een belangrijke wijn-exporteur. Tenslotte stijgt, ondanks de invoering van de Lei das Sesmarias, het areaal aan braakliggende gronden, dat beschikbaar is voor de jacht.

Fernando bevordert ook de internationale handel. Hij streeft ernaar van Portugal, in wezen een landbouwstaat, een handelsnatie te maken. Om de groei van een kleine, maar doelmatige koopvaardij-vloot te bevorderen, moedigt de koning de bouw van handels-schepen aan. Vanaf het jaar 1377 ontvangt iedereen die een schip van meer dan honderd ton wil bouwen gratis hout uit de koninklijke bossen. Uitrustingsstukken kunnen belastingvrij uit andere landen worden ingevoerd en op de goederen die de schepen vervoeren wordt een uiterst genereuze reductie van in- en uitvoerrechten toegepast. Dit alles geschiedt ter aanmoediging van de handel met Frankrijk en Vlaanderen, hoofdzakelijk in laken en timmerhout. Fernando stelt tevens een vorm van zeeassurantie in, waarmee hij zijn tijd ver vooruit is. Op deze wijze ontstaat een nieuwe klasse van koopvaarders. Een probleem is echter dat er niet voldoende ervaren zeelieden zijn. Het gebrek aan goede zeelieden zal voor Portugal een probleem vormen gedurende de gehele periode van zijn maritieme expansie.

De maatregelen die Fernando treft om de economische en sociale situatie te verbeteren, zijn goed bedoeld, maar sorteren niet het gewenste effect. Daarvoor is de algehele ontwrichting tengevolge van de oorlogen en de internationale crisis te groot en wordt het land te zwak bestuurd. Fernando gaat de geschiedenis niet in als een `goede koning’ die zijn volk heeft weten te beschermen, maar eerder als een vorst die niet in staat is geweest zijn volk vrede, rechtvaardigheid en voorspoed te bezorgen. Fernando zou over-heerst zijn door zijn vrouw Leonor Teles de Menezes en haar minnaar, de Galicische ridder João Fernández Andeiro, later graaf van Ourém. De koning overlijdt op 22 oktober 1383; hij is op een leeftijd van 38 jaar reeds afgeleefd.

4.3. De revolutie (1383-1385); stichting van het Huis Aviz

Categorieën
Portugees kolonialisme

Pedro I (1357-1367); tien jaar vrede. Twisten met Castilië

Deel 1 Index

Hoofdstuk 4

Twisten met Castilië

4.1 Pedro I (1357-1367); tien jaar vrede

Geschreven door Arnold van Wickeren

Pedro bestijgt in 1357 als Pedro I de troon. Hij zal tien vreedzame jaren over Portugal regeren. In zijn buitenlandse politiek staat hij aan de zijde van zijn neef Pedro `o cru’ (de Wrede), koning van Castilië in diens strijd tegen zijn rivaal Enrique de Trastámara. Pedro is een typisch middeleeuwse figuur, half gek, wreed en lichtzinnig, maar desondanks geliefd bij het volk. Hij wordt gevreesd door de adel, hoewel hij weinig tegen de edelen onderneemt. In zijn tegen de kerk gerichte maatregelen zit weinig lijn en zijn optreden is grillig en vaak door persoonlijke sentimenten bepaald. Pedro tracht de drie moordenaars van zijn geliefde Inês de Castro in handen te krijgen. In 1360 lukt hem dit met twee: Álvaro Gonçalves en Pedro Coelho. Zij worden in Santarém geëxecuteerd. Overigens is Pedro, na de moord op zijn geliefde allerminst ontroostbaar; zijn favoriet is nu Teresa Lourenço, wier zoon João, de stichter van het Huis Aviz, in 1358 geboren wordt. In 1363 benoemt Pedro zijn zoon tot grootmeester van de religieus-militaire Orde van Calatrava. Hiermee geeft hij een aanzet tot `nationalisering’ van deze orde. Pedro’s vader, Afonso IV, heeft de benoeming van plaatselijke rechters aan zich getrokken en het toezicht op de rechtsbedeling voor de kroon gemonopoliseerd. Pedro zet dit beleid voort, omdat hij een bijzon-dere belangstelling heeft voor de rechtsprekende taak van de koning. Door de veelheid van wetten en het ontbreken van een codificatie is de rechtsbedeling geen eenvoudige zaak.

Het familie- en erfrecht, alsmede bepalingen inzake woeker en rente zijn geregeld in vijf wetboeken van het Canonieke Recht: het Decree van Gratian, de Decretals van paus Gregorius IX (1227-1241), het Liber Sextus van paus Bonefatius VIII (1294-1303), de Clementinae van paus Clemens V (1305-1314) en de Extravagants van paus Johannes XXII (1316-1334). De interpretatie van het Canonieke Recht vindt plaats aan de Universiteit van Coimbra. Ook de concor-daten gesloten met de Heilige Stoel en pauselijke brieven, waarvan overigens vele falsificaties in omloop zijn, vormen rechtsbronnen. In een poging het in omloop brengen van falsificaties tegen te gaan en om meer rechtvaardigheid te bereiken, verbiedt Pedro in 1361 de publicatie van deze brieven zonder zijn toestemming. Naast de drie genoemde rechtsbronnen hanteert Pedro de op het Romeinse Recht stoelende Castiliaanse wetboeken: de Fuero Real en Partidas, die koning Dinis al vroeg in het Portugees heeft laten vertalen. Er is ook wetgeving van eigen bodem; de vele forais die door de verschil-lende koningen zijn uitgevaardigd en die een plaatselijk karakter hebben. Bij de rechtsbedeling dient tenslotte ook rekening te worden gehouden met plaatselijke gewoonten en tradities. De eerste – nog onvolledige – codificatie zal pas tegen het einde van de 14e eeuw tot stand komen in het Livro das Leis e Posturas. Pedro stelt corrupte rechters aan de kaak en ontslaat onbekwame advocaten. Hij gelast de verkiezing van nieuwe magistraten, de vereadores die de rechters behulpzaam moeten zijn. Hij stelt ook een nieuwe rechter aan die het toezicht heeft op testamenten en legaten. De uitspraken van Pedro zijn dikwijls overdreven streng en wreed. Pedro I verwerft zich de bijnaam `O Justiceiro’. Geheel in tegen-spraak met het voorgaande zijn de uitgelaten feesten aan het hof. Pedro tracht het buitenlandse geld in Portugal te vervangen door eigen goud en zilvergeld: dobras, torneses, en dergelijke, hetgeen Afonso III in 1248 ook geprobeerd heeft. Ofschoon Pedro’s zoon en opvolger Fernando doorgaat met het slaan van eigen Portugese munten, verdwijnen deze al snel uit de omloop. Als Pedro in 1367 sterft, wordt hij verenigd met zijn geliefde Inês de Castro. Hun graftomben in Alcobaça zijn meesterwerken van renaissance beeld-houwkunst. De liefdesgeschiedenis van Pedro en Inês de Castro heeft kroniekschrijvers, romanciers en dichters meer dan vijf eeuwen geïnspireerd.

4.2. Fernando I (1367-1383); oorlogen met Castilië

Categorieën
Portugees kolonialisme

Afonso IV (1325-1357); crises. Twisten met Castilië

Deel 1 Index

Hoofdstuk 4

Twisten met Castilië

4.0 Afonso IV (1325-1357); crises

Geschreven door Arnold van Wickeren

Afonso, die een minder goed bestuurder en diplomaat is dan zijn vader, raakt direct na zijn troonsbestijging in conflict met Castilië. De aanleiding daartoe is de inbeslagneming van de bezittingen van zijn halfbroer Afonso Sanches, die in Castilië woont. Deze valt daarop met een legermacht van Castilianen Portugal binnen. De gebeurtenis is het begin van een periode waarin de koningen van Portugal en Castilië, alsmede leden van de feodale adel in beide landen, telkens als zij daartoe aanleiding zien, interveniëren in elkaars interne aangelegenheden. Deze houding, die tot in het begin van de 15e eeuw zal voortduren, leidt tot frequente schermutselingen tussen Portugal en Castilië. In 1328 huwelijkt Afonso IV zijn oudste dochter, Maria, uit aan Alfonso XI van Castilië (1312-1350). Het huwelijk is van meet af aan ongelukkig. Maria klaagt over haar man tegenover haar vader, die daarop zijn schoonzoon gaat tegenwerken. De relatie tussen de koningen van Portugal en Castilië verslechtert nog meer als Afonso bewerkstelligt dat zijn oudste zoon Pedro zich verlooft met Constança, de dochter van Juan Manuel, één van de leiders van de Castiliaanse oppositie. Het gevolg van deze verloving is dat er in 1336 een oorlog tussen Castilië en Portugal uitbreekt. Een factor van betekenis schijnt te zijn geweest, dat Afonso’s moeder, koningin Isabel, kort daarvoor is overleden. Zij heeft zich jaren geleden teruggetrokken in het klooster van Santa Clara in Coimbra.

Het schijnt mede aan haar interventies te danken geweest te zijn dat schermutselingen tussen Portugal en Castilië vanaf het moment dat Afonso IV in 1325 de troon besteeg, voorkomen konden worden danwel snel beëindigd zijn. Hiervoor is zij later heilig verklaard (Elizabeth van Portugal). Zij is de geschiedenis ingegaan als de `Rainha Santa’. De oorlog brengt beide landen overwinningen en nederlagen en grote verwoestingen. Bemiddeling van de Franse koning Philippe VI (1328-1350) en paus Benedictus XII (1334-1342) leiden tot vredesbesprekingen in 1338 en vrede in 1339. Hierbij moet Afonso IV concessies doen. De relatie tussen Afonso IV en Alfonso XI verbetert onder dreiging van de moslims. In juni 1340 is Abū al-Hassan vanuit Marokko met een grote strijdmacht bij Tarifa geland. Zijn leger verenigt zich met dat van de koning van Granada, Yūsuf I (1333-1354). Afonso IV voegt zich in eigen persoon met duizend lansiers bij het leger van Alfonso XI, om het hoofd te bieden aan de moren. Het verenigde moorse leger wordt in oktober 1340 door beide christelijke koningen aan de oevers van de Rio Salado in Andalusië beslissend verslagen. In 1340 hebben de moren voor de laatste maal gepoogd hun invloed op het Iberisch schiereiland met militaire middelen te vergroten.

Niet alleen de alsmaar oplaaiende twisten met Castilië leiden tot een crisissfeer in Portugal; er staan veel ernstiger rampen voor de deur. De sociale en economische structuur van het land is in 1340 aan het veranderen. De adel leeft op grote voet en geeft veel meer geld uit dan de honras opbrengen. Het inkomen van de adel zou kunnen worden vergroot, als deze zijn geld zou investeren in de handel en in andere winstgevende activiteiten. De edelen doen dat echter niet; zij schijnen onvoldoende te begrijpen dat de tijden waarin op een gemakkelijke manier rijkdom verworven kan worden met de voltooiing van de Reconquista definitief voorbij zijn. Naast de adel ontstaat een bourgeoisie die welvarend is geworden in handel en nijverheid. Zij wil haar nieuw verworven rijkdom tonen en verlangt haar aandeel in de politiek. Er is sprake van wat economen `overbesteding’ noemen. Dit leidt tot prijsstijgingen vooral van industriële produkten. Afonso, maatschappelijke onrust vrezend, vaardigt in 1340 een wet uit, waarbij de buitensporige uitgaven van de adel aan banden worden gelegd. De wet veroorzaakt een zekere rusteloosheid onder de lagere klassen; de feodale stabiliteit stort in elkaar en er ontstaat de mobiele arbeidersklasse.

In 1348 wordt Portugal, evenals zo vele andere landen, getroffen door de `Zwarte Dood’. Tussen eind september en Kerstmis raast de pest over het land, waarbij wellicht eenderde van de bevolking sterft. Niet alleen steden, zoals Lissabon, Coimbra, Santarém, Silves en Bragança, worden zwaar getroffen; de ziekte maakt ook vele slacht-offers in dorpen en op het platteland, terwijl kloostergemeenschappen overal gedecimeerd worden. Het bezit van de kerk stijgt, omdat edelen en vrije boeren, in het zicht van een naderende dood en in een wanhopige poging hun ziel te redden, hun bezittingen aan de kerk schenken. Dit is weliswaar bij de wet verboden, maar er is geen autoriteit die dit tijdens de pestepidemie verhindert. De daling van de bevolking in de steden door sterfte wordt spoedig meer dan tenietgedaan door de trek van het platteland naar de steden. Veel arbeiders zijn niet langer bereid tegen de gebruikelijke karige beloningen het land te bewerken; zij hopen op een minder zwaar leven in de stad. Terwijl er een stadsproletariaat ontstaat van ongeschoolden, is er op het platteland een schreeuwend gebrek aan arbeidskrachten. Het aantal verlaten landgoederen (fogos-mortos) is aanzienlijk. Adellijke landeigenaren, kloosters en rijke boeren zoeken vergeefs naar werkkrachten. Zij doen een beroep op de koning die als grootgrondbezitter met dezelfde problemen kampt. Afonso vaardigt in 1349 een wet uit die landarbeiders verplicht genoegen te nemen met dezelfde beloning als voorheen. Deze wet stopt de trek naar de steden uiteraard niet. Die zal aanhouden tot diep in de jaren zeventig. De problemen nemen toe door een nieuwe pestplaag in 1356.

Kort nadat het moorse gevaar is afgewend, beginnen de moeilijkheden tussen de koningen van Castilië en Portugal opnieuw. Afonso IV laat paus Clemens VI (1342-1352) in 1343 weten dat de Portugese schepen een expeditie hebben ondernomen naar de Canarische eilanden. Desondanks wijst de paus deze eilanden in 1344 toe aan de Castiliaanse edelman Don Luis de la Cerda, hetgeen het resultaat is van samenspanning tussen Alfonso XI van Castilië en de paus. Afonso zoekt dan steun bij Engeland. Daartoe wil hij zijn dochter Leonor in het huwelijk doen treden met de Engelse koning Edward III (1327-1377). Als de onderhandelingen mislukken, trouwt Leonor in 1347 met Pedro IV van Aragón (1336-1387). De jong gehuwden worden een jaar later het slachtoffer van de pest, terwijl koning Alfonso XI twee jaar later ook aan deze ziekte bezwijkt.

Rond het midden van de 14e eeuw hebben zich zoveel Portugese handelaren in Vlaanderen gevestigd en is het belang van de handel met dat land zozeer toegenomen dat in Brugge een officiële Portugese handelspost (feitoria) gesticht wordt. De handel en de vaart op Engeland worden bevorderd door een verdrag dat Portugese kooplieden sluiten met koning Edward III. Dit verdrag, dat later door Afonso IV officieel zal worden erkend, garandeert de veiligheid van Portugese kooplieden in Engeland en die van Engelse kooplieden in Portugal. In de handel met Noord-Europa en vooral met Engeland nemen handelaren uit Porto een belangrijke plaats in, hetgeen Porto tot een welvarende stad maakt. In de 13e en 14e eeuw zijn de inwoners van de stad een aantal malen in opstand gekomen tegen hun feodale heer, de bisschop van Porto. In 1354 komt de stad onder rechtstreeks bestuur van de kroon, waarbij de inwoners van Porto een zekere mate van feodale autonomie verwerven. De Portugese export naar de verschillende West-Europese landen bestaat uit: vijgen, rozijnen, zout, wijn, olijfolie, honing, talk, was, kurk, kermes, leder, huiden en Spaans gras voor de vervaardiging van bezems. Uit Engeland, Frankrijk en Vlaanderen worden textiel en kleding ingevoerd, waarbij de Franse en Vlaamse exporteurs lijden onder de Engelse concurrentie. Andere geïmporteerde goederen zijn: hout, verfstoffen en paarden. De Portugese export naar landen aan de Middellandse Zee, met inbegrip van islamitische landen, bestaat uit: gedroogde vis, honing, was, leder, huiden, wol en enig zout. In ruil hiervoor ontvangt Portugal: specerijen, suiker, stoffen van zijde en wol, wapens, graan en allerlei huishoudelijke en luxe goederen. Portugal vormt een intermediair tussen de Noord- en Zuid-Europa, met inbegrip van Noord-Afrika. De tussenhandel ondervindt veel profijt van het voorhanden zijn van een overvloed aan gouden en zilveren moorse munten. De kustvaart met Galicië en de noordkust van het Schiereiland is ook van belang, evenals de handel met Castilië langs de lange gemeenschappelijke grens. Van de aantallen buitenlandse handelaren in Portugal zijn de Catalanen, Aragonezen en Castilianen veruit het talrijkst. De Portugese scheepvaart in de Middellandse Zee, maar ook de handel op Engeland en Vlaanderen ondervindt veel concurrentie van Italiaanse kooplieden uit vooral Genua, Florence, Milaan, Piacenza en Venetië. Met hun technische voorsprong, rijkdom en handelscontacten weten zij de Portugezen geleidelijk te verdringen. Zij wedijveren met de joden in het uitlenen van geld en het verwerven van politieke invloed. Aan de andere kant profiteert de Portugese scheepvaart van de geavanceerde scheepvaarttechnieken van de Italianen, een voorwaarde voor de Portugese maritieme expansie in de 15e eeuw.

Afonso’s zoon en erfgenaam Pedro, wiens verloving met Constança, dochter van de Castiliaanse kroonprins Juan Manuel, tot een oorlog tussen Portugal en Castilië heeft geleid, is in 1340 met Constança in het huwelijk getreden. Reeds spoedig daarna wordt Pedro verliefd op Constança’s Galicische hofdame, Inês de Castro, bij wie hij een aantal kinderen verwekt. Pedro schijnt als was in de handen van zijn geliefde en in die van haar aristocratische familie te zijn geweest. Constança overlijdt in 1345, nadat ze Pedro een zoon, Fernando, geschonken heeft. Pedro hertrouwt niet, ondanks Afonso’s aandringen. Afonso wordt bepaald gealarmeerd als hij verneemt dat de broers van Inês de Castro zich opmaken om zich te mengen in Portugese zaken. Afonso rijdt op 7 januari 1355, vergezeld door Álvaro Gonçalves, Pedro Coelho en Diogo Lopes Pacheco, naar Inês de Castro in Coimbra. Afonso IV spreekt met haar, maar als hij vertrokken is, keren zijn raadgevers terug en vermoorden haar. Pedro neemt nu de wapens tegen zijn vader op en belegert Porto, terwijl de broers van Inês vanuit Galicië Portugal binnenvallen. Op 15 augustus 1355 wordt de vrede getekend. Afonso IV schenkt zijn zoon vergiffenis in ruil voor het niet vervolgen van de moordenaars. Afonso overlijdt in 1357 en wordt opgevolgd door Pedro.

4.1. Pedro I (1357-1367); tien jaar vrede

Categorieën
Portugees kolonialisme

Dinis (1279-1325); economische bloei. De Reconquista voltooid; versterking van de koninklijke macht

Deel 1 Index

Hoofdstuk 3

De Reconquista voltooid; versterking van de koninklijke macht

3.4 Dinis (1279-1325); economische bloei

Geschreven door Arnold van Wickeren

Afonso’s opvolger Dinis is achttien jaar als hij de troon bestijgt. De troon wordt echter betwist door zijn jongere broer Afonso (1263-1312). Deze beroept zich erop dat hij de eerstgeboren zoon is uit het huwelijk van Afonso III en Beatriz nadat deze verbintenis door de Heilige Stoel is gelegaliseerd, terwijl Dinis voordien geboren is. De aanspraken van Afonso op de troon en diens bezit van grote delen van Alentejo, leiden tot voortdurende rivaliteit tussen Dinis en zijn jongere broer. Afonso heeft weinig moeite aanhangers te rekruteren, hetgeen leidt tot feodale conflicten tussen beide broers in 1281, 1287 en 1299. Deze conflicten eindigen met de onder-werping van Afonso. Dinis treedt in 1282 in het huwelijk met Isabel, dochter van Pedro III van Aragón (1276-1285). In 1284 lanceert hij, met steun van de cortes, een nieuwe serie inquirições, ondanks verzet van de adel en de geestelijkheid. In 1285 verbiedt de cortes, die bijeen is in Lissabon, religieuze instellingen land te verwerven. Het is zeer wel mogelijk dat Dinis weet heeft van de werkzaam-heden van enquêteurs royaux die Louis IX (1226-1270) in 1248 in Frankrijk heeft ingesteld. De Portugese koninklijke onderzoeks-commissies verschaffen het centrale bestuur een nauwkeurig kadastraal overzicht van grote delen van Noord-Portugal. In 1288 vragen de priors van Alcobaça, Santa Cruz in Coimbra en São Vicente in Lissabon paus Nicolaas IV (1288-1292), met steun van Dinis, een universiteit in Lissabon te mogen stichten.

Dinis sluit in 1289 een concordaat met de Heilige Stoel en in 1290 verleent de paus de gevraagde toestemming. Portugal loopt met de stichting van een universiteit, waaraan vrijwel uitsluitend geestelijken zullen worden opgeleid, niet voorop. In de 11e eeuw zijn reeds universiteiten ontstaan in Parijs (Sorbonne), Bologna en Oxford, terwijl Alfonso IX van Léon in 1215 de universiteit van Salamanca heeft gesticht. Twintig jaar later wordt de universiteit van Lissabon naar Coimbra verplaatst. Het aanzien van de Universiteit van Coimbra is echter gering en dat zal tot in de 15e eeuw zo blijven. Het gevolg is dat veel Portugese studenten hun heil zoeken in Oxford, Parijs, Bologna en Salamanca. Deze studenten zijn adellijke zonen die onderwijs hebben genoten van geleerde priesters en broeders, die vaak tot de entourage van adellijke families behoren. Tegen het einde van de 13e eeuw wordt het Latijn in korte tijd in officiële en zelfs kerkelijke documenten verdrongen door het Portugees.

Ondanks Dinis’ gehechtheid aan de vrede, raakt Portugal in 1295 voor het eerst sinds 1253 in oorlog met Castilië, in welk land een burgeroorlog woedt. Portugal en Aragón zijn natuurlijke bondgenoten tegen het machtige Castilië. Zij steunen beide een troonpretendent, wiens troonsbestijging zal leiden tot de afsplitsing van Léon. Na afloop van de oorlog sluiten Portugal en Castilië in 1297 het Verdrag van Alcañices. Hierbij ontvangt Portugal een district in Beira tussen de Rio Côa en de Rio Águeda, terwijl de grens van Alentejo wordt bevestigd. De in het Verdrag vastgelegde grenzen van Portugal zijn daarna niet meer gewijzigd. Het Verdrag van Alcañices voorziet eveneens in een bondgenootschap tussen Portugal en Castilië.

Als paus Clemens V (1305-1314) in 1312 bepaalt dat de bezittingen van de tempeliers moeten worden overgedragen aan de hospitaal-ridders, geldt dat niet voor het Iberisch schiereiland. Dinis breekt de macht van de tempeliers, die zich een enorme rijkdom verworven hebben. Hij stelt hen voor de keuze toe te treden tot een andere militaire orde of het land te verlaten. In 1317 sticht Dinis de Orde van Christus, die een nationaal karakter heeft en zal uitgroeien tot een belangrijk wapen in handen van de Portugese koningen. Zij verwerft de bezittingen van de tempeliers, waaronder Tomar en Castelo Branco. In 1319 autoriseert paus Johannes XXII (1316-1334) de stichting van de nieuwe militaire orde. De Orde van Christus heeft haar hoofdzetel in Castro-Marim aan de monding van de Guadiana, dit ter verdediging van de Algarve. De militaire Orde van Calatrava, ofschoon gesticht in Castilië, wordt een Portugese institutie. De Orde van Santiago tenslotte, die zetelt in Palmela, is al in 1288 verzelfstandigd. In zijn streven de macht van de adel te beperken waarschuwt Dinis in 1317 tegen inbreuken op zijn koninklijke rechtsmacht, nadat hij in de jaren 1301, 1303 en 1307 opnieuw inquirições heeft ingesteld. In 1321 treedt hij op tegen de creatie van nieuwe landgoederen (honras) en in 1325 eist hij van de edelen dat zij hun feodale rechten bewijzen. De koning geeft ook veel aandacht aan de verdediging van het land door kastelen, stadswallen en andere fortificaties te bouwen of te herstellen. Hij bekostigt deze werken ten dele uit eigen zak. Door de florerende economie zijn Dinis’ inkomsten zodanig dat hij daarvoor geen nieuwe belastingen behoeft te heffen. De koning belast Nuno Fernandes Cogominho met de opbouw van de Portugese oorlogs-vloot. Na het overlijden van Cogominho wordt zijn taak in 1317 overgenomen door de Genuees Emmanuele Pessagno. Hij heeft hierbij de hulp van twintig Genuese sabedores do mar (experts ter zee). Zij hebben ervaring met de bouw van galeien. Pessagno wordt voor zijn diensten beloond met een erfelijk leengoed, terwijl hij in februari 1322 wordt aangesteld als admiraal van de Portugese oorlogsvloot.

In de jaren 1321-1322, 1323 en 1324 rebelleert Dinis’ zoon en erfgenaam Afonso tegen zijn vader, die hij ervan verdenkt zijn troon te willen nalaten aan een bastaardzoon. Afonso wordt daarbij beïnvloed door zijn moeder, koningin Isabel. Afonso bereikt weinig, want opstanden gericht tegen de koning, meestal ondernomen door zijn broers of zonen, falen altijd. Voor zover de adel partij kiest, steunen zij in meerderheid de koning. Verreweg de meeste edelen wachten de ontwikkelingen echter af, zonder van sympathieën voor de ene of de andere partij blijk te geven.

Onder koning Dinis neemt de complexiteit van de staat toe. Omdat het besturen van het land heel wat anders is dan het geven van leiding aan de koninklijke huishouding, neemt de invloed van de koninklijk zegelbewaarder of kanselier (chancelor) toe ten koste van de mordomo-mór. De kanselier gaat aan het einde van de 13e eeuw beschikken over een permanente staf van klerken, notarissen en schrijvers, die allerlei koninklijke documenten opstellen. De chancelor en enkele schrijvers behoren tot het gevolg van de koning op zijn reizen door het land. Omdat de rechtsbedeling een van de belangrijkste taken van de koning is, wordt hij ook steeds gevolgd door enige juristen, ouvidores (auditoren) geheten. De ouvidores die zich met financiële zaken bezighouden worden vedores da fazenda genoemd. Met elkaar oefenen zij de taak van een minister van financiën uit. Dinis heeft grote belangstelling voor de landbouw. Dit levert hem de eretitel `Rei Lavradór’ (Koning-Boer) op. Ten tijde van Dinis zijn er nog maar weinig industriële activiteiten. Er worden goedkope stoffen en zeep gefabriceerd en er is scheepsbouw. Om de bouw van schepen te stimuleren laat Dinis bij Leiria naaldbossen aanplanten. Deze Pinhal d’el Rei houden het zand van de duinen ter plaatse vast, zodat zij tevens de landbouw bescherming bieden. Hoewel er in Dinis’ tijd vele soorten ambachtslieden zijn, ontwikkelen gilden zich traag. Tijdens Dinis’ regering ontstaan bijna vijftig van de uiteindelijk bijna honderd jaarmarkten, waaronder feiras francas (vrijmarkten). De groei van het marktwezen gaat gepaard met de toename van het gebruik van gemunt geld. Met het toenemen van de handel en het gebruik van geld ontwikkelt Portugal zich tot een markteconomie. Onder Dinis komt Portugal meer dan voorheen in aanraking met West-Europa. Aan het einde van de 13e eeuw hebben zich overal in West-Europa Portugese handelaren gevestigd, vooral in Vlaanderen. Dinis treft verschillende maatregelen om de handel met het buitenland te stimuleren. In 1293 sluit hij een overeenkomst met handelaren die varen op Vlaanderen, Engeland en Frankrijk, waarbij een verzekeringssysteem wordt opgezet. Kenmerkend voor Dinis’ tijd is dat de heersende welvaart het niet nodig maakt naar het middel van muntverzwakking te grijpen, zoals Dinis’ voorganger heeft gedaan en zijn opvolger telkenmale zal doen. Dinis roept ook zelden de cortes bijeen, omdat hij in de benijdenswaardige positie verkeert geen nieuwe belastingen te hoeven heffen. Tijdens de regeringsperiode van Dinis bereikt het tijdperk van de troubadours (1250-1350) zijn hoogtepunt. Portugese troubadours scheppen een speciale vorm van Portugese literatuur. Dinis bevordert deze literaire activiteiten en is zelf een bekwaam dichter, die 130 liederen op zijn naam heeft staan. Dinis overlijdt in 1325. Zijn zoon Afonso, volgt hem op als Afonso IV.

4.0. Afonso IV (1325-1357); crises

Categorieën
Portugees kolonialisme

Afonso III (1248-1279); versterking van de koninklijke macht. De Reconquista voltooid; versterking van de koninklijke macht

Deel 1 Index

Hoofdstuk 3

De Reconquista voltooid; versterking van de koninklijke macht

3.3 Afonso III (1248-1279); versterking van de koninklijke macht

Geschreven door Arnold van Wickeren

Kort na zijn aankomst in Lissabon roept Afonso, graaf van Boulogne, zichzelf uit tot koning Afonso III. Het overlijden van Sancho II, die geen nakomelingen heeft, geeft de greep naar de macht een schijn van legitimiteit. Afonso voltooit de verovering van de Algarve; in 1249 vallen Silves en Faro in handen van de Portugezen en in 1250, het jaar waarin Fernando III de moren bij Jerez de la Frontera een grote nederlaag toebrengt, neemt Afonso de rest van Westelijk-Algarve in, waarmee de Reconquista wat Portugal betreft, voltooid is. Deze veroveringen brengen Afonso in conflict met Castilië. De oorzaak daarvan is de volgende. De koning van het taifa-koninkrijk Lābla, die al zo vaak zijn geloofsgenoten vergeefs om effectieve hulp tegen de opdringende christenen heeft gevraagd, heeft kroonprins Alfonso, zoon en erfgenaam van Fernando III van Castilië en Léon, als zijn troonopvolger aangewezen. Nu Portugal een deel van Lābla veroverd heeft, geeft dat vanzelf-sprekend problemen met Castilië. Na enige vijandelijkheden tussen beide landen in 1250, gevolgd door onderhandelingen, breekt na het overlijden van Fernando in 1252 opnieuw oorlog uit. Door bemiddeling van paus Innocentius IV staken Alfonso X (1252-1284), bijgenaamd `El Sabio’ (De Wijze), en Afonso III in 1253 de strijd, die vermoedelijk niet in het voordeel van de laatste is verlopen.

Afonso III treedt in het huwelijk met Beatriz Guillén, de onwettige dochter van Alfonso X en bovendien nog een kind, ofschoon hij gehuwd is met Matilde van Boulogne. Met Alfonso de Wijze wordt overeengekomen dat Afonso III de betwiste Algarve, met inbegrip van al het door Portugal beheerste gebied ten oosten van de Rio Guadiana, voorlopig zal besturen als leenman van Castilië. Zodra de oudste zoon van Afonso III en Beatriz zeven jaar zal zijn, zal de Algarve weer bij Portugal komen. Het huwelijk van Afonso III en Beatriz leidt tot een geschil met de Heilige Stoel. Paus Alexander IV (1254-1261) schort het huwelijk in 1258 op. Ondanks zijn vroegere relaties met Rome, weigert Afonso III Beatriz op te geven. In 1260 overlijdt Matilde, hetgeen het mogelijk maakt het geschil op te lossen. In 1263 wordt het huwelijk van Afonso met Matilde door Urbanus IV (1261-1264) alsnog ongeldig verklaard en dat met Beatriz gelegaliseerd. Bovendien wordt de uit dit huwelijk in 1261 geboren oudste zoon Dinis, als een wettig kind erkend. Alfonso de Wijze en Afonso III sluiten hierna een overeenkomst waarbij de Algarve aan Dinis toevalt. Door deze overeenkomst is de Algarve vast in Portugese handen gekomen. Een eventuele bedreiging van de Algarve door de moren wordt onmogelijk, nadat de jonge Castiliaanse oorlogsvloot in 1262 Cádiz op hen veroverd heeft. Vier jaar later wordt de bestaande situatie bevestigd en worden de grenzen tussen Castilië en Portugal vastgelegd.

In de jaren zeventig van de 13e eeuw boekt Afonso nog een belangrijk succes in de verhouding met Castilië. De vereniging van Léon en Castilië in 1230 bezorgt Portugal een machtige nabuur-staat, waarmee nog steeds banden van vazaliteit bestaan. De vreedzame regeling van het geschil om de Algarve en de goede relaties tussen de koningen van Portugal en Castilië die daarna ontstaan, scheppen een klimaat waarin ook het vraagstuk van de vazaliteit besproken kan worden. Afonso III slaagt erin dat Alfonso de Wijze Portugal eeuwigdurend ontheft van zijn feodale verplichting Castilië militair bij te staan. Hiermee is Portugal met recht een geheel onafhankelijke staat geworden.

Afonso III maakt, in plaats van Coimbra, Lissabon tot zijn hoofdstad, waarna de stad zich, mede door haar centrale ligging, uitstekende haven, vruchtbare omgeving en gezonde klimaat, snel ontwikkelt tot verreweg de belangrijkste stad van het land. Afonso’s regering is uitzonderlijk stabiel. Zijn adviseur en beste vriend, Estêvão Eanes, dient hem als kanselier, gedurende zijn gehele regerings-periode. Hij bekleedt dit ambt ook nog drie jaar onder Afonso’s opvolger. Een andere favoriet, João Peres de Aboim, oefent tijdens een zelfde periode verschillende hoge functies uit. Afonso III staat voor de taak christenen, gearabiseerde joden en moslims te verenigen tot één natie. Omdat de in het zuiden van het land gestichte concelhos veel horigen uit het noorden aantrekken, ontstaat er daar op de bestaande landgoederen gebrek aan arbeidskrachten. Grondbezitters moeten met elkaar concurreren om aan voldoende landarbeiders te komen, waardoor de sociale positie van niet-horige landarbeiders sterker wordt. Zij nemen geen genoegen meer met uitbetaling in natura, maar verlangen hun loon in geld te ontvangen. Als tegen het einde van 1253 bekend wordt dat Afonso de Portugese munt wil verzwakken om zijn geldtekort op te heffen, beginnen de prijzen snel te stijgen. De koning en de gemeenten trachten dit tegen te gaan door de prijzen van goederen te fixeren. Dit lukt natuurlijk niet. Er ontstaat grote onrust in het land. Dit is voor Afonso aanleiding in 1254 de cortes in Leiria bijeen te roepen. Bij deze gelegenheid doen burgers, die de concelhos vertegenwoordigen, hun intrede in dit lichaam. Zij verwerven daarmee een stijgend aandeel in de politiek, omdat de cortes vooral bijeengeroepen wordt om de heffing van nieuwe belastingen goed te keuren. Ofschoon de gilden nog van weinig betekenis zijn, hebben zij in de 13e eeuw invloed op de besteding van de opbrengsten van plaatselijke belastingen. Een andere zaak die in de cortes besproken wordt is de status van Porto, waar de bisschop het voor het zeggen heeft. Afonso, die een conflict met de kerk geenszins uit de weg gaat, bezet Porto en de bisschop moet, ondanks zijn beroep op paus Alexander IV (1254-1261), gedogen dat Afonso in 1255 in Vila Nova de Gáia, op de andere oever van de Douro, een dorp (concelho) sticht. In het vervolg wordt de tolheffing op de scheepvaart op de Douro verdeeld tussen de stad Porto, dus de bisschop, en de zusterplaats Vila Nova de Gáia. Afonso III tracht de invloed van de kerk en de adel te beperken. In 1258 doet hij de inquirições herleven. Het resultaat is dat de kerk wordt beroofd van veel van haar eigendommen. De hoge geestelijkheid tekent verzet aan tegen de acties van de koninklijke commissies en de meesten van haar leden verlaten daarna het land. De enige prelaat met wie de koning geen conflict heeft, is de bisschop van Évora. Ofschoon Afonso III wegens zijn inquirições door de paus in de ban is gedaan en bedreigd wordt met afzetting, gaat hij tot kort voor zijn dood door met de kerk te tarten. De geschillen met de kerk gaan hoofdzakelijk om twee punten: wie benoemt de bisschoppen en abten, de paus of de koning, en hoe kan voorkomen worden dat de kerk, door schenkingen en legaten, buitensporig veel onroerend goed verwerft. Afonso III treedt ook op tegen de adel. Hij vaardigt verschillende in het gehele land geldende wetten uit die de voorrechten van de adel beperken en de edelen dwingt meer rechtvaardigheid tegenover de bevolking te betrachten. De strijd tegen kerk en adel en het opkomen voor het gewone volk maken de koning zeer populair bij de bevolking. Het zijn vooral de inwoners van Lissabon die in tijden van crisis zijn zijde kiezen. Als Afonso ernstig ziek wordt en zijn einde voelt naderen belooft hij de kerk gehoorzaamheid. Hij ontvangt de absolutie en sterft in 1279. De resultaten van de regeringsperiode van Afonso III – zoals de regelingen met Castilië, de voltooiing van de Reconquista, de versterking van de macht van de koning tegenover de kerk en de adel en tenslotte het opnemen van burgers in de cortes – betekenen belangrijke structurele vooruitgang.

3.4. Dinis (1279-1325); economische bloei

Categorieën
Portugees kolonialisme

Sancho II (1223-1246); de Reconquista bijna voltooid. De Reconquista voltooid; versterking van de koninklijke macht

Deel 1 Index

Hoofdstuk 3

De Reconquista voltooid; versterking van de koninklijke macht

3.2 Sancho II (1223-1246); de Reconquista bijna voltooid

Geschreven door Arnold van Wickeren

Het moorse zuiden van Portugal heeft een geheel ander karakter dan het noorden. Het meeste land is ten tijde van het islamitische bestuur onbebouwd, omdat de grond arm en het klimaat ongunstig is. Op het platteland wonen ook vrijwel geen mensen, zij leven in steden en dorpen, hoewel landbouw en veeteelt ook in het zuiden van Portugal de economische basis vormen. De stadsbevolking bestaat uit landbezitters en anderen die op het land werkzaam zijn. Daarnaast wonen er handelaren en ambachtslieden, zoals kleer-makers, timmerlieden, schoenmakers, pottenbakkers, metselaars en zadelmakers. In de plaatsen aan de kust komen daarbij vissers en zeelieden, die varen op Noord-Afrika. Er zijn veel plaatsen, waarvan al-Ushbūna (Lissabon), met tegen de 5.000 inwoners, en Shantarin (Santarém) de grootste zijn. Hun betekenis is echter achteruitgegaan naarmate zij dichter bij de frontlijn zijn komen te liggen. Het gebied tussen al-Ushbūna en Shantarin is de graan-schuur (meest tarwe) van al-Gharb al-Andalus. Overal zijn fruit- en olijfbomen te vinden. De zuidelijke kuststrook (de huidige Algarve) is een centrum van de teelt van vijgen en amandelen. Rond de steden liggen boomgaarden en wordt groente verbouwd. De moren putten water van grote diepte en kennen ook watermolens. De visvangst en de winning van zout zijn van betekenis. De veestapel bestaat voornamelijk uit schapen en geiten. Het fokken van varkens door christelijke boeren is door de islam ontmoedigd en neemt verder af naarmate meer boeren zich tot de islam hebben bekeerd. In Alentejo zijn koper- en zilvermijnen. In de Algarve wordt tin gewon-nen en de Taag brengt enig goud op.

In al-Kasr Abū Dānis worden schepen gebouwd, waarvoor hout van pijnbomen wordt gebruikt, en er is ook een papierindustrie. Een riem voor een bundel papier is afgeleid van het Arabische rizma. Er circuleren in de moslimtijd gouden, zilveren en koperen munten in overvloed. Tijdens de tweede taifa-periode heeft Mārtula een eigen munt die gouden munten slaat. De sociale structuur van al-Gharb verschilt onder de moslims weinig van die in Noord-Portugal. Landbezitters bezoeken soms hun landgoed, maar behoren normaliter tot de entourage van taifa-koningen en emirs. De meeste in cultuur gebrachte grond, alsmede produktiemiddelen als molens, ovens en persen zijn eigendom van de staat, evenals het meeste onbebouwde land. Bestuurders en militairen komen in al-Gharb al-Andalus voort uit een beperkt aantal dynastieën. Deze oligarchieën zijn soms generaties lang bij het bestuur of de verdediging van het land betrokken. Joden en christenen zijn talrijk en leven in al-Gharb in getto’s. Zij kiezen hun eigen leiders en hebben hun eigen bestuurs-instellingen en rechtspraak. De mate van religieuze tolerantie verschilt van tijd tot tijd en van plaats tot plaats. Van de culturele erfenis van de moslims is in Portugal weinig overgebleven, omdat de moskeeën zijn omgebouwd tot kerken.

Kort na zijn troonsbestijging hervat Sancho II de Reconquista. In 1226 begint hij met de verovering van Alentejo met de inname van Yālbash (Elvas), dat echter kort daarna weer verloren gaat. Een groot aandeel in de strijd hebben de militaire orden van Santiago en Calatrava, evenals de hospitaalridders. In 1230 overlijdt Alfonso IX van Léon. De kroon van Léon wordt geërfd door Fernando III (1230-1252), sedert 1217 koning van Castilië. Sancho II en Fernando III kunnen nu hun inspanningen tegen de moslims bundelen. De Léonezen veroveren in 1230 Mérida, terwijl de Portugezen in dat jaar het nabijgelegen Elvas door de moslims verlaten vinden en ook Juromenho innemen. In 1232 veroveren zij Serpa, Moura en Beja. In 1236 trekt de heersende Almohadische aristocratie zich terug naar Noord-Afrika, om haar ook daar bedreigde positie te verdedigen. Nog hetzelfde jaar gaat Tunis verloren aan de Hafsids, terwijl Abd al-Wādids in 1239 Tlemcen verovert. Met de tanende macht van de Almohaden in Noord-Afrika, die in 1269 – als hun fraaie hoofdstad Marrakech in handen valt van de Mariniden – geheel zal zijn uitgespeeld, stort hun verdediging van het Iberisch schiereiland ineen. Fernando III verovert in 1236 de Almohadische hoofdstad Kūrtuba (Córdoba). In 1238 maakt Ibn Ahmar, de moorse heerser van Granada zich los van de Almohaden en sticht de dynastie der Nasriden. Als residentie laat hij het Alhambra bouwen. De successen van Castilië inspireren de Portugezen tot het verdrijven van de moslims van hun territorium. In 1238 valt Mértola in hun handen, gevolgd door Tavira en Cacela in het jaar daarop. Slechts een deel van het westen van Algarve, waaronder de steden Shilb (Silves) en Shanta Mariya Al-Harun (Santa Maria de Faro) zijn nog in handen van de moslims. Deze gebieden behoren tot het taifa-koninkrijk Lābla (Niebla), gelegen ten oosten van de Rio Guadiana.

Het koninkrijk Portugal is door de Reconquista sterk vergroot; aan de 34.000 km² ten tijde van Afonso I is bijna 52.000 km² toe-gevoegd. Ook de macht en de rijkdom van de kroon zijn enorm toegenomen, doordat alle staatseigendommen van al-Gharb zijn toegevallen aan de koning. De vereniging van Noord- en Zuid-Portugal brengt veel migratie met zich. Een derde tot de helft van alle moslims vertrekt naar Granada en Noord-Afrika. De emigranten vormen de gehele bovenlaag van de bevolking, maar ook een deel van de lagere klassen: handelaren, ambachtslieden en boeren, wijkt uit. Er is nauwelijks sprake van moslims die in slavernij geraken. De joden schijnen over het algemeen gebleven te zijn. Omdat het tijdperk waarin christenen en moslims elkaar respecteerden reeds lang voorbij is en de achterblijvende moslims aan zware belastingen worden onderworpen, zullen velen van hen alsnog uitwijken. Zowel de verschillende koningen als de kerk geven zich veel moeite migranten uit het noorden aan te trekken om de verlaten velden te bebouwen en de bevolking van steden en dorpen aan te vullen. Deze politiek leidt ertoe dat voordien afhankelijke boeren land-eigenaren worden en dat horigen uit het noorden naar het zuiden komen, alwaar zij de status van pachtboer of ambachtsman verwerven. De immigranten uit het noorden, die een sociale status verwerven waarop zij niet zijn voorbereid, wekken veel weerzin. Hun optreden is in de ogen van de zuiderlingen onbeschaafd en zij gedragen zich met de arrogantie van overwinnaars. De bevolking in het zuiden, met haar mozarabische cultuur en verfijnde Arabische manier van leven, voelt zich superieur aan de geïmmigreerde noorderlingen. De gebruiken en wetten uit het noorden kunnen niet zonder meer worden toegepast in het veroverde zuiden. Er is dringend behoefte aan nieuwe wetgeving. Hierin wordt voor veel steden en dorpen voorzien door het uitvaardigen van koninklijke voorschriften (forais). De plaatselijke overheid, bestaande uit een raad van homens bons (goede mannen), gewoonlijk gerekruteerd uit kleine grondbezitters en handelaren, heeft weinig bevoegdheden. Zowel in de islamitische traditie, als in die van het jonge koninkrijk Portugal past een sterk centraal gezag, waardoor de koning zich frequent met plaatselijke aangelegenheden kan inlaten.

Bij de troonsbestijging van Sancho II heeft de kerk een over-heersende invloed, die het gevolg is van de afspraken die gemaakt zijn na zijn vaders overlijden. Sancho handhaaft niet alleen zijn vaders wetgeving, die kerkelijke instituties verbiedt land te verwer-ven, maar hij kondigt nieuwe wetten af, waarbij dit verbod ook van toepassing is op individuele geestelijken. Zelfs donaties en legaten aan de kerk worden verboden. Er zijn tegenstrijdige berichten over de regeerperiode van Sancho II, die weinig autoriteit getoond zou hebben en sterk onder invloed van de machtige familie Mendes de Sousa zou hebben gestaan. De koninklijke autoriteit van Sancho en het centrale gezag zijn te zwak om misbruiken doeltreffend en duurzaam tegen te gaan. In de latere jaren van zijn regering schijnt Portugal in een situatie van anarchie te zijn geraakt. Hoe dan ook, zijn jongere broer Afonso, die door zijn huwelijk in 1238 met Matilde, dochter van graaf Raynald I van Dammartin, graaf van Boulogne was geworden, betwist de geldigheid van het huwelijk van zijn koninklijke broer met Mécia López de Haro. Zij is de weduwe van de beroemde Andalusische vechtersbaas Álvaro Pérez de Castro, die in het jaar daarvoor overleden is. Dit huwelijk blijft kinderloos. Afonso wordt in 1245 door een pauselijke commissie toegestaan de macht over te nemen, terwijl Sancho II bij bul van paus Innocentius IV (1243-1254) wordt afgezet. Sancho’s politiek gericht tegen de verwerving van nog meer land door de kerk schijnt aan zijn afzetting te hebben bijgedragen. Als Afonso begin 1246 naar Lissabon gaat, ontvangt hij de steun van de kerk en van de inwoners van Lissabon en andere steden. Na een burgeroorlog, die twee jaren duurt, en waarbij de hoofdstad Coimbra Sancho II tot diens dood trouw blijft, trekt Sancho II zich terug in Toledo, waar hij in 1248 sterft.

3.3. Afonso III (1248-1279); versterking van de koninklijke macht

Categorieën
Portugees kolonialisme

Afonso II (1211-1223); geschillen met kerk en adel. De Reconquista voltooid; versterking van de koninklijke macht

Deel 1 Index

Hoofdstuk 3

De Reconquista voltooid; versterking van de koninklijke macht

3.1 Afonso II (1211-1223); geschillen met kerk en adel

Geschreven door Arnold van Wickeren

Afonso II, bijgenaamd `O Gordo’ (De Dikke) is tijdens zijn jeugd vaak ziek geweest en hij is niet in staat aan militaire operaties deel te nemen. Portugese ridders nemen ten tijde van Afonso echter wel degelijk deel aan de strijd tegen de moslims. Zij geven hiermee gevolg aan de oproep van paus Innocentius III het kruis op te nemen tegen de ongelovigen. De strijd tegen de moslims krijgt, in tegenstelling tot voorheen, steeds meer het karakter van een kruistocht. In de eerste helft van de 11e eeuw was er sprake van vreedzame coëxistentie tussen het christelijke noorden en het veel grotere islamitische zuiden van het Iberisch schiereiland. Christenen en moslims onderhielden economische en culturele betrekkingen, die gebaseerd waren op wederzijds respect. Er waren ook vele persoonlijke contacten en christelijke koningen traden om redenen van staatsraison in het huwelijk met dochters van moslimvorsten. De hervatting van de strijd rond 1080 door Alfonso VI van Castilië werd ingegeven door de mogelijkheid het grondgebied van Castilië uit te breiden, na het uiteenvallen in taifa’s van het kalifaat van Kūrtuba. De strijd had bepaald niet het karakter van een heilige oorlog. De kentering komt met de oproep tot de eerste kruistocht van paus Urbanus II in 1095. Niet alleen het Heilige Land dient bevrijd te worden van de Turken, maar het Iberisch schiereiland moet eveneens verlost worden van het juk van de moslims. Deze oproep wordt honderd jaar later door Innocentius III herhaald. Ook bisschop Gilbert van Lissabon heeft reeds in 1151 in Portugal de kruistocht tegen de moslims op het Iberisch schiereiland gepredikt. In de 13e eeuw zal de Portugese geestelijkheid de Portugese ridders nog een aantal keren oproepen ook aan de kruistochten naar het Heilige Land deel te nemen.

Het denkbeeld de Reconquista als een kruistocht op te vatten, wint aan kracht door de hulp die kruisvaarders de Portugezen reeds tot vijfmaal toe hebben verleend. Ook aan de kant van de moslims is sprake van een mentaliteits-verandering. De Almoraviden en Almohaden zijn fanatiekere moslims dan hun voorgangers. Bovendien wordt de weerstand van de moslims feller naarmate zij meer in de verdediging worden gedrongen en voor hun existentie moeten vechten. Alfonso VIII van Castilië besluit, aangemoedigd door de in zijn ogen tanende macht van de Almohaden, de Reconquista te hervatten. Op 20 juni 1212 verlaat hij zijn hoofdstad Toledo aan het hoofd van een legermacht, bestaande uit ridders afkomstig uit Castilië, Léon, Aragón en Navarra, aangevuld met Franse en Portugese kruisridders. Hij trekt op tegen de Almohadische kalief Abū Abd Allāh Muhāmmed (1199-1213), bijgenaamd `al-Nasir’. Op 16 juli 1212 behaalt hij bij Las Navas de Tolosa een klinkende overwinning, waarmee hij zijn grote nederlaag bij Alarcós in 1195 wreekt. Alfonso kan zijn overwinning niet uitbuiten. Hij moet zijn veldtocht afbreken, omdat zijn voorraden zijn uitgeput en in zijn leger bovendien de pest is uitgebroken. Ondanks hun nederlaag bij Las Navas de Tolosa zijn de Almohaden in al-Gharb nog zo sterk, dat Afonso II niet veel terreinwinst op hen kan boeken. De enige overwinning die de Portugezen tijdens de regering van Afonso II op de moslims behalen is de verovering van al-Kasr Abū Dānis (Alcácer do Sal). Deze stad aan de Rio Sado valt in 1217 in hun handen, dankzij de hulp van een vloot van kruisvaarders (vijfde kruistocht), die de Portugezen voor de zesde maal hulp bieden.

Afonso verzet zich ertegen dat zijn vader omvangrijke bezittingen heeft vermaakt aan zijn broers, terwijl hij om het erfdeel van zijn zusters een oorlog voert met Léon. Hij aanvaardt tenslotte deze erfenis, in een door de Heilige Stoel voorgestelde vorm, die in belangrijke mate aan zijn wensen tegemoet komt, en pas nadat paus Honorius III (1216-1227) hem als soeverein heeft erkend. In de eerste jaren van zijn regeringsperiode heeft Afonso de cortes te Coimbra in vergadering bijeengeroepen. Slechts vertegenwoordigers van de adel en de hoge geestelijkheid zijn uitgenodigd. Aan beide standen doet Afonso aanzienlijke concessies; in feite is de positie van de kerk en van de ridderorden nu zo sterk dat de kroon wel verwikkeld moet raken in voortdurende conflicten met Rome en met de adel. De adel is verre van homogeen, maar valt uiteen in steeds wisselende elkaar bestrijdende facties. Afonso II is de eerste monarch die het waagt de kerk te trotseren. Hij vaardigt een wet uit, die kerkelijke instituties verbiedt het omvangrijke grondbezit van de kerk nog verder door aankopen uit te breiden. Het is overigens de eerste maal dat een Portugese koning zulk een wet uitvaardigdt. In zijn laatste jaren heeft Afonso onenigheid met de bisschop van Braga, die gesteund wordt door paus Honorius III. Afonso trotseert de paus, wat hem op excommunicatie komt te staan.

Vooral in Minho bestaat veel onduidelijkheid over de eigendom van landerijen en opstallen. Aanvankelijk gaven de vorsten in feodaal Europa, als tegenprestatie voor door de adel verleende militaire of civiele diensten, lenen uit die bij het overlijden van de begiftigde niet op zijn erfgenamen overgaan, maar weer aan de leenheer toevallen. Zulk een blijk van koninklijke waardering heet in Portugal préstamos. In de 13e eeuw waait uit Frankrijk en Engeland een systeem over waarbij het leen vanzelfsprekend niet mag worden vervreemd of verdeeld, maar wel over gaat op de oudste zoon van de leenman. Ook bij deze vorm, morgadios geheten, behoudt de koning een zeker aantal rechten op het leen. In belangrijke juridische zaken heeft hij het laatste woord; ook kan hij inter-veniëren bij vererving. In de overgangsperiode van het ene op het andere systeem zijn vele als préstamos uitgegeven lenen vererfd, zonder dat de koning hierin expliciet heeft toegestemd. Afonso richt vanaf 1220 inquirições, (koninklijke commissies) op die eigendoms-titels en de rechtmatigheid van privileges moeten onderzoeken. Doel is te ontdekken wat onrechtmatig door de adel en de kerk van de kroon verkregen is. De inquirições hebben nog weinig resultaten opgeleverd als Afonso in maart 1223 aan lepra overlijdt. Hij wordt opgevolgd door zijn zoon Sancho. De aartsbisschop van Braga weigert Afonso een kerkelijke begrafenis, zolang er geen overeen-komst is bereikt over de rechten van de kerk. In juni 1223 geeft de kanselier toe aan alle verlangens van de kerk, zoals het respecteren van het Canonieke Recht en het betalen van schadeloosstellingen voor de confiscatie van niet rechtmatig door de kerk verkregen eigendommen.

3.2. Sancho II (1223-1246); de Reconquista bijna voltooid

Categorieën
Portugees kolonialisme

Sancho I (1185-1211); de strijd tegen de Almohaden. De Reconquista voltooid; versterking van de koninklijke macht

Deel 1 Index

Hoofdstuk 3

De Reconquista voltooid; versterking van de koninklijke macht

3.0 Sancho I (1185-1211); de strijd tegen de Almohaden

Geschreven door Arnold van Wickeren

Sancho is 31 jaar oud als hij zijn vader Afonso I opvolgt. Hij is goed voorbereid op het koningschap, omdat Afonso zijn zoon reeds vanaf zijn 16e jaar bij de staatszaken heeft betrokken en geleidelijk aan het bestuur van het land aan hem heeft overgelaten. Evenals Afonso I verleent Sancho I privileges aan nieuwe nederzettingen. In de provincie Beira worden de oude steden Covilhã, Guarda en Idanha opnieuw gesticht. Sancho verleent deze steden, alsmede de nieuw gestichte dorpen (concelhos), waaronder die in het zeer dun bevolkte Trás-os-Montes een zekere mate van zelfbestuur. De rechten van deze concelhos worden vastgelegd in oorkonden of forais. De nieuw gestichte concelhos oefenen, zoals bedoeld, aantrekkingskracht uit op mensen uit het meer feodale Minho. Zij worden bovendien bevolkt met horigen, die daarmee hun vrijheid verkrijgen, alsmede door uit de gevangenis ontslagen christenen, die eveneens vrij man zullen zijn, nadat zij een jaar in een concelho hebben gewoond. Bovendien genieten zij die zich in een nieuwe concelho vestigen, bepaalde belastingvoordelen. Tegenover deze voordelen staan ook nadelen. Zo moeten de concelhos in het zuiden defensieverplichtingen op zich nemen. De grondbezittende burgers worden verplicht zich van een paard en wapens te voorzien en zij worden als cavaleiros-vilãos bij de verdediging van het land ingeschakeld. Minder vermogende burgers moeten het land als voetvolk (peões) verdedigen.

Cavaleiros-vilãos en peões dienen wellicht ook deel te nemen aan overvallen (fossados) op moslim-gebied. De in de veroverde gebieden achtergebleven islamieten worden niet verdreven; ook zij krijgen bepaalde rechten, hetgeen niet wegneemt dat velen van hen in slavernij geraken. Tegen het einde van de 12e eeuw ontstaan er politieke contacten met andere West-Europese landen zoals Frankrijk, Vlaanderen en Engeland. In 1184 huwt een dochter van Afonso Henriques, de infanta Teresa, met graaf Philippe van Vlaanderen en daarna (1194) met hertog Eudes III van Bourgondië. In 1199 zendt de Engelse koning John (1199-1216), die de geschiedenis zal ingaan als Jan zonder Land, een gezant om over zijn huwelijk met een van de dochters van Sancho te onderhandelen, terwijl Sancho’s zoon Fernando rond 1211 in het huwelijk treedt met gravin Jeanne van Vlaanderen. Met de politieke banden nemen ook de handelscontacten toe. Portugese handelaren bereiken tegen het einde van de 12e eeuw de Britse eilanden en Ierland. In Londen komen zij in contact met het hof. De Engelse koningen verlenen de Portugezen talrijke privileges en waarborgen hun veiligheid. In ruil hiervoor vestigen zich Portugese kooplieden in Bordeaux, waar zij aan de Engelse koningen geld lenen voor hun strijd op Franse bodem. Er vestigen zich, op verzoek van gezanten van de Portugese koning, honderden buitenlanders, vooral Duitsers in de veroverde gebieden.

Tijdens het bewind van Sancho I vindt er een nieuwe gevechts-ronde met de moslims plaats. De Portugezen hebben veel te lijden van moorse zeerovers. Zij zijn er daarom meer op gebrand de havensteden in het zuiden, van waaruit de piraten opereren te veroveren dan terreinwinst in het achterland te boeken. Een goede mogelijkheid doet zich voor als in Lissabon een vloot van kruis-vaarders binnenloopt. Zij zijn, na de verovering van Jeruzalem in 1187, op de terugweg naar huis. Sancho verovert met hun hulp na zware strijd op 3 september 1189 Shilb (Silves). De inwoners, 20 of 30.000 in getal, krijgen een vrije aftocht en trekken naar Ishbiliya (Sevilla). De kruisvaarders plunderen huizen en winkels in zo’n grote wanorde, dat Sancho hen naar hun schepen terugdrijft. Kalief al-Mansūr laat het verlies van Shilb niet over zijn kant gaan en besluit wraak te nemen. Op 1 mei 1190 landt een leger van de Almohaden in Tabira (Tavira). Al-Mansūr sluit een wapenstilstand met Alfonso VIII van Castilië en met zijn rivaal Alfonso IX van Léon (1188-1230). De verhouding tussen deze staten is slecht, omdat Alfonso IX niet de suzereiniteit van de koning van Castilië over Léon aanvaardt en weigert Alfonso VIII in zijn strijd tegen de Almohaden te ondersteunen. Hiermee laat Alfonso IX de verdenking op zich een vriend en bondgenoot van de moslims te zijn. In 1197 zal paus Coelestinus III (1191-1198) zelfs een bul het licht doen zien, waarin hij degenen die een oorlog tegen Alfonso IX beginnen een volle aflaat belooft. Al-Mansūr heeft, dankzij zijn wapenstilstand met Castilië en León, zijn handen vrij om tegen de Portugal op te treden. Hij zendt zijn vloot naar Silves, dat hij belegert, terwijl zijn leger plunderend en brandschattend optrekt naar het noorden. Hij steekt de Taag over en valt Estremadura binnen en bereikt Torras Novas. Dan arriveert de Engelse koning Richard Leeuwenhart (1189-1199), op weg naar het Heilige Land, in Lissabon. Honderd kruisridders toegevoegd aan de verdediging van Silves en 500 aan die van Santarém zijn voldoende om de Almohaden te verhinderen deze plaatsen in te nemen. De tempeliers slagen erin Tomar te behouden. In april 1191 verlaat al-Mansūr met zijn hoofdmacht Ishbiliya (Sevilla) en voegt zich bij zijn schepen in Alcácer do Sal (al-Kasr Abū Dānis). Op 10 juni valt de stad in zijn handen. Daarna wordt Palmela met de grond gelijk gemaakt en Almada verwoest. Op 27 juni zijn de Almohaden bij Silves, dat zich in juli overgeeft. Afgezien van Évora, is het gehele gebied ten zuiden van de Taag weer in handen van de moslims. Op 19 juli 1195 behaalt al-Mansūr bij Alarcós (ten zuiden van Toledo) een zeer grote overwinning op Alfonso VIII van Castilië en twee jaar later slaagt Sancho er ondanks de hulp van kruisridders niet in Silves te heroveren.

In zijn latere jaren is Sancho I met paus Innocentius III (1198-1216) verwikkeld in een geschil over de betaling van schatting aan de Heilige Stoel. Sancho ligt ook overhoop met de bisschop van Porto, die de steun heeft van Innocentius III. De vrede wordt echter getekend voordat Sancho I in 1211 sterft. Het is aan zijn zoon Afonso te trachten de macht van de kroon te versterken ten koste van die van de kerk. Sancho heeft tijdens zijn leven grote rijkdom vergaard. Hij laat aan zijn kinderen, maar ook aan steden, instellingen, kloosters, kerken en zelfs aan enkele bevriende adellijke families, bezittingen na met een gezamenlijke waarde van een miljoen morabitinos. De buitensporige omvang van de erfdelen die Sancho aan de broers en zussen van troonopvolger Afonso nalaat, zal door deze worden aangevochten, hetgeen tot grote onrust in het land zal leiden.

3.1. Afonso II (1211-1223); geschillen met kerk en adel

Categorieën
Portugees kolonialisme

Afonso Henriques als veroveraar. Van moslimoverheersing tot onafhankelijk koninkrijk

Deel 1 Index

Hoofdstuk 2

Van moslimoverheersing tot onafhankelijk koninkrijk

2.3 Afonso Henriques als veroveraar

Geschreven door Arnold van Wickeren

Het begin van een nieuwe ronde in de Reconquista wordt gemarkeerd door de verovering van Sarakūsta (Zaragoza), de hoofdstad van het gelijknamige moslim-koninkrijk. De stad valt in 1118 in handen van Alfonso I van Aragón (1104-1134), wiens bijnaam `Le Batailleur’ luidt. Gebruikmakend van een plaatselijke opstand in Kūrtuba (Córdoba), zet Alfonso zijn opmars voort. Na een overwinning bij Cutanda dringt hij door in gebieden ten zuiden van de Ebro, waardoor grote aantallen mozarabische boeren en handwerkslieden in het koninkrijk Aragón worden opgenomen. Bovendien wijken vele gearabiseerde joden uit naar christelijk gebied, omdat het bewind van de Almoraviden voor hen ondraaglijk is geworden. In 1120 verkondigt Ibn Tūmart een nieuwe, mystieke, vorm van de islam. Hij roept zichzelf een jaar later uit tot Mahdi (geestelijk en militair leider). Zijn fundamentalistische volgelingen, al-Muwahhidūn of Almohaden, komen in opstand tegen de heer-schappij van de Almoraviden en stichten in het Atlasgebergte een Berberstaat. Onder leiding van Ibn Tūmart en vanaf 1130 onder zijn opvolger Abd al-Mu’min onderwerpen de Almohaden de Magreb. In 1147 valt Marrakech, de hoofdstad van de Almoraviden, in hun handen. De Almohaden stichten een nieuw kalifaat met hoofdstad Marrakech, naast de bestaande kalifaten Bagdad en Cairo. Ongeveer tezelfdertijd steken de Almohaden over naar het Iberisch schiereiland, dat evenals Noord-Afrika, onder de Almohaden een periode van ongekende welvaart en culturele bloei tegemoet gaat.

Terwijl de Almoraviden zich in Noord-Afrika tegen de aanvallen van de Almohaden moeten verdedigen, zetten de christelijke staten op het Iberisch schiereiland vanaf 1130 hun Reconquista door. In het westen doet Afonso Henriques, vanuit zijn nieuwe hoofdstad Coimbra, invallen in moslimgebied. In 1135 bouwt hij een kasteel bij Leiria, een sterke offensieve en defensieve positie, nadat hij al eerder dat jaar het Castelo de Celmes heeft gebouwd. Maar in 1137 moet hij het kasteel van Leiria alweer prijsgeven. De krijgskansen keren voortdurend en twee jaar later dringt Afonso Henriques honderden kilometers door in vijandelijk gebied. Aan de bovenloop van de Rio Sado verslaat hij op 25 juli 1139 bij Ourique met een paar honderd ruiters een strijdmacht van de Almoraviden. Deze overwinning zo diep in vijandelijk gebied is natuurlijk een huzarenstuk, maar heeft verder weinig militaire betekenis. Afonso Henriques, die zich na zijn overwinning bij Ourique koning (Afonso I) noemt, kan niet anders dan zich terugtrekken naar eigen gebied. In het jaar daarop veroveren de moslims Leiria en doet Afonso Henriques een vergeefse poging Lissabon in te nemen. In 1144 vallen de moslims het kasteel van Soure aan.

In de 10e eeuw is onder de moslims vanuit Perzië het `soefisme’ opgekomen. Het soefisme is de benaming voor de voorstanders van een meer ascetische richting in de islam, een pantheïstische extaseleer welke het hoogste geluk belooft in een vereniging met God. Het is in essentie een manier van denken en voelen op religieus gebied. Deze mystieke stroming is een reactie op het intellectualisme en formalisme dat de islam in die tijd kenmerkt. In de 12e eeuw verzetten de aanhangers van het soefisme zich tegen de autoriteit en het centralisme van de Almoravidische kaliefen van Kūrtuba. In 1144 komt, Abū-I-Kāsim al-Husaym ben Kasī, gouverneur van Mārtula (Mértola) en een soefi, gesteund door een groot deel van de bevolking, in opstand tegen kalief Tāsfudin ben Alī Yūsuf (1143-1145). Afonso Henriques steunt in 1145 de opstandeling, omdat de onderlinge strijd tussen zijn vijanden in zijn belang is. Ben Kasī vindt medestanders in de gouverneurs van Yābura (Évora), Bāja (Beja) en Shilb (Silves). De rebellie verspreidt zich naar al-Ushbūna en Shantarin, maar de rebellen falen in hun pogingen Ishbiliya en Kūrtuba in te nemen. Desondanks gaat de gehele al-Gharb (Algarve) verloren voor de Almoraviden. Het gebied valt uiteen in taifa-rijkjes. Daarna ontstaat er grote rivaliteit tussen de rebellenleiders onderling, waardoor al-Gharb in staat van burger-oorlog geraakt.

De Almohadische leider Abd al-Mu’min tracht door het zenden van troepen van de politieke chaos op het Iberisch schiereiland te profiteren. De Almoraviden, onder leiding van kalief Ishāq ben Ali (1145-1147), weten zich echter aanvankelijk in al-Andalus redelijk te handhaven, maar al-Gharb gaat aan de Almohaden verloren. Als hun strijdmacht na hun verovering van al-Gharb in Mārtula over-wintert, wordt daar het bericht ontvangen dat Alfonso VII van Léon en Castilië tegen Ishbiliya optrekt. Afonso Henriques maakt van de moeilijkheden waarin de moslims verkeren gebruik om, met behulp van tempelridders uit Soure, op 15 maart 1147 de stad Shantarin (Santarém) in te nemen. Op 25 oktober 1147 verovert hij met behulp van Engelse, Franse, Duitse en Vlaamse kruisridders die, deel-nemend aan de tweede kruistocht, op weg zijn naar het Heilige Land, ook al-Ushbūna. De stad valt na een beleg van 17 weken in handen van de christenen. Deze richten onder de bewoners van al-Ushbūna een waar bloedbad aan, waarbij zij weinig onderscheid maken tussen christenen en moslims. Zo wordt de `bisschop’ van de stad die, tezamen met een delegatie van andere christelijke en islamitische leiders, clementie bepleit ook door de kruisvaarders vermoord. De overblijvende moslims krijgen een vrije aftocht en veraten tegelijk met al-Ushbūna ook al-Ma’din (Almada) op de zuidoever van de Taag. De Almohaden trekken zich terug op Al-Kasr Abū Dānis (Alcácer do Sal) en Yābura (Évora). Hierdoor vallen Afonso Henriques ook de stad Shintara (Sintra) en het fort van Palmela bij Shatūbr (Setúbal) in handen. De Almohaden, die in 1147 de Almoraviden als heersers over het gehele islamitische zuiden van het Schiereiland zijn opgevolgd, krijgen ook te maken met opstanden. Ben Kasī stelt zich opnieuw aan het hoofd van een opstandige beweging. Hij wordt vermoord, omdat hij een verbond heeft gesloten met de christenen. Hierna wordt de opstand neer-geslagen. In 1156 breekt weer een rebellie uit en pas in 1157 hebben de Almohaden het hun nog resterende deel van al-Gharb gepacificeerd.

Afonso Henriques benoemt Pedro Viegas tot gouverneur van het veroverde Lissabon en de Engelse priester, Gilbert van Hastings (Dom Gilberto), wordt de eerste bisschop van het nieuw gestichte diocees Lissabon. Ook andere kruisvaarders vestigen zich in de omgeving van Lissabon, waar ze voor hun verleende diensten met landerijen beloond worden. Afonso Henriques legt op 21 november in Lissabon de eerste steen van het Mosteiro de São Vicente de Fora.

Na de jongste veroveringen is de Taag de grens geworden tussen christenen en moslims. De in 1119 door Hugo van Payns in Jeruzalem gestichte en in 1128 door Bernardus van Clairvaux hervormde militaire Orde van de Tempeliers heeft een taak bij de verdediging van de grens. In het midden van de 12e eeuw komen ook de hospitaalridders naar Portugal. Deze orde is reeds in 1048 gesticht, maar is in 1118 door Raymond du Puy omgevormd tot een militaire orde die het christendom moet beschermen tegen de opdringende Saracenen. Omstreeks 1170 worden er in Castilië twee nieuwe militaire orden gesticht: de Orde van Calatrava en de Orde van Santiago. Al deze orden hebben tot taak het land van de christenen te bevrijden van de Saracenen. Daartoe dienen zij over eigen inkomsten te beschikken. Afonso Henriques schenkt de tempeliers het grootste deel van Beira Baixa en een uitgebreid gebied tussen de Mondego en de Taag. De orde verdedigt haar territoria vanuit kastelen, zoals het kasteel Cera. Hier sticht meester Gualdim Pais in 1162 de stad Tomar en begint met de bouw van wat later het `Convento de Cristo’ gaat heten.

Andere kastelen van de tempeliers zijn die van Almourol, Zêzere en Idanha. De hospitaalridders ontvangen een klein gebied in Alto Alentejo, alsmede territoria aan de bovenloop van de Taag en ten oosten van de Guadiana. De Orde van Calatrava (later Orde van Aviz genoemd naar het belangrijkste kasteel) krijgt het grootste deel van Alto Alentejo en de Orde van Santiago ontvangt bijna geheel Baixo Alentejo, het schiereiland Setúbal en belangrijke delen van de Algarve. Ook de niet-militaire orden en de kerk ontvangen hun aandeel van de veroverde gebieden. De cisterciënzers krijgen uitgebreide bezittingen in Beira Litoral en Estremadura. De kanunniken van Sint Augustinus, vooral die van het Mosteiro de Santa Cruz1 in Coimbra en van het Mosteiro de São Vicente in Lissabon, ontvangen uitgestrekte grondstukken binnen en buiten de steden waar zij gevestigd zijn. De franciscanen, de dominicanen en de kathedralen worden op dezelfde wijze bedacht. In de te bevolken nieuw veroverde gebieden zijn cisterciënzermonniken verantwoordelijk voor de invoering van landbouw en architectuur. Beroemd is het Mosteiro van de cisterciënzers in Alcobaça, dat Afonso Henriques, met behulp van de monniken van Cluny, in 1148 heeft gesticht. Kerk en klooster zijn gebouwd tussen 1172 en 1252. Andere beroemde heiligdommen uit de 12e eeuw zijn, naast de al genoemde kerken in Tomar, de Santa Cruz in Coimbra en de São Vicente in Lissabon, ook de São Francisco en Santa Clara in Santarém, de Santa Clara in Coimbra en de São Francisco in Lissabon.

De opstanden in al-Gharb tegen de heerschappij van de Almohaden zijn voor Afonso Henriques een uitnodiging de strijd met kracht voort te zetten. Op 24 juni 1158 valt Al-Kasr Abū Dānis (Alcácer do Sal), gelegen aan de Rio Sado, waartegen hij in 1148, 1151 en 1157 ook al aanvallen heeft gericht, in zijn handen. Troepen uit Santarém, onder leiding van Fernão Gonçalves, bestormen in 1162 met succes Bāja (Beja), dat in 1159 reeds tweemaal ingenomen is. Een plaatselijke leider en avonturier, Geraldo Geraldes, bijgenaamd O Sem Pavor (`Zonder Vrees’), verovert in 1165 en 1166 de steden Trujillo en Cáceres in het huidige Spaanse Extremadura. In 1165 neemt hij Yābura (Évora), dat in 1159 al korte tijd in handen van de christenen is geweest, In 1166 verovert Afonso Henriques Shirba (Serpa) en vallen ook de steden Yālbash (Elvas), Julumāniya (Juromenha), Maura (Moura) en andere in christelijke handen. In 1168 verovert Geraldo Geraldes zelfs een deel van Batalyāws (Badajoz). Bij een tegenoffensief van de moslims gaan alle in de jaren zestig veroverde plaatsen met uitzondering van Évora weer aan hen verloren, maar het jaar daarop worden zij opnieuw door de Portugezen veroverd. Het ziet ernaar uit dat geheel al-Gharb spoedig in handen van de Afonso Henriques zal vallen.

Fernando II van Léon, die reeds in mei 1158 met Sancho III van Castilië een verbond heeft gesloten met het oogmerk Portugal onder Léon en Castilië te verdelen, ziet de vorderingen van Afonso Henriques bij de verovering van al-Gharb met lede ogen aan. Hij is van mening dat de Portugezen daarbij gebied veroveren dat Léon toekomt. Nadat Sancho nog hetzelfde jaar gestorven is, sluit Afonso Henriques in 1160 vrede met Fernando, als resultaat van de Conferentie van Cellanova. Deze wordt in 1165 bezegeld door het huwelijk van Fernando met Urraca, een dochter van Afonso Henriques. Dit alles weerhoudt Fernando er niet van nog hetzelfde jaar het tegen Afonso Henriques gerichte kasteel van Ciudad Rodrigo te bouwen. De 12-jarige troonpretendent Sancho valt in 1166 dit kasteel aan, maar Fernando II verwoest de sterkte (in aanbouw) zelf. Afonso Henriques valt Galicië binnen en verovert daarvan een groot deel. Fernando sluit in 1168 een tegen Afonso Henriques gericht bondgenootschap met de Almohadische kalief Abū Ya’qūb Yūsuf I, bijgenaamd `al-Shahid’. De verenigde strijdmacht van Léon en Kūrtuba vormt voor Afonso Henriques en Geraldo Geraldes geen beletsel in 1169 de eerder veroverde, maar weer verloren gegane steden opnieuw in te nemen en Afonso Henriques doet zelfs een aanval op Batalyāws (Badajoz). Een gevoelig verlies voor de Portugezen in dat jaar is het overlijden van Gonçalo Mendes da Maia, een dapper aanvoerder in de strijd tegen de moslims. Bij de bestorming van de citadel van Bāja (Beja) breekt Afonso Henriques door een val van zijn paard zijn been. Hierop neemt Fernando hem gevangen. Eerst als Afonso Henriques hem beloofd heeft alle kastelen liggend ten oosten van Alentejo en ten noorden van de Rio Minho te ontruimen, laat Fernando hem vrij. Afonso Henriques, niet meer in staat een paard te berijden, keert naar het noorden terug, om nooit meer op het slagveld te verschijnen. De moslims krijgen daardoor de tijd hun wonden te likken en een nieuwe sterkere verdediging op te bouwen. In 1171 doen de moslims een aanval op Santarém; zij omsingelen de stad, maar worden verslagen.

Na afloop van de in 1173 met de moslims gesloten wapenstilstand voor vijf jaar, onderneemt Afonso Henriques’ zoon en opvolger Sancho, die al op 15 augustus 1170 in Coimbra de ridderslag heeft ontvangen en sinds 1173 door zijn vader bij het bestuur van het land wordt betrokken, een militaire actie in moslimgebied. Zijn troepen dringen door tot ver in al-Andalus en verwoesten zelfs Triana, op de rechteroever van de Guadalquivir tegenover Ishbiliya. Portugese militaire successen ten oosten van de Rio Guadiana zijn wellicht mede aanleiding voor Alfonso II van Aragón (1162-1196) en Alfonso VIII van Castilië (1158-1214) in 1179 het verdrag van Cazorla te sluiten. Hierin wordt bepaald welke nog te veroveren moslimgebieden aan Aragón en welke aan Castilië zullen toevallen. Voorlopig heeft het Verdrag van Cazorla weinig betekenis, want de Almohaden zullen als eersten het initiatief nemen.

Het grote Almohadische tegenoffensief, het laatste dat de moslims op het Iberisch schiereiland ondernemen, begint onder kalief Abū Ya’qūb Yūsuf I `al-Shahid’ (1163-1184), en zal onder diens opvolger Abū Ya’qūb Yūsuf II `al-Mansūr’ (1184-1199) worden voortgezet. Aanleiding hiervoor is de veldtocht van de Portugese kroonprins in al-Andalus, die in 1179 het moslimleger dat Beja omsingelt, vernietigt. Ofschoon het slechts om een raid ging, voelt al-Shadid, die in 1172 Ishbiliya veroverd heeft, zich sterk genoeg om terug te slaan. Hij verdrijft in de jaren 1179-1184 de Portugezen uit de gebieden ten zuiden van de Taag en belegert Santarém. Fernando II van Léon komt nu de Portugezen te hulp. Hij dwingt de Almohaden zich terug te trekken tot over de Taag. Afonso Henriques schenkt Lissabon zijn wapenschild, nadat hij de hoofdstad zes jaar eerder al een bijzondere gunst heeft verleend. Hij heeft in 1173 het stoffelijk overschot van São Vicente laten overbrengen van de naar deze heilige genoemde kaap naar de kathedraal van Lissabon, welke stad nog steeds bloot staat aan het gevaar te worden aangevallen door de moslims. In 1180 vernietigt Dom Fuas Roupinho een moslimleger dat een aanval op Lissabon in de zin heeft. In hetzelfde jaar belegeren zij Santarém en worden ook daar verslagen. In 1184 valt kalief Abū Ya’qūb Yūsuf I `al-Shahid’ opnieuw Santarém aan, waarbij hij sneuvelt. De Portugezen zullen nog heel wat te stellen krijgen met zijn opvolger Abū Ya’qūb Yūsuf II `al-Mansūr’ (1184-1199) Als Afonso I op 6 december 1185 in Coimbra sterft en zijn zoon Sancho, als Sancho I de troon bestijgt, vormt de Taag de vaste grens tussen christenen en moslims en zal dat een halve eeuw blijven.

3.0. Sancho I (1185-1211); strijd tegen de Almohaden

1 dat in 1132 door Afonso Henriques is gesticht

Categorieën
Portugees kolonialisme

Van graafschap naar koninkrijk. Van moslimoverheersing tot onafhankelijk koninkrijk

Deel 1 Index

Hoofdstuk 2

Van moslimoverheersing tot onafhankelijk koninkrijk

2.2 Van graafschap naar koninkrijk

Geschreven door Arnold van Wickeren

Van groot belang voor het ontstaan van Portugal als een onafhan-kelijk koninkrijk, is de pretentie van Alfonso VI, koning van Léon, Castilië, Galicië en Portucale, zichzelf `keizer’ te noemen. Slechts een keizer kan koningen tot vazal hebben. Hij voert nu en dan de keizerstitel, omdat hij zich beschouwt als theoretische erfgenaam van de Visigotische heersers. Op 26 november 1095 roept paus Urbanus II (1088-1099) tijdens het Concilie van Clermont-Ferrand de christenheid op het kruis op te nemen om de Turken uit het Heilige Land te verdrijven. De oproep wekt zoveel geestdrift de islam te bestrijden dat Franse ridders en voetvolk naar het Iberisch schiereiland komen om de christelijke koningen uit het noorden te ondersteunen in hun strijd tegen de Almoraviden. Hiermee is een ontwikkeling in gang gezet die uiteindelijk zal leiden tot een onafhankelijk koninkrijk Portugal. Eén van de Franse ridders is Raymond, de vierde zoon van Guillaume I, hertog van Bourgondië. Koningin Constance, en de Orde van Cluny arrangeren in 1090 een huwelijk tussen Raymond van Bourgondië en Urraca, de enige wettige dochter van Alfonso VI en diens tweede vrouw Constance van Bourgondië. Raymond, die te zijnertijd de troon van León en Castilië zal erven, wordt in afwachting daarvan in 1093 door zijn schoonvader belast met het bestuur (tenentia) over Galicië. Raymond bestrijdt met succes de moslims; nog in 1093 trekt hij in triomf Shantarin (Santarém) en al-Ushbūna (Lissabon) binnen. Raymond verwerft in 1094 ook het bestuur over al het gebied tussen de rivieren Minho en Mondego. Om de door veroveringen toegenomen macht van zijn schoonzoon in te perken, besluit Alfonso in 1096 of 1097 het bestuur over al het gebied tussen de Mondego en de Minho, maar niet de veroveringen tussen de Mondego en de Taag, op te dragen aan een ander.

Deze ander is zijn nieuwe schoonzoon, graaf Henri van Bourgondië (1057-1114), die genoegen heeft moeten nemen met de hand van Tarasia of Teresa (1075-1130), de onwettige, maar favoriete dochter van Alfonso VI en zijn concubine Jimena Muñoz. Henri, die in 1087 naar Portugal is gekomen en in 1095 met Tarasia in het huwelijk is getreden, is niet de eerste de beste; hij is de broer van hertog Eudes (Odo) I van Bourgondië en van abt Hugo van Cluny en een neef van Raymond. Dona Tarasia laat zich `koningin’ noemen, een titel waarop zij als koningsdochter overigens recht heeft. Graaf Henrique da Borgonda en `koningin’ Tarasia hebben hun hof in Guimarães. In 1096 verlenen Dom Henrique en de Infante Dona Teresa de inwoners van Guimarães hun eerste foral.1 Hun zoon en erfgenaam is Afonso Henriques (1111-1185), de toekomstige eerste koning van Portugal. Voor het zover is, doen zich nog tal van verwikkelingen voor.

Als Alfonso VI tegen de zestig loopt, schenkt zijn concubine Zaida, dochter van al-Mu’tamid, koning van de taifa Ishbiliya hem een zoon, Sancho genaamd. Als Sancho zeven jaar is, besluit Alfonso dat hij de troon van Léon en Castilië zal erven, in plaats van zijn schoonzoon Raymond. Dit voornemen alarmeert vanzelfsprekend Raymond en Urraca. Zij roepen de hulp in van neef Henrique en halfzus Tarasia om de aanspraken van Raymond op de troon van Castilië en León te ondersteunen. De op macht beluste Henrique zegt hulp toe, in ruil voor de taifa Tulāytula (Toledo), of anders Galicië, als Toledo in handen van de Almoraviden zou blijven. Raymond sterft reeds het jaar daarop (1107), Sancho wordt in 1108 gedood en Alfonso overlijdt op 1 juli 1109. Urraca erft de troon van Léon en Castilië, maar kan niet de titel keizerin voeren, omdat de keizerstitel is voorbehouden aan een man. Voorts is bepaald dat haar zoon Alfonso Raimundez koning van Galicië zal worden zodra Urraca hertrouwt. Als Urraca in 1109 met Alfonso I van Aragón in het huwelijk treedt, is dit aanleiding voor het uitbreken van een burger-oorlog, waarin Aragonese, Léonese, Castiliaanse en Galicische edelen elkaar tot de dood van Urraca in 1126 bestrijden. De Galicische adel kiest voor Alfonso Raimundez. Henrique kiest formeel geen partij, maar verzaakt zijn feodale plichten tegenover Uracca, ofschoon hij nooit openlijk rebelleert. Henrique ondersteunt het streven van de aartsbisschop van Braga naar een afzonderlijke kerkprovincie Galicië en Lusitanië, omdat een kerkelijke afsplitsing van Toledo, de zelfstandigheid van zijn graafschap Portugal bevordert. Vroeg in de 12e eeuw begint de bouw van de kathedraal in Braga, die met zijn lengte van 187 en een breedte van 49 meter de pretenties van Braga onderstreept.

Henrique overlijdt op 1 mei 1114 in Astorga; hij wordt opgevolgd door zijn weduwe, Dona Teresa, die het graafschap Portugal in de geest van haar man bestuurt. Als gouverneur van de driejarige Afonso Henriques treedt op de edelman en patriot Egas Moniz, Senhor van Ribadouro, die een voortreffelijke invloed op zijn pupil zal hebben. In 1115 ontbiedt Urraca haar halfzuster naar Oviedo en zes jaar later wordt Tarasia gedwongen Urraca trouw te zweren. Haar leger wordt zelfs aangevallen en verslagen door troepen van Urraca. Alfonso Raimundez volgt zijn moeder Urraca na haar dood op, als `keizer’ Alfonso VII (1126-1157) van Léon en Castilië. In 1127 onderneemt hij een korte campagne tegen zijn tante Tarasia, om haar aan haar feodale plichten te herinneren. Afonso Henriques, die al op 7 juni 1125 in de kathedraal van Zamora door of op instigatie van Egas Moniz tot ridder is geslagen, is dan achttien jaar oud en verdedigt Guimarães tegen de troepen van Alfonso. Als hij de stad na zes weken dreigt te moeten overgeven, begeeft Egas Moniz zich naar het vijandelijke kamp en belooft Alfonso VII dat Afonso Henriques spoedig schatting2 zal betalen. Voor de `keizer’ is deze belofte aanleiding het beleg op te heffen. Vervolgens stelt hij zich aan het hoofd van een strijdmacht van Portugese edelen die de voortdurende intriges van Tarasia en haar Galicische gunsteling Fernando Peres van Trava beu zijn. Als Tarasia en Fernando Peres op 24 juni 1128 Braga willen innemen, worden zij bij São Mamede3, in de nabijheid van Guimarães, door Afonso Henriques verslagen. Zij worden gevangengenomen en in ballingschap naar Galicië gezonden. Daar overlijdt Tarasia twee jaar later.

Afonso Henriques bestuurt daarna het graafschap Portucale, omvattende het gebied tussen de Rio Minho en de Rio Mondego en in 1128 geeft hij de inwoners van Guimarães zijn eerste foral. De omvang van het graafschap bedraagt bijna 34.000 km², hetgeen voor middeleeuwse begrippen geen klein land is. Portugal is in velerlei opzichten ook een homogeen land. Dit geldt voor klimaat, vegetatie, bodemgesteldheid, vorm van de nederzettingen, geloof en landeigendom. De inwoners kennen ook dezelfde politieke en bestuurlijke tradities en spreken dezelfde taal. Het land vertoont voldoende samenhang om van buiten komende bedreigingen het hoofd te bieden. Daarom en omdat Portugal over de mogelijkheden beschikt tot expansie is het een land met toekomst. De omvang van de bevolking bedraagt ongeveer 400.000 zielen. De bisdommen Braga en Porto hebben ieder circa 100.000 inwoners. Nog eens 100.000 mensen wonen ten noorden van Braga en het overige kwart van de bevolking leeft verspreid over de rest van het land. Het gebied tussen Douro en Mondego en Trás-os-Montes zijn schaars bevolkt; het eerste omdat het strijdgebied is en het tweede wegens ongunstige natuurlijke omstandigheden. Braga is, met tegen de 5.000 inwoners de grootste stad, op de voet gevolgd door Coimbra. De steden Porto en Chaves zijn kleiner. De overige plaatsen zijn niet meer dan dorpen. De meeste mensen wonen echter buiten de steden en dorpen in uit de Romeinse tijd stammende villae en nieuwe nederzettingen, aangeduid als Vila Nova en Aldeia Nova. Het grondgebied van sommige villae is bij vererving zo versnipperd geraakt dat de boeren, die vaak de status van lijfeigene hebben, nog nauwelijks van de opbrengst van de door hen bewerkte grond kunnen leven. Het meeste land is eigendom van de kerk, in het bijzonder van de nog in aanbouw zijnde kathedraal of 4 van Braga, alsmede van de Sés van Coimbra en Porto en van klooster-orden. Naarmate een groter gebied blijvend veroverd wordt, zullen ook Sés gebouwd worden in de bisdommen Lissabon, Viseu, Lamego, Guarda, Évora en tenslotte in Silves. De Sés van Braga, Coimbra en Lissabon zijn groot, de overige zijn vaak aanzienlijk kleiner. Het is voor een arm en klein land een enorme prestatie binnen een tijdsbestek van ongeveer een eeuw zoveel imposante kathedralen te bouwen. De meeste godshuizen zijn romaans en hebben het aanzien van kastelen en worden in tijden van strijd ook als zodanig gebruikt. De later gebouwde in Évora is een mengvorm tussen romaans en gotiek en de als laatste gebouwde Sé van Silves is een zuiver gotisch monument. In Portugal zijn verschillende kloosterorden werkzaam; eerst is dit alleen de orde van de benedictijnen, maar in 1143 komen de cisterciënzers ook naar Portugal. Vroeg in de 13e eeuw volgen de nieuwe orden van dominicanen en franciscanen. Zij zullen spoedig de benedictijnen en cisterciënzers in rijkdom en macht overtreffen. De koning komt als landbezitter direct na de kerk, terwijl edelen eveneens land in eigendom hebben.

In Minho werken op de van Léon afhankelijke grote landgoederen van de oude aristocratie voornamelijk lijfeigenen of horigen. Naast horigen zijn er ook vrije boeren, bestaande uit pachtboeren (foreiros) en boeren die land in eigendom bezitten (herdadores). De laatsten zijn de notabelen van het dorp (concelho). Zijn de opbrengsten van het land voldoende om een paard en bijbehorende bewapening aan te schaffen, dan worden zij aangeduid als cavaleiros-vilãos. Is dat niet het geval dan vallen zij in de militaire categorie van peões (voetvolk). De Portugese maatschappij kent ook slaven: het zijn in de strijd gevangengenomen moslims. De sociale structuur van de bevolking is gebaseerd op de typische feodale vormen van eigendom en op wat het land oplevert. Geheel bovenaan staat de edelman. Hij woont op en bestuurt zijn landgoed (honra), beslist over geschillen en legt straffen op. Het opleggen van de doodstraf en het bij wijze van straf amputeren van ledematen is echter aan de koning voorbehouden. De horigen, die het land van hun heer bewerken of diens vee hoeden, kunnen zich alleen door de vlucht aan hun lot onttrekken. Aan de andere kant kan een heer zich niet van horigen ontdoen door hen eenvoudig weg te zenden als hun werkkracht te wensen overlaat. Horigen dienen hun heer jaarlijks een deel van de opbrengst van het land af te staan en daarnaast enkele dagen per jaar herendiensten te verrichten. Onder malados, afgeleid van muwalladūn (bekeerd), werden aanvankelijk verstaan christenen die onder de moslimoverheersing tot de islam waren overgegaan. Later worden met de term malados aangeduid lieden, die zich, in ruil voor het verrichten van herendiensten, hebben toevertrouwd aan een beschermheer. In de huishouding (paço) van de heer werken ook horigen. Zij ontvangen, in ruil voor hun diensten, voeding, kleding en onderdak. Naast vrije boeren zijn er ook ambachtslieden en personen werkzaam in de huishouding die niet de status van horige hebben. Hun banden met de heer berusten op een contract. Deze juniores kunnen eigendommen bezitten. Zij mogen zich vestigen in een naburig dorp (concelho), maar zij genieten geen volledige bewegingsvrijheid. In de 11e en 12e eeuw ontstaat er een klasse van nieuwe adel. Deze bestaat uit immigranten uit Léon, Castilië, Frankrijk en Noord-Europa. Zij hebben zich in de strijd tegen de moren onderscheiden. Tezamen met niet meer dan honderd boeren die zelf land bezitten, zijn dit de ricos-homens. De oude landadel bestaat uit drie geledingen: infanções (lage adel), cavaleiros (ridders) en excudeiros (landjonkers). Vele zonen van de lage adel dienen de ricos-homens als vazallen of dienaren. De geestelijkheid is afkomstig uit alle klassen van de maatschappij. Bisschoppen, abten en grootmeesters van militaire orden zijn van adel; de lagere geestelijkheid is afkomstig uit de lagere standen, zelfs uit die van de horigen.

De belangrijkste economische activiteit is de veeteelt. In de vrucht-bare gebieden worden vooral runderen en paarden gehouden, in de minder vruchtbare streken bestaat het vee uit schapen en geiten. Daarnaast wordt graan verbouwd (tarwe en gierst in de kuststreken en rogge en gerst meer landinwaarts). Er vindt wijnbouw plaats; er zijn boomgaarden (vooral appels) en er wordt vlas aangeplant voor de vervaardiging van linnen. Tenslotte is de visvangst van belang. De Portugese economie heeft een plaatselijk karakter. Iedere villa of groep van villae is zelfvoorzienend. Op locaal niveau is vooral sprake van ruilhandel, maar daarnaast circuleert er ook geld. Er zijn gouden morabitinos, een verbastering van al-Murābitūn (het geld van de Almoraviden), naast zilveren Portugese munten (dinheiros). Door deze dubbele standaard is er handel mogelijk met de nabuur-staten Batalyāws en Léon. Markten zijn er niet, met uitzondering van de jaarmarkt in Ponte di Lima, die reeds vóór 1125 bestaat. In de steden en bij kastelen wonen kleine groepen handelaren, maar overigens kent Portugal geen middenklasse in de vorm van een burgerij. Van handelsvaart is aan het begin van de 12e eeuw nog in het geheel geen sprake, maar in de loop van deze eeuw ontstaan, door de komst van de kruisvaarders, de eerste contacten met Frankrijk, maar ook met Vlaanderen en Engeland. Bestuurlijk is Portugal verdeeld in terras of territórios, die bestuurd worden door een tenente. Ten noorden van de Douro zijn er veertig, ten zuiden daarvan dertig. Aanvankelijk zijn er drie bisdommen: Braga, Porto en Coimbra; de overige diocesen worden vanaf het midden van de 12e eeuw hersteld of gesticht. De bisdommen zijn verdeeld in aartsdiakonaten, die veelal samenvallen met een terra. De kleinste religieuze eenheid is de parochie (freguesia). In gevallen waarin een edelman de bevolking van een villa minder bescherming kan bieden of zijn aanzien als symbool van welvaart en autoriteit taant, wordt de parochiepriester de eigenlijke leider van de villa. De graaf, later koning, laat zich adviseren door de opperbevelhebber van het leger (alferes-mór), het hoofd van de koninklijke huishouding (mordomo) en de koninklijk zegelbewaarder (chanceler). Tezamen met de leden van de koninklijke familie vormen zij de koninklijke raad (curia regis), die tevens als rechtbank fungeert. Bij belangrijke aangelegenheden wordt advies gevraagd aan meerdere personen: bisschoppen en abten van kloosters, alsmede leiders van de adel en grootmeesters van de militaire orden treden als adviseurs op.

Van 1128 tot 1137 rebelleert Afonso Henriques vrijwel voortdurend tegen Alfonso VII; hij maakt aanspraken op meer gebied dan het graafschap Portugal omvat en valt in 1130, 1134 en 1137 Galicië binnen. Na dat jaar slag te hebben geleverd bij Cerneja, wordt op 4 juli 1137 de Vrede van Tuy gesloten. Maar bovenal begeert Afonso Henriques de koningstitel. Dit laatste verlangen is niet irreëel; in 1028 hebben de Castiliaanse edelen voor graaf García Sanchez de koningstitel verkregen van de koning van Léon. Sancho III van Navarra heeft in 1035 het kleine Pyreneeën-graafschap Aragón tot koninkrijk verheven, toen hij het naliet aan zijn derde zoon Ramiro. Ook het kleine Navarra, dat vanaf 1076 bestuurd werd door de kroon van Aragón en in 1134 zijn onafhankelijkheid heeft herkregen, is een koninkrijk geworden, toen de Navarrezen hun heerser García V `de Restaurateur’ tot koning uitriepen. Tenslotte heeft koning Alfonso VII van Léon en Castilië zich in 1135 in de cortes van Léon plechtig tot keizer geproclameerd en een keizer dient koningen tot vazallen te hebben. Alfonso VII verzet zich dan ook niet tegen de aanspraken van Afonso Henriques, omdat deze zijn eigen prestige verhogen. Ofschoon Afonso Henriques zich in 1137 bij de Vrede van Tuy aan Alfonso VII heeft onderworpen, valt hij drie jaar later Galicië binnen. Alfonso vergeldt deze daad, door op zijn beurt Portugal binnen te vallen. Afonso Henriques schijnt zich dan al `koning’ te noemen. Hij voert deze titel nadat hij op 25 juli 1139 bij Ourique zijn eerste overwinning op de moren heeft behaald. Het jaar daarop valt hij opnieuw Galicië binnen, maar bij een ontmoeting met Alfonso VII in Valdevez belooft hij de wapens niet meer tegen zijn leenheer te zullen opnemen.

In 1143 arriveert kardinaal Guido da Vico, diaken van Sãos Cosme e Damiano, als afgezant van paus Coelestinus II (1143-1144) op het Iberisch schiereiland. In Zamora bemiddelt hij op 4 en 5 oktober met succes tussen Alfonso en Afonso Henriques. Alfonso VII gaat akkoord met de koningstitel van Afonso Henriques, terwijl deze hem onvoorwaardelijke militaire steun belooft. Daarmee is Portugal nog geen onafhankelijk land, maar het is wel een grote stap voorwaarts.

Vervolgens tracht Afonso Henriques Portugal als een koninkrijk en zichzelf als koning te doen erkennen door de paus. Hij biedt in 1143 aan leenman van de paus te worden en hij belooft, in ruil voor bescherming door de Heilige Stoel, jaarlijks vier ounces goud te betalen. Hij bevestigt zijn aanbod in een brief van 13 december 1143 aan paus Coelestinus II. De feodale onderwerping van Afonso Henriques aan de Heilige Stoel is een verraderlijke handeling tegenover zijn eigenlijke leenheer, Alfonso VII. De nieuwe paus, Lucius II (1144-1145), aanvaardt Afonso Henriques’ leenmanschap en belooft hem inderdaad bescherming. Een grote tegenvaller voor Afonso Henriques is, dat Lucius II hem niet betitelt als rex, maar slechts als dux Portugalensium. Bovendien duidt de paus Portugal slechts aan als terra en niet als regnum.

In 1146 knoopt Afonso Henriques opnieuw banden aan met Bourgondië. Hij treedt in het huwelijk met Dona Matilde, dochter van Amadeu II, graaf van Savoie en Mauriana. Zij zal hem in 1154 de troonopvolger Sancho5 schenken. Als Alfonso VII in 1157 overlijdt, valt zijn rijk uiteen. Hij heeft voordien zijn koninkrijk verdeeld onder zijn twee zonen. Fernando bestijgt als Fernando II (1157-1188) de troon van Léon en Galicië en Sancho gaat als Sancho III (1157-1158) Castilië regeren. De twee koninkrijken zullen tot 1230 gescheiden blijven, waarbij Castilië onder Alfonso VIII (1158-1214) Léon gaat overvleugelen. Bij de scheiding van Léon en Castilië gaat de keizerstitel verloren. Onder deze omstandigheden voelt Afonso Henriques zich de gelijke van Fernando II en Sancho III. Het jaar 1157 is opnieuw een belangrijke stap op weg naar een definitieve afscheiding van Portugal. Het kost Afonso Henriques 35 jaar, vele belangrijke privileges aan de kerk, een bedrag ineens van duizend ounces goud en een verviervoudiging van de jaarlijkse schatting, die daarmee op 320.000 reais komt, om de paus zover te brengen dat hij Portugal ondubbelzinnig als een koninkrijk erkent. Eerst in de bul Manifestis probatum van 23 mei 1179 zal paus Alexander III (1159-1181) Portugal als een koninkrijk aanduiden, waarbij de aanspraken op de gebieden die op de moslims veroverd zijn, door de Heilige Stoel worden erkend. De vertaling6 van de bul luidt als volgt:: Alexander, Bisschop, dienaar der dienaren Gods, aan de dierbare broeder in Christus, Afonso, de illustere koning der Portugezen, en aan zijn erfgenamen voor altijd. Zonneklaar is aangetoond dat gij, als goede zoon en katholiek vorst talrijke diensten hebt verleend aan uw moeder, de Heilige Kerk, door onversaagd en met koppige volharding en militaire heldendaden de vijanden van de naam van Christus te verdelgen en daarbij met grote ijver het christelijk geloof verbreidt en aldus hebt gij aan toekomstige generaties een waardige herinnering en een prijzenswaardig voorbeeld om na te volgen gegeven. De Apostolische Stoel dient te beminnen met oprechte genegenheid en te trachten de gerechtvaardigde verzoeken dergenen die de Goddelijke Voorzienigheid heeft uitverkoren tot regeren en verlossing van het volk. Daarom stellen wij u, lettende op de deugden van wijsheid, rechtvaardigheid en bekwaamheid van bestuur, die uw persoon kenmerken, onder de bescherming van Sint Petrus en onder die van ons en staan wij toe en bevestigen wij met apostolisch gezag uw verheven bestuur over het koninkrijk Portugal met alle eer van (een) koninkrijk en de waardigheid die vorsten toekomt, alsook over alle plaatsen die u met behulp der hemelse genade zult ontwringen aan het gezag der Saracenen, en waarop de omringende christelijke heersers geen aanspraak zullen kunnen maken. En opdat uw vroomheid en dienstbaarheid aan de prins der apostelen, Sint Petrus en de Heilige Kerk van Rome, nog aanzienlijk moge toenemen, besluiten wij dezelfde gunst te velenen aan uw erfgenamen en wij zeggen u toe haar, met Gods hulp, te verdedigen, voorzover dat in het vermogen ligt van ons apostolisch ambt. Gaat dus door, dierbare zoon, u zodanig nederig en toegewijd aan de eer en dienstbaarheid van uw moeder, de Heilige Roomse Kerk te betonen en u te wijden aan de verdediging van zijn belangen en het geloof in Christus zo zeer te verbreiden, dat deze Apostolische Stoel zich over zijn vrome en roemrijke zoon kan verheugen, en zijn toegenegenheid niet in twijfel trekt. Als teken dat genoemd koninkrijk toebehoort aan Sint Petrus, hebt gij bepaald als bewijs van de grootste eerbied jaarlijks aan ons en aan onze opvolgers twee goudmarken te betalen. U zult er dus voor zorgen dat u en uw opvolgers – pro tempore – aan de Aartsbisschop van Braga het bedrag overhandigen dat ons en onze opvolgers toekomt. Wij bepalen derhalve dat niemand op legitieme basis met geweld mag optreden tegen uw persoon en die van uw erfopvolgers, alsmede het genoemde koninkrijk, noch ontvreemden wat het toekomt, of – ontvreemd zijnde – het te behouden, te onteigenen, of te bezwaren. Als in de toekomst enige kerkelijke of wereldlijke persoon voornemens is doelbewust in te gaan tegen dat wat wij beschikken in deze bepaling en ook na een tweede of derde aanmaning geen ordentelijke genoegdoening verschaft zal hem de waardigheid van zijn ambt en eer ontnomen worden; dient hij te beseffen dat hij God rekenschap zal moeten afleggen voor het begaan van zulk een zonde; zal hij niet ter communie mogen gaan en het allerheiligste lichaam en bloed van Jezus Christus, onze Goddelijke Heer en Zaligmaker, mogen ontvangen; en zal hem zelfs in het uur van zijn dood deze straf niet worden kwijtgescholden. Allen, evenwel, die de regels van vermeld koninkrijk en zijn koning eerbiedigen, worde de vrede van onze Heer Jezus Christus deelachtig, opdat zij in deze wereld de vruchten van goede werken kunnen plukken en voor de hoogste rechter de beloning van de eeuwige vrede zullen ontvangen. Amen. Amen. Ik Alexander, bisschop van de Katholieke Kerk. Gegeven in het Latijn, middels de hand van Alberto, Kardinaal presbyter en Kanselier van de Heilige Roomse Kerk, de 10 van de calendas van juni, openbaarmaking XI, jaar 1179 van de Vleeswording van de Heer, jaar van het Pontificaat van Paus Alexander III (23 mei 1179).

Afonso Henriques, die na de pauselijke erkenning formeel gerechtigd is zich `koning’ Afonso I van Portugal te noemen, is de stichter van de eerste Portugese dynastie: Afonsina geheten.

  1. De foral is aan de ene kant een opsomming van economische activiteiten waarvoor belasting moet worden betaald (twaalf dinheiros voor een balkon waar vlees wordt verkocht en de helft bij verkoop van boter; twaalf dinheiros op een last aangevoerd per paard, de helft bij aanvoer per ezel en daarvan de helft als een voetganger de last heeft getorst. Ook worden er in de foral straffen afgekondigd (op het trekken van wapens, op bloedvergieten en vechten, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen gesloten en open vuisten.

  1. Als Afonso Henriques de belofte van zijn vroegere gouverneur niet nakomt, begeeft zich Egas Moniz zich als man van eer met zijn hele gezin naar het hof in Toledo, om zich aan de genade van Alfonso VI te onderwerpen. Alfonso VI schenkt hem uiteindelijk vergiffenis en verheft hem in de adelstand voor zijn sublieme houding tegenover zijn vaderland.

  2. De Slag bij São Mamede – misschien niet meer dan een tournooi – markeert de dag waarop Portugal een natie werd.

  1. een samentrekking van Sedes Episcopalis

  1. Het huwelijk van Afonso Henriques en Matilde van Savoie brengt zeven kinderen voort: Dom Sancho, die de troon erft; Dona Urrica, die huwt met D. Fernando II van Leon (1165); Dona Mafalda die verloofd is met Alfonso II van Aragón als zij in 1155 sterft; Dona Teresa die in het huwelijk treedt met Filipe I, graaf van Vlaanderen; Henrique, Joao en Dona Sancha. Behalve deze zeven wettige kinderen heeft Afonso Henriques vier buiten-echtelijke kinderen: Fernando Afonso die alfares-mor van het koninkrijk wordt; Pedro Afonso die Meester van de Orde van Rhodos wordt; Teresa Afonso die huwt met Fernando Martins, heer van Braganca en Urraca Afonso, vrouw van Pedro Afonso Viegas, kleinzoon van Egas Moniz. Al deze kinderen van Afonso Henriques trouwen op latere leeftijd, zelfs met 35 jaar. Van de elf kinderen zijn er vijf van het mannelijk geslacht en zes van de vrouwelijke sekse.

  2. De Bula ‘Manifestis probatum’ is door Barroso da Fonte ‘mais ou menos’ vertaald in eigentijds Portugees. Dr. B.N. Teensma is zo vriendelijk geweest mijn vertaling daarvan te beoordelen, waarvoor ik hem dankzeg. Zijn voorstellen zijn vrijwel integraal door mij overgenomen.

2.3. Afonso Henriques als veroveraar

Notes:

1 De ‘foral’ is aan de ene kant een opsomming van economische activiteiten waarvoor belasting moet worden betaald (twaalf dinheiros voor een balkon waar vlees wordt verkocht en de helft bij verkoop van boter; twaalf dinheiros op een last aangevoerd per paard, de helft bij aanvoer per ezel en daarvan de helft als een voetganger de last heeft getorst. Ook worden er in de foral straffen afgekondigd (op het trekken van wapens, op bloedvergieten en vechten, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen gesloten en open vuisten.

2 Als Afonso Henriques de belofte van zijn vroegere gouverneur niet nakomt, begeeft zich Egas Moniz zich als man van eer met zijn hele gezin naar het hof in Toledo, om zich aan de genade van Alfonso VI te onderwerpen. Alfonso VI schenkt hem uiteindelijk vergiffenis en verheft hem in de adelstand voor zijn sublieme houding tegenover zijn vaderland.

3 De Slag bij São Mamede – misschien niet meer dan een tournooi – markeert de dag waarop Portugal een natie werd.

4 een samentrekking van Sedes Episcopalis

5 Het huwelijk van Afonso Henriques en Matilde van Savoie brengt zeven kinderen voort: Dom Sancho, die de troon erft; Dona Urrica, die huwt met D. Fernando II van León (1165); Dona Mafalda die verloofd is met Alfonso II van Aragón als zij in 1155 sterft; Dona Teresa die in het huwelijk treedt met Filipe I, graaf van Vlaanderen; Henrique, João en Dona Sancha. Behalve deze zeven wettige kinderen heeft Afonso Henriques vier buiten-echtelijke kinderen: Fernando Afonso die alfares-mór van het koninkrijk wordt; Pedro Afonso die Meester van de Orde van Rhodos wordt; Teresa Afonso die huwt met Fernando Martins, heer van Bragança en Urraca Afonso, vrouw van Pedro Afonso Viegas, kleinzoon van Egas Moniz. Al deze kinderen van Afonso Henriques trouwen op latere leeftijd, zelfs met 35 jaar. Van de elf kinderen zijn er vijf van het mannelijk geslacht en zes van de vrouwelijke sekse.

6 De Bula ‘Manifestis probatum’ is door Barroso da Fonte ‘mais ou menos’ vertaald in eigentijds Portugees. Dr. B.N. Teensma is zo vriendelijk geweest mijn vertaling daarvan te beoordelen, waarvoor ik hem dank zeg. Zijn voorstellen zijn vrijwel integraal door mij overgenomen.

Categorieën
Portugees kolonialisme

Het begin van de Reconquista. Van moslimoverheersing tot onafhankelijk koninkrijk

Deel 1 Index

Hoofdstuk 2

Van moslimoverheersing tot onafhankelijk koninkrijk

2.1 Het begin van de Reconquista

Geschreven door Arnold van Wickeren

Tegen het einde van de 10e eeuw is de strijd tussen christenen en moslims op het Iberisch schiereiland geluwd. Gevechten komen nog sporadisch voor. Bekend is het verhaal van de vechtersbaas Gonçalo Trastemires, die in 1034 het kasteel Montemór, bij Coimbra, weet te veroveren. De burgeroorlog onder de moslims en het ontstaan van vele kleine onderling rivaliserende moslimstaatjes heeft de bedreiging voor de christenen doen verdwijnen, terwijl de economische en culturele betrekkingen tussen moslims en christenen toenemen. In die tijd heeft Fernando I de gelegenheid gehad Léon en Galicië bij Castilië in te lijven. De gegroeide macht van Castilië en de verdeeldheid onder de moslims lijkt de `Reconquista’, de herovering van heel het Iberisch schiereilend op de moslims, tot een bereikbaar doel te maken. Fernando gaat in de aanval en dringt de moslims terug naar het zuiden. Zijn opmars en veroveringen gaan ten koste van Batalyāws (Badajoz). Dit koninkrijk omvat een groot deel van het vroegere Lusitanië en ontleent zijn naam aan zijn hoofdstad, een nieuw gestichte garnizoensstad, die hoe langer hoe meer het oude bestuurscentrum Mārida (Mérida) heeft verdrongen. Een voortdurend conflict tussen Batalyāws en de taifa Ishbiliya (Sevilla) verzwakt de positie van Batalyāws tegenover de christenen. In 1057 verovert Fernando I Lamego en het jaar daarop Viseu op Muhammad ben Abd Allāh al-Muzaffar (1045-1063), een schrijver en een van de meest getalenteerde mannen van zijn tijd.

Op 9 juli 1064 moet Kulūmriyya (Coimbra) zich, na een beleg van zes maanden, overgeven. Fernando voegt de stad niet bij het graafschap Portucale, maar hij sticht op het veroverde grondgebied het graafschap Coimbra. Hij vertrouwt het bestuur daarover toe aan een mozarabische gouverneur, genaamd Sisnand ibn David, na zijn overgang tot het christendom wordt hij Sesnando Davides genoemd. Fernando en later ook zijn zoon Alfonso betrachten een grote mate van tolerantie tegenover de Arabische bevolking van veroverd gebied. Dit leidt ertoe dat er geen uittocht van de Arabische bevolking plaatsvindt, hetgeen ook geldt voor Coimbra. Sesnando Davides zal Coimbra tot zijn dood in 1091 besturen, waarbij hij Fernando en later diens zoon Alfonso trouw dient. Omdat hij geen zoon heeft, wordt hij opgevolgd door zijn schoonzoon, Martim Monis. Aldus ontstaat er in het graafschap Coimbra een erfelijke dynastie.

Fernando I heeft zijn rijk onder zijn zonen verdeeld. Een zoon bestijgt onder de naam Sancho II (1065-1072) de troon van Castilië, een ander wordt koning Alfonso VI (1065-1109) van Léon en de derde zoon García (1065-1071) gaat over Galicië regeren. Nuno Mendes1, een kleinzoon van Mendo Gonçalves (Hermenegildo) bestuurt in naam van koning García van Galicië het graafschap Portucale. Hij komt in opstand tegen García, maar deze slaat in 1071 de rebellie neer en maakt een einde, zowel aan een zekere mate van zelfstandigheid van het graafschap Portucale, dat het meer dan 120 jaar heeft bezeten, als aan de dynastie, die het graafschap gedurende bijna al die jaren bestuurd heeft. Alfonso VI van Léon treedt in tweeërlei opzicht in de voetsporen van zijn vader. Hij verenigt een groot deel van het christelijke noorden van het Iberisch schiereiland en zet de strijd tegen de moslims voort. In 1071 lijft hij Galicië en daarmee Portucale in. Een jaar later verslaat hij zijn broer Sancho II en neemt ook Castilië in zijn rijk op. In feite streeft Alfonso VI naar de restauratie van het Visigotische rijk, ondanks dat hij over niet meer dan het noordwesten van het Iberisch schiereiland heerst. In het noordoosten expandeert een ander christelijk koninkrijk, Aragón. Na zijn stichting in 1035 heeft Aragón eerst zijn macht uitgebreid naar het oosten, door inlijving van de onder Frankische invloed staande graafschappen Sobrarbe en Ribagorza, en in 1076 verovert Sancho Ramírez van Aragón (1063-1094) Pamplona en lijft Navarra in.

Bij zijn streven naar restauratie van het Visigotische rijk, waarin de koning bisschoppen en zelfs abten benoemt, krijgt Alfonso VI te maken met tegenwerking van Cluny. De hervormers van Cluny wensen de kloosters onafhankelijk te maken van de wereldlijke macht en zij willen de Visigotische liturgie vervangen door de universele Romeinse liturgie. Bovendien streven zij naar de suprematie van de paus over koningen en andere wereldlijke leiders. Als abt Hildebrand van Cluny, de kampioen van de pauselijke suprematie, in 1073 tot paus is gekozen, begrijpt Alfonso VI dat hij zijn politiek dient te wijzigen. Dit is mede te danken aan de invloed van zijn vrouw Constance, een oomzegger van abt Hugo van Cluny. Daarna steunt Alfonso VI in Léon de voorstanders van de ideeën van Cluny. Hij vraagt paus Gregorius VII (1073-1085), de vroegere abt Hildebrand, in 1078 hulp bij het invoeren van de Romeinse liturgie. Onder de regering van Alfonso VI keren bisschoppen terug in Braga (1070) en Coimbra (1080). In die tijd vormt het gehele Iberisch schiereiland één kerkprovincie, onder de metropoliet van Toledo. De bisschoppen van Braga betwisten de suprematie van Toledo en streven naar een afzonderlijke kerkprovincie Galicië, onder bestuur van een eigen metropoliet, zijnde de bisschop van Braga. Bisschop Pedro gaat in zijn verzet tegen zijn rivaal in Toledo zo ver, dat hij in 1091 de anti-paus Clemens III (1084-1100) erkent. In 1100 spreekt paus Paschalis II (1099-1118) zich uit voor een aartsbisdom Braga. Een paar jaar later gaat aartsbisschop Geraldo nog een stap verder. Hij claimt niet slechts alle Galicische bisdommen, maar wil dat ook Coimbra, Viseu en Lamego gaan ressorteren onder het aartsbisdom Braga. Deze claim wordt in 1103 door Paschalis II gehonoreerd. Het zal echter nog tot het midden van de 12e eeuw duren, voordat Viseu en Lamego weer bisschopssteden worden. Het diocees Portucale wordt in 1114 hersteld.

Alfonso VI dringt de moslims verder terug naar het zuiden van al-Gharb al-Andalus (West-Andalusië), zijnde al het gebied ten westen en ten noordwesten van de Rio Guadiana en oorspronkelijk ruwweg overeenkomende met het grondgebied van het Romeinse en Visigotische Lusitania. In 1079 moet Umar al-Mutawakkil (1067-1094) van Batalyāws de stad Kūriyya (Coria) opgeven. Daarna stoten de christelijke legers door naar de Taagvlakte. Ook meer naar het oosten op het Iberisch schiereiland drijft Alfonso VI de moren terug. Al-Qadir, de moslimvorst van de steden Tulāytula (Toledo) en Balānsiyya (Valencia), is reeds geruime tijd schatplichtig aan Alfonso VI, in ruil voor bescherming tegen zijn islamitische rivalen. De schatting leidt tot verhoging van de belastingheffing en tot onvrede onder de bewoners van Tulāytula. Deze zijn echter verdeeld over de oplossing. Eén partij zoekt deze in een andere krachtiger moslimvorst; de andere partij staat overgave van de stad aan Alfonso voor. De laatste groepering krijgt de overhand en zo kan Alfonso zonder slag of stoot de oude Visigotische hoofdstad op 6 mei 1085 binnentrekken. Het spreekt voor zich dat het proces van de restauratie, zowel op wereldlijk als op kerkelijk gebied, hierdoor een geweldige impuls krijgt. De christenen vormen een zo ernstige bedreiging voor al-Mutawakkil dat hij hetzelfde doet als zijn tegen-stander van Ishbiliya (Sevilla), namelijk de hulp inroepen van de Almoraviden in Noord-Afrika.

De Almoraviden of al-Murābitūn (oorlogsmonniken), is een samen-gaan van drie Berberstammen, die hun islamitische opvattingen ontlenen aan hun leider Yahyā ibn Ibrāhim en de Marokkaanse theoloog Abd Allāh ibn Yasin. De Almoraviden hebben puriteins opvattingen en verzetten zich tegen de in hun ogen te uitbundige ornamentalistische kunst van de Omayyaden. Onder Abū Bakr al-Lamtūni (1054-1061) en Yūsuf ibn Tāshufin (1061-1106), vestigen zij hun macht in Marokko en West-Algerije. In 1062 wordt Marrakech hun nieuwe hoofdstad. In 1076 ondernemen de Almoraviden een expeditie naar het machtige koninkrijk Ghana, dat zich uitstrekt over het zuidoosten van het huidige Mauretanië en het zuidwesten van tegenwoordige Mali. De macht van Ghana is gebaseerd op de winning en ruil van grote hoeveelheden goud. Het goud, veelal stofgoud, wordt door Berbers en andere stammen verkregen in ruil voor onder meer zout en koraal. Het wordt langs karavaanwegen dwars door de Sahara naar de steden aan de kusten van Noord-Afrika gebracht. Dit zogenoemde Soedanese goud wordt in veel steden van Marokko aangemunt en voorziet in de behoefte aan geld in Noord-Afrika en andere gebieden, waaronder het Iberisch schier-eiland. Veel goud bereikt ook Egypte en via dat land Aden. In deze stad worden xerafins geslagen, die in het gebied van de Rode Zee en de Indische Oceaan circuleren. Sidjilmassa en Teghazza leveren aan Ghana zout, blauwe parels en koperen ringen. Bij deze handel komen de Berberhandelaren de aanbieders van het goud nooit te zien, terwijl ook de vindplaatsen geheim worden gehouden. De expeditie van de Almoraviden leidt ertoe dat de goudhandel verge-makkelijkt wordt en dat de invloed van de islam wordt uitgebreid. De Almoravidische leider Yūsuf ibn Tāshufin neemt de titel amīr al-muslimīn (leider van de moslims) aan, maar blijft schatting betalen aan de Abbassidische kalief, de amīr al-mu’minīn (leider van de gelovigen) in Bagdad. Yūsuf ibn Tāshufin komt in 1085 de in het nauw gedreven moslimstaten op het Iberisch schiereiland te hulp. Hij verovert het kalifaat van Kūrtuba nog voor Alfonso VI Toledo binnentrekt. Op 23 oktober 1086 verslaan de Almoraviden Alfonso in de Slag van Zallaka, bij Badajoz. Zij maken zich daarna op om het gehele moorse zuiden van het Schiereiland te verenigen. Dit is nu niet precies wat koning al-Mutawakkil van Batalyāws zich van de bijstand van zijn geloofsgenoten heeft voorgesteld. Hij roept thans Alfonso te hulp, in ruil waarvoor hij de steden Shantarin (Santarém) en al-Ushbūna (Lissabon) in 1093 aan hem overdraagt. Yūsuf ibn Tāshufin maakt tussen 1092 en 1094 korte metten met de aspiraties van de islamitische vorsten van de taifa’s. Hij zet ook al-Mutawakkil af en herovert in 1094 al-Ushbūna. Yūsuf moet echter in het oosten een tegenslag incasseren. De inwoners van Valencia staan onder bescherming van de edelman Rodrigo Diaz de Vivar, die van koning Alfonso voor zich en voor zijn erfgenamen zoveel gebied op de moren mag veroveren als hij kan. De Valencianen komen in oktober 1092 in opstand tegen hun zwakke moslim-vorst Al-Qadir, evenals zes jaar daarvoor de inwoners van Toledo hebben gedaan. Zij willen hun stad overdragen aan de Almoraviden. Diaz de Vivar kan dit echter voorkomen. Na een belegering van twintig maanden geeft Valencia zich op 17 juni 1094 aan hem gewonnen. Hij betoont zich zeer tolerant tegenover de overwonnen moren en behandelt hen met respect. Deze geven hem daarom de bijnaam El Cid (de heer). Aan deze Spaanse nationale held wordt bijna vijftig jaar later het epos Cantar de mio Cid opgedragen. Nadat de Almoraviden hun macht op het Schiereiland geconsolideerd hebben, rekenen zij ook af met Valencia. De stad valt in 1102 in hun handen. Onder Alī ibn Yūsuf (1106-1142) lijven de Almoraviden bijna heel het moorse deel van het Iberisch schiereiland bij hun rijk in Noord-Afrika in. Alleen de taifa Sarakūsta (Zaragoza) weerstaat hen en blijft zelfstandig Hierdoor verspreidt de briljante Andalusische islamitische cultuur zich over Noord-Afrika. Al-Andalus gaat met vaste hand geregeerd worden, zij het niet door tolerante en intellectueel begaafde emirs. Er breekt een tijd aan van culturele bloei en economische vooruit-gang. De moslims beheersen thans weer de gehele zuidelijke helft van het Iberisch schiereiland en het ziet ernaar uit dat het daarbij wellicht niet zal blijven. Gebeurtenissen in Noord-Afrika leiden ertoe dat Alī ibn Yūsuf de meeste tijd in Marokko doorbrengt, waardoor de druk op de christenen tijdens zijn bewind bepaald minder groot is dan onder het glorieuze bewind van zijn voorganger. Niettemin her-overen de Almoraviden in 1110 Santarém (Shantarin) en bedreigen de nieuwe christelijke vestigingen ten zuiden van de Rio Mondego.

2.2. Van graafschap naar koninkrijk

1 niet te verwarren met zijn afgezette voorganger Mendo Nunes

Categorieën
Portugees kolonialisme

Het kalifaat der Omayyaden. Van moslimoverheersing tot onafhankelijk koninkrijk

Deel 1 Index

Hoofdstuk 2

Van moslimoverheersing tot onafhankelijk koninkrijk

2.0 Het kalifaat der Omayyaden

Geschreven door Arnold van Wickeren

In 698 verovert de vijfde Omayyadisch kalief Abd al-Malik (685-705) Carthago, waarmee hij de heerschappij van de moslims in Noord-Afrika verstevigt. Onder zijn opvolger, Al-Walid I (705-715), wordt het hoogtepunt van de Omayyadische macht bereikt. Een bood-schap van een verrader, een zekere graaf Julian, is voor Musa, de moslimgouverneur van Noord-Afrika, aanleiding het Iberisch schier-eiland binnen te vallen. Op 9 juli 711 landt Tāriq-ibn Ziyad, gouverneur van Tanger, met een leger van circa 12.000 Berbers vanuit Marokko aan de zuidkust van het Iberisch schiereiland. De markante rots aan de overkant van de Straat van Gibraltar ontvangt de naam Jabal Tāriq, oftewel Berg van Tāriq, later verbasterd tot Gibraltar. De invasiemacht van de Berbers verslaat op 19 juli 711 de Visigotische koning Roderick aan de Río Guadalete bij Jerez de la Frontera. Bij deze slag sneuvelt Roderick. Hiermee ligt het Iberisch schiereiland voor de moslims open. Na versterkingen uit Marokko te hebben ontvangen, veroveren zij nog hetzelfde jaar Corduba. Zij worden in deze stad door de onderdrukte joden als bevrijders verwelkomd. Uit dankbaarheid voor hun hulp stellen de Berbers de joden aan als bewakers van de stad. Vervolgens vallen Granada. Málaga, Sevilla en tenslotte de Visigotische hoofdstad Toledo (712) in handen van de veroveraars. Musa neemt dan zelf het commando op het Iberisch schiereiland over, aanvaardt de overgave van Zaragoza en Barcelona en bereikt in 715 de Pyreneeën. Nadat in juni 713 bij Mérida het enige serieuze Visigotische verzet is ingestort, valt in 715 ook Lissabon in handen van de moslims. Met uitzondering van Galicië, het voormalige Romeinse Gallaecia, is het gehele Schiereiland in vier jaar tijd in de macht van de islamitische veroveraars gevallen.

Aanvankelijk gedragen de moslims zich tolerant tegenover de christelijke bevolking. Na verloop van tijd vermindert de tolerantie, hetgeen de neiging van de christenen, zich niet bij de islamitische overheersing neer te leggen, vergroot. Deze neiging wordt nog meer versterkt doordat in het noordwesten van het Schiereiland, dat de Berbers niet geheel hebben weten te onderwerpen, meer en meer gewapend verzet wordt geboden. De leider van het verzet is Pelayo, vermoedelijk een page of een lid van de lijfwacht van de Visigotische koning Roderic, of van zijn voorganger Witiza of van beiden. Pelayo heeft de slag aan de Rio Guadalete in 711 overleefd en is teruggekeerd naar zijn geboortestreek Asturië, waar hij een opstand leidt tegen de moorse gouverneur Munuza. Hij wordt gevangengenomen en als gijzelaar naar Córdoba gestuurd. Pelayo weet in 717 te ontsnappen en neemt weer de leiding van de opstand op zich. De rebellen worden door de moren de bergen van de Picos de Europa ingedreven, maar in dit moeilijke terrein kunnen zij hevige moorse aanvallen doorstaan, zoals blijkt uit de Slag bij Monte Auseba. De successen van de christelijke guerrillos doet hun aantal toenemen; Asturische patriotten en een stroom van uitgeweken Visigotische edelen sluiten zich bij hen aan. Zij accepteren Pelayo als hun heerser en deze sticht een klein koninkrijkje met Cangas de Onis als hoofdstad en hij regeert over dit rijkje als Pelayo I, koning van Asturië. Terwijl het partizanenleger onder bevel van hun koning zich op de een of andere dag in het voorjaar of de zomer van 722 bij en in de grot van de Heilige Maagd (La Cueva de Nuestra Señora) te Covadonga ophoudt, stellen zich 5.000 à 6.000 moslims, ongeveer de helft van de troepenmacht waarover Munuza beschikt, onder bevel van Alqama, tegenover de grot op. Munuza is echter allerminst op een treffen uit; hij wil zijn troepen sparen voor een verdere opmars tegen de Franken. Vandaar dat hun onderhandelaar, de verradelijke bisschop Oppa, tracht een gevecht te vermijden, maar zijn pogingen in gesprek te komen met Pelayo worden genegeerd. Als de slag is losgebarsten krijgen de christenen al snel de overhand. De strijd ontaard in een bloedbad, waarin Alqama het leven laat en Oppa wordt gevangengenomen. De vluchtweg voor de moren wordt door Pelayo’s troepen versperd. De moren kunnen alleen aan hun achtervolgers ontkomen via de bergen, wat velen het leven kost. Als de nederlaag in Gijon, het bestuurscentrum van de moslims bekend wordt, geeft Munuza de moorse bezetting van Asturië op. Hij koopt zijn eigen veilige aftocht af. Hoewel over de militair-strategische betekenis van de overwinning bij Covadonga verschillend kan worden gedacht, kan het psychologische effect moeilijk worden overschat. Na elf jaar slechts nederlagen te hebben geleden, heeft een christelijk leger voor het eerst de Saracenen weerstaan. De verhalen over en de relicten van Pelayo worden in verband gebracht met het Maria-heiligdom in Covadonga. Hierbij is eerder sprake van legenden dan van feiten. Niettemin ontwikkelen de legenden van Pelayo’s zege op de moren zich tot een belangrijk symbool van christelijke weerstand in de middeleeuwse Spaanse geschiedenis en literatuur. De opmars van de moren in noordelijke richting wordt definitief tot staan gebracht door de Frankische hofmeier Karel Martel, die Aquitanië op verzoek van hertog Eudes te hulp komt. In 732 levert de ruiterij van de Omayyaden, onder aanvoering van Abd al-Rahmān, tussen Tours en Poitiers de gehele dag (17 oktober) slag tegen de Franken, die te voet strijden. De Franken beschikken over een numeriek overwicht wat uiteindelijk de doorslag geeft. Karel Martel weet de overwinning echter niet uit te buiten, omdat de moslims kans zien in de nacht volgend op de Slag bij Poitiers ongemerkt te verdwijnen.

Vanaf 740 verslapt de greep van Saracenen op het Iberisch schiereiland. Een in 739 uitgebroken opstand van de Berbers in Noord-Afrika tegen hun Arabische overheersers verspreidt zich ook over de Berbers op het Schiereiland. Bovendien schijnt het noorden daarvan in de jaren 740 tot 750 te kampen te hebben met een hongersnood. Als gevolg van de opstand en wellicht ook door problemen met de voedselvoorziening van de garnizoenen van de Berbers verkeert een groot aantal steden en kastelen niet in staat van verdediging. Alfonso I van Asturië (739-757), een schoonzoon van Pelayo I, profiteert van de problemen die de moslims het hoofd moeten bieden, door het eerste christelijke tegenoffensief in te zetten. Hij slaagt erin het Schiereiland ten noorden van de Rio Douro/Duero in handen te krijgen. In hoeverre de opstandige Berbers, wellicht daartoe gedwongen door voedselgebrek, zich eigener beweging hebben teruggetrokken, danwel door Alfonso verdreven zijn, is niet bekend. De Berbertroepen die in Galicië en elders ten noorden van de Duero gelegerd zijn, trekken in 741 op naar de door de Omayyaden bezette steden Toledo en Corduba. De tiende Omayyadische kalief, Hisham ibn ‘Abd al-Malik (724-743) zendt vanuit Marokko Arabische troepenversterkingen naar het Schiereiland; zij verslaan de opstan-delingen.

Het zijn niet alleen Berbers die in opstand komen tegen hun Arabische overheersers. Ook andere overwonnen volkeren, zoals de Perzen, Koerden en Turken, verzetten zich. Hun verzet richt zich aanvankelijk tegen het opleggen van de Arabische cultuur in de vorm van de islam en tegen de Arabische taal. Desondanks wordt het Arabisch de overheersende taal in de gehele islamitische wereld, van het Iberisch schiereiland tot de Indus in Voor-Indië. Dit wordt in hoge mate in de hand gewerkt door de studie van de in het Arabisch gestelde koran, die niet vertaald mag worden. Vervolgens ontstaat er een maatschappelijke en economische crisis, omdat de tot de islam bekeerde niet-Arabieren aan dezelfde belastingheffing onderworpen worden als de Arabieren. Tenslotte is sprake van een Arabische kaste van krijgers, die als tegenprestatie vrijgesteld is van belastingheffing, terwijl de niet-Arabische islamitische volkeren vrijgesteld zijn van krijgsdienst, maar wel onderworpen zijn aan belastingheffing. Er ontstaat onder sjiïeten en charidsjieten een beweging die naar gelijkberechtiging met de Arabieren streeft. De Abbasiden, een clan afstammende van al-Abbas, een oom van de Profeet, nemen de leiding van het verzet op zich. Zij weten zich een grote aanhang onder de sjiïetische Perzen te verwerven. Abū Muslem al-Khurasami, een Pers of een Koerd, roept in 750 in Khorasan een opstand uit tegen de dynastie der Ommyyaden. Hij zendt een delegatie, bestaande uit twaalf belangrijke leiders uit Khorasan, naar Abū al-Abbas, het hoofd van de Abbasiden, om hem te vragen het kalifaat op zich te nemen. De opzet slaagt; op 28 november 750 kiest de bevolking van al-Kufa in Mesopotamië, Abū al-Abbas tot kalief van de islam. De opstandelingen brengen de legers van de elfde Omayyadische kalief Merwan II (743-750) een aantal neder-lagen toe. Nadat Merwan in 750 in de Slag aan de Zab (een zijrivier van de Tigris) vernietigend verslagen is, vlucht hij naar Egypte, waar hij wordt vermoord. Daarmee is een einde gekomen aan het in 661 gestichte kalifaat van de Omayyaden. Door de overwinnaars wordt onder de overblijvende Omayyaden een bloedbad aangericht. Alleen Abdul Rahmān al-Dakhal weet hieraan te ontkomen, door tijdig uit te wijken naar het Iberisch schiereiland. Hij sticht in 756 het Omayyadische Emiraat van Kūrtuba (Córdoba), waarover hij regeert onder de naam Abd-al-Rahmān I. De emir, heeft niet alleen rekening te houden met hem vijandig gezinde geloofsgenoten; hij moet zijn rijk ook beschermen tegen aanvallen van de christenen uit het noorden, die de verholen steun genieten van de kalief van Bagdad, Abū Dja’far Abdullah al-Mansūr, kortweg al-Mansūr (`de Zegenrijke’) genaamd. Hij is in 754 zijn broer Abū al-Abbas als kalief opgevolgd. In 762 heeft de tweede Abbasidische kalief al-Mansūr de zetel van het kalifaat verplaatst van de Omayyadische hoofdstad Damascus, naar het nieuw gestichte Bagdad. Hiermee is de leiding van de islamitische wereld overgegaan op de sjiïetische Perzen.

Vanaf rond 750 tot rond 850 voeren christenen en moslims in Galicië en Lusitanië veelvuldig oorlog met elkaar, waarbij de krijgskansen wisselen. Alfonso I, bijgenaamd Alfonso El Católico, van Asturië lijft het door de Berbers verlaten Galicië bij zijn kleine koninkrijk in en neemt in 753 ook Braga in, dat de Berbers hebben prijsgegeven. Voorzover de christelijke bevolking voor de moslim-overheersers de stad ontvlucht is, keert zij daarin terug. Afonso zet zijn opmars voort ten zuiden van de Douro en verovert gebied in Lusitanië ten noorden van Viseu. Bij een veldtocht in 764 heroveren de Berbers terrein op de christenen. Vier jaar later rebelleren zij opnieuw tegen de Omayyaden. Zij bezetten gedurende negen jaar Mérida en andere steden. De emirs van Córdoba beheersen slechts het zuiden en oosten van het Schiereiland. De christenen zullen ongetwijfeld hebben geprofiteerd van de onderlinge verdeeldheid van hun tegenstanders door hun gebied naar het zuiden uit te breiden. In 791 gaan de moslims echter weer in het offensief, nu tegen Alfonso II van Asturië (791-852). De moren weten hun heroveringen niet vast te houden en de christenen winnen opnieuw terrein. Omstreeks 805 schijnt Lissabon enige jaren vrij van islamitische overheersing te zijn geweest, terwijl de Frankische keizer Lodewijk de Vrome (814-840) in 811 de moren terugdrijft tot over de Rio Ebro. Zij moeten Catalonië prijsgeven nadat hun burcht in Tortosa, aan de benedenloop van de Ebro, na een beleg van twee jaren door de Franken is ingenomen.

Gedurende meer dan een eeuw is het grootste deel van Galicië slagveld of op z’n minst frontgebied. De steden worden voor een deel verwoest en de bevolking van het gebied is verarmd en aan de willekeur van plunderende legers overgeleverd. Hun bisschoppen, die ook wereldlijk gezag uitoefenen, zijn naar het koninklijk hof uitgeweken en verblijven daar soms zeer langdurig. Vooral het zuiden van Galicië, tussen de Rio Minho en de Rio Douro heeft zeer veel van de op en neer gaande strijd te lijden. Asturië en Galicië zuchten in 844 ook onder de invallen van de Noormannen. Vanaf het midden van de 9e eeuw verbetert de situatie in Galicië. Koning Alfonso (III) de Grote (866-910), die Asturië omdoopt in Léon, richt het rijk opnieuw in. In Galicië komen twee bestuurscentra: Portucale in het zuiden en Chaves in het noorden. Beide steden worden ook weer zetel van een bisschop. Met het bestuur (tenentia) over Portucale belast Alfonso de edelman Vimara Peres, die de stad in 868 herbouwt. Zij groeit uit tot een belangrijk bestuurscentrum van de gehele streek. De aanstelling van Vimara Peres als bestuurder in Portucale is onmiskenbaar te beschouwen als een stap op weg naar een zelfstandig Portugal. Een van de opvolgers van Vimara Peres als bestuurder in Portucale is Diogo Fernandes, een Castiliaans edelman. Hij is gehuwd met Onega Lucides, dochter van Lucidio Vimaranes en kleindochter van de grote Vimara Peres. De dochter van Diogo Fernandes, Mumadona Dias, huwt in 926 met de zoon van de Galicische graaf Gonçalo, Mendo Gonçalves geheten, maar beter bekend als Hermenegildo. Mumadona volgt haar overleden vader in 928 op. Zij heerst, mogelijk anders dan haar vader, over al het gebied tussen Minho en Douro. De naam van de hoofdstad Portucale hecht zich vanaf 938 aan dit gebied. Mumadona en Hermenegildo zijn de stichters van een grafelijke dynastie, die begint met hun zoon Gonçalo Mendes (950-999). Het gezag van het echtpaar Mumadona-Hermenegildo aan het Léonese hof is groot. Zij oefenen verschillende keren beslissende invloed uit op de staatszaken van Léon. Zo bewerkstelligen zij dat Bermudo II (984-999) de troon van Léon bestijgt. De latere koning Alfonso V van Léon (999-1027) groeit op aan het hof in Portucale. Hermenegildo treedt tot 1008 zelfs op als regent voor de nog minderjarige koning Alfonso V, die bovendien trouwt met een dochter van Mumadona en Hermenegildo.

De restauratie van de bisdommen in Galicië, de ontdekking van de veronderstelde graftombe van Sint-Jacobus en de oprichting van zijn schrijn in Santiago de Compostela sterken het zelfvertrouwen van de christenen. De zuidgrens van hun gebied wordt versterkt. Rond 875 is Galicië niet langer frontgebied; dit lot is dan de gebieden ten zuiden van de Douro beschoren. Ook daar weet Alfonso III successen te boeken. Zijn troepen nemen in 878 de steden Coimbra, Viseu, Lamego en Idanha in. Tegen het einde van de 9e eeuw zijn alle bisschoppen van de diocesen gelegen tussen de Minho en de Mondego teruggekeerd, met uitzondering van de bisschoppen van Braga en Idanha. De successen die Alfonso III in het noordwesten van het Iberisch schiereiland tegen de moren boekt, worden ondersteund doordat de christenen ook elders op het Schiereiland de invloed van de moslims weten terug te dringen. Zo heeft Iñigo Arista reeds in 798, onder Frankische suprematie, rond Pamplona een klein Baskisch rijk gesticht. Onder een van zijn opvolgers, García Iñíguez (860-880), is de dynastie sterk genoeg om het koninkrijk Navarra te stichten en om diplomatieke en familiale banden aan te gaan met Asturië. Koning Sancho Garcés (905-925) slaagt erin het grondgebied van Navarra ten koste van de moslims uit te breiden tot over de Ebro door Nájera en grote delen van La Rioja in te nemen.

Naast Léon en Navarra, is door samenvoeging van een aantal kleine in de 9e eeuw gestichte graafschappen, waarvan de heersers werden benoemd door de koningen van Asturië en Léon, nog een derde christenrijk in het noorden van het Iberisch schiereiland ontstaan, Castilië. De eerste graaf die regeert over heel Castilië is Fernán Gonzáles (932-970). De hoofdstad van het graafschap is Burgos. Hij sticht een erfelijke dynastie en verwerft een zekere mate van onafhankelijkheid van de koningen van Léon. Onder de graven García Fernández (970-1005) en Sancho García (1005-1017) zal het grondgebied van Castilië tot aan de Duero gaan reiken, terwijl de betrekkingen van de graven van Castilië met de koning van Léon dikwijls slecht zijn. De laatste is nog slechts in naam suzerein van Castilië.

Met de troonsbestijging van Abd al-Rahmān III (912-961) staat de moorse heerschappij op het Iberisch schiereiland voor een periode van grote bloei. Hij versterkt de centrale macht van de emir ten koste van de adel. Abd al-Rahmān III tracht zijn invloed uit te breiden over Noord-Afrika. In 929 verheft hij het Omayyadische emiraat Kūrtuba (Córdoba) tot kalifaat. De moslims hebben immer de bestuurlijke onderverdeling van het Iberisch schiereiland in acht genomen en zullen dat ook blijven doen. Zij duiden de districten aan met de naam kuwar. De grenzen van de kuwar vallen in het algemeen samen met die van het vroegere diocees, terwijl dat meestal ontstaan is binnen de grenzen van de Romeinse conventus. Voor de latere grenzen en voor de bestuurlijke inrichting van Portugal is het van grote betekenis dat de grenzen van de districten reeds meer dan duizend jaar ongewijzigd zijn gebleven.

Tegen het midden van de eeuw is de macht van de moren op het Iberisch schiereiland aanzienlijk toegenomen; zozeer zelfs dat zij in hun strijd tegen de christenen het initiatief van hen overnemen. Hun aanvallen brengen nieuwe verwoestingen over het noorden van Lusitanië, die soms vergolden worden met overvallen van de christenen in moslimgebied. Koning Ordoño III van Léon (951-956) plundert in 955 bijvoorbeeld al-Ushbūna (Lissabon). Léon moet zich niet alleen verdedigen tegen aanvallen van de moren, maar even-zeer tegen overvallen van de Vikingen. In 968 verschijnen zij weer in Galicië. Zij doden in een gevecht de bisschop van Santiago de Compostela, maar diens opvolger, de latere Sint-Rudesind, verzamelt de troepen uit de regio en doodt uiteindelijk de Vikingkoning Gundered. Kalief Muhammad ibn Alī Amir (977-1002), bijgenaamd al-Mansūr (`de Zegenrijke’) zet de rivaliserende christenrijkjes in het noorden van het Iberisch schiereiland onder grote druk. Hij onderneemt een aantal verwoestende expedities tegen hen. In 987 plundert hij Coimbra en verplaatst de frontlijn opnieuw naar de Rio Douro. Maar ook ten noorden van deze rivier zijn de christenen niet veilig. Al-Mansūr doet eveneens invallen in het koninkrijk Léon en het graafschap Castilië, waarbij grote verwoestingen worden aangericht. Hij verwoest in 986 de hoofdstad Léon, waarbij hij koning Bermudo II (984-999) op de vlucht jaagt. Hij legt het koninkrijk León een grote schatting op en dwingt het te accepteren dat in Zamora een moors garnizoen gelegerd wordt. In 997 neemt hij het befaamde in Galicië gelegen pelgrimsoord Santiago de Compostela in; de klokken van de basiliek van Sint-Jacobus neemt hij mee naar Kūrtuba. Alleen Navarra weet door een combinatie van diplomatieke handigheid en militaire kracht de machts-ontplooiing van de moslims vrijwel ongehavend te weerstaan.

Kort na de dood van al-Mansūr breekt er in 1008 strijd uit over de troon van Kūrtuba. Dit leidt tot een burgeroorlog onder de moslims. De aanvoerders van de Berbers verslaan de opvolger van al-Mansūr, terwijl de burgers van Kūrtuba in 1031 de republiek uitroepen. Het Omayyadische kalifaat Kūrtuba valt uiteen in vele kleine islamitische rijkjes, taifa’s genaamd. In tegenstelling tot de moslims is er aan de kant van de christenen sprake van bundeling van macht. De Navarrese koning Sancho III (1000-1035) slaagt erin de hegemonie te verwerven over het gehele christelijke noorden van het Iberisch schiereiland. Hij erft in 1029 het graafschap Castilië. Voor zijn overlijden verdeelt Sancho zijn rijk onder zijn drie zonen: Fernando bestijgt onder de naam Fernando I (1035-1065) de troon van Castilië; Ramiro (1035-1063) erft het nieuw gestichte koninkrijk Aragón en de derde zoon wordt koning van Navarra. Fernando I ontpopt zich tot een krachtig heerser en, anders dan zijn vader Sancho, die nooit een zwaard heeft opgenomen, als een echte vechtersbaas. In 1037 verslaat hij de Léonese koning Bermudo III (1027-1037) en twee jaar later laat Fernando (`de Grote’), zich kronen tot koning van Léon. In 1054 verwerft Fernando Galicië, met inbegrip van het graafschap Portucale. Dit graafschap wordt in die tijd bestuurd door Mendo Nunes, een van de opvolgers van Hermenegildo. Mendo Nunes verzet zich tegen de sterk centralistische politiek van Fernando. De koning zet daarop de weerspannige graaf af en benoemt in zijn plaats een aantal functionarissen, die hem direct verantwoording schuldig zijn. Fernando I profiteert ook van het uiteenvallen van het kalifaat van Kūrtuba in 1031 en van de daarna ontstane rivaliteit tussen de verschillende taifa’s. Hij weet zijn invloed uit te breiden tot moslim-gebied. De heersers van de taifa’s van Sarakūsta (Zaragoza), Tulāytula (Toledo), Ishbiliya (Sevilla) en ook van Batalyāws (Badajoz) betalen Fernando schatting (parias) in ruil voor militaire bescherming tegen vijandelijke islamitische of christelijke heersers.

2.1. Het begin van de Reconquista

Categorieën
Portugees kolonialisme

De koninkrijken van Sueven en Visigoten. Het Iberisch schiereiland tot aan de inval van de moslims

Deel 1 Index

Hoofdstuk 1

Het Iberisch schiereiland tot aan de inval van de moslims

1.3 De koninkrijken van Sueven en Visigoten

Geschreven door Arnold van Wickeren

In de 5e eeuw krijgt Hispania invallen van Germaanse stammen te verduren, als onderdeel van de Grote Volksverhuizing. De oorzaken van de Grote Volksverhuizing zijn: wisseling van het klimaat, toename van de bevolking en het daarmee samenhangende gebrek aan land, en zeker niet in de laatste plaats de zucht naar avontuur en krijg. Hoewel al in de 3e eeuw allerlei volkeren op drift zijn geraakt, begint de Grote Volksverhuizing in 375 met de vernietiging van het rijk van de Oostgoten aan de Zwarte Zee door de uit Azië stammende Hunnen. Onder hun dreiging trekken de Oost-Germanen vanuit hun gebied ten oosten van de Elbe naar het westen. De Grote Volksverhuizing zal in 568 eindigen met de vestiging van de Longobarden in de Povlakte. De Romeinse noordgrens bezwijkt in 406 onder druk van de uit Oost-Europa aanstormende Oost-Germaanse volkeren. Zij trekken de Rijn over, nadat Flavius Stilicho zijn legioenen van deze grensrivier teruggetrokken heeft. Onder hen bevinden zich de Vandalen, die door de Goten verdreven zijn uit hun woongebied in het Zevengebergte en in het huidige Slowakije. Ook vele kleine volkeren, waaronder de Quaden en andere, die tezamen worden aangeduid als Sueven (Zwaben) en de Alanen overschrijden de Rijn op weg naar Gallia. In 409 trekken de Alanen en Vandalen de Pyreneeën over en vestigen zich als bondgenoten (foederati) van de Romeinen in Hispania. De Sueven bereiken Gallaecia vanaf 411; zij delen dit gebied met de Alanen. De Vandalen verspreiden zich over een groot gebied en dringen door tot in de provincies Lusitania en Carthago Nova, waarmee zij Hispania gaan bewonen van de Atlantische Oceaan tot aan de Middellandse Zee. Het zeer vruchtbare gebied van de provincie Baetica wordt beheerst door de Silingi, een stam behorend tot de Vandalen.

Bij de Oost-Germaanse stammen die elkaars gebied op het Iberisch schiereiland betwisten, voegt zich in 415 nog een ander Oost-Germaans volk, de Visigoten. Dit volk is door de Hunnen uit zijn woongebied in Dacia aan de Donau over de rivier naar het zuiden verdreven en de Visigoten hebben in 376 van de Oost-Romeinse keizer Valens (364-378) toestemming gekregen zich als foederati binnen zijn rijk te vestigen, maar omdat zij door Romeinse ambtenaren worden uitgeperst, komen zij in opstand. Valens rukt zelf aan het hoofd van een leger uit om de opstand neer te slaan. De keizer lijdt op 9 augustus 378 bij Adrianopel echter een nederlaag, waarbij hij zelf het leven laat. De Visigoten zwerven daarna jaren over de Balkan rond, op zoek naar een geschikte vestigingsplaats. In oktober 382 moeten zij zich op bevel van Valens’ opvolger, Theodosius I, (379-392) neerlaten in de Romeinse provincie Moesia, aan de benedeloop van de Donau. Zij krijgen als foederati land en moeten als tegenprestatie de grens van het Oost-Romeinse Rijk verdedigen. In de jaren dat de Visigoten in Moesia wonen, laten zij zich tot het arianisme bekeren. Onder leiding van hun nieuw gekozen leider Alaric, breken zij in 395 op. Zij trekken naar het zuiden en plunderen Macedonië en Griekenland. In 397 tracht de Oost-Romeinse keizer Flavius Arcadius hen te vergeefs tot bedaren te brengen. In 401 valt Alaric Italië binnen, maar hij wordt op 6 april 402 bij Pollentia (Polenza) verslagen door de bekwame Romeinse generaal Flavius Stilicho en moet het Apennijnse schiereiland verlaten. Het jaar daarop eindigt een inval opnieuw in een nederlaag. In augustus 408 laat de West-Romeinse keizer Flavius Honorius (393-423) zijn generaal Flavius Stilicho gevangennemen en onthoofden nadat hij geloof heeft gehecht aan een vermoedelijk vals gerucht over door hem gepleegt verraad. Nadat een anti-barbaarse partij in Rome aan de macht is gekomen, worden de Romeinse soldaten opgewekt de vrouwen en kinderen te doden van de barbaarse soldaten die in hun rangen dienen. Het gevolg is dat de mannen en vaders van de vermoorde vrouwen en kinderen massaal naar Alaric overlopen. Deze is nu sterk genoeg, temeer daar hij geen hinder meer heeft van Stilicho, om in 408 het beleg voor Rome te slaan, totdat de Senaat hem afkoopt. Het jaar daarop belegert hij Rome opnieuw enige tijd en in de zomer van 410 Rome belegert hij de stad voor de derde maal. Bondgenoten in de stad openen op 24 augustus de poorten voor zijn troepen. De Visigoten plunderen de stad, maar zij behandelen de burgers humaan en steken niet meer dan enkele gebouwen in brand. Als zij de stad verlaten en naar het noorden trekken, sterft Alaric. Hij wordt opgevolgd door Ataulphus (410-415), die zijn volk eerst naar het zuiden van Gallia en in 415 naar Hispania leidt. Ataulphus huwt Galla Placidia, de gevangengenomen halfzuster van keizer Flavius Honorius. Met behulp van zijn nieuwe zwager verdrijft Honorius de Vandalen, en met hen de Alanen die zich bij hen hebben aangesloten, in een aantal jaren uit Hispania. De Vandalen steken, onder leiding van hun koning Genseric, in 429 met 80.000 man over naar Noord-Afrika. Zij onderwerpen de Romeinse provincie en stichten er een Germaans koninkrijk. In 426 hebben zij de Balearen eveneens bezet. Zij zullen hun veroveringen besturen tot de Byzantijnse herovering in 534.

In 418 roept de patriciër Constantius, de latere West-Romeinse keizer Constantius III, de Visigoten uit Hispania terug en zij vestigen zich, onder leiding van de opvolger van Ataulphus, Wallia (415-418), als foederati in de provincies Aquitania Secunda, tussen de Garonne en Loire, en Narbonensis, in het zuidoosten van Gallia. Wallia sterft kort na de stichting van het Tolosaanse-Visigotische rijk, genoemd naar de hoofdstad Tolosa (Toulouse). Met het vertrek van de Visigoten naar Gallia en de aftocht van Vandalen en Alanen naar Afrika zijn de Sueven het enige Germaanse volk dat op het Iberisch schiereiland achterblijft. Zij geven er de voorkeur aan zich in hun woongebied Gallaecia op het platteland te vestigen en laten de steden over aan de Hispano-Romeinse burgerij.

Wallia wordt opgevolgd door Theodoric I, (418-451), de eerste Visigotische leider die met recht kan worden betiteld als koning. Ofschoon Attila zegt geen geschil te hebben met de West-Romeinse keizer Valentinius III en hij ook vriendschappelijke betrekkingen schijnt te hebben onderhouden met de Romeinse generaal Aetius, in die tijd de werkelijke heerser in het Westen, is niet duidelijk wat de Hun van plan is. In het voorjaar van het jaar 450 verandert de situatie volkomen. Honoria, de zuster van keizer Valentinius, zendt haar ring naar Attila en vraagt hem haar te redden van een voor haar gearrangeerd huwelijk. Atilla eist Honoria daarna op als zijn vrouw en vraagt als bruidsschat de helft van het West-Romeinse Rijk. Terwijl de horden van Attila Gallia al binnen-trekken, sluit Aetius een bondgenootschappelijk verdrag met de Visigotische koning Theodoric I. Zij zullen hun troepen samen-voegen om de Hunnen uit Gallia te verdrijven. Attila heeft inmiddels Aurelianum (Orléans) bezet, voordat de geallieerde strijdmacht de stad heeft kunnen bereiken. Als hun leger Aurelianum nadert, blijken de Hunnen al te zijn doorgedrongen tot in het centrum van de stad. Aetius en Theodoric dwingen hen Aurelianum te verlaten. De beslissende slag tussen de gecombineerde strijdmacht van Romeinen en Visigoten en de Hunnen vindt in 451 plaats op de Catalaunische Velden. (een niet geïndentificeerde plaats) Na een stoutmoedig gevecht, waarin de koning van de Visigoten sneuvelt, trekt Attila terug en korte tijd later verlaten zijn horden Gallia. Attila heeft zijn eerste en enige nederlaag geleden. Als hij in 452 een reeks steden in Noord-Italië brandschat, kan Aetius niets doen, maar de in Italië heersende honger en pest nopen Attila het land te verlaten. In 453 doet Attila een aanval op het Oost-Romeinse Rijk, omdat de nieuwe keizer Marcian1 (450-457) weigert de door zijn voorganger Theodosius II (408-450) aan Attila beloofde schatting te betalen. Atilla overlijdt in zijn slaap in zijn huwelijksnacht. Zij die hem met zijn schatten begraven, worden gedood, zodat zijn graf nooit zal worden gevonden. Attila wordt opgevolgd door zijn zonen, die zijn rijk onder elkaar verdelen.

Ofschoon de Sueven gering in aantal zijn, vormen deze nog heidense Germanen door hun krijgslust een geduchte macht. Zij annexeren Lusitania en stropen een tijd lang de rest van Hispania af, waarbij zij, met wisselend succes, zowel tegen de Romeinen als tegen de Visigoten strijden. Onder hun koning Rechila bewonen de Sueven niet alleen Gallaecia, maar hebben zij zich ook over de Romeinse provincies Lusitania en Baetica verspreid. Zij dringen ook door in Carthago Nova en doen invallen in Tarraconensis. In 439 maakt de Visigotische koning Theodoric I zijn koninkrijk onafhankelijk van Rome; het is nog slechts in naam een Romeinse provincie, waarover de koning regeert als keizerlijk stadhouder. Korte tijd later breiden de ariaanse Visigoten hun macht uit ten koste van de Sueven. Onder hun koning Theodoric II (451-466) dringen zij door tot het hart van het Suevenrijk en bestormen in 456 de hoofdstad Bracara. Hierbij wordt de koning van de Sueven, Rechiarius, die zich in 448 tot het katholicisme heeft bekeerd, gevangengenomen. Hij wordt in 457 in Portucale gedood. Een nieuwe dynastie, geleid door Masdra redt het koninkrijk van de Sueven van een voortijdige ondergang. Het is overigens niet bekend in hoeverre Masdra Suevisch bloed in zijn aderen heeft. Wellicht is dit niet of nauwelijks het geval en stamt Masdra uit een geslacht van Hispano-Romeinse burgers die zich opwerpen als erfgenaam van de Sueven. Voordat vreedzamer tijden aanbreken, volgt eerst nog een periode van nieuwe gevechten tussen de ariaanse Visigoten en de katholieke dynastie van Masdra (457-469). In 465 bekeert Masdra’s zoon, Recchismundus, zich tot het arianisme. Maar hij en zijn ariaanse opvolgers zijn zeer tolerant tegenover hun rooms katholieke onderdanen en zij onderhouden goede relaties met de katholieke geestelijkheid. Wellicht kan uit de overgang van het Suevische vorstenhuis tot het arianisme worden verklaard dat de Visigoten, die hun invloed over de Pyreneeën steeds verder uitbreiden en ondertussen een groot deel van het Iberisch schiereiland beheersen, het koninkrijk van de Sueven niet vernietigen. Als vazalstaat of in vreedzame coëxistentie met de Visigoten zal het koninkrijk van de Sueven, op een gereduceerd grondgebied, dat Gallaecia en de twee Lusitaanse bisdommen Veseo en Conimbria omvat, nog tot 585 voortbestaan.

De Visigotische koning Euric (466-484), die zijn voorganger en broer Theodoric II heeft laten vermoorden, vervolgt zijn katholieke onderdanen, wat hem in conflict brengt met hun bisschoppen. Vooral de latere Sint-Apollinaris Sidonius blijft zich tegen de koning verzetten. Euric dwingt de Sueven in 469 Olisipo op te geven dat zij kort daarvoor in een laatste krachtsinspanning hebben veroverd. Euric maakt het Visigotische koninkrijk in 475 volledig onafhankelijk van het West-Romeinse Rijk, aan welk rijk in 476 een einde komt als keizer Romulus Augustulus door de Germaan Odoácer wordt afgezet. Ondanks de ineenstorting van het Romeinse gezag in Spanje, blijft de Romeinse invloed er groot. De meerderheid van de bevolking, mogelijk 6.000.000 zijn Hispano-Romeins, terwijl er niet meer dan 200.000 Visigotische barbaren zijn. Hispano-Romeinen bekleden veel bestuursfuncties en zij blijven na 476 de Romeinse wetten, opgenomen in het `Wetboek van Theodosius,’ toepassen. Euric laat Romeinse juristen een nieuw wetboek samenstellen. Dit `Wetboek van Euric’ 2, dat in 475 is gecompileerd, is geschreven in het Latijn, maar mogelijk zijn alleen Visigotische burgers aan de wetten opgenomen in het `Wetboek van Euric’ onderworpen.

Euric gedraagt zich als erfgenaam van Rome door het grondgebied van het Visigotische rijk zowel in Gallia als op het Iberisch schiereiland uit te breiden. Hij drijft de Sueven terug in Gallaecia en hij bezet Tarraconensis en een deel van Lusitania; de provincies Baetica en Carthaginensis worden vooralsnog met rust gelaten. Hij bouwt op strategische locaties forten; de oude bovenstad van Carcassonne, gelegen aan de Aude in het zuiden van Frankrijk, is een van de fraaiste voorbeelden van een middeleeuwse stadswal die Euric heeft laten bouwen.

Eurics zoon Alaric, die zijn vader op 28 december 484 als Alaric II (484-507) opvolgt, erft een groot Visigotisch rijk. Het omvat, afgezien van Gallaecia, een zeer groot deel van het Iberisch schiereiland en in Frankrijk: Aquitanië, de Languedoc en het westen van de Provence. Alaric, net als zijn vader een ariaans christen, is op religeus gebied veel toleranter; hij matigt de vervolging van katholieken en hij keurt zelfs goed dat zij in 506 een kerkvergadering in Agde, aan de kust van de Lanquedoc beleggen. In dat jaar publiceert hij zijn Lex Romana Visigothorum, welke compilatie van het `Wetboek van Theodosius’ ook wel het Breviarium van Alaric wordt genoemd. Het Breviarium is alleen bestemd voor de Hispano-Romeinse bevolking.

In het begin van de 6e eeuw staan de Visigoten onder grote druk van de Frankische koning Clovis (481-511), die wellicht slechts voorwendt dat hun ariaanse geloof de reden is om hen aan te pakken. Alaric zoekt steun tegen de dreiging bij de eveneens ariaanse Ostro- of Oostgoten in Italië, maar hun koning Theodoric de Grote (493-526) laat weten dat de bergen voldoende zijn om het elan van Clovis aanval te breken. Nadat Clovis de gebieden tussen de Seine en de Loire heeft geannexeerd, valt hij, met steun van de Bourgondiërs, de Visigoten aan. Hij stormt in een keer door tot aan de Pyreneeën en verslaat in 507 Alaric bij Vouillé, in de Poitou. De na de verloren slag op de vlucht zijnde Visigotische koning zou door Clovis zelf zijn ingehaald en gedood. Clovis annexeert Aquitainië, tussen de Loire, Rhône en Garonne, evenals Novempopulana, tussen de Garonne en de Pyreneeën. Theodoric de Grote weerhoudt Clovis ervan ook Septimania, een smalle strook land langs de Middellandse Zee tussen de Rhône en de Pyreneeën, in te lijven. De Visigoten behouden dit gebied, waarvan Narbonne de hoofdstad is, tot aan de mosliminvasie van 711. Om Clovis expansie het hoofd te bieden verovert Theodoric de Provence. De Visigoten zoeken voor het verlies van vrijwel al hun gebied in Gallia compensatie op het Iberisch schiereiland, waar zij hun gebied geleidelijk zullen uitbreiden tot het vrijwel het gehele schiereiland omvat. Zij maken van Barcelona hun nieuwe hoofdstad. Later zal Mérida deze eer te beurt vallen.

In 530 geraken de Visigoten, onder hun koning Almalaric, opnieuw in oorlog met de Franken. De aanleiding is de volgende: Almalaric, die gehuwd is met Clotilde, de zuster van de `koning van Parijs,’ Clovis’ zoon en opvolger Childebert, zou zijn vrouw beledigd hebben. Childebert trekt partij voor zijn zuster en marcheert op naar Barcelona. Hij boekt in 531 bij Narbonne een glorieuze overwinning op het volk van de grote Alaric, de overwinnaar van Rome. Alamaric wordt in de strijd gedood door een Frankische officier.

Gedurende bijna veertig jaren, van 530 tot 567, maakt het koninkrijk van de Visigoten een onrustige en dramatische periode door. Versterkt door een nieuwe dynastie, maar teruggedrongen tot achter de Pyreneeën, worstelt het koninkrijk met verschrikkelijke crises. De Franken vallen het land onophoudelijk aan en in 542 slaan twee zonen van Clovis, Childebert I en Clotaire I zelfs het beleg voor Zaragoza. Maar na verloop van tijd, zijn zij gedwongen het beleg op te heffen. Het Visigotische rijk wordt ook geteisterd door interne tegenstellingen. Sinds de dood van koning Alamaric in 531 is er een hevige strijd ontbrand tussen het ariaanse koningshuis en de Germaanse hogere adel, die de steun geniet van de katholieke bisschoppen, die zich verzetten tegen het ariaanse koningschap. De vervolgingen van de katholieken worden met Spaanse furie beantwoord: bijna overal breken opstanden uit, in Tarragonensis en Cantabria en later ook in Lusitania en in het zuiden in Baetica, waar de troepen van de koning het zwaar te verduren krijgen. Het is noodzakelijk dat er concessies worden gedaan en dat er naar een vergelijk met de Franken wordt gestreeft. Daarom huwt de dochter van koning Athanagild (554-567), prinses Galswintha de Merovingische koning van Neustria, Chilperic I en haar zuster Brunhilde trouwt de Frankische koning van Austrasia, Sigesbert. Het huwelijk van Chilperic en Galswintha wordt in 567 ingezegend in Rouen, maar de nieuwbakken koningin wordt korte tijd later (568) vermoord, op instigatie van Chilperics minnares Fredegund, die met haar geliefde trouwt. De dood van Galswintha wekt de vijandschap op van haar zuster Brunhilde, koningin van Austrasia, wat leidt tot gevechtshandelingen tussen de twee Frankische koninkrijken, die veertig jaar zullen aanhouden.

De godsdienstige tegenstellingen leiden er in 554 toe dat katholieke onderdanen de ariaanse koning Agila vermoorden. Van de Sueven is over de eerste helft van de 6e eeuw weinig bekend. De groei en de daarmee stijgende invloed van het katholieke geloof dwingt de Sueven, onder wie hun koning Chararicus, ertoe zich in 550 opnieuw tot het katholicisme te bekeren. Een grote rol bij de bekering van de Sueven speelt de Romeinse missionaris Martinus (de latere São Martinho). Hij is afkomstig uit het Oostgotische gebied Pannonia (Hongarije) en hij is wellicht om politiek-religieuze redenen gezonden door de Oost-Romeinse keizer Justinianus I (527-565) die pogingen onderneemt het grondgebied van het vroegere West-Romeinse rijk te veroveren. Zijn veldheer Belisarius heeft in 533 het Vandalenrijk in Noord-Afrika veroverd en diens opvolger Narsus breekt in 551 de Oostgotische weerstand in Italië en zal in 552 definitief met hen afrekenen. Justinianus heeft ook zijn oog laten vallen op Hispania, dat hij vanuit het zuiden denkt te kunnen veroveren. De expeditie van de Byzantijnen naar het Iberisch schiereiland3, slaagt maar zeer ten dele. Als zij in 554 in Baetica landen, weten zij daar enig gebied te bezetten, maar verder komen zij niet. Daar staat tegenover dat Athanagild er niet in slaagt de aanvallers uit de door hen veroverde steden in het zuiden van het Schiereiland te verdrijven. Athanagild maakt in 555 Toledo tot hoofdstad van het Visigotische rijk.

Martinus, die in 550 in Gallaecia arriveert, is een wijze, geletterde en heilige priester, die zeer strikt de kloosterregels in acht neemt. Door zijn persoon en voorbeeldige levenswijze verwerft hij binnen korte tijd een enorme invloed op de heersende elite in het koninkrijk van de Sueven, die hij tracht af te brengen van het arianisme. De rol van Martinus in de bekering van Chararicus is overigens omstreden. Diens overgang tot het katholicisme is ook wel toegeschreven aan de contacten die hij onderhoudt met de Frankische monarchie en aan de verering van Martinus van Tours, de rond 400 overleden bisschop van deze stad, die wij kennen als Sint Maarten. De missionaris Martinus wordt bisschop van Dumio, een diocees dat later zal opgaan in het bisdom Bracara. Hij is de grote bestrijder van het arianisme en het priscillianisme. Hij herbouwt de basiliek in Bracara die, evenals nog 50 andere kerken tussen de Rio Minho en de Rio Mondego, toegewijd wordt aan Martinus van Tours. Van een tweede en definitieve bekering van de Suevische koning en zijn hof tot het katholicisme is sprake in 559, als Theodemirus regeert.

Het tanen en uiteindelijk de teloorgang van de West-Romeinse macht tast de Romeinse instituties op het Iberisch schiereiland aan. Provincies, soms aangeduid als hertogdommen, zijn van weinig betekenis meer. Van groter politiek en economisch belang worden de civitas (stad) en het territorium (het land daaromheen), terwijl ook het centrale gezag sterker wordt. De conventus verdwijnt als zodanig, maar binnen zijn grenzen ontstaat, met de verbreiding van het christendom, een nieuwe bestuurlijke eenheid: het diocees. In de 5e, 6e en 7e eeuw ontstaan in Lusitania nieuwe bisdommen. Naast het al langer bestaande aartsbisdom Emerita en de bisdommen Olisipo, Ebora en Ossonoba, alsmede de al genoemde diocesen Veseo en Conimbria, worden Pax, Lamecum (Lamego) en Egitania (Idanha a Velha) sedes episcopalis. Ten noorden van de Douro worden aan de oude diocesen Lucus, Bracara en Aquae Flavia toegevoegd: Portucale, Dumio en Tude (Tuí). In Gallaecia zijn Bracara en Lucus aartbisdommen, omdat Bracara en Lucus kennelijk de belangrijkste plaatsen zijn. De grens tussen beide wordt gevormd door de Rio Lima. Als in 572 in Bracara voor de tweede maal een kerkvergadering op het Iberisch schiereiland wordt gehouden, blijken niet alleen de in Gallaecia liggende diocesen Dumio en Portucale, maar ook de eertijds onder het aartsbisdom Emerita ressorterende diocesen Lamecum, Veseo, Conimbria en Egitania onder het aartsbisdom Bracara te vallen.

In 567 overlijdt de Visigotische koning Athanagild en zijn broer Leovigild volgt hem in 568 in op in het gebied ten zuiden van de Pyreneeën. Een andere broer, Liuva, regeert Septimania, maar na Luvia’s overlijden in 572 is Leovigild koning over het gehele rijk. Het is echter geen eenvoudige zaak de eenheid van het rijk, waarnaar de koning streeft te bereiken. Ofschoon de Visigoten al meer dan een eeuw in contact zijn geweest met de Romeinse beschaving, voordat zij zich definitief op het Iberisch schiereiland hebben gevestigd, zijn zij slechts zeer oppervlakkig geromaniseerd. Zij vertonen significante wettelijke, culturele, sociale en religieuze verschillen met de Hispano-Romeinse bevolking, waarmee zij zich moeilijk assimileren. Afgezien van verschillen in taal en opvoeding, zijn de twee volkeren aan verschillende wetgeving onderworpen. De Visigoten zijn weliswaar christenen, maar wel ketterse arianen, die zich keren tegen de Hispano-Romeinse orthodoxie. De Visigotische koning is theoretisch slechts de heerser over zijn eigen volk, terwijl de veel talrijkere Hispano-Romeinse bevolking zich lang verbonden is blijven voelen met de inmiddels geheel teloorgegane keizerlijke autoriteit. Leovigild voert vrijwel voortdurend oorlog, om de politieke eenheid van zijn rijk te bevorderen. De Visigotische reactie op de bekering van de Sueven tot het katholicisme is vooreerst uitgebleven, maar in 569 ontneemt Leovigild de Sueven León en Zamora in het noordwesten en hij slaat ook een opstand van de Basken neer. In 571-572 verovert Leovigild Córdoba op de Grieken (Byzantijnen) in het zuiden. In 576 begint hij opnieuw een veldtocht tegen de Sueven. Hij valt Bracara aan en verslaat bij Portucale de laatste koning van de Sueven, Andeca.

In 580 stelt Leovigild zijn katholieke landgenoten voor over te gaan tot het arianisme. Hij maakt zijn voorstel aantrekkelijk door bekeerlingen voordelen aan te bieden. Enigen, onder wie bisschop Vicente van Zaragoza, laten zich door grote beloften van de koning overhalen ariaans te worden. Maar deze politiek stuit op het heldere inzicht van de illustere monnik Leander, een grote geest, wiens krachtige persoonlijkeid weinig voor die van de koning onderdoet. Leander, die later gecanoniseerd zal worden, keert zich krachtig tegen de manœuvre van Leovigild. Hij ontketent hierdoor een gods-dienstoorlog, waarin Hermenegild een van de helden zal zijn. Hermenegild is de zoon van Leovigild en zijn eerste vrouw, een Grieks-orthodoxe. Hermenegild is in 579 in het huwelijk getreden met Ingund, een dochter van de Frankische koning Sigesbert en Brunhilde. Ingund is vurig orthodox katholiek. Tijdens het beleg van Hispalis (zie hierna), waar Hermenegild een van de bevelhebbers is, zweert hij, onder invloed van zijn vrouw en Leander, die aartsbisschop van Hispalis is geworden, zijn ariaanse geloof af en gaat hij over tot de Kerk van Rome. Hij rebelleert vrijwel onmiddellijk tegen zijn vader, waarbij hij aanvankelijk steun ontvangt van de Byzantijnen. Maar Leovigild slaagt erin hen af te kopen. Zijn vader neemt hem zijn overgang naar de Kerk van Rome niet in dank af. De koning en zijn omgeving zouden het jong gehuwde stel het leven hebben zuurgemaakt. Maar rond hen verzamelt zich een groep katholieken die de pesterijen van de arianen beu zijn. Onder hen bevinden zich de katholieke aartsbisschop van Hispalis, Leander en collegae-bisschoppen. Zij krijgen steun van anderen en er ontstaat een coalitie van vijanden van Leovigild: de katholieke bisschoppen, de afgezette koning van de Sueven, Miro, de Basken, de Hispano-Romeinen en de Byzantijnen in het zuiden; kortom Leovigild moet vechten op alle fronten. De koning sommeert zijn zoon zijn over-gang naar de katholieke kerk te herroepen. Hij weigert, waarna de oorlog uitbreekt. Hermenegild zoekt zijn toevlucht bij de Byzantijnen in Baetica en Leander reist naar Constantinopel, om de steun van de Oost-Romeinse keizer te verwerven. Dankzij bemiddeling van zijn broer Rekhared, gaat Hermenegild met zijn vader over vrede onderhandelen. Leovigild omhelst zijn zoon en verklaart hem vergiffenis te schenken. Op dat moment geeft de koning zijn mannen een teken, waarop zij Hermenegild gevangennemen. Zij ontdoen hem van zijn kleding en gooien hem in een kerker. Tijdens zijn gevangenschap, waarin hij slechts zou zijn behandeld, trachten ariaanse bisschoppen en theologen hem zijn katholieke geloof te doen afzweren, overigens zonder resultaat. Tot het uiterste geprik-keld door de halstarrigheid van zijn zoon, laat Leovigild hem aan de vooravond van Pasen 585 onthoofden4, door hertog Sisbert.

Na een oorlog van twee jaren (581-583) ontworstelt Leovigild Hispalis aan de Byzantijnen, waarmee de hoop op herstel van de Romeinse heerschappij op het Schiereiland, van veel Hispano-Romeinse burgers, de bodem wordt ingeslagen. Onder het voor-wendsel de behandeling van prinses Ingund, die naar Afrika heeft weten te ontkomen, te willen wreken, doen de Frankische koningen Childebert II en Guntram een inval in Septimania en zij zenden een vloot naar Gallaecia, om de Sueven te helpen. Childebert II en Guntram worden in Septimania door Leovigild teruggeslagen en het gebied van de Sueven wordt in 585 in het Visigotische rijk opgenomen. Na zijn overlijden in 586 in zijn paleis in Toledo, dat hij tot zijn hoofdstad heeft gemaakt wordt Leovigild, die de eenheid van het Schiereiland heeft hersteld, opgevolgd door zijn enig over-gebleven zoon Reccared. Omdat het gehele Iberische schiereiland onder Reccared verenigd is, valt de geschiedenis van het latere Portugal samen met die van het Visigotische rijk.

De positie van het aartsbisdom Bracara (Braga), dat zes andere bisdommen in Gallaecia en Lusitania bestuurt, blijft onder Visigotische heerschappij tot 660 onaangetast. Daarna gaat de kerkelijke indeling weer samenvallen met de vroegere Romeinse provincie-grenzen en gaan de bisdommen gelegen ten zuiden van de Douro opnieuw ressorteren onder het Lusitaanse aartsbisdom Emerita. De bisschoppen van Braga zullen zich nog tot aan de 12e eeuw erop beroepen dat hun de bestuursmacht toekomt over alle bisdommen gelegen tussen de Rio Lima en de Rio Tejo, omdat dit ten tijde van het koninkrijk van de Sueven en nog bijna een eeuw daarna ook het geval is geweest.

De Visigotische koningen streven naar assimilatie van de Visigotische bevolkingsgroep en de veel talrijker Hispano-Romeinen. Dat dit streven slaagt blijkt daaruit dat onder koning Leodevild het oude verbod op gemengde huwelijken tussen Visigoten en de oorspronkelijke bevolking afgeschaft kan worden, maar het is koning Rekhared I (586-601), die de politiek van assimilatie van zijn vader voortzet, met als doel de eenheid van het land te stimuleren, die de wet formeel afschaft.

In 589 verzet koning Rekhared de bakens; hij grijpt de Derde Rijkssynode van Toledo aan om van zijn bekering officieel kond te doen. Om zijn besluit kracht bij te zetten, leest hij de geloofs-belijdenis van Nicaea voor en belooft zijn onvoorwaardelijke bescherming aan de kerk. De synode heeft tevens het karakter van een staatsraad, in die zin dat de koning gebonden is aan de uitspraken van de raad op straffe van excommunicatie. Hiermee is het katholicisme de staatsgodsdienst op het Iberisch schiereiland geworden. Het is niet duidelijk of de bekering van de koning is ingegeven door politieke wijsheid en welbegrepen eigenbelang, omdat de overgrote meerderheid van zijn onderdanen rooms katholiek is, of dat Rekhared is aangestoken door het algemene religieuze enthousiasme onder de Hispano-Romeinse burgerij over de geruchten dat de tombe van zijn vermoorde broer wonderen zou veroorzaken. Hoe dit ook zij, hertog Sisbert wordt geëxecuteert en de naar het buitenland uitgeweken katholieke bisschoppen worden teruggeroepen. De bekering van Rekhared heeft behalve religieuze ook politieke en sociale betekenis. Zij symboliseert de overwinning van de Hispano-Romeinse beschaving op die van de `barbaarse’ Visigoten en bevordert de assimilatie tussen beide volkeren. Door de bekering van Rekhared kunnen de Visigoten vanaf dat moment rekenen op de loyaliteit van hun Hispano-Romeinse medeburgers. Rekhareds overgang naar het katholicisme versterkt ook de relatie tussen kerk en staat. Bisschoppen worden nog steeds door de koning aangesteld, maar hebben meer politieke invloed gekregen. De Visigotische monarchie profiteert op haar beurt van de steun van de kerk in haar nimmer aflatende strijd tegen de verschillende facties van de adel. De plotselinge bekering van de koning leidt tot enkele ariaanse opstanden, die evenwel vrij gemakkelijk onderdrukt kunnen worden, maar vele ariaanse bisschoppen en Gotische edelen volgen ‘s konings voorbeeld, waarmee een obstakel voor de assimilatie van de Visigoten en Hispano-Romeinen is weggenomen. De Hispano-Romeinen hebben de moed op hulp van Byzantium opgegeven en zij ontwikkelen grote trouw aan de Visigotische monarchie. Als gevolg daarvan kan koning Swinthila (621-631) de resterende Byzantijnse forten in het zuiden van het land veroveren en daarmee de Visigotische heerschappij op het gehele Schiereiland vestigen.

De Visigotische koningen imiteren Byzantijnse gebruiken, zij matigen zich het recht aan bisschoppen, de natuurlijke leiders van de Hispano-Romeinse meerderheid, te benoemen en hen op te roepen de Synode van Toledo bij te wonen. Hoewel de Synodes van Toledo, waarvan er tussen 400 en 702 elf gehouden worden, vooral kerkvergaderingen zijn, zijn zij van zeer grote invloed op het bestuur van het koninkrijk. Zodra de bisschoppen een uitspraak van de koning over lopende zaken hebben vernomen, kondigen zij daarmee verbandhoudende wetgeving op kerkelijk gebied af, maar zij bemoeien zich ook met seculiere problemen, zoals de verkiezing van de koning en zaken waarbij verraad in het spel is. Door middel van hun rijkssynodes geven de bisschoppen essentiële steun aan de monarchie, maar in hun streven naar een vreedzame en harmonieuze openbare orde, brengen zij enige keren hun onafhankelijkheid in gevaar.

De afkeer van de adel van een erfelijk koningschap en de afwezigheid van van natuurlijke erfgenamen, leidt ertoe dat het systeem waarbij de koning gekozen wordt blijft bestaan en in 633, op de Vierde Synode van Toledo, formeel wordt vastgelegd. Daar de Visigoten de reputatie hebben dat zij hun koningen vermoorden, trachten de bischoppen de koning te beschermen door hem in een plechtige ceremonie te zalven. De heilige olie maakt zichtbaar dat de koning onder Gods bescherming staat, omdat het koningschap een heilig karakter heeft. De bisschoppen die er op hopen dat het geweld waarmee de verkiezing van een nieuwe koning gepaard gaat, kan worden uitgeroeid, bepalen de procedures die moeten worden gevolgd. De koninklijke huishouding (officium palatinum) die een afspiegeling is van het van het Romeinse keizerlijke model, is de koning behulpzaam bij het regeren, maar als dit noodzakelijk is, kan de koning ook vergaderingen van magnaten en notabelen (aula regia) raadplegen. Hertogen, graven, of rechters zijn verantwoordelijk voor het bestuur van provincies en andere territoriale entiteiten, die uit de Romeinse tijd stammen. Zelfbestuur is sedert lange tijd uit de steden verdwenen. Landbouw en veeteelt zijn de belangrijkste vormen van economische bedrijvigheid. Er zijn bewijzen voorhanden dat commerciële en industriële activiteiten zeer beperkt zijn.

Op de Vierde Synode van Toledo, in 633, die wordt voorgezeten door aartsbisschop Isidore van Hispalis (zie hierna) voert de Visigotische adel het gekozen koninschap in. De koning zal voortaan gekozen worden door de adel en de bisschoppen. Voorts wordt de eenheid van kerk en staat afgekondigd, de misliturgie die geldt voor het hele land wordt vastgesteld en de joden worden getolereerd.

In 654 voert koning Recceswinth (649-672) nieuwe wetgeving in, de Liber Judiciorum, Fuero Juzgo, in het Castiliaans. De in het Latijn geschreven wet, waarin veel van de Romeinse juridische traditie bewaard is gebleven en die in 681 en 693 zal worden aangepast, bindt zowel Hispano-Romeinen als Visigoten. De Liber Judiciorum regelt: wetgeving en de tenuitvoerlegging van wetten, hoven, familierecht, erfrecht, overeenkomsten, misdaden en de toepassing van martelingen, diefstal, misdaden tegen de eigendom, het recht op asiel (speciaal met het oog op desertie uit de militaire dienst), de bewerking en verdeling van landgoederen, wetten die zich bezig-houden met artsen en kooplieden en wetten voor de bestraffing van ketters, ambtenaren en joden. Met de invoering van dit wetboek hebben de Visigotische koningen de eenwording van beide bevolkingsgroepen voltooid.

De 7e eeuw is een eeuw waarin de bouw- en beeldhouwkunst ontluikt en ook andere culturele ontwikkelingen plaatsvinden. De auteur met het duidelijkste profiel is Isidore, bisschop van Hispalis van 600 tot 636. Hij is zijn broer Leander als bisschop van Hispalis opgevolgd en is een vriend en raadgever van koningen. Afgezien van zijn rol in de geschiedenis van de Visigoten, is Sint Isidore onder meer bekend om zijn monastieke regels en zijn theologische verhandelingen. Zijn belangrijkste bijdrage aan de middeleeuwse beschaving is zijn Etymologiae, een encyclopedisch werk dat tracht de wijsheid van de antieke wereld op terreinen als antropologie, kosmologie, architectuur, geschiedenis en agricultuur, samen te vatten. Isidorus Hispalensis, die in 633 de Synode van Toledo voorzit, is in 1598 door paus Clemens VIII (1592-1605) gecanoniseerd en paus Innocentius XIII (1721-1724) heeft hem in 1722 toegevoegd aan de lijst van kerkvaders.

Tegen het einde van de 7e eeuw breekt er een kritieke tijd in de geschiedenis van het Visigotische koninkrijk aan. Een signaal van de toekomstige onlusten is de afzetting van de misleide koning Wamba (672-680), de eerste vorst ooit van wie bekend is dat hij gezalfd is. Hij is een bekwaam bestuurder die heeft getracht de militaire organisatie te hervormen. Als de agitatie aanhoudt, maken zijn opvolgers zondebokken van de joden, die niet assimileren met de rest van de bevolking. De kerkvergadering van Elvira heeft in 305 hun positie al aangetast en de Derde Synode van Toledo heeft hun rechten verder beperkt. Opnieuw wordt bepaald dat joden niet met christenen mogen trouwen. De ouders van kinderen uit een gemengd huwelijk worden verplicht hun kinderen te laten dopen. Joden mogen geen christelijke slaven bezitten en geen openbare functies bekleden, waarbinnen de mogelijkheid om straffen te geven besloten ligt. De joden worden hoe langer hoe meer in een uitzonderingspositie geplaatst. In 680 verordonneert koning Erwig, die Wamba is opgevolgd, dat iedere jood binnen een jaar het christelijke geloof dient aan te nemen, op straffe van verbanning en zij worden bedreigd met slavernij. Geruchten over een geheim bondgenootschap tussen op het Schiereiland wonende joden en de gevreesde moslims in Noord-Afrika steken de kop op, nadat landerijen en slaven van de joden voor een door de koning bepaalde vaste prijs zijn verkocht. Op 9 november 694 beschuldigt koning Egica de joden van verraad. Hun bezittingen worden geconfisqueerd en alle joden worden tot slaven van christenen gemaakt. Hun religie mogen zij niet langer uitoefenen. Joodse kinderen zullen voortaan op zevenjarige leeftijd bij hun ouders worden weggehaald en door speciale leraren worden opgevoed tot christenen. Vele joden weigeren zich te onderwerpen en ontvluchten het Schiereiland.

Na de dood van koning Witiza (700-710) trachten zijn weduwe en zijn familie de troon te reserveren voor een van zijn twee jonge zoontjes, maar de Visigotische edelen kiezen Roderic, hertog van Baetica tot koning en verdrijven de familie van Witiza en zijn aanhangers uit Toledo. Roderic wordt direct na zijn verkiezing geconfronteerd met een opstand van de Basken en in het noordoosten van het land is hij zelfs nooit als koning erkend. Vastbesloten Roderic te verdrijven, schijnt de familie van Witiza de moslims uit Noord-Afrika te hulp te hebben geroepen. Aan het verraad dat de ondergang van het Visigotische koninkrijk inluidt, is de naam verbonden van een zekere graaf Julian. Het verzoek om hulp is voor de moslimgouverneur van Tanger, Tāriq-ibn Ziyad, aanleiding met zijn hoofdmacht de Straat van Gibraltar over te steken. Nadat hij bij Calpe (Gibraltar) is geland, marcheert Roderic naar het zuiden. Zijn leger wordt op 19 juli 711 verslagen bij de Rio Barbate (Rio Guadalete), waarbij de laatste koning van de Visigoten omkomt. Tāriq-ibn Ziyad rukt rechtstreeks op naar Toledo en bijna het gehele Schiereiland geeft zich aan de moslims over.

  1. Marcian is vooral bekend omdat hij in 451 het beroemde Concilie van Chalcedon bijeenroept. Het concilie (bevestigt de orthodoxe Christelijke doctrine dat Christus twee naturen, de goddelijke en de menselijke, heeft en het concilie verwerpt het monofysitisme, volgens welke leer Christus alleen de goddelijke natuur bezit. Deze kwestie zal desondanks nog eeuwen lang de christenheid verdelen.

  1. De in verband met hergebruik afgekrabde perkamentrol (palimpset) waarop de wet geschreven was, is bewaard gebleven. Het palimpsest manuscript wordt bewaard in Parijs.

  1. Volgens « Histoire Universelle des Missions Catholiques » tome « Les Missions des origines au XVIe siècle, Monaco, 1956, heeft een rebel tot deze expeditie opgeroepen, zie pag. 79

  1. De meeste hedendaagse schrijvers zijn van oordeel dat Hermenegild geëxecuteerd is als een rebel, maar paus Gregorius I de Grote(590-604) heeft in zijn Dialogues verklaard dat hij gedood is omdat hij de communie niet uit handen van een ariaanse bisschop heeft willen ontvangen. Zijn verering als heilige is in 1585 bekrachtigd door paus Sixtus V (1585-1590) en voor de hele kerk door paus Urbanus VIII (1623-1644).

2.0. Het kalifaat der Omayyaden

Notes:

1 Marcian is vooral bekend omdat hij in 451 het beroemde Concilie van Chalcedon bijeenroept. Het concilie (bevestigt de orthodoxe Christelijke doctrine dat Christus twee naturen, de goddelijke en de menselijke, heeft en het concilie verwerpt het monofysitisme, volgens welke leer Christus alleen de goddelijke natuur bezit. Deze kwestie zal desondanks nog eeuwen lang de christenheid verdelen.

2 De in verband met hergebruik afgekrabde perkamentrol (palimpset) waarop de wet geschreven was, is bewaard gebleven. Het palimpsest manuscript wordt bewaard in Parijs.

3 Volgens « Histoire Universelle des Missions Catholiques » tome « Les Missions des origines au XVIe siècle, Monaco, 1956, heeft een rebel tot deze expeditie opgeroepen, zie pag. 79

4 De meeste hedendaagse schrijvers zijn van oordeel dat Hermenegild geëxecuteerd is als een rebel, maar paus Gregorius I de Grote(590-604) heeft in zijn Dialogues verklaard dat hij gedood is omdat hij de communie niet uit handen van een ariaanse bisschop heeft willen ontvangen. Zijn verering als heilige is in 1585 bekrachtigd door paus Sixtus V (1585-1590) en voor de hele kerk door paus Urbanus VIII (1623-1644).

Categorieën
Portugees kolonialisme

De Romeinse tijd (200 v.Chr.- 400 n.Chr.). Het Iberisch schiereiland tot aan de inval van de moslims

Deel 1 Index

Hoofdstuk 1

Het Iberisch schiereiland tot aan de inval van de moslims

1.2 De Romeinse tijd (200 v.Chr.- 400 n.Chr.)

Geschreven door Arnold van Wickeren

Verreweg het talrijkste volk van Hispania is dat van de Celtiberi. Zij bewonen het midden van het gebied. In het westen van Hispania leven verschillende Keltische volkeren. Ten noorden van de Douro zijn dat de Gallaeci, te verdelen in Lucenses ten noorden van de Rio Minho en Bracari ten zuiden daarvan. Zij zijn de afstamme-lingen van de castrocultuur. Ten zuiden van de Douro houden zich de Lusitani op. Dit volk woonde daar waarschijnlijk reeds voor de invasie van Keltische volkeren, maar heeft de Keltische cultuur overgenomen. In het dal van de Guadiana leven de Celtici en in de Algarve de weinig talrijke Conii. De Keltische volkeren hebben zich ten dele met de inheemse bevolking vermengd.

De Romeinen die de Carthagers van het Iberisch schiereiland verdreven hebben, zijn daar na 201 gebleven. In 197 formaliseren zij hun bestuur door twee provincies te creëren: Hispania Citerior, Hispania Ulterior bestaat uit het huidige Andalusië, Extremadura, het zuiden van León en het grootste deel van het moderne Portugal. Hispania Citerior, of Tarraconensis, bestaat uit het noorden en oosten van Spanje en het zuidelijke deel van Midden-Spanje. Vanuit de streken die de Romeinen controleren, de kuststrook aan de Middellandse Zee en de vallei van de de Baetis (Guadalquivir), trachten zij steeds grotere gebieden van Hispania te onderwerpen.

Hierbij ontmoeten zij verzet van de krijgslustige1 Celtiberi, Dit zijn de nakomelingen van Keltische volkeren die zich met de oorspron-kelijke Iberiërs hebben vermengd. De Celtiberi bewonen vooral bergachtige gebieden tussen de Tajo en de Iberus, met inbegrip van het grootste deel van de huidige provincie Soria en veel van de naburige provincies Guadalajara en Teruel. De Arevaci domineren vanaf de machtige sterkten van Okilis (Medinaceli) en Numantia de naburige Celtiberische stammen. De Belli en de Titti hebben zich gevestigd in de vallei van de Jalón, zij worden door de Sierra del Solorio gescheiden van de Lusones in het noordwesten. In 197 trekken de Romeinen hun legioenen terug, maar dit leidt tot een opstand van de Celtiberi tegen de Romeinse aanwezigheid in het land, waarbij een gouverneur de dood vindt. Het gevolg is dat de twee in 196 voor twee jaren gekozen praetors ieder met een legioen op het Schiereiland arriveren. De situatie is zo bedreigend dat de consul voor het jaar 195, Marcus Porcius Cato, bijgenaamd Cato de Censor, met twee legioenen naar Hispania wordt gezonden. In een omvangrijke en bittere militaire campagne slaat hij de opstand neer. Daarna ontstaat er een soort guerrillaoorlog die 30 jaar duurt. Latere Romeinse gouverneurs trachten het gebied onder Romeinse controle uit te breiden, waarbij zij stuiten op verzet van de Celtiberi in het noordoosten, de Lusitani in het westen en de Vettones en Vaccaei in het noordwesten. De Romeinse aanvoerders lijken meer belang te hechten aan het behalen van overwinningen op stammen in Hispania dan in het vestigen van een goed bestuur, omdat militaire overwinningen beloond worden met een triomftocht door Rome. Na de overwinningen van Lucius Postumius Albinus (180-178) en Tiberius Sempronius Gracchus (de vader van de beroemde tribuun) in 177 wordt er vrede gesloten met de Celtiberi en wellicht ook met andere stammen. Mogelijk wordt de omvang van de Romeinse militaire aanwezigheid daarna teruggebracht tot twee legioenen. Van 173 tot 155 geniet de bevolking van Hispania van een periode rust, waarin de strijd geluwd is, maar waarin zij wel klachten uit over corrupte Romeinse bestuurders.

In 154 wordt de oorlog in Hispania hervat, wellicht als reactie op corrupt Romeins bestuur. De strijd zal tot 133 voortduren en gaat met grote wreedheden gepaard. De oorlog leidt zelfs tot vernietiging van de bevolking. In 151 worden 20.000 Vaccaei gedood die zich hebben overgegeven aan Lucius Licinius Lucellus. Ook het westen van Hispania biedt weerstand tegen de Romeinse penetratie. In 154 v.Chr. komen de Lusitani in opstand. Zij behalen een grote zege op de Romeinen. Nadat de opstand is neergeslagen, breekt in 147, onder de briljante leiding van Viriathus, opnieuw een revolte uit. Als de Lusitani zich verbinden met de ook opstandige Celtiberi lijkt Hispania voor Rome verloren. In de jaren 147-139 brengen de Lusitani, de Romeinen menig nederlaag toe, vanuit hun militaire kamp op de Heuvel van Venus (Sierra de San Vicente in Spanje). Nadat tijdens de veldtocht van 141-140 een geheel Romeins leger zich aan Viriathus heeft moeten overgeven, sluit hij een gunstig verdrag met de Romeinen, zij erkennen de onafhankelijkheid van de Lusitani. Maar de volgende Romeinse gouverneur van de provincie, Quintus Servilius Caepio, wil niets van een verdrag weten. Hij arrangeert dat Viriathus in 139 door zijn eigen omgekochte onder-handelaars wordt vermoord. Vanaf 137 kan consul Decius Junius Brutus met zijn opmars tegen de Lusitani beginnen. Ofschoon deze over het algemeen weinig tegenstand bieden, verzetten sommige van hun steden zich hevig en langdurig tegen inname door de Romeinen. Rond 132 echter is al het verzet gebroken en verliezen de Lusitani opnieuw hun onafhankelijkheid. Daarna trekt Brutus verder naar het noorden, overschrijdt de Douro en onderwerpt Gallaecia.

De strijd tegen de Celtiberi verloopt ook lang niet altijd in het voordeel van de Romeinen. Hun legers worden bij diverse gelegen-heden verslagen, met name in 137 moeten 20.000 Romeinen, onder bevel van consul Gajus Hostilius Mancinus zich bij Numantia, dat uitgegroeid is tot het centrum van het verzet van de Celtiberi tegen de Romeinen, aan hen overgeven. In 134 komt een nieuwe consul naar Hispania. De consul, die meestal wordt aangeduid als Scipio Africanus de Jongere2, is de grote Romeinse held die in 146 Carthago heeft veroverd en verwoest3. Hij stamt uit een illustere familie4 en hoewel hij naar Macedonië zou gaan, heeft hij zich vrijwillig aangeboden om orde op zaken te stellen in het crisisgebied Hispania. Hij arriveert daar met een aantal vrijwilligers, die zijn voorbeeld hebben gevolgd, en met een corps van 500 vrienden en van hem afhankelijke personen, die een soort lijfwacht vormen, wellicht een voorloper van de Praetoriaanse Garde. Een lijfwacht is geen overbodige luxe, want Scipio wacht de moeilijke taak het Romeinse leger op het Schiereiland, dat door de tegen de Celtiberi geleden nederlagen gedemoraliseerd is, opnieuw te disciplineren. In Rome wordt de houding van Gajus Hostilius Mancinus, die zich met zijn hele leger aan de Celtiberi van Numantia heeft overgegeven, en van de jonge quaestor5 Tiberius Sempronius Gracchus in Hispania zwaar becritiseerd. Mancinus krijgt de schande van een veroorde-ling te verduren, maar Scipio laat zijn neef en zwager Gracchus, die zeer populair is in Rome en die bovendien een Romeins leger van de ondergang gered heeft, ontsnappen. Scipio slaat in 133 het beleg voor Numantia, dat door zijn hoge ligging niet bestormd kan worden. Hij omsingelt de stad met zeven kampen en na acht maanden beleg dwingt hij de 4.000 uitgehongerde Celtiberi zich over te geven. De stad wordt in brand gestoken. Scipio keert naar Rome terug voor zijn tweede6 triomftocht in te nemen, Hij mag de eretitel `Numantinus’ aan zijn naam toevoegen. De verovering van Numantia heeft een einde gemaakt aan het verzet van de Celtiberi.

De Romeinen beheersen nu het gehele Iberisch schiereiland met uitzondering van de noordelijke kuststrook. De twee zuidoostelijke kustprovincies worden aanzienlijk uitgebreid. Hispania Ulterior gaat het zuiden en westen en Hispania Citerior het oosten van het Schiereiland beslaan. Het Romeinse bestuur bevordert de ontwikkeling van de welvaart van Hispania, terwijl de handel met het buitenland gunstig beïnvloed wordt door de zeeroverij in de Middellandse Zee te bestrijden.

In 83 komt Quintus Sertorius als praetor van de Romeinse provincies naar Hispania. Sertorius heeft zich in Rome enige faam verworven als jurist en spreker en hij heeft later in Gallië gediend; in 105 heeft hij gestreden tegen de daar binnenvallende Cimbri en drie jaar heeft hij de Teutonen bevochten. In 97 heeft hij gediend in Hispania en in 90 is hij questor in Gallia Cisalpina geweest en hij heeft daar een leger aangevoerd in de Sociale Oorlog (90-88). Gedurende de burgeroorlog van 87-86 tussen de aanhangers van Lucius Cornelius Sulla en die van Gajus Marius, heeft Sertorius de zijde van Marius gekozen en hij was ook van de partij toen Marius in 86 Rome innam. Als Sulla, na het overlijden van Marius in 82, zijn dictatuur in Rome vestigt, wijkt Sertorius met zijn troepen uit naar Hispania. Sulla zendt daarop twee legioenen uit tegen Sertorius, waarop zich terugtrekt in Mauretanië. Hij keert in 80, met een nieuw leger, terug naar het Iberisch schiereiland en door zijn moed en welsprekendheid vindt hij het vertrouwen van de Lusitani, alsmede van vele naar Hispania uitgeweken Romeinse burgers en gedeserteerde Romeinse soldaten. Sulla zendt Quintus Caecilius Metellus Pius, zijn medeconsul in 80, als gouverneur van Hispania Ulterior naar het Iberisch schiereiland, om daar de rebel Sertorius te bevechten. Sertorius verslaat hem in 79 en vestigt met steun van de Celtiberi en Lusitani een eigen staat. Tegen het einde van het jaar 77 bestuurt Sertorius Hispania Citerior en het grootste deel van Hispania Ulterior. Sertorius rebelleert wellicht niet zozeer tegen Rome, als wel tegen de constitutie die Sulla de Romeinen heeft opgelegd. Sertorius installeert in Hispania een senaat met 300 leden, die in hoofdzaak afkomstig zijn uit de kringen van Romeinse immigranten, maar waarin mogelijk ook enige inheemse inwoners van Hispania zitting hebben. Sertorius is streng voor zijn soldaten, van wie hij weinig door de vingers ziet, maar de locale inwoners behandeldt hij zeer welwillend en voorkomend. Overal waar hij heen gaat, heeft hij een wit reekalf bij zich. Verondersteld wordt dat hij middels dit dier communiceert met de godin Diana. Een en ander bevordert zijn populariteit onder de bijgelovige stammen. Sertorius krijgt ook steun van Perperna en van andere aanhangers van de niet-succesrijke anti-Sulla rebel Marcus Aemilius Lepidus.

Omdat Sertorius de troepen van Metellus Pius al enige jaren in het nauw drijft, zet de 28-jarige Gnaeus Pompeius de Senaat van Rome in 77 onder druk hem naar Hispania te zenden, om de Romeinse controle over het land te herstellen. Zijn pressiemiddel bestaat hieruit, dat hij in het onrustige Rome van die dagen, weigert zijn leger te ontbinden. Pompeius arriveert in 76 en maakt zich op om de strijd aan te binden met de opstandige Sertorius. Deze verbindt zich nog hetzelfde jaar met koning Mithradates VI van Pontus in Klein-Azië, een geduchte tegenstander van Rome. Sertorius biedt een paar jaar tegenstand aan Pompeius, maar in 75 wordt zijn bevelhebber Lucius Hirtuleius, verslagen bij Segovia. Pompeius vernielt niet de bestaansmiddelen van zijn tegenstanders en hij toont zich verzoenend nadat hij hen verslagen heeft. Deze politiek werpt vruchten af; in 74 begint het tij zich tegen Sertorius te keren. Het moreel van zijn inheemse troepen vermindert. Sertorius is genoodzaakt om harde maatregelen te nemen, om de discipline te handhaven, wat niet bevorderlijk is voor zijn populariteit. In 72 wordt hij vermoord door een samenzwering van officieren die jaloers zijn op zijn autoriteit en die geleid worden door Perperna. Hierna is het verzet in Hispania snel gebroken. Metellus Pius keert in 71 terug naar Rome, waar hem een triomftocht wacht. Pompeius keert, met zijn leger, als triomfator ook terug naar Rome waar hij in 70 tot consul wordt gekozen.

In 61 of 60 wordt Gajus Julius Caesar benoemd tot gouverneur van Hispania Ulterior, dat hij acht jaar daarvoor heeft leren kennen, toen hij daar als 32-jarige benoemd was tot quaestor.

Gedurende de oorlogen tussen Gajus Julius Caesar en Gnaeus Pompeius (49-45 v.Chr.) brengt Caesar al snel Hispania aan zijn kant. Hij verslaat in 49 de troepen van Pompeius bij Llerda (Lleida), maar nadat Pompeius, op de vlucht voor Caesar, in 48 in Egypte verradelijk is vermoord, maken zijn zoons Gnaeus en Sextus zich meester van Corduba (Córdoba). Zij winnen de steun van de inwoners van de stad en zetten het zuiden van het Iberisch schiereiland aan op te staan tegen Julius Caesar, die in november 46 zelf naar Hispania Ulterior gaat, om met de opstandelingen af te rekenen. De zonen van Pompeius gaan eerst een treffen uit de weg, maar uiteindelijk kiezen zij op 17 maart 45 positie op een hoogvlakte bij Munda (Morón de la Frontera), dichtbij Urso (Osuna). Caesar die zijn tegenstanders achterna jaagt, laat zijn leger in het dal halt houden. Hij lokt de beide broers naar beneden, om de strijd met hen aan te gaan. Nadat er urenlang woest gevochten is, werpt Caesar zich in de strijd om zijn uit veteranen bestaande 10e legioen te steunen. Een tactische troepenverplaatsing door Gnaeus, om een aanval van de Romeinse cavalerie het hoofd te bieden, wordt door de rest van zijn leger verkeerd begrepen. Denkende dat de terugtocht is begonnen, verbreken zij de linies, waardoor Caesar de slag en de oorlog kan winnen. Caesar straft de inwoners van Corduba voor hun steun aan de zonen van Pompeius door een bloedbad in de stad aan te richten. Hij keert terug naar Rome, waar hij – zoals bekend – 15 maart 44 in de Senaat wordt vermoord.

Het zal dan nog duren tot de regering van keizer Augustus, die, na de nederlaag van Marcus Antonius bij Actium in 31, heerser over het gehele Romeinse Rijk is geworden, vooraleer de militaire verovering van het Schiereiland wordt voltooid. De onderwerping van het laatste gebied, dat van het bergachtige Cantabrië in het noordwesten, geschiedt in de jaren 26 tot 19. Aanvankelijk, dus in de jaren 26-25 leidt Augustus de veldtocht zelf, maar in 19 voltooit een van zijn beste generaals, Marcus Vipsanius Agrippa, de onderwerping van de stammen in Cantabrië. Het verzet van de krijgslustige volkeren in het noorden is gebroken en het zuiden is geromaniseerd. De bevolking daar neemt de Latijnse taal en gebruiken over.

Waarschijnlijk kort na 19 v.Chr. wordt het Schiereiland verdeeld in drie provincies: Baetica, met de provinciale hoofdstad Corduba (Córdoba), door de Rio Guadiana afgescheiden van Lusitania, met de hoofdstad Emerita Augusta; en Tarraconensis, (nog steeds aangeduid als Hispania Citerior), dat gebaseerd is op Tarraco (Tarragona). Deze provinciale driedeling zal gehandhaafd worden totdat keizer Diocletianus (284-305) regeert. Dan worden Gallaecia en Carthaginensis afgesplitst van Tarraconensis.

Vanaf de tijd van Augustus, gaan de provinciale gouverneurs, die ten tijde van de Romeinse Republiek commandanten in militaire gebieden zijn geweest, hun aandacht meer en meer richten op het bestuur van hun provincie. Baetica, dat het meest volledig is gepacificeerd van Augustus’ drie provincies, wordt bestuurd door een proconsul die gekozen is door de Romeinse Senaat, terwijl Tarraconensis en Lusitania een gouverneur hebben die door de keizer zelf is aangewezen; zij zijn de legati Augusti. In Baetica worden financiële zaken behandeld door de quaestor, wat ook al het geval was onder de Republiek. In de beide andere provincies wordt deze taak verricht door agenten van de keizer (procuratores Augusti). De rechtsbedeling, altijd al de verantwoordelijkheid van de provinciale commandanten, wordt ondernomen vanuit een aantal centra. Ieder centrum heeft een eigen district of conventus. Baetica kent vier van deze centra: Corduba, de provinciale hoofdstad, Astigi (Ecija), Gades (Cádiz) en Hispalis (Sevilla). De grote provincie Tarraconensis kent zeven centra: Tarraco, Caesaraugusta (Saragossa), Carthago Nova (Cartagena), Clunia (Peñalba de Castro), Asturica (Astorga), Lucus Augusti (Lugo) en Bracara Augusta (Braga)7 en Lusitania drie: Scallabis (Santarém), Pax Iulia (Beja) en de provinciale hoofdstad Emerita Augusta.

Voor de grote provincie Tarraconensis wordt een extra functionaris toegevoegd, de legatus iuridicus, om de gouverneur bij te staan, althans vanaf de tijd van keizer Tiberius (14-37). De mate waarin de gouverneur kan worden beschouwd als een rechtsbron in zijn provincie, kan worden afgeleid uit de de opdracht aan municipia dat locale magistraten op de plaats waar zij rechtspreken dienen te beschikken over een afschrift van het edict van de gouverneur, waarin een specificatie is opgenomen van de soort processen waarin de gouverneur dient te worden gehoord.

Ten tijde van de Pax Augusta bloeien in Hispania kunsten en wetenschappen, getuige de vele bouwwerken. De befaamste over-blijfselen uit de Romeinse tijd zijn: de stadsmuren van Tarragona en Lugo, het theater en de openbare gebouwen in Mérida, de bruggen in Alcántara en Córdoba en de steden Italica en Ampurias (Emporion). Bijzonder mooie collecties van Romeinse kunst en overblijfselen kunnen worden bekeken in de Nationale Archeologische Musea in Madrid, Mérida en Tarragona en in de provinciale archeologische musea in Sevilla, Zaragoza en Barcelona. Ook verschillende onderwijsinstellingen genieten faam binnen en buiten Hispania. Buiten het Apennijnse schiereiland is er geen gebied dat zo volledig is geromaniseerd als vooral het zuiden van het Schiereiland. De neiging tot opstand is volledig verdwenen en er is een vreedzame samenleving ontstaan. Nergens anders in hun imperium hebben de Romeinen zo welbewust ernaar gestreefd een gebied zozeer te romaniseren als hun provincies in Hispania. Deze politiek dateert al uit de eerste twee eeuwen van de Romeinse aanwezigheid. Van Scipio Africanus de Oudere is bekend dat hij in 206 gewonde veteranen heeft achtergelaten in Italica (Santiponce bij Sevilla) en de Romeinse Senaat geeft in 171 toestemming dat zich 4.000 nakomelingen van Romeinse soldaten en inheemse vrouwen vestigen in Carteia, bij Algeciras. Andere plaatsen waar zich in de 2e eeuw v.Chr. al veteranen vestigen zijn Corduba (Córdoba) en Valentia (Valencia). Er is in deze periodem zeker sprake van migratie van het Apennijnse schiereiland naar de gebieden in het zuiden van Hispania waar zilvermijnen zijn. Voor het einde van de 2e eeuw v.Chr. worden er in Catalonië Romeinse villa’s gebouwd, waarvan de eigenaren wijn exporteren. Tot de tijd van Julius Caesar en Augustus worden er evenwel niet uitsluitend nieuwe plaatsen (coloniae) ten behoeve van Romeinse emeriti gesticht; sommigen vestigen zich in al bestaande inheemse plaatsen, als Tarraco en andere gaan wonen in plaatsen met een geringe inheemse bevolking, zoals Emerita Augusta. Vroeg in de 1e eeuw n.Chr. zijn er negen plaatsen in Baetica waar zich emeriti vestigen, acht in Taraconensis en vier of misschien vijf in Lusitania.

In de colonia, Genetiva Iulia te Urso (Osuna), welke plaats nog materiaal bevat uit de tijd van de stichting door Julius Caesar, is een inscriptie gevonden, die aantoont dat daar een gemeenschap was van Romeinse burgers met hun eigen magistraten, religieuze ambtenaren, gemeenteraad en land ten behoeve van de gemeenschap toebehorend aan de stad.

Gedurende de regering van Augustus en daarna tot aan de val van keizer Nero in 68 n.Chr. beginnen inheemsen hun gemeen-schappen in te richten naar Romeins model; zij stichten ook openbare gebouwen (met inbegrip van een forum, gebouwen voor locaal bestuur, tempels en badhuizen); enige plaatsen, waaronder Carteia, verwerven de status van municipium. Hierdoor krijgen de inwoners het zogenoemde `jus latii’, dat wil zeggen dat zij overeenkomsten, waaronder een huwelijk kunnen aangaan, die geregeerd worden door het Romeinse Civiele Recht. Ook kunnen de magistraten van de stad Romeinse burgers worden. Dit systeem neemt een grote vlucht onder de Flavische keizers: Vespasianus (69-79), Titus (79-81) en Domitianus (81-96). Van Vespasianus wordt gezegd dat hij de jus latii gegeven heeft aan alle gemeen-schappen van Hispania. Hoewel dit bijna zeker een overdrijving is, onthullen inscripties gevonden in steden van Baetica (vooral de lange inscriptie op zes bronzen plaquettes van Irni [bij Algámitas, Sevilla] opgegraven in 1981, het bestaan van een algemene regeling voor deze Latijnse municipia, ingevoerd tijdens de regering van Domitianus. Van de inwoners wordt verlangd dat zij de Romeinse wetgeving aanvaarden en hun municipium organiseren langs de lijnen die ook gelden voor de coloniae van Romeinse burgers. Het is waarschijnlijk dat de bijzondere belangstelling voor Hispania het resultaat is van de steun die de bewoners hebben gegeven aan Servius Sulpicius Galba, die sedert 60 gouverneur is van Tarraconensis en die vrezend dat keizer Nero hem wil laten vermoorden, zich in 68 aan het hoofd stelt van de opstand tegen Nero, met een leger naar Rome trekt en in 68-69 zeven maanden keizer is.

De mate waarin de bovenlaag van de bevolking in de dorpen en steden van Hispania, zowel immigranten als inheemsen, deel uitmaken van de elite van het Romeinse Imperium in de eerste eeuw na Christus, kan worden afgeleid uit het verschijnen van uit Hispania afkomstige personen in het Romeinse openbare leven. Een van hen is de filisoof en schrijver Lucius Annaeus Seneca (4 v.Chr.-65 n.Chr.) uit Corduba, de leraar en later adviseur van Nero. En de dichter Martial (38-103 n.Chr.), die geboren is in Biblilis (bij Calatayud) – een municipium sinds de tijd van Augustus – die in Rome actief was ten tijde van de Flavische keizers. Een groeiend aantal leden van de Romeinse Senaat komt uit Hispania, met inbegrip van Trajanus en Hadrianus, die later keizer zullen worden, respectievelijk in de jaren 98-117 en 117-138. Zij zijn beide afkomstig uit Italica.

In dezelfde periode neemt het aantal in Hispania gelegerde Romeinse soldaten voortdurend af. Tijdens de Cantabrische Oorlog onder Augustus is het aantal legioenen gestegen tot zeven of acht, maar tijdens de regering van zijn opvolger, Tiberius, is dit aantal gereduceerd tot drie en verder tot één tegen de tijd dat Galba aan de macht komt. Vanaf de tijd van Vespasianus tot aan het einde van het Romeinse Keizerrijk is de strijdmacht aan legionairs op het Schiereiland beperkt tot legioen VII Gemina Felix, dat gelegerd is in Legio (León) in het noorden. Zowel dit legioen als de eenheden van hulptroepen in Hispania schijnen in toenemende mate gerekruteerd te worden op het Schiereiland zelf en soldaten uit Hispania dienen overal in de Romeinse Wereld, van Britannië tot Syrië. Na de tijd van Vespasianus is de militaire activiteit in Hispania beperkt en incidenteel, zoals bij het afslaan van een aanval van Mauri (waarschijnlijk Berbers) uit Afrika in de jaren na 170 en bij over-vallen door barbaren gedurende de chaotische periode tegen het einde van de 3e eeuw, waarin, volgens latere bronnen, Tarraco geplunderd zou zijn. Het lijkt waarschijnlijk dat legioen VII Gemina Felix aan het eind van de 3e of in de 4e eeuw gesplitst is en dat een deel van de soldaten is ingedeeld bij de comitatenses, het mobile leger dat de keizer begeleidt. Er moet sprake zijn van een verdere troepenvermindering als legionairs gaan meevechten in de burger-oorlog, die uitbreekt nadat de usurpator Constantijn in 406 de macht wil overnemen van keizer Honorius. Zij kunnen echter weinig uitrichten tegen de Vandalen, Sueven (Zwaben) en Alanen die in 409 over de Pyreneeën naar het Schiereiland komen.

De economie van Hispania in de Romeinse tijd heeft, zoals overal in de antieke wereld, vooral een agrarisch karakter. Boven de voort-brenging van agrarische producten voor locaal gebruik, is er sprake van een aanzienlijke agrarische export. Dat is gebleken uit onderzoek van scheepswrakken en amphorae die gevonden zijn in Spanje en elders in de Romeinse Wereld. Van speciaal belang zijn de amphorae van de Monte Testacio, een 50 meter hoge heuvel bij Rome, die in hoofdzaak bestaat uit de scherven van amphorae waarin in de drie eerste eeuwen olijfolie is vervoerd van Baetica naar Rome. Wijn uit Baetica en Tarraconensis is, ondanks dat deze wijnen in Rome niet erg gewild zijn, van de 1e eeuw voor tot aan het midden van de 2e eeuw na Chr. in grote hoeveelheden verscheept. Hispania is ook bekend om zijn pikante vissauzen, vooral sauzen gemaakt van tonijn en makreel, waarvan de bekendste garum is. Hispania exporteert ook glas, fijn aardewerk en espartogras (voor het maken van touwen en manden.)

Naarmate de Romeinen grotere gebieden van Hispania zijn gaan controleren, verspreiden zij er hun religie. Langs de oostkust en in de Baetisvallei absorberen of vervangen de anthropomorfische goden en godinnen van de Romeinen de niet als mensen voorgestelde goden van de inheemse bevolking. Dit is vooral het geval in de geromaniseerde dorpen en steden. In gebieden die door Grieken of Phoeniciërs gekoloniseerd zijn, herkennen de bewoners hun eigen goden in de Romeinse goden. Het meest overtuigende voorbeeld hiervan is de bekende cultus van Hercules/Melqart in Gades. In het noorden en westen van het Schiereiland, waar de Romeinen later doordringen, worden de oorspronkelijke inheemse goden en godinnen langer vereerd. Tijdens het keizerrijk is de eredienst voor de keizer wijdverspreid, vooral in de provinciale hoofdsteden. Bovendien kunnen inheemse burgers hiermee hun trouw aan de keizer tonen en het priesterschap in de cultus van de keizer is een niet onbelangrijk deel in de carrière van locale functionarissen. Geheimzinnige religies uit het oosten van het gebied van de Middellandse Zee duiken in de 1e en 2e eeuw na Chr. ook op in Hispania, vooral de verering van de Egyptische godin Isis. Het christendom bereikt het Schiereiland in de 3e eeuw, al is in de eeuw daarvoor sporadisch sprake van christelijke Romeinen. (zie hierna)

Aanvankelijk vestigen de Romeinen het provinciale bestuur van Lusitania in de onbeduidende plaats Olisipo Felicitas Iulia (Lissabon). Het gevolg hiervan is dat veel Romeinse burgers zich in Olisipo vestigen. Hierdoor groeit de stad uit tot municipium; naast twee andere municipia in Lusitania: Myrtilis (Mértola) en Salacia (Alcácer do Sal). In 25 v.Chr. wordt de door Augustus gestichte stad Emerita Augusta (Mérida) echter de hoofdstad van Lusitania. De veteranen, emeriti, van het vijfde en tiende legioen kunnen zich daar als boeren vestigen. Emerita Augusta wordt een grote stad met belangrijke monumenten. Ook in andere steden verrijzen monumenten. Bewaard gebleven zijn: de `Tempel van Diana’ in Ebora (Évora) en de Mozaïeken van Conimbria (bij Coimbra).

In de vier eeuwen van Romeins bestuur ontstaat een uitgebreid net van wegen, dat iedere hoofdstad van een conventus en alle municipia met elkaar verbindt. In Gallaecia loopt een weg van Bracara over Aquae Flaviae (Chaves) en Asturica Augusta (Astorga) naar Legio (Léon) waar Romeinse legionairs zijn gelegerd. Ossonoba, Pax Iulia en Emerita Augusta hebben verbinding met Hispalis, de conventus ten oosten van de Rio Guadiana. Het dicht bevolkte Gallaecia en de vele steden in het zuiden zijn door drie wegen door het nauwelijks bewoonde gebied tussen de Taag en de Douro met elkaar verbonden. Vooral de meest westelijke gelegen verbinding van Olisipo naar Bracara is van uitzonderlijk belang. Langs deze weg ontstaan vele neder-zettingen die ertoe leiden dat nog heden ten dage het westen van Portugal veel dichter bevolkt is dan het oosten. Ten noorden van de Douro ontstaan geen Romeinse nederzettingen. In de Romeinse tijd wordt in de omgeving van Pax Iulia en Ebora tarwe verbouwd; de Taagvallei geniet faam vanwege zijn paarden en boerderijen en Alentejo beschikt over belangrijke mijnen, bijvoorbeeld voor de winning van zilverhoudend koper in Aljustrel. Tegen het einde van de derde eeuw voegt keizer Diocletianus de gebieden Bracarensis, Lucensis en Asturicensis bijeen tot een nieuwe provincie Gallaecia, met hoofdstad Bracara. Bracara is waarschijnlijk ontstaan doordat de bewoners van de castros zich in vreedzame tijden in lager gelegen gebieden hebben gevestigd. Met uitzondering van een incidentele inval van de Franken in 256 n.Chr., waarbij Tarraco bijna geheel verwoest wordt, kent Hispania 400 jaar vrede en voorspoed, gedurende welke tijd handel en kunsten bloeien.

Het christendom bereikt Lusitania in de 3e eeuw vanuit Afrika, al zullen zich onder de Romeinse soldaten en burgers voordien sporadisch ook reeds christenen bevonden hebben. Het nieuwe geloof verspreidt zich vanuit de steden over het zuiden van Lusitania. Het bereikt daarna het noorden van de provincie en in de 4e eeuw wordt ook Gallaecia voor het christendom gewonnen. Dat het zuiden van Hispania het eerst gekerstend is, blijkt daaruit dat in 305 een kerkvergadering, de eerste op het Iberisch schiereiland, plaatsvindt in Elvira (Elviria) aan de zuidkust. Op dit `concilie’ zijn slechts 19 bisschoppen (en 24 priesters) aanwezig. Een van hen is de beroemde bisschop van Córdoba, Hosius of Ossius8 (256-357/358), adviseur in religieuze zaken aan het hof van keizer Constantijn, nadat deze zich in 312 tot het Christendom heeft bekeerd. Uit het geringe aantal aanwezige bisschoppen, in een tijd waarin bijna iedere plaats van enige betekenis bisschopsstad is, kan worden afgeleid dat in 305 nog slechts het zuiden van Hispania het nieuwe geloof heeft aanvaard. Het ‘Concilie’ van Elvira is van grote historische betekenis. Niet alleen wordt het priestercelibaat geïntroduceerd, maar de kerkvergadering markeert tevens het begin van de vijandige houding van de rooms-katholieke kerk tegenover de joden. Terwijl deze tot dan toe dezelfde rechten hebben als andere burgers, wordt hun voortaan verboden gastvrijheid te verlenen aan christenen. Ook huwelijken tussen joden en christenen zijn voortaan uit den boze, tenzij de joodse huwelijkspartner zich eerst tot het christendom bekeert.

De kerstening van Hispania wordt ongetwijfeld bevorderd, door de afkondiging van het Edict van Milaan in. Bij dit besluit stelt keizer Constantijn de Grote geloofsvrijheid en gelijkberechtiging van het christendom aan de heidense cultus in. Niet na te gaan is, in welk jaar er in Lusitania en Gallaecia bisdommen zijn gesticht. In de 4e of 5e eeuw zijn Olisipo, Ebora en Ossonoba als sedes episcopalis (bisschopsstad) bekend, terwijl in Emerita de aartsbisschop zetelt. In Gallaecia zijn twee bisdommen: het aartsbisdom Bracara en het bisdom Aquae Flaviae. De kerk wordt in 318 geconfronteerd met het arianisme, genoemd naar Arius, presbyter in Alexandrië. Het arianisme, dat de godheid van Christus ontkent, wordt in 325 op het Concilie van Nicaea als ketterij veroordeeld. Desondanks zal het arianisme zich tot 381 staande weten te houden. De leer verwerft zich ook aanhangers in Lusitania en Gallaecia. De eerste bisschop van Olisipo, Potamius, aanvaardt voor zijn dood omstreeks 360 nog de ariaanse leer. Op het Iberisch schiereiland ontstaat nog een andere ketterij, het priscillianisme. De leer is genoemd naar een jonge rijke Hispano-Romeinse edelman, Priscillianus, die zijn prediking, waarin de menselijke natuur van Christus geloochend wordt, sterk de nadruk legt op ascese. Hij begint ongeveer in 375 rond Córdoba en Mérida met zijn prediking. De bisschoppen Hyginus van Mérida en Ithacius van Ossonoba veroordelen de nieuwe leer, die in 380 door de Kerkvergadering van Zaragoza verworpen wordt, maar Priscillianus wordt toch tot bisschop van Ávila gekozen. Nadat hij in 384 door de Synode van Bordeau veroordeeld is, laat de Romeinse keizer Magnus Maximus hem in 385 in Trier berechten. Hij wordt schuldig verklaart aan tovenarij en immoraliteit en met zes volgelingen terechtgesteld. Een aanhanger van de leer van Priscillianus wordt echter verkozen tot metropoliet van Bracara, dat daarmee een centrum van het priscillianisme wordt. De val van keizer Maximus in 388 leidt tot een opleving van de ketterij, die in 400 opnieuw wordt veroordeeld op de kerk-vergadering van Toledo. De leer wordt in 408 verboden door keizer Flavius Honorius. Uiteindelijk wordt het priscillianisme in 563 in Braga als ketterij gebrandmerkt, waarna het ook in Gallaecia verdwijnt.

    1. Dit blijkt uit de gevonden bits van paarden, dolken en delen van schilden; hun tweesnijdend zwaard is door de Romeinen overgenomen

    1. Zijn volledige naam luidt: Publius Cornelius Scipio Aemelianus Africanus

    2. Waarmee Cato de Censor, die voortdurend op de verwoesting van Carthago heeft aangedrongen, zijn zin heeft gekregen.

    3. Hij is de zoon van Lucius Aemilius Paulus Macedonius, een held uit de Derde Macedonische Oorlog, en de kleinzoon van de gelijknamige figuur die in 216 gevallen is in de Slag bij Cannae. Scipio Africanus de Jongere is geadopteerd door Publius Scipio, de zoon van Scipio Africanus de Oudere, de Hannibal heeft overwonnen.

    4. Ambtenaar die criminele zaken onderzoekt.

    5. Zijn eerste triomftocht was in 146, na de val van Carthago.

    1. Aanvankelijk heeft de provincie Lusitania ook de gehele noordwesthoek van Hispania omvat, maar rond 5 v.Chr. wordt het gehele gebied ten noorden van de Rio Douro (Gallaecia) toegevoegd aan de provincie Tarraconensis, waarvan het onder Diocletiuanus weer wordt afgesplitst.

      1. De bisschop, die in 324 door Constantijn naar het Oosten is gezonden, belegt een synode van Egyptische bisschoppen in Alexandrië en van Syrische bisschoppen in Antiochië. Op beide kerkvergaderingen worden Arius, zijn volgelingen en het arianisme veroordeeld. Hosius speelt ook een invloedrijke rol op het in 325 bijeengeroepen oecumenisch Concilie van Nicaea, dat het arianisme ook veroordeelt.

1.3. De koninkrijken van Sueven en Visigoten

Notes:

1 Dit blijkt uit de gevonden bits van paarden, dolken en delen van schilden; hun tweesnijdend zwaard is door de Romeinen overgenomen.

2 Zijn volledige naam luidt: Publius Cornelius Scipio Aemelianus Africanus

3 Waarmee Cato de Censor, die voortdurend op de verwoesting van Carthago heeft aangedrongen, zijn zin heeft gekregen.

4 Hij is de zoon van Lucius Aemilius Paulus Macedonius, een held uit de Derde Macedonische Oorlog, en de kleinzoon van de gelijknamige figuur die in 216 gevallen is in de Slag bij Cannae. Scipio Africanus de Jongere is geadopteerd door Publius Scipio, de zoon van Scipio Africanus de Oudere, de Hannibal heeft overwonnen.

5 Ambtenaar die criminele zaken onderzoekt.

6 Zijn eerste triomftocht was in 146, na de val van Carthago.

7 Aanvankelijk heeft de provincie Lusitania ook de gehele noordwesthoek van Hispania omvat, maar rond 5 v.Chr. wordt het gehele gebied ten noorden van de Rio Douro (Gallaecia) toegevoegd aan de provincie Tarraconensis, waarvan het onder Diocletiuanus weer wordt afgesplitst.

8 De bisschop, die in 324 door Constantijn naar het Oosten is gezonden, belegt een synode van Egyptische bisschoppen in Alexandrië en van Syrische bisschoppen in Antiochië. Op beide kerkvergaderingen worden Arius, zijn volgelingen en het arianisme veroordeeld. Hosius speelt ook een invloedrijke rol op het in 325 bijeengeroepen oecumenisch Concilie van Nicaea, dat het arianisme ook veroordeelt.

Categorieën
Portugees kolonialisme

De Phoeniciërs op het Schiereiland. Het Iberisch schiereiland tot aan de inval van de moslims

Deel 1 Index

Hoofdstuk 1

Het Iberisch schiereiland tot aan de inval van de moslims

1.1 De Phoeniciërs op het Schiereiland

Geschreven door Arnold van Wickeren

De Phoeniciërs (Feniciërs) bereiken het zuiden van het Iberisch schiereiland, door hen Baetica genoemd, omstreeks 1100 v.Chr. De stad Tyrus zou in Spanje de kolonie Gadir (Cádiz) hebben bezeten, maar dat kan niet worden bewezen. Opgravingen hebben wel aangetoond dat de Phoeniciërs zich na 800 v.Chr. in het zuiden van Spanje hebben gevestigd. Hun zoektochten naar nieuwe handels-artikelen voeren hen steeds verder naar het westen en Baetica trekt hen aan wegens zijn minerale rijkdommen. De nog niet aangesproken zilveraders en de alluviale afzettingen van tin en goud kunnen hen voorzien van ruwe materialen, waarmee zij tegemoet kunnen komen aan de vraag van de Assyriërs. De Assyriërs, aan wie Tyrus het grootste deel van de 8e en 7e eeuw onderworpen is, hebben de neiging het door de stad te betalen tribuut te verhogen. De Phoeniciërs treffen in de stroomgebieden van de Baetis (Guadalquivir) en de Anas (Guadiana) uitzonderlijk vruchtbare gebieden aan die uitstekende tarwe, olijfolie en wijn opleveren. Genoemde rivieren en hun zijrivieren voeren vanuit de Sierra Morena goud, zilver, kwik-zilver, tin, lood, koper en ijzer aan. Rond het jaar 700 v.Chr. is de zilverexport van de mijnen in het stroomgebied van de Rio Tinto zo overvloedig dat de prijs van onbewerkt zilver in de Assyrische Wereld daalt.

De Phoenicische handel wordt beheerst door familiebedrijven van scheepseigenaren en fabrikanten die gevestigd zijn in Tyrus of Byblos en die hun vertegenwoordigers naar het buitenland sturen. Dit verklaart de rijke Phoenicische graftomben die gevonden zijn in Almuñécar, Trayamar en Villaricos. Deze tomben bevatten uit de metropool Tyrus aangevoerde luxe goederen, zoals albasten wijnkruiken, geïmporteerd Grieks aardewerk en zeer kunstzinnige gouden juwelen. De Phoeniciërs koloniseren Baetica en stichten vanaf de Balearen (Ibiza) tot Gadir (Cádiz) aan de Atlantische kust handelsposten, waar zij handeldrijven in gezouten vis, verfstoffen en textiel. Zij hebben zich vermoedelijk ook neergelaten aan de kust van de Algarve, want de vroegere havenstad Ossonoba zou van Phoenicische oorsprong zijn. Er zijn vroege Phoenicische vestigingen bekend in Morro de Mezquitilla, Toscanos en Guadalhorce en voorts zijn de heiligdommen Gorham’s Cave in Gibraltar en de Tempel van Melqart op het eiland Sancti Petri bij Cádiz van Phoenicische oorsprong.

De Phoeniciërs bezitten tot 630 v.Chr. het monopolie van de handel met het Iberisch schiereiland. In dat jaar landt een schipper afkomstig van het Griekse eiland Samos bij de `Zuilen van Hercules’. Hij is, terwijl hij op weg was naar Egypte, door een zeer krachtige oostenwind de gehele Middellandse Zee doorgeblazen en belandt uiteindelijk in de buurt van het huidige Gibraltar in Tartessus. Door met de verkoop van zijn lading zestig talenten te verdienen, opent hij voor de Grieken een nieuwe handelsroute. Griekse zeelieden knopen daarop handelsbetrekkingen aan langs de gehele oostkust van het Schiereiland en zij bereiken reeds vóór het jaar 600 v.Chr. de monding van de Rhône. Desondanks blijft de handel in het gebied overwegend in handen van Phoeniciërs. Vanaf 650 v.Chr. heeft Carthago, dat in 814 v.Chr. door de Phoeniciërs is gesticht, de beschikking over een eigen vloot. De stad ontwikkelt zich tot een grote handelsmacht. In 510 v.Chr. erkent de Romeinse republiek bij verdrag het Carthaagse handelsmonopolie in het westelijk bekken van de Middellandse Zee.

Nadat Tyrus in 573 v.Chr., na een belegering van twaalf jaar, in handen is gevallen van en zich onderworpen heeft aan de Babylonische koning Neboekadnessar II, neemt de eerdere welvaart tot de 4e eeuw langzaam af. Vele kolonies overleven, evenwel, en Abdera (Adra), Baria (Villaricos), Carmona (Carmo) Gadir (Cádiz), Malaca (Málaga) en Sexi (Almuñécar) gedijen onder het handels-systeem dat Carthago heeft gesticht voor het westelijk deel van de Middellandse Zee. Eivissa (Ibiza) wordt een belangrijke Carthaagse kolonie en het eiland produceert verfstoffen, zout, visolie en wol. De mondingen van de Guadalquivir en de Guadiana zijn ook rijk aan vis. De visvangst en de visindustrie gaat een belangrijke rol spelen in de economie van dit gebied. Gezouten aal is een delicatesse bij de maaltijd van de Atheners. Ook de vangst van tonijn is in Tartessus, zoals de Phoeniciërs de kuststreek noemen, van belang. In het westen van het Schiereiland strekt de invloed van de Phoenicische cultuur zich niet verder naar het noorden uit dan tot Alentejo en Estremadura. Ten noorden van de Rio Mondego en in Galicië domineren tot ongeveer 500 v.Chr. culturen uit de IJzertijd. Er ontstaan talrijke (in Galicië meer dan 5.000) kleine gefortificeerde Keltische nederzettingen op de heuveltoppen. Deze nederzettingen, castros genaamd, blijven tot aan de Romeinse tijd vitale gemeen-schappen.

Na afloop van de Eerste Punische Oorlog (264-241 v.Chr.) heeft Carthago Sardinië en Sicilië aan Rome moeten afstaan, terwijl de stad bovendien in tien jaar een schatting voor door Rome geleden oorlogsschade dient te betalen van 3.200 talenten. Om zich voor deze verliezen schadeloos te stellen laat Carthago het oog vallen op Iberia, met zijn rijke ertsgebied in de Sierra Morena. In 237 landt een Carthaags leger, onder Hamilcar Barca bij Gadir (Cádiz). Hij heeft zijn tienjarige oudste zoon Hannibal (en wellicht ook zijn tweede en derde zoon Hasdrubal en Mago) bij zich. Hamilcar Barca heeft zijn sporen verdiend in de strijd met de Romeinen om Sicilië, maar nadat de Carthaagse vloot in 241 door Gajus Lutatius Catulus is verslagen, is zijn positie op Sicilië onhoudbaar geworden en heeft hij met de Romeinen vrede moeten sluiten. Hamilcar Barca is daar-na teruggekeerd naar Noord-Afrika, waar zijn huurlingenlegers in opstand zijn gekomen. Nadat hij in 238 de aan de rebellen verloren gegane provincies op hen heroverd heeft, is zijn populariteit zodanig gestegen dat hij Iberia voor Carthago mag veroveren.

Hamilcar Barca sticht in Iberia de stad Acra Leuce (Alicante?) en verovert, daarbij geholpen door zijn schoonzoon, eveneens Hasdrubal geheten, grote delen van het zuiden van Iberia tot aan de Sierra Morena. Uit de opbrengst van de mijnen kan Carthago in 231 inderdaad de laatste termijn van de door Rome opgelegde (symbolische) oorlogsschatting voldoen. Met de komst van de Carthagers breekt een geheel nieuwe periode aan voor het Schiereiland. Hasdrubal, de schoonzoon van Hamilcar, volgt, nadat zijn schoonvader in 229 tijdens de veldtocht verdronken is, Hamilcar Barca op als strateeg en gouverneur van Punisch Iberia, dat hij door veroveringen uitbreidt. Hij sticht in 227 bij Mastia de stad Qart Hadasht of Cartagena (Carthago Nova). De stad ontwikkelt zich tot een belangrijke stapelplaats van goederen aangevoerd vanuit het gehele Iberisch schiereiland en zelfs uit Gallië. Cartagena drijft handel met geheel Europa en voert bijvoorbeeld tin en koper in uit Brittannië en amber uit het Balticum. In 226 sluit Hasdrubal met de Romeinse bevelhebber en staatsman Quintus Fabius Maximus Cunctator het voor Carthago zeer gunstige Ebro-verdrag, waarin bepaald wordt dat de Carthaagse invloedssfeer reikt tot aan de Rio Ebro. De Puniërs mogen desondanks handeldrijven met stammen ten noorden van de Iberus (Ebro), mits zij deze rivier niet gewapenderhand overschrijden. Voorts is vastgelegd dat Griekse kolonie Massalia (Marseille), die een bondgenoot van de Romeinen is, niet meer dan twee factorijen in Iberia mag hebben. De Massaliothische steunpunten – Rhode en Emporion – liggen beide ten noorden van de Iberus. Het verdrag bevestigt ook de onafhan-kelijkheid van Saguntum (Zakantha), een door Griekse kolonisten uit Zákinthos gestichte stad ten noorden van het huidige Valencia.

Nadat Hasdrubal in 221 vermoord is, neemt de 26-jarige Hannibal, de zoon van Hamilcar Barca, het bevel over de Carthaagse troepen in Iberia over. Hannibal stelt zich tot taak de Punische aanwezigheid in Iberia te consolideren. Hij huwt een Iberische prinses, Imilce, en begint direct met het onderwerpen van verschillende Iberische stammen. Hij vecht tegen Olcades en neemt hun hoofstad Althaea in; hij pacificeert de Vaccaei in het noordwesten en in 221 maakt hij van de zeehaven, Qart Hadasht (Cartagena) de hoofdstad van Punisch Iberia, zijn uitvalsbasis. Hannibal behaalt een klinkende overwinning op de Carpetani in het stroomgebied van de Taag. In 219 doet hij een aanval op de onafhankelijke Griekse stad Saguntum, dat een vriendschapsverdrag met Rome heeft gesloten. De inwoners verzetten zich dapper en pas na een belegering van acht maanden moet de stad zich overgeven. Bij de aanval wordt Hannibal ernstig gewond. Tijdens de belegering is Rome Saguntum niet te hulp gekomen, het heeft zich beperkt tot het zenden van gezanten naar Carthago, om tegen de belegering protest aan te tekenen. Na de val van Saguntum vraagt Rome aan Carthago Hannibal te bevelen naar Carthago terug te keren. Als deze eis wordt afgewezen, leidt dit tot de Tweede Punische Oorlog (218-201 v.Chr.).

Hannibal brengt de winter van 219-218 door in Qart Hadasht (Cartagena), terwijl hij voorbereidingen treft om de oorlog naar het Appenijns schiereiland te brengen. In het voorjaar van 218 geeft hij zijn broer Hasdrubal Barca het bevel over een aanzienlijke legermacht, om zowel Iberia als Noord-Afrika te verdedigen. Hij trekt zelf in april of mei met wellicht 40.0001 man de Iberus over en marcheert op naar de Pyreneeën, waarbij hij vergezeld wordt door zijn jongste broer Mago. Kort voordat Rome verneemt dat Hannibal met een troepenmacht de Iberus heeft overschreden, heeft het Carthago al de oorlog verklaard. Hannibal ontmoet op zijn weg naar Italië hardnekkige tegenstand van stammen in de Pyreneeën. Dit leidt tot desertie van een deel van zijn Iberische troepen, waardoor zijn leger aanzienlijk slinkt. Dankzij heel weinig verzet van de stammen in het zuiden van Gallia, bereikt Hannibal vlot de Rhône. Ondertussen heeft de Romeinse generaal Publius Cornelius Scipio zijn leger, dat in Noord-Italië door een rebellie was opgehouden, per schip naar Massalia vervoerd. Als Scipio langs de rechteroever van de Rhône naar het noorden trekt, bemerkt hij dat Hannibal de rivier al is overgestoken en dat hij langs de linkeroever naar het noorden opmarcheert. Scipio begrijpt dat het wellicht Hannibals bedoeling is de Alpen over te trekken en keert met zijn leger naar Noord-Italië terug, vast van plan Hannibal daar op te wachten.

Volgens Polybius is Hannibal de Rhône overgestoken op vier dagmarsen van de zee. Als dit waar is, dan is Fourques tegenover Arles de meest waarschijnlijke plaats van de oversteek. Er is ook wel geopperd dat hij is overgestoken ten noorden van de samen-vloeiing van de Isère en de Rhône. Hoe dit ook zij, Hannibal moet gebruik hebben gemaakt van vaartuigen van verschillende soort van de lokale inwoners. Voor de olifanten heeft hij eerst pieren die zover mogelijk de rivier insteken laten aanleggen. Hij heeft deze dieren vanaf het uiteinde van de ene pier, op met aarde bedekte vlotten, naar het uiteinde van de andere pier doen varen. Zijn paarden heeft hij overgezet in lange boten, of zij hebben naar de overkant moeten zwemmen. Tijdens deze operatie verschijnen er op de andere oever vijandige Galliërs. Hannibal zendt een leger onder bevel van Hanno verder naar het noorden, om daar de rivier over te steken en de Galliërs in de rug aan te vallen.

Na de oversteek wordt Hannibal ontvangen door vriendelijke Gallische leiders, onder aanvoering van in Noord-Italië wonende Boii, een Keltische stam die veel kennis heeft van de Alpenpassen, zodat Hannibal hun hulp erg goed kan gebruiken. Zijn leger over-schrijdt de Durance (waarschijnlijk gaat het om een oude zijtak, die bij Avignon in de Rhône stroomt) en het bereikt een gebied dat aangeduid is met de term `het eiland’, wat van grote betekenis voor het vervolg van de tocht zal zijn. Volgens Polybius is het een vruchtbare, dichtbevolkte driehoek omgeven door heuvels, bij de Rhône en bij een andere rivier, de Aygues of de Isère. Op `het eiland’ woedt een burgeroorlog tussen twee broers van een onbekende stam. Brancus, de oudste van de twee, voorziet, in ruil voor Hannibals militaire hulp, het Cartageense leger, van voorraden, waaraan het, na een tocht van vier maanden, waarbij 750 mijl is afgelegd, dringend behoefte heeft.

Hannibals leger nadert de Alpen bij de Col de Grimone of de Col de Cabre, trekt door het stroomgebied van de Durance, klimt door het dal van de Arc naar de Mont Cenis en geraakt via de gelijknamige pas2 in het dal van de Susa. Vandaar daalt het leger af naar de Povlakte, waarbij het gebied van de vijandige Taurini wordt overschreden. Hannibal verwoest daar hun hoofdstad (thans Turijn)

Hannibals leger is door de tocht over de Alpen zozeer verzwakt, dat het geen partij is voor de troepen waarover Scipio beschikt en waarmee hij is opgerukt tot aan de Po, om de kort geleden gestichte Romeinse kolonies Placentia (Piacenza) en Cremona bescherming te bieden. Het eerste treffen tussen de twee legers grijpt plaats op de vlakte ten westen van de Ticino, waarbij Hannibals Numidische cavalerie de overhand krijgt.

Scipio is bij het treffen zwaar gewond geraakt en de Romeinen trekken zich terug op Placentia. Nadat Hannibal vergeefs getracht heeft aan te sturen op een tweede treffen, ontmoet Hannibal in december 218 de gecombineerde strijdmacht van Tiberius Sempronius Longus en Publius Cornelius Scipio op de linkeroever van de Trebbia bij Placentia. De Romeinen worden massaal de rivier in gedreven en verdrinken, slechts een kleine minderheid, vooral cavaleristen, weet Placentia te bereiken. Deze overwinning doet zowel de Gallische volkeren in Gallia Cisalpina (Povlakte), zoals de talrijke Insubres en de Boii, als de Liguriërs partij kiezen voor Hannibal, wiens leger aanzienlijk wordt versterkt met Keltische rekruten. Na een strenge winter, waarbij hij getroffen wordt door een oogontsteking, is Hannibal in staat in het voorjaar van 217 op te trekken naar de Arno. Ofschoon er twee Romeinse legers tegen hem in het veld zijn, weet Hannibal de strijdmacht onder bevel van Gajus Flaminius, die gelegerd is in Arretum (Arezzo) onopgemerkt te passeren en Faesulae (Fiesole) en Perugia te bereiken. Als Flaminius merkt dat Hannibals leger hem is gepasseerd, haast hij zich naar het zuiden, mogelijk om zijn troepen te verenigen met die van Servilius, die vanuit Ariminum (Rimini) nadert. Hannibal beweegt Flaminius een open gevecht aan te gaan. Flaminius trekt met zijn troepen het smalle bebost Pierledal3 in, op 16 kilometer ten oosten van Cortona, waar Hannibal een groot deel van zijn troepen heeft verstopt. De niets vermoedende Romeinen worden onverhoeds aangevallen. Het aantal gesneuvelden aan Romeinse kant, onder wie Gajus Flaminius, bedraagt 15.000 en aan de kant van Hannibal niet meer dan 1.000. Hannibal zendt de volgende dag zijn aanvoerder Maale met zijn troepen het dal in, om de resterende 6.000 nog levende Romeinen te doden4. Versterkingen bestaande uit 4.000 ruiters, onder bevel van Gajus Centenius, worden door Hannibal onderschept en eveneens vernietigd. De soldaten van Hannibals leger zijn na alle veldslagen te uitgeput om hun overwinningen te consolideren en marcheren naar het zuiden. Hannibal zelf koestert de valse hoop dat de bondgenoten van Rome naar hem zullen overlopen en daarmee een burgeroorlog zullen veroorzaken. Hannibal rust in de zomer van 217 uit in Picenum, maar later verwoest hij Apulia en Campania. Ondertussen past Quintus Fabius Maximus Cunctator verschillende tactieken toe, om Hanibal naar de heuvels te lokken, omdat daar zijn cavelarie nutteloos is. Dit en zijn soms succesrijke pogingen om Hannibals bevoorrading af te snijden, leiden tot schermutselingen tussen de twee legers. Fabius tactieken leiden tot onenigheid met Minucius Rufus, zijn bevelhebber over de cavalerie. Het gevolg hiervan is dat het volk van Rome het commando tussen Minucius en Fabius verdeelt. In de vroege zomer van 216 trekt Hannibal plotseling naar het zuiden en neemt het grote legerbevoorradingsdepot van Cannae, gelegen aan de Aufidus (Ofanto), in. De Romeinse consuls van 216 v.Chr., Lucius Aemilius Paulus en Gajus Terentius Varro, trekken met een legermacht van 80.000 man naar Cannae voor een beslissende slag met Hannibal, die beschikt over 40.000 infanteristen en 10.000 cavaleristen. Op 2 augustus vindt de Slag van Cannae (Monte di Canne) plaats. Met de zee drie mijl achter hen en de rivier de Aufidus aan hun rechter zijde, kijken de Romeinen uit naar het zuidwesten. Hun cavalerie van 6.000 ruiters, is opgesteld op de vleugels. Zij hebben een uitzonderlijk smalle maar zeer diepe formatie infanterie in het midden geplaatst. Het is de bedoeling dat de infanteristen de linies van Hannibal doorbreken. Het centrum van Hannibals opstelling, bestaat uit Gallische en Iberische infanterie, zijn zeer ervaren Lybische infanterie staat aangetreden aan de flanken en zijn cavalerie bevindt zich op de vleugels van zijn opstelling. Hannibals Galliërs en Iberiërs in het centrum krijgen het zwaar te verduren onder de krachtige aanvallen van de superieure Romeinse infanterie, die een diepe wig in zijn linies drijft, zonder deze te doorbreken. Naarmate de Romeinen dieper doordringen in de Punische linies wordt hun positie hachelijker. Hannibal laat het Romeinse leger insluiten door zijn Lybische infanterie en cavalerie, die het in de rug aanvallen. De Romeinen worden door de Lybiërs, die de eigen cavalerie in hun rug hebben, zo nauw ingesloten dat zij hun wapens niet meer kunnen hanteren. Zij worden in stukken gehakt. Van de oorspronkelijke 80.000 Romeinen weten er slechts 14.000 te ontsnappen, 10.000 soldaten geven zich over en de rest wordt gedood; Hannibal verliest niet meer dan 6.000 man. Hij zendt zijn broer Mago naar Iberia terug, om het land tezamen met zijn broer Hasdrubal Barca tegen de Romeinen te verdedigen.

De grote overwinning van Hannibal doet verschillende regio’s op het Apennijnse schiereiland naar hem overlopen, maar Hannibal marcheert niet naar Rome; hij brengt de winter van 216-215 door in Capua, waardoor de gevechtskracht van zijn leger langzamerhand afneemt. De Romeinen gaan de door Quintus Fabius Maximus voorgestelde tactiek volgen. Zij verdedigen de aan Rome trouw gebleven steden en als de gelegenheid zich voordoet willen zij steden die Hannibal in handen zijn gevallen terugwinnen, maar zij zullen niet ingaan op een uitnodiging van Hannibal een grote slag aan te gaan. Omdat Hannibal over te weinig manschappen beschikt om deze te kunnen verspreiden om het overal tegen de Romeinen te kunnen opnemen en de Romeinen een beslissende slag uit de weg gaan, ontstaat er een impasse. Hannibal is gedwongen zijn aanvallen te staken en over te gaan op een defensieve politiek, waarmee hij niet altijd succes heeft. Bovendien ontvangt hij onvoldoende steun uit Carthago, omdat de Romeinen de zeeën beheersen. Hannibals soldaten moeten het dus stellen met het voedsel dat zij locaal kunnen verkrijgen, om hun vaak niet erg effectieve operaties te kunnen voortzetten.

Afgezien van de inname van Tarentum (Taranto), behaalt Hannibal in de jaren 215-213 slechts kleine overwinningen. Hij ontvangt in die tijd maar weinig versterkingen uit Carthago. In 213 heroveren de Romeinen Casilinum en Apri, plaatsen die Hannibal in de winter van 216-215 veroverd heeft, en in 211 moet Hannibal de stad Capua die door de Romeinen belegerd wordt, ontzetten. Ondanks Hannibals snelle opmars tot op drie mijlen van de zwaar gefortificeerde muren van Rome, valt Capua. In hetzelfde jaar valt Syracuse op Sicilië, na twee jaren door de Romeinen belegerd te zijn, in handen van Marcus Claudius Marcellus en in 209 herovert Quintus Fabius Maximus de stad Tarentum, die Hannibal drie jaar in bezit heeft gehad.

Terwijl Hannibal op het Apennijnse schiereiland tegen Rome vecht, levert zijn jongere broer Hasdrubal Barca op het Iberisch schier-eiland zijn eigen strijd tegen de Romeinen. Hij vecht zeven jaar lang tegen Publius Cornelius Scipio en diens broer Gnaeus Cornelius Scipio Calvus. De oorlog is voor Hasdrubal slecht begonnen. In een zeeslag in de vroege zomer van 217, die plaatsgrijpt op de Iberus (Ebro) voor Tarraco, is Hasdrubals vloot grotendeels vernietigd door een gedurfde Romeinse verrassingsaanval. In 215 bestrijdt Hasdrubal de gebroeders Scipio bij Dertosa aan de Ebro. De Carthaagse troepen lijden zware verliezen, als tijdens de slag het centrum van hun strijdmacht bezwijkt. Vier jaren later slaat Hasdrubal terug; hij vernietigt de Romeinse legers, doodt de gebroeders Scipio en verdrijft de Romeinen vrijwel geheel van het Iberische schiereiland ten zuiden van de Ebro.

Rome besluit versterkingen naar Iberia te zenden, maar geen van de senior generaals is bereid de veldtocht te leiden. De 25-jarige Publius Cornelius Scipio5, die zich later de bijnaam `Africanus’ zal verwerven en die gewoonlijk wordt aangeduid als Scipio Africanus de Oudere, biedt zich de expeditie te leiden en zijn vader en oom die in Iberia zijn gedood, te wreken. De Romeinen stemmen in met zijn benoeming op een militaire post buiten Italië, hoewel hij noch praetor,6 noch consul is, waarmee een belangrijk constitutioneel precedent gecreëerd wordt. Scipio heeft niet alleen de ambitie. Hasdrubal te verhinderen voorraden van het Iberisch schiereiland naar zijn broer Hannibal te zenden, maar ook om de Puniërs geheel van het Schiereiland te verdrijven, wat in het jaar 210 nauwelijks realistisch lijkt. Vanuit zijn hoofdkwartier in Tarraco (Tarragona) lanceert Scipio in 209 een gecombineerde aanval over land en vanuit zee op het het Carthaagse hoofdkwartier Qart Hadasht (Carthago Nova). Scipio kan de aanval wagen, omdat hij weet dat alle drie Carthaagse legers, onder bevel van Hasdrubal Gisco en Hannibals broers Mago en Hasdrubal Barca, minstens tien dag-reizen van de stad verwijderd zijn. Geholpen door extra laag water in de lagune, waardoor de noordelijke stadswal tot aan de voet droogvalt en met succes bestormd kan worden, nemen de Romeinen de stad. Scipio’s manschappen leggen het extra lage water, mogelijk als gevolg van een plotseling opgestoken wind, uit als hulp van Neptunus. Zij zijn ervan overtuigd dat hun aanvoerder de steun van de goden geniet. Met de inname van Cartagena vallen de Romeinen Iberische gijzelaars, pakhuizen vol militaire goederen en voorraden, de locale zilvermijnen, een prachtige haven en een prima uitvalsbasis naar het zuiden van het Schiereiland in handen.

Nadat hij zijn leger in nieuwe tactieken heeft getraind, verslaat hij in 208 Hasdrubal Barca bij Baecula (Bailen) in Baetica. Terwijl de twee achterste rijen van een Romeins leger normaliter de frontlinie nauw ondersteunen, gaat Scipio in dezen slag heel anders te werk. Zijn hoofdmacht valt, afgeschermd door licht bewapende troepen, de flanken van de vijand aan. Als Hasdrubal het strijdtoneel ontvlucht, om zich uiteindelijk bij zijn broer Hannibal te voegen, is Scipio zo verstandig hem niet achterna te gaan, om te trachten hem tot stoppen te dwingen. Hij besluit daarentegen zijn taak op het Iberisch schiereiland af te maken door ook de twee andere Carthaagse legers te vernietigen. Deze legers staan onder bevel van Hasdrubal Gisco en Mago Barca. Zij worden bovendien gesteund door hun Numidische bondgenoot Masinissa, die al zes jaar voor Carthago op het Iberisch schiereiland tegen de Romeinen strijd. Hasdrubal die lange tijd getracht heeft de confrontatie met Scipio te vermijden, wacht hem in 206 op bij Llipa (Alcalá del Rio, bij Sevilla). Hasdrubal, Mago en Masinissa beschikken over circa 58.000 man. Scipio heeft 45.000 voetknechten en 3.000 ruiters. Scipio’s recente militaire hervormingen en de training van zijn man-schappen werpen vruchten af. Bovendien weet hijzelf Hasdrubal Gisco met briljante tactieken als strateeg te overtreffen; de Romeinen behalen de overwinning, waarmee een einde komt aan de Carthaagse heerschappij op het Iberisch schiereiland. De inwoners van Gadir zullen als de Tweede Punische Oorlog in 201 is geëindigd hun stad overdragen aan de Romeinen, die haar Gades noemen. Hiermee is aan de bespreking van de Punische periode van het Iberisch schiereiland een einde gekomen; voor de lezer die nieuwsgierig is naar het uiteindelijke lot van de verslagen Punische generaals wordt verwezen naar de voetnoot7.

1.2. De Romeinse tijd (200 v.Chr.- 400 n.Chr.)

Notes:

1 Volgens Polybius beschikte Hannibal over 90.000 man infanterie en 12.000 cavaleristen en over 38 olifanten. De eerste twee cijfers lijken overdreven.

2 Er zijn enige details van Hannibals tocht over de Alpen bekend. Het eerste gevaar komt van de Allobroges, die Hannibals achterhoede aanvallen. Halverwege de overtocht hebben andere Keltische groepen het gemunt op de bagage; zij laten zware stenen van grote hoogte op het lint van paarden en manschappen storten, wat tot grote paniek leidt en velen (mens en dier) van het smalle bergpad in de afgrond doet storten. Hannibals tegenmaatregelen komt hem op grote verliezen aan mensenlevens te staan. Op de derde dag neemt hij een stad van de Galliërs in en maakt zoveel voedsel buit dat hij daarmee zijn leger twee of drie dagen kan voeden. De Galliërs blijven zijn legertros vanaf grote hoogte met stenen bestoken en Hannibal weet niet of hij zijn Gallische gidsen kan vertrouwen. Hij bivakkeert op een grote kale rots, om de nachtelijke doortocht van zijn paarden en lastdieren door de kloof beneden hem te dekken. Op de top van de pas valt sneeuw, wat de afdaling nog gevaarlijker maakt. Soldaten en dieren glijden weg of struikelen in de verse sneeuw die op de gladde ijslaag van vorig jaar valt. Een aardverschuiving blokkeert de nauwe doorgang en het leger wordt bij helder weer een dag opgehouden, tot de doorgang vrij is gemaakt. Tnslotte daalt Hannibal, op de 15e dag, na een reis van vijf maanden vanaf Cartagena, met 20.000 man infanterie, 6.000 cavaleristen en een paar van de oorspronkelijke 38 olifanten, af in Italië. Hij heeft tal van moeilijkheden overwonnen: het ruwe winterweer, het ontoegankelijke terrein, de guerillatactieken van de ongenaakbare stammen. Zijn grootste prestatie is dat hij een leger in de hand heeft gehouden, dat bestaat uit mannen van vele rassen en talen die waren blootgesteld extreem moeilijke omstandigheden.

3 Dit is het dal waarin de machtige Burcht van Pierle oprijst.

4 Er zouden ook duidenden Romeinse soldaten het nabijgelegen Lago di Trasimeno zijn ingedreven, maar het is veel waarschijnlijker dat Hannibals troepen de smalle uitgangen van het Pierledal hebben afgesloten, om ontsnapping in de richting van het meer te verhinderen.

5 Polybius laat weten dat hij als 18-jarige in 218 tezamen met zijn vader, ook Publius geheten, bij de Ticino tegen Hannibal gevochten heeft. Hij heeft zijn vader die was afgesneden van de zijnen en die bovendien gewond was geraakt, gered. Hij heeft ook in 216 gestreden bij Cannae en is met 4.000 anderen naar Canusium gevlucht.

6 Landvoogd die in waardigheid volgt op consul.

7 Hasdrubal Gisco wijkt met zijn verslagen leger uit naar Noord-Afrika. Hij huwelijkt zijn dochter uit aan Syphaks, koning van de Massaesyli, om zijn militaire alliantie te formaliseren. Zij bestrijden samen in de jaren 205-203 Scipio op Afrikaanse bodem, maar worden telkens door hem verschalkt. Nadat Hasdrubal Giso in 203 verslagen is bij Suq al Khamis, wordt hij van verraad beschuldigd. Nog voor de Slag bij Zama beneemt hij zich het leven. Mago trekt zich terug naar Gadir (Cádiz), waar hij enkele maanden verblijft. Hij zeilt in 205 met het restant van zijn troepen naar Liguria, om de in Gallia Cisalpina wonende stammen (Insubres en Boii), die zich tegen Romeinse overheersing verzetten, te ondersteunen. Hij wordt in 203 verslagen door de Romeinen en sterft op weg naar Carthago aan zijn verwondingen. Hasdrubal Barca die in 208 door Scipio verslagen is, wil zich bij zijn broer Hannibal in Italië voegen. Hij verschijnt in 207 in Gallia Cisalpina met een leger dat weinig onderdoet voor dat van zijn broer. Na contingenten Galliërs en Liguriërs te hebben achtergelaten, marcheert Hasdrubal naar de oostkust. Het door de oorlog uitgeputte Rome weet met een uiterste krachtsinspanning een sterk leger, onder Marcus Livius Salinator, tegen Hasdrubal op de been te brengen. Versterkt met een deel van het leger van Gajus Claudius Nero, levert deze strijdmacht in 207 aan de oevers van de Metaurus slag met Hasdrubal. De geweldige krachtmeting wort pas beslist als Nero in een handige zijdelinkse beweging verhindert dat de vijand zich kan terugtrekken. Het gros van Hasdrubals leger wordt vernietigd en hij wordt zelf gedood. Om Hannibal te laten weten dat het leger van zijn broer is verslagen, wordt het hoofd van Hasdrubal over de omheining in zijn kamp geslingerd. Hannibal en Mago worden in 203 uit Italië teruggeroepen naar Carthago, dat wordt bedreigd door Publius Cornelius Scipio die in 204 met 35.000 man in Noord-Afrika geland is en Utica bestormt, na eerder dat jaar de legerkampen van Hasdrubal Gisco en zijn Numidische bondgenoot Syphaks al te hebben verbrand en daarna bij het huidige Suq al Khamis een Carthaags leger heeft vernietigd met een verrasende dubbele beweging vanuit de flanken van zijn legermacht. Als Hannibal met 12.000 man elitetroepen in Noord-Afrika arriveert en dit leger in korte tijd aangroeit tot 37.000 man, herleeft de hoop in Carthago dat de oorlog tegen de Romeinen wellicht toch nog kan worden gewonnen. Beide legers naderen elkaar voor een beslissende slag bij Zama. Hannibals leger is groter, maar Scipio beschikt over 6.000 Numidische ruiters, onder bevel van zijn bondgenoot Masinissa, die na de verloren Slag bij Llipa is overlopen naar de Romeinen en wiens cavalerie superieur is aan de Carthaagse cavalerie. Hannibal laat eerst 80 olifanten los op de vijandelijke infanterie, maar deze beesten worden spoedig uiteen-gedreven. Masinissa’s cavalerie jaagt de Carthaagse cavalerie op de vlucht. De Romeinen vallen de vijandelijke infanterie aan, die bestaat uit drie samen-hangende defensielinies. Als de Romeinen de soldaten van de eerste en tweede linie verslagen hebben en voor de derde linie, die bestaat uit Hannibals elitetroepen van zijn veldtocht in Italië, komen te staan, zijn zij uitgeput. Op dit beslissende moment keert Masinissa’s cavalerie, die de vijand achter-volgd heeft terug en valt, samen met de Romeinse infanterie, de Carthaagse infanterie aan, waarmee korte metten wordt gemaakt. Hannibal verliest zijn gehele leger; 20.000 man worden gedood en de rest wordt gevangengenomen, maar hij weet zelf naar Carthago te ontsnappen. De Romeinen betreuren circa 1.500 doden. Carthago geeft zich over; de stad moet vrijwel zijn gehele oorlogsvloot aan Rome overdragen en Rome 50 jaar lang oorlogsschatting betalen. Carthago dat zich snel van de oorlog herstelt, biedt in 191 aan de rest van de schatting van 200 talenten per jaar, direct te betalen. Publius Cornelius Scipio, die aan zijn naam de eretitel ‘Africanus’ mag toevoegen, weigert dit, omdat de betaling van tribuut ook symbolische betekenis heeft.

Categorieën
Portugees kolonialisme

De prehistorie. Het Iberisch schiereiland tot aan de inval van de moslims

Deel 1 Index

Hoofdstuk 1

Het Iberisch schiereiland tot aan de inval van de moslims

1.0 De prehistorie

Geschreven door Arnold van Wickeren

Het westen van het Iberisch schiereiland zal tot ver in de Middeleeuwen geen van de rest van het Schiereiland gescheiden politieke entiteit zijn. De vroege geschiedenis van wat later Portugal zal heten, valt derhalve samen met de geschiedenis van het gehele Iberisch schiereiland, door Herodotus aangeduid als Iberia. De vroegste sporen van menselijk leven die op het Schiereiland zijn gevonden, zijn die van een, zoals de naam Pithecanthropus erectus aangeeft, rechtop lopend aapachtig wezen. Deze zeer primitieve mens verzamelt planten en graaft wortels op om zich mee te voeden. Ook het vuur is hem bekend. Dit type mensen bewoont zeker 500.000 jaar geleden het Schiereiland, maar heeft zich daar waarschijnlijk reeds na afloop van de eerste ijstijd (Günz) gevestigd. Deze vroegste bewoners overleven de tweede (Mindel) en derde ijstijd (Riss) en de tussenliggende warmere perioden. Vanaf het begin van de vierde ijstijd (Würm), 120.000 jaar voor onze jaar-telling, blijkt in het gebied een type mensen gewoond te hebben dat beschikt over vuistbijlen en dat leeft van de jacht. Deze Levalloisien en Moustérien, genoemd naar opgravingen bij Levallois-Peret bij Parijs en bij Le Moustier in de Dordogne, zijn verwant aan de Neanderthalers. Zij zijn niet het resultaat van de door de Pithecanthropus erectus doorgemaakte evolutie, maar hebben zich van buitenaf over het gehele Schiereiland verspreid. In het gebied van het latere Portugal zijn in Estremadura, de Taagvallei en ten noorden van de Douro talrijke archeologische sporen gevonden van menselijke bewoning tijdens het Paleolithicum. De meeste daar gevonden gereedschappen onderscheiden zich niet van vondsten uit de Oude Steentijd die elders zijn gedaan.

Bij het aanbreken van de Jongere Oude Steentijd, zo rond 50.000 jaar geleden, verschijnen in Europa groepen mensen van het type homo sapiens. Zij doden of verdrijven de oorspronkelijke bewoners of vermengen zich met hen. Het betreft mensen van het type Combe-Capelle, Cromagnon en Grimaldi. In cultureel opzicht behoren zij tot de Aurignacien (Aurignac) en Magdalénien (Abri La Madeleine bij Tursac); zij hanteren werktuigen gemaakt van beenderen, werpsperen en handwapens en zijn de vervaardigers van de rotstekeningen in de grotten van Altamira en Lascaux. Tijdens het Mesolithicum, de Middelste Steentijd (10.000 tot 5.000 jaar v.Chr.), verspreiden zich volkeren afkomstig uit Europa en Noord-Afrika over het Iberisch schiereiland. Zij worden naar plaatsen waar opgravingen zijn gedaan aangeduid als: Epi-Gravettiërs, Aziliërs en Asturiërs, terwijl de Capsiërs uit Afrika zijn gekomen. Deze volkeren stammen waarschijnlijk af van de Cromagnon-mens. In Estremadura zijn honderden skeletten opgegraven waaruit dit blijkt; de overgrote meerderheid van de schedels zijn dolichocefaan (langschedelig) en slechts enkele brachicefaan (kortschedelig). Genoemde volkeren vermengen zich tot een tamelijk homogeen type mensen, dat reeds de anatomische kenmerken vertoont van de meeste Spanjaarden en Portugezen uit latere tijd. De cultuur van deze mesolithische mensen wordt gekenmerkt door onder meer: overgang van de jacht van groot op klein wild, arbeidsverdeling, bezit van huisdieren, ruilhandel en een begin van akkerbouw. Uit vondsten in het lager gelegen gedeelte van de Taagvallei blijkt dat er in het Mesolithicum voor het eerst sprake is van culturele verschillen tussen volkeren die in het westen van het Schiereiland wonen en die elders in Europa leven. Rond 5.000 jaar v.Chr. breekt op het Iberisch schiereiland het Neolithicum aan. Deze fase in de beschaving wordt gekenmerkt door een geheel nieuwe sociale en economische levenswijze. De mensen wonen in dorpen, zorgen voor hun voedsel, slijpen stenen bijlen, vervaardigen aardewerk en uiten zich in godsdiensten die samen-hangen met de opkomende landbouw. De overheersende cultuur uit het Neolithicum is de megalithische. Deze cultuur ontleent haar naam aan de grote stenen die voor de bouw van grafmonumenten (hunebedden, dolmen, menhirs) zijn aangewend. De ganggraven in het zuiden van het huidige Portugal zijn de oudst bekende megalieten. De megalithische cultuur verspreidt zich vanuit Andalusië over het zuiden van het huidige Portugal. Dit blijkt uit: de bouwstijl (hutten in de vorm van bijenkorven), de soort graven, de gebruikte landbouwmethoden, het type aardewerk en de bewerking van zachte metalen als zilver en goud. In 1995 zijn op de rotswanden van de Rio Côa, een zijrivier van de Douro, in het oosten van Portugal, honderden tekeningen ontdekt van paarden, ossen, herten en steenbokken. De ouderdom van deze rotskunst staat nog niet vast. De schattingen lopen uiteen van 3.000 jaar v.Chr. tot 10.000 of zelfs 20.000 jaar voor het begin van onze jaartelling. In het eerste geval zou het om neolitische kunst gaan; in het laatste geval zijn de tekeningen kunstuitingen uit het Paleolithicum. In het westen van het Schiereiland begint de Bronstijd reeds omstreeks 3.000 v.Chr. Daarom zijn er weinig zuiver neolithische vondsten gedaan. De klokbekercultuur is waarschijnlijk in het zuiden van het Iberisch schiereiland ontstaan (Almería-cultuur) en verspreidt zich vandaar over grote delen van West-Europa. De klokbeker-cultuur markeert het begin van de Bronstijd.

Tijdens de Bronstijd zijn er twee invasieroutes waarlangs volkeren het grondgebied van het latere Portugal bereiken: vanuit het huidige Galicië steken nieuwkomers de Rio Minho over en vestigen zich ten noorden van de Rio Mondego of de Rio Douro, terwijl Alentejo, Estremadura en de Algarve bevolkt worden door mensen die uit het zuidoosten van het latere Spanje komen. Uit vondsten van wapens en kennelijk verstopte kostbaarheden blijkt, dat de stammen die zich vestigen ten noorden van de Rio Mondego en zij die het zuiden van het huidige Portugal tot hun woonplaats kiezen, met elkaar oorlogvoeren. Het is waarschijnlijk dat botsingen vermeden worden door het gebied tussen de Rio Tejo en de Rio Mondego niet in bezit te nemen. De overheersende cultuur in de Bronstijd is vanaf circa 1300 v.Chr. de urnenveld-cultuur. In de Late Bronstijd, rond 1.000 v.Chr., arriveren pre-Keltische volkeren in het westen van het Iberisch schiereiland. In de Algarve en in Alentejo ontstaan koper-mijnen. Hiermee is er, naast landbouw en veeteelt, sprake van industrie. Vervolgens dringen Keltische volkeren over de Pyreneeën het Schiereiland binnen. Zij zijn afkomstig uit gebieden aan de bovenloop van de Rijn en de Donau en zijn onder druk van andere stammen, naar het westen en zuiden gekomen. De invasie van Keltische stammen doet zich voor tussen 800 en 400 v.Chr. en houdt mogelijk ook daarna nog aan. De Keltische stammen zijn dragers van de Hallstattcultuur, die gekenmerkt wordt door grote bronzen en later ijzeren zwaarden. Zij brengen de ijzerverwerking naar de Taagvallei.

– 1.1 De Phoeniciërs op het Schiereiland

Categorieën
Portugees kolonialisme

Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee. DEEL 1.

Geschreven door Arnold van Wickeren

Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee. DEEL 1.

Samenvatting van Deel 1

Verantwoording

Inleiding

Hoofdstuk 1. Het Iberisch schiereiland tot aan de inval van de moslims

1.0. De prehistorie

1.1. De Phoeniciërs op het Schiereiland

1.2. De Romeinse tijd (200 v.Chr.- 400 n.Chr.)

1.3. De koninkrijken van Sueven en Visigoten

Hoofdstuk 2. Van moslimoverheersing tot onafhankelijk koninkrijk

2.0. Het kalifaat der Omayyaden

2.1. Het begin van de Reconquista

2.2. Van graafschap naar koninkrijk

2.3. Afonso Henriques als veroveraar

Hoofdstuk 3. De Reconquista voltooid; versterking van de koninklijke macht

3.0. Sancho I (1185-1211); strijd tegen de Almohaden

3.1. Afonso II (1211-1223); geschillen met kerk en adel

3.2. Sancho II (1223-1246); de Reconquista bijna voltooid

3.3. Afonso III (1248-1279); versterking van de koninklijke macht

3.4. Dinis (1279-1325); economische bloei

Hoofdstuk 4. Twisten met Castilië

4.0. Afonso IV (1325-1357); crises

4.1. Pedro I (1357-1367); tien jaar vrede

4.2. Fernando I (1367-1383); oorlogen met Castilië

4.3. De revolutie (1383-1385); stichting van het Huis Aviz

Hoofdstuk 5. Het begin van de maritieme expansie

5.0. Portugal aan het begin van de 15e eeuw

5.1. De verovering van Ceuta

5.2. De strijd om het behoud van Ceuta

5.3. Voorwaarden voor het ondernemen van ontdekkingsreizen en redenen voor de maritieme expansie

5.4. Op zoek naar het rijk van Preste Joam

5.5. Dom Henrique o Navegador (Prins Hendrik de Zeevaarder)

5.6. De Canarische eilanden

5.7. De Madeira-archipel

5.8. De Azoren

Glossarium

Samenvatting

In Portugal dateren de eerste sporen van menselijke bewo­ning van 500.000 en misschien zelfs van 600.000 voor het begin van onze jaartelling. Er zijn sporen gevonden van de paleoli­thi­sche cultuur; vuurste­nen vuistbijlen van ongeveer 120.000 jaar gelden in Minho en in de Algarve, alsmede­ rotstekenin­gen in Alentejo, die niet ouder zijn dan 50.000 jaar. Aan de beneden­lo­pen van de Taag en de Sado zijn meer dan 300 menselijke skelet­ten en vuistbijlen uit het Mesoli­thicum (10.­000-5.000 v.Chr.) opgegraven. In de periode 5.000-2.000 v.Chr. dringen, door de valleien van de Guadia­na, Sado en Taag, vanuit het Nabije Oosten neoliti­sche culturele invloeden door naar het westen van het Iberisch schiereiland. Tegelijkertijd verspreiden zich daar Noord­afrikaanse stijlkenmerken, zoals de klokbekercul­tuur. Overblijfselen van menhirs, dol­men, gang- en koepel­graven, vooral in Alentejo en in Beira Alta, getuigen van een bloeien­de mesoli­tische cultuur. In de Kopertijd (3.100-2.000 v.Chr.) worden versterkte nederzet­tingen, castros, op heuveltoppen gebouwd. In sommige daarvan wordt ook koper be­werkt. Aan het einde van de Bronstijd (2.000-800 v.Chr.) overheerst de urnen­veld-cultuur, die zich verspreidt tot in het uiterste zuidwes­ten van het Iberisch schiereiland.

De prehis­torie eindigt met de komst van de Phoeni­c­iërs. Zij stichten rond 1.100 v.Chr. hun eerste commerciële factorij in Gades (Cadíz), gevolgd door factorijen aan de Atlantische kust. Aan de monding van de Taag ontstaat Alis Ubbo, het latere Lissabon. Vanaf 650 v.Chr. en vooral nadat de Babylonische koning Nabuco­donosor in 573 v.Chr. Tyrus veroverd heeft, worden de Phoenicische handelaren verdre­ven door de Grie­ken. Dezen planten olijfbomen en wijnstok­ken aan op het Iberisch schiereiland.

Tussen 800 en 400 v.Chr. vallen Keltische stammen het Schiereiland vanuit het noor­den binnen. Deze dragers van de Hallstatt-cultuur brengen de ijzerverwerking naar de Taagvallei en vermengen zich met de Iberiërs tot de Celtiberi en Lusitaniërs. De Kelten bouwen in de vierde en 3e eeuw v.Chr. versterkte dorpen, citânias, op de heuvel­toppen, terwijl het zuiden van het Schier­eiland Cart­haagse invloe­den ondergaat.

Na afloop van de Eerste Punische Oorlog (264-241 v.Chr.) verwerven de Carthageners, onder leiding van Hamilcar, de hegemonie over het Iberisch schiereiland. De Romeinse Tijd begint in 209 v.Chr. met de verovering van Carthago Novo (Carthagena) door Publius Cornelius Scipio. Het zal echter nog twee eeuwen duren voordat de Romeinen het gehele Iberisch schiereiland, door hen Hispania ge­noemd, onder­worpen en gepacificeerd hebben. Vooral de Lusitani­rs, onder aanvoering van Viriathus, de eerste grote Portugese volksheld, verzetten zich hevig, totdat hij in 139 v. Chr. door een verrader wordt vermoord. Julius Caesar pacificeert geheel Hispania. Alis Ubbo, door de Romeinen Olisipo genoemd, ontvangt een nieuwe naam: Felicitas Iulia. Het is Augus­tus, die de pacifica­tie en romani­sering van Hispania voltooit. Hij verdeelt het schiereiland in 27 v.Chr. in drie provin­cies: Baetica in het zuiden, Lusitania in het westen en Tarraco­nencis, dat de rest van het gebied beslaat. De hoofd­stad van Lusitania wordt Emerita Augusta (Mérida). Vooral onder de keizers Claudius, Vespa­sianus en Hadrianus beleeft Hispania perio­den van grote econo­mische en cultere­le bloei.

In 409 n.Chr. vallen Germaanse stammen, Vandalen, Alanen en Sueven, vanuit het noorden Hispania binnen. De Sueven stichten in 411 in het noordwesten daarvan een eigen koninkrijk, met hoofdstad Braca­ra (Braga). De Romeinen verdrijven, met behulp van de Visigoten, de Vandalen en Alanen naar het zuiden, waarna ook de Visigoten een eigen koninkrijk stichten, aan weerszijden van de Pyreneeën. De Vandalen en Alanen steken in 429 over naar Noord-Afrika, maar de Sueven weten zich te hand­haven. De invallen van de `barba­ren’ en hun onderlinge strijd veroorza­ken natuurlijk veel onrust, maar dit betekent niet dat de gehele Hispa­no-Ro­meinse bescha­ving teloorgaat. De weinig talrijke Sue­ven bijvoor­beeld vestigen zich op het platte­land en laten de steden over aan de oorspronkelijke bewo­ners. Wel onderne­men zij aanvankelijk plundertochten in Visigotisch gebied. De Visigotische koning Theode­ric maakt zijn rijk in 439 onaf­han­ke­lijk van Rome, dat de onaf­hankelijk­heid, met uitzonde­ring van het Suevische koninkrijk in Galicië en het noorden van het latere Portugal, eerst in 475 for­meel erkent. De Franki­sche koning Clovis verslaat in 507 in de Slag bij Vouillé de Visigotische koning Alaric II en verdrijft daarmee de Visigo­ten vrijwel geheel uit Gallië. Deze zoeken voor het verlies aan territorium compen­satie in Hispania en breiden hun macht geleidelijk verder naar het zuiden uit. Opeenvol­gende keizers van het Oost­romein­se rijk trach­ten, nadat het Westromeinse rijk in 476 heeft opgehou­den te bestaan, zoveel mogelijk gebied daarvan te verove­ren. In 551 valt een Byzantijnse leger­macht het zuiden van het Visigotische rijk binnen, echter zonder dat dit blijvend resultaat heeft. Als de Visigo­ten in 585, na ver­schillen­de oorlogen, het Suevische koninkrijk inlijven, beheersen zij het gehele Iberisch schierei­land. De bekering van de ariaanse Visigo­ten tot het katholis­me (589), betekent de overwinning van de Hispano-Romein­se bescha­ving over de `barbaarse’ Visigoten. Daarna assimi­leren beide bevolkingsgroepen. Dit proces is in 654 voltooid met de invoering van de Lex Visigothorum die voor alle burgers geldt en het rijk stabiliseert.

Na het overlijden in 710 van koning Vitiza, kiest een deel van de adel Roderick tot koning. Áquila, de zoon van Vitiza, die een minderheid van de adel achter zich weet, roept de hulp in van de Arabieren, die – begunstigd door hun beheer­sing van de Middellandse Zee – in het afgelopen decennium hun macht over Noord-Afrika hebben uitgebreid. Er landt een Berberleger, onder bevel van Tärig-ibn Ziyad (van wiens naam Gibraltar is afgeleid). In de Slag aan de oevers van de Rio Guadele­te (19 juli 711) wordt Roderick gedood. Gehol­pen door een leger, onder Musa, de Arabische gouverneur van Noord-Afrika en zijn zoon, die met een dochter van Rode­rick is gehuwd en in 715 Lissabon verovert, wordt in vier jaar vrijwel het gehele Iberisch schiereiland onder de voet gelopen. Het bergach­tige noord­westen laat zich echter niet gemakkelijk onderwerpen en in 722 weet de halflegen­darische eerste koning van Asturië, Pelayo I, bij Covadonga zelfs een over­winning op de Moren (de algemene benaming voor Arabieren en Berbers) te behalen. Dit succes­ wordt gezien als het begin van de Recon­quis­ta. In 756 sticht Abd-al Rahm_n, een van de laatste overleven­den van de uitge­moorde dynastie der Omayyaden, het onaf­hankelijke emi­raat K_rtuba (Córdo­ba). Terwijl de heerschap­pij van de moslims in het zuiden een stevig fundament verkrijgt, wordt in het noorden gedurende een eeuw veelvul­dig slag geleverd tussen de christelijke vorsten van de in het noorden ontsta­ne rivaliserende konink­rijkjes en de Moren. De bevol­king heeft zwaar te lijden van de voort­durend op en neer gaan­de strijd. Alfonso III de Grote van León brengt wat schot in de Recon­quista. Een van zijn edelen, Vimara Peres, verovert in 868 Portuca­le, het toe­komstige Porto. We­gens invallen van de Noormannen vestigt hij zijn hoofd­stad in Guimarães. Een van zijn opvol­gers, Mumadona en haar man Hermene­gildo, heer­sen vanaf 928 over al het gebied tussen Minho en Douro, dat in 938 ook als Portucale wordt aangeduid. Zij stichten een grafelijke dynastie. Dit graafschap Portucale is zeker een stap op weg naar een zelfstan­dig Portu­gal.

De Arabieren dragen op het Iberisch schiereiland bij aan de vooruit­gang van land­bouw en industrie, terwijl hun expansie naar het wes­ten van de Middel­landse Zee ook tot opleving van de Euro­pese handel leidt. Zij munten niet alleen goud aan dat eeuwen bewaakt werd in de schatka­mers van Syrië en Egypte, maar eveneens het Soeda­nesche goud dat zij onder andere tegen zout ruilen met de negers uit het konink­rijk Ghana. De geldcirculatie in Europa neemt toe door de handel met de Arabieren. Handel wordt moge­lijk vanaf de 10e eeuw, omdat de voortbren­ging van goede­ren in enige gebieden heel gelei­de­lijk stijgt. Hier­door ontstaan over­schotten, die – mits geschikt voor de ruil – worden aange­wend voor het verkrij­gen van begerens­waardige goederen. De handel verkrijgt een grotere omvang, naarmate de over­schotten toenemen. Deze vinden hun weg binnen Euro­pa, vanaf het Iberisch schierei­land naar de Baltische en naar Russi­sche gebieden en uit het bekken van de Middellandse Zee naar de kusten van de Noordzee. De handel bestaat uit uit wijnen uit streken met een mild klimaat, huiden, slaven uit onderwor­pen gebieden, amber uit het Balticum, wol uit Spanje en Engeland, ijzer uit Zweden, zeezout van westelijke kusten, vis uit de Noordzee en talloze andere goederen, die in kleine hoeveelheden worden verhan­deld. Het door de Noormannen gestichte handelsnetwerk speelt in de Europe­se handel een belangrijke rol, waardoor zij een factor in de vooruit­gang worden. Zij ontslui­ten Rusland voor de Europe­se handel, daarbij gebruikma­kend van het verloop van Dnjepr, Don en Wolga tot aan de Zwarte en de Kaspische Zee, maar zij ontwikke­len zich tegelijkertijd tot kolonisato­ren van Groen­land, IJsland en delen van Ierland, Schot­land en Enge­land en het Noord­westen van Frankrijk (Nor­mandië).

In 912 bestijgt Abd-al-Rahm_n III de troon van K_r­tuba en breekt een periode aan waarin de Moorse bescha­ving haar hoogtepunt zal bereiken. K_rtuba, dat in 929 door Abd-al-Rahm_n tot kalifaat is verheven, groeit uit tot een invloed­rijk indus­trieel centrum en tevens tot een cultureel en intellectu­eel brand­punt. K_rtuba oefent zoveel aantrek­kings­kracht, ook op christelij­ke Europe­a­nen, uit dat het inwo­nertal oploopt tot bijna een miljoen. Het Ara­bisch is de voertaal op het gehele Schierei­land. Joodse filosofen als Ibn Pakuda en Maimonides schrij­ven later hun belangrijkste werken in het Arabisch. Ook de christenen aanvaarden de Arabische cultuur, ofschoon de latijnse liturgie gehandhaafd wordt. In 981 is de macht van de Moren zozeer toegeno­men dat Al-Mans_r, de grootvizier en legeraan­voerder van kalief Hisham II, de christenen niet alleen terugdrijft tot over de Douro/Duero, maar zelfs ver ten noorden daarvan de steden León en Santia­go de Compostela verwoest.

Tegen het einde van de 10e eeuw is de strijd tussen mos­lims en christenen geluwd en breekt een langdurige periode van vrede aan. De christenen voelen zich niet meer be­dreigd, nadat in 1008 onder de moslims een burger­oorlog is is uitgebroken om de troon van K_rtuba, dat in 1031 uiteen valt in kleine rivaliserende koninkrijken, taifas. In de eerste helft van de 11e eeuw nemen de culturele en econo­mische betrekkingen tussen de christe­lijke en de moslimsta­ten op het Schiereiland toe, terwijl de vrede ook een gunstige invloed heeft op de interne Europese handel en op de handel van Europa met Afrika en Azië. Zeer geleidelijk bereiken Europa verfijnde levensmid­delen, kleding, sieraden, opsmuk van woningen en huisraad. Deze goederen dienen zowel tot versiering van de landhui­zen van de adel, de paleizen van bisschoppen en van open­bare gebouwen, als tot verrijking van de persoonlijke verzor­ging en een groter verbruik van exotische kruiden, die de monotone smaak van de middel­eeuwse spijskaart door­bre­ken.

De periode van vrede tussen de Moorse en christelijke vorsten, die zelfs elkaars dochters huwen, wordt benut om de onderlinge staatkundige verhoudingen te wijzigen. Fernando de Grote van Castilië verwerft in 1037 de kroon van León en in 1054 die van Galicië, met inbegrip van het graafschap Portucale, dat hij kort daarna opheft. Ook de moslims voeren onderling strijd. In een periode van twintig jaar verovert al-Mu’tadid, de vorst van de taifa Ishbiliya (Sevilla) vele steden in de Algar­ve, dat toen­tertijd al het gebied ten zuiden van de Taag omvat­te, op het koninkrijk Bataly_ws (Badajoz). In 1063 Shilb (Silves) in zijn handen. Al-Mu’ta­did benoemt zijn zoon al-Mo’tamid tot gouver­neur van al-Gharb. Zijn hoofd­stad Shilb wordt beroemd om de pracht van zijn paleizen, de bescha­ving van zijn inwoners en de rijkdom van zijn boom­gaar­den. De langdurige strijd tussen de moslimstaten biedt de christenen gelegenheid terreinwinst te boeken. In 1064 geeft Coimbra zich, na een beleg van zes maanden, aan Fernando over en in 1085 trekt zijn zoon, Alfonso VI van León, de oude Visigotische hoofd­stad Toledo binnen. Voor het zover is, hebben de bedreigde moslim­vor­sten de hulp in van de Almoraviden, die in Noord-Afrika een imposant rijk hebben opge­bouwd. Hun aanvoer­der Y_suf dringt de­ christe­nen naar het noorden terug en verenigt de gehele zuidelijke helft van het Schierei­land. Al-Andalus gaat een nieuwe periode van grote bloei tegemoet.

De handel rond de Middellandse Zee krijgt in tweeërlei opzicht nieuwe impulsen. De Noor­mannen verove­ren het zuiden van Italië op Byzanti­um en Sicilië op de Arabieren, waarmee deze gebieden in hun handelsnetwerk worden opgenomen. Op Sicilië komt de zijde-industrie tot bloei, deze verspreidt zich over Italië en Frank­rijk. Tezelfdertijd onderne­men de Almoraviden een expeditie naar Ghana (1076) en dwingen dit koninkrijk de goudproductie te verhogen, (mede) om meer te kunnen importeren uit Europa. Deze importen bestaan uit: verschil­lende soorten eerste levensbe­hoef­ten en enige industriële produc­ten, vooral afkomstig van de metaal­industrie, weverij­en en glasfabrie­ken. Europa ontvangt meer goud, maar ook ivoor en geve­derte uit Afrika en zeldzame zaken, waaronder veel parfums, uit de Levant, Perzië, Indië en het Verre Oosten. Rijke consumenten, zowel geestelijken als leken, oefenen vraag uit naar zaken als suiker, specerij­en, parfums, edelstenen, tapijten en luxe stoffen.

Inmiddels is de periode van de Kruistochten aangebroken. Dit zal het karakter van de strijd op het Iberisch schierei­land doen veranderen. De Religieuze tegenstelling speelde daarbij geen grote rol; over en weer werd vaak grote tolerantie be­tracht tegenover overwonnen niet-geloofs­genoten. Zodra de geest van de Kruistochten een­maal vaardig is geworden over de Europese ridderschap, gaan buiten­land­se ridders ook in het Westen tegen de `ongelovi­gen’ strijden. Een van hen is de Bourgon­dische graaf Henri. Hij verlooft zich met Teresa, de bastaard­dochter van Alfonso VI van León en ontvangt in 1095 van zijn schoonvader de titel `graaf van Portucale’, welk graafschap al het gebied omvat tussen de Minho en de Taag. Ongeveer tien jaar later wordt uit het huwelijk van Henri en Teresa, in Guim­arães (de `bakermat van de Portu­gese natie’) een zoon, Afonso Henriques, geboren. Vanaf het moment dat hij in 1128 zijn vader als graaf van Portuca­le opvolgt, tracht hij zich – niet zonder succes – los te maken van van zijn leen­heer, de koning van León. Als Afonso Henriques, bij een raid ver in vijandelijk gebied, op 25 juli 1139 bij Ourique een overwin­ning op de Moren heeft behaald, gaat hij zich koning noe­men en is daarmee de stichter van het Bourgondische Huis. Portugal zal echter eerst in 1179 door de paus als een onafhankelijke konink­rijk worden erkend. Afonso Henri­ques verovert in 1147, met behulp van Engelse, Franse, Duitse en Vlaamse kruisridders, al-Ushb_na (Lissabon). Afonso Henriques sterft in 1185 in zijn hoofdstad Coimbra. Zijn krijgsverrich­tingen hebben hun neerslag gekregen in het nationale Portugese wapen. De zeven vergulde kastelen herinneren aan de kastelen van Leiria, Lissa­bon, Sintra, San­tarém, Palmela, Montemor-o-Novo en Évora, die hij op de Moren veroverd heeft; de vijf wapenschilden staan voor de vijf Moorse prinsen die hij heeft verslagen; de vijf punten in ieder van deze schilden symboli­seren de vijf wonden van Christus (overwin­ning van het christendom op het heiden­dom).

Onder de opvolgers van Afonso Henriques/Afonso I: Sancho I (1185-1211), Afonso II (1211-1223), Sancho II (1223-1246) en Afonso III (1248-1279) wordt de Reconquista voortgezet en uiteindelijk voltooid. Naarmate de moslims meer in het nauw gedreven worden, wordt hun verzet heviger. Als Sancho I in 1189, met behulp van kruisridders, Shilb (Silves) verovert om de Moorse kaapvaart tegen te gaan, landt de Almohadische kalief al-Mans_r in de Algarve. Hij slaat het beleg voor Silves, dat twee jaar later zal vallen, verovert al het gebied ten zuiden van de Taag en valt zelfs Estramadura binnen. In 1195 behaalt al-Mans_r bij Alarcós een grote overwinning op Alfonso VIII van Castilië, de inmiddels machtigste staat op het Iberisch schiereiland en de naaste buur van Portugal. In 1212 neemt Alfonso VIII wraak voor zijn nederlaag bij Alarcós door, met hulp van Portuge­se ridders, een klinkende overwinning te behalen op kalief al-Nasir. Als de macht van de Almohaden, die de Almoravi­den in de 12e eeuw als heersers zijn opgevolgd, in Noord-Afrika taant, stort hun verzet op het Iberisch schiereiland ineen. Castilië verovert in 1236 de Almohadische hoofdstad K_rtuba, terwijl Sancho II al het gebied ten zuiden van de Taag, met uitzondering van Silves en Faro, verovert. Zijn opvolger, Afonso III, voltooit in 1250 de Reconquista.

Door de Reconquista en door de Kruistochten is de hegemo­nie van de Arabieren over de Middellandse verloren gegaan. Zij is vervangen door die van de Italiaanse staatstaten, vooral Genua en Venetië. Zij zijn door hun aan de kruisvaar­ders ver­leende transportdiensten schatrijk geworden. Hier­door en door hun gunstige geografische ligging ontwikke­len zij zich tot com­merciële tussenpersonen in de handel in het econo­misch zeer belangrijke gebied van de Middellandse Zee. Het gevolg is dat exotische handelsgoederen, vanuit Afrikaanse havens en vanuit aan Syrië schatplichtige havens aan de Zwarte Zee, naar Europa stromen, terwijl deze havens zich openstellen voor importen uit Europa. De aanvoerlijnen uit subtropisch Afrika eindigen aan de kusten van Noordwest-Afrika; Alexandrië is het tussenstation van handelsgoederen, die vanuit de landen van herkomst worden aangevoerd naar de Egyptische Rode Zeekust. Dit traject sluit aan op de zeeweg uit het Oosten, die via Aden naar Syrië loopt. De `Syrische’ havens aan de Zwarte Zee zijn de eindpunten van verschillende karavaan­we­gen, die in het verlengde liggen van de zeeroutes uit het Oosten. Ook vanuit de Perzische Golf loopt een karavaanroute naar de Zwarte Zee. Daar eindigt eveneens een lange karavaanweg uit Centraal-Azië. Deze weg, die over Samarkand loopt, wordt echter weinig gebruikt. Overal waar handelswegen de kusten bereiken, verschijnen schepen uit Zuidwest-Europa, maar vooral uit Italië. Havens die zeer vaak worden aange­daan zijn Alexandrië en Byzantium, omdat dit stapelplaatsen zijn voor goederen aangevoerd uit de havens aan de Zwarte Zee. De meeste schepen die deze stapelhavens aandoen komen aanvankelijk uit Genua, meer nog dan uit Venetië.

Het door Afonso II veroverde laatste deel van de Algarve behoorde staatkundig bij het moslimrijkje L_bla (Niebla), waarvan het zwaartepunt ten oosten van de Guadiana ligt. Castilië betwist het Portugese bezit van geheel de Algarve, omdat het zich beschouwdt als rechtheb­ben­de op L_bla. Er ont­staan enige keren schermutselingen met Castilië, maar Afonso III weet deze zaak ten gunste van Portugal met Alfonso de Wijze van Castilië te regelen. Beide vorsten slechten ook de laatste banden van vazaliditeit waarmee Portugal nog met Castilië, als erfgenaam van León, verbon­den is. Daarmee is Portugal eerst echt een soeverein land.

Vanaf Sancho I zijn er vaak conflicten tussen de kroon en de kerk. Het gaat daarbij vooral om de vragen: wie benoemt bisschoppen en abten, de paus of de koning, en hoe kan voorkomen worden dat de kerk door schenkingen en legaten zeer veel onroerendgoed verwerft? Afonso II laat koninlijke onder­zoekscom­missies vaststellen of de eigen­domsti­tels van kerkelijk onroerendgoed deugen. Vaak zijn eigendommen aan de kerk nagelaten, terwijl de kroon daarop, na het overlijden van de leen­man, aanspraak kon maken. Sancho II verbiedt de kerk en zelfs individue­le geestelijken land uit donaties te aanvaarden en Afonso III ontneemt de kerk veel bezit, nadat is vastgesteld dat het onrechtmatig is verkre­gen. Hetzelfde pro­bleem doet zich overigens voor met de adel, waar lenen vaak ten onrech­te vererfd zijn. Vooral de resulta­ten van de regering van Afonso III zijn positief. Hij heeft de Recon­quista voltooid, de problemen met Castilië geregeld, de positie van de kroon tegenover de kerk en de adel ver­sterkt, verte­genwoordi­gers van de burgerij, naast die van de adel en geestelijkheid, in de cortes opgenomen en Lissa­bon, in plaats van Coimbra, tot hoofdstad gemaakt. Dit alles bete­kent belangrijke struc­turele vooruitgang.

Portugal is ten tijde van Afonso I en nog lang daarna een in hoofdzaak argrarisch land met veeteelt, landbouw, wijn­bouw en boomgaarden; de visvangst isd ook van belang. Het land is niet erg vruchtbaar; het noorden is overwe­gend bergachtig en het zuiden is zomers heet en droog. De verhoudingen op het platte­land zijn feo­daal; de horigen zijn aan de grond van hun heer gebon­den. Vrije boeren zijn er zeer weinig. In het Moorse zuiden zijn landbouw en veeteelt ook de basis van het bestaan, maar de grond is arm en het klimaat ongunstig. Rond de steden zijn zijn boom­gaarden aangelegd en wordt groente verbouwd, terwijl putten geslagen zijn om het land te bevloeien. De kuststrook is bekend als het centrum van de teelt van vijgen, amandelen en granaatappels. In de steden wonen, naast landbe­zitters en zij die op het land werkzaam zijn, handela­ren, ambachts­lieden, vissers en andere zeelieden. In Alentejo zijn koper- en zilvermijnen, in de Algarve wordt tin gewonnen en de Taag brengt enig goud op. Er is een papierindus­trie en enige scheeps­bouw. Nadat het zuiden veroverd is, verla­ten de moslims in groten getale het land. Vooral Sancho I geeft zich veel moeite veroverd gebied te bevolken. Zijn gezanten in het buitenland bewegen honderden buitenlan­ders, vooral Duitsers, zich in het zuiden van Portugal te vestigen. Men­sen uit het noorden van Portugal kunnen een hogere sociale status verwerven door naar het zuiden te migreren. Het gearabiseerde zuiden ziet de noorderlingen als barba­ren, die zich bovendien het air van overwinnaars aanmeten.

Ten tijde van Afonso Henriques, dus in de 11e eeuw, drijft Portugal handel met zijn christelijke en Arabische nabuursta­ten; van overzeese handel is dan nog geen sprake. Aan het einde van de 12e eeuw zal dit veranderen. In deze eeuw hebben zich aan de kusten van de Noordzee centra van economische activiteit ontwikkeld. De stad Brugge wordt het belang­rijkste handels­centrum voor Oost-, Noord- en West-Europa. Daar worden goederen aangevoerd van over de Alpen, maar vooral uit de Cham­pagne­streek. Dynastieke banden met Engeland, Bourgondië en Vlaanderen leiden tot commerciële betrekkingen. Portugese handela­ren krijgen privileges in Engeland en vestigen zich in Bor­deaux, waar zij de Engelse koning geld lenen voor hun strijd op Franse bodem. In de 13e eeuw en vooral onder koning Dinis (1279-1325), de oudste zoon van Afonso III, neemt de handel met het buiten­land toe en vestigen zich Portugese handelaren overal in West-Europa, maar vooral in Vlaanderen. Vanaf het einde van de eeuw begint in Brugge de aanvoer overzee, vanuit gebieden aan de Middellandse Zee en de Atlantische Oce­aan, de handel over land te domi­ne­ren. Portugese handela­ren, van wie de eersten zich in 1308, of mogelijk reeds in 1293, in Brugge vesti­gen, hebben hierin een groot aan­deel. Ondertussen taant de aanvoer over land, hetgeen te wijten is aan politieke onrust en zelfs oor­logs­handelin­gen in de Cham­pagne en delen van Vlaande­ren, als gevolg van de belang­stelling van de Franse koning voor deze stre­ken. Het aantal transacties en de omvang daarvan neemt voort­durend toe. Dit geldt zowel voor Euro­pese producten als voor uit Afrika en Azië aange­voerde koop­waar. De toename­ van de handel heeft invloed op de manier van handel­drijven. De handel van de individuele koopman, reizend over land met een kleine hoeveel­heid koopwaar, geraakt op het tweede plan, door de opkomst van transac­ties met groe­pen­ welgestelde kooplieden, die al dan niet in formeel verband samenwerken. Zij stellen hun kapiteins zoveel geld beschik­baar dat deze grote partijen goe­deren ver­werven, die zij naar de verkoopcentra vervoeren. De ontwik­keling van bepaalde industrieën, veelal weverijen, leidt ertoe dat de kapiteins achtereenvolgens de grondstof­fen kopen daar waar die worden voortgebracht, deze naar de weverijen brengen, de geproduceerde stoffen opkopen, deze distribue­ren voor de verkoop, om tenslotte de verkopen af te reke­nen. De grote rol die de kooplieden-afnemers in het proces gaan spelen, gaat gepaard met het geven van krediet en de introductie van geld. Het ­afnemerskrediet vergroot de economi­sche macht van de kopers, ten nadele van die van de producen­ten, hetgeen kenmerkend is voor de economi­sche verhoudin­gen in de Middeleeuwen. Dit geheel van verschijn­selen, dat in de 13e eeuw definitief doorzet: economi­sche groei in Europa in het algemeen, de introductie van geld en de aanwas van de geldcirculatie, de opkomst van het vroege kapitalisme en de eerste bankinstel­lingen, wordt aange­duid als de `commerciële revolutie’. Deze revolu­tie en het aandeel van Portugese kooplieden daarin, zal van grote betekenis zijn voor de Portuge­se maritie­me expansie in later tijd.

Koning Dinis bevordert de handel met het buiten­land, onder meer door een verzekeringssysteem op te zetten en een handelsverdrag met Engeland te sluiten (1308). Hij Heeft bijzondere aandacht voor de landbouw (droogleggen van moeras­sen) en stimu­leert even­zeer de eerste indu­strieën (stoffen en zeep), de scheeps­bouw, waartoe hij bij Leiria grote naald­bossen laat aanleg­gen en de handel (jaar­mark­ten). Hij bekostigt uit eigen middelen de bouw of het herstel van kaste­len, stadswallen en andere fortificaties. Door de stijgende geldcircu­latie wordt Portugal een markt­economie. In Dinis’ tijd worden de belastin­gen niet verhoogd, en de munt wordt niet ver­zwakt, zoals onder zijn voorganger, het­geen tot grote niet te beteuge­len prijsstijgingen en maat­schappelijke onrust heeft ge­leid. Dinis is de eerste Portuge­se koning die heeft leren lezen en schrij­ven. Hij is, evenals zijn vader, een dichter en be­roemd als troubadour. Hij moderni­seert het bestuur, ver­sterkt de rechtsmacht van de kroon, tegenover de kerk en de adel, laat een kadaster aanleggen en wetten van zijn Castili­aanse grootvader, Alfonso de Wijze, in het Portugees vertalen, terwijl hij het Portugees tot officiële bestuurstaal verheft (in plaats van het latijn). De koning sluit in 1297, na een korte oorlog, met Castilië het Verdrag van Alcañces, waarbij Portugal enig gebied in Beira verkrijgt en de grenzen komen vast te liggen. Dinis sticht de eerste Portugese univer­siteit, eerst in Lissa­bon, maar later overgebracht naar Coimbra. Hij sticht in 1319 de militaire Orde van Christus, die het grote vermogen van de opgehe­ven Orde van de Tempeliers verkrijgt. Dinis belast in 1317 de Genuees Emmanuele Pessag­no met de opbouw van de Portugese oorlogsvloot, waarvan deze in 1322 admiraal wordt. Dinis is ge­huwd met Isabel van Ara­gón, bekend als de Rainha Santa. Zij is de beschermheili­ge van Coimbra. (Elizabeth van Portugal is niet de enige heilige die het Middeleeuwse Portugal heeft voort­gebracht. De in 1195 in Lissa­bon geboren Fernan­do Bulhõ­es, is als Sint Antonius van Padua de popu­lairste heilige van Zuid-Europa en de patroon van Lissa­bon. De voor­aanstaande scholasti­cus Pedro Hispa­no heeft als Johannes XXI in de jaren 1276/1277 acht maan­den de Stoel van Petrus bezet).

Vanaf onge­veer 1300 is in Europa sprake van eco­nomi­sche achter­uitgang. Afnemen­de meer­op­breng­sten in de land­bouw, door uitput­ting van de bo­dem, moge­lijk nog verergerd door ongun­stige klima­tologi­sche om­stan­digheden, zijn mogelijke oorzaken. De ver­minder­de pro­ducti­viteit leidt tot grote­re uitbui­ting van de boeren­be­vol­king, omdat de adel zijn beste­dingen niet wenst aan te passen bij de vermin­derde op­breng­sten van het land. Een sym­bool voor de extrava­gante con­sumptie van veel edelen is de verwer­king van kost­bare specerijen uit het Verre-Oosten tot afrodisica. `Alsof de aristo­cra­tie anders geen liefde kon bedrijven’, merkt Waller­stein op. De horigen komen in op­stand tegen de feodale landhe­ren, die elkaar ook vaak onder­ling bestrij­den. Aldus geraakt het feodalis­me in een crisis, die zich ten tijde van Afonso IV (1325-1357) ook in Portugal open­baart. De crisis wordt ver­sterkt doordat de economi­sche en sociale struc­tuur van het land verandert. Naast de adel ont­staat de in handel en nijverheid welvarend geworden bourgeoi­sie, die haar nieuw verworven rijkdom wil tonen en haar aandeel in de politiek opeist. De adel inves­teert niet in handel en nijverheid, omdat de edelen de tekenen des tijds niet ver­staan. De problemen worden vergroot doordat Afonso IV her­haalde malen in conflict raakt met Castilië, terwijl deze oorlogen het land grote verwoestingen brengen. Afonso IV strijdt overigens niet alleen tegen Castilië maar ook met Castilië tegen de Moren. In 1340 verslaat Alfonso XI, bijgestaan door Afonso IV, aan de oevers van de Rio Salado, een grote Moorse invasie­macht, de laatste die vanuit Noord-Afrika het Iberisch schiereiland is binnenge­vallen, al zal het nog tot 1492 duren voordat de rol van de moslims daar zal zijn uitgespeeld. De crises worden nog aanzien­lijk vergroot doordat ook Portugal in 1348 getroffen wordt door de pest, die niet alleen de steden treft, maar soms geen bewoner van een dorp of klooster in leven laat. Het bezit van de kerk stijgt, omdat edelen en boeren, in het zich van een naderen­de dood en in een poging hun ziel te redden, hun bezittingen aan de kerk schenken, ofschoon dit bij wet verboden is. De bevolkingdaling door de pest wordt in de steden meer dan tenietgedaan doordat tegen het midden van de eeuw een trek van ver­pauper­de boeren naar de steden op gang komt. Daar ontstaat een lom­pen­pro­letariaat. De ontvol­king van het platte­land leidt ertoe dat land­bouw­grond bestemd wordt voor veeteelt, die minder men­sen vraagt, of ongebruikt blijft, waardoor Portugal structu­reel graan moet importe­ren.

In een opzicht gaat het Portugal ten tijde van Afonso IV goed. De handel met het buiten­land neemt een grote vlu­cht. Er hebben zich rond het midden van de 14e eeuw al zoveel Portugese handelaren in Vlaanderen gevestigd en de handel met dat land is zozeer toegenomen, dat in Brugge een officiële Portugese handelspost (feitoria) gesticht wordt. De handel met en de vaart op Engeland wordt bevorderd door een verdrag met Edward III, dat de veiligheid van de kooplie­den in elkaars landen garandeerd. Portugal voert naar Noord­west-Europa uit: vijgen, rozijnen, zout, wijn, olijfolie, honing, talk, was, kurk, kermes, leder, huiden en Spaans gras voor de vervaardiging van bezems en voert uit deze landen in: textiel, kleding, hout, verfstoffen en paar­den. Naar de landen rond de Middellandse Zee worden geëxpor­teerd: gedroogde vis, honing, was, leder, huiden, wol en enig zout. Inruil hiervoor ontvangt Portugal: specerij­en, suiker, stoffen van zijde en wol, wapens, graan en allerlei huishoudelijke en luxe goederen. De tussenhandel wordt bevorderd door het in deze tijd voorhanden zijn van een over­vloed aan gouden en zilveren Moorse munten. Ook de kustvaart met Galicië en de noord­kust van het Schiereiland is van belang, evenals de handel met Castilië langs de lange gemeenschap­pelijke grens. In Portugal bevinden zich vele buitenlandse handela­ren, onder wie Catalanen, Aragonezen, Castilianen en Italianen, vooral Genuezen. De Portugese scheepvaart in de Middellandse Zee, maar ook die op Engeland en Vlaande­ren, verliest terrein aan Italiaanse kooplieden. Zij beschikken over een technische voor­sprong, grotere mogelijkheden tot het geven van afnemerskre­diet en betere handelscon­tacten. Aan de andere kant profi­teert de Portugese scheep­vaart van de geavan­ceerde sch­eep­pvaarttechnieken van de Italianen.

De crisis waarin het feodalisme in Portugal, maar ook elders in Europa is komen te verkeren, kan worden bestreden als door internati­onale ar­beidsverdeling efficiënter zou kunnen worden gepro­duceerd. Daartoe moet een wereld­wij­de markt ontstaan. Voor­waarden hiertoe zijn: een vergro­ting van de economi­sche ruimte van Europa en de vor­ming van betrek­ke­lijk sterke staatsappara­ten in wat de centrum­landen van deze kapitalistische we­reld­economie gaan worden. Gebieds­uitbreiding is de sleutel­voor­waarde voor de oplossing van de crisis van het feodalis­me. Aanvankelijk kan dit binnen Europa worden gerealiseerd. De economi­sche centra, vooral Noord-Italië, Vlaan­deren en Noord-Duitsland, hebben tussen 1000 en 1250 hun econo­mi­sche ruimte uitgebreid door binnen Europa wou­den te kappen, laagland in te polderen en moerassen droog te leggen, om meer land­bouwge­bied te verkrij­gen. Met het voortschrijden van de `commerciële revolutie’ ontwikkelt zich langzamerhand het denkbeeld van verdergaande expansie. Aangenomen wordt dat de verrijking van de kooplieden, de groeiende omvang van enige indu­strieën en het daarmee verbonden belang van de publieke machtheb­bers, vanaf het begin van de 13e eeuw, aan dit denkbeeld voedsel geven. Eexpansie wordt meer en meer gezien als een economische noodzaak en bovendien als een religieus gebod. In West- en Oost-Europa wordt de expansie geëffec­tueerd doordat de Engel­sen Wales, Schot­land en Ierland binnen hun in­vloeds­sfeer brengen en de Duitsers en Scandi­na­viërs de landen van Balten en Slaven binnendrin­gen. In het zuiden worden de Moren in de 13e eeuw steeds verder op het Iberisch schier­ei­land terugge­dron­gen en gaan de Balea­ren, Sardinië en Corsi­ca voor hen verloren. Het denk­beeld van de expansie blijft hierdoor en door de Kruis­tochten bewaard en wordt versterkt doordat de Arabie­ren in het bezit zijn van goud, waarvan de Europese handel in zijn betrek­kingen met Afrika en Azië, tegen wil en dank, afhan­kelijk is gewor­den.

Naast de mogelijkheid van expansie met militaire middelen, zoeken kooplieden naar andere vormen. Zij wensen zich nieuwe afzetmarkten en willen uiteindelijk toegang verkrij­gen tot de Aziatische en Afri­kaanse produc­tiegebie­den. Met dit doel voor ogen verenigen zij zich, daarbij elkaar onder­steunend, in groepen voor het onderne­men van reizen om de commer­ciële mogelijkheden te onder­zoeken. Bekend zijn de reizen van Niccolo en Matteo Polo naar Centraal-Azië in 1260 en 1269, gevolgd door die van hun neef Marco Polo, die de uiterste grenzen van het Verre Oosten bereikt. In 1291 passeren de Genuese gebroeders Vivaldi de Straat van Gibraltar voor een tocht langs de kusten van Afrika, waar­van zij niet terugke­ren. Meer geluk heeft hun stadge­noot Lancellotto Malocelli die tussen 1310 en 1330 zijn eerste expeditie naar de Canarische eilanden onderneemt. Deze eilanden waren reeds in de Oudheid bekend, zijn vervolgens eeuwen lang `vergeten’ en eerst aan het einde van de 12e eeuw herontdekt. Hij verblijft enige jaren op het naar hem genoemde eiland Lanzarote. In 1346 vertrekt de beroemde Majorcaanse cartograaf Jaime Ferrar voor een zoektocht naar `Rio del Oro’ aan de kust van West-Afrika. Van hem wordt nimmer meer iets vernomen. In 1341 nemen de in Lissabon woonachtige Genue­se koopman Niccoloso de Recco en zijn Floren­tijn­se stadgenoot Angelino del Tegghia de Corbizzi het initiatief voor een tocht naar de Canari­sche eilanden. Zij vinden koning Afonso IV bereid de door hen te leiden expedi­tie, waaraan ook Castili­aanse, Arago­nese, Catal­aan­se en Portu­ge­se koop­lie­den deelnemen, te bekosti­gen en wellicht ook te organise­ren, waardoor zij onder aus­piciën van de Portugese kroon wordt onder­no­men­. Het bijzondere is dat de expedi­tie bijna drie­kwart eeuw eerder wordt onderno­men dan men de Portugese maritieme expan­sie gewoonlijk laat beginnen. Vanaf het midden van de 14e eeuw worden meer reizen naar de Canarische eilanden en Madeira ondernomen. Niet slechts door Portuge­zen, maar ook door Castilianen, Catalanen, Basken, Noor­deuropeanen en zelfs moslims, maar bovenal door Italianen. On­danks dat Afonso IV in 1343 de Heilige Stoel van de tocht op de hoogte brengt, wijst paus Clemen VI de Canari­sche eilanden toe aan een Castiliaans edelman, hetgeen tot ver in de volgende eeuw tot alsmaar oplaaiende twisten met Castilië zal leiden.

Onder Afonso’s zoon Pedro I (1357-1367) beleeft Portugal tien rustige jaren, waarin de welvaart stijgt, maar zijn zoon Fernando I (1367-1383) mengt zich van meet af aan in de Honderjarige Oorlog door, met Engelse steun, de strijd aan te binden met Frankrijks bondgenoot Castilië. De verschillen­de veldtochten, die ten dele op Portugees gebied worden uitgevochten, leiden tot grote verwoestingen, een galoppe­rende inflatie en grote sociale ontreddering. Er ontstaat onrust in het land, doordat de lagere klassen in verzet komen tegen de voortdurende prijsverhogingen door de middenklasse van handelaren. De koning probeert de crisis­verschijnselen te bestrijden. Hij verschaft het stadspro­letariaat werk door de aanleg of restauratie van verdedi­gingswerken; hij tracht de ontvolking van het platte­land tegen te gaan door de landarbeiders aan de grond te binden, om hun een (karig) bestaan te garanderen, terwijl hij landei­genaren verplicht het land in cultuur te brengen. Deze maatregelen heffen het tekort aan landarbei­ders niet op; de graanproductie neemt af, terwijl de veeteelt (vooral scha­pen), wijnbouw en de produc­tie van olijfolie toenemen. Fernando bevordert de internationale handel door een sys­teem van zeeassurantie op te zetten en door de bouw van koopvaardijschepen aanzien­lijk te subsidiëren, onder meer door gratis hout uit de ko­ninklijke bossen beschikbaar te stellen. De vooruitgang in de Portugese scheepsbouw die hiervan het gevolg is, geraakt diep verweven met de ontwik­keling van de nationale com­merciële activiteiten. De klasse van gefortu­neerde kooplie­den neemt toe, terwijl door de groei van de handelsvloot meer en meer zeelieden nodig zijn, die derhalve ervaring opdoen, zodat het aantal zeelieden stijgt.

De galopperende inflatie is het gevolg van de verzwak­king van de Portuge­se munt. Het proces van geldontwaarding is al vanaf 1360 waarneembaar en zal aanhouden tot 1409, tien jaar nadat de vrede is weerge­keerd. De oorzaak van de voortdurende muntver­zwakkingen is het tekort aan edele meta­len dat, ondanks de ont­wikkeling van zilvermij­nen in Servië en Bosnië vanaf 1350, zich algemeen in Europa voor­doet. De op te grote voet levende adel en de opkomende bour­geoisie oefenen zoveel vraag uit naar luxe goederen uit de Levant, Perzië, Indië en het Verre Oosten, zoals specerij­en, parfums, edelstenen en ivoor, dat er via vooral Venetië en de Arabieren een netto stroom van gouden en zilveren munten naar het Oosten stroomt, om tempels, paleizen en kleding van de Aziati­sche aristocra­tische klasse te sieren. Terwijl in Europa in de 14e eeuw de circulatie van gouden en zilveren munten onvol­doen­de is voor de zich uitbreidende economie, is men ervan op de hoogte dat Afrika, een toen nog vrijwel onbekend wereld­deel, grote hoeveelheden goud voortbrengt. De bron hier­van is een exotische verhaal van de pel­grims­reis, die Mansa Musa, de zwarte heerser over het konink­rijk Mali, in 1324 naar Mekka onder­no­men heeft. Het voortdurend aan­gedikte verhaal, vertelt tenslotte dat vijfhon­derd slaven voor het paard van de ko­ning uit hebben gelo­pen; ieder van hen met een baar goud. In Cairo heeft Mansa Musa honderd kameel­ladin­gen goud, van driehonderd pound ieder, uitge­deeld. Zijn giften zijn zo omvang­rijk geweest, dat de goud­prijs op de markten in de Levant daar­door aanzienlijk is gedaald. Men heeft er overigens geen voorstelling waar Mali ligt en hoe groot het is. In werke­lijkheid beslaat het koninkrijk Mali een groot gebied. Het reikt van de kust van de Atlan­tische Oceaan, daar waar de Senegal en de Gambia uitstromen, naar het oosten tot het middelste deel van de Niger. Van­daar reikt het land naar het zuiden tot voorbij de stad Goa en naar het noor­den tot voorbij Tim­boek­toe. In 1339, zeven jaar na de dood van Mansa Musa, ver­schijnt Mali, aangeduid als `Rex Melly’ op de Majorcaan­se kaart van Angelino Dul­cert. Deze beroemde kaart toont tevens een karavaan­route door het Atlas­geberg­te naar het `Land van de Negers’. De kaart uit 1375 van Abraham Cresques, een andere Major­caanse cartograaf, geeft de ligging van de steden Niani, Timboektoe en Gao vrij nauw­keurig aan. Hij toont de koning, gezeten op zijn troon, met een kroon op het hoofd. In de ene hand houdt hij zijn scepter vast en in de andere heeft hij een staaf goud. De cartograaf verklaart dit beeld met de volgen­de woor­den: `Deze negerkoning heet Musa Mali en hij is de heerser over de negers van Guinée. Door de overvloed aan goud dat in zijn rijk gevonden w­ordt, is hij de rijkste en nobel­ste koning van de wereld.’ De twee­de kaart toont ook de kara­vaanweg door het Atlasge­bergte naar het zui­den, met de vermelding dat de route gebruikt wordt door `koop­lieden die reizen naar het land van de negers van Guinea.’ Het ligt voor de hand dat het hof in Lissabon be­schikt over copieën van de kaar­ten van Angelino Dulcert en Abraham Cresques.

De economische en politieke relaties die Portugal met andere Europese landen onderhoudt, brengen het land in nauw contact met de Europese expansionistische aspiraties. Het land kan zich daaraan niet onttrekken. Dat uitgerekend Portugal de leiding zal nemen in de maritieme expansie kan worden verklaard uit een aantal speci­fie­ke om­standig­he­den. Portugal ligt dicht bij Afrika aan de Atlanti­sche Oce­aan, terwijl het verloop van de golf­stro­men Lissabon tot een ideaal vertrekpunt maakt. Omdat Portugal een onge­mak­ke­lijke en vaak vijandi­ge relatie met zijn na­buur­staat Castili­ë heeft, was het al heel vroeg ge­nood­zaakt zijn blik te richten naar de zee, waarvan het afhan­kelijk is voor zijn verbin­din­gen met de rest van de wereld. De zee is ook van groot belang voor de voedselvoorziening, omdat vis rijk is aan proteïne en daarom een welkome aanvulling vormt op het veelal plant­aardige menu in de Middeleeuwen. Portugal heeft zich tot een echte han­delsna­tie ont­wik­keld; het land beschikt tegen het einde van de 14e eeuw over schepen voor de handelsvaart, maar ook over oorlogs­sche­pen, een vissers­vloot en de bijbehorende ervaren bemanningen. Een ander belang­rijk punt is, dat zich vanaf de 13e eeuw in Lissabon, in navol­ging van Spanje, veel Genue­se kooplieden hebben geves­tigd. Reeds in 1317 is Lissabon een groot cen­trum voor de Genue­se handel. Genua streeft ernaar de Iberische volken in de internationale handel op te nemen, in een poging met hun hulp door het Venetiaanse monopolie en de moslim-blokkade heen te breken. Hulp van Genu­ezen is voor Portugal van groot belang. Zoals reeds vermeld, be­schikken zij over: een groot handels­net­werk; superieu­re kennis van scheepsbouw, navigatie en andere tech­nieken en aan­zienlij­ke handelskapi­talen. Boven­dien nemen zij vaak het initia­tief en lopen het financiële risico. Zij hebben al snel de sleutel­posities op het Iberisch schierei­land in handen, zoals bleek uit het voorbeeld van de Emma­nuele Pessag­no, die reeds in 1317 door koning Dinis belast werd met de bouw­ en de leiding van de Portugese oorlogsvloot en Portugal­ een geduch­te zee­macht werd. De naijver op de positie van de Genuezen verdwijnt doordat deze met Portu­gese vrou­wen trouwen en gaan beho­ren tot de Portugese aristo­cra­tie. Individuele Genuezen, maar ook andere Italia­nen, zullen een grote rol spelen in de maritieme en commer­ciële expan­sie van Portu­gal, terwijl de Italiaanse staatsstaten uitdrukkelijk afzien van verdere Atlantische ondernemingen en zeer beslist ervoor kiezen zich te wijden aan de traditio­nele handel in de Middellandse Zee. Ook de Catalaanse belang­stelling voor de Atlantische eilanden is van korte duur. De Catalaanse expansie richt zich al gauw uitslui­tend op gebie­den in en rond de Middellandse Zee. Naast de genoem­de gunsti­ge omstandigheden heeft Portugal nog in andere opzichten een voor­sprong op de rest van Europa. De econo­mie van Portu­gal is sterker gemoneta­ri­seerd en zijn bevol­king is meer geürba­ni­seerd dan in bijvoor­beeld Enge­land en Frankrijk. Daarnaast zal het land in de 15e gaan beschikken over een krach­tig staatsappa­raat, waarmee het afwijkt van de andere West­europe­se staten. Het is vanaf 1385 een stabiel koninkrijk dat de gehele eeuw praktisch vrij is van burger­strijd. Daarmee ligt Portu­gal een eeuw voor op landen als Frank­rijk, Engeland en Spanje. De stabiliteit van de staat is ook van veel belang omdat de koning in veel opzich­ten de grootste ondernemer is. Portu­gal is ook een echte natie; het nationale be­wustzijn van zijn bevolking is ontwik­keld in de eeuwenlange strijd tegen de Moren. De vele oorlo­gen met Castilië hebben het saam­horigheidsge­voel verder ver­sterkt.

Ten tijde van Fernando I ontbreekt nog de voorwaarde van stabiliteit. Als Fernando I in 1383 sterft, heeft hij geen manne­lijke nakome­ling. Zijn dochter Beatriz, die gehuwd is met Juan I van Castilië, heeft nog geen kind gebaard. Tot die tijd zal de koningin-weduwe, Leonor Teles, als regentes optre­den. Er breken direct rellen uit tegen Leonor Teles en haar Galici­sche minnaar João Fernándes Andeiro, graaf van Ourém. De oppositie wordt aangevoerd door João, de meester van de militair-religieuze Orde van Avis en een bastaardzoon van Pedro I. João van Avis vermoort eigen­handig Andeiro, terwijl Leonor Teles naar Castilië vlucht. Juan I eist de Portugese troon op voor zichzelf en Beatriz. Om zijn eisen kracht bij te zetten, valt hij Portugal binnen. João van Avis roept zich tot koning João I uit, waarmee de cortes op 6 april 1385 instemt. Met behulp van een legertje Engel­se boogschutters weet zijn bevelheb­ber Nuno Álvares Pereira op 14 augustus 1385 de Castili­aanse invasietroepen in de grote Slag van Aljubarrota een nederlaag toe te bren­gen. João I sluit in 1386 met Engeland het Verdrag van Westminster, welk verdrag de Anglo-Portugese relatie tot een stevig bondgenootschap maakt. John of Gaunt, hertog van Lancas­ter, die zichzelf beschouwt als rechtheb­bende op de troon van Castilië, komt met een leger naar Portugal om samen met de Portu­gezen een veldtocht tegen Castilië te onderne­men. Dit loopt op een fiasco uit en in 1387 wordt een voorlopig bestand getekend. De overwin­ning van João van Avis is te beschouwen als de overwin­ning van de nationale geeest op de aanhangers van de gevestigde feodale orde. Degenen die Leonor Teles of Beatriz gesteund hebben wordt veel bezit ontnomen en zij verliezen aan prestige. Zij die van meet af aan João van Avis gesteund hebben, worden rijkelijk beloond. Er ontstaat een nieuwe, veelal uit de bourgeoisie afkomstige adel. Onder aanvoering van Afonso, de graaf van Barcelos, een onwetti­ge zoon van de koning zelf, gedraagt zij zich niet alleen even feodaal als de oude aristo­cratie, maar is daarnaast ook zeer arro­gant.

Onder de regering van João I (1385-1433) vinden in de jaren 1396/­1397 nog enige onbeduidende schermutselingen met Castilië plaats. Deze worden gevolgd door een wapen­stil­stand in 1411 en een vre­desver­drag in 1432. Het land bloeit op, maar de economische vooruitgang wordt getem­perd door een gebrek aan arbeidskrachten. Dit laatste wordt veroorzaakt doordat Portugal, evenals andere landen, na de eerste pestepidemie in 1348, herhaaldelijk getroffen wordt door de `Zwarte Dood’ (1356, 1384, 1415, 1423 en 1432), waardoor de omvang van de bevolking per saldo daalt. In 1387 is João I in het huwelijk getreden met Filipa van Lancas­ter, de dochter van John of Gaunt. Zij schenkt hem vijf zonen, achter­eenvolgens: Duarte, Pedro, Henrique, João en Fernan­do, alsmede een dochter, Isabel, die met Philips de Goede van Bourgondië in het huwelijk zal treden.

Het einde van de 14e eeuw is voor Italiaanse, Spaan­se en Franse edelen een periode van militaire avontu­ren in het buiten­land. Zij strijden vaak zonder duidelijk doel voor ogen om, naast roem, krijgsbuit te verwerven, om aldus de dalende opbrengsten van de landgoederen te com­penseren, om hun vaak buitensporige consump­tie op peil te kunnen houden. Over­be­vol­king speelt waar­schijnlijk geen rol, omdat de herhaalde pestepidemieën tot daling van de bevolkingen leidt. De Portu­gese adel heeft, nadat in 1411 een einde is gekomen aan de oorlog met Casti­lië, geen mogelijk­heid op Europese bodem krijgsbuit te verwerven. Dit treft­ vooral de `jonge­re zonen’ van de adel, voor wie geen land beschik­baar is. Ook drie zonen van koning João, Duarte, Pedro en Henrique, van wie de jongste, Henrique, in 1411 zeventien jaar is, snakken naar roem en buit op het slagveld.

De idee wordt geboren de strijd aan te binden met de Moren in Noord-Afrika. João I laat de paus Gregorius XII reeds in 1410 weten van plan te zijn een strategisch gelegen haven­stad in Marok­ko te veroveren. Deze mededeling kan zijn ingegeven door de mislukte poging van Enrique IV van Castilië zich in 1406 van de Marokkaanse stad Tetouan meester te maken. De keuze valt tenslot­te op Ceuta, een rijke haven­stad, aan het eindpunt van kara­vaanrou­tes door de Sahara, waarlangs goud, ivoor, malagu­e­ta-peper en neger­slaven worden aange­voerd. Bovendien kan vanuit Ceuta de Straat van Gibraltar beheerst worden, waardoor het mogelijk is de piraterij van mos­lims, die het op de chris­telijke scheep­vaart door de zeestraat hebben ge­munt, effec­tief te bestrij­den. Het plan Ceuta te ver­overen, wordt wel toegeschreven aan João Afonso de Alenquer, ‘s konings schatkistbewaar­der. Hij verwacht hiervan niet alleen een grote oor­logs­buit, maar het bezit van de stad verschaft de Portuge­zen de controle op de goudhan­del en maakt voortdu­rende aan­vallen op de scheep­vaart van de mos­lims mogelijk. Alenquer heeft al in 1409, toen er nog geen sprake was van een expedi­tie, al eens iemand, onder het mom slaven te willen kopen, naar Ceuta gezon­den om aan de weet te komen in welke omvang daar goud wordt aangevoerd. Bij terugkomst roemt de spion de sch­oon­heid en rijkdom van Ceuta. De stad is omgeven door muren voorzien van kante­len, bezit sterke vestingwer­ken, indruk­wekkende gebouwen, bon­gerds en verrukkelijke tuinen. Landinwaarts strekken zich korenvel­den uit; iets wat ook tot de verbeelding spreekt, wegens de wisselende oogsten en soms grote tekorten aan graan in Portu­gal. Voor Alenquer zijn deze inlichtingen aanlei­ding bij koning João aan te dringen een poging te onderne­men de stad te verove­ren. De koning, het falen van Castilië voor Tetouan indachtig, aarzelt. De prinsen Duarte, Pedro en Henrique, hierin bijgevallen door João Afonso da Azambu­ja, de aarts­bis­schop van Lissabon, weten de koning tenslotte voor het plan te win­nen, waarbij de wens Castilië een slag voor te zijn een belangrijke overweging kan zijn geweest. Het plan vindt veel weerklank in de Portuge­se samen­le­ving, omdat vele groepen belang hebben bij een overzeese expan­sie. Het hof (de staat) en de adel, die zijn `jongere zonen’ aanbiedt om de expedi­ties te leiden; de handels­bourgeoi­sie en zelfs het semi-prole­ta­riaat. Hieruit worden soldaten en zeelieden gerecruteerd, die hun ellendi­ge bestaan in de stad of op het platte­land graag verrui­len voor een avontuur­lijk leven. In juli 1415 zijn de voor­bereidin­gen van de expedi­tie voltooid en zeilt een armada, bestaan­de uit wellicht twee­hon­derd schepen, uit. De vloot heeft minstens 19.000 zeelieden en soldaten, alsmede de koning en de drie prinsen aan boord. Op 15 augustus wordt Ceuta vrijwel zonder slag of stoot ingeno­men. Haar verdedi­gers hebben Ceuta, om nimmer opgehelderde redenen, verla­ten.

De verovering van Ceuta, die een zeer rijke buit oplevert en weinig verlie­zen heeft gekost, wakkert de lust voor verdere maritieme avonturen aan. Het voortouw wordt genomen door prins Henrique, die een belangrijke rol ge­speeld heeft bij de ver­overing van Ceuta. Hij vergroot zijn geografische kennis van West-Afrika – vooral tijdens een verblijf van drie maan­den in Ceuta in de jaren 1418/1419 – door het lezen van buitge­maakte docu­menten, het ondervragen van gevan­ge­nen en het inwinnen van inlichtingen bij burgers en kooplie­den. Volgens zijn biograaf, Gomes Eanes de Azurara, beter bekend als Zurara, krijgt Henrique hierdoor grote belang­stelling voor ontdekkingsrei­zen. Hij gaat zich wijden aan de zaak van de maritieme exploratie van Afrika’s west­kust, waardoor hij de geschiede­nis is ingegaan als Dom Henrique o Navegador (Prins Hen­drik de Zeevaarder). Volgens Zurara zou hij de volgen­de bedoelin­gen met de ont­dekkings­reizen hebben gehad: hij wil het land kennen voorbij de Canari­sche eilan­den en Kaap Bojador; hij wil weten: of ergens christenen wonen, wier havens zonder gevaar kunnen worden aange­daan en waar met handel grote winsten kunnen worden be­haald; hij wil vaststellen hoever de in­vloed van de mos­lims zich naar het zuiden uitstrekt en of er ergens een christelijke koning woont, die kan helpen de `ongelo­vigen’ te bestrijden. Ten­slotte wil hij het katholieke geloof doen verbreiden. Henrique heeft de opgesomde motieven vermoe­de­lijk kort voor zijn overlijden in 1460 zelf aan Zurara gedic­teerd. Al deze motieven hebben Henrique waarschijnlijk niet van meet af aan voor ogen gestaan; aan te nemen is dat hij in de loop der jaren een helder zicht gekre­gen heeft op de doelein­den van ontdek­kingsrei­zen.

In deel I van dit boek is uitvoerig aandacht geschonken aan de persoon van D. Henrique o Navegador en aan diens rol bij en bete­kenis voor de ontdekkingsreizen. Daarbij is vermeld dat de hedendaagse Portugese historici Oliveira Marques en Ma­galhães-Godinho erop hebben gewezen dat niet meer dan eenderde van de ontdekkingsreizen aan zijn initiatief zijn te danken. Damião Peres merkt hierover op dat deze bewering slechts berust op de aanname dat de vele reizen die ten tijde van regent Pedro (1433-1448) gemaakt zijn en die vanzelf­sprekend diens goedkeuring hebben moeten verkrij­gen, ook aan diens initiatief ontspro­ten zijn, maar dat Pedro’s tegen­standers de bewijzen daar­van hebben vernie­tigd. Peres wijst beide hypothesen af en stelt dat `Henrique de eerste halve eeuw inderdaad de drijvende kracht achter de Portugese ontdekkingsreizen is geweest; de onbaatzuchtige stimulator, die nooit voor financiële moeilijkheden van de onderneming terugdeinsde…’. Peres merkt verder op: `Zijn opmerkelijke betekenis blijkt daaruit, dat wat hij nastreefde oversloeg op anderen en uitgroeide tot de essentie van het Portugese levensgevoel van die tijd. Als geen ander voelde hij de materiële en geestelijke problemen van de woeli­ge tijd waarin hij leefde aan. Hij doorzag de mogelijkheden en maakte daarvan in de eerste decennia van de Portugese expansie gebruik’.

In deel 2 leest u de gevolgen van Henrique’s aanpak.

Verantwoording

Omdat de verantwoording van de oorspronkelijke versie van deel 1 van de `Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee’ uit 1996 wel erg is gedateerd, is deze niet opnieuw opgenomen en slaat deze verantwoording uitsluitend op de voorliggende herziene versie van deel 1. Nadat deel 1 in 2003 was uitverkocht geraakt en sindsdien enige nieuwe gegadigden moesten worden teleurgesteld, is besloten een beperkte tweede oplage van deel 1 uit te brengen. Omdat aan enige zaken in de oorspronkelijke versie bij nader inzien te weinig aandacht was besteed en het boekje ook dunner was dan de volgende delen, zijn enige paragrafen herschreven en aangevuld.

In dit eerste deel wordt de geschiedenis van Portugal behandeld vanaf de prehistorie tot en met het begin van de maritieme expansie. Dat wil zeggen dat de verovering van Ceuta in 1415 en het betwiste bezit van de stad in de jaren daarna beschreven zijn. Voorts is in dit deel aandacht geschonken aan de pogingen van Portugal de Canarische eilanden in handen te krijgen en aan de herontdekking en kolonisatie van de Madeira-archipel en de Azoren. De behandeling van deze drie onderwerpen is doorgetrokken tot 1479; het jaar waarin Portugal afstand doet van zijn aanspraken op de Canarische eilanden. Deel 2 begint derhalve met de ontdekkingsreizen langs Afrika’s westkust, welke tochten zullen leiden tot de maritieme machtsontplooiing die Portugal zal verzekeren van de beheersing van een groot deel van de wereldzeeën en van het daarop gebaseerde wereldwijde handelsimperium.

In de oorspronkelijke versie van deel I is over de geraadpleegde literatuur van de eerste vier hoofdstukken van dat deel het volgende vermeld: `De hoofdstukken 1 en 2 en de paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 stoelen in hoofdzaak op twee boeken: A New History of Portugal van H.V. Livermore (1966) en History of Portugal van A.H. de Oliveira Marques (1976).

Daarnaast zijn veel gegevens – met name over de Oudheid – ontleend aan de inleidende hoofdstukken uit Danvers’ boek: The Portuguese in India (1894). Voorts zijn geraadpleegd História concisa de Portugal van J.H. Saraiva (1979), alsmede het inleidende hoofdstuk van Portuguese Colonization in the Sixteenth Century; A Study of The Royal Ordinances (Regimentos) van A. da Silva Rego (1959). Bij paragraaf 1.1 (thans § 1.0) is ook gebruikgemaakt van Au Néolithique, Les premiers paysans du monde (in Nederlandse vertaling) van C. Louboutin (1990). Bij paragraaf 3.4 en volgende kon geput worden uit het befaamde boek van V. Magalhães-Godinho: L’économie de l’empire Portugais aux XVe et XVIe Siècles (1969). Aan The New Encyclopaedia Britannica, de Atlas zur Weltgeschichte van Hermann Kinder en Werner Hilgemann (1982), en andere naslagwerken zijn gegevens ontleend om gebeurtenissen in een breder kader te plaatsen. Voor hetzelfde doel is bij de paragrafen 4.2, 4.3 en 4.4 gebruikgemaakt van Barbara Tuchmans veel geprezen werk: De waanzinnige veertiende eeuw (1988). Anders dan bij die delen van mijn boek waarop het accent ligt, heb ik gemeend bij de eerste vier hoofdstukken te kunnen volstaan met deze beperkte boekenlijst.’ (einde citaat)

Bij het herzien van deel 1 is hoofdstuk 1 herschreven, met uitzondering van de prehistorie (1.0). De paragrafen over de Phoeniciërs (1.1), de Romeinen (1.2) en de koninkrijken van Sueven en Visigoten (1.3) zijn sterk uitgebreid aan de hand van The New Encyclopaedia Britannica, waarbij ook is gebruikgemaakt van de relevante doorverwijzingen. Voor paragraaf 1.3 is bovendien geraad-pleegd: Histoire Universelle des Missions Catholiques, publiée sous la direction de Monseigneur S. Delacroix. Bestudeerd is Chapitre Troisième: La conversion des barbares d’occident par Daniel-Rops (de l’Académie Française) van: Les Missions des Origines au XVIe Siècle, Editions de l’Acanthe, Monaco, 1956; Hoofdstuk 2 is aangevuld aan de hand van: Casariego, J. E.: Historias Asturianas de hace mas de mil años; Edición Bilingüe de las Crónicas Ovetenses del Siglio IX y de otros documentos, Instituto de Estudios Asturianos, Oviedo, 1990 en Ceballos-Escalera y Gila, Alfonso de: Corona de España XXX; Reyes de Leon (2), Editorial La Olmeda, S.L., Burgos, 2000 voor paragraaf 2.0 en van Barroso da Fonte: Afonso Henriques; Português de Guimarães, Editoria Cidade Berço, Guimarães, 2003 voor de paragrafen 2.2 en 2.3. De hoofdstukken 3 en 4 zijn ongewijzigd gebleven.

De literatuurverantwoording bij hoofdstuk 5 van de oorspronkelijke versie van deel I luidt: Bij de beschrijving van de maritieme expansie, waarvan hoofdstuk 5 slechts het prille begin vormt, is als volgt te werk gegaan. Aanvankelijk is geput uit een drietal op het onderwerp toegesneden populaire boeken, die geraadpleegd zijn in hun Nederlandse vertaling. De oorspronkelijke titels luiden: Duncan Castlereagh: The Great Age of Exploration (1971); Richard Humble: The Explorers (1979) en W.D. Townson: Atlas of the world in the age of discovery (1981). Voorts werden toentertijd geraadpleegd: C.R. Boxer: The Portuguese Seaborne Empire 1415-1825 (1969); J.D. Fage: A History of Afrika (1978); J.D. Fage: An Atlas of African History (1978); Olivier and Fage: A short history of Africa (1988); Roland Oliver The Middle Age of African History (1967); Merle Severy: Portugal’s Sea Road to the East (National Geographic, volume 182, no 5, november 1992; John Vogt: Portuguese Rule on the Gold Coast 1469-1682 (1979); W.E.F. Ward: A History of the Gold Coast (1948). Hierbij komen de reeds genoemde boeken van Da Silva Rego, Livermore en Saraiva, die ook geraadpleegd zijn bij de eerste vier hoofdstukken. Gelet op de aanvankelijke opzet van mijn boek heeft de hiervoor vermelde literatuur mij voldoende geleken.

Toen eenmaal besloten was mijn Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee, gepubliceerd in 1994 (ISBN 90-802098-1-3) aan de hand van bezwaarlijk te verontachtzamen literatuur verder uit te werken, is ook bij hoofdstuk 5 en volgende delen een aantal `nieuwe’ boeken geraadpleegd. Er is in ruime mate geput uit History of Portugal van A.H. de Oliveira Marques (1976), omdat in dit boek – meer dan in welk ander geraadpleegd boek – aandacht wordt besteed aan de voorwaarden en oorzaken van de maritieme expansie, alsmede aan de expedities naar de Canarische eilanden in de 14e eeuw en aan de pogingen van Portugal om deze eilanden in bezit te krijgen. Bovendien behandelt Oliveira Marques uitvoerig de herontdekking en kolonisatie van de Madeira-archipel en de Azoren. Voor het verwerken van de economische aspecten is gebruik gemaakt van befaamde boek: L’économie de l’empire Portugais aux XVe et XVIe Siècles (1969) van Vitorino Magalhães-Godinho en van J.A. Houtte’s: Economische en sociale geschiedenis van de Lage Landen (1964). Zeer bruikbaar en dan vooral voor de latere reizen in de 15e eeuw, bleken te zijn: Axelsons Congo to Cape (1973) en de inleidende hoofdstukken van Danvers The Portuguese in India (1894) en Portuguese in South-East Africa 1488-1600 (1973) van Axelson. Voorts zijn geraadpleegd: The Dark Kindoms (1975) van A. Scholefield; Missie in Afrika, Spiegel Historael, februari 1970 van J. Jadin; alsmede de toen nog niet gepubliceerde tekst van K. Ratelbands postuum verschenen werk: De Hollanders in Angola, Kongo en São Thomé. Eric Newby’s The Mitchell Beazley World Atlas of Exploration (1975) betekende een aanvulling op de trits populaire werken van Castlereagh, Humble en Townson. Dat zou ook gezegd kunnen worden van het boek van David Divine: The Opening of the World (1973), ware het niet dat Divine de maritieme expansie in de 15e eeuw zeer veel uitgebreider behandelt dan Castlereagh, Humble, Newby en Townson en bovendien telkens citeert uit de oorspronkelijke Portugese kronieken. Uit Divines boek, dat – althans in zijn Nederlandse vertaling – helaas geen bibliografie bevat, is ruimschoots geput bij het schrijven van paragraaf 5.2, die over de verovering en verdediging van Ceuta gaat. Bij paragraaf 5.2 is voorts gebruikgemaakt van Robert Ricards boek: Études sur l’histoire des Portugais au Maroc (1955). Als naslagwerk is geraadpleegd The Cambridge Encyclopedia of Africa, Volume 3: 1050-1600 (1977) van Roland Oliver en Michael Crowder. Wat hoofdstuk 5 betreft is volstaan met de genoemde bronnen; bij de beschrijving van het vervolg van de Portugese maritieme expansie in de volgende delen van dit werk zullen vanzelfsprekend meer boeken geraadpleegd worden. (einde citaat).

Eerst nadat deel VI in juli 2000 was uitgekomen kreeg ik voor het eerst het boek Foundations of the Portuguese Empire, 1415-1580, van Bailey W. Diffie and George D. Winius, Minnesota, 1977, in handen, een boek dat door een stom misverstand tot dan toe aan mijn aandacht was ontsnapt. Dit meer dan voortreffelijke boek bevat een veel vollediger beschrijving van de ontdekking en kolonisatie van de Madeira-archipel en van de rivaliteit tussen Portugal en Castilië om het bezit van de Canarische eilanden dan opgenomen was in het oorspronkelijke deel 1. Bij het schrijven van § 5.4 en § 5.5 van deze herziene versie is ruimschoots geput uit genoemd boek. Tenslotte kreeg ik in 2005 het uitstekende werk in handen van Michel Vergé-Franceschi, getiteld: Henri le Navigateur, Un découvreur au XVe siècle, Parijs 1995. Aan de hand van dit boek heb ik opnieuw vrijwel alle paragrafen van hoofdstuk 5 aangevuld. Om te voorkomen dat het nieuwe deel I te veel de gebruikelijke omvang van de afzonderlijke delen zou gaan overtreffen, moest helaas de grootte van de letter van hoofdstuk 5 kleiner zijn dan die van de andere hoofdstukken.

Het boek bevat een vijftal kaarten:

– Kaart 1 Portugal ten tijde van de Romeinen,

– Kaart 2 Portugal aan het begin van de Reconquista,

– Kaart 3 De karavaanwegen door de Sahara,

– Kaart 4 de Arquipélago dos Açores

– Kaart 5 de Arquipélago da Madeira en de Islas Canarias. Achter in het boek is een glossarium opgenomen, alsmede een uitgebreide index.. Deze bevat: een volledig register van personen en geografische benamingen, alsmede een uitgebreid zakenregister.

De schrijver

Inleiding

Portugal ligt aan de Atlantische kust van het Iberisch schiereiland, tussen de monding van de Rio Minho in het noorden tot aan die van de Rio Guadiana in het zuiden. Ondanks zijn ligging aan de Atlantische Oceaan is Portugal in de meeste opzichten een Mediterraan land. Dit Middellandse Zee-karakter neemt naar het zuiden toe. Het land heeft een oppervlakte van 88.684 km² en beslaat daarmee ongeveer een vijfde deel van het Iberisch schiereiland. In landschappelijk opzicht vormt dit schiereiland een eenheid; de verschillende landstreken van Spanje met hun specifieke kenmerken zetten zich voort in Portugal, dat derhalve geen natuurlijke grenzen met zijn buurland heeft. Portugal omvat mede de `nabijgelegen eilanden’: de Madeira-archipel en de Azoren, bestaande uit twee, respectievelijk negen bewoonde eilanden, die tezamen een oppervlakte hebben van 3.088 km². Drie van de vijf grote rivieren van het Iberisch schiereiland: de Rio Douro, de Rio Tejo (Taag) en de Rio Guadiana, ontspringen in het oosten van Spanje en stromen via Portugal in de Atlantische Oceaan. De wijde mondingen van Douro en Taag vormen uitstekende natuurlijke havens; daarom zijn aan de mondingen van deze rivieren Portugals grootste steden: Lissabon en Porto ontstaan. Overigens kent Portugal in totaal maar drie of vier natuurlijke havens. De hoge bijna 850 km lange rotskust is in feite maar weinig geëigend voor het ondernemen van maritieme avonturen. De Cabo da Roca vormt het meest westelijke punt van Europa. Het noorden van Portugal (boven 40 NB) is overwegend bergachtig; het zuiden daarentegen is veel lager en vlakker. De bevolkingsdichtheid in het noorden bedraagt 200 inwoners per vierkante kilometer, die in het zuiden 25. In het noorden woont de bevolking verspreid en geïsoleerd in vaak diep uitgesneden dalen; in het zuiden leven de mensen meer geconcentreerd in wijd verspreid liggende, maar onderling gemakkelijk bereikbare steden.

De overgrote meerderheid van de bevolking, zowel in het noorden als in het zuiden, woont in de nabijheid van de Atlantische kust. Dit is van oudsher het geval, hetgeen toegeschreven wordt aan de uitstekende noord-zuidverbinding uit de Romeinse tijd. Portugal bestaat uit zes landstreken. Tussen de Rio Minho, die de noordgrens van het land vormt, en de Rio Douro ligt, grenzend aan de Atlantische Oceaan, het dichtbevolkte Douro-e-Minho; met steden als Porto, Braga en Guimarães. Ten oosten daarvan ligt Trás-os-Montes, waar maar weinig mensen wonen. De landstreek Beira beslaat het overgrote deel van de gebieden tussen de Rio Douro en de Rio Tejo; slechts de zuidwestelijke kuststrook daarvan is de landstreek Estremadura. (De) Alentejo is het grote gebied ten zuiden van de Rio Tejo, met uitzondering van (de) Algarve, zijnde de zuidelijke kuststreek van Portugal. De gebieden tussen de Rio Minho en de Rio Douro, vormen het oorspronkelijke Portugal. De naam is afgeleid van het vóór-Romeinse of Romeinse Portus Cale, de oude naam van Porto. Later wordt de term `Portucale’ gebruikt voor het gehele gebied tussen de Rio Minho en de Rio Douro. In Beira ligt het hoogste gebergte van Portugal, de Serra da Estrela (1950 m.) en de grootste rivier die in Portugal ontspringt, de Rio Mondego, waaraan de hoofdstad van Beira, Coimbra, ligt. Coimbra, de vroegere hoofd-stad van Portugal, vormt, met zijn beroemde universiteit, in mening opzicht het centrum van het intellectuele leven. In Estremadura liggen de steden Lissabon en Setúbal. Alentejo is vlak, droog, zeer heet in de zomer en dun bevolkt. Algarve is, door de invloed van de Atlantische Oceaan, minder heet dan Alentejo en aanzienlijk dichter bevolkt. Portugal kan klimatologisch in drie zones verdeeld worden. Het noordwestelijk deel heeft een zeeklimaat; het noordoosten heeft een semi-continentaal klimaat. In de zuidelijke helft van het land wordt het droger en warmer naar het zuiden toe. Over het algemeen is Portugal geen vruchtbaar land; door het bergachtige karakter van veel streken is minder dan de helft van het grondgebied in cultuur gebracht. De woeste gronden zijn sterk aan erosie onderhevig en de lager gelegen gronden zijn vaak weinig vruchtbaar. Ofschoon Portugal meer geschikt is voor bosbouw dan voor landbouw, kent het land geen grote bosgebieden; vele hellingen zijn daarentegen bedekt met heesters.

Het zuidelijke deel van de Romeinse provincie Gallaecia, waartoe Portucale behoort, wordt in 411 bezet door een Germaanse stam, de Sueven. De Sueven worden op hun beurt onderworpen door de West- of Visigoten, wier staat in de jaren 711-715 door een invasie van de moslims overweldigd wordt. Vanaf circa 750 worden deze vanuit het noorden van het Iberisch schiereiland teruggedrongen tot over de Douro. In 868 wordt er in het noordwesten van het Iberisch Schiereiland een christelijk rijk gesticht, dat zich later als een graafschap naar het zuiden uitstrekt tot Coimbra. Dit graafschap, genaamd Portucale, is een vazalstaat van het koninkrijk Léon. In 1139 boekt graaf Afonso Henriques van Portucale bij Ourique een overwinning op de moslims. Hij noemt zich daarna koning Afonso I.

Eerst in 1179 wordt Portugal door de paus, wiens bescherming Afonso Henriques heeft ingeroepen, als een onafhankelijk koninkrijk erkend. Afonso I heeft dan inmiddels het midden van Portugal tot aan de Taag op de moslims veroverd. Zijn opvolgers nemen de Alentejo en de Algarve in. Daarmee bereikt Portugal in 1250 de grenzen die het land thans nog ongeveer heeft.

De Portugese overzeese expansie begint in 1415 met de verovering van de Marokkaanse havenstad Ceuta op de moslims. Deze gebeurtenis spreekt sterk tot de verbeelding van de Europese christenheid. Onder de bezielende leiding van Dom Henrique o Navegador, bij ons bekend als Prins Hendrik de Zeevaarder, begint een reeks spectaculaire ontdekkingen, die de Portugezen als eerste Europese natie zal brengen aan de kusten van: West- en Oost-Afrika, de Rode Zee en de Perzische Golf, Voor-Indië, Oost-Azië en Brazilië. Onder koning Manuel I (1495-1521) bereikt de Portugese machtsontplooiing in de wereld haar grootste omvang. Slechts de positie van Spanje, met zijn veroveringen in Amerika en van de Filippijnen, is in de 16e eeuw te vergelijken met de Portugese positie in de wereld. De Portugese maritieme en commerciële expansie is temeer verbluffend gezien het geringe aantal inwoners van het land. Aan het begin van de 15e eeuw bedraagt het aantal inwoners niet meer dan één miljoen en in 1525-1530 is het inwonertal gestegen tot 1,4 miljoen. De bevolkingsomvang van Portugals concurrenten is aanzienlijk groter: Spanje telt 7, Frankrijk 14, Italië 12, Groot-Brittannië 4, Marokko 6 en het Turkse rijk 14 miljoen inwoners.

Nadat Magalhães-Godinho gewezen heeft op de geringe omvang van de bevolking van Portugal, beschrijft hij de maritieme en commerciële expansie van de Portugezen met de volgende woorden: `In twee eeuwen zal dit kleine volk een rijk bouwen van de Molukken tot Brazilië en zich verspreiden over vier hoeken van de aarde. De Portugezen in China en Japan onderhouden via Manilla scheepvaartverbindingen met Acapulco; de Inquisitie verjaagt hen naar Lima en Mexico; een derde van Buenos Aires is Portugees, in Vlaanderen wonen vele en rijke Portugezen; er is een Portugese wijk in Sevilla. Portugezen dienen de grootmogol, evenals andere Indische koningen, waarbij zij het geloof van hun meesters hebben aangenomen. De Portugezen bezitten kloosters in Basra en in Perzië; zij trekken met karavanen van Venetianen en Armeniërs naar Aleppo; gewapende groepen dringen vanaf het plateau van São Paulo door tot aan de Amazone, bereiken de grenzen van Brazilië en de Spaanse mijnen in Peru; anderen varen de Zambezi op tot de goudmijnen van de Monomotapa en van Luanda uit doorkruisen zij de wildernis van Angola op zoek naar de zilverbergen. In de 16e eeuw verwerven Portugese eskaders de onbetwiste hegemonie in de Indische Oceaan en tot 1570 ook in de wateren van Maleisië; het zuiden van de Atlantische Oceaan is tussen Afrika en Amerika in hun macht. Gedurende een eeuw bezitten zij het monopolie van de handelsvaart rond Kaap de Goede Hoop en van de christelijke handel uit Moçambique en Malacca. Als de Spanjaarden in 1565 een handelsroute openen tussen Acapulco en Manilla worden de Portugezen voor de eerste maal geconfron-teerd met de concurrentie van een andere christelijke natie in de havens van China en Japan. Van deze landen hebben de Portugezen ook de zeer profijtelijke onderlinge handel ingepalmd. De handel van Zwart-Afrika in goud, rode peper en ivoor hebben de Portugese karvelen bijna onbetwist toebehoord tussen 1440 en 1510-1514; tot ongeveer 1550 wordt dit monopolie niet ernstig aangetast en daarna behouden Portugese handelaren tot circa 1575 nog een zeer groot aandeel in deze handel. Tezelfdertijd functioneren Portugese factorijen in China, in Japan, op de Molukken, op Sumatra, in Malacca, in Peru, in Bengalen, aan de Coromandelkust, op Ceylon, in Malabar, op de Malediven, in Goa, Cambay en Ormoez, op de kust van Arabië, langs de gehele kust van Oost-Afrika, in Angola, in Congo, in Benin, aan de Goudkust, de Peperkust en in Sierra Leone, aan de mondingen van de rivieren van Guinée, op Arguim, in Marokko, in Brazilië. Daarnaast zijn er in Europa Portugese handelsposten in Andalusië, Florence, Napels en Venetië tot aan Chios, Antwerpen en Londen. Portugese vissers vangen kabeljauw bij Newfoundland en Groenland, waarbij zij vaak havens in Frankrijk en Biskaje aandoen.’

In 1580 worden de Spaanse en de Portugese kroon verenigd onder Philips II. Hij en zijn opvolgers zijn tot 1640 zowel koning van Spanje als van Portugal. De toenemende economische en militaire macht van de Republiek der Verenigde Nederlanden, die verwikkeld is in haar vrijheidsstrijd met Spanje, gaat zich nu ook en vooral richten op de Portugese positie in de wereld, omdat deze veel kwetsbaarder is dan die van de Spanjaarden. De strijd speelt zich af op alle oceanen en in drie werelddelen. Als er tenslotte in 1663 een einde komt aan de vijandelijkheden en in 1669 formeel de vrede wordt getekend tussen de Republiek en Portugal, is de Republiek de grote overwinnaar in Azië, maar de verliezer in Amerika, terwijl zij haar aspiraties in Afrika maar zeer ten dele heeft weten te verwezenlijken. De balans is als volgt: Portugal heeft zijn positie aan de Republiek moeten prijsgeven: in de Molukken, in Malacca, op Ceylon, en aan de kusten van Coromandel, Malabar (ten dele) en de Golf van Guinée. Bovendien heeft Portugal zijn invloed in Japan moeten afstaan aan de Hollanders. De Portugezen hebben de Hollanders echter weten te weerstaan in Macau, op de Kleine Soenda eilanden (ten dele) en in Moçambique en zij hebben op de Hollanders heroverd: Brazilië, Angola, São Tomé en Principe. Tijdens de oorlog met de Republiek is de Portugese positie in de wereld ook door andere landen aangetast. Zo hebben de Engelsen vaste voet gekregen op de kusten van Voor-Indië; de Perzen hebben de Portugezen verdreven uit de Perzische Golf en de Omani van de kust van Oman. In Marokko is Tanger in Engelse en Ceuta in Spaanse handen overgegaan. Aan het einde van de 17e eeuw komt er, met de val van Mombasa, dat jarenlang belegerd is door Oman, een einde aan Portugals aanwezigheid ten noorden van de Ruvuma.

Het koninkrijk Portugal komt in de 18e eeuw tot grote bloei door de enorme vondsten van goud en edelstenen in het binnenland van Brazilië. Als Brazilië op 7 september 1822, als nasleep van de Napoleontische Oorlogen, zich onafhankelijk verklaart, is dit de grootste klap voor Portugal uit zijn koloniale geschiedenis. Nadat andere koloniale machten aan het einde van de 19e eeuw belang-stelling krijgen voor Zwart-Afrika, weet Portugal zijn historische rechten in dit continent te handhaven. Engeland belet het land echter dat het zijn koloniën Angola en Moçambique over land met elkaar verbindt.

In 1910 wordt Portugal een republiek. Het autocratische bewind van António de Oliveira Salazar verzet zich na de Tweede Wereldoorlog met hand en tand tegen de dekolonisatie van de Portugese overzeese gebieden. In 1961 valt India de laatste Portugese bezittingen in dat land: Goa, Diu en Damão, binnen. Deze bezittingen worden in enkele dagen veroverd en in 1962 formeel bij India ingelijfd. Hiermee komt een einde aan de Portugese aanwezigheid in Goa van 450 jaar. Op 25 april 1974 breekt in Portugal de zogenaamde Anjerrevolutie uit. Deze gebeurtenis leidt er niet alleen toe dat Portugal zich schaart in de rij van democratische Europese naties, maar is ook het sein voor de dekolonisatie van het – in vergelijking met de grootte en de middelen van het land – omvangrijke koloniale rijk in Afrika. De `overzeese provincies’ in dit werelddeel: Portugees Guinée (Guiné Bissau), Angola, Moçambique, Cabo Verde, alsmede São Tomé en Principe worden in 1975 onafhankelijke staten. Dit gebeurt eerst nadat in Portugees Guinée, Moçambique en Angola bevrijdingsbewegingen hiervoor, met de wapenen in de hand, jarenlang gestreden hebben. Oost-Timor wordt in 1975 door Indonesië veroverd en in 1976 bij dit land ingelijfd, maar het heeft in 2002 zijn onafhankelijkheid bevochten. Op 1 december 1999 heeft Portugal zijn kolonie Macau, dat het bijna 450 jaar in zijn bezit heeft gehad, overdragen aan China. Daarmee zal dan, na een spectaculaire overzeese expansie tussen circa 1450 en 1550, een definitief einde zijn gekomen aan de Portugese positie overzee; slechts de `Arquipélago da Madeira’ en de strategisch gelegen `Arquipélago dos Açores’ blijven als `nabijgelegen eilanden’ bij Portugal behoren.

Geschreven door Arnold van Wickeren

 1.0. De prehistorie