Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike
Torre de Belém, Lissabon, Portugal. Auteur Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De handel met Malabar

Deel 5 Index

Hoofdstuk 6

Malabar in de jaren 1513-1514

6.2 De handel met Malabar

Geschreven door Arnold van Wickeren

De in Malabar aangekochte specerijen dienen betaald te worden met door de Portugezen uit Portugal aangevoerde goederen. Magalhães-Godinho heeft berekend dat voor de Portugese kroon naar Indië varende schepen tussen 1505 en 1515 handelsgoede-ren ter waarde van gemiddeld 50.000 cruzados aan boord heb-ben. Het gaat daarbij vooral om koper, maar ook om lood, koraal, kwikzilver, aluin en textiel, zoals fluweel uit Genua, scharlakenro-de stof uit Florence en Engels laken. De Portugezen moeten ech-ter ervaren dat zij een deel van de specerijen met edelen meta-len moeten betalen. Zo heeft de Casa da India in 1507 al kisten met 3.000 gouden cruzados met de Rainha Belém naar de factor in Cochin gezonden, terwijl de Nazaré in 1514, naast de hiervoor vermelde goederen, 4380 gouden cruzados en 3040 zilveren marcos, ter waarde van bijna 20.000 cruzados aan boord heeft. In Malabar is, evenals in Marokko, vooral zilver zeer begeerd. Vandaar dat de Portugezen in Brazilië en Angola desperaat op zoek gaan naar zilver. De naam `Rio da Prata’ in Zuid-Amerika drukt de begeerte naar dit edele metaal uit. Van alle specerijen die de Portugezen in Azië kopen, is peper verreweg het belang­rijkst; gember, kaneel, kruidnagelen, muskaatnoten, foelie en geneesmiddelen zijn ook van belang. Uit de door Magalhães-Godinho verzamelde cijfers blijkt dat de aangekochte hoeveelhe­den van jaar tot jaar sterk fluctueren. Uit de cijfers blijkt dat vooral de peperhandel in de loop van dertien jaar sterk is gestegen. Dit is het gevolg van een stijgende vraag, terwijl het aanbod zich daarbij gemakkelijk aanpast. De stijgende vraag naar peper, dat vooral als conserveringsmiddel wordt gebruikt en in de 16e eeuw niet als een specerij wordt gezien, hangt samen met de toene­mende vleesconsumptie in Europa in de 15e en 16e eeuw. Het aanbod kan vergroot worden, omdat eenmaal aangeplante peper geen verzorging behoeft. Het is het enige kruid dat zich leent voor massaproductie. Ondanks de sterk stijgende aanvoer van Aziatische peper in Lissabon overtreft deze niet de aanvoer van malagueta, de peper uit West-Afrika, aangeduid als paradijskor­rels. Deze soort peper is bovendien veel goedkoper. In 1506 kost malagueta 8 cruzados per quintal, tegenover 22 cruzados voor Aziatische peper. De prijs van een quintal kaneel is tezelfdertijd 33 en die van gember 19 cruzados. De toegenomen aanvoer van peper, andere specerijen en drogerijen in Lissabon heeft natuur­lijk een drukkend effect op de prijzen daarvan. Toch is de waarde van de invoer uit Malabar in 1512 achtmaal die van de goederen die daarvoor zijn afgestaan, met inbegrip van edele metalen.

Uit de beschrijving van de reizen naar Indië aan het begin van de 16e eeuw is gebleken dat de handel in Malabar niet uitsluitend een zaak is van de Portugese kroon. Al in 1499 heeft Manuel het initiatief genomen tot oprichting van een handelscompagnie. In deze compagnie, die voor een periode van vijf jaar is opgericht, kunnen ook particulieren deelnemen en het is zeer waarschijnlijk dat de reeds lang in Lissabon wonende puissant rijke Florentijnse zakenman Bartolomeu Marchione een van de particuliere deel­nemers in de compagnie is geweest. De investering van Manuel bedraagt 20.000 cruzados, waarvan de opbrengst bestemd is voor het klooster Nossa Senhora de Belém. Marchione richt in 1501 richt zelf een particuliere compagnie op. Van de vier sche­pen die dat jaar onder leiding van João da Nova Castela uitzei-len, varen er twee voor rekening van de kroon, een voor reke­ning van de compagnie, terwijl het vierde schip is bevracht door de edelman Dom Álvaro, broer van de hertog van Bragança. De artillerie, andere wapens, munitie en victualiën voor alle vier schepen zijn bekostigd door de kroon. De bemanningen van de vier schepen zijn Portugees, terwijl de officieren door de konink-lijke autoriteiten zijn benoemd, zij het dat de particuliere reders zelf hun kapiteins aanstellen. Het zijn Diogo Barbosa, een die-naar van Dom Álvaro en de Florentijn Messer Fernam Vinet. Het jaar daarop neemt Dom Álvaro met een schip deel in de vloot van Estevão da Gama. Kapitein is Dom Álvaro’s dienaar Lopo Dias. De naam van kapitein John de Bonagracia doet veronder-stellen dat ook Italiaanse kooplieden in de vloot van Estevão da Gama deelnemen. In 1503 voert de Florentijn Girolamo Sernigi het bevel over een schip. Hij is aangesteld door het Brugse han-delshuis Gualterotti en Frescobaldi. Bij hem aan boord bevindt zich de kroniekschrijver Giovanni da Empoli. Van de commercië-le vloot, die opgenomen is in de armada waarmee Francisco de Almeida in 1505 uitzeilt, behoren twee schepen aan de staat, het derde aan de Portugese kapitalist Fernando Noronha (Fernão de Loronha), terwijl drie andere schepen zijn uitgerust door een Duits consortium, waarin de handelshuizen, Fugger, Welser, Imhof en anderen deelnemen. Hun deelname bedraagt 36.000 cruzados, terwijl Marchione en andere Italianen met 29.400 cruzados in de onderneming participeren. Bij de reis van 1506 zijn betrokken: een groep Florentijnse kapitalisten, onder wie Marchione, een groep rijke Genuezen, een consortium gevormd door Welser en tenslotte de puissant rijke Portugese kapitalist Rui Mendes. Capitão-mor Tristão da Cunha schijnt een aandeel te hebben gehad in zijn schip Santo António en Job Queimado voert het bevel over zijn eigen schip. Van de vloot van maar­schalk Dom Fernando Coutinho van 1509 zijn verschillende schepen bevracht door kooplieden. Jorge Lopes Bixorda, die betrokken is bij de handel in brazielhout, en Francisco Corvinel dienen als kapitein op schepen waarvan zijzelf de reders zijn. De vloot van Diogo Mendes de Vasconcelos, die in maart 1510 op bevel van de koning uitvaart naar Malacca, is ook bevracht door particuliere reders. Hoewel kroniekschrijvers andere namen noe­men, zou Sernigi een van de kapiteins zijn geweest. Vaststaat dat Giovanni da Empoli als factor aan de tweede expeditie naar Malacca heeft deelgenomen, omdat hij daarvan verslag heeft gedaan in zijn Viaggio all’Indie Oriental. Niet alleen kooplieden participeren in de expedities naar Indië. Vasco da Gama is ge­rechtigd elk jaar voor 200 cruzados goederen in Malabar te doen ruilen tegen specerijen. Van Afonso de Albuquerque is bekend dat hij een deel van de bewapening van zijn vlaggenschip heeft bekostigd. In de vloot van Tri­stão da Cunha, die in 1506 is uitge­varen en in 1508 is teruggekeerd, hebben de volgende personen geïnvesteerd: António de Saldanha 1.000 cruzados, Francisco de Bobadilha 1.269, Dom Nuno Manuel 1.250, Rui Dias Pereira 850, Francisco Távora 370, Jorge da Silveira 300, Nossa Senhora de Belém 250, de grootmeester van de Orde van Aviz en zijn secretarissen ieder 100 cruzados.

Ten tijde van Albuquerque worden in de Estado da India sche­pen gebouwd. In Cochin loopt in 1513 de 800 ton metende Santa Maria do Monte Sinai van stapel, voor die tijd een zeer groot schip, hetgeen blijkt het volgende. De grootste schepen waarmee Cabral in 1500 is uitgevaren maten 200 à 300 ton. Voor de drie eskaders die in 1503 zijn uitgezeild zijn in diverse plaatsen sche­pen van verschillend tonnage gebouwd: in Ribeira bij Lissabon een schip van 700 en een van 500 ton; in Porto een van 450 ton; op Madeira twee schepen van 350 ton en in Setúbal een schip van 170 en een van 160 ton. Van de schepen die onder Afonso de Albuquerque dat jaar zijn uitgezeild mat de Espirito Santo 450 ton, de Santiago 300 ton, de São Cristovão 150 ton en de Catarina Dias 100 ton. De twee kraken waarmee João da Nova Castela en Vasco Gomes de Abreu in 1506 uit Cochin naar Lissabon zijn vertrokken maten elk 400 ton. Bij de vloot waarmee Jorge Pereira de Melo in 1512 is uitgevaren, bevond zich de nau da carga Santo António van 600 ton. In Albuquerques tijd zijn schepen van 500 ton ideaal, maar later zullen veel grotere naus worden gebouwd.

Albuquerque laat koning Manuel weten dat hij na de voltooiing van de forten in Calicut en Diu weer naar de Rode Zee zal gaan. Hij wil alle schepen in de haven van Suez in brand steken en daar drie Portugese schepen achterlaten, om te verhinderen dat vervangende schepen gebouwd worden. Albuquerque zegt er ook naar te streven forten te bouwen in Aden en Massawa, een eiland en haven aan de kust van Afrika, dat hij veroverd heeft. Nu Portugal in vrede leeft met alle Indische vorsten kan de gou­verneur-generaal zijn aandacht geheel richten op de handel en op de Rode Zee, omdat de handel baat heeft bij het afgrendelen van de toegang tot de Rode Zee. Hij vraagt koning Manuel dan ook grote hoeveelheden koopwaar naar Indië te zenden. Vermel­denswaard is Albuquerques verzoek opium te ontvangen. Een van de negatieve gevolgen van de aanval op Aden is namelijk het stilvallen van de aanvoer van dit artikel naar Indië. Dat is een strop, omdat opium daar zeer begeerd is. Nadat de prijs veracht­voudigd is, adviseert Albuquerque koning Manuel, in zijn brief van 1 december 1513, papavers die op de Azoren groeien ook uit te zaaien in Portugal, omdat `opium niets anders is dan het sap van de papaver’. Hij voegt hieraan toe dat hij elk jaar een scheepslading opium wil ontvangen en dat het niet om een onbelangrijke zaak gaat.

6.3 Problemen bij de kolonisatie; betrekkingen met Perzië.

x

Check Also

Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

Ceylon. Expansie van het Império Português (1515-1521)

Deel 6 Index Hoofdstuk 7 Expansie van het Império Português (1515-1521) 7.2 Ceylon Geschreven door Arnold van ...

banner
Close
Stay informed about Colonial Voyage