Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

De verrichtingen van de vloot van Steven van der Haghen. De aanval van de Hollanders op de Estado da India

Deel 16 Index

Hoofdstuk 1.

De aanval van de Hollanders op de Estado da India

1.2. De verrichtingen van de vloot van Steven van der Haghen

Geschreven door Arnold van Wickeren

Anders dan de vloot van Wybrandt van Warwijck is de vloot waarmee Steven van der Haghen 18 december 1603 uitzeilt, een echte oorlogsvloot; zij heeft 1080 man aan boord en is zwaar bewapend; de schepen zijn uitgerust met halve kartouwen (zware kanonnen waarmee kogels van 24 pond kunnen worden verschoten), alsmede metalen stukken en gotelingen, die kogels van 9 pond afschieten, en bovendien grote en kleine steenstukken; zelfs het jacht van 30 ton is uitgerust met twaalf metalen stukken en gotelingen en zes grote en kleine steenstukken. De vloot heeft ook voor elke sloep die de schepen aan boord hebben twee kleine gotelingen bij zich. De reden van het zenden van een oorlogsvloot naar Indië is de mededeling van Wolfert Harmensz dat een grote Portugese oorlogsvloot uit Goa, onder bevel van André Furtado de Mendoça, de toegang tot Ternate blokkeert. Vermeldenswaard is dat Frederick de Houtman, die lange tijd in Atjeh gevangen gehouden is door sultan Alâ ad-din Ri’âjat Sjâh (1589-1604), opnieuw met deze vloot naar Indië vertrekt. Bijzondere bestemmingen zijn: Banda, Ternate, Patani en Cambay; bovendien dient ’t Hof van Hollandt naar Sofala te gaan; dit schip moet ook samen met de Medemblijck naar Mauritius en zo nodig naar de Baía de Antongil gaan, om te zoeken naar de Wachter, welk schip heeft deeluitgemaakt van de vloot waarmee Wolfert Harmensz in april 1601 is uitgezeild.

De vloot is niet alleen zwaarbewapend, maar Steven van der Haghen heeft ook tal van geheime opdrachten bij zich. Hij dient de ‘koningen’ van Cambay, Dabul, Calicut, Sri Lanka en Ternate hulp tegen de Portugezen te beloven en de sultan van Johore moet militaire bijstand beloofd worden om Portugees Malacca te veroveren. De verzegeling van de geheime instructies mag eerst op 45º NB worden geopend. Als uit deze instructies blijkt dat het de bedoeling is dat er ook strijd wordt geleverd tegen Spanjaarden en Portugezen, ontstaat er onrust op de vloot, omdat lang niet iedereen bij zijn aanmonstering ermee gerekend heeft dat hij wordt aangeworven als zeeman en als soldaat. De vloot van Steven van der Haghen ontmoet op de rede van het eiland Maio, een van de Kaapverdische eilanden, de schepen Zeeland en Dordrecht van de terugkerende vloot van Wybrandt van Warwijck. Admiraal van der Haghen slaagt er half maart 1604 niet in op Santiago verversingen te verkrijgen en bij het buureiland Fogo vindt hij geen geschikte ankerplaats. Als Kaap de Goede Hoop is gerond, verlaten de schepen ’t Hof van Hollandt en de Medemblijck de vloot om naar Mauritius of de Baai van Antongil1 te gaan. De andere schepen nemen water in kort na het passeren van Cabo Correntes. Bij het Castelo de São Sebastião op het Ilha de Moçambique ligt een kraak. Het jacht Duyfken zeilt er met 150 man op af. Terwijl de Portugezen met twaalf stukken geschut vanaf het kasteel de Hollandse schepen bestoken, waarbij diverse Hollanders de dood vinden, wordt de kraak, die 2.000 olifantstanden bevat, gelost. De Hollanders bemachtigene ook enige vaartuigen geladen met zwarte slavinnen. Zij zetten de vrouwen aan land. Aan de kust bij het eiland Moçambique worden van de zeer anti-Portugees gezinde zwarten citroenen gekocht, wat zeer nodig is, omdat vele opvarenden aan scheurbuik lijden. Een week later kunnen de Hollanders van de zwarten zoveel kippen kopen als zij willen. De tocht wordt voortgezet tot de vloot tegen het einde van september 1604 voor Goa is. Voor Calicut wordt een aanval van Portugese schepen afgeslagen Steven van der Haghen sluit, in naam van Prins Maurits en de Staten-Generaal, een offensief en defensief verbond tegen de Portugezen met de zamorin van Calicut, die zelfs een sterkte aan zijn nieuwe bondgenoten wil afstaan. Deze gaan echter op dat moment niet op het aanbod in. Bovendien zal het nog lange tijd duren voordat de VOC zaken kan doen aan de westkust van Voor-Indië. Op 4 november is de vloot voor Cranganore, waar zo’n anderhalf jaar geleden twee Zeeuwse kooplieden, die een adviesbrief om handel te drijven van de sultan van Atjeh bij zich hadden, door de Portugezen zijn gearresteerd en die zijn overgebracht naar Goa. Zij zijn daar ter dood veroordeeld en opgehangen. Op 13 november besluit Steven van der Haghen de schepen Zeeland en Enckhuijsen naar de Golf van Cambay te zenden, om daar te gaan handeldrijven en 12 december, als de resterende schepen zich tussen Sri Lanka en Sumatra bevinden, geeft de admiraal de Delft, welk schip de naar hun land terugkerende gezanten van de sultan van Atjeh aan boord heeft, opdracht naar Atjeh te zeilen. Met zijn zes resterende schepen, het Duyfken niet meegerekend, stevent Steven van der Haghen op Straat Soenda af en ankert voor Bantam. Nadat hij, in navolging van de Engelsen, in Bantam een handelspost heeft gesticht, zet hij met zijn vloot koers naar Ambon, waar hij vijf jaren geleden, op verzoek van de Orang Kaja’s van Hitoe en de Koning van Noessatel acht weken vergeefs heeft deelgenomen aan de belegering van het Portugese Fortaleza Nossa Senhora da Anunciada. Nu laat Steven van der Haghen op 21 februari 1605 het anker vallen voor dit Portugese fort. De angstige capitão, Gaspar de Melo, geeft het fort na twee dagen vrijwel zonder slag of stoot over aan de Hollanders. Zij reccnstrueren het fort, legeren daarin een garnizoen van 130 man en herdopen het in Fort Victoria. De Portugese gouverneur, Sancho de Vasconcelos, moet het veld ruimen en wordt opgevolgd door de eerste Hollandse gouverneur van Ambon, Frederick de Houtman. Steven van der Haghen sluit op 25 februari met de kapitein van Hitoe en met de andere Orang Kaja’s een overeenkomst die de VOC haar eerste soevereiniteitsrechten en het monopolie op kruidnagelen bezorgt, dit ten koste van de Portugezen. Niet alleen de lokale hoofden, maar ook de Portugezen die op Ambon willen blijven leggen een eed van trouw af aan de Staten-Generaal, aan de Prins van Oranje en aan gouverneur Frederick de Houtman. De Hollanders ontvangen in hun krachtmeting met de Portugezen waardevolle hulp van de inwoners van de naburige eilanden, die de Portugezen vijandig gezind zijn, omdat zij hun onverzadigbare hebzucht meer dan beu zijn. Daarom gaan zij gaarne met de nieuwkomers in zee en zijn zij hen behulpzaam bij het verdrijven van de Portugezen. Ondanks het Nederlandse garnizoen in Fort Victoria leven de bewoners in voortdurende vrees voor de wraak van de Portugezen sedert de Ambonezen met de VOC in zee zijn gegaan. Vooral de komst van de vloot van almirante André Furtado de Mendoça wordt gevreesd. Om deze reden heeft Jacob van Heemskerck al in juni 1601 het kleine Nederlandse garnizoen van 27 man van Ambon geëvacueerd, daarbij de Ambonese bondgenoten aan de wraak van de Portugezen overlatend.

In de maand april 1605 zendt Steven van der Haghen zijn vice-admiraal, Cornelis Bastiaensz met vijf schepen; Dordrecht, Amsterdam, West-Vrieslandt, Gelderland en Medemblijck naar Tidore. Als het Hollandse eskader op 2 mei voor Tidore aankomt, ziet de vice-admiraal daar twee Portugese kraken liggen. Valentijn vermeldt de namen van hun kapiteins: ‘Thomas de Torris’ en ‘Fernando Pereira de Sandi’. Drie dagen later eist Cornelis Bastiaensz de overgave van het Fortaleza dos Reis Magos, dat in 1601 zonder veel succes al door Jacob van Neck is beschoten. Het antwoord luidt dat het garnizoen zich tot de laatste man zal verdedigen. De vice-admiraal op de Dordrecht en schipper Jan Mol op de Gelderland slepen ieder onder hevig vuur uit de batterijen van het fort, een kraak weg. Na een bestorming van het fort door 150 man, onder bevel van kapitein Van der Perre en zeer harde strijd, waarbij 500 Ternatanen zich aan de zijde van de Hollanders hebben geschaard om van de partij te zijn als er gaat worden geplunderd, geven de Portugezen zich, na een taai verzet van 2 weken, op 19 mei 1605 over. Hun positie is onhoudbaar geworden als een van de torens van het fort uit elkaar gesprongen is, nadat de kruitkamer daarin is ontploft, waardoor vele tientallen Portugezen zijn omgekomen. De capitão vam het fort, Pedro Álvares de Abreu en kapitein ‘Pereira de Sandi’ van een van de naus (kapitein Torris van de andere nau zou al eerder in de strijd zijn gesneuveld), de overlevenden van het garnizoen en andere op Tidore zijnde Portugezen, bij elkaar 500 mensen wordt toegestaan met enige vaartuigen uit te wijken naar de Filippijnen. Cornelis Bastiaensz verdrijft met Ternataanse hulp de Portugezen ook van het eiland Makian. Hij laat het Fortaleza Reis Magos op Tidore tot de grond toe afbreken, want de Hollanders beschikken niet over voldoende manschappen om de Molukken te bezetten. Er wordt alleen een klein Nederlands garnizoen op Ternate achtergelaten.

Nadat Steven van der Haghen zijn vice-admiraal naar Tidore heeft gezonden, gaat hij zelf naar de Banda-eilanden. Toen Wolfert Harmensz in 1602 deze eilanden bezocht, heeft hij van de bewoners van het eilandje Pulau Ai een monopolie op de handel in nootmuskaat en foeliel gekregen. De bevolking van enkele andere eilanden verleent Steven van der Haghen in 1605 eveneens het monopolie op de handel in muskaatnoten en foelie. Maar deze verdragen zullen aan alle kanten door de Bandanezen ontdoken worden, omdat de VOC lage prijzen betaalt, onaantrekkelijke handelswaar meebrengt, onbekend is met de lokale etiquette en haar verbod op de handel met anderen (vooral Javanen) strak handhaaft. Tijdens zijn verblijf op in de Banda-archipel zendt Steven van der Haghen het Duifken naar het oosten om de zuidkust van Nieuw Guinea te verkennen. Kapitein Willem Jansz komt als eerste Europeaan terecht in Australië. Alle verhalen over eerdere waarnemingen van of landingen op de kust van dit continent door Portugese zeevaarders (zoals de voetstappen van Godinho de Erida aan de noordkust in 1601) zijn niet onomstotelijk te bewijzen

Het door de Kamer van Amsterdam uitgerede schip Delft, een jacht van 300 ton, onder bevel van schipper Willem Cornelisz Schouten, maakt wel een zeer spectaculaire tocht door de Oost. Nadat het de gezanten van de sultan van Atjeh naar Prins Maurits – zoals eerder vermeld – naar hun vaderland heeft teruggebracht, blijft kapitein Schouten tot in de maand februari 1605 nog voor Atjeh en zet dan koers naar Masulipatnam aan de Coromandelkust, welke stad in de jaren zestig van de zestiende eeuw tot grote bloei is gekomen. Daar aangekomen knoopt hij handelsbetrekkingen aan en laat 25 april opperkoopman Pieter Isaac Eijloff aan de wal gaan, waar zich al Portugezen gevestigd hebben. Er worden aan de Nederlanders belangrijke diensten bewezen door de islamiet Mir Kamaldi. “Hij hielp iedereen terecht en gaat de fielterijen der Golkondase mohamedaanse gouverneurs tegen.” Golkonda wordt in de jaren 1580-1612 geregeerd door sultan Mohammad Quli Qutb en de Hollanders verwerven van hem het recht handel te drijven in de haven van Masulipatnam. In de maand mei gaat Schouten naar de vloot voor Bantam en blijft daar tot november 1605. De Delft neemt de opperkoopman Paulus van Soldt, de koopman Dirck van Leeuwen, de onderkoopman Pieter Warkijn en de assistent Jacob IJsbrants aan boord en keert 4 november terug naar Masulipatnam. Wegens tegenwind is de Delft op 1 december weer terug voor Bantam. Het schip zeilt 4 december uit naar Straat Bangka, ontmoet daar 22 december de Amsterdam en de Dordrecht, onder vice-admiraal Cornelis Bastiaensz, die met een buitgemaakte Portugese kraak van Patani komt. Als kapitein Schouten zijn sloep uitzendt om water te gaan halen aan de rmonding van de rivier van Palembang wordt de sloep door inlanders overvallen, waarbij een Hollandse zeeman wordt gedood. Zonder nog ergens te ankeren komt de Delft 18 maart 1606 voor Atjeh aan, met veel ziek en verzwakt volk. Na de voor Atjeh bestemde lading te hebben gelost, vertrekt het schip 2 april, onder bevel van Van Soldt, naar Coromandelkust. Men wil eerst Nagapattinam (Nagapatnam), aandoen, maar om wat haast te maken besluit de scheepsraad door te varen naar Pulicat. Op 25 april worden enige ongeladen Portugese schepen, die op de rede van São Tomé liggen, in brand gestoken. De Naik van Karnataka of zijn gouverneur van het iets verderop gelegen Pulicat zendt verversingen naar de Delft en nodigt – volgens Mac Leod – de Hollanders uit in Pulicat te komen handeldrijven, tegen betaling van slechts 4% tol. Portugese bronnen vertellen een heel ander verhaal. Zij zeggen: Op 26 april 1606 komen de Hollanders naar Pulicat en pogen van Jagga-radja , de locale heerser, toestemming te krijgen daar een factorij te vestigen. Als onderhandelingen daarover stranden, denken zij dat de Portugezen een geheim verdrag hebben gesloten met inheemse heersers. Geërgerd door deze terugslag, steken zij twee Portugese schepen in de haven van São Tomé in brand. Later vestigen de Hollanders een factorij in Nizampatnam aan de monding van de Krishna-rivier. De Portugese lezing lijkt het waarschijnlijkst, want al na een paar dagen (30 april) vertrekt de Delft van Pulicat en arriveert 3 mei voor de havenstad Petapuli (Vetapolemu), nabij een van de mondingen van de Krishna-rivier, waarvan – volgen Mac Leod – de gouverneur, die de stad bestuurt voor de sultan van Golkonda, over handel spreekt. De kooplieden van de Delft worden met grote gastvrijheid, vreugdebetoon en feestelijkheid ontvangen. Van Soldt laat Dirck van Leeuwen en Pieter Warkijn zich te Petapuli vestigen en plaatst te Nizampatnam een assistent, namelijk Jacob IJsbrants. Van Soldt zelf maakt een reis naar Bagnagar, de hoofdstad van Golkonda en in augustus ontvangt hij van sultan Mohammad Quli Qutb een firman of vergunning handel te drijven in Petapuli en omgeving. Alle nabij de mondingen van de Krishna-rivier gelegen kantoren van de VOC, als Masulipatnam, Nizampatnam en Petapuli, dienen overigens te worden beschouwd als één vestiging. Op 15 september wordt de terugreis naar Bantam aanvaard met Pieter Isaac Eijloff aan boord, die het met Golkonda gesloten contract overbrengt. Op 29 september ankert de Delft bij Car Nicobar, het noordelijkste eiland van de Nicobaren, om water, brand- en masthout te halen. Hier worden op 4 oktober zes mannen verloren, die aan de wal door de inlanders overvallen en gedood worden. Op 12 oktober neemt de Delft, met veel overleg en door een juiste aanwending van het geschut en goede bezeildheid, een Portugees schip. Vermoedende dat een entering in het voordeel van de Portugezen zal aflopen, weet de schipper zo te manœuvreren dat hij steeds op de Portugees blijft jagen. Zijn roerganger van het roer afschiet en zijn tuig zo ontreddert dat de kapitein de zeilen strijkt. Na nog twee maanden, zonder land aan te doen, op zee te zijn geweest, komt de Delft op 12 december aan voor Bantam. In 1607 zeilt het schip achtereenvolgens naar Ambon, Gresik, Ambon, Banda en Ternate, waar de rest van het jaar verblijft. In 1609 gaat de Delft naar Ambon, laadt het schip nagelen in Kombello op Séran, zeilt naar Makassar, Gresik, Bantam, Ternate en Bantam, vanwaar het schip tenslotte op 15 oktober 1608 naar Nederland vertrekt.

Van de rest van de vloot waarmee Steven van de Haghen op 18 december 1603 uit Nederland is vertrokken, is bekend dat het Duyfken ook in Indië is gebleven en uiteindelijk in juli 1608 is vergaan. Hetzelfde is gebeurd met de West-Vrieslandt. Dit schip is, nadat het 25 augustus 1605 van Bantam naar patria is vertrokken, gestrand aan de kust van Madagascar. De bemanning is teruggekeerd naar Bantam. De Enckhuijsen is in Indië gebleven en is uiteindelijk gestrand bij Halmahera. Van alle in Nederland veilig teruggekeerde schepen is ’t Hof van Hollandt het eerst weerom. Het schip is niet verder geweest dan Madagascar en is begin april 1605 alweer bij Texel. De zeven andere schepen zijn allemaal van Bantam teruggekeerd naar het vaderland; de Gelderland op 25 augustus als eerste, te zamen met de gestrande West-Vrieslandt. Het vlaggenschip de Geünieerde Provintiën op 7 oktober en de Hoorn op 5 november 1505. Op 2 februari 1606 zeilen nog eens drie schepen van Bantam naar Holland; het zijn de Amsterdam, Dordrecht en Zeeland. Deze zes schepen komen allen in 1606 in Holland aan, met uitzondering van de Dordrecht, welk schip eerst in juni 1607 bij Goeree terug is. De Medemblijck tenslotte vertrekt pas 18 juli 1607 van Bantam en keert in mei 1608 in patria terug.

Terwijl de meeste schepen van de vloot van Steven van der Haghen naar het vaderland zijn teruggekeerd, gaat een van de resultaten van zijn optreden verloren. Terwijl de Hollanders zich verspreid hebben over de Molukken, daar factorijen hebben gesticht, maar militair zwak zijn, is Don Pedro de Acuña doende in de Islas de los Pintados een vloot op te bouwen om de Hollanders uit de Molukken te verdrijven. Deze vloot bestaat uit vijf schepen, vier galeien met een lantaarn op het achterschip (galeras de fanal), drie galjoten, vier sampans, drie funea’s, twee Engelse lancha’s, twee brigantijnen, een barca chata voor de artillerie en dertien fragatas met een hoog dek. De strijdmacht bestaat uit 1.300 Spanjaarden, met inbegrip van de vrijwilligers. Van de partij is ook een aantal Portugezen, overlevenden van de Hollandse bezetting van Tidore, alsmede 400 Filipino’s. De vloot vervoert een hoeveelheid artillerie en ammunitie. Alsmede voorraden voor negen maanden. De gouverneur zeilt aan het hoofd van de expeditie; tijdens zijn afwezigheid zal in Manila de Audiencia belast zijn met het bestuur.

Op 15 maart 1606 verlaat de vloot de Islas de los Pintados en arriveert later die maand voor Tidore, waar de sultan de Spanjaarden verwelkomt. Hij klaagt over zijn slechte behandeling door sultan Said Barakat van Ternate, een bondgenoot van de Hollanders op dat eiland. Aangevoerd door de sultan zelf, schepen 600 Tidorezen zich in op de Spaanse vloot, die 31 maart koers zet naar Ternate, waar het beleg wordt geslagen voor het voormalige Portugese Fortaleza de São João Baptista of Gammelamme. Het garnizoen, bestaande uit Hollanders en inheemse medestanders, doet een uitval naar de belegeraars, in de verwachting hen bij verrassing te kunnen verslaan, maar zij worden teruggeslagen door een compagnie Portugezen, onder leiding van João Rodrigues Camelo die, de Hollanders in hun vlucht achtervolgen en met hen het fort binnendringen. Na de Hollanders uit het fort te hebben gejaagd, worden zij ook uit de stad verdreven. Daarmee is Ternate onder Spaanse heerschappij gekomen. Don Pedro de Acuña gaat dan naar Tidore en Makian en verdrijft de Hollanders ook van deze eilanden, die voor de Spaanse Kroon in bezit worden genomen. De op Ternate aanwezige Hollanders en lieden afkomstig van het eiland Moro nemen na de Spaans-Portugese overwinning de vlucht, maar de laatsten keren spoedig terug om vrede te sluiten en om eer te bewijzen aan de Koning van Spanje. Don Pedro de Acuña zeilt terug naar de Filippijnen na op Ternate een garnizoen van 500 man te hebben achtergelaten en op Tidore 100 man te hebben gelegerd2. Aan boord van de Spaanse vloot bevinden zich de sultan van Ternate, Said Barakat, de kroon prins, zijn zoon en al zijn dignitarissen, in totaal dertig personen. Zij worden meegenomen naar Manila, hoewel zij daar goed en met de verschuldigde eerbied zullen worden behandeld, zijn zij gijzelaars. De gouverneur keert na zijn verovering van de Molukken 31 mei 1606 in triomf in Manila terug.

1 ’t Hof van Hollandt zal van Madagascar terugkeren naar Nederland, maar het jacht Medemblijck (250 ton) zal doorzeilen naar Indië; het zal daar blijven en uiteindelijk bij de Malediven vergaan

2 De Spaanse bezetting van enige specerijeneilanden zal standhouden tot 1663 (op het eiland Siau verblijft bovendien tussen 1671 en 1677 een klein Spaans garnizoen) De Spaanse aanwezigheid in de Molukken zal worden gekenmerkt door veelvuldige harde gevechten tegen de Hollanders, die vrijwel volledig meester zijn op zee en die qua bewapening, aantal soldaten en schepen superieur zijn. Bijna de gehele tijd hebben de Spanjaarden een trouwe bondgenoot in de sultan van Tidore en de Hollanders in de sultan van Ternate.

1.3 De verrichtingen van de admiraals Cornelis Matelieff de Jonge en Paulus van Caerden

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

De oprichting van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie; de eerste VOC-vloot naar Indië. De aanval van de Hollanders op de Estado da India

Deel 16 Index

Hoofdstuk 1.

De aanval van de Hollanders op de Estado da India

1.1. De oprichting van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie; de eerste VOC-vloot naar Indië

Geschreven door Arnold van Wickeren

In deel XV van dit werk is aandacht besteed aan de reizen van de zogenaamde voorcompagnieën van de VOC. In de jaren 1595-1602 hebben deze compagnieën, die in feite gelegenheidsondernemingen zijn geweest, omdat zij na terugkeer van de schepen weer werden opgeheven, niet minder dan 65 schepen naar Oost-Indië gezonden. Omdat de felle concurrentie tussen deze compagnieën, vooral tussen Zeeuwen en Hollanders, geenszins in het landsbelang was, hebben de Raadpensionaris van Holland, Johan van Oldenbarnevelt, en de stadhouder, Prins Maurits, zich beijverd de bewindhebbers van de voorcompagnieën tot samenwerking te bewegen, waardoor de Staten-Generaal de Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) hebben kunnen oprichten. De VOC, waarvoor uit alle lagen van de bevolking een kapitaal is ingelegd van ƒ 6.424.588, heeft zes kamers: Amsterdam, Zeeland, Enkhuizen, Delft, Hoorn en Rotterdam. De Compagnie wordt het octrooi of privilegie gewaarborgd van de handel op Oost-Indië, hetzij langs Kaap de Goede Hoop, hetzij westwaarts, door de Straat van Magalhães. Daartoe mag zij in de overzeese landen verbintenissen aangaan, “forteressen en verzekertheden” bouwen, gouverneurs, officieren van justitie en krijgsvolk aanstellen. Het octrooi, dat gedateerd is 20 maart 1600, machtigt de Compagnie ook schepen van Portugezen en Spanjaarden te nemen. De organisatie van de VOC, met haar zes kamers, is gedecentraliseerd.

De verdeling van de activiteiten over de kamers, zoals de bouw en uitrusting van schepen of de in- en verkoop van goederen, is nauwkeurig vastgelegd: Amsterdam de helft, Zeeland een kwart en de kleine kamers ieder een zestiende. Een kamer wordt bestuurd door bewindhebbers, dat is per kamer een vast aantal personen, die door de stedelijke overheid of, in het geval van Zeeland, de gewestelijke staten, worden gekozen uit kandidaten die door de reeds zittende bewindhebbers zijn voorgedragen uit meestal zeer kapitaalkrachtige aandeelhouders. Het bestuur van de VOC is opgedragen aan de Heren XVII. In dit college participeert Amsterdam met acht en Zeeland met vier bewindhebbers. De vier kleine kamers hebben ieder een bewindhebber in het bestuurscollege. Om te verhinderen dat de kamer van Amsterdam alleen de dienst uitmaakt, is bepaald dat de kamer van Zeeland, de kamers van de Maas en die van Noord-Holland om beurten het zeventiende lid van het bestuurscollege benoemen. De Heren XVII, die beurtelings in Amsterdam en in Middelborch bijeenkomen, vergaderen voor de eerste maal op 15 april in Amsterdam. Tot voorzitter van de gehele vergadering wordt gekozen de Amsterdamse bewindhebber Reinier Paeuw1. De volgende dag (16 april) besluit de vergadering een vloot van veertien2 schepen uit te rusten. Tot admiraal van de vloot wordt aangesteld Wybrandt van Warwijck, aan boord van de Mauritius, en tot vice-admiraal Sebald de Weert. Tot leden van de ‘breeden raad’ der vloot worden de admiraals en enige kooplieden en schippers (kapiteins) benoemd. De vloot is primair een handelsvloot die peper dient in te kopen in Bantam op Java en nagelen, foelie en noten op de andere eilanden, maar naast haar commerciële karakter, vormt de vloot ook een militaire macht die de ‘coninck’ van Ternate en de ‘gouverneur’ van Ambon assistentie dient te verlenen tegen de Portugezen. Wijbrandt van Warwijck vertrekt op 17 juni 1602 met de zes schepen van de kamer van Amsterdam, de twee schepen uit Enkhuizen en het jacht Papegaij van de rede van Texel; Sebald de Weert is al 31 maart met de drie Zeeuwse schepen van Wielingen vertrokken en de Eendracht, de Erasmus en de Rotterdam zeilen 18 juni uit. De oprichting van de VOC en de voorbereidingen voor de uitzending van een grote vloot van met kanonnen3 bewapende schepen ontgaat de Spanjaarden en Portugezen natuurlijk niet. Voor de onderkoning van de Estado da India vormen de vloten van de VOC een zeer serieuze bedreiging. We zullen daarom aan de verrichtingen van de schepen van de eerste vloten die de VOC naar Indië zendt de nodige aandacht schenken.

Wijbrandt van Warwijck zendt op 15 december 1602, als zijn gehele vloot zich in de buurt van Kaap de Goede Hoop bevindt, zijn vice-admiraal met vier schepen naar Sri Lanka; drie andere schepen gaan naar Atjeh en met de overige zeven schepen arriveert de admiraal op 29 april 1603 voor Bantam. Twee dagen nadat Joris van Spilbergen daar met de schepen Ram en Schaap uit Atjeh is aangekomen. Joris van Spilbergen is op 5 mei 1601, in dienst van de Compagnie van Balthasar de Moucheron, uit Veere naar de Oost uitgezeild. Van Warwijck zendt op 6 juni de Erasmus en Nassau van Bantam naar China. Op 1 augustus verschijnt Jacob van Heemskerck4 met de schepen Witte Leeuw, Alkmaar en een op de Portugezen buitgemaakte kraak voor Bantam. Op 20 augustus stelt de pangéran van Bantam de admiraal een huis tot kantoor beschikbaar, waarin hij Frans Wittert als hoofd, met Jacob Doensz van Groendijck en enige andere plaatst. Wybrandt van Warwijck zendt 29 augustus 1603 de Eendracht in gezelschap van Joris van Spilbergen, met zijn schepen Ram, Schaap en Lam, naar patria en 18 oktober 1603 vertrekken de Mauritius en Rotterdam, in gezelschap van Jacob van Heemskerck met de Alkmaar, Witte Leeuw en de door hem op 25 februari 1603 in Straat Singapore buitgemaakte Portugese nau Santa Catarina ook naar Nederland

Inmiddels is op 13 augustus het schip Ter Goes uit Sri Lanka in Bantam aangekomen met belangrijk nieuws. Sebald de Weert is, na aan het einde van het jaar 1602 bij Kaap de Goede Hoop de vloot met vier schepen verlaten te hebben, met zijn eskader naar Sri Lanka gezeild en voor Batticaloa voor anker gegaan. Vandaar is hij met zijn metgezellen, gezeten op de rug van olifanten, naar Kandy gereisd, waar hij door de koning, “een zeer beschaafd en rijk vorst, vriendschappelijk ontvangen en weelderig onthaald werd.” De vorst wil gaarne de Portugezen, die vestingen hebben in Colombo en Cruz de Gale (Galle), uit zijn land verdreven zien en daartoe roept hij de hulp in van Sebald de Weert. Deze vertrekt naar Atjeh, na de koning te hebben beloofd met meer schepen te zullen terugkeren. Sebald de Weert vindt in Atjeh de drie schepen de Wijbrandt van Warwijck naar Atjeh heeft gezonden, alsmede twee schepen van Balthasar de Moucheron uit Zeeland, Ram en Schaap. Hij keert op 3 april 1603 met zeven schepen en drie sloepen naar Sri Lanka terug, nadat hij Jan Decker als koopman in Atjeh heeft achtergelaten en twee Atjeese gezanten aan boord heeft genomen. De ontvangst in Batticaloa is opnieuw zeer hartelijk en met de Koning van Kandy, Vimala Dharma Surya wordt afgesproken dat deze te land tegen de Portugezen in Cruz da Gale zal optrekken, terwijl Sebald de Weert met zijn vloot deze stad van de zeezijde zal aanvallen en veroveren. Tijdens de voorbereiding van de veldtocht tegen Galle, verovert Sebald de Weert achtereenvolgens vier Portugese schepen. Hij neemt geen Portugese zeelieden gevangen, maar laat hen naar het Portugese Negapatão (Nagapattinam) aan de Coromandelkust vertrekken. Dit veroorzaakt – volgens Mac Leod – onvrede bij de Koning van Kandy. Vimala Dharma Surya brengt de Hollandse zeevoogd in Batticaloa begin juni een bezoek. Volgens Mac Leod zendt Sebald de Weert hem ter verwelkoming een gewapende troep van 200 man, met twee vaandels, twee trommen en twaalf trompetten naar de wal. De vice-admiraal doet een voetval voor de vorst, als hij hem ontmoet, maar deze vreest dat Sebald de Weert hem wil gevangennemen of doden. De zeelieden worden omsingeld en de vice-admiraal en 47 van zijn manschappen worden gedood.5

De schippers kiezen na de dood van de vice-admiraal Cornelis Pietersz tot zijn opvolger; deze gaat op de Zierikzee over en wordt door Vimala Dharma Surya vriendelijk behandeld. Hij zeilt naar Billigamme en vertrekt van daar op 31 juli 1603 naar Atjeh, waar hij op 9 augustus aankomt met vijf schepen: Zierikzee, Hollandia, d’ Sterre, Vlissingen en Hollandtsche Tuijn. (De Ram en het Schaap, welke schepen begin april 1603 door Sebald de Weert van Atjeh zijn meegenomen naar Sri Lanka, zijn van daar naar Nederland teruggekeerd.) De Hollandia, de Sterre en de Vlissingen zendt Cornelis Pietersz 17 augustus door naar Bantam en zelf gaat hij met de Zierikzee, de Hollandtsche Tuijn en het jacht Papegaij een week later naar Johore. Hij ankert 4 oktober 1603 voor de rivier van Johore. Van de koopman Jacob Buijsen, die door admiraal Jacob van Heemskerck is achtergelaten in Batoe-Sawar, de hoofdstad van Johore, verneemt Cornelis Pietersz dat er Portugese schepen in de rivier liggen. Hij besluit de Portugezen aan te tasten. Op 7 oktober zeilt hij de rivier op, beschiet de Portugese schepen en jaagt hen op de vlucht, waarna de sultan van Johore zich met een vloot van 5 galeien en 40 prauwen bij de Hollandse schepen voegt, om de Portugezen te vervolgen. Na een gevecht met de Portugese schepen op 10 oktober, zeilen deze een dag later weg. Cornelis Pietersz vaart weer de rivier op en ontvangt grote dank van de Jang-di-pertoewan, omdat hij hem van zijn vijanden, de Portugezen, verlost heeft. Op 13 oktober gaat Cornelis Pietersz met de Zierikzee en de Hollandtsche Tuijn onder zeil naar Patani en het jacht Papegaij zendt hij naar Bantam om tijding te brengen. Als de vice-admiraal op 3 november in Patani aankomt, treft hij daar de koopman Daniël van der Leck, die daar door admiraal Jacob van Neck is achtergelaten. Cornelis Pietersz treft ook het onzeewaardige schip Haarlem van Gaspar Groensbergen aan. Op 20 december 1603 vertrekt Cornelis Pietersz met de Zierikzee naar Bantam, terwijl de Hollandtsche Tuijn nog in Patani achterblijft om de lading peper van de Haarlem over te nemen. Daarna wordt de wordt de niet meer zeewaardige Haarlem inderdaad in brand gestoken.

Mac Leod merkt op dat de verrichtingen van de weinig genoemde tijdelijke vice-admiraal Cornelis Pietersz en zijn schepen belangrijk genoeg zijn om niet te worden vergeten. Hij vertrekt op 21 april 1604 met de Zierikzee en de Hollandtsche Tuijn naar Nederland. Hij heeft veel zieken op zijn schepen en overlijdt zelf op 29 september in een baai bij Kaap de Goede Hoop

We keren nu terug naar admiraal Wijbrandt van Warwijck. Wij hebben gezien dat hij zich eind augustus 1603 nog voor Bantam bevond. Hij vertrekt op 11 november van dat jaar, met vier schepen; de Hollandia, de Sonne, de Maene en Vlissingen, naar het Oost-Javaanse Gresik, onderweg zendt hij de Sonne door naar Ternate en hij zeilt met de overige schepen naar Johore, waar hij op 3 mei 1604 aankomt en waar hij verneemt dat de Erasmus en Nassau, die hij ongeveer een jaar eerder naar China heeft gezonden, voor Macau een Portugees galjoen hebben gelost en daarna in brand hebben gestoken. Op 20 mei zet de admiraal zijn reis voort; hij zeilt via Patani naar China. In de Zuid-Chinese Zee heeft hij te kampen met veel slecht weer en op 7 augustus 1604 gaat hij voor anker bij Pehoe, het noordelijkste grote eiland van de Pescadores, ten westen van Formosa. De Chinese autoriteiten die het gezag over de Pescodores uitoefenen en de Chinese vloot beletten6 Wijbrandt van Warwijck handel te drijven, maar de admiraal blijft desondanks tot 15 december 1604 in de Pescadores, in welke tijd hij de basis legt voor het aangaan van handelsbetrekkingen. Op weg naar Patani gaat Wijbrandt van Warwijck op 6 januari 1605 voor anker bij Poeloe Tjioeman. Hij zendt de Vlissingen naar Bantam. Dit schip verovert op 14 februari bij Pedra-branca (Straat Singapore) een Portugees schip en zet met deze prijs zijn reis voort. De admiraal die te kampen heeft met onophoudelijk stormweer, waardoor zijn touwen breken en hij ankers verliest, blijft ondertussen bij Tjioeman liggen en komt niet voor 16 maart in Patani, waar hij het geluk heeft een oude kraak, de Santo António, te bemachtigen, die onder oogluikende toestemming van de koningin van Patani, zonder gevecht aan hem wordt overgedragen. Hij laat de kraak vertimmeren, zodat het schip naar Nederland kan zeilen. In april keert de Vlissingen van Bantam terug en in september brengt dit schip de Santo António naar Johore. Op 27 oktober 1605 vertrekt Wijbrandt van Warwijck met zijn schepen Hollandia, Sonne en Maene van Patani en 12 november komt aan hij bij Johore, vanwaar hij op 12 december met de Vlissingen naar Bantam zeilt. Voor Johore ligt de Amsterdam, het schip van vice-admiraal Cornelis Bastiaensz, die in december 1603 is uitgezeild met de vloot7 van de Vlaming admiraal Steven van der Haghen. De vice-admiraal neemt de Santo António mee naar Bantam, waar hij een dag na Warwijck aankomt. Op 6 februari 1606 onderneemt de eerste admiraal van de VOC met zijn schepen Hollandia en Vlissingen en met de schepen Amsterdam, Dordrecht en Zeeland van de vloot van Steven van der Haghen de terugreis naar Nederland. In de Indische Oceaan maakt de Hollandia zoveel water dat de vloot op 6 april 1606 het eiland Mauritius moet aandoen. Daar wordt niet alleen de Hollandia, maar ook de eveneens lekke Dordrecht geheel opgetimmerd. De zeewaardige schepen Amsterdam, Zeeland en Vlissingen zetten op 20 april de thuisreis voort en Wybrandt van Warwijck ziet toe op de reparatie van de Hollandia en de Dordrecht. Bovendien verwacht hij nog het prijsschip Santo António. Als dat schip op 4 november nog steeds niet is gearriveerd, zet de admiraal de thuisreis voort met de beide andere schepen. Hij keert in de maand juni 1607 in het vaderland terug, maar liefst vijf jaren nadat hij is uitgezeild.

1 Aan de vergadering nemen deel: de acht Amsterdamse bewindhebbers: Reinier Paeuw, Gerard Bicker, Jan Jansz Carell, Jan Poppe, Francois van Houw, Dirck van Os, Isaac le Maire en Louys del Beque; vier Zeeuse leden: Jacob Boreel,Jan Lambrachtsz Cool, Everardt Becker en Gerard van Schoonhoven en tensloote: Dirck Gerardtsz Meerman (Delft), Pieter Lenaertsz Busch (Rotterdam), Cornelis Veen (Hoorn) en Willem Cornelisz de Jonghe (Enkhuizen). Het zeventiende lid ontbreekt deze eerste maal.

2 Deze schepen zijn uit Amsterdam: Mauritius (admiraalsschip), Hollandia, d’Sonne, d’Maene, d’Sterre, Nassau; uit Middelborch: Zierikzee (vice-admiraalsschip), Vlissingen en Ter Goes en voorts de Eendracht uit Delft, Erasmus en Rotterdam (uit Rotterdam) en de Hollandtsche Tuijn en de Maecht van Enckhuijsen uit Enkhuizen. Bij deze veertien schepen is het jacht Papegaij niet meegeteld.

3 Ieder groot schip heeft 4 metalen kanonnen aan boord, waarmee kogels van 24 pond verschoten kunnen worden

4 Admiraal Jacob van Heemskerck is op 23 april 1601, in dienst van een voorcompagnie, tezamen met vice-admiraal Wolfert Harmensz, met dertien schepen van Texel naar Indië vertrokken en hij heeft al een paar jarem rondgezworven. )zie deel XV, pag. 217-219

5 In de Wikipedia Encyclopedia staat een veel geloofwaardiger verhaal over de dood van Sebald de Weert en de zijnen. Er komt een kink in de kabel van het gezamenlijke militaire optreden tegen Galle tijdens een banket in juni in Batticaloa. Tijdens het banket, waaraan een groot deel van de bemanning van de VOC-schepen deelneemt, gedraagt het scheepsvolk zich ordeloos en toont weinig respect voor zijn gastheer, aan welke houding de Kandyanen zich vreselijk ergeren. Koning Vimala Dharma Surya wordt door een vrijwel beschonken Sebald de Weert onder druk gezet met hem aan boord van zijn schip (Zierikzee) te gaan. De koning wantrouwt de bedoelingen van zijn gast, want de uitgeoefende druk zou wel eens een bedreiging kunnen zijn voor zijn heerschappij en zijn leven. Vimala Dharma Surya weigert dus aan boord te gaan. Hierop beledigt de vast-houdende en dronken bevelhebber de koning. Deze poogt hierop Sebald de Weert te doen gevangennemen, maar hij verzet zich hiertegen zo furieus dat hij onmiddellijk wordt gedood en vele schepelingen met hem.

6

7 Het admiraalsschip, de Geunieerde Provintiën, en de schepen: Amsterdam, Gelderland, Delft, ‘t Hof van Hollandt en het jacht Duyfken zijn uitgereed door de kamer van Amsterdam; de Dordrecht en Zeeland zijn van de Zeeuwse kamer; de Hoorn, later aangevuld met de Medemblijck zijn van de kamer van Hoorn en de West-Vrieslandt en de Enckhuijsen van de kamer van Enkhuizen

1.2. De verrichtingen van de vloot van Steven vander Haghen

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

De vloot van André Furtado de Mendoça. De aanval van de Hollanders op de Estado da India

Deel 16 Index

Hoofdstuk 1.

De aanval van de Hollanders op de Estado da India

1.0. De vloot van André Furtado de Mendoça

Geschreven door Arnold van Wickeren

Natuurlijk zitten de Spanjaarden en Portugezen niet stil als vanaf 1598 een geregelde stroom van Hollandse schepen die op weg zijn naar Zuidoost-Azië op gang komt, wat een groot gevaar vormt voor het handelsmonopolie waarover de Portugezen in deze streken beschikken. Voor hen vormt deze situatie een zeer moeilijk op te lossen probleem. Een radicale oplossing voor het geschetste probleem zou zijn een blokkade van Hollandse havens door middel van een sterke vloot in de Schelde. Gelet op de krachtsverhoudingen van dat moment in Europa, dient dit te worden overgelaten aan Spanje, welk land echter niet in staat is gebleken een dergelijke blokkade uit te voeren. Zijn de Hollandse schepen eenmaal op volle zee, wat dus niet kan worden verhinderd, dan kunnen zij overal aan de kusten van Zuid- en Midden-Amerika, West- en Oost-Afrika en Voor-Indië, Sri Lanka en de Indische Archipel opduiken. Het is voor de Portugezen volstrekt onmogelijk alle locaties van hun hele uitgebreide territorium met voldoende sterke vloten te beschermen. Het enige wat kan worden gedaan is het concentreren van een grote vloot op een geschikte locatie in Azië en als er dan een Hollandse vloot verschijnt zou die kunnen worden vernietigd. Als er een voldoend aantal kraken van de verschillende compagnieën zal zijn vernietigd, zullen deze het zenden van schepen naar de Oriënt staken, is de redenering. Gunstige omstandigheden zijn, dat de Hollandse vloten uit een klein aantal schepen bestaan en dat zij bijna zonder uitzondering de bestemming Atjeh of Bantam hebben. Derhalve concentreren de Portugezen hun aandacht op deze kwetsbare punten. Binnen dit strategische kader lijkt het aanvankelijk voldoende te zijn een vloot van vier galeões (galjoenen) en enige fustas (fusten) voor verkenning nabij Straat Soenda te stationeren. Met eenzelfde vloot bij Atjeh en een derde soortgelijke reservevloot bij Goa zou de Estado da India voortdurend over twaalf galjoenen beschikken, wat overeenkomt met zijn financiële en logistieke mogelijkheden. Volgens Saturino Monteiro is het probleem niet van strategische, logistieke of financiële, maar van technische aard, wat hij als volgt toelicht. Aanvankelijk hebben de Portugezen hun suprematie ter zee in Azië gevestgd met het geschut van hun schepen, al na enkele jaren zijn zij overgegaan tot het enteren van schepen en het strijden met de blanke sabel. Het gevolg is dat bij de bouw van grote schepen nauwelijks sprake is van de technische vernieuwing en dat de fluitschepen van de Hollanders veel betere zeilers blijken te zijn dan hun Portugese tegenstanders.

De opbouw van een grote Portugese vloot die de Hollandse indringers moet vernietigen, begint aarzelend. Als in maart of april van het jaar 1600 in Goa wordt vernomen dat er veel Hollandse schepen op weg zijn naar Indië, heeft vice-rei Dom Francisco da Gama (1597-1600), met de moesson voor de deur, het grootste deel van zijn strijdkrachten ingezet om de machtige piraat Cunhale te vernietigen. Hij is nauwelijks in staat begin mei twee galeotas (galjoten) naar Malacca te zenden. Het schijnt dat de capitão van Malacca een van deze twee galjoten heeft gebruikt om de ambassadeur van Atjeh naar Goa naar zijn land terug te brengen. In september van hetzelfde jaar, als er strijdkrachten beschikbaar zijn die in de voorbije zomer niet zijn ingezet tegen Cunhale, wordt een relatief grote vloot, die bestaat uit twee galjoenen en drie galjoten, onder bevel van Dom Guterres de Monroy, naar Malacca gezonden. Wanneer de vloot daar is aangekomen, waarschijnlijk in november, voegt Dom Guterres nog een galjoot, die hij daar heeft aangetroffen, aan zijn vloot toe en vertrekt met deze schepen naar Ambon en Tidore, om de twee forten daar in staat te stellen zich te verdedigen, als zich daar Hollandse schepen zouden vertonen. Dit is een verstandig besluit, dat op korte termijn zoden aan de dijk zet. Wanneer Steven van der Haghen namelijk in mei 1601 tracht het Portugese fort op Ambon te veroveren, wordt hij met verliezen teruggeslagen en hetzelfde overkomt Jacob van Neck, wanneer deze de volgende maand eenzelfde actie tegen het fort op Tidore onderneemt. Zowel op de heenweg naar de Molukken als op de terugtocht, ontmoet de vloot van Don Guterres de Monroy geen Hollandse schepen.

De nieuwe vice-rei, Aires de Saldanha (1600-1605), die in het najaar van 1600 in Goa is gearriveerd, geeft absolute prioriteit aan de uitrusting van een vloot van grote zeeschepen, bestemd om permanent te opereren in Zuidoost-Azië, met het uiteindelijke doel de Hollanders daar te verdrijven. Het resultaat van zijn inspanningen is dat in april 1601 een nieuwe vloot met bestemming Malacca de haven van Goa verlaat. De vloot, die onder bevel staat van Dom André Furtado de Mendoça, bestaat uit vier galjoenen, een galei en achttien fusten. Aan boord bevinden zich 1.200 Portugezen en 2.000 soldaten uit Malabar en Canara. De vloot zeilt naar Malacca, om de eerder daarnaar toegezonden twee galjoenen en vijf galjoten op te nemen. Zij ontstaat een vloot die – volgens Saturino Monteiro – voor haar taak, de Hollanders uit de Indische Archipel te verdrijven, berekend is.

De benoeming van Dom André Furtado de Mendoça tot capitão-mór van de bedoelde vloot is krachtig aanbevolen door de vice-rei, evenals door vele bestuurders van het koninkrijk, zoals de leden van de Conselho do Estado da India. De uitverkorene bezit een enorm prestige door de vele overwinningen die hij heeft behaald. Daartoe behoort de zege op de Koning van Jaffna in 1591, die hij heeft vervangen door een katholieke vorst, die een vazal is geworden van de Koning van Portugal, en de overwinning op de piraat Cunhale. Saturino Monteiro denkt dat zijn benoeming tot capitão-mór André Furtado geen vreugde heeft bezorgd. Furtado zou een voorstander zijn van het enteren van vijandelijke schepen en het vechten met de blanke sabel en is behept met een groot wantrouwen tegen artilleriegevechten tussen grote schepen. Tot admiraal1 van de vloot wordt uitverkoren Tomé de Sousa Arronches en Salvador Pereira da Silva, die kortgeleden is teruggekeerd van de oorlog in Sri Lanka, wordt belast met het bevel over de schepen die ook met roeispanen kunnen worden voortbewogen.

Het plan de campagne van de vloot van Dom André Furtado de Mendoça, dat is beraamd in Goa, omvat, naar het schijnt, het verkrijgen van de medewerking van de sultan van Atjeh, die bewogen zou dienen te worden de Portugezen toestemming te geven een groot fort in zijn land te bouwen, waar Portugese schepen op weg naar Malacca voorraden zouden kunnen innemen. Ook zouden zij Hollandse schepen kunnen volgen van Atjeh naar Bantam, om hen te vernietigen. De vloot die ook tot taak heeft het heroveren van Ternate, van welk eiland de Portugezen in 1575 zijn verdreven door islamitische strijders afkomstig van het eiland Moro, die op dat moment de lakens uitdeelden op Ternate. Eventueel zal hiervoor de hulp kunnen worden ingeroepen van de Spanjaarden in Manila. Saturino Monteiro acht het inroepen van Spaanse hulp overigens ‘overdreven ambiteus’. De eerste vijand waarmee André Furtado wordt geconfronteerd is het slechte weer. Na het passeren van Cabo Comorin teistert een vreselijk onweer zijn vloot, waarbij schepen verloren gaan. Enige fusten lijden schipbreuk aan de kust van Sri Lanka; andere schepen verschuilen zich in Manar en in andere havens. De galei, vergezeld van zeven fusten, weet Colombo te bereiken. Een fust en drie galjoenen vervolgen hun weg naar Atjeh. Op dat moment is er gebrek aan mensen en materiaal voor het voeren van oorlog op Sri Lanka. De Portugese aanvoerder op Sri Lanka, Dom Jerónymo de Azevedo, heeft er weinig moeite mee zijn vroegere ondergeschikte, Salvador Pereira da Silva, ertoe te bewegen zijn schepen en manschappen enige tijd aan Sri Lanka te binden, waar zij van veel nut zijn. Naar het schijnt heeft de vice-rei, Aires de Saldanha, deze beslissing later goedgekeurd.

Aires de Saldanha, die Dom Francisco da Gama, conde de Vidigueira (1597-1600) als capitão-geral en vice-rei van de Estado da India is opgevolgd en die in het najaar van 1600 met een vloot van vier schepen uit Lissabon in Indië, gearriveerd, moet direct na aankomst in Indië aandacht schenken aan de situatie op Sri Lanka. In strijd met de bepalingen in het met de Portugezen gesloten verdrag, heeft de Koning van Jaffna hulp geboden aan de Koning van Kandy. Gelet op de vijandschap tussen de Portugezen en de Koning van Kandy, kan deze hulp niet worden getolereerd en de onderkoning geeft bijgevolg Manuel Barreto da Silva, de capitão van het garnizoen van het in 1560 in Manar (Mannar) gebouwde stenen Forte São Jorge, bevel de Koning van Jaffna opnieuw te onderwerpen. Manuel Barreto trekt tegen de vorst op met een legermacht van 1.000 man, waartegen de koning een strijdmacht van 12.000 man in het veld brengt. Voordat het echter tot vijandelijkheden komt, neemt Frei Manuel van São Matias de taak van bemiddelaar op zich. Hij slaagt erin een vriendschappelijke regeling tussen partijen tot stand te brengen en bloedvergieten te vermijden. Een jaar later is een diplomatieke oplossing niet mogelijk, omdat Dom Jéronymo de Azevedo dan in een hevige strijd is gewikkeld met Kandy.

Salvador Pereira da Silva zal later de hoofdmacht naar Malacca volgen en hij zal de stad onder gevaarlijke omstandigheden2 bereiken. Door het afstaan van schepen aan Dom Jéronimo is de vloot waarmee André Furtado uit Goa is vertrokken gereduceerd tot slechts vier galjoenen en een fusta. De drastische vermindering van het aantal schepen is een grote slag, die niet nalaat het moreel van de legermacht en van haar capitão-mór al direct aan het begin van de campagne negatief te beïnvloeden. André Furtado schijnt het verlies van een deel van zijn vloot meer te verwijten aan Aires de Saldanha dan aan Salvador Pereira da Silva.

Op 8 juni 1601 bereikt een van de galjoenen van de vloot van André Furtado Atjeh. Het grote schip is vergezeld van een fusta. Als op 19 juni een ‘nau uit Mecca’ de haven van Atjeh nadert besluit de kapitein van de fusta dat schip te veroveren, echter zonder een openlijke aanval in te zetten, want zulk een actie zou de Koning van Atjeh kunnen beledigen, terwijl het juist van groot belang is, zijn gunst niet te verliezen. Maar de poging loopt uit op een mislukking. Als de fusta verschillende keren is geraakt door artillerieschoten afgevuurd door zowel de nau uit Mecca als door het fort van Atjeh, dat zich haast het vuur te openen om de soevereiniteit van het land te onderstrepen, springt de bemanning overboord. De mannen worden waarschijnlijk gered door de sloep van het galjoen, die de geredden afzet op de kust, waar zij zich verbergen. De Portugezen hopen dat het incident geen grote gevolgen heeft, maar de sultan van Atjeh blijkt zeer misnoegd te zijn over het Portugese optreden, zozeer zelfs, dat toen hij inlichtingen had ontvangen over de nadering van een vloot uit de stad Jor, hij hen verdacht van samenspanning met de Koning van die stad om Atjeh aan te vallen.

Naar het schijnt zou André Furtado de Mendoça op 5 juli voor Atjeh zijn aangekomen met de andere drie galjoenen waarmee hij uit Goa is vertrokken. Op dezelfde dag vertoont zich voor de stad ook de vloot uit Jor. Na haar aankomst in Atjeh vertrekt deze laatste vloot echter onmiddelijk, want na een kort gevecht met Andréi Furtado is zij verplicht zich terug te trekken. Nadat is vastgesteld dat de Portugezen niets vijandigs in de zin hebben, begrijpt de sultan van Atjeh dat er geen sprake is van een afspraak tussen hen en de Koning van Jor en hij ontvangt André Furtado zeer goed. Niettemin willigt de sultan niet het Portugese verzoek in, een fort in de stad te mogen bouwen, om haar te kunnen verdedigen tegen aanvallen van de Hollanders. Deze weigering betekent dat André Furtado het eerste punt van zijn opdracht niet heeft kunnen volbrengen. Hij vertrekt vervolgens met zijn tot vier galjoenen gereduceerde vloot naar Malacca. Als hij daar is aangekomen, rust hij twee galjoten uit en zendt deze eind augustus naar Tidore om de verdediging van dat eiland te versterken. Wellicht zendt hij ook twee galjoten met hetzelfde doel naar Ambon. Vervolgens wijdt hij zich aan de reorganisatie van zijn eigen vloot, waarbij hij een nuttig gebruik maakt van de schepen die hij in Malacca aantreft. Het gaat met name om twee galjoenen en vijf galjoten, die in het voorafgaande jaar naar Malacca zijn gezonden. Ook legt André Furtado de hand op twee of drie naus en twee jonken van kooplieden en op enige fustas en op acht bantins die toebehoren aan de stad Malacca. De vloot die André Furtado in Malacca opbouwt, zal bestaan uit zes galjoenen, twee galjoten (afgezien van de twee die gedetacheerd zijn bij Ambon), twee fustas en acht bantins. De kraken en de jonken van kooplieden zijn waarschijnlijk alleen aan de vloot toegevoegd om deze schepen bescherming te bieden en niet om de vloot te versterken.

Tijdens zijn verblijf in Malacca ontvangt André Furtado vanzelfsprekend inlichtingen over de schepen van zijn oorspronkelijke vloot die, onder bevel van Salvador Pereira da Silva, zijn ingezet bij de strijd op Sri Lanka. André Furtado’s ergernis hierover geldt overigens meer Aires de Saldanha, die de inzet heeft goedgekeurd, dan Salvador Pereira da Silva, die zich heeft laten bepraten.. Dit blijkt uit de brief, gedateerd 25 maart 1603, die André Furtado daarover vanaf Ternate schrijft aan de gouverneur van de Filippijnen en waarin hij deze vraagt om hulp bij de herovering van dat eiland. In dezelfde brief beklaagt André Furtado zich bitter over zijn gebrek aan door roeiers voort te bewegen schepen, zonder dewelken hij zijn vloot niet kan ontplooien, noch de hem toevertrouwde opdracht kan uitvoeren.

De zes galjoenen waarover André Furtado beschikt, zijn – volgens Saturino Monteiro – heel snelle schepen, die scherp aan de wind kunnen zeilen en de Hollanders grote moeilijkheden kunnen bezorgen. Het gemis van de galei, waarmee André Furtado uit Goa is vertrokken is wel een reden om te klagen, want dit is een reëel gemis. Een galei, met haar kanonnen van groot kaliber, kan van groot nut zijn, om bij kalme zee, de achtersteven van vijandelijke schepen aan te vallen. De fustas lijken daarentegen niet van groot nut zijn, tenzij voor het uitvoeren van verkenningsopdrachten en landingsoperaties, maar deze taken kunnen ook worden uitgevoerd door de bantins uit Malacca. In feite heeft André Furtado weinig reden om te klagen. Als de vloot is uitgerust, verlaat zij op 1 december 1601 Malacca. Zij moet midden december voor Bantam zijn aangekomen en gaat voor anker bij het eilandje Pulo Pandjang, dat in het midden van de baai, recht tegenover de stad Bantam ligt.

Het schijnt dat de Portugezen al in die tijd erover hebben gedacht een fortaleza te bouwen op genoemd eiland. Lissabon zou gaarne de beschikking hebben over een groot fort in de nabijheid van Straat Soenda. Bovendien zouden de Portugezen dan aan de bestuurder van Bantam een grotere hoeveelheid goederen kunnen aanbieden. Desondanks staat deze de bouw van een fort niet toe. In Goa, daarentegen, heerst de idee dat essentieel is in de nabijheid van Straat Soenda te kunnen beschikken over een sterke vloot van grote zeeschepen om de Hollanders te kunnen bestrijden. Het is dat laatste denkbeeld dat uiteindelijk prevaleert. Daarom maakt de bouw van een fort in de nabijheid van Straat Soenda geen deel uit van de lijst opdrachten die aan de vloot van André Furtado is verstrekt Een paar dagen na de aankomst voor Bantam, voegen zich bij de Portugese vloot acht coracora’s van de Koning van Palembang, die in die tijd vazal is geweest van Java en die het voornemen heeft te profiteren van de Portugese aanwezigheid daar om oude rekeningen te vereffenen.

De eerste Hollandse schepen die de Portugese vloot in het vizier krijgt, moeten de Middelborch en de Zon zijn geweest. Deze schepen behoren tot de vloot van de Vereenigde Zeeuwse Compagnie van Gerard le Roy en Laurens Bicker, die op 28 januari 1601 naar Indië is uitgezeild. De twee schepen zijn door de Straat van Malacca op weg van Atjeh naar Bantam. Als zij de Portugese vloot voor Bantam zien liggen, zetten zij koers naar Ambon. Omdat de Hollandse fluitschepen veel sneller zijn dan de Portugese galjoenen en zij bovendien een voorsprong hebben, is André Furtado zo verstandig de fluiten niet te achtervolgen. Hij laat daarentegen de schepen bespieden door bantins. Deze bantins worden nadat zij zijn ontdekt door de Hollanders genomen onder de kust van Borneo; zij worden opgebracht naar Celebes en daar aan hun lot overgelaten.

Vrijwel op hetzelfde moment zeilt een andere Hollandse vloot langs Balimbing, aan de zuidwestpunt van Sumatra, Deze vloot staat onder bevel van Wolfert Harmensz en bestaat uit vijf schepen: de Gelderland (360 ton), Zeeland (360 ton) en Utrecht (240 ton) en uit de patachos (jachten) Wachter (130 ton) en Duifken (50 ton). Deze schepen maken deel uit van een vloot van dertien schepen. Het is de laatste grote vloot die enige samenwerkende voorcompagnieën, naar Oost-Azië zenden Zij staat onder bevel van Jacob van Heemskerck en Wolfert Harmensz en zij is op 23 april 1601 uitgezeild. Als Wolfert Harmensz door een Chinees vaartuig op de hoogte is gebracht van de aanwezigheid van een grote Portugese vloot van dertig zeilen, waaronder acht galjoenen, die de haven van Bantam blokkeert, roept hij ogenblikkelijk zijn scheepsraad bijeen. Hierin wordt besloten de tocht voort te zetten en slag te leveren als dat nodig mocht zijn. Het resultaat van dit besluit is dat de Hollandse vloot vastberaden Straat Soenda binnenvaart en bij het aanbreken van de dag van 25 december 1601 ontwaart de vloot twee Portugese galjoenen die voor anker liggen in de nabijheid van een punt ten noordwesten van het eiland Java. Het betreft het galjoen van Tomé de Sousa Arronches en een andere galjoen die daar de wacht houden. Natuurlijk geeft Wolfert Harmensz hun niet de gelegenheid te ontsnappen, maar hij bindt de strijd aan in de verhouding van vijf schepen tegen twee en hij nadert met al zijn zeilen de Portugese galjoenen. Tomé de Sousa, van zijn kant, laat de Hollandse schepen naderbij komen en op het geëigende moment, hijst hij zijn zeilen en vaart op vijandelijke schepen toe. Vanaf dat moment dienen de twee vloten de juiste positie in te nemen, bij een zwakke tot matige noordoostelijke wind en dan volgt een wederzijdse beschieting. Aangenomen wordt dat Tomé de Sousa de strijd aanbindt met de Gelderland en de Zeeland tezelfdertijd met het andere galjoen slaags raakt. Verondersteld is dat de Utrecht en de twee patachos niet de kans hebben gekregen een zodanige positie in te nemen dat zij aan de strijd hebben kunnen deelnemen. Als twee schepen, die over hetzelfde aantal kanonnen van hetzelfde kaliber beschikken, op zee een artillerieduel uitvechten, dan bepaalt het lot wie er wint. In dit geval is het lot de Portugezen gunstig gezind. Zonder dat hij een enkele man verliest, weet de bemanning van het schip van Tomé de Sousa een reeks treffers op de Gelderland te plaatsen, waarbij een groot deel van de tuigage van het schip wordt vernield en tenslotte ook het roer wordt getroffen. Korte tijd later ontploft een zwaar stuk geschut aan boord van het Hollandse admiraalsschip, wat de situatie nog meer verergert. Een Nederlandse bron3 vermeldt dat de schade op de Gelderland enorm is en dat de twee galjoenen daardoor kunnen ontkomen. Ondertussen licht de grote Portugese vloot, die bij het eilandje Pandjang ligt, het anker en zet, in het zicht van de Hollandse schepen, koers naar het noorden. Het is mogelijk dat Wolfert Harmensz aanvankelijk de bedoeling heeft gehad zijn kracht aan te wenden door dwars door de Portugese vloot heen te breken en koers te zetten naar de Molukken, omdat hij de toegang tot Bantam verspert vindt door de Portugese blokkade. Maar nu zijn vlaggenschip zwaar is beschadigd en hij een sterke concentratie van Portugese schepen voor zich heeft, kan worden verondersteld dat hij van gedachte is veranderd en besloten heeft terug te keren, om de schade aan zijn vlaggenschip te herstellen. Hoe dan ook, het staat vast dat Wolfert Harmensz de steven heeft gewend en de gegeven reden is de meest waarschijnlijke. Er is een onderzoek ingesteld naar de bewering dat Portugese schepen niet in staat zouden zijn geweest scherp bij de wind in formatie te zeilen, maar deze bewering is gebleken niet houdbaar te zijn. Zij geldt wellicht alleen in de nabijheid van de kust, op ongeveer een á anderhalve légua. van het eiland Pandjang, waar opgelopen schade het gemakkelijkst kan worden hersteld. De Portugese vloot, zeilend aan de lijzijde van de Hollandse vloot en dus meer profiterend van de wind, wil terugkeren en weer bij het eiland Pandjang voor anker gaan. In de positie waarin de beide vloten elkaar ontmoeten komen de wind en de stroming van de zijkant, terwijl de Hollandse vloot de wind vrijwel geheel opvangt, moeten de Portugese schepen het met af en toe een windvlaagje doen. In deze omstandigheden is het voor de Portugese schepen onmogelijk positie te kiezen jegens de vijand. Hierdoor gaat de dag van 26 december voorbij zonder dat er een schot wordt gelost, terwijl de twee tegenstanders zich moeten beperken tot het kijken naar het repareren van de schade die zij bij de strijd van de vorige dag hebben opgelopen.

Op 27 december besluit André Furtado een aanval te lanceren met zijn door roeiers voortbewogen schepen, waarover al eerder is opgemerkt dat het strijden met zulk soort schepen zijn voorkeur geniet. Het schijnt dat de aanval plaatsgrijpt met twee groepen schepen. Een daarvan bestaat uit een galjoot, een fusta, en wellicht drie of vier bantins. Het bevel over een van deze groepen berust bij André Rodrigues, uit de beroemde familie Palhota, en hij heeft de opdracht aan boord van de Gelderland te gaan. De commandant van de andere groep is Dom Francisco de Sousa, en deze dient met zijn mannen aan boord van de Utrecht te klimmen.

De zwakke plek van de Hollandse schepen is de achtersteven, vooral aan de kant waarvan de Portugezen komen. Zij ontberen echter de zware kanonnen waarmee galeien zijn uitgerust. De Hollanders beantwoorden de aanval met de weinige stukken geschut die zij op hun achtersteven hebben gemonteerd en met intens musketvuur. Na enige tijd willen de bemanningen van de galjoten en de fustas de batterijen van de vijandelijke schepen overboord gooien en hoewel dit meer tijd vergt dan gedacht, geven zij niet op. In iedere groep is het natuurlijk dat de galjoot zich aan een kant aan de vijandelijke nau heeft vastgemaakt, terwijl de fusta tracht hetzelfde te doen aan de andere kant. De entering wordt geen succes. De hevige golfslag, slaat de kleine roeischepen met hevige klappen tegen de zijkanten van de naus, waardoor het voor de Portugese soldaten heel moeilijk is in de stromende regen en hagelbuien aan boord van deze schepen te klimmen. De Hollandse musketiers schieten de Portugese aanvallers als lijsters van de stormladders. Waarschijnlijk sneuvelt het leeuwendeel van de aanvallers al voor zij zelfs maar het bovendek van de naus hebben bereikt. En de weinigen die dit wel lukt, onder wie André Rodrigues, zien zich daar aangekomen omringd door een groot aantal vijanden die niet alleen uitstekend zijn bewapend, maar ook bedreven zijn in de hantering van hun wapens. Ondanks de dappere tegenstand die de Portugezen bieden worden zij snel geliquideerd. Het schijnt dat van de troepen die aan boord van de twee galjoten waren slechts een armzalig tiental Portugezen aan de slachting heeft kunnen ontkomen; zij worden gevangenengenomen door de Hollanders. Later laat Wolfert Harmensz hen in een gebaar van ridderlijkheid terugkeren naar André Furtado, zonder daarvoor iets in ruil te verlangen. Wat de fustas betreft kan worden verondersteld dat de Portugezen erin zijn geslaagd, zij het door het overwinnen van grote moeilijkheden, de schepen los te maken van de naus en dat zij, naast vele doden en gewonden, ook de materialen voor de entering van schepen hebben ingeladen, omdat zij die willen meenemen. De bantins hebben zich moeten beperken tot het volgen van de aanval op enige afstand en hun rol eindigt met het vergezellen van de fustas bij hun terugtocht. De twee galjoten die zich hadden vastgemaakt aan de Gelderland en de Utrecht hebben na de mislukte aanvallen vrijwel geen mannen meer aan boord. Zij worden danook buitgemaakt door de Hollanders. De Utrecht verovert de fusta van Dom Francisco de Sousa. Aan boord van het schip bevinden zich dan nog 23 Portugese en 60 gekleurde zeelieden. De Wachter en het Duyfken veroveren samen de fusta van André Rodtigues Palhota. De Hollanders nemen uit beide schepen alles wat van hun gading is, en steken ze daarna in brand.

Deze niet geslaagde aanval die, ondanks betoonde moed en vastberadenheid van de kapiteins en de soldaten van de galjoten, moest worden afgebroken, toont eens te meer aan dat de schepen adequaat zijn geweest om te worden ingezet tegen de goedgebouwde en de van goed geschut en goede troepen voorziene Hollandse schepen. Alleen de onverantwoordelijkheid van André Furtado en van zijn kapiteins heeft ertoe geleid dat er een operatie is ontworpen en uitgevoerd die bij voorbaat gedoemd was te mislukken en die is geëindigd in het verlies van twee galjoten en vijftig man.

Op de 28e laat André Furtado de Mendoça, die er niet de man naar is het initiatief aan zijn tegenstander over te laten, twee coracora’s van Palembang transformeren in brulotes (branders) die gedurende de nacht van 28 op 29 december worden gedirigeerd naar een positie aan de loefzijde van de Hollandse vloot, met de bedoeling deze in brand te steken. Maar het is moeilijk in het donker afstanden te schatten. De twee branders worden gelanceerd, maar zij zijn al uitgebrand voordat zij de ankerplaats van de vijandelijke vloot hebben bereikt; zij richten dus in het geheel geen schade aan.

Nadat André Furtado alle kaarten waarover hij beschikte heeft uitgespeeld, weet hij niet meer wat hij moet doen. De volgende dag, 29 december, doorbreekt Wolfert Harmensz evenwel de impasse. Hij heeft de schade opgelopen in de slag van 25 december hersteld, hij gaat onder zeil en zet koers naar het noordoosten. André Furtado volgt zijn voorbeeld direct in de hoop hem te kunnen onderscheppen en tot een beslissend gevecht te kunnen dwingen. Halverwege de middag valt de wind geheel weg en de twee vloten blijven onbeweeglijk liggen. Zij kunnen geen schot lossen, zolang zij door de stroming naar het oosten worden gedreven.

Bij het aanbreken van de dag van 30 december steekt een matige westenwind op. Omdat André Furtado de vijand niet kan bereiken, ontvouwt hij een grote rode vlag om de vijand tot een gevecht te bewegen. Korte tijd later draait de Hollandse vloot bij, waardoor zij de indruk geeft dat de uitdaging wordt aanvaard en dat zij op hen toe komt zeilen. Maar dat is kennelijk niet de bedoeling van Wolfert Harmensz, die niet bepaald een ridder is, maar een bekwame zeeman, die zich bewust is van de belangen van de reders in wiens dienst hij vaart. Volgens de eerder bedoelde Hollandse bron lijkt de beslissende slag te worden uitgevochten niet op 30 december 1601, maar op nieuwjaarsdag 1602. Op die dag hijst “de Portugese admiraal de bloedvlag, maar het is tevergeefs, want “het scheepsvolk van de galjoenen wil niet aan het vechten komen, van het geschut der Hollanders versaagd zijnde.”

Saturino Monteiro stelt vast dat de Portugese vloot, meegesleept door de stroming, zich ten opzichte van Bantam aan de lijzijde bevindt, wat inhoudt dat zij zich zonder welk gevaar dan ook naar deze haven kan begeven. Daarom geeft zij het signaal om de steven te wenden. Alles overziende, begeeft de vloot zich daarna naar haar oude ankerplaats bij het eiland Pulo Pandjang.

Omdat de Portugese galjoenen maar heel weinig wind vangen en de stroom en de wind uit het westen komen, concludeert André Furtado, misschien een beetje gehaast, dat hij niets meer in Bantam kan uitrichten. Hij zendt de coracora’s van Palembang en de bantins van Malacca naar de respectieve steden terug en hij begeeft zich, met zijn zes galjoenen, zijn twee fustas en de koopvaarders die zich in zijn gezelschap bevinden, op weg naar Ambon. Saturnino Monteiro vindt dat om verschillende redenen, een ongelukkige beslissing. “In de eerste plaats laat hij het strijdtoneel over aan de Hollanders, wat de Javanen de indruk geeft dat de Portugezen door hen verdreven zijn, wat in aanzienlijke mate hun prestige ondermijnt en wat ons maakt tot een onderwerp van spot in de regio en dat juist op het moment dat wij de steun van locale vorsten nodig hebben om de Hollanders te bestrijden; op de tweede plaats, omdat daardoor de vloot wordt teruggetrokken van de fundamenteel strategische as Atjeh-Bantam, waarmee een gebied aan de buitenkant van de Portugese invloedssfeer, zoals het gebied rond Atjeh, de Straat van Malacca, Straat Singapore en Straat Soenda; wordt overgelaten aan de Hollanders; in de derde plaats, omdat het moeilijker wordt de vloot te bevoorraden nadat Malacca niet meer haar thuisbasis is.”

Het ware te wensen geweest dat de ervaringen opgedaan in de Zeeslag voor Bantam zo snel mogelijk aan de vice-rei zouden zijn gemeld en dat daarbij de aanbeveling zou zijn gevoegd onverrwijld te beginnen met de bouw van nieuwe galjoenen. Deze zouden kleiner kunnen zijn dan de bestaande schepen, maar het zouden wel betere zeilers moeten zijn, die in staat zijn Hollandse naus te achterhalen en met hen de strijd aan te binden. Saturino Monteiro laat in dit verband echter weten: “maar het is duidelijk dat de geopperde ideeën niet kunnen zijn opgekomen in het hoofd van André Furtado en zijn kapiteins, mannen met denkbeelden uit de voorbije eeuw, die niet in staat zijn de noodzaak te begrijpen van voortdurende ontwikkeling en van het permanent openstaan voor technische vernieuwingen.

André Furtado moet na de Zeeslag voor Bantam nog geruime tijd met zijn zes galjoenen en zijn twee fustas aan de kust, in de nabijheid van Bantam, zijn gebleven, omdat de noordoostpassaat hem tot in de maand mei, als de moesson draait, heeft verhinderd naar de Molukken te zeilen. Hij heeft moeten zoeken naar plaatsen om te kunnen ankeren en hij heeft kunnen profiteren van perioden van kalmte om de stad te naderen, waarbij de galjoenen worden gesleept door fustas en door hun eigen sloepen. Ook zal hij spionageopdrachten hebben laten uitvoeren. Op deze wijze te werk gaande, is het waarschijnlijk dat hij de Hollandse schepen verplicht heeft in de haven te blijven totdat hij de vier factorijen die de Hollanders in Bantam hebben, heeft kunnen verwoesten. André Furtado heeft waarschijnlijk kunnen verhinderen dat in Bantam andere Hollandse naus geladen worden en hij moet hebben gehoopt in de Molukken geladen Hollandse naus, die bijgevolg een geringere snelheid hebben dan schepen zonder lading, opnieuw te kunnen onderscheppen. Met andere woorden: de keer dat niet kon worden bereikt de vijand een beslissing op te dringen door middel van een zeeslag, hebben de Portugezen hun toevlucht genomen tot de strategie van de ”armada em potência”.

Monteiro besluit zijn uiteenzetting over de Slag voor Bantam met de opmerking: “het verloop van de Zeeslag bij Bantam van 1601 heeft de Portugezen een enorme frustratie bezorgd, op een moment waarop zij nog steeds de beschikking hadden over de noodzakelijke middelen, zowel aan mensen als aan materialen om een dijk op te werpen tegen de Hollandse invasie die hen dreigt te overweldigen. En zij hebben eens te meer laten zien dat het hen heeft ontbroken aan goede schepen, goede zeelieden en bovenal aan politieke leiders die de capaciteiten bezitten om innovaties door te voeren.”

André Furtado de Mendoça vertrekt in de loop van de maand mei met zijn vloot naar Ambon en komt op 9 februari 1602 op Hitoe aan. Hij laat de schade herstellen aan zijn vloot, waaraan hij nog twaalf coracora’s toevoegt. De coracora’s gebruikt Furtado voor zijn operaties in de wateren van Ambon, waarvan de bevolking in opstand is gekomen tegen het Portugese gezag en het Fortaleza Nossa Senhora da Anunciada in het nauw brengt. Hij ontzet het fort, onderwerpt het dorp Alang en een drietal andere dorpen op Hitoe en zijn troepen belegeren de verzetshaard Nao, dat zich na een week moet overgeven. De leiders van het verzet weten te ontkomen naar Ceram, maar negen nabijgelegen dorpen onderwerpen zich gewillig aan het Portugese gezag. De stokoude zeer aanzienlijke Tabadille raadt aan de ene kant zijn landgenoten aan zich tijdelijk aan de Portugese overmacht te onderwerpen, maar aan de andere kant vraagt hij naar de bergen gevluchte leiders vast te houden aan het verbond dat zij in het jaar 1600 hebben gesloten met admiraal Steven van der Haghen. Als zij dit hebben beloofd, geven zij zich over aan Furtado, die de laatste verzetshaard op Hitoe, Hitoe Lama, opruimt. De Koning van Noessanivel, Sinapati geheten, en de Orang Kaja van Oerimessing laten zich zelfs overreden zich te laten dopen. Zij ontvangen de namen Tomé de Sousa en Steven Teixeira, naar de oude Portugese landvoogd, die aan de veldtocht deelneemt. De Ambonese leiders, die veinzen zich bij de Portugese heerschappij neer te leggen, houden in het diepste geheim contact met de naar Ceram gevluchte leiders. Furtado landt onverwachts op het schiereiland Hovamel en de pati van Loehoe slaat de schrik om het hart. Valentijn laat weten dat hij André Furtado de Mendoça geschenken, “benevens een opgepronkte deerne, die hij veinsde zijn dochter te zijn en Bay Warnoesla noemde” toe te zenden. De pati geraakt door dit gebaar zo in de gunst bij Furtado dat hij de voor Furtado naar Hovamel uitgeweken leiders zonder problemen kan verbergen. André Furtado begeeft zich vervolgens naar Ihamahoe, een weerspannige en sterke plaats op het eiland Saparua. De bewoners bieden zoveel verzet dat de Portugezen tenslotte moeten afdruipen.

Het heeft André Furtado een halfjaar gekost om Ambon te pacificeren en hij heeft hulp gevraagd aan Malacca, maar deze blijft uit, wat niet verwonderlijk is, omdat de capitão van Malacca, Fernão de Albuquerque een persoonlijke vijand van André Furtado zou zijn. Desondanks vertrekt André Furtado naar de Molukken. Hij gebiedt dat alle coracora’s van de hoofdvestiging, benevens enige van de kust van Hitoe en van het eiland Oma hem volgen, als bewijs van hun onderwerping. Als André Furtado enige tijd op het eiland Ternate is, raakt zijn leger door zijn munitie heen en worden zijn manschappen geteisterd door ziekte en voedselgebrek. Hij laat hulp vragen aan de in mei 1602 in Manila gearriveerde nieuwe Spaanse gouverneur van de Filippijnen, Pedro de Acuña. André Furtado vraagt de gouverneur vooral om voedsel en munitie en een aantal Spaanse soldaten ter versterking van zijn uitgedunde rangen. Het verzoek aan de gouverneur, aan de Audiencia en aan religieuze orden wordt overgebracht door de jezuïet Andres Pereira, die wordt vergezeld door kapitein António de Brito Fogoça, Zij zijn van Ambon naar Manila gereisd steken de loftrompet over de Portugese vloot in de Molukken en zij verhalen enthousiast de heldendaden van haar bevelhebber. Zij verzekeren dat hun capitão-mór ook op Ternate zal slagen, mits de gevraagde hulp wordt verstrekt. Zij vinden een gewillig oor bij gouverneur Don Pedro de Acuña, die ridder is in de Orde van Sint Jan en deelnemer aan de Slag van Lepanto (1571) Hij die toch al van plan is op een geschikt moment een expeditie tegen Ternate, de gezworen vijand van de Spaanse bondgenoot Tidore, te ondernemen. Toen hij door Mexico trok, op weg naar zijn nieuwe standplaats Manila, heeft hij zijn plan besproken met iedereen met enige kennis van de Molukken en hij heeft Gaspar Gomez, een lekenbroeder jerzuïet, die tijdens het gouverneurschap van Gomez Perez Dasmarinas jarenlang in Manila en op de Molukken heeft gewoond, naar het hof in Madrid gezonden, om de zaak daar te bespreken. Eind 1602 vertrekt het schip Santa Potenciana, met drie grote fregatten en 150 goedbewapende Spanjaarden aan boord, naar Ternate, onder bevel van capitán Joan Xuarez Gallinato. De vloot, die in januari 1603 bij Ternate aankomt, heeft veel voedsel en andere noodzakelijke zaken aan boord, zoals 10.000 fanégas rijst, 1.500 aarden kruiken met palmwijn, 200 stukken gezouten rundvlees, 20 okshoofden sardines, conserven en medicijnen, 50 quintais kruit, kanons- en musketkogels, scheepstouwen en andere voorraden. Capitán Gallinato krijgt opdracht zich bij aankomst op Ternate onder bevel te plaatsen van André Furtado de Mendoça. De vloot is in veertien dagen bij Talangame, op twee léguas van het voormalige Portugese Fortaleza de São João Baptista of Castelo Gammelamme. De Spanjaarden vinden daar de Portugese bevelhebber met zijn galjoenen voor anker liggen, wachtend op de lang verbeide hulp. De verenigde strijdmacht slaat het beleg voor het kasteel, maar nadat het fort tien dagen lang is gebombardeerd en zwaar is beschadigd en de de vijand vele manschappen heeft verloren moet het beleg worden opgeheven, omdat het kruit op is. André Furtado keert terug naar Ambon, zonder maar een poging te ondernemen het Portugese gezag op Ternate te herstellen.

1 De almirante is, na de capitão-mór de tweede man op de vloot

2 Monteiro doelt hiermee waarschijnlijk op de eerste Hollandse blokkade van Malacca. Deze zou hebben plaatsgevonden in het seizoen 1602-1603, maar ik heb niet kunnen achterhalen welke Nederlandse schepen hierbij betrokken zijn geweest.

3 Bedoeld is Dodo’s en galjoenen, De reis van het schip Gelderland naar Oost-Indië, 1601-1603, bezorgd door Perry Moree, Walburg Pers, Zutphen, 2001

1.1 De oprichting van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie en de verrichtingen van de eerste VOC-vloot naar Indië

Categorieën
Portugees kolonialisme

Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee. DEEL 16

Geschreven door Arnold van Wickeren

Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee. DEEL 16

De aanval van de Hollanders op de Estado da India, Overige verwikkelingen in de Estado da India, De Portugezen aan de Tamilkust in de Periode 1560-1640

Verantwoording

Inleiding

Hoofdstuk 1. De aanval van de Hollanders op de Estado da India

1.0. De vloot van André Furtado de Mendoça

1.1. De oprichting van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie; de eerste VOC-vloot naar Indië

1.2. De verrichtingen van de vloot van Steven van der Haghen

1.3. De verrichtingen van de admiraals Cornelis Matelieff de Jonge en Paulus van Caerden

1.4 De vloot van Pieter Willemsz Verhoeff

Hoofdstuk 2. Overige verwikkelingen in de Estado da India

2.0. Expedities van de East India Compagny naar Azië

2.1. Expedities naar Perzië en China; de stad Goa en steunverlening aan de Portugezen in Syriam

2.2. Een Perzisch gezantschap naar Europa; De capitães-gerais Dom Frei Aleixo de Menezes, Dom André Furtado de Mendoça en Ruy Lourenço de Tavora (1607-1612)

2.3. De vice-reis Dom Jerónymo de Azevedo en Dom João Coutinho, conde de Redondo (1611-1619)

2.4 De val van Ormoez

Hoofdstuk 3. De Portugezen aan de Tamilkust in de Periode 1560-1640

3.0. De parelvisserij aan de Costa da Pescaria

3.1. De handel in strategische goederen (paarden, olifanten en salpeter)

3.2. De exporthandel van de Portugezen in massagoederen

3.3. De importhandel van de Portugezen

3.4. De overleving van de particuliere Portugese handel

3.5. Aanvullende opmerkingen over Portugese vestigingen Devanampattinam, Nagapattinam en São Tomé de Meliapor en over de missieactiviteiten in deze steden

Glossarium

Verantwoording

Bij het schrijven van mijn door Hogeschool Alkmaar in 1994 uitgebrachte boek ‘Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee (ISBN 90-802098-1-3)’ moesten veel zaken onbesproken blijven, om het eendelige werk niet veel te omvangrijk te maken. Onvrede over deze beperking en het beschikken over veel meer vrije tijd dan toen ik nog werkte, zijn de redenen geweest mijn eerste boek uit te werken in afzonderlijke delen. Dat deze uitwerking geschiedt mede aan de hand van veel niet eerder geraadpleegde literatuur spreekt voor zich. In september 1996 is deel I verschenen en in de zomer van 2007 is deel XVI gereed. Uit hoeveel delen van circa 250 pagina’s het totale werk zal bestaan laat zich thans nog niet schatten; ik hoop dat het mij gegeven zal zijn nog vele delen te schrijven. Deze verschijnen in een beperkte oplage en zijn bestemd voor universiteits- en andere openbare bibliotheken in Nederland en Vlaanderen, alsmede voor belangstellenden uit eigen kring. Met het uitbrengen van de delen staat mij geen commercieel doel voor ogen. Daarom is de uitvoering zo goedkoop mogelijk gehouden. In oktober 2006 leek een publieksuitgave van de tot dan toe uitgebrachte en de nog te schrijven delen onverwachts binnen handbereik. Nadat ik ervaren had dat een commerciële uitgave van mijn werk onaanvaardbare concessies van mij zouden vergen, heb ik daarvan afgezien en ben op de oude voet voortgegaan.

Wat mij in de geschiedenis van Portugal van jongs af aan vooral fascineert zijn de voortrekkersrol die het heeft gespeeld in de ontdekking van de wereld en ’s lands maritieme expansie. Mijn boek gaat daarom voornamelijk over de verrichtingen van de Portugezen overzee in drie continenten. Het gaat dan om zaken als: de wereldwijde maritieme expansie in de vijftiende en in de eerste helft van de zestiende eeuw; de eerste tekenen van verval van de Portugese positie in Azië in de tweede helft van de zestiende eeuw en de vrijwel volledige teloorgang daarvan, mede door toedoen van de VOC, in de zeventiende eeuw; de strijd tegen de WIC om Brazilië en de Portugese gebieden in West-Afrika in de zeventiende eeuw; de bloei en het verlies van Brazilië in de achttiende, respectievelijk de negentiende eeuw; de uitbouw van het koloniale rijk in Afrika naar de binnenlanden aan het einde van de negentiende en in de eerste helft van de twintigste eeuw en het einde van de imperiale droom aan het begin van het laatste kwart van de vorige eeuw. Deze en soortgelijke zaken komen uitvoerig in dit werk aan de orde, terwijl de bespreking van de ontwikkelingen in Portugal zelf de noodzakelijke achtergrondinformatie geeft, waaruit het optreden overzee kan worden begrepen.

Bij het schrijven van elkaar opvolgende delen, is het soms gewenst zaken in te leiden met al dan niet samengevatte teksten uit voorgaande delen, waardoor enige overlap ontstaat. Er is temeer sprake van overlap als, zoals in mijn geval, het aantal deeltjes groot is, omdat de beschouwde periode soms maar enige decennia omvat. Daarom heb ik besloten te beginnen met deeltje XIII de te behandelen periode aanzienlijk te vergroten. Deel XIII en een aantal volgende delen omvatten dan ook de regeringsperioden van koningen Sebastião (1557-1578), kardinaal Henrique (1578-1580) en de Spaanse Habsburgers (1580-1640)

In de ‘Verantwoording’ van voorgaande delen is een zeer korte vorm vermeld wat de inhoud is van het betreffende deel en van voorafgaande delen. Deze methodiek leidt ertoe dat de verantwoording bij elk nieuw deel qua omvang toeneemt. Bij deel XV en volgende delen volsta ik ermee te zeggen dat in de delen I t/m XII wordt besproken de periode vanaf de prehistorie tot aan het overlijden van Dom João III in 1557, dat in deel XIII de gebeurtenissen aan de orde komen die uiteindelijk in 1580 hebben geleid tot de personele unie van de Spaanse en de Portugese troon en van het zestigjarige bestuur van de Spaanse Habsburgers over Portugal en zijn overzeese imperium. Deel XIII verhaalt voorts Sebastião’s rampspoed in Marokko, de ontwikkelingen van de Atlantische eilanden en West-Afrika in de periode 1560-1640, waarin de strijd om en het verlies van het Fortaleza de São Jorge da Mina centraal staat. Deel XIV gaat over de bemoeienissen van de Portugezen met Angola en Kongo in hetzelfde tijdvak en over de Portugezen aan de Swahilikust van 1560-1600. Deel XV behandelt de ontwikkelingen in en rond de Estado da India onder de capitães-gerais Dom Constantino de Bragança t/m Dom Francisco da Gama (1558-1600). Idealiter zou in het voorliggende deel XVI besproken zijn de geschiedenis van de Estado da India vanaf het begin van de zeventiende eeuw tot aan het herwinnen van de Portugese onafhankelijkheid in 1640. Gelet op de verhalende vorm waarin de materie wordt behandeld, met specifieke aandacht voor curieuze details aan de ene kant en de nog immer toenemende omvang van de geraadpleegde literatuur aan de andere kant, is dit een onmogelijke opgave gebleken. In deel XVI worden de ontwikkelingen in de Estado da India besproken tot aan de komst van Hollanders en Engelsen naar Azië, wat uiteindelijk de teloorgang van Portugals positie in dat werelddeel zal inluiden. Het derde, tevens laatste, hoofdstuk is gewijd aan de Portugezen aan de Tamilkust in de periode 1560-1680. In dit deel zijn buiten beschouwing gebleven het Portugese optreden elders in Azië, zoals op Sri Lanka, aan de Golf van Bengalen, in Birma, Siam, Achter-Indië, Malacca, de Molukken en de Banda eilanden, Solor en Timor, in China (Macau) en Japan en tenslotte aan de Swahilikust, die aanvankelijk ook tot de Estado da India gerekend werd. ëIn deel XVII zal de bespreking van de Estado da India worden voortgezet met de rampzalige periode 1623-1640, vervolgens komen in dit en in de volgende delen de overige genoemde onderwerpen aan bod.

Bij het schrijven van dit werk sta ik als een dwerg op de schouders van reuzen. Dezen hebben de oorspronkelijke bronnen ontcijferd en daaruit de soms tegenstrijdige gegevens geschift, geordend, geduid en van annotaties voorzien. Ik heb mij slechts tot taak gesteld uit de veelheid van boeken de meest bruikbare te kiezen. Naarmate ik al doende meer inzicht verwerf in de zeer uitgebreide bibliografie van de Portugese aanwezigheid overzee, wordt het kiezen uit de immer aanzwellende stroom studies, moeilijker. Aan de ene kant is de verleiding groot zoveel mogelijk gebruik te maken van literatuur waarin aandacht wordt geschonken aan de heldendaden, lotgevallen en euveldaden van individuele personen, omdat deze kleur geeft aan de historie. Maar aan de andere kant leidt te grote aandacht voor details ertoe dat ik het werk waaraan ik vele jaren geleden ben begonnen, niet zal kunnen voltooien. Ik moet dus schipperen en gedetailleerde beschrijvingen moeten afwisselen met stukken die een globaal overzicht verschaffen. Bij de keuze van te raadplegen literatuur staat Dr. B. N. Teensma mij met raad en daad terzijde; ook heeft hij mij een aantal boeken van zijn hand geschonken en mij gestimuleerd op de ingeslagen weg voort te gaan. Tenslotte heeft hij een lovend voorwoord bij deel XIII verzorgd. Voor dit alles zeg ik hem oprecht dank. Mijn erkenning gaat ook uit naar Prof. Dr. Leonard Blussé voor zijn bemoedigende reacties op de eerder verschenen delen en voor enige werken die ik van hem heb mogen ontvangen. Van Dr. Ir. Ernst van Veen en Dr. Arend de Roever ontving hun dissertatie. Beiden zeg ik oprecht dank voor de waardevolle aanwinsten van mijn boekenlijst. Voorts gaat mijn dank uit naar Arie Pos, die van meet af aan belangstelling voor mijn werk heeft getoond en die heeft toegezegd het voorwoord in een komend deel te verzorgen. Ook vermeld ik zeer gaarne de website Dutch-Portuguese colonial history: https://www.colonialvoyage.com van Marco Ramerini. Deze site met zijn vele links vormt voor mij een bron van inspiratie en een uitstekende checklist voor zowel data als relevante literatuur. Marco Ramerini heeft mij ook voorzien van literatuuradviezen; heeft mij geattendeerd op relevante websites, zaken voor mij opgezocht en literatuur met mij uitgewisseld. Voor zijn vele blijken van vriendschap ben ik hem zeer dankbaar. Naast de website van Ramerini neemt het aantal bruikbare websites voortdurend toe. Vooral de Wikipedia, the free encyclopedia, blijkt hoe langer hoe meer een waardevolle bron van kennis te zijn. Tenslotte betuig ik mijn oprechte dank aan Pieter Jongepier, die mijn werk dermate waardeert dat hij het integraal op het Internet heeft gezet. Voor dit blijk van waardering en voor al het werk dat Pieter Jongepier op zich heeft genomen, ben ik hem zeer dankbaar.

Hierna volgt een opsomming van de bij het schrijven van dit deel vooral geraadpleegde literatuur; daarbij zijn de werken waaraan ik het meest heb gehad, vet vermeld. In het laatste deel van dit werk zal een volledige literatuurlijst worden opgenomen.

Voor deel XVI in zijn geheel zijn de volgende algemene handboeken geraadpleegd:

  • Leonard Blussé & Jaap de Moor: Nederlanders Overzee; de eerste vijftig jaar 1600-1650, Franeker, 1983;

  • Charles R. Boxer: The Portuguese Seaborne Empire 1415-1825, London, 1969;

  • Charles R. Boxer: The Dutch Seaborne Empire 1600-1800, London, 1965;

  • H.V. Livermore: A New History of Portugal, Cambridge U.K., 1966;
  • A.H. de Oliveira Marques: History of Portugal, Volume I & II, New York, 1976;

  • José Hermano Saraiva: História concisa de Portugal; Lisboa, 1979;

  • Arnold van Wickeren: voorgaande delen van dit werk.

Naast deze boeken is voor het schrijven van elk hoofdstuk gebruikgemaakt

van een aantal specifieke werken. Voor de hoofdstukken 1 en 2, over de

Estado da India zijn dat:

  • Alden, Dauril: The Making of an Enterprise; The Society of Jesus in Portugal, Its Empire, and Beyond, 1540-1750, Stanford University Press, Stanford, California, 1996;

  • Al-Maamiry, A.H.: Omani-Portuguese History, Lancers Publishers, New Delhi, 1982;

  • Arasaratman and Aniruddha Ray, Sinappah: Masulipatnam and Cambay; A history of two port-towns 1500-1800, Munshiram Manoharlal Publishers Pvt. Ltd., New Delhi, 1994

  • Associação Nacional de Cruzeiros (A.N.C.), Batalhas e Combates da Marinha Portuguesa (Bantam – 25 a 30 de Dezembro de 1601), 23 de Fevereiro de 2001;, ontleend aan volume IV van het gelijknamige boek van Saturino Monteiro
  • Bayani, Khanbaba: Les relations de l’Iran avec l’Europe Occidentale à l’époque Safavide, Université de Paris, 1937;
  • Boxer, C.R.: The Anglo-Dutch Wars of the 17th Century, vertaald door Vivian Voss, Unieboek bv., Bussum, 1976;

  • Busken Huet, Conrad: Het Land van Rembrand 1882-1884, Internet;

  • Danvers, Frederick Charles: The Portuguese in India, Volume II, W.H. Allen & Co. Ltd., London, 1894;

  • Diffie and George D. Winius, Bailey W.: Foundations of the Portuguese Empire, 1415-1580, University of Minnesota Press, Minneapolis, Minnesota, 1977;

  • Godinho, Vitorino Magalhães: L’économie de l’empire Portugais aux XVe et XVIe siècles, S.E.V.P.E.N., Paris, 1969;
  • Hutt, Antony: GOA, A Traveller’s Historical and Architectural Guide, Scorpion Publishing Limited, Essex, 1988;

  • Kerr, Robert: A General History and Collection of Voyages and Travels, Arranged in Systematic Order: Forming a Complete History of the Origin and Progress of Navigation, Discovery and Commerce, By Sea and Land, From the Earliest Ages to the Present Time, Volume 9, W. Blackwood and T. Cadell, Edinburgh and London, 1824

  • Lopes, António & Eduardo Frutuoso, A vida a bordo nas naus da Carreira da India, Texto inédito preparado em 1995 para publicação na obra História do Quotidianonem Portugal, então em prodição pela Edtorial Presença, mas que não chegou a ser editada

  • Mac Leod, N.: De Oost-Indische Compagnie als zeemogendheid in Azië, 1602-1650, 2 delen, Blankwaardt & Schoonhoven, Rijswijk (Z.H.), 1927;

  • Milford, Humphrey: Sea fights in the East Indies 1602-1639, Harvard University Press, Cambridge, Massachusetts, 1931;

  • Morga, Antonio de: Sucesos de las Islas Filipinas, translated and edited by J.S. Cummins, Hakluyt Society, Cambridge University Press, London, 1972;

  • Moree, Perry (bezorgd door): Dodo’s en galjoenen; De reis van het schip Gelderland naar Oost-Indië, 1601-1603, Walburg Pers, Zutphen, 2001

  • Panikkar, K.M.: Malabar and the Portuguese: Being a History of the Relations of the Portuguese with Malabar from 1500 to 1663, D.B. Taraporevala Sons & Co., Bombay, 1929;
  • Rameini, Marco, I Forti Spagnoli a Tidore, uno studio preliminare, not yet published;

  • Ramerini, Marco, Dutch Portuguese Colonial History,http://www.geocities.com/Athens/Styx/6497

  • Rasquilho, Rui e Jorge Barros: Portugal e o Mar, Viagens pelos Descobrimentos, Distri Cultural/Círculo de Leitores, Lisboa, 1983;
  • Richards, J. M.:Goa, C. Hurst en Co., London, 1982;

  • Serjeant, R.B.: The Portuguese off the South Arabian Coast, Oxford at the Clarendon Press, London, 1963;

  • Valentijn, François: Oud- en Nieuw Oost-Indiën, deel I, Uitgeverij Van Wijnen, Franeker, 2002;

  • Valentijn, François: Oud- en Nieuw Oost-Indiën, deel II, Uitgeverij Van Wijnen, Franeker, 2002;

  • Veen, Ernst van: Decay or Defeat? An inquiry into the Portuguese decline in ASIA 1580-1645, Research School of Asian, African and Amerindian Studies Universiteit Leiden, The Netherlands, 2000;

  • VOC-Internet sites, de beschikbare

Voor hoofdstuk 3 De Portugezen aan de Tamilkust in de periode 1560-1640

zijn dat:

  • Jeyaseela Stephen, S.: Portuguese in the Tamil Coast; Historical Explorations in Commerce and Culture 1507-1749, Navajothi Publishing House, Pondicherry, India, 1998;

  • Caldwell, Bishop R.: A History of Tinnevelly, Asian Educational Services, New Delhi, reprint 1982;

  • Subrahmanyam, Sanjay: The South Coromandel Portuguese in the late 17th century: a study of the Porto Novo-Nagapattinam Complex, STUDIA, Lisboa No. 49, 1989

  • Danvers, Frederick Charles: The Portuguese in India, Volume I & II, W.H. Allen & Co. Ltd., London, 1894;

  • Mac Leod, N.: De Oost-Indische Compagnie als zeemogendheid in Azië, 1602-1650, 2 delen, Blankwaardt & Schoonhoven, Rijswijk (Z.H.), 1927;

Ook is veelvoudig en intensief gebruik gemaakt van het zeer groeiende aantal Internetsites, waardoor de tot voor kort gebruikte naslagwerken, als de Encyclopædia Britannica, Le Petit Robert des Noms Propres, 2003 en vele anderen vervangen worden door zoeken en vinden op het Internet.

Velen hebben mij gestimuleerd voort te gaan met het bestuderen van en het schrijven over het gekozen studiegebied; anderen hebben mij daadwerkelijk geholpen. Tot degenen op wie ik een beroep kon doen om technische problemen met de P.C. te overwinnen behoren mijn oud-buurman Piet Vermaas RA. en mijn huidige buurman Kai de Jong. Hun zeg ik daarvoor dank. Het personeel van Multicopy in Heerhugowaard zeg ik dank voor de keurige verzorging van dit deel van mijn werk. Tenslotte spreek ik in het bijzonder mijn dank uit aan mijn vrouw, die – na mijn pensionering – mij weinig met huishoudelijke taken belast, maar mij alle gelegenheid geeft dit boek te schrijven.

De schrijver

Inleiding

In deel XV is aandacht geschonken aan de verrichtingen van de expedities die de zogenaamde Voorcompagnieën van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) in de laatste jaren van de zestiende eeuw naar Azië hebben gezonden1. Dientengevolge is ook melding gemaakt van het treffen van de uit vijf schepen bestaande vloot van Wolfert Harmensz met de uit circa dertig zeilen samengestelde Portugese vloot, onder bevel van Dom André Furtado de Mendoça. De zeeslag is volgens uiteenlopende bronnen geleverd tussen 26 december 1601 en 3 januari 1602 (en niet een jaar later, zoals abusievelijk in deel XV is vermeld.) Aan de hand van Nederlandse bronnen, zoals Oud en Nieuw Oost-Indiën van François Valentijn, Het Land van Rembrand van Busken Huet en de Oost Indische Compagnie als zeemogendheid in Azië van N. Mac Leod, is gesproken over een Nederlandse overwinning en een smadelijke vlucht2 van de Portugese vloot. De mededeling van Valentijn dat Portugese historici de Zeeslag voor Bantam hebben uitgelegd als een Portugese overwinning en meer nog omdat Danvers, wiens studie is gebaseerd op Portugese bronnen, de bedoelde zeeslag zelfs niet noemt3, hebben mij genoopt mij grondiger te verdiepen in de Zeeslag bij Bantam in de laatste week van 1601. Besloten werd een moderne Portugese en een moderne Nederlandse bron te raadplegen, in de hoop dat deze eensluidend zouden zijn over de hoofdzaken van de bedoelde zeeslag. Ik heb met elkaar vergeleken de beschrijving van de zeeslag in het in 2001 verschenen boek Dodo’s en Galjoenen met het op het Internet gevonden artikel: “Batalhas e Combates da Marinha Portuguesa” Bantam – 25 a 30 de Dezembro de 1601. Het stuk, dat gepubliceerd is door de Associação Nacional de Cruzeiros, telt zeven pagina’s en is ontleend aan Batalhas e Combates da Marinha Portuguesa (Vol. IV) van Saturinho Monteiro. Het stuk bevat niet alleen een gedetailleerde beschrijving van de Zeeslag voor Bantam, maar beschrijft ook de opbouw en bewegingen van de vloot, die onder bevel wordt gesteld van Dom André Furtado de Mendoça, Deel XVI opent met een paragraaf over de bewegingen van de vloot van Dom André Furtado de Mendoça die uiteindelijk uitmondt in een verbeterde beschrijving van de Zeeslag voor Bantam, die wat de feiten betreft overeenkomt met de beschrijving van de zeeslag in Dodo’s en Galjoenen. In een opzicht wordt afstand genomen van de – overigens voortreffelijke beschrijving – van Saturino Monteiro, Hij heeft het nodig gevonden een zeer negatieve beschrijving te geven van het karakter van André Furtado de Mendoça, die nochtans met de leiding van de grote vloot belast is, wegens zijn uitstekende staat van dienst. Hij is in 1601 voor veel Portugezen de Hoffnungsträger bij uitstek, die het Império Português do Oriente uit de handen van een zeer agressieve vijand moest zien te redden. Bovendien blijkt vrijwel nergens uit de beschrijving van Saturino Monteiro dat het verguisde karakter van Dom André Furtado de Mendoça zijn beslissingen heeft beïnvloed, laat staan nadelig.

Een andere verhaallijn die is gestart in deel XV en die doorloopt naar deel XVI bestaat uit de beschrijving van de ontwikkelingen van de Anglo-Perzische betrekkingen, hetgeen van zeer grote invloed zal zijn op de Portugese positie in Azië. Hierbij is een belangrijke rol weggelegd voor de gebroeders Sir Anthony en Sir Robert Sherley. De broers zijn telgen uit het roemrijke geslacht Sherley of Shirley. Sir Anthony is in 1563 geboren in Wiston. Na zijn studie in Oxford te hebben voltooid, vertrekt hij in 1586 met de graaf van Leicester naar de Vereenigde Provinciën. In 1595 onderneemt hij, onder bescherming van de graaf van Essex, een expeditie tegen São Tomé en de Spaanse koloniën in Amerika. Twee jaren later wordt Sir Anthony door de graaf van Essex ter beschikking gesteld van Don Cesare d’Este, de natuurlijke zoon van de hertog van Ferrara, die paus Clemens VIII, het bezit van de hertogstitel betwist. Don Cesare heeft zich voor de komst van Sherley aan de paus onderworpen, waardoor de missie van Sherley niet meer van nut is. De graaf van Essex stelt hem dan voor zich naar Perzië te begeven om sjah Abbas te vragen of hij kan instemmen met een tegen de Ottomanen gericht verbond van christelijke vorsten en met het vestigen van commerciële relaties tussen Engeland en Perzië. Sir Anthony aanvaardt zonder aarzeling deze avontuurlijke missie. Hij scheept zich op 24 mei 1598 in Venetië in, met een gevolg van 25 personen, onder wie zich bevinden zijn broer Sir Robert Sherley, kapitein Powel, John Howard, John Parrot, die in Lahore zal overlijden en een artillerist, bedreven in de kunst van het gieten van kanonnen. Sherley heeft zijn eerste audiëntie met sjah Abbas in Qazvin. De sjah, die van een geslaagde campagne tegen de Oezbeken is teruggekeerd uit Khorāsān, ontvangt hem allerhartelijkst. Sherley is niet een echte ambassadeur: hij gedraagt zich als iemand die carrière heeft gemaakt en die aan de sjah zijn diensten en die van zijn kompanen komt aanbieden. Dankzij het vertrouwen van Allāh Verdy, opperbevelhebber van het Perzische leger, weet hij de tegen hem gerichte intriges te trotseren en een corps Perzische infanterie op te leiden dat in staat moet zijn het hoofd te bieden aan de Janitsaren. Ook dient dit corps sjah Abbas onafhankelijk te maken van de luimen van en de onrust onder zijn stamhoofden, waarop zijn leger steunt. Vervolgens stelt Sherley hem voor, om de vorst zijn volledige toewijding te bewijzen, met de vorsten van Europa een offensieve en defensieve alliantie tegen het Ottomaanse Rijk aan te gaan. Als waarborg voor zijn oprechtheid en goede trouw, biedt hij aan, bij zijn vertrek naar Europa, zijn broer Robert, wiens militaire talenten een grote hulp zullen blijken te zijn bij de campagne die gaat worden ondernomen, en vijf van zijn kompanen aan het hof van de sjah achter te laten. Sjah Abbas stemt met het voorstel in. Een ambassadeur van de Porte, die is gekomen om te praten over vernieuwing van de wapenstilstand die tussen het Ottomaanse Rijk en Perzië van kracht is, wordt zonder veel plichtplegingen de laan uit gestuurd en sjah Abbas biedt Sir Anthony aan deel te nemen aan de aanstaande campagne tegen de Ottomanen. Het gezantschap van Sir Anthony wordt vergezeld door Hussein ‘Ali Beyk, een man van middelmatige bekwaamheid, Voorzien van geloofsbrieven4 voor de vorsten van Europa, neemt Sherley afscheid van de sjah, die resideert in Isfahan. Hij begeeft zich naar Rusland. Na en zeer gevaarlijke reis arriveert hij in Moskou, waar men voorwendt hem niet te erkennen als ambassadeur van de sjah; alle eerbewijzen en alle voorkeursbehandelingen worden gegeven aan zijn metgezel Hussein ‘Ali Beyk, die onder zijn gezag is gesteld; de brieven waarvan Sir Anthony de drager is, worden hem ontnomen en zij worden geopend; tenslotte wordt hem formeel verboden betrekkingen te onderhouden met in Moskou woonachtige Engelse kooplieden. Na een verblijf van zes maanden, ontvangt Sherley verlof Moskou te verlaten om zich naar Arhangelsk te begeven. Daar kan hij zich inschepen naar Stettin. Hij arriveert tenslotte in de herfst van het jaar 1600 in Praag, waar hij plechtig wordt ontvangen door keizer Rodolphe II. Na een verblijf van drie maanden, verlaat Sir Anthony Praag om verder te reizen naar Rome. Daar aangekomen, wordt de ambassadeur van de Koning van Perzië het object van een pompeuze ontvangst door paus Clemens VIII. Hij verblijft in Rome tot de maand juli 1601. In die maand verlaat hij schielijk de Heilige Stad om zich in het geheim naar Venetië te begeven. De motieven voor dit overhaaste vertrek zijn een mysterie gebleven. Er is geopperd dat zijn papieren en de aan de diverse vorsten van Europa door sjah Abbas gerichte brieven, door een van de leden van het gezantschap zijn ontvreemd; zij zouden naar Istanbul zijn gebracht en bezorgd zijn aan de grootvizier. Zich niet veilig voelend, heeft Sherley gemeend zich onder de bescherming te moeten stellen van La Serenissima Repubblica di Venezia. Don Juan de Persia, van zijn kant, bevestigt dat Anthony Sherley een deel van de geschenken bestemd voor de christelijke vorsten in Moskou heeft verkocht aan Engelse kooplieden die zich hadden gevestigd in de Baltische haven van Moskou. Er zou een zeer hevige woordenwisseling hebben plaatsgehad in Siena, in tegenwoordigheid van de door de paus gezonden kardinaal, tussen Sherley en Hussein ‘Ali Beyk, toen deze de geschenken die men aan de paus had moeten geven, opeiste, maar die niet konden worden teruggevonden. Twee maanden later verlaat Hussein ‘Ali Beyk Rome. In Barcelona wordt hij ontvangen door de hertog van Feria, onderkoning van Catalonië, die hem begeleidt naar Valladolid, waar Philips III hem een plechtige audiëntie verleent. Tijdens zijn verblijf aan het Spaanse hof, die twee maanden duurt, geraken twee leden van het gezantschap ‘Ali Qoli Beyk, zijn neef, en Urūdj Beyk, zozeer bekoord door de pracht van de katholieke eredienst en het leven in Spanje, dat zij zich bekeren tot het katholicisme. De koning en de koningin van Spanje treden op als hun peter en meter en geven aan hen de namen Don Philippe en Don Juan. De ambassadeur van Perzië besluit over zee naar zijn land terug te keren en hij laat de voorgenomen bezoeken aan de vorsten van Engeland, Schotland, Frankrijk en Polen wachten tot betere tijden. Nadat hij van Philips III een gouden ketting ter waarde van 500 ecu’’s en een bedrag van 10.000 dukaten om zijn reis te bekostigen, heeft gekregen, gaat hij naar Lissabon om zich daar begin 1602 in te schepen voor Cabo da Boa Esperança en Ormoez. Hussein arriveert in de loop van de herfst in Ormoez; van zijn terugreis naar Perzië is ons niets bekend.

1 Zie pag. 218

2 Zie pag. 158

3 Danvers merkt daarover slechts het volgende op: “André Furtado was sent over to the Moluccas in the hope of recovering them. He first of all succeeded in driving the Dutch uot of Amboina and Soenda.” (zie Danvers deel II, pag. 123)

4 Sjah Abbas noemt Sir Anthonie Sherley in deze brieven zijn vriend, met wie hij dagelijks uit dezelfde schaal heeft gegeten en uit dezelfde beker heeft gedronken, zoals broers dat doen.

Hoofdstuk 1. De aanval van de Hollanders op de Estado da India 1.0. De vloot van André Furtado de Mendoça

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

De expedities van de voorcompagniën

Deel 15 Index

Bijlage 1

1.0 De expedities van de voorcompagniën

Geschreven door Arnold van Wickeren

  1. Eerste Schipvaart van Cornelis de Houtman
  2. De reis van de Middelburgse Compagnie, onder bevel van Gerard le Roy
  3. De expeditie van de Veersche Compagnie onder leiding van oppercommies Cornelis de Houtman en ondercommies Guyon le Fort naar Atjeh
  4. Tweede Schipvaart van de Oude Compagnie (fusie van een nieuw opgerichte compagnie met de Compagnie van Verre), onder leiding van Jacob Cornelisz van Neck (admiraal) en Wybrandt van Warwijck (vice-admiraal)
  5. De reis van Jacques Mahu en Simon de Cordes (1598-1600) van de Rotterdamse Compagnie, met vijf schepen en 547 man
  6. Reis van Olivier van Noort (admiraal), Jacob Claes van Ilpendam (vice-admiraal) en Cornelis van Noort, met vier schepen en 248 man
  7. De eerste reis van Steven van der Haghen
  8. Reis van Pieter Both (admiraal) en Paulus van Caerden (vice-admiraal)
  9. Reis van Jacob Wilckens
  10. Tweede reis van Jacob Cornelisz van Neck
  11. Reis van Guillaume Senescal
  12. Reis van Gerard le Roy en Laurens Bicker
  13. De reis onder leiding van Jacob van Heemskerck en Wolfert Harmenz
  14. Eerste reis van ‘generaal’ Joris van Spilbergen

Eerste Schipvaart van Cornelis de Houtman

Uitreders de bewindvoerders van de Compagnie van Verre te Amsterdam: negen Amsterdamse kooplieden, te weten: Hendrik Hudde, Reynier Pauw, Pieter Dircxz. Hasselaar, Jan Jansz. Carel de Oude, Jan Poppe, Hendrick Buyck, Dirck van Os, Syvert Pietersz. Sem en Arent ten Grootenhuys

Schepen:

  • Mauritius, schipper Jan Jansz. Molenaar, commies Cornelis de Houtman, laadvermogen 460 ton;
  • Hollandia of Hollandsche Leeuw, schipper Jan Dignumsz, commies Gerard van Beuningen; laadvermogen 460 ton;
  • Amsterdam, schipper Jan Jacobsz Schellinger, commies Reinier van Hel, laadvermogen 260 ton;
  • Duyfken (pinas), schipper Simon Lambertsz Mau, laadvermogen 50 ton.

Opperpiloot is Pieter Dirksz. Keyzer; tot de bemanning behoort ook Frederik de Houtman.

Opdracht: trachten specerijen te kopen in de Oost.

Uitgezeild: 2 april 1595 van Texel met 249 man.

Teruggekeerd: 11 augustus 1597 met 87 man en zonder de Amsterdam.

Kort verloop van de reis

Via de Canarische eilanden wordt het onbewoonde Kaapverdische Ilha de Mayo bereikt, waar een groot aantal bokken wordt gevangen; op 4 juni passeert de vloot de evenaar voor de Braziliaanse kust; op 1 juli breekt scheurbuik uit; eerste sterfgeval; 2 augustus passage van Kaap de Goede Hoop; er wordt geankerd in de Aguada de São Bras, waar dag na dag vee met de zwarten wordt geruild; 6 september komen de schepen niet langs Kaap Sint Roman door sterke stroming en harde wind; veel moeite om aan de zuidwestkust van Madagascar zoet water te vinden; op 22 september vaart de pinas naar de Baía de Santo Agostinho, waar wel water is en de inwoners gaarne grote vette schapen en vette ossen afstaan voor tinnen lepels; terwijl de pinas op zoek is naar water en voedsel, worden elke dag gestorven zeelieden op een eilandje, met de toepasselijke naam het ‘Hollandse kerkhof’, begraven, onder wie ook schipper Jan Dignumsz, over wiens opvolging door Pieter Dirksz. Keyzer de commiezen Cornelis Houtman en Gerard van Beuningen vreselijk ruzie krijgen; op 12 oktober worden de zieken in de Baía de Santo Agostinho aan land gebracht om aan te sterken, maar zij worden door de zwarten aangevallen en uitgeschud, wat het einde van de vreedzame handel betekent. Daarom zeilen zij 14 december weg; de vloot wordt geteisterd door zware stormen en men is verplicht terug te keren naar Madagascar. De schepen ankeren 5 januari 1596 bij het eiland Santa Maria iets ten zuiden van de Baía de Antongil. Aanvankelijk kan er voldoende voedsel geruild worden, maar later verslechtert de verhouding met de zwarten en 12 februari zeilt men verder naar Straat Sunda; op 5 juni ankeren de schepen bij het eiland Engino, niet ver van Straat Sunda. Inheemsen zijn bereid de schepen naar Bantam te loodsen, waar de vier met 100 stukken geschut bewapende schepen op 22 juni het anker laten vallen. Omdat de sultan van Bantam kort tevoren tijdens een veldtocht overleden is en de nieuwe sultan, Abdulkadir, nog maar een kind is, onderhandelt Cornelis de Houtman – direct na aankomst – over de aankoop van peper met de rijksbestuurder Jajanagara. De Portugezen in Bantam moeten tot hun spijt ervaren dat Houtman en Jajanagara na enige maanden een akkoord bereiken, waarbij Bantam zich verplicht de Hollanders als eersten van peper te voorzien. Als er nog maar nauwelijks is gestart met het inladen van peper, ontstaan er al problemen over de prijs en protesteert Cornelis de Houtman tegen het laden van twee Portugese jonken met peper. Hij is zo tactloos om te eisen dat de peper uit de jonken gelost wordt, omdat de Hollandse schepen nog niet geladen zijn, waarbij hij dreigt de Portugese jonken te beroven. De jonken worden gelost, maar de Portugezen slagen erin de Jajanagara over te halen de Hollandse admiraal te doen gevangennemen, omdat deze te harde woorden heeft gesproken. Ondanks dat de Hollanders daarmee het leven van hun 5 september gearresteerde admiraal in gevaar brengen, beschieten zij daarop Bantam en leggen beslag op de twee Portugese jonken. Als op 7 september een twintigtal prauwen de Hollandse schepen omsingelt, laten de Hollanders opnieuw hun kanonnen spreken. Er wordt een ware slachting aangericht. Dit tweede bombardement op Bantam maakt weliswaar een einde aan de gijzeling van Cornelis de Houtman, maar het spreekt voor zich dat er na dit barbaarse optreden van het innemen van peper geen sprake meer kan zijn. Deze eerste poging van de Hollanders de Portugese positie in Azië aan te tasten heeft dus jammerlijk gefaald. Op 13 september, twee dagen nadat schipper Keyzer op de Hollandia gestorven is, zet Cornelis de Houtman koers naar de Molukken. Na een nieuw vergeefs bezoek aan Bantam, laat Houtman 13 november het anker vallen bij Jacatra, waar hij enige vriendelijke ontmoetingen heeft met de koning. De schepen zwerven daarna langs de noordkust van Java, passeren Japara, zijn op 2 december voor Tuban en gaan voor anker bij Sidajoe. Hier wordt de Amsterdam door inlanders overrompeld en de bemanning voor een deel uitgemoord en bij Arisbaja wordt een vaartuig van Madoerezen, die niets slechts in de zin hadden, beschoten. Nadat de expeditie op het eiland Bali goed is ontvangen dwingt de bemanning de kapiteins om terug te keren. De Amsterdam wordt omdat het schip lek is en omdat er te weinig manschappen over zijn om vier schepen te bemannen, in brand gestoken. Op 27 januari 1597 wordt de terugreis aanvaard. Deze verloopt voorspoedig; maar als men 25 mei op Sint Helena wil verversen, geeft Houtman bevel door te zeilen, omdat de Portugese retourvloot uit Indië bij Sint Helena ligt. Deze bestaat uit de naus São Simão, Conceição en São Filipe, terwijl de vertraagde Vencimento do Monte do Carmo zich na het passeren van de Hollandse schepen bij Sint Helena aankomt. Cornelis de Houtman en zijn 89 resterende Hollandse en 16 Aziatische bemanningsleden komen 11 augustus 1597 op rede van Texel aan De oogst aan specerijen is zo matig dat de kosten van uitreding van de vloot bij lange na niet zijn terugverdiend. Bovendien is een schip verloren gegaan, om van het verlies aan mensenlevens maar te zwijgen. Maar de Hollanders weten nu ook hoe zij in Indië moeten komen. En al in het volgende jaar zullen niet minder dan 22 schepen, verdeeld over zes expedities op avontuur naar de Oost uitzeilen. Deze reizen worden hierna summier besproken.

De reis van de Middelburgse Compagnie, onder bevel van Gerard le Roy

Uitreders: Adriaen Hendricksz ten Haeff, burgemeester van Middelburg,

  • J. de Waert, S. Langebercke, A. Bommensee en L. Bacx

Uitgezeild: 25 maart 1598

Schepen:

  • de Zon (580 ton), schipper Kornelis Adriaansz Valk
  • de Langebarke (300 ton), schipper Hans Huibrechtsz Tonnema
  • de Maan, waarvan geen laadvermogen en schipper bekend zijn.

De reis begint slecht; de Maan kapseist bij het afvuren van saluutschoten bij Dover. De Zon en de Langebarke verliezen elkaar uit het oog bij het passeren van de Kaap, maar bereiken beide Bantam. Als Wybrandt van Warwijck in november 1599 uit Ternate bij Jacatra aankomt, treft hij daar de twee Zeeuwse schepen aan, die al acht maanden voor Bantam hebben gelegen.

De expeditie van de Veersche Compagnie onder leiding van oppercommies Cornelis de Houtman en ondercommies Guyon le Fort naar Atjeh

Uitreders: Balthasar de Moucheron en vijf anderen

Uitgezeild: 28 maart 1598

Schepen:

  • de Leeuw, 400 ton,generaal‘ Cornelis de Houtman, kapitein Pieter Stokmans, commies Guyon le Fort, commies Jacques Boudens
  • de Leeuwin, 250 ton, kapitein Frederik de Houtman, oppercommies en tresorier Thomas Coymans, commies Jan van den Aertbrugge

Samenvatting van het “Kort verhaal van wat Frederik de Houtman is overkomen in Atjeh op het eiland Sumatra in de zesentwintig maanden die hij daar gevangen is geweest

Op 28 maart 1598 vertrekken de Leeuw en de Leeuwin uit Veere naar Indië. De expeditie wordt geleid door generaal Cornelis de Houtman. Voor hem en zijn broer is het, na de reis van 1595, de tweede maal dat zij naar Indië uitvaren.

De route

Er wordt vers water ingenomen op het Kaapverdische eiland São Nicolau, op 8 juli wordt de evenaar gepasseerd en van 21 juli tot 5 september wordt bij het eiland Fernando de Noronha de goede wind afgewacht. Op 10 november komt het land van Kaap de Goede Hoop in zicht en op 17 november gaan de schepen voor anker in de Baai van Sint Helena aan de kust van het huidige Namibië. Van 21 november tot 7 december liggen de schepen afgemeerd in de Saldanhabaai, waar veertien zeelieden door de wilden worden doodgegooid. Op 17 januari ontwaardt men Madagascar of Sint Laurens. Omdat Kaap Sint Roman (aan de zuidoostpunt van Madagascar, tegenwoordig: Kaap Andavaka) niet kan worden gepasseerd, ankert men in de Mauritiusbaai, voorheen Baía de Santo Agostinho, gelegen onder de keerkring aan de westzijde van Madagascar, waar men tot 24 maart blijft. Op 10 april wordt het Comoren-eiland Mayotte bereikt en op 8 mei vertrekt men van het naburige eiland Anjouan (thans: Ndzouani). Op 1 juni bereiken de schepen de Malediven, op 12 juni wordt Kaap Comorin waargenomen en op 1 juli zijn de schepen voor Atjeh.

De gevangenschap

De ontvangst van de Hollanders is aanvankelijk welwillend, ook van de zijde van de regende sultan Alâ ad-din Ri’ âjat Sjâh (1589-1604), die in 1601 zijn zoon tot mederegent heeft genomen. Eén ongunstige factor wordt wellicht niet terstond naar de juiste betekenis geschat: er bevindt zich een Portugees in Atjeh, Afonso Vicente, inwoner van Malacca, die de sultan van Atjeh persoonlijk kent en die – zo men de loods John Davis mag geloven, van Malacca is gekomen om de handel van de Nederlanders te dwarsbomen. Hij biedt zijn diensten aan Cornelis de Houtman aan en verzekert dat in Atjeh lading genoeg is te verkrijgen, In verband daarmee brengt Cornelis de Houtman, door de sultan daartoe uitgenodigd, een bezoek aan het hof. Hij wordt vereerd met een fraaie kris en hij ontvangt verlof tot het drijven van handel, waarna enige peper wordt geleverd en een der commiezen zich aan land mag begeven met koopwaren, waarvoor een pakhuis wordt aangewezen, terwijl de aankoop van peper door tussenkomst van de sjahbander dient te geschieden. Cornelis de Houtman vindt de gevraagde prijzen te hoog; hij klaagt hierover bij de sultan, die antwoordt dat er peper genoeg te krijgen is, mits de klager hem, de sultan wil bijstaan in zijn oorlog tegen de Maleise staat Johore. Er wordt een verdrag afgesloten, waarin is afgesproken dat de Hollandse schepen, tezamen met de armada van Atjeh, naar Johore zullen gaan, om daar vanaf zee de vestingwerken te beschieten. De Hollanders zullen niet deelnemen aan veldtochten over land en hooguit drie maanden wegblijven. Als beloning krijgen zij 2.000 baren peper; de helft vooruit en de andere helft na afloop van de aktie. De sultan belooft de Hollandse schepen van levensmiddelen te zullen voorzien, De pinas van de Leeuw is al een keer naar Pedir gevaren om rijst te halen en als hij voor de tweede maal naar Pedir gaat, arriveren enige vaartuigen uit Malacca, die Atjeese gezanten van Goa terugbrengen, onder begeleiding van de Portugese gezant Simão Nunes. De gezanten weten de sultan gunstig te stemmem jegens de Portugezen, die tegen hem betogen dat de sultan hen alleen te vriend kan houden als hij de Hollanders uit de handel weert. Afonso Vicente biedt de sultan een plan aan om de Hollandse schepen te overmeesteren en doet daarmee de kansen keren ten gunste van de Portugezen. Cornelis de Houtman laat zich aanpraten, ofschoon hij kan vermoeden dat Afonso Vicente vals spel speelt, dat de van om de Oost gekomen vaartuigen slechts peper hebben aangevoerd van Samalanga en hij heeft geen bezwaar om, op 11 september, de sjahbander met een aantal gewapende Atjeeërs op de Leeuw en de Leeuwin toe te laten, terwijl zij spijs en drank meebrengen om feest te vieren. Niet alle opvarenden zijn zo goed van vertrouwen als hun generaal. Davis en anderen nemen voorzorgsmaatregelen; ook op de Leeuwin zijn sommigen op hun hoede. De Atjeeërs hebben – volgens Davis – een licht vergif in hun spijzen en dranken gedaan, waardoor velen die ervan gebruikt hebben, uitzinnig werden zonder te weten wat er met hen aan de hand is. Bijna tegelijkertijd worden op beide schepen de Nederlanders door gewapende Atjeeërs overrompeld. Op de Leeuw vindt de overrompeling plaats in de kajuit van het schip, waar Cornelis de Houtman een der eerste slachtoffers is, maar als de aanvallers aan dek komen, worden zij door John Davis en anderen zo warm ontvangen, dat zij met achterlating van enige doden, onder wie de sjahbander, in de prauwen moeten vluchten. Wel trachten de prauwen door entering de schepen te overmeesteren, maar zij worden door het geschut verdreven. Op de schepen worden op dat moment 95 zeelieden gemist; zij vertoeven aan de wal of zijn met de pinas meegegaan naar Pedir. De eersten, onder wie Frederik de Houtman en Guyon Le Fort, krijgen het nu zwaar te verduren. Zij en 26 anderen, onder wie enige mannen van de pinas, worden gevangengenomen en geboeid. Het aantal vermoorde zeelieden is eveneens 28.

De zeelieden, plotseling van hun aanvoerders beroofd, zeilen naar Pedir om de pinas te redden, maar het vaartuig blijkt al door de Atjeeërs te zijn genomen. Er liggen daar elf Atjeese, vermoedelijk met Portugezen versterkte vaartuigen, die de Nederlandse schepen trachten te enteren, maar zij deinzen af als twee van hun vaartuigen in de grond worden geboord. Hierop mag de gevangen Guyon le Fort de schepen bezoeken, mits hij belooft terug te zullen keren, wat hij niet doet, omdat hij tot opvolger van Cornelis de Houtman blijkt te zijn benoemd. Dat Guyon le Fort zijn belofte te zullen terugkeren breekt, maakt de positie van Frederik de Houtman er niet gemakkelijker op. Het aanbod van de sultan dat Guyon le Fort overbrengt en dat ook Houtman te horen krijgt luidt: tegen overgaven van een van de schepen zullen alle gevangen Nederlanders worden vrijgelaten. Uiteraard weigert Houtman dit, maar Als hij is overgebracht naar Pedir, wordt getracht de gevangenen vrij te kopen, maar vijandig door de vloot van de sultan ontvangen, ziet men daarvan af. Guyon le Fort tracht vervolgens Tenasserim te bereiken, wat hem door tegenwind wordt belet. Hij doet de Nicobaren aan om zich te verversen en tracht dan Ceylon te bereiken, in de hoop daar rijst te kunnen kopen. Onderweg legt hij de hand op een met rijst geladen vaartuig, dat op weg is van Negapatnam naar Atjeh. Van de opvarenden wordt vernomen dat te Batticaloa aan de oostkust van Ceylon veel handel wordt gedreven, dat men daar lading en verversing zal kunnen vinden en dat de koning van die plaats vijandig staat tegenover de Portugezen. Het gelukt de Leeuw en de Leeuwin niet Ceylon te bereiken; tegenwind dwingt tot het aanvaarden van de thuisreis. Op 8 augustus 1600 komen de beide schepen in Vlissingen aan.

Op 19 september, een islamitische feestdag, wordt De Houtman onder druk gezet zich tot de islam te bekeren en hem wordt een mooie adellijke vrouw aangeboden. De Houtman weigert, maar een aantal gevangen Hollandse zeelieden wordt moslim. Op 31 juli 1600 doen vier Hollandse schepen, onder bevel van Jacob Wilckens Atjeh aan, maar als zij, door middel van een door Hans Decker en Lenard van Wormer geschreven en door een Portugese jongen bezorgde briefje, vernemen dat de sultan Hollandse zeelieden gevangen houdt, varen zij weg. De sultan is woedend en straft de betrokkenen. Ook een aantal tot de islam bekeerde Hollandse zeelieden komt om van ellende en honger. Op 15 november 1600 arriveert een Portugese priester die de sultan vraagt om ’s konings sterkste fort, Fort Lubock, in ruil waarvoor de Portugezen beloven samen met Atjeh tegen Johore te strijden. De sultan antwoordt dat de Portugezen Fort Lubock kunnen krijgen nadat zij Johore hebben verslagen. Op 31 december 1600 weet Frederik de Houtman, met vier andere Hollandse zeelieden de Verenigde Provinciën, het schip van admiraal Paulus van Caerden, te bereiken. Hij treft daar vijf andere gevluchte gevangenen. De admiraal en Frederik de Houtman spreken af dat de laatste terugkeert naar Atjeh, om de relatie met de sultan niet te schaden. De Houtman en Hans Decker worden aan land welkom geheten door Adam Vlaminck, die zich vergeefs inspant Houtman vrij te krijgen. Op 17 januari 1601 vluchten de zich aan land bevindende Hollanders, met achterlating van hun koopwaar, overhaast terug naar hun twee schepen. De enige achtergebleven jongeman, Philippus Dragon, wordt de volgende morgen dood in de rivier aangetroffen. Ook heeft de sultan Paulus van Caerden gedreigd hem de handen en voeten af te hakken. Na vruchteloos gepalaver over de levering van peper, vertrekt Van Caerden op 21 januari, uit vrees voor een aanslag op de schepen met branders en prauwen. Weer wordt Houtman onder druk gezet de islam te aanvaarden. Als hij dat weigert krijgt hij, naast handboeien, ook weer voetboeien om. Bovendien laat men hem vreselijk hongerlijden. Op 2 april 1601 komen drie Portugese schepen uit Bengalen, met rijst, katoen en linnengoed, in Atjeh aan, bij de plaats Rakang1, “waar heel veel Portugezen wonen en waar zij een fort hebben.” Op 25 mei wordt er met een zuidwesterstorm een Portugees schip, onder bevel van António Vaz, op het strand geworpen en breekt in stukken. Op 8 juni komen een Portugees schip en een fusta in Atjeh aan; de Portugezen aan boord van deze schepen blijken erop uit te zijn beslag te leggen op schepen afkomstig van de Rode Zee, waarover de sultan zich zeer kwaad maakt. Desondanks worden de twee Portugezen die aan land komen, groots door de sultan onthaald. Op 12 juni wordt gevreesd voor een aanval op Atjeh door een grote Portugese vloot, die echter na een week van grote spanning weer onder zeil gaat, tezamen met het schip en de fusta, die op 8 juni zijn gearriveerd. Op 5 juli komt weer een afgedwaald Portugees schip aan en weer worden twee man onthaald en krijgen een kleed. Op 20 juli komt de kapitein van een Portugees schip aan land, begeleid door muzikanten met schuiftrompetten en schalmeien. “Zij gingen met de priester naar binnen, waar zij werden onthaald en twaalf man op Atjeese wijze werden gekleed. Een dag later zijn weer Portugezen door de sultan ontvangen; zij worden gezeten op olifanten teruggebracht.” Op 23 juli gaan er weer Portugezen naar het hof; zij gaan later met de sultan uit rijden, terwijl de schalmeien klinken. Zij worden aan de rivier onthaald. Op 25 juli achtervolgen Atjeese prauwen een aantal prauwen van Johore, die twee Atjeese prauwen in brand hebben gestoken. Zij nemen wraak door de bemanningen van twee prauwen gevangen te nemen, voorbij de Aroebaai. Op 24 augustus arriveren vier Zeeuwse schepen, onder bevel van admiraal Jan Tonneman. Bij een bezoek van een Zeeuwse afvaardiging van de vloot aan de sultan op 25 augustus, laat deze eindelijk Frederik de Houtman vertrekken en komt er een einde zijn gevangenschap van 23 maanden.

1) Onbekend is welke plaats met Rakang wordt bedoeld.

Tweede Schipvaart van de Oude Compagnie (fusie van een nieuw opgerichte compagnie met de Compagnie van Verre), onder leiding van Jacob Cornelisz van Neck (admiraal) en Wybrandt van Warwijck (vice-admiraal)

Uitreders: acht Amsterdamse kooplieden, te weten: Gerryt Bicker, Vincent van Bronckhorst, Symon Jansz Fortuyn, Geurt Dircxz, Cornelis van Campen, Jacob Thomasz Van den Dael, Elbert Simonsz Jonckheyn en Jan Hermansz.

Uitgezeild: 1 mei 1598 van Texel met 560 koppen

Schepen:

  • Mauritius (admiraalsschip), laadvermogen 460 ton, schipper, Govert Jansz, commies, Cornelis van Heemskerck
  • Amsterdam (vice-admiraalsschip), laadvermogen 500 ton schipper, Cornelis Jansz Fortuyn
  • Hollandia of Hollandsche Leeuw, laadvermogen 460 ton, schipper, Simon Lambertsz Mau, commies, Uytenyn
  • Zeeland, laadvermogen 360 ton, schipper, Claas Jansz Melknap
  • Gelderland, laadvermogen, 360 ton, schipper, Jan Bruin, commies Hans Hendriksz Bouwer
  • Utrecht, laadvermogen, 240 ton, schipper, Jan Martsz
  • Vriesland, laadvermogen, 180 ton, schipper Jan Cornelisz, commies Wouter Willekens
  • Overijssel of jacht het Duyfken, laadvermogen 50 ton, schipper, Simon Jansz Hoen, commies, Arent Hermansz van Alkmaar

Kort verloop van de reis

De schepen passeren 24 juli de Kaap; de vloot raakt 5 augustus gesplitst. De Mauritius, de Hollandia en de Overijssel ankeren bij het eiland Santa Maria en in de Baía de Antongil. Na vijf dagen zeilen zij door naar Bantam, waar zij 23 november aankomen en goed ontvangen worden. De andere vijf schepen komen 17 september bij het eiland Mauritius aan, waar zij verversing vinden, en arriveren vijf weken later in Bantam. Als de Mauritius, de Hollandia en de Overijssel peper hebben geladen en ook de Vriesland peper heeft ingenomen, keert Jacob van Neck met deze vier schepen op 11 januari 1599 naar het vaderland terug. Aan de kust van Sumatra wordt water ingenomen. De schepen ankeren acht dagen bij Sint Helena, waar de “hoogbootsman wordt achtergelaten, omdat hij zich tegen zynen de schipper van Vriesland misgrepen had” Op 19 juli zijjn de vier schepen, na een reis van slechts 14 maanden en 18 dagen, terug bij Texel. Hun lading bestaat uit 400 lasten peper, 100 lasten nagelen en enige foelie, noten en kaneel. Op 27 juli wordt Jacob van Neck op grootse wijze in Amsterdam ingehaald.

De andere vier schepen zeilen op 8 januari, onder admiraal Wybrandtt van Warwijck en vice-admiraal Jacob van Heemskerck, van Bantam naar de Molukken. De expeditie is 13 januari voor Jacatra en wordt 21 januari goed ontvangen door de koning van Tuban. Bij Arisbaja op Madoera worden meer dan 40 zeelieden van de Amsterdam en de Utrecht door Cornelis de Houtman en de zijnen geprovoceerde Madoerezen gevangengenomen en bij een gevecht ter zee sneuvelen nog eens 25 Hollanders. Het loskopen van de gevangenen kost 2.000 rijksdaalders. De schepen zeilen op februari weg van Madoera en komen op 3 maart aan bij voor de kust van Hitoe. De bevolking geeft de Hollanders een huis om hun waren te bergen en laat weten lading te hebben voor twee schepen. Daarom vertrekt Jacob van Heemskerck met de Zeeland en de Gelderland naar Banda, waar Heemskerck op Neira een huis wordt aangeboden. Eind juni heeft Heemskerck zoveel foelie, noten en nagelen geruild, dat zijn twee schepen geladen zijn. Hij laat 20 man achter op Neira, neemt afscheid van de orangkaja’s en vertrekt 5 juli naar Holland. Hij ankert 8 december voor Sint Helena, blijft daar tot 1 januari 1600, is 15 april bij Dover en kort daarna bij Texel.

Wybrandt van Warwijck kan wegens de oorlog van de Ambonezen met de Portugezen nauwelijks kruidnagelen op Ambon ruilen; hij vertrekt daarom op 8 mei met de Amsterdam en de Utrecht naar Ternate, waar hij 22 mei ankert. De koning, Saidi genaamd, is vriendelijk, maar op zijn hoede en durft aanvankelijk niet aan boord van de Amsterdam te komen. De schepen worden met kruidnagelen geladen, nadat men het eens is geworden over de prijs. Op verzoek van de koning laat Van Warwijck een handvol mannen op Ternate achter en vertrekt 19 augustus 1599. Op 6 september is hij bij het eiland Oebi en op 13 november bij Jacatra, waar Van Warwijck twee Zeeuwse schepen, de Zon en de Langebarke aantreft, die al 8 maanden voor Bantam gelegen hebben. De Utrecht neemt op Java nog wat peper, foelie en nagelen in, waarna Van Warwijck op 21 januari 1600 afscheid van Bantam neemt. Op 17 mei is hij bij Sint Helena, maar omdat daar vier kraken van de rond de jaarwisseling uit Indië vertrokken Portugese retourvloot liggen, ankert Van Warwijck niet bij Sint Helena, maar vaart hij door naar Ascencion, waar de verversing tegenvalt. Twee of drie maanden later zijn deze laatste schepen van de vloot van acht ook thuis. Deze Tweede Schipvaart is buitengewoon geslaagd geweest, immers alle acht schepen zijn geladen met specerijen veilig teruggekeerd.

De reis van Jacques Mahu en Simon de Cordes (1598-1600) van de Rotterdamse Compagnie, met vijf schepen en 547 man

Uitreders: Pieter van der Haegen en Johan van der Veken

Uitgezeild:van het Goereesche Gat, de dato 27 juni 1598

Schepen:

  • de Hoop, het admiraalsschip, 500 ton, kapitein, Simon de Cordes;
  • de Liefde, 300 ton, kapitein Jacob Jansz Quaekernaeck, stuurman William Adams, een veelzijdig ontwikkeld man, commies Melchior van Santvoort;
  • het Geloof, 320 ton, kapitein Gerrit van Beuningen/Sebald de Weert, commies Jan Jansz Kloeck;
  • de Trouw, 220 ton, kapitein Balthasar de Cordes,
  • de Blijde Boodschap of het Vliegend Hert, 150 ton, kapitein Sebald de Weert/ Dirck Gerritsz Pomp, alias China

De expeditie

De schepen bereiken op 1 september 1598 Kaapverdische Ilha de Mayo, maar de mannen gaan aan land op het Ilha de Santiago, waar zij problemen krijgen met de Portugezen. Zij willen daarom 11 september verversen op het kleine Ilha de Brava, maar dat valt lelijk tegen. Na vier dagen zeilt de vloot verder. Op 24 september overlijdt Jacob Mahu en hij wordt opgevolgd door Simon de Cordes, een Amsterdamse koopman, terwijl Van Beuningen vice-admiraal wordt. Op 16 december komt de expeditie bij het Ilha de Ano Bom, waar zij Portugese inwoners uit hun huizen verdrijven. Op 6 april 1599 is de vloot bij Straat Magalhães, waar de mannen zeer te lijden hebben van de kou en velen omkomen. In een baai, die zij Baai van Cordes noemen, zien zij veel naakte wilden van tien of elf voet (rond de 3 meter) lengte. Dit zijn de Patagonische reuzen die de expeditie van Fernão de Magalhães ook heeft gezien (zie deel VII, pag. 221). Op 3 september bereiken de vijf schepen de Zuidzee. Het Geloof en de Trouw moeten, nadat zij 24 dagen zware stormen te verduren hebben gekregen, opnieuw beschutting zoeken in de Straat. De schepen blijven daar 20 dagen liggen, terwijl de bemanningen mopperen en er stemmen opgaan naar huis terug te keren. Op 16 december ontmoet Sebald de Weert volk van Olivier van Noort, die daags daarna zelf een bezoek bij hem aflegt. Sebald de Weert zeilt met het Geloof over de Atlantische Oceaan naar Holland terug en hij komt 13 juli 1600 met 36 van de oorspronkelijke 135 man bij Goeree. De andere schepen geraken weer in de Zuidzee.

De Blijde Boodschap wordt driemaal door de storm naar het zuiden gedreven, zelfs tot 57º ZB. Eerst doet het schip de Chiloé archipel aan, daarna meent de bemanning het Isla Mocha te zien, hoewel het isla de Santa Maria, de afspraakplaats is. Die vaart het schip voorbij en 17 november laat kapitein Dirck Gerritsz Pomp het anker van het zwaar gehavende schip vallen voor San Jago, de haven van Valparaiso. De kapitein en enkele anderen worden door de Spanjaarden gevangengenomen. Dirck Gerritsz. laat capitán Jerónimo de Molina het schip, in ruil voor 12.000 dukaten. Hij wordt uitvoerig verhoord en blijft nog jaren een gevangene van de Spanjaarden in Lima, die hem als buitengewoon intelligent en dus als gevaarlijk beschouwen. Hij en 5 of 6 resterende manschappen worden tenslotte geruild tegen de in 1600 in de Slag bij Nieuwpoort gevangengenomen Almirante de Aragón, Francisco de Mendoça. Dirck Gerritsz. wordt op 5 mei 1603 van Peru overgebracht naar Panama, waar hij 22 mei aankomt en zes weken vertoeft. Op 1 juli 1604 wordt hij in Lissabon gelost met 5 andere mannen uit Lima van de schepen van Pieter Verhaegen, namelijk: Cornelis Lamberts Matelief, stuurman; Pieter Tielemans, timmerman; Jacob Jacobsz Bol; Arent Jansen; Adriaan Pauwelsz timmerman. Zij vertrekken 21 juli met Tymon Barentsz uit Enkhuizen naar Holland, waar drie mannen hun vrouw met een ander getrouwd vinden. Twee jaar later zeilt Dirck Gerritsz. met Paulus van Caerden naar Indië.

Kapitein Balthasar de Cordes tracht met de Trouw vanuit de Zuidzee de Straat van Magalhães in te varen, wat niet lukt. Hij komt begin maart 1600 bij de Chiloé archipel terecht, waar de bemanning ruilhandel drijft met de indianen. Vervolgens vaart hij de binnenwateren tussen de eilanden binnen en hij gaat bij het stadje Castro voor anker. Deze stad is een kleine onverdedigde plaats en Cordes kan, behalve dat hij zijn mensen perfect bewapend heeft, rekenen op de steun van de indianen, die hij tot opstand tegen de Spanjaarden opgestookt heeft. Verraderlijk leidt Cordes corregedor Balthasar Ruiz de Pliego, capitán Pedro de Villagoya en anderen in Castro om de tuin, door hen te laten geloven dat de Hollanders zich bij hen zullen aansluiten, om tegen de indianen te strijden. Hij nodigt de beste kapiteins uit aan boord van de Trouw het krijgsplan van de komende strijd tegen de indianen te bespreken. Zodra de zes kapiteins aan boord zijn, laat Cordes hen allen onthoofden. Hij trekt met zijn manschappen de stad in en verzoekt alle Spanjaarden bijeen te komen in de kerk, zogenaamd om de indianen te doen geloven dat hij allen heeft gevangengenomen. De Nederlanders omsingelen de kerk, weldra gevolgd door de indianen. Hij laat alle mannen, tegen wie hij niets kan hebben, circa dertig in getal, vermoorden. De vrouwen en kinderen worden gevangengenomen en het stadje wordt grondig geplunderd. Onder de gevangenen bevindt zich een dappere vrouw, Doña Ines de Bazan, geboortig uit Osorno en weduwe van Juan de Oyarzun, capitán van Guipuzcoa. Zij sluit zich bij de mannen aan, om weerstand te bieden met de wapenen in de hand, als zij op het laatste ogenblik en opgesloten in de kerk tracht een late verdediging te beginnen, die zeer spoedig onmogelijk blijkt te zijn. Doña Ines de Bazan verliest desondanks niet de moed en besluit bij de eerste de beste gelegenheid aan de macht van de Hollanders te ontsnappen. Deze gelegenheid doet zich spoedig voor. Capitán Luis Perez de Vargas bevond zich met 25 man buiten Castro, toen de Hollanders door verraad de plaats namen. Nu wil hij zijn vrouw, zoons en schoonmoeder bevrijden. Hij stuurt soldaat Torres, zogenaamd als overloper naar het Hollandse kamp, om de nachtelijke aanval voor te bereiden. Doña Ines de Bazan biedt hem hulp door het schietkatoen van de geloste kanonnen vochtig te maken. Luis Perez de Vargas brengt zijn gewaagde onderneming tot een gelukkig einde, bevrijdt zeven vrouwen, herneemt de buit, doodt twee vijanden, verwondt Cordes en voert in triomf zijn standaard weg. Daarna verbergt hij zich in de bossen om aan de wraak van Cordes te ontsnappen. Helaas hebben Torres en Doña Ines de Bazan geen kans gezien tijdens de aanval van Luis Perez de Vargas te ontvluchten. Soldaat Torres laat hij ophangen en Doña Ines de Bazan laat hij op wrede wijze geselen. Balthasar de Cordes heeft in Castro een fort laten bouwen en bevindt zich daarin met 38 zeelieden, 3 Spaanse deserteurs en 600 met werpspiezen bewapende indianen, als Spaanse troepen, onder coronel Francisco del Campo het stadje Castro te hulp komen. Op 15 augustus van het jaar 1600 pleegt Francisco del Campo met 150 man een zeer goed voorbereide verrassingsaanval op het Hollandse fort en voordat Balthasar de Cordes weet dat er Spaanse versterkingen op Chiloé zijn aangekomen, dringen de Spaanse soldaten het fort al binnen. Maar voordat Francisco del Campo kan afrekenen met Balthasar de Cordes en zijn mannen, dient hij eerst af te rekenen met de indianen, die dapper weerstand bieden, maar als de helft van hen gesneuveld is, neemt de andere helft de vlucht. De in het nauw gedreven Hollanders weten ongezien uit het fort te geraken. Er zijn nog twaalf zeelieden over die de Trouw weten te bereiken. Cordes laat behalve zijn kanonnen, 26 gesneuvelden in Castro, waar zij zich zo buitensporig misdragen hebben, achter. De Trouw loopt aan de grond en verliest beide goede ankers. Balthasar de Cordes zendt twee van de vijf gevangengenomen Spanjaarden naar Francisco del Campo, als eerste stap naar onderhandeling over de overgave, want zonder anker kunnen de Hollandse piraten niet de Zuidzee insteken. Zij zoeken en vinden het laatst verloren anker, waardoor de situatie totaal verandert. Cordes schrijft coronel del Campo, dat hij er niet over peinst zich over te geven. Het zet de laatste drie Spanjaarden die hij nog aan boord heeft aan land; een van hen zal later op last van onderkoning Luis de Velasco y Castilla, marqués de Salinas, virrey de la Nueva España, worden terechtgesteld in la Concepcion, wegens overlopen naar de vijand. Met 22 man en een minimum aan proviand besluit Balthasar de Cordes over de Zuidzee naar de Molukken te varen. Van deze reis is niets bekend; we weten slechts dat de Trouw op 3 januari 1601 met 24 zeelieden en vier uit Zuid-Amerika meegenomen indianen bij Tidore aankomt. Hier krijgt hij een koekje van eigen deeg. De Portugezen ontvangen de Hollanders gastvrij en beloven hen kruidnagelen te zullen leveren, maar onverwachts doden zij alle leden van de bemanning, behalve schipper Swarte Teun en vijf andere zeelieden. Zij worden naar Goa gebracht. De Trouw wordt toegevoegd aan de twee schepen die de Portugezen bij Tidore hebben. Het zal Jacob van Neck niet lukken het schip te heroveren.

De Liefde komt aan bij het Isla Mocha, waar 26 zeelieden door inheemsen worden gedood. Simon de Cordes arriveert met de Hoop in de Chonos-archipel, waar hij vreedzaam handeldrijft. Op 7 november gaan beide schepen voor anker bij de inham van Arauco op 37º 09’ ZB. Daar doden de indianen drie mannen en bij een volgende ontscheping verliezen de Hollanders 23 man. Als de Hoop en de Liefde zich volgens afspraak verzamelen bij het isla de Santa Maria verneemt Simon de Cordes het bericht dat Dirck Gerritsz de Blijde Boodschap overgegeven heeft aan de Spanjaarden in Valparaiso. De resterende schepen, de Liefde en de Hoop, zeilen van Santa Maria in elkaars gezelschap de Stille Zuidzee over. De zeelieden komen bij Hawai, maar zij verversen daar niet. Wel zouden zeven opvarenden in een sloep aan land zijn gekomen. Zij zouden allen Hawaiaanse vrouwen hebben gehuwd. Kort na het passeren van Hawai zijn de schepen in zwaar weer terechtgekomen en is nooit meer iets van de Hoop vernomen. De Liefde weet tenslotte 19 april 1600 Japan te bereiken. Onder de 24 of 25 opvarenden bevinden zich kapitein Quaeckernaeck, stuurman William Adams en commies Melchior van Santvoort.

Reis van Olivier van Noort (admiraal), Jacob Claes van Ilpendam (vice-admiraal) en Cornelis van Noort, met vier schepen en 248 man

Uitreders: Huyg Gerritsz van der Buis, Jan Bennink, Pieter van Bevere in Rotterdam en de gebroeders Coekebacker uit Amsterdam

Uitgezeild: uit het Goereesche Gat, op 13 september 1598, met twee schepen en twee jachten

Opdracht: kapen van Spaanse schepen, kopen van porselein in China en specerijen in de Molukken.

Schepen:

  • Mauritius uit Rotterdam, admiraalsschip, 300 ton;
  • Hendrik Frederik,2 uit Amsterdam, 300 ton, kapitein Jacob Claes van Ilpendam;
  • Eendracht, uit Rotterdam, 50 ton, kapitein Jacob Jansz Huydekooper Hoop, uit Amsterdam, 50 ton, kapitein Pieter de Lint

Het verloop van de reis

De schepen doen het eiland Princípe aan en steken dan over naar Brazilië. Bij Rio de Janeiro ontstaan schermutselingen met de Portugezen. Hierbij verliest Olivier van Noort enige mannen. Veel stormen en de naderende winter doen hem een goede haven zoeken. Uiteindelijk vindt van Noort een beschutte ankerplaats bij het eiland Santa Clara. Bij Porto Desire gaat hij aan land en vindt enige met bogen en pijlen versierde graven, met veel kunstig gesneden schelpen onder de hoofden der doden, die van ongemene grootte zijn. Voordat de schepen hun tocht vervolgen, wordt Pieter de Lint aangesteld als opvolger van de overleden Jacob Huydekooper. Omdat het jacht de Hoop lek is, wordt het verbrand. De resterende drie schepen zijn 14 maanden na hun vertrek in de monding van Straat Magalhães. Olivier van Noort vaart op 25 november 1599 door het nauwste gedeelte van deze straat, die 7 mijlen breed en 110 lang is. De volgende dag neemt Van Noort, bij het passeren van de tweede engte vier jongetjes en twee meisjes mee, die naderhand, door het aanleren van de Nederlandse taal, van alles over hun land weten te vertellen. De schepen komen tenslotte in de Zuidzee, nadat Van Noort zijn vice-admiraal Jacob Claes van Ilpendam, wegens ongehoorzaamheid op een eiland aan wal heeft gezet. Hij wordt opgevolgd door Pieter de Lint, die op zijn beurt wordt vervangen door Lambert Biesman. Van Noort zeilt langs de kust van Chili naar het noorden en wordt op het Isla Mocha goed ontvangen. Bij het Isla de Santa Maria, wordt een Spaans schip, Bueno Jesus genaamd, genomen en later nog een ander schip veroverd. Van Noort steekt dan de Zuidzee in en koerst op de Ladrones (Marianas) eilanden af, waar zijn vloot op 15 september 1600 aankomt en waar hij voldoende verversing weet te krijgen, omdat zijn schepen de Spaanse vlag voeren, Schipper Arend Klaasz Kalkbuis zeilt met de Hendrik Frederik naar de Molukken, waar het schip in februari of maart 1601 aan de grond loopt en verloren gaat. Olivier van Noort zeilt met de Mauritius en de Eendracht verder naar Baja la Baja en vervolgens naar de Straat van Manila. Op 3 december 1600 gaan de Hollanders aan land op het eiland Capul, waarvan de inwoners voor de vreemdelingen de bergen zijn ingevlucht. De Hollanders weten niets beter te doen dan het dorp van de vluchtelingen in brand te steken. Van Noort verovert een Japans schip, dat hij weer laat gaan. Hij geeft de kapitein een paspoort in naam van prins Maurits mee. Vervolgens ankert Van Noort met de Mauritius en de Eendracht voor Manila. Als hij vijf etmalen voor Manila ligt, wordt hij op 13 december aangevallen door twee Spaanse galeras, de San Diego (capitana) en de San Bartolomeo (de almirante), beide galjoenen onder bevel van almirante Joan de Alcega. De strijd duurt zes uren en is buitengewoon hevig. Als de Eendracht van het strijdtoneel wegvlucht, wordt het schip achtervolgd en opgebracht door de San Bartolomeo, welk schip dus het strijdtoneel verlaat om het Nederlandse jacht te achtervolgen, in plaats van dat Joan de Alcega de San Diego bijstaat in zijn strijd met de Mauritius. De San Diego loopt in zijn gevecht met de Mauritius zoveel schade op dat het schip spoedig zal zinken. De Spanjaarden zijn van mening dat de Mauritius ook zo zwaar is beschadigd en zo weinig bemanning heeft overgehouden (15 man) dat het weinig kans maakt veilig thuis te geraken. Desondanks begint Olivier van Noort, zeilend op alleen zijn fokkezeil aan zijn thuisreis. Hij arriveert in Brunei, waar hij door zijn Chinese stuurman ervoor wordt gewaarschuwd dat de sultan eropuit is zijn schip te stelen, waarop Van Noort extra waakzaam is. Hij ontmoet in de Baai van Brunei op 3 januari 1601 een Japans schip uit Nagasaki. Het schip dat tussen Manila en Japan uit zijn koers is geraakt, heeft een Portugese kapitein, Manuel Luís, uit Porto, die in Nagasaki woont. Hij krijgt ook een Hollandse vlag en een dito paspoort. Als het optreden van Van Noort bekend wordt in Japan, verhoogt dit het prestige van de opvarenden van de Liefde. Olivier van Noort steekt over naar Java en komt op 28 januari bij Jurtan. Omdat daar geen lading voor hem is, zeilt hij 5 februari naar de Straat van Balamboeang, tussen Java en Bali en geraakt zodoende aan de zuidkant van Java. Hij zeilt langs de zuidkant van Java naar de Kaap. Neemt op 26 mei op Sint Helena water in en ontmoet op weg naar huis op 16 juni zes Hollandse schepen die, onder Jacob van Heemskerck, op weg zijn naar Indië. Hij meert op 26 augustus met nog slechts 45 man aan in Rotterdam, na een reis om de wereld. Gelet op zijn zware verliezen aan mensen en schepen en op zijn opdracht, is zijn reis heroïsch, maar niet erg succesrijk geweest.

De eerste reis van Steven van der Haghen

Uitreder: de Oude Compagnie, 3e equipage

Uitgezeild: 6 april 1599 van Texel

Schepen:

  • de Zon, 580 ton, schipper Cornelis Jansz Schouten, opperkoopman Jan Sas van Gouda
  • de Maan, 500 ton, schipper Cornelis Hendriksz
  • De Morgenster, 400 ton, schipper, Cornelis Jansz Melknap

Verloop van de reis

Steven van der Haghen wil verversen op het eiland Mayo, maar hij raakt daar in gevecht met de Portugezen en verliest enig volk. Na twee vergeefse pogingen van de Hollanders zich te wreken, koersen zij naar het eiland Princípe en vandaar naar Ano Bom. Nadat de kleine vloot Kaap de Goede Hoop is gepasseerd, trotseren de schepen op weg naar Madagascar verscheidene stormen. Op 27 oktober doet Steven van de Haghen eerst een onbekende haven op Madagascar aan en vervolgens de bekende Baía de Antongil. Hij vindt daar echter geen verversing, reden waarom hij op 21 december zijn reis vervolgt en tenslotte in februari 1600 eerst voor Lampon en op 13 maart voor Bantam ankert. Daar bevalt het hem ook niet, omdat de Bantammers praten over het heffen van zware tollen. Steven van der Haghen besluit 28 maart door te zeilen naar Ambon. Hij gaat op 2 mei met de Zon bij Ambon voor anker, maar zonder dat de mannen op de Zon dat merken, drijven de Maan en de Morgenster af in de richting van Banda. Eerst half mei ontvangt Steven van der Haghen bericht dat de beide andere schepen op Banda een goede lading verwachten in te nemen. De orangkaja’s van Hitoe en de koning van Noessatel dringen er bij Steven van der Haghen op aan hen te helpen in hun strijd tegen de Portugezen. Van der Haghen geeft tenslotte toe en de Hollanders belegeren tezamen met de Ambonezen acht weken lang het Portugese Fortaleza da Nossa Senhora da Annunciada op Leitimor, echter zonder resultaat. Steven van der Haghen sluit voor zijn vertrek met de Hitoeëzen een verbond, laat Jan Dircxz. Sonnenberg als bevelhebber van 27 vrijwilligers achter op het Kasteel van Verre, dat de Hitoeëzen bij Hatoenoekoe voor hem hebben gebouwd. Van der Haghen vertrekt 8 oktober naar Bantam, na de Hitoeëzen te hebben beloofd hen na drie jaren met meer hulptroepen te zullen helpen. Op 14 februari 1601 zeilt hij van Bantam weg en iIn oktober 1601 keren de Zon, de Maan en de Morgenster beladen met kruidnagelen, muskaatnoten en foelie in het vaderland terug.

Reis van Pieter Both (admiraal) en Paulus van Caerden (vice-admiraal)

Uitreder: Nieuwe Brabantsche Compagnie, Amsterdam

Uitgezeild 21 december 1599 van Texel

Schepen:

  • Hof van Holland, laadvermogen 360 ton, schipper Jacob Dirksz
  • Verenigde Landen, laadvermogen niet bekend, schipper Klaas Gerritsz
  • Nederland, laadvermogen niet bekend, schipper Ernst van Ommeren
  • Nassau, laadvermogen niet bekend, schipper Frederik Cornelisz

De vier schepen arriveren 6 augustus 1600 op de rede van Bantam, vanwaar Paulus van Caerden op 25 augustus met twee schepen langs de westkust van Sumatra naar Atjeh vertrekt en Pieter Both een halfjaar later met de twee andere schepen naar Patria zeilt. Paulus van Caerden slaagt er niet in Frederik de Houtman in Atjeh vrij te krijgen, noch om er peper te laden. Om zich schadeloos te stellen voor de penningen die hij op de nieuwe oogst heeft voorgeschoten, maakt hij zich meester van enige vreemde schepen. Hij vertrekt 21 januari van Atjeh naar Holland.

Reis van Jacob Wilckens

Uitreder: de Oude Compagnie, 1e eskader, 4e equipage

Uitgezeild 21 december 1599

Schepen:

Mauritius, admiraalsschip van Jacob Wilckens, 460 ton, schipper Govert Jansz

Hollandia, vice-admiraalsschip van Cornelis van Heemskerck, 460 ton, schipper Pieter Klaasz Nek

Vriesland, 180 ton, schipper Jacob Pietersz

Overijssel, 50 ton, schipper Thijmen Michelsz

Tweede reis van Jacob Cornelisz van Neck;

Uitreder: de Oude Compagnie, 2e eskader, 4e equipage

Uitgezeild 28 juni 1600

Schepen:

  • Amsterdam, admiraalsschip Jacob van Neck, 900 ton, schipper Simon Lambrechtsz Mau
  • Dordrecht, vice-admiraalsschip van Cornelis van Foreest, 900 ton, schipper, Dirk Mot
  • Haarlem, 350 ton, schipper Kornelis Klaasz
  • Leiden, 280 ton, schipper Hendrik Jansz
  • Delft, 300 ton, schipper Simon Jansz Hoen
  • Gouda, 50 ton, schipper Klaas Cornelisz

Het verloop van de reizen

De tien schepen van de vierde voyage varen niet allen tezamen uit. Wilckens vaart met zijn vier schepen eind 1599 uit en Jacob van Neck met zijn zes schepen een halfjaar later. De schepen van Wilckens komen, na een kort oponthoud voor Atjeh begin augustus 1600, op 1 september voor Bantam aan. De Mauritius en de Vriesland vertrekken op 14 januari 1601 geladen met peper naar Patria en in gezelschap van de schepen van de Oude Compagnie, 3e equipage onder admiraal Steven van der Haghen (Zon, Maan en Morgenster) en twee schepen van de Nieuwe Brabantsche Compagnie onder Pieter Both, te weten de Hof van Holland en de Verenigde Landen. Volgens het besluit van 26 november zouden de Hollandia en het jacht Overijssel, onder het gezag van Cornelis van Heemskerck, doorzeilen naar de Molukken. Van Heemskerck vertrekt 6 december 1600 van Bantam en arriveert 2 januari 1601 bij Ambon. Hij treft daar Dircxz Sonnenberg, kapitein van het Kasteel van Verre. In juni 1601 verlaten de Hollandia en de Overijssel Ambon, met medeneming van de bezetting van het Kasteel van Verre. Na een bezoek aan Bali te hebben gebracht, arriveren de schepen eind juli voor Bantam. Op 9 september 1601 wordt de terugreis naar het vaderland aanvaard. In Bantam blijft Jan Lambertsz Vloots met enkele gezellen achter.

De zes schepen onder Jacob van Neck doen 1 oktober Ano Bom aan, waar het Hollandse eskader door de Portugezen goed wordt onthaald. De Amsterdam, de Delft en de Gouda arriveren eind maart voor Bantam. De Delft wordt vrijwel direct geladen en keert spoedig daarop naar het vaderland terug, maar voor de andere schepen is er geen lading in Bantam. Admiraal Van Neck zeilt 2 april met de Amsterdam en het jacht Gouda door naar Ternate. Van Neck treft daar Frank van der Does, die bij de 2e voyage op het eiland is gebleven. De Amsterdam en de Gouda verlaten Ternate op 31 juli 1601, met achterlating van Jan Pietersz Snyer en Cristiaan Adriaensz den Dorst. Zij zeilen achter de Filippijnen om naar China en komen op 27 augustus in het zicht van Macau. Op 7 november bereiken de twee schepen Patani, waar de Hollanders zeer vriendelijk door de koningin ontvangen worden. Zij stelt een pakhuis ter beschikking en de Hollanders kunnen een lading peper innemen. Zij vertrekken van daar 23 augustus 1602 naar Bantam, na twee kooplieden in Patani te hebben achtergelaten. Midden november zijn de schepen voor Bantam en in 1603 zijn zij in Holland terug. De drie schepen Dordrecht, Haarlem en Leiden, die op de heenreis nabij Ano Bom zijn achtergebleven, komen op 9 augustus 1601 voor Bantam aan. De Dordrecht, het vice-admiraalsschip van Cornelis van Foreest, blijft daar om lading in te nemen en keert daarna naar het vaderland terug, tezamen met twee schepen van de Brabantsche Compagnie, de Zwarte Arendt en de Witte Arendt. De schepen Haarlem en Leiden zeilen nog in augustus 1601 door naar China. Zij staan onder gezag van Gaspar Groensbergen, koopman te Haarlem. De verschijning van de VOC-schepen voor de kust van Zuid-China in september veroorzaakt paniek in Macau. Bij een langdurige tocht langs de kusten van Achter-Indië en Indo-China ankeren de schepen aan de kust van Cambodja. De inlanders daar nemen in januari 1602 twaalf zeelieden van de Haarlem en elf van de Leiden, onder wie Groensbergen, gevangen. Zij worden vrijgekocht met twee metalen stukken geschut. Beide schepen komen eind december 1602 voor Patani aan. Vandaar vertrekken zij begin september 1603 naar Bantam. De Haarlem blijkt echter niet meer zeewaardig te zijn en moet terugkeren naar Patani. Daar krijgt Groensbergen gelegenheid koopmansgoederen uit de Haarlem over te laden in de Zierikzee, onder vice-admiraal Cornelis Pietersz, welk schip met 13 andere schepen is uitgereed door de VOC, die de vloot in december 1603 naar Bantam heeft doen vertrekken. De Haarlem wordt in januari 1604 in Patani verbrand. De Leiden arriveert 15 november 1603 voor Bantam en keert 27 januari naar Patria terug, waar het eind augustus 1604 aankomt, als negende en laatste schip van de 4e voyage.

Reis van Guillaume Senescal

Uitreder de Nieuwe Brabantsche Compagnie

Uitgezeild 28 juni 1600 van Texel

Schepen:

  • Zwarte Arendt en Witte Arend (laadvermogens en schippers onbekend)

De twee schepen gaan in augustus 1601 voor het Sumatraanse plaats Ticou voor anker. Enige zeelieden worden door inlanders gevangengenomen. De schepen vertrekken zonder dat zij zijn vrijgekocht. Zij komen in oktober 1601 voor Bantam aan en vertrekken in gezelschap van de Dordrecht, onder bevel van Cornelis van Foreest.

Reis van Gerard le Roy en Laurens Bicker

Uitreders: De Verenigde Zeeuwsche Compagnie (een samenwerking tussen de Veersche Compagnie en de Middelburgse Compagnie)

Uitgezeild 28 januari 1601 van Rammekens

Schepen:

  • Zeelandia, 600 ton, schipper Kornelis Bastiaansz
  • Langebarke, 300 ton, schipper Nicolaas Antheunisz
  • Zon, 580 ton, schipper Kornelis Adriaansz Valk
  • Middelburg, 400 ton, schipper Hans Huibrechtsz Tonnema

Het verloop van de reis

De vier schepen doen 7 juli het Comoren-eiland Anjouan aan. Gerard le Roy ontvangt daar van de koning van het eiland een in het Arabisch geschreven brief voor de sultan van Atjeh. De vloot arriveert 23 augustus 1601 voor Atjeh, waar de stemming jegens de Portugezen geheel blijkt te zijn is omgeslagen en de Nederlanders ras in aanzien zijn gestegen. De sultan laat daarom al zijn Hollandse gevangenen vrij, zonder op een losprijs aan te dringen. En zo wordt ook Frederik de Houtman eindelijk op 25 augustus vrijgelaten. Op 29 november 1601 vertrekken de Zeelandia en de Langebarke terug naar Zeeland, in gezelschap van twee gezanten van de sultan van Atjeh naar prins Maurits. Zij hebben een brief voor prins Maurits bij zich. De beide schepen keren op 6 juli 1602 in het vaderland terug.. De Zon en de Middelburg vertrekken in november 1602 van Atjeh naar Bantam. Op de terugweg naar Patria doen zij in februari 1603 Sint Helena aan

De reis onder leiding van Jacob van Heemskerck en Wolfert Harmenz

De vloot bestaat uit dertien schepen; vijf daarvan zijn uitgereed door de Oude Compagnie te Amsterdam en dit eskader staat onder bevel van Wolfert Harmensz; de andere acht schepen zijn uitgereed door de Eerste Verenigde Compagnie op Oost-Indië en de admiraal daarvan is Jacob van Heemskerck

Schepen onder bevel van zeevoogd Jacob van Heemskerck en onderzeevoogd Jan Grenier:

  • Amsterdam, laadvermogen 500 ton, schipper niet bekend;
  • Hoorn, laadvermogen niet bekend, schipper niet bekend;
  • Enkhuizen, laadvermogen niet bekend, schipper Willem van Westzanen;
  • Alkmaar, laadvermogen niet bekend, schipper Pieter Stokman;
  • Swarte Leeuw, laadvermogen niet bekend, schipper Adriaan Beek;
  • Witte Leeuw, laadvermogen 540 ton, schipper niet bekend;
  • Groene Leeuw, laadvermogen niet bekend, schipper niet bekend;
  • Rode Leeuw, laadvermogen niet bekend, schipper Pieter Klaasz.

Schepen van zeevoogd Wolfert Harmensz en onderzeevoogd Hans Bouwer

  • Gelderland (admiraalsschip), laadvermogen 360 ton, schipper Jan Bruin;
  • Zeelandia (vice-admiraalsschip), laadvermogen 360 ton, schipper Jan Kornelisz;
  • Utrecht, laadvermogen 240 ton, schipper Jan Martensz;
  • Wachter, laadvermogen 130 ton, schipper Gerrit Hendriksz Roobol;
  • Duifje (jacht), laadvermogen 50 ton, schipper, Willem Kornelisz Schouten.

Het verloop van de reis

De gezamenlijke vloot vaart op 23 april 1601 uit van Texel; op 8 mei, bij 45º NB, splitst de vloot zich in de Atjeese vloot onder bevel van Jacob van Heemskerck en de Molukse vloot onder leiding van Wolfert Harmensz In het noorden van de Atlantische Oceaan dwaalt vice-admiraal Jan Grenier, aan boord van de Swarte Leeuw, van de hoofdvlag af en ziet zich omringd door elf grote Spaanse schepen. Hij ontkomt omdat de Swarte Leeuw een zeer goede zeiler is. Hij zet zijn reis op eigen gelegenheid voort en arriveert op 15 december voor Atjeh. De rest van de Atjeese vloot gaat voor anker bij het eiland Santa Maria voor Madagascar en daarna in de Baía de Antongil. De vloot vertrekt daar op 14 oktober en een gedeelte van de vloot komt op 15 december aan voor Atjeh. De Hollanders worden daar goed ontvangen en zij drijven er handel. Op 13 januari 1602 breekt brand uit in de stad, waardoor de Nederlandse logie met goederen ter waarde van 4.000 gulden verloren gaat. Op19 februari vertrekken de schepen naar de stad Ticou, waar zij 8 maart aankomen en 32 bihar peper verkregen wordt. Het anker wordt gelicht op 28 maart en 4 april komen de schepen voor Bantam aan. Daar worden twee andere schepen van de vloot van Jacob van Heemskerck aangetroffen, dat van onderzeevoogd Grenier en de Hoorn. Bovendien wordt vernomen dat Heemskerck zelf naar de Molukken is gegaan om daar lading te halen. Op 16 april loopt ook het jacht Enkhuizen de haven van Bantam binnen met de tijding dat Jacob van Heemskerck bij Demak op Java strijd geleverd heeft met de inheemsen; waarbij achttien van zijn mannen zijn gedood en twaalf van hen zijn gevangengenomen, maar hij heeft zelf 70 inlanders gevangen gemaakt. De schepen Amsterdam, Swarte Leeuw, Hoorn, Groene Leeuw en de Enkhuizen of Bruinvisch3 besluiten, geladen met bijna 30.000 zakken peper van 60 pond en kleine hoeveelheden andere specerijen, naar het vaderland te vertrekken. De vijf schepen vertrekken op 11 mei van Bantam onder leiding van zeevoogd N. Schuurmans. Van 12 juni tot 8 september ankeren de schepen voor Mauritius en zij komen op 16 november aan bij Sint Helena, vanwaar zij op 23 december vertrekken en kort na 27 maart 1603 terug zijn bij Texel.

De schepen van Wolfert Harmensz verversen zich aan de kust van Madagascar en zeilen vandaar naar Straat Sunda, waar zij 26 december 1602 aankomen. Daar krijgt de admiraal bericht dat er 30 Portugese schepen, waaronder 8 galjoenen, onder bevel van Dom André Furtado de Mendoça, sedert enkele dagen voor Bantam liggen. Hierop gaan de schepen voor Palembang voor anker en Wolfert Harmensz roept zijn scheepsraad bijeen. De raad wil de strijd aanbinden met de Portugezen. Als de drie Hollandse schepen en de twee jachten op 27 december voor Bantam aankomen, liggen er twee Portugese galeien op wacht bij de ingang van de haven, onder de kapiteins Francisco de Sousa en André Rodrigues Paliota. Zij worden op 29 december overmeesterd. Ofschoon de Portugezen het voordeel van de wind hebben, durven zij niet op de Hollandse schepen af te komen, maar op 1 januari 1603 licht Wolfert Harmensz. zijn anker en vaart, gevolgd door zijn andere schepen, op de Portugese vloot af en hoewel “hun trotse zeevoogd de bloedvlag wel laat waaien, wil zijn volk, van het Hollandse geschut schrikkende, niet vechten” schrijft Valentijn. Op 3 januari arriveert het Nederlandse eskader op de rede van Bantam, wat de grote Portugese vloot juist had moeten verhinderen. Het prestige van de Hollanders is in Bantam door de gebeurtenissen enorm gestegen en dat van de Portugezen is daarentegen ontzettend gedaald. Wolfert Harmensz blijft nog een paar dagen voor Bantam en zeilt dan naar Jacatra, om de koning de geschenken van de prins van Oranje te geven. Via Tuban zeilen de schepen naar Ternate, waar een klein Portugees vaartuig, geladen met onder meer porselein en zijde, wordt genomen. Op 7 maart wordt koers gezet naar Banda, waar de schepen een week later aankomen. Nadat zij hun schepen geladen hebben, vertrekken zij 24 juni van Banda en nadat onder meer Celebes is gepasseerd, komt Wolfert Harmensz op 6 juli voor Tuban aan, waar hij de geschenken van de prins van Oranje aan de vorst overhandigt. Een paar dagen later komt Jacob van Heemskerck, aan boord van de Witte Leeuw en in gezelschap van de Alkmaar en een door hem genomen prijsschip bij Tuban aan. De schepen van Wolfert Harmensz blijven tot 13 juli met de Witte Leeuw en de Alkmaar voor Tuban liggen, zij komen 18 juli voor Jacatra en gaan 1 augustus voor anker in Bantam. Op 25 augustus keert Wolfert Harmensz met de Gelderland, de Zeelandia en het Duifje naar Holland terug. Bij het ronden van Kaap Agulhas raakt het Duifje uit het zicht van de andere twee schepen, die op 24 november bij Sint Helena aankomen. Daar treft Wolfert Harmensz. de vijf schepen van Jacob van Heemskerck onder bevel van zeevoogd Schuurmans aan. De zeven schepen vertrekken op 23 december van Sint Helena en komen op 9 januari 1603 op de rede van het eiland Fernando Lorentino, waar de schepen tot 22 januari blijven. Zij komen in april of mei behouden in het vaderland terug. Zij vernemen daar dat het Duifje ook al in Middelburg is teruggekeerd.

Eerste reis van ‘generaal’ Joris van Spilbergen

Uitgereed door de Compagnie van De Moucheron

Uitgezeild 5 mei 1601 uit Veere

Schepen:

  • Schaap (generaalsschip), laadvermogen 110 ton, schipper Pieter Cornelisz
  • Ram, laadvermogen 110 ton, schipper Guyon le Fort
  • Lam (jacht), laadvermogen? schipper Willem Jansz.

Het verloop van de reis

De vloot gaat voor anker bij Gorée en wisselt schoten met Portugese vaartuigen bij Portudale en Rufisque, waarbij Van Spilbergen ernstig gewond raakt., maar op 20 juni kan de reis worden voortgezet. Door de heersende stromingen geraakt de vloot aan de Graankust en in de Bocht van Biafra. Op 20 juli besluit de scheepsraad verversing te zoeken op São Tomé, maar in plaats daarvan komt Van Spilbergen bij Ano Bom, waar de Portugezen zich niet laten verrassen en een aanval afslaan. Op 29 juli wordt naar São Tomé teruggekeerd, maar ook daar worden de zeelieden op 31 juli door de Portugezen verdreven. Dan zeilen de schepen naar de eilandjes van Corisco, waar Balthasar de Moucheron kort tevoren een gewapende nederzetting heeft geplant. De vloot ankert daar van 2 tot 11 augustus en zeilt dan naar Kaap de Lopo Gonçalves, waar Van Spilbergen tot 30 augustus verblijft. Op 5 oktober besluit de scheepsraad van de vloot, die tegen de Benguelastroom moet optornen, dat naar de oostkust van Zuidelijk Afrika gevaren zal worden, om aan de kust van Sofala en tussen de Comoren eilanden fortuin te verwerven. Op 16 november ankeren de schepen eerst in de Sint Helenabaai en vervolgens in de Baai van Saldanha, die door Joris van Spilbergen wordt herdoopt in Tafelbaai. Op 23 december zeilt Van Spilbergen de Tafelbaai uit en een dag later verliest hij het contact met de Ram. Hij krijgt tijdelijk gezelschap van twee Franse schepen de Croissant en de Corbin van de Franse admiraal Michel Trotet Sieur de la Bardelière, die ook op weg zijn naar het Oosten. Opperpiloot van het Franse eskader is de Nederlander Wouter Willekens, iemand die in vroeger jaren al tot Japan is doorgedrongen, die de Eerste Schipvaart onder Cornelis de Houtman heeft meegemaakt en die als commies op de Vriesland heeft deelgenomen aan de Tweede Schipvaart onder Jacob van Neck. Hij stelt zijn kennis en ervaring thans in dienst van de Fransen, zoals hij zich later met de Spanjaarden zal pogen te verstaan. Op 21 februari komt Van Spilbergen aan bij Mohelli, een van de Comoren eilanden. Aanvankelijk worden de zeelieden vriendelijk ontvangen, maar ’s nachts roven de inheemsen twee van Van Spilbergens sloepen en nemen 28 man gevangen. Westelijke winden en gebrek aan victualiën dwingen de generaal zijn reis voort te zetten met achterlating van een deel van zijn bemanning. Hij steekt de Indische Oceaan over, passeert Kaap Comorin en Kaap Dondra en bereikt, zonder de Ram en zonder het Lam, dat 4 april van de vlag is afgedwaald, op 31 mei de rede van Batticaloa, waar de Ram op 3 juli eveneens zal belanden. (Het Lam zal veel later voor Atjeh worden teruggevonden)

De vorst van Batticaloa, die aan de Portugezen schatplichtig is, wil eerst niet geloven dat zijn gast geen Portugees is, maar hij ontvangt de generaal met veel vertoon van vriendschap. Door een vastberaden houding weet Joris van Spilbergen de vorst, die zowel de Portugezen als de maharadja van Kandy te vriend moet houden, voor zich te winnen. Hij stuurt een van zijn commiezen naar Kandy en als deze behouden met brieven en geschenken terugkeert, besluit hij zelf een bezoek aan de maharadja te brengen. Hij begeeft zich 6 juli op weg met een gevolg van tien personen. Als de generaal, na een ongetwijfeld vermoeiende reis, zijn doel bereikt heeft, weet hij zich met veel overleg aangenaam bij de vorst van Kandy te maken. Hij legt er de nadruk op dat hij een afgezant is van prins Maurits, die gekomen is om en bondgenootschap te sluiten tegen de gemeenschappelijke Portugese vijand. Hij verhaalt over de Slag bij Nieuwpoort en hij vereert de maharadja met een plaat, waarop prins Maurits, in volle wapenrusting, te paard is voorgesteld. De vorst van zijn kant opent het vooruitzicht op de stichting van een versterking op Ceylon om de vijand te bestoken. Met vele geschenken, beloften een bondgenootschap aan te gaan en brieven aan prins Maurits en bovendien bekleed met de rang en de volmacht van gezant van de vorst van Kandy, keert Van Spilbergen naar Batticaloa terug, waar hem nog wat kaneel en peper wordt achterna gezonden. Na nog wat ruilhandel te hebben gedreven en een paar kleine Portugese scheepjes te hebben vernield, zeilen het Schaap en de Ram op 2 september 1602 naar de Baai van Atjeh, waar Van Spilbergen de 16e het anker laat vallen en waar hij het Lam, dat deel uitmaakt van een Engels eskader van nog drie andere schepen van James Lancaster, terugvindt. Voorts verneemt Joris van Spilbergen het heuglijke bericht dat Frederik de Houtman is vrijgelaten en zich al op weg naar het vaderland bevindt. Joris van Spilbergen ontmoet in Atjeh nog een oude bekende, de Franse admiraal Michel Trotet Sieur de la Bardelière, met zijn schip le Croissant. Het andere schip waarmee hij op 18 mei 1601 uit Saint Malo is vertrokken, heeft op 2 juli 1602 schipbreuk geleden bij de Malediven. Later zal blijken dat een groepje opvarenden, onder wie kapitein François Pyrard de Laval, zich in veiligheid heeft weten te stellen als Pyrard, na vele avonturen, in 1611 in La Rochelle terugkeert.

James Lancaster heeft in Atjeh vernomen dat daar binnenkort de jaarlijkse nau met koopwaren uit São Tomé de Meliapor aan de Coromandelkust verwacht wordt. Hij neemt zich voor deze kraak te onderscheppen en van zijn kostbare lading te ontdoen. Hij weet te voorkomen dat de Portugezen in Atjeh de capitão van Malacca laten weten dat er Engelse kaperschepen voor Atjeh liggen. James Lancaster maakt zich juist gereed om met drie schepen van zijn eskader uit te varen om de kraak in de Straat van Malacca op te wachten, als op 16 september 1602 Joris van Spilbergen met zijn twee schepen, Schaap en Ram, arriveert. Joris van Spilbergen en Lancaster besluiten samen te werken bij het beroven van de kraak uit São Tomé. Op 21 september vaart het Anglo-Zeeuwse eskader uit; Lancaster met twee grote schepen en het Lam en Van Spilbergen alleen met het Schaap. Op 13 oktober krijgen zij de kraak in zicht. De volgende dag strijkt de Portugees zijn vlag ten teken van overgave op redelijke voorwaarden, die door Lancaster en Van Spilbergen humaan en zonder kleingeestigheid worden nagekomen. Het lossen van 1080 colli textiel, kleding, wapenen en ‘honderderlei fraaiiheden’ vergt een week, waarna het schip zelf, gelijk bedongen is, ter beschikking van de 600 opvarenden (mannen, vrouwen en kinderen) wordt gesteld, om ermee naar Malacca te zeilen. Na een stormachtige reis te hebben gemaakt, komen de schepen van het Anglo-Zeeuwse eskader van 3 tot 5 november terug op de rede van Atjeh. Voor Van Spilbergen is er weinig peper te koop, daar de Engelsen en Fransen, die voor hem gearriveerd zijn, eerder aan de beurt zijn. Daarom vertrekt hij 20 november naar het landschap Kedah, ten oosten van Penang. De moesson verhindert zijn plannen en hij verprutst een maand hoofdzakelijk tussen de Nicobaren eilanden. Op 25 december is hij voor Atjeh terug, waar de Engelsen en Fransen inmiddels zijn verdwenen. Van Spilbergen maakt zich tot 17 januari 1603 aangenaam bij de sultan, die gaarne een aantal uit de Portugese kraak gelichte textielgoederen aanneemt als betaling voor geladen peper. In feite is de peper duur gekocht, omdat Van Spilbergen tien mannen verliest door het omslaan van een sloep. Op 17 januari arriveren voor Atjeh twee schepen uit Zeeland, de Vlissingen en de Ter Goes, die deel uitmaken van een vloot van drie schepen waarmee vice-admiraal Seebald de Weert op 31 maart 1602 uit Zeeland is vertrokken. Het Zeeuwse smaldeel maakt deel uit van een grote vloot, waarvan de hoofdmacht, die 17 juni 1602 uit Nederland naar Indië is vertrokken, uit twaalf schepen bestaat. Seebald de Weert is zelf met zijn vice-admiraalsschip de Zierikzee naar Ceylon gezeild en heeft zijn beide andere schepen vooruitgestuurd naar Atjeh, waar hij later zelf ook zal aankomen. Van de opvarenden van de schepen van Sebald de Weert verneemt Joris van Spilbergen dat er vorig jaar een fusie tot stand is gekomen tussen alle voorcompagnieën en dat op 20 maart 1602 octrooi is verleend aan de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Op 7 maart 1603 overlijdt vice-admiraal Guyon le Fort onder niet opgehelderde omstandigheden. Er is sprake van ‘conspiratie streckende tot muyterije’, zodat Guyon le Fort wellicht geen natuurlijke dood is gestorven. Daags na zijn overlijden arriveren opnieuw schepen van de vloot van Wybrandt van Warwijck bij Atjeh; het zijn de Holland, de Ster en de Hollandse Tuin, die half december 1602 van de vlag zijn afgedwaald. Zij brengen het bericht mee dat Sebald de Weert is benoemd tot vice-admiraal onder Wybrandt van Warwijck. Joris van Spilbergen stelt het Schaap en de Ram onder bevel van Seebald de Weert, die daarmee over een vloot van zeven schepen beschikt. Op 30 maart 1603 brengen De Weert en Van Spilbergen samen een afscheidsbezoek aan sultan Alâ ad-din Ri’ âjat Sjâh. Seebald de Weert gaat naar Ceylon en Joris van Spilbergen naar Bantam, waar hij 27 april aankomt en een gesprek met Van Warwijck heeft en ook Lancaster nog aantreft en van hem het Lam terugkoopt, om het voor de thuisreis in te richten De laatste vertrekt 30 april, na een Engelse factorij in Bantam te hebben gesticht, waarin hij Master William Starkey heeft achtergelaten. Op 20 juni arriveert Jacob van Heemskerck met zijn schip de Witte Leeuw en de veroverde Portugese nau Santa Catarina, die hij toen het schip op weg was van Macau naar Malacca, op 25 februari 1603 in Straat Singapore veroverd heeft. Op 13 augustus ontvangen de voor Bantam verzamelde Nederlandse schepen van de bemanning van de uit Ceylon komende Ter Goes de droeve tijding dat Sebald de Weert en 47 van zijn mannen bij een incident in Kandy zijn vermoord. Joris van Spilbergen neemt op 30 augustus 1603 afscheid van Wybrandt van Warwijck en vertrekt met nog drie schepen naar het vaderland. Hij arriveert op 24 maart 1604 voor Vlissingen, waar hij verneemt dat zijn principaal Balthasar de Moucheron, met achterlating van de nodige schulden, vorig jaar naar Frankrijk is vertrokken, om daar de vaart op Indië te organiseren.

1) François Valentijn noemt het schip Frederik Hendrik, maar andere bronnen hanteren de naam Hendrik Frederik

2) Wat de overige drie schepen van Jacob van Heemskerk betreft is bekend dat de Alkmaar en de Witte Leeuw in 1603 uit Bantam zijn uitgezeild en dat zij in 1604 in Holland zijn teruggekeerd; de Rode Leeuw, evenwel, is niet naar Patria teruggekeerd.

1 Onbekend is welke plaats met Rakang wordt bedoeld.
2 François Valentijn noemt het schip Frederik Hendrik, maar andere bronnen hanteren de naam Hendrik Frederik
3 Wat de overige drie schepen van Jacob van Heemskerk betreft is bekend dat de Alkmaar en de Witte Leeuw in 1603 uit Bantam zijn uitgezeild en dat zij in 1604 in Holland zijn teruggekeerd; de Rode Leeuw, evenwel, is niet naar Patria teruggekeerd.

Deel 16: De aanval van de Hollanders op de Estado da India, Overige verwikkelingen in de Estado da India, De Portugezen aan de Tamilkust in de Periode 1560-1640

Categorieën
Portugees kolonialisme

De Carreira da India

Deel 15 Index

Hoofdstuk 4

De Carreira da India

4.0 De Carreira da India

Geschreven door Arnold van Wickeren

Het aantal schepen dat jaarlijks uit Portugal naar Cochin of Goa vertrekt bedraagt in de eerste tien jaren van de zestiende eeuw gemiddeld 13 à 14; in het volgende decennium 9 of 10, in de jaren twintig 7 of 8, in de jaren dertig 8; in het volgende decennium 6 en vanaf 1550 niet meer dan 5, om vanaf 1600 licht te stijgen tot 6 à 7. Dat het aantal schepen in de loop van de zestiende eeuw minder wordt, in weerwil van stijgende aankopen van vooral peper, laat zich gemakkelijk verklaren. Toen de opbouw van de militaire macht in Azië voltooid was, kon het aantal Indiëvaarders worden verminderd, temeer daar de scheepswerven in Goa, Cochin, Bassein, Damão en andere plaatsen in Indië prima schepen konden bouwen. De Portugezen beschermen de scheepshuid rond de waterlijn in die tijd nog niet met koperen platen, om het schip tegen de aangroei van schaaldieren, die houten schepen snel aantasten, te beschermen. Het gevolg is dat schepen zeer snel verouderen. De op Indische werven van teakhout gebouwde schepen zijn beter tegen de verwoestende werking van schaaldieren bestand dan in Portugal gebouwde schepen en zij hebben dientengevolge ook een langere levensduur dan de laatste schepen.

Van de 451 schepen die in de eerste helft van de zestiende eeuw uit Portugal zijn uitgezeild naar Indië hebben er 11 moeten terugkeren en zijn er 413 aangekomen. Uit deze cijfers volgt dat van de 440 schepen die de reis hebben voortgezet er 27 verloren zijn gegaan. Dit is ruim 6 procent. Het aantal Indiëvaarders dat verloren is gegaan bedraagt – volgens Magalhães-Godinho, aan wie deze cijfers ontleend zijn – in de beschouwde periode echter in totaal 103, waarvan er 66 zijn vermist. Op de terugreis zijn derhalve 74 schepen al dan niet met zekerheid verlorengegaan. De oorzaken daarvan zijn dat veel schepen zijn overbeladen en onderbemand. Hierdoor komen veel naus niet langs de Kaap.1 Bovendien hebben piraten vanzelfsprekend meer belangstelling voor rijk geladen nauwelijks zeewaardige schepen die vanuit Indië op de terugweg zijn naar Portugal, dan voor schepen op de heenreis naar Indië. In de periode 1521-1542 bedraagt de waarde van de schepen die op weg zijn naar Indië gemiddeld 50.000 cruzados en die van de uit Indië met specerijen terugkerende schepen maar liefst 350.000 cruzados.

Magalhães-Godinho geeft enige voorbeelden van de waarde van in de jaren veertig uit Indië terugkerende schepen. Bij de schipbreuk van Pero Lopes de Sousa in 1541 bedraagt het verlies 300.000 cruzados. Twee jaar later zinkt de grootste en rijkst geladen nau da carga bij de Azoren, met een lading specerijen ter waarde van 600.000 cruzados. Ongeveer 60 procent van het verlies wordt gedragen door de koning en de rest is een strop voor particuliere handelaren. In februari 1546 zeilt een schip dat in Moçambique heeft overwinterd de Taag op, met specerijen ter waarde van 300.000 cruzados. Uit opsommingen van wat tien schepen in de jaren 1547 en 1548 in Indië ingeladen hebben, blijkt dat circa 90 procent van de specerijen bestaat uit peper, op zeer ruime afstand gevolgd door gember, kruidnagelen, muskaatnoten, foelie en kaneel. Daarnaast bestaat de lading uit lak en kleine hoeveelheden geneesmiddelen.

Nadere beschouwing van de cijfers leert dat het verlies aan schepen in de periode 1500-1550 eigenlijk opmerkelijk gering is, maar dat daarna de verliezen aanzienlijk zijn. Over de oorzaken is veel gespeculeerd; zelfs klimatologische veranderingen zijn als de hoofdoorzaak aangewezen. Charles Boxer noemt echter als belangrijke oorzaken: overbelading; te kleine en in meerderheid onervaren bemanningen; te grote en daardoor minder zeewaardige, schepen; slecht onderhoud en – vanaf het begin van de zeventiende eeuw – ook oorlogshandelingen. In 1736 verschijnt de, door Gomes de Brito geschreven, História trágico-marítima, waarin twaalf scheepsrampen, waarvan betrouwbaar geachte verslagen zijn, staan beschreven. De beschrijvingen van drie grote scheepsrampen in de jaren 1552, 1554 en 1555, met vele slachtoffers, die ontleend zijn aan História trágico-marítima en die zijn opgenomen en becommentarieerd in `Shipwreck & Empire’ van James Duffy, zijn uitvoerig besproken in deel IX2. Het betreft de rampen met het galjoen São João uit 1552; met de São Bento in 1554 en met de Conceição in 1555. Hierna worden de in hoofdzaak aan `Shipwreck & Empire’ ontleende scheepsrampen uit de periode 1560-1602 in chronologische volgorde besproken.

De eerste ramp betreft de naus Aguia, onder kapitein Francisco Barreto, en Garça met kapitein João Rodrigues Carvalho. Deze twee schepen maken deel uit van de retourvloot die op 20 januari 1559 de haven van Cochin verlaat. Dit is laat in het seizoen; idealiter vertrekt de retourvloot rond 1 december. De twee schepen hebben onderweg dan ook met zulke zware stormen te kampen, dat de loods, een veteraan die al 34 maal de Kaap heeft gerond, opmerkt, dat hij nog nooit heeft meegemaakt dat de wind drie dagen achtereen uit het oosten waait in een periode van westenwinden, wat volgens de loods te danken is aan de Goddelijke Voorzienigheid. Omdat beide schepen een groot lek hebben opgelopen, zijn zij niet in staat Cabo da Boa Esperança te ronden. Zij zijn gedwongen terug te keren naar Moçambique, waar zij moeten overwinteren tot in de maand november. Zij vertrekken op 19 november 1559 uit Moçambique. De Aguia maakt op weg naar de Kaap zoveel water, dat kapitein Francisco Barreto aan João Rodrigues Carvalho, kapitein van de Garça, vraagt in de buurt te blijven, zodat het schip in geval van nood de Aguia hulp kan bieden. Maar aan boord van de Garça “wordt hiertegen hevig geprotesteerd en betoogd dat het schip zijn koers naar Portugal moet aanhouden, omdat dat andere schip gaat zinken – het is duidelijk dat er voor dat schip geen hulp komt opdagen – en dat er geen reden is dat de Garça met dat schip ten onder zal gaan.” De Garça loopt kort voorbij Cabo Correntes, bij 25º zuiderbreedte, aan de grond, omdat het schip te veel water maakt. Ondanks dat de Garça eerder toen de Aguia in nood verkeerde het schip in de steek heeft gelaten, aarzelt kapitein Francisco Barreto geen moment om de opvarenden van de zinkende Garça te hulp te komen, ondanks dat velen luidkeels daartegen protesteren neemt hij de opvarenden allen aan boord; hij laat zelfs een in de steek gelaten aap redden. De Aguia poogt met meer dan duizend mensen aan boord, opnieuw koppig de Kaap te ronden. Als dit weer niet lukt, moet het schip ten tweede male terugkeren naar Moçambique, waar het later in de haven zal zinken. Ook met de kapitein van de Garça loopt het slecht af. João Rodrigues Carvalho tracht in Moçambique passage te boeken naar Indië, maar de kapitein van het naar Goa zeilende schip weigert hem aan boord te nemen, omdat hij zo bijgelovig is te denken dat elk schip waarop de kapitein van de Garça zeilt, naar de kelder gaat. De verschoppeling keert terug naar het huis waar hij logeert – dat van Pero Mendes Moreira, alcaide-mór van Moçambique – en hij gaat bedroefd naar bed in de kamer die hij deelt met de twee jonge zoontjes van zijn gastheer. Gedurende de nacht horen de kinderen de kapitein kreunen in zichzelf en zij vragen hem, “Oom (want zo noemen de kleintjes hem) kan je niet slapen en kreun je omdat je je schip hebt verloren?” De volgende morgen wordt kapitein João Rodrigues Carvalho dood in zijn bed gevonden en verondersteld wordt dat hij van verdriet gestorven is.

Op dezelfde datum waarop de Aguia en de Garça uit Cochin uitzeilen, vertrekt ook de nau Santa Maria da Barca, onder bevel van kapitein Dom Luís Fernandes de Vasconcelos, uit Cochin naar Portugal. Het schip verliest in een storm aan de kust van Zuid-Afrika zijn zeilen en maakt veel water. Nadat een enorme golf over het schip is heen geslagen, en de pompen niet in staat zijn al het water te lozen, verlaten op 17 maart een groep officieren en enige bemanningsleden en passagiers in een reddingsboot het in nood verkerende schip, alle andere opvarenden aan hun lot overlatend. De auteur van deze scheepsramp schijnt tot de uitverkorene te hebben behoord die op 17 maart een plaats in de reddingsboot heeft gekregen. De reddingsboot bereikt de oostkust van Madagascar op circa 18º zuiderbreedte, en schijnt daarna langs de kust van het eiland naar het noorden te zijn gezeild, totdat de schipbreukelingen zijn opgepikt door een Portugees schip. De achterblijvers, onder wie de stuurman Pero dos Banhos, naar wie de fatale riffen waarop de Conceição in 1555 is gestrand, zijn genoemd, reageren totaal verschillend op de situatie; enigen vervallen tot apathie en weigeren zelfs de pompen van het schip te bedienen, maar anderen trachten een vlot te maken en hopen daarmee de kust te kunnen bereiken en nog weer anderen weigeren zelfs te helpen een reddingsboot te strijken. De kapitein beweegt een pater franciscaan de van angst verstijfde opvarenden te bewegen mee te helpen om de reddingsboot te water te laten, wat hem zelf niet is gelukt, ondanks dat hij allen een plaats in de boot heeft beloofd. De pater heeft meer succes; hij spreekt de opvarenden als volgt toe: “Oh, broeders, bedenk dat Onze Heer voor jullie geleden heeft; werk zodanig dat Hij met jullie is.” Zodra de boot in het water ligt, wordt hij direct bezet door de kapitein en “door mensen die hij daartoe verlof gegeven heeft.” Diverse mannen die de roeispanen uitstekend weten te bedienen, worden uit de reddingsboot in zee geworpen en de zwemmers worden met de punt van het zwaard verhinderd opnieuw aan boord te komen. De 59 mensen in de reddingsboot zien hoe de Santa Maria da Barca langzaam in de golven zinkt. Gelukkig is er nog maar een man aan boord, de bootsman die te ziek was om in de reddingsboot te springen. Ten gunste van kapitein Dom Luís de Vasconcelos merkt de kroniekschrijver op, dat deze zich verzet tegen de druk van anderen aan boord enige lieden uit de overvolle reddingsboot alsnog over boord te gooien.

Op 20 april 1560 vertrekt de São Paulo , met vijf andere schepen en 700 mensen aan boord, uit Belém naar Indië. Kapitein is Rui de Melo da Câmara, stuurman is João Luís. De kroniekschrijver, Henrique Dias, die zijn eerste oceaanreis met de São Paulo maakt, klaagt voortdurend over de onbekwaamheid van de loods, António Dias. Hij moppert over hem dat hij zijn positie met goud meegebracht uit Indië heeft gekocht. Henrique Dias laat zich ook kritisch uit over zeelieden in het algemeen. Zij hebben minachting voor wat goed is en kiezen immer voor de slechte oplossing en zij weigeren altijd naar adviezen te luisteren. Het valt hem ook op dat niemand enige aandacht schenkt aan het overlijden van vier slaven, wat hij toeschrijft aan het grote aantal slaven aan boord. De São Paulo heeft op de Atlantische Oceaan stormen te doorstaan, maar komt bij Guinée terecht in een gebied van windtstilte; het kost twee maanden om van 5º NB naar 7º NB te komen en het schip bereikt eerst na drie maanden en zeven dagen en met veel zieken de Equator. Het is te laat in het seizoen om Cabo da Boa Esperança te kunnen ronden, zeker met een bemanning die aan scheurbuik lijdt en kampt met tekorten aan voedsel en water. De São Paulo zet dus koers naar Brazilië en zet zijn reis naar Indië begin oktober 1560 voort. Het schip vertrekt op 2 oktober 1560 uit São Salvador da Baía. Bij het passeren van Cabo da Boa Esperança wordt ten zuiden van de Kaap op 37¾º zuiderbreedte door een soldaat een eiland ontdekt dat niet op de kaarten staat aangegeven. Het geven van een naam aan het eiland leidt tot gekibbel. De kapitein spreekt zijn veto uit over “Soldateneiland”. Het eiland dient volgens hem zijn naam te krijgen, omdat het onder zijn bevel is ontdekt. De loods, António Dias, mengt zich niet in de discussie, maar als hij later zijn kaart bijwerkt schrijft hij daarop “Eiland van António Dias.” James Duffy vermeldt nog enige door Henrique Dias in zijn kroniek opgenomen voorvallen, zonder hierbij aan te geven tijdens welk gedeelte van de reis deze zich hebben voorgedaan

Een golf van ziekte slaat over de São Paulo nadat iedereen aan boord gegeten heeft van “vlees dat de dood zelf is, en wijn heeft gedronken dat niet minder dan vergif is.” Armzalig en onvoldoende voedsel is natuurlijk niet de erfenis van de Portugezen, en tot aan de tijd dat de vriezer zijn intrede doet, is de klacht algemeen op schepen van iedere natie die grote reizen maakt. De constante tekorten aan voedsel, waarvan in de História trágico-marítima sprake is, zijn echter een aanwijzing temeer van een in het algemeen ontoereikende bevoorrading, zowel aan boord als vóór het uitvaren van het schip. António Lopes en Eduardo Frutuoso wijzen er in dit verband op dat bij de bevoorrading van naus het gemiddelde aantal passagiers en leden van de bemanning dient te worden geschat en dat deze schattingen vaak afwijken van de werkelijkheid. Een van de oorzaken daarvan is het grote aantal verstekelingen aan boord van de naus.

De veertienjarige nicht van Dom Diego Pereira de Vasconcelos, Dona Isabel, tuimelt van de São Paulo in zee en is al meer dan een halve légua achter het schip als het nieuws van het ongeluk de kapitein bereikt. Hij geeft direct bevel een reddingsboot te strijken en de loods, António Dias, krijgt opdracht de snelheid van het schip te verminderen. De twee mannen die de bevelen moeten uitvoeren, protesteren hiertegen met de opmerking dat het meisje al te ver van het schip is. Zij geven aan het bevel van de kapitein verspilling van tijd te vinden wat de levens van alle mensen aan boord in gevaar brengt. Kapitein Rui de Melo da Câmara trekt woedend zijn zwaard en zweert de eerste de beste die zijn beslissing nog durft te kritiseren, zijn kop af te slaan. Niemand durft de kapitein nog tegen te spreken en uiteindelijk wordt een reddingsboot te water gelaten. Het meisje is inmiddels uit het zicht verdwenen, maar na twee uur roeien in de richting waar zij is gezien, vinden de roeiers het bewusteloze kind in het water drijven. Zij is onmiskenbaar nog in leven. Zij roeien met het meisje terug naar de São Paulo, maar onderweg sterft zij. Curieus is dat zij al die tijd dat zij in het water heeft gelegen niet een keer onder water is verdwenen. Dona Isabel wordt door een priester aan de hemel aanbevolen en haar stoffelijk overschot wordt, gewikkeld in canvas en verzwaard met een kogel van een kanon aan haar voeten in zee geworpen.

De door slecht en onvoldoende voedsel en erbarmelijke hygiënische3 omstandigheden verzwakte opvarenden van de in de Carreira da India varende schepen worden als de reis lang duurt, wat met de São Paulo het geval is, hoe langer hoe meer vatbaar voor tropische koortsen. Als een koortsgolf de opvarenden van de São Paulo treft, blijken van de 500 mensen aan boord slechts vijftien personen niet te worden getroffen. Eerst begint de kleding van de mensen en de van textiel gemaakte scheepsuitrusting te rotten in de klamme tropische atmosfeer en daarna beginnen de lichamen van de Portugezen afzichtelijke etterende zweren te vertonen.

Nadat de São Paulo bij Madagascar de viagem da fora genomen heeft, zeilt het schip langs de westkust van Sumatra naar het zuiden. Hier loopt het, door een ongelooflijke stommiteit of een zeldzame eigenwijsheid van de loods, António Dias, op 21 januari 1561 aan de grond in de directe omgeving van de Equator. De opvarenden verkeren niet in direct levensgevaar, maar de zelfzuchtige houding van velen die leidt tot een complete chaos, verergert de situatie aanzienlijk. Nauwelijks is het schip aan de grond gelopen of de zeelieden breken kisten met eigendommen van rijke passagiers en hun hutten open en zij beginnen bundels en pakken te maken of zij een onbewoond land hebben bereikt. Een energieke groep opvarenden wil de reddingsboot strijken en erin springen om daarmee te vertrekken. De andere opvarenden moeten dan maar zien hoe zij aan land komen en zich verder redden. Vrienden vechten met vrienden en de gewone zeelieden dreigen alle vrouwen te doden, tenzij de reddingsboot aan hen wordt gegeven. De geredden hebben aanvankelijk genoeg te eten en te drinken van aangespoelde en geredde voorraden. Enige schipbreukelingen worden ziek en sterven, terwijl andere worden gevangengenomen en opgegeten door inheemsen van een nabijgelegen groter eiland, die vriendelijke gebaren hebben genegeerd en giften hebben afgewezen. Na een lange discussie wordt besloten een grotere reddingsboot te bouwen. Hierin is plaats voor 150 personen; de rest moet maar langs het strand lopen. Er is geen sprake van toedeling van de zitplaatsen in de boot en door de ruzie daarover worden de plaatsen voor vrouwen gescheiden van die van hun kinderen en de zieken worden veroordeeld langs de kust te trekken. Bij het bouwen van de reddingsboot met het wrakhout van de São Paulo eisen vooraanstaande vrouwen een eigen hut en ruimte voor hun vele bagage. Dat inwilliging van haar eisen betekent dat er voor minder mensen plaats is in de reddingsboot, deert hen kennelijk niet. Henrique Dias merkt herhaalde keren op dat God de passagiers van de São Paulo straft voor hun zonden en voor hun arrogante en ongedisciplineerd gedrag en hij concludeert dat het Gods wil is dat zij zoveel moeilijkheden en uiteindelijk de schipbreuk te verduren hebben gekregen. Duffy citeert tenslotte Henrique Dias, die meetrekt met de groep schipbreukelingen die geen plaats heeft gevonden in de gebouwde reddingsboot, maar die veroordeeld is langs de westkust van Sumatra naar het zuiden te trekken. Aanvankelijk bedraagt het aantal overlevenden 330, maar zij die langs de kust trekken hebben een verrassingsaanval te verduren van een groot aantal gewapende inheemsen, waarbij 70 Portugezen omkomen. Aangenomen wordt dat hun koning opdracht tot de aanval heeft gegeven om Dona Francisca, die wijd en zijd beschouwd wordt als een van de grootste schoonheden van haar leeftijd, in handen te krijgen, om haar op te nemen in zijn harem. De geslonken groep overlevenden komt op zekere dag terecht bij Portugese bewoners van Sumatra, die de schipbreukelingen van voedsel en kleding voorzien. “Velen lopen in Chinese zijde in verschillende mooie kleuren, wat voor ons een betoverende droom lijkt.” “In hun vreugde zich in veiligheid te hebben kunnen stellen, eten tien of twaalf schipbreukelingen zoveel dat zij daaraan sterven.” De resterende 250 overlevenden arriveren op 25 juli 1561, zes maanden na hun schipbreuk, in Malacca.

De enige in de História trágco-marítima opgenomen scheepsramp, die niets te maken heeft met de Carreira da India is die met de fusta Santo António, reden waarom ook hier het verhaal van dit schip wordt verteld. De fusta Santo António verlaat, onder bevel van kapitein Dom Jorge de Albuquerque, op 29 juni 1565 de haven van Olinda en begint aan zijn reis naar Lissabon. Bij het verlaten van de haven, loopt de hulk aan de grond, waarbij het zijn enige mast verspeelt. Eind augustus bedreigt een Franse corsair de fusta en Dom Jorge besluit het schip te verdedigen. Na zich drie dagen lang dapper tegen de piraat te hebben verweerd, wordt de Santo António verraden door de loods en de stuurman. De twee senior officieren – en enige zeelieden – hebben de beslissing van de kapitein het schip te verdedigen bekritiseerd en als gedurende het gevecht de mogelijkheid zich voordoet, strijken zij de zeilen en schreeuwen naar de Fransman zich te willen overgeven. Alleen de druk van de moeilijkheden op dat moment voorkomt dat Albuquerque het tweetal voor hun verraad doodt. Een deel van de bemanning van de piraat komt aan boord van de Santo António en neemt het schip van de Dom Jorge over. Deze ontdekt dat enige piraten lutheranen zijn. Op het gevaar af dat zij hem daarvoor zullen doden, verklaart Dom Jorge de Albuquerque niet samen met ketters de maaltijd te zullen gebruiken. De Fransen tonen zich zo tolerant dat zij voor de kapitein apart de tafel dekken. De Santo António krijgt na enige tijd met een vreselijke storm te maken. De piraten vallen op hun knieën en smeken de ‘katholieke God’ hen te redden en zij vragen de Portugezen naderhand vergiffenis dat zij hen door hun zonden in zulk een noodweer hebben gebracht. Hun medelijden is van korte duur, want nadat zij de Portugezen achter hun rug nog bestolen hebben, verlaten de pas tot bekering gekomen piraten opgewekt de mastloze Santo António en gaan zij aan boord van hun eigen schip en laten de Portugese bemanning aan zijn lot over. De onhanteerbare hulk dobbert met de wind en stroming mee in de richting van de Portugese kust. Als het eten aan boord bijna op is, breekt een periode van honger aan. Een voor een worden de lijken van uitgehongerde zeelieden in zee gegooid, totdat verschillende zeelieden de kapitein vragen of zij de overleden kameraden mogen opeten. Dom Jorge zegt dat hij hierop geen antwoord kan geven zo lang hij nog in leven is, maar dat zij met zijn lijk mogen doen wat zij willen. Als de overgrote meerderheid van de overlevenden op 4 oktober 1565 in Noord-Portugal aan land is gegaan, lossen zij een belofte in, die zij in hun nood hebben afgelegd; zij ondernemen een pelgrimstocht naar de kerk van Nossa Senhora da Luz.

De Santiago is een van de vijf naus die op 1 april 1585, onder bevel van Ferdinão Mendoça, de kapitein van het schip, uit Lissabon naar Goa vertrekt. Aan de kust van Guinée kampt het schip zestien dagen lang met windstilte en op 27 mei passeert het dobberend de Equator “bij een zo intense zwoelheid dat de hitte van Alentejo daarbij vergeleken op het klimaat van Noorwegen lijkt.” Daarna steekt met tussenpozen de wind op en eind juli wordt Cabo da Boa Esperança gerond. Tot stichting en vermaak van de vele honderden opvarenden wordt onderweg een gedetailleerd historisch schouwspel opgevoerd van de verleiding van Christus in de woestijn. Opdat iedereen aan boord de opvoering goed kan volgen, is boven het dek een groot platform in elkaar getimmerd. De chroniqueur, Manuel Godinho Cardoso, verzekert de lezers dat zulk een festival en de daaropvolgende processie, ondanks de beperkingen op een schip, meer devotie opwekt dan plechtigste opvoering in Lissabon, waarin zilver en brokaat een grote rol spelen. Naast het organiseren van religieuze festiviteiten, wordt de verveling aan boord vaak bestreden door de aandacht van de passagiers te richten op wonderbaarlijke verschijnselen op zee, zoals het Sint Elmusvuur en op vreemde dieren, als walvissen. Daarnaast doden de geletterde passagiers hun tijd met lezen, terwijl de ongeletterde mensen en de matrozen hun vrije tijd doorbrengen met kaarten, wat door velen wordt afgekeurd. Aan boord van de Santiago bewegen aan boord zijnde paters de goklustigen ertoe hun winst af te staan aan de armen aan boord. Van deze mensen, die dag en nacht, bij weer en wind, op het dek verblijven en die te weinig geld hebben om voedsel te kopen, hebben velen hun leven te danken aan de liefdadigheid van de gokkers. De Santiago zeilt in noordelijke richting langs de kust van Natal. De opvarenden worden vanaf het Eiland van Martim Vas verontrust door een voorteken dat wijst op naderend onheil. Het schip heeft een ontmoeting met een vis die niemand kan thuisbrengen. Het dier heeft de vorm van een niet erg grote walvis, is bruin en lelijk en het verjaagt alle andere vissen die het schip volgen. De vis verdwijnt pas in het duister van de nacht. De middag voor de schipbreuk zien verschillende mannen de vis voor het schip uit zwemmen, waarbij het vrolijk waterfonteinen in de lucht spuit. Op 5 augustus valt de wind plotseling weg en de kapitein vreest dat hij met nog meer windstilte te maken krijgt, als hij de viagem da fora neemt. De officieren en Frei Tomás Pinto, een vooraanstaande jezuïet aan boord, besluiten voorlopig niet om Madagascar heen rechtstreeks naar Cochin te zeilen, maar het eiland links te passeren en de Straat van Moçambique binnen te zeilen, in de richting van de verraderlijke zandbanken, genaamd Baixos da Judia (Bassas da India), op ongeveer 22º zuiderbreedte. Als de wind zou draaien voordat de Baixos zouden zijn bereikt, dan zou de Santiago alsnog rechtstreeks naar Cochin kunnen zeilen en anders zou het schip in Moçambique, dat praktisch gepasseerd wordt, voedsel en water innemen en vandaar naar Goa zeilen. De handelaren die kostbare zaken naar Indië transporteren zijn geschokt door dit besluit en zij starten direct een fluistercampagne daartegen, vrezende dat als de Santiago eenmaal in Moçambique is, besloten wordt daar te overwinteren, met de consequentie dat zij verlies lijden, omdat zij dit jaar hun goederen niet meer in Indië kunnen verkopen. De begeerte winst te maken, schijnt belangrijker te zijn dan de levens van mensen, merkt een passagier op. Frei Pedro Álvares zegt, er zeker van te zijn dat God deze zonde niet onbestraft zal laten. Deze zelfzuchtige man zal – vreest hij – gedwongen zijn de winter in Moçambique door te brengen, maar niet dan nadat hij honderden léguas langs de kust heeft moeten lopen om daar te geraken.

Als de Santiago, die meer dan 375 mensen aan boord heeft, op 19 augustus de Baixos da Judia nadert, is er nog geen beslissing over de uiteindelijke koers van het schip genomen. Wat hierna precies is gebeurd, is in de kroniek niet duidelijk. De loods schiet die dag de zon en concludeert dat de zandbanken niet meer dan zeven of acht léguas naar het noorden liggen. “Op dit punt zijn de officieren het volstrekt met elkaar oneens over de raad die zij geven over wat te doen. Zij vertellen allemaal een ander verhaal, waarbij zij de schuld op andermans schouders schuiven. Manuel Godinho Cardoso poogt niet iemand aan te wijzen die verantwoordelijk is voor de ramp; hij zegt alleen dat men het geheime oordeel van God, die al deze dingen laat gebeuren, om de ijdelheden van de mens te straffen, dient te vrezen. In de nacht van 19 augustus wordt de vrees van Pedro Álvares bewaarheid; God slaat de zeelieden in het kraaiennest en de soldaten die de wacht houden vanaf de kruisbomen met blindheid, zodat zij niet zien hoe recht voor het schip een nevel van tegen het rif opspattend water zich in de lucht verheft. Van anderen aan boord van de Santiago slaat Hij de oren met doofheid, zodat zij ondanks de stilte van de nacht de zee niet tegen de rotsen horen beuken, ofschoon dat met zoveel geraas gepaard gaat dat het op twee léguas afstand is te horen. De passagiers en bemanningsleden zijn gerust naar bed gegaan, in de veronderstelling dat de Baixos al zijn gepasseerd. Zij worden ruw in hun dromen gestoord als de Santiago door de golven driemaal tegen het rif wordt gesmeten. De bodem van het schip schuurt over het rif en twee dekken worden tot splinters verscheurd; maar twee andere dekken en alle zeilen drijven hoog op de riffen. De hoofdmast is door de botsing uit zijn bevestiging geknakt. En hier verwijst de chroniqueur opnieuw naar de noodlottige vis die diezelfde dag voor het schip uitgezwommen is en het naar zijn ondergang geleid heeft.

In het duister van de nacht heerst er direct na de ramp opperste verwarring en schreeuwt iedereen om hulp. De opvarenden die al gauw weinig mogelijkheden tot overleven zien, trachten in ieder geval hun zielen te redden. Zij verdringen zich rond de priesters, om redding voor hun zielen te zoeken. Er maakt zich een dierlijke angst van de schipbreukelingen meester, waarin zij allen direct willen biechten en sommigen beginnen hun zonden zo luidkeels te belijden dat hun biecht door iedereen te horen is. Slechts enkele edellieden biechten rustig. Als de wanhoop groeit, worden sommigen gek en als zij denken dat zij geen absolutie meer kunnen ontvangen, beginnen zij hun zonden boven het tumult van iedereen uit te schreeuwen, zonden die zo vreselijk zijn, dat een priester zijn hand legt op de mond van degenen die de zonden bekent. De priesters verlenen hun diensten dapper. Zelfs Frei Tomás Pinto, die gewond is geraakt doordat hij is getroffen door een vallend stuk metaal, nadat hij tot het hoogste punt van het wrak is geklommen, hoort de biecht van zijn landgenoten. Voordat de dag aanbreekt is de biecht van alle 450 schipbreukelingen afgenomen; naderhand worden bij het licht van de maan – in wiens verschijning enige ongelukkigen een beeltenis van de Heilige Maagd zien – litanieën opgezegd en een generale absolutie gegeven. Bij het eerste ochtendgloren zien enige mannen land en bomen, maar bij rijzende zon verandert de aanblik in een wrede grap, wat op land en bomen heeft geleken, blijken stukken van het verongelukte schip te zijn. Als het lichter wordt zien de mensen ook het veelkleurige koraalrif wat het schip noodlottig is geworden. Het hele rif – met inbegrip van de lagune in het midden – is ongeveer vier léguas breed en heeft een omtrek van twaalf léguas; bij laagtij is het geheel bedekt met een halve tot driekwart meter water en bij hoogtij kan men tot op een afstand van drie léguas rond het schip nergens staan. Dat men daarbuiten wel kan staan is te danken aan enige hoge rotsen, die op kleine eilandjes lijken die zich naar het noorden uitstrekken. De koraal van het rif gaat over van wit in bruin en dan in paars en tenslotte in rood. Het rode koraal, is zo zacht dat het verkruimelt tot wat geronnen bloed lijkt, maar het is zo scherp als glas als er overheen wordt gelopen en het veroorzaakt giftige sneden wanneer het met menselijk vlees in aanraking komt. Zelfs het water erom heen schijnt vergiftigd te zijn en heeft de kleur van bloed.

Het wrak van de Santiago is ruwweg een driehoek, gevormd door de voorsteven, het achterschip en een zijkant van het vaartuig, en in het midden is een plas water dat bij hoogtij bijna twee meter diep is. Aan de noordkant is een kleine opening waardoor later diverse vlotten in zee zullen steken van het wrak, dat eens het rijkste best uitgeruste schip was, dat Portugal in jaren heeft verlaten. Op de morgen van 20 augustus zien de verblufte schipbreukelingen de enige nog bruikbare reddingsboot opduiken. Aan boord bevinden zich kapitein Mendoça, de stuurman, de scheepsbarbier, een breeuwer, twee passagiers en 19 zeelieden. De nieuw benoemde inquisiteur in Indië Frei Tomás Pinto tracht zich bij het selecte gezelschap in de reddingsboot aan te sluiten, schreeuwende dat hij een kompas meebrengt, maar hij wordt overreed terug te keren met de woorden dat zijn plaats is bij de vele achterblijvers die in grote geestelijke nood verkeren. Mendoça zweert vele eden dat hij binnen een paar uren zal terugkeren en dat hij slechts een verkenningstocht gaat maken. Als blijkt dat de reddingsboot is overbelast, wordt een deel van de passagiers overboord gegooid, wat bekend wordt als enkelen van hen door de achterblijvers levend uit het water worden gehaald. Te midden van alle verwarring en wanhoop is een slaaf zo blij en opgelucht dat hij gescheiden wordt van zijn meester – die een van de eersten was die in de reddingsboot is gestapt – dat hij geen poging onderneemt zichzelf te redden. Hij snoept zoetigheid uit de tonnen met voorraden, waaraan op dat moment geen aandacht wordt geschonken en zwemt langs de zijkanten van de Santiago, jubelend dat hij een vrij man is. Enige uren is hij in de gelegenheid zijn kans op redding af te wegen tegen het door de ramp geschapen voorrecht vrij man te zijn. De reddingsboot keert natuurlijk niet terug naar de Santiago en de mannen en vrouwen die aan de genade van de woeste zee zijn overgelaten, realiseren zich dat zij een fout hebben gemaakt door hen te laten gaan, “omdat als zij hadden beschikt over de reddingsboot, naast het later gebouwde vaartuig, dan zouden de mannen meer hoop op redding hebben gehad en zouden zij op meer gedisciplineerde wijze meer en betere vlotten hebben gebouwd, en zouden meer mensen zijn gered. Aan boord van de Santiago beginnen de slachtoffers ongecoördineerd te werken aan hun redding. Enige maken de fout in het water te gaan om van delen van het wrak planken los te wrikken om er vlotten van te kunnen maken. Zij worden echter door de branding meegesleept, hun ondergang tegemoet. Twee dagen lang wordt er weinig of niets bereikt, maar de derde dag breekt een enorme golf de zijkant van het wrak open en komt een reddingsboot te voorschijn, waarmee een derde deel van de slachtoffers verdwijnt. De achterblijvers vatten moed en een aantal van hen besluit de krachten te bundelen. Zij stellen zich onder gezag van de edelman, Duarte de Melo en onder zijn leiding beginnen zij met grote vindingrijkheid een vaartuig te bouwen van onder meer stukken van kratten, waarin de gaten worden gedicht met hun hemden en met Vlaamse kaas. Er worden ook zeilen geïmproviseerd en er wordt een kleine hoeveelheid levensmiddelen aan boord gebracht. Als het werk aan het gebouwde vaartuig voltooid is, besluit de inquisiteur Frei Tomás Pinto dat hij zich deze keer er niet van zal laten afhouden mee te varen; tezamen met de bootsman komt hij de gebouwde reddingsboot en vijf vlotten inspecteren, om te zien aan welk vaartuig hij zijn leven zal toevertrouwen. Zodra de schipbreukelingen zien dat de keuze van Frei Tomás Pinto op de reddingsboot is gevallen, verdringen zij zich om het vaartuig heen. De reddingsboot dreigt vol te lopen door het gewicht van de vele belangstellenden die ook een plaats in de boot hopen te bemachtigen. Duarte de Melo is slim genoeg om grote moeilijkheden te voorzien en hij adviseert de hoog gewaardeerde geestelijke te vragen of iedereen zijn wapens wil inleveren. Frei Tomás Pinto spreekt de mensen ernstig toe en het respect voor hem is zo groot, dat de meeste mensen rustig hun wapens afgeven. Daarop wordt de reddingsboot bij hoogtij van het rif afgestoten, zonder vrees voor represailles van de honderden die worden achtergelaten. De volgende scène is een van de meest tekenende gedeelten van de gehele História trágico-marítima (HTM)

Op het moment dat het tij snel opkomt, worden vijf vlotten gelanceerd door de mensen die zich daarmee willen redden. Zij moeten hun plaatsen met grote moeite met het zwaard verdedigen tegen degenen die ook een plaats willen vinden op een vlot. Enige vrouwen die zich aan een vlot hebben vastgeklampt, worden met verwondingen afgeslagen door schipbreukelingen die een plaats op het vlot veroverd hebben. De gebeurtenissen van deze dag behoren tot de droevigste en meest hartverscheurende zaken die kunnen worden waargenomen. Het rif is vol mensen die geen plaats hebben gekregen in de reddingsboot of op een van de vijf reddingsvlotten. Het tij komt op, waardoor de mensen die niet kunnen zwemmen, beginnen te drijven en zij die dat wel kunnen, stellen met zwemmen hun dood korte tijd uit. Zij zijn veroordeeld ook binnen korte tijd te drijven. Een groot aantal mannen zwemt achter de reddingsboot of achter de vlotten aan en zij verdrinken allemaal, evenals twee vrouwen die een vlot, waarop al veel mensen zijn, trachten te bereiken. Een jongen van vijftien jaar zwemt bijna een halve légua en bereikt de reddingsboot die zich nu op enige afstand bevindt van de plaats waar veel anderen voor hun leven vechten. Zij houden hem een zwaard voor zijn gezicht, waarvoor hij geen vrees toont; hij grijpt het zwaard vast of het een touw is en laat niet los voordat hij in de boot wordt getrokken, ofschoon dit gebeurt ten koste van een zware snee in zijn hand. De schipbreukelingen in de boot hebben een goed zicht op de halfdekken van de Santiago en zij zien dat zich daar nog vele mensen bevinden en allen hebben een muts op hun hoofd met een rood kwastje en zij dragen jassen vervaardigd van scharlakenrode stof of van gekleurde zijde die zij op het schip hebben gevonden; in betere tijden zou dit een prachtig gezicht zijn geweest. Hetzelfde geldt voor de vlotten, met hun groene en karmozijnrode van damast of zijde gemaakte zeilen.

Tegen de avond passeren de reddingsboot en de vlotten op grote afstand het hoogste gedeelte van het rif, waarop veel Portugezen zich in veiligheid hebben gesteld voor het opkomende tij. Als zij in de verte de vaartuigen zien naderen laten zij zich tot in het koude water zakken in de hoop nog een plaats te kunnen vinden op een overvol vlot. De hele nacht schreeuwen zij hun doodsangst uit, roepen hun vrienden en verwanten bij hun naam en voegen daaraan meelijwekkende opmerkingen toe. Maar hun schreeuwen worden niet gehoord en een voor een worden hun stemmen door het geluid van de golven overstemd. De achtergelaten Portugezen zijn niet de enigen die verdrinken. De zich in de reddingsboot bevindende bootsman en enige zeelieden vertellen Duarte de Melo dat de boot veel te veel mensen bevat om veilig ergens aan de Swahilikust aan land te komen. Omdat hij een goed christen is, doet dit hem veel verdriet. Dom Duarte neemt desondanks de maatregel vijf met zwaarden bewapende mannen op de overlevenden af te sturen. Zij dwingen zeventien mannen in zee te springen. De kroniekschrijver vermeldt niet of de priesters aan boord van de reddingsboot interveniëren als mensen overboord worden gegooid, noch of zij daarvoor de absolutie ontvangen. Onder degenen die gedwongen worden de reddingsboot te verlaten, bevindt zich een edelman die een groot aandeel heeft gehad in het bouwen daarvan. Aan boord van de reddingsboot bevonden zich aanvankelijk twee broers, Gaspar en Fernão Ximenes. De oudste van hen, Gaspar, wordt uitgekozen om overboord te worden gegooid, opdat de boot niet aan de grond zal lopen. Fernão vraagt dan of het hem is toegestaan de plaats van zijn broer in te nemen en zonder het antwoord af te wachten, springt hij in het water “met zoveel geestdrift als sprong hij op het land.” Hij zwemt drie uur lang achter de boot aan, waarop de inzittenden medelijden met hem krijgen en hem aan boord trekken. Over deze episode merkt de chroniqueur op: “Deze generositeit is het werkelijk waard voor eeuwig te worden herinnerd en nimmer te worden vergeten, omdat men maar zelden ziet dat de ene broer zo bereidwillig zijn leven geeft voor dat van de andere broer. De kroniekschrijver vertelt met betrekking tot degenen die overboord worden gegooid nog het volgende verhaal. “Nu gebeurde het dat zij besloten de kuiper, een voortreffelijk man, die een grote bijdrage heeft geleverd aan de vervaardiging van de reddingsboot, in zee te gooien. Als de kuiper ziet dat hij van niemand hulp te verwachten heeft, vraagt hij hem een flinke klap te geven. Versuft door de klap, neemt de kuiper een flinke slok wijn en laat zich overboord zakken. Hij verdwijnt onmiddellijk in de diepte zonder nog een keer boven water te komen. Gedurende de volgende negen dagen zeilen de resterende 57 opvarenden, bestaande uit 25 edelen, onder wie officieren, 8 priesters, de twee zonen van de loods en 19 zeelieden, meer dan honderd léguas naar hun redding. De tocht wordt gekenmerkt door dorst, door de blootstelling aan weer en wind en door schandalige ongedisciplineerdheid in de boot. “Er worden grote en buitengewone eden gezworen, er wordt ruzie gemaakt; er vallen gemene woorden en men uit dreigementen die moeten worden uitgevoerd aan land, dat nog zover weg is en zo weinig wordt verdiend na zulke ruzies. Uiteindelijk bereikt de reddingsboot de kust en de opvarenden en acht halfdode en stervende Portugezen van een van de vlotten gaan aan land.

De ongelukkigen worden verwelkomd door een groep kafirs4) die stenen en speren naar hen werpen, zodra zij aan land zijn gekomen. Zij werpen zich op de uitgeputte schipbreukelingen en beroven hen van hun kleren. Jorge Soeiro en Fernão Rodrigues Caldeira worden door de overvallers weggevoerd. De chroniqueur is bewogen door medelijden om deze ongelukkige omstandigheden en hij zucht: “Het is een droevig gezicht te zien hoe zoveel ernstige en geleerde priesters, zoveel fidalgos en edelen en andere mensen allen zich zo onbeschermd aan de barbaarse kust bevinden, met de oceaan, waarvan de woestheid hen nog schrik aanjaagt, aan de ene en een land bevolkt met zulke wrede vijanden als de kafirs aan de andere kant. De schipbreukelingen doen heel verschillende ervaringen met de kafirs op; de vreedzame stammen geven weinig problemen. Zij verwelkomen de blanke vreemdelingen met ceremoniën, giften en andere uitingen van gastvrijheid. Wat belangrijker is, is dat zij hun vee en wat gierst willen ruilen met de hongerige reizigers. De overlevenden hebben echter vaker te maken met inheemsen die koppige pogingen doen hen te beroven en zij trachten zelfs bij een gelegenheid en zonder enige aanleiding hen te vermoorden, wat bij hun landing het geval was. De auteur van de kroniek over het vergaan van de Santiago, Manuel Godinho Cardoso, toont zich verbaasd te zien dat bij de kafirs de vrouwen al het werk doen en dat de mannen slechts eten, een wandelingetje maken en praten, met het gevolg, concludeert hij, dat men in dit land slechts gezette mannen en dunne vrouwen ziet. Na een lange tocht vol ontberingen slaagt een aantal overlevenden er uiteindelijk in Moçambique te bereiken. Zij strompelen op hun knieën door de straten van de stad naar de kerk, waar zij zich verootmoedigen voor God en Zijn heilige moeder die zij met betraande stemmen danken voor hun redding. Bekend is dat de groep schipbreukelingen die direct na de ramp met kapitein Ferdinão Mendoça is weggezeild, na zes dagen Quelimane heeft bereikt. Wellicht zijn ook de opvarenden van de tweede reddingsboot, of een deel van hen, veilig ergens aan land gekomen.

De São Thomé vertrekt in januari 1589 uit Cochin naar Lissabon. Het schip is slecht gebreeuwd en al in het begin van de reis maakt het veel water. Het grootste probleem bij met peper geladen naus die water maken, is dat als peper nat wordt het opzwelt en de zakken waarin de peper verpakt is doet barsten. Uiteindelijk vermengt de peper en de jute zich met water en vallen de pompen een voor een uit en kost het veel tijd om deze weer aan de gang te krijgen, terwijl het water het ruim binnenstroomt. Op de São Thomé zijn de pompen afgeschermd van de zakken peper met folha de flandes, een zeer soepel metaal, maar deze voorzorgsmaatregel is niet bepaald afdoende om de peper droog te houden nu het schip veel water maakt. Als duidelijk wordt dat São Thomé zoveel water maakt dat het niet met alle opvarenden veilg op het strand van de nog geen acht léguas verwijderde kust van Oost-Afrika kan worden gezet, ontstaat er een stormloop op de enige reddingsboot die aan boord is. Tot degenen die de gelegenheid hebben in de boot te stappen voordat deze gestreken wordt, behoort Dom Paulo de Lima. Hij heeft meer dan dertig jaar in talloze campagnes in de Oost gevochten en hij heeft daarbij grote faam verworven. Hij heeft gehoopt in 1588 tot vice-rei van de Estado da India te worden benoemd, maar toen dat niet het geval was, is hij tamelijk gepikeerd met de São Thomé uit Indië vertrokken. Nadat het schip in de problemen is geraakt “lijkt hij niet meer op de man die grote risico’s onbevreesd onder ogen ziet” “heeft hij vroeger nooit een fractie van zijn dapperheid van geest verloren, thans ontbreekt moed hem echter volkomen. Terwijl de reddingsboot gestreken wordt, staat Dom Paulo zwaaiend met zijn zwaard in de boot, om te verhinderen dat hordes zeelieden en passagiers van het dek in de boot springen, waardoor de boot zou kapsijzen zodra hij het water zou raken. Dom Paulo slaagt er zelfs in enige lieden die al aan boord van de reddingsboot zijn gekomen, te overreden weer uit te stappen door hen te beloven dat zij alsnog kunnen instappen voordat de reddingsboot wordt afgeduwd van de São Thomé. In plaats dat alle vrouwen en kinderen aan boord gelegenheid is gegeven in de reddingsboot te stappen, is deze gevuld met de vrienden van Dom Paulo, eerwaarde vaders en verschillende zeelieden en officieren. Zes man worden al direct overboord gegooid en de volgende dag zullen nog meer mensen uit de meer dan honderd personen in de reddingsboot vroom aan de golven geofferd worden, want natuurlijk blijken teveel mensen een plaats in de reddingsboot te hebben gevonden, om daarmee veilig naar de kust te kunnen varen. Met de zwijgende toestemming van de in de boot aanwezige priesters en edelen, bepaalt een soort volksgericht wie overboord wordt gegooid om de boot lichter te maken. Diogo de Couto, de auteur van het verhaal over de ramp met de São Thomé, merkt hierover het volgende op: “Deze vrome opoffering verbaast hen die dit zien zozeer dat zij zo verbijsterd zijn dat zij hun ogen niet kunnen geloven en zich afvragen of zij wellicht dromen.” Als de reddingsboot wordt afgeduwd van de zinkende São Thomé, is Dona Joana de Mendoça een van de eersten die aan boord weet te klimmen. Zij draait zich om en wil haar dochtertje uit de armen van een inheems kindermeisje nemen, maar deze weigert het kind aan te reiken, tenzij zij zelf ook aan boord van de reddingsboot mag komen. Ondanks de dreigementen en smeekbeden van de moeder en van anderen in de boot, blijft het kindermeisje bij haar koppige weigering, waarbij zij de stilzwijgende steun van al haar lotgenoten moet hebben gehad, want anders had een van hen gemakkelijk het kind uit haar handen kunnen rukken en het kunnen aanreiken aan Joana. De Portugezen in de boot nemen het ook niet echt op voor de moeder, ervan afgezien dat zij de koppige kinderjuf dwaze dreigementen toeschreeuwen. Niemand van hen gaat het kind halen uit vrees dan de eigen plaats in de reddingsboot te verliezen en niemand stemt ermee in het kindermeisje aan boord te nemen, omdat als de reddingsboot te dicht in de buurt van de zinkende São Thomé zou komen, veel opvarenden alsnog in de reddingsboot zouden kunnen springen. Later slagen verschillende zeelieden uit de reddingsboot er overigens in levensmiddelen van boord van de zinkende nau te halen voor de reis naar de kust. Zij zijn daarmee zozeer bezig dat zij geen acht slaan op de smeekbeden van Joana haar kind mee te brengen. Als de reddingsboot aan zijn reis naar de kust begint, verdwijnt de São Thomé in de golven en staat de kinderjuf, nog steeds met het kind in haar armen, in een hoekje op het dek.

Diogo de Couto, die alle zeelieden “inhumaan en wreed van nature” noemt en die in zijn Soldado práctico veel kritiek uit op Portugese loodsen in het algemeen, tenzij zij vanaf jong maatje stap voor stap zijn opgeklommen, wijt het vergaan van de São Thomé aan ernstige nalatigheid van de loods. Als de inzittenden van de reddingsboot eenmaal veilig aan land zijn, wordt veronachtzaamd met de boot terug te keren naar de São Thomé om de achtergelatenen te redden. Volgens Diogo de Couto is het zonneklaar dat God de Portugezen afkomstig van de São Thomé heeft willen tuchtigen, omdat zij nalaten de reddingsboot terug te sturen naar de dramatisch lekke nau nadat een eerste lading passagiers aan de kust is afgezet. Diogo de Couto beschrijft de situatie aan boord van het verloren schip kort voor zijn ondergang. “De wind fluit van alle kanten en het lijkt alsof hij wil zeggen “dood, dood “ De enige geluiden die In het schip zijn te horen zijn zuchten, snikken, getier, geschreeuw, gehuil en kreten om genade. Tussendeks lijkt het of de geest van verdoemenis zich heeft vermengd met al de zaken die in het water drijven en tegen elkaar stoten, en zij rollen van de ene kant van het schip naar de andere kant op zo’n manier dat degene die naar beneden komt een scène ziet die lijkt op het laatste oordeel.” De Portugezen lijken zelf ook in te storten, tegelijk met de vernietiging van hun schip; voor vele van hen verliezen de uren of zelfs de dagen van kwelling alle betekenis, als zij niet eindigen in een kortstondige verrukking van redding op een verlaten strand, maar in een verward inferno bij de ondergang van het schip, als de zee wordt bezaaid met kratten, palen, tonnen en de verscheidenheid van zaken die te voorschijn komt in het uur van een schipbreuk; en als dit alles in het water drijft tussen de mensen die naar de kust trachten te zwemmen. Het is vreesaanjagend dit te zien en het is moeilijk om te vertellen over de slachting die de furie van de zee en het in zee drijvende afval, dat velen verwondt, onder hen aanricht en die allen tenslotte noodlottig wordt. De bijna honderd mensen die een definitieve plaats in de reddingsboot hebben gevonden, bereiken na een tocht van negen uur de kust, maar zij zijn kennelijk te uitgeput om een poging te ondernemen meer landgenoten van de São Thomé te redden. Bepaald wordt waar de geredden aan land zijn gekomen en dat blijkt op circa 27º zuiderbreedte te zijn. Men zal langs de kust naar het noorden moeten trekken om Moçambique te bereiken. Er bestaan al vanaf het begin meningsverschillen. Op de derde dag van de tocht wordt het duidelijk dat de expeditie maar langzaam vooruitkomt en een aantal mannen dringt erop aan het tempo te versnellen, maar zij worden overreed bij Dom Paulo de Lima te blijven. Deze geeft toe de groep in tweeën te splitsen: een groep, voornamelijk bestaande uit passagiers van de São Thomé, wordt geleid door hemzelf, en de andere groep, die in hoofdzaak bestaat uit zeelieden, wordt aangevoerd door kapitein Estêvão da Veiga. Op een bepaald moment geraken de schipbreukelingen in het bezit van twee inheemse boten en beginnen de moeilijkheden opnieuw. De zeelieden willen wegvaren om hulp te zoeken, terwijl de soldaten en edelen hen wantrouwen en hen niet willen laten gaan; zij vinden dat de hele groep bij elkaar dient te blijven om zich beter te kunnen beschermen. In de discussies “worden zoveel eden gezworen en krachttermen gebruikt dat de verwarring een inferno lijkt,” Tenslotte zeilen 45 man weg in een boot, 15 man nemen de andere boot en 37 mensen, onder wie Dom Paulo de Lima, blijven achter om op hulp te wachten. Een van de boten keert terug om Dom Paulo te vertellen dat men verderop langs de kust een vriendelijke kafir-koning heeft gevonden en de groep uitgemergelde overlevenden gaat over land naar hem op weg. Tijdens dit deel van de tocht komen de meeste deelnemers om. Over deze tocht vermeldt de kroniekschrijver nog enige bijzonderheden: Als de mannen en vrouwen van de São Thomé een dorp binnenstrompelen, zijn de negers verbaasd ook vrouwen bij het gezelschap te zien en “als zij zien hoe afgebeuld en vermoeid zij eruit zien, geven zij tekenen van medelijden en zij behandelen de vrouwen liefdevol en bieden hen hun huizen aan en willen hen zelfs opnemen.” Na te hebben verteld dat overlevenden van de São Thomé hun kameraden die te uitgeput zijn om nog verder te kunnen lopen schandalig op het strand achterlaten, klaagt de chroniqueur: “Wat een bedroevend stel vrienden ziet men hier als enige van de mannen op deze stranden worden achtergelaten, om hun leven te beëindigen met geen andere troost en gezelschap dan de eenzaamheid van deze barbaarse zandvlakte. En over Dom Paulo de Lima merkt de chroniqueur op dat deze tijdens de tocht voor zijn metgezellen een even fatale rol heeft gespeeld als Dom Manuel de Sousa Sepúlveda na het verongelukken van het galjoen São João in 15525.”De opvarenden van de São Thomé die ook de voettocht langs de kust hebben overleefd, worden door een Portugees handelsvaartuig opgepikt in Lourenço Marques en naar Sofala gebracht. “Zij begeven zich naar de kerk van Nossa Senhora do Rosario, aan wie zij zichzelf onder vele tranen toewijden en die zij dankzeggen voor de vele weldaden die zij gedurende de reis hebben mogen ontvangen. Uit de kroniek blijkt niet hoeveel mensen de voettocht hebben overleefd, maar meer dan 20% is het zeker niet geweest.

Op 10 april 1596 verlaat de nau São Francisco, onder bevel van kapitein Vasco da Fonseca, de haven van Lissabon en begint, tezamen met de andere schepen van de naar Indië varende vloot, aan zijn reis naar de Oost. De chroniqueur, Frei Gaspar Afonso s.j., vermeldt dat het schip “de haven verlaat zo goed als het kan, zo overladen is het aan de ene kant van het schip en zo onstevig geladen is het aan de andere kant…..dat de tijd zal komen dat de zijde van het schip zal dienen als de kiel en de kiel als de zijde.” Kort nadat de schepen zijn uitgevaren, valt de vloot al uit elkaar “door dezelfde oorzaak als altijd dat ieder schip het eerst in Indië wil aankomen en daarom sneller wil zeilen.” De Kroon heeft van tijd tot tijd zwakke pogingen ondernomen om aan deze praktijken een einde te maken en ook heeft een onderkoning al eens een officier een korte gevangenisstraf opgelegd, omdat hij zich misdragen had tegenover een ander schip in de vloot, maar dit heeft weinig uitgehaald. Er worden instructies in de regimentos van capitães-móres opgenomen, dat geen vloot mag worden opgesplitst, maar er wordt geen effectieve actie ondernomen om dat verbod te handhaven, wellicht omdat het in de steek laten van andere schepen symptomatisch is voor Portugese zeelieden van hoog tot laag. De São Francisco wordt door ruw weer naar de kust van Brazilië gedreven en het vindt beschutting in de haven van São Salvador da Baía en eenmaal daar, schorst kapitein Vasco da Fonseca zijn reis naar Indië op. Het schip zeilt rond de Caraïbische eilanden, waarbij het diverse ongelukken overkomt, waaronder een minder belangrijke schipbreuk, waarna de bemanning of een deel daarvan een groot deel van het eiland Puerto Rico rond loopt. Na een afwezigheid van drie jaren keert de São Francisco in Lissabon terug. James Duffy noemt het verhaal van Gaspar Afonso s.j. meer een vertelling over de natuurlijke historie van Brazilië en van West-Indië dan een verslag van een schipbreuk. Aan het voorgaande voegt hij nog een paar zinnen toe. Gaspar Afonso laat weten dat haaien, wat wrede vleesetende vissen zijn, de gewoonte hebben zich bij kalme zee nooit ver van het schip op te houden. Als het schip niet al te snel zeilt, houden haaien het gezelschap om de verveling aan boord te verlichten en het enige dat zij daarvoor vragen is voedsel. Over de Indianen van Brazilië merkt Gaspar Afonso s.j. op: “de Indianen van Brazilië bewaren nog in zekere zin een staat van onschuld: zij dragen geen kleding…. Zij leven tezamen gelukkig in grote huizen…. zonder sleutels of kisten, noch met enig denkbeeld hun bezittingen te beveiligen tegen iemand die deze zou willen stelen en zij zijn vrij van alle zorgen en vrees dat zij iets zouden verliezen.”

De nau Santo Alberto vertrekt 21 januari 1593 uit Cochin. Het schip is slecht gebreeuwd en overladen, redenen waarom het al snel veel water maakt. João Baptista Lavanha, Cosmografo mòr de Sua Magestade no anno de 1597 en de auteur van de “Relação do Naufrágio da Nao S. Alberto, no Penedo das Fontes no anno de 1593. E Itinerario da gente, que della se salvou, athé chegarem a Moçambique, stelt drie groepen personen verantwoordelijk voor het overladen van schepen: de bevrachters, de havenautoriteiten die toezicht houden en die delen in de verantwoordelijkheid, en tenslotte de bemanning die de schepen laadt. Hij schrijft: “De zeelieden hebben niet minder schuld voor wat zo belangrijk voor hen is, omdat hun leven ervan afhangt en zij laden het vaartuig zonder de noodzakelijke verdeling van de koopwaren, waarbij zij lichte zaken op de bodem van het schip leggen en de zware daarbovenop in plaats van andersom. En om snel rijk te worden beladen zij het schip zonder rekening te houden met de afmetingen daarvan, met het gevolg dat het schip niet meer te besturen is en wanneer een van de hiervoor genoemde ongelukken zich voordoet, dan opent het schip zijn naden en gaat het naar de kelder. Wat het breeuwen van schepen na een reis betreft, is een van de grootste misbruiken in de jaren van Portugals neergang de querena italiana, waarvan in de História trágico-marítima voortdurend sprake is. Bij deze methode wordt het schip niet helemaal uit het water gehaald, maar slechts gedeeltelijk. Eerst wordt de stuurboordzijde van het schip gebreeuwd en daarna de bakboordzijde. Lavanha merkt ook op dat het hout dat gebruikt wordt om planken te vervangen niet goed verduurzaamd is. Het rot weg zodra het nat en daarna warm wordt als het in aanraking komt met de specerijen in het ruim. Lavanha vertelt dat Nuno Velho Pereira, de held van de Santo Alberto, met een bamboestok een van zulke planken tot splinters slaat. Onder zulke omstandigheden is de gemiddelde leeftijd van schepen in de Carreira da India kort. De naus zijn te massief en te zwaar om de golven soepel te doorklieven; zij zwoegen met een wild gedreun door de zware zeeën waardoor hun gebruiksduur en veiligheid verkort worden tot drie à vier reizen. De São Bento, gebouwd in 1635, wordt in 1642 na slechts twee reizen van Lissabon naar Goa zo onbetrouwbaar geacht, dat de loods overplaatsing naar een ander schip vraagt. Zijn vrees wordt bewaarheid als de São Bento nog hetzelfde jaar zinkt in de haven van Moçambique. Tegenover het korte leven van de massieve kraken staat het opmerkelijke verhaal van de Cinco Chagas of Constantina. Deze nau van 500 ton is onder het toeziend oog van vice-rei Dom Constantino de Bragança in 1560 in Goa gebouwd. Dit schip heeft vier onderkoningen naar Indië gebracht, heeft 17 maal de Kaap gerond en heeft 25 jaar dienst gedaan, De Cinco Chagas en enkele andere schepen zijn echter uitzonderingen.

Als blijkt dat de Santo Alberto erg veel water maakt, stijgt de spanning op het schip; officieren en passagiers schreeuwen luidkeels hun ideeën om het schip te redden. In dit geval wordt geluisterd naar degenen die willen trachten het lek te dichten. Daartoe wordt een opening gemaakt in een tussenschot, maar het lek kan niet voldoende worden gestopt en het water stroomt door het gemaakte gat het ruim binnen en het is duidelijk dat de opvarenden de Santo Alberto zullen moeten verlaten. Een groep opvarenden, die op dit beslissende moment de weifelende houding van kapitein Julião de Faria ervaart, kiest Nuno Velho Pereira, een infanterie kapitein, op basis van zijn optreden en ervaring als hun leider. Hij weigert eerst, wijzend op Julião de Faria, maar zwicht als de opvarenden zeggen geen ander als leider te willen. Nuno Velho Pereira blijkt een uitstekende keuze te zijn geweest. Hij verenigt, op een moment dat de scheepskapitein het volkomen laat afweten, alle krachten en creëert een geest van gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle opvarenden. Hij verzamelt rond zich de uitgeputte en wanhopige mensen en geeft hun een voorbeeld van uitzonderlijke moed en vastberadenheid. Hij zet de mannen om beurten aan de pompen om het schip drijvende te houden en wanneer eindelijk de kust van Zuidoost-Afrika in zicht komt, treft hij maatregelen voor een ordelijke landing. Onder zijn toezicht worden er vlotten vervaardigd en levensmiddelen verzameld. Het schip wordt op een zorgvuldig uitgekozen plaats aan de grond gezet om de volgende dag, ondanks de hoge zeeën, een ordelijke evacuatie mogelijk te maken. Alleen de 28 Portugezen die uit vrees dat het schip in de nacht voor de evacuatie stuk zal slaan op de kust en 34 slaven die hebben willen wegvluchten van hun meesters, zijn overboord gesprongen om naar het strand te zwemmen en zij zijn daarbij verdronken.

Voordat de stoet van 125 overlevenden zich in beweging zet, dient eerst een besluit te vallen over de te volgen route. Zoals ook bij andere scheepsrampen aan de zuidoostkust van Afrika het geval is geweest, wenst de overgrote meerderheid langs de kust naar het noorden te lopen. Nuno Velho Pereira, zich bewust zijnde welke problemen deze route de overlevenden van vorige schipbreuken heeft opgeleverd, tracht zijn metgezellen ervan te overtuigen een minder bekende, maar met gras bedekte weg, door het binnenland te nemen. Hij weet de meeste mensen echter niet te overtuigen en daarom spreekt hij zijn veto uit over de route langs de kust. Om te begrijpen welke misslagen bij de voorbereidingen van andere in de História trágico-marítima beschreven tochten zijn gemaakt en hoe het ontbroken heeft aan een samenhangende organisatie, is het noodzakelijk kennis te nemen van de door Nuno Velho Pereira getroffen voorzorgsmaatregelen. Bij het verdelen van taken en verantwoordelijkheden, wordt vrijwel niemand overgeslagen en Nuno Velho raadpleegt, voordat hij een beslissing neemt, altijd de meest ervaren en niet de meest aristocratische mannen, zodat de capitão een geest van doelgerichte eenheid kweekt, zoals die nooit heeft bestaan onder andere groepen schipbreukelingen die naar het noorden zijn getrokken. Vanaf het moment dat de tocht van de overlevenden van de Santo Alberto is begonnen, heeft er nooit twijfel aan bestaan dat er uiteindelijk redding zou blijken te zijn. Dit blijkt duidelijk uit het volgende. Als de slaven te uitgeput raken om voortdurend enige vrouwen gezeten in een draagstoel te torsen, vindt Nuno Velho zestien zeelieden bereid de draagstoelen van twee vrouwen te dragen door hen te beloven ieder van hen in Moçambique duizend cruzados te betalen. Allen zijn er kennelijk van overtuigd daar te geraken. Wat Nuno Velho Pereira heeft weten te bereiken moet als geniaal worden beschouwd. Bij andere tochten is de gekmakende honger altijd een bron geweest van zelfzucht en wanorde. Een poging om het schaarse voedsel te rantsoeneren is steeds verworden tot een individuele strijd om te overleven, behalve onder de overlevenden van de Santo Alberto. De bevelen die Nuno Velho Pereira geeft over de behandeling van de negerstammen met wie de overlevenden in aanraking komen is voorbeeldig en draagt ook in hoge mate bij aan het welslagen van de tocht. De gedragsregels zijn eenvoudig en mede daarom worden zij in acht genomen. De mannen dragen altijd wapens, maar zij betrachten de uiterste zorgvuldigheid bij het gebruik daarvan. Zij behandelen de kafirs eerlijk en vriendschappelijk en beschouwen hen altijd als vrienden en vragen hen eerder om hulp dan dat zij hun bevelen geven hen te helpen. De kafirs worden voor hun hulp betaald met metalen nagels die Nuno Velho direct na de stranding uit de planken van de Santo Alberto heeft laten trekken, alsmede met andere stukken metaal of glas. Hiermee kopen de Portugezen ook voedsel van de zwarten. Aan het begin van de tocht heeft Nuno Velho de doodstraf beloofd aan iedereen die ook maar het geringste van de zwarten zou wegnemen. Door het correcte optreden van de Portugese gasten zijn de zwarten zo verheugd over hun komst dat zij ceremonies en dansen organiseren om hun aankomst te vieren. Er zijn vrijwilligers die hen door de jungle en door het hoge gras van het ene dorp naar het andere leiden. Een kafir spreekt de overlevenden van de Santo Alberto in het Portugees aan met de woorden: “Senhor, Ik kus uw handen.” En hij vertelt Nuno Velho dat hij is opgegroeid onder Portugezen – waarschijnlijk slaven van vroegere schipbreuken, ofschoon dat niet in de kroniek wordt vermeld – die in het land zijn gebleven na de schipbreuk van de São João in 1552. Toen de overlevenden nog maar nauwelijks op weg waren gegaan, heeft Nuno Velho zijn lotgenoten al gevraagd geen particuliere handel met de zwarten te drijven, omdat daaruit altijd wrijving voortkomt tussen de handelaren en de inheemsen en Nuno Velho Pereira slaagt erin de gebruikelijke arrogantie en lichtgeraaktheid van zijn landgenoten te beteugelen. De priesters onder de overlevenden van de Santo Alberto ondernemen enige pogingen missiewerk te verrichten onder een stam die zij tijdens de tocht door het binnenland hebben ontmoet. Deze activiteit maakt duidelijk hoe ontspannen en ongestoord de tocht van de overlevenden verloopt. João Baptista Lavanha, een bekeerde jood, beschrijft de bekering van verschillende zwarten met de volgende wellicht ironische bewoordingen: “Dit is een triomf van het Gezegende Kruis dat waard is te worden gevierd als die van Constantijn en Heraclius …..Dus de boom van het Heilige Kruis wordt geplant in Cafraria, waarvan we de heerlijkste vruchten mogen verwachten in de bekering van dit ras.” Het zijn deze Afrikaanse stammen waarvan de Portugezen voor hun bestaan afhankelijk zijn langs de stoffige paden die leiden naar Lourenço Marques en Sofala. De schipbreukelingen hebben vanzelfsprekend geen invloed op het land en het klimaat, maar door verstandige omgang met de zwarten hebben zij de omstandigheden waaronder zij reizen wel degelijk kunnen beïnvloeden. Uiteindelijk zijn 117 overlevenden Portugezen aangekomen in Lourenço Marques, waar gewacht dient te worden op het Portugese handelsvaartuig dat daar periodiek ivoor komt ophalen. Van de 160 slaven die bij hun meesters zijn gebleven, is minder dan de helft in Lourenço Marques aangekomen. Aangezien de kroniek zwijgt over het omkomen van slaven tijdens de tocht, moet worden aangenomen dat ongeveer de helft van de slaven tijdens de tocht is gevlucht. Terwijl de groep in Lourenço Marques verblijft, duurt het wachten op het ivoorschip velen te lang en zij bepleiten door te lopen naar Sofala. Uiteindelijk voeren 28 ongeduldigen de daad bij het woord, maar de overgrote meerderheid blijft, wachten op het ivoorschip. Van degenen die te voet naar Sofala gaan, bereiken slechts enkele hun einddoel. Zodra de sterke leiding in de persoon van Nuno Velho Pereira is weggevallen, verdwijnt ook de discipline als sneeuw voor de zon en iedereen vecht primair voor het behoud van zijn eigen leven. Het ontbreken van een krachtige leiding die het welzijn van allen bevordert wordt uiteindelijk 26 man noodlottig. Volgens Danvers worden zij door kafirs gedood.6 De geduldigen zeilen tenslotte met kapitein Manuel Malleyro aan boord van het ivoorvaartuig naar Moçambique, zonder dat zich een incident voordoet. Nuno Velho Pereira boekt in Moçambique passage op de nau Cinco Chagas, onder bevel van kapitein Francisco de Mello, die op weg is van Indië naar Lissabon. Dit schip zal, zoals hierna blijkt, bij het Azoren-eiland Fayal vernietigd worden door drie Britse schepen. Tot de twaalf of dertien overlevenden behoren Nuno Velho Pereira en Blas Correa. Zij worden door de vijand naar Engeland gebracht en vervolgens tegen losgeld vrijgelaten.

De vertellingen over het verlies van de Cinco Chagas (1594) en van de Santiago (1602) zijn ontleend aan het “Tratado das Batalhas e Successos do Galeāo Santiago com os Olandezes na Ilha da Santa Elena, e da Nao Cinco Chagas com os Ingleses entre as Ilhas dos Açores: Ambas Capitanias da Carreira da India; e da causa, e desastres, porque em vinte annos se perdéaõ trinta e oito Naos della. Escrita por Melchior Estacio do.

De Cinco Chagas vertrekt in 1593 uit Goa, overwintert in Moçambique, waar de nau vracht en passagiers van twee andere schepen oppikt. De Cinco Chagas rondt zonder problemen de Kaap, maar een ander schip dat de Cinco Chagas vergezelt, de Nossa Senhora de Nazeré, keert terug van Cabo da Boa Esperança naar Moçambique. Het schip weet zijn doel nauwelijks te bereiken, want het zinkt iedere dag dieper in het water weg. In de haven van Moçambique wordt het vaartuig geïnspecteerd en wordt ontdekt dat het in Goa in elkaar geflanst is met zulk een groen hout dat het gapende gaten in de zijkanten heeft. Als haar pompen niet dag en nacht bemand zouden zijn geweest dan had de Nazaré aan de gevaarlijke kust van Afrika op het strand moeten worden gezet. Terug naar de Cinco Chagas: dit schip zeilt naar Luanda, waar een groot aantal slaven aan boord wordt genomen. Volgens sommige berichten zou er niet voldoende voedsel en water aan boord zijn geweest om rechtstreeks naar Lissabon te zeilen. Er heerst onder de bemanning ontevredenheid dat het regimento van de kapitein niet voorziet in een stop in de Azoren. Het aanbod van voedsel aan boord laat te wensen over, ofschoon de voorraden niet zijn uitgeput en de kapitein bang is voor het uitbreken van muiterij en voor een afkeurend oordeel van de koning, als enige bemanningsleden of passagiers van honger zouden sterven. Zijn besluitenloosheid en vrees doet de kapitein zijn officieren en de edelen aan boord bijeenroepen om hun advies in te winnen, want op zee bestaat geen zekerheid, tenzij zij komt van God,” maar de consultatie biedt geen oplossing; de helft van de aanwezigen wil rechtstreeks naar Lissabon zeilen en de andere helft wil een stop bij de Azoren. De kapitein geeft toe aan de ontevreden bemanning, nadat hij hen heeft laten beloven dat zij het schip tot het uiterste zullen verdedigen als het bij de Azoren zou worden aangevallen door piraten. De bemanning belooft dit en daarom wordt koers gezet naar de Azoren7. Bij het eiland Fayal wordt de Cinco Chagas opgemerkt en vernietigd door drie Britse schepen in een van de bloedigste – en meest heldhaftige – zeeslagen in de Portugese geschiedenis. De Engelsen hebben weinig medelijden met hun overwonnen vijanden. De Portugezen worden verbrand, verdronken, of doorstoken met Britse pieken in wat Melchior Estacio do Amaral noemt: “het treurigste en meest verschrikkelijke gebeurtenis die zich ooit op zee heeft voorgedaan.” Er zouden niet meer dan dertien bemanningsleden de slachting overleefd hebben.

Het galjoen Santiago vertrekt op 1 januari 1602, onder bevel van kapitein António de Melo, uit Goa. Het schip rond Cabo da Boa Esperança met gemak. Dit is de enige keer dat in de HTM sprake is van het ronden van Cabo da Boa Esperança met kalm weer. De Santiago zou vanaf de Kaap voor de wind rechtstreeks naar Portugal hebben kunnen zeilen als het regimento van de kapitein hem niet zou hebben opgedragen Sint Helena aan te doen. In het verslag over de lotgevallen van de Santiago is sprake van discussies over de wenselijkheid om bij Sint Helena te wachten. De winden zijn gunstig om direct verder te zeilen en veel passagiers pleiten voor een snelle thuisvaart, maar ondanks deze druk, besluit kapitein António de Melo zijn regimento te gehoorzamen en bij Sint Helena te wachten op de komst uit Indië van twee langzamer schepen, die hij dient te escorteren naar Portugal. De Santiago heeft echter de pech dat in de haven van Sint Helena drie8 Hollandse schepen liggen. Deze schepen zijn bij Sint Helena komen zoeken naar prooien en staan op het punt weer onverrichter zake te vertrekken, als de Santiago aan de horizon verschijnt. Kapitein António de Melo besluit zijn schip niet aan de Hollanders over te geven, maar de strijd met hen aan te gaan. De passagiers aan boord, evenwel, opgestookt door kooplieden (die hun gehele kostbare lading gaan verliezen als het schip tot zinken wordt gebracht en die bij overgave alleen hun juwelen en goud kwijt raken) en krachtig bijgevallen door verschillende officieren van de Santiago zullen later clandestien de witte vlag hijsen. De Santiago valt de Hollandse kapers aan en levert een dag lang strijd met hen. Gedurende de volgende nacht tracht het galjoen te ontsnappen, maar de Santiago wordt achtervolgd door de waakzame Hollandse piraten. Na een dagenlange achtervolging wordt buiten kapitein António de Melo om de witte vlag gehesen en laten de opvarenden de Hollanders aan boord van het galjoen komen. Ondanks dat de bemanning van de Santiago tijdens het gevecht met de Hollandse schepen een groot deel van de lading overboord heeft gezet, zijn de Hollandse piraten stom verbaasd over de rijke lading die de Santiago aan boord heeft. Er blijken ook slaven op het schip te zijn. Zij vragen de Hollanders hen aan boord van hun schepen te nemen, wat deze gaarne doen. Verschillende priesters aan boord van de Santiago hebben er al in een vroeg stadium voor gepleit het schip aan de Hollanders over te geven, waarop kapitein António de Melo heeft geantwoord dat zij zich beter om hun biechtelingen konden bekommeren en dat hij wel voor het schip zou zorgen. Later wordt in Lissabon een onderzoek ingesteld naar wie de witte vlag heeft gehesen; de verantwoordelijken worden gevonden, maar de straffen die zijn uitgesproken, worden niet voltrokken. Bij de ondergang van hun schepen, brengen de Portugezen het er tegen piraten niet beter af dan tegen de natuurelementen, ofschoon de vijand kan worden aangevallen en men tegen de elementen in het geheel geen verweer heeft. In beide gevallen is de totale verwarring vaak hetzelfde, omdat de piraten even meedogenloos zijn als de zee. De plunderende Hollandse bemanning verlaat de Santiago eerst als duidelijk is dat het toegetakelde galjoen spoedig zal zinken. De Portugezen die vrezen met hun schip naar de kelder te gaan, springen overboord en smeken de piraten hen aan boord van hun sloepen te nemen. Alleen mensen die handenvol juwelen of goud te bieden hebben, worden gered, de anderen zwemmers worden met houwen van zwaarden verdreven. Nadat de Hollanders zijn vertrokken en de Santiago tegen de verwachting in niet zinkt, weet het schip het eiland Fernando de Noronha voor de kust van Brazilië te bereiken. De Hollandse piraten zijn de Santiago gevolgd en zij plunderen bij Fernando de Noronha voor de tweede maal het schip. Als zij vertrokken zijn hopen de Portugezen op hulp van schepen aan de kust van Brazilië, maar als deze uitblijft wil kapitein António de Melo in een kleine boot naar Recife zeilen. Hij wil daar hulp zien te verkrijgen voor zijn bemanning en de uitgeplunderde passagiers van de Santiago. Deze zijn zo bevreesd dat hij niet meer zal terugkeren en hen aan hun lot zal overlaten, dat zij hem dwingen zijn zoontje als gijzelaar op het schip achter te laten.

Wat het verlies van 38 schepen in twintig jaar aangaat, laakt Doutor Melchior Estácio do Amaral zijn landgenoten voor de toepassing van de querena (italina) enkel en alleen om tijd en geld uit te sparen. In een welsprekend betoog herinnert hij hen eraan dat de Portugese naus geen tripjes van drie dagen over de Middellandse Zee maken met een lading die bestaat uit glas of spiegels, maar in plaats daarvan “de oceaanzeeën doorkruisen, van pool tot pool en daarbij Cabo da Boa Esperança passeren, niet geladen met glas, maar overladen met grote hoeveelheden dozen en bundels en de meest werkzame geneesmiddelen en zij moeten daarbij afrekenen met de furie van de vier elementen en vijf- of zesduizend léguas zeilen in alle soorten weer. Hij vervolgt, “Dat de querena zeer schadelijk is voor deze schepen blijkt uit de veelheid van schepen die daarna verloren zijn gegaan en hun verlies is niet het gevolg van een ramp, maar is veroorzaakt door hebzucht en tekort aan zorg en door de schepen een querena te laten geven en ze daarna slechts gedeeltelijk te laten repareren zodat de bevrachters kosten konden besparen.” Ondanks dat is het kwaad tijdens het eerste deel van de zeventiende eeuw gehandhaafd en hebben de Portugezen schip na schip verloren.” De chroniqueur betoogt ook met grote beslistheid dat willen Portugese schepen die uit Indië naar Portugal vertrekken zeker zijn van gunstige winden en willen zij stormen bij Cabo da Boa Esperança vermijden, zij in december moeten uitzeilen. Hij heeft het hier kennelijk over de langere, maar veiliger route door de Straat van Moçambique en dus niet over de viagem da fora.

Van alle havens aan de zeeroute naar Indië is die van Sint Helena het populairst en Jan Huygen van Linschoten merkt op dat de Portugezen het als een pleziertje beschouwen in de haven van het eiland, dat zij beschouwen als de poort van de hemel, te varen. Het eiland doet al bijna een eeuw dienst als een toevluchtsoord voor Portugese galjoenen en vrachtschepen halverwege de route, het is op de eerste pagina van El criticón met de warmste loftuitingen beschreven door de Spaanse moralist Gracián. “Het eiland van Sint Helena dient als rustplaats van de ene wereld naar de andere, op weg naar de havens van Europa en het is altijd een gastvrije herberg, door goddelijke mildheid gehandhaafd in het midden van de immense zeeën, voor de katholieke vloten naar het Oosten.” Hier worden de schepen gerepareerd nadat zij Cabo da Boa Esperança hebben gerond en er wordt water en voedsel aan boord genomen om variatie aan te brengen in het monotone scheepsdieet. De zieken blijven soms achter en vinden beschutting in de vallei van de Kapel, totdat de vloot hen volgend jaar komt oppikken. Gedurende de tijd dat de Portugezen het eiland in bezit hebben gehad, hebben zij Sint Helena voorzien van varkens, geiten en gevogelte, zodat hun mensen voldoende voedsel zouden vinden. Bovendien planten zij er citrusbomen aan. In 1588, evenwel, ‘ontdekt’ de Engelsman Thomas Cavendish het eiland en kort daarna gaan Britse en Hollandse schepen bij Sint Helena op de loer liggen naar rijk geladen Portugese naus uit de Oriënt – schepen die de piraten menigmaal ongestoord naar Indië hebben laten zeilen, om de rijkgeladen schepen op de terugweg te kunnen nemen. Het resultaat van deze ontwikkeling is dat Philips II van Spanje (Filipe I van Portugal) in 1592 het bevel uitvaardigt dat geen enkele retourvloot uit Indië, onder welke omstandigheid dan ook, nog Sint Helena mag aandoen. In de volgende jaren wordt het bevel soms tijdelijk ingetrokken, afhankelijk van de maritieme sterkte van de betrokken naties, maar essentieel is dat de Portugezen er vanaf dat jaar nog maar zelden kunnen rekenen op de faciliteiten van Sint Helena voor hun schepen en bemanningen. São Paulo de Luanda en verschillende havens van de Azoren, vooral Ponta Delgada op het eiland São Miguel, worden de belangrijkste aanloophavens voor uit Indië terugkerende naus. Desondanks is het verlies van Sint Helena een grote terugslag voor de Portugezen, niet alleen om zijn intrinsieke waarde, maar ook omdat het eiland de belofte inhield dat de opvarenden van de retourvloot er op verhaal kunnen komen en hun gezondheid daar kunnen herwinnen, wat uiteraard het moreel op de schepen zeer ten goede kwam.

1 Zie deel IX, § 5.1

2 Zie pp. 198-217

3 António Lopes en Eduardo Frutuoso citeren in hun artikel de Franse avonturier François Pyrard de Laval. Deze schrijft: “Deze schepen staan in hoge mate bloot aan besmettingen, omdat de meerderheid van de mensen niet de moeite neemt naar boven te gaan om zijn behoeften te doen en dat is deels de oorzaak dat zoveel mensen sterven. De Spanjaarden, Fransen en Italianen gedragen zich hetzelfde (als de Portugezen), maar Engelsen en Hollanders zijn veel netter en zindelijker.”

4 Arabisch voor ongelovigen

5 zie deel XI, pp. 173-178

6 Zie pag. 92 van deel II

7 Veel Portugese schepen keren via de Azoren naar Portugal terug, om te kunnen profiteren van de daar heersende westenwinden

8 Mac Leod heeft het over de beschieting in maart 1602 van twee Hollandse schepen, de Zeelandia en de Langebarke, door een Spaans galjoen, dat na een driedaags gevecht genomen wordt.

Bijlage 1.0 De expedities van de voorcompagniën

Categorieën
Britse kolonialisme Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

De komst van de Engelsen naar Indië. De komst van Hollanders en Engelsen naar Indië

Deel 15 Index

Hoofdstuk 3.

De komst van Hollanders en Engelsen naar Indië

3.2. De komst van de Engelsen naar Indië

Geschreven door Arnold van Wickeren

In dezelfde tijd dat Holland voorbereidingen treft om deel te nemen aan de directe vaart op Indië, bepleiten onderdanen van koningin Elizabeth hetzelfde te doen. Het schijnt dat in oktober 1580 diverse Engelse kooplieden de “Lords of the Council” een verzoekschrift hebben aangeboden, waarin wordt uitgelegd dat in de landen die grenzen aan de Indische Oceaan en de Chinese Zeeën, en in het Voor-Indisch schiereiland, er vele havens zijn die kunnen worden bezocht door Engelse schepen, en waar Engelse kleding en andere belangrijke manufacturen kunnen worden verkocht en producten uit die landen kunnen worden gekocht. Daarom verzoeken zij de koningin hun vergunning te verlenen drie schepen en drie pinassen uit te rusten en in te zetten in deze handel, zonder enige andere verplichting dan de betaling van belasting bij terugkomst. Dit verzoekschrift schijnt gunstig te zijn ontvangen, want in 1591 vertrekt kapitein Raymond met drie schepen, de Penelope, de Marchant Royal en de Edward Bonaventura voor een experimentele tocht naar Azië. Intussen, echter, heeft koningin Elizabeth in 1585 haar manifest, betreffende het aangaan van een bondgenootschappelijk verdrag met de Nederlanden, dat is geformuleerd als een nauwelijks verborgen oorlogsverklaring aan Philips II, uitgegeven. De koning van Spanje vat het manifest blijkbaar als zodanig op en hij vaardigt onmiddellijk een decreet uit om zowel alle Engelse, als Nederlandse schepen in zijn havens buit te maken, tezamen met de arrestatie van de bemanningen en de confiscatie van eigendommen. De diplomatieke betrekkingen tussen de twee landen zijn, evenwel, al verbroken sedert begin januari 1584, toen koningin Elizabeth, de Spaanse ambassadeur, de Mendoza, bevolen had het land te verlaten, als uitvloeisel van zijn betrokkenheid van Throgmortons samenzwering tegen haar, met het oogmerk de katholieke Mary Stuart, koningin van Schotland, op de Engelse troon te plaatsen. De ontdekking van de rol die de Spaanse ambassadeur in het complot heeft gespeeld, brengt Elizabeth ertoe haar vijandigheid tegenover El Rey Catolico te tonen en dit wordt gevolgd door het vertrek van 25 schepen, met 2300 soldaten, onder het commando van Sir Francis Drake, die Plymouth verlaat op 15 september 1585 en deze expeditie is gericht tegen de Spaanse koloniën en de Spaanse scheepvaart. De eerste plaats die het moet ontgelden is Ribeiro Grande, de hoofdplaats van het Kaapverdische eiland Santiago1 Dan steekt de vloot van Drake over naar de Nieuwe Wereld en plunderen zijn manschappen de steden Cartagena in Colombia, St. Augustine in Florida en San Domingo (Santo Domingo), Hispanolia. De gevolgen van zijn triomftocht in West-Indië zijn catastrofaal. Het vertrouwen in Spanje, zowel moreel als materieel gaat vrijwel verloren. De Bank van Spanje springt, de Bank van Venetië, (waarvan Philips II de belangrijkste debiteur is) gaat bijna failliet en de grote Duitse Bank van Augsburg weigert de Spaanse monarch verdere kredieten toe te staan. Zelfs Lord Burghley, Elizabeths belangrijkste minister, die nooit veel waardering voor Drake en zijn methoden heeft gehad, is gedwongen toe te geven dat “”Sir Francis Drake een gevreesd man is voor de Koning van Spanje.” In hetzelfde jaar (1585) gaat Thomas Cavendish, vergezeld door Sir Richard Grenville naar Amerika en bij terugkeer in Engeland onderneemt hij een ingewikkelde imitatie van Sir Francis Drakes omzeiling van de wereld. Hij zeilt uit op 21 juli 1586 met 123 man in drie schepen van Plymouth naar Zuid-Amerika. Hij bereikt de Patagonische kust, waar hij het huidige Puerto Deseado ontdekt; overigens zijn enige bijdrage van betekenis voor onze geografische kennis. Na het passeren van Straat Magalhães, valt hij Spaanse vestigingen en schepen aan langs de westkust van Zuid-Amerika tot aan Mexico. Tot zijn prijzen behoren het ‘schatgaljoen’ Santa Ana, dat hij 14 november 1587 heeft genomen aan de kust van Californië. Na de Filippijnen, de Molukken en Java te hebben aangedaan, rondt hij Kaap de Goede Hoop en arriveert op 9 oktober 1588 in Plymouth, met slechts een van zijn drie schepen, de Desire, maar met veel buit.2 Op 10 april 1591 zeilt Sir James Lancaster met drie schepen uit van Plymouth naar “de Oost-Indies”. Slechts een schip, de Edward Bonaventura, hetzelfde schip waarover hij in 1588, onder Sir Francis Drake, het bevel voerde tegen de Spaanse Armada, bereikt in juni 1592 het eiland Penang, ten westen van het Maleise schiereiland. Hij blijft daar tot september en plundert ieder schip dat hij tegenkomt. Hij keert in mei 1594 in Engeland terug, nadat hij ook zijn laatste schip verloren heeft.

Kapitein Raymonds expeditie zeilt op 10 april 1591 uit en, na veel avonturen, arriveren de overlevers, in augustus 1594, in Falmouth, zonder hun schepen. Ofschoon verliezen op zee de verwachtingen en speculaties van avonturiers niet voeden, moedigt de door kapitein Lancaster opgedane praktische ervaring andere avonturiers aan ook aan soortgelijke projecten deel te nemen. Bijgevolg wordt in 1596 een andere expeditie, bestaande uit drie schepen, voorbereid voor een handelsreis naar China, waarvoor koningin Elizabeth aanbevelingsbrieven meegeeft aan de Keizer van het Hemelse Rijk ten gunste van Richard Allen en Thomas Bromfield, kooplieden en burgers uit Londen. Deze vaartuigen, de Beer, de Beers Whelp en de Benjamin, onder commando van kapitein Benjamin Wood en voornamelijk uitgerust voor rekening van Sir Robert Dudley, Earl of Leicester, zeilen uit Engeland weg naar China. Een van de schepen schijnt aan de zuidkust van Afrika te zijn vergaan, terwijl de beide andere in juli aankomen in de haven van Titangone, op vijf léguas van Moçambique. De capitão van Sofala en Moçambique laat het nieuws van de aankomst van twee vreemde schepen door kapitein Gaspar Palha Lobo van de Nossa Senhora do Rosario overbrengen naar Goa. In Goa is men ontsteld door deze nieuwe bedreiging van wat men voor Hollandse schepen houdt. Er wordt een eskader van twee galjoenen, drie galeien en negen fustas, met 1500 man aan boord, onder bevel van Lourenço de Brito, naar Malacca gezonden, om de rijk beladen schepen uit China en Japan tegen mogelijke aanvallen van piraten te beschermen. In Malacca verneemt Brito dat de Engelse schepen inmiddels gesignaleerd zijn bij Cabo Comorin. Brito overlegt daarop met Martim Afonso de Mello Coutinho, capitão van Malacca en diens voorganger Francisco da Silva de Menezes. Unaniem wordt besloten dat de vloot naar Sunda, op West-Java zal zeilen. Brito berooft – tegen zijn instructies in – Chinese schepen van voedsel, wat zeer kwaad bloed zet bij de Javanen die hiervan horen. Als de Portugezen zorgeloos water innemen aan de kust van Java, doden de bewoners drie van hun kapiteins, Dom Luíz en Dom Jerónymo de Noronha en Ruy Diaz de Aguiar Coutinho. Zonder de schuldigen te straffen, keert Brito naar Malacca terug, waar hij 10 juli 1598 aankomt en tot 1 januari blijft, zonder zich nog te bekommeren om de aanwezigheid van de Engelse schepen. De Engelsen hebben een schip laten zinken en met het andere liggen zij in de haven van Quedá, op 60 léguas van Malacca. Bij terugkeer in Goa wordt Lourenço de Brito, die overigens een goede staat van dienst heeft, wegens plichtsverzuim door de Relação veroordeeld tot een hoge geldboete, die hij betaalt voor zijn vertrek naar Moçambique. Volgens P.A. Tiele hebben de Portugezen hun rivalen geen betere ontvangst kunnen bereiden dan door deze onberaden scheepstocht.

In 1599 hebben de Hollanders, die nu hun handel met het Oosten stevig op de rails hebben gezet, de prijs van peper voor de Engelsen verhoogd van drie pence per libra. tot 6 pence en 8 pence. De kooplieden van Londen beleggen op 22 september een vergadering, onder voorzitterschap van de Lord Mayor, met het oog op het treffen van maatregelen, om op uitgebreidere schaal dan voorheen, de handel tussen Engeland en Indië op poten te zetten en er wordt een Vereniging van Kooplieden-Avonturiers gevormd om een reis naar “de Oost-Indies” te ondernemen. Op 24 september wordt de eerste algemene vergadering van de Avonturiers gehouden, waarvan het resultaat is dat er een resolutie wordt aangenomen, waarin koningin Elizabeth wordt gevraagd hun project te ondersteunen. De officiële goedkeuring van de reis is getekend 16 oktober, maar politieke overwegingen met betrekking tot Spanje verhinderen het onmiddellijke vertrek van de expeditie en daardoor gaat een geheel seizoen verloren. Op 8 oktober 1600, zijn vier schepen, de Ascension (260 ton), de Hector (800 ton) De Susan (240 ton) en de Red Dragon (600- 900 ton) en een jacht gereed gemaakt voor de reis en zij zeilen tegen eind april 1601 uit van Torbay. Het commando over het eskader is opgedragen aan admiraal Sir James Lancaster, die zich aan boord bevindt van de Red Dragon en vice-admiraal John Middleton. James Lancaster is ook aangewezen als gezant van koningin Elizabeth naar diverse Oosterse heersers, voor wie hij brieven van haar bij zich heeft. De expeditie woordt al snel getroffen door pech; in het zuiden van de Atlantische Oceaan moet het jacht aan de golven worden prijsgegeven. Na het passeren van Kaap de Goede Hoop brengt Lancaster in april 1602 een bezoek aan de Nicobaren. Het Engelse eskader ontmoet het Zeeuwse jacht het Lam, dat 4 april is afgedwaald van de vlag van Joris van Spilbergen. Als de kapitein van het Lam, Willem Jansz. hoort dat James Lancaster ook op weg is naar Atjeh, verhuurt hij hem zijn vaartuig en hij voegt zich dus bij het Engelse eskader en komt daarmee in juni 1602 voor Atjeh aan. De Engelsen worden verwelkomd door de twee kooplieden die door Gerard le Roy en Laurens Bicker zijn achtergelaten en Lancaster heeft ook geen moeite door te dringen tot sultan van Atjeh, voor wie hij een aanbevelingsbrief van koningin Elizabeth heeft meegebracht en met wie hij een bondgenootschappelijk verdrag sluit. De peperprijzen vallen Lancaster echter bitter tegen, zodat de meegebrachte gelden niet toereikend zijn om een volle lading te verkrijgen en daar de ontvangen hoeveelheid bovendien gering is, zendt Lancaster het schip Susan, onder bevel van kapitein Henry Middleton, niet te verwarren met de vice-admiraal John Middleton, naar Priaman. Zelf is hij van plan zich meester te maken van een Portugese nau, die uit São Tomé de Meliapor in Atjeh wordt verwacht. In samenwerking met Joris van Spilbergen (zie bijlage) lukt hem dit. Lancaster zeilt verder naar Bantam, op Java, waar hij ook handelsprivileges van de koning verwerft en een factorij sticht. Hij zendt ook een commerciële missie naar de Molukken. Als Lancaster uit Bantam vertrekt, overhandigt de koning hem diverse passende geschenken voor koningin Elizabeth, tezamen met een brief waarin hij zijn tevredenheid uitdrukt dat er handelsrelaties tussen Engeland en zijn gebieden tot stand zijn gebracht en hij geeft bovendien te kennen dat hij de Spanjaarden als vijanden van beide naties beschouwt. Kapitein Lancaster keert op 11 september 1603 in Engeland terug en het resultaat van dit experiment blijkt zo succesrijk te zijn, dat er direct voorbereidingen worden getroffen voor een tweede reis. Aldus gaan de Engelsen een competitie aan met de Portugezen en de Hollanders om hun aandeel in de Oosterse handel te verwerven.

1 Zie deel XIII, pag. 117

2 Op zijn tweede Amerika-Pacific-reis, ondernomen in 1591, slaagt zijn vloot er niet in Straat Magalhães door te komen en sterft Thomas Cavendish bij zijn pogingen terug te keren naar Engeland

Hoofdstuk 4 De Carreira da India 4.0 De Carreira da India

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

De komst van de Hollanders naar Indië. De komst van Hollanders en Engelsen naar Indië

Deel 15 Index

Hoofdstuk 3.

De komst van Hollanders en Engelsen naar Indië

3.1. De komst van de Hollanders naar Indië

Geschreven door Arnold van Wickeren

De Staten van Holland en Zeeland, die het gehate Spaanse juk beu zijn, nemen op 29 maart 1580 een resolutie aan om nooit vrede te sluiten of onderhandelingen aan te gaan met de koning van Spanje op basis van zijn soevereiniteit over de Lage Landen. Dezelfde resolutie voorziet erin dat zijn naam – tot dan toe gebruikt in alle publieke akten – voor eeuwig zal worden doorgehaald, dat zijn zegel zal worden gebroken en dat de naam en het zegel van de Prins van Oranje daarvoor in de plaats zullen treden in alle organen en publieke documenten. Op 5 juli 1581 aanvaardt de Prins van Oranje de volledige autoriteit van Soeverein en hoofd van de Staat, zolang de oorlog met Spanje zal duren en op de 24e van dezelfde maand worden eden van trouw uitgewisseld tussen de Prins en de Staten. Twee dagen later, op 26 juli, publiceren de Staten-Generaal het Plakkaat van Verlatinghe, wat neerkomt op de afzwering van Philips II en de verklaring van onafhankelijkheid door de afgevaardigden van de Verenigde Provinciën. De Staten verklaren duidelijk dat hun afschuw van het Officie van de Inquisitie een van de belangrijkste oorzaken is van de afzetting van hun monarch en in de onderhandelingen tussen de gezanten van de Staten-Generaal en François-Hercule de Valois, Hertog van Anjou wordt opgemerkt, “De koning heeft getracht, onder het voorwendsel van handhaving van de roomse religie, met duivelse middelen de gehele gestrengheid van plakkaten en de Inquisitie in werking te stellen, terwijl de Inquisitie de eerste en ware oorzaak van al onze ellende is.”

Na de moord op de Prins van Oranje worden er serieuze beraadslagingen gehouden, of er een beroep op bijstand moet worden gedaan op Engeland of op Frankrijk, maar in het algemeen gaat de voorkeur uit naar Engeland. Er zijn agenten uitgezonden naar zowel Engeland als Frankrijk, om te voorzien, indien mogelijk, in een lichting troepen voor onmiddellijk gebruik; de poging heeft in Frankrijk geen succes, maar de Hollandse gemeente van de in Londen woonachtige gereformeerden stelt een bedrag beschikbaar van 9.005 florijnen, welk bedrag, met andere bijdragen, voldoende blijkt te zijn voor een regiment voetvolk, dat reeds korte tijd later in gedeelten aankomt in de Nederlanden. Walsingham, de minister van Koningin Elizabeth, bij de onderhandelingen met Holland, consulteert vaak Roger Williams, een oud-soldaat, die opmerkt als de juiste manier om Spanje aan te vallen ter sprake komt, “Ik ben er zeker van, dat als jij en Treslong, de Admiraal van de Staat, driemaal zeilen naar zijn Indië zenden, wij hem zullen dwingen zich te onthouden van verdere veroveringen en dat hij zich ermee zal moeten verzoenen dat andere vorsten leven als hij.” In Engeland wordt sterk gevoeld dat het toestaan dat de Verenigde Provinciën opnieuw onder het Spaanse juk komen, fataal zou zijn voor de religieuze en politieke belangen van Engeland en dat het toestaan dat Frankrijk in deze staten een overwicht zou krijgen nauwelijks minder schadelijk zou zijn. Koningin Elizabeth is een groot voorstander van een gezamenlijk protectoraat van Engeland en Frankrijk over de Nederlanden, maar in de tussentijd wordt William Davison door de Engelse Regering naar Den Haag gezonden om de gevoelens van de Staten-Generaal te peilen. De naar Frankrijk gezonden boodschappers, om de soevereiniteit over de Nederlanden aan te bieden aan koning Henri III, moeten na drie maanden naar Den Haag terugkeren, met een absolute weigering op hun verzoek. Eventuele annexatie van of het verwerven van de soevereiniteit over de Nederlanden zijn definitief van de baan. Het schijnt dat de koning van Frankrijk tijdens de onderhandelingen dubbel spel heeft gespeeld. Hij heeft recent van koningin Elizabeth de Orde van de Kousenband ontvangen, uit de handen van Lord Derby; nu poogt hij niet alleen de hem aangeboden soevereiniteit over de Nederlanden te ruilen tegen een mooie vergoeding voor de aanspraak van de koningin-moeder, Catharine de Medici, die erfgenaam is van de Portugese troon, maar hij stelt feitelijk pogingen in het werk de koning van Spanje ertoe te bewegen samen met hem een invasie in Engeland te ondernemen. Daarom kan veilig worden verondersteld dat Philips II, middelen heeft gevonden, koning Henri III ervan te weerhouden het aanbod te accepteren en tezelfdertijd heeft de diplomatieke druk van Engeland op hem hetzelfde effect. Afgezien hiervan, pogen agenten van Philips II in Frankrijk de bevolking van Parijs op te stoken tot een burgeroorlog, om dat land ervan te weerhouden zich te bemoeien met de belangen van de Nederlanden; en hij overweegt tezelfdertijd een invasie te ondernemen in Engeland. Zodra de onderhandelingen zonder resultaat zijn beëindigd, verliest de Engelse Regering geen tijd om de Staten vertrouwelijk te laten weten dat zij niet zonder bondgenoot zullen worden gelaten. De laatsten, die er geenszins bezwaar tegen hebben onderdanen van Koningin Elizabeth te worden, zijn niet in staat grote en belangrijke steden te verpachten, zoals Vlissingen, Brielle en andere, waarom was gevraagd, tot zekerheid voor de terugbetaling van de subsidies die Elizabeth van tevoren heeft gegeven. Zij geven er de voorkeur aan te betalen door het afstaan van soevereiniteit, boven betaling in geld, maar dit schikt Elizabeth niet.

Nadat de gezanten van hun niet-succesrijke missie naar Frankrijk zijn teruggekeerd, benaderen de Nederlandse gezanten in Engeland op 21 maart 1585 de ministers met het oog op de stichting van een Engels protectoraat. Op 22 april richten de Staten-Generaal een brief aan Koningin Elizabeth, waarin zij haar de soevereiniteit van de Verenigde Provinciën aanbieden. Na het bereiken van een goed onderhandelingsresultaat en na aankomst van frisse onderhandelaars uit de Nederlanden, wordt er op 12 augustus een verdrag gesloten, tussen de gezanten en de Lords of the Council, gericht op het ontzet van Antwerpen, in combinatie met een ander verdrag inzake permanente Engelse bijstand aan de Verenigde Provinciën. Het is een erkend feit dat de huidige oorlog van de Nederlanden de oorlog is van Engeland, van het protestantisme en van de Europese vrijheid en het is voor Engeland onmogelijk te vermijden dat het land daarbij betrokken raakt. Beide partijen trachten door onderhandelingen zich een goede uitgangspositie te verschaffen. Verder uitstel vindt plaats door behandeling in de Staten-Generaal, zodat het geratificeerde verdrag Engeland bereikt op 31 oktober 1585. Het tijdverlies veroorzaakt dat Antwerpen in handen valt van Spanje, voordat Engelse troepen kunnen worden ontscheept om dat te verhinderen. Er wordt nu besloten dat er een permanent Engels leger, bestaande uit 5.000 man voetvolk en 1.000 ruiters, op kosten van de Koningin, naar de Verenigde Provinciën zullen worden gezonden, en dat de steden Vlissingen en Brielle in Hare Majesteits handen zullen worden gegeven tot aan de algehele terugbetaling van het totaal van de daarvoor gedane uitgaven. De Engelse legermacht scheept zich in op 9 december 1585 in Harwich, onder commando van de Earl of Leicester, die ook vergezeld wordt door een afdeling lanciers, geworven op eigen kosten, een vloot van vijftig schepen en “the flower and chief gallants of England.” Deze expeditie bereikt Vlissingen op 19 december.

Tot aan die tijd zijn de Portugezen tevreden geweest met hun vloten Oosterse producten naar Lissabon te brengen, welke plaats druk wordt bezocht door handelsschepen van de Verenigde Provinciën, die over de middelen beschikken de handelsgoederen te distribueren over Noord-Europa. In het jaar 1585 beveelt Philips II dat alle Hollandse schepen, die op dat moment in Spaanse havens liggen, worden genomen, waarop de Staten-Generaal op 29 november het verbod uitvaardigt dat niemand met schepen en goederen waar dan ook naar toe mag zeilen in Spanje, Portugal, of welk eiland of plaats dan ook behorend aan de koning van Spanje, op straffe van verbeurdverklaring van schip en goederen, of de gezamenlijke waarde daarvan; en dat schippers of eigenaren van vaartuigen ook gestraft zullen worden als dit verbod met hun kennis en instemming wordt overtreden. Het verbod van de Staten-Generaal bewerkstelligt grote consternatie onder de kooplieden, aangezien, indien het strikt wordt uitgevoerd, de belangrijkste handel van de Nederlanden in handen van anderen zal komen. De Hollandse kooplieden zetten, om hun belangen veilig te stellen, hun handel op het Iberisch schiereiland voort met schepen onder neutrale vlag, Het verbod wordt, evenwel, lang voordat het wordt herroepen, nooit erg strikt afgedwongen. Maar soortgelijke verboden worden van tijd tot tijd uitgevaardigd en tussen 1585 en 1600 is door de Staten-Generaal wel tienmaal een verbod uitgevaardigd handel met Spanje en Portugal te drijven.

Vanaf 1565 hebben de Hollanders handel ontwikkeld met de landen in het noorden en tegen 1585 hebben zij het gebied van de Witte Zee bereikt. In 1581 ontvangt Gerard Mercator van Johan Belek een brief, waarin hij hem schrijft dat Cathay (China) via het noorden te bereiken is, door de al gedane ontdekkingen in die richting verder uit te breiden en korte tijd later stelt Balthasar de Moucheron aan Prins Willem van Oranje voor dat de regering steun zal verlenen aan het ondernemen van een expeditie via de noordelijke route naar China en Indië. De politieke stand van zaken in die tijd verhindert de Staten-Generaal om de gevraagde hulp te verlenen en het is niet eerder dan 5 juni 1594 dat de voorgenomen expeditie, onder bevel van Jacob van Heemskerck en Willem Barents, vertrekt. Indië blijkt echter niet via deze route te bereiken, maar in die periode heeft een man zitting in de Staten van Holland en West-Friesland aan wie de Hollanders veel dank verschuldigd zijn, niet alleen om de door hem verstrekte inlichtingen die hebben geleid tot hun deelname aan de handel met Indië, maar ook om zijn grote bijdrage aan de wetenschap en de vooruitgang van de beschaving. De bedoelde persoon is Jan Huygen van Linschoten. Hij is in 1563 geboren in Haarlem en is behept met een sterk verlangen tot reizen. Hij verlaat het ouderlijk huis op de leeftijd van 16 jaren en vertrekt naar Spanje, waar zijn broer woont en daarna naar Lissabon, waar hij in dienst treedt van de nieuw benoemde aartsbisschop van Goa, Dom Aleixo de Menezes o.e.s.a.. Na enige jaren in Lissabon te hebben gewoond, vertrekt hij met zijn werkgever naar Goa en verblijft daar van 1583 tot 1589 en klimt op tot boekhouder en secretaris van de aartsbisschop. Hij toont zich een zorgvuldig en ijverig waarnemer, hij vergaart een grote schat aan inlichtingen over bijna iedere tak van onderzoek, speciaal met inbegrip van de producten die de Portugezen in grote hoeveelheden via Cabo da Boa Esperança naar Europa transporteren. Van Linschoten keert in 1592 naar huis terug en in 1596 publiceert hij de resultaten van zijn jarenlange onderzoek, die begerig worden bestudeerd, niet alleen door wetenschappers, maar ook door kooplieden en zeevaarders. Hij publiceert ook een praktische handleiding van zijn reizen naar Indië voor zeevaarders. Hij beschrijft de route van Lissabon naar het Oosten, de stromingen, de passaatwinden, de moessons, de havens, eilanden, zandbanken, zich onderwater bevindende rotsen en gevaarlijke drijfzanden, en hij voegt aan zijn werk toe kaarten van landen en kusten, evenals verschillende astronomische en mathematische berekeningen. Linschoten is nog maar nauwelijks naar Holland teruggekeerd, of Amsterdamse kooplieden zenden, op advies van Peter Plancius, predikant en geograaf en een leerling van Gerardus Mercator, Cornelis de Houtman naar Lissabon, om verder onderzoek te doen naar de Indische handel; hij wordt gearresteerd voor het stelen van zeekaarten en keert na zijn vrijlating in 1594 terug naar Holland. Direct na zijn aankomst wordt er een vergadering belegd van de belangrijkste scheepseigenaren van Amsterdam, waarbij ook Peter Plancius aanwezig is. Als de belangrijkste vraag, de Indische handel, wordt besproken, wordt een resolutie aangenomen om spoedig een vloot naar Indië te zenden. Negen Amsterdamse kooplieden stellen gezamenlijk de noodzakelijke fondsen voor de expeditie beschikbaar. Zij richten de Compagnie van Verre op en zullen vier schepen doen vertrekken, schijnbaar voor een reis “naar de landen liggende aan de andere kant van Kaap de Goede Hoop.” Deze schepen – Mauritius, Hollandia of de Hollandsche Leeuw Amsterdam en het jacht of de pinas het Duyfken – zeilen op 2 april 1595 van de rede van Texel uit naar de Oost, onder bevel van Cornelis de Houtman en zijn eeuwige rivaal, de tweede koopman Gerrit van Beuningen. Zijn broer Frederik de Houtman is ook van de partij en Pieter Dircksz Keyzer is de loods. Deze schepen blijven bijna 2½ jaar weg. Uit financieel gezichtspunt is de expeditie niet erg succesrijk; de Amsterdam moest worden verbrand, omdat het schip volkomen ongeschikt was geraakt voor verder gebruik. De drie resterende schepen halen op de terugweg bij Sint Helena op 26 mei 1597 de Portugese retourvloot1, in en zij zijn 11 augustus2 1597 terug bij Texel, met slechts eenderde van de bemanning van de oorspronkelijke vier schepen. De vaart op Indië is echter geopend en er is een verdrag aangegaan met de koning van Bantam, de vorst van de belangrijkste peperhaven van West-Java.

In hetzelfde jaar dat de Hollanders hun eerste expeditie naar Indië zenden, legt Philips II, zonder enige waarschuwing, opnieuw beslag op alle Hollandse schepen, die zich in Spaanse wateren ophouden en hij confisqueert alle eigendommen van Hollandse kooplieden in het land. Hun boeken en papieren worden allemaal meegenomen, met de bedoeling daaruit het bedrag te achterhalen van de goederen en bedragen die men elkaar schuldig is en tevens aan de weet te komen in welke mate zij crediteuren van Spanjaarden of Portugezen zijn. Er wordt ook een proclamatie uitgegeven die behelst, dat geen Spaans onderdaan enige schuld aan een Hollander betaalt, op straffe van verbeurdverklaring van hetzelfde bedrag aan de kroon. Inlichtingen over dit onjuiste decreet bereiken Holland, via Sicilië en Antwerpen, waarop de Staten-Generaal op 12 augustus 1595 besluiten dat, om verder ongerief en verdere verliezen te voorkomen, hangende de ontvangst van verdere inlichtingen over dit onderwerp, alle betrekkingen met Spanje via zeevaart zullen worden opgeschort. Er worden bevelen gezonden naar de vijf Admiraliteiten (de Maas, Amsterdam, Zeeland, Friesland en het Noorderkwartier), die strikt verbieden dat schepen uit een Nederlandse haven uitvaren naar Spanje en Portugal en naar gebieden die afhankelijk zijn van de Spaanse Kroon. Later wordt het nieuws ontvangen dat alle in Spaanse wateren in beslag genomen schepen zijn geconfisqueerd en door de koning worden ingezet tegen de Hollanders, of tegen andere vijanden. De Staten-Generaal besluiten daarop, op 3 oktober 1596, dat teneinde de koning van Spanje alle middelen te onthouden die hij zou kunnen inzetten tegen het heil van de christenheid, alle schepen die worden gereedgemaakt om uit te zeilen naar Spanje, Portugal of Italië het dwingende bevel krijgen niet uit te zeilen. Een paar weken later, op 19 oktober, worden orders verstrekt aan de Admiraal van Holland en aan de afgevaardigden van de Admiraliteit een schip van de Maas te zenden naar het Kanaal tot aan Calais. Dit schip wordt bevolen, evenals alle andere Hollandse oorlogsschepen die het ontmoet, alle Hollandse schepen die zij zien en waarvan de kapiteins blijken op weg te zijn naar Spanje, Portugal of Italië, te verbieden hun reis naar ieder van deze landen voort te zetten, op straffe van het verlies van zowel het schip als de lading, en hen bevel te geven terug te keren naar Holland. Er worden ook schepen naar de Elbe en de Eems gezonden om dezelfde waarschuwing te geven aan Hollandse vaartuigen die daar worden aangetroffen. Dus in antwoord op de poging van Philips II de handel met Holland aan te tasten, nemen de Staten-Generaal de meest stringente maatregelen die zij maar kunnen bedenken, om verdere commerciële relaties tussen de beide landen te verbreken.

Dezelfde personen die ook de eerste reis onder Cornelis de Houtman hebben uitgereed, dus de bewindvoerders van de Compagnie van Verre, rusten wederom een vloot uit voor de “tweede schipvaart”. Deze vertrekt, onder bevel van admiraal Jacob van Neck en vice-admiraal Wybrandt van Warwijck op 1 mei 1598 met acht schepen en 560 koppen van Texel naar de Oost. Bovendien vertrekken dat jaar twee Zeeuwse expedities met twee en drie schepen, terwijl Mahu en Cordes met vijf en Olivier van Noort met vier schepen uit Rotterdam naar Oost-Indië vertrekken. Hiermee komt het totale aantal schepen die dat jaar naar Oost-Indië vertrekken op 22. Hieruit blijkt dat de Verenigde Provinciën vastbesloten zijn de veelbelovende onderneming voort te zetten. Uit de in de bijlage besproken reizen van de zogenaamde voorcompagnieën blijkt dat er al voor de oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) op 20 maart 1602, meer dan 60 schepen uit Holland en Zeeland naar Oost-Indië zijn gezonden. De Hollandse concurrenten komen niet alleen met grote vloten (de eerste VOC-vloot telt 12 schepen) naar de Oriënt om specerijen te verwerven waarop de Portugezen dachten het monopolie te bezitten, maar die men ook gaarne aan anderen verkoopt. De aanval van Wolfert Harmensz op de Portugese vloot van 30 schepen, die de Hollanders uit Bantam moest weren, op 3 januari 1603 heeft geleid tot een zeer smadelijke vlucht van de Portugese vloot naar Ternate. De nieuwkomers worden al van meet af aan zeer gevreesd door de Portugezen. Dauril Alden geeft daarvan een mooi voorbeeld. Als Nederlandse schepen3 zich in september 1601 voor Macau laten zien, ontstaat er zo’n paniek in de stad, dat overwogen wordt alle vrouwen en kinderen in veiligheid te brengen in het jezuïetencollege. Maar deze maatregel blijkt niet nodig te zijn; de sloep van een van de Hollandse schepen valt in handen van de Portugese verdedigers. De 20 inzittenden daarvan worden beschuldigd van piraterij en 17 van hen worden bijgevolg geëxecuteerd, maar niet dan nadat zij zich hebben bekeerd tot het katholicisme en de autoriteit van de paus hebben erkend.

1 bestaande uit de naus São Simão, Conceição, São Filipe en Vencimento do Monte do Carmo

2 16 dagen voordat de retourvloot de Taag binnenloopt

3 Het gaat om de Haarlem en Leiden uit de tweede vloot van Jacob van Neck, onder bevel van Gaspar Groensbergen

3.2 De komst van de Engelsen naar Indië

Categorieën
Nederlandse kolonialisme Portugees kolonialisme

Vice-rei Dom Francisco da Gama (1597-1600). De komst van Hollanders en Engelsen naar Indië

Deel 15 Index

Hoofdstuk 3.

De komst van Hollanders en Engelsen naar Indië

3.0. Vice-rei Dom Francisco da Gama (1597-1600)

Geschreven door Arnold van Wickeren

Dom Francisco da Gama, conde de Vidigueyra, neemt direct na zijn aankomst in Goa in mei 1597 het ambt van onderkoning op zich. Vanaf het begin slaat de nieuwe gouverneur tegenover anderen zo’n hoge toon aan en hij gedraagt zich in het algemeen zo aanmatigend dat hij in korte tijd buitengewoon onpopulair is. Dom Francisco is vooral gehaat omdat hij zonder daarover van wie dan ook advies te vragen zijn eigen mensen op hoge ambtelijke posten benoemt. Hij staat hun toe hoge functies te bekleden, mits zij daarvoor geld op tafel leggen. Dus, in plaats van dat hij zich wendt tot mensen die door lange en efficiënte dienstverlening de gerechtvaardigde verwachting koesteren te worden bevorderd, vallen de begeerde functies in handen van volslagen onwaardige personen. Het valt niet te verwachten dat deze stand van zaken lang kan duren en de klachten klinken op het laatst zo luid dat Dom Francisco zich daarvoor niet langer doof kan houden. Nadat hij zich in de materie heeft verdiept, rectificeert hij de misbruiken door de kopers van ambten terug te geven wat zij voor hun functies hebben betaald en deze ambten te verlenen aan bekwamere mensen. In 1597 bouwt de Goanese engenheiro en architect Julio Simão, in opdracht van vice-rei Dom Francisco da Gama, de Arco dos Vice Reis, waarop deze kleinzoon van Vasco da Gama in 1599 een standbeeld van zijn grootvader heeft laten plaatsen.1

Catula, de koning van Orissa, heeft een bepaalde beroemde pagode die aan de Patanis behoort, ontwijd en geplunderd. De Patanis komen onverwachts in opstand, vallen hem aan en doden zijn zoon en 2.000 van zijn mannen. De Grootmogol zendt daarop Manasinza met een leger van 35.000 ruiters, 80.000 man voetvolk en met een groot aantal olifanten, uitgerust met kastelen en ander oorlogstuig. Deze strijdmacht dient de Patanis te onderwerpen. In Jassalor vallen alle inwoners, ongeveer 6.000 in getal, furieus over de vijand heen en aanvankelijk doden zij er velen, maar tenslotte geeft de numerieke overmacht van de vijand de doorslag en vinden bijna alle moedige inwoners van Jassalor de dood. De vijand dringt tenslotte Jassalor binnen, plundert de stad, waarna de rest van de Patanis zich onderwerpt aan de Mogols. Manazinza marcheert dan op tegen Orissa en Catula die niet in de positie verkeert zich tegen Manasinza te verzetten, biedt vrijwillig zijn onderwerping aan de Mogols aan. Nadat in 1597 een langdurige oorlog op Ceylon is geëindigd, waarvoor verwezen wordt naar een volgend deel, moet de graaf van Vidigueyra een ander probleem onder ogen zien en wel de komst van Hollandse schepen naar de Indische Archipel. Alvorens daaraan aandacht te schenken, dienen we stil te staan bij de politieke situatie in Europa in die tijd. Daarvoor wordt verwezen naar de volgende paragraaf.

Zoals gebruikelijk rust Dom Francisco da Gama, spoedig nadat hij het ambt van vice-rei op zich heeft genomen, twee eskaders uit. Een daarvan zendt hij uit naar de kust van Malabar en de andere vertrekt naar het noorden. De noodzaak daartoe is in belangrijke mate vergroot als uitvloeisel van de activiteiten van de piraat Kunhale Marakkayar, die, met de geheime instemming van de zamorin, ermee doorgaat de scheepvaart in deze zeeën aan te tasten. Het eskader bestemd voor de Malabarkust wordt geplaatst onder het bevel van Dom Luíz da Gama, broer van de onderkoning, en bestaat uit vijf galeien en 36 andere schepen, waarin zich bijna 2.000 zorgvuldig gekozen mannen bevinden. De vloot koerst langs de kust, waarbij zij plaatsen behorend aan de zamorin aanvalt en verwoest, uit wraak voor de verliezen die Kunhale heeft toegebracht aan Portugese schepen en om de zamorin ertoe te dwingen mee te helpen de piraat te vernietigen. Het eskader voor het noorden bestaat uit tien schepen, onder bevel van Luíz da Silva. Hij zeilt eerst naar het eiland Sangenes, dat een gebruikelijk toevluchtsoord is voor vaartuigen van piraten, maar als hij daar geen enkele piraat vindt, gaat hij daar met zijn mannen aan land en verwoest het eiland om de bevolking daarvan te straffen, omdat zij de piraten toestaat daar te ankeren. In de Rio Chapora treft Luíz da Silva vier paraos aan die toebehoren aan deze piraten. Hij neemt twee van deze vaartuigen en hij brengt een ander met zijn kanonnen tot zinken; veel bemanningsleden worden gedood, maar verschillende anderen vluchten het land op en van hen worden 200 man gevangengenomen en onthoofd. Hun hoofden worden aan de monding van de rivier opgezet als een waarschuwing aan anderen. Bij Chaul neemt Luíz da Silva een galjoot en verderop verovert hij een galei, waarin zich een neef van Kunhale Marakkayar bevindt. Van zijn manschappen worden er 200 gevangengenomen, van wie er 100 worden gedood, zonder dat aan Portugese kant doden te betreuren zijn. Volgens Danvers verschijnen in 1597 “twee Hollandse2 schepen die zijn doorgedrongen in de Oosterse zeeën, aan de Malabarkust. Zij richten daar en aan andere plaatsen enige lichte schade aan.”

De Kunhale, aangemoedigd doordat de zamorin hem toestaat straffeloos de schandelijke daden te begaan, waarmee hij zichzelf in hoge mate verrijkt, begint zich hoe langer hoe meer onafhankelijk op te stellen en hij noemt zichzelf ”Koning van de Moren van Malabar” en “Heer van de Indische zeeën. Deze betitelingen moeten de trots van de zamorin mateloos gekrenkt hebben, maar de Kunhale geeft spoedig een bewijs van zijn minachting voor degene wiens titels hij zo arrogant heeft aangenomen. Door de staart van een van zijn olifanten af te laten snijden en door een van zijn nairs zwaar te beledigen. De Portugezen laten er geen gras over groeien om de situatie uit te buiten en zij zetten de zamorin opnieuw onder druk om een overeenkomst met hen aan te gaan om de macht van de Kunhale te breken. Deze keer hebben zij meer succes en een verdrag over een gezamenlijke actie tegen de piraat is, zoals gezegd, aangegaan door Dom Álvaro de Abranchez, op instigatie van de Matias de Albuquerque. De tijd is nu aangebroken waarop Dom Francisco da Gama de artikelen van deze overeenkomst in werking stelt. De toestand van Kunhales fort is bewonderenswaardig aangepast aan de verdediging; het ligt namelijk bijna op de punt van een schiereiland, dat gevormd wordt door een bocht in de rivier Pudepatan (Kotta-rivier). In de drempel van deze rivier is een smalle kreek die naar het zuiden loopt, waar alleen maar lange vaartuigen tot de helft van hun lengte kunnen doordringen. De isthmus waarop het fort staat wordt aan de landzijde beschermd door een sterke muur, die zich uitstrekt van de kreek tot de rivier. De Kunhale heeft een grote voorraad levensmiddelen aangelegd en heeft alle mogelijke maatregelen genomen om de aanval die hij verwacht, te weerstaan. Zijn garnizoen bestaat uit 1.500 moren, allen uitgelezen en goedbewapende mannen, die hij heeft gelegerd op bepaalde punten van zijn verdedigingslijn. De kleine vaartuigen van de vloot nemen eerst positie in aan de monding van de rivier en zij vallen het fort aan met hun kanonnen met het oogmerk de verdedigers bezig te houden, zodat zij niet slaags raken met de troepen van de zamorin, terwijl deze hun posities innemen aan de landzijde van de fortificaties. Tezelfdertijd controleert Dom Ferdinão de Noronha de kust, om aanvoer van levensmiddelen of andere hulp voor het fort te verhinderen. Kort na het begin van de aanval, arriveert het eskader van Dom Luíz da Gama, dat bestaat uit vier galeien en 35 kleinere schepen. Deze vloot wordt vergezeld door tien vaartuigen die door particulieren zijn uitgerust op hun eigen kosten. Ook arriveren er drie andere schepen; zij zijn geladen met manschappen en ammunitie, die zijn gezonden door de stad Cochin, naast twee grote barken met grote kanonnen om het fort te bombarderen. De koning van Cochin, de kalpathi, altijd bang dat een toenadering tussen de Portugezen en de zamorin, tegen zijn belangen indruist, speelt een gemeen spel. Hij brengt het gerucht in omloop en draagt er zorg voor dat de Portugese commandanten dit vernemen, dat de zamorin een geheime afspraak met de Kunhale heeft gemaakt, die inhoud, dat zodra de Portugezen tot de aanval overgaan, de zamorin en de Kunhale zich gezamenlijk op hen zullen storten. Dit bericht faalt, evenwel, het beoogde effect te sorteren; want, terwijl het bericht niet wordt geloofd, leidt het gerucht ertoe dat de Portugese commandanten extra zorgvuldig te werk gaan. Zodra de gehele vloot zich tegenover het fort van Kunhale, heeft verzameld, wordt ontdekt dat, boven op alle al genoemde verdedigingswerken, een aaneengesloten rij naast elkaar varende galjoten de rivier voor het fort komt afdrijven, om een aanval van die kant te voorkomen. Er wordt, voorafgaand aan een algemene aanval, krijgsraad gehouden. Er wordt besloten dat de schepen in een linie de rivier op zullen zeilen, met het achterschip naar de kust, zodat de schepen de manschappen bij een aanval maximaal bescherming kunnen bieden. Voordat dit plan wordt uitgevoerd, wordt het eerst naar Goa gezonden, om de toestemming van de onderkoning te verkrijgen, en hij, instemmend met het aanvalsplan, zendt zijn broer opdracht dat het plan correct wordt uitgevoerd. Dom Luíz da Gama, evenwel, die overreed is door enige van zijn officieren, acht het gepast deze opdracht niet te gehoorzamen, en, onder het voorwendsel dat het oversteken van de rivierdrempel gepaard zal gaan met groot gevaar en wellicht tevens fataal zal blijken te zijn voor het succes van de gehele expeditie, onderneemt hij een aanval vanaf de kant van Ariole. Aan deze ongehoorzaamheid aan de opdracht is het falen van de gehele aanval hoofdzakelijk toe te rekenen. De zamorin, die de stad van de andere kant aanvalt, verzoekt om enige Portugezen ter assistentie naar hem te zenden, waarop Dom Luíz da Gama, denkende aan het gerucht dat eerder is vermeld, aarzelt aan dit verzoek te voldoen, tenzij in ruil gijzelaars worden gestuurd. Dit verzoek wordt direct door de zamorin gehonoreerd; hij zendt zes mannen van hoog aanzien, onder wie de prinsen van Tanur, Chalè en Carmene en de opperrechter van Calicut, waarop 300 Portugezen, onder bevel van Belchior Ferreira, tot zijn beschikking worden gesteld. Op de avond van de 3e mei 1598, gaan Portugese troepen aan land; als eerste gaat Luíz da Silva, met 600 man, onder wie major Dom António de Leyva. Het signaal voor beide legers met de aanval te beginnen, die is voorzien voor middernacht, is een brandende lans en de persoon die het signaal zal geven is Belchior Calaca. Hij, evenwel, zich vergissend in het afgesproken uur, geeft het signaal te vroeg, met het gevolg dat aanzienlijke verwarring ontstaat. Belchior Ferreira, die aan de kant van de zamorin strijdt, zet de aanval in met zijn 300 Portugezen en 5.000 nairs zodra hij de vlam ziet, maar hij wordt teruggeslagen met een verlies van 28 man. Luíz da Silva, die tegelijkertijd in de aanval zou gaan, beweegt zijn manschappen niet, omdat het afgesproken uur nog lang niet is aangebroken, hoewel hij paraat is en het signaal heeft gezien. Het geheel van arrangementen voor de aanval wordt derhalve danig gefrustreerd. Tegen de morgen besluit Luíz da Silva de plaats aan te vallen met de troepen onder zijn commando, maar zonder eerst zijn bedoeling af te spreken met Belchior Ferreira, en zich te verzekeren van de coöperatie van de strijdkrachten van de zamorin. Bijgevolg steekt hij de kreek van Balyçupe over met 500 man in 60 almadias. Benedict Correa, die als eerste aan land gaat, wordt onmiddellijk neergeschoten; Luíz da Silva, die volgt, wordt ook gedood, waarop het commando overgaat op Dom Francisco Pereira, die spoedig sneuvelt en die wordt opgevolgd door major Leyva. Zijn naam, evenals de namen van veel andere fidalgos, worden spoedig bijgeschreven op de lijst van gesneuvelden en de Portugese strijdkrachten worden korte tijd later verslagen en in zulk een verwarring gebracht dat 153 van hen deserteren en op de vlucht slaan. Het is nu duidelijk dat Dom Luíz da Gama een fatale fout heeft gemaakt door geen acht te slaan op zijn opdracht, aangezien hij, vanuit de door hem, in strijd met zijn opdracht, ingenomen positie niet in staat is de noodzakelijke ondersteuning aan de aanvallende partij te geven, omdat hij zijn vaartuigen aan de andere kant van het fort heeft liggen. Omdat hij niet over boten beschikt van waaruit hij zou kunnen landen, springt hij in het water en waadt naar de kant, zijn mannen oproepende hem te volgen. In deze poging aan land te komen, verliezen 300 man hun leven, waarbij de meeste van hen verdrinken; en ofschoon zij niet bij machte zijn Luíz da Silva’s manschappen te behoeden voor een nederlaag, wreken zij in zekere zin zijn dood door de stad binnen te dringen en voor een deel in brand steken, met inbegrip van de moskee en zij doden 500 moren en Malabaren, onder wie 40 man van aanzien. Hierna keren zij terug naar hun schepen. De aanval op Kunhale is dus van alle kanten mislukt, Dom Luíz da Gama keert terug naar Cochin, terwijl hij Dom Francisco de Sousa achterlaat om de ingang tot de rivier te bewaken. De laatste zet de zamorin onder druk om een andere aanval op de stad te wagen, waarbij Dom Francisco betoogt dat de laatste slachtpartij Kunhales strijdkrachten zozeer verzwakt heeft dat de stad gemakkelijk kan worden genomen. Er wordt een nieuwe aanval ingezet met 10.000 man, maar deze wordt eveneens afgeslagen. Als in Goa het nieuws wordt ontvangen over het afslaan van de tweede aanval, wordt Dom Luíz da Gama teruggezonden om met de zamorin af te spreken het beleg van Kunhale niet op te heffen, maar zijn positie voor de stad gedurende de winter te handhaven totdat de Portugese vloot volgend voorjaar kan terugkeren om de aanval te hervatten. Er wordt vervolgens zo’n overeenkomst gesloten, waarna Dom Luíz da Gama besluit Dom Ferdinão de Noronha met twaalf schepen achter te laten, om te verhinderen dat Kunhale vanuit zee bevoorraad wordt. Als Dom Luíz da Gama weer in Goa is teruggekeerd, wordt een beschuldiging tegen hem ingediend in verband met het mislukken van de aanval op Kunhale en hij wordt voor de rechter gebracht, maar vrijgesproken. Hierna wordt Dom Luíz da Gama naar Ormoez gezonden, omdat hij voor zijn vertrek uit Lissabon door de koning tot capitão van Ormoez is benoemd.

In het volgende jaar, 1599, richt de onderkoning wederom zijn aandacht op de oorlog tegen Kunhale, zodra hij de retourvloot van dat jaar en de gebruikelijke eskaders heeft doen vertrekken. Kunhale heeft zich, nadat hij de in 1598 tegen hem uitgezonden expeditie een nederlaag heeft toegebracht, bovendien getooid met de titels “Verdediger van het Mohammedanisme” en “Verdrijver van de Portugezen” en verschillende inheemse vorsten zijn begonnen te speculeren over wat de gevolgen zullen zijn als Kunhale tenslotte zou zegevieren over zijn vijanden. Vice-rei Dom Francisco da Gama belast André Furtado de Mendoça als bevelhebber van een nieuwe expeditie tegen Kunhale, die wordt uitgevoerd met drie galeien en 54 andere vaartuigen. Met deze vloot zeilt André Furtado naar zijn bestemming, nadat hij onderweg de koning van Banguel en de koningin van Olala heeft afgeraden Kunhale hulp te bieden, als zij van plan waren dat te doen; hij maakt ook vijf schepen uit Mecca buit, die Kunhale voorraden willen bezorgen. Nadat André Furtado bij Kunhale is aangekomen, heeft hij een onderhoud met de zamorin, waarvan het resultaat is, dat korte tijd later, in december 1599, een verdrag tussen beiden wordt gesloten. Hierin wordt bepaald dat de zamorin zolang als nodig is 1.000 werklieden voor het kamp en het beleg en 15 olifanten voor zolang het beleg zal duren ter beschikking zal stellen. Hij zal ook voorzien in al het noodzakelijke timmerhout, de nodige timmerlieden, zagers en andere handwerkslieden, 5.000 gewapende mannen voor de belegering en voorts vier schepen met zeelieden en lascars om de rivier te bewaken en te beschermen, naast 30 kleine boten voor hetzelfde doel en tenslotte 200 bijlen en 1.000 manden voor het beleg. André Furtado, van zijn kant, neemt op zich het fort van Kunhale direct te verwoesten als het zou worden ingenomen en zegt toe dat de zamorin de helft van het geld, de goederen en de artillerie die ter plaatse gevonden zal worden, zal ontvangen, terwijl al de andere wapenen die daar blijken te zijn het eigendom van de vinders zijn. De zamorin neemt voorts op zich een kerk en een feitoria te bouwen voor de Portugezen in Calicut. Nadat al deze regelingen zijn getroffen, stromen er uit Goa en andere plaatsen extra troepen en schepen (een galjoen, een galei, 11 schepen en 21 andere vaartuigen) toe, die extra ammunitie en 790 man aanvoeren. Voordat de operaties beginnen, inspecteert André Furtado de Mendoça de vijandelijke verdedigingswerken persoonlijk, geeft opdracht waar de verschillende batterijen te plaatsen en waar zijn bombardementskanon opgesteld dient te worden en hij maakt zich volkomen meester van de rivier. Zijn eerste operaties zijn gericht op enige buitenposten van de vijand, waaruit de moren snel verdreven worden. Daarna voert Kunhale zelf versterkingen aan en verdrijft de Portugezen uit de door hen veroverde buitenposten. Zodra André Furtado ziet dat zijn mannen moeten wijken, komt hij aan land om persoonlijk een nieuwe aanval te leiden, deze keer met succes; niet minder dan 600 moren worden gedood, terwijl de Portugezen twee kapiteins en negen soldaten verliezen. Hierna wordt de aanval op Fort Blanco ingezet en ofschoon deze op zich geen succes heeft, voelt Kunhale zich zozeer onder druk gezet, dat hij contact opneemt met de zamorin met de bedoeling hem om te kopen. Hij belooft de zamorin grote geschenken als deze bereid is bij de overgave van de plaats te accepteren dat de levens van al zijn mannen gespaard zullen worden. De zamorin heeft wel oren naar dit voorstel, maar zodra André Furtado in de gaten krijgt wat er speelt tussen Kunhale en de zamorin, zet hij een nieuwe aanval in op het vijandelijke fort, met al zijn beschikbare troepen. Hierop breekt de zamorin de onderhandelingen af en valt het Fort Blanco van de andere kant aan met 600 nairs. Na enige strijd dringen de aanvallers het fort binnen en het lager gelegen deel van de stad wordt geplunderd en in brand gestoken. Vervolgens worden batterijen ingezet tegen de bovenstad en het hoofdfort, waarbij grote verwoestingen worden aangericht en uiteindelijk blijkt de Kunhale niet meer in staat verdere weerstand te bieden. Hij geeft zich over op de enkele conditie dat zijn leven gespaard zal worden. Hij marcheert zijn fort uit met een zwarte sluier over zijn hoofd, terwijl hij zijn zwaard met de punt naar de grond richt. Hij draagt zijn zwaard over aan de zamorin, die het doorgeeft aan André Furtado. Kunhale wordt gevangengenomen en overgebracht naar Goa, waar hij, ondanks de voorwaarden waarop hij zich heeft overgegeven, ter dood wordt veroordeeld als een verrader van zijn koning, een piraat en een vervolger van de christenen. Hij wordt vervolgens onthoofd, tezamen met vele van zijn kompanen. Het fort van Kunhale en alle erbij behorende werken worden tot de grond toe neergehaald, overeenkomstig de voorafgesloten overeenkomst over dit onderwerp. We moeten nu een paar jaren teruggaan om te zien welke belangrijke gebeurtenissen zich elders in Portugees Indië hebben voorgedaan terwijl de macht van Kunhale vernietigd werd.

Rond het jaar 1597 arriveert Dom John de Samudio in Macau als bevelhebber van een Spaans schip. Hij bouwt een fort in de haven van Pinal, ondanks het verzet van en de protesten tegen zijn optreden van de zijde van Dom Paul de Portugal, die daar het bevel voert.3 In de jaren 1597 en 1598 duurt de oorlogssituatie op Ceylon, waar de Portugezen een leger van 20.000, van wie nog geen 1.000 Europeanen, in stand houden, voort.4

Sjah Abbas I (1588-1629) is sterk betrokken bij zijn strijd tegen de Ottomanen, hij wil hen met alle mogelijke middelen verslaan. Een gelukkige gebeurtenis helpt hem de politiek van zijn voorgangers te volgen. In 1598 arriveert een Engelsman, Sir Anthony Sherley (of Shirley), met zijn gevolg, aan het hof in Qazvin om zich in dienst te stellen van de sjah van Perzië. De bijzonder goede verstandhouding tussen sjah Abbas I en Sherley zal van beslissende invloed zijn op de Portugese positie in de Perzische Golf. Daarom wordt hieraan uitgebreid aandacht geschonken.

Sir Anthony Sherley, telg uit een roemrijk geslacht met deze naam, is in 1563 geboren in Wiston. Na zijn studie in Oxford te hebben voltooid, vertrekt hij in 1586 naar de Verenigde Provinciën en strijdt in 1591 met de graaf van Leicester, Sir Robert Dudley, in de Slag van Zutphen. In 1595 onderneemt hij, onder bescherming van de graaf van Essex, een expeditie tegen São Tomé en de Spaanse koloniën in Amerika. Twee jaren later wordt Sir Anthony door de graaf van Essex ter beschikking gesteld van Don Cesare d’Este, de natuurlijke zoon van de hertog van Ferrara, die paus Clemens VIII, het bezit van de hertogstitel betwist. Don Cesare heeft zich voor de komst van Sherley aan de paus onderworpen, waardoor de missie van Sherley niet meer van nut is. De graaf van Essex stelt hem dan voor zich naar Perzië te begeven om sjah Abbas te vragen of hij kan instemmen met een tegen de Ottomanen gericht verbond van christelijke vorsten en met het vestigen van commerciële relaties tussen Engeland en Perzië. Sir Anthony aanvaardt deze avontuurlijke missie zonder aarzeling. Hij scheept zich op 24 mei 1598 in Venetië in, met een gevolg van 25 personen, onder wie zich bevinden: zijn broer Sir Robert Sherley, kapitein Powel, John Howard, John Parrot, die in Lahore zal overlijden en een artillerist, bedreven in de kunst van het gieten van kanonnen. Sherley heeft zijn eerste audiëntie in Qazvin. De sjah die is teruggekeerd uit Khorāsān na een geslaagde campagne tegen de Oezbeken, ontvangt hem allerhartelijkst. Sherley is niet een echte gezant: hij gedraagt zich als iemand die carrière heeft gemaakt en die aan de sjah zijn diensten en die van zijn kompanen komt aanbieden Dankzij het vertrouwen van Allāh Verdy, opperbevelhebber van het Perzische leger, weet hij de tegen hem gerichte intriges te trotseren en een corps Perzische infanterie op te leiden dat in staat moet zijn het hoofd te bieden aan de Janitsaren. Ook dient dit corps sjah Abbas onafhankelijk te maken van de luimen van en de onrust onder zijn stamhoofden, op wie zijn leger steunt. Vervolgens stelt Sherley hem voor, om de vorst zijn volledige toewijding te bewijzen, met de vorsten van Europa een offensieve en defensieve alliantie tegen het Ottomaanse Rijk aan te gaan. Als waarborg voor zijn oprechtheid en goede trouw, biedt hij aan, bij zijn vertrek naar Europa, zijn broer Robert, wiens militaire talenten een grote hulp zullen blijken te zijn bij de campagne die gaat worden ondernomen, en vijf van zijn kompanen aan het hof van de sjah achter te laten. Sjah Abbas stemt met het voorstel in. Een ambassadeur van de Porte, die is gekomen om te praten over vernieuwing van de wapenstilstand die tussen het Ottomaanse Rijk en Perzië van kracht is, wordt zonder veel plichtplegingen de laan uit gestuurd en sjah Abbas biedt Sir Anthony aan deel te nemen aan de aanstaande campagne tegen de Ottomanen. Hij is van plan om het gezantschap van Sir Anthony te doen vergezellen van een van de voornaamste persoonlijkheden aan zijn hof, maar overwegingen van persoonlijke aard en bovendien de vereiste aanwezigheid van de uitverkorene aan het hof brengen sjah Abbas ertoe als metgezel van Sir Anthony te kiezen voor Hussein ‘Ali Beyk, een man van middelmatige bekwaamheid, Voorzien van geloofsbrieven5 voor de vorsten van Europa, neemt Sherley afscheid van de sjah, die resideert in Ispahan, en hij begeeft zich naar Rusland. Na een zeer gevaarlijke reis van zes maanden komt hij aan in Moskou en tijdens zijn verblijf in de stad krijgt hij te kampen met de ongelukkige procedures van de regering van de groothertog. Men wendt voor hem niet te erkennen als ambassadeur van de sjah; alle eerbewijzen en alle voorkeursbehandelingen worden gegeven aan zijn metgezel Hussein ‘Ali Beyk, die onder zijn gezag is gesteld; de brieven waarvan Sir Anthony de drager is, worden hem ontnomen en zij worden geopend; tenslotte wordt hem formeel verboden betrekkingen te onderhouden met in Moskou woonachtige Engelse kooplieden. Na een verblijf van zes maanden, ontvangt Sherley verlof Moskou te verlaten om zich naar Arhangelsk te begeven. Daar kan hij zich inschepen naar Stettin. Hij arriveert tenslotte in de herfst van het jaar 1600 in Praag, waar hij plechtig wordt ontvangen door keizer Rodolph II. Na een verblijf van drie maanden, verlaat Sir Anthony Praag om verder naar Rome te reizen. Daar aangekomen, wordt de ambassadeur van de koning van Perzië het object van een pompeuze ontvangst door de Heilige Vader, paus Clemens VIII. Hij verblijft in Rome tot de maand juli 1601. In die maand verlaat hij schielijk de Heilige Stad om zich in het geheim naar Venetië te begeven. De motieven voor dit overhaaste vertrek zijn een mysterie gebleven. Er is geopperd dat zijn papieren en de aan de diverse vorsten van Europa door sjah Abbas gerichte brieven, door een van de leden van het gezantschap zijn ontvreemd; zij zouden naar Istanbul zijn gebracht en bezorgd zijn aan de grootvizier. Zich niet veilig voelend, heeft Sherley gemeend zich onder de bescherming te moeten stellen van La Serenissima Repubblica di Venezia. Don Juan de Persia, van zijn kant, bevestigt dat Anthony Sherley een deel van de geschenken bestemd voor de christelijke vorsten in Moskou heeft verkocht aan Engelse handelaren die zich hadden gevestigd in de Baltische Haven van Moskou. Er zou een zeer hevige woordenwisseling hebben plaatsgehad in Siena, in tegenwoordigheid van de door paus Clemens VIII gezonden kardinaal, tussen Sherley en Hussein ‘Ali Beyk, toen deze de geschenken die men aan de paus had moeten geven, opeiste, maar die niet konden worden teruggevonden. Twee maanden later verlaat Hussein ‘Ali Beyk Rome. In Barcelona wordt hij ontvangen door de hertog van Feria, onderkoning van Catalonië, die hem begeleidt naar Valladolid, waar Philips III hem een plechtige audiëntie verleent. Tijdens zijn verblijf aan Spaanse hof, die twee maanden duurt, geraken twee leden van het gezantschap ‘Ali Qoli Beyk, zijn neef, en Urūdj Beyk zozeer bekoord door de pracht van de katholieke eredienst en het leven in Spanje, dat zij hun geloof vaarwel zeggen en christen worden. De koning en de koningin van Spanje treden op als hun peter en meter en geven aan hen de namen don Philippe en don Juan. De ambassadeur van Perzië besluit over zee naar zijn land terug te keren en hij laat de voorgenomen bezoeken aan de vorsten van Engeland, Schotland, Frankrijk en Polen wachten tot betere tijden. Nadat hij van Philips III een gouden ketting ter waarde van 500 ecu’’s en een bedrag van 10.000 dukaten om zijn reis te bekostigen, heeft gekregen, gaat hij naar Lissabon om zich daar begin 1602 in te schepen voor Cabo da Boa Esperança en Ormoez. Hussein arriveert in de loop van de herfst in Ormoez; van zijn terugreis naar Perzië is ons niets bekend.

In het voorjaar van 1598 is Dom Hierome Coutinho gereed om met een vloot van vijf schepen naar Indië te zeilen, maar dit blijkt niet mogelijk te zijn, omdat de monding van de Taag wordt geblokkeerd door een Engels eskader, onder bevel van de Earl of Cumberland, dat daar blijft liggen totdat het seizoen al te ver gevorderd is om nog uit te zeilen. Daarom is er in 1598 geen vloot uit Lissabon naar het Oosten vertrokken. Inmiddels heeft koning Philips zijn onderkoning in Indië een brief geschreven, gedateerd 10 maart 1598, waarin hij beveelt dat schepen van de retourvloot tot eind mei bij Sint Helena op elkaar moeten wachten, om sterker te staan tegenover Hollandse zeerovers. Vroeg in het jaar 1599 zeilt Dom Hierome Coutinho uit met vier schepen van de vloot van het vorige jaar. Hij wordt vergezeld door Simão de Mendoça, die het bevel voert over drie andere schepen. Zij brengen het bericht dat koning Philips II van Spanje (Dom Filipe I van Portugal) op 13 september 1598 in Madrid is overleden. Bij Sofala gaat een van deze drie schepen verloren en een andere nau levert op de terugweg een gevecht met twee Hollandse schepen nabij het eiland Sint Helena en zou in dit gevecht de overhand gekregen hebben. Dit laatste schip, de nau São Simão, onder bevel van kapitein Diogo de Sousa uit Viana, zou de rest van de thuisvloot vooruit zijn gesneld. Bij Sint Helena liggen twee Hollandse schepen6, ieder met twee rijen geschut, die op het eiland water aan het innemen zijn. Zij zenden een boodschap naar Diogo de Sousa, waarin directe overgave wordt verlangd, wil hij niet naar de andere wereld geholpen worden. Het enige antwoord dat Diogo de Sousa geeft is een kanonschot, dat direct wordt beantwoord door acht schoten van de vijand. De hevigheid van de beschieting door de Hollandse schepen alarmeert de Portugese bemanning zozeer, dat verschillende van hen trachten van het schip af te komen, maar nadat hen moet is ingesproken door de kapitein, keren zij naar hun posten terug en richten met hun kanonnen veel schade aan de vijandelijke schepen aan. Het gevecht duurt de gehele middag, de hele nacht en de volgende morgen, als de Hollandse schepen, die behoorlijke schade hebben opgelopen, wegzeilen, met achterlating van de watervaten. Kort na het gevecht arriveren de andere schepen van de retourvloot. Diogo de Sousa sluit zich bij hen aan en de schepen vervolgen hun reis gezamenlijk.

In het jaar 1600 arriveren vier schepen uit Lissabon in Goa, onder commando van Ayres de Saldanha, die de graaf van Vidigueyra als onderkoning zal opvolgen. Een van deze vier schepen zal gekaapt worden in de monding van de Taag. Op een van de andere schepen keert de afgetreden onderkoning naar huis terug, tot zeer grote tevredenheid van de bevolking van Goa, die zich niet inhoudt om haar afkeer van de conde de Vidigueyra te tonen, zodra deze zijn ambt heeft overgedragen. Boven op de belangrijkste poort van de stad staat een groot marmeren standbeeld van Dom Vasco da Gama en dit beeld wordt op een nacht door de bevolking naar beneden gegooid, waarbij het beeld in stukken breekt. Deze stukken worden op verschillende openbare plaatsen opgehangen. Op de dag dat de afgetreden onderkoning zich zal inschepen, gaan 40 goedbewapende mannen aan boord van zijn schip en zij hangen zijn beeltenis op aan de nok van de ra. Deze beeltenis is speciaal voor dit doel gemaakt en zij lijkt sprekend op hem, zowel qua gezicht als qua kostuum. Bij zijn aankomst aan boord informeert Dom Francisco wat die figuur aan de ranok voorstelt en hij krijgt het antwoord, “het is Uwe Hoogheid en zij zijn de mannen die het hebben gedaan”. Dom Francisco da Gama antwoordt “Niet meer, niet meer Indië.” Hij geeft bevel het portrait naar beneden te halen en in zee te gooien en daarna de zeilen te hijsen, maar hij is verplicht na twee dagen terug te keren, om gevogelte in te laden, omdat al het gevogelte dat voorheen aan boord is gebracht, vergiftigd blijkt te zijn. Dom Francisco zeilt opnieuw uit op 25 december 1600 en hij bereikt Lissabon al op 27 mei 1601. Hij heeft de reis dus volbracht in vijf maanden, in die jaren een ongelooflijk korte tijd. Er wordt gezegd dat de winden zo gunstig waren dat het onnodig is geweest gedurende de reis de zeilen ook maar een keer op te rollen, welk feit iemand de opmerking heeft ontlokt dat “de elementen de graaf kennelijk meer liefhebben dan de mensen.”

Het koninkrijk Pegu, dat tot dan toe niet van grote betekenis was, is tijdens de ambtsperiode van Dom Francisco da Gama uitgegroeid tot een van de grootste rijken in Azië. Hierop wordt later teruggekomen.

1 Hutt geeft als oorspronkelijk bouwjaar van de Arco 1543 en vermeldt dat de Arco in 1954 is herbouwd en in 1971 is gerestaureerd

2 Dit moeten de twee resterende Engelse schepen van de expeditie van kapitein Benjamin Wood zijn geweest, die door de Portugezen voor Hollandse schepen zijn gehouden. (Zie volgende paragraaf.)

3 Bij de behandeling van Macau, in een van de volgende delen, wordt op deze zaak teruggekomen

4 Zie de bespreking van de Portugezen op Ceylon, in een van de volgende delen

5 Sjah Abbas noemt Sir Anthonie Sherley in deze brieven zijn vriend, met wie hij dagelijks uit dezelfde schaal heeft gegeten en uit dezelfde beker heeft gedronken, zoals broers dat doen.

6 Het gaat hier vrijwel zeker om de Zon en de Langebarke van de Middelburgse Compagnie

3.1 De komst van de Hollanders naar Indië

Categorieën
Portugees kolonialisme

Vice-rei Dom Duarte de Menezes, conde de Tarouca, capitão-geral Manuel de Sousa Coutinho en vice-rei Matias de Albuquerque (1584-1597). De Estado da India in de jaren 1581-1597

Deel 15 Index

Hoofdstuk 2.

De Estado da India in de jaren 1581-1597

2.1. Vice-rei Dom Duarte de Menezes, conde de Tarouca, capitão-geral Manuel de Sousa Coutinho en vice-rei Matias de Albuquerque (1584-1597)

Geschreven door Arnold van Wickeren

De eerste zaak waaraan de nieuwe onderkoning zijn aandacht dient te schenken is de pacificatie van de bevolking van Cochin en daartoe benoemt hij enige commissarissen die tezamen met enige leidinggevende mannen in Cochin een onderzoek moeten instellen naar wat er met de opbrengsten van het douanekantoor gebeurt. Tegen het einde van de onderhandelingen gaat de vice-rei zelf naar Cochin, waar hij de zaak op bevredigende wijze regelt, waarbij hij in grote lijnen aan de verlangens van de bevolking tegemoet komt. Als de onderkoning in Goa is teruggekeerd, maakt de ambassadeur van de Adil Khan van Bijapur zijn opwachting bij hem. Hij komt onderhandelen over het zenden van een gezamenlijke expeditie tegen de nayak van Sanguicer, om hem te straffen voor het veroorzaken van de dood van Dom Giles Yanez en om de piraterij die aan de kust bij Cochin bestaat neer te slaan. Overeengekomen wordt dat Rosti Khan, de gouverneur van Ponda, met 40.000 man over land de nayak van Sanguicer zal aanvallen, terwijl Dom Hierome de Mascarenhas de nayak over zee zal attaqueren. Deze afspraken worden uitgevoerd; Dom Hierome zeilt met zijn schepen de rivier op en zendt vervolgens een groep mannen in dertien roeiboten vooruit. Zij stuiten bij het aanbreken van de dag op enige verdedigingswerken. Er wordt een troepenmacht aan land gezet en deze doodt vele vijanden, waarop de rest de benen neemt. Vervolgens nemen de Portugezen de verdedigingswerken in hun bezit en ontdoen deze van alle kanonnen en dan marcheren de zij de stad binnen. De bevolking daarvan slaat op de vlucht zonder de minste poging te ondernemen zich te verdedigen. Op hun vlucht vallen zij in handen van Rosti Khan, die de stad uit tegenovergestelde richting nadert. De twee strijdmachten verwoesten daarop de hele omgeving, waarop de nayak, die zich in veiligheid heeft gebracht in de bossen, een ambassadeur zendt die smeekt genade te hebben, terwijl hij belooft dat de nayak met alle vredesvoorwaarden van de Portugezen zal instemmen, vooropgesteld dat hij hersteld wordt in zijn macht en zijn gebied gespaard wordt. Om dit te bereiken worden uiteindelijk regelingen overeengekomen, waarop de invasietroepen zich terugtrekken.

De stad Taurus, aan de grens met Armenië, aan de voet van de berg Orote, is ooit de plaats geweest waar het hof van de koningen van Perzië gevestigd was en tegen het einde van de zestiende eeuw is Taurus een befaamde handelsstad in het Oosten. Omdat de ‘Grote Turk’ in Taurus een fort wil bouwen, zendt hij Osman Bashaw met een machtig leger naar de stad. Als Osman Bashaw zijn kamp heeft opgeslagen aan de oever van de rivier, arriveert sjah Mohammad Khodādanba van Perzië met een leger van 70.000 ruiters om de Ottomanen de voet dwars te zetten. Hij legt zijn zoon Mirazen Mirsa met 10.000 man in een hinderlaag en laat een ander deel van zijn strijdmacht het Turkse leger aanvallen. De Turken slaan de Perzische aanvallers terug, achtervolgen hen en lopen in de hinderlaag, waarbij 7.000 Turken omkomen. Het Ottomaanse leger, achtervolgt – na zich te hebben gehergroepeerd – Mirsa’s troepen, maar deze brengen het opnieuw een nederlaag toe, waarbij de Turken een groot aantal soldaten verliezen. De volgende dag vallen de Turken de stad aan, maar zij worden teruggeslagen, waarbij zij weer grote verliezen lijden; 7.000 man dit keer. Na de gewonnen slag denken de Perzen dat de Ottomanen geen tweede aanval zullen wagen en dat zij de aftocht zullen blazen, maar als zij hun eigen troepen hebben teruggetrokken, keren de Turken snel terug en hoewel de inwoners van Taurus zich dapper verdedigen, worden zij tenslotte overweldigd. De Turken weten een poort te veroveren, dringen daarop massaal de stad binnen en jagen grote aantallen inwoners over de kling, waarbij noch vrouwen, noch kinderen worden gespaard. Na aldus bezit van de stad Taurus te hebben genomen, laat Osman Bashaw in een maand tijd een sterk fort bouwen in de Koninklijke Tuinen. Enige Turken die vaak een plaatselijk badhuis bezoeken, raken daar aan de praat met enige inwoners van Taurus. Deze laten zich uitdagend tegen hen uit, waardoor hun gesprekspartners woedend worden. Zij stoken het hele Ottomaanse leger op de als beledigingen opgevatte woorden in het badhuis te wreken. In hun woede begaan de Turken alle denkbare wreedheden tegen de weerloze bevolking en zij blijven moorden, verwoesten en stelen, zonder aanzien des persoons. Uiteindelijk trekken zij weg uit Taurus, waarbij zij alles wat van waarde is met zich meeslepen. Sjah Mohammad Khodādanba verschijnt met een leger van 20.000 ruiters, waarmee hij het kamp van de wegtrekkende Turken overvalt en 28.000 vijanden doodt. Deze breken hun kamp op en trekken weg. De sjah blijft hen achtervolgen en aanvallen, waarbij hij opnieuw grote aantallen vijanden doodt en hen een volledige nederlaag toebrengt. Hij plundert hun kamp en keert terug met 18.000 met rijkdommen beladen kamelen, naast een grote hoeveelheid wapens en munitie. Nog niet tevreden valt de sjah de Turken nogmaals aan, maar deze keer dwingen zij de Perzen, die 3.000 man verliezen, tot de terugtocht. Niet alleen de rivaliteit tussen Turken en Perzen is van invloed op de Portugese positie in Azië, ook de steeds verder naar het zuiden opdringende Mogols tasten Portugals positie in Azië aan. Interne onrust in het gebied van de Nizam-ul-Mulik in Canara in 1585, daagt de Mogols uit zich met het gebied te bemoeien. Zij vallen met een leger het koninkrijk Verara binnen en na een aantal steden en andere plaatsen geplunderd en verwoest te hebben, voegen zij Verara toe aan hun gebied.

Van de vloot van vijf schepen die in het voorjaar van 1585, onder bevel van Ferdinão Mendoça, uit Lissabon naar Indië vertrekt, loopt de capitania Santiago1 op het rif van de Bassas da India in de Indische Oceaan. De overige vier schepen komen behouden in Goa aan.2 Vice-rei Dom Duarte de Menezes laat zich gemakkelijk opzij schuiven door zijn oom Ruy Gonçalves de Câmara, die al meer dan vijftien jaar ervaring in Indië heeft. Ruy Gonçalves vraagt zijn neef in 1585 hem te belasten met het bevel over twee expedities, waartoe besloten is. De ene expeditie betreft het zenden van een eskader naar de Rode Zee om een Turkse vloot van galeien, die binnenkort uit Mocha zal uitvaren, te bestrijden. De andere expeditie betreft de bouw van een fort in Ponnani, een stad van de zamorin van Calicut. Ruy Gonçalves besluit de tweede opdracht het eerst uit te voeren. Hij begeeft zich naar Ponnani en zendt bericht van zijn aankomst en het doel daarvan aan de zamorin. De capitão-mór vraagt de vorst naar Ponnani te komen om samen een geschikte bouwplaats voor het fort uit te zoeken. De zamorin laat Ruy Gonçalves enige tijd wachten, onder het voorwendsel dat zijn brahmanen niet in staat zijn een gunstige dag vast te stellen. Maar als Ruy Gonçalves hen enige geschenken heeft doen toekomen, noemen zij direct een gunstig uur. Er wordt een plek bepaald, waarop een stenen fort dient te verrijzen, maar Ruy Gonçalves heeft zoveel haast om te vertrekken, dat hij een houten fort laat bouwen. Het bevel daarover geeft hij aan Ruy Gomes de Gram. Zodra Ruy Gonçalves is vertrokken, laat Ruy Gomes het houten fort afbreken en begint in plaats daarvan met de bouw van een stenen fort van aanzienlijke sterkte.

Na zijn bezoek aan Ponnani vertrekt Ruy Gonçalves da Câmara met een vloot, bestaande uit vier galeien, twee galjoenen en twintig andere vaartuigen, naar de Rode Zee. Volgens Magalhães-Godinho is het de bedoeling dat het eskader in de Straat van Bāb al-Mandab schepen die van Atjeh naar Djedda zeilen, onderschept. De vloot gaat voor anker in een baai aan de kust van Arabië, op elf léguas van de stad Mocha, waar enige schepen de vloot verlaten. Ruy Gonçalves zendt een officier met zestig man aan land om water te halen. Maar zij worden aangevallen door een overweldigende Turkse strijdmacht, die bestaat uit ruiters en voetknechten, die de Portugezen vanuit een hinderlaag overvallen en vijf of zes man doden, maar de overige manschappen slagen erin de schepen te bereiken. Hierna zeilt Ruy Gonçalves naar Ormoez, zonder een ontmoeting te hebben gehad met de Turkse vloot, of ook maar iets in de Rode Zee te hebben bereikt. Er wordt beweerd dat het bericht over het naderende uitvaren van de Turkse galeien een voorwendsel is geweest om Ruy Gonçalves naar de Rode Zee te kunnen sturen. Mogelijk is hem de opdracht bezorgd om de onderkoning van zijn aanwezigheid te verlossen. Nadat de vloot van Ruy Gonçalves versterkt is met vijf vaartuigen uit Ormoez, zendt de capitão-mór Pedro Homem Pereira hem met twintig zeilen en 600 man naar de Niquilus. Dezen dienen te worden getuchtigd, omdat zij de aanvoer van levensmiddelen naar Ormoez hebben bemoeilijkt. Als een Portugese strijdmacht aan land is gegaan, springen de vijanden, die in hinderlaag hebben gelegen, plotseling met zoveel kracht op hen dat zij hun linies doorbreken en in de verwarring die ontstaat 250 Portugezen doden. Degenen van de aanvalsmacht die niet zijn gesneuveld, worden in zee gedreven en zij moeten naar hun schepen zwemmen, wat velen niet lukt, zodat zij verdrinken. Bij deze expeditie lijden de Portugezen een verpletterende nederlaag, maar niettegenstaande zijn falen, wordt Ruy Gonçalves bij zijn terugkeer in Goa door de onderkoning als een overwinnaar ontvangen en hij wordt beloond met gunsten, hoewel hij niets heeft gedaan om deze te verdienen.

De Florentijn Sasetti, die goed is geïnformeerd, omdat hij factor is van de compagnie voor de peperhandel, bevestigt dat ¾ van de specerijen die in de Rode Zee aankomen, ingeladen zijn in de havens van Atjeh, vanwaar de schepen in december vertrekken en via de Malediven hun bestemming bereiken. Kruidnagelen, muskaatnoten en foelie zijn door Javanen naar Atjeh gebracht; vanuit de Molukken en Banda; peper is afkomstig van de eilanden Java en Sumatra en kaneel wordt voortgebracht op Ceylon, het wordt opnieuw geëxporteerd naar het Westen. Het belang van Sumatraanse en Javaanse peper is rond 1580 het grootst, omdat tegen die tijd de aankopen van peper in Malabar en Canara door China, de Indo-Chinese koninkrijken en Coromandel zich hebben verveelvoudigd. Export van peper heeft ook plaats via de routes over de Ghats. Enorme konvooien buffels vertrekken uit de productiegebieden, wat in hoge mate het aanbod voor exporteurs naar de Rode Zee en Ormoez beperkt. Vice-rei Dom Duarte de Menezes overweegt een aanval op Atjeh om een einde te maken aan de exporten naar de Rode Zee. Overigens zijn het niet alleen de moren die belang hebben met exporten naar de Rode Zee; Portugese functionarissen in Calicut knijpen, tegen ontvangst van smeergeld, vaak een oogje dicht als schepen naar de Rode Zee vertrekken. In 1586 rusten Portugezen in Chaul twee schepen uit en laden deze met goederen voor de Rode Zee; de twee schepen worden buitgemaakt door Turkse kapers.

De ‘Grote Turk’, die kort geleden een fort heeft gebouwd in Tabriz, in Perzië, wil in 1585 ook een fort bouwen in Gonsar. Om dit te bereiken en om tezelfdertijd Tabriz te versterken, zendt hij Bashaw Ferat met 160.000 ruiters naar Perzië. Zodra sjah Mohammad Khodādanba de voorbereidingen voor een Ottomaanse inval verneemt, zendt hij Homali Khan, gouverneur van Gonsar, naar Georgië, om de Georgische buren van Perzië uit te nodigen de sjah hulp te bieden. Tezelfdertijd zendt de sjah zijn zoon de kroonprins met 20.000 ruiters naar Gonsar, om de stad te verdedigen, terwijl hij met de rest van zijn leger de Turken in Tabriz belegert en hen daarbij zware verliezen toebrengt. De kroonprins van Perzië, die verliefd is op de dochter van de gouverneur van Gonsar – die niet aanwezig is – verleidt haar, waarop haar broer de kapper van de prins omkoopt zijn keel bij het scheren door te snijden. De kapper doodt de kroonprins, maar wordt daarop zelf terstond gedood door de dienaren van de prins. De dood van de kroonprins van Perzië brengt het gehele keizerrijk in grote beroering en heeft zoveel invloed op hun militaire kracht dat de Ottomanen maar weinig tegenstand ontmoeten bij de verwerkelijking van hun plannen. Zij slagen erin Tabriz te ontzetten en het Perzische leger moet zich ook uit Gonsar terugtrekken. De Ottomanen nemen Gonsar in en bouwen daar een fort. Zij geven het commando daarover aan Chedar Bashaw, een Portugees van geboorte.

De spanningen in de relatie tussen Engeland en Spanje, die zich voordoen nadat koningin Elizabeth I de Engelse troon bestegen heeft, leiden in 1584 uiteindelijk tot een onderbreking van de diplomatieke betrekkingen. Ook de hulp die Elizabeth geeft aan de Nederlanden in hun opstand tegen de Spaanse heerschappij doen de betrekkingen tussen de beide landen geen goed, zodat oorlog, vroeg of laat, onvermijdelijk wordt. De grootschalige voorbereidingen voor de tegen Engeland gerichte Spaanse Armada, rechtvaardigen ten volle maritieme vijandelijkheden tegen Spanje en zijn overzeese bezittingen door Sir Francis Drake en anderen gedurende de daarop volgende jaren. Deze vijandelijkheden worden hierna beschreven.

Aan het begin van het jaar 1586 vertrekken zes schepen uit Lissabon naar Indië, onder bevel van Dom Hierome Coutinho, die opdracht heeft in Goa een Hooggerechtshof te vestigen. Op de heenweg heeft een van de Portugese schepen op ongeveer 1½ º noorderbreedte een korte schotenwisseling met twee Engelse schepen, die voor geen van beide partijen ernstige gevolgen heeft. Twee van de zes schepen waaruit de vloot bestaat gaan verloren, maar de opvarenden en de ladingen worden gered.3 Een ander schip, een grote nau, de San Filipe, wordt bij aankomst in Indië vrijwel direct geladen en keert daarna met zijn waardevolle lading naar Lissabon terug. In december 1587 ontmoet de San Filipe in de buurt van de Azoren, op ongeveer twintig of dertig léguas van het eiland São Miguel de vloot van Sir Francis Drake, die bestaat uit negen schepen. De kapitein van de San Filipe, Vendo João Trigueiros, die niet kan ontsnappen, besluit de Engelse vloot te bestrijden, maar zoals verwacht mag worden duurt het gevecht niet lang en wordt de San Filipe gemakkelijk door Sir Francis Drake genomen. De kapitein en de bemanning mogen, voorzien van een overvloed aan levensmiddelen, met een galjoen naar Lissabon terugkeren. Sir Francis Drake zeilt naar Plymouth met zijn prijsschip, dat zo rijkelijk geladen is met koopwaren uit de Oost dat deze zo’n groot bedrag opbrengen dat de gehele bemanning van de vloot van Sir Francis Drake daaruit een bedrag aan prijzengeld ontvangt. De totale waarde van de lading is niet minder dan £ 108.049,–. De kaping van de San Filipe leert de Engelsen dat de Portugese naus niet zulke machtige schepen zijn als tot dan toe werd verondersteld en dat de sterkte van de Portugezen in Indië niet zo groot is als tot dan toe is gedacht. Bovendien maken de Engelsen voor de eerste maal kennis met de grote rijkdommen en weelde van de Oriënt. Zij worden hierdoor aangemoedigd maatregelen te treffen om tezamen met de Portugezen de rijkdommen waarover de laatsten, door middel van het monopolie van de handel op Indië, lange tijd het alleenrecht hebben bezeten, te verwerven. Bijzonderheden over de kaping van de San Filipe bereiken spoedig Holland en dragen in hoge mate bij aan de begeerte van de Hollanders te participeren in de winsten die met de handel in Oosterse producten te behalen zijn. 4

De San Filipe is het eerste grote vaartuig van zijn klasse5 dat is teruggekeerd uit Indië en omdat het schip dat de naam van de koning draagt, verloren is gegaan wordt dit verlies door de Portugezen als een slecht voorteken gezien. Aan boord van de San Filipe heeft zich aartsbisschop Frei Vicente da Fonseca bevonden. De prelaat heeft Indië verlaten omdat hij zich niet langer kan verenigen met het gedrag van de onderkoning, zijn dienaren en zelfs de priesters in zijn omgeving. Hij is op weg naar Europa gegaan om de koning en de paus op de hoogte te brengen met de onbevredigende stand van zaken in het land, maar ongelukkigerwijze sterft hij onderweg naar huis.

Van Linschoten laat weten dat tegen 1586 de waarde van de lading van kleinere kraken die van Cochin naar Lissabon terugkeren geschat wordt op een miljoen gouden cruzados. Tegen het einde van de eeuw bedraagt de waarde van de lading van een enkel schip evenveel als die van een hele vloot in het tweede decennium van de eeuw. Hoe rijk schepen van de retourvloot geladen zijn, moge blijken uit het volgende voorval. In 1587 breekt de mast van de São Salvador, die op weg is van Indië naar Lissabon, in de buurt van Madagascar. Als gevolg waarvan het schip ook water maakt. Het in moeilijkheden verkerende schip wordt door de vloot die op weg is naar Indië op sleeptouw genomen naar Ormoez. Om het schip te behouden, moeten op weg naar de Perzische Golf goederen ter waarde van 300.000 cruzados overboord worden gezet. Desondanks worden in Ormoez 4.000 of 5.000 quintais peper, ongeveer 2.300 quintais andere specerijen en indigo en kisten met zijde en katoen gelost.

Op 4 april 1589 vertrekt een vloot van vijf schepen uit Lissabon naar Indië. Capitão-mór is kapitein Bernardino Ribeiro Pacheco. Vier van deze schepen keren, geladen met specerijen, op 10 januari 1590 naar Portugal terug. De Bom Jesús, met welk schip gouverneur-generaal Manuel de Sousa Coutinho reist, vergaat op weg naar Moçambique met man en muis; van een ander schip, de São Bartolomeu, wordt nimmer meer iets vernomen, terwijl de beide andere schepen hun reis voortzetten tot aan de Azoren. Van deze twee schepen arriveert de Santa Cruz als eerste bij de Azoren en Sir John Burrough, die met een vloot van zeven schepen in de buurt is, ziet de Santa Cruz nabij het eiland Flores. Als hij de nau opjaagt, zet de kapitein daarvan zijn schip op het strand en steekt het in brand, om te voorkomen dat het in handen van de Engelsen zal vallen. Korte tijd later, op 3 augustus 1590, krijgt kapitein Thomson van de Dainty de andere Portugese nau, de Madre de Dios, in het vizier. De Madre de Dios is een van de grootste aan de Kroon van Portugal behorende schepen. De Dainty, die een goede zeiler is, maakt zich los uit de Engelse vloot en gaat de strijd met de trotse Madre de Dios alleen aan, waarbij het schip enige schade oploopt en enige manschappen verliest. Kort daarna, evenwel, schiet Sir John Burrough, in de Roebuck, de Dainty te hulpen de strijd wordt voortgezet, terwijl de beide kemphanen een musketschot van elkaar afliggen. Dan verschijnt Sir R. Crosse in de Foresight op het strijdtoneel en wordt besloten de Madre de Dios te enteren. Bijgevolg maakt Sir John Burrough de Roebuck vast aan de ene kant van de Madre de Dios en Sir R. Crosse doet hetzelfde met de Foresight aan de andere kant van de Portugese kraak. Maar kort daarna moet de Roebuck een schot onder de waterlijn incasseren en begint het schip te zinken. Hierop maakt Sir John zijn schip los van de Madre de Dios en Sir R.Crosse doet hetzelfde met zijn schip, maar de drie schepen zijn bij de entering met hun tuigage zozeer in de war geraakt dat het veel moeite kost de schepen weer los te krijgen. In de avondschemering ziet Sir R. Crosse dat de Madre de Dios naar het eiland wordt gedreven en omdat hij niet wil dat hij het schip op dezelfde manier verliest als de Santa Cruz, laat hij zijn bemanning de kraak enteren. Zij doen dit en er ontstaat een gevecht met de bemanning van de Madre de Dios, Eerst als de bemanningen van twee schepen van Lord Cumberland de mannen van Sir Crosse te hulp schieten, wordt de strijd in het voordeel van de Engelsen beslist en wordt de Madre de Dios gemakkelijk genomen. De veroverde kraak wordt naar Dartmouth gebracht en de lading van het schip, met uitzondering van een hoeveelheid juwelen, die nooit meer opduikt, bedraagt volgens een gematigde schatting £ 150.000, “die wordt verdeeld tussen de avonturiers, van wie Hare Majesteit de belang rijkste is. Ieders aandeel is voldoende om allen tevreden te doen zijn.

Begin mei 1588 overlijdt vice-rei Dom Duarte de Menezes, na zijn ambt bijna vier jaren te hebben bekleed. Tijdens zijn regeringsperiode is getracht belangrijke veranderingen door te voeren in de wijze waarop handel met Indië wordt gedreven. De oorzaak daarvan is de druk op de financiën van Spanje, als gevolg van de vruchteloze pogingen de opstand in de Lage Landen te onderdrukken. Deze onderneming slokt ook alle met de Indische handel behaalde winsten op en deze middelen zijn juist nodig om de retourvloten uit Indië van lading te voorzien. Tot die tijd is het handelsmonopolie met Indië in handen geweest van de regering, maar in 1587 is de handel met Indië in handen gekomen van de Companhia Portuguesa das India Orientales. De nieuwe instructies inzake de handel worden aan de onderkoning overgebracht met de vloot die in 1587 uit Lissabon naar Indië is uitgevaren. Zij worden zo strijdig met de belangen van de inwoners van Goa geacht, dat zij de groots mogelijke opwinding onder hen veroorzaken, zodat de onderkoning zijn volle gezag moet inzetten, om serieuze ongeregeldheden te voorkomen, waarbij hij wordt geholpen door de geestelijkheid. De bevolking komt tot rust, maar zij bieden, evenals de onderkoning en andere gezagsdragers, een zeer sterke passieve weerstand aan de nieuwe regelingen en zoals dientengevolge kan worden verwacht, komt de Companhia, na een kort en vruchteloos bestaan, aan haar ontijdige einde.

Na het overlijden van Dom Duarte de Menezes worden de opvolgingsbrieven geopend en blijkt dat de eerste die daarin als opvolger van de overleden onderkoning wordt genoemd Matias de Albuquerque is, maar deze is al naar Portugal vertrokken. De tweede naam die wordt genoemd, is die van Manuel de Sousa Coutinho, die op dat moment in Goa verblijft en die direct het ambt van capitão-geral op zich neemt. Spoedig hierna arriveren vijf schepen uit Lissabon en Dom Paul de Lima, die zijn sporen ruimschoots in Indië heeft verdiend, maar moe is van het oorlogvoeren en bovendien is teleurgesteld dat hij voor al zijn diensten zo weinig erkenning heeft gekregen, besluit terug te keren naar Portugal. Hij scheept zich in op de São Thomé, onder bevel van kapitein Estêvão da Veiga, welk schip met de andere schepen van de retourvloot spoedig zal vertrekken, maar dat niet zal aankomen6

In 1589 zijn twee Portugese galeien op weg naar Chaul om de ambassadeur van de Grootmogol naar Goa te begeleiden. De twee vaartuigen worden aan de rivier van Carapatan aangevallen door een machtig eskader dat behoort aan de Malabaren, onder commando van de fameuze moor Castamuza. Na een langdurig gevecht trekt de vijand zich terug, waarschijnlijk wegens in het gevecht opgelopen schade. De Portugese schepen komen zo gehavend uit de strijd, dat zij zouden zijn genomen als het gevecht nog iets langer zou hebben geduurd, maar de terugtrekking van de vijand, daarbij het veld overlatend aan de Portugezen, geeft hun de kans de overwinning op te eisen.

In 1590 vertrekt Matias de Albuquerque, de nieuw benoemde onderkoning, met een vloot van vijf schepen uit Lissabon naar Indië. Niet minder dan vier naus worden teruggedreven naar Portugal, maar vice-rei Matias de Albuquerque arriveert in mei 1591 met de vijfde nau in Goa. Manuel de Sousa Coutinho draagt zijn zwaard over aan de nieuwe vice-rei en scheept zich in op een van de grootste schepen van dat moment, dat zeer rijk geladen is. Het trotse schip lijdt echter schipbreuk op de zandbanken van Garadjao en van alle kostbare koopwaar wordt niets gered. Vanaf 1579 tot 1591 zijn niet minder dan 22 schepen verloren gegaan op de reizen van Portugal naar Indië en terug. Deze zware verliezen zijn in hoofdzaak te wijten aan twee oorzaken: de overbelading van en het gebruik van te grote schepen. Eerder is vermeld dat Matias de Albuquerque de eerste was die werd genoemd in de opvolgingsbrieven na het overlijden van vice-rei Dom Duarte de Menezes, maar dat Albuquerque op dat moment in Portugal verbleef. Zodra hij zijn benoeming had vernomen, heeft hij besloten direct naar Indië terug te keren, ofschoon het al zo laat in het seizoen is dat het onmogelijk wordt geacht de reis alsnog te maken. Desondanks heeft Albuquerque besloten een poging te wagen; hij laat een portret van zichzelf vervaardigen, waarop zijn wapenschild voorkomt en waarop hij zijn lotsbestemming staande aanvaardt. Hij laat dit portret wapperen aan de top van de mast als een teken van zijn besluit. De feiten stellen hem in het gelijk, want hij komt veilig in Indië aan, waarmee hij bewijst dat het mogelijk is het hele seizoen de reis te maken.

Kort na zijn aankomst in Indië, in mei 1591, verneemt Matias de Albuquerque dat een onderdaan van de zamorin van Calicut, Kunhale Marcar (Marakkayar), met een machtig eskader de Malabarkust afstroopt. De nieuwe onderkoning zendt daarop Dom Álvaro de Abranchez met een flinke vloot naar Malabar om Kunhale Marcar te bestrijden. Er kan geen twijfel over bestaan dat Kunhale, die stamt uit een geslacht dat de zamorin al vele bekwame admiraals heeft geleverd, in nauw overleg optreedt met de zamorin, die in staat is zijn resultaten te controleren en die daarom verantwoordelijk is voor zijn optreden, aangezien Frei Francisco da Costa s.j., een gevangene aan het hof van de zamorin, hem tracht over te halen vrede met de Portugezen te sluiten. Het schijnt dat de argumenten van Frei Francisco da Costa s.j. de zamorin ertoe brengen hem met voorstellen naar Dom Álvaro de Abranchez te zenden. Dom Álvaro zendt de jezuïet door naar de onderkoning en zijn onderhandelingsvoorstellen leiden tot een bevredigend verdrag, waarbij de zamorin niet alleen alle slaven in zijn koninkrijk vrijlaat, maar zelfs de jezuïeten verlof geeft een kerk in zijn gebied te bouwen, waarvoor de vorst zelf de eerste steen zal leggen. Begin 1592 vertrekken vier schepen uit Lissabon naar Goa. Zij staan onder bevel van Francisco de Mello, tevens kapitein van de Cinco Chagas. Als de schepen in 1593, geladen met specerijen, naar Portugal terugkeren, zullen de Cinco Chagas en de Nossa Senhora da Nazaré verloren gaan, zoals blijkt uit hoofdstuk 4 “De Carreira da India.”

In 1592 hebben de Portugezen hun positie in Chaul te verdedigen tegen een aanval van de moren die zich, onder bevel van Xarife Melique, gevestigd hebben aan de overkant van de rivier. De bevelhebber van de plaats, die eens in dienst van de Portugezen is geweest, heeft op een hoogte, genaamd de Morro, een legermacht van 4.000 cavaleristen en 7.000 voetknechten verzameld. Hiermee imponeert hij de Portugese stad en brengt haar aanzienlijke schade toe met 56 grote kanonnen die hij daar heeft geplaatst. Deze actie gaat uit van de Nizam-ul- Mulik, in weerwil van het verdrag tussen hem en de Portugezen dat, in de tweede helft van de jaren vijftig, is gesloten door gouverneur-generaal Francisco Barreto. Hij rechtvaardigt zijn actie op basis van bepaalde klachten tegen de huidige gouverneur, Matias de Albuquerque. De moren beginnen met een regulair beleg van Chaul in april 1592 en tegelijkertijd met de aanval op de stad, richten enige kleine vaartuigen van de vijand grote schade aan langs de kust. De vijandelijke kanonnen richten aanzienlijke verwoestingen aan in de stad en de vijand gaat ervanuit dat hij Chaul zal innemen, als veertien Mogols als waarnemers daarvan verschijnen. Zij komen daarbij zo dicht bij de Portugese verdediging dat zij aangevallen worden door een stel soldaten dat een uitval waagt; negen Mogols worden gedood, twee worden gevangengenomen en de resterende drie weten te vluchten. De eunuch Taladar, die de vijand aanvoert, raakt gewond en sterft aan zijn kwetsuren; een Turk die hem opvolgt wordt eveneens gedood, waarna het commando toevalt aan Farate Khan. Het beleg wordt voortgezet met onverminderde inzet, maar het Portugese garnizoen is zo sterk dat het in de aanval kan gaan tegen de vijandelijke stellingen. Dom Álvaro de Abranchez, evenwel, is kortgeleden aangekomen met 300 man versterkingen uit Baçaim en nog eens 200 man uit Surat. Daarmee is het Portugese garnizoen op 1.500 man gekomen, wat gelijk is aan het aantal slaven.

Er wordt een dag, waarop de Portugezen de vijandelijke posities zullen aanvallen, vastgesteld. Nadat de Portugezen allen bij hun priesters hebben gebiecht, wordt de aanval ingezet. De vlakte op de top van het voorgebergte wordt bereikt met niet verwacht gemak, maar dan ontstaat een zwaar gevecht. De vijand heeft tien olifanten op de Portugezen losgelaten, maar een daarvan keert om nadat hij gewond is geraakt en stort zich op de moren en trappelt menig een van hen dood. Het dier valt vervolgens in een sloot en wordt door de Portugezen gebruikt als brug om bij de vijandelijke posities te komen. Een andere olifant drukt een deur open; de Portugezen volgen de olifant en komen in een ruimte waarin de moren de lichamen van hun gesneuvelden hebben gelegd. De schattingen van het aantal verzamelde lijken variëren tussen de 10.000 en de 60.000, waaruit de in die tijd gebruikelijke overdrijving blijkt. Farate Khan wordt gevangengenomen, tezamen met zijn vrouw en dochter. De vrouw wordt vrijgekocht, maar Farate Khan en zijn dochter bekeren zich tot het katholicisme en gaan naar Portugal. Tot de buit behoort een grote partij ammunitie, een aantal paarden, vijf olifanten en 75 buitengewone kanonnen. De verliezen aan Portugese zijde zouden niet meer dan 21 man bedragen hebben.

In het jaar 1593 arriveren vijf schepen uit Portugal in Goa. Zij staan onder bevel van Dom Luís Coutinho. Hij brengt Frei Francisco de Faria, een dominicaner monnik naar Indië en deze heeft de Bul van de Kruistocht bij zich.

Elk jaar arriveert in Goa een nau uit Macau die rijkelijk is gevuld met in China verworven waren. In april 1594 heeft de nau zijn eindbestemming bijna bereikt, als het schip voor de Malabarkust wordt aangevallen door veertien vijandelijke galjoten. Aan boord van de nau bevinden zich niet meer dan veertien Portugezen en dezen leveren, in een poging de kostbare lading te behouden, drie dagen en nachten strijd met de overvallers, waarbij zij uiteindelijk allemaal omkomen. Een Javaan, die aan boord is, om te verhinderen dat de nau in handen valt van de vijand, steekt een baal kruit in brand, dat de gehele lading vernielt, voordat de vijand dit kan verhinderen. Als Matias de Albuquerque het gebeurde verneemt, rust hij een eskader van achttien zeilen, met 700 man, uit, onder bevel van André Furtado de Mendoça, om wraak te nemen voor het verlies van het schip uit China. Op 1 augustus 1594 ontwaart André Furtado drie schepen van de zamorin. Hij valt deze ogenblikkelijk aan. Zij blijken een massa mensen, van beide seksen en alle leeftijden aan boord te hebben en beweert wordt dat bij het treffen niet minder dan 2,000 van hen worden gedood. De schepen worden genomen en het blijkt dat zij een zeer waardevolle lading aan boord hebben, die in handen van de veroveraars valt. Hierna vervolgt André Furtado zijn weg en hij krijgt al spoedig, in de Cardega-rivier, de vloot van Malabar, waarnaar hij op zoek is, in zicht. André Furtado vernietigt deze vloot en er valt hem een rijke buit in handen. Hij zeilt door naar Colombo. Daar blijkt het Portugese garnizoen aan het muiten te zijn tegen zijn commandant, wat een groot gevaar inhoudt. André Furtado weet de orde te herstellen hij keert daarna met zijn vloot terug naar Goa, dat hij bereikt zonder verdere incidenten.

Met de bouw van de Basilica minores de Bom Jesus, de bij het professiehuis van de jezuïeten behorende kerk, is in 1594 begonnen.

Deze kerk, die in 1605 zal worden geconsacreerd, is de kerk met de rijkste façade van Goa, In deze prachtige kerk zal het onvergankelijke lichaam van São Francisco Xavier, “de redder van Goa”, eindelijk zijn definitieve laatste rustplaats vinden. Zijn lichaam is aanvankelijk in 1552 te rusten gelegd in de door de jezuïeten in 1543 gebouwde en in 1560 herbouwde kerk van São Paulo. Het lichaam is vervolgens in 1613 overgebracht naar het Professiehuis van de jezuïeten, om in 1624 te worden bijgezet in de Basilica minores de Bom Jesus, waar het in 1655 geplaatst is in zijn huidige kapel. In 1698 is het neergelegd in de huidige rijkversierde door een Florentijnse beeldhouwer vervaardigde tombe, geschonken door Cosimo III, hertog van Toscane en een van de laatste Medici. De kerk is in 1964 door paus Pius XII verheven tot Basilica minores en de graftombe van São Francisco Xavier, de ‘Veroveraar van zielen’ is de meest vereerde schrijn in Goa. Anders dan de andere kerken van Goa, heeft de basiliek geen torens. De kerk is waarschijnlijk gemodelleerd naar de oude kerk van São Paulo, die ook geen torens bezat. De rijke façade van de Bom Jesus doet denken aan de Gesu in Rome, de moederkerk van de jezuïeten. Naast de kapel van São Francisco is ook de kapel van het Gezegende Sacrament een pronkstuk in de basiliek.

Het lichaam van São Francisco Xavier, dat in 1974 voor de laatste maal is tentoongesteld, is niet meer compleet:

  • een biddende vrouw heeft ooit in heilige vervoering een teen afgebeten, die als een kostbaar reliek door haar familie in Lissabon wordt bewaard;

  • in 1890 is een andere teen afgevallen; hij wordt bewaard in een kristallen doos in de sacristie van de Bom Jesus;

  • in 1615 is een deel van een arm naar Rome gezonden; de relikwie wordt vereerd in de kerk Gesu, de moederkerk van de jezuïeten;

  • een (ander) deel van de rechterhand is in 1619 naar Japan gezonden.

Tegen het einde van het jaar 1595 arriveert João de Saldanha met vijf schepen uit Lissabon in Goa. Aan boord van een daarvan komt Dom Aleixo de Menezes aan. De augustijn is de opvolger van Frei Vicente da Fonseca, die in 1587 ontgoocheld naar Europa is teruggekeerd, om de koning en de paus op de hoogte te stellen van de stand van zaken in het aartsbisdom Goa, maar die onderweg gestorven is.

De moorse piratenkapitein Pate Marcar (Marakkayar) vindt de haven van Pudeputnam een uiterst geschikte plaats om piraten een schuilplaats te bieden. Hij ontvangt van de zamorin, wiens onderdaan hij is en aan wie Pudeputnam behoort, toestemming ter plaatse een fort te bouwen. Zodra het fort is gebouwd, begint Pate Marakkayar Portugese vloten aan te vallen en hij kaapt menig rijkgeladen schip van hen. In de Goede Week valt hij het dorp Thana, op het eiland Salsete do Norte, bij Baçaim, aan, terwijl het Portugese garnizoen aan de kerkelijke plechtigheden deelneemt; hij sleept veel buit weg. Mahomet Kunhale Marcar (Marakkayar) volgt Pate Marakkayar op als commandant van het fort in Pudeputnam. Omdat hij zich ervan bewust is dat de Portugezen vroeg of laat zeker wraak zullen komen nemen voor de hen berokkende schade, fortificeert hij de stad, die ook Kunhale heet, aan de zee- en aan de landzijde. Aan de landzijde laat hij een diepe sloot graven met dubbele loopgraven, ruim twee meter breed, en op gelijke afstanden bouwt hij van kanonnen voorziene torens, die het werk flankeren. Tussen de twee kreken bouwt hij een sterke muur, met aan iedere zijde een toren, om de stad te beschermen, Langs de zeezijde richt hij een palissade op, die twee bastions met elkaar verbindt. In de beide bastions worden zware kanonnen geplaatst die de ingang tot de haven beheersen. De ingang wordt voorts versperd door stevig met kettingen met elkaar verbonden masten. Omdat Kunhale Marcar zichzelf beveiligd voelt tegen een aanval, neemt hij de titel ‘koning’ aan en brengt de Portugezen meer schade toe dan zijn oom Pate ooit heeft gedaan. Hij verovert een van hun galeien, een schip dat uit China komt, naast vele andere kleine vaartuigen. Hij helpt de koningin van Olala, die tegen de Portugezen in opstand komt en hij heeft ook Xarife Melique ondersteund bij diens belegering van Chaul. Niet tevreden met het beroven van Portugese schepen, legt hij ook zijn hand op Malabaarse schepen en door zonder onderscheid te plunderen en te stelen verzamelt hij grote rijkdom, die hij opslaat in zijn op een schiereiland gelegen fort. Het is zeer duidelijk dat, teneinde de Portugese schepen die handeldrijven langs de kust te beschermen tegen aanvallen, de opkomende macht van deze avonturier gebroken dient te worden. Om dit te bereiken, zendt vice-rei Matias de Albuquerque een boodschapper naar de zamorin, in de persoon van Dom Álvaro Abranchez. Deze betoogt tegen de zamorin dat het in beider belang is de activiteiten van de notoire piraat te beëindigen. Dom Álvaro stelt de zamorin voor een gezamenlijke expeditie naar Kunhale te zenden, om voor eens en altijd een einde aan de plunderingen te maken en het fort van Kunhale te verwoesten. De zamorin gaat op dit voorstel in en hij sluit in lijn daarmee een nieuw vredesakkoord met de Portugezen, waarin wordt bepaald dat hij een strijdmacht op de been zal brengen om Kunhale over land aan te vallen, terwijl de Porugezen een maritieme expeditie tegen hem zullen ondernemen. De getroffen regelingen zijn bijna gereed om ondertekend te worden, als Dom Francisco da Gama, conde de Vidigueyra, in mei 1597 in Goa aankomt om Matias de Albuquerque op te volgen als onderkoning van Portugees Indië.

1 Van de ramp met de Santiago wordt in hoofdstuk 4 uitvoerig verslag gedaan

2 Magalhães-Godinho laat weten (pag. 655) dat João Gago de Andrade met de São Pedro naar Lissabon terugkeert; hij zeilt opnieuw uit, maar komt niet verder dan São Tomé, waar de São Pedro strand.

3 Een daarvan is het galjoen Santiago, onder bevel van kapitein Francisco de Brito, dat het jaar daarop op de terugweg schipbreuk lijdt bij Terceira. Zie Magalhães-Godinho, pag. 655

4 Magalhães-Godinho vermeldt (pag. 655) dat het galjoen van Álvaro da Veiga, dat het jaar daarvoor is vertrokken, op de terugweg vergaat bij Angola, maar dat de lading gered wordt.

5 Tegen het einde van de 16e eeuw of aan het begin van de 17e eeuw beginnen de Portugezen – volgens Magalhães-Godinho – voor het eerst schepen te bouwen van meer dan 1.000 ton; zie pag. 674

6 . Van de ramp met de São Thomé wordt uitvoerig verslag gedaan in hoofdstuk 4 Een verkorte versie, ontleend aan Danvers, is opgenomen in deel XIV.

Hoofdstuk 3 De komst van Hollanders en Engelsen naar Indië 3.0 Vice-rei Dom Francisco da Gama (1597-1600)

Categorieën
Portugees kolonialisme

Vice-rei Dom Francisco Mascarenhas, conde da Santa Cruz (1581-1584). De Estado da India in de jaren 1581-1597

Deel 15 Index

Hoofdstuk 2.

De Estado da India in de jaren 1581-1597

2.0. Vice-rei Dom Francisco Mascarenhas, conde da Santa Cruz (1581-1584)

Geschreven door Arnold van Wickeren

De eerste onderkoning die Philips II (Filipe I van Portugal) naar Indië zendt, is Dom Francisco Mascarenhas, graaf van Santa Cruz, die al veel ervaring in Indië heeft opgedaan en die in 1570 de stad Chaul met een kleine strijdmacht tegen 150.000 man van de Nizam-ul-Mulik heeft verdedigd. De nieuwe onderkoning arriveert, na een kort oponthoud in Moçambique, op 16 september 1581 met vijf schepen in Goa. Hij verneemt daar dat zijn voorganger, Fernão Telles, twee weken voor zijn aankomst in een plechtigheid in de kathedraal van Goa de overheidsdienaren de eed van trouw aan koning Filipe I heeft laten afleggen, zodat hij zijn aandacht direct aan de dagelijkse regeringszaken kan wijden. Dom Francisco zendt, zoals aan het begin van de zomer gebruikelijk is, zijn eskaders uit naar de verschillende bestemmingen. Matias de Albuquerque gaat met twee galeien, twintig andere vaartuigen en 700 man naar de Malabarkust. Daar aangekomen zendt de capitão-mór Francisco Fernandes met 18 zeilen uit naar het piratennest Coulete. Hij voert een landing uit en steekt de stad in brand, zonder ook maar een man te verliezen. Vervolgens is Capocate aan de beurt. Hier worden 60 almadias buitgemaakt en de stad en haar omgeving worden te vuur en te zwaard verwoest. Als zo’n 100 moren uit Capocate hun huizen zien branden, ondernemen zij een woedende aanval op een groep Portugezen. Afonso Ferreira weerstaat hen met 18 man, totdat hij hulp krijgt vanaf de schepen. Zij verliezen geen man, maar een aantal vijanden wordt gedood door een Portugees kanon. Dom Giles Yanez zeilt bij Capocate de rivier op, steekt daar enige vaartuigen in brand en doodt een aantal vijanden. Na deze strafexpeditie, die de kustbewoners angst voor de Portugese wapenen heeft ingeboezemd, keren de mannen naar hun schepen terug. Een van degenen die het meest geleden heeft van de strafexpeditie is de koningin van Olala, tussen Calicut en Cannanore. Haar steden en bossen zijn verbrand respectievelijk gekapt. De bevolking van Olala heeft zich onderworpen en heeft het tribuut, dat jarenlang niet is afgedragen, betaald. De balala van Panabur is ook gedwongen zich te onderwerpen. Francisco Fernandes, Álvaro de Avelar en André Furtado de Mendoça bemachtigen ieder een vijandelijk schip van aanzienlijke grootte. Afonso Ferreira valt, met een gering aantal manschappen, een door moren bezet fort bij Coulete aan. De aanval slaagt, het fort wordt verwoest, nadat een groot aantal bezetters is gedood.

Ondertussen kruist Diogo Lopes Coutinho de Santarém met acht zeilen langs de noordelijke kust, ter hoogte van Surat. Hij steekt daar een door de Mogols veroverd dorp in brand, omdat bij dit dorp zes van 24 Portugezen die daar zonder opdracht aan land waren gegaan, zijn gedood. Maar als hij oprukt, komt de vijand in groten getale, met medeneming van enige olifanten en een kanon, op hem af. Hij en veel van zijn mannen raken in de strijd gewond, zodat hij gedwongen is voor verzorging naar Damão te gaan. Later, bij een poging een ander dorp in brand te steken, is Diogo Lopes genoodzaakt zich terug te trekken, nadat hij een aantal van zijn mannen verloren heeft, zonder zijn doel te hebben bereikt.

In de jaren zeventig van de zestiende eeuw is er voor het eerst gekozen voor een systeem waarin de organisatie van de reizen naar Indië en de bewapening van de schepen zich in een hand bevinden. Daartoe worden contracten afgesloten met een looptijd van vijf jaren en de contractanten verplichten zich ertoe op hun kosten een bepaald aantal gewapende schepen maar Indië te doen vertrekken. De companha, opgericht door Lucas Giraldo en de rijkste kooplieden in Portugal, zendt gedurende drie jaren, ieder jaar drie schepen uit, maar het vierde jaar vertrekt geen enkel schip en trekt de companha zich, met instemming van de staat terug. Een nieuwe companha, onder leiding van António Calvo, volgt haar op. António Calvo zal elk jaar vijf schepen naar de Oriënt zenden, maar de maatschappij sluit de boeken af met verlies en voor de twee volgende vloten schiet de staat het kapitaal voor, voor rekening van de Casa da India. Aan het begin van de jaren tachtig is er wat betreft de handel met Indië veeleer sprake van een duopolie dan van een monopolie. De staat rust de schepen uit, maar de reizen worden ondernomen door kooplieden. Een grote rol speelt hierbij de kapitalist Manuel Caldeira. Hij geniet de voorrechten de kapiteins van de schepen die uitvaren te mogen kiezen en hij stelt tevens de capitão-mór van de hele jaarlijkse vloot aan. Bovendien verwerft hij de hand van de dochter Luís Mendes de Vasconcellos, die stamt uit een adellijk geslacht, dat al vele kapiteins voor de Carreira da India geleverd heeft. De bourgeois familie Caldeira is bij alle grote ondernemingen betrokken; in 1582 voert Gonçalo Luís Caldeira het bevel over de Boa Viagem en zijn broer, Luís Caldeira, is kapitein van de São Luís. De eerste zien we in 1600 terug als kapitein van de São João. De familie Caldeira is ook geparenteerd aan de niet minder belangrijke familie Roiz. Op de drempel van de zeventiende eeuw wordt het ‘contract over de schepen’ afgesloten met Jorge Roiz Solis, die zich verplicht jaarlijks vijf schepen naar Indië en twee rechtstreeks1 naar Malacca te zenden. Bovendien verplicht hij zich hiertoe drie schepen te bouwen. Bij de financiering van de in de Oriënt te kopen peper en andere specerijen zijn, wat het contract over de periode 1580 à 1584 betreft, betrokken: de Milanese kapitalist Rovellasco en de Portugese kapitalisten António Fernandes de Elvas, Tomás Ximenes en Luís Gomes, maar sedert 1582 behoort 17/24 van het startkapitaal ad 224.000 cruzados aan Rovellasco.

Dom Francisco verneemt in 1582 dat de Turkse galeien die vorig jaar Muscat hebben geplunderd, weer op zee zijn. Hij is bang dat zij een aanval zullen ondernemen op Moçambique en daarom zendt hij twee schepen naar de Swahilikust. Ondertussen dringt een leger van de Mogols, voorzien van olifanten en andere middelen voor een beleg het gebied van Damão binnen. Het steekt dorpen in brand en het slaat zijn kamp niet ver van de stad op. De Portugese capitão, Martim Afonso de Mello, beschikt maar over weinig mensen en de stad is slecht op een belegering voorbereid. Daarom doet Martim Afonso een beroep op naburige commandanten en op de onderkoning hem bij de verdediging van Damão te helpen. De oproep heeft veel resultaat; binnen enkele dagen komen zoveel helpers naar de stad dat Martim Afonso de komende gebeurtenissen zonder zorg of vrees voor de vijand kan afwachten. Als de Mogol-generaal Calichan ziet hoe de Portugezen in alle openlijkheid doende zijn Damão te versterken om hem te weerstaan, ziet hij van een aanval af en trekt zijn troepen voor Damão weg. De terugtocht van het leger van de Mogols gaat echter gepaard met de verwoesting van de regio. Als Calichan bij het fort aankomt waarover Fernão de Miranda het bevel voert, neemt de generaal plaats voor zijn troepen en daagt Miranda, die hij wel kent, uit voor een tweegevecht. Fernão de Miranda herkent Calichan en neemt zijn uitdaging aan. Ieder zittend op zijn paard, stormen de kemphanen met hun lansen op elkaar af. De Portugees doorboort met de aangescherpte punt van zijn lans de bewapening van zijn tegenstander en verwond zijn borst en gooit hem uit het zadel. Calichan bestijgt weer zijn paard, rijdt terug naar zijn mannen en breekt zijn kamp op. Hij trekt weg, maar laat in een van de dorpen een garnizoen achter. Nu het onmiddellijke gevaar van een aanval geweken is, ontstaat er onenigheid in het kamp van de Portugezen; er ontstaan twee partijen. De ene partij neemt het op voor een soldaat die door Martim Afonso in het gevang is geworpen en de andere partij kiest de zijde van de capitão. Het geschil escaleert en als gevolg daarvan raakt het Portugese leger zozeer gedemoraliseerd dat de Mogols een gemakkelijke overwinning zouden hebben behaald, als zij zouden zijn teruggekeerd. Gelukkig heeft Calichan geen weet van de moeilijkheden in Damão, maar als deze op hun hoogtepunt zijn, rijst er gevaar van een andere kant. Zodra de Portugezen dit onderkennen, begraven zij hun geschillen en verenigen zij zich tegen het nieuwe gevaar dat hen bedreigt. Ramana da Rama, de ‘koning’ van Sarceta, een plaats op vijf léguas van Damão, die de Portugezen goed gezind is, heeft hun vrouwen en kinderen bescherming geboden toen zij dreigden elkaar in Damão in de haren te vliegen. Deze vrouwen en kinderen bleken een aanzienlijke hoeveelheid juwelen en andere waardevolle zaken te bezitten, die de hebzucht van hun beschermer hebben gewekt. Hij zendt de vrouwen en kinderen terug naar Damão als daar de rust is weergekeerd, maar houdt hun kostbaarheden achter. De Portugezen die zich bestolen voelen, zijn razend en besluiten hun eigendommen met geweld te gaan terughalen. Martim Afonso de Mello marcheert, vergezeld van Fernão de Miranda met 800 Portugezen, van wie 140 te paard, 400 musketiers en 1.000 inheemse soldaten, tegen de dief op. Zodra de legermacht in het zicht komt van de stad Raumalaje, zendt de ‘koning’ een boodschapper die Martim Afonso laat weten dat zijn heer alle kostbaarheden zal teruggeven, mits hij zijn opmars staakt. Martim Afonso gelooft niet in de goede bedoelingen van de ‘koning’; hij denkt dat deze hem met een loze belofte wil laten afzien van een aanval. Als de ‘koning’ ziet dat Martim Afonso niet op zijn belofte ingaat, vlucht hij met de ‘koningin’ en al haar juwelen en kostbaarheden de stad Sarceta uit, waarbij zij gezeten zijn op olifanten. Zijn in de steek gelaten onderdanen volgen spoedig. Allen trekken zich terug op een nabijgelegen berg, vanwaar zij kunnen zien hoe de Portugese troepen hun woonplaats plunderen en in brand steken en ook de omgeving grondig verwoesten. Razend over het verlies van hun eigendommen, ondernemen de inwoners een zwakke aanval op het Portugese kamp. Zij worden gemakkelijk teruggeslagen. Dan komt de koning in eigen persoon, met een flink aantal manschappen, waarmee hij een goed georganiseerde aanval op de Portugese troepen onderneemt. Aanvankelijk hebben deze moeite hun posities te behouden, maar uiteindelijk weten zij de troepen van de koning te verslaan en trekt de vijand in wanorde terug. De terugtocht gaat over in een vlucht als de Portugezen de achtervolging inzetten Als de koning ziet dat zijn leger is verslagen, heeft hij geen andere keuze dan zich te onderwerpen en alles terug te geven dat wordt gevraagd. Nadat dit is geschied, keert Martim Afonso met zijn troepen terug naar Damão.

De koningen van Lara (Larak) hebben in vroeger tijd een overwicht gehad op de koningen van het nabijgelegen Ormoez, maar in recente tijden is de machtsbalans gewijzigd ten gunste van Ormoez. De sultan van Larak die het voormalige overwicht wil herwinnen, besluit daartoe de eerste stap te zetten door zich meester te maken van geheel Moghistan, een deel van het vasteland. Met dit doel voor ogen, rust hij een sterk leger uit en na verschillende steden op het vasteland te hebben veroverd, slaat hij in 1582 het beleg voor het Portugese Forte Nossa Senhora da Conceição op Ormoez. Door een nauwe belegering voorkomt hij dat het fort bevoorraad kan worden. Omdat de koning van Ormoez recht heeft op de opbrengsten van het in het Forte Nossa Senhora da Conceição gevestigde douanekantoor, pleegt hij overleg met capitão Dom Gonçalo de Menezes over de moeilijke situatie waarin hij verkeert. Zij besluiten met vereende krachten de vijand te verjagen. De koning levert voor de te combineren strijdmacht 3.000 soldaten en Dom Gonçalo, die vergezeld wordt door een enorme stoet persoonlijke bedienden, voegt daaraan 800 Portugezen, verdeeld in drie groepen, toe Zij marcheren op naar fort Xamel, dat beschouwd wordt als onneembaar, minder om zijn constructie en bewapening, dan veeleer om zijn ligging. Het fort wordt verdedigd door 500 soldaten van Larak. Bij het plaatsen van hun kanon, wordt een Portugees gedood en diverse gewond. Het fort wordt twintig dagen achtereen onophoudelijk gebombardeerd, echter zonder dat dit enig merkbaar effect heeft. Na afloop daarvan wordt de batterij verplaatst naar een andere positie, tegenover een bastion bij de poort, waar het al spoedig veel indruk maakt. De beschieting veroorzaakt een breuk in het bastion, dat daarop wordt aangevallen en ten koste van zes gesneuvelden wordt veroverd. De Portugese batterij wordt op het veroverde bolwerk geplaatst, vanwaar het kanon op het fort begint te schieten. Tijdens het bombardement overlijdt de sultan van Larak en in plaatst van dat zijn twee zonen zich haasten het belegerde fort te ontzetten, beginnen zij met elkaar ruzie te maken over wie het koninkrijk zal gaan regeren. Deze verdeeldheid heeft zijn natuurlijke gevolgen. De noodzakelijke bevoorrading van het garnizoen in fort Xamel wordt geheel verwaarloosd als gevolg van de ruzie om de troonsopvolging en het garnizoen heeft geen andere keus dan zich over te geven. De leden van het garnizoen wordt toegestaan het fort te verlaten met medeneming van hun bagage. Terwijl zij zich terugtrekken, worden zij plotseling overvallen door de amadises van het leger van Ormoez. Deze hadden vriendschap voorgewend met geen ander doel dan wraak te kunnen nemen voor de beledigingen die zij van de zijde van hun vrouwen en dochters hebben moeten verduren. De aanvallers doden 150 soldaten van het garnizoen en zij zouden ook de andere 350 soldaten hebben omgebracht indien niet de koning van Ormoez en Dom Gonçalo tussenbeide zouden zijn gekomen en de slachtpartijen beëindigd zouden hebben. De koning van Ormoez die nu in het bezit van fort Xamel is, legert 500 man, onder bevel van Coiecenadam, in het fort en keert dan terug naar Ormoez, welke plaats thans bevrijd van vijandelijke druk, geen probleem heeft om een overvloed aan levensmiddelen en andere voorraden te ontvangen.

Nadat de troepen van de Mogol het beleg van Damão hebben opgeheven, is Fernão de Miranda met een vloot van twintig schepen in 1582 in zee gestoken, maar hij krijgt te maken met zulke hoge zeeën dat hij verplicht is beschutting te zoeken in de haven van Surat. Als hij de haven weer verlaat, ontmoet zijn vloot een groot schip uit Balala, dat zich zonder strijd te leveren overgeeft, op voorwaarde dat de levens van de bemanning zullen worden gespaard. De bemanningen van Miranda’s schepen zien het genomen schip als een prijs, waarvan de lading onder hen zal worden verdeeld. Fernão de Miranda wijst de claim van zijn manschappen af, waarop de bemanningen van veertien schepen aan het muiten slaan. Zij veroordelen de houding van Miranda, strijken de Portugese vlag en hijsen de zwarte piratenvlag. Zij keren terug naar Damão en bezetten de stad. Zij begaan een aantal gewelddaden, waardoor de bevolking in staat van alarm geraakt, omdat de mensen niet begrijpen wat de zeelieden bezield. Miranda volgt de muiters die hebben besloten hem te doden zodra hij aan land komt. Als Fernão de Miranda, vergezeld door een aantal trouwe bemanningsleden, aan land komt, rukken de muiters op om hun moorddadig plan uit te voeren. Zij verwonden enige van Miranda’s mannen, maar hijzelf vlucht het klooster van São Francisco binnen. Gelet op het grote aantal muiters, bevindt Miranda zich binnen het klooster nog niet in veiligheid. Hij laat hen weten aan hun verlangens tegemoet te komen, waarop de muiters zich weer aan zijn gezag onderwerpen. Ieder bemanningslid ontvangt zijn aandeel in de buit, waarvan de waarde niet meer bedraagt dan tien crowns. Vervolgens verlaat Miranda de haven van Damão met een paar kleine vaartuigen en verovert hij een schip uit Gogo. Hij zet dan koers naar Castelete, waar een groep rovers en piraten hun basis hebben. Miranda verschijnt onverwachts voor hun uitvalsbasis; hij valt hun sterkte aan en verwoest deze subiet. Daarna steekt hij de stad in brand en doodt alle inwoners met het zwaard.

Al eerder is vermeld dat Matias de Albuquerque naar de Malabarkust is gezonden om daar piraten te bestrijden. Hij heeft hen gevonden aan de rivier de Kharepatan. Hij schijnt hen stroomopwaarts te zijn gevolgd, toen zij zich poogden te verbergen in verschillende plaatsen van de zamorin van Calicut. Albuquerque kastijdt hen zwaar telkens als zij toestemming krijgen ergens voor anker te gaan. Bij dit optreden worden zoveel dorpen verwoest dat de zamorin uiteindelijk smeekt om vrede. Albuquerque die gemachtigd is vrede met de zamorin te sluiten, wordt geconfronteerd met de gebruikelijke vertragingstactieken van de vorst. Als zijn geduld op is, hervat hij de vijandelijkheden. Hij verwoest kleine plaatsen aan de kust, bombardeert Calicut, Paracale,Capocate en Chatua. Daarna vertrekt hij naar Ormoez, omdat hij tot capitão daarvan is benoemd. Hij draagt het commando over zijn vloot over aan Dom Giles Yanez Mascarenhas, die met een versterking van acht schepen is aangekomen, om hem als capitão-mór aan de Malabarkust op te volgen.

De vloot die, onder bevel van António de Mello e Castro, in de lente van 1582 uit Lissabon naar Goa vertrekt, bestaat uit vijf schepen. Twee daarvan zijn gedwongen naar Lissabon terug te keren2; een schip gaat verloren aan de kust bij Sofala en slechts twee schepen komen in Indië aan. Op de terugweg naar Portugal heeft een van deze twee schepen een fatale ontmoeting met drie of vier Engelse schepen.

In 1582 voegen Dom Hierome de Mascarenhas en Fernão de Miranda hun troepen samen en trekken daarmee op naar Baçaim om de capitão daarvan, Manuel de Saldanha, te helpen tegen de koning van Coles, die de Camponeses van die omgeving in hoge mate onderdrukt. Op hun weg naar Baçaim, maakt ieder van hen twee schepen uit Malabar buit. Bij hun aankomst in Baçaim worden zij vergezeld door 100 ruiters, 800 musketiers en ongeveer 1.000 slaven en Indiërs terwijl de koning van Sarceta, op verzoek van de onderkoning, een contingent soldaten zendt, dat bestaat uit 150 ruiters en 500 voetknechten. De verenigde strijdkrachten marcheren naar Tavar, waarbij zij onderweg Agashi, Manora en Açarim passeren. Na een tocht van vijftien dagen, waarbij de soldaten zeer te lijden hebben gehad van de grote hitte, wordt de bestemming bereikt. Tavar blijkt op de top van een heuvel te liggen en vandaar kijkt men uit over een uitgestrekte vlakte; in de stad zijn vele prachtige gebouwen en mooie tuinen, die de inwoners in de steek gelaten hebben; de koning en de inwoners blijken allen op de vlucht te zijn geslagen. De stad en veel naburige dorpen worden in brand gestoken, terwijl de op het land wonende bevolking en al hun vee als oorlogsbuit worden weggevoerd. De invasiemacht rukt verder op door onder meer een kloof die zo nauw is dat deze alleen in ganzenpas doorgetrokken kan worden. De koning van Coles, valt met 6.000 man de achterhoede van de verenigde strijdmacht aan, terwijl anderen deze vanaf de heuveltoppen bestoken. Iedere soldaat kan in de nauwe pas alleen maar voor eigen lijfsbehoud vechten, omdat in de pas iedere gecombineerde actie onmogelijk is. Bij deze gevechten onderscheidt niemand zich meer dan de koning van Sarceta die, met het zwaard in de hand, altijd daar te vinden is waar het gevaar het grootst is. Hij vuurt daarbij zijn mannen aan en inspireert hen nog het meest door zijn eigen dappere voorbeeld. Na een zware en langdurige strijd, slaan de geallieerde strijdkrachten de vijand terug en de koning van Coles, die ziet hoe zijn leger compleet verslagen wordt, is gedwongen om vrede te smeken en hij dient alle voorwaarden te accepteren die Manuel de Saldanha hem dicteert.

Dom Giles Yanez Mascarenhas, de capitão-mór van de vloot die langs de Malabarkust dient te patrouilleren, treedt in de voetstappen van zijn voorganger en veroorzaakt grote verwoestingen in de plaatsen aan de kust. Hij steekt de plaatsen Calicut, Ponnani, Calegate, Maratee, Conche en het eiland Daruti tweemaal in brand en slacht tezelfdertijd een groot aantal inwoners af. Dom Giles zeilt vervolgens de rivier van de piraat Kunhale op en maakt een piratenschip buit, dat hij daar vindt. Bij deze laatste actie wordt kapitein Tavora, die het bevel voert over een van de Portugese schepen, door een kanonskogel een been afgeschoten, wat hem het leven kost. De vijand neemt zes Portugezen gevangen, van wie er een wordt overgebracht naar de piraat Kunhale, die hem met één houw van zijn zwaard in tweeën hakt. De koning van Chalè ziet zich gedwongen aan de Portugezen schatting te betalen. Hij wijst hun ook een terrein aan voor de bouw van een fort3, waarvoor hij ook mannen en materialen beschikbaar stelt. Op weg naar Goa, steekt Dom Giles de dorpen van Aselanor, aan de rivier de Sal en die van Cuenti in Salcete in brand.

Barcelor, een stad aan de kust van Canara, is voorheen een van de belangrijkste handelssteden aan deze kust geweest, maar haar handel is aanzienlijk vervallen, sedert de Portugezen daar in 1568 een fort hebben. De bevolking van Barcelor ervaart dat de Portugese capitão, Francisco de Mello e Sampayo, zijn aandacht bijna uitsluitend richt op het verwerven van rijkdom en pleziertjes voor hemzelf. Daarom wordt besloten de capitão bij de eerste de beste gelegenheid te doden en met hem de andere Portugezen. Een goede gelegenheid daarvoor is de aanstaande Witte Donderdag-processie van 1583. De snoodaards zouden hun voornemen vrijwel zeker hebben uitgevoerd, als niet Dom Giles Yanez daar op weg naar Goa juist op tijd met zijn vloot zou zijn gearriveerd. Zijn aankomst voorkomt het begaan van deze wreedheid op de daarvoor vastgestelde dag. Dom Giles vertrekt alweer op Goede Vrijdag en de samenzweerders weten enige christenen te bepraten om hen in de paasnacht in het fort te laten. Hun opzet wordt echter ontdekt en de leiders van de samenzwering worden gevierendeeld. Vervolgens besluiten de Portugezen een open aanval op Barcelor uit te voeren en zij bewegen de koning van Tolar daaraan mee te doen. De vorst versterkt de Portugezen met 5.000 man, die de buitenkant van de stad in brand zetten. André Furtado de Mendoça wordt door de graaf van Santa Cruz met tien schepen naar Barcelor gezonden, waar het Portugese fort nog steeds belegerd wordt door koning Sincarnoboro. Hij verslaat de vijand, zeilt de Rio Beypoor op en verwoest alle dorpen op de oevers daarvan.

In hoofdstuk 1 is al enkele keren de Portugese religieuze intolerantie tegenover de hindoes gememoreerd. Achter in de jaren vijftig is voor het eerst sprake van de verwoesting van hindoetempels. 4 Natuurlijk roept dit optreden verzet op bij de hindoebevolking. In 1559 hebben zij uit wraak alle katholieke kerken op het eiland Salcete verwoest. Hierna weigert de bevolking nog langer tribuut aan de Portugezen te betalen. Zij doen ook een poging om zich te bevrijden van de paters-missionarissen die zij beginnen te vervolgen. In 1567, tijdens het bewind van vice-rei Dom Antão de Noronha (1564-1568) komen verschillende jezuïeten naar Salcete en in 1567 worden opnieuw tempels verwoest, op Salcete niet minder dan 2005. De hindoes koelen hun woede op de jezuïeten en in 1583 sterft Frei Rudolfo de Aquaviva de marteldood. Nadat hij in het dorp Cocolii heeft gepreekt, wordt hij door zijn vijanden gegrepen; zij slaan hem eerst de benen en daarna zijn hoofd af. Zijn confrater, Frei Francisco Aranna, die hem vergezelt, wordt eerst met een speer doorstoken en daarna vol pijlen geschoten. De andere aanwezige jezuïeten worden op diverse andere manieren omgebracht. Uit wraak voor deze moordpartij beveelt de graaf van Santa Cruz, de capitão van Forte Rachol, Gomez Yanez de Figueyredo, de bevolking van Salcete te straffen, wat deze op meedogenloze doet. Hij richt een willekeurige slachtpartij onder de inwoners aan, vernielt hun huizen en maakt hun tempels met de grond gelijk. Nadat hij de leiders onder de moordenaars van de jezuïeten heeft ontdekt, straft hij hen zo meedogenloos dat veel geïntimideerde hindoes op de vlucht slaan. Daarna laat Figueyredo een aantal kerken in het land bouwen en hij laat op alle heuveltoppen een kruis plaatsen. Korte tijd later arriveren in Goa vijf schepen uit Portugal, onder bevel van António de Mello e Castro, die in het voorjaar van 1583 zijn uitgezeild. Hij heeft Frei Vicente da Fonseca o.p. naar Indië gebracht, als opvolger van Frei Henri de Tavora o.p. in het aartsbisdom Goa. In 1585 doet zich voor de jezuïeten in Goa de mogelijkheid voor hun professiehuis en hun eerste college van elkaar te scheiden, als een aantal van hindoes geconfisqueerde woningen, gelegen aan een pleintje in Velha Goa, op verzoek van de provinciaaloverste Alessandro Valignano, worden gekocht door vrienden van de Societas Jesu. Om een nieuw professiehuis te kunnen bouwen zijn nog enige percelen nodig. Valignano wil deze met de eigenaars ruilen tegen ander onroerend goed van de orde. Terwijl de onderhandelingen daarover worden gevoerd, tekenen zpwel de franciscanen als de bestuurders van Santa Casa da Misericordia bezwaar aan tegen de eventuele ruil. De franciscanen zijn van oordeel dat de jezuïeten faciliteiten genoeg hebben in Goa en de Santa Casa ziet zich beperkt in haar mogelijkheden aalmoezen te verwerven. Door een nachtelijke truc weet pater Valignano de omstreden grondstukken te bezetten. Op 13 januari 1586 legt aartsbisschop Frei João Vicente da Fonseca de eerste steen voor het professiehuis Bom Jesús en in 1589 is voor gewijde leden van de Societas Jesu bestemde gebouw af. In 1594 zal worden begonnen met de bouw van de bijbehorende kerk en in 1633 zal het professiehuis ten dele worden herbouwd.

De jezuïeten streven ernaar de Syrische christenen in Malabar de latijnse ritus te doen aanvaarden. De Portugese autoriteiten in Indië ondersteunen dit beleid door te verhinderen dat uit Mesopotamië afkomstige Chaldeeuwse prelaten Malabar bereiken. Zij hebben in Ormoez zelfs spionnen ingezet om inlichtingen in te winnen over de eventuele komst van een Chaldeeuwse bisschop. Niettemin blijven de betrekkingen tussen de Syrische christenen en Mesopotamië bestaan. Het gelukt de gezonden prelaat mar Abraham Goa te ontvluchten en veilig Malabar te bereiken. Hij zoekt de steun van Rome en werkt openlijk met de jezuïeten en het Padroado samen. In 1580 komt de nestoriaanse bisschop mar Simon naar Malabar, om oppositie te voeren tegen mar Abraham. De eerste wordt gearresteerd en sterft in 1599 in Lissabon, nadat in Rome is ontmaskerd dat hij zelfs nooit priester is gewijd. Mar Abraham die zich verzet tegen de latinisering van de liturgie, wordt enkele malen beschuldigd van ketterij, maar anderen wensen veel behoedzamer te werk te gaan. Tot hen behoort Alessandro Valignano (1539-1606), visitator en provinciaal van de Aziatische jezuïetenmissie, Francis Roz, die met mar Abraham in een huis woont, Abraham George, de eerste Maronitische jezuïet die Malabar in 1593 bezoekt, en tenslotte Jerónimo Xavier, achterneef van Francisco Xavier. Het is waarschijnlijk aan de laatste te danken dat de Heilige Stoel de Indische aartsdiaken George de Christo, die in 1580 gekozen is tot herder van het nieuw opgerichte diocees Parur, benoemt tot opvolger van mar Abraham, als deze zou komen te overlijden. Maar nog voor zijn wijding sterft hij en wordt opgevolgd door George de Cruce, een bloedverwant. Als paus Clemens VIII (1592-1605) ongunstige rapporten uit Malabar heeft ontvangen, herroept hij deze aanstelling en gelast Dom Aleixo de Menezes o.e.s.a., aartsbisschop van Goa, met de aanstelling van het bestuur voor het vakante Syrische aartsbisdom. In 1597 bezoekt Dom Aleixo de Menezes de Latijnse christenen van Malabar en wenst hij bovendien een administrator voor de Syriërs aan te stellen. Zijn keuze valt op pater Roz, maar zijn adviseurs spreken zich uit voor aartsdiaken Cruce, die de benoeming ontvangt. Cruce krijgt twee jezuïeten: Pater Roz en pater Toscano, de overste van het seminarie te Vaipicotta, als adviseurs toegewezen, waartegen hij zich verzet, omdat hij de inmenging van het Padroado vreest en bovendien bang is van Mesopotamië te zullen worden afgesneden. Hij wordt in zijn houding krachtig gesteund door zijn gelovigen. De aartsbisschop van Goa gaat direct naar Malabar om voor eens en altijd de betrekkingen tussen het Padroado en de Syriërs te normaliseren. Tussen 1 februari en november 1599 visiteert hij het gehele aartsbisdom en roept de beruchte synode van Diamper bijeen, die eind juni plaatsheeft. Daaraan nemen 153 Syrische priesters, tientallen diakens en andere clerici en 671 lekenafgevaardigden van de diverse kerken deel. Aartsbisschop Dom Aleixo wordt bijgestaan door aartsdiaken Cruce, die zich voor de synode met elkaar hebben verzoend, en door jezuïeten als pater Roz en pater Toscano s.j. van Vaipicotta. De synodale beslissingen, die het stempel dragen van een nauwgezette kennis van de plaatselijke, sociale en economische omstandigheden, tonen een algeheel gebrek aan begrip voor praktisch alles wat betrekking heeft op de Oosterse ritussen in het algemeen en op de Chaldeeuwse ritus in het bijzonder. Een hele schat van gewoonten, gebeden, liederen enz. wordt volkomen verminkt, zo niet afgeschaft. Gezien de rapporten van Dom Aleixo de Menezes en de jezuïeten besluit de Heilige Stoel een Latijnse prelaat, die missionaris van het Padroado is, te benoemen voor de vakante zetel van Cranganore-Angamale, een beslissing die niet door iedereen wordt gewaardeerd. Aldus wordt Francis Roz benoemd, wat geen slechte keus is; hij is bij het volk bemind, beheerst het Syrisch en het Malayalam en is geen Portugees, maar een Catalaan. Hij is bovendien een goede vriend van de aartsdiaken, die hij in zijn ambt heeft gesteund. Deze eerste Latijnse prelaat van de Syrische christenen roept in 1603 te Angamale een nieuwe synode bijeen, die vele in Diamper genomen maatregelen herroept of wijzigt. De Heilige Stoel belast Roz ook met de restauratie van het aartsbisdom Angamale, dat in 1600 onder druk van Dom Aleixo de Menezes is verlaagd tot bisdom, waardoor het onafhankelijk is geworden van Goa. Roz zal regeren tot zijn dood in 1624.

Sultan Amodifar, de koning van Cambay, die een gevangene van de Mogols is geweest sinds deze zijn land hebben veroverd, weet in 1583 door de hulp van enkele vrouwen te ontsnappen. Hij vermomt zich en reist naar een bancane in Cambayete, door wie hij naar Yambo wordt gebracht. Met behulp van deze bancane slaagt hij erin een leger op de been te brengen, dat meer dan 30.000 ruiters telt. Hij keert aan het hoofd van dit leger terug naar Cambay en hij slaagt erin het grootste deel van zijn koninkrijk te heroveren. De onderkoning denkt van de oorlogstoestand in Gujarāt te kunnen profiteren en Surat te kunnen veroveren. Hij vaart met 40 zeilen naar Chaul en zendt vandaar boodschappers naar Broach, dat op dat moment wordt belegerd door sultan Amodifar. Binnen de stad bevinden zich de door Amodifar verslagen weduwe en de kinderen van Cotubidi Khan. De boodschappers van de vice-rei hebben opdracht tegelijkertijd zowel met de koning als met de weduwe van Cotubidi Khan te onderhandelen, zonder dat hun gesprekspartners dit weten, zodat de Portugezen hun belangen kunnen veiligstellen, onverschillig welke partij uiteindelijk de macht in de stad zal verwerven. De Mogols, evenwel, arriveren korte tijd later met een groot leger en nadat zij alles hebben heroverd wat zij hebben verloren, maken zij een einde aan de onderhandelingen van de onderkoning, die daarop naar Goa terugkeert.

Terwijl de graaf van Santa Cruz in 1583 in Cambay verblijft, besluiten vele vooraanstaande onderdanen van de Adil Khan van Bijapur, die daartoe zijn uitgedaagd door de onbeschaamdheid van diens favoriet Larva Khan, om Cufo Khan, de zoon van Meale Khan, op de troon te zetten. Cufo Khan bevindt zich op dat moment als gijzelaar in Goa, om te bewerkstelligen dat de Adil Khan zich aan zijn afspraken met de Portugezen zal houden. De samenzweerders zijn erin geslaagd contact op te nemen met de gijzelaar in Goa, om hem uit zijn gevangenschap te bevrijden. Larva Khan, die hiervan weet krijgt, wendt voor aan de kant van de samenzweerders te staan, maar hij koopt de bewakers van Cufo Khan om, om te voorkomen dat deze ontijdig ontsnapt, met gebruikmaking van de verraderlijke Portugees, Diogo Lopez Bayam, die de Adil Khan in het verleden al meerdere soortgelijke diensten heeft bewezen. Als Cofu Khan tenslotte ontsnapt, verwacht hij de troon van Bijapur te verwerven, maar in plaats daarvan valt hij in de handen van Larva Khan, die hem zijn ogen laat uitsteken. Terwijl deze ontwikkelingen zich eind 1583 in Bijapur voordoen, smeken de onderdanen van de zamorin van Calicut, die zeer te lijden hebben onder de verwoestingen die de oorlog met de Portugezen veroorzaakt, hun vorst vrede te sluiten met de Portugezen. De graaf van Santa Cruz verkeert in de positie dat hij de zamorin zijn vredesvoorwaarden kan dicteren.

De koning van Cochin, de kalpathi, heeft zich zo slaafs onderworpen aan de Portugezen, dat zijn onderdanen daarover zeer ontevreden zijn, omdat zij zich beroofd voelen van hun rechten. Een menigte van 20.000 inwoners zweert ten overstaan van de Portugese capitão dat zij zonodig bereid zijn voor het herkrijgen van hun vrijheden te sterven. De Portugese capitão van Cochin, Dom Jorge de Menezes Baroche, die niet in de positie verkeert aan hun verlangens tegemoet te komen, maakt van de nood een deugd; hij belooft voor dat moment de uitvoering van de opdrachten van de onderkoning op te schorten. Zodra de graaf van Santa Cruz verneemt dat Cochin in opstand is gekomen, zendt hij uit voorzorg Dom Giles Yanez Mascarenhas naar de stad om het tumult te onderdrukken. Hij ontvangt ook de opdracht het fort te vernietigen dat de nayak van Sanguicer aan de gelijknamige rivier heeft gebouwd en dat in de ogen van de Portugezen geen ander doel heeft dan het beschermen van piraten, die zich daar gevestigd hebben om schade toe te brengen aan de Portugese scheepvaart. Dom Giles vertrekt met een vloot van 14 schepen en 300 man uit Goa. Hij zeilt de Rio Sanquicer op, waarbij hij overstapt op een kleiner vaartuig. Hij belandt met dit scheepje ver voor de andere schepen uit tussen smalle rotsen, zonder dat hij vandaar kan terugkeren en zonder dat hij hulp kan ontvangen van de rest van zijn strijdmacht. Hij wordt ogenblikkelijk aangevallen en gedood, waarop de expeditie terugkeert.

In 1584 zendt de ‘Grote Turk’, Murad III (1574-1595) zijn aanvoerder Mohamed Bashaw met 12.000 ruiters, veel voetknechten en artillerie en met medeneming van grote hoeveelheden levensmiddelen, andere voorraden en geld, om recente veroveringen in Perzië veilig te stellen. Deze legermacht lijdt een beslissende nederlaag. Korte tijd later, evenwel, geraakt Perzië in groot gevaar als gevolg van de intriges van bepaalde personen die de sjah Mohammad Khodādanba (1578-1587) ervan weten te overtuigen dat diens zoon Abbas Mirazen Mirsa een rebellie tegen hem heeft ontketend. De sjah trekt met een groot leger tegen zijn zoon op om hem te onderwerpen. Gebruikmakend van de interne verdeeldheid in Perzië, zendt sultan Murad III opnieuw een groot leger naar het buurland. De strijdmacht, die bestaat uit 100.000 ruiters, onder commando van Bashaw Ferabat, heeft opdracht de provincie Raviam te veroveren. De sjah, evenwel, die te horen heeft gekregen dat hij is bedrogen, neemt wraak op zijn informanten en verzoent zich met zijn zoon. Het leger van de ‘Grote Turk’ heeft reeds grote vernielingen in Raviam aangericht, maar als Bashaw Ferabat verneemt dat de interne verdeeldheid in Perzië tot het verleden behoort, trekt hij direct terug naar zijn eigen land

Koning Philips II heeft vice-rei Dom Francisco de Mascarenhas, graaf van Santa Cruz, opdracht gegeven een ambassadeur te zenden naar sjah Khodādanba. De ambassadeur dient de vorst te vragen of het christendom in zijn land gepredikt mag worden en hij dient een tegen de Porte gericht verdrag met Perzië af te sluiten en de onderdanen van de sjah bepaalde handelsvoordelen aan te bieden. De onderkoning die een voornaam ambassadeur dient te zenden naar een van de meest pronkzieke hoven van Azië, roept zijn Adviesraad bijeen, omdat zijn schatkist leeg is. De aartsbisschop van Goa, Dom Aleixo de Menezes o.e.s.a., een van de leden van de Adviesraad, die in het zenden van een ambassadeur een mooie gelegenheid ziet het christelijke geloof in Perzië te verkondigen, steunt het plan en hij wil op zijn kosten vooraanstaande geestelijken naar Perzië zenden. De onderkoning moet wel instemmen met het zenden van Frei Simão Morales o.e.s.a., die een diepgaande kennis van de Perzische taal bezit. Aangekomen aan het hof van de Sophy, wordt de augustijn met blijdschap ontvangen door hem en al zijn hoge dignitarissen en hun blijdschap neemt nog toe als zij hem de leden van zijn gezantschap horen voorstellen in de Perzische taal. Padre Morales ontvangt van de sjah de opdracht zijn zoon les te geven in astronomie en wiskunde. De Safavidische monarch zendt padre Morales een ambassadeur mee naar Goa, maar het schip waarmee het tweetal reist, wordt aan de oostkust van Afrika door een storm overvallen. Zij komen om zonder dat ook maar begonnen is met de missie in Perzië.

Dom Duarte de Menezes, conde de Tarouca, die tot opvolger van Dom Francisco Mascarenhas tot gouverneur en onderkoning in Indië is benoemd, verlaat Lissabon in het voorjaar van 1584 met een vloot van vijf schepen. Hij arriveert met vier schepen in Indië, omdat tijdens de reis een schip verloren is gegaan. Bij zijn aankomst in Goa, draagt de graaf van Santa Cruz zijn ambt, dat hij drie jaren heeft bekleed, aan zijn opvolger over en vertrekt nog hetzelfde jaar naar Lissabon. Hij arriveert daar aan boord van een van de schepen van de eerste retourvloot die na zijn abdicatie uit Indië is vertrokken.

1 Javaanse en Sumatraanse peper, die te koop is in Malacca, wordt meer gewaardeerd dan Malabaarse peper. In 1578 is de São Rafael, onder bevel van Francisco Lobo, het eerste schip dat rechtstreeks van Lissabon naar Malacca zeilt en na twee jaren terug is.

2 Magalhães-Godinho vermeldt (zie pag. 655) dat de São Francisco, onder kapitein João da Fonseca, al snel naar Lissabon moet terug-keren en dat het schip niet opnieuw vertrekt; over een tweede schip dat moet terugkeren, wordt niets vermeld.

3 Gouverneur-generaal Nuno da Cunha is al in 1531 begonnen met de bouw van een fort, een douanekantoor en een vlootbasis in Chalé (zie deel X, pag. 84), maar dit fort is in 1570 verloren gegaan.

4 Zie pagina 33

5 Zie pagina 50

2.1 Vice-rei Dom Duarte de Menezes, conde de Tarouca (1584-1588)

Categorieën
Portugees kolonialisme

De capitães-gerais Dom António de Noronha, António Moniz Barreto, Dom Diogo de Menezes, Dom Luís de Ataíde en Fernão Telles de Menezes (1571-1581). De Estado da India in de jaren 1558-1581

Deel 15 Index

Hoofdstuk 1.

De Estado da India in de jaren 1558-1581

1.3. De capitães-gerais Dom António de Noronha, António Moniz Barreto, Dom Diogo de Menezes, Dom Luís de Ataíde en Fernão Telles de Menezes (1571-1581)

Geschreven door Arnold van Wickeren

De wisseling in het bestuur van Portugees Indië die het gevolg is van het aftreden van Dom Luís de Ataíde, geeft Dom Sebastião de mogelijkheid enige veranderingen in het bestuur door te voeren om de effectiviteit daarvan te vergroten. De grote omvang van de gebieden waarop dit bestuur zich richt en dat reikt van de oostkust van Afrika tot aan China, lijkt te uitgebreid om nog vanuit een punt te kunnen worden gecontroleerd en daarom is besloten het enorme territorium in drieën te verdelen, waarbij ieder deel een eigen bestuurscentrum heeft. Een deel omvat alle gebieden tussen Cabo Guardafuí en Ceylon, zij vormen de Estado da India. Het gebied Monomotapa is de oostkust van Afrika vanaf Cabo Correntes tot aan Cabo Guardafuí en de gebieden tussen Pegu en China komen onder bestuur van Malacca. De nieuwe gouverneur van de Estado da India is Dom António de Noronha, die de titel onderkoning voert. Monomotapa komt aan Francisco Barreto en Malacca aan António Moniz Barreto, die beiden geen onderkoning zijn, maar die de titel gouverneur dragen.

Dom António de Noronha vertrekt in het voorjaar van 1571 met vijf schepen uit Lissabon en kort daarna zeilen nog twee schepen uit. Hij arriveert op 6 september van hetzelfde jaar met zijn gehele vloot in Goa. De opvarenden hebben zeer geleden onder ziekten, van de 4.000 mannen die uitgevaren zijn, is de helft onderweg gestorven. Dat zovelen tijdens de reis door ziekten sterven, zonder dat sprake is van gedwongen ‘overwintering’ in Moçambique, is wel zeer bijzonder. Er zijn ook voorbeelden bekend van snelle overtochten, tijdens welke vrijwel niemand om het leven komt. Als Dom António in Goa aankomt, heeft de Adil Khan het beleg nog niet opgegeven, zodat de nieuwe onderkoning zich een deel van de roem de Adil Khan tot de terugtocht te hebben genoopt, kan toeeigenen. De Adil Khan laat enige gevolmachtigden achter, om met de nieuwe onderkoning over vrede te onderhandelen en op 13 december 1571 wordt het vredesverdrag geproclameerd, wat tot grote uitbarstingen van vreugde leidt.

Nu de vrede is hersteld, is de eerste zorg van Dom António het zenden van versterkingen naar het nog steeds door de zamorin belegerde fort van Chalè. Hij zendt Dom Diogo de Menezes met twee galeien, een galjoen en vier andere schepen naar Chalè en kort daarna volgen nog eens twee galeien en drie andere schepen. Deze versterkingen bereiken Chalè te laat, want het fort is inmiddels op bepaalde voorwaarden aan de zamorin overgegeven. Dom Jorge de Castro heeft het fort overgedragen ondanks de oppositie van het merendeel van de officieren, die daarmee gehoor heeft gegeven aan de smeekbeden en tranen van zijn vrouw en andere vrouwen. Dom Diogo de Menezes neemt aan boord van zijn schepen alle mensen die onderdanen zijn van de koning van Thana en brengt hen naar Cochin. Hij geeft vervolgens een deel van zijn vloot aan Matias de Albuquerque en ontdoet de zee van piraten. Vervolgens verovert en verwoest hij een fort aan de monding van de Rio Sanguicer, dat gebouwd is door een naique van de Adil Khan. In deze actie sneuvelt António Fernandes de Chalè, een bewoner van Malabar, een dapper man die al menigmaal, onder Portugese capitães met bevelvoering is belast. Omdat hij ridder is in de Orde van Christus wordt zijn lichaam vervoerd naar Goa, waar het met grote pracht en praal ter aarde wordt besteld.

De onderkoning, die een arm man is, heeft zijn benoeming aanvaard in de hoop dat hij in Indië een fortuin kan verwerven en met dit doel berooft hij António Moniz Barreto voor een deel van wat hem is toebedeeld als gouverneur van Malacca. Barreto tekent protest aan, maar als de onderkoning daarvoor niet zwicht, weigert hij zijn reis voort te zetten naar zijn standplaats, tenzij hij dit kan doen met een voldoende sterke krijgsmacht, om zijn positie daar te kunnen handhaven. De gerezen problemen zullen later weer de kop opsteken en tot serieuze gevolgen leiden. Na zoals gebruikelijk de nodige squadrons te hebben uitgerust en deze naar verschillende delen van de Estado da India te hebben gezonden en nadat Dom António de Noronha vier schepen uit Lissabon ontvangen heeft, treft hij voorbereidingen Damão te ontzetten. Damão wordt, evenals Baçaim, bedreigd door de Mogols, omdat beide plaatsen vroeger hebben behoord tot het sultanaat Cambay (Gujarāt), dat de Mogols aan hun rijk willen toevoegen. Sultan Mahmud, de erfgenaam van de voormalige sultan van Cambay dient drie door Mogolkeizer Akbar aangestelde voogden te aanvaarden. Het zijn drie rijksgroten: Alu Khan, Itimiti Khan en Madre Maluco, die elkaars rivalen zijn en die er alle drie naar streven de jonge koning aan zich te onderwerpen. Maar sultan Mahmud, die inziet dat het zijn beschermers uitsluitend is te doen om het verwerven van meer macht ten kosten van hun rivalen, vlucht van Madre Maluco naar Itimiti Khan. Deze, vrezend dat de jonge sultan zal ontsnappen, besluit hem te verraden. Hij biedt Akbar, die op het toppunt van zijn macht verkeert, aan de sultan van Cambay aan hem uit te leveren, wat het de keizer mogelijk zal maken zich met een klein leger in het bezit te stellen van Gujarāt. Als beloning voor zijn verraad verlangt Itimiti Khan dat hij wordt aangesteld als onderkoning. De Grootmogol stemt direct in met de voorstellen en bijgevolg marcheert hij aan het hoofd van een kleine strijdmacht naar Ahmedabad, waar de verrader de jonge sultan aan hem uitlevert. Aldus verwerft Akbar in 1571 het koninkrijk Gujarāt, zonder dat hij zijn zwaard heeft behoeven te trekken.

Daarmee nog niet tevreden, besluit keizer Akbar de steden Damão en Baçaim en omgeving op de Portugezen te veroveren. Zodra Dom Luís de Almeida, capitão van Damão, lucht krijgt van de plannen van de Grootmogol, laat hij dit de onderkoning weten en deze zendt onmiddellijk versterkingen naar Damão en hij maakt zich gereed om zelf ook naar de bedreigde stad te gaan. Hij vertrekt eind december 1571 uit Goa met negen galeien, vijf galjoenen, acht galjoten en 90 andere vaartuigen van verschillende afmetingen en hij arriveert spoedig daarna in de rivier van Damão. Zijn vastberaden optreden boezemt zijn vijanden, die twee léguas verder kamperen, zoveel ontzag in dat de Grootmogol direct een ambassadeur zendt met vredesvoorstellen. De vice-rei ontvangt de ambassadeur van keizer Akbar met veel pracht en praal en met saluutschoten. Nadat de vice-rei de boodschap van de ambassadeur heeft vernomen, zendt hij hem, vergezeld van António Cabral, terug naar de Grootmogol. António Cabral sluit met de Mogols een verdrag af dat beide partijen voldoet. De onderkoning keert terug naar Goa en de Grootmogol die zijn macht in Gujarāt heeft geconsolideerd, slaat het hoofd af van de verrader Itimiti Khan, een juiste beloning voor zijn schurkenstreek.

De inwoners van Barcelor, die woedend zijn over het fort dat vice-rei Dom Luís de Ataíde in 1568 in de buurt van de stad heeft laten bouwen, belegeren dit fort met een leger van 6.000 man. Ruy Gonçalves de Câmara, de capitão van het garnizoen, treft voorbereidingen voor een gepaste verdediging, nadat hij de onderkoning om hulp heeft gevraagd. Na korte tijd arriveren vijf schepen met troepen om het garnizoen te versterken. Zij worden gevolgd door twaalf schepen onder bevel van Dom Jorge de Menezes, die op weg naar Barcelor de stad van de nayak van Sanguicer verwoest. Bij deze aanval vindt een grote slachting plaats onder de inwoners van de stad, maar er komen slechts twee Portugezen om het leven. In de Baai van Barcelor neemt Dom Jorge ook een schip voor het transport van hadji’s naar Mecca. Als Dom Jorge in Barcelor aankomt, blijkt dat de situatie daar veilig is, dankzij de versterkingen die zijn aangevoerd met de vijf schepen die al eerder te hulp zijn gesneld.

Dom Diogo de Menezes, die met een galei en zeven andere schepen naar het noorden zeilt, verovert bij de Angerula eilanden, op acht léguas van Chaul, twee grote schepen van de Adil Khan. Er steekt een storm op, die de twee schepen naar de kust drijft, waar zij door inheemse bewoners worden heroverd en aan de eigenaar worden teruggegeven. De Adil Khan is woedend, omdat zijn schepen door de Portugezen genomen waren, na de recente sluiting van een vredesverdrag. Danvers vermeldt dat de schuld van het incident bij de moren heeft gelegen, omdat zij door dreiging met hun kanon de afgifte van cartazes hebben getracht af te dwingen. De Adil Khan arresteert Dom Henrique de Menezes en de andere Portugezen die aan zijn hof verblijven en sluit hen op in het kasteel van Belgaum, maar nadat zijn woede is gezakt, laat hij zijn gevangenen vrij.

Aan boord van een van de vier schepen die in 1572 uit Lissabon in Goa arriveren, bevinden zich de eerste augustijnen. Zij beginnen nog hetzelfde jaar op de top van de Sacromonte met de bouw van hun klooster en kerk, gewijd aan Nossa Senhora da Graça. Het klooster zal in 1587 worden herbouwd en in 1602 worden vergroot. In dat jaar komt ook de kerk, een van de rijkste en mooiste van Velha Goa, gereed. In het begin van de zeventiende eeuw wordt naast hun klooster de Capela de Santo António, bekend als de Capela Real, gebouwd, omdat Sint Antonius de nationale heilige van Portugal is. Het zich in de kapel bevindende standbeeld van Santo António had de rang van capitão in het leger en ontving het daarbij behorende salaris, waartoe het beeld in plechtige processie naar het gebouw waarin de schatkist werd bewaard, werd gebracht. De kapel is na de verdrijving van de augustijnen in 1835 gesloten en in 1894 na renovatie heropend. In 1961 is de kapel door de Portugese staat gerestaureerd. Als de kloosterorden in 1835 aan onderdrukking zullen komen bloot te staan, zullen het klooster en de kerk worden verlaten; het klooster zal enige tijd worden gebruikt door de Santa Casa da Misericordia. In 1842 stort het dak van de kerk in en in 1846 wordt het in het klooster gevestigde Colégio do Populo, waar jonge broeders augustijnen hun opleiding ontvingen, neergehaald. In 1874 staan nog slechts de muren van de kerk overeind en deze storten, met uitzondering van de helft van een toren, in 1931 in.

Met dezelfde vloot waarmee de augustijnen in Goa arriveren, komt ook Dom Francisco de Sousa aan; hij heeft brieven van koning Dom Sebastião voor bisschop Gaspar Jorge de Leão Pereira bij zich. Daarin wordt medegedeeld dat de koning Dom António de Noronha heeft ontheven van zijn ambt van capitão-geral van de Estado da India en dat hij wordt opgevolgd door António Moniz Barreto. Dom António de Noronha keert terug naar Lissabon, waar hij korte tijd later sterft van verdriet. Niet lang daarna ziet Dom Sebastião in dat hij een vergissing heeft begaan en dat hij daarmee Dom António de Noronha onrecht heeft aangedaan. Het is inmiddels te laat om daar nog iets aan te doen, omdat de voormalige onderkoning zich ontrokken heeft aan menselijke bestraffing en menselijk eerbetoon. António Moniz Barreto is capitão van Malacca als hij zijn promotie tot capitão-geral verneemt. Als de zegels worden verbroken van de koninklijke brieven die zijn opvolging regelen, blijkt dat hij in Malacca wordt opgevolgd door Gonçalo Pereira Marramaque en in het geval deze niet meer in leven is, wat het geval is, komt Dom Leonis Pereira voor het ambt van capitão van Malacca in aanmerking. Zodra António Moniz Barreto zijn promotie heeft vernomen, reist hij naar Goa, waar hij op 9 september 1573 zijn hoge ambt op zich neemt. Hij is nog maar nauwelijks geïnstalleerd als gouverneur, als in Goa wordt vernomen dat Malacca opnieuw in gevaar verkeert; de sultan van Atjeh bedreigt de stad met een grote vloot, die versterkt is met schepen van de koningin van Japara, een havenstad op Java. De gouverneur beveelt de nieuw benoemde capitão van Malacca Dom Leonis Pereira direct naar Malacca te gaan, om de leiding van de defensie op zich te nemen. De laatste verlangt van de gouverneur dat deze hem daarvoor voldoende middelen ter beschikking stelt. Om onbegrijpelijke redenen weigert de gouverneur aan dit verzoek tegemoet te komen, ofschoon Portugese troepen op dat moment nergens in Indië strijd leveren, Dom Leonis weigert daarop naar Malacca te gaan en keert terug naar Lissabon.

Tegen het einde van 1573 komen zes schepen uit Portugal in Goa aan. De vloot brengt het bevel Dom Jorge de Castro te doen berechten, omdat hij het fort in Chalè heeft overgedragen aan de zamorin. Dom Jorge wordt berecht, schuldig bevonden en onthoofd op het marktplein van Goa, terwijl anderen, die net zo schuldig zijn als hij, niet alleen aan bestraffing ontkomen, maar zelfs worden beloond. Bizar is dat er een jaar later een commissie uit Portugal in Goa aankomt, die een andere post voor Dom Jorge de Castro heeft.

In 1575 boekt Dom João da Costa, capitão-mór in de wateren van Malabar, grote successen met zijn vloot van twee galeien en 24 andere schepen. Hij pleegt een aanval op de stad Gaipar, bij Barcelor, die toebehoort aan de koning van Tolar. Hierbij doodt hij 1.500 inwoners, haalt hun bomen neer en steekt de stad in brand. In de rivier bij Chalé vernietigt Dom João da Costa een eiland van de zamorin, hij zeilt een eindje de rivier op en verwoest daar de stad Parapangalem. De erfgenaam van de troon van deze stad, die haar wilde ontzetten, vindt de dood, tezamen met 200 moren. Bij gevechten in Capocate sneuvelen 300 vijanden en betreuren de Portugezen twee gedode soldaten. Bij Mount Dely wordt de stad Nilachiram in de as gelegd. Naast deze acties worden verschillende vaartuigen genomen, waardoor de Portugese galeien opnieuw kunnen worden voorzien van slaven en de vloot kan worden bevoorraad. Er is verder maar weinig bekend over het gouverneurschap van António Moniz Barreto. Toegegeven moet worden dat hij een goed bestuurder is geweest, maar hij heeft zijn ambt te kort bekleed om alle verwachtingen waar te maken.

Begin 1576 zeilt Ruy Lourenço de Tavora met vier schepen uit Lissabon naar Goa, om António Moniz Barreto op te volgens als capitão-geral van de Estado da India. Ruy Lourenço zal zijn bestemming echter niet bereiken; hij sterft onderweg in Moçambique. Als de schepen in Goa arriveren, worden de zegels verbroken van de koninklijke brieven waarin de opvolging is geregeld. Dom Diogo de Menezes is de persoon wiens naam het eerst wordt genoemd. Omdat Dom Diogo zich in Goa bevindt, neemt hij direct het bestuur in handen. Hij rust een aantal eskaders uit, die hij uitstuurt in diverse richtingen.

In 1576 besluiten de jezuïeten hun post op het eiland Ormoez op te geven. Zij hebben zich al in 1549 gevestigd in dit zeer belangrijke centrum van de handel in Europees zilver en manufacturen, Arabische paarden, Perzische karpetten en zijde, Indische katoentjes, Zuid-Aziatische specerijen en geneesmiddelen, Chinees porselein, maar ook van de handel in clandestiene wapens en een punt waar tol geheven wordt van hadji’s. Maar na bijna drie decennia lang de voortdurende pesterijen van de vijandige moslims te hebben moeten verdragen, valt de beslissing Ormoez in de nabije toekomst te verlaten. Zij zullen hun post in 1580 overdragen aan de augustijnen.

In 1576 bouwen de jezuïeten hun klooster (mosteiro) met seminarie en kerk in Rachol, dat twintig jaar later zal worden herbouwd. Het seminarie, aanvankelijk Colégio de Todos os Santos geheten, is al in 1574 gesticht in Margão, “het dorp van de duivels” op het schiereiland Salcete, waar de Societas Jesu in 1560 haar intrede heeft gedaan, maar het seminarie zal daar in 1579 door de moslims in brand worden gestoken, waarna de instelling in 1580 wordt verplaatst naar Rachol. Het seminarie wordt door de jezuïeten herdoopt in Colégio de Santo Ignatio de Loyola. Vermaard is de bibliotheek van het seminarie. Veel vooraanstaande Goanezen hebben hun opleiding ontvangen1 in Rachol. Het seminarie is overigens gebouwd op de plaats waar eens een Hindoetempel heeft gestaan. Een van de vijf door Diogo Rodrigues in 1564 verwoeste tempels. Het fort van Rachol zal, evenals het als fort gebouwde seminarie ter plaatse, van grote betekenis zijn tijdens de Maratha-oorlogen. Ook andere orden stichten hun eigen seminaries, zoals bijvoorbeeld de dominicanen die – volgens José Nicolau da Fonseca2 – in 1596 hun Colégio de São Tomé in Banguenim vestigen.

In 1578 stichten de jezuïeten in Vaipicotta een Syro-Malabaars seminarie, dat het sedert 1541 door de franciscaan Vincent de Lagos in Cranganore geleide instituut vervangt. Francisco Xavier zelf heeft ook in Malabar huizen voor de jezuïeten gesticht; omstreeks 1552, het jaar waarin hij is gestorven, heeft de orde zich gevestigd in Cochin en Quilon. In Cochin bezitten de jezuïeten het Colégio de Madre de Deus, dat dient als regionaal bestuurlijk centrum voor de Malabar-, Travancore- en Coromandelkust. Naast het Seminario da Santa Fé in Goa, is dit het tweede college van de jezuïeten in Portugees Azië, maar het is hun voorlopig niet gelukt de zielzorg onder de Syrische christenen uit te oefenen. Eerst onder de laatste Chaldeeuwse prelaat, mar Abraham, stichten zij in 1578 een permanent centrum onder de Syriërs, die door de Portugezen min of meer als ketters worden beschouwd en die zich aan Portugese invloed trachten te onttrekken door naar het binnenland te verhuizen. In 1552 heeft de Chaldeeuwse katholikos, mar Joseph Sulaqa officieel het pauselijk primaatschap erkend en hij is hierop bevestigd in zijn privileges en jurisdictie. De nieuwe katholieke patriarch zendt spoedig een metropoliet naar Malabar, namelijk zijn broer mar Joseph, die vergezeld wordt door Maltezer Dominicanen, onder wie bisschop Ambrose Buttigeg. Mar Joseph ontvangt echter van het Padroado slechts onheuse bejegeningen; hij is tweemaal naar Rome gezonden, waar hij in 1570 is gestorven.

In 1577 vernemen de Portugezen dat sultan Murad, de oude gouverneur van Bahrein, is vermoord door een zekere Khizr Shah en dat hij is opgevolgd door zijn jongste zoon. De vizier van Ormoez, Nur-al-Din, zendt – ongetwijfeld in samenspraak met de Portugese capitão ter plaatse – een gezant naar de Turkse gouverneur van het tegenover Bahrein gelegen al-Hasa om hem te verzoeken zich niet te mengen in de aangelegenheden van Bahrein. De Portugezen zijn er natuurlijk van op de hoogte dat het Ottomaanse Rijk van plan is zich ook meester te maken van het onafhankelijke Bahrein, hetgeen ook blijkt uit de correspondentie tussen de ‘Verheven Porte’ en de Turkse gouverneurs van al-Hasa, Basra en Bagdad in de jaren 1573-1575. Het rapport van de gouverneur-generaal van al Hasa uit 1575 is in dit opzicht interessant. Hij schrijft daarin dat de verovering van het fort in Bahrein een peulenschil is, dat de soldaten die het fort verdedigen, niet talrijk zijn en dat het aantal schepen dat in Basra ligt, voldoende is voor dit doel. En langzamerhand zijn de voor de campagne benodigde middelen: manschappen, ammunitie en zelfs constructiemateriaal, voorhanden. Er is zelfs sprake van een hoeveelheid mortels voor de campagne in Al-Qatif. De Ottomanen bereiden zich in die tijd echter voor op een campagne tegen Perzië en vergeten hun ambities ten aanzien van Bahrein voor decennia. Eerst als de Ottomaanse sultan Murad III (1574-1595) en sjah Abbas I (1588-1629) in 1590 een vredesverdrag hebben ondertekend, ontvangt de gouverneur van al-Hasa in 1591 toestemming Bahrein te veroveren. Hiervan zal echter niets terechtkomen, omdat hem nooit de middelen worden gegeven zijn plan uit te voeren. Het laatste dat Turkse documenten over Bahrein vermelden is, dat zich daar een aantal Turkse boeren en kooplieden uit Al-Qatif vestigen.

Vier kapiteins die in 1577 vanaf Goa naar het noorden zeilen, lopen de haven binnen van Dabul, met welke plaats de Portugezen vrede hebben gesloten. De kapiteins worden goed ontvangen door de thanadar, Melique Tocan, die aanbiedt de schepen te bevoorraden met alles dat zij nodig hebben en hij nodigt de kapiteins, Dom Jerónimo de Mascarenhas, Dom Diogo da Sylveira, Dom António da Sylveira en Francisco Pessoa, met hun officieren uit bij hem te komen dineren. Allen accepteren de uitnodiging, op Dom Jerónimo na. Deze vermoedt een of andere vorm van verraad en hij blijft daarom aan boord van zijn schip in de haven. Na het diner, terwijl de gasten zich vermaken, worden zij plotseling aangevallen door enige tot dan toe verborgen moordenaars, die hen doden, met uitzondering van enkele officieren die erin zijn geslaagd de kust te bereiken en naar hun schepen te ontsnappen. De moordenaars vallen het schip van Dom Jerónimo aan, maar worden teruggeslagen. Dom Jerónimo vertrekt direct daarna naar Goa, om het nieuws van de ramp daar bekend te maken. Zodra onderkoning Dom Diogo de Menezes is ingelicht over het verraad van de thanadar van Dabul, zendt hij Dom Pedro de Menezes naar de stad om het verraad te wreken. Dom Pedro ontvangt instructie enige schepen met hadji’s op te wachten en de kust van de Adil Khan zoveel mogelijk schade te bezorgen. Als Dom Pedro bij Dabul aankomt, verwoest hij twee grote schepen die tegelijk arriveren.

In de dagen dat Dom Pedro de Menezes optreedt tegen Dabul, arriveert in augustus 1577 Dom Luís de Ataíde voor zijn tweede ambtstermijn als capitão-geral en vice-rei van de Estado da India. Door de schatten die de voorbereiding van Dom Sebastião’s rampzalig verlopen veldtocht in Marokko, waarvoor verwezen wordt naar hoofdstuk 2 van deel XIII, heeft gevergd, is het moeilijk een adequate vloot, die de onderkoning naar Indië brengt, uit te rusten. Dom Luís de Ataíde, die wordt vergezeld door Nuno Velho Pereira en João Álvares Laurez, vertrekt in het voorjaar van 1577 uit Lissabon en arriveert, na een voorspoedige reis, eind augustus in Goa, waar de onderkoning met grote blijdschap wordt verwelkomd.

Als bijna een jaar later de ramp in Marokko, waar het Portugese leger ten onder gaat, zich voltrekt, geraakt dat spoedig in Indië bekend. Dom Luís heeft het lot van de expeditie voorzien en zich gerealiseerd welke invloed het bericht van een grote Portugese militaire nederlaag op de Indische vorsten zal hebben. Hij is na zijn aankomst in Goa direct begonnen met de opbouw van de sterkst mogelijke vloot, waaraan hij overigens geen ruchtbaarheid geeft. Hij wil de vorsten en volkeren in Indië tonen dat, welke tegenslag de Portugezen elders ook hebben moeten incasseren, zij in Azië sterk genoeg zijn om zich tegenover wie dan ook te weren. De volgende zorg van de vice-rei is het zenden van versterkingen naar Dom Pedro de Menezes, opdat deze krachtiger kan optreden tegen thanadar Melique Tocan van Dabul. Zelf geeft Dom Luís leiding aan de oorlog tegen de Adil Khan langs de Rio Mandovi. Bij deze laatste onderneming heeft de onderkoning zoveel succes, dat de Adil Khan spoedig te kennen geeft vrede te willen sluiten, waarbij hij belooft de verraderlijke thanadar Melique Tocan niet alleen van Dabul maar eeuwig uit geheel Bijapur te verdrijven. Op deze voorwaarden wordt vrede gesloten, waarna de Portugese troepen naar eigen gebied terugkeren.

Zodra kardinaal Henrique, die op 24 augustus 1578 het regentschap op zich heeft genomen, enige dagen daarna de brief ontvangt waarin Belchior de Amaral uit Marokko laat weten het stoffelijk overschot van Dom Sebastião te hebben geïdentificeerd, zendt hij twee caravelas naar Azië, een naar Goa en de ander naar Malacca, om de autoriteiten officieel van het sneuvelen van de koning op de hoogte te stellen. Het is evenwel niet mogelijk de verslagenheid die zich van Lissabon heeft meestergemaakt over te brengen. Dom Henrique, die op 29 augustus tot koning is gekroond, slaagt erin, ondanks groot gebrek aan geld, een vloot van vijf schepen uit te rusten en naar Goa zenden. De kardinaal-koning wil hoe dan ook de Portugese strijdkrachten in Azië versterken om te voorkomen dat er opnieuw oorlogen uitbreken.

In weerwil van de bepalingen van het recent met de onderkoning gesloten vredesverdrag, staat de Adil Khan Melique Tocan toe in Dabul te blijven, waar hij niet alleen publiekelijk zijn ambt van thanadar uitoefent, maar waar hij ook een groot schip heeft laten bouwen, waarmee hij zich voorneemt handel te drijven op Mecca. Zodra deze feiten Dom Luís de Ataíde ter ore komen, zendt hij Dom Paulo de Lima met tien schepen naar Dabul, om de naleving van de bepalingen van het vredesverdrag af te dwingen. Als Dom Paulo voor Dabul aankomt, blijkt de gehele kust te zijn gefortificeerd met een groot aantal kanonnen, 6.000 cavaleristen en veel infanteristen. Omdat Dom Paulo niet bij machte is deze enorme vijandelijke strijdmacht uit elkaar te slaan met de middelen die hij op dat moment heeft, vaart hij de rivier op en verwoest een groot aantal steden. De vijand doet daarop een oproep op twee Malabaarse piraten, Cartale en Mandaviray, die met vijf galjoten bij Dabul in de buurt zwerven. Melique Tocan vergezeld hen met vijf andere schepen die zijn bemand met 500 dappere Turken en Perzen. Tussen beide vloten ontstaat een hevig gevecht, waarbij de Portugezen de vijandelijke schepen enteren en de strijd het karakter krijgt van man-tegen-man-gevechten. Het resultaat hiervan is dat er slechts één vijandelijk schip ontsnapt en dat alle andere worden veroverd of verwoest. Dom Paulo keert terug naar Goa met negen schepen meer dan waarmee hij is uitgevaren.

In 1578 wordt het al in 1526 gebouwde Mosteiro de São Roch overgedragen aan de jezuïeten, om er hun nieuwe Collegio de São Paulo in te vestigen. Het is een groot en architectonisch prachtig gebouw van vier verdiepingen. De grote omvang van het gebouw en de gebruikelijke arrogantie van de jezuïeten heeft tot discussies geleid. Eerst in 1610 zullen de jezuïeten formeel toestemming krijgen hun college naar deze gebouwen te verplaatsen. Pietro delle Valle, die Goa in 1623 bezoekt, laat weten dat de jezuïeten de orders van de koning het nieuwe college te verwoesten negeren en dat zij het juist verder uitbouwen; zij willen al hun colleges in Azië aan Sint Paulus wijden. In 1579 steken de moslims het jezuïetencollege in brand dat vijf jaar eerder is gebouwd in Margão, “het dorp van de duivels” op het schiereiland Salcete, waar de Societas Jesu in 1560 haar intrede heeft gedaan. Onder de jezuïeten die naar Salcete komen, bevinden zich Thomas Stephens, de eerste uit Engelse ouders geboren jezuïet in Indië en de auteur of co-auteur van de eerste gepubliceerde Konkani-grammatica, en Rudolfo Aquaviva, neef van de 5e generaal-overste en de leider van de eerste jezuïetenmissie naar het hof van de Mogols, die in 1583 in Salcete de marteldood zal sterven. De bouw van het college is mogelijk geworden door de verwoesting van tempels in 1567, de confiscatie van de grond waarop deze hebben gestaan en de toebedeling daarvan aan de jezuïeten, waarvan het aantal snel toeneemt. Alleen al in 1575 zijn 43 leden van de Societas Jesu in Indië aangekomen; een record dat pas in 1602, als 62 jezuïeten arriveren, zal worden overtroffen. In 1580 wordt het college herbouwd onder bescherming van het fort in het zes kilometer van Margão gelegen Rachol. Het college zal in 1597 weer naar Margão verhuizen, maar nadat het in 1606 opnieuw is verwoest, zal het definitief worden verplaatst naar Rachol, waar tot op heden seculiere priesters worden opgeleid. Ook in de Provincia do Norte boeken de jezuïeten rond 1580 vooruitgang; in Damão stichten zij hun Colégio de Onze Mil Virgens en in Chaul, de belangrijkste havenstad van het sultanaat Ahmadnagar wordt hun onderwijsinstelling opgewaardeerd tot een college. Er worden bij tijd en wijle ook jezuïeten gezonden naar de Portugese vesting in Diu, op het schiereiland Kathiawar, maar het zal nog tot 1600 duren voordat de orde daar permanent aanwezig zal zijn.

In november 1579 vertrekt voor de eerste maal een groep jezuïeten uit Goa naar Fatehpur Sikri, de hoofdstad van Mogolkeizer Jalal-ud-din Muhammad Akbar, waar de missie zal verblijven van 1580-1583. In 1573, toen de keizer het beleg had geslagen voor Surat, hebben jezuïeten hem voor het eerst bezocht en zes jaren later heeft hij hun bezoek beantwoord met het zenden van een gezantschap naar Goa, met brieven voor de onderkoning, de aartsbisschop en de provinciaal overste van de jezuïeten. De keizer vraagt in zijn brieven om het zenden een delegatie om hem de christelijke doctrines uit te leggen. Ofschoon de Portugese autoriteiten bang zijn dat de paters wel eens gegijzeld zouden kunnen worden, zijn zij zeer gretig de missie te doen ondernemen. De missie bestaat uit niet-Portugezen, om de keizer niet te beledigen. De leider is de 29-jarige Rudolfo Aquaviva, duque de Atri en neef van de 5e generaal-overste van de Societas Jesu. Hij wordt vergezeld door Frei António de Monserrate, een Catalaan, die de belangrijkste chroniqueur van de missie zal worden en een bekeerde Pers uit Ormoez, die om zijn talenkennis is verkozen. Natuurlijk zijn deze en volgende missies ingegeven door politieke en religieuze motieven. De jezuïeten hopen een grote slag te slaan met de bekering van de machtigste heerser van het subcontinent. Akbar, eclectisch in zijn religieuze belangstelling en officieel geen voorkeur hebbend voor welk geloof dan ook, lijkt werkelijk nieuwsgierig te zijn geweest naar bepaalde aspecten van het christelijke geloof, dat hij voor zijn eigen rijk zou kunnen kiezen. Portugese en Mogolautoriteiten zijn beide tuk op inlichtingen die hun boodschappers in de rivaliserende hoofdstad zou kunnen verzamelen. De missie begint met grote verwachtingen, maar eindigt in en teleurstelling. De jezuïeten brengen de Grootmogol indrukwekkende geschenken, met inbegrip van een kopie van een groot negende-eeuws schilderij van de Madonna en een bijna complete set van de uit acht volumen bestaande veeltalige bijbel uit Antwerpen, die is ontvangen van Philips II van Spanje en die is gepubliceerd tussen 1568 en 1572. Akbar is buitengewoon hartelijk tegenover de paters, die zich vrij aan zijn hof mogen bewegen en die zijn zoon in de Portugese taal onderwijzen. Hij neemt actief deel aan de disputen tussen de jezuïeten en zijn mullahs en hij zou wellicht het voorstel van een persoon wiens naam niet is overgeleverd, hebben gesteund de validiteit van de respectieve religies te laten beslissen door een vuurproef. Maar hij heeft nooit een teken gegeven het christendom te willen aanvaarden en na een jaar begint de missie tekenen van ontbinding te vertonen. Nog voor het einde van de eeuw zullen de jezuïeten nog twee missies naar Akbars hof zenden. De eerste (1590) wordt abrupt afgebroken, maar de tweede begint in 1595. Het gezantschap staat onder leiding van Jerónimo Xavier (1549-1617), achterneef van de stichter van de missie in Indië, die twintig jaar aan het hof van de Mogols verblijft. Hij mag er dan wel niet in geslaagd zijn Akbars zoon en erfgenaam Jahangir (1605-1627) tot aanvaarding van het christendom over te halen, omdat deze geen serieuze belangstelling voor religie heeft, maar hij heeft de Societas Jesu verzekerd van een permanente vestiging in Agra en Lahore, waar een klein aantal jezuïeten (gewoonlijk twee à zes) anderhalf jaar lang scholen en een vrome congregatie leiden en de autoriteiten in Goa inlichtingen verschaffen over de stemmingen en bedoelingen van de Mogols en over hun militaire operaties voorzover van belang voor de Portugezen.

De schepen die in 1580 in Goa arriveren, zijn in de lente van dat jaar uitgezonden door de vijf interimbestuurders die Portugal enige maanden na het overlijden van de kardinaal-koning Dom Henrique besturen. De schepen brengen documenten die de opvolging van de onderkoning opnieuw regelen. De eerste naam die genoemd wordt als opvolger van Dom Luís de Ataíde is die van Fernão Telles de Menezes. Hij wordt bijgevolg in oktober 1580 in dat ambt geïnstalleerd door de bisschop van Malacca, die op dat moment Goa bezoekt.

Ondanks de verwarrende politieke situatie in het moederland, is de commerciële positie van de Portugezen in Azië in het laatste kwart van de zestiende eeuw optimaal. Zij verwerven allerlei goederen in tal van landen en streken en individuele Portugese handelaren zetten de verworven goederen af overal waar daarnaar vraag is. Het gaat om katoen uit Indië; peper en gember uit Malabar en Sumatra; goud uit Sumatra (Kampar) en later uit China, naast goud uit Afrika; zilver uit Japan; (ruwe) zijde uit China; kaneel uit Madras en Ceylon; kruidnagelen van de Molukken (Ternate, Tidore een Makian) en Ambon; muskaatnoten en foelie van de Banda eilanden, kamfer van Borneo, paarden en juwelen uit de streken van de Rode Zee; diamanten uit Golconda; sandelhout van Solor en Timor; parels, halfedelstenen, ivoor verfstoffen en olifanten van Ceylon; wandtapijten en brokaat uit China, Java en Siam; reukstoffen en medicijnen van overal in de Oost. Hoezeer de handel verbonden is met de twee andere kenmerken van het Império Português do Oriente: religie en de anti-moslim houding, blijkt uit de dubbele moraal die de Portugezen erop nahouden. Afspraken met christenen dienen onvoorwaardelijk te worden nagekomen, maar aan afspraken met ongelovigen achten de Portugezen zich niet strikt gebonden. Deze afspraken worden slechts nagekomen als het zo uitkomt. De vermenging van handel en religie blijkt ook uit het volgende voorbeeld. In 1574 verbiedt een bul van paus Gregorius XIII christenen het binnenland van Bijapur in te trekken om Arabische en Perzische paarden, aan de ongelovigen te verkopen. De handelaren houden zich formeel aan het pauselijke verbod, maar zij stellen hun handel veilig door de ongelovigen de door hen begeerde paarden, waarnaar veel vraag is, in Chaul en Goa te doen afhalen. In 1580 is de omvang van de traditionele import van paarden in Goa geweldig gegroeid, terwijl de import van Chaul die van Goa nog overtreft.

In die dagen verkeert het sultanaat Bijapur (Vizapor) in verwarring na het overlijden van de Adil Khan, die geen troonopvolger heeft nagelaten. Daarom verwerft een neef van de overledene de troon van Bijapur. Zijn naam is Abraham, wiens vader, Icatama, destijds door de overleden Adil Khan is gedood. Er wordt een samenzwering tegen Abraham op touw gezet door een machtig chief, Quisbalechan geheten. Deze valt, vergezeld door zijn medestanders, met een sterk leger Vizapor binnen en hij neemt de nieuwe Adil Khan gevangen. De Portugezen houden met grote bezorgdheid deze ontwikkelingen in hun buurland in de gaten, maar er gebeurt niets dat hen noopt tot interventie, want de veiligheid van Goa komt geen moment in gevaar.

De schepen die in 1581 in Goa aankomen, brengen het nieuws dat koning Philips II van Spanje, onder de naam Filipe I ook de troon van Portugal heeft bestegen. De documenten waarin dit wordt meegedeeld, bevatten ook de opdracht dat de Portugezen in Indië trouw dienen te zweren aan Dom Filipe I. Bijgevolg neemt Fernão Telles de eed af van zijn gevolg. Dit gebeurt in een plechtigheid in de kathedraal van Goa op 3 september 1581. De capitães die het bevel voeren over de verschillende forten zijn: Dom Tristão de Menezes (Goa), Dom Pedro de Castro (Sofala & Moçambique), Dom Gonçalo de Menezes (Ormoez), Martim Afonso de Mello (Damão), Dom Manuel de Almada (Baçaim), Dom Ferdinão de Castro (Chaul), Jorge Toscano (Cannanore), Dom Jorge de Menezes Baroche (Cochin), Manuel de Sousa Coutinho (Colombo) Diogo de Azambuja (Tidore) en Dom João da Gama (Malacca).

De gouverneur, die vernomen heeft dat vier galjoten van Malabaarse piraten een schuilplaats hebben gevonden in een van de rivieren rond Goa, zendt Matias de Albuquerque met tien kleine handelsvaartuigen naar de galjoten om de piraten aan te vallen. Dit lukt en er worden drie vijandelijke galjoten buitgemaakt. De bemanningen daarvan hebben echter weten te ontsnappen door overboord te springen en naar de oever te zwemmen. In dezelfde tijd wordt verzekerd dat er in de haven van Masulipatnam aan de Coromandelkust twee grote schepen liggen. Een daarvan behoort aan de sultan van Atjeh en zou worden uitgerust voor een aanval op Malacca, en het andere schip, dat een rijke lading heeft, zou van de koning van Pegu zijn. De gouverneur zendt Gonçalo Vaz de Camões met vier schepen naar Masulipatnam om de twee grote koopvaarders buit te maken. Maar de Atjeeërs aan wie de bedoelingen van de gouverneur zijn verraden, vertrekken voordat Gonçalo Vaz bij hen aankomt en zij weten te ontsnappen. Gonçalo Vaz laat het andere schip, met instemming van zijn kapiteins, met rust, omdat het volgens alle berichten zeer zwaar bewapend is, en hij zeilt weg naar Pegu. Hij komt daar gelijk aan met de schepen van Malabaarse piraten, die twee van zijn vier vaartuigen buitmaken, en bij Kaap Negrais ontmoet hij het zwaar bewapende grote schip dat hij in Masulipatnam met rust heeft gelaten, maar nu is een gevecht niet te vermijden. In een zwaar gevecht, dat Gonçalo Vaz en zijn mannen winnen, wordt de vijand verslagen; zijn schip zinkt, maar niet dan nadat de Portugezen zoveel lading hebben overgenomen als hun twee resterende galjoten kunnen bevatten. Kort daarna staat de koning van Pegu Gonçalo Vaz een audiëntie toe. De vorst is met een vloot die zou bestaan uit 1.300 zeilen op weg naar Arakan, dat hij wil veroveren. Na een onbeduidende schermutseling met enige zich in de voorhoede van de enorme vloot zeilende schepen, hijsen de Portugezen alle zeilen waarover zij beschikken en vluchten voor de enorme overmacht. Zij lopen veilig de haven van Arakan binnen.

In hetzelfde jaar 1581 verlaten drie Turkse galeien de Yemenitische haven Mocha. De Turken hebben van bashaw Mirazenam opdracht het Portugese Muscat te plunderen. Het bevel over de onderneming is opgedragen aan Alibec, een Turk die zich gewoonlijk bezighoudt met het plunderen van karavanen. Bij aankomst bij Muscat laat Alibec een deel van zijn mannen aan land gaan op korte afstand van de haven. Vervolgens stuurt hij zijn drie schepen weg met de instructie dat zij bij het binnenvaren van de haven een furieuze kanonnade moeten beginnen. Het schouwspel zal de inwoners van Muscat naar de haven lokken, waarna de Turken hen in de rug kunnen aanvallen. De Portugezen in Muscat, die in het geheel niet op een plotselinge aanval zijn voorbereid, raken in paniek en zijn niet in staat enige vorm van verdediging te organiseren. Zij kunnen alleen maar denken aan hun individuele veiligheid en de gehele bevolking van Muscat vlucht naar Bruxel, een stad op ongeveer vijf léguas het binnenland in. Er zijn maar heel weinig vluchtenden in staat, behalve zichzelf ook nog iets van hun bezittingen te redden. Alibec trekt Muscat binnen en eist van de Portugezen een enorme afkoopsom, waarop niet kan worden afgedongen. De vluchtelingen worden goed ontvangen door Catani, de sjeik van Bruxel, en zij blijven daar totdat de Turken zich hebben teruggetrokken. Als het zover is, keren allen naar Muscat terug en treffen de stad volkomen uitgeplunderd aan.

Zodra het nieuws over de plundering van Muscat in Ormoez wordt ontvangen, zendt Dom Gonçalo de Menezes een expeditie onder bevel van Dom Luís de Almeida achter de galeien van Alibec aan, maar in plaats van het opvolgen van zijn instructies, valt Luís de Almeida de stad Pesani aan. Het nieuws over zijn bedoelingen is hem vooruitgesneld en de wraakzuchtige Portugezen vinden Pesani verlaten. Zij gaan aan land, plunderen de stad en steken ongeveer 50 vaartuigen in de baai in brand. Luís de Almeida voert zijn mannen vervolgens naar Guadel, dat hetzelfde lot ondergaat; en daarna vernietigt hij ook nog Teis van de Abindos, en tenslotte Gedrosia, aan de oevers van de Rio Calamen.

Terwijl de hierboven beschreven gebeurtenissen plaatsgrijpen, arriveert Dom Francisco de Mascarenhas in Indië. Hij is de eerste door Philips II benoemde gouverneur en hij draagt de titel vice-rei. Hij is op 11 april 1581 naar Indië vertrokken en arriveert daar 16 september 1581. Fernão Telles de Menezes draagt zijn ambt, dat hij een jaar3 heeft bekleed aan hem over.

Danvers besluit zijn bespreking van de eerste periode van de Portugese heerschappij in Indië met een korte samenvatting van de besproken gebeurtenissen door de inheemse historicus Nawáb Muhabbat Khán, in zijn befaamde Akhbár-i Muhabbat van Sir H. Elliot’s History of India.

“Bedacht dient te worden dat al vóór de opkomst van de islam joden en christenen handelsbetrekkingen onderhielden met de meeste havens van de Dakhin, zoals Palniar4 en andere. Nadat zij de bevolking van het land goed hadden leren kennen, hebben zij zich gevestigd in enige van hun steden en zij hebben huizen gebouwd en tuinen aangelegd.” Zij hebben daar vele jaren gewoond. Toen verscheen de grote ster van de islam en de stralen van de wereldverlichtende zon scheen van het oosten naar het westen; geleidelijk aan werden de landen van Hindustan en de Dahkin de zegeningen van het licht van de islamitische wetgeving deelachtig en breidden de invloed van de moslims zich in het land uit. Veel koningen en andere bestuurders namen het islamitische geloof aan. De radja’s van de havens van Goa, Dabal, Chand etc. stonden de moslims die uit verschillende delen van Arabië afkomstig waren, toe zich te vestigen aan de kust en zij behandelden hen met hoogachting en respect. Hierdoor werden de harten van joden en christenen vervuld met afgunst en kwade zin. Maar toen de landen van de Dakhin en Gujarāt in het bezit kwamen van de koningen van Delhi en de islam zich daar gevestigd had, ontsnapten aan de lippen van de Europeanen geen woord meer van animositeit of tegenkanting, totdat tenslotte, tegen het jaar 900 A.H. (1495 n. Chr.) – toen zwakheid en wanorde zich hadden meestergemaakt van de regeringen van de sultans van de Dakhin – ontvingen de Portugese christenen opdracht van hun koning hun forten te bouwen aan de kust van de Indische Oceaan. In het jaar 904 A.H. (1499 n. Chr.) arriveren vier schepen van hetzelfde volk in de havens van Kandaria en Kalikot (Calicut) en na zich op de hoogte te hebben gesteld van de omstandigheden in deze plaats, zijn zij naar hun eigen land teruggekeerd. Het volgende jaar kwamen zes schepen naar Kalikot en gingen daar voor anker. De Portugezen verzochten de chief van de plaats, die Samuri werd genoemd, moslims te verbieden betrekkingen met Arabië te onderhouden, waarbij zij te kennen gaven dat zij hem meer voordeel zouden kunnen bezorgen dan waartoe de moslims in staat zouden zijn. De Samuri, evenwel, negeerde hun verzoeken, waarop de christenen de moslims bij elke gelegenheid wreed begonnen te behandelen. Tenslotte gaf de getergde Samuri opdracht de christenen te beroven en te doden. Zeventig5 personen van aanzien onder de christenen werden vernietigd en zij die aan boord van hun schepen waren gebleven, konden zich redden. Zij landen bij de stad Koji (Cochin), waarvan de chief vijandig staat tegenover de Samuri. Zij ontvingen toestemming een fort te bouwen, dat zij haastig in zeer korte tijd voltooiden. Zij vernielden een moskee aan de kust en maakten er een christelijke kerk van. Dit was het eerste fort dat de christenen in India bouwden.”

“Tijdens dezelfde expeditie hebben zij een fort in Kanur (Cannanore) gebouwd en tot hun grote voldoening hebben zij peper en droge gember kunnen verwerven, terwijl zij verhinderd hebben dat anderen hetzelfde hebben kunnen doen. Zodra de Samuri dit vernam, heeft hij de zoon van de chief van Koji gedood en het land verwoest en is toen teruggekeerd. De erfgenamen van de vermoorde persoon hebben hun strijdkrachten verzameld, hebben het vaandel van de onafhankelijkheid gehesen en zij hebben de voormalige situatie in het land hersteld. Op aanraden van de Firingis6 hebben zij oorlogsschepen gebouwd en de chief van Cannanore heeft dit voorbeeld gevolgd. Dit heeft de woede van de Samuri opgewekt, die daarop enorme schatten heeft besteed aan het op de been brengen van een leger, om Koji aan te vallen, maar daar de Firingis hun steun bleven geven aan de chief van Koji, is de Samuri tweemaal zonder succes teruggekeerd.7 Hij was tenslotte verplicht zijn ambassadeurs te zenden naar de koningen van Egypte, Djedda, Dakhin en Gujarāt, om te klagen over de gewelddaden van de christenen en hun hulp in te roepen. Hij laat deze vorsten ook weten dat de christenen geen enkel respect voor de islam kunnen opbrengen, waarmee hij hun woede en hun geestdrift opwekt. De sultan van Egypte, Mansur Fgori, zendt een van zijn officieren, genaamd Amir Husain, met dertien ghrabs (schepen) vol strijdbare mannen en ammunitie naar de kusten van Hindustan. Sultan Mahmud van Gujarāt rust ook enige schepen tegen de Firingis uit en verdrijft hen van de havens van Diu, Surat, Goga, Dabal en Chand. De Egyptische schepen gaan eerst naar Diu, waar ze zich aansluiten bij de schepen uit Gujarāt, en zeilen dan naar Chand, waar de Firingis zich hebben verzameld. De strijdmacht wordt versterkt met veertig schepen van de Samuri en enige uit de haven van Dabal. Als de samenvoeging is voltooid, valt een oorlogsschip van de Firingis, dat niet al eerder is opgemerkt, plotseling de achterhoede aan en in een oogwenk is de gehele wateroppervlakte veranderd in een vlammenzee. Malik Ayaz, de chief van Diu, en Amir Husain maken zich gereed om aan de vijand weerstand te bieden, maar dat baat allemal niet. Verschillende Egyptische schepen worden door de vijand genomen, talrijke moslims drinken het zoete water van het martelaarschap en de Firingis keren zegenvierend terug naar hun haven.”

“In de tijd dat de sultan Salim van Rum (Turkije) de overwinning behaalde op de Ghori sultans van Egypte (Mamelukken), waarmee deze dynastie ten einde kwam, was de Samuri, de veroorzaker van veel opschudding, ontmoedigd en de Firingis verkregen de overhand; zozeer dat in de maand Ramazan, 915 A.H. (december, 1509 n. Chr.) zelfs in Kalikot kwamen, de ‘Jama-masjid’ in brand staken en de stad grondig plunderden. De volgende dag verzamelden zich grote aantallen Palmadis die de christenen aanvielen en 500 mannen van aanzien doodden en velen in zee doen verdrinken. Zij die aan het zwaard ontsnapten, vluchtten naar de haven van Kulim (Coulon)8 Omdat zij vriendschappelijke relaties met de zamindar van die plaats zijn aangegaan, bouwden zij een fort voor hun bescherming op ongeveer een halve farsakh van de stad. In hetzelfde jaar veroverden zij het fort van Goa, dat toebehoorde aan Yusuf Adil Shah, die het fort door strategie heroverde, maar na korte tijd en nadat de Firingis de gouverneur van Goa hebben omgekocht met een grote sommen goud, verwierven zij opnieuw de heerschappij in Goa en zij maken het fort, dat uitzonderlijk sterk is, de zetel van hun regering9. Dit verdriet de Samuri zozeer dat het zijn gezondheid aantast en hij overlijdt in 921 A.H. (1515 n. Chr.). Zijn broer, die hem opvolgt, verlaat de weg die slechts verwoesting brengt en hij bewandelt het pad van vriendschap met de Firingis. Hij geeft hun grond voor de bouw van een fort bij Kalikot en hij sluit een verdrag met hen dat hem toestaat vier schepen geladen met peper en droge gember naar de havens van Arabië te zenden.10 Gedurende enige tijd nemen de Firingis de bepalingen van het verdrag in acht, maar als hun fort gereed is, verbieden zij de handel van Kalikot in deze artikelen en zij beginnen opnieuw alle vormen van tirannie en vervolging uit te oefenen op de volgelingen van de islam. Op dezelfde wijze profiteren de joden van Kranghir (Cranganore) van de zwakte van de Samuri; zij overtreden hun eigen grenzen en laten een groot aantal moslims de beker van het martelaarschap drinken. De Samuri, zijn toegeeflijkheid berouwend, marcheert op naar Cranganore en hij verdelgt de joden zo grondig dat er geen spoor van hen in het land wordt gevonden. Hierna trekt de Samuri, vergezeld van alle moslims van Palnad, op naar Kalikot en slaat het beleg voor het fort van de Firingis. Dat hij met grote moeilijkheden verzwakt. Het beleg doet de kracht en de trots van de Palmadis toenemen, die, in overeenstemming met de bepalingen van het oorspronkelijke met de Firingis gesloten verdrag, begonnen schepen geladen met peper en droge gember te zenden naar de havens van Arabië.”

“In het jaar 938 A.H. (1531 n. Chr.) bouwden de Firingis een fort in Jaliat (Chalè)11, op zes kos van Kalikot en verhinderden het uitvaren van de Palnadi-vaartuigen. In dezelfde tijd, gedurende de regering van Burhan Nizam Shah, bouwden de christenen een fort in Rivandanda, bij de haven van Chaul en namen er hun intrek. Tijdens de regering van sultan Bahadur Shah van Gujarāt namen zij in 941 A.H. (1534 n. Chr.) bezit van de havens van Swalh, Damão en Diu, die aan de koningen van Gujarāt behoorden en in het jaar 943 A.H. (1536 n. Chr.) vestigden zij zich gewapenderhand in Cranganore. In die tijd besloot sultan Salim van Rum de Firingis te verdrijven uit de havens van Indië en zichzelf daarvan meester te maken. Met dit doel voor ogen, zond hij in het jaar 944 A.H. (1537 n. Chr.) zijn dienaar Sulaiman Badshah, als bevelhebber van 100 vaartuigen, naar Indië. Nadat hij de haven van Aden heeft ontworsteld aan shaikh ‘Amr, zoon van shaikh Daud, die hij de dood injoeg, zeilde hij naar de haven van Diu en treft daar voorbereidingen voor de oorlog. Hij heeft bijna de overwinning behaald, maar, wegens gebrek aan levensmiddelen en geld, was hij verplicht zonder resultaat naar Rum terug te keren.12 In het jaar 963 A.H. (1556 n. Chr.) waren de Tarsas (christenen) in het bezit van de havens van Ormoez, Muscat, Sumatra, Malacca, Mangalore, Negapatnam, Barcelore, Ceylon en Bengalen, tot aan de grenzen van China. In al deze plaatsen bouwden zij hun forten. Maar sultan ‘Ali Hai veroverde het fort op Sumatra op hen13 en de chief van Ceylon heeft eveneens de Firingis onderworpen en hen van zijn gebied verdreven. De Samuri, de chief van Kalikot, die het meest van de Firingis te lijden heeft, zond zijn ambassadeurs naar ‘Ali ‘Adil Shah en Murtaza Nizam Shah, om hen op te zetten een heilige oorlog tegen de Firingis te ondernemen, om hen uit hun landen te jagen. In 979 (1570 n. Chr.) belegerde de Samuri het fort in Jaliat en Nizam Shah en ‘Adil Shah belegerden dat van Rivadanda. De eerste had succes met de verovering van het fort; maar de laatste keerde onverrichter zake terug, door de ontrouw van zijn dienaren, die bedrog pleegden, omdat zij bezweken waren voor de verleidingen van de Firingis. Vanaf die tijd gingen de christenen nog roekelozer te werk bij de vervolging van de moslims, in zoverre dat zij hun hebzuchtige handen uitstrekten naar enige schepen van keizer Jalal-ud din Muhammad Akbar, die terugkeerden van Djedda, vanwaar zij zonder hun toestemming naar Mecca waren gezeild en zij behandelden de moslims met grote wreedheid en verachting, Zij brandden de haven van Adilabad Farain, die behoorde aan ‘Adil Shah, plat en verwoestten de stad geheel. Onder het mom van kooplieden, kwamen zij ook naar Dabal en zij wisten door sluwheid en gebruikmaking van bedrieglijke middelen, de stad in bezit te krijgen; maar de chief van Dabal, Khwaja ‘Aliu-I Malik, een koopman uit Shiraz, die lucht kreeg van hun bedoelingen, doodde 150 vooraanstaande mannen van hen en hij wijdde zich aan de taak het vuur van het onheil te doven.”

1 zoals Menezes Braganza, een van de leiders van de beweging voor vrijheid ten tijde van Salazar.

2 José Nicolau da Fonseca, heeft in 1878 zijn An Historical and Archeological Sketch of Goa, preceded by a short statistical account of the territory of Goa het licht doet zien

3 Danvers vermeldt 11 april als aankomstdatum in Indië; dat kan niet juist zijn, omdat de schepen in dat geval tegen de noordoost- moesson in de Indische Oceaan zouden zijn overgestoken. Daarom is 11 april gehouden voor de vertrekdatum uit Lissabon, waardoor de ambtstermijn van Fernão Telles verlengd wordt tot een jaar.

4 Wellicht Palnad, de naam van het district waarin Calicut ligt

5 Zie deel III, pag. 206 e.v.

6 Firingis is de aanduiding voor Franken, de voor Arabieren in Azië gebruikelijke naam voor Europeanen

7 Zie § 1.6 van deel IV

8 Zie deel V, pag. 42 e.v.

9 Zie deel V, §§ 2.4 en 2.5

10 Zie deel V, § 6.1;

11 Zie deel X, pag. 84

12 Zie deel X, § 2.2

13 Zie deel X, § 3.0

Hoofdstuk 2 De Estado da India in de jaren 1581-1597 2.0 Vice-rei Dom Francisco Mascarenhas, conde da Santa Cruz (1581-1584)

Categorieën
Portugees kolonialisme

Het beleg van Goa en Chaul in 1570; vice-rei Dom Luís de Ataide (1568-1571). De Estado da India in de jaren 1558-1581

Deel 15 Index

Hoofdstuk 1.

De Estado da India in de jaren 1558-1581

1.2. Het beleg van Goa en Chaul in 1570; vice-rei Dom Luís de Ataide (1568-1571)

Geschreven door Arnold van Wickeren

Dom Antão de Noronha wordt als vice-rei van de Estado da India opgevolgd door Dom Luís de Ataíde, conde de Atouguia. Hij is in maart 1568 uit Lissabon vertrokken, vergezeld door vijf schepen, waarop zich een groot aantal manschappen bevindt, en hij arriveert in oktober van hetzelfde jaar in Goa, waar hij met algemene voldoening ontvangen wordt. Bij de orders die hij meeneemt, is er een die regelt dat een heer slechts met onbedekt hoofd met hem spreekt en als de heer daarbij een zetel wordt aangeboden dan dient het een stoel te zijn zonder rugleuning. Het eerst waarmee de nieuwe onderkoning zich bezighoudt is het uitzenden van schepen in diverse richtingen. Tot de uitgezonden schepen behoort de vloot van dertien zeilen, waarmee Luís de Mello da Silva in februari 1569 naar Malacca zeilt, om daar Dom Leonis de Pereira te ontzetten. Afonso Pereira de Lacerda zeilt met zes vaartuigen naar het noorden en Martim Afonso de Miranda wordt met 36 schepen naar de kust van Malabar gezonden om piraten die daar de wateren onveilig maken, op te sporen. In een ontmoeting met hen, loopt Martim Afonso verwondingen op doordat hij wordt getroffen door een kanonskogel, nadat hij vijf grote vaartuigen heeft vernietigd. Hij wordt vervolgens overgebracht naar Cochin, waar hij sterft. De strijd tegen de piraten wordt door anderen overgenomen. Dom Jorge de Menezes vaart met twee galeien uit om de piraat Kunhale te achtervolgen. Hij slaagt er niet in hem te vinden, maar hij ontmoet een groot aantal vaartuigen in de rivier Carapatan, die hij aanvalt. Dom Jorge entert een grote galei, waarvan hij de gehele moorse bemanning van 180 man doodt. Dom Paulo de Lima Pereira vertrekt in 1569 met acht schepen naar het noorden en Ayres Teles de Menezes zeilt ook met acht schepen uit. In de Rio Banda, dichtbij Goa, vindt hij vier caturs, of Malabaarse aken, die hij aanvalt, maar ofschoon de vijand in dit treffen veel manschappen verliest, slagen de caturs erin te ontsnappen. Ayres Teles de Menezes vervolgt hierna zijn reis naar het noorden. Hij heeft opdracht Rustum Khan te ontzetten, omdat deze beloofd heeft als tegenprestatie voor militaire hulp schatplichtig aan de koning van Portugal te worden. Hij wordt door de Mogols belegerd in Broach, welke plaats hij veroverd heeft gedurende de verwarring die in Cambay was ontstaan na het overlijden van koning Bedur. Het kost Ayres Teles de Menezes weinig moeite de Mogols uit Broach te verdrijven, maar zodra Rustum Khan niet meer in gevaar verkeert, weigert hij zijn deel van de afspraak na te komen. Terwijl deze gebeurtenissen plaatsgrijpen in Broach, vertrekt Dom Pedro de Almeida, capitão van Damão, naar Surat, om Agaluchem, de heer van deze stad, ter verantwoording te roepen, omdat hij twee grote vaartuigen heeft beladen, zonder toestemming van de onderkoning. De consequentie van dit verzuim is dat de schepen en hun lading, die bij elkaar een waarde hebben van maar liefst 100.000 dukaten, worden geconfisqueerd.

Omdat de Portugezen Agaluchem het vuur na aan de schenen leggen en een eskader uit Damão, onder bevel van Nuno Velho Pereira, doende is de Golf van Cambay, een dichtbevolkte streek met een bloeiende textielindustrie en het commerciële zwaartepunt van het noordwesten van het Indische subcontinent, te ontdoen van vijanden, heeft de gouverneur van Surat een verzoek om hulp gericht aan de zamorin van Calicut. Dom Diogo de Menezes houdt de scheepvaart aan de Malabarkust echter zo nauwkeurig in de gaten, dat de zamorin geen kans heeft Surat te hulp te komen. Nuno Velho Pereira laat zich in 1569 stevig gelden; hij steekt twee dorpen en verschillende schepen in brand en maakt ook diverse gevangenen. Vervolgens achtervolgt hij met 400 man een strijdmacht van de Mogols, die gevlucht is naar de vrijwel onneembare vesting Parnel, gelegen op een berg op drie léguas van Damão. Nuno Velho Pereira begint met zijn mannen aan de beklimming van de berg, zonder dat hij de sterkte van de vesting, noch die van het garnizoen daarbinnen kent. De Mogols, in feite 800 man, bekogelen de moeizaam de berg opklimmende Portugezen met grote keien. De aanvallers klimmen op handen en voeten naar boven en bereiken de buitenste loopgraven en na hevige tegenstand van de verdedigers te hebben overwonnen, jagen de Portugezen hen de vesting in, maar zij lopen vergeefs storm tegen het fort. Nuno Velho Pereira breekt de aanval af, nadat hij zeven man verloren heeft. De vijand betreurt echter 30 gesneuvelden en zij hebben ook 50 paarden, enige kamelen en ossen verloren. Nuno Velho pleegt na zijn aftocht overleg met Álvaro Peres de Tavora, die Pedro de Almeida als capitão van Samão is opgevolgd. Besloten wordt een nieuwe aanval op de vesting Parnel te wagen, omdat de Portugezen geen vijandelijke strijdmacht in de onmiddellijke omgeving van Damão dulden. Nuno Velho Pereira trekt opnieuw tegen Parnel op, deze keer met een strijdmacht van 100 Portugezen met 50 Arabische paarden en 650 halfbloeden die als voetknechten dienst doen en die drie kanonnen de berg opslepen. De aanvallers stuiten op hevige tegenstand; zij worden met vijf kanonnen vanaf de top beschoten. Zij hebben drie dagen nodig om de top te bereiken en zij plaatsen daarop een van hun kanonnen, waarmee zij zes dagen lang onophoudelijk het fort beschieten. Als zij de beschieting staken, zien zij dat de vijand het fort verlaat en wegtrekt. Hierna breken de Portugezen de vesting tot de grond toe af.

In de omgeving van Baçaim ligt eveneens een onneembaar fort. Het door de Portugezen bezette fort van Açarim, dat grote aantrekkingskracht uitoefent op de koningen van Coles en Sarceta, die een poging ondernemen zich er meester van te maken. Nadat de vijanden op weg naar het fort al de nodige verwoestingen in de omgeving van Baçaim hebben aangericht, slaan zij hun kamp op voor het fort. Zij ondernemen een aanval, maar André de Villalobos, die het bevel over het garnizoen heeft, verdedigt zich dapper, totdat onderkoning Dom Luís de Ataíde versterkingen zendt. Als de verdediging van het fort is aangegroeid tot 800 man, onderneemt André de Villalobos een tegenaanval op zijn belegeraars. Hij dwingt hen niet alleen het beleg op te breken, maar achtervolgt hen ook op hun eigen gebieden, daarbij verwoest en doodt hij alles wat en iedereen die hij tegenkomt te vuur en te zwaard, waarna hij terugkeert naar het fort.

De Portugese invloed in en rond de Golf van Cambay is groot. Het handelsverkeer van de vele havens aan de Golf wordt door de Portugezen strikt gecontroleerd door middel van de afgifte van cartazes en het innen van belasting door het douanekantoor in Diu, waar alle schepen zich dienen te melden. Portugese kooplieden kunnen zich ongestoord vestigen in de havensteden rond de Golf van Cambay, zoals in Surat, Broach, Ansote, Cambay en Gogo. Verschillende reizigers die in de loop van de zestiende eeuw de streek bezoeken, hebben ons bijzonderheden laten weten over de stad waaraan de Golf van Cambay haar naam ontleent. Duarte Barbosa, die de stad vóór 1517 bezoekt, geeft op over de rijkdom van zowel moslim als ‘heidense’ kooplieden en hij geeft een opsomming van de producten van de textielindustrie en van de vele andere voorwerpen die er vervaardigd worden, van schaakstukken en schaakborden tot gouden sieraden. Cesare Frederici heeft in 1563 een heel andere indruk. Er heerst zo’n schaarste aan voedsel dat de inwoners hun zonen en dochters voor een paar happen eten aan de Portugezen verkopen. Desondanks gaat de handel door; hij ziet talloze kleine barken, geladen met alle soorten specerijen, Chinese zijde, sandalen, ivoor, fluweel, allerlei soorten kleding, indigo, suiker, opium, geneesmiddelen, edelstenen en vruchten. Vincent le Blanc, die Cambay kort voor de verovering van de stad door de Mogols in 1571 bezoekt, noemt Cambay ‘een van de rijkste steden van de Oriënt, waar alles te koop is wat voor het leven noodzakelijk is en waar de Portugese invloed aanzienlijk is en de sultan vrijheid van godsdienst toestaat. De Portugezen, die in Cambay zaken kopen om Diu en Goa te bevoorraden, hebben er net zulke mooie huizen gebouwd als in Ormoez en Diu. Le Blanc maakt ook melding van koop en verkoop van vrouwen en kinderen in Cambay. Over vrouwen deelt hij nog mede dat zij hun ivoren armbanden kapot breken als hun ouders overleden zijn. Ralph Fitch, die tussen 1583 en 1591 een bezoek aan de stad brengt, spreekt over een grote volkrijke stad, maar hij heeft het opnieuw over hongersnood en de verkoop van kinderen. Cambay drijft volgens Fitch handel met alle delen van Voor-Indië, maar ook met Ormoez en Mecca. Maar hij rept niet over de verzanding van de rivier.

Zodra de moesson het in 1569 toelaat, zendt de onderkoning opnieuw eskaders uit naar diverse bestemmingen. Dom Rodrigo de Sousa vertrekt met zes schepen naar Cambay; Pedro Lopes Rabello en Giles Goes zeilen met twee schepen en drie galjoenen naar Aden; Dom Diogo de Menezes gaat met twaalf galeien en dertig kleine vaartuigen naar de Malabarkust en Pedro da Silva e Menezes tenslotte, vertrekt met dertien zeilen naar Barcelor, een havenstad tussen Baticale en Mangalore. De onderkoning die de koning van Tolar heeft beledigd en die daarom bezorgd is dat deze het fort1 in Barcelor zal innemen, heeft met de commandant afspraken gemaakt dat hij het fort door verraad in handen van de Portugezen zal brengen. Pedro da Silva e Menezes, die op weg is om het fort in bezit te nemen, zeilt hiertoe de Rio Sanguicer, die door de gebieden van de Adil Khan van Bijapur stroomt, op en steekt twee steden en verscheidene vaartuigen in brand. De commandant van Barcelor, draagt het fort, zoals hij eerder heeft beloofd, ’s nachts over aan de Portugezen, die daarop de stad intrekken en meer dan 200 inwoners gevangennemen. De koningen van Tolar en Cambolim laten het er niet bij zitten; nog dezelfde nacht brengen zij 1.500 man tegen de Portugezen op de been. Deze strijdmacht versterken zij de volgende nacht met 5.000 man. Na een gevecht waarin de Portugezen de vijand zware verliezen toebrengen, komen zij tot de conclusie dat het fort onhoudbaar is, zodat zij gedwongen zijn het te verlaten. Zij vertrekken officieel met slaande trommen en wapperende vaandels en met medeneming van twintig kanonnen en een enorme hoeveelheid ammunitie en wapens. In 1569 sluit vice-rei Dom Luís de Ataíde een verdrag met de Adil Khan, waarin de laatste erin toestemt de Portugezen strategische goederen als salpeter, zwavel en ijzer te leveren. Vóór de Slag bij Talikote in 1565, waren de Portugezen de enige afnemers van salpeter van Vijayanagar. Van uitvoering van de overeenkomst komt niets terecht, omdat de vreedzame situatie van 1569 spoedig tot het verleden behoort. De Portugezen kopen veel salpeter in het achterland van Devanampattinam, wat een groot deel van zijn rijkdom aan de export van salpeter, textiel en indigo te danken heeft. De Portugezen hebben grote behoefte aan salpeter, dat zij nodig hebben om hun militaire superioriteit te handhaven. Een verwijzing door Frei Nicolau Pimenta s.j. naar de beschikbaarheid van salpeter en van het gebruik daarvan bij de productie van kruit in Gingee, draagt bij aan de theorie dat de handel slechts een complementaire rol speelt bij de vervulling van de politieke ambities van de Portugezen in Tamilland. De grote hoeveelheden salpeter die worden geproduceerd in Devanampattinams achterland worden opgeslagen in de salpetergoedangs (casa de salitre) die in die tijd een onderdeel zijn van de plaatsen waar zich veel Portugezen hebben gevestigd. Later na de stichting van de Companhia Portuguesa das India Orientales in 1580, zal de verantwoordelijkheid voor de aankoop en export van salpeter naar Lissabon, worden toevertrouwd aan deze compagnie. Het belangrijke centrum van de handel in salpeter aan de Coromandelkust zal evenwel in 1608 door de nayak van Gingee aan de Hollanders worden gegeven en de Portugezen zullen uit Devanampattinam worden verdreven.

Mem Lopes Carrasco, die met slechts een schip en 40 strijdbare mannen op weg is naar Sunda, passeert de haven van Atjeh, precies op het moment dat de sultan van Atjeh de haven verlaat met een vloot van 20 galeien, 20 galjoenen en 160 andere vaartuigen. Het is voor Mem Lopes onmogelijk de vloot te vermijden en hij besluit zijn huid zo duur mogelijk te verkopen. De gehele vijandelijke vloot valt hem aan en schiet zijn gehele tuigage aan flarden, maar als de nacht valt, breken zij het gevecht af. De volgende dag echter wordt de strijd met verdubbelde energie hervat. De krachtmeting duurt drie dagen, waarbij de sultan 40 schepen verliest en met de rest van zijn schepen terugkeert naar de haven. Mem Lopes slaagt erin, ondanks de opgelopen schade, Malacca te bereiken, maar zijn schip is dermate toegetakeld, dat daarvan nog maar weinig boven water uitsteekt.

Koning Miran, een heerser over enig gebied dat ligt tussen door de Mogols beheerst gebied en Cambay, streeft ernaar de kroon van Cambay te verwerven. Hij denkt dat hij hiervoor de beste papieren bezit, daar hij de steun geniet van de wettige erfgenamen van sultan Bedur. Miran vraagt de onderkoning om diens assistentie bij het verdrijven van Himi Khan, die hem bestrijdt. In ruil voor het verdrijven van de overweldiger, biedt Miran de onderkoning, naast een som geld, enige steden aan. Dom Luís de Ataíde gaat op het verzoek van Miran in. Hij brengt in korte tijd 140 schepen bijeen, natuurlijk vragen oproept over de voorgenomen inzet van zulk een grote in allerijl geformeerde vloot. Dom Luís laat uitlekken dat er een expeditie tegen Malabar wordt voorbereid. Hij zendt gezanten naar Miran om over de komende campagne te overleggen. Intussen voorkomt Dom Luís dat het moreel van zijn strijdkrachten wordt aangetast door nietsdoen, totdat de gezanten zijn teruggekeerd van Miran. Hij zeilt met zijn vloot naar de rivieren van Barcelor en Onor, waarvan de oevers worden bewoond door Canarezen, die, op instigatie van Malabaren, geweigerd hebben schatting aan de Portugezen af te dragen. Terwijl de vice-rei zich met de besproken zaken bezighoudt, arriveren vier schepen uit Lissabon in Goa. De aankomst van schepen uit Lissabon is altijd een bijzondere gebeurtenis, omdat de bemanningen daarvan nieuwtjes uit het verre vaderland meebrengen.

Dom Paulo de Lima, die het bevel voert over een galjoen en zes andere schepen, en Martim Afonso de Mello, capitão van Baçaim, verzamelen tegen het einde van 1569 een strijdmacht die bestaat uit 130 cavaleristen en 800 Portugese voetknechten voor een expeditie tegen de koningen van Coles en Sarceta. Hoewel de vijand beschikt over 400 ruiters en 2.000 man voetvolk, wordt hij toch verslagen en op de vlucht gedreven. Daarna verwoesten de overwinnaars de steden Darila en Varem evenals de omliggende landerijen. Op de terugweg naar Goa maakt Dom Paulo de Lima zich meester van twee vijandelijke schepen; hij wordt met eerbetoon door de vice-rei in Goa verwelkomd.

In november 1569 zeilt de onderkoning uit met een vloot van 130 schepen, waarop zich, naast Inheemse soldaten, 3.400 Portugese soldaten bevinden. De vloot zeilt de rivier bij Onor op en 2.300 man voeren een landing uit, waarbij de vijand enig verzet pleegt. Onor is door zijn ligging een sterke stad en is bovendien goed gefortificeerd, zodat het een vrijwel onneembare sterkte lijkt. Niettemin beginnen de Portugezen de heuvel, waarop Onor ligt, te beklimmen, ondanks een regen van kogels die op hen neerdaalt. Zodra de aanvallers de top bereiken, verlaten de verdedigers de stad en trekken zich terug in het fort, terwijl de koningin van Garçopa zich in het binnenland terugtrekt. De stad Onor, die veel mooie en rijke gebouwen kent, wordt eerst geplunderd en daarna in brand gestoken. Daarna wordt het fort aangevallen en na een bombardement van vier dagen geeft het garnizoen zich over, op voorwaarde dat het wordt toegestaan dat de verdedigers met behoud van hun wapens vertrekken. Daarna nemen de Portugezen het fort in bezit en er wordt een garnizoen van 400 man, onder bevel van Jorge de Moura in het Fortaleza de Santa Catarina gelegerd.

Dom Luís de Ataíde gaat vervolgens naar Barcelor, een plaats die qua sterkte en ligging met Onor overeenkomt. De landing daar is veel moeilijker, omdat 11.000 tegenstanders weerstand bieden, maar na een hard gevecht, waarbij de Portugezen 200 vijanden hebben gedood, veroveren zij een deel van de stad. Deze terreinwinst ontmoedigt de verdedigers zozeer, dat zij hun fort verlaten en dit zonder tegenstand in handen van de Portugezen laten vallen. Spoedig daarna vallen de koningen van Tolar en Cambolim het door de Portugezen ingenomen fort in een zeer donkere nacht aan, maar zij vinden capitão Pedro Lopes Rabello en zijn 200 manschappen voorbereid op een aanval. Nadat de vijand 300 man in de strijd verloren heeft en wanhoopt succes te kunnen boeken, wordt er een vredesverdrag gesloten. Een van de overeengekomen voorwaarden is de verhoging van de jaarlijks te betalen schatting. Voordat de onderkoning uit Barcelor vertrekt, heeft hij een ontmoeting met de twee vorsten en met de koningin van Garçopa, waarin zij vriendschap sluiten. De Portugezen zijn meer dan een maand bezig in Barcelor een nieuw fort te bouwen, dat ligt op een gunstiger plaats, tussen de stad en de riviermonding. Van dit fort wordt António Botelho capitão.

Ondertussen wacht Dom Luís de Ataíde vergeefs op antwoord van koning Miran. Later zal blijken dat op het moment dat Miran Cambat binnentrekt, de Mogols zijn eigen gebied zijn binnengevallen, zodat Miran genoodzaakt is geweest terug te keren om zijn eigen land te verdedigen. Omdat er voor de grote vloot die de onderkoning bijeen heeft gebracht, geen taak is, verdeelt Dom Luís de Ataíde de vloot in zeven eskaders, die hij elk een kant uitstuurt. Dom Pedro de Castro krijgt de taak handelsschepen naar Goa te begeleiden; Fernão Telles wordt met een eskader naar het noorden gezonden. Twee van zijn schepen, onder bevel van Ruy Dias Cabral en Dom Henrique de Menezes, dwalen af en ontmoeten 50 schepen uit Malabar, die het tweetal onbezonnen aanvalt. De gevolgen zijn, zoals mag worden verwacht, rampzalig. Ruy Dias wordt met 70 man gedood en Dom Henrique de Menezes wordt in slavernij gevoerd en wordt later vrijgekocht. Dom Manuel Pereira en João da Silva Barreto zijn te laat ter plaatse om effectief hulp te kunnen bieden, maar zij jagen de vijand wel op de vlucht. De onderkoning stoort zich aan het geleden verlies, niet zozeer vanwege de omvang daarvan, maar meer omdat het de eerste keer is geweest dat Vrouwe Fortuna zich tegen hem heeft gekeerd.

Dom Luís de Ataíde gaat naar Mangalore, twaalf léguas te zuiden van Barcelor om een geschil, dat nadelig is voor de handel, uit de weg te ruimen. De problemen zijn een uitvloeisel van de vijandschap tussen de koning van Banguel, ten noorden van Mangalore, en de koningin van Olala, ten zuiden van deze stad. De onderkoning wordt beter ontvangen dan hij heeft verwacht. Hij spreekt met beide vorsten en beslecht hun geschillen. Op zijn terugweg naar Goa laat hij 600 man achter bij António Botelho, de capitão van Barcelor. Hij laat ook António Cabral met drie goedingerichte schepen achter om Barcelor vanaf de zeezijde te beschermen. In Onor voegt Dom Luís 500 man toe aan het garnizoen van Jorge de Moura en hij laat Francisco en Roque de Miranda met zes schepen achter. Zij verwoesten te vuur en te zwaard enige steden, die in opstand zijn gekomen, zodra de onderkoning zijn hielen had gelicht. Eind 1569 arriveren vijf schepen uit Portugal in Goa en de koningin van Garçopa keert uit de heuvels terug naar Onor.

Dom Diogo de Menezes, die 42 schepen tot zijn beschikking heeft, voert oorlog tegen Portugals vijanden aan de kust van Malabar, waar de bewoners van de steden Coulete, Tiracole, Capocate, Padrarigale, Ponnani en Calicut veel te lijden hebben van het optreden van de Portugezen, waarbij 1.000 inwoners worden gedood of gevangen genomen. Dom Diogo maakt meer dan 60 vaartuigen buit, maar nog veel meer schepen worden tot zinken gebracht of in brand gestoken. De Portugezen verliezen slechts vier man bij deze acties. De zamorin laat weten over vrede te willen onderhandelen, om verdere verwoesting van zijn land te voorkomen, maar zijn voorstellen zijn aan dovemansoren gericht. Een aanzienlijke weersverslechtering, die operaties aan de Malabarkust onmogelijk maakt, komt echter de zamorin te hulp.

Luís de Mello trapt niet in de bedoelingen van de koningin van Garçopa, die veinzend dat zij uit is op een vredesverdrag, in het geheim voorbereidingen treft voor voortzetting van de oorlog. Hij steekt verschillende van haar steden in brand en verwoest haar land en vernielt het fort aan de Rio Sanguicer. Tezelfdertijd maakt Vicente de Saldanha menig koopvaarder van Mangalore buit en stroopt Dom João Coutinho de wateren af van Cambay, Cochin en Chaul (nu Revadanda). Dom Francisco de Almeida in Diu, jaagt zes Malabaarse galjoten op de vlucht. Zij hebben getracht de haven van Diu binnen te dringen, om schepen daar in brand te steken.

Aan het begin van de winter rust de onderkoning twee eskaders uit om Onor en Damão te ontzetten, voor het geval de koningin van Garçopa de eerste stad zou willen aanvallen en de Mogols snode plannen hebben met de tweede stad. Zijn grootste zorg is Onor, omdat de vijand al heeft getracht de Portugezen door verraad te vernietigen, wat hen met de wapens niet is gelukt. Zij hebben na hun falen enige Canarezen omgekocht, om de Portugezen te vergiftigen door middel van de vrucht van de Stramonium Datura, een vrucht waarvan gezegd wordt dat als mannen haar eten zij ongevoelig worden voor opgelopen verwondingen. Het verraad is tijdig ontdekt en de verraders zijn over de muur gehangen, in het zicht van de degenen die hen omgekocht hadden. Als duidelijk is geworden dat het verraad is ontdekt, breken er openlijke vijandelijkheden in Onor uit. Op dat moment lopen er een galei en drie andere Portugese schepen de haven van Onor binnen. De Portugezen aan boord van de schepen ontzetten het fort dat inmiddels werd belegerd.

Uit al het bovenstaande blijkt hoe uiterst agressief de Portugezen in hun Estado da India optreden en hoezeer de bevolking daarvan te lijden heeft. In het verleden hebben de Indische vorsten hun hoop gesteld op de Ottomanen, met wier hulp zij de Portugezen dachten te kunnen verdrijven. Maar omdat gebleken is dat de Turkse vloot in de Arabische Zee geen enkele kans maakt tegen de Portugese eskaders, is bij de Indische vorsten het inzicht gerijpt dat zij zelf de Europese indringers moeten zien te verdrijven. Om dit te bereiken is nauwe samenwerking en absolute geheimhouding geboden. De drie vorsten van de grootste staten: de Adil Khan van Bijapur, de Nizam-ul-Mulik van Ahmednagar en de Zamorin van Calicut sluiten in het diepste geheim een verdrag om de Portugezen met een enorme gezamenlijke krachtsinspanning te verdrijven. Zij vormen grote legermachten en zij zijn er bij voorbaat zozeer van overtuigd dat hun plannen zullen slagen, dat zij op voorhand de buit verdelen. Goa, Onor en Barcelor vallen toe aan de Adil Khan; Chaul, Damão en Bassein aan de Nizam-ul-Mulik en Cannanore, Mangalore, Cochin en Chalè (Chalyam) aan de zamorin. De eerste heeft zelfs in Goa al kantoorruimte toegewezen aan zijn hoogste ambtenaren. Met de sultan van Atjeh is afgesproken dat hij de Portugezen in Malacca zal aanvallen als het bondgenootschap in Indië tot de aanval overgaat. Adil Khan Alecdaxa marcheert in 1570 op tegen Goa en Nizam-ul-Mulik Xaoxem brengt tezelfdertijd Chaul in het nauw, in weerwil van het vredesverdrag dat beide vorsten met de Portugezen gesloten hebben. De vice-rei toont grote onverschrokkenheid. In Portugese kringen is algemeen bekend dat als de nood aan de man komt Chaul zal worden ontruimd om de verdediging van Goa te kunnen versterken, maar Dom Luís de Ataíde beslist dat de vijand niets cadeau krijgt. Hij zendt direct Dom Francisco de Mascarenhas met 600 man in vier galeien en vijf kleinere vaartuigen naar Chaul, om de stad te ontzetten. Dom Francisco wordt vergezeld door een groot aantal edelen die zich daarvoor hebben aangemeld. De strijdmacht vertrekt eind september uit Goa naar Chaul.

Vervolgens wijdt de onderkoning zich aan de verdediging van Goa. Hij stationeert Fernando de Sousa de Castelo-Branco, een veteraan, met 120 man in de pas van Banesterim, Dom Paulo de Lima met 60 man in Fortaleza Rachol, een oorspronkelijk door de inheemsen gebouwd fort in Salcete. In totaal verdeelt de onderkoning 1.500 inheemse soldaten over vele detachementen die hij posteert op strategische plaatsen. Er bevinden zich slechts 700 Portugese soldaten in Goa; zij vormen de strategische reserve, die zal worden ingezet overal waar het grootste gevaar dreigt. De stad wordt in handen gesteld van de dominicanen, franciscanen en andere geestelijken, bij elkaar 300 man, die worden geassisteerd door 1.000 slaven. João de Sousa, die 50 ruiters aanvoert, is paraat om overal naar toe te gaan waar zijn hulp nodig is. Dom Jorge de Menezes, bijgenaamd Baroche, bewaakt de rivier met 25 zeilen. De onderkoning laat ammunitie en voorraden levensmiddelen van overal aanvoeren, laat herstelwerkzaamheden verrichten en rond half december betrekt hij zijn commandopost aan de rivieroever.

Deze maatregelen zijn nog maar nauwelijks getroffen, of de eerste groepen soldaten van de Adil Khan, dalen, onder leiding van diens generaal Nori Khan, de heuvels van de Ghats af en slaan hun kamp op in Ponda, ten zuidoosten van Tiswadi, het eiland waarop Goa ligt. Nori Khan en zijn mannen verblijven tot eind december in hun kamp. Zij vormen slechts de voorhoede van het leger en zij treffen voorbereidingen voor de ontvangst van de hoofdmacht, die acht dagen later arriveert en posities bezet in Ponda. De Adil Khan zelf voert 100.000 soldaten aan, naast een onafzienbaar aantal mensen dat zich bij de strijdmacht heeft aangesloten; 35.000 paarden, 2.140 oorlogsolifanten, 350 kanonnen, waarvan de meeste van buitengewone afmetingen, en enige grote vaartuigen (die worden vervoerd met muildieren), om daar te water gelaten te worden waar zij nodig zijn. De belangrijkste generaals zij Nori Khan, die Hener Maluco wordt genoemd, Rumer Khan en Cojer Khan. Zij en andere aanvoerders, onder wie de Turkse generaal Soleyman Aga, stellen zich ieder met een paar duizend ruiters, honderden musketiers, honderden olifanten en vaak veel geschut op in de gebieden die de Ilhas (Tiswadi, Divar en Chorão) omringen. De vice-rei die de posities te weten komt van de verschillende vijandelijke legeronderdelen, past zijn verdediging hierop aan. Hij inspecteert zijn defensieve posities en herschikt deze zo nodig. Naast stellingen die meestal door enige tientallen en soms door meer dan honderd manschappen worden verdedigd, beschikt de vice-rei over verscheidene met kleine stukken geschut bewapende vaartuigen die in de rivieren patrouilleren. De Portugezen verdedigen Goa met niet meer dan 1.600 man en met slechts 30 kanonnen.

Terwijl de Nizam-ul-Mulik met een grote legermacht optrekt naar Chaul, begint de aanval op Goa met een algemeen bombardement, uit alle vijandelijke kanonnen, op de Portugese posities. Vooral het fort en de andere verdedigingswerken van Benasterim hebben het zwaar te verduren. Gelukkig ziet de vijand niet de gevolgen van zijn beschietingen, omdat de Portugezen ‘s nachts de schade herstellen die overdag is aangericht. Maar dat de beschieting hevig is kan daaruit worden afgeleid dat in de post van Álvaro de Mendoça 600 vijandelijke kogels worden gevonden. De Portugese patrouillevaartuigen doen goed werk; hun geschut werkt zeer doeltreffend. Tijdens de eerste fase van de belegering van Goa breekt de tijd aan waarop de jaarlijkse retourvloot naar Lissabon vertrekt. Het gaat begin 1570 om vier schepen, met een bemanning van 400 koppen. Natuurlijk breekt er in Goa een discussie los of het vertrek niet moet worden uitgesteld, zodat de bemanningen kunnen worden ingezet bij de verdediging van de stad, maar onderkoning Dom Luís de Ataíde wil hiervan niets horen, zijn eer Goa te hebben verdedigd zonder bijzondere ingrepen, zal des te groter zijn. De Portugezen kunnen al snel vaststellen dat hun geschut de vijand meer schade berokkent dan de vijandelijke kanonnen bij hen zelf teweegbrengt. Er worden echter enige aanzienlijke Portugezen getroffen door vijandelijk vuur. Dom Francisco da Silva, die door een kanonskogel dodelijk is gekwetst, blijf zijn mannen tot het laatst moed inspreken. Pedro Homem da Silva, die driemaal door een kogel uit een musket is geraakt, vuurt zijn mannen aan tot hij sterft. De bemanningen van de Portugese patrouillevaartuigen doen uitstekend werk; zij pakken de vijand aan waar zij maar kunnen en zij plegen vaak overvallen op door de vijand aangelegde stellingen, waarbij zij wapens en vaandels buitmaken en zelfs gevangenen maken. Dom Jorge de Menezes Baroche met zijn vaartuigen en Dom Pedro de Castro met 200 soldaten doden zoveel vijanden, dat de onderkoning twee karrenvrachten afgehakte handen naar Goa zendt, om het moreel van de bevolking te sterken. Gaspar Dias en zijn broer Lançarote overvallen ’s nachts met 80 man twee dorpen en enige boerderijen, zij brengen veel gevangenen mee terug en ook hoofden van gedode vijanden en enig vee. Bij een andere gelegenheid vallen de twee broers met 130 man Cojer Khan en Rumer Khan aan en verwoesten daarbij alles wat zij hebben gebouwd om over te steken naar het eiland dat João Lopes verdedigt, vermoedelijk Divar. Bij deze aanval gooit Francisco da Cunha Coutinho, een dienaar van de onderkoning, drie granaten in een groep moren, waarbij verschillende gewonden vallen en de gooier onverletst ontsnapt. De vijand heeft bewondering voor de dapperheid van de Portugezen, maar is helemaal verbaasd te vernemen dat de onderkoning, spijts zware gevechten, Dom Diogo de Menezes, die met een eskader van de Malabarkust komt, daar naartoe terugstuurt en dat hij Dom Fernando de Vasconcellos met vier galeien en twee kleinere vaartuigen naar Dabul zendt. De onderkoning doet dit om de Adil Khan te tonen hoe weinig hij zijn krachtsontplooiing vreest. Dom Fernando steekt twee grote schepen en vele kleine vaartuigen in brand en hij brandt, na een landing te hebben uitgevoerd, ook nog enige dorpen plat en hij zou ook nog een stad hebben verwoest, als zijn eigen kapiteins hem daarvan niet zouden hebben weerhouden. Hij keert naar Goa terug en richt een zware slachting aan onder de mannen van Angoscan. Zijn mannen geraken zo bedwelmd door hun succes, dat zij niet meer te houden zijn en geen bevelen meer opvolgen. De vijand herstelt zich en valt nu de Portugezen aan, doodt enigen, terwijl de overigen op de vlucht slaan. Hun aanvoerder is, verzwakt door bloedverlies en uitgeput door het gewicht van zijn bewapening, niet in staat zijn schip te bereiken en voert zijn doodstrijd in het water. Zijn vaandeldrager, Augustin Fernandes, sterft terwijl hij vecht met zijn rechterhand en de vlag in zijn linkerhand heeft. Veertig Portugezen vinden de dood en hun hoofden en vaandels worden in triomf naar de Adil Khan gebracht. De onderkoning zendt direct Dom Jorge de Menezes Baroche met 100 man extra uit, om het schip van Dom Fernando de Vasconcellos, dat in handen van de vijand is geraakt, in brand te steken. Deze actie heeft niet alleen succes, maar de mannen keren zelfs terug met het scheepsgeschut.

De zamorin laat onverwachts weten een vredesverdrag te willen aangaan, maar de onderkoning, die gerede twijfel heeft aan de oprechtheid van de vorst, gaat hierop niet in en blijft bij deze beslissing. De Adil Khan beweegt de koningin van Garçopa ertoe de Portugezen in Onor de oorlog te verklaren en hij is hoogst verbaasd dat de onderkoning in staat is troepen vrij te maken in Goa om het garnizoen van het Fortaleza de Santa Catarina in Onor te versterken. Maar Dom Luís de Ataíde is niet alleen in staat Onor te hulp te schieten, maar hij zendt ook versterkingen naar Gonçalo Pereira Marramaque, capitão van de Molukken en naar Francisco Barreto, capitão van Sofala & Moçambique.

Begin maart 1570 heeft het beleg van Goa twee maanden geduurd, veel gebouwen in de stad zijn door vijandelijk geschut in puin geschoten, veel vijanden zijn gedood door de artillerie van de verdedigers, en nog is de strijd niet afgezwakt. António Cabral vaart de Rio Chapora op met vier schepen, zet 50 man aan land, zet vier dorpen en meer dan 50 zeilen in brand en maakt veel goederen buit. Dom Paulo de Lima doet hetzelfde in Rachol met 40 man. De onderkoning gebruikt alle middelen om zich te verzekeren van inlichtingen uit het vijandelijke kamp. Hij koopt daar enige tot de islam overgegane Portugezen om en zelfs de favoriete vrouw van de Adil Khan en via haar slaagt Dom Luís erin inlichtingen te verwerven over de geheimste plannen en bedoelingen van de vorst. De Adil Khan blijkt van mening dat zijn leger genoeg verliezen heeft geleden tegen de kleine strijdmacht van de Portugezen en dat Goa recentelijk is versterkt met van buiten aangekomen squadrons. Daarom beginnen er besprekingen over vredesvoorstellen van de Adil Khan. Maar desondanks wordt het beleg voortgezet en begin april vallen 700 moren een passage aan die door 200 Portugezen wordt verdedigd. Maar zodra de laatsten versterkingen hebben ontvangen tegen de opdringende vijand, slaan de moren in zulk een wanorde op de vlucht, dat nog hun eigen officieren, noch de onderkoning hen kan achterhalen. Hun beide kapiteins vinden op de vlucht de dood.

Goa ontvangt meer versterkingen. Luís de Mello, die al voor het beleg van Goa door de onderkoning eropuit is gestuurd met een vloot van veertien schepen de vloot van Atjeh op te zoeken, heeft deze gevonden in de buurt van de haven van Atjeh. De vijandelijke vloot bestaat uit 60 deugdelijk bemande schepen, die bewapend zijn met een groot kanon. Commandant van de vloot is de erfgenaam van de sultan. De beide vloten werpen zich zonder aarzelen in de strijd, waarin de vloot van Atjeh geleidelijk aan volledig wordt verwoest. Luís de Mello verovert drie galleien en zes kleinere vaartuigen en de overige heeft hij allen op een na tot zinken gebracht. De Portugezen verliezen geen enkele man, maar de moren betreuren 1.200 gesneuvelden, onder wie de zoon van de sultan, en 300 gevangenen. Luís de Mello keert met zijn vloot en zijn buitgemaakte schepen en gevangenen terug naar Malacca en na enige mannen naar de Molukken te hebben gezonden, keert hij terug naar Indië. In Cochin aangekomen, blijkt daar Vasco Lourenço de Barbuda druk bezig te zijn met het treffen van voorbereidingen de onderkoning te hulp te komen. Vasco Lourenço en Luís de Mello da Silva zeilen beiden naar Goa, waar zij de verdediging versterken met maar liefst 1.500 man.

In het voorjaar van 1570 gaat de strijd in Goa onverminderd voort. Het eiland van João Lopes (Divar?) wordt aangevallen door 3.000 moren. António Fernandes de Chalè zet met 120 man de tegenaanval in. Met zijn kleine dappere schare doodt hij een groot aantal vijanden en jaagt de rest op de vlucht. Gedurende deze periode, voorafgaande aan de regentijd, ondernemen de Portugezen bliksemsnelle invallen in vijandelijk gebied, waarbij zij de door de moren aangelegde werken nodig voor hun opmars, verwoesten en vele vijanden doden. Dit is het geval in Banesterim, Xatiarrao, Chatigão en Rachol. De Adil Khan, die de wanhoop nabij is, tracht zijn positie in Goa blijvend te verbeteren. Daartoe besluit hij een nieuwe serieuze poging te wagen Tiswadi te veroveren. Hij wil met 9.000 man de passage van Mercantor oversteken. Deze plaats wordt niet bewaakt, omdat de rivier daar te breed is. Maar als de Portugezen ter plaatse tromgeroffel horen, snellen zij naar de oever en zien dat de Adil Khan de aanval persoonlijk leidt. Als Dom Luís de Ataíde dit verneemt, zendt hij verse troepen naar de bedreigde plaats en komt daar zelf ook naar toe. Ondanks hevige Portugese tegenstand, slagen 5.000 moren, onder leiding van de Turk Soleyman Aga, de kapitein van de paleiswacht, erin de rivier over te komen. Nieuwe versterkingen brengen de strijdmacht van de Portugezen op 2.000 man, die het tegen de grotere invasiemacht moeten opnemen. De aanval die plaatsvindt over een afstand van twee léguas langs de rivier, duurt de gehele dag vanaf de vroege morgen van 13 april 1570 en de volgende dag, is de Adil Khan er getuige van dat zijn troepen er niet in slagen hun positie op het eiland Tiswadi te versterken en dat zij tenslotte genoodzaakt zijn zich terug te trekken. De Portugezen betreuren 20 gevallenen bij deze strijd, maar het aantal slachtoffers onder de aanvallers bedraagt meer dan 4.000, onder hen zijn Soleyman Aga, de zwager van Adil Khan, en andere vooraanstaande lieden. Ook hebben de Portugezen een aantal vaandels op de vijand buitgemaakt. De Adil Khan is furieus over de mislukking en hij zweert in het openbaar dat hij het beleg niet zal opgeven voordat dit falen is uitgewist. Niettemin erkent hij zijn moeilijke positie en heimelijk haakt hij ernaar met de Portugezen tot een vergelijk te komen. Hiertoe doet hij enige voorstellen, waarvan er een is dat de Portugezen Goa aan hem overdragen. Het is natuurlijk ondenkbaar dat de onderkoning een pakket voorstellen, waarin sprake is van de overdracht van Goa, zelfs maar zou willen overwegen. Dom Luís de Ataíde ziet een andere mogelijkheid om uit de impasse te geraken, namelijk zich te ontdoen van de Adil Khan. Daartoe opent hij onderhandelingen met de Nori Khan. Als deze zijn vorst zou (laten) doden, belooft Dom Luís hem de kroon van of tenminste veel macht in de regering van het sultanaat Bijapur. Nori Khan gaat op het voorstel van de vice-rei in, maar voordat het kan worden uitgevoerd, wordt het verraad ontdekt en wordt Nori Khan gearresteerd, terwijl zijn medestanders het plan laten varen.

De poging de oorlog te beëindigen is dus op niets uitgelopen en het beleg wordt voortgezet, maar niet meer met de vastbeslotenheid van voorheen. Het geschut van de vijand blijft schade aanrichten aan de gebouwen van Goa, maar voor de rest zit er geen vooruitgang in de belegering. De Adil Khan haalt, in een poging de strijdmacht van de onderkoning te verzwakken, de koningin van Garçopa ertoe over de stad Onor aan te vallen. Zij verzamelt een leger van 3.000 van haar eigen mensen en ontvangt van haar grote bondgenoot nog 2.000 man versterking. Met deze strijdmacht slaat de koningin in juli 1570 het beleg voor het Fortaleza de Santa Catarina in Onor. Zodra de onderkoning van dit beleg hoort, zendt hij António Fernandes de Chalè met twee galeien en acht andere schepen en met zoveel soldaten als de vloot kan vervoeren naar Onor. António Fernandes is vijf dagen later in Onor en verenigt zijn strijdmacht met het garnizoen van Jorge de Moura. Met vereende krachten doen de Portugezen een geslaagde aanval op de moren die zij met grote verliezen op de vlucht jagen, met achterlating van hun geschut, dat binnen het fort wordt gebracht.

De onderkoning poogt, om zijn positie te versterken, verdeeldheid te stichten onder zijn tegenstanders. Daartoe stookt hij in het diepste geheim andere Indische vorsten op invallen te ondernemen in Bijapur, om de Adil Khan te nopen het beleg op te geven. Maar van dit plan komt niets terecht. Ondertussen snakken zowel de vice-rei als de Adil Khan naar vrede, maar zij houden dit beiden voor elkaar geheim en daarom worden uiterlijk zowel het beleg als de verdediging daartegen onverminderd voortgezet, maar goede waarnemers kunnen zien dat de fut er aan beide zijden uit is en dat de leiding verslapt. Gedurende de gehele regentijd gebeurt er weinig, maar tegen eind augustus als het weer de vijand operaties in het veld weer toelaat, zien de Portugezen dat het aantal vijandelijke tenten op het vasteland langzamerhand afneemt; daarna verdwijnen de manschappen en tenslotte ook al hun kanonnen. Na een beleg van tien maanden, waarin de vijand 12.000 soldaten, 300 olifanten, 4.000 paarden en 6.000 ossen heeft verloren, is Goa plotseling bevrijd en de Adil Khan heeft zich teruggetrokken zonder dat een vredesregeling of welke regeling dan ook is getroffen. Later echter, op 13 december 1571, zal een nieuw verdrag tussen de nieuwe onderkoning en de Adil Khan worden gesloten.

In dezelfde tijd dat de Adil Khan het beleg slaat voor Goa, begint de Nizam-ul-Mulik aan de belegering van Chaul. Zijn generaal, Farete Khan, omringt de stad met 8.000 cavaleristen en 20.000 infanteristen en op de laatste dag van november 1569 gaat Farete Khan, onder tromgeroffel en trompetgeschal, tot de aanval over. Luís Ferreira de Andrade, een bekwaam man onder wiens leiding het Fortaleza de Santa Maria do Castelo in goede handen is, heeft niet veel geluk gehand. Hij heeft heel lang moeten wachten op vele voor het doorstaan van een langdurige belegering, hoogstnoodzakelijke zaken. Hieraan is een einde gekomen toen Dom Francisco de Mascarenhas hem te hulp kwam met 600 man in vier galeien en vijf kleinere vaartuigen en met een aantal barken met voorraden levensmiddelen. De vesting van Chaul ligt op ongeveer 18º N.B., nog geen twaalf mijl van de monding, aan de oever van een rivier. De bezetting heeft voor de komst van de versterkingen bestaan uit 50 ruiters en een klein aantal voetknechten.

Farete Khan wenst zich al te onderscheiden voordat de Nizam-ul-Mulik op het strijdtoneel is gearriveerd. Hij valt Chaul aan, maar wordt, na een gevecht van drie uur, met grote verliezen teruggeslagen. De vijand dringt vervolgens de stad binnen en om te verhinderen dat de moren beschutting vinden in de huizen in de omgeving van het fort, worden de meeste huizen op last van Luís Ferreira de Andrade neergehaald. Tijdens de rest van de maand december vinden slechts enkele kleine schermutselingen plaats, maar begin januari 1570 arriveert de Nizam-ul-Mulik met de rest van zijn leger dat, tezamen met de soldaten die al eerder in Chaul zijn aangekomen, bestaat uit 34.000 ruiters, 100.000 voetknechter, 16.000 soldaten van de genie, 4.000 smeden en andere handwerkslieden, 300 olifanten, een ontelbaar aantal buffels en ossen en 40 kanonnen, waarvan de meeste met een enorm kaliber, die kogels afvuren met een gewicht van 100, 200 en zelfs 300 lbs. Er kamperen dus 150.000 goed bewapende mannen voor Chaul, een stad met een enkele verdedigingsmuur, een fort dat niet veel sterker is dan een stevig huis en een handvol manschappen om een en ander te verdedigen. Farete Khan slaat zijn kwartier op bij het huis van de vicaris, naast de kerk ‘da Madre de Deus’. Hij heeft 7.000 ruiters en 20 olifanten bij zich; Agalas Khan ligt met 6.000 cavaleristen bij het huis van Diogo Lopes en Ximiri Khan bevindt zich met 2.000 man tussen die plek en het hoger gelegen deel van de stad, zodat de stad volledig is omsingeld. Terzelfdertijd zijn 4.000 ruiters de omgeving van het niet veraf gelegen Bassein aan het plunderen. De Nizam-ul-Mulik heeft zijn tenten opgeslagen bij het verste einde van de stad en een ruimte met een lengte van twee léguas is bedekt met vijandelijke tenten.

Spoedig nadat het nieuws over de kritieke positie van Chaul bekend is geworden tijgen veel Portugese burgers als vrijwilligers naar de stad, zodat het aantal verdedigers in korte tijd oploopt tot 2.000 man. Besloten wordt het Mosteiro de São Francisco te verdedigen en de leiding daarvan te geven aan Alexandre de Sousa. Nuno Álvarez Pereira dient met 40 man enige huizen aan de kust te verdedigen; Dom Gonçalo de Meneses verdedigt met zijn mannen de huizen tussen de Santa Casa da Misericórdia en de kerk van São Domingos, terwijl enige andere huizen onder de hoede komen van Nuno Velho Pereira. In Goa heerst de mening dat Chaul zal worden ontruimd als de nood aan de man komt, maar de vice-rei wijst dit plan resoluut van de hand. Hij krijgt hierbij de steun van Fernando de Sousa de Castelo-Branco. Dom Luís de Ataíde zendt vervolgens Dom Duarte de Lima en Fernão Telles de Menezes met twee galeien en een aantal andere mannen met vier schepen naar Chaul, om de plaats te versterken. Ximiri Khan, die de Nizam-ul-Mulik heeft beloofd als eerste de stad binnen te trekken, doet een woedende aanval op de posities van Henrique de Betancor en Fernando Pereira de Miranda. Zij houden dapper stand en slaan de vijand, nadat zij versterking hebben ontvangen terug. De vijand verliest daarbij 300 man, terwijl de Portugezen slechts zeven doden te betreuren hebben. De vijand keert vervolgens zijn kanon tegen het Mosteiro de São Francisco, waar Alexandre de Sousa over enige stukken geschut beschikt. Met de aanval is enige tijd gemoeid, maar uiteindelijk wordt deze afgeslagen. De Nizam-ul-Mulik is razend over dit laatste falen en hij wil zich nog dezelfde avond wreken met een aanval op het Mosteiro de São Francisco. De moren doen een furieuze aanval die vijf uren duurt, maar zij worden opnieuw teruggeslagen met een verlies van 300 doden. De vijand herhaalt de aanval de volgende dag en zet zijn aanvallen vijf dagen voort. De verdedigers weren zich dapper en doen af en toe uitvallen, waarbij zij het terrein met doden bezaaien en ook verschillende vaandels veroveren, maar op den duur kunnen zij hun sterkte niet houden en trekken zij zich terug in de stad. De vijand bezet het fort en het klooster van São Francisco en tracht ook enige huizen te veroveren, maar deze poging kost hun 400 doden. Chaul is nu danig in het nauw gebracht en Ruy Gonçalves da Câmara wordt om hulp naar Goa gezonden. Hij keert terug met hulp in twee galeien.

In die tijd doen 5.000 cavaleristen van de Nizam-ul-Mulik een inval in de streek bij Bassein. Nadat zij bij Açarim en Damão zijn teruggeslagen slaan zij hun kamp op voor Caranja, waar Estêvão Perestrelo met een garnizoen van 40 man ligt. Caranja is een klein onbeduidend fort aan de kust tussen Chaul en Damão. Het wordt omringd door kleine beekjes en wordt beschouwd als een eiland. Terwijl de vijand zich op een aanval voorbereid, arriveert Manuel de Lima met 30 man, zodat de verdediging nu uit 70 man bestaat. Estêvão Perestrelo onderneemt zo’n vastberaden uitval op de veel talrijker vijand, dat hij het kleine eiland bezaait met gedode moren. De rest van de belagers neemt de vlucht, met achterlating van zijn kanon en een aanzienlijke hoeveelheid wapens en ammunitie.

We keren terug naar Chaul, dat onophoudelijk wordt beschoten door 70 grote kanonnen. Het bombardement houdt een maand aan, waarbij dagelijks160 kogels worden afgevuurd. Deze beschietingen veroorzaken grote verwoestingen aan de huizen en doden menig verdediger. Een enkel schot doodt zes personen. Het bombardement richt zich aanvankelijk op het Bastião da Cruz en daarna op de positie van Pedro Ferreira en Mem de Ornelas, die spoedig met de grond wordt gelijkgemaakt. De Portugese soldaten rukken echter uit en veroveren de batterij en verwoesten de vijandelijke stellingen. João Álvarez Soares, een belastingambtenaar, rust, nadat hij heeft vernomen in welk gevaar Chaul verkeert, voor eigen rekening een schip uit en zeilt met een aantal soldaten naar Chaul, waar hij en zijn mannen een grote bijdrage leveren aan de defensie van de stad. De vijand onderneemt een aanval op verschillende huizen en wordt bijna overal teruggeslagen, maar slaagt erin zijn vlag te plaatsen op het huis van Heytor de Sampayo, waarna een hevig gevecht volgt. Het huis is ondermijnd, om het desgewenst te kunnen verwoesten en tijdens het gevecht geraakt het kruit van een mijn in brand, waardoor het huis wordt opgeblazen en 42 Portugese soldaten worden gedood, terwijl de moorse soldaten ongedeerd wegkomen. De laasten plaatsen hun vlag op de ruïnes van het huis en op dat van Xira, nadat zij dit ook veroverd hebben. Ximiri Khan onderneemt met 600 man een nachtelijke aanval op het Bastião da Cruz, maar Fernando Pereira en Henrique Betancor, slaan de aanval af met 30 man. Zij veroveren daarbij vijf vaandels die de moren op hun stellingen hadden geplaatst. Betancor vecht met zijn linkerhand, omdat hij zijn rechterhand in de strijd heeft verloren en Domingos del Alama die verlamd is, wordt op een stoel naar buiten gebracht om van dichtbij de strijd te kunnen meemaken.

Het is inmiddels april, de regentijd zal snel invallen, maar het ziet ernaar uit dat Nizam-ul-Mulik het beleg niet zal opbreken. De moren beginnen daarentegen belegeringswerktuigen te bouwen om hun uitgangspositie te versterken. Alexandre de Sousa en Dom Gonçalo de Menezes doen met 200 man een verwoede uitval en zij verwoesten de in aanbouw zijnde werktuigen, na de vijand daarvan verjaagd te hebben. Bij deze actie sneuvelen een paar Portugezen en 50 moren. De Nizam-ul-Mulik die verbaasd is over de aanhoudende tegenstand van de Portugezen, besluit tot een algemene aanval met zijn gehele leger, waarbij alle Portugese posities op hetzelfde moment zullen worden bestormd. Er is nauwelijks een positie die niet wordt aangevallen en waarop de vijand zijn vlag niet plant, om met dezelfde verbetenheid opnieuw te worden verdreven. De volgende morgen blijken 500 moren en vier of vijf Portugezen bij de jongste aanval te zijn gesneuveld. In die tijd arriveren versterkingen uit Goa, Diu en Baçaim bestaande uit 200 soldaten en een grote hoeveelheid ammunitie.

Twee nieuwe gevaren bedreigen nu de belegerden in Chaul; een daarvan is een lastige, maar niet fatale ziekte, die veroorzaakt dat degenen die worden aangevallen geen kracht meer hebben in hun ledenmaten. Het andere gevaar is het beroep dat de Nizam-ul-Mulik heeft gedaan op de koning van Sarceta en andere rebellen in Cambay, om de Portugezen op andere plaatsen aan te vallen, zodat zij naar Chaul geen versterkingen meer kunnen zenden. Geen van hen gaat op dit verzoek in en de Nizam-ul-Mulik concludeert dat hij slechts kan vertrouwen op eigen kracht, om het avontuur dat hij is begonnen te voltooien. Hij voert een bombardement uit op het huis van Dom Nuno Álvares Pereira, dat 42 dagen aanhoudt, en na afloop daarvan valt hij met 5.000 man aan. De verdedigers die aanvankelijk bestaan uit 40 man, ontvangen al gauw versterking en de vijandelijke aanval wordt met een verlies van 50 gesneuvelden aanvallers afgeslagen. De vijand valt het huis opnieuw aan en wordt weer teruggeslagen, maar als de aanvallen doorgaan, kan het huis niet langer in handen gehouden worden. De capitão besluit daarom het huis op te blazen. Op het moment dat de Portugezen het huis verlaten, trekt de vijand er binnen en op het moment dat zij hun vlag op het dak planten, explodeert een geplaatste mijn en doodt enige moren. Zij de de explosie weten te ontvluchten, vallen ten offer aan het zwaard van Dom Francisco de Mascarenhas. Op gelijke wijze wordt het huis van Francisco de Mello opgegeven, na een lang volgehouden verdediging.

Het droge seizoen loopt nu echt ten einde en de Nizam-ul-Mulik treft voorbereidingen om de regentijd voor Chaul door te brengen. Meer dan 200 Portugezen, die vrezen dat Chaul verloren is, verlaten de stad, terwijl 300 anderen uit Goa arriveren, waardoor de stand van zaken aanzienlijk verbetert. Op 11 april 1570 valt Ruy Gonçalves da Câmara 500 moren in een boomgaard met zoveel succes aan dat er niet meer dan 50 ontsnappen. Hij verovert twee vaandels en betreurt zelf twee doden, hoewel het aantal gewonden aanzienlijk is. Het is echter niet zo dat een zijde altijd geluk heeft in de strijd. De moren, woedend over hun verliezen, beschieten hun tegenstanders zonder ophouden, waarbij een gelukkig schot een van de galeien treft. Het schip zinkt met man en muis en met goederen ter waarde van 40.000 dukaten. De moren hebben niet lang de kans zich over dit succes te verheugen, want Fernão Telles doet de volgende dag een krachtige uitval met 400 man, verslaat de vijand met zware verliezen en maakt een kanon, ammunitie, wapens en andere zaken buit. De Nizam-ul-Muik die het gevecht van een afstand heeft gevolgd, wordt later gezien met een zweep in zijn hand, terwijl hij woedend mensen bedreigt, die hij hun lafheid verwijt. Dom João de Lima, Francisco de Sá en Dom Muro Álvares, gaan op zoek naar moren die mijnen leggen. Zij betrappen een aantal op heterdaad, vallen hen aan en doden allen met het zwaard. De Portugezen hebben in deze twee acties zes soldaten en de volgende officieren: Dom Luís de Castelo-Branco, Dom João de Lima, António da Fonseca, Francisco Barradas, Ruy Pereira de Sá en nog vijf andere fidalgos verloren.

Nadat de Nizam-ul-Mulik door zijn voorbereidingen duidelijk heeft aangegeven het beleg in de regenrijd te willen voortzetten, en alles daarvoor in gereedheid is gebracht, geeft Farete Khan signalen af dat hij de strijd wil beëindigen, waarbij hij overigens niet de steun geniet van zijn vorst. De Nizam-ul-Mulik geeft bevel Farete Khan vast te nemen, niet omdat hij eigenmachtig is opgetreden, want daarvoor heeft hij ongetwijfeld geheime instructies ontvangen, maar op verdenking van omkoperij. Het is niet verwonderlijk dat de Nizam-ul-Mulik naar vrede verlangt, na een stad zeven maanden vergeefs te hebben belegerd en daarbij 7.000 man te hebben verloren. Noch is het verrassend dat de Portugezen ook vrede willen, want er dient te worden bedacht dat zij 400 landgenoten verloren hebben, naast het verlies aan inheemse soldaten. De hoop op spoedige vrede wordt in ieder geval de bodem ingeslagen door de gevangenschap van Farete Khan, dus doet Jorge Pereira Coutinho met zijn vloot een aanval op schepen van de Nizam-ul-Mulik en steekt er drie in brand.

Begin juni zijn de aanvallen die de vijand onderneemt weer even krachtig als ware de belegering pas begonnen. De volgende poging van de vijand betreft het huis dat verdedigd wordt door Dom Nuno Álvares, dat door zorgeloosheid verloren gaat. Enige Portugezen, evenwel, pogen het huis te heroveren, maar falen in hun poging, waarin twintig mannen sneuvelen. Bovendien bezet de vijand bij een grote aanval het Mosteiro de São Domingos. Dom Gonçalo de Menezes verdedigt zijn post met succes, maar de Portugese verliezen zijn zwaar, evenals op andere plaatsen, die onophoudelijk door het vijandelijke geschut beschoten worden. Van eind mei tot bijna eind juni bombardeert de vijand de Portugese stellingen zonder ophouden en na afloop besluit de Nizam-ul-Mulik een zodanig breed gat daarin te maken dat hij met zijn hele leger kan optrekken. Op 28 juni verschijnen de olifanten met kastelen vol manschappen op hun rug. Het gehele leger is in afwachting van het signaal op te trekken, maar dit signaal blijft uit, omdat het Portugese geschut een hoge moorse officier heeft gedood, wat de Nizam-ul-Mulik als een slecht voorteken beschouwt, reden om de aanval tot de volgende dag uit te stellen. Het uitblijven van de aanval, verleidt de Portugezen tot uitvallen; zij dringen de moren terug met geweerschoten, waarbij 118 man sneuvelen en 500 worden gekwetst.

De volgende dag geeft de Nizam-ul-Mulik rond het middaguur het signaal tot de aanval; het gehele leger dringt op onder een afschuwelijk gegil en het geluid van oorlogsinstrumenten. Agalas Khan onderneemt aanvallen op respectievelijk Diogo Soares de Albergaria, João da Silva Barreto, Rodrigo Homem da Silva en Lourenço de Brito. Farete Khan en Sujate Khan dringen op bij de Santa Casa da Misericordia en Misnarão, kapitein van de wacht, valt de positie aan, waarover Ruy Gonçalves het bevel voert. Dom Francisco de Mascarenhas, de Portugese opperbevelhebber, die een deel van zijn troepen heeft verdeeld over de plaatsen waar zij het meest nodig zijn, neemt met de rest positie in tegenover de Nizam-ul-Mulik. De dagen worden verduisterd door de rook uit de kanonnen en de nachten verlicht door de vlammen van brandende gebouwen, de slachtpartij en de verwarring is aan alle kanten groot. Er wordt een aantal vijandelijke vlaggen en vaandels geplaatst op de Portugese stellingen, maar deze worden spoedig veroverd of neergehaald met de mannen die ze hebben geplaatst. De olifanten, die door de nairs zijn dronken gevoerd om ze woester te maken, lopen in de verwarring brandwonden en andere kwetsuren op, zodat zij verdwaasd rondlopen. De strijd gaat door tot de avond valt, maar de Portugezen hebben hun posities weten te behouden en zij hebben meer dan 3.000 aanvallers, onder wie een zoon van Agalas Khan gedood. Tijdens de actie hebben de Portugezen enkele soldaten en acht edellieden verloren: Dom Henrique de Menezes, die verlamd is, heeft gezeten op een stoel, de gevechten van nabij gevolgd. Lourenço de Brito heeft een groot aantal vaandels buitgemaakt. Gonçalo Rodrigues Caldeira en Jerónimo Corvo hebben, ofschoon zij ernstig gewond zijn, naast vele anderen, nimmer hun post verlaten. Op verzoek van de moren wordt er een wapenstilstand afgesproken, opdat zij hun doden kunnen begraven.

De Nizam-ul-Mulik verlangt naar vrede, maar hij wil dat niet tonen, terwijl Dom Francisco de Mascarenhas eveneens gaarne een einde ziet komen aan de oorlog, maar niet de eerste stap wil zetten om dat te bereiken. Tenslotte echter staken beide zijden de vijandelijkheden en in korte tijd sluiten zij een verdrag. Farete Khan en Azafa Khan zijn de afgevaardigden die optreden voor de Nizam-ul-Mulik; Pedro da Silva e Menezes en António de Teyoe zijn de vertegenwoordigers van de Portugese strijdkrachten en Dom Francisco de Mascarenhas treedt op namens de capitão van Chaul. De belangrijkste bepaling uit het vedrag is een offensief en defensief bondgenootschap tussen de Nizam-ul-Mulik en koning Dom Sebastião van Portugal.

De zamorin, de derde partij in het verbond tegen de Portugezen, valt hen op zee aan, maar geeft op zeer halfhartige wijze uitvoering aan zijn contractuele verplichtingen. Nadat het beleg van Goa en Chaul een maand heeft geduurd, zendt de zamorin niet zijn oorlogsvloot naar zee, maar hij doet de onderkoning vredesvoorstellen met het veronderstelde oogmerk hetzij tijd te winnen, hetzij om zijn waakzaamheid te doen verslappen. De voorstellen worden prompt in de Senado da Câmara van Goa besproken, maar als vice-rei Dom Luís de Ataíde de zamorin antwoordt dat hij slechts vrede wel sluiten op zeer nauwkeurig geformuleerde voorwaarden, zendt de zamorin eind februari zijn vloot, onder bevel van Catiproca Marcar, naar zee. Hij verschijnt spoedig met 21 schepen, die veel soldaten – waaronder 1.000 musketiers – aan boord hebben, voor het belegerde Chaul. In het holst van de nacht sluipen deze vaartuigen langs de Portugese galeien en galjoenen, die de haven vullen, zonder ook maar de geringste tegenstand te ontmoeten. Slechts twee paraos ontmoeten tegenstand, maar een van hen slaagt er desondanks in de haven te bereiken. De Malabaren scheppen op over deze prestatie en niet geheel zonder reden en de manschappen van de Nizam-ul-Mulik zijn natuurlijk begeesterd door zo’n succes. De vorst Is natuurlijk zelf ook blij met de komst van deze versterkingen, hij laat de musketiers posities innemen op het strijdtoneel en hij spoort de bemanningen van de vloot van Calicut aan de Portugese schepen, die onder bevel staan van Lionel de Sousa, aan te vallen Een groot aantal calemutes, een speciaal soort kleine vaartuigen, die de andere 21 vaartuigen hebben vergezeld, gaan zo vastbesloten tot de aanval over dat het erop lijkt dat zij zeker zijn van succes. Zij varen af op het vlaggenschip van Lionel de Sousa, maar zodra het schip naar voren komt om zijn belagers aan te vallen, vluchten zij weg, zonder ook maar een schot te hebben gelost. De Nizam-ul-Mulik, die vanaf een hoogte getuige is van de bewegingen van de vloot, kan de kapiteins van de calemutes er niet toe bewegen de aanval te hervatten en de scheepjes blijven doelloos in de haven liggen. Na twintig dagen slippen zij gedurende de nacht ongezien weg.

De koningin van Mangalore, die denkt dat zij uit de oorlogssituatie enig voordeel kan behalen en die ook heeft vernomen dat Catiproca met zijn oorlogsvloot in de buurt is, laat hem weten hoe gemakkelijk het is om het Portugese Forte São Sebastião te veroveren en zij biedt hem tegelijkertijd aan alle kosten daarvan voor haar rekening te nemen. Catiproca gaat op het voorstel in, omdat hij hoopt daardoor zijn prestige dat in Chaul een zware deuk heeft opgelopen, te kunnen terugwinnen. Hij zet zijn mannen tamelijk onverwachts aan land en met behulp van ladders bestormen zij ’s nachts de muren. Enige dienaren van Dom António Pereira, die capitão is van het garnizoen van Forte São Sebastião, worden wakker en bemerken wat er gaande is. Zij openen het raam en gooien het eerste het beste dat voorhanden is, zijnde een kist met zilvergeld die toebehoort aan Dom António, op de mannen op de ladder, die naar beneden storten. De commandant en het hele garnizoen worden wakker van het lawaai, zij vallen de vijand aan en dwingen hem zich terug te trekken. De aanvallers keren terug naar hun schepen en nemen daarbij de kist met zilvergeld met zich mee. Als de moorse vloot Cannanore passeert, zeilt Dom Diogo de Menezes met zijn squadron tegen hen uit. De moren vluchten de Rio Tiracole ten noorden van Goa op. Dom Diogo volgt hen, valt hen aan en vernietigt de gehele vijandelijke vloot en laat geen enkel schip ontsnappen. Catiproca sneuvelt in de strijd en zijn neef Cutiale wordt gevangengenomen. De kist met zilvergeld wordt ontdekt en aan haar eigenaar teruggegeven.

Tegen eind juni 1570, als de Adil Khan en de Nizam-ul-Mulik op het punt staan het beleg van Goa en Chaul op te breken, arriveert de zamorin met 100.000 man, meest musketiers, voor het fort in Chalè, een plaats op slechts twee léguas ten noorden van de residentie van de zamorin. Capitão van het fort is Dom Jorge de Castro. De vijand plaatst 40 koperen kanonnen rond het rechthoekige fort. De omsingeling is volledig en de beschieting is zo hevig dat het onmogelijk is de versterkingen en voorraden waarmee Dom António de Noronha uit Cochin arriveert, het fort binnen te brengen. Francisco Pereira de Sousa, die met hulp uit Cannanore komt, weet met grote dapperheid het probleem te omzeilen, maar de hulp is erg bescheiden. Zodra de onderkoning de toestand in Chalè verneemt, zendt hij Dom Diogo de Menezes met achttien zeilen naar het fort om het belegerde garnizoen van voorraden te voorzien. Met grote moeilijkheden bereikt hij in september Chalè, als het belegerde garnizoen gereduceerd is tot een minimum; van de 600 soldaten in het fort zijn er nog mar 60 in staat wapens te hanteren. Dom Diogo de Menezes moet zich naar het fort toe vechten om zijn voorraden te kunnen afleveren. Hij slaagt erin een grote hoeveelheid voedsel en ammunitie naar het fort te brengen, maar verliest daarbij niet minder dan 40 man.

De sultan van Atjeh, de vierde vorst van de tegen de Portugese macht in Azië gerichte verbond, heeft voortdurend plannen gesmeed tegen Portugees Malacca en in 1570 zendt hij als afleidingsmanoeuvre een vloot in die richting. Maar voordat de vloot haar bestemming bereikt, wordt zij ontdekt door een Portugese vloot onder bevel van Luís de Mello da Silva. De vloten geraken met elkaar in gevecht, waarbij de moorse vloot volledig wordt vernietigd en de bewoners van Malacca opgelucht kunnen ademhalen. En zo eindigt het machtige tegen de Portugezen gerichte verbond, dat met succes is weerstaan door de kracht van de onderkoning die het geluk aan zijn zijde had. Hij heeft zich teweergesteld tegen de krachten die zich tegen hem verenigd hadden en hij is er daarbij in geslaagd voor enige tijd het Portugese militaire prestige te herstellen, dat recentelijk enige deuken had opgelopen.

Dom Luís de Ataíde, conde de Atouguia, een man van onbetwistbare kwaliteiten, heeft voordat hij voor de eerstemaal vice-rei in Indië werd, grote ervaring opgedaan in militaire zaken, waaraan hij zichzelf al vanaf zijn jeugd heeft gewijd. Zijn geest is zo vrij van hebzucht dat, waar anderen zich schatten in Indië verzamelen, hij in 1572 naar Portugal terugkeert met vier kruiken die water bevatten van vier beroemde rivieren: de Indus, de Ganges, de Tigris en de Euphraat, die vele jaren in zijn kasteel in Peniche zijn bewaard. Nadat hij in Afrika en Europa heeft gediend, is Dom Luís naar Indië gekomen. Hij is op de leeftijd van 22 jaar door gouverneur-generaal Dom Estêvão da Gama (1540-1542) op de Monte Sinaï tot ridder geslagen. Teruggekeerd in Portugal, wordt hij door koning Dom João III (1521-1557) als ambassadeur naar keizer Karel V gezonden. Hij is aanwezig bij de Slag bij Mühlberg, waarin de keizer de lutheranen, onder de landgraaf en de keurvorst van Saksen, verslaat. Dom Luís toont zich in de slag zo moedig dat keizer Karel V aanbiedt hem tot ridder te slaan. Dom Luís de Ataíde antwoordt dat hij al op de Monte Sinaï tot ridder is geslagen, zodat hij voor de eer moet bedanken. De keizer antwoordt op zijn beurt dat hij zich meer verheugd over de eer die Dom Luís verdient dan over de overwinning. Dom Luís keert begin 1572 naar Portugal terug en bij aankomst ontvangt koning Dom Sebastião met veel eerbetoon, maar later overkomt hem hetzelfde als wat de held Duarte Pacheco Pereira ondervonden heeft van koning Dom Manuel. Sebastião behandelt hem met geringschatting, maar naderhand herwint hij de gunst van de wispelturige vorst. In 1578, als Dom Sebastião een opperbevelhebber voor zijn veldtocht in Marokko dient te benoemen, is de graaf van Athouguia verreweg de meest onderscheiden generaal in Portugal en de koning, die aanvoelt dat hij hem moeilijk kan passeren, biedt hem de leiding van de expeditie aan. De veteraan die kennelijk weinig heil ziet in het bizarre avontuur, weigert het commando te aanvaarden, waarop Dom Sebastião, die in het geheel niet verbolgen is over deze weigering, hem voor de tweede maal tot vice-rei van de Estado da India benoemt. Zijn opvolger is Dom António de Noronha, niet te verwarren met zijn naamgenoot die van 1564 tot 1568 onderkoning in Goa is geweest.

1 De naam van het pas gebouwde (1568/9 fort is niet bekend.

1.3 De capitães-gerais Dom António de Noronha, António Moniz Barreto, Dom Diogo de Menezes, Dom Luís de Ataíde en Fernão Telles de Menezes (1571-1581)

Categorieën
Portugees kolonialisme

Vice-rei Dom Francisco Coutinho, conde de Redondo, governador João de Mendoça en vice-rei Dom Antão de Noronha (1561-1568). De Estado da India in de jaren 1558-1581

Deel 15 Index

Hoofdstuk 1.

De Estado da India in de jaren 1558-1581

1.1. Vice-rei Dom Francisco Coutinho, conde de Redondo, governador João de Mendoça en vice-rei Dom Antão de Noronha (1561-1568)

Geschreven door Arnold van Wickeren

De nieuwe onderkoning, Dom Francisco Coutinho, conde de Redondo, zeilt in het voorjaar van 1561 uit Lissabon uit en arriveert begin september van dat jaar in Goa. Hij treft daar een ontvolkte stad aan, en de dorpen in de omgeving daarvan zijn niet alleen eveneens verlaten, maar bovendien nog verwoest. De oorzaak van deze situatie blijkt het decreet van zijn voorganger te zijn. Dom Francisco trekt, na raadpleging van de Portugese elite van Goa, het decreet van zijn voorganger in en belooft de in beslag genomen eigendommen terug te geven aan degenen die binnen zes maanden terugkeren. Nadat de onderkoning capitães naar de verschillende havens heeft doen vertrekken, worden vijf naus geladen met specerijen voor Portugal. Aan boord van een van deze schepen, wellicht de Cinco Chagas, bevindt zich de afgetreden vice-rei Dom Constantino de Bragança.

De graaf van Redondo zendt Dom Francisco de Mascarenhas met een vloot van niet minder dan 23 schepen en 650 man aan boord uit om de galeien van de Ottomaanse admiraal Coje Zofar te gaan zoeken. Het wordt een vruchteloze reis en Dom Francisco keert met zijn vloot terug naar de Malabarkust. In februari 1562 zendt de onderkoning Jorge de Moura met drie galjoenen en een kleiner vaartuig naar Ormoez om enige schepen te begeleiden en hen te beschermen tegen aanvallen van Coje Zofars galeien. Bij het eiland Kishm stuit Jorge de Moura op een groot en zeer goed bewapend schip, afkomstig uit Atjeh. Hij wil het schip buitmaken, temeer omdat het een waardevolle lading bevat. Het moorse schip wordt geënterd door kapitein Pedro Lopez de Rebelo, maar na een bloedige ontmoeting raken zowel het moorse schip als het schip van Pedro Lopez in brand en worden beide verwoest. Kapitein António Cabral komt naderbij en redt Pedro Lopez en zijn mannen, maar de meeste moren komen om in de golven; slechts een handvol bemanningsleden slaagt erin in een reddingsboot te ontkomen. De Hadramī-kronieken vermelden dit voorval ook. Serjeant citeert daaruit: ‘In de maand Radjab of Sha’bān, ontmoetten vijf Frankische grabs en drie galjoten een grote galjoot uit Atcheh (Ashī) met een aantal Atchehnese moslims en een aantal Turkse kooplieden aan boord. Zij vechten drie dagen met elkaar totdat de meeste Franken en alle moslims zijn omgekomen. De galjoten van de Franken en die van de moslims werden in brand gestoken en veel mensen werden gedood. Slechts ongeveer twintig moslims bleven gespaard; zij kwamen naar Aden en een naar Ahwar.’

In 1562 wordt begonnen met de bouw van de kathedraal Santa Catarina die, met haar lengte van 76 meter, het grootste gebouw van Goa zal worden. De Sé, zijnde de ‘senior metropolitan cathedral’ voor het gehele Império Português do Oriente, is gewijd aan Santa Catarina de Alexandrië. Het ontwerp is van Julio Simão en Ambrosio Argueira. Het gebouw dat verrijst op de plaats van een vroegere moskee, is min of meer af in 1619, maar in het decennium daarna wordt nog aan de façade gewerkt en het zal tot 1652 duren voordat de altaren gereed zijn. Ofschoon de Sé gebouwd wordt voor de dominicanen, heeft de in 1584 voltooide hoofdkerk van de jezuïeten in Rome, de Gesu, min of meer voor haar model gestaan.

In september 1562 arriveert de jaarlijkse vloot uit Lissabon die dat jaar uit zes schepen bestaat die 3.000 soldaten naar Indië brengen. Op dat moment maakt de onderkoning zich op om uit te zeilen naar Malabar voor een ontmoeting met de machtigste vorst van Malabar, de zamorin van Calicut. In de Provincia do Norte is sprake van een zeer gespannen situatie; Cide Meriam rukt namelijk met 800 ruiters en 1.000 man voetvolk op tegen Damão, waarbij hij de dorpen waar zijn troepen doorheen trekken, verwoest. De Portugese troepen in Damão trekken de stad uit om de vijand in het open veld te bestrijden. Zij boeken de overwinning en veroveren ook het vijandelijke kamp, waarbij een grote buit in hun handen valt, maar zij hebben in de strijd ook aanzienlijke verliezen geleden, zowel aan doden als aan door Cide Meriam gevangengenomen landgenoten.

Vroeg in december brengt Dom Francisco Coutinho zijn uitgestelde bezoek aan de zamorin, om een verdrag te ratificeren waarover de vertegenwoordigers van beide partijen het eens zijn geworden. De onderkoning zeilt met 140 schepen, waarop zich 4.000 manschappen bevinden naar Tiracole, waar de ontmoeting zal plaatsvinden. Hierna zeilt Dom Francisco door naar Cochin, om de retourvloot naar Lissabon te beladen en te doen vertrekken.

In 1563 raken de Portugezen ook weer in een oorlog verwikkeld met Cannanore. De vice-rei zendt Dom Francisco de Mascarenhas met een vloot van vijftien zeilen naar Cannanore, om het Portugese garnizoen ter plaatse te ondersteunen. Jerónymo Dias de Menezes, die achter de vloot aan is gezeild, stuit op drie Malabaarse paraos. Hij valt het grootste van de drie vaartuigen aan. Hij entert het schip en als de meeste bemanningsleden door de Portugezen zijn gedood, neemt hij het vaartuig. De twee andere paraos, evenwel, schieten te hulp en dwingen de Portugezen hun eigen schip te verdedigen. Zij worden naar de achtersteven van hun vaartuig gedreven, maar bij een laatste desperate uitval doden zij 60 vijanden. Hierna vervolgt Jerónymo Dias de Menezes zijn reis.

Als de onderkoning verneemt wat hem is overkomen, beklaagt hij zich bij de zamorin over de voortgaande piraterij van de Malabaren en noemt dit een schending van het pas geratificeerde vredesverdrag. Het antwoord van de zamorin is verre van bevredigend, want hij zegt slechts: ‘Deze schepen moeten wel toebehoord hebben aan piraten en het staat iedereen vrij hen te straffen in wiens handen zij ook zullen vallen.’ Dom Francisco Coutinho besluit wraak te nemen en als hij hoort dat meer dan 80 Malabaarse schepen op weg zijn naar Calicut, besluit hij deze te vernietigen en als de zamorin hierover zou klagen, zou hij hem antwoorden: “het waren piraten die door iedereen die dat wenst, mogen worden gestraft.” De onderkoning zendt vervolgens Domingo de Mesquita, een moedig maar gewetenloos man, met 120 man in drie schepen uit naar Malabar. Mesquita patrouilleert in de buurt van Carapatan en neemt daar vaartuigen bij twee- en drietallen tegelijk, bij elkaar 24 stuks. De vaartuigen worden tot zinken gebracht, nadat de opvarenden zijn onthoofd of in zeilen verpakt overboord zijn gegooid. Niet minder dan 2.000 man worden door Mesquita op deze wijze gedood en spoedig hierna breekt er een zeer langdurige oorlog uit.

Tijdens de ambtstermijn van de Dom Francisco Coutinho bevindt Luís Vaz de Camões, die zal uitgroeien tot Portugals grootste poëet, zich nog steeds in Indië, waar hij in 1552 is aangekomen. Gebleken is dat Camões niet in zijn levensonderhoud kan voorzien. Hij maakt schulden, die hij niet betaalt. Capitão-geral Francisco Barreto (1555-1558) heeft zich niets aangetrokken van de reputatie van de dichter en hij heeft hem in de gevangenis laten werpen en hem later verbannen. Van Barreto’s opvolger, Dom Constantino de Bragança, heeft Camões weldaden ontvangen, maar de graaf van Redondo heeft minder consideratie met de dichter. Als deze zijn schulden niet betaalt, levert hij hem over aan de rechter, die hem tot gevangenisstraf veroordeelt.

In 1563 wordt de Senado da Câmara (gemeenteraad) van Goa geformaliseerd en gaat Senado do Estado heten. Daarin hebben de volgende functionarissen zitting (althans in 1604): de capitão-geral, die de raad presideert, de aartsbisschop van Goa, de grootinquisiteur, twee of drie oudere in Goa woonachtige fidalgos, de ouvidor-geral (president van het hooggerechtshof) de capitão van de stad Goa en de vedor da fazenda, die de geldmiddelen beheert.

De bashaw van Bussorah verlangt van de Portugezen dat de Turken in Ormoez vrij kunnen handeldrijven en daarom geeft hij tekenen af die erop wijzen dat hij op vrede uit is. Dom Francisco Coutinho is van oordeel dat de zaak te belangrijk is om buiten de ‘Grote Turk’ om te regelen. Hij zendt daarom António Teixeira als ambassadeur naar Constantinopel, om de zaak aan sultan Süleyman I (1520-1566) zelf voor te leggen. Nadat hij de vorst verteld heeft wat de bashaw wenst, antwoordt de ‘Grote Turk’ hem: ‘Ik vraag niemand om vrede. Als de koning van Portugal vrede wil sluiten, laat hem dan een belangrijk man aan zijn hof zenden en deze zal worden gehoord.’ De ambassadeur vertrekt met dit antwoord naar Lissabon, maar daar worden het antwoord van de ‘Grote Turk’ voor kennisgeving aangenomen.

Nauwelijks nadat de onderkoning, de graaf van Redondo, in kennis is gesteld van de verrichtingen van Mesquita, overlijdt de achtste onderkoning en de twintigste capitão-geral van de Estado da India plotseling op 19 februari 1564. Als de zegels van de documenten die de opvolging regelen als de onderkoning plotseling mocht overlijden, verbroken worden, blijkt dat de Kroon als zijn opvolger heeft aangewezen João de Mendoça, tot voor kort capitão van Malacca. De nieuwe capitão-geral voert niet de titel onderkoning. Kort nadat hij zijn hoge ambt heeft aanvaard, komen ambassadeurs van de zamorin naar Goa, om zich te beklagen over het weinig barmhartige optreden van Domingo de Mesquita aan de kust van Malabar, wat in strijd zou zijn met letter en geest van het onlangs geratificeerde verdrag. De gouverneur antwoordt dat de begane misdaden bedreven moeten zijn door Portugese rebellen, die de zamorin zo mogelijk mag bestraffen, wat de gouverneur zelf zou doen als hij daartoe in staat zou zijn. De ambassadeurs hebben hierop niets te zeggen, maar op het moment dat zij willen gaan, verschijnt onverwachts Domingo de Mesquita. De gouverneur arresteert hem in het bijzijn van zijn gasten, maar zodra zij zijn vertrokken, laat hij hem vrij en beloont hem voor zijn diensten. In Cannanore roept een vrouw die jammert om het verlies van haar man, die door Mesquita is vermoord, haar moorse stadgenoten op wraak te nemen. Zij nemen de wapens op en zweren deze niet te zullen neerleggen totdat zij alle Portugezen uit hun midden hebben verdreven.

De moren belegeren het fort, waarvan het garnizoen onder bevel staat van Dom Payo de Noronha, en zij steken dertig schepen, die binnen schootsafstand van zijn kanonnen voor anker liggen, in brand. Gouveneur-generaal João de Mendoça zendt ogenblikkelijk André de Sousa met zes zeilen uit, om het fort in Cannanore, dat belegerd wordt door een groot leger, onder bevel van Ade Radjao, te ontzetten. Aldus begint de Malabaarse Oorlog.

Begin september 1564 arriveren in Indië enige schepen uit Portugal en een daarvan brengt de nieuwe onderkoning Dom Antão de Noronha naar zijn standplaats. João de Mendoça draagt direct de zegels van zijn ambt aan zijn opvolger over. Hij is zes maanden gouverneur en de 21e capitão-geral geweest, De nieuwe onderkoning, die met grote vreugde wordt ontvangen, besluit onmiddellijk tot het ontzet van Cannanore. Daartoe geeft hij Dom Payo de Noronha het bevel over de landstrijdkrachten, terwijl Gonçalo Pereira Marramaque, die de beschikking krijgt over een goede vloot. Capitão-mór, dus bevelhebber van de zeestrijdkrachten, wordt. Dom Francisco de Mascarenhas, die met een eskader voor Cannanore ligt. Hij draagt het bevel daarover over aan Gonçalo Pereira Marramaque en vertrekt naar Afrika, waar hij capitão wordt van de capitania Sofala en Moçambique

Pedro da Silva e Menezes, die het commando voert over zeven schepen, heeft tot taak vaartuigen te begeleiden die voedsel brengen naar Goa, waar in 1564 schaarste heerst. Hij ontmoet onverwacht een moor, genaamd Muri-Muja, die 17 goed bewapende paraos bij zich heeft. Pedro da Silva valt de vaartuigen zonder te aarzelen aan. Twee daarvan brengt hij tot zinken en hij maakt er drie buit en de rest achtervolgt hij de rivier Pudepatan op. Daar ontvangen de vluchtende schepen hulp van nog eens drie paraos en van meer dan 50 almadias. De moren worden teruggeslagen, waarbij zij 500 doden hebben te betreuren en de Portugezen slechts drie man verliezen.

De onderkoning, die zeer bezorgd is over de veiligheid van de Portugezen in Cannanore, zendt Dom Paulo de Lima met vier schepen naar het strijdtoneel. Als Dom Paulo voor anker ligt in de Baai van Baticale (Bhatkal) nadert de Malabaarse piraat Kunhale1 hem met zeven paraos. Dom Paulo de Lima maakt zich zonder aarzelen gereed voor de strijd. Na elkaar gegroet te hebben met de gebruikelijke saluutschoten, entert Kunhale met drie van zijn vaartuigen Dom Paulo’s schip. De 50 opvarenden van dit schip verrichten wonderen; zij doden 200 moren en verliezen zelf 30 man. Kunhale zeilt weg met zijn schepen, maar Dom Paulo is zo zwaar gewond dat hij zijn reis naar Cannanore niet kan voortzetten en moet terugkeren naar Goa. De Portugezen in Cannanore worden steeds meer in het nauw gedreven door de grote vijandelijke troepenmacht, die meester is van de omgeving van de stad. André de Sousa biedt wanhopig tegenstand, waarbij hij sneuvelt, en Dom Payo de Noronha, die hem is opgevolgd, doodt in verschillende gevechten meer dan 2.000 vijanden en daarnaast verwoesten de Portugezen onder zijn leiding 4.000 palmbomen. Het verlies van zoveel palmen is voor de bevolking een grote ramp, omdat de bomen zowel de belangrijkste bron van voedsel als van inkomen zijn. De razende bevolking groeit aan tot een enorme woedende op wraak beluste menigte die de Portugezen dwingt de stad te verlaten en die met medeneming van hun bezit, hun heil te zoeken in hun fort. De volgende dag valt de vijand het fort aan met verdubbelde energie en vallen meer dan 2.000 man de stad binnen en voeren daar hevige gevechten met de Portugezen die vanuit hun fort uitvallen ondernemen. Nadat de vijand bij zonsondergang 5.000 man verloren heeft, trekt hij zich terug in zijn kamp. Hierna arriveert Gonçalo Pereira Marramaque met zijn vloot in Cannanore, korte tijd later gevolgd door Álvaro Paes Soutomayor, de opvolger van Dom Payo de Noronha. De beide nieuwkomers ondernemen zo’n krachtige aanval op de stad van Ade Radjao’s dat zij hun vijanden verslaan, waarbij zij hen zulke zware verliezen toebrengen, dat zij genoodzaakt zijn het beleg op te heffen.

In 1566 verschijnen de zegevierende troepen van de derde en grootste Mogolkeizer Jalal-ud-din Muhammad Akbar (1556-1605) met 3.000 ruiters voor de poorten van Damão. De capitão van Damão, João de Sousa, zendt direct bericht van deze nieuwe ontwikkeling aan de onderkoning en aan de naburige Portugese commandanten en ondertussen bereidt hij zijn verdediging voor. Hij vertrouwt voor alles op zijn palissaden, die gemaakt zijn van lechera of melkhout, omdat het wanneer het wordt gekloofd, een melkachtige vloeistof afgeeft. Als deze vloeistof in aanraking komt met de ogen, dan veroorzaakt zij onherroepelijk blindheid. De capitão van Chaul, Tristão de Mendoça, snelt met 200 man zijn makker in Damão te hulp en vice-rei Dom Antão de Noronha zendt vier schepen met troepen naar Damão. Het aldus versterkte leger marcheert de stad uit en trekt de vijand, wiens kamp drie léguas buiten de stad ligt, tegemoet. Akbars troepen vermijden met de Portugezen in gevecht te raken; als zij de Portugese troepen in het vizier krijgen, slaan zij op de vlucht, waarbij zij waardevolle zaken in hun kamp achterlaten.

In 1566 loopt de oorlog met Cannanore op zijn einde, omdat de kolathiri door de langdurige strijd volslagen uitgeput is en smeekt om het herstel van de vrede, wat hem wordt gegund. De laatste oorlogshandelingen zijn de verovering van een aantal Malabaarse schepen door Gonçalo Pereira Marramaque en het afslachten van veel moren door Manuel de Brito, die schepen begeleid die afkomstig zijn uit Malacca, China, de Molukken, Pegu, Bengalen en de Coromandelkust.

In de jaren zestig van de zestiende eeuw doen zich veranderingen voor die van grote invloed zijn op de Portugese machtspositie in Azië. Toen de Portugezen aan het einde van de vijftiende eeuw in Indië arriveerden, beheerste het hindoerijk Vijayanagar nog het zuiden van het Voor-Indische subcontinent, zij het dat zijn macht aan de kust van de Arabische Zee sterk was verminderd. Zo had de zamorin van Calicut zich kort voor de komst van Vasco da Gama weten los te maken van Vijayanagar en zijn minder machtige vazallen van dat land, zoals de radja’s van Cochin en Cannanore, respectievelijk de kalpathi en de kolathiri, zelfs schatplichtig geworden aan de zamorin en heeft het koninkrijk Bahmani in 1470 Vijayanagars belangrijkste havenstad Goa aan het land weten te ontrukken. In 1490 is Bahmani uiteengevallen in vijf sultanaten: Golconda, onder de Qutb Shahi; Ahmednagar, onder de Nizam Shahi; Bidar, onder de Barid Shahi; Berar, onder de Imad Shahi en Bijapur, onder de Adil Khan, op wie de Portugezen Goa veroverd hebben. Ofschoon de vijf sultanaten in wisselende coalities, waarin Vijayanagar soms ook betrokken wordt, elkaar beoorlogen, weet ‘Ali ‘Adil Shah, de tweede zoon van Ibrahim ‘Adil Shah, in 1564 alle vijf moslimstaten te verenigen tegen Vijayanagar. De erfgenamen van het Bahmani-rijk vernietigen in januari 1565 het leger van het Vijayanagar in de Slag bij Talikota. De hoofdstad van Vijayanagar aan de rivier Tungabhadra, ten oosten van Goa, eveneens Vijayanagar, maar thans Hampi geheten, wordt zes maanden lang systematisch geplunderd en verwoest. De ruïnes van de stad beslaan een oppervlakte van negen vierkante mijl. De buit is zo groot dat ieder van de vijf sultans zijn hoofdstad kan voorzien van een aantal magnifieke bouwwerken. De bloei van Bijapur is mede een gevolg van de teloorgang van Vijayanagar. Nadat is afgerekend met de gemeenschappelijke vijand, raken de sultanaten onderling weer slaags, totdat zij allen zullen worden opgeslokt door de onafwendbaar naar het zuiden oprukkende Mogolmacht. Veel historici zijn van mening dat het verval van de Portugese macht in Voor-Indië is ingeluid met de teloorgang van het grote Hindoerijk Vijayanagar.

Danvers voegt nog enige bijzonderheden toe aan bovenstaand relaas, dat grotendeels ontleend is aan Anthony Hutt. Hij laat weten dat de opbrengsten in Indië zich op een zeer laag peil bevinden en dat de oorzaak daarvan gezocht moet worden in de situatie waarin het koninkrijk Bisnagá, de naam die de Portugezen aan Vijayanagar geven, verkeert. Hij schrijft dat de koningen van de Deccan tegen Bisnagá 50.000 ruiters en 300.000 voetknechten in het veld brengen, maar dat Bisnagá, dat over een dubbel zo groot leger beschikt, aanvankelijk aan de winnende hand is. Danvers vermeldt ook enige bijzonderheden over de buit die de overwinnaars in handen valt. Deze bestaat uit een groot aantal olifanten, naast geld en onschatbare juwelen, alsmede de koninklijke troon, die van zeer grote waarde is. Het grondgebied van het verslagen Bisnagá wordt verdeeld onder de zonen en neven van de laatste koning.

In het begin van 1567 zendt Dom Antão de Noronha een vloot, die bestaat uit twaalf schepen, met 1.000 man aan boord naar Ambon, omdat de onderkoning heeft vernomen dat de Ambonezen die het christendom hebben omhelsd daar in groot gevaar verkeren. Capitão-mór van de vloot is Gonçalo Pereira Marramaque. Dom Antão de Noronha, zendt zijn naamgenoot Dom Manuel de Noronha, met een galei naar Banda, maar hij wordt aan boord daarvan doodgestoken door zijn purser, omdat hij hem heeft geslagen met een stok.

Omdat de oorlog met Cannanore is beëindigd, worden de Portugese strijdkrachten naar verschillende gebieden in Azië gezonden. Álvaro Paes de Soutomayor zeilt met twintig schepen naar de Malabarkust; Diogo Lopes de Mesquita met drie naar de Molukken; Dom Jorge de Menezes Baroche vertrekt met vier galjoenen, een galei en vier kleine vaartuigen naar de Rode Zee; Lisuarte de Aragón gaat met een schip naar Ceylon; Dom Luís Pereira vertrekt met zes schepen naar Malacca; Jorge de Moura zeilt met hetzelfde aantal schepen naar het noorden en Dom Francisco de Mascarenhas vertrekt met 27 zeilen naar Olala, om de betaling van schatting door de koningin van deze plaats af te dwingen. Overigens is João Peixoto hem al met acht schepen voorafgegaan. De vice-rei volgt Dom Francisco de Mascarenhas met een vloot van zeven galeien, twee galjoenen en vijf kleinere vaartuigen. De vloot heeft 3.000 strijdbare mannen aan boord, die tot taak hebben in Mangalore het Forte São Sebastião te bouwen, nadat koningin Bucadeoi Chantar zich heeft onderworpen.

Als de vloot voor anker is gegaan in de baai van de steden Mangalore en Olala, landt de onderkoning zijn troepen op 4 januari 1567, verdeeld in zes bataljons. ’s Avonds als de Portugezen, zich onbewust van welk gevaar dan ook, in hun kamp het avondmaal nuttigen, zeilt een vijandelijke troepenmacht van 500 man, gevolgd door nog eens 1.500 man naderbij en de vijandelijke troepenmacht overvalt de Portugezen zo onverwachts en met zulk een geweld, dat deze enige tijd in grote verwarring verkeren. Dom Francisco de Mascarenhas, die een vooruitgeschoven post bezet, heeft de zwaarste klap te verwerken en hoewel zijn troepen dapper vechten, verliest hij een aantal manschappen. Hij wordt tenslotte ontzet door Dom Luís de Almeida en met vereende kracht wordt de vijand uiteindelijk verdreven. Op de avond van Driekoningen vallen de Portugezen de stad aan en, nadat zij zich met geweld toegang tot Olala verschaft hebben, zetten zij de stad in brand en kappen een groep palmbomen De koningin vlucht een berg op. De Portugezen doden in de strijd 500 vijanden en verliezen zelf ongeveer 40 man. De onderkoning legt vervolgens de fundering voor het fort, dat hij de naam São Sebastião geeft, omdat zijn feestdag wordt gevierd en tevens als eerbetoon aan de koning van Portugal. Tegen het midden van de maand maart is het fort met zijn kerk en enige bijgebouwen voltooid. Dom Antão de Noronha geeft het bevel over het fort aan zijn zwager, António Pereira, Nadat hij bij hem een garnizoen van 300 man en munitie voor zes maanden heeft achtergelaten, keert hij terug naar Goa. Enige tijd later, tijdens de regering van Dom Luís de Ataíde, zal de koningin smeken om vrede. De Portugezen zullen een vredesverdrag met haar sluiten tegen betaling van een som ineens en verhoging van de jaarlijkse schatting.

Hindoes woonachtig in Salcete beginnen in 1567 meer en meer hun tot het christendom bekeerde voormalige geloofsgenoten het leven zuur te maken. De bekering van de hindoes wordt vergemakkelijkt doordat zij al generaties lang getreiterd worden door de moslims en zij ervaren dat de religie van hun nieuwe christelijke meesters hun daartegen bescherming biedt. Bekering tot het christendom biedt nog andere voordelen. Hindoes die zich tot het katholicisme hebben bekeerd, komen eerder in aanmerking voor benoeming in openbare ambten en sommige bestuursposten worden gereserveerd voor bekeerlingen. Vice-rei Dom Antão de Noronha zint op wraak; hij rust een vloot tegen de hindoes uit en hij wil hen treffen op een moment dat zij dit het minst verwachten. Hij overvalt hen en verwoest 200 van hun tempels. In een decreet dat hij in 1567 uitgeeft, gelast Dom Antão de Noronha de verwoesting van alle hindoetempels in door de Portugezen gecontroleerd gebied, het verbod op rituele wassingen en de verdrijving van niet-christelijke priesters, heilige mannen en leraren. Het wordt hindoes verboden tempels in aangrenzend gebied te bezoeken en in enige gevallen worden zij zelfs gedwongen kerken en kloosters te bezoeken om de verkondiging van de bijbel aan te horen. De omgang tussen christenen en niet-christenen wordt ontmoedigd.

In 1567 wordt in Goa de eerste kerkvergadering gehouden; deze doet de volgende uitspraken:

  • alle religies anders dan het rooms-katholieke geloof, zoals dat is gedefinieerd op het Concilie van Trente (1545-1563), zijn in zichzelf inhoudelijk onjuist en schadelijk;

  • de Kroon van Portugal heeft de onontkoombare plicht het rooms-katholieke geloof te verspreiden en de wereldlijke macht van de staat dient te worden gebruikt om de geestelijke macht van de kerk te ondersteunen;

  • bekering dient niet tot stand te worden gebracht door geweld of dreiging daarmee, want niemand komt tot het geloof dan door Christus, tenzij hij daartoe gebracht wordt door de genade van de Hemelse Vader.

De eerste uitspraak vormt de basis voor grote onverdraagzaamheid van sommige prelaten en gouverneurs tegenover de moslims, hindoes en boeddhisten. Er zijn echter ook geestelijke en wereldlijke gezagsdragers die een veel gematigder en praktischer houding aannemen. De tweede uitspraak is aanleiding voor soms fanatieke verkondiging van het geloof en voor de financiële ondersteuning van de Kerk door de Staat, het Padroado of Patronage. De derde uitspraak, die in zekere zin in tegenspraak is met de eerste en de tweede, wordt vaak niet in acht genomen. Het uitoefenen van druk op vooral de hindoebevolking zich tot het rooms-katholieke geloof te bekeren, is – zoals hiervoor al is gebleken – in de zestiende eeuw soms groot.

Diogo de Couto heeft in zijn Da Asia (boek III, hfdst. X) een curieus verhaal opgenomen over een labyrint dat zich in Salcete zou bevinden. Hij laat weten dat er op dit eiland een hoge berg is. Rondom deze berg zijn 3.000 cellen, allen voorzien van een waterreservoir, in de rots uitgehakt. Door de voet van dezelfde berg is een weg uitgehakt, met aan weerszijde dezelfde cellen, die zou doorlopen tot in Cambay, in welk geval hij door een tunnel onder zee zou leiden. Frei António do Porto, een franciscaan, heeft besloten de zaak met enige compagnons te onderzoeken. De onderzoekers nemen eten voor een aantal dagen, fakkels en pakdraad mee. De draad wordt bij de ingang vastgemaakt, waarna Frei António en zijn metgezellen zeven dagen lang de onderaardse passage intrekken, zonder dat zij het einde daarvan bereiken. Als zij door hun voorraad voedsel dreigen heen te raken, keren zij met gebruikmaking van het pakdraad naar de ingang terug. Zij schatten dat zij ondergronds 50 léguas hebben afgelegd. De inheemsen verklaren dat de tunnels het werk zijn van Bimilamenta, die 1.300 jaar geleden koning is geweest van het hele gebied tussen Bengalen en Mogolgebied.

Kort voordat onderkoning Dom Antão de Noronha naar Portugal terugkeert, geeft hij Dom Luís de Almeida opdracht voor Surat te gaan kruisen om te controleren af daar schepen varen die niet beschikken over een door een Portugese factor afgegeven cartaz. Dom Luís vertrekt met een vloot van 20 schepen. Hij ontmoet drie rijkelijk beladen vaartuigen, waarvan de kapiteins kennelijk niet over cartezas beschikken. Hij jaagt een schip naar de kelder en brengt de beide andere op naar Damão. Na afloop van zijn ambtstermijn, die vier jaren heeft geduurd, scheept Dom Antão de Noronha zich in op een van de naus van de retourvloot die kort na de jaarwisseling naar Portugal vertrekt. Met hem scheept zich in Luís Vaz de Camões, die voor zijn levensonderhoud afhankelijk is geweest van de vrijgevigheid van de onderkoning en die daarom graag op zijn zak terugreist. Ook de nieuwe capitão van de capitania Sofala & Moçambique, Pedro Barreto Rolim, reist op hetzelfde schip, vermoedelijk de Constantina. Onderweg van Cochin naar Sofala overlijdt Dom Antão de Noronha. Uit zijn laatste wilsbeschikking blijkt dat zijn rechterarm begraven dient te worden in het graf van zijn oom, Dom Nuno Álvares in Ceuta en dat de rest van zijn lichaam aan de zee dient te worden toevertrouwd. Het afhouwen van zijn arm is het gevolg van zijn uitspraak toen een familielid hem had overgehaald zijn handtekening te plaatsen onder een onrechtvaardig document. Hij heeft toen gezegd: ‘de hand die dit ondertekent verdient het afgeslagen te worden.’ Dom Antão de Noronha is – volgens Danvers – een onderkoning geweest met een goed karakter en een gezond oordeel.

Luís Vaz de Camões wiens financiële middelen te gering zijn om zijn reis zelf te bekostigen, besluit na het overlijden van de vice-rei met capitão Pedro Barreto Rolim naar Sofala te gaan, waar hij hoopt op een betrekking te verwerven. Het lukt Camões niet een betaalde baan te komen en hij verblijft een aantal maanden in kommervolle omstandigheden op Moçambique-eiland, waar hij zijn magnum opus Os Lusiadas voltooit. Als het jaar daarop een schip van de retourvloot Moçambique aandoet en Camões bemerkt dat zich onder de passagiers de hem welgezinde Heytor da Silveira bevindt, heeft hij de mogelijkheid door te reizen naar Lissabon. Maar voordat hij aan boord kan gaan, presenteert Pedro Barreto hem een rekening van 200 dukaten voor ten behoeve van hem gedane uitgaven. Dit bedrag wordt voldaan door Heytor da Silveira en zijn kameraden, onder wie de uit Indië naar Portugal terugkerende historicus Diogo de Couto.

1 De door Danvers als Malabaarse piraat aangeduide Kunhale is wellicht een telg uit de familie Marakkayar, die vele bekwame admiraals aan de zamorin van Calicut heeft geleverd, van wie een aantal de voornaam Kunjali voerden.

1.2 Het beleg van Goa en Chaul in 1570; vice-rei Dom Luís de Ataide (1568-1571). 

Categorieën
Portugees kolonialisme

De Estado da India onder het bewind van capitão-gerai en vice-rei Dom Constantino de Bragança (1558-1561). De Estado da India in de jaren 1558-1581

Deel 15 Index

Hoofdstuk 1.

De Estado da India in de jaren 1558-1581

1.0. De Estado da India onder het bewind van capitão-gerai en vice-rei Dom Constantino de Bragança (1558-1561)

Geschreven door Arnold van Wickeren

De bespreking van de lotgevallen van de Portugezen in Indië is in deel XI afgebroken met het vertrek van capitão-geral Francisco Barreto en de aankomst in Goa van diens opvolger vice-rei Dom Constantino, de broer van Theodosius, hertog van Bragança. De onderkoning is niet meer benoemd door koning João III die, na een regeringsperiode van 36 jaar, op 21 juni 1557 aan een beroerte gestorven is, maar door zijn weduwe dona Catarina, die regeert voor de minderjarige koning Sebastião. Met het overlijden van Dom João III breken voor Portugal zware tijden aan en in Indië loopt het tijdperk waarin het de Portugezen in het algemeen voor de wind is gegaan, ten einde. De onderkoning, een man van 30 jaar oud, heeft een voorspoedige reis achter de rug; hij is op 7 april 1558 met vier schepen en 2.000 man uit Lissabon vertrokken en hij is begin september van hetzelfde jaar in Indië gearriveerd. Kort na aankomst in Goa zendt hij – zoals gebruikelijk – nieuwe bevelhebbers naar de verschillende Portugese forten. Dom Payo de Noronha die naar Cannanore wordt gezonden, is kennelijk geen diplomaat; hij stoot de radja van die plaats, de kolathiri, zozeer tegen het hoofd, dat de vorst de Portugezen verbiedt de stad te betreden. De vice-rei tracht de gerezen problemen met de bondgenoot van het eerste uur niet met diplomatieke middelen op te lossen, wat voor de hand had gelegen, maar hij neemt de uitdaging aan en zendt veertien schepen, onder bevel van Luís de Mello da Silva, naar Cannanore, om Dom Payo de Noronha te ondersteunen. De gelande Portugese strijdmacht wordt opgewacht door een leger van 3.000 moren, dat echter spoedig op de vlucht wordt gedreven. Luís de Mello da Silva ruïneert vervolgens de moorse handel aan de Malabarkust. In Mangalore weet de bemanning van een moors vaartuig uit Cannanore te verhinderen dat hun schip door de Portugezen wordt genomen. Hierop valt Luís de Mello da Silva met zijn mannen de stad Mangalore aan. Hij steekt haar in brand, nadat haar bewoners over de kling zijn gejaagd. Daarna keren de Portugezen naar hun schepen terug en vertrekken. De moslims zijn woedend over het wrede optreden van Mello en zij achtervolgen met schepen uit Cannanore, die worden bijgestaan door schepen uit Calicut, de vloot van Mello. Zodra Mello bemerkt dat hij door een vloot van dertien schepen wordt achtervolgd, besluit hij slag te leveren met zeven schepen. Mello en de admiraal van Calicut, een Turk, bevinden zich beiden in de voorhoede van hun respectieve vloten en zodra hun beider schepen binnen schootsafstand van elkaar komen, rijt een welgemikt kanonschot van het Portugese vlaggenschip het schip van de Turkse admiraal van de boeg tot aan de achtersteven open en binnen een paar minuten zinkt het getroffen schip met alle opvarenden. Na een desperaat gevecht hebben de Portugezen drie vijandelijke schepen genomen. Voor de admiraal van Cannanore is het geleden verlies van 400 man aanleiding het gevecht af te breken en zich met de rest van zijn vloot terug te trekken.

Luís de Mello keert na zijn overwinning terug naar Goa, maar in plaats van dat hij wordt gehuldigd, wacht hem een zeer onplezierige verrassing. Hij wordt door de onderkoning gearresteerd, omdat deze hem verwijt dat hij jacht heeft gemaakt op moorse schepen, terwijl zijn aanwezigheid in Cannanore dringend geboden was. Het optreden van Dom Constantino wordt algemeen afgekeurd, wat de onderkoning doet besluiten persoonlijk naar Panjim, sedert de eerste cholera-epidemieën in Velha Goa, de hoofdstad van Goa, te gaan om vrede te sluiten met Luís de Mello da Silva. Hij laat hem vrij, zendt hem met zijn vloot naar Cannanore, waar Dom Payo de Noronha zijn hulp zeer dringend kan gebruiken. Luís de Mello weet Dom Payo uit zijn benarde positie in Cannanore te bevrijden. Hij verkeerde daar in extreem gevaar, omdat hij met zijn kleine garnizoen weerstand moest bieden aan een belegering door de vorsten van Malabar, die zijn opgestookt door Ade Radjao. De vijand valt met een leger van 100.000 man het fort aan en hij bezet de loopgraven rond het fort. Luís de Mello, die over 60 man beschikt, en António Vilhema, die 50 man onder zijn bevel heeft, verrichten wonderen tegen de vijand. Zij verslaan hun tegenstanders die bij het treffen 15.000 man verliezen. De Portugezen die in totaal over 500 soldaten beschikken, hebben gedurende de gehele slag, die twaalf uur duurt, niet meer dan 25 gesneuvelden te betreuren. Luís de Mello da Silva heeft zijn rollen van soldaat en aanvoerder schitterend gespeeld. De vijand trekt zich, vol bewondering voor de rol die een handvol Portugese soldaten heeft gespeeld, terug en de vrede met en in Cannanore wordt hersteld.

In 1559 stichten de jezuïeten een college in Baçaim (Bassein), nadat pogingen het college van de franciscanen, dat een jaar eerder is gesticht, maar dat met personeelsgebrek kampt, over te nemen, zijn mislukt. Zij verwerven ook grond in Thana, een plaats op het eiland Salsete (Salsete do Norte), dat ten zuiden van Baçaim ligt en dat moet worden verward met het schiereiland Salcete bij Goa. Zij bouwen daar een grote kerk en openen een school voor voortgezet onderwijs voor jongens uit Thana. Deze school zal, evenals scholen in Bandorá en elders op Salsete, een dependance zijn van het college in Baçaim.

Dom Constantino heeft besloten de havenstad Damão in bezit te nemen, welke plaats door de sultan van Cambay aan Francisco Barreto is afgestaan, en die bescherming moet bieden aan het gebied rond Baçaim. Er doet zich echter een probleem voor. Cide Bofata is het niet eens met de komst van de Portugezen naar Damão. Hij rebelleert tegen de sultan, bezet Damão en bereidt zich voor de stad tegen de nieuwkomers te verdedigen. De onderkoning besluit persoonlijk de expeditie, die de stad dient te veroveren, te leiden. Voor dit doel zeilt hij in 1559 uit met honderd schepen. Bij Damão aangekomen, laat Dom Constantino de verdediging van de stad verkennen door Dom Diogo de Noronha. De stad blijkt zwaar verdedigd te worden door 4.000 man. Zodra de Portugese troepen echter aan land zijn gegaan, neemt de vijand de vlucht en laat zowel de stad als het fort in handen vallen van de aanvallers, die beide in bezit nemen. De gevluchte vijand slaat zijn kamp op in Parnel, op drie léguas van Damão en bedreigt de Portugezen met 2.000 ruiters. António Moniz Barreto biedt aan de vijand met behulp van een legertje van 500 man te verjagen. Zijn aanbod wordt door Dom Constantino aanvaard. António Moniz Barreto trekt ’s nachts met zijn mannen naar het vijandelijke kamp in Parnel, dat zij onverwachts overvallen. De vijand vlucht in grote wanorde weg, met achterlating van 500 gesneuvelden. De Portugezen maken zich meester van 36 grote kanonnen, enig kopergeld en andere goederen.

De onderkoning beweegt de gevluchte bevolking van Damão, met beloften dat zij niets te vrezen hebben en andere middelen, naar de stad terug te keren; de naburige heerser van Sarceta ontvangt de belofte dat de in Damão geïnde invoerrechten aan hem zullen worden afgedragen. Dom Constantino zendt vervolgens Dom Pedro de Almeida met een legertje van 150 ruiters en hetzelfde aantal voetknechten uit, om het nabijgelegen eiland Bulsar te bezetten. De bewoners van het eiland slaan op de nadering van de Portugezen op de vlucht. De onderkoning begeeft zich daarna zelf naar Bulsar; hij laat daar een garnizoen van 120 man, onder bevel van Álvaro Gonçalves Pinto, achter en keert dan zelf naar Damão terug. Daar bereikt hem het nieuws dat de Turkse bevelhebber Coje Zofar in Suez galeien voor de Rode Zee aan het uitrusten is. Dom Constantino zendt daarop in 1560 capitão-mór Dom Álvaro de Silveira met twintig zeilen naar de Rode Zee, niet alleen om de galeien van een Turkse corsair te vernietigen, maar ook om schepen geladen met peper uit Atjeh te onderscheppen. De vloot wordt verstrooid door een serie stormen en de schepen worden teruggedreven naar Indië, waar zij beschutting zoeken in diverse havens, zonder dat zij ook maar iets hebben bereikt. Nadat de onderkoning Dom Diogo de Noronha heeft benoemd tot capitão van Damão en hij een garnizoen van 1.200 man onder zijn commando in de stad heeft achtergelaten, keert hij naar Goa terug.

Dom Constantino de Bragança zendt Manuel de Vasconcellos met drie schepen en enige kleinere vaartuigen naar Ternate. Van diens optreden ter plaatse zal in een volgend deel verslag worden gedaan.

In deel XI (pag. 121) is gewag gemaakt van de druk van het expanderende Ottomaanse rijk op het onafhankelijke eiland Bahrein, dat sedert 1530 wordt bestuurd door de bekwame sultan Djalal al-Din Murad Mahmud. De druk wordt uitgeoefend door Mustafa Pasha, de in 1555 door de Verheven Porte benoemde gouverneur van al-Hasa, op het tegenover Bahrein gelegen vasteland. In 1559 onderneemt Mustafa Pasha op eigen initiatief een aanval op het fort van Bahrein, nadat zijn strijdmacht door Basra versterkt is met 200 ruiters en 400 haakbusschutters. Bemoedigd door de steun van Basra verschijnt Mustafa Pasha voor Bahrein met twee galeien, een brigantijn en 70 terradas of barken. Op de vloot bevinden zich 1.200 Turken en janitsaren. De janitsaren zijn afkomstig uit Basra, waar zij de lijfwacht van de baswah vormen. De Turken hebben ook voldoende munitie aan boord. De belegering van het fort van Bahrein begint op 2 juli 1559. Net als gouverneur Badr al-Din dertig jaar eerder heeft gedaan, bevindt sultan Murad zich in het fort, temidden van 400 soldaten, die een Turkse aanval dienen af te slaan. De Turken gebruiken dezelfde technieken als de Portugezen destijds hebben gedaan om het fort te naderen. Zij graven loopgraven om de afstand te overbruggen tot aan de gracht die de wal van het fort omringt en in de loop van de eerste week van het beleg wordt duidelijk dat de volgende fase daarvan al is ingegaan. Dom Antão de Noronha, capitão van Ormoez, die evenals de koning van Ormoez gehoord heeft van het Turkse beleg van Bahrein, zendt zijn neef Dom João de Noronha met uitgebreide volmachten en een vloot van 22 galeien naar Bahrein, om de Turken te bestrijden. Dom Antão draagt er ook zorg voor dat een eskader met een ander detachement Portugezen met een grote hoeveelheid munitie naar het eilandje Hangām, ten zuiden van het grote eiland Kishm, vertrekt. De schepen staan onder bevel van Dom Álvaro de Silveira en Francisco Jacomo. Wellicht is Dom Antão zich ervan bewust dat gebrek aan kruit in 1529 tot een ramp voor de Portugezen heeft geleid1. Na het eilandje Samaim, bij Bahrein te hebben aangedaan, besluit Dom João de Noronha koers te zetten naar Al-Qatif, waarbij de Turkse vloot zijn bewegingen volgt. Eerst doet zich de kans voor de Turkse reserveschepen die in de haven van Bahrein liggen, in brand te steken. Nog voor de Portugese vloot Al-Qatif bereikt, verlegt Dom João zijn koers naar het oosten. Bij het eilandje Qais (Kīš) treft Dom João het restant aan van het eskader van Dom Álvaro de Silveira en Francisco Jacomo. De Turkse vloot keert terug naar Bahrein en ankert in de haven van het eiland. Nadat de Portugezen hebben gehoord dat er Ottomaanse versterkingen uit (Basra) worden verwacht, besluit Dom João de Noronha terug te keren naar Bahrein om daar de Turkse vloot aan te vallen. Op 9 juli worden tijdens een mistige nacht bij verrassing de twee Turkse galeien in de haven van Bahrein in brand gestoken. De Turkse admiraal, Mehmet Bey, wordt in het gevecht gedood en een aantal Ottomaanse soldaten wordt gevangengenomen. De gebeurtenissen tonen de inferioriteit van de Turkse vloot aan als deze in gevecht raakt met Portugese schepen. Hun vloot is niet sterk, hun kapiteins zijn onervaren en hun manschappen ontbreekt het aan overtuiging, omdat zij gedwongen zijn dienst te nemen. Bij deze zwakheden komen nog de navigatieproblemen rond Bahrein, waarmee de Turken voor de eerste maal kennis maken, terwijl de Portugezen daarmee al enige decennia ervaring hebben. In de maand juli van 1559 hebben zij de navigatie rond Bahrein toevertrouwd aan hun meest ervaren zeelieden. Zij vernietigen in enkele dagen de gehele vloot van Mustafa Pasha.

De Turkse belegeraars, die hun schepen kwijt zijn, hebben geen andere keus dan de strijd aan land voort te zetten. Maar de verdedigers van het fort weren zich zo hevig dat de Turken gedwongen zijn zich terug te trekken in de omringende bosjes palmbomen. De Portugezen die een blokkade rond Bahrein hebben gelegd, willen daar niet lang blijven, omdat zij bang zijn mannen te verliezen door de naderende herfstkoortsen. Dom João de Noronha verlokt sultan Murad tot een gecombineerde aanval op de Turken. De sultan ondersteunt de Portugese aanval met 300 goed bewapende Perzische soldaten. De gecombineerde strijdmacht slaat de vijand aanvankelijk gedeeltelijk terug, maar deze lokken hun tegenstanders vervolgens in een hinderlaag en er ontbrandt een hevig en verward gevecht, waarbij Mustafa Pasha zwaar wordt verwond en Dom Álvaro de Silveira dodelijk wordt getroffen door een vijandelijk schot uit een musket. De Portugezen vechten desperaat om zijn dode lichaam, maar slagen er niet in het stoffelijk overschot weer in handen te krijgen. Aan Portugese zijde sneuvelen niet minder dan 70 man en 30 man worden door de Turken gevangengenomen. Terwijl Mustafa Pasha onderhandelt met de Turken over de voorwaarden van hun vrijlating, bereikt hem het nieuws dat de gouverneur van Ormoez, Dom Antão de Noronha en de guazil van het koninkrijk, Rais Nuraddin, met belangrijke versterkingen op weg zijn naar Bahrein, omdat zij het eiland in geen geval in handen van de Ottomanen willen laten vallen.

In het licht van de wanhopige omstandigheden tonen de Turken een opmerkelijk uithoudingsvermogen: met beperkte acties weten zij hun verenigde tegenstanders nieuwe dodelijke verliezen toe te brengen. Ook hebben zij enige moslims die deel uit maken van het Portugese leger, ertoe bewogen hun wapens in het geheim aan hen te verkopen. De Ottomanen geven zich niet gewonnen, zelfs niet als de versterkingen uit Ormoez zijn gearriveerd. De verse troepen van Dom Antão de Noronha en van Rais Nuraddin staan opgesteld bij het fort en de Portugese hoofdarchitect in Indië, Inofre de Carvalho2 bouwt op torens gelijkende oorlogsmachines waarmee projectielen van bovenaf in het vijandelijke kamp kunnen worden geschoten. Maar ondanks dat Pero Peixoto, die Dom Álvaro de Silveira als bevelhebber is opgevolgd de Turken danig in het nauw drijft, geven zij zich niet gewonnen. Als Mustafa Pasha aan zijn verwondingen is bezweken en ongezonde winden vriend en vijand koortsen bezorgen, verdwijnt aan beide zijden de lust om de strijd voort te zetten. Vredesonderhandelingen leiden ertoe dat de Turken ermee akkoord gaan hun krijgsgevangenen, ongeveer 30 Portugezen, en de veroverde kanonnen en paarden aan de Portugezen over te dragen. Dan zijn zij bereid zich over te geven en stemmen zij erin toe 12.000 cruzados te betalen; in ruil waarvoor zij in Portugese schepen naar Al-Qatif worden gebracht.

Als het nieuws van de ramp van de Ottomaanse overgave Istanbul bereikt, is de eerste zorg van de Imperial Diwan de zo spoedig mogelijke overbrenging van de verslagen strijdmacht naar de Arabische kust en een zodanige versterking van de garnizoenen in al-Hasa en Basra dat zij iedere Portugese aanval in de regio kunnen weerstaan. Een andere urgente maatregel die wordt getroffen betreft al-Hasa, waar de Bani Khalid in opstand is gekomen, zodra Mustafa Pasha naar Bahrein was vertrokken. In een poging de sympathie van sultan Murad te herwinnen, zendt de Imperial Diwan hem een brief in de vorm van een decreet, waarin zijn titel van Sandjak beg, dat hem tot een Ottomaans gezagdrager maakt, wordt bevestigd. Uit deze bevestiging blijkt dat de onbezonnen aanval van Mustafa Pasha niet de steun van de Ottomaanse regering kan hebben gehad. Als hij niet zou zijn gesneuveld, zou hij zijn afgezet en gestraft. Afgezien van Murads beroep om hulp op de Portugezen in 1559, blijkt uit geen enkel document dat hij ooit niet loyaal aan Istanbul zou zijn geweest.

Het zal nog tot maart of april 1560 duren voordat de Turkse troepen die zich op Bahrein aan de Portugezen hebben overgegeven, daadwerkelijk naar Al-Qatif worden geëvacueerd. De oorzaak van de vertraging is het wachten op de afdracht van de beloofde schatting van 12.000 cruzados, alsmede de beloofde wapens, paarden, persoonlijke bezittingen van de Turken, gereed geld en 176 parels die zich in de schatkist van Al-Qatif bevonden hebben en die door de verslagen vijand in al-Hasa zijn verkocht. Het wrede lot dat de Turkse expeditie naar Bahrein heeft getroffen, leidt ertoe dat het Ottomaanse Rijk nog jarenlang prudent met het eiland omgaat en zijn onafhankelijkheid respecteert. De Turken zijn zich ervan bewust dat de sultan van Bahrein in staat is een tegen de Turken gerichte opstand in al-Hasa uit te lokken en dat hij ook een beroep kan doen op de Portugese vloot om het eiland te verdedigen. In 1560 herbouwen de Portugezen het fort op Bahrein naar Europees model, waarvoor Inofre de Carvalho het bouwplan heeft getekend. Sultan Murad levert de Portugezen de voor de restauratie benodigde 1.100 stenen. Inofre de Carvalho ontvangt van Dom Constantino de Bragança ook opdracht de fortificaties van Ormoez te moderniseren en nieuwe forten te bouwen in Sohar en Muscat. Kennelijk is de les van Marokko geleerd. Daar zijn nog slechts drie ‘onneembare’ forten, Ceuta, Tanger en Mazagão, in Portugese handen.

In dezelfde tijd boeken de Turken soms ook een klein succes. Serjeant ontleent het volgende aan de Hadramī-kronieken: In het jaar 1560 of 1561 verlaten drie grabs met Turken de haven van Aden; zij passeren al-Shihr, Qishn en Zufār en bereiken Kalhāt. Zij veroveren daar een galjoot met Franken3 aan boord en nemen de kapitein en tien anderen gevangen. De drie grabs vertrekken daarna naar al-Shihr, waar zij een paar dagen blijven, voordat zij naar Aden terug zeilen. De commandant van de flottielje is Bīrī, die een klein decennium eerder van de partij was, toen Piri Bey Ormoez in het nauw bracht.

In het najaar van 1559 arriveren in Indië vijf schepen uit Portugal. Zij brengen Frei Jorge de São Luís en Frei Jorge Themudo, die door koningin Catarina respectievelijk zijn benoemd tot bisschop van Malacca en Cochin. Deze steden zijn in 1557 door paus Paulus IV (1555-1559) verheven tot bisdom om het terzelfder tijd gecreëerde aartsbisdom Goa te ontlasten.

Dom Constantino ontvangt bericht dat de moren aan de kust van Malabar een vloot aan het uitrusten zijn. De onderkoning besluit daarop de strijdkrachten van de voor deze kust patrouillerende Luís de Mello da Silva te versterken. Hij zendt 17 schepen met 600 soldaten naar Luís de Mello. Deze verdeelt schepen en manschappen over de mondingen van de verschillende rivieren en verwoest zelf de op de oevers van deze rivieren liggende steden en dorpen. Aan de monding van de Maine verschijnen zeven sterke en goedbemande paraos, die de rivier zijn komen afzakken. De monding wordt bewaakt door Gonçalo Peres de Alvelos. Met een welgemikt schot van Alvalos’ schip wordt een van de paraos in de grond geboord, maar tengevolge van de voorafgaande ontploffing aan boord van het getroffen schip wordt ook een Portugees schip opgeblazen; het zinkt eveneens; de overige vijandelijke paraos weten te ontkomen. Mello zet de rest van het jaar 1559 en het hele volgende jaar de oorlog in Malabar met succes voort, waarbij hij grote verwoestingen aan de Malabarkust aanricht.

De in 1559 bij Damão verslagen Cide Bofata is het jaar daarop opnieuw op oorlogspad. Hij marcheert met een strijdmacht van 600 ruiters en een groot aantal voetknechten op tegen het door de Portugezen bezette fort op het eiland Bulsar. De commandant, Álvaro Gonçales Pinto, trekt hem met een strijdmacht van 20 ruiters, 100 Portugese voetknechten en 500 inheemse soldaten tegemoet. Bij het eerste treffen worden 50 manschappen van Cide Bofata gedood, maar bij voortzetting van de strijd geeft het grotere aantal tegenstanders de doorslag. De Portugese strijdmacht wordt uiteindelijk verslagen, waarbij haar capitão, de meeste Portugese en 150 inheemse soldaten sneuvelen. Na de nederlaag trekken de overlevenden zich terug op het fort. Cide Bofata onderneemt een aanval op de sterkte, maar de Portugezen onder leiding van Gomes da Silva, die de gesneuvelde Álvaro Gonçales Pinto als bevelhebber is opgevolgd, hebben hun zelfvertrouwen herwonnen en bieden succesrijk tegenstand. Gomes da Silva weet alle aanvallen af te slaan, totdat Tristão Vaz met tien schepen uit Damão arriveert, om het belegerde fort op Bulsar te ontzetten. Niettegenstaande het vastbesloten verzet van de vijand, weet Tristão Vaz zijn troepen te ontschepen. Zij vechten zich naar het fort. Als Cide Bofata moet vaststellen dat de Portugezen hun garnizoen hebben weten te versterken, breekt hij het beleg af om korte tijd later met een grotere strijdmacht het beleg te hervatten.

Als de Portugese verdedigers zien dat de vijand aanstalten maakt het beleg op te breken, ondernemen zij een uitval, onder bevel van Afonso Dias Pereira. Deze sneuvelt echter al bij het eerste treffen met de vijand, wat grote verwarring onder zijn manschappen teweegbrengt. Zij trekken zich al vechtend terug op het fort, maar in de verwarring van de strijd geraken ook veel vijanden in het fort. Zij worden in verbitterde gevechten, waarbij Vicente de Carvalho en Calisto de Seqeira zich onderscheiden door grote dapperheid, het fort weer uitgedreven. De laatste zou met zijn zwaard niet minder dan twintig Turken hebben gedood. Als de kleine schare verdedigers door de ononderbroken strijd toch nog het fort dreigen te verliezen, arriveert Luís Álvares de Tavora uit Damão met verse troepen om het fort te ontzetten. Voor de vijand is dit aanleiding het beleg op te geven. Ondanks dat de Portugezen hun fort op Bulsar met succes hebben verdedigd, geeft vice-rei Dom Constantino de Bragança opdracht het fort prijs te geven. Zodra het garnizoen is vertrokken, keert de vijand terug. De moren breken het fort tot de grond toe af en plunderen de nabijgelegen dorpen. In Tarapur ligt echter een Portugees garnizoen van 40 man, onder commando van Martim Lopes de Faria. Bij de aanval van de vijand op dit garnizoen wordt hij met hevige verliezen teruggeslagen. Martim Lopes heeft in de strijd ernstige verwondingen opgelopen, waaraan hij later in Damão zal overlijden. De Portugezen, onder bevel van Dom Diogo de Noronha achtervolgen de moren. Als zij hen uiteindelijk in Vypin aantreffen, ondernemen zij een woedende aanval op hen. Zij boeken de overwinning, waarbij zij vele vijanden gevangennemen, veel geld en bagage, paarden, wapens en munitie buitmaken. Zij keren met hun buit en gevangenen in triomf naar Damão terug.

Dom Constantino publiceert op 30 augustus 1559 een decreet, waarin wordt bepaald dat alle eigenaren van landhuizen en landerijen in de omgeving van Baçaim zich daar binnen twee maanden dienen te vestigen, op straffe van verbeurdverklaring van hun eigendommen. Aan het decreet wordt de hand gehouden, zodat het gebied een rivaal van Goa wordt. Er worden grote stukken land in cultuur gebracht, op dezelfde wijze als dit op de Ilhas is gebeurd. Er verrijzen schitterende landhuizen; Portugezen beheren boerderijen; het landschap veranderd van aanzien en er ontstaat een nieuwe Indo-Portugese gemeenschap, waar de Portugezen tot hun komst onbekende producten, zoals graan, tabak, ananas, meloen, bataat en cashewnoten telen. De rijkste families in Goa houden ook een huis aan in wat de Provincia do Norte zal gaan heten. Ook de jezuïeten vestigen zich daar en wel in Damão.

Aan het begin van het jaar 1560 zendt de onderkoning Jorge de Sousa Pereira met een vloot naar de Eilanden van Mamale, waarmee de Laccadiven zijn bedoeld. De Portugezen overvallen Ameni, het grootste eiland van de archipel. Zij verwoesten dat, doden een groot aantal bewoners en nemen er veel gevangen. Ofschoon het doel van de expeditie niet zeker is, is het meer dan waarschijnlijk dat op de Laccadiven piraten huizen, die overvallen uitvoeren op passerende schepen. Nadat de bewoners getuchtigd zijn, sluit Jorge de Sousa Pereira op 4 februari een verdrag met de bestuurders van de Laccadiven. Hierbij zweren deze, namens de bewoners van de Eilanden, zich te onderwerpen aan de koning van Portugal en zijn opvolgers en zij beloven jaarlijks 500 bahar kokosvezels kosteloos te zullen afleveren in Cochin.

Begin 1560 ontmoet Cristóvão Pereira Homem, die met drie schepen op weg is naar Abessinië bij Arkiko vier galeien van de Ottomaanse admiraal Coje Zofar. In eerste instantie weten de Portugese vaartuigen met grote moeilijkheden aan de Turken te ontkomen, maar het vlaggenschip van Coje Zofar, een galjoot, achtervolgt Homems schip, haalt het in en dwingt Cristóvão Pereira tot een gevecht. Aan boord van de Turkse galjoot bevinden zich 150 Turken. Zij doden de 30 manschappen aan boord van het schip van Cristóvão Pereira, zonder dat de bemanningen van de twee andere Portugese schepen hun landgenoten te hulp snellen, integendeel, zij nemen de vlucht. Bij aankomst in Goa worden de commandanten van de twee schepen, Vicente de Carvalho en Roque Pinheiro gearresteerd en voor hun lafheid in de gevangenis gegooid, want verondersteld wordt dat een gezamenlijk optreden van de drie Portugese schepen hen de overwinning zou hebben opgeleverd en dat zij Coje Zofar gevangen hadden kunnen nemen.

Met de vloot die in 1560 uit Portugal in Indië arriveert, komen twee hoge kerkelijke functionarissen naar Azië. Het is de eerste aartsbisschop van het in 1557 tot aartsdiocees verheven bisdom Goa. Hij is vergezeld van de eerste inquisiteur, Aleixo Diaz Falcão, omdat kardinaal Dom Henrique, de grootinquisiteur van Portugal, in 1560 een rechtbank van het Heilig Officie in Goa heeft doen stichten. Het hof van het Heilig Officie wordt gehuisvest in het Paleis van de Governadors-Gerais, dat vóór 1510 het Paleis van de Sabayo was. In 1695 zal de vice rei het paleis verlaten. Het zal dan geheel toevallen aan de Inquisitie. De jurisdictie van de inquisiteur in Goa strekt zich uit tot alle gebieden ten oosten van Cabo da Boa Esperança. Het is de bedoeling dat de Inquisitie in Goa vooral de joden in Indië controleert.

In 1560 komt ook het beroemdste schip uit de Carreira da India gereed. Het is de Cinco Chagas of de Vijf Wonden (van Christus), een kraak van 500 ton die in twee jaren, onder persoonlijk toezicht van de vice-rei in Goa is gebouwd. Dit schip, bijgenaamd de Constantina, zal het vlaggenschip van vijf gouverneurs-generaal worden en zal 29 jaren dienst doen. Het zal negen of tien maal de heen- en terugreis naar Lissabon maken, terwijl de meeste schepen na drie of vier van zulke reizen moeten worden afgedankt. De Constantina is gemaakt van teakhout uit Indië, dat veel geschikter is voor de bouw van schepen dan het Portugese pijnbomenhout. Behalve in Goa zijn er ook scheepswerven in Baçaim en Cochin, terwijl Damão in dit opzicht ook van betekenis is.

In 1560 maakt Dom Constantino de Bragança zich op voor het voeren van oorlog tegen de koning van Jaffna, een schiereiland van Ceylon, omdat hij een usurpator is en de christenen vervolgt. Voor de bespreking van het optreden van de onderkoning op Ceylon wordt verwezen naar een volgend deel. Als de vice-rei van Ceylon in Goa is teruggekeerd bevindt zich bij zijn krijgsbuit een bijzonder reliek, de dalada, die door sommigen wordt gehouden voor een tand van een witte aap, terwijl anderen er de tand van een mens en wel van een zeer bijzondere mens, Siddartha Gautama, Heer Boeddha, in zien. De dalada wordt langs de kusten van Azië allerwegen beschouwd als een zeer bijzondere relikwie. Zodra de koning van Birma, Bureng Naung4, verneemt dat de dalada in handen van de Portugezen is gevallen, biedt hij daarvoor 300.000 gouden dukaten en Danvers acht het waarschijnlijk dat, als de Portugezen bereid zouden zijn geweest de reliek te verkopen, zij daarvoor uiteindelijk een miljoen gouden dukaten zouden hebben kunnen ontvangen. Het spreekt vanzelf dat velen in Goa ervoor voelen de dalada te verkopen en wel aan de hoogst biedende. De zaak wordt besproken in een vergadering waaraan de hoogste burgerlijke en geestelijke autoriteiten deelnemen en waarin de gemoederen danig verhit geraken, omdat er stemmen opgaan de reliek aan de koning van Birma te geven zonder daarvoor geld te ontvangen. Uiteindelijk zegeviert het standpunt van de clerus waarbij Dom Constantino zich aansluit. Besloten wordt de dalada te vernietigen door hem fijn te stampen en het poeder te verbranden. De bisschop van Goa, Gaspar Jorge de Leão Pereira hanteert zelf de vijzel en stamper, maar daarmee is het verhaal nog niet uit, zoals blijkt uit het volgende.

Men gelooft traditioneel dat de dalada, of heilige tand van Boeddha, van de vlammen is gered na de crematie van het lichaam van Siddartha Gautama Boeddha te Kusinara in het jaar 543 v. Chr. en dat de tand 800 jaren bewaard is gebleven in Dantapura in Kalinga. Vandaar zou de reliek in de vierde eeuw na Christus naar Ceylon zijn overgebracht. In 1315 is de tand buitgemaakt door strijders uit Malabar, die hem opnieuw hebben overgebracht naar India. De tand is, evenwel, heroverd door de Ceylonese koning Prakrama Bahu III. Gedurende de daaropvolgende onrustige tijden wordt de originele tand verborgen op verschillende plaatsen op het eiland Ceylon en algemeen wordt aangenomen dat het verhaal over het in handen vallen van de Portugezen van de tand en de daaropvolgende vernietiging, volstrekt authentiek is. De beroemde Portugese historicus Diogo de Couto schetst ons de toedracht waaronder twee tanden vervolgens de plaats gaan innemen van het oorspronkelijke reliek.

Astrologen hebbende koning van Birma, Bureng Naung, in 1566 verteld dat hij in het huwelijk zal treden met een Singalese prinses. De koning zendt daarop gezanten naar Ceylon om namens hem om de hand te vragen van de dochter van de regerende vorst van Kotte, de tot het katholicisme bekeerde Dom João Dharmapala. Maar omdat deze geen kinderen heeft, dreigt de profetie niet uit te komen. De kamerheer van koning Dharmapala, een edelman van koninklijke bloede, die een huwbare dochter heeft, stelt zijn heer voor, haar aan de gezanten van Bureng Naung voor te stellen als de dochter van Dharmapala. Hen wordt ook verteld dat Dharmapala in het geheim in bezit is van de echte dalada en dat ten onrechte wordt verondersteld dat deze door de christenen in Goa is verwoest. Het bedrog heeft succes: de zogenaamde prinses wordt in Pegu ontvangen met eerbewijzen een koninklijke bruid waardig en er worden boodschappers naar Ceylon gezonden om de dalada af te halen en naar Arakan over te brengen. Als de koning van Kandy, Wikrama Bahu, verneemt welke smerige list zijn neef, de koning van Kotte, heeft uitgehaald, brengt hij Bureng Naung ervan op de hoogte dat hij is beetgenomen. Wikrama Bahu raadt de koning van Birma aan de valse prinses en de valse tand naar Kotte terug te sturen. In plaats daarvan biedt Wikrama Bahu zijn eigen dochter ten huwelijk aan. Haar bruidsschat zal bestaan uit de echte dalada. Zijn ambassadeurs naar de koning van Birma betogen dat zowel de recent uit Colombo ontvangen tand, als de tand die door de Portugezen in Goa vernietigd is, falsificaties zijn en dat alleen de in Kandy bewaarde reliek echt is. De Bureng Naung weigert openlijk toe te geven dat hij het slachtoffer is geworden van bedrog. En hoewel hij de gezanten van Kandy een hoffelijke ontvangst bereidt, vertrekken zij met lege handen.

De wet in Goa schrijft voor dat bekeerlingen dienen te worden gemaakt door overreding en niet door gebruik te maken van geweld, omdat dit laatste niet effectief is. Er worden echter uitzonderingen op deze wet gemaakt, zoals voor wezen, dat zijn jongens onder 14 en meisjes onder 12 jaar, die hun vader hebben verloren, waarbij het er niet toe doet of hun moeder en grootouders nog leven. Een koninklijk decreet dat in 1559 in Lissabon wordt uitgevaardigd, bepaalt “dat wezen van heidenen in de stad en ommelanden van Goa onmiddellijk dienen te worden gegrepen en te worden ondergebracht in het Colégio de São Paulo van de Societas Jesu in genoemde stad Goa, opdat zij worden gedoopt, opgevoed en in de christelijke leer worden onderwezen door de broeders van genoemd college.” Een later decreet machtigt geweld te gebruiken om zulke wezen van hun familie te scheiden en de bestraffing van gezinnen die hebben getracht hun kinderen naar gebied van de heidenen te smokkelen.

De toenemende Portugese religieuze intolerantie die zich hoe langer hoe meer ook richt tegen die hindoes, wier tempels de laatste tijd op grote schaal worden verwoest, zet ook de traditioneel goede verhouding met Vijayanagar onder druk. Rama Raya, de feitelijke machthebber in dat land, verbreekt in 1558 het in 1547 met Dom João de Castro gesloten verdrag, dat de vergoeding regelt die de Portugezen dienen te betalen voor, door de uitbreiding van het aantal Portugese steunpunten aan de kust van Malabar, aan de inheemse handel toegebrachte schade. Rama Raya eist van de onderkoning schadevergoeding voor de door de Portugezen verwoeste hindoetempels. Dat deze eis in 1558 op tafel wordt gelegd, maakt het weinig waarschijnlijk dat al in 1540 sprake is geweest van systematische verwoesting van hindoetempels, zoals Panikkar beweert.

De jezuïeten, die in 1542 in Goa zijn aangekomen en die hun intrek hebben genomen in het in 1541 gebouwde Colégio de São Paulo willen van het college het centrum maken, waarvan missionarissen uitgaan om de heidenen van alle landen van het Oosten te bekeren Het college is in korte tijd uitgegroeid tot een zeer gerenommeerd onderwijsinstituut waaraan studenten uit vele landen studeren. Van 1556 zijn exacte aantallen bekend; er studeren dan onder meer: 45 Portugezen en mestiços, 13 studenten afkomstig uit Malabar, 21 uit Canara, vijf uit de staten van de Deccan, vijf Chinezen, vijf Bengali, twee Peguanen, drie Bantoesprekende Oost-Afrikanen, een student uit Gujarāt, een Armeniër, zes Abessijnen en vijf bekeerde moslims. Zoals bij de jezuïeten gebruikelijk is, komen de docenten ook uit vele landen; in 1637 zijn dat: Portugal, Sicilië, Napels, Aragón, Duitse staten, Rome, Frankrijk en Florence, terwijl de bekendste van allen, Francisco Xavier, geboren is in het Baskenland. Door de groei en bloei van het Colégio de São Paulo is de in 1543 gebouwde kerk al spoedig te klein. In 1560 wordt een nieuwe grotere kerk gebouwd.

De onderkoning die zeer klerikaal is, begint in Goa ook met de bouw van een grote kerk ter ere van Francisco Xavier, maar deze zal nimmer worden afgebouwd. Het onvoltooide bouwwerk zal vervallen tot een ruïne, die nog lange tijd zal getuigen van de onwil van Dom Constantino’s opvolgers het godshuis te voltooien. In plaats daarvan zal in 1594 begonnen worden met de bouw van de kerk met de rijkste façade van Goa, de Bom Jesus, welke kerk in 1605 zal worden geconsacreerd en waarin in 1624 het onvergankelijke lichaam van São Francisco Xavier zal worden bijgezet.

De sultan van Cambay, Madre Maluco, tracht voordeel te behalen uit de afwezigheid van de onderkoning in Damão door deze stad te heroveren. Hij trekt met een formidabele strijdmacht tegen Damão op. Capitão Dom Diogo de Noronha, die weet heeft gekregen van de bedoelingen van de sultan, oordeelt dat hij het niet kan opnemen tegen zulk een overmacht en dat hij een krijgslist moet verzinnen. Hij stelt Cedeme Khan, gouverneur van Surat, ervan in kennis dat zijn zwager Madre Maluco hem uit Surat wil verjagen, ofschoon hij voorwendt uit te zijn op de verovering van Damão. Cedeme Khan trapt in de valstrik en neemt zijn tegenmaatregelen. Hij brengt met een kleine schare getrouwen een bezoek aan het legerkamp van zijn zwager en nodigt hem en zijn belangrijkste aanvoerder uit voor een souper in de stad. Het gezelschap is nauwelijks binnen, of Madre Maluco en zijn bevelhebbers worden gedood. Cedeme Khan overvalt vervolgens de van zijn leiding beroofde legermacht van zijn zwager en richt een enorme slachtpartij onder diens troepen aan. Aldus is Dom Diogo gered, zonder dat hij een zwaard heeft behoeven te trekken, maar Cedeme Khan heeft ongewild grote ellende over zich afgeroepen, want Chinguis Khan trekt met een groot leger tegen Surat op om de dood van zijn vader te wreken. Zodra hij Surat bereikt heeft, trekt Cedeme zich met zijn troepen terug in zijn fort. Chinguis Khan begint daarop het fort zeer hevig te bombarderen. Opeens verschijnt onverwachts een vloot van tien Portugese schepen onder bevel van Luís Álvares de Tavora op het toneel. De door Dom Diogo de Noronha gezonden Luís Álvares heeft opdracht zodanig te manoeuvreren dat beide strijdende partijen zou kunnen denken dat de vloot hem komt assisteren. Dom Diogo de Noronha laat Chinguis Khan in een brief weten dat de vloot is gezonden om hem te helpen en Luís Álvares de Tavora heeft een brief van de onderkoning voor Cedeme Khan bij zich, waarin deze kan lezen dat de schepen gezonden zijn om hem te helpen. Al deze voorbereidingen zijn voor de belegerden van geen enkel nut als de belegeraars vernemen dat een andere vijand hun gebied is binnengevallen. Zij sluiten vrede met de verdedigers en keren naar huis terug. Luís Álvares de Tavora doet hetzelfde; hij verlaat Cedeme Khan, die hij de indruk heeft gegeven dat hij de verplichting op zich heeft genomen de Portugezen altijd steun te verlenen. Bij terugkeer in Damão blijkt Dom Diogo de Noronha te zijn overleden en hijzelf zal korte tijd later, in de leeftijd van 44 jaar, eveneens sterven. Luís Álvares de Tavora sterft als een arm man, omdat hij al zijn verdiensten weer heeft uitgegeven in dienst van zijn koning en zijn land.

Tegen het einde van 1560 reist de onderkoning naar Cochin om de retourvloot van drie naus te doen uitzeilen. De rond de jaarwisseling naar Portugal vertrekkende naus worden in december geladen met peper en andere specerijen. Slechts een van de drie schepen zal zijn bestemming bereiken. In de eerste helft van de zestiende eeuw – en dan vooral in het begin daarvan – zijn de Portugezen tot vrijwel alles in staat geweest. In de tweede helft van deze eeuw krijgen zij in toenemende mate met tegenslagen te kampen. Een treffende illustratie daarvan vormt het verlies aan schepen in de Carreira da India. Gaat in de gehele periode 1500-1635 ongeveer de helft van alle schepen in de Carreira da India verloren, nadere beschouwing van de cijfers leert dat het verlies aan schepen in de periode 1500-1550 eigenlijk opmerkelijk gering is, maar dat de verliezen daarna aanzienlijk zijn. Over de oorzaken is veel gespeculeerd; zelfs klimatologische veranderingen zijn als hoofdoorzaak aangewezen. Charles Boxer noemt als oorzaken: overbelading; te weinig en in meerderheid onervaren bemanningen; te grote en daardoor minder zeewaardige schepen; slecht onderhoud en – vanaf het begin van de zeventiende eeuw – ook oorlogshandelingen. Het vergaan van met specerijen geladen kraken van de retourvloot die te zwaar zijn beladen is vooral problematisch als zij niet omstreeks de jaarwisseling uit Cochin vertrekken, maar soms weken later. Zij krijgen dan aan de zuidkust van Afrika te maken met zware westerstormen, waardoor zij Cabo da Boa Esperança niet veilig kunnen passeren en zij gedwongen zijn naar Moçambique terug te keren.

Als Dom Constantino weer in Goa is teruggekeerd en verschillende capitães naar de forten heeft gezonden, rust de vice-rei een vloot van 21 schepen uit. Hiermee wordt Sebastião de Sá naar de Perzische Golf gezonden, om de ‘koning van Bussora’ te helpen in zijn verzet tegen de Ottomanen. Daarna dient hij in Basra een fort te bouwen, wat de bashaw van Basra heeft toegestaan, in ruil voor Portugese hulp. De onderneming loopt op een fiasco uit. De vloot van Sebastião de Sá wordt verstrooid door een hevige storm, die de schepen dwingt beschutting te zoeken in verschillende havens. Daarmee is ook de kans verkeken op de bouw van een fort in Basra, een voor de Portugese handel belangrijke plaats. Basra is het beginpunt van de route over en ten dele langs de Euphraat naar Bagdad en vandaar per kameel naar de Syrische plaatsen Aleppo en Tripoli. De Ottomanen hebben het gebruik van de route ontzegt aan Portugezen, maar Portugese handelaren, zich uitgevend voor Franse, Engelse of Venetiaanse kooplieden, laten zich door dit verbod niet weerhouden de reis te maken, zoals Jan Huygen van Linschoten heeft uitgelegd. De route is ook van belang voor de nieuwsvoorziening. De Portugese staat maakt daarvoor gebruik van Venetiaanse handelaren, omdat deze de route goed kennen, een factorij bezitten in Ormoez en betrouwbaar zijn gebleken. Cesare Frederici laat weten dat de route gebruikt wordt door Armeniërs, Turken en kooplieden van vele nationaliteiten, wier handel bloeit. Vanaf het midden van de zestiende eeuw weten grote aantallen Turkse en Rumi-handelaren, door zich uit te geven voor Perzen, via Ormoez door te dringen tot in Portugees Indië, waar zij de markten en vooral die van Diu frequenteren. Zij zijn de belangrijkste kopers van diamanten, maar zij schaffen zich ook vele soorten andere koopwaar aan, bijvoorbeeld, benzoë en geneesmiddelen als tamarinde, cubèle, turbith e.d. Op hun cartazes komt het door de Turken bezette Bussorah niet voor, maar zijn kleine havens aan de kust van Perzië vermeld. Basra profiteert enorm van de handel met Ormoez; Cesare Frederici laat weten: “Bussorah e una città di gran negocio di spetiàrie, e di droghe, che vengono d’Ormus.”

In de loop van het jaar 1561 verneemt Dom Constantino van Cedeme Khan het nieuws dat Chinguis Khan opnieuw tegen hem optrekt en omdat Cedeme niet in de positie verkeert zich tegen zijn belager te verdedigen, biedt hij de Kroon van Portugal zijn fort in Surat aan, op voorwaarde dat de Portugezen hem, zijn gezin en zijn schatten in veiligheid brengen naar een door hem te verkiezen plaats. De vice-rei rust direct een vloot van veertien schepen uit. Hij zendt de vloot, onder bevel van Dom Antão de Noronha naar Cedeme Khan in Surat. Dom Antão wordt vergezeld door Luís de Mello, die de overleden Dom Diogo de Noronha gaat opvolgen als capitão van Damão. Als Dom Antão en Luís de Mello in Damão aankomen, treffen zij daar Sebastião de Sá met vier galeotas van zijn verstrooide vloot. Hij sluit zich aan bij de schepen van Dom Antão de Noronha en de gehele vloot, met 500 strijdbare manschappen aan boord, zeilt naar Surat. Voor de vloot daar arriveert, moeten de schepen een regen van kogels trotseren, die vanaf de oever worden afgeschoten. Daar blijkt zich de strijdmacht van Chinguis Khan te bevinden die Surat belaagt. De Portugese troepen voeren een landing uit en na de vijand vastbesloten te hebben aangepakt, wordt het leger van Chinguis Khan, dat bestaat uit 20.000 man, volledig verslagen. Als Dom Antão in het fort van Cedeme Khan in Surat aankomt, heeft deze spijt van zijn afspraak en hij weigert het fort over te dragen, uit vrees dat zijn volgelingen het niet eens zijn met de overdracht van het fort aan de Portugezen en hem direct voor zijn verraad zullen ombrengen. Dat Cedeme Khans vrees niet ongegrond is, blijkt spoedig. Zodra Dom Antão is weggezeild naar Goa en bekend raakt dat Cedeme Khan van plan is geweest het fort over te dragen, moet hij voor zijn woedende volgelingen vluchten. Op de vlucht voor zijn eigen volk, valt Cedeme Khan in handen van Chinguis Khan, die hem laat onthoofden. Hij wordt in Surat opgevolgd door Caracen, zijn zwager, die erin slaagt zich met Chinguis Khan te verzoenen. De laatste vertrekt uit Surat en laat Caracen in het vreedzame bezit van de stad.

In het jaar 1561 loopt de ambtstermijn van Dom Constantino de Bragança af. Danvers geeft hem een zeer vleiende beoordeling. Hij schrijft: “Hij was begiftigd met die kwaliteiten die van hem een groot man hebben gemaakt en hij heeft succes geboekt met de meeste zaken die hij heeft ondernomen.” Dit mag dan waar zijn, maar dat neemt niet weg dat hij zich door pas in Indië gearriveerde kerkelijke gezagsdragers heeft laten overhalen het kostbaar fortuin van de dalada te vergooien. Onder zijn bewind is niet alleen de Inquisitie in Goa ingevoerd, maar hij heeft door zijn religieuze fanatisme de hindoes Goa uitgejaagd. Aanvankelijk zijn veel hindoes de stad ontvlucht omdat met de komst van de aartsbisschop en de instelling van de Inquisitie de druk op hen zich tot het katholicisme te bekeren, voortdurend is toegenomen. Toen Dom Constantino, om ontvolking van de stad tegen te gaan, de hindoes die Goa hadden verlaten, om aan bekering te ontkomen, per decreet had opgeroepen terug te keren, op straffe van verlies van eigendommen, heeft dit tot een nog grotere uittocht van de hindoebevolking geleid. De regering van regentes Dona Catarina is echter zozeer tevreden over de wijze waarop Dom Constantino zijn taken heeft uitgeoefend, dat hem de post van vice-rei voor de rest van zijn leven wordt aangeboden. Dom Constantino bedankt voor de eer, maar als de “uitstekende en achtenswaardige” vice-rei Dom Luís de Ataíde in 1578 voor zijn tweede ambtstermijn naar Indië vertrekt, begaat koning Dom Sebastião de gotspe hem te vragen de Estado da India te regeren als Dom Constantino de Bragança destijds heeft gedaan.

1 Zie deel X, pp. 70 en volgende

2 Zie deel XI, pp. 116-117

3 De Arabieren betitelen alle Europeanen als Franken

4 Zie deel XII, pp.147-148

1.1 Vice-rei Dom Francisco Coutinho, conde de Redondo, governador João de Medonça en vice-rei Dom Antão de Noronha (1561-1568)

Categorieën
Portugees kolonialisme

Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee. DEEL 15

Geschreven door Arnold van Wickeren

Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee. DEEL 15

De Estado da India in de jaren 1558-1581, De Estado da India in de jaren 1581-1597, De komst van Hollanders en Engelsen naar Indië 1597-1600

Verantwoording

Inleiding

Hoofdstuk 1. De Estado da India in de jaren 1558-1581

1.0. De Estado da India onder het bewind van capitão-gerai en vice-rei Dom Constantino de Bragança (1558-1561)

1.1. Vice-rei Dom Francisco Coutinho, conde de Redondo, governador João de Mendoça en vice-rei Dom Antão de Noronha (1561-1568)

1.2. Het beleg van Goa en Chaul in 1570; vice-rei Dom Luís de Ataide (1568-1571)

1.3. De capitães-gerais Dom António de Noronha, António Moniz Barreto, Dom Diogo de Menezes, Dom Luís de Ataíde en Fernão Telles de Menezes (1571-1581)

Hoofdstuk 2. De Estado da India in de jaren 1581-1597

2.0. Vice-rei Dom Francisco Mascarenhas, conde da Santa Cruz (1581-1584)

2.1. Vice-rei Dom Duarte de Menezes, conde de Tarouca, capitão-geral Manuel de Sousa Coutinho en vice-rei Matias de Albuquerque (1584-1597)

Hoofdstuk 3. De komst van Hollanders en Engelsen naar Indië

3.0. Vice-rei Dom Francisco da Gama (1597-1600)

3.1. De komst van de Hollanders naar Indië

3.2. De komst van de Engelsen naar Indië

Hoofdstuk 4 De Carreira da India

4.0 De Carreira da India

Bijlage 1

1.0 De expedities van de voorcompagniën

Verantwoording

Bij het schrijven van mijn door Hogeschool Alkmaar in 1994 uitgebrachte boek ‘Geschiedenis van Portugal en van de Portugezen overzee (ISBN 90-802098-1-3)’ moesten veel zaken onbesproken blijven, om het eendelige werk niet veel te omvangrijk te maken. Onvrede over deze beperking en het beschikken over veel meer vrije tijd dan toen ik nog werkte, zijn de redenen mijn eerste boek uit te werken in afzonderlijke delen. Dat deze uitwerking geschiedt mede aan de hand van veel niet eerder geraadpleegde literatuur spreekt voor zich. In september 1996 is deel I verschenen en in december 2005 was deel XIV gereed. Uit hoeveel delen van circa 250 pagina’s het totale werk zal bestaan laat zich thans nog niet schatten; mede omdat ik nog niet heb besloten tot welk jaar ik zal doorgaan. Ik hoop dat het mij gegeven zal zijn nog vele delen te schrijven. Deze verschijnen in een beperkte oplage en zijn bestemd voor universiteits- en andere openbare bibliotheken in Nederland en Vlaanderen, ‘abonnees’ en belangstellenden uit eigen kring. Met het uitbrengen daarvan staat mij geen commercieel doel voor ogen. Daarom is de uitvoering zo goedkoop mogelijk gehouden. In oktober 2004 leek een publieksuitgave van de tot dan toe uitgebrachte en de nog te schrijven delen onverwachts binnen handbereik. Nadat ik ervaren had dat een commerciële uitgave van mijn werk niet aanvaardbare concessies van mij zouden vergen, heb ik daarvan afgezien en ben op de oude voet voortgegaan.

Wat mij in de geschiedenis van Portugal van jongs af aan vooral fascineert zijn ’s lands maritieme expansie en de voortrekkersrol die het heeft gespeeld in de ontdekking van de wereld. Mijn boek gaat daarom voornamelijk over de verrichtingen van de Portugezen overzee in drie continenten. Het gaat dan om zaken als: de wereldwijde maritieme expansie in de vijftiende en in de eerste helft van de zestiende eeuw; de eerste tekenen van verval van de Portugese positie in Azië in de tweede helft van de zestiende eeuw en de vrijwel volledige teloorgang daarvan, mede door toedoen van de VOC, in de zeventiende eeuw; de strijd tegen de WIC om Brazilië en de Portugese gebieden in West-Afrika in de zeventiende eeuw; de bloei en het verlies van Brazilië in de achttiende, respectievelijk de negentiende eeuw; de uitbouw van het koloniale rijk in Afrika naar de binnenlanden aan het einde van de negentiende en in de eerste helft van de twintigste eeuw en het einde van de imperiale droom in de jaren zeventig van de twintigste eeuw. Deze en soortgelijke zaken komen uitvoerig in dit werk aan de orde, terwijl de bespreking van de ontwikkelingen in Portugal zelf de noodzakelijke achtergrondinformatie geeft, waaruit het optreden overzee kan worden begrepen.

Bij het schrijven van elkaar opvolgende delen, is het soms gewenst zaken in te leiden met al dan niet samengevatte teksten uit voorgaande delen, waardoor enige overlap ontstaat. Er is temeer sprake van overlap als, zoals in mijn geval, het aantal deeltjes groot is, omdat de beschouwde periode soms maar enige decennia omvat. Daarom heb ik besloten te beginnen met deeltje XIII de te behandelen periode aanzienlijk te vergroten. Deel XIII en een aantal volgende delen omvatten dan ook de regeringsperioden van koningen Sebastião (1557-1578), kardinaal Henrique (1578-1580) en de Spaanse Habsburgers (1580-1640)

In de ‘Verantwoording’ van voorgaande delen is een zeer korte vorm vermeld wat de inhoud is van het betreffende deel en van voorafgaande delen. Deze methodiek leidt ertoe dat de verantwoording bij elk nieuw deel qua omvang toeneemt. Bij deel XV en volgende delen volsta ik ermee te zeggen dat in de delen I t/m XII wordt besproken de periode vanaf de prehistorie tot aan het overlijden van Dom João III in 1557, dat in deel XIII de gebeurtenissen aan de orde komen die uiteindelijk in 1580 hebben geleid tot de personele unie van de Spaanse en de Portugese troon en van het zestigjarige bestuur van de Spaanse Habsburgers over Portugal en zijn overzeese imperium. Deel XIII verhaalt voorts Sebastião’s rampspoed in Marokko, de ontwikkelingen van de Atlantische eilanden en West-Afrika in de periode 1560-1640, waarin de strijd om en het verlies van het Fortaleza de São Jorge da Mina centraal staat. Deel XIV gaat over de bemoeienissen van de Portugezen met Angola en Kongo in hetzelfde tijdvak over de Portugezen aan de Swahilikust van 1560-1600.

Idealiter zou in het voorliggende deel XV besproken zijn de geschiedenis van de Estado da India vanaf de troonsbestijging van Dom Sebastifão in 1557 tot aan de verdrijving van de Spanjaarden in 1640. Gelet op mijn verhalende vorm waarin de materie wordt behandeld, met specifieke aandacht voor curieuze details aan de ene kant en de nog immer toenemende omvang van de geraadpleegde literatuur aan de andere kant, is dit een onmogelijke opgave gebleken. In deel XV worden de ontwikkelingen in de Estado da India besproken tot aan de komst van Hollanders en Engelsen naar Azië, wat uiteindelijk de teloorgang van Portugals positie in dat werelddeel zal inluiden. In dit deel zijn buiten beschouwing gebleven het Portugese optreden elders in Azië, zoals op Ceylon, aan de Visserij- en de Coromandelkust, aan de Golf van Bengalen, in Birma, Siam, Achter-Indië, Malacca en omgeving, de Molukken en de Banda eilanden, Solor en Timor, in China (Macau) en Japan en tenslotte aan de Swahilikust, die aanvankelijk ook tot de Estado da India gerekend werd. Bovendien zal een afzonderlijk hoofdstuk worden gewijd aan de Carreira da India, waarin vele beroemde scheepsrampen worden besproken. In deel XVI zal de bespreking van de Estado da India worden voortgezet met de rampzalige periode 1600-1640, vervolgens komen in dit en in de volgende delen de overige genoemde onderwerpen aan bod.

Bij het schrijven van dit werk sta ik als een dwerg op de schouders van reuzen. Dezen hebben de oorspronkelijke bronnen ontcijferd en daaruit de soms tegenstrijdige gegevens geschift, geordend, geduid en van annotaties voorzien. Ik heb mij slechts tot taak gesteld uit de veelheid van boeken de meest bruikbare te kiezen. Naarmate ik al doende meer inzicht verwerf in de zeer uitgebreide bibliografie van de Portugese aanwezigheid overzee, wordt het kiezen uit de immer aanzwellende stroom studies, moeilijker. Aan de ene kant is de verleiding groot zoveel mogelijk gebruik te maken van literatuur waarin aandacht wordt geschonken aan de heldendaden, lotgevallen en euveldaden van individuele personen, omdat dit kleur geeft aan de historie. Maar aan de andere kant leidt te grote aandacht voor details ertoe dat ik het werk waaraan ik vele jaren geleden ben begonnen, niet zal kunnen voltooien. Ik moet dus schipperen en gedetailleerde beschrijvingen moeten afwisselen met stukken die een globaal overzicht verschaffen. Bij de keuze van te raadplegen literatuur staat Dr. B. N. Teensma mij met raad en daad terzijde; ook heeft hij mij een aantal boeken van zijn hand geschonken en mij gestimuleerd op de ingeslagen weg voort te gaan. Tenslotte heeft hij een lovend voorwoord bij deel XIII geschreven. Voor dit alles zeg ik hem oprecht dank. Mijn erkenning gaat ook uit naar Prof. Dr. Leonard Blussé voor zijn bemoedigende reacties op de eerder verschenen delen en voor enige werken die ik van hem heb mogen ontvangen. Dr. Ir. Ernst van Veen schonk mij zijn proefschrift Decay or Defeat? welk boek in bij deel XVI zal betrekken, en het mede door hem samengestelde boek Rivalry and Conflict. Ook van Dr. Arend de Roever mocht ik zijn dissertatie De jacht op Sandelhout ontvangen. Beiden zeg ik oprecht dank voor de waardevolle aanwinsten van mijn boekenlijst. Voorts gaat mijn dank uit naar Arie Pos, die van meet af aan belangstelling voor mijn werk heeft getoond en die heeft toegezegd het voorwoord in een komend deel te verzorgen. Tenslotte vermeld ik zeer gaarne de website van Marco Ramerini, getiteld: Dutch-Portuguese colonial history van Marco Ramerini. Deze site met zijn vele links vormt voor mij een bron van inspiratie en een uitstekende checklist voor zowel data als relevante literatuur. Marco Ramerini heeft mij ook voorzien van literatuuradviezen; heeft mij geattendeerd op relevante websites, zaken voor mij opgezocht en literatuur met mij uitgewisseld. Voor zijn vele blijken van vriendschap ben ik hem zeer dankbaar. Naast de website van Ramerini neemt het aantal bruikbare websites voortdurend toe.

Hierna volgt een opsomming van de bij het schrijven van dit deel vooral geraadpleegde literatuur; daarbij zijn de werken waaraan ik het meest heb gehad, vet vermeld. In het laatste deel van dit werk zal een volledige literatuurlijst worden opgenomen.

Voor deel XV in zijn geheel zijn de volgende algemene handboeken geraadpleegd:

  • H.V. Livermore: A New History of Portugal, Cambridge U.K., 1966;
  • A.H. de Oliveira Marques: History of Portugal, Volume I & II, New York, 1976;

  • José Hermano Saraiva: História concisa de Portugal; Lisboa, 1979;

  • Charles R. Boxer: The Portuguese Seaborne Empire 1415-1825, London, 1969;

  • Charles R. Boxer: The Dutch Seaborne Empire 1600-1800, Londen, 1965;

  • Leonard Blussé & Jaap de Moor: Nederlanders Overzee; de eerste vijftig jaar 1600-1650, Franeker, 1983;

  • Arnold van Wickeren: voorgaande delen van dit werk.

Naast deze boeken is voor het schrijven van elk hoofdstuk gebruikgemaakt van een aantal specifieke werken. Voor hoofdstuk 1 – De Estado da India in de jaren 1558-1581 – zijn dat:

  1. Danvers, Frederick Charles: The Portuguese in India, Volume I & II, W.H. Allen & Co. Ltd., London, 1894;

  2. Kervran, Monik (French Archaeological Mission at Bahrain): Bahrain in the 16th Century; an impregnable island, Published by the Ministry of Information, State of Bahrain, 1988

  3. Hutt, Antony: GOA, A Traveller’s Historical and Architectural Guide, Scorpion Publishing Limited, Essex, 1988;

  4. Richards, J. M.:Goa, C. Hurst en Co., Londen, 1982;

  5. Diffie and George D. Winius, Bailey W.: Foundations of the Portuguese Empire, 1415-1580, University of Minnesota Press, Minneapolis, Minnesota, 1977;

  6. Armini, Iradj: L’Inde du Koh-I-Noor, Éditions François Bourin, Paris, 1992;

  7. Serjeant, R.B.: The Portuguese off the South Arabian Coast, Oxford at the Clarendon Press, London, 1963;

  8. Al-Maamiry, A.H.: Omani-Portuguese History, Lancers Publishers, New Delhi, 1982;

  9. Alden, Dauril: The Making of an Enterprise; The Society of Jesus in Portugal, Its Empire, and Beyond, 1540-1750, Stanford University Press, Stanford, California, 1996;

  10. Rétif, A. en anderen: Histoire Universelle des Missions Catholiques, Les Missions des Origines au XVIe Siècle, Editions de l’Acanthe, Monaco, 1956;

  11. Catholica (A.M. Heidt): N.V. Uitgeversmij Pax, ‘s- Gravenhage, 1966;

  12. Rasquilho, Rui e Jorge Barros: Portugal e o Mar, Viagens pelos Descobrimentos, Distri Cultural/Círculo de Leitores, Lisboa, 1983;
  13. Godinho, Vitorino Magalhães: L’économie de l’empire Portugais aux XVe et XVIe siècles, S.E.V.P.E.N., Paris, 1969;
  14. Cortesão, Jaime: História dos Descobrimentos Portugueses, Terceiro volume, Círculo de Leitores, Lisboa, 1979;

  15. Arasaratman and Aniruddha Ray, Sinappah: Masulipatnam and Cambay; A history of two port-towns 1500-1800, Munshiram Manoharlal Publishers Pvt. Ltd., New Delhi, 1994

  16. Panikkar, K.M.: Malabar and the Portuguese: Being a History of the Relations of the Portuguese with Malabar from 1500 to 1663, D.B. Taraporevala Sons & Co., Bombay, 1929;

Voor hoofdstuk 2 zijn bovendien geraadpleegd de onder de letters a, c, d, g, i, j, k en p van de bij hoofdstuk 1 genoemde boeken, aangevuld met:

  • Lodewycksz, Willem: Om de Zuid: De eerste Schipvaart naar Oost-Indië onder Cornelis de Houtman, 1595-1597, opgetekend door Willem Lodewycksz, vertaling, inleiding en annotatie: Vibeke Roeper en Diederick Wildeman, Uitgeverij SUN, Nijmegen, 1997;

  • Mac Leod, N.: De Oost-Indische Compagnie als zeemogendheid in Azië, 1602-1650, twee delen, Blankwaardt & Schoonhoven, Rijswijk (Z.H.), 1927;

  • Wiechen, Peter van: Vademecum van de Oost- en West-Indische Compagnie, Antiquariaat Gert Jan Bestebreurtje, Utrecht, 2002;

Voor hoofdstuk 3 zijn bovendien geraadpleegd de onder de letters a, b, c, d, f, h en m, van de bij hoofdstuk 1 genoemde boeken, aangevuld met::

  • Bayani, Khanbaba: Les relations de l’Iran avec l’Europe Occidentale à l’époque Safavide, Université de Paris, 1937;
  • Houtman, Frederik de: Wie komt daar aan op die olifant? Een zestiende-eeuws taalgidsje voor Nederland en Indië, inclusief het verhaal van de avontuurlijke gevangenschap van Frederik de Houtman in Indië, Amsterdam/Antwerpen, 2000;

  • Keuning, J.: De Tweede schipvaart der Nederlanders naar Oost-Indië onder Jacob Cornelisz van Neck en Wybrandt van Warwijck (1598-1600), deel I, II en III, Martinus Nijhoff, ‘s-Gravenhage, 1938;

  • Muir, John: Reminiscências Portuguesas na Arábia Oriental, Separata do Boletim da Sociedade de Geografia de Lisboa, Janeiro-Março, 1961;

Voor hoofdstuk 4 zijn geraadpleegd de bij hoofdstuk 1, onder de letters a en m aangegeven boeken, aangevuld met:

  • Duffy, James: Shipwreck & Empire: Being an account of Portuguese maritime disasters in a century of decline, Harvard University Press, Cambridge, Massachusetts, 1955;
  • António Lopes Eduardo Frutuoso, A vida a bordo nas naus da Carreira da India, Texto inédito preparado em 1995 para publicação na obra História do Quotidianonem Portugal, então em prodição pela Edtorial Presença, mas que não chegou a ser editada

De voor de Bijlage gebruikte literatuur bestaat uit de boeken:

  • Wieder, F.C.: De reis van Mahu en De Cordes 1598-1600, Delen 1 en 3, Linschoten-Vereeniging XXI en XXIV, Martinus Nijhoff, 1923/1925;

  • IJzerman, J.W.: De reis om de wereld door Olivier van Noort, 1598-1601, twee delen, Martinus Nijhoff, Linschoten-Vereeniging XXVII, 1926;

  • Houtman, Frederik de: Wie komt daar aan op die olifant? Een zestiende-eeuws taalgidsje voor Nederland en Indië, inclusief het verhaal van de avontuurlijke gevangenschap van Frederik de Houtman in Indië, Hertaald en toegelicht door Nicoline van der Sijs, Uitgeverij L.J. van Veen, Amsterdam/Antwerpen, 2000;

  • Lodewycksz, Willem: Om de Zuid: De eerste Schipvaart naar Oost-Indië onder Cornelis de Houtman, 1595-1597, opgetekend door Willem Lodewycksz, vertaling, inleiding en annotatie: Vibeke Roeper en Diederick Wildeman, Uitgeverij SUN, Nijmegen, 1997;

  • Warnsinck, J.C.M.: De reis om de wereld van Joris van Spilbergen, 1614-1617, Martinus Nijhoff, Linschoten-Vereeniging XLV, XLVII, ‘s-Gravenhage, 1943,

  • Mac Leod, N.: De Oost-Indische Compagnie als zeemogendheid in Azië, 1602-1650, twee delen, Blankwaardt & Schoonhoven, Rijswijk (Z.H.), 1927;

  • Morga, Antonio de: Sucesos de las Islas Filipinas, translated and edited by J.S. Cummins, Hakluyt Society, Cambridge University Press, London, 1972;

  • Keuning, J.: De Tweede schipvaart der Nederlanders naar Oost-Indië onder Jacob Cornelisz van Neck en Wiybrand van Warwijck (1598-1600), Martinus Nijhoff, ‘s-Gravenhage, 1938;

  • Valentijn, François: Oud- en Nieuw Oost-Indiën, deel I, Van Wijnen, Franeker, 2002;

  • Valentijn, François: Oud- en Nieuw Oost-Indiën, deel II, Van Wijnen, Franeker, 2002.

Ook is veelvoudig en intensief gebruik gemaakt van de Encyclopædia Britannica, Multimedia Edition 1999 en van vele sites op het internet. Bij tijd en wijle zijn geraadpleegd Le Petit Robert des Noms Propres, 2003, Richard Gray: The Cambridge History of Africa, Vol. 4 from c. 1600 – c. 1790, Cambridge, 1975; Roland Oliver: The Cambridge History of Africa, Volume 3 from c. 1050c 1600., Cambridge, 1981 en andere naslagwerken.

Velen hebben mij gestimuleerd voort te gaan met het bestuderen van en het schrijven over het gekozen studiegebied; anderen hebben mij daadwerkelijk geholpen. Tot degenen op wie ik een beroep kon doen om technische problemen met de P.C. te overwinnen behoren en mijn oud-buurman Piet Vermaas RA en mijn huidige buurman Kai de Jong. Hun zeg ik daarvoor dank. Directie en personeel van Multicopy in Heerhugowaard zeg ik dank voor de keurige verzorging van dit deel van mijn werk. Tenslotte spreek ik in het bijzonder mijn dank uit aan mijn vrouw, die – na mijn pensionering – mij weinig met huishoudelijke taken belast, maar mij alle gelegenheid geeft dit boek te schrijven.

De schrijver

Inleiding

In voorgaande delen van dit werk zijn de ontwikkelingen in de Estado da India menigmaal besproken. In deel III is uitgebreid aandacht besteed aan de ontdekking van de zeeweg naar Indië door Vasco da Gama en aan de reis van Pedro Álvares Cabral naar Indië, waarbij hij en passant Brazilië heeft ontdekt. Deel IV is gewijd aan de reizen naar Indië van João de Nova Castela, Afonso de Albuquerque, Tristão da Cunha en Dom Francisco de Almeida, de eerste capitão-geral en vice-rei van Portugees Indië. Zaken als de heldhaftige verdediging van Cochin, de eerste hoofdstad van de Estado da India, door Duarte Pacheco Pereira, de vestiging van Portugals macht aan de kust van Oost-Afrika, de ontdekking van Ceylon, de strijd voor Ormoez en de zeeslag voor Chaul, waarbij Dom Lourenço de Almeida, de zoon van Dom Francisco de Almeida het leven laat, zijn belangrijke gebeurtenissen die behandeld zijn in deel IV. Deel V is geheel gewijd aan de verrichtingen van Afonso de Albuquerque, die Francisco de Almeida als gouverneur-generaal is opgevolgd. Met de verovering van de steden Malacca, Goa en Ormoez heeft Afonso de Grote Portugals macht in Azië stevig verankerd, nadat Francisco de Almeida in zijn nadagen als onderkoning de dood van zijn zoon gewroken heeft met een klinkende overwinning op de Egyptisch-Turkse vloot bij Diu. Gouverneur Afonso de Albuquerque wordt na zijn plotselinge dood in december 1515 opgevolgd door zijn criticus Lopo Soares de Albergaria, een volkomen incompetent man, wiens enige verdienste daarin bestaat dat hij Portugals invloed heeft uitgebreid naar het eiland Ceylon. Zijn rampzalige bewind en dat van zijn directe opvolger, Diogo Lopes de Sequeira, worden besproken in deel VI. In dit deel is ook uitgebreid aandacht geschonken aan de belevenissen van het Portugese gezantschap naar Ethiopië, dat van 1520 tot 1526, onder leiding van Dom Rodrigo de Lima, rondtrekt door het land van Preste Joam, naar wie de Portugezen al sedert de tijd van Dom Henrique o Navegador op zoek zijn. Tijdens de periode 1518-1529 zwaaien vijf capitães-gerais enige jaren de scepter in Goa totdat in 1529 het roer wordt overgenomen door Nuno da Cunha, die zijn hoge ambt maar liefst negen jaren bekleedt. Onder zijn bewind verdedigt António da Silveira in 1537 maandenlang het Portugese Diu zeer moedig tegen zijn Ottomaanse belegeraars. Het bewind van de gouverneurs in het tijdvak 1522-1538 wordt besproken in deel X. De vierde opvolger van Nuno da Cunha, Dom João de Castro, is de laatste van de vier grote capitães-gerais uit de zestiende eeuw. Uit deel XI, waarin de verwikkelingen in Portugees Indië in de jaren 1538-1558 worden uiteengezet, blijkt dat Dom João de Castro (1545-1548), een van de zeven gouverneurs in deze twintig jaar, te maken krijgt met het tweede beleg van Diu. Na maandenlange strijd weet de bekwame en dappere gouverneur de Turken uiteindelijk te verdrijven. In een bijlage in deel XI is een verslag opgenomen van de Portugese militaire expeditie naar Abessinië in de jaren 1541-1544, onder leiding van Dom Cristovão da Gama, de jongere broer van gouverneur-generaal Dom Estêvão da Gama. Uit het fascinerende verslag van deze expeditie, waarbij Dom Cristêvão in de strijd omkomt en waarvoor de Ethiopiërs de Portugezen zeer dankbaar zijn, blijkt dat de Portugese eindoverwinning op de moren tot behoud van het christendom in Ethiopië heeft geleid.

Uit de opsomming van de hoofdzaken van wat al eerder aan de orde is gekomen, kan worden afgeleid dat zelfs maar een zeer globale samenvatting daarvan moet leiden tot een zeer aanzienlijke overlap met eerdere delen. Daarvoor is niet gekozen. Onder verwijzing naar de genoemde eerdere delen van dit boek, wordt in hoofdstuk 1 van dit deel begonnen met de bespreking van de verrichtingen van vice-rei Dom Constantina de Bragança (1558-1561)

Hoofdstuk 1 De Estado da India in de jaren 1558-1581 1.0. De Estado da India onder het bewind van capitão-gerai en vice-rei Dom Constantino de Bragança (1558-1561)

Categorieën
Portugees kolonialisme

De Mombaçakust (1575-1599). De Swahilikust

Deel 14 Index

Hoofdstuk 2.

De Swahilikust:

2.3. De Mombaçakust (1575-1599)

Geschreven door Arnold van Wickeren

Uit Portugese bron is weinig bekend over de kust van Oost-Afrika tussen Cabo Delgado en Cabo Guardafui in de jaren direct volgend op de Barreto-Homem expeditie. In 1584 rapporteert de onderkoning van Portugees Indië aan zijn koning over de ongerechtvaardigde diefstallen en afpersingen en de tirannieke onderdrukkingen van de Portugese capitães-mores aan de Malindikust. Hij vreest dat de koningen aan deze kust in hun nood de Turken om hulp zullen vragen. Filipe I beveelt de vice-rei, Dom Duarte de Meneses, graaf van Tarouca, een onderzoek tegen hen in te stellen om uit te maken of zij schuldig zijn aan misbruiken. Door deze maatregel moeten de lokale heersers tot bedaren worden gebracht en bovendien krijgen toekomstige capitães strikte bevel hun opdrachten en instructies na te leven.

Maar de maatregelen van de koning komen te laat. De Turken hebben al uitnodigingen ontvangen de Swahilikust te bevrijden. De Arabieren zijn verbitterd dat de Portugezen verlangen dat alleen de over een Portugees cartas beschikken de Indische Oceaan bevaren en dat zij schepen zonder cartas confisqueren. De Turken zijn er zeer op gebrand aan de Afrikaanse kust timmerhout te verkrijgen om een vloot te kunen bouwen, om de Portugese suprematie op zee uit te dagen. De vizier van Arabië, Amir Asenasi, wil graag alles doen wat binnen zijn beperkte vermogens ligt, om aan de hulpverzoeken tegemoet te komen. Hij geeft opdracht twee galeien uit te rusten en hij benoemt Amir Ali Bey, die zich heeft onderscheiden bij de verovering van Muscat op de Portugezen in 1581, de kust van Malindi te verkennen en hem te rapporteren waar het best een fort kan worden gebouwd, om lokale koningen en sjeiks moed te geven om voorbereidingen te treffen om de Portugezen te verdrijven.

Ali Bey passeert eind 1585 de Straat van Bāb al-Mandab. De galeien komen in zwaar weer van de noordoostmoesson terecht; een galei maakt water en is gedwongen terug te keren naar de Rode Zee. De andere galei, die niet veel beter is dan de eerste en die Ali Bey en meer dan 80 soldaten aan boord heeft, slaagt erin Cabo Guardafui te ronden ‘en vervolgt zijn weg al was zij een gezonde armada’, schrijft de Portugese historicus uit de zeventiende eeuw Manuel de Faria y Sousa met een mengeling van afgunst en bewondering. De eerste haven die Ali Bey aandoet is Mogadiscio. Voor hij de haven invaart, zendt hij een boodschapper naar de bestuurders van de stad. Hij vraagt hen hun aanhankelijkheid aan de “Grote Turk’ te betuigen en dreigt de stad te verwoesten als zij aan zijn verzoek niet tegemoet komen, waarbij hij de indruk wekt de voorloper te zijn van een hele vloot. De bestuurders schikken zich; zij brengen geld en manschappen bijeen om Ali Bey’s zaak te ondersteunen. Zij stellen hem een aantal pangaios, bemand met lokale Arabieren ter beschikking. In Brava, Jugo (Juba?) en Pate, heeft Ali Bey ook succes; alle heersers erkennen de Turkse opperheerschappij en brengen geld bijeen opdat Ali Bey zijn zegentocht kan voortzetten. In Pate lacht het geluk hem toe; hij vindt daar een naveta die daar pas aangekomen is uit Diu, met een dozijn Portugezen aan boord, die geen verzet bieden.

Op het nabijgelegen eiland Lamu bevindt zich Roque de Brito Falcão, wiens ambtstermijn als Capitão aan de Malindikust het vorig jaar is verstreken. Omdat op zijn reis naar Indië zijn naveta op de kust is geworpen, maar hij en zijn bezittingen gered zijn door de bemanning van een zijn naveta vergezellende fusta, wacht Falcão op Lamu de moesson af, totdat hij zijn reis kan voortzetten. Als hij van de aankomst van de galei hoort, zoekt hij met zijn vijftien Portugese en mulatto metgezellen bescherming bij de lokale koning. Ali Bey vraagt om hun uitlevering. De koning is oud en blind en heeft de troon niet rechtmatig verworven; hij kan de eis van de Turken niet terzijde schuiven. Ali Bey, dertig landgenoten en een groep Arabieren trekken op naar het huis waarin de Portugezen verblijven. Falcão trekt zijn zwaard en pakt zijn schild en met vijf van zijn compagnons gaat hij desperaat de strijd aan, maar hij geraakt al gauw serieus gewond. Zijn slaven en goud, ivoor, was en amber, bij elkaar 40.000 cruzados waard, vallen in handen van Ali Bey. De Turken bewapenen de fusta en daarmee en met de pangaios en de galei is Ali Bey nu de commandant van een flottielje van twintig vaartuigen. Hiermee keert hij terug naar Pate.

Berichten over de komst van de Turken zijn ook doorgedrongen naar het zuiden. De nieuwe Capitão aan de Malindikust, Rui Lopes Salgado, waarschuwt zoveel kooplieden en andere christenen als hij kan bereiken en adviseert hen uit te wijken naar Malindi, waar zij veilig zijn in het Portugese fort ter plaatse. Diogo de Couto verwijt Salgado dat hij de schepen die uit Baçaim en Chaul verwacht worden niet heeft laten waarschuwen voor de Turken, maar dit is op het hoogtepunt van de noordoostmoesson moeilijk zo niet onmogelijk geweest. Het schip uit Chaul arriveert al in Pate voor Ali Bey daar terugkeert; de Portugezen aan boord laden hun kleine kanonnen en bereiden zich voor op de verdediging. Ali Bey durft de levens van de weinige Turken die bij hem zijn niet op het spelte zetten en evenmin wil hij riskeren dat hij naast de handelswaar grijpt die hij hoopt te verwerven. Bijgevolg zet hij Brito Falcão, wiens wonden zijn verzorgd, onder druk een boodschap naar zijn landgenoten uit Chaul te zenden. Hij raadt hen aan zich over te geven, opdat hen een ellendige dood bespaard blijft. Zij volgen dit advies op en zodra zij bij de galei aankomen, zet Ali Bey hen aan de riemen. De galei neemt het Portugese schip met handelswaren op sleeptouw. Ali Bey doet diverse havens aan en ruilt daar de handelsgoederen voor goud en ivoor, amber en slaven. Hij aanvaardt ook de vazalliteit van lokale heersers, terwijl sultans helemaal uit Kilifi en Mombaça hun ambassadeurs zenden om de ondernemende Turk eer te bewijzen. Ali Bey verlaat de Swahilikust in april 1586 met buit ter waarde van 150.000 cruzados en 260 gevangenen, onder wie 50 Portugezen. Hij komt ongehinderd aan in de Rode Zee en zodra hij voor anker is gegaan in het veilige Mocha, valt zijn galei in stukken uiteen. Roque de Brito Falcão wordt naar Constantinopel gezonden, waar hij humaan wordt behandeld; hij wordt vrijgekocht voor 2.000 cruzados, maar sterft voordat hij van zijn vrijheid heeft kunnen genieten.

João dos Santos o.p. geeft twee oorzaken voor het opmerkelijk succes van Ali Bey’s expeditie. Een daarvan is het schandalige gedrag van de Portugezen aan de kust, welk gedrag de bewoners rijp gemaakt heeft voor een toestand van rebellie. De andere oorzaak is de natuurlijke antipathie van moslims jegens christenen, dat veel krachtiger is dan de animositeit tussen soennieten en sjiieten. Moslims wonend in geïsoleerde havens, die voorheen vaak afgunstig op elkaar waren, beginnen zich meer en meer te realiseren dat zij een gemeenschappelijke vijand, een gemeenschappelijke bondgenoot en hetzelfde geloof hebben. De regering in Lissabon is zich zeer bewust van de Turkse dreiging. In 1585 heeft Filipe I zijn vice-rei Dom Duarte de Meneses, opgedragen de sjah van Perzië te helpen tegen de Turken, door een grote vloot naar de ingang van de Rode Zee te zenden om de druk op de sjah te verminderen. Koning Filipe beschouwt het ook aanbevelingswaardig een fort te laten bouwen in Panane, aan de Malabarkust bij Calicut. De capitão-geral van de Estado da India, Manuel de Sousa Coutinho (1588-1591), die vice-rei Dom Duarte de Meneses – na diens plotselinge overlijden – is opgevolgd, besluit beide operaties te combineren en in november van het jaar 1588 vertrekt een zeer grote vloot, onder bevel van Gonçalves da Câmara, uit Goa naar de Malabarkust, terwijl de gouverneur een licht vaartuig uitstuurt om poolshoogte te nemen naar de plannen van de Turken. Het vaartuig staat onder bevel van Cosme Faia, die de wateren aan de ingang van de Rode Zee goed kent. Hij moet het gebied verkennen en hij dient in het bijzonder te letten op het bouwen en uitrusten van Turkse galeien. Het schip moet doorvaren naar Massawa, om daar de franciscaan, Giovanni Batista Briti, een bekend Italiaans filisoof, aan land te zetten. De monnik vervult een missie voor de Heilige Stoel; hij dient de Abessijnse Kerk weer te doen gehoorzamen aan Rome. Faia vertrekt midden december 1585 uit Goa. In Chaul wisselt hij zijn schip om voor een steviger fusta, waarmee hij in januari 1586 uitzeilt. Hij passeert de Straat van Bāb al-Mandab, nadat Ali Bey de Rode Zee verlaten heeft. Op het eiland Kamarān neemt hij een boomstamkano in beslag en hij gijzelt de opvarenden op twee man na; die zendt hij uit op water en voedsel. De Portugezen verheugen zich als zij twee grote baggalas zien naderen, maar als zij langszij de fusta komen, springen plotseling 200 gewapende mannen, die zich achter vee verstopt hadden, te voorschijn. Zij komen aan boord van de fusta en brengen alle opvarenden om met het zwaard. De lokale sjeik biedt de fusta aan aan de pasja van Mocha.

Ondertussen is Gonçalves da Câmara overgestoken van Panane naar Socotra. Hier neemt hij water in en hoort hij van de inval van Ali Bey, maar over Faia’s lot verneemt hij niets. Na vergeefs op hem te hebben gewacht, vaart hij de Rode Zee binnen en ankert in een baai op tien of twaalf léguas van Mocha. Câmara heeft opdracht de haveninstallaties van die stad te verwoesten en in het bijzonder de galeien, die geacht worden daar te zijn, in brand te steken. Gonçalves da Câmara zendt spionnen aan land om de sterkte van Mocha te verkennen, maar voordat zij kunnen terugkeren, zeilt een schip de baai binnen en ook weer eruit en op vijf of zes schepen na achtervolgt de Portugese vloot het vluchtende schip. De achtervolgers worden ’s nachts overvallen door een opstekende storm. Terwijl Gonçalves da Câmara, ligt te wachten op de terugkeer van zijn vloot, besluit hij water in te nemen van een bron anderhalve légua het binnenland in en de vermoeide Portugezen komen plotseling te staan tegenover een vijandelijke strijdmacht van wel 2.000 man, uitgezonden door de pasja van Mocha. De overlevenden keren terug naar hun schepen, maar er kan natuurlijk geen sprake meer zijn van een verrassingsaanval op Mocha. De weer verenigde vloot zeilt naar het eiland Kamarān, steekt daar het dorp in brand en zeilt de Rode Zee uit, voordat Ali Bey daarin terugkeert. Daarna wordt koersgezet naar Muscat en vandaar zeilt Gonçalves da Câmara, overeenkomstig zijn instructies uit om de Nequilús te tuchtigen, omdat zij zich offensief tegen Ormoez hebben gedragen. Maar de verachte stamleden drijven de gelande Portugezen terug in zee, waarbij zij 250 edellieden en soldaten doden. Zij brengen de Portugezen – volgens Diogo de Couto – een van de zwaarste nederlagen toe die zij ooit in het Oosten hebben geleden. De nederlaag ondermijnd het Portugese prestige in de moslimwereld verder, maakt lokale nationalistische gevoelens wakker en verergert Portugals kritieke tekort aan mankracht in het Oosten nog meer.

Zodra de Turken van de Swahilikust zijn vertrokken, zendt de sultan van Malindi een gezant in een pangaio naar Indië om rapport uit te brengen over de Turkse inval en over de verwelkoming die de heersers aan de Malindikust Ali Bey hebben bereid; hoe de sultan van Mombaça de Turken een plek heeft aangeboden om er een fort te bouwen dat eenmaal gereed zijnde, de vernietiging van Portugees Indië zal inluiden; de Turken kunnen immers van Mombaça naar Moçambique komen en de scheepvaart tussen Portugal en de Oriënt verwoesten en meesters worden van de goudmijnen van Monomotapa. Alleen de koning van Malindi, wiens lot zo onverbrekelijk verbonden is met dat van Portugal, is de Portugezen trouw gebleven

Onderkoning Dom Duarte de Meneses besluit, na overleg met zijn adviseurs, een zo groot mogelijke vloot bijeen te brengen, om degenen die hun gehoorzaamheid aan Portugal hebben opgezegd en Mombaça aan de Turken willen geven, te straffen. De vloot dient in Muscat een fort te bouwen, om de dreiging van een andere Turkse invasie het hoofd te bieden. Martim Afonso de Mello Pombeyro vertrekt in januari 1587 met een armada van twee galeãos, drie galeras en dertien fustas uit Goa. De vloot steekt in minder dan twintig dagen de Arabische Zee over. Martim Afonso verneemt dat er dat jaar geen Turkse galeien langs de kust van Oost-Afrika naar het zuiden zijn gevaren, zodat er geen haast geboden is naar Mombaça te gaan. Hij zet koers naar Faza, op het eiland Pate, de noordelijkse stad onder Portugese invloed, waarvan de inwoners een zieke Portugese gevangene van Ali Bey, João Robela, die door hem op de kust was gezet, gestenigd zouden hebben, omdat hij zijn christelijke geloof niet wilde afzweren. De sultan, die voor de komst van de vloot is gewaarschuwd, verzamelt al zijn strijdbare mannen, zo’n 4.000 man; richt palissaden op, laat grachten graven en barricadeert de uiteinden van de straten. De vloot gaat voor anker in de baai van Faza, er worden verkenners uitgezonden en de derde dag roept de capitão-mór zijn officieren bijeen. Besloten wordt de stad van twee kanten aan te vallen; een groep, onder bevel van Simão de Brito de Castro, de tweede man op de vloot, zal de kreek waaraan Faza ligt opvaren en een frontale aanval op de aanlegsteiger van de stad doen, terwijl de andere groep, onder de capitão-mór zelf, een landing buiten de stad zal doen en Faza van de landzijde zal aanvallen. De volgende dag gaan de Portugezen aan land. De mannen van Brito de Castro beschieten de havenpier, aan de kop waarvan sultan Estambadur met het grootste deel van zijn mannen staat, met haakbussen. Er ontstaat een man-tegen-man gevecht, waarbij de sultan sneuvelt. Zijn opvolger, een neef, trekt terug en sneuvelt ook. De Portugezen stormen het centrum van de stad binnen. Op dit moment trekken de troepen onder Martim Afonso de Mello, zonder tegenstand te ondervinden, Faza binnen totdat zij de voor Brito de Castro vluchtende bewoners tegenkomen. Ingeklemd tussen de twee strijdgroepen, hebben zij geen schijn van kans en de strijd is snel voorbij, ofschoon groepen bewoners zich in geïsoleerde huizen blijven verzetten. Deze huizen worden in brand gestoken. João dos Santos o.p. laat weten : ‘De Portugezen willen geen levend wezen sparen; zij doden vrouwen en kinderen, apen en papegaaien en andere onschuldige dieren, met zo’n woede alsof zij verantwoordelijk zijn voor de zonden van de stad’. De pater schat dat 400 bewoners met het zwaard worden omgebracht en dat er 300 worden gevangengenomen. Aan Portugese kant zijn vier doden en 40 zwaar gewonden te betreuren. Het grote aantal zwaar gewonde Portugezen is het gevolg van het desperate verzet van de regerend sultan en 35 getrouwen, die zich letterlijk doodvechten en die 78 van hun aanvallers verwonden, aldus Boxer, die dit gegeven heeft ontleend aan Francisco Rodrigues da Silveira. Couto, een verslag citerend waarin de slachting ongetwijfeld overdreven is, geeft een aantal van 2.000 doden en spreekt over ‘vele’ gevangenen; hij noemt ook vier gedode of dodelijk gewonde Portugezen en schat het aantal gewonden op tachtig. Het op een lans gestoken hoofd van sultan Estambadur kijkt neer op de verwoeste stad, terwijl de winnaars twee dagen nodig hebben om de buit in hun schepen te laden. Wat niet ingeladen kan worden, wordt gegeven aan stamleden op het vasteland, waarna Faza in brand wordt gestoken. Ook een zeewaardig vaartuig en een sleep kleinere vaartuigen ondergaan dit lot. Tenslotte kappen de overwinnaars de kokospalmen die de stad omringen, 8.000 in totaal. Santos merkt op: ‘Alles wat overbleef van de eens zo trotse stad Ampaza, is niet meer dan een vlak terrein.

De vloot gaat voor anker bij Pate, aan de zuidkant van het gelijknamige eiland. De sultan, zich volledig bewust van wat Faza is overkomen, verklaart dat hij nooit zijn trouw aan Portugal heeft opgezegd; hij heeft de Turken alleen aan land laten komen om de stad, haar inwoners en zichzelf te beschermen. Martim Afonso de Mello aanvaardt zijn verontschuldigingen en spreekt af dat Pate 100.000 cruzados per jaar als tribuut zal betalen.

De vloot passeert het eiland Manda en arriveert voor de stad Lamu. De sultan en zijn volgelingen ontvluchten de stad. Martim Afonso de Mello Pombeyro verklaart hem vervallen van de troon en confisqueert zijn bezittingen. Hij plaatst de weduwe van de vorige sultan op de troon, nadat zij vazaliditeit gezworen heeft en beloofd heeft 100.000 cruzados per jaar als tribuut te betalen.

De sultan van Malindi ontvangt de Portugezen met vreugde. Martim Afonso de Mello overhandigt de vorst enige brieven van de vice-rei en een paar stukken geschut, waarmee hij erg blij is. De sultan biedt aan een aantal van zijn volgelingen deel te laten nemen aan de expeditie naar zijn aartsrivaal Mombaça. Martim Afonso voegt een fusta toe aan de drie pangaios van de sultan. Hij zendt zijn gewonden naar Malindi, om daar op te knappen. De aankomst van een schip uit Goa, met de opdracht zich, na uitvoering van zijn oorspronkelijke regimento, voor overwintering naar Ormoez te begeven en de sjah van Perzië te steunen tegen de Turken, bespoedigt de voorbereidingen voor vertrek. Daags nadat de vloot bij Mombaça voor anker is gegaan, belegt Martim Afonso een vergadering, waaraan ook de sultan van Malindi en zijn belangrijkste aanvoerders deelnemen. De sultan van Mombaça zou de komst van de Portugezen met vertrouwen hebben afgewacht, omdat hij 7.000 man tot zijn beschikking heeft en onder hun wapens zijn ook vuurwapens. Het enthousiasme waarmee de Portugezen aan de onderneming begonnen zijn, verdampt meer en meer en nu wordt afgesproken dat naar een vreedzame regeling gestreefd zal worden, maar als deze niet op Portugese voorwaarde kan worden bereikt, dan zal de gecombineerde strijdmacht van Portugal en Malindi de stad aanvallen. De volgende dag zeilt de armada de haven van Mombaça binnen. Twee fustas stoten op de koraalbank tegenover een paar bastions aan de haven, waarschijnlijk bij Ras Serani. Er wordt vuur uitgewisseld; de Portugezen van de gestrande fustas stormen aan land en drijven het garnizoen op de vlucht en vernagelen de weinige kleine kanonnen die zij aantreffen. Zodra de armada voor anker is gegaan, arriveert een boodschapper uit de stad die Martim Afonso smeekt de sultan te ontvangen. De rest van de dag en de volgende dagen wordt op de komst van de sultan gewacht. Maar de sultan en zijn aanvoerders zijn bezorgd over het lot dat hen ongetwijfeld wacht als zij zich aan boord van een Portugees schip begeven en de sultan en de zijnen benutten de tijd die op hen wordt gewacht met de evacuatie van het eiland. Als de Portugezen tenslotte aan land komen, ontmoeten zij geen weerstand. Zij plunderen het paleis en de stad en maken daarbij veel ivoor en kleding buit. Zij verwoesten het leeggehaalde paleis en zetten een groot deel van de stad in brand en daarna beginnen zij de tuinen en bossages die de stad omringen, te verwoesten. Vervolgens keren zij terug naar de stad en beginnen de stadsmuren neer te halen. Als grote stukken muur al gesloopt zijn, naderen een aantal bewoners met een vredesvlag, Zij voorkomen verdere verwoesting door 4.000 cruzados te betalen.

De vloot blijft twintig dagen in Mombaça, waar de schepen worden gebreeuwd, opgekalefaterd en andere herstellingen worden verricht. Er wordt vers voedsel ingeslagen en er wordt gewacht op de onderwerping van de sultan, maar ofschoon hij een hypocriete brief schrijft, laat hij zich niet zien. Tijdens het verblijf in Mombaça, arriveren twee pangaios met soldaten, gezonden door de Capitão van Sofala en Moçambique. De soldaten zijn afkomstig van de nau São Filipe, welk schip in april 1586 Portugal verlaten heeft en in Moçambique heeft moeten overwinteren. De São Filipe is niet doorgevaren naar Indië, maar heeft in Moçambique de lading aan boord genomen, waarmee de nau São Lourenço uit Indië onderweg was naar Portugal. Dit schip is niet in staat geweest langs Moçambique te komen en het is daar gelost. De São Filipe keert met de lading van de São Lourenço naar Portugal terug. De versterkingen afkomstig van de São Filipe worden verdeeld over de galeras en fustas. De vloot komt ook de nau São Salvador te hulp. De nau heeft, onderweg naar Portugal, in stormen aan de zuidkust van Afrika zulke zware schade opgelopen, dat het heeft moeten terugkeren naar Moçambique, maar het heeft Moçambique niet kunnen vinden en de wanhopige bemanning staat op het punt het schip te doen stranden. Martim Afonso zendt het schip met boodschappen en met het afgehouwen hoofd van de onfortuinlijke Estambadur terug naar Goa. In Goa wordt het hoofd, gestoken op een lans en vergezeld van muziek van trommels en trompetten, aan het volk getoond, terwijl in de stad plechtige proclamaties worden afgestoken. De koning van Portugal is wel tevreden met het succes van de vloot, die bij aankomst in Ormoez 70.000 cruzados aan buit vervoert, maar hij beklemtoont de noodzaak inlichtingen te verkrijgen over de houdingen en bedoelingen van de koningen aan de Swahilikust.

Kort nadat Manuel de Sousa Coutinho de plotseling overleden onderkoning Dom Duarte de Meneses als capitão-geral van de Estado da India is opgevolgd, besluit Dom Paulo de Lima, moe van het oorlogvoeren en teleurgesteld over de geringe mate van erkenning, terug te keren naar Portugal. Hij scheept zich in op de São Tomé, onder kapitein Estevam Veiga, welk schip tezamen met de andere naus van de retourvloot, zal uitzeilen. Aan de kust van Natal stoot het schip lek en om de nau te redden, wordt al zijn lading overboord gezet. Er wordt een reddingsboot gestreken, maar daarin nemen zovelen opvarenden plaats dat de boot overladen is en met alle inzittenden zinkt. Een andere reddingsboot zinkt niet, omdat er tijdig voldoende inzittenden overboord worden gegooid. Zij verdrinken en slechts 89 personen slagen erin het strand te bereiken. Zij komen aan land dicht bij de Rio Simão Dote, op 50 léguas ten zuiden van de baai van Lourenço Marques. De schipbreukelingen trekken naar de stad van de koning van Manica, door wie zij vriendelijk worden ontvangen. Hij biedt hen ook verstrooiing en geeft hen toestemming zich in de stad danwel op een naburig eiland te vestigen, totdat een Portugees schip zal arriveren, waarmee zij kunnen vertrekken. Zij aanvaarden het aanbod zich op het eiland te vestigen, waar diverse Portugezen overlijden. Na korte tijd steekt een aantal schipbreukelingen over naar het vasteland; een deel van hen weet uiteindelijk Sofala te bereiken, terwijl de anderen de stad van de koning van Inyack arriveren. Hier stuiten zij op enige Portugese kooplieden, die eveneens schipbreuk hebben geleden. Van degenen die op het eiland zijn gebleven, sterven naderhand verschillende mensen, onder wie Dom Paulo de Lima, die daar aan het strand wordt begraven. De overlevenden worden na enige tijd gered door een schip dat op weg is naar Goa, vanwaar zij bij eerste gelegenheid naar Portugal vertrekken.

De algemene blijdschap over het succes van de vloot onder Martim Afonso de Mello is voorbarig; in Ormoez wordt vernomen dat Ali Bey een vloot van vier galeien aan het uitrusten is, om naar de kust van Oost-Afrika te gaan om in Mombaça een fort te bouwen. Ook zou de tuchtiging van de sultans hen niet tot het gedwee aanvaarden van Portugals suzereiniteit brengen, maar zij hebben daarentegen boodschappers met brieven en geschenken aan de Turken gezonden en zij hebben hen gevraagd de aanvallen waaraan zij hebben blootgestaan te komen vergelden. Gebrek aan hout voor de bouw van de galeien vertraagt zijn vertrek, maar in januari 1589 zeilt Ali Bey uit met vier galeien en de fusta die oorspronkelijk heeft toebehoord aan Roque de Brito Falcão. De inwoners van Mogadiscio verwelkomen hem en geven hem geld. Hij zeilt verder naar het zuiden en wordt in de meeste van de grotere steden goed ontvangen; zij ondersteunen hem en smeken hem om bescherming tegen de Portugezen.

Het flottielje arriveert op zekere dag bij Malindi net als de schemer invalt. De Capitão aan de Malindikust, Mateus Mendes de Vasconcelos, geeft bevel twee valken los te laten en zij komen in aktie op de top van een zanderige hoogte, ongetwijfeld de kam van de lage kliffen die liggen ten zuiden van Leopard Point, en ondanks de nachtelijke duisternis weten de valken de galeien enige schade toe te brengen. Ali Bey haalt zijn anker op en vervolgt zijn reis langs de kust. Hij besluit naar Malindi terug te keren als hij in Mombaça een fort heeft gebouwd. Ali Bey bouwt het fort snel, waarschijnlijk door vergroting van eerder genoemd bastion bij Ras Serani. Maar de vijand die hij het meest moet vrezen, verschijnt niet op zee, maar komt van het vasteland en is aanzienlijk angstwekkender dan de Portugezen zijn.

Santos is ervan overtuigd dat de Zimbas die plotseling op het toneel verschijnen dezelfde stam is die zich eerder in de vallei van de Cuama al zeer oorlogzuchtig heeft getoond. Een of andere niet erg machtige chief begint plotseling een carrière van plunderaar; hij en zijn volgelingen vechten zich naar het oosten en noorden, waarbij zij de gebieden waar zij doorheen trekken plunderen en verwoesten en de inwoners die niet hun lot met hen willen delen opeten, waarbij zij niets en niemand ontzien. Zij naderen Kilwa tegen de tijd dat hun horde is aangegroeid tot 15.000 krijgers. Zij kamperen tegenover het eiland, dat zij niet kunnen bereiken, en blijven daar wonen. Na enige maanden steekt een inwoner van Kilwa, gedreven door hebzucht, ’s nachts in het geheim bij een doorwaadbare plaats de Mlango Mugongo over naar het kamp van de Zimba en biedt aan hen de weg naar Kilwa te wijzen, in ruil voor een veiligheidsgarantie voor zijn gezin en hemzelf. Hij wil ook een deel van de buit en een stuk land. De leider van de Zimba gaat gretig op het aanbod in. De verrader leidt de krijgers – ongetwijfeld bij nieuwe maan – door het kanaal en in de eerste uren van de morgen vallen de Zimbas de nietsvermoedende eilandbewoners aan. De meeste stedelingen worden gedood voordat zij zich kunnen verdedigen; de rest van de inwoners van Kilwa wordt gevangengenomen en wordt door de Zimbas op hun gemak opgegeten. In totaal worden – volgens schatting van Santos – meer dan 3.000 Swahili gedood en verorberd, onder hen zijn veel vrouwen ‘die erg mooi en delicaat’ zijni. De enige overlevenden zijn zij die het bos en de mangrovemoerassen zijn ingevlucht en zich daar schuilhouden totdat de Zimbas van het eiland vertrekken, nadat zij het paleis van de sultan, de moskeeën en de huizen grondig hebben geplunderd. De chief van de Zimba ontbiedt de verrader en zegt hem dat iemand die zo wreed, zelfzuchtig en vals is als hij, niet verdient te leven. De chief geeft opdracht de verrader en zijn gezinsleden vast te binden en in zee te gooien, want het is voor de Zimbas niet raadzaam vlees te eten dat zozeer is bedorven. De Zimbas zetten hun opmars in noordelijke richting voort. Zij kamperen tegenover Mombaça, maar kunnen niet naar het eiland oversteken; het kanaal is te diep om te doorwaden en er zijn geen verraders. En Ali Bey legt twee van zijn galeien bij Makupa om het eiland te beschermen. Juist in die tijd arriveert de Portugese vloot bij Mombaça en dwingt de Turken op twee fronten te strijden.

Voordat de Turkse galeien de Rode Zee voor de tweede keer verlaten, worden de voorbereidingen daartoe gerapporteerd aan de Capitão aan de Malindikust. Deze zendt een fusta met de verontrustende tijding naar Goa en verzoekt om hulp. De capitão-geral, Manuel de Sousa Coutinho, brengt haastig een armada bijeen, bestaande uit twee galeãos, vijf galeras, zes galeotas en zes fustas, waarop zich duizend soldaten bevinden. Omdat Martim Afonso de Mello in Ormoez is overleden en daarom zijn taak een fort te bouwen in Muscat aan zijn opvolger moet overlaten, geeft de gouverneur zijn broer, Tomé de Sousa Coutinho, het bevel over de vloot. De vloot verlaat Goa op 3 (Boxer) of 30 (Axelson) januari 1589. Een galera maakt in zwaar weer water en keert terug; en verschillende vaartuigen zijn gedwongen lading overboord te zetten en de galeãos hebben het ook zwaar te verduren en verliezen het contact met de vaartuigen met roeiers die aan de kust van Somalië behoed worden voor aan de grond lopen dankzij een paar toevallige vuren aan de kust.

De schepen verzamelen zich in Brava, waar bevestiging ontvangen wordt dat de Turken inderdaad op weg zijn naar het zuiden. De vloot vertrekt daarom zo spoedig mogelijk en bereikt op 22 februari Faza, dat opnieuw bevolkt en ten dele herbouwd is. De nieuwe sultan, die doodsbang is, vraagt om veiligheidsgaranties, voordat hij het vlaggenschip zal bezoeken. Hij krijgt de gevraagde garanties en wordt hoffelijk door Tomé de Sousa Coutinho ontvangen. De capitão-mór belooft een vredesverdrag met hem te zullen sluiten, op voorwaarde dat hij zal bewijzen een trouw vriend te zijn van de Portugezen en dat hij de Turken zal afwijzen. Coutinho zendt een bericht naar de stad Pate, waarin gevraagd wordt om anti-Mombaça gezinde krijgers voor landoperaties tegen Mombaça. De vloot zeilt naar Lamu om water in te nemen. Hier ontvangt Coutinho een boodschap van Mateus Mendes de Vasconcelos, die rapporteert dat Ali Bey in Mombaça is aangekomen. De Capitão aan de Malindikust dringt erop aan dat de vloot zo snel mogelijk naar Mombaça vaart, om te voorkomen dat Ali Bey op de nadering van de vloot wegglipt. Op 3 maart arriveert de vloot in Malindi, waar Mateus Mendes in persoon rapport uitbrengt aan Coutinho. De capitão-mór vraagt naar de sultan; deze komt aan boord op het vlaggenschip en Coutinho geeft hem een geschenk van zijn broer, gouverneur-generaal Manuel de Sousa Coutinho. De vloot vervolgt haastig haar weg nadat Mateus Mendes daaraan een galeota en een fusta heeft toegevoegd. Tijdens de reis verneemt Tomé de Sousa Coutinho waarom de sultan van Pemba in Malindi verbleef. Op Pemba wonen veel Portugese oud-soldaten en oud-kooplieden die feitelijk de lakens op het eiland uitdeelden. Zij vielen de eilandbewoners voortdurend lastig. Zij stelen het toebereide voedsel uit de keukens van de inheemsen, omdat zij te lui zijn zelf te koken en zij eigenen zich alles toe wat van hun gading is. De inheemsen zijn daardoor zo geïrriteerd geraakt, dat zij onverwachts een aanval op de vreemdelingen hebben ondernomen. Zij zijn ook te hoop gelopen tegen het paleis, omdat de sultan niets heeft ondernomen om de Portugezen in toom te houden. De Portugezen die de opstand hebben overleefd en de gehate sultan zijn in pangaios naar Malindi gevlucht.

De vloot van 19 vaartuigen verschijnt bij het aanbreken van zondag 5 maart bij Mombaça. De Turken vuren een groot kanon van het pas gebouwde fort af en ontvouwen vlaggen ten teken dat zij de strijd willen aangaan. Kleinere stukken schieten ijzeren kogels af, waarmee zij de vloot op afstand houden, terwijl de capitão-mór juist voorbereidingen treft voor een landing. Hij geeft Mateus Mendes de Vasconcelos opdracht de voorhoede, die bestaat uit de kleinere schepen te leiden. Daarna volgen de galeotas en tenslotte komen de galeras, op een waarvan de capitão-mór zich bevindt. De schepen naderen de haveningang met wapperende vlaggen, het roeren van trommels en trompetgeschal. Het fort opent het vuur, dat door het vlaggenschip wordt beantwoord, waarbij een gelukkig schot de chief van de Turkse schutters doodt. Het schieten van het fort wordt gestaakt en het garnizoen vlucht de stad in. De Portugezen denken Ali Bey, prominent rijdend op een paard, te kunnen onderscheiden. Een jonge edelman stormt met vijf companen aan land; zij vinden het fort verlaten, op twee dode en twee nog levende Turken na. Zij sturen de laatsten weg en halen de zijden vlaggen naar beneden. De leidende Portugese schepen enteren de twee galeien en de fusta die voor de stad voor anker liggen en in ‘minder dan vijf credo’s’, zoals Couto zich uitdrukt, zijn de Turken aan boord dood of zij liggen in het water. Enige Portugezen springen, met het zwaard tussen hun tanden, de laatsten achterna en doden hen op het strand. De capitão-mór geeft enige schepen opdracht naar het uiteinde van het eiland te varen, waar Ali Bey’s twee andere galeien worden genomen, ofschoon de Turken aan boord van deze galeien meer tegenstand bieden, omdat zij geen alternatief hebben. Enige Turken ontkomen naar het vasteland, waar zij prompt worden gedood door de Zimbas, en vervolgens door hen worden verorberd. De Turken die de strijd overleven geven de voorkeur aan gevangenschap bij christenen. Aan boord van de Turkse schepen vinden de Portugezen grote rijkdommen aan goud en, amber en ivoor, fijne kleding, civet en slaven, om nog maar te zwijgen over 29 stuks artillerie, waarvan 23 bronzen kanonnen. Zij bevrijden een aantal christenen die aan de roeibanken gekluisterd waren. De operaties over de hele dag kosten het leven aan slechts vier Portugezen, ofschoon er velen gewond zijn. De commandant schat het aantal gesneuvelde Turken op 100, terwijl er 70 zijn gevangengenomen.

Die nacht, verzoekt de sultan van Mombaça om vrede, wetende dat zijn vluchtweg hem bij de Zimbas brengt. Tomé de Sousa Coutinho antwoordt met de boodschap dat hij de verzekering wil hebben dat de Turken die nog in Mombaça verblijven aan hem zullen worden uitgeleverd en wel binnen 24 uur. Maar geen Turk geeft zich over en daarom landen 500 Portugezen op de morgen van 7 maart, onder de vlag met de figuur van Christus met het kruis. De inwoners van de stad vluchten het bos in en de Portugezen ontmoeten geen tegenstand. Zij plunderen de stad en steken haar vervolgens in brand. Na 1505 en 1529 is dit de derde maal dat de Portugezen Mombaça verwoesten. Aan het strand wordt een aantal vaartuigen, met inbegrip van een met tamelijk grote afmetingen, genomen. Coutinho ontvangt van de Zimbas een boodschap waarin zij voorstellen tezamen met de Portugezen met de Turken af te rekenen. De Portugezen hebben hiertegen geen bezwaar en Santos spreekt zelf over aanvaarding van het voorstel. De Zimbas overstromen op 15 maart het eiland. Zij doorzoeken de bosjes kokospalmen en kammen het struikgewas uit naar Turken en stadsbewoners die zich hebben verstopt en die naar het strand vluchten. Ali Bey rijdt op zijn paard de zee in en de Portugezen redden hem en dertig leidinggevende Turken, ofschoon een regen van pijlen op hen neerdaalt. Zij nemen ook 200 inwoners van Mombaça gevangen, onder wie een zoon en een broer van de sultan van Kilifi.

Op 15 maart, de laatste dag van de operaties, arriveren de twee galeãos in Mombaça, met welke schepen het contact tijdens de storm in de Arabische Zee verloren is gegaan, tezamen met de prins van Pate, die aan het hoofd staat van een aanzienlijke strijdmacht uit die stad. De schepen vuren hun kanonnen af om het Portugese succes te vieren, ofschoon het nog niet zeker is of zij ook de uiteindelijke overwinnaars zullen zijn. Tomé de Sousa Coutinho geeft de Capitão aan de Malindikust opdracht de sultan van Pemba zijn troon te hergeven, voor welk doel capitão Mateus Mendes de Vasconcelos met diverse schepen van de vloot vertrekt, voor een strafexpeditie naar Pemba. Daar wordt geen weerstand ondervonden en de verdreven Portugese factor en de sultan keren terug op het eiland, maar de sultan zal na korte tijd opnieuw de wijk moeten nemen. De rest van de vloot verlaat Mombaça op 22 maart en zeilt naar Malindi, waar de schepen enthousiast worden verwelkomd. De capitão-mór laat twee schepen en een aantal soldaten in Malindi achter, om de sultan zo nodig te helpen als de stad zou worden aangevallen door de Zimbas.

De vloot bereikt op 28 maart Lamu. Sultan, Bwana Bashira, komt naar de galeien toe om de capitão-mór zijn respect te betuigen, maar deze geeft opdracht de sultan te grijpen en hem subiet aan de riemen te zetten. Tijdens een belegde vergadering wordt besloten Bwana Bashira te executeren als een waarschuwing aan het adres van andere afvallige sultans. De vloot zet haar reis voort naar het eiland Pate. Tomé de Sousa Coutinho beveelt de prins van Faza en de sultan van Siyu en hun volgelingen zich op 6 april op het strand te verzamelen. Hier hebben de Portugezen een platform opgericht en na toespraken in het Portugees en het Swahili wordt Bwana Bashira als verrader en rebel bestempeld. Hij wordt ervan beschuldigd Roque de Brito en andere Portugezen aan de Turken te hebben uitgeleverd en zelf een bondgenootschap met hen te zijn aangegaan. Vervolgens wordt Bwana Bashira onthoofd. Daarna ondergaat de broer van de sultan van Kilifi hetzelfde lot. Twee bestuurders uit de stad Pate, die naar de Rode Zee zijn gereisd om Ali Bey te vragen terug te komen naar de Swahilikust en die hem naar Mombaça hebben gebracht, worden ook onthoofd, maar omdat zij niet van koninklijke bloede zijn, worden zij geëxecuteerd aan de voet van het platform en hun lichamen worden gevierendeeld en in Pate aan de bevolking getoond. De capitão-mór veroordeelt de stad Pate bovendien tot betaling van 4.000 cruzados boete, omdat de stad zich niet tegen de Turken heeft verzet. Bovendien moet een fort worden afgebroken dat kortgeleden is gebouwd. De sultan van Siyu, die de gebeurtenissen met stijgende bezorgdheid heeft gevolgd, wordt vervolgens gearresteerd omdat hij de Turken heeft verwelkomd en Mombaça en Pate niet te hulp is gekomen. Zijn stad wordt een boete opgelegd van 3.000 cruzados, moet de stadsmuren afbreken en zolang een en ander niet is gebeurd, wordt de sultan in een galei aan de riemen gezet. Tomé de Sousa Coutinho zendt dan een aantal van zijn kleinere schepen naar Manda. De bewoners ontvluchten de stad bij de komst van de Portugezen, die daarop de stad tot de grond toe afbreken. Zij kappen daarna duizend kokospalmen in de buurt van de verwoeste stad, waarbij onwillige mannen uit Pate gedwongen worden de soldaten te helpen.

Als de strafexpeditie op 10 april voltooid is, verlaat de vloot Pate en gaat voor anker bij Faza. Hier sluit Tomé de Sousa Coutinho een plechtig verdrag met de prins, die op de koran zweert de vrede met de Portugezen te bewaren, de toegang tot zijn land te weigeren aan Portugals vijanden en in het bijzonder belooft geen fris water, loodsen en andere diensten aan de Turken te verstrekken. De prins belooft ook zich met de sultans van Siyu en Pate te verbinden tegen de Turken als zij zich nog ooit in deze wateren laten zien. Tenslotte belooft de prins jaarlijks twintig slaven te leveren voor de galeien van Portugees Indië. Hem wordt goed ingeprent dat als hij zich niet aan het verdrag houdt Faza hetzelfde lot zal ondergaan als Mombaça. Sousa Coutinho zweert vervolgens de prins in als de natuurlijke heerser van Faza. Soortgelijke verdragen worden aangegaan met de sultan van Siyu en met de nieuwe sultan van Pate. De vloot verlaat de wateren van Pate op 15 april en bereikt Goa op 16 mei 1589. Ali Bey wordt naar Portugal gezonden, waar hij zich bekeert tot het christendom. De andere Turken en met hen verbonden Arabieren en Swahili worden verdeeld over diverse galeien in Indië.

De achtereenvolgende overwinningen van de Portugezen, de Zimba en de Segeju plaveien de weg voor de bouw van een Portugees fort op het eiland Mombaça. Aanvankelijk is de Portugese Kroon tegen de bouw van een fort op het eiland Mombaça gekant en de koning is geneigd volledig te steunen op de trouw van Malindi. Op 21 januari 1591 schrijft koning Filipe I zijn gouverneur Manuel de Sousa Coutinho een brief waarin hij hem opdracht geeft advies in te winnen over de bouw van een fort in Mombaça bij lieden die ervaring hebben aan de Swahilikust. Het fort dient de Turken te weerhouden nogmaals de Swahilikust te bedreigen en het levert een algemene bijdrage aan de veiligheid in het gebied. Het eiland dient te worden overgedragen aan de sultan Muhammad van Malindi, die heeft gevraagt zijn persoon en zijn hof te mogen verplaatsen naar Mombaça, als beloning voor zijn loyaliteit. Koning Filipe schrijft ook dat uit de opbrengsten van het in Mombaça op te zetten douanekantoor (alfândega) het garnizoen daar zou kunnen worden betaald. Filipe vervolgt, omdat Malindi al een eeuw lang Portugal ononderbroken trouw is geweest, zou het eiland en de stad Mombaça aan de sultan van Malindi kunnen worden overgedragen, waarom niet alleen sultan Muhammad heeft verzocht, maar wat ook is aanbevolen door gouverneur Manuel de Sousa Coutinho. De sultan zou Mombaça in naam en tot genoegen van koning Filipe besturen en aan hem en zijn opvolgers zou al het land kunnen worden gegeven dat niet behoort aan de capitania Mombaça, waarin de capitania van de Malindikust is opgegaan, en aan Portugese bewoners. Het fort dient te worden gebouwd op de plaats waar de Turken eerst hun fort hadden gebouwd, of op een betere plaats als die zou kunnen worden gevonden. Het fort zal worden ontworpen en gebouwd door João Batista, die volgens Couto in Milaan is geboren en wiens achternaam Cairato is, zoals blijkt uit de steen die de bouwopdracht weergeeft. Cairato heeft in 1560 het toezicht gehad op de verbeteringen van de fortificaties van het eiland Malta, toen dit eiland vreesde voor een aanval van de Turken; hij is een gerenommeerd expert op het gebied van de bouw van forten geworden en op uitnodiging van koning Filipe is hij in 1577 naar Spanje gekomen; in 1583 is hij naar de Oriënt gezonden, als hoofdarchitect van de Estado da India.

De Zimbas, dringen ondertussen meedogenloos op van Mombaça naar het noorden. Zij naderen Malindi en de stadsbewoners, die worden ondersteund door slechts 30 Portugese soldaten en handelaren, werken furieus aan de verbetering van de verdediging van de stad. Veel Zimbas worden gedood met vuurwapenen, maar desondanks verkrijgen zij vaste voet in de benedenstad en zij zijn bijna meester van een bastion, als 3.000 Segeju-stamleden, opgeroepen door sultan Muhammad, in korte tijd arriveren en de achterhoede van de Zimbas overrvallen. Het zijn nu de Zimbas die tussen twee vuren inzitten en na zich vastbesloten te hebben verdedigd, worden zij tenslotte tot een ordeloze vlucht gedreven, waarbij zij worden achtervolgd door de Segeju, een Bantoe-volk dat korte tijd geleden uit het noorden is gearriveerd. Santos schat dat niet meer dan 100 Zimbas aan hun achtervolgers ontkomen; zij keren terug naar de vallei van de Cuama, vanwaar zij hun opmars zijn begonnen.

De sultan van Malindi wendt zich tot zijn krachtige en zegenvierende buren om een einde te maken aan langdurige vete met Kilifi, ongeveer halverwege tussen Malindi en Mombaça. Rovers uit dit gebied plegen inwoners van Malindi in hinderlagen te lokken en uit te schudden. In 1592 bestormt een strijdmacht bestaande uit Segeju, inwoners van Malindi en Portugezen de fortificaties die Mnarani, de belangrijkste stad van Kilifi, moeten beschermen. De stad wordt geplunderd en tot de grond toe verwoest. De buit is aanzienlijk en er worden ook veel gevangenen gemaakt. Overlevenden van Kilifi ontsnappen naar Mombaça. De stad is aan het herstellen en de sultan heeft een strijdmacht van ongeveer 5.000 Swahili en inheemse vazallen op de been gebracht, om een inval te doen in het gebied van de Segeju. De laatsten vallen de strijdmacht van de sultan aan en behalen de overwinning. In het gevecht zijn de sultan, drie van zijn zonen en een aantal andere leidinggevende inwoners van Mombaça gevallen. De Segeju achtervolgen de overlevenden tot op het eiland Mombaça, waar zij veel vrouwen, de overgebleven bestuurders en een jonge zoon van de sultan gevangennemen. De zoon van de sultan en de bestuurders worden aan boord van twee in Mombaça gevonden schepen overgebracht naar de haven van Malindi, waar de Capitão aan de Malindikust zeer bezorgd een aanval van troepen uit Mombaça afwacht. Groot is de vreugde als ontdekt wordt dat het wiel van fortuin naar de andere kant is gedraaid. De jonge prins uit Mombaça bewijst de sultan Muhammad van Malindi eer. Sjeik Muhammad is de eerste sultan van een nieuwe dynastie (de laatste sjeik van de oude dynastie is door de Segeju gedood) De sultan en de Capitão aan de Malindikust zeilen direct naar Mombaça, waar de Segeju het eiland overdragen aan de sultan. Nadat de Zimba het eiland Mombaça verlaten hebben, schijnt het enige tijd te zijn bezet, eerst door de sjeik van Kilifi en dan door de Segeju, die er in 1592 geen bezwaar tegen hebben om het eiland over te dragen aan de heerser van Malindi en aan de Portugezen, omdat zij een volk van veehoeders en niet van stedelingen zijn. Sultan Muhammad kiest Mombaça als zijn residentie en laat Malindi in zijn naam besturen door gouverneurs.

In deze tijd steken veel leden van de Kilindini-stam, waarvan de meerderheid van de heden ten dage in Mombaça levende oude families afstamt, van het vasteland de Makupa-kreek over en vestigen zich in de Swahili-kustdorpen ten zuiden van Mombaça-stad. Zij doen dit met toestemming van de Portugezen en wellicht ook van sultan Muhammad die het eiland, dat vrijwel uitgemoord is door de Zimba, opnieuw willen bevolken. Voor bijzonderheden over de Swahilikust zijn we volgens Boxer aangewezen op hetgeen de dominicaan Frei João dos Santos en de franciscaan Gaspar de São Bernardino ons hebben nagelaten. Het fort in Mombaça en de gehele kust van Cabo Delgado tot Brava staat onder jurisdictie van de Capitão aan de Malindikust die, evenals alle capitães van de forten in Portugees Azië benoemd is voor een termijn van drie jaren. Deze capitão heeft feitores gestationeerd in elk van de Swahili-centra: Kilwa, Mafia, Pemba, Zanzibar, Lamu en Pate. De handel bestaat voornamelijk uit ivoor, grijze amber, de schilden van schildpadden, slaven, was, gierst en rijst, welke goederen vooral worden geruild voor textielwaren van katoen en kledingstukken uit Indië, ofschoon Pate zelf in die tijd beschikt over een bloeiende textielnijverheid die voor een groot deel aan de regionale vraag tegemoet komt. Langs de kust en op de eilanden is voedsel over het algemeen goedkoop en in overvloed aanwezig. Pemba voert citrusvruchten en kippen uit en Mombaça is een exporteur van vis. Op Zanzibar en Pemba groeit ook veel suikerriet, maar de Swahili zijn te onwetend of te lui om daaruit suiker te verkrijgen. Aan de andere kant zijn het bouwen van vaartuigen en de vervaardiging van matten en hoeden van stro bloeiende plaatselijke industrieën. De Swahili-steden worden omschreven als goedgebouwd, met huizen van meerdere verdiepingen, maar – naar Arabisch gebruik – met erg nauwe straatjes en steegjes. Kilwa verkeert in vergevorderde staat van verval, maar zijn kolossale half tot een ruine vervallen moskee geeft de bezoeker nog een indruk van Kilwa’s vroegere grootheid. De Swahili-heersers zijn allen schatplichtig aan de Kroon van Portugal, maar de jaarlijks ingezamelde bedragen variëren in ieder individueel geval. Pate en Faza schijnen in 1606 de meest welvarende steden te zijn , ondanks de drastische behandeling die zij vijftien jaar eerder hebben ondergaan. De Swahili worden door de twee paters omschreven als in hoge mate geafrikaniseerd en – volgens Santos zijn de meeste Swahili sjiieten, ofschoon er ook een aantal Soennieten woont. Op Pemba floreert hekserij en tovenarij.

In januari 1593 zendt vice-rei Mathias de Albuquerque (1591-1597) een vloot van zes fustas, vier galeotas en een galeão uit. De vloot vervoert: artillerie, munitie, kleding en geld, steenhouwers, metselaars, zagers, timmerlieden, soldaten, officieren en ambtenaren voor de bouw van het fort in Mombaça. Capitão-mór is de ervaren Mateus Mendes de Vasconcelos, die gemachtigd is de plannen die Cairato op tafel legt goed te keuren als zij hem passend voorkomen. Cairato heeft ook tot taak de beste plaats voor het fort, waarvan Mateus Mendes capitão wordt uit te kiezen. Zijn regimento luidt dat hij Moçambique moet beschermen tegen aanvallen vanuit het noorden en hij dient de gehele Malindikust schatplichtig te maken aan de Portugese Kroon. Op 11 april 1593 starten de bouwwerkzaamheden. Het fort zal verrijzen op een verhoging waar de ingang tot de binnenhaven overzien kan worden. Het werk vlot goed, dankzij de speciaal aangestelde mestre das obras, ene Gaspar Rodrigues. ‘Gebouwd volgens een hoogst origineel plan, heeft Forte Jesus door de eeuwen heen geen structurele wijzigingen behoeven te ondergaan. Hoewel gebouwd in de zeventiende eeuw, blijft het een opmerkelijk product van architectonische theorie uit de zestiende eeuw en…zijn concept markeert een hoogtepunt van denkbeelden uit de Renaissance. Het plan is rechthoekig, bijna vierkant, met vier grote hoekbastions met karakteristieke uitstulpingen om de postities van de schutters te beschermen’. De namen van de bastions luiden: São Matias (als een eerbewijs aan Mathias de Albuquerque), São Mateus (naar Mateus Mendes de Vasconcelos), São Filipe (naar Philips II van Spanje, koning Filipe I van Portugal) en Santo Alberto (naar kardinaal-aartshertog Albrecht VII de Austria, onderkoning van Portugal). Bij alle forten uit die tijd blijken de verborgen zijkanten van de bastions de beste plaats te zijn om er de kanonnen te plaatsen. Hiervandaan kunnen de zijkanten van de bastions nauwkeurig in het oog worden gehouden en om de maximale effectiviteit van het geschut te verkrijgen, is de toegestane lengte van de muren zorgvuldig berekend, zodat deze niet zou uitgaan boven het bereik van het geschut. Er kan een voortdurend kruisvuur worden onderhouden als twee symmetrische bastions worden gebruikt om elkaar te beschermen en de aanvaarding dat bastions elkaar dekkingsvuur moeten kunnen geven, is een fundamenteel kenmerk sinds de introductie van geschut. In Forte Jesus kunnen de bastions São Filipe en Santo Alberto kruisvuur afgeven; de vorm van de andere twee bastions – São Matias en São Mateus – zijn ingegeven door de plaatselijke omstandigheden; zij kunnen geen kruisvuur afgeven, maar beheersen de zee optimaal. Het resultaat is – volgens Boxer en Azevedo – een zeer interessant ontwerp.

Terwijl voortgang wordt gemaakt met de bouw van Forte Jesus, stellen de autoriteiten in Goa regels op voor het douanekantoor, dat in 1594 wordt voltooid. Over alle handelsgoederen die naar Mombaça komen, onverschillig of zij uit Indië komen of van de kust van Malindi (zoals amber en ivoor, schelpen van schildpadden, pek en kokosvezels) dient 6%, plus 1% extra om het fort te financieren, aan rechten te worden betaald. Zij die deze rechten hebben betaald, kunnen de goederen verzenden waarheen zij willen (uitgezonderd vijandelijke gebieden) zonder iets te hoeven betalen, maar als de goederen worden verkocht of anderszins vervreemd, dient nogmaals 6%, plus 1% te worden betaald, bij het verlaten van het douanekantoor, hoewel over tarwe, meel, olijven, olie, wijn, rijst, gierst, bonen en vlees geen 6%, maar slechts 1% moet worden betaald. Ieder schip uit Portugal dat door weersomstandigheden genoodzaakt is Mombaça aan te doen en dat daar wordt gelost, betaalt geen belasting over handelswaren of voorraden levensmiddelen bij aankomst, maar is wel 6%, plus 1% verschuldigd als het gebied van het douanekantoor verlaten wordt. Ieder vaartuig dat vaart tussen Indië en Moçambique mag vrij ankeren in door de capitão afgebakend gebied, maar over de goederen die aan land worden gebracht is 6% plus 1% verschuldigd. Alle vaartuigen uit Indië of Moçambique die op weg zijn naar de Malindikust, zijn verplicht Mombaça aan te doen en daar 6% plus 1% te betalen, op straffe van confiscatie van schip en lading. Hetzelfde geldt voor vaartuigen komend van de Malindikust, die naar een andere haven varen. Informanten ontvangen eenderde van de waarde van geconfisqueerde goederen en de rest is voor de schatkist. Er worden geen uitzonderingen gemaakt; ook de capitão en de feitor mogen niet onbelast handeldrijven. De koning van Malindi, evenwel, krijgt voor zijn loyaliteit en verleende diensten gedurende twee Turkse invallen, eenderde deel van de 6% en hij is bevoegd zijn eigen rechten te heffen op handelswaren die van zijn hof naar het vasteland worden vervoerd.

Het is een hele opluchting voor koning Filipe als hij verneemt dat aan Forte Jesus wordt gebouwd en dat Mateus Mendes de Vasconcelos tot capitão daarvan is benoemd, omdat hij inlichtingen heeft ontvangen dat de Turken met een nieuwe expeditie, bestaande uit twee galeien en een fregat, naar de Malindikust willen komen. Hij stemt ermee in dat de vice-rei sultan Muhammad van Malindi de helft van de landerijen op Mombaça-eiland heeft gegeven, maar laat weten dat zijn instemming noodzakelijk is als de onderkoning van plan zou zijn hem landerijen op het vasteland te geven. De koning gaat ook akkoord met de stichting en reglementering van het douanekantoor. Ook de bouwplannen van Forte Jesus en het zenden van versterkingen en meer steenhouwers uit Indië naar Mombaça krijgt ’s konings goedkeuring. Hij hoort ook met voldoening, ofschoon de inlichtingen prematuur zijn, dat de bouw van het fort bijna is voltooid en dat vazallen van de sultan van Malindi goed hebben geholpen. Filipe weigert hardvochtig João Batista Cairato toestemming te geven de Estado da India te verlaten, voordat er een Portugese of Italiaanse opvolger is gearriveerd en verondersteld wordt dat Cairato in Goa is gestorven zonder Europa te hebben teruggezien.

De sultan van Malindi beziet de bouw van Forte Jesus met gemengde gevoelens. Hij juicht het optreden toe van zijn machtige Europese bondgenoten zolang zij hem helpen zijn plaats als belangrijkste vorst aan de kust te behouden, maar nu zij een permanente militaire basis in Mombaça aan het creëren zijn, die zijn eigen autoriteit overschaduwt, is sprake van een heel andere zaak. Hij schrijft brieven aan de koning van Portugal, waarin hij betoogt dat de bouw van het fort een zeer kostbare, maar onnodige uitgave is. Deze brieven hebben de koning tot 1597 niet bereikt en de brieven van Filipe I aan hem worden eveneens onderschept. De sultan aanvaardt eenderde deel van de opbrengsten van het douanekantoor als een vorm van beloning voor bewezen diensten. Maar hij klaagt erover dat de stichting van het douanekantoor de handel aan de kust kapotmaakt, speciaal de verplichting dat alle bootjes, onverschillig wat hun uiteindelijke bestemming ook mag zijn, zich eerst in Mombaça moeten melden, betreurt hij. De sultan schrijft ook dat schepen die uit Indië in Mombaça aankomen, de Malindikust thans overslaan en zij hebben grote moeite tegen de moesson in naar deze kust terug te keren. Hij vraagt dat het zijn vaartuigen op zijn minst wordt toegestaan zich vrij naar alle havens aan de Swahilikust te begeven, zonder dat belasting moet worden betaald. Hij vraagt ook ieder jaar een schip naar Mecca te mogen zenden. Hij klaagt ook over de tirannieke acties van de Capitão van Mombaça, António Godinho de Andrade, die Mateus Mendes de Vasconcellos in 1596 is opgevolgd. Hij klaagt er ook over dat hij buiten zijn geboorteland moet leven. Tenslotte maakt de sultan aanspraak op het eiland Pemba, welks sultan overleden is.

De nieuwe vice-rei Dom Francisco da Gama, conde de Vidigueira, (1597-1600) heeft de gelegenheid de klachten van sultan Muhammad persoonlijk te onderzoeken. Hij zeilt in april 1596 uit, brengt in september van dat jaar een kort bezoek aan Moçambique en reist door naar Indië. Hij slaagt er niet in Indië te bereiken en is gedwongen terug te keren. Hij ankert op twaalf léguas van Faza. De heersers van Faza, Pate en Lamu komen naar het schip. Dom Francisco ontvangt hen goed en hij bekrachtigt het bedrag van de schatting die zij aan de Portugese Kroon verschuldigd zijn. Hij schenkt ook aandacht aan hun klachten over Portugese kooplieden die aan de kust handeldrijven en Diogo de Couto geeft als zijn mening dat dit soort kooplieden altijd, of bijna altijd, schandalen veroorzaakt, waar zij ook optreden. Dom Francisco neemt fris water in en zeilt naar Mombaça, waar hij op 4 december aankomt en waar hij verwelkomd wordt door capitão António Godinho de Andrade. En waar hij de volgende moesson zal afwachten. Hij geeft opdracht een onderkomen voor hem te bouwen op 150 passen van de bron die het fort van water voorziet. Sultan Muhammad brengt een bezoek aan Dom Francisco en bespreekt met hem de werking van het douanekantoor. De sultan legt de onderkoning uit hoezeer de alfândega de handelsstructuur langs de gehele kust verwoest. De prins van Pemba die, wegens zijn pro-Portugese houding al twee keer van dat eiland verdreven is, komt ook bij Dom Francisco klagen; hij vertelt hem dat hij door de overweldiger van het eiland van de troon gestoten is. De onderkoning toont zich gevoelig voor zijn klacht en belooft hem te zullen helpen; hij zal hem mee naar Goa nemen, waar hij een vloot bijeen zal brengen om hem zijn troon te hergeven. De van Pemba verdreven sultan bekeert zich in Goa tot het christendom en treedt in het huwelijk met een van de Portugese weesmeisjes, die periodiek door de Kroon naar Indië worden gestuurd. Als later een tweede poging de verdreven vorst opnieuw op de troon van Pemba te doen plaatsnemen, moet worden afgebroken, zal vice-rei Dom Francisco da Gama alle Portugese kolonisten en oud-soldaten die naar Pemba zijn teruggekeerd opdracht geven het eiland te verlaten en zich te vestigen op Mombaça-eiland, waar zij beter in de gaten kunnen worden gehouden. Een van zijn laatste daden die Dom Francisco da Gama in Mombaça verricht voordat hij doorreist naar Indië, is toe te staan dat een kluizenaarshut die uitziet op de haven, wordt veranderdii in een klooster, waarin paters augustijnen kunnen worden ondergebracht. Omdat de augustijnen ervaring hebben met de bekering van moslims en zij ook werkzaam zijn in Muscat en Ormoez in de Perzische Golf, geeft hij deze orde de verantwoordelijkheid voor de prediking van het christendom op het eiland Mombaça en aan de Malindikust, waarvan tot dan toe nog geen sprake is. De aartsbisschop van Goa zal later in 1597 Pedro de Nazaret en drie andere paters naar Mombaça zenden, om het huis te bewonen en een seminarie te starten en nog voor het einde van de zestiende eeuw beweren de augustijnen dat zij in een jaar 1.200 personen hebben gedoopt – onder wie de zoon van de gouverneur van Malindi – en van 4.000 zielen de biecht hebben afgenomen.

Boxer laat weten dat er, naast een half dozijn augustijnen in Mombaça een eenzame missionaris in een kleine kerk in Faza werkzaam is en wellicht ook een in Lamu. Tot de dag van vandaag wordt in Malindi bezoekers de ruïne aangewezen van een kapel, maar in 1606 treft Gaspar de São Bernardino in Malindi geen Portugezen aan. Op Zanzibar moet een kerk of kapel geweest zijn, waar – althans tijdelijk – een niet-augustijn werkzaam is geweest. De missionarissen boeken weinig succes aan de Swahilikust, evenals elders in de moslimwereld. Zij bekeren enkele slaven en heidense Bantoes, maar zijn in hoofdzaak werkzaam onder hun landgenoten en hun mulattokinderen.

Dom Francisco da Gama rapporteert aan Lissabon dat het douanekantoor jaarlijks al 4.500 cruzados opbrengt, wat een geweldige vooruitgang is. Hij is van oordeel dat het aandeel van de sultan van Malindi hierin, zijnde 1.500 cruzados, een ruime beloning is voor zijn verdiensten, zodat zijn aandeel op dit bedrag kan worden bevroren. Dit, evenwel, is koning Filipe geenszins van plan te doen en hij laat weten dat de sultan een derde deel van de opbrengst van het douanekantoor blijft ontvangen, onverschillig op welk bedrag dit uitkomt. De koning staat echter afwijzend tegenover de aanspraak van de sultan op Pemba, waar de onderkoning geen tegenstander van is. Filipe stelt dat Francisco Barreto op Pemba een nieuwe sultan heeft geïnstalleerd, die een vazal is geworden van de Kroon van Portugal en die derhalve verplicht is jaarlijks schatting te betalen. Zijn zoon heeft geholpen bij de bouw van Forte Jesus en toen in 1595 de Swahilikust opnieuw werd bedreigd door de Turken, is hij direct met veel volgelingen naar Mombaça gekomen, om het fort te bevoorraden en te verdedigen. Veel bewoners van Pemba vonden dat hun sultan en zijn zoons te sympathiek staan tegenover de Portugezen en het christendom. De sultan en zijn zonen zijn dan ook vermoord; alleen de jongste zoon heeft het bloedbad overleefd en die is door Dom Francisco meegenomen naar Goa. Hij heeft beloofd een christen te worden. Daarom wil de onderkoning hem laten trouwen met een Portugese en hem als koning de troon van Pemba laten bestijgen. Maar uiteindelijk heeft de prins geweigerd het christendom te aanvaarden, reden waarom Dom Francisco de claim op de troon van Pemba van de sultan van Malindi ondersteunt. Maar Filipe verklaart, terecht, dat het onjuist is dat de troon naar een vreemde gaat en hij geeft opdracht dat de broeder van de vermoorde sultan, ook al blijft hij een moslim, de troon verwerft. Maar geestelijken in Goa gaan door met het uitoefenen van zware druk op de jonge prins en als hij tenslotte naar Pemba terugkeert, ontstaat er opnieuw een opstand, waarbij de jonge aspirantkoning en veel Portugezen die niet tijdig de bakens verzet hebben, van het eiland verdreven worden.

Een andere consequentie van het bezoek van Dom Francisco da Gama aan Mombaça is, dat de havens die het eiland omringen voor de eerste keer volledig onderzocht zijn. De loods Manuel Monteiro is in het bijzonder onder de indruk van Twarka, het moderne Kilindini; de ingang tot de haven wordt gemarkeerd door een prominente padrão, en de haven is zo’n diepe veilige ankerplaats, dat er al direct stemmen opgaan om van Mombaça de belangrijkste aanloophaven op de zeeweg naar Indië te maken, wat het ook zal worden. De Portugese gouverneurs aan de Swahilikust zullen resideren in Forte Jesus, dat de belichaming wordt van de Portugese macht in dit deel van de wereld en daarmee het belangrijkste doel van hun vijanden.

i F.J. Berg merkt in zijn bijdrage aan Zamani’s A survey of East African History, Nairobi, 1968 op: Zowel de destructieve kracht van de Zimba als hun kannibalistische eetlust schijnen door Portugese en latere historici schromelijk te zijn overdreven.

ii Volgens Boxer en Azevedo (pag. 30) bezitten de augustijnen op Mombaça een klooster in de stad en een kluizenaarshut daar buiten.

Deel 15: De Estado da India in de jaren 1558-1581, De Estado da India in de jaren 1581-1597, De komst van Hollanders en Engelsen naar Indië 1597-1600

Categorieën
Portugees kolonialisme

De kust van Moçambique en de Cuama (1575-1599). De Swahilikust

Deel 14 Index

Hoofdstuk 2.

De Swahilikust:

2.2. De kust van Moçambique en de Cuama (1575-1599)

Geschreven door Arnold van Wickeren

Het gebied van Monomotapa en de bases aan de kust genieten betrekkelijk weinig aandacht van de Portugese regering in de jaren onmiddellijk volgens op de Barreto-Homem expeditie. Edelen blijven solliciteren naar een aanstelling als Capitão van Sofala en Moçambique, een post die veel profijt oplevert. Ook de kapiteins van de schepen die tussen Indië en Moçambique varen, maken veel winst, maar de autoriteiten in Lissabon zijn natuurlijk zeer teleurgesteld dat de Barreto-Homem expeditie niet het verwachte materiële en spirituele resultaat heeft opgebracht en in feite is mislukt. Aangezien het optreden van de jezuïeten en vooral dat van Monclaro de Barreto-Homem expeditie heeft doen mislukken, is hun rol in het gebied uitgespeeld. Ricard schrijfti dat de dominicanen de verantwoordelijkheid voor de kerstening van Monomotapa in 1577 van hen overnemen. Zij trekken niet het binnenland in om daar de massa’s te kerstenen, maar zij beperken hun activiteiten tot de directe omgeving van de Portugese forten. De in deel XIII van dit werk besproken rampzalige gebeurtenissen in Marokko en de daaropvolgende dynastieke crisis zijn de belangrijkste oorzaken dat Lissabon tijdelijk weinig aandacht voor Zuidoost-Afrika heeft.

Nadat Philips II koning van Spanje en van de haast ongelooflijke rijkdommen in Amerika in 1580 als Filipe I ook de troon van Portugal bestegen heeft, gelast hij een inventarisatie te maken van zijn nieuw verworven bezittingen in het Oosten. In het rapport dat hij ontvangt, wordt opgemerkt dat het belang van Sofala verminderd is, nadat de handel over de Cuama zich verder ontwikkeld heeft. Het handhaven van ambtenaren – naast de Capitão – in Sofala heeft niet veel zin. Het goud en ivoor van Sofala en meer nog het goud en ivoor van de Cuama, worden naar het eiland Moçambique gebracht, dat dient als een verversingsstation voor schepen die op weg zijn naar Indië. Het fort van Moçambique, staat onder gezag van de Capitão van Sofala en Moçambique, die bijna altijd in Moçambique verblijft, terwijl hij in Sofala vervangen wordt door een ondergeschikte, zijnde de feitor e alcaide-mór van Sofala die optreedt als capitão ter plaatse. Als de Capitão Sofala bezoekt treedt de feitor e alcaide-mór in Moçambique op als Capitão van het Castelo de São Sebastião. De gecombineerde capitania van deze twee forten is een van de lucratiefste posten in de gehele Estado da India. De capitão heeft een jaarsalaris van 418 milreais; maar belangrijker zijn de verdiensten uit zijn feitelijk monopolie op de handel in ivoor, kralen en kleding. In zijn driejarige ambtstermijn kan de capitão 80.000 tot 100.000 cruzados verdienen. Als hij zich zou houden aan zijn regimento en geen handel zou drijven in goederen waarop de Kroon het monopolie bezit, dan zou hij slechts de helft hiervan verdienen. Omdat de capitania zo buitengewoon lucratief is, wordt het beschouwd als de beste functie in Portugees Indië, en de koning van Portugal benoemt op deze post slechts leidende edellieden met een grote staat van dienst in de Oost.

Wegens de afnemende betekenis van Sofala stelt de post van feitor e alcaide-mór, ooit zeer belangrijk, weinig meer voor. Het jaarsalaris bedraagt slechts 138 milreais en in drie jaar kan daarboven slechts 4.000 cruzados worden verdiend. Voor de escrivão zijn de overeenkomstige bedragen 82 milreais en 1.500 à 2.000 cruzados. De alcaide heeft een jaarsalaris van 29 milreais en hoewel met dit ambt niets extra’s te verdienen is, vormt de bevordering tot alcaide voor een tot armoede veroordeelde soldaat, met een goede staat van dienst, toch een promotie van betekenis. Met het toenemende belang van Moçambique neemt ook de betekenis van het ambt van feitor e alcaide-mór daar toe. Het salaris bedraagt 100 milreais per jaar en 7.000 à 8.000 cruzados bijkomende emolumenten in drie jaar. De post wordt gegeven aan een edelman die de koning goed heeft gediend. De escrivão heeft een jaarsalaris van slechts 50 milreais, maar verdient daarboven 2.500 à 3.000 in drie jaar. Soldaten met een goede staat van dienst komen voor vervulling van dit ambt in aanmerking. Hetzelfde geldt voor de functies van alcaide do mar en meirinho, die beloond worden met een jaarsalaris van 29 milreais, zonder andere emolumenten.

Om de forten in Sofala en Moçambique te bevoorraden komt er ieder jaar een schip uit Goa, bevracht door de koninklijke schatkist, met munitie, levensmiddelen en kleding uit Cambay, waarmee de salarissen van de garnizoenen worden betaald, naar Moçambique. Als er nog laadruimte over is, neemt de kapitein handelswaren mee, die geruild worden tegen ivoor of goud. De functie van kapitein van dit schip vormt de beloning voor een edelman die de koning goed heeft gediend. Als in latere jaren de handel achteruitgaat, wordt de functie gegeven aan mensen van minder betekenis, maar zelfs dan hebben de in Afrika verworden goederen een waarde van 4.000 à 5.000 cruzados. De escrivão op het schip, welke functie toevalt aan arme soldaten, heeft een waarde van 500 cruzados.

De exploitatie van de mijnen van Monomotapa is natuurlijk een ambitie van Philips II en zijn ministers, maar zij hebben hierop een veel realistischer kijk dan ‘de kruisvaarder’ Sebastião had en na de rapporten van de onderkoning van Portugees Indië te hebben gelezen, komen zij tot de conclusie het doel beter te bereiken is door vreedzame penetratie en handel dan door militaire verovering. Zij besluiten dat er geen nieuwe ‘conquistador’ zal worden benoemd en dat het bestuur over de Cuama-regio en de kust in handen zal worden gelegd van de Capitão van Sofala en Moçambique. Dit ambt valt onder Filipe I niet alleen toe aan edellieden die zich in Indië zeer verdienstelijk hebben gemaakt, maar ook aan lieden die hun sporen hebben verdiend in Portugal, bijvoorbeeld door het steunen van Philips II bij het verwerven van de troon van Portugal. Hierbij wint de praktijk, afstand te doen van de benoeming en het ambt te verkopen, meer en meer veld. Overigens behoeft het verkopen van de aanstelling tot Capitão van Sofala en Moçambique de goedkeuring van de vice-rei, omdat die vertrouwen moet kunnen stellen in de persoon van de capitão. Het ambt wordt wel – met instemming van de vice-rei – gegeven aan weduwen of zusters van edellieden met een grote staat van dienst in Indië. Er zijn betrekkelijk weinig gegadigden voor de lagere functies, maar de functie van kapitein van het vaartuig dat Sofala en Moçambique bevoorraadt, blijft in trek.

Er is niets bekend over de condities in Zuidoost-Afrika als Pedro de Castro capitão is. Castro heeft zijn ambt aanvaard ten tijde van de bestijging van de troon van Portugal door Filipe I. Een van zijn eerste daden is het benoemen van Dom Francisco Mascarenhas, conde da Villa da Horta, tot vice-rei van de Estado da India (1581-1584). Dom Francisco arriveert op 18 augustus 1581 in Moçambique. Hij ontvangt Pedro de Castro, de oom van zijn vrouw, aan boord van zijn vlaggenschip en legt hem uit onder welke omstandigheden Filipe I de troon van Portugal heeft verworven. Vervolgens verlangt de onderkoning dat Pedro de Castro de eed van trouw aan zijn nieuwe vorst aflegt. De vice-rei en de capitão gaan daarna aan land en in de kerk betuigen de andere leidende ambtenaren en de vicaris hun trouw aan koning Filipe, waarna zij allen in processie door de straten trekken en Pedro de Castro de koninklijke vlag draagt en Moçambique’s aanhankelijkheid aan de zeer katholieke koning Filipe I van Portugal uitroept. Formele documenten herinneren aan deze gebeurtenis. Noch in Moçambique, noch elders in de Estado da India is er sprake van weigering Filipe I als koning van Portugal te erkennen.

Pedro de Castro wordt in 1583 opgevolgd door Nuno Velho Pereira, die zich in de Oost heeft onderscheiden, in het bijzonder bij de verdediging van Chaul. Pereira brengt verbeteringen aan in Forte São Sebastião en neemt zijn intrek in de vesting, wat uit een aangebrachte plaquette blijkt. Zijn voorgangers hebben geen zin gehad in de vesting te wonen. Hij draagt het bevel over het fort spoedig over aan de edelman Gaspar de Vasconcelos, om een bezoek te brengen aan de Cuama. Hij komt daar laat in de zomer aan en wordt vrijwel direct getroffen door koortsen, evenals allen die hem vergezellen. De toestand in de vallei van de Rio Cuama is rustig, maar volgens de capitão zal de rust niet lang aanhouden, omdat de handelaren de naburige chiefs met grote willekeur behandelen. Pereira verneemt van kooplieden over de handel in goud, zilver, koper en ivoor. Het goud dat hij verzamelt, bestaat uitsluitend uit alluviaal goud, want de monomotapa eist zo’n hoge schatting voor het uit mijnen gedolven goud, dat de chiefs dit verbergen. De monomotapa geeft handelaren evenmin toestemming door zijn land te reizen naar koninkrijken die net zo rijk zijn aan edele metalen, ivoor en levensmiddelen, zoals Butua. Pereira spreekt twee mannen die met capitão Francisco Barreto naar het dal van de Cuama zijn gekomen en daar sindsdien zijn gebleven. Een van hen heeft zilver gewonnen uit erts gezien, maar men heeft hem belet ook de mijn te zien. Pereira, die ongetwijfeld hoopt op de ontdekking van een tweede Potosí, zendt deze ooggetuige naar het Spaanse hof, om in persoon getuigenis af te leggen.

Pereira ziet zichzelf als een conquistador; 2.000 man, 200 paarden en een aantal stukken artillerie zijn voldoende om de gehele streek te veroveren. Pereira schrijft zijn koning: de expeditie zal eerst Chicoa bezetten en dan zal er spoedig voldoende kapitaal beschikbaar zijn voor verdere veroveringen. Thans belet het gebrek aan veiligheid de exploitatie van de rijkdommen van het gebied. Hij geeft als voorbeeld dat inheemsen een van zijn vaartuigen, geladen met handelswaar hebben geplunderd, wat hem op een verlies van 24.000 cruzados is komen te staan, terwijl Portugese troepen een gevoelig verlies hebben geleden bij schermutselingen op het vasteland, bij Moçambique-eiland.

Het deel van de Makua-stam dat op het vasteland tegenover Moçambique-eiland woont, wordt geregeerd door overweldigers, die volgens Couto lieden zijn uit de omgeving van Tete, Cabiras geheten. Een van deze Cabiras is Maurusa, een bijzonder onplezierige mensenvlees etende tiran. Maurusa en zijn mannen overvallen Portugese boerderijen op het vasteland en eisen kleding, voedsel en drinken. Als niet op hun eisen wordt ingegaan, nemen zij wat zij willen met geweld en vaak steken zij de boerderij daarna in brand en hakken de palmbomen om en als er verzet wordt geboden dan doden zij degenen die zich tegen hen keren. Pereira heeft weinig op met de bedreigde en geterroriseerde Portugezen op het vasteland, omdat hij van mening is dat zij hun activiteiten zouden moeten beperken tot Moçambique en het dal van de Cuama, waarbij hij over het hoofd ziet dat Moçambique-eiland zichzelf niet kan voeden en dus is aangewezen op import van voedsel vanaf het nabije vasteland. Terwijl capitão Pereira op inspectiereis is naar de Rio Cuama, nemen de inwoners van Moçambique het recht in eigen hand en op zekere avond zeilen dertig soldaten en inwoners, de laatsten vergezeld van hun slaven, uit. Onder hun gekozen leider, António Pinto of Pimentel, trekken zij, onder bescherming van de duisternis, vier léguas het binnenland in tot aan de versperring van Maurusa, of van een van zijn chiefs, die zij bij het krieken van de dag aanvallen. De Portugese commandant wordt gedood door een assagaai, terwijl hij door de versperring tracht heen te breken, maar volgens Couto betalen de aanvoerder van de zwarten en meer dan honderd van zijn volgelingen hun verzet met hun leven. Volgens Pereira hebben de Portugezen ‘enige’ kafirs gedood. De stamleden trekken zich terug in het struweel. De Portugezen steken hun dorp in brand en trekken zorgeloos terug naar de kust, waarbij zij hun vuurwapens laten dragen door hun slaven en zelf in hun machilas gaan liggen. Terwijl de stoet door een akker waarop gierst groeit, trekt, worden zij opeens aangevallen, waarbij twintig Portugezen en veel van hun slaven worden gedood. De overwinnaars dragen de lichamen van hun slachtoffers naar de kust, waar zij hen in het zicht van het eiland verorberen. In één klap heeft Moçambique een substantieel deel van zijn Portugese inwoners verloren en van de aanvoer van voedsel van het vasteland is geruime tijd geen sprake meerii.

Er is een deel van de boekhouding van de Estado da India uit de periode 1587-1588 bewaard gebleven. De cijfers hebben betrekking op een periode direct volgend op de ambtstermijn van Nuno Velho Pereira. Het hospitaal van Moçambique, waarin zieke zeelieden en passagiers van de Carreira da India kunnen herstellen, kost jaarlijks 320 milreais. De opbrengsten van de vesting bedragen 1.360 cruzados per jaar, maar de uitgaven lopen op tot 9.700 cruzados. Uit de documenten blijkt dat de capitão, naast zijn salaris van 418 milreais per jaar, ook financieel profijt geniet van de handel in de vallei van de Rio Cuama. Ieder jaar komen twee schepen naar Sofala. Het fort in Sofala levert geen bijdrage aan de koninklijke schatkist. De feitor in Sofala doet daar ook dienst als capitão; hij wordt bijgestaan door drie andere ambtenaren, een kapper en twee priesters – die nog steeds missen lezen voor de zielerust van de overleden kardinaal-koning Dom Henrique – en hij beschikt over twaalf soldaten. Daarenboven verstrekt het fort voedsel aan twaalf inwoners van Sofala en er worden 120 milreais opzijgelegd voor presentjes aan inheemse chiefs. De uitgaven van Sofala bedragen in totaal 1.314 milreais. Ieder jaar zeilen twee fustas de Rio Cuama op met handelswaren voor Sena en Tete. Forte São Marçal heeft een feitor en een alcaide-mór, die onder zich heeft: een escrivão, een vicaris, een politieagent, vier handwerkslieden en twee slaven. Aan deze mensen wordt bij elkaar 611 milreais per jaar salaris betaald. Het fort levert de schatkist niets op. Van Tete zijn geen cijfers overgeleverd. Uit de gehele Estado da India vloeit jaarlijks in de schatkist 963.141 xerafins, inclusief 1.813 xerafins uit Moçambique. Het totaal van de uitgaven bedraagt 862.107 xerafins, waarvan 17.530 xerafins voor Moçambique, Sofala en Sena.

In de jaren voorafgaande aan de uitvoering van Pereira’s militante voorstellen, krijgt hij het aan de stok met zijn opvolger Dom Jorge Telo de Meneses, die de titel ’s konings eerste vaandeldrager voert. Dom Jorge heeft tegen betaling van 150.000 cruzados voor drie jaren de handel van Sofala en de Rio Cuama van de onderkoning gepacht. Hij vertrekt met twee van zijn eigen schepen geladen met handelswaren. Zodra hij in Moçambique aankomt, maakt hij zich meester van een kist van Pereira die goederen bevat ter waarde van 4.000 cruzados, hij verschaft zich toegang tot een pakhuis en confisqueert een grote voorraad ivoor, waarin Pereira belang heeft en tot slot maakt Dom Jorge Telo de Meneses zijn voorganger 12.000 miticais goud afhandig.

Zijn animositeit gaat zover dat hij een van Pereira’s boten die op weg is naar de Cuama, in brand steekt. Als Pereira in Goa aankomt, wordt hij onder huisarrest geplaatst, totdat hij gezuiverd zal zijn door residência. Pereira concludeert dat hij in Goa geen rechtvaardigheid heeft te verwachten en hij doet een beroep op koning Filipe I. De koning, die Pereira’s optreden als capitão in Moçambique goedkeurt, staat geen andere weg open dan Mathias de Albuquerque, vice-rei van de Estado da India (1591-1597) te verzoeken het geschil te onderzoeken en de twee edellieden weer met elkaar te verzoenen. Pereira herinnert de onderkoning aan de ramp op het vasteland tegenover Moçambique en dankt hem voor de extra soldaten die hij naar Moçambique heeft gezonden om de Portugese positie daar te herstellen en hij bepleit dat de Capitães van Sofala en Moçambique zoveel waakzaamheid aan de dag leggen dat nooit meer een Portugese strijdmacht wordt verrast door lokale inwoners.

De grootste zorg van capitão Dom Jorge is de toenemende invloed van de Turken. Hij vreest dat zij weleens op de uiterste punt van Moçambique-eiland zouden kunnen landen, waarmee zij de zuidwestelijke ingang naar de binnenhaven zouden beheersen. Om dit te verhinderen laat Dom Jorge het Forte Santo António bouwen op de gelijknamige landtong, recht tegenover de mogelijk Turkse landings plaats. Dom Jorge benoemt een inwoner van Moçambique tot capitão van het nieuwe fort en hij verzoekt koning Filipe I deze benoeming te bevestigen voor de duur van ’s mans leven. Maar Dom Jorge was niet gerechtigd een fort te bouwen en na een uitvoerige briefwisseling tussen Lissabon en Goa geven de Portugese autoriteiten tenslotte in 1598 opdracht het fort af te breken. Dom Jorge bepleit ook het veroveren van de Comoren, om de Turken voor te zijn. Dit voorstel valt goed bij de koning, mede omdat gedacht wordt dat er gember op de eilanden groeit. Filipe I geeft ook opdracht Madagascar te gaan onderzoeken, maar als Dom Jorge laat weten dat hij vrede heeft gesloten met de koning van Mazolaga en dat zijn koninkrijk een zeer geschikte plaats heeft voor een factorij en dat hij in feite al een factor heeft benoemd, verbiedt de koning prompt dat de Portugezen zich daar vestigen, ofschoon de handel mag worden voortgezet en ook enige missionarissen mogen worden gezonden; Filipe I is kennelijk slechts uit op handel en de verkondiging van het geloof en niet op verovering.

De koning en zijn adviseurs zijn gekant tegen de verpachting van de Sofala-Cuama-handel en in 1587 wordt het oude regimento, dat dateert uit de tijd van Vicente Pegado (1530), weer ingevoerd. De vorst ergert zich ook aan de ‘verstoringen’, onrechtvaardigheden en het clandestiene handelen van enige capitães van de forten in het Oosten en zich bewust dat zij hun verplichtingen niet zijn nagekomen, beveelt hij dat aan iedere capitão na afloop van zijn ambtstermijn 19 vragen zullen worden gesteld. De volgende vragen zijn speciaal van toepassing op aftredende capitães van Sofala en Moçambique: hebben zij gehandeld in verboden goederen; hebben zij voor eigen rekening handelgedreven in ivoor; hebben zij hun eigen mannetjes benoemd tot kapiteins van de vaartuigen die pendelen tussen Indië en Moçambique; hebben zij voor eigen rekening goederen verzonden, hebben zij de handel in het gebied van de Cuama aan zichzelf voorbehouden en anderen verhinderd daar handel te drijven en hebben zij ivoor van de Cuama niet opgeslagen in de koninklijke factorij; hebben zij ambtenaren van de factorij en andere personen weerhouden hun taken te verrichten door hen aan boord te plaatsen van handelsvaartuigen en hebben zij hun eigen mannetjes als vervangers van hen aangewezen; hebben zij handelaren die eenvijfde aan de schatkist betalen, belet uit te varen naar Cabo Correntes, de kust van Malindi en Madagascar en hebben zij deze handelsvaarten wellicht gereserveerd voor hun eigen schepen?

De laatste vragen zijn ingegeven door het stijgende ongenoegen onder de bewoners van Moçambique-eiland over de voortdurend stijgende geldzucht van de Capitães van Sofala en Moçambique. In wanhoop richten zij zich tot de onderkoning, waarbij zij verklaren handel te drijven in niet verboden goederen en in levensmiddelen, noordwaarts naar de kust van Malindi, oostwaarts naar Madagascar en vanaf dichtbij de Cuama naar het zuiden – de handel over de rivier en die van Sofala naar Inhambane is voorbehouden aan de capitão – en voorbij Cabo Correntes tot aan Cabo da Boa Esperança. Zij hebben een handel van betekenis opgebouwd, waarmee zij zichzelf en hun gezinnen onderhouden en het fort op het eiland Moçambique bevoorraden. Dom Jorge Telo de Meneses is doende hun van hun broodwinning te beroven, door hen te verbieden naar bepaalde gebruikelijke plaatsen te varen en daar dan zijn eigen factor naar toe te zenden, terwijl hij andere lokale handelaren tracht een bepaald percentage af te persen. De briefschrijvers beklagen zich ook dat de capitão de kleding die hem met een schip van de staat uit Indië is toegezonden, tegen buitensporig hoge prijzen verkoopt. De klachten van de inwoners en de opmerkingen van Dom Jorge daarop worden bestudeerd door hooggeplaatste ambtenaren en rechters van het hooggerechtshof in Goa, die de klachten gegrond vinden. Om aan de klachten tegemoet te komen, gelast de onderkoning dat deze ‘loyale vazallen’ volkomen vrij zijn in het importeren van niet-verboden handelsgoederen op de route van Indië naar Moçambique tegen betaling van uitsluitend de vrachtprijs. In het naschrift bij het decreet wordt evenwel toegevoegd, dat de bevolking van Moçambique in het lopende seizoen niet meer dan honderd balen kleding uit Chaul mogen importeren.

Het leven aan de Swahilikust en aan de Rio Cuama in de late jaren tachtig en de vroege jaren negentig van de zestiende eeuw is ons duidelijk geschilderd door de dominicaan João dos Santos. Santos heeft van 1586 tot 1590 gewoond in Sofala, naast Forte São Caetano, waar een familielid van Dom Jorge Tele de Meneses capitão is. Santos laat weten dat in de christelijke stad van Sofala zeshonderd zielen, Portugezen, mulatten en Afrikanen, wonen. Twee kanonschoten verder ligt de Arabische stad, waar honderd arme inwoners leven, die hun hele leven de Portugezen dienen, hetzij om in kustvaart naar de Rio Sabi of naar de Bazaruto eilanden te handelen in ivoor, sesam en slaven, hetzij om in reizen naar Manica goud te verwerven. Veel lokale inwoners vinden troost in de godsdienst. Santos herbouwt de vervallen kerk en sticht ook twee kleine kapellen. Maar veel lokale inwoners zijn nog verbonden met de islam. De intolerante Santos steekt het strodak van de moskee op het eiland Inhansoto, aan de overkant van de rivier bij Sofala, aan. Deze moskee is gewijd aan de nagedachtenis van een heilige man, Muinhe Muhammad. Eenmaal per jaar is Sofala het toneel van een kleurrijke plechtigheid als de koning van Quiteve zijn ambassadeurs zendt, om de curva te innen. De curva is een tribuut van 200 stuks kleding, die voor de Portugezen een waarde heeft van 100 cruzados, maar in het binnenland 100 milreais opbrengt. De curva wordt aan Quiteve betaald sedert de tijd van Francisco Barreto. Als dank voor de curva stelt de koning van Quiteve zijn gebied open voor Portugese handelaren, die tegen afdracht van een stuk kleding op twintig, vrij en ongehinderd door Quiteve kunnen reizen.

In 1590 wordt Santos naar Moçambique gezonden. Het vaartuig waarop hij reist kan door tegenwind niet voorbij Luabo naar het zuiden zeilen en daarom reist Santos over land naar Luabo, waar hij zeer goed wordt ontvangen door de Capitão van de Cuama-rivieren, Francisco Brochado. Santos’ vaartuig blijkt niet meer zeewaardig te zijn en om de tijd te doden vergezelt Santos Brochado op zijn reis stroomopwaarts naar Sena. In Sena blijkt een capitão te zijn, Gonçalo de Beja, wiens basis bestaat uit een fort van gemetselde stenen en dat beschikt over enige stuks artillerie. In de stad leven ongeveer 800 christenen, van wie 50 Portugezen en voor de rest Indiërs en Afrikanen. De enige geestelijke aan de Cuama woont in Tete, maar hij is al geruime tijd voordat Santos wordt uitgenodigd naar de stad te komen, waar hij tot 1591 zal blijven, ernstig ziek. Tete beschikt ook over een gemetseld fort, met zeven of acht stukken artillerie. De capitão, Pero Fernandes de Chaves, is benoemd door de Capitão van Sofala en Moçambique (thans Lourenço de Brito). In Tete wonen 600 christenen, van wie 40 Portugezen en de rest Indiërs en Afrikanen.

Binnen een actieradius van twee of drie léguas van Tete liggen elf dorpen, ieder onder een hoofdman, die een onderdaan is van de Capitão van Tete. Deze kan een beroep op hen doen voor militaire bijstand en met hun hulp kan de capitão tweeduizend man op de been brengen. Aan de overkant van de Zambezi bij Tete, naar het noordoosten en oosten toe, wonen twee kannibalistische stammen, de Mumbos en de Zimbas. Een inheemse bondgenoot van de Portugezen roept hun hulp in tegen een Mumbo-chief genaamd Quizura, die een groot deel van zijn gebied heeft bezet en die zich in Chicarongo, op tien léguas van Tete, achter palissade heeft verschanst. De Portugezen en hun hulptroepen overvallen de sterkte van Quizura en – volgens Santos – doden zij 600 man die zich binnen de palissade bevinden. Quizura’s binnenhof blijkt te zijn bestraat met doodshoofden; en de Portugezen bevrijden een aantal gevangenen wier botten anders aan het mozaiek zouden worden toegevoegd. De bevrijders drijven alle vrouwen van Quizura bijeen en zijn mannen nemen deze oorlogsbuit mee naar Tete.

Van Tete uit reizen handelaren naar het westen naar de markten van Luanze, Mazoe en Masapa. In Masapa bevindt zich ook de Portugese Capitão das Portas. Hij is benoemd door de Capitão van de Cuama-rivieren en de monomotapa heeft de benoeming gesanctioneerd. Niemand mag verder reizen dan Masapa zonder zijn toestemming. Hij oefent zijn gezag uit namens de monomotapa, wiens tollenaar hij feitelijk is, omdat hij voor hem een op de twintig verkochte stuks kleding als tol moet innen. Iedere nieuwe Capitão van Sofala en Moçambique is verplicht de monomotapa een curva van 3.000 cruzados in kleding en kralen te betalen. Om de curva op te halen zendt de monomotapa zijn gezanten naar Sena en een gezant van de Capitão van Sena begeleidt de ophalers van de curva naar Monomotapa. Als tegenprestatie laat de monomotapa Portugese kooplieden ongehinderd met hun koopwaren en hun goud door zijn land reizen. Volgens Santos is hun veiligheid meer verzekerd dan in Portugal. Maar als de Capitão van Sofala en Moçambique nalatig blijft de te betalen, garandeert de monomotapa de veiligheid van de Portugese handelaren niet langer. De Capitão das Portas oefent de jurisdictie uit over de Portugese handelaren in Monomotapa en ook over hun inheemse bedienden. Over Masapa kijkt een hoge heuvel uit, Monte Fura, waarop zich ruïnes van stenen gebouwen – paleizen en kastelen – bevinden. De goedgelovige pater Santos veronderstelt dat dit de overblijfselen zijn van de factorij die koning Salomo in Ophir heeft gebouwd. Uit de ruïnes blijkt dat Monomotapa vroeger welvarender en dichter bevolkt is geweest. In de loop der tijd is Monomotapa – volgens Danvers – uiteengevallen in drie koninkrijken, Quiteve, Sabanda en Chicanga. Hiervan is Chicanga het machtigst, omdat het verschillende mijnen bezit met inbegrip van die in Manica en Butua. Deze grotere gebieden zijn verder versnipperd in vele kleine koninkrijken en andere rijkjes, waarvan de chief zich geen koning noemt. Sommige chiefs beschouwen zich als vazallen van de monomotapa en andere niet. De belangrijkste voortbrengselen van het gebied zijn rijst, maïs, vee, gevogelte en groenten en de belangrijkste bezigheden van de bevolking zijn het weiden van vee en het bewerken van de grond. Dat het gebied rijk is aan goud, blijkt als Santos midden 1591 de Zambezi verlaat. In een van de vier pangaios waarmee hij reist, bevindt zich een kist met goud ter waarde van 100.000 cruzados, die toebehoort aan Dom Jorge Tele de Meneses; en deze hoeveelheid – verklaart Santos – wordt ieder zes maanden uit de regio van de Zambezi verkregen.

Danvers laat ons weten dat de monomotapa in een groot paleis van hout woont en dat hij vele vrouwen heeft, van wie er niet meer dan negen de titel koningin voeren. Zij vervullen allen officiële functies. De eerste vrouw gaat over de betrekkingen met de Portugezen in het land en alle verzoeken van hen lopen via haar; de tweede vrouw behartigt de belangen van de moren in het land enzovoorts. Het belangrijkste volk van Monomotapa, de Mocarangi, is geen oorlogszuchtig volk. Zij hanteren slechts pijlen en bogen en speren.

De handel over de Zambezi wordt af en toe ontwricht. Dit is het geval kort nadat Santos uit het gebied is vertrokken. Aan de overkant van de Zambezi bij Sena wordt in 1592 een bevriende chief door de Zimbas verdreven. Hij roept de hulp in van de Portugezen. De Capitão van Sena, André de Santiago, trekt, vergezeld door de meeste Portugezen uit de stad, op, om de chief in zijn functie te herstellen. De Portugezen hebben ook twee kanonnen bij zich. De vijand blijkt zich stevig verschanst te hebben in een dubbele palissade omringd door een sloot. Santiago richt zijn kamp op aan een rivier en zendt iemand naar Tete met het verzoek versterkingen te sturen. Capitão Pero Fernandes de Chaves verzamelt honderd Portugezen en mulatten en vergezeld van de hulptroepen uit de elf dorpen steekt hij de Zambezi over en rukt op naar André de Santiago, om hem te helpen. Als de Zimbas vernemen dat er een Portugese strijdmacht uit Tete in aantocht is, sluipen zij in het duister van de nacht uit hun sterkte en wachten de naderende strijdmacht in een hinderlaag op. De Portugezen reizen, gezeten in machilas, voor hun hulptroepen uit, zonder enige voorzorgsmaatregel. Zij worden door de Zimbas verrast en afgeslacht. De Zimbas brengen de lichamen van hun overwonnen vijanden binnen hun palissade, om hen op hun gemak te verorberen. De bondgenoten van de afgeslachte Portugezen uit Tete heffen hun kamp op en keren terug naar hun dorpen. In de Portugese gelederen bevond zich een pater dominicaan, Nicolau do Rosárioiii, die niet is gedood, maar zwaar gewond is gevangengenomen. Hij wordt binnen de palissade gebracht, waar hij wordt vastgebonden aan een boom, waarna pijlen op hem worden afgeschoten. De rest van de dag blijven de Zimbas in hun sterkte feestvieren. De volgende dag verlaten zij hun fort, waarbij hun chief gekleed is in de kazuifel van Rosário. Hij heeft diens kelk in zijn ene hand en een assagaai in zijn andere hand. Het hoofd van Chaves wordt, gestoken op de punt van een lans, als een trofee meegevoerd. Zodra de duisternis is ingevallen, trekt de ontmoedigde André de Santiago zich met zijn mannen terug, maar op de zandbanken van de Zambezi vangen de Zimbas hen op en verslaan hen. Het aantal gesneuvelde Portugezen en mulatten bij twee treffens bedraagt 130, onder hen zijn beide capitães Chaves en Santiago.

Pedro de Sousa, de Capitão van Moçambique, is gedwongen wraak te nemen voor de slag die het Portugese prestige is toegebracht en hij moet ook Sena en de verbindingen over de Zambezi beschermen. Hij neemt soldaten mee uit Moçambique en in 1593 verlaat hij Sena, aan het hoofd van 200 Portugezen en mulatten, van wie niet meer dan 80 kunnen worden bestempeld als soldaten. Sousa’s strijdmacht wordt aangevuld met 1.500 inheemse bondgenoten. De tegen Zimba-chief Tondo gerichte strafexpeditie steekt de Zambezi over en rukt op naar Santago’s oude kamp. Maar de artillerie van de Portugezen blijkt niet bij machte de palissade van de Zimbas, die nu versterkt is door een aarden borstwering, te vernietigen. Sousa laat zijn mannen een deel van de sloot die de sterkte omringt, dichtgooien, waarbij manschappen sneuvelen doordat pijlen op hen worden afgeschoten. Als de aanvallers vervolgens trachten de palissade neer te halen, krijgen zij kokend water over zich heen, terwijl uit schietgaten ijzeren staken worden gestoken. Deze harpoenen verwonden de aanvallers die van de palissade worden teruggedreven. Kortom, de aanval loopt vast. Sousa begint dan met de bouw van houten torens vanwaaruit van bovenaf op de vijand geschoten kan worden. De campagne heeft al twee maanden geduurd als de aanvallers bericht ontvangen dat een opstandige chief Sena bedreigt. Daarop vragen inwoners van Sena verlof om naar hun woonplaats te mogen terugkeren om hun huizen te verdedigen. Sousa heft de belegering op. De Zimbas verlaten hun sterkte en vallen het Portugese kamp aan, doden een aantal manschappen in de achterhoede en maken bagage en artillerie buit. Pedro de Sousa keert ontgoocheld naar Moçambique terug, terwijl de Zimbas in de regio van de Zambezi het voor het zeggen hebben.

Deze situatie duurt evenwel niet lang; ongetwijfeld omdat de Zimbas kleding en andere te importeren goederen nodig hebben, sluiten zij vrede met de Portugezen, die zeer blij zijn dat de handel over de Zambezi heropend kan worden en de uit Tete en Sena verdreven Portugezen kunnen terugkeren. De inwoners van Sena en Tete en ook die van Moçambique veroordelen Pedro de Sousa. De autoriteiten in Lissabon verlangen een juridisch onderzoek, bestraffing van de schuldigen en zij willen alles wat noodzakelijk is om de forten van Sena en Tete te versterken naar Moçambique zenden. Tenslotte eisen zij bestraffing van chief Tondo. Dan zal het mogelijk zijn om de zilvermijnen tegen geringe kosten te exploiteren. De vice-rei protesteert tegen deze plannen, omdat het hem aan mensen ontbreekt voor een strafexpeditie en voor de exploitatie van de mijnen.

Terwijl deze sombere discussie over de Zambezi zich afspeelt, wordt in Lissabon een nauwkeurig onderzoek ingesteld naar de Moçambique-Sofala-Cuama-handel. Het onderzoek is niet alleen ingegeven door van de inwoners van Moçambique vernomen klachten, maar ook door een opmerking in een brief van de capitão-geral van Portugees Indië, Manuel de Sousa Coutinho (1588-1591). De gouverneur schrijft in 1589 dat hij niet meer dan slechts 12.000 pardaus in zijn schatkist heeft kunnen vinden voor de aankoop van handelsgoederen voor het handhaven van Portugals positie in Moçambique en Sofala. Onder dit voorwendsel heeft hij de handel op Sofala en de Rio Cuama voor vijf jaar verpacht aan Jerónimo del Rio, voor 75.000 pardaus per jaar. De regent die namens Philips II Portugal bestuurt, raadpleegt zijn adviesraad die oordeelt dat zulk een contract niet voordelig is voor de koninklijke schatkist, maar, integendeel, de belangen van de koning schaadt. Het contract wordt nietig verklaard; de Capitães van Sofala en Moçambique worden op dezelfde wijze benoemd als voorheen; en de gouverneur van Portugees Indië wordt geïnstrueerd zijn ambtenaren en mensen met ervaring inzake Zuidoost-Afrika te consulteren alvorens besloten wordt veranderingen aan te brengen, als dit al nodig zou zijn, in het bestuur van Sofala en Moçambique.

De inhoud van het advies van Goa aan Lissabon is niet bekend, maar in 1593 decreteert Filipe I dat, gelet op het feit dat koninklijke regimentos betrekking hebbend op Sofala en Moçambique worden veronachtzaamd en dat de forten daar geen revenuen voor de koninklijke schatkist opleveren, maar in tegendeel veel geld kosten om ze te besturen, dat gehoord de adviezen van leden van zijn raad en van personen met ervaring in Zuidoost-Afrika, hij besloten heeft de handel in goud en zilver van Sofala en de rivieren van de Cuama en andere havens in dat gebied te openen voor iedereen, ongeacht rang of stand, tegen betaling van een vijfde deel aan de koninklijke schatkist. De kapiteins ontvangen, bij wijze van aanmoediging, een tiende deel van het vijfde deel dat in de schatkist vloeit en bovendien het monopolie op de handel in ivoor, amber, pek en kokosvezels. Er wordt in Moçambique een douanekantoor geopend en over alle goederen die de haven inkomen (behalve uit Portugal) moet zes procent invoerrechten worden betaald, onverschillig aan wie de goederen toebehoren, aan inwoners van het eiland, aan de capitão of aan ambtenaren. Goederen waarover geen belasting is betaald, worden geconfisqueerd. Tweederden daarvan vloeit in de schatkist en eenderde is voor de informant. Al het goud en zilver passeert ook het douanekantoor, waar een vijfde van de waarde moet worden betaald.

In 1595, evenwel, komen de adviseurs van de koning op andere gedachten, ongetwijfeld als gevolg van hevige druk uitgeoefend door edellieden aan wie een capitania is toevertrouwd en hun vrienden en familie. De korte periode van vrije handel eindigt en er worden weer contracten aangegaan met capitães die het monopolie genieten van de handel op de Rio Cuama en van wie als tegenprestatie wordt gevraagd de uitgaven voor de forten te betalen en aan wie gevraagd wordt een deel van hun winst in de schatkist te storten dat hun redelijk voorkomt. Maar het douanekantoor in Moçambique, dat in 1594 het bedrag van 5.000 cruzados heeft opgebracht, blijft bestaan.

Inlichtingen uit de laatste jaren van de zestiende eeuw zijn schaars. In 1598 hoopt de koning nog steeds dat chief Tondo een afstraffing heeft gekregen en dat de zilvermijnen winst opleveren. Maar hij en zijn adviseurs zijn zich ervan bewust dat het niet mogelijk is hulp te bieden aan alle delen van Portugees Indië en dat voorrang moet worden gegeven aan die delen die de grootste behoefte aan hulp hebben. Het is noodzakelijker dan ooit tevoren de verschillende volkeren van Zuidoost-Afrika met elkaar te verzoenen, ofschoon nog steeds onverdraagzame adviseurs de koning adviseren de onderkoning opdracht te geven verkondigers van de islam, die vermomd als zeelieden in pangaios naar Sofala of de Cuama komen, uit het land te verwijderen. Berichten over de verst verwijderde streken van de capitania Sofala en Moçambique zijn in het bijzonder schaars. Het schijnt dat de capitão periodiek een schip naar de Delagoabaai zendt om er handel te drijven. Van een van deze vaartuigen is bekend dat het daar in 1593 naar toe is gegaan en dat de schipper bijna een jaar op het eiland Inhaca is geweest, om er een lading ivoor te verzamelen, maar zijn handelswaren prikkelen de vijand van Manhiça – een nazaat van de chief die de overlevenden van het galjoen São João het leven zo zuur heeft gemaakt – en zijn stamleden doden hem en plunderen het schip.

In het uiterste noorden schijnen de Querimba eilanden een zekere voorspoed te hebben genoten. Van de negen eilanden van de groep zijn er zeven in handen van de Portugezen en twee in die van de moslims. De bewoners leven in bescheiden dorpen en zij moeten een twintigste deel van alles wat zij verkrijgen, zowel van het land als uit de zee, aan hun heer betalen, boven op het tiende deel dat aan de kerk wordt afgedragen. Op de eilanden zijn de dominicanen werkzaam en zij beweren tot 1593 niet minder dan 16.000 mensen te hebben gedoopt. De gekerstenden waren in hoofdzaak heidenen, maar onder hen zijn ook vroegere moslims. Santos beweert dat hijzelf tussen 1593 en 1594 niet minder dan 694 mensen heeft bekeerd, inclusief een zeventienjarige neef van de koning van Zanzibar, aan wie de pater de doopnaam André da Cunha, heer van de Querimba eilanden heeft verleend. Dit is ingegeven om Querimba te betrekken bij de gebeurtenissen die plaatsgrijpen in het noorden, voorbij Cabo Delgado, aan de Mombaçakust

i zie zijn bijdrage l’Expansion Missionair du Portugal et de l’Espagne aux XVe et XVIe siècles, zijnde Chapitre IX van Histoire Universelle des Missions Catholiques, publiée sous la direction de Monseigneur S. Delacroix, Monaco, 1956.

ii Lang voor Eric Axelson, aan wie dit verhaal ontleend is, heeft Danvers aandacht aan de verhaalde gebeurtenissen geschonken, althans diens lezing vertoont naast grote verschillen zoveel overeenkomsten met Axelsons verhaal dat het wel om dezelfde gebeurtenissen moet gaan. Danvers schrijft: Ongeveer in het jaar 1570 zijn veel kaffers Portugees gebied in Moçambique binnengevallen. Zij zouden naar verluid afkomstig zijn uit de omgeving van een groot meer, in het gebied van de monomotapa. Bij hun doortocht door tussenliggend gebied, hebben zij alle dorpen verwoest en, omdat zij kannibalen zijn, hebben zij in feestmalen de bewoners van de dorpen opgegeten en de weg die zij hebben afgelegd gemarkeerd met de witte botten van hun slachtoffers. Hierome de Andrade, capitão van Tete, heeft een troepenmacht uitgezonden om hun opmars in de richting van Tete te stuiten. Bij een treffen met de kannibalen is een aanzienlijk aantal van hen gedood. Deze mensen, die nog nooit vuurwapens hadden gezien, zijn naar Moçambique gevlucht. Zij hebben zich verschansd in een fort op ongeveer twee léguas van die plaats, waar zij een serieuze bedreiging vormen voor ‘het fort van Cuama’. Bijgevolg zendt de commandant ter plaatse, Nuno Velho Pereira, een strijdmacht van 400 man, onder bevel van António Rodrigues Pimentel, uit, waaronder zich slechts vier Portugezen bevinden. De Portugese strijdmacht overvalt onverwachts de kaffers, doodt een groot aantal van hem en steekt hun fort in brand. De Portugezen denkend dat zij hun vijanden hebben verslagen, keren zorgeloos en ongedisciplineerd terug. Zij worden overwachts door een groot aantal kaffers overvallen. António Rodrigues en de meesten van zijn mannen worden gedood. Slechts drie Portugezen en enkele zwarten ontsnappen aan de algemene slachtpartij.

iii Volgens Eric Axelson is Nicolau de Rosário afkomstig uit Sena, wat onlogisch lijkt, omdat er nog geen treffen met de strijdmacht van de Portugezen uit Sena heeft plaarsgehad als de pater zich in handen van de Zimbas bevindt.

2.3 De Mombaçakust (1575-1599)

Categorieën
Portugees kolonialisme

De Barreto-Homem expeditie (1569-1575). De Swahilikust

Deel 14 Index

Hoofdstuk 2.

De Swahilikust:

2.1. De Barreto-Homem expeditie (1569-1575)

Geschreven door Arnold van Wickeren

In 1568 weet Francisco Barreto, gouverneur-generaal ven de Estado da India in de jaren 1555-1558 en later bevelhebber van de galeien van Portugal, de vijftienjarige koning Sebastião enthousiast te maken voor zijn plan de extreme rijke goudmijnen van Monomotapa te veroveren. Barreto vraagt Dom Sebastião hem te benoemen tot aanvoerder van de expeditie die grote rijkdommen zal verwerven, evenals de Spaanse conquistadores in Zuid-Amerika.

Theologen en juristen buigen zich over de vraag of sprake kan zijn van een rechtvaardige oorlog. Het antwoord is snel gevonden; de monomotapa heeft niet alleen opdracht gegeven enige vreedzame Portugese handelaren te beroven en te vermoorden, maar hij heeft ook de jezuïet Dom Gonçalo da Silveira, die door de onderkoning in Goa naar Monomotapa was gezonden als ambassadeur van de Portugese Kroon en om er het evangelie te verkondigen, laten doden. De vice-rei had het volste recht missionarissen naar Monomotapa te zenden, omdat de paus, in een reeks bullen, de koningen van Portugal heeft toegestaan handel te drijven met al de koninkrijken van Cabo Não tot Indië, op voorwaarde dat Portugal in al deze koninkrijken het evangelie zou verkondigen. De koning van Portugal is door de moord op zijn ambassadeur zwaar beledigd en hij is mitsdien gerechtigd daarvoor compensatie af te dwingen in de vorm van goud. Het buit te maken goud dient ook ter bestrijding van de kosten van de expeditie.

A.J. Wills merkt op dat het bericht over de marteldood van de jezuïet Silveira in Portugal grote geestdrift wekt voor missiewerk onder de Shona. In de volgende jaren arriveren veel priesters, de meeste dominicanen, in het land om er het geloof te verkondigen. Sommige missionarissen boeken enig succes, maar dit blijkt niet blijvend te zijn. Veel missionarissen raken daardoor ontmoedigd en willen naar Portugal terugkeren. In 1605 zal een koninklijk decreet dominicanen verbieden naar Europa terug te keren, in de hoop dat dit verbod ‘hun ijver zal vergroten.’

In maart 1569 benoemt Dom Sebastião Francisco Barreto formeel tot capitão-mór van de expeditie, tot ‘Veroveraar van de Mijnen’’ en tot capitão van het fort op het eiland Moçambique. Zijn salaris wordt vastgesteld op 6.000 reais per jaar en gaat in zodra hij Moçambique bereikt, ofschoon hij eerder voorschotten mag opnemen. Zijn gezag strekt zich uit over de kusten van Sofala, Moçambique en Malindi, waar factors en kapiteins opdracht ontvangen de expeditie van Francisco Barreto behulpzaam te zijn. Barreto dient al het ontvangen goud in een apart boek te verantwoorden. Het goud wordt verdeeld in achttien gelijke delen; negen daarvan zijn voor de koning, drie voor Barreto en de resterende zes worden verdeeld over de leden van de expeditie. Naar verluid zouden vooral de mijnen in Manica veel goud opbrengen. Er wordt zelfs al een mijnopzichter aangesteld.

Aangetrokken door de te verwachte rijke beloning, scharen manschappen en edelen zich onder Barreto’s banier. Het vlaggenschip zal 600 gewapende mannen, met inbegrip van 30 edelen en 200 dienaren van de koning, vervoeren. Aan de expeditie nemen ook deel 100 moorse stalknechten. Zij zullen zorgdragen voor de paarden, die uit Arabië zullen worden aangevoerd. Francisco de Monclaro s.j., Barreto’s biechtvader en raadgever, beschrijft de expeditie als de meest briljante campagne die ooit uit Lissabon vertrokken is. Velen hebben zich, begerig naar het verwerven van rijkdom en eer, gemeld voor de expeditie naar Zuidoost-Afrika. De drie schepen zeilen in april 1569 de Taag af, daarbij de verschillende kerken die gepasseerd worden met saluutschoten groetend. Hierbij barst een van de kanonnen uit elkaar, waarbij een metaalsplinter in Barreto’s hoed terechtkomt, wat door enigen als een slecht voorteken wordt beschouwd. Na een paar dagen wordt ontdekt dat een van de schepen een gebroken mast heeft. Het keert terug; de twee andere schepen zeilen, van elkaar gescheiden, de evenaar over in een storm. Het vlaggenschip overwintert in Brazilië. Het enige schip dat in 1569 Moçambique bereikt, is dat onder leiding van Vasco Fernandes Homem. Het komt in augustus in Moçambique aan. Zoals gezegd heeft capitão Pedro Barreto Rolim de komst van de expeditie niet afgewacht; hij is woedend naar Portugal vertrokken. Prompt begint Homem de volgende fase van de expeditie te organiseren.

Francisco Barreto komt in mei 1570 in Moçambique aan. De voorbereidingen voor de expeditie blijken al een heel eind op streek te zijn en ondanks dat het derde schip nog niet is gearriveerd, is de Portugese strijdmacht zo sterk dat zowel Homem als de jezuïeten er bij Barreto op aandringen de gunstige moesson direct te benutten voor de eerste etappe langs de kust naar het noorden. Barreto’s geestdrift voor de expeditie naar het binnenland is echter bekoeld en hij oppert verschillende mogelijkheden om hieraan te ontkomen. Hij betoogt dat er nog te weinig voorraden voor de onderneming zijn aangevoerd en dat hij op een volgende vloot uit Portugal moet wachten. Hij wil eerst een tocht langs de kust ondernemen om bij enige koningen achterstallige schatting te innen en hij wil het eiland Pate kastijden, omdat burgers van Pate Portugese kooplieden hebben lastiggevallen en hij wil ook voorraden levensmiddelen verzamelen. Monclaro s.j., die door Barreto geconsulteerd dient te worden, oppert het idee de Comoren eilanden te veroveren, omdat dit zeer voordelig voor de Portugese Kroon is. Begin oktober zendt Barreto Homem met 300 soldaten in een te zwaar beladen schip naar het noorden, terwijl hij na het verzamelen van de nodige pangaios enige weken later volgt. Monclaro is zo verrukt over de Swahilikust dat hij zich kan voorstellen dat daar in de buurt het Aards Paradijs heeft gelegen. Hij vervolgt: ‘maar het land en het klimaat behoren tot de slechtste ter wereld en zijn alleen geschikt voor zulke barbaarse inwoners als de kafirs. Kilwa blijkt zich niet te hebben hersteld van de verwoesting van de stad door de Portugezen in 1505. De stad maakt een vervallen indruk, maar de inwoners handelen met bewoners van het vasteland in ivoor, dat zij aan de Portugezen verkopen, en in honing en bijenwas. Barreto blijft acht dagen in Kilwa, waarvan de bewoners vriendelijk, maar bezorgd zijn. De sultan van Kilwa blijkt een zwarte te zijn.

De expeditie zeilt in pangaios naar het noorden. Mafia, een eiland dat grote hoeveelheden kokosvezel en pek voortbrengt en dat een factor van de Portugese Capitão da Costa onderhoudt, wordt bestuurd door een sjeik die een vazal is van de sultan van Vila. De vruchtbaarheid van Zanzibar en de gevarieerdheid van de producten die het eiland voortbrengt, zoals suiker en gember, vruchten van de arekapalm en bladeren van de betelstruik, maken grote indruk op de Portugezen en Barreto verklaart in een brief aan zijn koning dat Zanzibar het mooiste eiland is dat hij ooit heeft gezien. Op het eiland bevindt zich een ruïnestad groter dan Kilwa was. De Portugezen helpen de sultan bij het onderdrukken van een opstand tegen hem en uit dankbaarheid daarvoor hernieuwt hij niet alleen zijn bondgenootschap met de koning van Portugal, maar doneert ook zijn eiland formeel aan Portugal. Er wonen op Zanzibar al enige Portugezen en er is een kapel en een kapelaan. Bij de ingang van de haven van Mombaça neemt Barreto de fundamenten waar van het fort dat onderkoning Dom Pedro Mascarenhas in 1555 heeft willen laten bouwen, maar dat nimmer is voltooid.

Malindi blijkt zwaar te lijden te hebben van het opdringen van de zee, maar de stad mag zich verheugen in aanzienlijke commerciële activiteiten. De leden van de expeditie worden gastvrij ontvangen door de factor van de Capitão da Costa in Malindi. In het binnenland wonen de oorlogszuchtige Segeju, die zowel de melk als het bloed van hun vee drinken. Zij brengen hun koning. als bewijs van hun dapperheid, de voorhuid van hun in de strijd gedode vijanden. De inwoners van Malindi hebben hun veiligheid van hun geduchte buren afgekocht. Direct na Malindi bevindt zich de monding van een grote rivier – de Sabaki – die naar verluid zou ontspringen in het land van Preste Joam. In het verleden heeft een zekere João Freire een poging ondernomen de rivier op te zeilen, maar hij is al spoedig na zijn vertrek gedood. De expeditie bereikt vervolgens Lamu, een grote stad met een aantal stenen gebouwen die geregeerd wordt door een koningin die de Portugezen goed gezind is en dat – volgens Boxer – een bloedige vete met Pate heeft. Enige jaren geleden heeft de bevelhebber van enige Turkse galeien die Lamu aandeden, de koningin om de uitlevering gevraagd van enige Portugezen die in de stad waren, maar zij heeft dit geweigerd. De Turken hebben daarop verwoestingen aangericht en haar als gevangene naar een van hun schepen geleid. Zij is echter overboord gesprongen en is zwemmend ontsnapt. Barreto verleent de koningin, op instructie van Lissabon, diverse vrijheden en verschaft haar vrijgeleiden voor haar schepen. De expeditie zet haar reis voort en komt aan in Pate, een indrukwekkende stad met aanzienlijke handel met de Rode Zee, ondanks zijn miserabele haven, waaruit de zee zich bij laag tij drie léguas terugtrekt. De meeste burgers slaan voor de expeditie op de vlucht en laten het aan hun heerser en notabelen over vrede te sluiten met de bezoekers. De Portugezen laten zich afkopen en aanvaarden geld, kleding en levensmiddelen ter waarde van 12.000 cruzados.

De zes maanden die de expeditie nog verder treuzelt, kost het leven van honderd man die in Moçambique zijn achtergebleven. Barreto die nog steeds tegenzin demonstreert het Afrikaanse binnenland in te trekken, ontvangt voor zijn getreuzel en het veronachtzamen van zijn koninklijk regimento een terechtwijzing uit Lissabon. Als hij uit Indië bericht ontvangt dat Goa en Chaul een aanval te verduren hebben en Barreto om geschut en munitie vragen, doet hij zijn uiterste best aan het hulpverzoek tegemoet te komen. Hij besluit zelf naar Indië te gaan, omdat hij over geheime instructies beschikt zijn schepen, wapens en het gros van zijn manschappen in Indië in te zetten, als Portugese forten daar in een onhoudbare positie zouden komen te verkeren. Hij dient in dat geval een gedeelte van zijn expeditie in Moçambique te laten om de heidenen te bekeren en inlichtingen in te winnen over Monomotapa en hij dient zelf zo snel mogelijk naar de Swahilikust terug te keren.

Voordat Barreto kans heeft naar Indië te vertrekken, arriveert een eskader uit Portugal in Moçambique. Aan boord van het vlaggenschip bevindt zich Dom António de Noronha, die voor de tweede maal tot onderkoning van Portugees Indië is benoemd.. Hij brengt het nieuws mee dat koning Sebastião besloten heeft het Império Português do Oriente te verdelen in drie stukken: António Moniz Barreto gaat regeren over de Portugese bezittingen van Zuidoost-Indië tot in China; hijzelf regeert – als vice-rei – vanaf Cabo Guardafui tot en met Ceylon en Francisco Barreto gaat de Swahilikust besturen vanaf Cabo Correntes totaan Cabo Guardafui. De onderkoning overhandigt Barreto een koninklijke brief waarin hij wordt aangewezen als ‘Governador van Sofala en Moçambique, alsmede van de op Monomotapa te veroveren gebieden.” De koning verleent Barreto het gezag over de capitães van de forten en de kapiteins in de vloten die het gebied bezoeken. Hij is ook bevoegd te beslissen over straf- en civiele zaken, inclusief het opleggen van de doodstraf en het voeren van oorlog en het sluiten van vrede in naam van de koning van Portugal. Dom António roept een vergadering bijeen van de kapiteins en andere edellieden, leidinggevende ambtenaren, de jezuïeten en enige dominicanen. Hij kondigt hierin aan dat hij genoeg manschappen bij zich heeft om de Estado da India te ontzetten en dat hij daarom 200 man uit zijn vloot beschikbaar stelt om Barreto’s geslonken strijdmacht op peil te brengen. Hij geeft Barreto opdracht nu onverwijld naar Monomotapa te vertrekken, met welke opdracht de vergadering instemt. Vervolgens rijst de vraag welke route de expeditie naar Monomotapa zou moeten volgen. De jezuïeten bepleiten zoveel mogelijk in de voetstappen te treden van hun confrater Gonçalo de Silveira, die onlangs de plaatsen Sena en Tete heeft bezocht. Zij willen dat de expeditie Monomotapa tracht te bereiken via de Cuama (Zambezi). Barreto kondigt echter aan dat zijn koninklijk regimento hem opdraagt het grootst mogelijke gewicht toe te kennen aan het oordeel van pater Monclaro s.j. Handelaren met kennis van het binnenland verklaren dat het klimaat in de vallei van de Zambezi buitengewoon ongezond is en dat de expeditie ook rekening moet houden met tegenstand van de stam van de Mongas, voordat zij zelfs maar een voet heeft gezet in het land Monomotapa. Zij dringen erop aan dat de expeditie vertrekt vanuit Sofala, omdat dan een minimum aan ongezond laagland doorgetrokken behoeft te worden en de expeditie al spoedig de gezonde hooglanden van Chicanga, koning van Manica, zal bereiken. Omdat deze in oorlog is met Monomotapa zou hij weleens een waardevolle bondgenoot kunnen zijn. In de op het advies volgende discussie oppert Barreto nog een voordeel van de aanbevolen route. Voor het in Manica te verwerven goud kunnen paarden worden gekocht die tegen Monomotapa kunnen worden ingezet. Zelfs de jezuïeten laten zich nu overtuigen en de leden van Barreto’s adviesraad zetten eensgezind hun handtekening onder het akkoord. Maar de jezuïeten komen op andere gedachten en spoedig nadat Dom António zijn reis naar Indië heeft voortgezet, confronteren zij Barreto met een ultimatum; zij achten de sterkte van de expeditie voldoende voor een directe aanval op Monomotapa; vertrek uit Sofala zal leiden tot uitstel van de uiteindelijke verovering, wat ingaat tegen het geweten en niet in het belang van de koning is. Als Barreto niet de Cuama-route neemt, zullen zij zich terugtrekken. Barreto zwicht voor de druk en zijn adviseurs volgen hem in zijn fatale beslissing.

De expeditie, die meer dan duizend soldaten telt, verlaat 4 november 1571 Moçambique, in het karveel dat gewoonlijk wordt gebruikt voor de kustvaart op Inhambane, gevolgd door een sleep kleinere vaartuigen. De kleine schepen doen Angoche, Quizingo en Quelimane aan, waar enkele Portugezen wonen. In Luabo wordt overgestapt op rivierschepen en op 17 december bereikt de expeditie Sena, het belangrijkste centrum voor Portugese kooplieden die werkzaam zijn in de regio van de Cuama. De expeditieleden installeren zich naast het dorp Inhaparapara in hutten van gras, die worden beschermd door een aarden fort, gewijd aan São Marçal.

Sena ligt in gebied van Sumopango, een vazal van Monomotapa. Barreto zendt een gezant naar de hoogste chief, om de monomotapa te vragen een ambassadeur te zenden om met de Portugese commandant te onderhandelen. Vasco Fernandes Homem meldt zich aan om het gezantschap te leiden, maar hiervoor wordt een lokale handelaar, Miguel Bernardes, gekozen. Terwijl op het resultaat van de missie wordt gewacht, worden mannen en paarden ziek en sterven. Omdat men in die tijd nog niets weet van ziekten die door muskieten en tseetseevliegen worden verspreid en men haakt naar het ondernemen van een plaatselijke kruistocht, weten de jezuïeten Barreto ervan te overtuigen dat de lokale moslims vergif hebben verspreid. De soldaten zien uit naar een militaire campagne, waarbij hen de rijkdommen van handelaren in handen zouden kunnen vallen. Een plaatselijke inwoner verstrekt, onder folteringen, de Portugezen de antwoorden die zij willen horen. Daarna overvallen de Portugezen een nabijgelegen moslimdorp dat uit verspreid liggende huizen bestaat. Velen mannen worden direct met het zwaard gedood, maar zeventien leiders van de moslimgemeenschap worden gevangengenomen. Dagelijks worden er twee van hen op bijzondere wijze ter dood gebracht. Enige worden gespietst, anderen uit elkaar getrokken door naar elkaar toe gebogen bomen. Een paar worden met kleine bijlen opengehakt, voor de loop van een kanon gebonden, of dienen als oefenschijf voor haakbusschutters en een die beweert christen te zijn, wordt uit mededogen opgehangen. Van de buit vinden 15.000 miticais hun weg naar de schatkist van de koning.

Nadat het gezantschap naar de monomotapa is teruggekeerd, breekt de expeditie uiteindelijk op 19 juli 1572 op en verlaat Sena. Zij bestaat uit 650 haakbusschutters en musketiers, verdeeld in vier compagnieën. Een vijfde compagnie bestaande uit inwoners van Sena. Zij beschikken over dertig ossenwagens, tien paarden, acht apen en vijf kamelen. Terwijl de troepen te voet optrekken, vaart een sleep van boten, geladen met voorraden, kruit en handelswaren de rivier op. Barreto draagt bij het paardrijden bijna altijd zijn maliënkolder. Er wordt niet meer dan acht kilometer per dag afgelegd. Het duurt een maand voordat de expeditie de grenzen van het gebied van de Mongas bereikt. Hier laat Barreto tachtig zieken op een eilandje achter. Hun staan 200 gidsen en dragers van chief Chombe, ter beschikking. Chombe, wiens gebied aan de overkant van de Cuama ligt, is de Portugezen goed gezind. Barreto vaart in westelijke richting een rivier op; waarschijnlijk is dat de Ruenya. Na twee dagen zendt Barreto dertig zieken terug naar de andere zieken, vergezeld van een aantal fittere soldaten. Op de derde dag, als de expeditie zich op een met gras en riet bedekte vlakte bevindt, wordt zij aangevallen door een menigte van tien- of twaalfduizend Monga-krijgers, die in een sikkelvormige formatie op de Portugezen afstormen. Twee kanonnen en andere vuurwapens drijven de aanvallers op de vlucht. De stoet nadert het dorp van chief Capote; hij verzamelt de krijgers die opnieuw in een halvemaanvormige formatie aanvallen en twee Portugezen doden en 25 anderen verwonden, voordat zij verdreven kunnen worden. De expeditie verovert het dorp, waar drie dagen rust wordt gehouden. Tijdens de rustperiode worden meer blanken ziek en sterven. De Mongas vallen opnieuw aan en wel met 16.000 man, als we Monclaro mogen geloven. Voor de massa uit loopt een tovenaar; hij zwaait met een kalebas, met krachtige medicijnen die zijn stamgenoten onkwetsbaar zou maken voor de kogels van hun vijanden. De tovenaar is een van de eersten die sneuvelt. Er volgen vier aanvallen. Vier stuks lichte artillerie, geplaatst op ossenwagens, houden de stamleden op afstand en Monclaro schat, als zij om vrede smeken, dat zij in totaal 4.000 doden te betreuren hebben.

Als dit verzoek wordt overgebracht is Barreto zijn manschappen aan het monsteren; het waarnemen van een kameel leidt tot hernieuwd alarm en wanhoop, maar de volgende dag worden de Portugezen in een ander dorp geschenken aangeboden: een pingo goud, wegende 40 cruzados, enige kleine klompjes goud, een paar machiras en twee slagtanden. De volgende dag worden nog 50 koeien en 50 schapen in ontvangst genomen. Barreto reageert op de geschenken met het aanbieden van een schoffel als teken van vrede. Maar de expeditie kan niet worden voortgezet. Zij is niet verder gekomen dan 80 kilometer van de Cuama en het aantal zieken en gewonden bedraagt 120; en iedere dag sterven twee of drie man. Het land is, nadat de Ruenya verlaten is, droog en onvruchtbaar en er is een groot tekort aan water en voedsel. Volgens Homem zijn ook de militaire vooruitzichten weinig rooskleurig: als 16.000 Mongas 40 Portugezen hebben weten te verwonden, wat valt dan te verwachten van een ontmoeting met het leger van de monomotapa, die naar verluidt niet minder dan 100.000 krijgers in het veld kan brengen? De expeditie trekt dus terug. Boten brengen het grootste deel van de troepen naar de overkant van de Rio Cuama, waar de mannen gevrijwaard zijn van aanvallen en waar zij langzaam naar Sena trekken. Barreto zakt de rivier af in een kano, na instructies te hebben gegeven aan Homem, die herstellende is van een verwonding die hij heeft opgelopen in een recent gevecht, waarbij hij de Portugese eer ten zuidwesten van de Cuama verdedigd heeft. Homem is bepaald geen doetje; Hij brand dorpen plat die de Portugese heerschappij niet erkennen en verwerft het gebied van Chombe. Hij is op 26 oktober 1572 terug in Sena.

Als Barreto in Sena terugkeert, blijkt daar een ambassadeur uit Monomotapa op hem te wachten. De ambassadeur die enige gouden armbanden draagt, laat weten dat de Portugese gezant naar zijn land gestorven is en hij biedt vrede aan. Barreto verlangt dat de monomotapa de moslims zijn land uitgooit, dat hij de jezuïeten toelaat en het christendom beschermt; en voorts, dat hij vele goudmijnen overdraagt aan de Portugezen. Om het antwoord van de monomotapa op deze eisen te verkrijgen, benoemt Barreto Francisco de Magalhães tot ambassadeur, die de gezant van Monomotapa op zijn terugreis zal vergezellen. Op een zitting van de adviesraad, die wordt bijgewoond door dertig officieren, onder wie Monteclaro en andere geestelijken, wordt besloten terug te keren tot de oorspronkelijke afspraak: Monomatapa binnen te vallen via Manica. Barreto verklaart dat hij in Moçambique kleding moet zien te vinden om de uitgaven voor de volgende campagne te kunnen betalen. Hij verlaat Sena op 4 december 1572, vergezeld van Monclaro, zijn persoonlijke dienaren en een stoet lijfwachten. Homem blijft achter als bevelhebber van ongeveer 400 Portugezen.

Bij zijn eerdere aankomst in Moçambique heeft Barreto tot commandant van het Castelo de São Sebastião benoemd António Pereira Brandão, die wegens het begaan van een misdaad in de Molukken naar Afrika is verbannen. Maar als de capitão zich in het binnenland bevindt, zendt Brandão lasterlijke brieven over Barreto naar Lissabon, in de hoop diens functie te kunnen bemachtigen. De originele brieven zijn Barreto in handen gevallen, die daarop het bevel over de expeditie aan Homem heeft gegeven. Als Barreto op het eiland terugkeert, confronteert hij Brandão met de door hem geschreven brieven, maar – volgens Danvers – drukt hij zijn spijt uit over de brieven en ontheft Brandão – na overleg met Lourenço Godinho – van zijn functie als commandant van Moçambique. Brandão ontloopt zijn verdiende straf, omdat Barreto hem vergiffenis schenkt. Terwijl zich het voorgaande afspeelt, arriveert het schip dat jaarlijks kleding uit Indië aanvoert, waarmee Barreto’s materiële zorgen zijn verdwenen.

Monclaro, die nog steeds grote moeite heeft met het aanvaarden van de beslissing via Manica te reizen, dringt er bij de gouverneur op aan mensen die bekend zijn met het Cuama-gebied te ondervragen, om inlichtingen te verzamelen over de gewoonten van de inwoners van Monomotapa, het aantal en de kwaliteit van de goudmijnen, de vruchtbaarheid of onvruchtbaarheid van het land, de onrechtvaardigheden die wellicht tegenover Portugezen zijn begaan en de sterkte van de potentiële vijand. In Moçambique wordt Álvaro Fernandesi ondervraagt; hij verschaft zeer nuttige inlichtingen. Hij vertelt over overvallen in Monomotapa op Portugezen uit Indië en op een moorse karavaan uit Sofala, die met Portugese goederen het binnenland introk. Hij voegt hieraan nog toe dat de koning van Manica 3.000 krijgers in het veld kan brengen, dat er in zijn land zes mijnen zijn, met inbegrip van de mijn in Macequece, en bovendien wordt er alluviaal goud gewonnen langs de Rio Mutari (Umtali). Simão de Abreu, een inwoner van Sofala, wordt ondervraagd in Quelimane, als de expeditie terugkeert naar de Cuama. Volgens hem kan de koning van Manica 4.000 man op de been brengen en de mijnen in dat land zijn rijker dan volgens Álvaro Fernandes. De derde getuige, Manuel Barroso, geeft nog meer bijzonderheden; hij schat de militaire sterkte van Manica op 5.000 krijgers en over de mijnen zegt hij dat deze goudklompjes van tien cruzados opleveren.

In Quelimane verneemt Barreto welke ravage ziekten hebben aangericht onder degenen die hij heeft achtergelaten in het kamp in Sena. Er zijn al 150 man gestorven, onder wie de meeste officieren, en Homem zelf is zeer ernstig ziek. Onderweg van Moçambique naar Quelimane zijn twee vaartuigen verloren gegaan, met de rest van de kleding, kruit en voorraden voedsel vaart Barreto de Cuama op en bereikt op 15 mei Sena. Hier heeft hij een stevige aanvaring met Monclaro, die buitensporig tegen Barreto uitvalt en eist dat deze zijn veroveringstocht staakt, omdat de jezuïet zegt de dood van de op te offeren mensen niet op zijn geweten te willen hebben, hoewel hij zelf, vrijwel tegen iedereen in, de grote propagandist van de Cuama-route is geweest. Danvers deelt mee dat Barreto zich de onaanvaardbare arrogantie en onbeschaamdheid van Monclaro zo zeer aantrekt dat hij binnen twee dagen sterft van verdriet. Hij merkt op: de man die ontsnapt is aan de vele kogels van de moren in Indië en aan een menigte door kafirs afgeschoten pijlen en die de verdachtmakingen van een vileine lasteraar heeft doorstaan, wordt het slachtoffer van de woorden van een priester. Koning Sebastião betreurt het overlijden van Barreto zeer en hij geeft uitdrukking aan zijn smart door diens overblijfselen, die naar Lissabon zijn overgebracht veel eer te bewijzen.

Als de verzegelde opvolgingsbrieven worden geopend, blijkt dat de eerst aangewezen opvolger een al overleden persoon te zijn. In de tweede brief wijst de koning Vasco Fernandes Homem aan als leider van de expeditie naar Monomotapa. Zodra Homem voldoende is hersteld, belegt hij een vergadering die wordt bijgewoond door dertig officieren, andere edellieden en geestelijken. Inmiddels is een ambassadeur van de monomotapa aangekomen, die laat weten dat deze aan de Portugese verlangens tegemoet komt. De vorst is zelfs bereid dicht bij de Zambezi gelegen zilvermijnen over te dragen. De meegaandheid van de monomotapa wordt bevestigd door Francisco Raposo, die na het overlijden van de ambassadeur de leiding van het door Barreto uitgezonden gezantschap op zich heeft genomen. Volgens Wills (pag. 36) is de belangrijkste reden voor de monomotapa de Portugezen te verwelkomen de hoop dat zij hem zullen kunnen helpen in strijd tegen de het Chicanga-volk, een rivaliserende tak van de Shona, dat Manicaland bezet houdt. Het gebied en de mijnen van Monomotapa lijken nu voor het grijpen te liggen. Maar van de hele expeditie is nog maar 180 man in leven en deze zijn allemaal ziek en de arts is zelf ook bezweken. Met slechts vijf tegenstemmen besluit de belegde vergadering dat de expeditie terugkeert naar Moçambique, waar de zieken kunnen herstellen en manschappen van naar Indië varende schepen kunnen worden geronseld, waarna het aanvankelijke besluit: Monomotapa te betreden via Manica, kan worden gevolgd, omdat Homem zich van de religieuze fanaat Monclaro heeft bevrijd.

Homem bereikt Moçambique op 15 december 1573. Een arts laat hem tot vijfmaal toe een aderlating ondergaan en dient hem ook bij herhaling purgeermiddelen toe, maar hij overleeft deze behandelingen en in februari 1574 is hij voldoende hersteld om zijn expeditie voor te bereiden. Van een vloot die op weg is naar Indië en van twee andere schepen verkrijgt hij bij elkaar 412 man, maar 52 van hen tekenen bezwaar aan tegen deelname aan de expeditie en vluchten voor zij naar Sofala uitzeilt. Homem arriveert met zijn mannen op 16 november 1574 in Sofala. De moessonregens zullen spoedig losbarsten, maar Homem vreest dat als hij blijft treuzelen aan de kust, het gros van zijn mannen de benen zal nemen; dus trekt hij onverschrokken met zijn expeditie het binnenland in. Gedurende elf dagen trekt hij de vallei in van een rivier die ongetwijfeld de Rio Buzi is, terwijl handelswaar per kano wordt vervoerd. Bij 33° 30’ OL wordt het transport over de rivier onderbroken door stroomversnellingen. De Portugezen nemen het dorp Bandamataqua, waar zij een kerk bouwen en een van Homems zoons begraven. Zij verblijven daar de rest van het regenseizoen. De koning van Quiteve, aan wie de Capitão van Sofala en Moçambique gewoon is een jaarlijks tribuut te betalen, heeft Homem toestemming gegeven zijn land door te trekken, mits hij daar geen militaire basis vestigt, of geweld gebruikt tegen zijn onderdanen. Als de Portugezen, die gebrek hebben aan voedsel, zich meestermaken van de oogst, verlangt de koning dat zij hun wapens afgeven. Homem wijst deze eis af en zijn mannen gaan door met het afstropen van het land naar voedsel; daarbij vinden de nodige schermutselingen plaats en worden gevangenen met het zwaard gedood.

Als de regens ophouden en de tijd aanbreekt om verder te trekken, nemen ontevreden soldaten zich voor te deserteren en in tien boomstamkano’s de rivier af te zakken. Homem laat hun kano’s in brand steken, maar de muiters laten zich niet weerhouden zich over land naar Sofala te vechten. Homem laat zijn mannen weten dat zij van nu af aan slechts op God en hun musket kunnen vertrouwen. De koning van Quiteve tracht de expeditie de doorgang te beletten in de heuvels van Sitabonga, maar hij wordt verslagen en de Portugezen maken tijdens de strijd veel gevangenen en dringen door tot de Zimbabwe van de vorst, waarop zij de Portugese vlag laten wapperen. Als enige van zijn mannen opnieuw dreigen naar de kust terug te keren, laat Homem het dorp in brand steken en vervolgt zijn weg. Drie dagen later, als de expeditie op het punt staat Quiteve te verlaten, arriveert een gezant van de koning met een boodschap, waarin de vorst mededeelt dat hij het op prijs stelt dat Homem zijn land slechts is doorgetrokken en waarin hij laat weten voortaan in vrede met de Portugezen te willen leven. Homem antwoordt dat de Portugezen hem in de toekomst geen tribuut meer zullen betalen, maar het tribuut van Quiteve in Sofala wensen te ontvangen.

Als Quiteve is gepasseerd, bereikt de expeditie de provincie Mbire, die wordt doorgetrokken met gebied van Sumopango aan de ene en dat van Makombe aan de andere kant. In Mbire zijn goudmijnen. De expeditie trekt verder naar Manica, waarover Chicanga heerst. Hier blijft Homem negen dagen en hij inspecteert, met toestemming van de koning, zeshonderd mijngaten, waarvan de meeste twee lansen diep zijn. Homem en zijn mannen ontvangen wat goudpoeder en klompjes goud. De Portugezen staan ervan versteld hoe schaars het gouderts is en hoeveel arbeid het vergt daaruit goud te winnen. Agostinho Soutomayor, de Castiliaanse mijnbouwexpert, vergruist wat kwarts dat na analyse blijkt twee onças goud per quintal te bevatten. Hij verklaart geestdriftig dat de goudmijnen in Manica rijker zijn dan die in Nieuw-Spanje. Maar daar hebben de Portugezen op dat moment niets aan, omdat molens om het erts te verpulveren uit Europa dienen te worden aangevoerd. Als Homem verneemt dat de monomotapa zijn krijgers heeft gemobiliseerd en naar Manica opmarcheert, roept hij zijn officieren bijeen. De vergadering besluit dat het een geschikt moment is om naar de kust terug te keren en een verkenningsmissie naar de zilvermijnen bij de Cuama te ondernemen. Terug in Sofala, waar Homem op 26 september 1575 is gearriveerd, ontvangt hij de onderwerping van de koning van Quiteve, die zijn tribuut voor het lopende jaar betaalt, waarop Homem de hoofdvrouw, drie zonen en een broer van de vorst, die hij gevangen had genomen, vrijlaat.

Van Sofala zeilt Homem met zijn mannen naar Luabo, aan de monding van de Cuama, waar de expeditie overstapt in riviervaartuigen. De expeditie, die 138 rekruten telt, bereikt op 29 oktober 1575 Forte São Marçal, waar de regentijd wordt afgewacht. Prompt vallen velen ten offer aan koortsen, tengevolge van de regens. In het gehele gebied van de Zambezi zijn op dat moment slechts 230ii Portugezen. Homem zeilt verder naar Tete, waar hij van aarde en stenen het Forte Santiago de Tete bouwtiii. Homem vaart de Zambezi verder op tot Pungue, aan het begin van de Quebrabasa- of Caborabasa-stroomversnellingen, waar de expeditie niet meer gebruik kan maken van haar boten. Vijtig léguas verder langs de Zambezi komt Homem aan bij chief Sachurro, wiens gebied uitkijkt op de heuvels van Boquisa, waarin de zilvermijnen zouden zijn. Zij steken, in bootjes gemaakt van met huiden overtrokken constructies van boomtakken, de Zambezi over en verblijven 42 dagen in het gebied, dat zij overdag verkennen, terwijl zij de nachten doorbrengen in een versterkt kamp. Er arriveren drie gezanten uit Monomotapa, Die verklaren dat hun vorst Homem zowel de zilvermijnen van Boquisa, als die van Chicoa, op de zuidoever van de Zambezi, laat. Maar Manacha, de oude Boquisa-chief, weigert de mijnen over te dragen. Met toestemming van de gezanten, neemt Homem de weerspannige gevangen en sluit hem geketend op in een tent. Als Homem hoort dat de nieuwe Capitão van Sofala en Moçambique is aangekomen, laat hij een detachement soldaten achter in Chicoa en haast zich stroomafwaarts met vier monsters rots, die voor 50 procent uit zilver zouden bestaan. In Luabo verwijdert Homem de ketenen van de ongelukkige Manacha, die hem de overdracht van twee mijnen belooft, als de capitão hem naar zijn geboortestreek terugbrengt. Maar Homem neemt hem mee naar Moçambique, waar Fernão de Monroy op basis van zijn regimento, het bevel over het fort op zich heeft genomen.

Het detachement dat in Chicoa is achtergelaten, zou, volgens Santos, uit 200 man bestaan. Deze mannen gaan, onder bevel van António Cardoso de Almeida, door met het onderzoeken van de streek, waarbij zij hun versterkte kamp als uitvalsbasis handhaven. De lokale inwoners, die het verlies van hun chief betreuren, weigeren voedsel aan de Portugezen te verkopen. De laatsten ondernemen strooptochten in het gebied, op zoek naar graan en vee. De getergde stamleden verklaren naar vrede te streven en bieden aan de mijnen aan de Portugezen over te dragen. Zij leiden de Portugezen de heuvels in, op ongeveer een légua van hun basis. Zij lopen in een hinderlaag en worden in een nauwe doorgang door de zwarten overrompeld. Het geringe aantal overlevenden vlucht naar het fort, waar zij en veertig daar achtergebleven landgenoten een maandenlange belegering moeten doorstaan. Als de Portugezen wanhopig zijn door gebrek aan voedsel, zeilen zij weg; zij doden een aantal stamleden, maar worden tenslotte tot de laatste man afgeslacht.

De Barreto-expeditie is een voorzienbare, ellendige en kostbare mislukking. Francisco Barreto, als oud-gouverneur van de Estado da India gewend aan de grandeur van het Oosten, heeft aanvankelijk sterk gepleit voor het ondernemen van de expeditie, waarvoor hij later zijn belangstelling verloren heeft. Zijn gebrek aan vitaliteit leidt tot opschorting van de tocht naar het binnenland. Voor de onderneming is het ook zeer ongunstig dat Barreto’s regimento hem verplicht rekening te houden met de mening van Monclaro, die meer hecht aan wraakneming door de jezuïeten dan aan het belang van Portugal. Eenmaal gekozen hebbend voor de Zambezi-route wordt de expeditie gedecimeerd door ziekten. Een licht uitgeruste afdeling soldaten, weet in snelle marsen in korte tijd de koortsverwekkende vlakten te ontvluchten en de gezonde hooglanden van Monomotapa te bereiken, maar de manschappen komen nauwelijks vooruit door de onhandelbare stoet ossenwagens met voorraden. Bij de eerste schermutselingen zakt Barreto de moed in de schoenen. Homem neemt de leiding van de expeditie op zich onder de meest ongunstige omstandigheden, wat zelfs Monclaro moet erkennen. Maar hij is, ondanks zijn ziekte, in staat de expeditie te reorganiseren en te versterken, Quiteve aan Portugal schatplichtig te maken en de goudmijnen van Manica te onderzoeken. Hij bewijst ook dat er zilver is in de omgeving van Chicoa. Als hij over meer tijd en hulpmiddelen zou hebben beschikt, dan zou hij met militaire middelen de Portugese heerschappij over Monomotapa hebben kunnen vestigen. Maar een militaire verovering, hoewel uitvoerbaar, zou niet duurzaam zijn geweest. Het bestijgen van de Portugese troon door Philips II schort de explotatie van de minerale rijkdommen van Zuidoost-Afrika op. Niet soldaten, maar kooplieden zullen de Portugese invloed in Monomotapa uitbreiden.

i Álvaro Fernandes is hoogst waarschijnlijk de guardião van het galjoen São João, dat in 1552 schipbreuk heeft geleden bij de monding van de Umtamvuna. Hij is een van de weinigen die de ramp hebben overleefd. Zie deel IX, pp. 204-205.

ii Wills (pag. 33) merkt over de Portugezen in Sena en Tete en ook over die in Sofala op, dat zij zich zo vastklampen aan hun ongelukkige levens dat zij geen lust hebben op avontuur te gaan in het binnenland. Hun grootste troost is de jaarlijkse aankomst van een schip uit Portugal, dat nieuwe gezichten en voorraden aanvoert en misschien de kans biedt op terugkeer naar Europa. De impuls verder het binnenland in te trekken moet uit Portugal komen.

iii Eigenlijk is sprake van herbouw, omdat het fort in Tete, evenals Forte São Marçal in Sena, al uit de jaren dertig dateert. Zie deel IX, pag. 165. Danvers bevestigt het bestaan van een ‘het kasteel van Tete, wanwaaruit Portugese handelaren de drie goudmarkten bezoeken, waar zij goud verwerven voor kleding uit Cambay, glazen kralen en andere artikelen die voor de Portugezen van weinig waarde zijn. De drie goudmarkten zijn in Luane, op vier dagreizen van Tete, Buento, niet veel verder, en Masapa, in welke plaats de dominicanen een kerk hebben, evenals in Bocuto en Luanze. (zie volume II, pag. 15)

2.2 De kust van Moçambique en de Cuama (1575-1599)

Categorieën
Portugees kolonialisme

De capitania van Sofala en Moçambique (1557-1569). De Swahilikust

Deel 14 Index

Hoofdstuk 2.

De Swahilikust:

2.0. De capitania van Sofala en Moçambique (1557-1569)

Geschreven door Arnold van Wickeren

Tegen het midden van de zestiende eeuw wordt er zowel aan het hof in Lissabon als aan dat van de Estado da India in Goa, waartoe de Swahilikust behoort, steeds meer kritiek geuit op de grote arrogantie en het onafhankelijke gedrag van de Capitães van Sofala en Moçambique. Voor koning João III is de manier waarop verschillende capitães hun ambt vervullen echter geen reden om de tot nu toe gevolgde politiek te wijzigen. De vorst heeft de lucratieve post in 1554 gegeven aan Diogo de Sousa aan wie deze al in 1546 is toegezegd, wat niet ongewoon is. De meeste ambtsdragers moeten na hun benoeming lang wachten tot zijn hun ambt daadwerkelijk kunnen aanvaarden. De adviseurs van João III hebben geconcludeerd dat sommige Capitães van Sofala en Moçambique zich weliswaar grote rijkdommen weten te vergaren, maar zij betogen dat de capitão en zijn ambtenaren de enigen zijn die goed op de hoogte zijn van de omstandigheden ter plaatse. De bestaande regelingen worden derhalve gehandhaafd. De goudhandel vertoont enige opleving, dit tot vreugde van ’s konings adviseurs, die ook opgelucht zijn te horen dat er aan de nieuwe vesting op Moçambique gewerkt wordt en dat een fort dat de sultan van Mombaça aan het bouwen was, verwoest is. Ofschoon de bouw van het nieuwe Castelo, wegens de aard van de bouwplaats, traag verloopt, lijkt de noodzaak tot de bouw ervan groter dan ooit tevoren. In Lissabon is namelijk uit Caïro vernomen dat het vertrek van tien Turkse galeien uit de Rode Zee weliswaar, wegens het overlijden van de bevelhebber is afgelast, maar dat er plannen bestaan overvallen te gaan uitvoeren op de kust nabij Malindi. Deze overvallen zullen zich uitstrekken tot Moçambique, want de Turken hopen met specerijen geladen Portugese naus die uit Indië naar Portugal terugkeren te kunnen buitmaken. Als koning João III op 11 juni 1557 plotseling aan een beroerte sterft, wordt de Swahilikust door de Turken bedreigd, maar is tevens een vesting in aanbouw die zal bewijzen onneembaar te zijn.

Capitão Diogo de Sousa blijkt zijn voorgangers nog in hebzucht te overtreffen. De kapitein van het vaartuig dat de verbinding tussen Sofala en Moçambique onderhoudt, João de Gamarra, laat koningin Catarina in een brief gedateerd 8 november 1555 weten dat de capitão hem niet – zoals zijn voorgangers – toestaat winst te maken. Hij legt uit: ‘Ik geloof werkelijk dat hij zich zo gedraagt uit louter kwaadaardigheid en hebzucht en dat hij niet inziet hoeveel kwaad hij anderen berokkent.’ Hij laat de koningin ook weten dat de capitão de koning besteelt door goederen te verhandelen vanuit zijn privéfactorij, die de koninklijke factorij volkomen overschaduwt, ‘zodat de kafirs en kooplieden geen andere factorij kennen dan die van de capitão. Hij beveelt de koning aan het fort in Sofala, of ten minste de clandestiene factorij te doen verwoesten.

In 1557 arriveert capitão Sebastião de Sá, een strijder die vaak is gewond geraakt en menigmaal onderscheiden is. Ondanks zijn nietige gestalte, is hij een energiek man. Hij reorganiseert het hospitaal van Moçambique en doet het beter functioneren dan ooit. Tijdens zijn ambtstermijn doet zich een ernstig incident voor. Een zeer jaloerse franciscaner broeder richt in de moskee van Moçambique vernielingen aan. Hierop steken de moslims kruisen in brand en spijkeren de zware artillerie van het fort vast. De overijverige alcaide-mór laat in antwoord hierop een aantal moslims arresteren, zonder eerst na te gaan wie de schuldigen zijn. Bekend is dat onder het bewind van Sebastião de Sá schot komt in de bouw van het nieuwe fort op Moçambique-eiland, dat de capitão naar zijn eigen patroonheilige het Castelo de São Sebastião noemt. Gelet op de daadkracht van de capitão mag worden aangenomen dat hij voortvarend aan het fort heeft laten bouwen. In 1559 circuleert in Goa het gerucht dat een chief uit de omgeving van Inhambane een bezoek heeft gebracht aan Moçambique, waar hij is gedoopt. En hij is, voorzien van mooie kleding, naar zijn land teruggekeerd. Zijn oudste broer en erfgenaam heeft daarop ook Moçambique bezocht en ontvangt eveneens zijn geestelijke en materiële beloning, maar hij heeft kennelijk meer verwacht en vertrekt niet geheel voldaan. Niet lang daarna wordt van capitão Sebastião de Sá in Goa een boodschap ontvangen, waarin hij aanbeveelt priesters naar Moçambique te zenden, omdat het land rijp lijkt te zijn voor het christendom. De zoon van een Shona-hoofdman die aan de kust ten zuiden van Sofala woont, heeft in 1556 een bezoek gebracht aan Moçambique, waar hij zich heeft laten dopen. Een en ander wordt bevestigd door een broeder dominicaan die in Moçambique is geweest. Hij zegt dat het gebied vrij is van de vroegere islamitische beïnvloeding. En zelfs de grote keizer of monomotapa zou zich, volgens geruchten, ontvankelijk hebben getoond voor het ware geloof. De bisschop van Goa vertrouwt de missie in Oost-Afrika toe aan de provinciaal-overste van de Societas Jesu in het Oosten en deze kiest Dom Gonçalo da Silveira, een Portugees van hoge geboorte, uit om de missie te leiden.

Silveira en zijn compagnons, pater Andre Fernandes en broeder Andre da Costa, steken begin 1560 met de nieuwe Capitão van Sofala en Moçambique, Pantaleão de Sá, over naar Moçambique. Silveira ontmoet daar zijn oude vriend Francisco Barreto, de afgetreden capitão-geral van de Estado da India, wiens schip aan de kust van Zuid-Afrika genoodzaakt was terug te keren naar Moçambique. De ontmoeting met Barreto is een opsteker voor Silveira, omdat zijn vriend hem bemoedigt met zijn berichten over Monomotapa. In februari 1560 vertrekken Silveira en zijn twee medebroeders in gezelschap van twee lokale Portugezen in zuidelijke richting. Zijn confraters hadden met het karveel van de capitão willen reizen, omdat daarmee de afstand naar Sofala snel kan worden overbrugd, maar Silveira heeft niet op dit schip willen wachten en daarom heeft het vijftal plaatsgenomen in een open sambuq, die een minimum aan comfort biedt. Het weer zit zo tegen dat de overtocht uitgroeit tot een reis van 27 dagen. Voor zo’n lange reis is er veel te weinig voedsel aan boord, waardoor de jezuïeten genoodzaakt zijn veelvuldig te vasten, wat hun krachten sloopt. Na een kort oponthoud in Sofala wordt de tocht in zuidelijke richting voortgezet. Broeder Andre da Costa wordt tijdens de reis zo ziek dat Silveira hem toestaat vlees te eten. Nadat de jezuïeten in Inhambane zijn aangekomen, wordt Silveira ook ziek, ten dele door de tijdens de reis geleden ontberingen en ten dele door in Sofala opgelopen malaria. Zodra Silveira weer wat is opgeknapt, zendt hij Andre Fernandes s.j. het binnenland in om contact te maken met de chief van de Tonga. Fernandes reist te voet, wat zeer ongebruikelijk is voor Portugezen, die zich gewoonlijk laten dragen. Na dertig léguas te hebben afgelegd, komt hij, daar waar het tij zijn invloed op de rivier verliest, aan de stad van de chief ‘die voor een kafir een zeer goed mens is’. De chief ontvangt pater Fernandes goed en hij zendt een aantal mannen naar Inhambane om Silveira naar zijn stad te begeleiden. Fernandes wordt overvallen door koortsen en volgens de mulatto-tolk bloedt hij herhaaldelijk. Silveira is als hij de stad wordt binnengedragen zo ziek dat hij nauwelijks zijn hoofd kan optillen. Als hij hersteld is, overhandigd hij de chief een brief van vice-rei Dom Constantino de Bragança en ontvangt hij toestemming met de kerstening van het Tonga-volk te beginnen. De confraters van Silveira vestigen zich aan de kust in Gamba, acht kilometer van Inhambane. In zeven weken doopt Silveira de chief (die de naam Dom Constantino aanneemt), de leden van zijn familie en ongeveer 400 anderen. Als de missionarissen zich keren tegen polygamie en andere in hun ogen verderfelijke gewoonteni, wenden de Tonga zich van hen af. De missionarissen vertrekken teleurgesteld naar Sofala en keren daarna terug naar Indië. Zij hebben de terugslag in hun missieactiviteiten daaraan te wijten dat zij, zich geheel verlatend op Gods genade, zich niet vooraf verdiept hebben in de gedachtenwereld en de gebruiken van degenen die zij hebben willen kerstenen, een fout die menig missionaris in de komende eeuwen nog zal maken.

Silveira, de politiek van zijn orde volgend eerst de hoogste autoriteit in een land te bekeren, waarna de bevolking zal volgen, keert terug naar Moçambique om een missie naar Monomotapa voor te bereiden. Hij vertrekt op 18 september 1560 met een fusta, aan boord waarvan zich nog vijf of zes andere Portugezen bevinden. Een storm dreigt het vaartuig te doen vollopen, maar de bemanning vindt beschutting in de monding van een rivier. Als het weer is opgeknapt wordt de reis voortgezet naar Quelimane, waar de plaatselijke heerser de jezuïeten gastvrij ontvangt. Een andere storm noopt de bemanning de monding van de Rio Linde op te zoeken, maar tenslotte wordt de belangrijkste toegang tot de Rio Cuama (Zambezi) bereikt en in acht dagen wordt stroomopwaarts naar Inhangoma gevaren. Sena blijkt een grote stad te zijn, waar twaalf of veertien Portugezen en een niet genoemd aantal mensen uit Portugees Indië wonen. Terwijl Silveira wacht op de terugkeer van een naar de monomotapa gezonden boodschapper, wijdt hij zich aan de zielzorg van de Portugese gemeenschap, die al vele jaren geen priester heeft gezien. Hij verbindt lokale christenen in de echt die al jaren in zonden leven en doopt hun kinderen en slaven, bij elkaar 500 zielen. Een chief die een légua buiten Sena woont, Inhamior geheten, toont belangstelling voor het christendom, maar Silveira weigert hem te dopen, omdat hij een onderdaan is van de monomotapa. Silveira zendt een boodschapper naar de Portugese handelaar Gomes Coelho, die woont in het veel verderop aan de Cuama gelegen Tete. Hij kent het land Monomotapa en de Karanga-taal. Silveira laat de boodschapper Gomes Coelho vragen naar Sena te komen, om hem te doen delen in zijn kennis van land en volk van Monomotapa. Nadat Gomes Coelho in Sena is gearriveerd, wordt daar bericht ontvangen dat de monomotapa Dom Gonçalo da Silveira s.j. wenst te ontvangen. Silveira reist naar Tete niet met Gomes Coelho, die niet in de gelegenheid is de jezuïet te vergezellen, maar met een andere Portugese handelaar, António Caiado, die eveneens bekend is met Monomotapa. Silveira trekt vanuit Tete het binnenland in met een minimum aan bagage. Hij en de zijnen moeten een aantal rivieren die buiten hun oevers zijn getreden oversteken, maar tenslotte komen de reizigers op kerstavond 1560 aan in Chatacuy, een stad dicht bij het hof van de monomotapa. Deze zendt Silveira welkomstgeschenken in de vorm van goud, vee en dienaren, maar Silveira wijst deze giften af en legt uit dat hij op zoek is naar een groter goed. Caiado vergezelt Silveira naar de Zimbabwe, waar de jonge monomotapa Chisamharu Negomo Mupunzagnutu hem de eer aandoet hem uit te nodigen in zijn privéhut en hem doet plaatsnemen tussen hemzelf en zijn moeder, terwijl Caiado, die goed bekend is met de Shonaii en hun taal, staande in de deuropening als tolk optreedt. De monomotapa vraagt Silveira hoeveel vrouwen hij wil, hoeveel goud, welke landerijen en hoeveel vee. Uit Silveira onverstandige weigering aardse goederen te aanvaarden concludeert de vorst dat hij niet is als andere mensen en dat hij wel onder een struik gevonden moet zijn. Als Silveira 25 dagen bij de monomotapa is, doopt hij hem, waarbij hij de naam Sebastião aanneemt, als een eerbewijs aan Portugals minderjarige koning en zijn moeder. De monomotapa zendt Silveira honderd stuks vee, maar deze geeft de dieren direct aan Caiado. Deze laat het in repen gesneden vlees van geslachte dieren drogen voor latere consumptie. Silveira doopt vervolgens 300 zielen, van wie velen hem levensmiddelen zenden, maar de jezuïet wil niet meer aannemen dan een paar handen gierst, wat kruiden en enige bosvruchten.

Een moslimkoopman, evenwel, bericht de monomotapa dat Silveira als spion is uitgezonden door de gouverneur van Portugees Indië en door de Capitão van Sofala en Moçambique, voorafgaand aan een uit te zenden leger dat het land zal bezetten, in een bondgenootschap met Quiteve, dat in opstand is gekomen tegen de monomotapa. De moslim deelt de vorst voorts mee dat het water waarmee hij gedoopt is een tovermiddel is en dat de woorden die tijdens de ceremonie zijn uitgesproken een bezweringsformule, gericht tegen de monomotapa, zijn familie en onderdanen, is geweest. De jonge vorst besluit daarop de tovenaar te doden en hij geeft Caiado de raad mogelijke bezittingen van hem uit de hut van Silveira te halen. Caiado haast zich een briefje in Silveira’s hut te leggen om de priester te waarschuwen tegen het gevaar dat hem bedreigt en hij zoekt daarna de koning en zijn moeder op, die hem laten weten dat slechts een ogenblikkelijk vertrek naar de kust het leven van de priester kan redden. Op de laatste dag van zijn leven, doopt Silveira, in het geheel niet geintimideerd, nogeens 50 Karanga en verdeelt hij wat kleding en een stuk of wat kralen. Hij neemt Caiado de biecht af en geeft hem de misboeken en andere liturgische zaken, waarbij hij zegt dat hij weet hoe hij moet sterven; hij heeft geen angst voor de dood; hij vreest eerder dat hij in leven zijnde anderen kwaad zal berokkenen. Hij voegt daar lachend aan toe: ‘António Caiado, ik ben er zeker van dat ik beter ben voorbereid op de dood dan de moren die mijn dood hebben veroorzaakt. Ik vergeef de koning, omdat hij nog jong is en zijn moeder omdat zij zich door de moren hebben laten bedriegen.

Caiado zendt twee dienaren die de nacht van 15 op 16 maart 1561 dichtbij Silveira doorbrengen. Zij rapporteren later dat hij ongeveer tot middernacht buiten zijn hut heen en weer loopt. Als hij daarna naar binnen gaat en zich heeft neergelegd, dringen zeven of acht man zijn hut binnen, zij wurgen hem en gooien zijn lichaam in de nabije Rio Umsengedsi. De volgende dag geeft de monomotapa bevel de 50 nieuwe bekeerlingen te doden, maar degene die met zijn mannen dit bevel dient uit te voeren antwoordt dat als hij alle onlangs gedoopten zou moeten doden, ook hijzelf de dood onder ogen moet zien. De Portugese handelaren die in de buurt van de Zimbabwe verblijven wordt geen haar gekrenkt. Na twee of drie dagen wenden zij zich tot de monomotapa en waarschuwen hem dat hij kan verwachten dat de moord op de jezuïet vergolden zal worden: Silveira was een edelman en de koning van Portugal zal zijn dood wreken. De monomotapa begint al spijt te krijgen van zijn optreden en hij gelast de executie van vier moslims die hij vooral verantwoordelijk houdt voor de moord op de missionaris. Twee weten te ontsnappen, maar de twee anderen ontlopen hun straf niet. De vorst zendt een gezant naar de Capitão van Sofala en Moçambique in de persoon van Mingoaxane, een eerbiedwaardige moslim, die in zijn naam zijn excuses dient aan te bieden voor de dood van Silveira.

Tijdens de reis van Dom Gonçalo de Silveira en zijn gevolg naar Monomotapa, arriveert begin 1560 de nieuwe Capitão van Sofala en Moçambique in Afrika. Hem is het privilege verstrekt dat hem toestaat jaarlijks 100 slagtanden van olifanten naar Indië uit te voeren en die daar voor eigen rekening te doen verkopen. Er wordt ook weer een capitão-mór aangesteld om de kust van het sultanaat Malindi te bewaken. Niemand mag deze kust bezoeken zonder speciale toestemming, onder bedreiging van confiscatie van schip en ladingiii. Er is alle reden voor herstel van het Portugese gezag over de Malindikust, want de kust van Portugals trouwe bondgenoot wordt niet alleen geplunderd door vijandige moslims, maar ook voor Portugese deserteurs, die hun kost verdienen met piraterij, is deze kust aantrekkelijk. Daarnaast is Kilwa (Quiloa), welks sultan zich heeft verbonden met stammen van het vasteland, in opstand gekomen tegen het Portugese gezag. De opvolger van Dom Constantino de Bragança als gouvernador-general van de Estado da India, Dom Francisco Coutinho, conde de Redondo, die in 1561 op weg naar Goa, Moçambique aandoet, is geschokt als hij ziet hoe langzaam de bouw van het nieuwe Castelo de São Sebastião vordert. Er is nog geen derde deel van de muren gebouwd en iedere vadem kost 2.400 reais. De vice-rei beveelt dat er meer stenen en meer kalk aangemaakt moeten worden, zodat sneller gebouwd kan worden en hij verbiedt het optrekken van andere gebouwen zolang het fort niet af is. Tijdens het bezoek van de gouverneur aan de Swahilikust arriveert daar monomotapa’s gezant Mingoaxane, die de excuses voor de dood van Dom Gonçalo da Silveira van zijn vorst komt aanbieden, maar hiermee zal een strafexpeditie niet ontlopen worden. Dom Francisco Coutinho ervaart zelf dat Moçambique een zeer ongezonde plaats is; hij arriveert met één zieke op zijn vloot en vertrekt na 32 dagen met 200 zieken aan boord. Maar Moçambique is een gezonde plaats vergeleken met Sofala. Capitão Pantaleão de Sá keert uit Sofala naar Moçambique terug als weduwnaar; niet alleen zijn vrouw, maar zijn gehele gezin is in Sofala gestorven.

Het is niet zeker hoe lang Pantaleão de Sá zijn ambt heeft bekleed en daarom weten we ook niet of Fernão Martins Freire de Andrade zijn directe opvolger als Capitão van Sofala en Moçambique is. In 1562 heeft koningin Catarina, regentes voor de nog minderjarige Sebastião, verschillende alvarás ten gunste van Fernão Martins Freire de Andrade ondertekend. Een daarvan bericht de onderkoning dat zij deze edelman in wie zij veel vertrouwen heeft, benoemd heeft tot capitão van Sofala en Moçambique. Hij is belast met het toezicht op alle handel ten bate van de koninklijke schatkist in de Rios de Cuama en in de andere rivieren van Sofala, zulks conform een nieuw regimento dat naar Indië wordt gezonden. Er mag geen vaartuig of persoon uit Indië naar deze rivieren worden gezonden dan op uitdrukkelijk verzoek van de capitão en de vice-rei dient hem te voorzien van de schepen en handelsgoederen die hij vraagt. De capitão ontvangt het consigne ervoor te zorgen dat het ziekenhuis van Moçambique altijd goed bevoorraad is, zowel in het belang van de inwoners als van de bemanningen van schepen die Moçambique aandoen. De capitão dient de kust tussen Sofala en Moçambique te bewaken met twee schepen en zonodig met drie. Martins Freire de Andrade zal een half procent van de waarde van de handel ontvangen (het andere halve procent gaat naar de klerken, tot een bedrag van 100.000 reais). Bovendien ontvangt de capitão 150 bertangis per jaar voor zijn huishouding. Ook ontvangt de capitão een twintigste deel van de handel in ivoor, vooropgesteld dat hij deze voor een evenredig deel financiert. Aan het hof is bekend dat de handel in kokosvezels en pek om schepen te breeuwen een particuliere aangelegenheid is. Individuele Portugezen verkrijgen deze producten aan de Swahilikust in ruil voor particuliere handelsgoederen. Dona Catarina verlangt dat de nieuwe capitão deze handel in handen neemt.

In maart 1564 vertrekt een nieuwe onderkoning, Dom António de Noronha, uit Lissabon naar Indië. Hij arriveert op 13 juli in Moçambique en verneemt daar dat Fernão Martins Freire de Andrade gestorven is. Hij roept de officieren en beambten van het fort bijeen en deelt hen mede dat de uitgaven voor de Estado da India de ontvangsten jaarlijks met 25 contos overtreffen. Hij is belast met nauwkeurig de uitgaven in de gaten te houden en daarbij speciaal te letten op voordelen die individuele personen zijn toegekend. Noronha laat zich vervolgens alle boeken bezorgen en deze worden nauwkeurig bekeken door João da Fonseca, de nieuwe vedor da fazenda, en Belchior Botelho, een vroegere vedor, die persoonlijk getuigen ondervragen. Noronha laat weten dat het salaris van de capitão volgens het regimento 418.000 reais bedraagt en dat dit bedrag betaald moet worden uit de winst die behaald wordt op uit Indië aangevoerde handelswaar (meest kleding), maar dan dient de handelswaar wel zoveel te zijn dat daaruit de kosten van het fort kunnen worden betaald. De alcaide-mór ontvangt een salaris van 120.000 reais en een toelage voor levensonderhoud van 18.000 reais. Noronha schrapt enige kostenposten; één klerk bijvoorbeeld, is voldoende. En voor medicijnen moet 120.000 reais voldoende zijn. Er wordt jaarlijks een bedrag van 2.400 reais gereserveerd voor het lezen van missen voor het zielenheil van kardinaal-koning Dom Henrique. De bouw van het fort is zeer kostbaar en verloopt zo traag dat het nog wel 20 jaar zal duren voor het af is. De onderkoning onderneemt stappen waarvan hij hoopt dat het fort in vier jaren kan worden voltooid.

De laatste daad van Dom António de Noronha in Moçambique, daags voordat hij op 5 augustus 1564 doorzeilt naar Indië, is Belchior Botelho te bevelen achter te blijven in het fort van Moçambique en hem de macht te verlenen van Capitão van Sofala en Moçambique. Hij moet er vooral op toezien dat het nieuwe fort zo spoedig mogelijk voltooid wordt. Zodra de onderkoning vertrokken is, verzamelt Botelho alle manschappen van het fort; hij verlangt van hen dat zij zweren geen uit Indië aangevoerde handelswaar in hun bezit te hebben. In september zendt hij een fusta naar de Rio Cuama met de goederen die naar verwachting dat seizoen kunnen worden verkocht. Botelho en de kapitein van de fusta zijn gerechtigd ieder voor eigen rekening tien olifantstanden te verwerven, de alcaide-mór vier en de escrivães van de feitoria en van de fusta en de bootsman ieder twee, de meirinho een, terwijl de lokale loods, schipper en zeelieden de opbrengst van vier slagtanden onder elkaar mogen verdelen. In oktober zendt Botelho een fusta naar Cabo Correntes, bij het tegenwoordige Inhambane om – zoals gebruikelijk – ivoor te verwerven, waarbij de verschillende functionarissen recht hebben op van tevoren bepaalde hoeveelheid. Botelho zendt in dezelfde maand ook twee pangaios naar Inhambane om ivoor te bekomen met dezelfde rechten. Vervolgens zeilt Botelho in een karveel naar Sofala, waar hij alle koopwaren in de factorij laat opslaan en nadat de handelswaren voor rekening van de Kroon van de hand zijn gegaan, mogen de koopwaren van particulieren worden verkocht. Het is Botelho toegestaan 200 corjas kleding te verkopen, de opperstuurman 100, de kapitein van het karveel 70 en de nieuwe factor van Sofala 100.

Na zijn aankomst in Goa bevestigt de onderkoning de nieuwe regels voor de capitania Sofala en Moçambique. In een ander regimento worden het salaris en de kosten voor levensonderhoud van de alcaide-mór naar beneden bijgesteld en voor het nieuwe hospitaal dat pas is gebouwd wordt een extra bedrag uitgetrokken van bij benadering 400.000 reais. Over extra uitgaven ten bate van het hospitaal beslist de capitão .Er worden voorbereidingen getroffen voor betaling voor de kano’s waarmee bouwmaterialen voor het fort worden aangevoerd. Er wordt ook gewag gemaakt van het karveel dat de verbinding tussen Moçambique en Sofala onderhoudt en van de drie fustas die ieder jaar naar de rivieren worden gezonden. De fusta die ieder jaar naar Cabo Guardafui gaat is nu onnodig, omdat drie gewapende fustas aan de kust van Malindi in gebruik zijn en zij kunnen nieuwe ontwikkelingen in Moçambique rapporteren. Het regimento geeft ook toestemming ieder jaar 40.000 reais uit te betalen aan leden van de Societas Jesu.

Het is niet bekend hoe lang Belchior Botelho is opgetreden als Capitão van Sofala en Moçambique en of hij is aangebleven tot de komst van Pedro Barreto Rolim, de volgende op de lijst van lieden aan wie de functie is toegezegd. De nieuwe capitão maakt de overtocht van Indië naar Moçambique op hetzelfde schip waarmee Luís Vaz de Camões, die in 1552 in Indië is aangekomen, naar Portugal terugkeert. Camões, die in Indië niet in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien, heeft vele weldaden ontvangen van de laatste twee onderkoningen Dom António de Noronha en diens voorganger, maar gouverneur Francisco Barreto, heeft minder consideratie met de poëet gehad; hij heeft hem in de gevangenis gezet en later verbannen, omdat hij zijn schulden niet kon betalen en de graaf van Redondo heeft hem tegen het einde van zijn ambtstermijn overgegeven aan de rechter die hem heeft veroordeeld tot gevangenisstraf. Camões had erop gerekend onder bescherming van de vrijgevige Dom António de Noronha van Moçambique naar Portugal te kunnen reizen, maar dat gaat niet door, omdat de onderkoning kort nadat hij aan boord is gegaan van het schip dat hem naar Portugal moet brengen, op 2 februari 1569 sterft. Tot overmaat van ramp doet geen van de schepen die begin 1569 uit Indië naar Portugal vertrekken Moçambique aan, waardoor Camões verplicht is te leven op de zak van zijn vrienden. In de maanden dat Camões noodgedwongen in armoede op Moçambique-eiland verblijft, voltooit hij zijn major opus ‘Os Lusiadas’. Aan boord van een van de schepen van de retourvloot die een jaar later uit Indië vertrekt en dat wel Moçambique aandoet, bevindt zich Diogo de Couto. De grote historicus zorgt ervoor dat de ‘Prins der Dichters’ voedsel, kleding en een passagebiljet naar zijn geboorteland ontvangt. Ook capitão Pedro Barreto Rolim boekt passage naar Portugal, ofschoon hij nog een jaar zou moeten blijven om zijn ambtstermijn vol te maken. Hij heeft echter vernomen dat koning Sebastião zijn familielid Francisco Barreto heeft benoemd tot leider van een expeditie naar Monomotapa en dat deze benoeming mede omvat dat hij de capitania Sofala en Moçambique gaat besturen.

i Wills deelt mee dat de missionarissen zich ook keren tegen de gewoonte dat de broer van een overledene diens weduwe tot vrouw neemt; zij noemen dit een doodzonde. Zij verklaren dat de traditionele manier van regenmaken een lege ceremonie en een goddeloos bijgeloof is. De afwijzing van zaken als deze die zo zeer verweven zijn met de cultuur van de Tonga, leidt ertoe dat de mensen zich van de missionarissen afkeren.

ii João de Barros weet over de Shona het volgende te melden: ‘Zij hebben vele vreemde gebruiken, die door verstandig beleid schijnen te zijn ingegeven en die in overeenstemming zijn met hun primitieve denkbeelden.’ João de Santos o.p. noemt de taal van de Shona ‘de beste en meest beschaafde kaffertaal, die hij ooit heeft horen spreken. Zij spreken in metaforen met erg treffende vergelijkingen, die zij op de juiste ogenblikken gebruiken.’ Het oordeel van Santos over de Shona steekt zeer vleiend af bij zijn oordeel over andere stammen. Over de Makwa, die leven in Centraal-Moçambique weet hij in 1609 te melden, dat het zeer barbaarse heidenen en dieven zijn, met een luide en ruwe stem.

iii De helft van de opbrengst van het geconfisqueerde schip en zijn lading is voor de koning; de andere helft voor de aanbrenger.

2.1 De Barreto-Homen expeditie (1569-1575)