Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike
Torre de Belém, Lissabon, Portugal. Auteur Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

Commerciële en andere niet-militaire aspecten. De Portugese positie in Marokko

Deel 3 Index

Hoofdstuk 2.

De Portugese positie in Marokko

2.2 Commerciële en andere niet-militaire aspecten

Geschreven door Arnold van Wickeren

In Deel II van dit werk is uitgebreid stilgestaan bij de han­delsrelatie van de Portugezen met Marokko en bij de rol en betekenis daarin van de Portugese factorij op het voor de kust van Mauretanië gelegen eiland Arguim. Deze factorij is een stapelplaats voor Marok­kaanse (en Euro­pese) goederen, die vooral aan de Mina-kust geruild worden tegen goud en elders in West-Afrika tegen slaven, ivoor, huiden en andere bospro­ducten. Onder verwijzing naar Deel II, wor­den de hoofdza­ken daarvan hier samengevat en aangevuld met het weinige dat over de commer­ciële betrekkingen met Marokko bekend is ten tijde van koning Manu­el.

Een zeer belangrijk motief voor de Portugese penetratie in Marokko in de 15e eeuw was het verwerven van goud, dat vanuit Zwart-Afrika met karavanen werd aangevoerd naar havensteden van Noord-Afrika. Ofschoon de Portugezen, na de ontdekking van de Mina-kust in 1471 in toenemende mate de goudtransporten door de Sahara aftappen, bereikt in Manuels tijd nog veel goud de Atlantische havens van Marokko, waar de Portugezen het alsnog, door middel van ruilhandel, in handen krijgen. Van de factorij in Safi is be­kend dat de handel daar in de jaren 1491-1500 gemiddeld 41.250 gouden dobras per jaar in de kas van de Portugese factor doet stromen, met dien verstande dat de ontvangsten in de eerste vier jaar veel hoger zijn dan daarna. In die eerste jaren ontvangt de factor bovendien nog 1.621 gouden mithk_ls en twee tomins aan stofgoud. Nog in 1526 stroomt er zoveel goud naar Safi, dat capitão Garcia de Melo, voor­stelt in Safi een munthuis te stichten.

Factor Martim Reinel van Azamor ontvangt in de periode juli 1486 tot februari 1501, 89.920 gouden doubles, ter waarde van 320 reais per stuk. Als de nieuwe factor in 1513 met twee kisten zilvergeld, bestemd om het garnizoen te beta­len, in de factorij van fort Santa Cruz bij Kaap Guer arriveert, ruilt hij dit zilver tegen goud, waarbij hij veertien procent winst maakt. Ook borduurwerk vindt gretig aftrek onder de mos­lims en wordt eveneens met goud betaald. De factor vraagt daar­om Lissa­bon om meer zilvergeld en in 1514 hervat hij zijn winstge­ven­de handel. De vraag naar zilver is zo groot, dat de Portu­gezen tot hun grote spijt al spoedig door hun voor­raad zilvergeld heen zijn.

Marokko is een arm land, dat weinig opbrengt. De handel van Europese kooplieden, onder wie zich veel Portu­ge­zen, maar ook veel Castili­anen en Genuezen (waar­over later) bevinden, is vooral een export­handel. De negatieve han­delsbalans met Europa leidt tot goudexport. Marokko impor­teert: allerlei soorten stoffen uit Europese landen; schel­lak uit Indië, om stoffen rood te verven; kornalijnen (kostbare stenen uit Turkije, ter verwerking in sieraden), alsmede wapens, ijzer, salpeter en zwa­vel. Marokkaanse pro­duc­ten die aftrek vinden bij de Portu­gezen zijn, naast lakken, leder­wa­ren en Arabi­sche kleding (haïks, djellabas en boer­noes), vooral hambels, paarden, graan en slaven. Aan elk van deze ex­portartikelen wordt aandacht geschon­ken.

Hambels zijn grote, rechthoeki­ge, zeer stevig geweven lappen wollen stof. Zij dienen als kleding of als deken, waar men zich inrolt. Hambels worden in heel Noord-Afrika in huisnijverheid vervaardigd en de Portugezen kopen dit artikel overal waar zij maar kunnen, omdat hambels gretig aftrek vinden in Zwart-Afrika en aan de Mina-kust tegen goud worden ge­ruild. In de jaren 1495-1498 koopt­ Lopo de Azeve­do, de factor in Safi meer dan 600 ham­bels. In 1512 schrijft een van zijn opvolgers, Heitor Gonçalves, koning Manuel een brief, waarin hij meedeelt dat de fabricage van hambels voortaan geheel is toever­trouwd aan Maïr Levi, omdat deze honderd hambels van uitstekende kwaliteit heeft geleverd. In 1514 heeft Levi zijn productie verdub­beld en na 1517 nog verder opge­voerd. Manuels voorganger, João II, is al in 1486 met de inwoners van Azamor overeengekomen dat zij hem jaarlijks twee jonge paarden leveren. In 1488 is hij hetzelfde afgesproken­ met de kaïd van Safi. Het verdrag dat Manuel in 1497 met Massa sluit, bevat eenzelfde bepa­ling. De beste Arabische paarden zijn voor eigen gebruik bij de Portugese garni­zoenen in Marokko en de overige dieren worden geëxporteerd naar Sene­gam­bia en die streken aan de Golf van Guinée die geen last hebben van de tseetsee­vlieg. Deze vlieg komt voor aan de Mina-kust, ten oosten van Axim, maar niet bij Axim of ten westen daarvan. De paarden worden met de negers geruild tegen slaven. De Portugezen betrekken voor hun troepen in M­arok­ko ook paarden van hoge kwaliteit uit Andalu­sië. Minder goede Andalu­sische paarden zijn be­stemd voor Zwart-Afrika.

De graanoogsten in Portugal zijn zeer wisselval­lig, het­geen bijvoorbeeld in 1503-1504 tot grote hongersnood leidt. Als Portugal een graantekort heeft en de Moren in Marokko kunnen of willen geen graan aan hen verkopen, worden de Portugese garnizoenen in Marokko bevoor­raad uit Andalusië, als dat al mogelijk is. In de jaren 1503-1506 is dat juist niet mogelijk. Bekend is dat Sevilla in maart 1503 graan koopt in Mazagão, dat drie maanden later weer twee inwoners van Sevilla worden uitgestuurd om in `het land van de Berbers’ graan te kopen en dat de Spaanse koning de gemeenteraad van Sevilla in 1505 toestaat 3.000 zilvermar­ken naar Fez te exporteren in ruil voor graan. Na een serie misoog­sten moet Cádiz in 1506 grote hoe­veelhe­den graan importe­ren uit Sicilië, Bretagne, Vlaan­deren en ook weer uit Marok­ko. Van enige jaren na Manuels tijd (1523 en 1538) is bekend dat Madeira, maar vooral de Azoren de garnizoenen van de forten in Aza­mor, Ma­zagão, Safi en Agadir van graan heb­ben voorzien. In Marok­ko zijn de oogsten nog veel wisselen­der dan op het Iberisch schiereiland. Dat is niet alleen te wijten aan klimato­lo­gische omstan­dighe­den en aan de soms desas­treuze sprinkha­nenpla­gen (1517 en 1540), maar ook aan de bijna onafge­broken staat van wanorde, waarin het land vanaf 1415 tot de troonsbestij­ging van sultan Ahmed el-Mans_r in 1578 verkeert. Slechts in jaren van overvloedi­ge oogsten en weinig oorlogshandelingen met de Portuge­zen kunnen deze g­raan in Marokko kopen. Als zij dat niet nodig hebben voor hun troe­pen in Marokko of om de inwo­ners van Lissa­bon te voeden, versche­pen zij dit naar Arguim en ruilen het daar voor goud met Arabieren en Berbers in Maure­ta­nië.

Aan het einde van de 15e eeuw worden inwoners van Marokko op vele plaatsen langs de kust gekidnapt, om te worden geruild voor christe­nen die zich in handen van de moslims bevinden, of om als slaven te worden verkocht. Berucht is de kustlijn tussen Azamor en Agadir. Van veel slaven is bekend dat zij uit Azamor komen. Van capitão Simão Correia van Azamor weten we dat hij in de korte periode, waarin hij zijn ambt uitoefent (1516-1517), zeer actief slaven verkoopt aan Castilianen.

In de jaren 1521 en 1522 worden zowel het Iberisch schier­eiland als Noord-Afrika getroffen door misoogsten, die een ernstige hongersnood veroorzaken. Cádiz moet grote hoe­veelheden graan uit Italië en de Levant invoeren. De schade aan de oogst is vooral zeer groot in de Doukkala. Man­nen verkopen eerst hun vrouwen, dan hun broers en zusters, vervolgens hun eigen kinderen en tenslotte zichzelf, op voorwaarde dat zij te eten zullen krijgen. Safi en bovenal Azamor worden centra van een schaamteloze, maar zeer winstgevende handel in slaven. De kroniekschrijver Bernardo Rodrigues, die aan de handel deelneemt, feliciteert zichzelf – met de geweten­loosheid van de mensen van zijn tijd die zich met de slaven­handel bezighouden – met de goede zaken die hij bij deze gelegenheid gedaan heeft. Rodrigues doet in de volgende bewoordingen verslag:

`de stad was gevuld met kooplieden en men zag in l’Oum er-Rbia tegen de honderd schepen, waarvan de bemanning zich met deze handel bezighield. Het was een werkelijke verdeling van de buit. Het aanbod was uiteindelijk zo overvloedig – als het toegestaan is mij aldus uit te drukken – dat men nog slechts jonge meisjes en jonge vrouwen kocht en dan nog tegen spotprijzen.’

De Portugezen kopen eveneens veel slaven in Agadir. De­ze handel levert de koning van Portugal meer winst op dan wat dan ook. In totaal worden in de jaren 1521 en 1522 60.000 slaven uit Marok­ko wegge­voerd. Een deel van hen, van wie er onderweg veel sterven, wordt naar Sevilla ge­bracht, omdat de Portu­gezen hen aan Castiliaanse hande­la­ren verko­pen, of omdat Andalusische kooplieden zonder tussenkomst van de Portu­gezen slaven kopen. Er komen uiteraard ook veel slaven in Portugal terecht.

Dat sommige slaven goed terecht komen, blijkt uit de avontuurlijke belevenissen van Estevanico, wiens naam in ere wordt gehouden door `The Estevanico Society’ van Abilene, Texas, door een `site’ op het `World Wide Web’ aan hun held te wijden. Van Estevanico is bekend dat hij rond 1503 in Azamor is gebo­ren. Niet bekend is of hij blank dan wel zwart is. Estevanico is in 1521 aan de Portu­gezen ver­kocht. Hij wordt gekocht door Andres de Doran­tes in Bejar del Casta­nar in Oud Cast­ilië. Deze behandelt zijn persoon­lijke dienaar goed en mees­ter en slaaf gera­ken nauw bevriend. In 1527 nemen Dorantes en Esteva­nico, tezamen met twee andere beroemd geworden mannen, Alvar Nunez Cabeza de Vaca en Alonso del Castillo Maldonado, deel aan een ex­peditie naar Flori­da. Een legertje van 300 man gaat daar op 12 april 1528 aan land. De jungle en de aanval­len van de Indianen eisen hun tol. De circa 250 overle­venden trekken zich terug naar de kust van Noord Florida, vanwaar zij naar Mexico willen varen, dat zij veel dichterbij wanen dan met de werke­lijkheid overeen­komt. Zij leggen, om zich uit hun benarde positie te bevrijden, een bewon­derenswaar­dig improvisa­tieta­lent aan de dag. Het metaal van de stijg­beugels en hoofdstellen van hun paarden, die zij hebben geslacht om in leven te blijven, wordt omgesmeed tot bijlen en zagen. Zij bouwen van ruwe planken vijf vaartuigen, die zij water­dicht maken door de naden dicht te stoppen met vezels van palmbomen en met hars van naaldbomen. Zij maken tuig door het weven van de staarten en manen van hun paarden en hun kleren dienen tot zeilen. Van de gedroogde huiden van de benen van hun paarden maken zij waterzak­ken. Op 22 september 1528 steken zij in zee. De reis verloopt voor­spoedig tot zij bij de monding van de Mississippi komen. Geweldige stormen blazen de kleine vloot uit elkaar. Het vaartuig met Estevanico en zijn meester en een ander vaartuig, waarop zich Cabeza de Vaca en Maldo­nado bevinden, worden op het strand van een eiland, dat de naam Malhado ontvangt, gekwakt. De circa 80 opvaren­den, die door alle ontberingen meer dood dan levend zijn, worden door India­nen van het Karank­awas-volk aanvan­kelijk van voedsel voorzien. De Indianen, die er hoge morele normen en waarden op na blijken te houden, hebben het zeer met de miserabele overle­venden te doen. Hun hou­ding wijzigt zich, als zij merken dat van een groepje van vijf man, dat aangespoeld is op de kust van het vasteland er na enige tijd nog slechts één over is. Hij is in leven gebleven door zijn gestorven of gedode kameraden op te eten. De Karankawas kunnen deze vorm van kannibalisme zo weinig waarderen, dat zij de barbaarse Europeanen als slaven gaan behande­len. Na vijf jaar zijn nog vier van hen in leven: Estevani­co, Doran­tes, Cabeza de Vaca en Maldonado. In 1534 weet dit viertal naar het binnen­land te ontsnappen. Zij leven onder andere Indianen, die hen dwingen de rol van medicijn­man te aanvaar­den. Ofschoon zij als medicijnmannen niet veel meer doen dan de hemel om genezing van hun patiënten vragen, herstellen velen van hen, hetgeen erop duidt dat deze Indianen aan psycho-neurotische ziekten lijden. De faam van Estevani­co en zijn metgezellen als heel­meesters verspreid zich wijd en zijd. De India­nen noemen hen vol respect `De Kinderen van de Zon’, omdat zij van het oosten naar het westen trekken. Estevanico, die al snel vloeiend verschillen­de Indiaanse dialecten spreekt, draagt als medicijn­man een met veren en kralen versierde kalebas. De kale­bas, een geschenk van een opper­hoofd, is Estevanico’s talisman en handels­merk, maar zal hem uiteindelijk fataal worden. Het viertal trekt, begeleid door grote groepen Indianen, naar het westen; soms worden zij door duizenden inheemsen verwel­komd. De reis gaat door Texas, langs de Rio Grande en door Presidi­o. Bij El Paso steken zij de grens met Mexico over en arriveren in mei 1536 in San Miguel de Culiacan, een kleine Spaanse buitenpost in Sinaloa. Van hier reizen zij in twee maanden naar Mexico-stad. De Spaanse onderko­ning daar, heeft niet alleen grote belang­stelling voor hun avontuur, maar vraagt hen ook een expeditie naar Arizona en Nieuw Mexico te leiden. Estevani­co weigert dit. In februari 1539 trekt hij wel, aan het hoofd van een kleine groep verkenners, te voet vanuit Culiacan naar het noorden. Hij reist de beroemde franciscaan Fray Marcos de Niza vooruit en laat hem weten of de bevolking in de nieuw betreden gebieden naar zijn oordeel open staat voor het evan­gelie. Daartoe zendt hij dagelijks boodschappers terug naar de pries­ter, met een houten kruis, dat groter is naarmate Estevanico de kansen voor kerste­ning hoger inschat. De kruisen worden dagelijks groter. De verken­ners bereiken tenslotte in het noordwesten van Nieuw Mexico de plaats Hawiku, een groot Zuni-dorp met stenen huizen van meerdere verdiepin­gen. Terwijl Estevani­co deze Zuni-pueblo verkent, zendt hij een afgezant naar Fray Marcos met een reusachtig kruis. Estevani­co’s aankomst heeft bij de Zuni echter tot onrust geleid, omdat zijn kale­bas is ­versierd met uilenveren, een vogel die voor de Zuni de dood symboli­seert. Hij wordt buiten het dorp ondergebracht, terwijl de stamoudsten over zijn lot beraadslagen. De volgende morgen wordt hij, 37 jaar oud, door Zuni-krijgers gedood.

Van de Marokkaanse havenstad Salé is bekend dat deze reeds vanaf de 13e eeuw werd aangedaan door Genuese handelaren, naast kooplieden uit Venetië, Enge­land en Vlaanderen. In 1437 woonden er reeds Genuese (en ook Castili­aan­se) handelaren in Arzila. In Manuels tijd zijn koop­lieden uit Genua gevestigd in een reeks van plaat­sen: Ceuta, Arzila, Larache, Salé, Azamor, Safi, alsmede in Massa en Tarkou­kou in de Sous. Ook zijn er Genuezen op Madeira, de Azoren en op de Cana­rische eilanden. De Genuese han­dela­ren in Marokko zijn veelal afkomstig uit de zeer nijvere Genuese kolonies in Lissabon en Cádiz en zij onder­houden geen handelsbetrekkingen meer met Genua. Vaak verblijven zij een aantal jaren in Marokko, om vervolgens hun zaken te behartigen vanuit Lissabon of Andalu­sië. De Marokka­nen geven de voorkeur aan Genuese kooplieden boven Portugese en Castiliaanse, omdat de Genuezen geen militaire aspiraties hebben en dus niet als spionnen optre­den, zoals Portugese handelaren in de 15e eeuw in Anafé, Safi en Azamor hebben gedaan. Genuese­ kooplieden ver­schepen naar Marokkaanse havens dezelfde goederen als Portugese en Castiliaanse handelaren: allerlei soorten stoffen; schellak, kornalijnen. De Genuezen smokkelen ook wapens en munitie het land bin­nen, zij leveren die aan de Moren om de Spaans-Portuge­se dreiging het hoofd te bieden. De Genuezen exporte­ren uit Marokko ook dezelfde producten als de andere Europese handelaren: huiden, leder, lakken en indigo. Zij stellen, evenals de Castili­anen uit Anda­lusië en van de Canarische eilanden en de Portugezen uit de Algarve, belang in de visvangst. Tenslotte treden rijke Genu­ese kooplieden op als bankier. In het ko­ninkrijk Fez is de verhou­ding tussen de Portu­gezen en de Genuezen uitstekend. Zij staan elkaar indien nodig bij, zoals bleek uit het voorbeeld van Franco Doria bij het beleg van Arzila in 1516. Soms is er sprake van samenwerking tussen Portu­gezen en Genuezen. Als de eer­sten in 1520 factorijen in Arzila en zelfs in Fez stich­ten, waar­bij de factorij in Arzila die van Fez van voornamelijk schellak en kornalijnen voor­ziet, wordt de zeer invloedrijke Genu­ese koopman Micer Ambro­si­o daar aange­steld als escrivão, na de feitor de tweede man van de facto­rij, met eigen ver­ant­woordelijkhe­den. Curieus is dat de koning van Fez de Portuge­zen aan de ene kant bele­gert, maar hen aan de andere kant toestaat een factorij in zijn hoofdstad te stichten.

Bernardo Rodrigues vermeldt in zijn Anais de Arzila enige saillante bijzonderheden over de rol die Genuese kooplieden omstreeks de tijd van koning Manuel in Marokko spelen. Over Franco Doria, wiens technisch vernuft en inzet bij de verdediging van Arzila in 1516 al zijn gememoreerd, schrijft Rodrigues dat deze in 1523 naar Cádiz verhuist en daar wordt aangesteld tot generaal van de galeien van Karel V. Over Micer Ambrosio komen we te weten dat hij een slaaf bezit uit Azamor, die christen wordt en daarbij de naam van zijn meester krijgt, die hem inwijdt in de handel. Ambrosio neemt de slaaf bij zijn vertrek uit Arzila in 1525 mee naar Genua en schenkt hem de vrijheid. De vroegere Marokkaanse slaaf verwerft in Genua rijkdom en aanzien. Het kleurrijkste verhaal, dat Bernardo Rodrigues vertelt, betreft een zekere Luis de Presenda. Deze heeft zich in de jaren 1510-1515 in de stad Fez gevestigd. Hij bewoont daar een groot huis, gevuld met koopwaren en bevolkt met bedienden. Zijn schepen doen geregeld de havens van Genua, Cádiz, Arzila, Ceuta, Larache en Salé aan. In al deze plaatsen heeft hij agentschappen. Luis de Presenda staat in zeer hoog aanzien, zowel bij de christenen als bij de moslims. Wie geld in zijn zaken steekt, kan erop rekenen dat hij rijk wordt. Presen­da is een zeer elegante en knappe verschijning. Zijn aantrek­kelijke en mondaine voorkomen en zijn grote rijkdom vormen echter een façade, waarach­ter hij zijn fouten en zwakheden verbergt. Na het vertrek van zijn rivalen Franco Doria en Micer Ambrosio en nadat de belangrijkste Portugese handela­ren en de Fransman Pierre Maillart hun zaken naar Ceuta verplaatst hebben, beheerst Luis de Presenda de gehele buiten­landse handel van het konink­rijk Fez. Hij gebruikt nu voor zijn buiten­landse handel uitsluitend de havens van Larache en Salé, waar grote aantal­len schepen arriveren en van waar­uit hij de scheep­vaart met Cádiz onder­houdt. Het gevolg is dat er geen karava­nen meer naar Arzila komen, waardoor de handel van de Portugezen daar vervalt. Dan doet zich een reeks gebeurtenis­sen voor die het leven van Luis de Presenda een beslissende wending zal geven. In 1527 heeft ene Rodrigo Portuondo, in zijn kwaliteit van kapitein-generaal, het bevel over acht galeien in de Baai van Cádiz. Op zekere nacht komen de galeislaven van het schip, waarop de kapitein-generaal zich bevindt in opstand. Zij nemen Portuondo gevangen en steken in zee. Achter­volgd door andere galeien, vluchten de opstande­lingen de Rio Martil bij het Marokkaanse Tétouan op. De galei van de muiters en de galeien van de achtervolgers lopen in de ondiepe rivier aan de grond. De vizier, tevens een zwager van de koning van Fez verneemt het voorval. Hij haast zich vanuit Checha­ou naar de gestrande galeien. Hij legt daarop beslag en arresteert de bemanningen, met inbegrip van de kapitein-generaal. Portu­ondo wordt echter vrijgekocht door tussen­komst van Luis de Presen­da, die zich borg stelt voor de betaling van het losgeld van niet minder dan 16.000 cruzados. Presenda’s woord is voldoen­de om hem toe te staan Portuondo naar Arzila te vergezel­len, hetgeen aantoont hoe groot zijn krediet is. Nadat Portuondo zijn vrijheid herkregen heeft, blijft Luis de Presenda echter in gebreke het losgeld te betalen, hetgeen het einde bete­kent van zijn bestaan als zakenman. Degenen die geld in zijn zaken hebben gestoken, verliezen bij elkaar 20.000 cruzados. Een groot deel van dit bedrag is afkomstig van de joodse financier Jacob Rosales, die eveneens door de oplichte­rij van de Genuees geruïneerd wordt. Luis de Presenda wordt vervol­gens kapitein van een galei van de vloot van Andrea Doria, want – zegt Bernardo Rodrigues – Luis de Presenda is van vele markten thuis, `zowel in de oorlog als in de handel’. Nadat de Algerijnse sultan Barbarossa in 1534 met Turkse hulp Tunis veroverd heeft, wordt Luis de Presenda door Karel V als spion naar deze stad gezonden. De keizer wil zich nauwkeurig op de hoogte laten stellen van de toestand ter plaatse, omdat hij overweegt de stad, waar zeer veel christenen als slaven en gijzelaars verblijven, aan te pakken. Zoals bekend zeilt Karel V in 1535 in eigen persoon met 500 schepen en 30.000 man naar Tunis en verovert de stad na een belegering. Hierbij worden 20.000 christenen bevrijd. Voor het zover is, krijgt Luis de Presenda opdracht de tegenstel­lin­gen tussen de plaatse­lijke bevolking en haar Turkse overheersers aan te stoken. Hij dient bovendien Barbarossa te ver­moorden, als de gelegenheid daar­toe zich voordoet. De geheime opdracht wordt ontdekt en Luis de Presenda wordt in opdracht van Barbarossa ter dood gebracht. Hij laat twee dochters na, die veilig in Cádiz wonen.

In het noorden van Marokko zijn de verhoudingen tussen Spanjaar­den en Portugezen goed. Inwoners van Sevilla, Cádiz en Málaga varen geregeld op Ceuta en de relatie tussen de capitão van Ceuta en de corregidor van Gibraltar is vriend­schappelijk. De Portugese aanwezigheid in Marokko trekt veel bewoners van Andalus­ië aan. In Ceuta, Tanger en Arzila zijn de varkens­mesterijen in handen van Andalusiërs. Ook de Basken zijn er rijk vertegenwoordigd. Zij zijn afkom­stig uit de grote Baskische gemeenschap in Andalusië. Een Baski­sche ingenieur in dienst van koning Manuel, Francis­co de Lencina, in Portugal Danzinho ge­noemd, komt met een grote groep landgenoten naar Marok­ko om de fortifica­ties van Ceuta, Alcácer Ceguer, Tanger, Arzila en Azamor te verster­ken. Er arriveren in Arzila ook veel hande­laren uit Andalusië; Portugezen, Castilianen en Genue­zen. Zij verde­len hun activiteiten tussen Marokko en Andalu­sië. Soms wonen zij enige tijd in Arzila. Als zij fortuin hebben gemaakt, keren zij terug naar Cádiz of Jerez de la Frontera.

Tegenover de vele Andalusische kooplieden in Marok­ko staat dat veel Portugese handelaren in Andalusië wonen. Cádiz, El Puerto de Santa Maria en Sevilla hebben grote kolonies Portugezen. Eind 1508 wordt aan de Portugese gemeenschap in Andalusië een officiële functio­naris toege­voegd, de Portugese factor in Andalusië. De eerste die deze functie bekleedt is Nuno Ribeiro. De factor verblijft beurte­lings in Málaga, El Puerto de Santa Maria of Cádiz, maar hij reist ook veel door heel Andalusië. Hij heeft geen politieke status en verzamelt al evenmin inlichtingen. Zijn taak is drieledig: het rekruteren van huursoldaten voor Marokko, het lenen of kopen van zilver en het verzamelen van munitie, steenkool, ijzer, hout, kalk en levensmiddelen en bovenal graan voor Afrika. Zoals eerder vermeld, kwijt Nuno Ribeiro zich uitstekend van taak bij het beleg van Arzila in 1516. El Puerto de Santa Maria groeit uit tot het grote centrum voor rekrutering en ravitaille­ring voor de Portugese steden in Marokko, waar het aantal huursoldaten groot is.

Al aan het einde van de 15e eeuw trachten de Portuge­zen ten opzichte van de Genuezen en Castilianen in Massa een geprivilegieerde handelspositie te verkrijgen. Nadat zij in 1505 op Kaap Guer het fort Santa Cruz hebben gebouwd en zich kort daarna ook in Agadir hebben geves­tigd, ontstaat er rivaliteit en zelfs vijand­schap tussen de Portugezen in Agadir en de in de Sous verblijvende Castiliaanse en Genuese kooplie­den. De oorzaak daarvan is dat Portugal de Sous, anders dan de rest van Marokko, tot zijn exclusie­ve in­vloedssfeer rekent. Bovendien wordt in het Verdrag van Sintra (1509) bepaald dat de Sous aan Portugal toevalt. Castilianen en Genue­zen zijn niet van plan hun commerciële posities in dit gebied op te geven. Bekend is bijvoorbeeld dat hande­laren uit Cádiz in 1513 in Tamrakht in de Sous grote hoe­veel­heden lederwa­ren en was kopen, terwijl Genuese koop­lieden uit Arzila dezelfde goede­ren be­trekken van stam­men van de Jbel en van inwoners van Massa. Kooplie­den uit Andalusië trachten ook slaven te kopen in Massa, een plaats waar de Portuge­zen al decennia een factorij hebben, die in 1510 nog steeds bestaat. De Castilia­nen zijn uitge­we­ken naar de kleine havens Tafetna en vooral naar Tarkoukou, die niet door de Portuge­zen zijn bezet, en zij doen daar ken­nelijk goede zaken doen. In 1514 voorspellen de feitor en de escrivão van Santa Cruz op Kaap Guer in een brand­brief aan koning Manuel de spoedige onder­gang van de handel, omdat de inheemsen liever zaken doen in Tar­koukou dan met de Portugezen in Agadir. In hetzelfde jaar nemen de Portugezen in Agadir een Genuees schip in beslag, dat geladen is met stoffen, in het bijzonder bordates, katoenen doeken uit Egypte, en rode lak. Het schip zou een geregelde verbinding moeten gaan onderhouden tussen Cádiz en het zuiden van Marokko. Genuezen en Castilianen ruïneren niet alleen de Portugese handel in een gebied dat bij verdrag aan Portugal toevalt, maar de Portugezen verdenken hen er ook van – waarschijn­lijk ten onrechte – wapens aan de moslims te leveren. Zij nemen dat zeer hoog op en wel omdat de handel met de moslims in oorlogsmateriaal in het algemeen verbo­den is en bovendien omdat hun positie in de Sous bedreigd wordt door de opko­men­de macht van de sjarifen van de dynastie van de Sa’adi. Het verbod op wapenhandel met de moslims is opgenomen in de bul Cuncta climata, die paus Nicolaas V al in 1454 heeft uitge­geven, nadat gebleken was dat Euro­pese mach­ten de sultans, in ruil voor koper en tin, oorlogstuig zoals kanon­nen, salpeter, zwavel, alsmede scheeps­beno­digd­heden leveren. Het verbod is ook opgeno­men in de Orde­nações Manue­linas.

Dat de Portugese positie in de Sous onder druk staat, blijkt uit de brief die Malik den Daud, de kaïd van Izarrar, in 1517 aan koning Manu­el schrijft. Hierin schrijft de kaïd dat een van de sjarifen kara­va­nen de doortocht naar de Portuge­se factorij­en belet. De kaïd vraagt de koning daarin hulp om de sjarif te vernieti­gen en `abrir estes caminhos do cobre e do ouro (om die wegen voor koper en goud te openen). Na de militai­re tegenslagen van 1515 en 1516 kan hiervan echter geen sprake zijn. Daaren­tegen treden de Portugezen in 1517 wel op tegen hun christelijke rivalen. Zij zenden dat jaar twee expedi­ties naar Tarkoukou. Bij de tweede veldtocht wordt de stad geplun­derd en worden alle christelij­ke kooplie­den, voor het meren­deel Genuezen en Castilianen, gevan­genge­nomen. Twee jaar later is de macht van de Sa’adi sjarifen­ zozeer toegenomen dat zij de islamiti­sche staat Marokko uitroepen, waarmee zij hun aspiraties uitdrukken vanuit de Sous het hele land te willen veroveren.

De Portugese penetratie in Marokko gaat gepaard met de bouw van kerken en kloosters en de stichting van bisdom­men. Ceuta en Tanger zijn al voor Manuels troonsbestijging verhe­ven tot bisschopsste­den. In deze en in andere door de Portu­gezen bezette steden in het noorden van Marokko zijn kerken en kloosters ge­bouwd. De Portugese en Spaanse veroveringen in Noord-Afrika worden door de Heilige Stoel met welgevallen bezien en soms loopt de paus zelfs op een mogelijke verovering vooruit. Zo wordt al rond 1487 het bisdom Safi gesticht en in 1499 benoemt paus Alexan­der VI Dom João Aran­ha tot de eerste bis­schop van dit nieuwe diocees­. Kenne­lijk heeft de Heilige Stoel de spoedi­ge ver­ove­ring van een aantal steden aan de Atlan­ti­sche kust van Marokko door een chris­telijke natie verwacht; een verove­ring die nog twintig jaar zou uitblij­ven. Het dio­cees Safi is een wel zeer merkwaardig bisdom. Het bestaat niet uit een aaneengeslo­ten grondge­bied, maar uit een aantal punten langs de kust: Safi, Aza­mor, Mazagão, Tit en Alme­di­na (El-Mdina), heden ten dage een ruïnestad op 45 kilome­ter ten noordoosten van Safi. Op het hoogtepunt van de Portu­gese machtsontplooi­ng in Marok­ko omvat het bisdom Safi al­leen de steden Safi en Azamor en de forten Mazagão en Agouz. De bis­schoppen van Safi verblijven niet in hun dio­cees. Slechts bisschop Dom João Sutil brengt eenmaal een bezoek aan Safi. Dit gebeurt in 1519, waarschijnlijk bij de inwijding van de pas gebouw­de kathedraal. Naast de kathe­draal heeft Safi wel­licht nog een of meer kerken. In Aza­mor is de kerk en het klooster van de augustijnen in de vroegere moskee geves­tigd. Agouz heeft ook een kerk. Buiten het bisdom Safi is in Agadir een kerk gebouwd als een citadel, met kanonnen op de klokketo­ren. Safi en Agadir en later ook Azamor bezitten een kloos­ter van de franciscanen.

3.1. De bronnen

x

Check Also

Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

Ceylon. Expansie van het Império Português (1515-1521)

Deel 6 Index Hoofdstuk 7 Expansie van het Império Português (1515-1521) 7.2 Ceylon Geschreven door Arnold van ...

banner