Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike
Torre de Belém, Lissabon, Portugal. Auteur Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

Handelsstromen van en naar Malacca

Deel 5 Index

Hoofdstuk 3

Malacca

3.3 Handelsstromen van en naar Malacca

Geschreven door Arnold van Wickeren

De moesson- en passaatwinden maken het mogelijk dat koop­lieden uit Oost en West elkaar in Malacca ontmoeten. Ofschoon schepen uit Gujarat al in januari kunnen vertrekken, is de maand maart de beste tijd om naar Malacca uit te zeilen; dan kan namelijk geprofiteerd worden van de noordoostmoesson. Waar­schijnlijk wordt in de regel deze maand gekozen, zodat handela­ren van elders (Rode Zee, Arabië en Oost-Afrika), die ook afhan­kelijk zijn van gunstige winden, nog kunnen overstappen op Gujarati-schepen. Deze schepen kunnen maar kort in Malacca blijven; het is noodzakelijk dat zij voor eind mei terug te zijn in Gujarat, omdat daarna tot eind oktober aankomst of vertrek uit havens van Gujarat door de zuidwestmoesson niet mogelijk is.

Gedurende de laatste maanden van het oude en de eerste van het nieuwe jaar arriveren Chinese kooplieden met de noordoost­passaat in Malacca. Als zij vroeg zijn, kunnen zij nog doorzeilen naar Java, nadat zij een deel van de handelswaar in Malacca hebben gelost. De Chinezen kunnen dus langer in de haven blijven dan de Indiërs, maar zij moeten eind juni vertrekken, om met de zuidoostmoesson naar China te kunnen terugkeren.

Schepen uit Java, die ook gebruikmaken van de zuidoostmoes­son, arriveren tussen mei en september in Malacca. Zij moeten tot januari wachten om met gunstige noordwestelijke winden terug te keren. Soms blijkt dit al mogelijk in december of zelfs eind november. Gedurende hun oponthoud in Malacca ruilen de Javanen hun waren tegen goederen aangevoerd door de Indiërs, Chinezen en anderen. Dit verklaart waarom Malacca een stapel­plaats is. De handelswaren moeten een deel van het jaar opge­slagen worden ten behoeve van kopers die later arriveren. Daar­toe verblijven veel Javaanse handelaren permanent in Malacca. De periode van de grootste activiteit in Malacca schijnt de te zijn geweest de maanden tussen december en maart, als schepen uit zowel West-Azië, als uit het Verre Oosten de haven aandoen. Hieronder volgt een beschrijving van de handelsrelaties die Malacca aan het begin van de 16e eeuw onderhoudt met zijn handelspartners: Gujarat, Coromandel, Bengalen, Ceylon, Pegu, Kedah, Siam, Achter-Indië, China, Japan, de Filippijnen, Celebes (Sulawesi), Borneo, Sumatra, Java en enige Kleine Soenda-eilanden. Deze beschrijving verschaft ons ook inzicht in de betekenis van Malacca voor de Portugezen na de verovering van de stad in 1511, omdat onder Portugees bestuur het handelsnet­werk van Malacca grotendeels in stand blijft.

De belangrijkste handelspartner van Malacca is Gujarat. De handel tussen de twee landen is van zo’n grote betekenis, dat beide daaraan hun welvaart te danken hebben. De handelswaar die Gujarati-kooplieden, zowel moslims als Hindoes, in Malacca aanvoeren, bestaat voor een deel uit goederen die van elders naar de havens van Gujarat: Surat, Randar, Diu en Damão, zijn gebracht. Handelaren uit het Midden-Oosten – Arabieren, Turken en Armeniërs – kunnen evenmin als kooplieden uit Abessinië en Ormoez in één seizoen Malacca bereiken. Zij zeilen nooit voorbij Kaap Comorin. Gewoonlijk brengen zij hun handelswaren naar Gujarat en stappen daar over op Gujarati-schepen, met bestem­ming Malacca. Egyptische handelaren beschikken over door Venetiaanse kooplieden aangevoerde Europese goederen: edele metalen, wapens, glas en glaswaren, kralen, koraal, kwikzilver, vermiljoen en andere kleurstoffen, koperen spijkers en gekleurde wollenstoffen. In Gujarat worden ook handelswaren uit Arabië, Syrië en Oost-Afrika aangevoerd. Het gaat om: grote hoeveelhe­den opium, goud, zilver, parels, rozenwater, rozijnen, karpetten, paarden, zaden en granen. De goederen uit Perzië die Gujarat bereiken zijn: paarden, parels, goud, zilver, koper, zijde en aluin. Een deel van deze in Gujarat aangevoerde goederen wordt daar verhandeld of vindt zijn weg naar Malabar, om daar geruild te worden tegen vooral Malabaarse peper; de rest gaat naar Malacca, aangevuld met voortbrengselen van Gujarat; vooral textiel, maar ook kornalijnen, kralen, indigo, opium, zeep, aarde­werk en levensmiddelen als: graan, boter en gedroogd en gezou­ten vlees. Gujarati-handelaren kopen in Malacca: kruidnagelen, muskaatnoten en foelie van de Molukken en de Banda-eilanden, sandelhout uit Timor, goud uit Sumatra, kamfer uit Borneo en Sumatra en tin van het schiereiland Maleisië, porselein, muskus en zijde uit het Verre Oosten en vogelveren uit de Indonesische archipel. Tomé Pires deelt mee dat jaarlijks vier schepen uit Gujarat naar Malacca vertrekken, die ieder een lading ter waarde van 15.000 tot 30.000 cruzados aan boord hebben, afgezien van een zeer groot schip dat ieder jaar vanuit een haven van Gujarat vertrekt, met goederen ter waarde van 70.000 tot 80.000 cruza­dos. In 1510 vergaat een schip uit Gujarat op de terugweg uit Malacca, dat 2.000 bahar aan kruidnagelen, muskaatnoten en foelie en 1.000 bahar aan sandelhout en gomlak aan boord heeft. De waarde van deze goederen bedraagt niet minder dan 60.000 cruzados. Pires vermeldt dat schepen die naar Gujarat terugke­ren, goederen met een waarde van ten minste 21.000 cruzados vervoeren. Gujarati-kooplieden zeilen soms van Malacca naar het Chinese Hainan of naar havens aan de noordkust van Java.

Ook de handel van Malacca met de Coromandelkust is van grote betekenis. Klingalezen uit Pulicat en andere havens bren­gen grote hoeveel­heden katoenen kleding, van goedkoop tot kostbaar, naar Malacca. Naar deze kleding is veel vraag in de gehele Indonesische archipel, op het schiereiland Maleisië en in de rest van Voor-Indië. Op schepen uit Coromandel bevinden zich ook wel handelaren uit Malabar, dat geen directe handels­relatie met Malacca onderhoudt. Schepen uit Malabar brengen de volgende goederen naar Coromandel: peper uit het eigen land, rijst en kokosnoten van de Malediven en goederen uit Gujarat. Rijst en kokosnoten zijn belangrijk als Coromandel wordt getroffen door hongersnood, ten gevolge van periodiek optreden­de droogte. Deze voedingsmiddelen worden geruild tegen sla­ven; de slachtoffers van de droogte. In Coromandel stappen de kooplieden uit Malabar met hun koopwaar over op Klingalese schepen met bestemming Malacca. Zij reizen aan boord van geloofsgenoten, omdat Hindoes zich niet aan boord van schepen van moslims mogen begeven, om niet met onreinen in aanraking te komen. Handelaren uit Coromandel kopen in Malacca wit san­delhout, kamfer, aluin, parels, peper, muskaatnoten, foelie en kruidnagelen, goud, grote hoeveelheden koper, een beetje tin, alsmede Chinese goederen, als ruwe witte zijde, damast en bro­kaat. De Klingalezen verblijven van oktober tot januari in Malacca en zeilen dan terug. Pires meldt dat jaarlijks drie of vier schepen uit Coromandel naar Malacca komen, met goederen ter waarde van 12.000 tot 15.000 cruzados. Daarnaast vertrekken ieder jaar uit Pulicat een of twee grote schepen naar Malacca. De handels­waar die zij vervoeren, is 80.000 tot 90.000 cruzados waard.

De handel van Bengalen met Malacca is in hoofdzaak in handen van vreemde kooplieden: Arabieren, Parsi’s, Turken, Abessijnen en handelaren afkomstig van de westkust van Voor-Indië, vooral uit Chaul, Dabul en Goa. Zij rusten ieder jaar, voor de vaart op Malacca en Pasai (Pacém) voor gezamenlijke rekening, vier of vijf Arabische dhows en één of twee grote Chinese jonken uit. Een jonk heeft goederen ter waarde van 80.000 tot 90.000 cruza­dos aan boord. De export van Bengalen, dat zeer vruchtbaar is, bestaat uit rijst, suiker, gedroogd en gezouten vlees en vis, geconserveerde groente en gekonfijte vruchten, als gember en bovendien sinaasappelen, citroenen, vijgen en komkommers. Bengalen verbouwt katoen en beschikt over een zeer ontwik­kelde textielindustrie, waarvan de producten overal in het Oosten begeerd worden. Bengalen importeert uit Malacca kamfer, peper, kruidnagelen, foelie, muskaatnoten, sandelhout, zijde, parels, wit Chinees porselein, groen porselein uit de Liu-Kiu- eilanden of uit Japan, koper, tin, lood, kwikzilver, wat opium afkomstig uit Aden, witte en groene damast, karpetten, Javaanse krissen en zwaar­den, schelpen van porseleinslak, afkomstig van de Malediven, die in Bengalen als kleingeld gebruikt worden. Bovendien profite­ren handige kooplieden ervan dat goud in Bengalen aanzienlijk duurder is dan in Malacca, terwijl zilver daar juist goedkoper is. De winstmarge op de uit Malacca geïmporteerde goederen be­draagt 200 tot 300 procent, zodat de hoge Bengaalse import­heffing van 35 procent geen beletsel is voor deze importen. Overigens heeft Bengalen een aanzienlijk handelsoverschot met Malacca. Schepen uit dat land die doorzeilen naar Pacém laden daar alleen peper en zijde.

Ofschoon kooplieden van Ceylon slechts handeldrijven aan de kusten van Voor-Indië en dus Malacca niet aandoen, bezoeken – volgens Duarte Barbosa – elk jaar enkele schepen uit Malacca Colombo, waar olifanten, kaneel en juwelen worden gekocht.

Elk jaar zeilen in februari 15 of 16 grote jonken en 20 tot 30 klei­nere schepen uit Pegu naar Malacca en naar de peperhavens Pacém en Pedir op Sumatra. Zij arriveren in de maanden maart en april in Malacca. Pegu voert hoofdzakelijk luxe goederen uit, zoals edelstenen, robijnen van Arakan, zilver, muskus, gomlak, benzoë en levensmiddelen, als boter, olie, zout, uien en knoflook, maar bovenal rijst en suiker en tenslotte de door heel Azië ver­maarde inmaakpotten uit de stad Martaban. De Birmezen verko-pen in de havens die zij aandoen ook een deel van hun in Pegu gebouwde schepen, omdat Pegu beroemd is om zijn scheeps­bouw. De Birmezen kopen in Malacca Chinese waren, zoals een eenvoudig soort rood aardewerk en stoffen; beide soorten goe­deren zijn speciaal voor hen gemaakt. Daarnaast kopen zij zaad­parels, kwikzilver, koper, vermiljoen, kleine hoeveelheden kruid­nagelen, foelie en muskaatnoten, enig goud, al dan niet aange­munt tin en tenslotte schelpen van de porseleinslak, afkomstig van de Malediven of van Borneo. Begin juli zeilen de Peguanen uit Malacca naar Pacém of Pedir om peper te laden, om in augustus naar naar hun land terug te keren in de schepen die zij niet verkocht hebben. Overigens verloopt niet alle handel tussen West-Azië en Pegu via Malacca. Er bestaat een directe handels­relatie tussen Gujarat en de Birmese havens Martaban en Dagon (Rangoon).

De handel van Malacca met de nabijgelegen Siamese vazalstaat Kedah is van weinig betekenis en wordt bovendien onderbroken in oorlogstijd. De van Malacca afhankelijke tindistricten betrekken goud in Kedah, maar dit goud bereikt de markt in Malacca niet. Kedah produceert een bescheiden hoeveelheid peper, voor verkoop in Malacca, voor zover de peper niet rechtstreeks aan Gujarati- en Chinese kooplieden, die de haven van Kedah aan­doen, is geleverd. Mogelijk worden handelswaren uit Malacca in consignatie gegeven aan kooplieden in Kedah.

De handel van Malacca met Siam is volgens Pires en Ruy de Brito Patalim, de eerste capitão van Malacca, aanzienlijk. Siam is, naast landen als Bengalen, Pegu en Java, een belangrijke leverancier van levensmiddelen. In Malacca arriveren soms 30 jonken uit Siam met rijst, zout, gedroogde vis, arak en groente. Daarnaast ontvangt Malacca uit of via Siam gomlak, benzoë, sappanhout, lood, tin, zilver, goud, ivoor, cassia fistula, schalen vervaardigd van koperen of gouden ringen, waarin robijnen en diamanten zijn verwerkt, en tenslotte grote hoeveelheden goed­kope Siamese kleding. De Siamezen kopen van alles in Malacca, bovenal veel in Coromandel vervaardigde kleding, die speciaal gemaakt is voor de Siamese markt, en grote aantallen manlijke en vrouwelijke slaven. Overigens is Malacca bij lange na niet de belangrijkste handelspartner van Siam. Vanuit het zeer belang­rijke Tanasserim, aan de westkust van het schiereiland Maleisië, worden handelsbetrekkingen met West-Azië, vooral met Gujarat onderhouden, evenals met de Noordsumatraanse havens Pacém en Pedir en met Bengalen. De handel vanuit de Siamese havens aan de Golf van Siam is in hoge mate gericht op China en han­delaren uit dat land genieten privileges in bedoelde havens. De daar wonende kooplieden drijven ook handel met Achter-Indië­ (Cambodja, Campa en Cochin-China) en met Pacém, Pedir, Indragiri en Palembang op Sumatra en met Soenda op Java en mogelijk met nog andere eilanden van de Indonesische archipel.

De handel van Malacca met de landen in Achter-Indië is van weinig betekenis, omdat deze meer op China en Siam zijn gericht. Malacca exporteert naar Campa vooral goud uit Menangkabau en naar Cochin-China zwavel van Solor. Uit Achter-Indië betrekt Malacca ruwe en geweven zijde, bijna zuiver goud, zilver en Chinese producten. De handel met dit gebied heeft echter een sporadisch karakter.

De handel van Malacca met China is daarentegen van grote betekenis. Om de beginnen is de schatting die Malacca periodiek naar China zendt te beschouwen als een soort handel, omdat Malacca daarvoor in ruil Chinese producten met een zelfde totale waarde ontvangt. De uitvoer naar China bestaat uit peper, kost­bare houtsoorten, juwelen en andere edelstenen, alsmede uit veders van exotische vogels uit de Molukken, die verwerkt zijn tot kunstzinnige producten. Chinese groothandelaren, brengen met jonken, waarop al gebruikgemaakt wordt van het kompas, een grote verscheidenheid aan goederen naar Malacca. De lading bestaat uit muskus, rabarber, kamfer, parels, enig goud en zilver, grote hoeveelheden ruwe en geweven zijde, kostbaar handwerk als damast, satijn en brokaat en tenslotte katoenen stoffen. Pires somt bovendien op: aluin, salpeter, zwavel, koper, ijzer, grote hoeveelheden koperen gebruiksvoorwerpen, ketels van gietijzer en de gebruikelijke Chinese handnijverheidsproducten, als dozen met lakwerk, rijk gedecoreerde kasten, waaiers, haarspelden in de vorm van sieraden, maar ook goedkope zaken als koperen armbanden. Iedere jonk heeft ook een enorme hoeveelheid porselein en aardewerk aan boord. Tenslotte verkopen Chinese kooplieden in Malacca zout, welke handel hen schatrijk maakt. De Chinezen hebben veel belangstelling voor peper, dat zij ook in Pacém en Pedir en in het Siamese Patani kopen. Pires deelt mee dat jaarlijks tien jonkladingen peper aan de Chinese koop­lieden kunnen worden verkocht; Ruy de Aranjo meldt in 1510 dat jaarlijks acht tot tien jonken uit China naar Malacca komen, maar Ruy de Brito laat weten dat de Chinezen in 1513 met slechts vier jonken arriveren. Vergeleken met peper zijn de andere goederen die de Chinezen kopen: specerijen, geneesmiddelen, ivoor, tin, wierook, sandelhout, kornalijnen uit Gujarat en wollenstoffen, van weinig betekenis. De Chinezen behoeven in Malacca geen belasting te betalen; van hen wordt verlangd dat zij geschenken geven. De waarde daarvan, vastgesteld door `hun’ sjahbander, is zo hoog, dat Pires spreekt van chicanes. De Chinezen verzetten zich niet tegen deze functionaris, omdat zij ‘de gewoonten van het land’ respecteren. Handelaren uit Malacca doen ook goede zaken in China, zij het dat hun schepen niet verder mogen komen dan naar een eiland dat 20 tot 30 mijl uit de kust bij Guangzhou (Canton) ligt en waar iedere nationaliteit zijn vaste ankerplaats heeft. Hoewel de Chinese autoriteiten, die toezicht op de handel met buitenlanders uitoefenen, peper belasten met 20 procent, sandelhout met 50 procent en de overige goederen met 10 procent, voelen de kooplieden uit Malacca zich niet door hen afgeperst.

Afgezien van de Chinezen bezoeken ook andere bewoners van het Verre Oosten Malacca. Het zijn geheimzinnige lieden, die in Portugese bronnen Gores worden genoemd. Boxer houdt hen voor Japanners; Pires zegt dat het bewoners van de Liu Kiu-eilanden zijn, maar er zijn ook aanwijzingen dat het om bewoners van Taiwan gaat. Zij komen elk jaar met twee of drie schepen naar Malacca en bieden er Japanse producten aan. Hun aanbod bestaat uit: zijde, kostbare stoffen, porselein, koper, goud- en zilverpoeder, zwaarden en vele andere soorten wapens, casset­tes en dozen ingelegd met bladgoud, waaiers en papier; kortom allemaal typisch Japanse artikelen, maar ook rijst, uien en ande­re gedroogde groente, zoals peulvruchten. De Gores kopen in Malacca dezelfde producten als de Chinezen, naast grote hoe­veelheden Bengaalse kleding en in Malacca geproduceerde wijn. Zij prefereren soorten met een hoog alcoholgehalte. Zij ruilen de in Malacca verkregen goederen in China en Japan tegen goud en koper, welke metalen zij in Malacca weer te koop aanbieden. De Gores laten zich niet in met de slavenhandel en zij zullen nooit iemand uit hun eigen land als slaaf verkopen. Pires prijst hun eerlijkheid en schat hen hoger dan de Chinezen, al zijn het geen gemakkelijke lieden om zaken mee te doen; zij trekken snel hun zwaard als zij menen te worden tekortgedaan. De Gores drijven veel meer handel met de Filippijnen dan met Malacca. Zij zenden jaarlijks wel zes tot acht jonken naar deze archipel. Desondanks zijn zij daar minder talrijk dan de Chinezen.

Kooplieden uit de Filippijnen komen jaarlijks met twee of hoog­stens drie jonken naar Malacca. Zij kopen er goud van gering karaat, bosproducten en levensmiddelen, die soms ingevoerd zijn van Borneo. De Filippino’s brengen dezelfde producten naar Malacca als de bewoners van Borneo, reden waarom zij met hen over één kam geschoren worden. Later zullen de Portugezen een Filippino tot tumenggung benoemen. Hij zal zijn landgenoten aanmoedigen in Malacca te komen handeldrijven, waardoor de Filippijnen een belangrijker handelspartner van Malacca worden.

Malacca onderhoudt intensieve handelsbetrekkingen met zijn vazalstaten Indragiri, Kampar en Siak in Sumatra. Zij leveren goud, krijgslieden, al dan niet als tribuut, en peper uit het achter­land. Volgens Duarte Barbosa en Tomé Pires is de Sumatraanse peper inferieur aan die van Malabar. Pires schat de totale jaar­lijkse goudopbrengst van heel Sumatra op twee bahar. Vooral de Menangkabause havenstad Indragiri, dat een zeer ruime haven heeft, is van belang. Inwoners van de kuststaten van Sumatra komen in kleine proas naar Malacca met de producten uit hun land, om deze te ruilen voor kleding uit Coromandel en Gujarat. De kleding ruilen zij in de binnenlanden van Sumatra voor goud. Ruy de Aranjo schat in 1510 dat Malacca jaarlijks in totaal tien bahar goud ontvangt uit alle goudproducerende gebieden (Siam, Sumatra, Patani, Borneo) tezamen, daarbij inbegrepen het goud dat de Gores aanvoeren. Daarmee is Malacca de grootste goud­markt van Azië. Piraten uit het onafhankelijke Aru en uit de schat­plichtige staatjes Rokan, Rupat en Purim voorzien Malacca van grote hoeveelheden troeboek (gezouten kuit van elften), dat een delicatesse is. Zij leveren Malacca ook veel slaven. De handel met Pacém en Pedir is reeds besproken; resteert de handel met Palembang, dat een zeer belangrijke leverancier van voedsel is. Jaarlijks arriveren tien of twaalf grote jonken uit Palembang in Malacca, geladen met rijst, knoflook, uien, vlees, wijn en bospro­ducten, als: rotan, honing, was en benzoë. Kooplieden uit deze stad bieden ook slaven, katoen en enig goud en ijzer aan, in ruil voor grote hoeveelheden goedkope kleding uit Voor-Indië.

Door de opkomst van Malacca zijn de Javaanse havensteden hun directe handelsrelatie met kooplieden uit China en Gujarat kwijtgeraakt. Hun handel is vrijwel geheel gericht op Malacca, dat van Java voedsel, specerijen en kostbare houtsoorten ontvangt. Ieder jaar zeilen twee of drie jonken uit Malacca naar de havens van het Westjavaanse Soenda. Zij halen daar slaven, rijst en peper, die in de eerste helft van de 16e eeuw minder wordt gewaardeerd dan Malabaarse peper. De in de 16e eeuw zeer belangrijke peperhaven Bantam is aan het begin van deze eeuw nog een onbeduidende plaats; van meer betekenis is Soenda Kalapa (het latere Batavia), twee dagreizen van Dayo, de hoofd­stad van het Hindoerijk Pajajaran. Deze stapelhaven van binnen­landse producten wordt bezocht door schepen van Sumatra, Borneo, Celebes, Oost-Java en Malacca. Kooplieden uit Soenda Kalapa bezoeken ook Malacca. Zij brengen er slaven uit eigen land en van de Malediven, voedsel en peper. West-Java impor­teert voornamelijk geweven katoenen kleding uit Coromandel en Gujarat. Daarnaast worden ingevoerd arekanoten, rozenwater, pachak en zaden uit Gujarat. Met de opkomst van de mos­limstaat Demak, aan de noordkust van Midden-Java, neemt de uitvoer van voedsel naar Malacca, via de belangrijke havenstad Japara en het meer ten westen daarvan gelegen Cheribon, toe.

Van zeer grote betekenis voor Malacca is het Oost­javaanse Gresik, dat de import van specerijen van de Banda-eilanden en de Molukken controleert. Ieder jaar doen vier jonken van de machtige Hindoekoopman Curia Deva uit Malacca, op weg naar Banda en de Molukken, Gresik aan. De heerser van deze be­langrijke haven- en stapelplaats is Pate Cuçuf. Hij is uit Malacca afkomstig. Zijn moeders familie is geparenteerd aan die van de sultan en de bendahara van Malacca. Hij is zelf in Malacca opge­groeid en is zijn vader, Pate Adem, gevolgd, naar diens geboor­teplaats Gresik. Pate Cuçuf voegt aan de vier jonken van Curia Deva er vier van zichzelf toe. De acht jonken ruilen op Banda en de Molukken muskaatnoten, foelie en kruidnagelen voor textiel uit Gujarat, metalen en werktuigen, koper, kwikzilver, vermiljoen, lood, porselein en tal van andere zaken. Naast deze groothandel in specerijen is er ook sprake van particuliere handel, die voort­duurt tot aan de Hollandse tijd. Kooplieden uit Malacca, begeven zich als passagiers aan boord van de jonken naar de Molukken. Zij en ook bemanningsleden van deze jonken verkopen hun waren, vooral kleding, op Java tegen cash (koperen Chinese munten). Daarvoor kopen zij op Soembawa goedkope kleding, die zij op de Molukken en Banda ruilen tegen specerijen, die ook betaald kunnen worden met de resterende cash. De specerijen worden bij terugkeer in Malacca verkocht.

Ruy de Brito laat in 1514 weten dat jaarlijks drie jonken uit Borneo in Malacca arriveren. Deze schepen, die vermoedelijk uit Brunei komen, hebben voedsel, zoals vlees, vis, rijst en sago, alsmede bosproducten, als honing, was, rotan en pek, aan boord. Brunei levert ook schelpen van de porseleinslak, die door­verkocht worden aan Peguanen, alsmede aanzienlijke hoeveel­heden kamfer, verpakt in rotanstokken, goud van slechts 11 tot 14 karaat en tenslotte parels. De handelaren uit Brunei kopen in Malacca kleding uit Bengalen en Coromandel, gekleurd glas en kralen van kornalijn uit Gujarat en Chinese koperen armbanden. Zij ruilen de in Malacca verkregen goederen met stammen in het binnenland tegen stofgoud, dat weer in Malacca wordt geruild. Malacca ontvangt ook edelstenen, goud van 17 à 18 karaat en voedsel van de zuidkust van Borneo en levert daarvoor kleding uit Bengalen en zwarte benzoë uit Palembang.

Bewoners van Celebes bevaren de gehele Indonesische archi­pel en komen in hun lichte, maar goed gebouwde schepen zelfs in Pegu. De meesten van hen zijn piraten, die in hun metier zo succesrijk zijn, dat zij zelfs hun vrouwen meenemen naar zee. Alleen zwaarbewapende jonken zijn bestand tegen hun aanval­len. Zij verkopen hun buit, waaronder veel slaven, op verschillen­de dievenmarkten in de Indonesische archipel. Eerlijke kooplie­den van Celebes, door Pires bestempeld als Bugis, brengen een goede kwaliteit rijst en enig goud naar Malacca. Zij kopen daar, naast benzoë en wierook, vooral kleding uit Bengalen, Gujarat en Coromandel.

De Kleine Soenda-eilanden zijn voor kooplieden uit Maleisië en Java van groot belang, omdat hun expedities op weg naar de Molukken op deze eilanden water en vers voedsel kunnen inne­men. Afgezien van de reeds vermelde handel in kleding bestemd voor de Molukken, levert Soembawa sappanhout. Ofschoon de kwaliteit minder is dan die van Siamees hout, vindt het zijn weg naar China. De Kleine Soenda-eilanden leveren ook veel slaven, omdat kidnapping er wijd verbreid is. Flores levert zwavel, dat via Malacca aan Cochin-China wordt verkocht. De allergrootste at­tractie van de Kleine Soenda-eilanden vormt echter het sandel­hout van Timor, dat aangewend wordt in zalfjes en parfums en dat een grote rol speelt bij ceremoniële lijkverbranding. Sandel­hout groeit uitsluitend op Timor, zoals muskaatnoten alleen op Banda en kruidnagelen alleen op de Molukken groeien. De Timorezen komen niet met hun hout naar Malacca; handelaren uit Malacca verkrijgen het begeerde sandelhout door goedkope kleding uit Gujarat, artikelen van ijzer, zoals zwaarden, bijlen, messen en spijkers, alsmede gekleurde kralen, porselein, tin, kwikzilver en lood naar Timor te brengen.

Uit het voorgaande blijkt hoezeer Malacca, waar jaarlijks honderd grote en dertig tot veertig kleinere handelsschepen binnenlopen, de Aziatische handel tot zich heeft getrokken. Hierdoor zijn oude handelsrelaties soms verloren gegaan. Jonken uit China, die in de 14e eeuw de Molukken en Noordjavaanse havens aandeden, worden daar na de opkomst van Malacca niet meer gezien. Niet­temin loopt niet alle handel in Azië via Malacca. Ook in de 15e en in het begin van de 16e eeuw drijven de Chinezen handel met Achter-Indië, de Filippijnen, Siam en Brunei en onderhouden sommige van deze landen ook onderling handelsbetrekkingen. Pasai (Pacém) en Pedir op Noord-Sumatra zijn, naast Malacca, belangrijke havens, waar Gujarati, Klings, Bengali, Birmezen, Siamezen en Chinezen grote hoeveelheden peper kopen. Elk jaar bezoeken één tot drie schepen uit Gujarat de westkust van Sumatra. In de staatjes Priaman, Tiku en Baros ruilen kooplieden uit Gujarat kleding voor goud uit het Menangkabauwse achter-land, alsmede aloë, kamfer, benzoë, zijde, was, honing en ande-re levensmiddelen. Er bestaan commerciële betrekkingen tussen het expanderende Middenjavaanse Demak en zijn Sumatraanse vazalstaten Palembang en Jambi en tussen het Westjavaanse Soenda en Zuid-Sumatra. Gresik betrekt specerijen uit de Molukken en de Banda-eilanden en levert veel rijst en andere voedingsmiddelen, waaraan deze eilanden grote behoefte heb­ben. Ook hebben we al gezien dat Gujarat rechtstreekse han­delsbetrekkingen onderhoud met China (Hainan), Pegu (Dagon en Martaban), Siam, Java en Kedah. Het ligt voor de hand dat de Portugezen, wier kennis van de betekenis van Malacca, door de berichten van Tomé Pires, Duarte de Barbosa en Ruy de Aranjo, zeer is toegenomen, tot de conclusie komen dat het bezit van Malacca een onmisbare voorwaarde is voor het verwerven van het handelsmonopolie op specerijen.

3.4 De verovering van Malacca (1511).

x

Check Also

Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

Ceylon. Expansie van het Império Português (1515-1521)

Deel 6 Index Hoofdstuk 7 Expansie van het Império Português (1515-1521) 7.2 Ceylon Geschreven door Arnold van ...

banner
Close
Stay informed about Colonial Voyage