Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike
Torre de Belém, Lissabon, Portugal. Auteur Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De Canarische eilanden. Het begin van de maritieme expansie

Deel 1 Index

Hoofdstuk 5

Het begin van de maritieme expansie

5.6 De Canarische eilanden

Geschreven door Arnold van Wickeren

De verovering van Ceuta in 1415 werkt als een katalysator voor verdere maritieme expansie. Al in 1416 geeft Henrique de zeeman Conçalo Cabral opdracht de oorzaak te vinden van de sterke stroming tussen de Canarische eilanden, waarvoor hij bijzondere belangstelling heeft. De missie van Cabral is de eerste wetenschappelijke expeditie van deze soort. Portugese aanspraken op de Canarische eilanden moeten wel omstreden zijn, omdat naast Portugezen ook zeelieden uit andere landen al verschillende reizen naar de Eilanden ondernomen hebben. Hieruit blijkt dat de maritieme expansie naar de wateren van de Atlantische Oceaan al vóór 1415 begonnen is.

De Canarische eilanden zijn in de Oudheid bekend onder de naam `Gelukkige Eilanden’. Omdat de Arabieren deze eilanden niet aandoen, raken zij daarna in vergetelheid. Aan het einde van de dertiende eeuw worden één of meer eilanden van de Archipel herontdekt, hetzij door de Genuese gebroeders Vivaldi, dan wel door een volgende Genuese expeditie die naar hen op zoek is. Het meest noordoostelijk gelegen eiland ontvangt de naam `Allegranza’, naar een van de galeien van de Vivaldi’s. Ergens tussen 1310 en 1330, mogelijk in 1312, doet weer een expeditie uit Genua de Eilanden aan, als we Charles de La Roncière mogen geloven. De leider daarvan, Lancellotto Malocelli die op zoek is naar de gebroeders Vivaldi, heeft de Canarische eilanden ontdekt ‘na het bestaan daarvan te hebben vernomen van enkele matrozen uit Cherbourg, die handeldrijvend aan de kusten van Spanje door een storm op de kust zijn gesmeten van eilanden die in de Oudheid bekend waren onder de naam ‘de Gelukkige’ en die sedertdien verschillende eeuwen verborgen zijn gebleven.’ Lancellotto Malocelli neemt een of meer eilanden voor Genua in bezit, Hij blijft daar enige jaren, bouwt een fort op Allegranza1, herdoopt het eiland in Lanzarote, de Castiliaanse vertaling van zijn eigen naam, en keert naar huis terug. Op de beroemde kaart van Angelino Dulcert uit 1339 worden het `Insula de Lanzarotus Marocellus’ en het Insula Forte Ventura voor het eerst genoemd.

In 1341 weten Italiaanse kooplieden woonachtig in Lissabon koning Afonso IV van het belang van een expeditie naar de Canarische eilanden te overtuigen. De koning bekostigt deze expeditie en wellicht organiseert hij haar ook. Op 1 juli 1341 varen twee schepen en een lichter uit. De bemanning is wonderlijk gemengd samengesteld Zij bestaat niet alleen uit Portugezen, maar ook uit Aragonezen, Castilianen en Catalanen, terwijl door de nauwe banden die de admiraal van de Portugese oorlogsvloot Emmanuele Pessagno met zijn vaderstad Genua onderhoud ook veel Genuezen en Florentijnen van de partij zijn. Het bevel over de schepen is zelfs opgedragen aan Italianen. Het ene schip staat onder leiding van de Florentijn Angiolino del Tegghia de Corbizzi; kapitein van het andere schip is een Genuees, Niccoloso de Recco. Het is, gelet op het optreden van de expeditieleden, kennelijk de bedoeling de Archipel te veroveren. Op het eerste eiland dat Niccoloso de Recco en zijn mannen aandoen wordt te midden van een bosje palmbomen een tempel ontdekt met een stenen afgodsbeeld. Recco laat het beeld naar zijn schip brengen. Op een ander eiland slaan de Europeanen een menigte duiven met stokken dood. Zij laten zich de duiven goed smaken. Het eerste van de Canarische eilanden dat Niccoloso de Recco aandoet, is waarschijnlijk Forteventura, dat in de Oudheid bekend was onder de naam Capraria. Dit en andere eilanden blijken bewoond te zijn door wilde stammen die nog in het Stenen Tijdperk leven. Deze mensen, Guanches geheten, bestaan uit twee stammen. De leden van de ene stam zijn tamelijk groot, hebben een lichte huid, blonde haren en blauwe ogen; zij die tot de andere stam behoren, zijn kleiner, hebben zwart haar, een donkere huid en zijn wellicht Berbers. De Guanches verzetten zich hevig tegen de indringers, zodat van verovering geen sprake kan zijn. Zij kennen geen pijl en boog, maar zij bestrijden hun tegenstanders furieus door hen te bekogelen met ruwe stenen of lange houten speren naar hen te werpen. Bij lijf aan lijf gevechten hanteren de Guanches stenen knotsen en houten sabels. Volstaan wordt met enige overvallen op dorpen, waarbij de primitieve heidenen van hun schamele bezittingen worden beroofd. De expeditie heeft vermoedelijk een bezoek gebracht aan alle dertien eilanden: Forteventura (Fuerteventura), Lanzarote, La Palma, Ferro (Hierro), Gomera, Tenerife, Gran Canaria en zes kleine eilanden, allen van vulkanische oorsprong. Het is waarschijnlijk dat op de terugweg de Madeira-archipel wordt waargenomen, terwijl Oliveira Marques het ook niet volledig uitgesloten acht dat de Azoren uit de verte zijn gezien. Als de schepen eind november in Portugal terugkeren, blijkt de expeditie niet geslaagd te zijn. Er is geen eiland veroverd en de buit is gering, hij bestaat uit: vier gevangenen, huiden van bokken, geiten en zeehonden, visolie, talk en verfhout en het stenen afgodsbeeld, waarover Vergé-Franceschi meldt dat het wellicht afkomstig is van het meest noordelijk gelegen Azoren-eiland Corvo. De expeditieleden weten een verhaal te vertellen over een `betoverde’ berg van 10.000 meter hoog; een schrome- overdrijving; de Pico de Teide op Tenerife is in werkelijkheid nog geen 4.000 meter hoog. Ondanks dat de Canarische eilanden rijk zijn aan goedkope slaven, verfstoffen en vis leidt de expeditie niet tot directe kolonisatie van de Archipel.

Hoewel Afonso IV paus Clemens VI in 1343 van Portugals expeditie op de hoogte brengt, wijst deze in zijn bul van 15 november 1344 de Archipel toe aan een Spaans edelman, Don Luis de España y de la Cerda, admiraal van Frankrijk, achterkleinzoon van Alfonso X van Castilië en kleinzoon van Louis IX. Hij noemt zich vorst van `La Fortuna’, wat de woede opwekt van de Engelse ambassadeur aan het pauselijke hof, die vindt dat slechts de Britse eilanden aanspraak kunnen maken op de omschrijving `Gelukkige Eilanden.’ Op 12 februari 1345 tekent koning Afonso vergeefs protest aan tegen de toewijzing van Archipel aan Don Luis.

Diffie geeft de door Afonso gehanteerde argumenten. Hij schrijft: het directe antwoord van Afonso IV van Portugal aan Avignon, gedateerd 12 februari 1345, geeft aan hoezeer hij gekant is tegen de toewijzing aan Don Luis. Hij brengt paus Clemens VI de volgende punten onder zijn aandacht: Inwoners van Portugal (nossos naturais) hebben als eersten de eilanden gevonden; zij liggen dichter bij Portugal dan bij het territorium van enige andere vorst en kunnen gemakkelijker veroverd worden vanuit Portugal dan vanuit enig ander land; hij (Afonso IV) heeft zijn eigen mensen (nossas gentes) en schepen uitgezonden, om de aard van het land van de eilanden te onderzoeken, heeft met geweld mensen, dieren en andere zaken genomen en naar Portugal gebracht; op het moment dat een armada gereed gemaakt werd om uit te zeilen naar de Canarische eilanden, met een grote hoeveelheid cavalerie en infanterie (cavaleiros e peões), is zijn bedoeling gefrustreerd door het uitbreken van oorlogen, eerst tussen Portugal en de koning van Castilië (1336) en later met de koning van de Saracenen (Slag aan de Salado van 1340). `Al deze dingen zijn bekend, omdat zijn ambassadeurs deze recentelijk onder de aandacht van Uwe Heiligheid hebben gebracht’.

Desondanks roept de Heilige Stoel de koningen en andere vorsten van de christenheid op Don Luis te helpen zijn nieuw verworven territorium in bezit te nemen. Don Luis verkrijgt van Humbert II van de Dauphiné de toezegging, dat deze hem een aantal schepen ter beschikking zal stellen voor de verovering van La Fortuna. Ook Pedro III van Aragón (1276-1285). biedt effectieve hulp aan in de vorm van enige galeien en staat toe dat de expeditie op Sardinië voorraden inneemt. Afonso laat paus Clemens in zijn brief van 12 februari 1345 weten dat hij niet de gevraagde hulp kan bieden, wegens gebrek aan middelen en omdat `we deze niet kunnen missen wegens de aan de gang zijnde en nog wel even durende oorlog tegen de ongelovige vorsten, onze perfide en gevaarlijke buren.’ `Niettemin nodigen wij Uwe Heiligheid uit ons dit project, waarmee ons volk zo welgemoed begonnen is, tot een goed einde te laten brengen, met voorrecht boven ieder ander.’

Uit christelijke bronnen is niets bekend van een Franse of Aragonese expeditie naar La Fortuna. De befaamde Arabische historicus Ibn Khaldoun vermeldt echter een grote Frankische expeditie, die de Canarische eilanden tracht te veroveren en de gevangengenomen Guanches verkoopt in Marokkaanse havens. Omdat alle Europese christenen door de Arabieren Franken worden genoemd, is het volgens Oliveira Marques zeer wel mogelijk dat de door Ibn Khaldoun bedoelde expeditie is uitgevoerd met galeien uit Aragón in dienst van Don Luis.

Diffie merkt op dat het een mysterie is dat Genuezen en Portugezen het initiatief voor de exploratie van de Atlantische Oceaan, na de expeditie van 1341, aan anderen overlaten, totdat Dom Henrique in 1416 belang-stelling voor de Canarische eilanden toont. Het zijn de Catalanen en Mallorcanen die na 1341 het roer overnemen. Diffie vermeldt de expedities in de jaren: 1342, 1346, 1352, 1369 en 1386, omdat daarover enige documentatie is bewaardgebleven.

Op 16 april 1342 ontvangt Francesco Desvalers (Francesch des Valers) van de vertegenwoordiger van de koning van Mallorca de opdracht met twee lichte schepen (cocas) naar de Canarische eilanden te zeilen. Het is niet zeker of de reis ook ondernomen is. Domingo Gual wordt eveneens in 1342 aangesteld tot kapitein van een enkele coca voor een voorgenomen reis met een semi-officieel karakter. Ook van hem is niet bekend of hij daadwerkelijk is uitgezeild. Inlichtingen over een reis die Jaime Ferrer verondersteld wordt in 1346 langs de Afrikaanse kust te hebben gemaakt, zijn eveneens vaag. Uit het onderschrift van de door Abraham Cresque rond 1375 vervaardigde Catalaanse kaart blijkt dat Jaime Ferrer op 10 augustus 1346 in een uxer of uixer voor een tocht naar de Rio do Ouro is uitgezeild. De kaart vertoont de afbeelding van een scheepje met één mast en roeispanen, dat naar de kust van Afrika wordt geroeid. Villadestes’ kaart van 1413 geeft dezelfde inlichtingen. Documenten uit de Mallorcaanse archieven die enig licht op de reis van Ferrer zouden kunnen werpen, ontbreken uitgerekend tussen de jaren 1345 en 1348. Het zou heel bijzonder zijn als een schip zo vroeg in de tijd ten zuiden zou zijn geweest van de Canarische eilanden en zou zijn teruggekeerd; het onder-schrift en de tekening op de kaarten zijn daarvan echter onvoldoende bewijs.

Op 1 mei 1352 wordt de Genuees Arnaldo Roger aangewezen als leider van een expeditie waaraan ook zijn landgenoten Juan Doria en Jayme Sagarra deelnemen, Beschermheer van de onderneming is Pedro III van Aragón en Catalonië. Terwijl mogelijke expedities van 1342 door particu-leren zijn ondernomen, heeft deze expeditie een missionair karakter. Roger ontvangt opdracht parochies te stichten, een kathedraal, kerken en steden te bouwen en nieuwe eilanden voor Aragón te ontdekken en te veroveren en in naam van Pedro III te besturen. Twee bullen van paus Clemens VI, die de Canarische eilanden heeft toegewezen aan Luis de España y de la Cerda, verlenen Juan Doria, Jaime Segarra en andere expeditieleden vergunning de Eilanden te kerstenen. Op 7 november 1351 benoemt paus Clemens VI de karmeliet Frei Bernardo tot eerste bisschop van de Archipel. De expeditieleden kunnen gebruikmaken van de hulp van gekerstende slaven, die op vorige reizen van de Serra i Ráfols (Catalaans voor de Canarische eilanden) zijn meegenomen. Zij hebben op Mallorca Catalaans leren spreken en zullen als tolken optreden. De luitenant-generaal van Mallorca, Guillén de Llagostera geeft ook zijn zegen aan de expeditie, Zowel van de verovering als van de kerstening komt weinig terecht; het is zelfs onzeker of de expeditie in 1352 is uitgezeild.

In de tweede helft van de veertiende eeuw wordt de exploratie van de Atlantische Oceaan door geen enkele groep of natie krachtig beoefend. De meest actieve reizigers zijn in die tijd Mallorcanen en Catalanen, die in de veertiende eeuw de Canarische eilanden vaak aandoen, overigens zonder daarop aanspraak te maken. De expansie van Catalonië richt zich slechts op de landen rond de Middellandse Zee. In 1309 hebben de Catalanen de sultan van Marokko geholpen zich van de havenstad Ceuta meester te maken, in ruil waarvoor de sultan heeft toegestaan een Aragonees garnizoen in de stad te legeren. De Catalaanse belangstelling is echter vooral oostwaarts gericht; Corsica, Sardinië, Sicilië, Malta, Griekse eilanden en Cyprus zijn het doel. Dat de Catalanen geen bedrei-ging voor de Portugese maritieme expansie in de Atlantische Oceaan vormen, wordt verklaard door het karakter van hun vloot. Deze bestaat uitsluitend uit door roeiers voortbewogen galeien, waarop zeilen van secundair belang zijn. Dit nu zijn bepaald geen schepen om de Atlantische Oceaan mee te bevaren. Het zijn de pausen, die trachten de missionering-te bevorderen, die zich nog het meest met de Archipel bemoeien. De bewoners van de Eilanden worden ook enigermate onderworpen; door wie en bij welke gelegenheden is niet bekend. Onder de hiervoor genoemde expedities behoort er een die beschikt over een pauselijke machtiging, in de vorm van de bul Ad hoc semper van paus Urbanus V (1362-1370), gedateerd: Viterbo, 2 september 1369. Urbanus V beveelt de bisschoppen van Barcelona en Tortosa tien seculiere en twintig reguliere geestelijken te zenden. Zij moeten kunnen preken in de inheemse taal van de Canarische eilanden. Van dit project is verder niets bekend, maar alleen al de veronderstelling dat dertig missionarissen, de taal van de eilandbewoners kunnen spreken, wijst op langdurige bemoeienis met deze eilanden.

In 1377 wordt een Biskajer, Martin Ruiz de Avendàano, een veteraan uit de Honderdjarige Oorlog, ervan beschuldigd de vrouw te hebben verleid van Zonzamas, de guanartème (chief) van het eiland Lanzarote en op 5 juni 1382 wordt het schip van Francisco Lopez, dat onderweg is van Sevilla naar Galicië, door een hevige rukwind op de kust, nabij de monding van het ravijn van Guinaguada, op Gran Canaria geworpen. Lopez en zijn bemanning verblijven zeven jaar op het eiland, maar dan worden zij ervan beschuldigd banden te onderhouden met de Spaanse avonturiers die de archipel plunderen. Zij worden ter dood veroordeeld en geëxecuteerd, nadat zij de gelegenheid hebben gehad een aangrijpend testament op te stellen en op te bergen in een leren koffer.

In 1386 is er sprake van de 5e Catalaans-Mallorcaanse expeditie. Zij is door paus Urbanus VI (1378-1389) toevertrouwd aan koning Pedro IV van Aragón (1336-1387) en zij wordt uitgevoerd door de `Pauperes Heremite.’ Hieruit blijkt dat de Heilige Stoel nog steeds belang stelt in de kerstening van de Canarische eilanden. Fernando Ormel, graaf van Urena, die ook het eiland Gomera bezoekt, wordt daar door de inheemsen gevangengenomen. Koning Amalahuije zendt hem terug naar Aragón.

Deze eerste reizen van Genuezen, Catalanen, Mallorcanen, Biskajers, Portugezen, Aragonezen en later ook van Castilianen hebben het nadeel dat zij al snel leiden tot slavenhandel, onder het voorwendsel dat de rebelse Guanches zich weigeren te bekeren. De missionarissen worden door hen niet altijd gewaardeerd. Zo is het lot van de door Pedro IV gezonden missionarissen ons niet bekend, tenzij we aannemen – hetgeen plausibel is – dat de dertien `fraires Chrestiens’ die in 1391 zijn vermoord, gedurende zeven jaar het geloof aan de bewoners van de Canarische eilanden hebben gepredikt.

In 1393 verschijnen de Castilianen op het toneel van de Canarische eilanden, met een reis die vermeld wordt in de kronieken van Enrique III van Castilië (1390-1406). Deze expeditie landt op Lanzarote en neemt de koning, de koningin en 160 andere eilandbewoners gevangen. Een niet genoemd aantal van hen wordt per schip overgebracht naar Spanje, tezamen met producten, die `een groot deel van de winst uitmaken van hen die daar geweest zijn.’ Bij terugkeer in Spanje laten zij de koning van Castilië weten dat de Eilanden zeer gemakkelijk en tegen geringe kosten zijn te veroveren. De leider van deze expeditie Gonzalo Pérez Martel2 had al drie jaar eerder van Castilië toestemming gekregen de Eilanden te bezetten. Een recht waarvan hij niet of slechts tijdelijk profiteert, Korte tijd later wordt Hernán Peraza, de tweede man van Pérez Martel, door zijn huwelijk met Doña Ines de las Casas, beschouwd als heer van de Canarische eilanden.

Het is volstrekt duidelijk dat tot 1402 geen enkel land zich in zodanige mate met de Canarische of andere Atlantische eilanden heeft ingelaten dat tot kolonisatie daarvan is overgegaan. De Genuees Malocelli, die al vóór 1330 op Lanzarote een fort heeft gebouwd, heeft rond het midden van de veertiende eeuw menige expeditie naar de Canarische eilanden geleid. Hoewel deze tochten onder auspiciën van Portugal zijn ondernomen, verschijnt de gehele Archipel in 1367 onder Genuese vlag op een kaart. De eerdere op exploratie gerichte inspanningen van Genuezen, Mallorcanen, Catalanen en tenslotte Portugezen hebben weliswaar geresulteerd in een aanzienlijke kennis van de Canarische eilanden, van Noord-Afrika en wellicht ook van de Madeira-archipel, maar definitieve kolonisatie van de Eilanden moet wachten tot in de vijftiende eeuw, als de Spanjaarden zich serieus op de Eilanden beginnen te vestigen en de Portugezen aan de vooravond staan van hun carrière als ’s wereld meest doortastende ontdekkingsreizigers.

Als in 1393 nieuws over de expeditie naar de Canarische eilanden van dat jaar de Castiliaanse koning Enrique III bereikt, verzoekt en verkrijgt de Franse ambassadeur en vertegenwoordiger van Charles VI (1380-1422), Robert de Braquement van Enrique toestemming de Eilanden te veroveren. De ambassadeur is er bovenal op uit zijn neef, Jehan (Jean) de Béthencourt, afkomstig uit het Normandische Grainville-la-Tenturière, waar hij rond 1360 geboren is, een betere positie te bezorgen. Béthencourt die geruïneerd is in de Honderdjarige Oorlog, is kamerheer van de hertog van Touraine, broer van koning Charles VI Hij bewapent in Harfleur drie schepen, waartoe hij hypotheek geeft op zijn landgoed in Grainville-la-Tenturière Zijn geldschieter is zijn oom Robert de Braquemont, de toekom- stige maréchal de France. Ofschoon Béthencourt primair een piraat is, tegen wiens plundering van Engelse schepen Londen heeft geprotesteerd, ontbreekt het hem niet geheel en al aan de mentaliteit van de kruisvaarders en die van de Reconquista. Dit geldt zeker voor zijn oom, die is gehuwd met Inès de Mendoça, dochter van de grootmeester van het koninklijke huis van Castilië. Bovendien is zijn nicht, Inès de Béthencourt, gehuwd met de alcade major van Sevilla, Guillem de Las Casas. De Normandische piraat heeft dus rechtstreekse en sterke familiebanden met het Spanje van de christelijke Reconquista. Béthencout bereidt zijn expeditie zorgvuldig voor; hij bewapent zijn schepen, werft soldaten aan, kiest met zorg zijn route uit, gaat te raden bij mensen afkomstig van de Canarische eilanden en hij neemt zelfs twee Guanches, een man en een vrouw, mee aan boord. Zij hebben zich bekeerd tot het katholicisme en zij hebben tot taak in de archipel plaatsen te herkennen en op te treden als tolken.

In 1402 lopen de drie schepen uit Harfleur de haven van La Rochelle binnen. Hier loopt Béthencourt een oude strijdmakker tegen het lijf, de uit de omgeving van Thouars in de Poitou afkomstge, Gadifer de la Salle, met wie hij in 1390, onder bevel van Louis de Bourbon, tegen de moren van Tunis heeft gevochten en waarvoor zij van de hertog van Touraine 300 goudfranken hebben ontvangen. Gadifer de La Salle heeft een respectabele staat van dienst als vechtersbaas opgebouwd. Hij heeft in het Duitse Rijk tegen de ongelovigen gevochten, heeft een bezoek gebracht aan de Teutoonse ridders in het oosten van Pruisen, hij heeft strijd geleverd tegen de Saracenen op Rhodes en in de Magreb. Zijn tijdgenoot Jean de Bueil, graaf van Sancerre, een geducht medestrijder van Jeanne d’Arc, bijgenaamd de ‘gesel der Engelsen’ en later (1450) admiral de France, vergelijkt Gadifer de La Salle in zijn Jouvencel met Du Guesclin. La Salle wil gaarne aan de expeditie van zijn oude strijdmakker deelnemen. Béthencourt gaat met hem in zee.

Nadat twee geestelijken, de benedictijner monnik Pierre Bontier van Saint-Jouyn-de-Marne en abbé Jean le Verrier aan boord zijn genomen, vertrekken de drie schepen, met de zegen van paus Benedictus XIII en een groot aantal priviléges voor de beide conquistadores, op 1 mei 1402 uit La Rochelle. In juni wordt de haven van Cádiz aangedaan. Een deel van de bemanning maakt van de gelegenheid gebruik te deserteren. In juli wordt Lanzarote, het meest oostelijk gelegen Canarische eiland bereikt. De Fransen treffen op Lanzarote veel dorpen aan met mooie huizen en mooie en nette vrouwen, die gekleed gaan in mantels die haast tot op de grond reiken. De vrouwen hebben allen drie mannen die om beurten hun echtelijke plicht vervullen. Als de dienstdoende echtgenoot een maand het bed heeft gedeeld met zijn vrouw, maakt hij plaats voor zijn opvolger. Béthencourt verneemt deze bijzonderheden van zijn tolken, die van veel waarde blijken te zijn in de communicatie met de Guanches. Béthencourt laat zijn mannen in het zuidwesten van het eiland een fort bouwen, dat hij uit bewondering voor Julius Ceasar Kasteel Rubicon noemt. Bovenop het fort plant Béthencourt zijn pennoen. Na de bouw van het fort kondigt hij in oktober zijn vertrek aan, terwijl er onder de leden van de expeditie onrust ontstaat, omdat een deel van hen eist te worden teruggebracht naar Normandië. Béthencourt belooft echter vóór Kerstmis 1402 met versterkingen naar Lanzarote te zullen terugkeren.

Tijdens de afwezigheid van Béthencourt exploreert La Salle met de twee resterende schepen de gehele archipel. Hij bezoekt achtereenvolgens de eilanden Fuerteventura, Hierro, Lobos, Gran Canaria, Gomera, Tenerife, het grootste eiland, en tenslotte la Palma, waarbij hij op elk van de eilanden enige dagen of zelfs weken verblijft. Zijn tweede man, Bertin de Berneval, die wat overhaast in Parijs is aangeworven, blijkt een grote boef te zijn en hij doet niet de minste moeite om dat te verbergen. Gesteund door enkele medestanders die God noch gebod kennen, neemt hij veertig Guanches gevangen. Juist op dat moment arriveert een Spaans vaartuig en Bernevel verkoopt zijn gevangenen aan de kapitein daarvan. De Guanches worden tenslotte vrijgelaten tegen overdracht van Fort Rubicon aan Berneval en de zijnen. De Spanjaarden plunderen het arsenaal en brengen artillerie, wapenrustingen, mondvoorraden, zakken meel, etc. aan land. La Salle en zijn eveneens uit de Poitou afkomstige landgenoten die hem zijn trouw gebleven staan herhaalde malen bloot aan de gewelddaden en vernederingen van de onverlaat en zijn trawanten, ondanks dat zij moord en brand schreeuwen. Uiteindelijk vertrekt Berneval aan boord van het Spaanse schip. Met de weinige getrouwen die hem nog resten, is La Salle overgeleverd aan de woede van de eilandbewoners. Hij weet weerstand te bieden aan koning Assche, dankzij een tweede fort, het Kasteel van Maloisel. Dit is het tot ruïne vervallen fort van Lancellotto Malocelli.

La Salle wacht tot kersmis 1402 op de terugkeer van Béthencourt, maar het jaar 1402 loopt ten einde zonder dat hij verschijnt. Eerst in juli 1403, zeven maanden later dan beloofd, verschijnt het profiel van een bark uit Honfleur aan de horizon. Aan boord van het afgeladen scheepje, dat gezonden is door Béthencourt, blijken zich Normandische kolonisten te bevinden. Het scheepje dat Sevilla heeft aangedaan, is sterk overladen doordat Juan de Las Casas (een familielid van Béthencourt) en de commandeur van de Orde van Calatrava, nog een aantal Castiliaanse soldaten ter verdediging van de kolonisten met hen heeft meegezonden.

Nadat Béthencourt Lanzarote heeft verlaten vraagt hij in Europa dringend om hulp, waarbij hij zich zelfs tot de Heilige Stoel richt. Tenslotte blijkt Enrique III bereid hem te helpen, omdat Castilië belang gaat stellen in de Canarische eilanden. Enrique ontvangt Béthencourt in November 1403 in Valladolid; de koning vleit de vroegere piraat en verleent hem de titel `koning van de Canarische eilanden. Ook biedt de vorst Béthencourt zijn bescherming aan. Deze erkent de koning van Castilië als zijn suzerein, hijj zal de archipel dus als leenheer van de Castiliaanse kroon besturen. Als tegenprestatie verleent Enrique III Béthencourt het recht munten te slaan en hij mag een vijfde van de waarde van de insulaire export als belasting heffen. Nadat Béthencour zich lang aan her Castiliaanse hof heeft laten ophouden, arriveert hij uiteindelijk in april 1404 op Lanzarote. La Salle laat hem weten dat de verovering van Lanzarote is voltooid en dat de guanartème om het doopsel heeft heeft verzocht. Resteert de verovering van het naburige eiland Fuerteventura. Als zij deze taak tot een goed einde hebben gebracht, bouwen zij er Fort Richeroque en de toren van Tarafalz.3

Béthencourt, een hard en onverzettelijk man, bagatelliseert de initiatieven van La Salle en hij beschuldigt hem van insubordinatie. Geërgerd, verlaat La Salle in augustus 1404 de Canarische eilanden, om de arbitrage in te roepen van de koning, maar Béthencourt vergezelt hem naar Castilië en bewerkstelligt dat al zijn aanspraken worden afgewezen. La Salle keert definitief terug naar Frankrijk, waar hij tegen 1415 sterft, na in 1409, nog op last van Jean II Boucicaut, de Franse gouverneur van Genua, een laatste expeditie met Genuezen naar de Canarische eilanden te hebben volbracht.

Béthencourt keert 7 oktober 1404 op Fuerteventura terug. Hij ondervindt hoe langer hoe minder steun van de Guanches, die de bemoeienis van buitenstaanders met hun land hoe langer hoe meer beu zijn. Zij komen in opstand tegen de bezetters, verwoesten Fort Richeroque na daaruit levens- middelen en munitie te hebben geroofd. Béthencourt past met succes een verdeel-en-heerspolitiek toe en onderdrukt met behulp van de Guanches van Lazanrote de opstand op Fuerteventura. Op 18 en 25 januari 1405 vragen de twee guanartèmes van het eiland om te worden gedoopt. Béthencourt bouwt een kerk in Normandische stijl, die wordt gewijd aan de Santa Maria de Betancuria. Daarna vertrekt hij, vergezeld door vier Guanches, naar Normandië, om nieuwe kolonisten te werven. Hij heeft succes; op 9 mei staat hij op het punt uit Honfleur uit te varen met twee barken, die 160 mannen en 23 vrouwen aan boord hebben. Béthencourt arriveert met de nieuwe kolonisten op Gran Canaria, waar hij tracht zijn taak als koloniaal bestuurder uit te oefenen. Hij verdeelt land onder de kolonisten en bevriende Guanches; hij legt de hand op de belangrijkste economische bronnen van het eiland, met name orcella4, hij stelt ruil-voeten vast; hij geeft de inheemsen vishaken, ijzeren voorwerpen, zoals kleine messen, en hij ontvangt hiervoor drakenbloed terug. Hannibal, de bastaardzoon van La Salle tracht zich met de handel te verrijken en maakt daarvan geen geheim en een andere compagnon van Béthencourt, Jehan Le Courtois, slaagt erin het fort Richeroque te hernemen. Men is ver verwijderd geraakt van het voornemen van de eerste kolonisten, in de eerste plaats het evangelie te verkondigen.

De mannen van Béthencourt maken van hun verblijf op de Canarische eilanden gebruik om de omgeving te verkennen. Op 6 oktober 1405 zeilen twee barken uit Honfleur, vergezeld van een Castiliaans vaartuig naar Kaap Bojador, aan de westkust van Afrika. De Europeanen zouden acht mijl van de kust een treffen hebben gehad met een enorme karavaan. Zij pochen dat zij niet minder dan 3.000 (sic!) kamelen hebben gedood of verwond. Zij keren met de verworven slaven5 naar Gran Canaria terug. Diffie plaats deze rooftocht al in 1402, wat voor hem een bewijs is voor de vroege aanwezigheid van Europeanen op de Canarische eilanden. Een ander bewijs daarvoor is voor hem het feit dat Béthencourt bij zijn latere verovering van enige eilanden Guanches met Castiliaanse namen bij zich heeft. We behoeven ons overigens niet te verbazen, dat kerstening en onderwerping kennelijk hand in hand gaan, zoals later veel volkeren in Afrika en Amerika ook van Europeanen zullen ondervinden.

Béthencourt tracht vanaf Gran Canaria het eiland La Palma te veroveren. De aanvallers landen bij de plaats Argyneguy. Hier vinden zij de koffer met het testament uit 1389 van Francisco Lopez en zijn kameraden, dat hen zeer beweegt. De Fransen overkomt op La Palma nog een onaangename verrassing. Plotseling worden zij overvallen door een groep Guanches die Castiliaanse schilden dragen. Afgezien van een lendendoek gemaakt van palmblad, zijn de Guanches naakt en hun lichamen zijn bedekt met tatoeages. Het gevecht is buitengewoon fel en binnen korte tijd liggen 22 kameraden van Béthencourt op de grond. Onder de gesneuvelden zijn Guillaume d’Auberbose, Hannibal, de zoon van La Salle en Jehan Le Courtois. Béthencourt wordt genoopt zich terug te trekken en zijn kleine strijdmacht haastig in te schepen. Maar hij wreekt zijn nederlaag kort daarna met een nieuwe aanval op La Palma en met een overval op het eiland Hierro, het koninkrijk van koning Armiche. Hij neemt 111 Guanches gevangen uit het gevolg van de koning en voert hen in slavernij.

Na deze moeilijke operatie, verlaat Béthencourt in december 1405 tijdelijk de archipel en begeeft zich naar Rome, om paus Innocentius VII te vragen de Canarische eilanden tot bisdom te verheffen en hij droomt ervan dat een van zijn familieleden in de toekomst zal worden benoemd tot herder van zijn diocees. Op 13 december 1405 biedt hij zijn omgeving in Kasteel Rubicon op Lanzarote een luisterijk afscheidsbanket, hij vertrouwt aan de twee priesters in de archipel de zielzorg van de christenen toe en tenslotte stelt hij zijn neef Maciot de Béthencourt aan als luitenant-generaal van de eilanden. Hij wordt ook belast met de rechtsbedeling. In Rome neemt hij van de Pontifex Maximus de benoeming in ontvangst van Alberto de Las Casas, een franciscaner monnik, tot ‘bisschop van Saint-Martial de Rubicon’ van het diocees van de Canarische eilanden. Vervolgens reist hij naar Italië, verblijft in Florence, waar hij op het Palozzo Vecchio wordt ontvangen als koning van de Canarische eilanden. Hij reist door naar Parijs, waar hij verhaalt over zijn daden en snoeft het christelijke geloof gebracht te hebben naar vier van de Canarische eilanden en wel ‘op eigen kosten’, met welke formulering hij te kennen geeft dat het Huis Valois niet de suzereiniteit over de door hem gekoloniseerde eilanden bezit. In tegenstelling tot La Salle, die de Franse kaart schijnt te hebben gespeeld, is Jean de Béthencourt voorstander van de Castiliaanse opper- heerschappij over de archipel.

Tot 1418 behoudt Jehan de Béthencourt zijn belangstelling voor en zijn aanspraken op eilanden Lanzarote en Fuerteventura, die sedert 1405, min of meer voor rekening van Castilië, worden bestuurd door zijn neef Maciot. In januari 1418 vraagt hij de Engelsen, die Normandië in die tijd hebben bezet, een vrijgeleide om twee gewapende schepen uit te zenden naar de Canarische eilanden. Hij verkrijgt zijn vrijgeleide en rust twee schepen een groot zeilschip en een walvisvaarder, uit. Zij zeilen met een bemanning van 66 koppen naar de Archipel. De schepen blijven daar enkele maanden en zouden met rijke lading zijn vertrokken. Op de terug-weg gaan beide schepen echter verloren, waardoor Jean de Béthencourt vrijwel geruïneerd is. Hij is gedwongen neef Maciot te vragen zijn eilanden- rijk geheel aan Castilië over te dragen en als hij in 1422 zal sterven, zal zijn nalatenschap zeer ingewikkeld blijken te zijn. Maciot de Béthencourt draagt op op 17 oktober 1418 zijn rechten en die van zijn ooms Jehan en Regnault de Béthencourt, op de eilanden Fuerteventura en Lanzarote en wellicht ook die op Hierro, zoals zijn oom hem heeft gevraagd en met instemming van Juan II (1406-1454), over aan twee Castiliaanse edelen: Enrique de Guzman, comte de Niebla, en Pedro Barba de Campos, maar ondanks dat blijft Maciot Heer en bestuurder van Lanzarote. Maciot is kennelijk een man met weinig scrupules, want op 9 maart van hetzelfde jaar heeft hij al een soortgelijke transactie gesloten met een Portugese gevolmachtigde van Dom Henrique O Navegador. Zurara bevestigt deze transactie voor wat Lanzarote betreft en hij noemt Maciot ‘Segnor de Lançarote, die het eiland heeft afgestaan aan Dom Henrique, waarvoor deze aan Maciot een jaarlijkse rente van 20.000 écus zal betalen. Dom Henrique, die de titel Senhor de Lançarote aanneemt, stelt de edelman Antão Gonçalves aan tot capitão van Lanzarote. Deze installeert zich, vergezeld van Álvaro Ornelas, een alcaide, een secretaris en een inner van belastingen, allen Portugezen, op het eiland. De Canarische eilanden blijven niet alleen een voorwerp van rivaliteit tussen Castiliaanse en Portugese zeelieden, maar zij worden eveneens begeerd door Italiaanse zeelieden, wat blijkt uit Genuese en Venetiaanse portolani. De Venetiaan Giacomo Giroldi voltooit een kaart, die hij dateert juni 1422; op deze kaart komen de Canarische eilanden nog niet voor. Maar in 1426, als hij een nieuwe kaart publiceert, zijn daarop wel de omtrekken van Lanzarota en Fuerteventura aangegeven. Verschillende Italiaanse zeelieden hebben deze en andere Canarische eilanden bezocht en hun ontdekkingen zijn terechtgekomen bij Giroldi. Op een andere Italiaanse kaart uit 1426, die de Genuees Battista Beccaro met Mallorcaanse inbreng heeft vervaardigd, zijn de Canarische eilanden eveneens aangegeven. De Luso-Castiliaanse spanning om de omstreden archipel wordt door Venetië en Genua met grote belangstelling gevolgd. De eerste keer dat Álvaro Ornelas tracht een deel van Gomera te veroveren, kunnen de Portugezen zich daar niet handhaven door hevige Castiliaanse tegenstand. Zij worden van het eiland verdreven, evenals van Lanzarote. Zij zullen zich richten op de verovering van terrae incognitae, zoals Madeira.

Op 29 augustus 1420 draagt Juan II Lanzarote, Fuerteventura en mogelijk ook Hierro over aan Alfonso de las Casas en verleent hem het recht andere eilanden in de Archipel te veroveren, voor zover deze niet in het bezit zijn van andere christenen. Op 15 november 1421 bepaalt Las Casas dat het bezit van de Archipel overgaat op zijn mannelijke erfgenamen. Feitelijk is sprake van een dubbele heerschappij over deze eilanden, hetgeen blijkt als de graaf van Niebla, als señor de las Canarias, op 8 juni 1422 vrijdom van belasting (franqueza de pecho) afkondigt voor Spanjaarden die zijn eilanden bezoeken.

Nadat in 1420 Madeira en Porto Santo zijn gekoloniseerd vat Dom Henrique het plan op om ook de Canarische eilanden te veroveren. Hij zendt in 1424 een grote vloot onder bevel van Fernando de Castro naar Gran Canaria. De vloot heeft 2.000 tot 2.500 man en 120 paarden aan boord. Hoewel de omvang van de vloot niet bekend is, kan het aantal schepen nauwelijks minder dan vijftig zijn geweest. De kosten van de grootscheepse onderneming zouden 34.000 dobras hebben bedragen. De Guanche-opperhoofden verzetten zich zo hevig en het terrein is zo moeilijk dat de aanval mislukt. Omdat er bovendien in het kamp van de aanvallers gebrek aan proviand ontstaat, scheept het kostbare expeditieleger, dat grote verliezen heeft geleden, zich weer in. Maciot onderneemt geen pogingen meer Canarische eilanden daadwerkelijk in bezit te nemen. Portugal daarentegen zendt in 1427 een tweede expeditie, die evenals de eerste, te maken krijgt met gebrek aan proviand en hevige tegenstand van de Guanches.

Op 25 maart 1430 verkoopt de graaf van Niebla zijn rechten op Lanzarote, Fuerteventura en wellicht ook Hierro aan Guillem de Las Casas, zoon van Alfonso de Las Casas, die in 1420 van Juan II het recht gekregen heeft andere eilanden in de Archipel te veroveren, voor zover deze niet in het bezit zijn van andere christenen. Hiermee komt een eind aan de tweevoudige eigendomstitel, die sedert 1418 heeft bestaan. Guillem voert een invasie uit op Lanzarote, neemt Maciot gevangen en zendt hem naar het eiland Hierro. Dom Henrique gaat zich nu weer met de Eilanden bemoeien, met welk recht is niet duidelijk. Hij gelast de bevrijding van Maciot en zijn overbrenging naar Portugal. In 1448 zal hij Maciots rechten op Lanzarote van hem kopen, ondanks dat deze het eiland niet bezit. Opnieuw is sprake van dubbele eigendom: Henrique/Maciot van Lanzarote en Guillem de Las Casas van de overige eilanden. In 1433 bevestigt Juan II van Castilië Guillem de Las Casas in de rechten die hij in 1420 aan zijn vader Alfonso gegeven heeft, met inbegrip van het recht eilanden in de Archipel te veroveren. De hem gegeven rechten tasten de opperheerschappij van Castilië over de Canarische eilanden niet aan. Kort na het overlijden van João I op 14 augustus 1433 (op de dag af 48 jaar na de eclatante overwinning op de Spaanse legers in de Slag van Aljubarrota) richt Henrique, die van zijn koninklijke broer Duarte ten aan-zien van de Canarische eilanden uitgebreide volmachten heeft gekregen, een petitie tot Juan II. Hierin vraagt hij de vorst hem het recht te verlenen de Canarische eilanden te veroveren. Een onhandige manoeuvre, omdat Henrique hiermee impliciet de Castiliaanse suzereiniteit over de Archipel erkent en Castilië met deze petitie tevens een rechtvaardiging geeft voor zijn latere claims tegen Portugal. Juan II weigert uiteraard aan dit verzoek te voldoen. Portugal zet de expedities naar de Eilanden onverdroten voort. Wellicht volgt in 1434-1435 een derde expeditie, om Maciot te bevrijden. Henrique doet ook een beroep op de paus die, kennelijk onkundig van de Castiliaanse aanspraken op de Canarische eilanden, aan zijn verzoek tegemoet komt. Juan II is woedend. Hij geeft Alfonso de Cartagena, bis-schop van Burgos, opdracht zijn aanspraak op de Canarische eilanden gedegen aan de Heilige Stoel uiteen te zetten. Omdat de inspanningen die Portugal zich getroost om vaste voet op de Eilanden te krijgen, de Castilianen zeer ongerust maken, vragen zij In 1434 paus Eugenius IV (1431-1447) een uitspraak te doen over het eigendomsrecht van de Eilanden. De paus, die de ontdekkingsreizen en veroveringen van Portugal ondersteunt, maar ook Castilië hiertoe aanmoedigt, maant in zijn bul Dudum siquidem van 31 juli 1436 Portugal de rechten van Castilië te respecteren, zonder deze rechten precies te definiëren. Koning Duarte van Portugal (1433-1438) ontvangt van paus Eugenius IV ook een brief, Dudum Cum Ad Nos, eveneens gedateerd Bologna, 31 juli 1436. Hierin herinnert de paus Duarte aan diens brief uit 1434, waarin de vorst de Heilige Stoel liet weten dat geen andere christelijke vorst aanspraak op de Canarische Eilanden maakt. Eugenius IV zendt deze brief in afschrift aan de bisschop van Burgos. De Portugezen menen uit de bul Dudum siquidem te moeten begrijpen dat Castilië de eilanden Lanzarote en Fuerteventura mag behouden, maar dat Portugal de vrije hand heeft op Gran Canaria, Tenerife, La Palma, Ferro en Gomera. Desondanks legt Portugal zich niet neer bij de pauselijke uitspraak, omdat de waarde van de Canarische eilanden door de Portugese ontdekkingen langs de kust van West-Afrika aanzienlijk is toegenomen. In zijn bul Romani Pontificis, van 6 november 1436 bekrachtigt Eugenius IV zijn brief en bul van 31 juli van dat jaar. De genoemde documenten uit 1434 en 1436 zijn de eerste waaruit blijkt dat de Heilige Stoel intervenieert in een Luso-Spaanse geschil. Tot dan toe heeft de paus de strijd van Portugal tegen de moslims altijd onvoorwaardelijk gesteund.

In de jaren 1436-1445 is er sprake van een impasse met betrekking tot de Canarische eilanden; Portugal houdt zich bezig met de exploratie van Afrika’s westkust en laat zijn aanspraken op de betwiste archipel even rusten. Maar in 1445 verkoopt Guillem de Las Casas zijn rechten aan zijn schoonzoon Hernán Peraza en deze bewapent om zijn aanspraken te ondersteunen.een sterke vloot. Om Peraza’s oogmerken te dwarsbomen, ontvangt dom Henrique van zijn broer regent dom Pedro (1438-1449), hertog van Coimbra, een koninklijke brief, gedateerd 3 februari 1446. Hierin wordt het alle inwoners van het koninkrijk verboden zich naar de Canarische eilanden te begeven en daar oorlog te voeren en handel te drijven, anders dan in opdracht van dom Henrique, heer van de gehele archipel, ten nadele van de Castiliaanse belangen. De tekst van deze oorkonde, schrijft Zurara, is in het boek tussengevoegd, aan de hand van de reeds door Afonso Cerveira geredigeerde tekst, aan de hand waarvan Zurara het verhaal vertelt.

Twee uit Guinée naar Portugal terugkerende caravelas van de vloot, waarmee Lanzarote en de zijnen op 10 augustus 1445 uit Lagos zijn uitgezeild, namelijk een caravela uit Tavira en een ander waaraan de naam Pivert is verbonden, ontmoeten de caravela van Álvaro Gonçalves de Ataíde, waarvan de kapitein, João de Castilla zich naar Guinée begeeft. Maar omdat het seizoen voor de vaart op Guinée verloopt, laat João de Castill zich door de opvarenden van de beide andere caravelas overhalen rechtsomkeerd te maken en met de bemanningen van drie caravelas op jacht te gaan naar slaven op Gomera, het eiland dat Maciot de Béthencourt in de jaren 1418-1420 vergeefs heeft trachten te veroveren. In 1445 is de situatie ingewikkeld: vier rivaliserende stammen staan tegenover elkaar. Twee daarvan zijn goede maatjes met de Castilianen en de andere twee met de Portugezen. Omdat de Guanches bekend staan om hun afschrik-wekkende wreedheid en de Portugezen veel Guanches op het strand zien, aarzelen zij aan land te komen en zij vragen de inheemsen, de verzekering dat zij veilig aan land kunnen komen, voordat zij in hun roeiboten stappen. Zij krijgen deze verzekering en worden officieel verwelkomd door twee kapiteins van Gomera, Bruco en Piste. Het tweetal is ontvangen aan het hof in Castilië en door de koning van Portugal. Zij zijn vooral zeer goed ontvangen door dom Henrique, die hun rijke kleding heeft gegeven, zij zijn lange tijd zijn gasten geweest, zijn met zijn schepen naar hun land teruggebracht en beschouwen zich als zijn dienaren. De sluwe Bruco en Piste bieden de Portugezen hun diensten aan bij overvallen op andere stammen. De Portugezen zijn verheugd over de verdeeldheid tussen de Guanches en begeven zich met hun gidsen naar La Palma. Als zij geland zijn, trachten zij zich meester te maken van herders die aan de kust hun armetierige en van hun wollen vacht ontdane schapen hoeden. De herders zijn lenig en zij zijn gewend met behulp van een stok of lanza de steile rotsen te beklimmem. Zij maken zich snel uit de voeten en trekken zich terug op een verbazend steile rotskam. Een vermetele Portugese ridder die de herders achtervolgt, glijdt uit en valt van grote hoogte te pletter. Ook veel Guanches vinden op dezelfde wijze de dood.

Bij deze actie onderscheidt zich Diogo Gonçalves, een page van Dom Henrique. Deze man is er zeer op gebrand zijn fortuin te herwinnen dat hij door een ongelukkig ongeval is kwijt geraakt. Op zijn trouwdag in Lissabon had hij veel goederen bijeengebracht om in zijn onderhoud te voorzien. Maar een brand veroorzaakt door onvoorzichtigheid van een van zijn dienaren, heeft alles wat hij bezat verwoest. Hij en de zijnen hebben het er levend afgebracht maar van hun bezittingen hebben zij niet meer kunnen redden dan de kleren die zij droegen. Diogo Gonçalves wil zoveel mogelijk Guanches bemachtigen om hen te kunnen verkopen en dom Henrique die hem na de brand te hulp is geschoten, te kunnen terugbetalen. Maar de ‘strijd wordt tamelijk gevaarlijk.’ De Guanches blijken verbazingwekkend krachtige tegenstanders te zijn.. Zij gooien vanaf de toppen van de rotsen een menigte stenen op hun vijanden en zij weten de teruggegooide stenen wonderlijk gemakkelijk te ontwijken, waarbij zij hun voeten niet eens verplaatsen. Bovendien ‘dragen de Guanches andere wapens die aangepast zijn aan hun beestachtig bestaan, te weten ijzeren lansen met puntige horens aan het eind en soortgelijke zaken, die ken-merkend lijken voor het eiland La Palma.’ Uiteindelijk nemen de aanvallers, van wie er diversen de dood hebben gevonden, die dag 17 Guanches gevangen, zowel mannen als vrouwen, onder wie een bijzonder grote vrouw, die de koningin geweest zou zijn van een deel van het eiland, wat de mythe van de Amazones doet herleven. De Portugezen zeilen met hun gevangenen terug naar Gomera, bedanken uitvoerig ‘degenen die hen hebben geholpen’ en keren met hun gevangenen terug naar Portugal. Het zijn de eerste Guanches die in Portugal aankomen. Zurara schrijft hierover: ‘Ik ben juist bij de prins (dom Henrique) in het koninkrijk van Algarve aangekomen, op het moment dat bewoners van de Canarische eilanden daar waren en ik zag goed hoe zij werden behandeld…..Ik geloof dat…..enkele van hen, die kwamen…in het koninkrijk gebleven zijn tot aan het eind van hun leven….en de prins verleende hen weldaden en beloningen.’

Niet alle bewoners van de Canarische eilanden hebben zoveel geluk. ‘João de Castilla….…kapitein van de caravela van Álvaro Gonçalves de Ataíde, die niet zoals de anderen in Guinée is geweest en die geen andere buit heeft verworven dan de gevangen bewoners van de Canarische eilanden…een erg magere buit…stelt zijn medekapiteins een lage list voor om de geringe buit aan te vullen.’ Als de caravelas van La Palma vertrekken zijn 21 Guanches van Gomera aan boord van de schepen gekomen in het vertrouwen dat zij zullen worden teruggebracht naar Gomera. Op voorstel van João de Castilla worden de Guanches gekidnapt en naar Portugal gebracht om daar als slaven worden verkocht. Als dom Henrique van de zaak hoort, is hij daarover zeer verontwaardigd. Hij zendt de Guanches `zeer rijk aangekleed’ terug naar Gomera, met een vloot van negen karvelen die in 1446 uitvaart en eerst Madeira aandoet om voorraden in te nemen. De vrede is van korte duur; in 1446 begint dom Henrique zijn schepen te bewapenen, om de Canarische eilanden te veroveren.

Álvaro de Ornelas ontvangt van dom Henrique toestemming om zich naar de Canarische eilanden te begeven. Op de heenweg doet hij Madeira aan, want vanaf 1445-1446 plegen Portugese expedities naar West-Afrika een kleine omweg te maken via Madeira, dat als een ravitaillerings basis geldt voor caravelas met bestemming Cabo Verde, de Rio Casamansa of de Rio Gambia. Op de terugweg van deze reis (Portugal-Madeira-Afrika) behoort het tot de goede gewoonten een aanval te ondernemen op de Canarische eilanden, om de Portugese rechten op de archipel tegenover die van Castilië te onderstrepen. Op Madeira leent Álvaro de Ornelas twee gevangen Guanches, die hem als gids moeten dienen. Hij bereikt vervolgens Fuerteventura, waar hij wenst te gaan wonen. Hij vertrouwt Afonso Marta, een schildknaap, de zorg toe zijn karveel naar Portugal terug te brengen; hij dient onderweg Madeira aan te doen, om er levensmiddelen in te nemen en om het eens te worden over de prijs van de twee geleende Guanches. Maar door sterke tegenwind wordt het karveel van Afonso Marta naar het estuarium van Lissabon geblazen, zonder dar hij erin slaagt Madeira te bereiken.

In Lissabon ontmoet hij João de Ornelas, schildknaap van de koning, een stoutmoedig man altijd verlangend naar grote daden, een edelman die page is geweest van koningen Dom João en dom Duarte. Hij is een neef van Álvaro de Ornelas en hij deelt met hem de eigendom van het karveel, waarmee Afonso Marta Lissabon heeft bereikt. Wanneer deze edelman ziet in weike toestand het karveel verkeert, begrijpt hij in wat voor situatie zijn neef zich moet bevinden. Hij laat het verfomfaaide karveel zeewaardig maken en hij haast zich, naast levensmiddelen, gewapende lieden aan te werven. João de Ornelas bereikt Fuerteventura met Diogo Vasques Portocarreiro, schildknaap des konings, en andere dappere mannen.

Op Gomera, spreekt Álvaro de Ornelas, aan wie de capitania Gomera is toegezegd, de notabelen van het eiland toe en hij vraagt hun hulp bij een aanval op La Palma, maar de samenwerking leidt niet tot resultaat. Korte tijd daarna brengen de Portugezen een twintigtal inheemsen bijeen, die door João de Ornelas zullen worden meegenomen naar Portugal. Tijdens de reis, die door ongunstige weersomstandigheden zozeer uitloopt, dat er een dramatisch tekort aan levensmiddelen ontstaat, zien de zeelieden zich genoodzaakt enkele van hun gevangenen op te eten. ‘Maar’ schrijft Zurara, ‘voordat deze extreme daad wordt voltrokken, staat God ons toe de haven van Tavira in het koninkrijk Algarve te bereiken.

Dom Henrique koestert voor de Canarische eilanden een niet aflatende belangstelling. Ook na 1435 duurt de dubbele eigendom daarvan voort. Maciot de Béthencourt houdt Lanzarote voor Henrique en Guillem de Las Casas en zijn opvolgers hebben Fuerteventura en Hierro in hun bezit. Beide kampen zijn ook verdeeld over het antwoord op de vraag aan wie de nog te veroveren eilanden toevallen. Guillem de Las Casas heeft zijn rechten vermaakt aan zijn schoonzoon Hernán Peraza. Zij gaan over op diens dochter Ines, die gehuwd is met Diego García de Herrera. Deze verovert in 1447 het eiland Gomera en bouwt daarop de Torre San Sebastián. De Portugezen claimen in die jaren overigens niet de soevereiniteit over het eiland Lanzarote, maar slechts de heerlijke rechten. Henrique ontvangt op 3 februari 1446 bij koninklijk besluit het monopolie op de handel met de Canarische eilanden (alsmede met West-Afrika ten zuiden van Kaap Bojador en met de Madeira-archipel), `omdat zoals bekend geen schip zich vanuit ons koninkrijk ooit naar deze eilanden mag begeven, tenzij Dom Henrique het zendt. Niemand gaat naar genoemde eilanden dan op zijn bevel, en zij die gaan, betalen (Henrique) een vijfde deel.’ Zij die zonder zijn toestemming gaan zullen zowel hun schip als de lading aan hem verliezen. Henrique heeft het monopolie op de handel met de Canarische eilanden, (en de andere genoemde gebieden) gekregen, om hem schadeloos te stellen voor de `grote uitgaven’ die hij voor de ontdekkingsreizen gemaakt heeft. Kort daarna, in 1447 of 1448, gaat dom Henrique opnieuw onderhandelingen met Maciot de Béthencourt. Hierbij is het een gelukkige omstandigheid dat Maria de Béthencourt in het huwelijk is getreden met een Portugees, Rui Gonçalves da Câmara, de jongere broer van João Gonçalves Zarco, de ontdekker van Madeira. De onderhandelingen lopen uit op een elegante en realistische overeen-komst, waarbij rekening is gehouden met ieders belangen, met die van Portugal en Castilië, van Maciot en van dom Henrique en tenslotte met die van de Canarische eilanden evenals met die van Madeira. Bepaald is dat Castilië de soevereiniteit over Lanzarote behoudt, maar dat dom Henrique het effectieve bestuur over het eiland van Maciot overneemt. Maciot behoudt zich voor zichzelf en voor zijn nakomelingen het recht voor de cessie terug te draaien ’als dat hun behaagt.’ Ondertussen zullen zij 20.000 witte reais ontvangen, elk jaar betaalbaar tegen Pasen, uit de opbrengsten van Madeira. Tenslotte wordt bepaald dat dom Henrique het eiland tegen aanvallen verdedigt, maar als hij Lanzarote zou verliezen, dient hij toch de jaarlijkse rente te storten. De inkt van het akkoord is nauwelijks opgedroogd als Castilië daartegen protest aantekent. Dom Henrique is derhalve gedwongen om zowel in 1450 als in 1451 een sterke vloot naar de Canarische eilanden te zenden om de Portugese belangen te beschermen. Toledo protesteert hiertegen in een lange brief die Juan II van Castilië aan dom Afonso V richt. Maar hierover zegt Zurara niets meer; hij besluit zijn Chronica de Guinée in 1448 Dom Henrique zendt zijn dienaren Álvaro Ornelas en Antão Gonçalves ieder met een karveel naar Lanzarote. Gonçalves is tot capitão benoemd en Henrique heeft zich getooid met de titel Senhor van het eiland. Dit wil niet zeggen dat hij de soevereiniteit over het eiland uitoefent, omdat Maciot de Béthencourt, het eiland heeft bestuurd onder Spaanse soevereiniteit.

Terwijl Maciot de Béthencourt zijn oude dag in vrede op Madeira slijt, wordt capitão Antão Gonçalves, die zich uitsluitend laat omringen door Portugese ambtenaren, vrijwel direct na aankomst door de Guanches van Lanzarote verdreven; hij zal evenwel terugkeren. Ondertussen begint Castilië, daartoe aangemoedigd door de paus, meer en meer interesse voor ontdekkingen en veroveringen te krijgen. Zo trachten e kapers niet alleen afbreuk te doen aan de Portugese zeevaart, maar in juli 1449 ontvangt de hertog van Medina Sidonia van de Kroon van Castilië de concessie de kust van Afrika tot Kaap Bojador te onderzoeken en er handel te drijven. Deze concessie leidt tot een geschil tussen Portugal en Castilië, waarbij ook het bezit van de Canarische eilanden weer in het geding is. Omdat Henrique zeer nadrukkelijk aanspraken op het gebied maakt, is zijn positie als `Senhor van Lanzarote’ veel bedreigender voor de Spaanse soevereiniteit dan Maciots gouverneurschap ooit is geweest. Juan II van Castilië tekent protest aan tegen Henriques bezetting van Lanzarote bij monde van zijn gezant Juan Iñigues de Atabe. Deze bezoekt vóór 1451 het Portugese hof bij twee gelegen-heden en verweert zich met kracht tegen de aanspraken van de koning van Portugal, die verlangt dat Hernán Peraza voor hem verschijnt om zijn rechten te bewijzen op de eilanden Fuerteventura en Hierro. In 1451 worden twee Spaanse karvelen onder bevel van Juan Iñigues de Atabe, overmeesterd door een vloot van Henrique. Op een van de karvelen bevindt zich Don Juan Cid, bisschop van de Canarische eilanden met diens gewapende escorte van 25 man. In hetzelfde jaar worden nog meer schepen uit Sevilla genomen door een Portugese vloot van vijf schepen, die Henrique rond het eiland Lanzarote heeft ingezet. `De vijf schepen kruisen rond de andere eilanden en nemen ieder schip uit Sevilla dat ze aantreffen en daarna zeilen ze terug om de schepen te overmeesteren die getuige (van de overval) zijn geweest.’ De taaiheid waarmee Henrique tracht de Canarische eilanden in handen te krijgen, wordt verklaard uit zijn voortdurende gebrek aan geld om zijn ondernemingen te financieren en de mogelijkheid slaven te betrekken van de eilanden, waardoor zijn geldzorgen zouden afnemen.

In 1452 is Atabe, vergezeld van Diego Gonçalves de Ciudad Real, weer in Lissabon, om te protesteren, zonder dat hij ook maar enige genoeg-doening ontvangt. Juan II refereert in zijn brieven aan koning Afonso V (1438-1481) aan de vele andere brieven `die ik u heb gezonden.’ Hij beklaagt zich bij Afonso dat gewapende lieden van acht Portugese karvelen en van een pinas, vee en andere dieren gestolen hebben en dat zij koop-lieden, zijnde Castilianen, op de Canarische eilanden hebben uitgeschud. Spanje blijft protesteren; het krachtigste protest komt in 1454 als Juan II serieus dreigt met maatregelen. In feite wordt Antão Gonçalves in dat jaar door de Castilianen verdreven van Lanzarote. Portugal is bezorgd met Castilië in conflict te raken over zowel de Canarische eilanden als over de aan de kust van Afrika ontdekte gebieden. In april of mei 1454 zendt Juan II een ambassadeur naar Portugal om te praten over een verzoek van Henrique de aanspraken van Diego García de Herrera op de Canarische eilanden te mogen kopen. Hij tekent verzet aan tegen Henriques aanspraken op de Eilanden en brengt ook Guinée ter sprake `dat onze verovering is.’ Afonso V en Henrique wensen daarentegen een duidelijke erkenning van Juan II dat de Eilanden Portugees zijn.

Het overlijden van Juan II op 21 juli 1454 en de bestijging van de troon van Castilië door Enrique IV (1454-1474) geeft Portugal wat Afrika betreft een voorsprong op zijn rivaal Castilië. Enrique IV toont zich namelijk niet geïnteresseerd in zijn aanspraken op de Canarische eilanden. In 1455 geeft hij de heerschappij over Gran Canaria, Tenerife en het nog in handen van de inheemsen zijnde La Palma aan Atoujia en aan Villa Real, twee Portugese graven die prinses Juana begeleiden op haar reis naar Spanje, waar zij in het huwelijk zal treden met Enrique IV. De twee graven verkopen hun rechten aan Henriques neef Fernando, Deze transactie vormt een ernstige inbreuk op de rechten van de familie Herrera die in het bezit is van de eilanden Lanzarote, Fuerteventura, Gomera en Hierro en die bovendien aanspraken bezit op de nog niet veroverde eilanden. De graaf van Villa Real heeft, op dringend verzoek van Afonso V, paus Pius II (1458-1464) gevraagd zijn recht op de Canarische eilanden te bevestigen en hij heeft de bevestiging ook verkregen.

De Canarische eilanden zijn het eerste gebied, vanwaaruit de Portugezen op grote schaal slaven betrekken. Hierin zijn de Castilianen, Fransen en Italianen hen overigens voorgegaan. Als vanaf 1460 de suikerrietplantages op Madeira tot ontwikkeling komen, stijgt de vraag van de Portugezen naar slaven. Castilië verdedigt zijn alleenrecht op de exploitatie van de rijk-dommen van de Canarische eilanden echter fel, zodat de Portugezen veelal slaven verwerven door overvallen op de kust en op slavenschepen van anderen. Deze piraterij is in die tijd heel gewoon in de wateren rond de Canarische eilanden. De aldus verworven slaven blijken betere vechters dan werkers te zijn. Zij worden daarom door de Portugezen ingezet in hun strijd met de Castilianen om de omstreden eilandengroep. Geen van beide Iberische mogendheden is in staat de ander volledig uit de Archipel te verdrijven. Portugal zal eerst in 1479 formeel afzien van zijn aanspraken op de Canarische eilanden. In dat jaar wordt het Verdrag van Alcáçovas gesloten, waarin Isabella la Cathólica (1474-1504) op haar beurt erkent dat de Kaapverdische eilanden, de Azoren en de Madeira-archipel Portugees bezit zijn.

  1. Michel Vergé-Franceschi spreekt van het eiland Titeroygatra (pag. 65). Deze schrijver gelooft niet dat Lancellotto Malocelli de herontdekker van de Canarische eilanden is; hij geeft de eer aan een lid van de in 1338 bekende Normandische familie Maloisel, waartoe kapiteins behoren die met hun Normandische galeien (drakkars) de oceaan bevaren.

  1. Vergé-Franceschi spreekt over de Biskajer Fernando Peraza Martel, heer van Almonaster, die vanaf 1385 op Lanzarote 170 gevangenen maakt.

  1. Deze versterkingen zijn aangegeven op de wereldkaarten van Giacomo Giroldi uit 1426 en Gabriel de Vallsecha, gedateerd 1439.

  1. orcella (Fr.orseille, Eng. orchil of archil) is een soort korstmos waaruit een rood-violette kleurstof wordt gewonnen.

  1. Vergé-Franceschi vermeldt niet dat er bij deze tocht slaven zijn verworven.

 

5.7. De Madeira-archipel

 

1 Michel Vergé-Franceschi spreekt van het eiland Titeroygatra (pag. 65). Deze schrijver gelooft niet dat Lancellotto Malocelli de herontdekker van de Canarische eilanden is; hij geeft de eer aan een lid van de in 1338 bekende Normandische familie Maloisel, waartoe kapiteins behoren die met hun Normandische galeien (drakkars) de oceaan bevaren.

2 Vergé-Franceschi spreekt over de Biskajer Fernando Peraza Martel, heer van Almonaster, die vanaf 1385 op Lanzarote 170 gevangenen maakt.

3 Deze versterkingen zijn aangegeven op de wereldkaarten van Giacomo Giroldi uit 1426 en Gabriel de Vallsecha, gedateerd 1439.

4 orcella (Fr.orseille, Eng. orchil of archil) is een soort korstmos waaruit een rood-violette kleurstof wordt gewonnen.

5 Vergé-Franceschi vermeldt niet dat er bij deze tocht slaven zijn verworven,

x

Check Also

Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

Ceylon. Expansie van het Império Português (1515-1521)

Deel 6 Index Hoofdstuk 7 Expansie van het Império Português (1515-1521) 7.2 Ceylon Geschreven door Arnold van ...

banner