Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike
Torre de Belém, Lissabon, Portugal. Auteur Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

Capitão-geral Diogo Lopes de Sequeira. De Estado da India

Deel 6 Index

Hoofdstuk 6

De Estado da India

6.5 Capitão-geral Diogo Lopes de Sequeira

Geschreven door Arnold van Wickeren

Koning Manuel, die inmiddels goed op de hoogte is van de ware stand van zaken in Goa, verstrekt zijn nieuwe capitão-geral, Diogo Lopes de Sequeira, een aantal regimentos waaruit blijkt dat hij terug wil keren naar de kolonisatiepolitiek van Afonso de Albuquerque (zie deel V, pag. 70-72, 141, 155-156, 186-187). Op 1 maart proclameert hij Goa tot `een koninklijke stad, die nooit gescheiden zal worden van de Portugese kroon’. Deze proclamatie is gericht tegen degenen die bepleiten slechts Cochin als vlootbasis te handhaven en Goa op te geven. Een ander regimento, van dezelfde datum, stelt alle inwoners van Goa, christenen, Hindoes en moslims, vrij van het betalen van invoerrechten op alle importen. Opmerkelijk is dat moslims op dezelfde wijze behandeld worden als christenen en Hindoes. De reden hiervan is dat de Portugezen inmiddels ervaren hebben, dat de Indische moslims, in tegenstelling tot de Arabische en Turkse, zich niet vijandig tegenover de Portugezen gedragen. Het derde regimento van 1 maart stelt alle inwoners vrij van het betalen van havengelden. Deze vrijhavenpolitiek leidt ertoe dat Goa bijna ogenblikkelijk haar vroegere voorspoed herwint. Het regimento van 2 maart geeft de inwoners van Goa allerlei privileges op bestuurlijk, strafrechtelijk en economisch gebied. Gehuwde mannen, die van het plegen van een misdrijf verdacht worden, ondergaan geen voorarrest, maar mogen, op erewoord, de uitspraak thuis afwachten. Hun onroerende goederen kunnen slechts worden verbeurdverklaard in geval van verraad en andere in de wet genoemde gevallen. Zij kunnen handeldrijven waarin en uitvaren waarheen zij willen, tenzij naar vijandige landen. Zij kunnen niet door de capitão-geral gedwongen worden tot publieke werken, behalve ten behoeve van de verdediging van de stad. Alle gemeentelijke ambten staan voor hen open. Deze regimentos plaatsen de inwoners van Goa in dezelfde positie als die van Lissabon, Porto en Évora. Op 15 maart 1518 garandeert Manuel alle gehuwde en ongehuwde Portugezen, die in Goa wonen of zich daar vestigen, een stuk grond. Om specu-latie tegen te gaan, wordt bepaald dat deze grond niet verkocht, geruild of weggegeven mag worden zonder koninklijke toe-stemming. Bij overtreden valt de grond weer toe aan de kroon. Woeste grond, die altijd behoort aan de kroon, wordt uitgegeven in sesmaria (pacht), opdat hij in cultuur kan worden gebracht.

Voorzien van genoemde regimentos zeilt Sequeira op 27 maart 1518 uit, met een vloot van negen schepen, om Lopo Soares de Albergaria af te lossen als gouverneur van Portugees Indië. Op de vloot bevinden zich 1.500 strijdbare mannen en de Armeniër Mattheus, de gezant van keizerin Eleni naar koning Manuel, die van een bezoek aan Portugal terugkeert. Evenals zijn voorgan-ger brengt Sequeira, die zich in 1509 voor Malacca niet als een sterk aanvoerder heeft doen kennen (zie deel V, par 2.2) zijn eigen fidalgos en kapiteins mee, om de belangrijke posten te be-zetten. Dit gaat een gewoonte worden. Onder hen zijn: Dom Garcia Coutinho, de beoogde capitão van Ormoez; Ruy de Mello Punho, capitão van Goa; Dom Ayres da Gama, capitão van Cannanore; Garcia de Sá, capitão van Malacca; Sancho de Tovar, capitão van Sofala; Dom João de Lima, capitão in Calicut; João Gomes Cheiradinheiro, capitão van de Malediven; en João Lopes Alvim, die voor de Oostafrikaanse kust gaat patrouilleren.

Bij het vertrek van Sequeira hebben koning Manuel en hij er weet van dat de jonge Spaanse koning Karel V de in ongenade gevallen Fernão de Magalhães, nog maar zeer kort geleden (18 maart 1518) in Valladolid een vloot beloofd heeft, waarmee hij, in Spaanse dienst en via de westelijke route naar Oost-Azië zal zeilen en wel naar zijn vriend Francisco Serrão op de Molukken. Omdat de exacte ligging van de Molukken nog niet vaststaat, is het onduidelijk of zij, gelet op het Verdrag van Tordesillas (zie deel II, par. 3.8), in de Spaanse of in de Portugese invloedssfeer liggen. Om te verhinderen dat Spanje, wellicht wederrechtelijk, vaste voet krijgt op de eilanden dient Magalhães’ expeditie onderschept te worden. Daartoe zal Manuel sterke eskaders laten patrouilleren rond Cabo da Boa Esperança en rond de monding van de Rio da Prata. Sequeira heeft eveneens opdracht nieuwe forten in Azië te bouwen en wel in Chaul en Diu in Cambay, op welke plaatsen Afonso de Albuquerque ook al zijn oog heeft laten vallen; op de Malediven, om de Arabische sluip-route uit Oost-Azië naar de Rode Zee af te snijden, op Sumatra, om de hand te kunnen leggen op de Sumatraanse peper, en op de Molukken, ter bescherming tegen de Spaanse aspiraties.

Sequeira komt 8 september 1518 in Goa aan en zeilt vandaar naar Cochin, om te ervaren dat degenen die hij gaat opvolgen, kortgeleden is uitgezeild naar Ceylon. Albergaria is in december terug in Cochin, draagt op 20 december zijn ambt over aan Sequeira en vertrekt met de retourvloot van tien schepen naar Portugal. Dat de situatie die Sequeira in Indië aantreft niet rooskleurig is, blijkt uit de brief die Dom João de Lima, direct nadat hij het commando over het garnizoen in Calicut op zich heeft genomen, op 22 december 1518 aan koning Manuel richt.

Hij schrijft van kapitein Álvaro Barreto, die is teruggekeerd van de Straat van Bab al-Mandab, vernomen te hebben dat zeven (Turkse) galeien in Diu zijn aangekomen en dat zich daarbij nog veertien andere galeien zullen voegen, die nog in verschillende havens van Cambay liggen. De gehele vloot zal via Djedda naar Toro (Sinaï) gaan om hersteld en bevoorraad te worden. Ook zullen vervangers aan boord worden genomen voor de grote aantallen opvarenden die eerder gedeserteerd of gedood zijn. Dom João vervolgt met de mededeling dat de toestand aan de (west)kust (van Voor-Indië) vreedzaam is, met uitzondering van Dabul, waar enige fustas zijn genomen `door een fusta van ons.’. Hij gaat verder: Albergaria is teruggekeerd van Ceylon, waar hij een fort van aarde, steen en klei heeft gebouwd en een tribuut heeft ontvangen van tien olifanten en 400 bahar kaneel. Over Malacca heeft de briefschrijver minder opwekkende berichten: De stad wordt belegerd door zijn `ex-koning’, die Malacca elke dag aanvalt. Het zijn niet alleen spannende tijden voor het fort, maar in het fort maken António Pacheco en Nuno Vaz Pereira ruzie met elkaar over wie van hen zich capitão mag noemen. Dom Aleixo de Meneses, die Malacca heeft bezocht heeft het tweetal verzoend, nadat de geschilpunten met hem besproken zijn. Dom João de Lima deelt Manuel ook mede dat Fernão Peres goed ontvangen is in China en dat hij zijn waren tegen goede prijzen heeft kunnen verkopen. Voorts wordt opgemerkt: `Indië is slecht voorzien van artillerie. Hier in Cochin zie ik niet meer dan 15 stukken en dat is zelfs niet voldoende, voor één galjoen, dat dient te worden uitgerust met 35 kanonnen. Alle andere schepen hebben niet meer dan twee of drie camelos (stukken geschut). Uwe Majesteit zou er meer dan ooit goed aan doen ons van artillerie te voorzien; de capitão-mor heeft circa 30 schepen bijeengebracht en met een paar fustas en galeien erbij zouden we op 40 schepen komen.’

Sequeira legt van meet af aan grote energie aan de dag. Hij zendt Dom Alonzo de Meneses naar Baticale, de havenstad die Vasco da Gama al in 1502 schatplichtig heeft gemaakt, maar die zeer overtijd is met het betalen van het tribuut. Voorts gaat João Gomes Cheiradinheiro naar de Malediven, om daar een fort te bouwen (zie par. 7.1), António de Saldanha gaat naar de kust van Arabië en Simão de Andrade naar China (zie par. 7.8).

De betrekkingen met de koningin van de belangrijke peperhaven Quilon zijn vriendelijk, nadat Albergaria in 1516 een verdrag met haar gesloten heeft. De publieke opinie is echter anti-Portugees en de koningin, die zich daarvan bewust is, sluit een geheime overeenkomst met capitão Hector Rodrigues. De Portugezen, die al langer een stenen fort in Quilon willen bouwen, kopen haar om met 2.000 zilverstukken. Zij geeft in 1519, buiten medeweten van de inwoners, toestemming voor de bouw van het Tangesseri-fort. Onder de dekmantel dat de factorij wordt hersteld, wordt fort São Tomé gebouwd en bewapend. Nadat Hector Rodrigues een aanval op zijn persoon heeft moeten afslaan, sluit Sequeira op 17 november 1520 een nieuw verdrag met de koningin. Hierin wordt bepaald: dat alle peper die op basis van het verdrag van 1516 beschikbaar is, direct zal worden `betaald’ aan de koning van Portugal en aan niemand anders; dat alle schepen die de haven van Quilon aandoen (uitgezonderd vijandelijke of met pe-per geladen schepen) vrije toegang hebben en goed ontvangen zullen worden en dat de capitão van het fort van de koningin – binnen redelijke grenzen – alle hulp zal ontvangen die hij behoeft. De Portugezen gaan ermee akkoord dat particuliere Portugese kooplieden voortaan ook belasting betalen in Quilon. Met ooglui kende toestemming van de koningin, legt Rodrigues, met het argument dat het monopolie op de peperhandel berust bij de Portugezen, beslag op 5.000 ossenvrachten peper, die kooplie-den aan de oostkust geruild hebben tegen 5.000 ossenvrachten rijst. Hiermee komt een einde aan een zeer levendige handel van Quilon tussen Tinnevelly en Kayamkulam over de Ghats en de Arambolypas (Ariankavupas) naar de oostkust.

De `schepen van het koninkrijk’ die 23 april 1519 uit Lissabon zijn vertrokken en in september van dat jaar in Indië aankomen, brengen Sequeira nieuwe adviezen en instructies. Hem wordt afgeraden een eskader naar de Molukken te zenden, omdat hij eerst een expeditie naar de Rode Zee dient te ondernemen. Daarna moet hij zo snel mogelijk Malacca waarschuwen voor de Spaanse aspiraties in de Molukken. Sequeira heeft zijn eerste hulpeskader, bestaande uit twee kraken en een galjoen, onder bevel van Francisco Faria, wellicht naar Malacca gezonden toen hij van mei tot augustus 1520 bij Ormoez verbleef. De hulp bereikt Malacca niet. De schepen hebben naar Indië moeten terugkeren, omdat zij de moesson tegen hadden.

De Arabieren en Indiërs verspreiden bij herhaling geruchten over Turkse vlootbewegingen, om de Portugezen in India te ontmoedi-gen. In 1520 zeilt Diogo Lopes de Sequeira met een grote vloot naar de Rode Zee om de Portugese macht te demonstreren. Nadat hij de retourvloot, bestaande uit drie schepen onder bevel van André Dias met peper naar Lissabon heeft gezonden, ver-trekt hij 13 februari vanuit Goa. Zijn vloot bestaat uit 24 schepen, waarop zich 1.800 Portugezen en bijna evenveel manschappen van de kusten van Malabar en Kanara bevinden. Op een van de schepen bevindt zich de gezant van Ethiopië naar het hof van Manuel, de Armeniër Mattheus die, na de mislukte poging van Albergaria hem naar Ethiopië terug te brengen, popelt rapport van zijn missie uit te brengen. De expeditie begint slecht. Bij het invaren van de Straat van Bab al-Mandab slaat de Santo António, het schip waarop de capitão-mor zich bevindt, stuk op de rotsen, maar de bemanning wordt gelukkig gered.

De vloot gaat op 7 april 1520 voor anker bij Massawa (Maçua), voor de kust van Ethiopië. De stad is verlaten, omdat de islamiti-sche bewoners, op de nadering van de Portugese vloot, naar het vasteland van Ethiopië zijn gevlucht. Als de Portugezen zich de volgende dag op het vasteland bevinden, komen twee mannen naar hen toe. Het zijn een moslim en een christen uit de naburige stad Arkiko. Zij vertellen dat de christelijke inwoners van die stad, zich met hun bezittingen in de bergen in veiligheid brengen als de Turken de haven aandoen. Nu zijn zij niet gevlucht, omdat zij vernomen hebben dat de Portugezen christenen zijn. Een dag later meldt zich de kapitein van Arkiko voor een gesprek met de Portugese bevelhebber. Hij is vergezeld van 30 ruiters en 200 man voetvolk. Hij biedt als geschenk vier koeien aan en ontvangt als tegenprestatie kostbare geschenken. De kapitein zegt gezon-den te zijn door Dori, de barnagais (heerser aan de zee), omdat hij de gouverneur is van de aan de Rode Zee gelegen streek in Noord-Ethiopië. Weer een dag later melden zich zeven monniken uit het op zeven of acht leguas hoog in de bergen gelegen klooster bij Bisan. Zij laten weten dat zij al lang uitzien naar de komst van christenen, omdat in hun boeken een profetie staat, dat er eens christenen naar hun haven zullen komen en als deze een bron hebben geslagen, zullen daar geen Moren meer zijn. De monniken worden aan boord ontvangen, maar slapen in Arkiko. Op vrijdag 13 april steekt Sequeira met de monniken over naar Massawa. Hij beveelt dat de belangrijkste moskee voortaan de kerk van Nossa Senhora da Conceição zal zijn. Vanaf dat ogenblik zal daarin iedere dag de mis worden gelezen. De monni-ken vertrekken na de mis, met persoonlijke geschenken in de vorm van kleding, alsmede met zijde en altaarschellen voor het klooster. Zij worden vergezeld door Fernão Dias, die goed Arabische spreekt, en door Pero Gomes Teixeira, de Vèdor da Fazenda da India, die het klooster gaan bekijken. Op 17 april komt de barnagais naar Arkiko en laat een boodschapper vragen of Sequeira hem daar komt bezoeken. Deze zendt António de Saldanha naar Arkiko. Na veel vijven en zessen en nog een bezoek van Saldanha, nu vergezeld door Mattheus, spreken Dori en Sequeira met elkaar, gezeten op een karpet halverwege de ankerplaats en Arkiko. Dori herhaalt tegenover Sequeira de profetie van de vernietiging van de moslims. Hij zweert op het kruis dat hij in zijn hand neemt en op de naam van Onze Heer Jesus Christus en op die van Preste Joam, dat hij altijd de mannen en de zaken van de koning van Portugal zal steunen. Hij wil Mattheus en de Portugezen die hem eventueel zullen vergezellen onder zijn hoede nemen en ervoor zorgdragen dat zij hun doel bereiken. Sequeira zweert daarop dat hij en de andere Portugese kapiteins Preste Joam altijd zullen steunen. Dit Luso-Ethiopische militaire bondgenootschap heeft in die tijd niet meer die betekenis die het enige jaren daarvoor zou hebben gehad; immers met de val van de Mamelukken is de Egyptische bedreiging weggevallen, terwijl de Ottomaanse expansiedrift zich vooral op Europa richt. Er worden geschenken uitgewisseld: de barnagais, die 200 ruiters en meer dan 1.000 man voetvolk bij zich heeft, ontvangt wapens, kleding en kostbaarheden en Sequeira krijgt een paard en een muildier van hoge kwaliteit. Mattheus, die tot dan toe door veel Portugezen voor een oplichter is gehouden en die zij daarom aan een verlaten kust hadden willen afzetten, stijgt geweldig in hun achting nu zij erva-ren met hoeveel egards hij door de Ethiopiërs wordt tegemoet-getreden, terwijl blijkt dat alles wat hij verteld heeft waar is. Hij zal op zijn tocht naar het hof vergezeld worden door drie Portugezen die deze `ware ambassadeur’ ten dienste zullen staan en die hem moeten beschermen. Sequeira, die in Lissabon een zeer hoge positie heeft bekleed, kent de belangstelling van koning Manuel voor Ethiopië. Hij neemt daarom het initiatief een officieel gezantschap naar keizer Lebna Dengel te zenden. Dit bestaat uit ambassadeur Dom Rodrigo de Lima en 13 andere Portugezen, onder wie de priester Francisco Álvarez, die in zijn Verdadeira informação das terras do Preste João das Indias (1540) land en volk van Ethiopië en de lotgevallen van het gezantschap heeft beschreven. Een samenvatting daarvan is opgenomen in paragraaf 7.9. Zonder bericht af te wachten, of het gezantschap vorderingen maakt, wat hij wel heeft beloofd, zeilt Sequeira nog dezelfde dag (13 april 1520) naar de naburige Dahlak-archipel, waar de gelijknamige stad in brand wordt gestoken, nadat de inwoners daaruit op de nadering van de Portugezen zijn gevlucht. Sequeira’s overhaaste vertrek voorkomt dat hij evenals zijn voorgangers Albuquerque en Albergaria door windstilte maanden in de Rode Zee wordt vastgehouden.

Vervolgens wordt overgestoken naar Kalhat, aan de kust van Oman. Hier treft Sequeira een andere Portugese vloot, onder bevel van Jorge de Albuquerque, die in 1519 met 14 schepen uit Lissabon is vertrokken. De gecombineerde vloot zeilt naar Muscat, waar de zeilschepen, en Jorge de Albuquerque blijven overwinteren, terwijl Sequeira met de galeien naar Ormoez gaat, waar hij van mei tot augustus 1520 verblijft, wat de relaties met Ormoez niet verbetert, daarvoor is Sequeira te weinig diplomaat.

Als het Lissabon duidelijk is dat Magalhães de Portugese eska-ders die hem de weg hebben moeten versperren, ongehinderd heeft kunnen passeren, worden serieuze tegenmaatregelen genomen. Op 6 april 1520 vertrekt, tezamen met enige naus de trato (vrachtkraken), een eskader met 500 man aan boord, onder bevel van Jorge de Brito, naar Indië, om vandaar door te varen naar de Molukken, waar Brito een fort moet bouwen. Jorge de Brito heeft ook opdracht de vijf schepen waarmee Magalhães uit San Lúcar de Barrameda is vertrokken, tot zinken te brengen zonder bemanningsleden te redden, zodat het er de schijn van heeft dat de schepen met man en muis zijn vergaan. Als de versterkingen in Cochin zijn gearriveerd, stuurt Sequeira deze door naar Malacca, onder een nieuwe capitão-mor, Jorge de Albuquerque, Jorge de Brito is natuurlijk zwaar gekrenkt. Om zijn opdracht te kunnen uitvoeren, moet hij zelf in Malabar schepen en manschappen verzamelen, wat zijn vertrek aanzienlijk ver-traagt. Op 6 mei 1521 licht hij het anker in Cochin en vertrekt met een kraak, een galjoen, twee andere vaartuigen, twee karvelen en 300 man naar Malacca. Onderweg mengt hij zich in Atjeh in een gewapend conflict, dat opnieuw vertraging veroorzaakt en hem en 66 van zijn mannen zelfs het leven kost en een aantal anderen ernstig blesseert (zie par. 7.5). Omdat het danig ver-zwakte eskader, pas in augustus in Malacca aankomt. Kan het wegens de moesson niet meer doorzeilen naar de Molukken. António de Brito, de broer van Jorge, zal eerst eind 1521 met een sterke strijdmacht naar de Molukken vertrekken en de overle-venden van de expeditie van Fernão de Magalhães voorzover nog aanwezig, arresteren.

In het tweede decennium van de 16e eeuw doen zich grote machtsverschuivingen voor in Voor-Indië. Hierbij geraken de, Portugezen betrokken, terwijl Sequeira zich in de Rode Zee bevindt. Al ten tijde van Dom Francisco de Almeida hebben de Portugezen betrekkingen aangeknoopt met Vira Narasimha, de Hindoevorst van Vijayanagar, welk rijk door de Portugezen wordt aangeduid als Narsinga, naar zijn vorst of als Bisnaga, naar zijn hoofdstad Bisnagar. Als Vira Narasimha in 1509 overlijdt, wordt hij opgevolgd door zijn broer Krishna Deva Raya (1509-1529). Deze grote koning heeft tien jaar nodig om zijn autoriteit te vestigen over zijn vazallen en gouverneurs en een einde te maken aan de invallen van de Bahmani-sultana ten in het noorden. Krishna Deva versterkt zijn centrale macht en verwerft effectieve politieke controle door brahmanen en bekwame niet-familieleden aan te wijzen als commandanten; hij versterkt de garnizoenen in zijn forten met islamitische en Portugese huurlingen, die het geschut bedienen, en hij recruteert voetvolk bij lokale in de bossen levende stammen. Na een beslissende overwinning te hebben behaald op een invasiemacht van Bahmani, dat in die tijd de facto uiteen is gevallen in vijf sultanaten (Ahmadnagar, Berar, Bijapur, Bidar en Golconda) en fort Raichur (Rachol) te hebben ingenomen, maakt de malabar, zoals de Portugezen hem aanduiden, gebruik van ruzie tussen de Adil Khan van Bijapur en diens opperheer, de sultan van Bahmani, om Bidar en Gulbarga te onderwerpen en de gevangenzittende vroegere sultan van Bahmani in 1512 zijn troon te hergeven. Krishna Deva onder-werpt Ummattur in het zuiden en maakt daarvan een nieuwe provincie. Van 1513 tot 1520 trekt hij ten strijde tegen de Gajapati-heerser van Orissa. Als hij al het gebied tot aan de Godavari veroverd heeft en hij de hoofdstad Kataka bedreigt, smeekt Orissa om vrede en geeft zijn koning zijn dochter aan Krishna Deva ten huwelijk, waarna deze al het veroverde gebied ten noorden van de Krishna-rivier aan Orissa terug-geeft. Terwijl Krishna Deva in het oosten strijdt, herovert Isma’il Adil Shah van Bijapur in 1520 de stad en fort Raichur. Hierop slaat Krishna Deva met een grote strijdmacht het beleg voor Raichur, maar na een belegering van drie maanden is hij nog niet in staat de stad in te nemen. Dan verschijnt de Adil Khan met een grote legermacht om Raichur te ontzetten, maar zijn troepen worden verslagen. Dan biedt Cristovão Figueiredo, factor in Bisnagar, de malabar hulp aan en dankzij een aantal Portugese artilleristen wordt Raichur tenslotte opnieuw ingeno-men. De capitão van Goa, Ruy de Mello, benut de nederlaag van Bijapur door met 250 ruiters en 800 man voetvolk uit Kanara een deel van het vasteland tegenover Goa te verove-ren. De militaire hulp die de Portugezen Vijayanagar bieden, vormt een uitzondering op de Portugese stelregel zich buiten de interne conflicten in Indië te houden. Ook in ander opzicht profiteert de malabar van de aanwezigheid van en zijn goede relatie met de Portugezen; hij importeert via de haven van Goa veel Arabische en Perzische paarden.

Als Diogo Lopes de Sequeira in september 1520 uit Ormoez naar Indië terugkeert, knoopt hij onderweg onderhandelingen aan over de bouw van een fort in Diu met Melique Az, de tot de islam overgegane Russische gouverneur van deze havenstad (zie deel IV, pag. 144, 172, 182, 184, en 193-194, en deel V, pag. 171, 192-193 en 199-200). Omdat Cambay veel textiel via Diu exporteert en Mecca en Aden vanuit Diu voorziet van koraal, koper, lood, vermiljoen, aluin, rozenwater, saffraan, goud, zilver en kostbare munten, en Diu tevens een stapelplaats is voor specerijen en drogerijen uit zuidelijker streken, heeft Afonso de Albuquerque zich al veel moeite gegeven toestemming te verkrij-gen voor de bouw van een fort aldaar, maar meer dan permissie voor opening van een factorij heeft hij in 1513 niet gekregen. Sequeira krijgt eveneens te maken met de sluwe streken van Melique Az, die een meester is in veinzerijen en vertragings-tactieken. Als het Diogo Lopes duidelijk is dat hij zijn doel niet goedschiks kan bereiken, neemt hij zich voor dat het dan maar kwaadschiks moet en dat hij geweld zal moeten gebruiken om zijn doel te bereiken. Hij keert naar Cochin terug en na de retour-vloot, onder bevel van António de Saldanha naar Portugal te hebben gezonden, begint hij aan de voorbereidingen van een aanval op Diu. Hij verschijnt op 9 februari 1521 met 40 schepen voor de stad. Zijn strijdmacht bestaat uit 3.000 Portugese solda-ten en 800 man uit Malabar en Kanara. Na de verdedigings-werken te hebben verkend, raden zijn kapiteins Sequeira af tot de aanval over te gaan, omdat Diu te zwaar gefortificeerd is en er teveel troepen aanwezig zijn. Sequeira volgt dit advies volstrekt onnodig op en ontbindt zijn vloot. Hij zendt schepen naar allerlei havens en vertrekt zelf naar Ormoez om er te overwinteren. Het grootste deel van de vloot keert terug naar Cochin, onder bevel van Dom Aleixo de Meneses, die Sequeira in Indië zal vervangen zolang deze in de Perzische Golf verblijft. Diogo Fernandes de Béja (zie deel V, pag. 56, 70, 75-76, 143-145, 162 en 192-193) blijft met een eskader voor Diu achter, maar nadat hij een nederlaag geleden heeft tegen schepen van Melique Az, volgt hij Sequeira naar Ormoez.

Bij Ormoez aangekomen, maant Sequeira, de koning van die plaats zijn achterstallige schatting te betalen. De vorst geeft te kennen dat hij met betaling van het tribuut achterop is geraakt, omdat Mocrin, de koning van Lasak, heeft geweigerd zijn tribuut voor de eilanden Bahrein en El Katiff aan hem te voldoen. Om toch de schatting te kunnen ontvangen, stemt Sequeira ermee in de koning van Ormoez op zijn expeditie tegen Bahrein te doen vergezellen door een Portugese strijdmacht. António Correa krijgt bevel over zeven schepen en 400 soldaten. De strijdmacht van de koning van Ormoez bestaat uit 3.000 Arabische en Perzische soldaten. Zij worden vervoerd met 200 vaartuigen en staan onder bevel van Raez Zarafo. Mocrin blijkt goed op een aanval te zijn voorbereid. Hij heeft de beschikking over 300 Arabische ruiters, 400 Perzische boogschutters, 20 Turkse musketiers en 11.000 andere gewapende lieden. Afgesproken wordt dat de Portugezen een landing zullen uitvoeren, terwijl de strijdmacht van Raez Zafaro waar nodig zal assisteren. António Correa zet 170 man aan land, waarbij zijn broer Ayres Correa de voorhoede van 50 Portugezen leidt. Zij bestormen de verdedigingswerken en er ontstaat een fanatiek gevecht dat aanhoudt tot beide partijen zijn uitgeput. Na een korte pauze wordt de strijd hervat en nadat koning Mocrin in zijn dij is geschoten, geven zijn mannen de strijd op en laten de overwinning aan de Portugezen. Raez Zafaro, die vanaf zijn schip heeft toegekeken, zonder aan de strijd deel te nemen, komt pas aan land, nadat hij heeft vernomen dat Mocrin is doodgebloed. Hij legt beslag op diens lijk, slaat het hoofd eraf en neemt dit mee naar Ormoez. António Correa wordt geëerd voor zijn verovering van Bahrein; hij mag `Bahrein’ aan zijn naam en het hoofd van een koning aan zijn wapen toevoegen.

Tegen de tijd dat Sequeira’s ambtstermijn is verstreken, ziet de radja van Cochin, die al vele malen het onderspit heeft moeten delven tegen de zamorin van Calicut, kans om zich op hem te wreken. Hij brengt 50.000 nairs op de been en verklaart de zamorin de oorlog, waarbij hij de hulp inroept van de Portugezen. Diogo Lopes de Sequeira is dwaas genoeg de verplichtingen, die het met de zamorin gesloten verdrag de Portugezen oplegt (zie deel V, pag. 178), te vergeten en hij stelt 40 man, van wie 30 musketiers, beschikbaar, om de radja te helpen. Als deze zich voorbereidt op een inval in het gebied van de zamorin, ontvangt de laatste hulp van de brahmanen. Zij drijven de troepen van Cochin terug tot over hun eigen gebied en doen veel van de vol-gelingen van de radja van verdere strijd afzien. Na deze groot-schalige desertie wordt de rest van het leger van Cochin gemak-kelijk teruggeworpen. De radja mag dan wel opnieuw een slag verloren hebben, maar hij heeft toch zijn doel bereikt. Hij heeft een verkoeling bewerkstelligd in de relatie tussen de de zamorin van Calicut en de Portugezen, want de zamorin is natuurlijk woe-dend om de steun die de Portugezen Cochin gegeven hebben.

Na bij Ormoez overwinterd te hebben, wil Diogo Lopes de Sequeira zijn aanval op Diu hernieuwen. Diogo Fernandes de Béja wordt met vier galjoenen vooruitgezonden, om de haven van Diu te blokkeren. Enige schepen die toch de haven willen binnenglippen, worden genomen. Melique Az verlaat daarop met een eskader de haven van Diu en valt de Portugese schepen aan. Hij brengt één galjoen tot zinken en brengt de andere zoveel schade toe dat zij zich moeten terugtrekken. Sequeira overmees-tert op weg naar Diu een Moors schip en verdeelt de opvarenden over de schepen van zijn vloot. Twee Moren, die geplaatst zijn op het schip van António Correa, steken de kruitvoorraad aan, waar-door het achterschip in de lucht vliegt en het schip zinkt. António Correa en zijn gehele bemanning verdrinken. Sequeira ziet na alle tegenslag opnieuw af van een aanval op Diu en vertrekt naar Chaul. Hij treft hier Fernão Camello aan, die net teruggekeerd is van een missie naar de Nizam-ul-Mulk van Admadnagar, die toestaat dat de Portugezen in Chaul een fort bouwen. Zodra met de werkzaamheden een begin is gemaakt, besluit Melique Az, die vreest dat de handel van Diu door de bouw van het fort in het nabijgelegen Chaul zal afnemen en de macht van de Portugezen zal toenemen, de bouw te verhinderen. Hij verschijnt met een vloot van 50 schepen voor Chaul en slaagt erin een groot, recentelijk uit Ormoez aangekomen, Portugees schip, tot zinken te brengen. Melique Az weet de Portugese vloot, waarover Dom Aleixo de Meneses het bevel voert, aanzienlijke schade toe te brengen. Uit de reeks van tegenslagen blijkt dat Sequeira nog steeds een zwak leider is, die zich telkens door de geslepen Melique Az laat overbluffen.

Tijdens het bewind van Diogo Lopes de Sequeira neemt het euvel dat de Portugezen de door hun afgegeven cartazes zelf niet erkennen en inheemse schepen met een vrijgeleide toch plunderen, hand over hand toe. Soms worden inheemse vaartuigen geplunderd door dezelfde functionarissen die enkele uren daarvoor een cartaz hebben afgegeven. Zij verwerven zich hiermee bij de Indiërs een heel slechte naam. Vooral kooplieden uit Cannanore beklagen zich over dit verradelijke gedrag in brieven aan koning Manuel. Het gevolg is dat Sequeira, die niet tegen deze praktijken optreedt, maar ze eerder oogluikend toe-staat, vervroegd wordt teruggeroepen. Hij verlaat Chaul voordat het fort voltooid is. Hij draagt zijn ambt op 22 januari 1522 over aan zijn opvolger Dom Duarte de Meneses, die 22 december 1521 in Indië is aangekomen. Dom Duarte de Meneses is de laatste door koning Manuel benoemde capitão-geral. Diogo Lopes de Sequeira vertrekt met de retourvloot naar Lissabon, na zijn ambtstermijn toch nog te hebben volgemaakt. Hij is de eerste uit Indië terugkerende capitão-geral die haast bezwijkt onder het gewicht van de verzamelde schatten. Slechts door omkoping van leden van de koninklijke hofhouding, die hem dreigen aan te geven, kan hij aan vervolging ontkomen.

6.6 Dom Manuel overleden.

x

Check Also

Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

Ceylon. Expansie van het Império Português (1515-1521)

Deel 6 Index Hoofdstuk 7 Expansie van het Império Português (1515-1521) 7.2 Ceylon Geschreven door Arnold van ...

banner