Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike
Torre de Belém, Lissabon, Portugal. Auteur Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

De verovering van Malacca (1511)

Deel 5 Index

Hoofdstuk 3

Malacca

3.4 De verovering van Malacca (1511)

Geschreven door Arnold van Wickeren

In april 1511 arriveert Albuquerque met een grote vloot in Cochin. Als de radja van deze plaats verneemt dat Albuquerque van plan is met deze vloot naar Malacca te gaan, tracht hij hem daarvan te weerhouden. De radja voert daarvoor drie argumenten aan: de situatie in Goa is in zijn ogen nog zo kritiek dat Albuquerques persoonlijke aanwezigheid daar vereist is; als de gouverneur met een groot deel van de Portugese vloot uit Malabar vertrekt, zal dit een aanval van de zamorin van Calicut op Cochin uitlokken, betoogt hij. Moorse handelaren in Cochin hebben de radja laten weten voor hun rijke handel met Malacca te vrezen als deze stad in Portugees bezit raakt. Albuquerque laat zich door de zorgen van de vorst niet van zijn plan afbrengen. Hij is wel bereid de deze te verminderen door de verdediging van Cochin te verster-ken. Hij geeft capitão Manuel de Lacerda nog twee grote en vier kleine schepen; legert meer manschappen in het fort in Cochin en voorziet hen van extra ammunitie.

Op 2 mei zeilt Albuquerque uit als capitão-mor van een vloot van 18 schepen. De vloot bestaat uit het vlaggenschip de Flor de la Mar, 14 kraken en karvelen, en drie galeien. Er zijn 1.400 solda­ten aan boord; 1.200 Portugezen en 200 Malabaarse boog­schutters, danwel 800 Portugezen en 600 in Malabar geronselde soldaten, zoals een andere bron zegt. Voorbij Ceylon loopt een galei in een storm aan de grond; de kapitein en de bemanning worden gered. De vloot gaat voor anker in de haven van het Noordsumatraanse Pedir. Daar worden vijf schepen uit Gujarat buitgemaakt. In Pedir melden zich João de Viegas en acht ande­re christenen. Zij zijn gevlucht uit Malacca, waar zij in 1509 met Ruy de Aranjo zijn gevangengenomen. João Viegas vertelt dat de sultan van Malacca hen met geweld tot de islam heeft willen bekeren en dat Naodabegea, een Moor uit Malacca, die daar met de sultan van Pacém was, de belangrijkste aanstichter is geweest van de samenzwering tegen Diogo Lopes de Sequeira. Als Albuquerque dit laatste verneemt, zeilt hij direct door naar Pacém en eist van de sultan daarvan Naodabegea’s uitlevering. De sultan zendt de gezochte echter direct naar Malacca, om de aantocht van de Portugese vloot te melden. Albuquerque zegt hij dat Naodabegea niet te vinden is en waarschijnlijk het land is ontvlucht. De vloot zet na deze mededeling koers naar Malacca. Op weg daarheen ontstaat een gevecht met de inzittenden van een inheemse roeiboot, waarbij de kapitein van dat vaartuig om­komt. Later blijkt deze kapitein de gezochte Naodabegea te zijn. Kort daarna worden twee grote jonken overmeesterd. Aan boord van een daarvan bevindt zich de sultan van Pacém, die op weg is naar een vorst op Java, om diens hulp te vragen tegen een op­standige gouverneur. Deze sultan vraagt thans de Portugezen hem weer in het bezit van zijn koninkrijk te stellen, in ruil waar­voor hij belooft een vazal van de koning van Portugal te worden en hem schatting te zullen betalen. De capitão-mor belooft aan het verzoek te voldoen, nadat de expeditie tegen Malacca tot een goed einde zal zijn gebracht. Hierop komt de nieuwe vazal aan boord van de Flor de la Mar. Hij zal Albuquerque als diens gast vergezellen naar Malacca.

Over de totale omvang van de vloot, waarmee Albuquerque tenslotte bij Malacca aankomt, bestaat onduidelijkheid. Over de 15 kraken en karvelen bestaat geen twijfel, maar over de rest wel. Bestaat deze uit de twee resterende galeien en zeven buit­gemaakte jonken, zoals uit het voorgaande kan worden afgeleid, of uit in totaal 15 buitgemaakte jonken, zoals een andere bron zegt? De vloot van 24 à 30 schepen komt op 1 juli voor Malacca aan. De Portugezen zien vanaf hun schepen de palissaden, die de ruimte omsluiten waar de goedangs (pakhuizen) liggen, maar de verdedigingswerken (een stadsmuur met vier poorten, ieder voorzien van een wachttoren) zijn aan het zicht onttrokken. De capitão-mor begroet de kosmopolitische handelsmetropool, waarvan het aantal inwoners wordt geschat op 100.000, met een salvo uit zijn kanonnen. Ofschoon de kanonnen naar zee zijn ge­richt, veroorzaakt het gebulder daarvan paniek in de stad en schrik onder de aanwezigen op de trouwpartij van de dochter van sultan Mahmoed Shah, die in het huwelijk treedt met de sultan van Pahang. Mahmoed Shah zendt de volgende dag een gezant naar de vloot, om de Portugezen te vragen met welke bedoelin­gen zij gekomen zijn. De gezant laat Albuquerque weten dat de sultan met hen vreedzame betrekkingen wil aangaan. Hij ver­klaart dat de aanval op de Portugezen in 1509 is gelast door bendahara Tun Mutahir, die de sultan daarvoor heeft laten om­brengen. Albuquerque, die de ware toedracht van het overlijden van de bendahara uit de brief van Ruy de Aranjo kent, veinst het verhaal te geloven en verzoekt om vrijlating van Aranjo en zijn metgezellen. Hij wenst ook een schadeloosstelling voor de koop­waren die zich nog in de Portugese factorij bevonden toen deze door de Maleiers veroverd werd. Hij suggereert dat de schade­loosstelling zou kunnen worden voldaan uit het nagelaten ver­mogen van de terechtgestelde bendahara. De sultan tracht tijd te winnen om zijn verdediging te organiseren, ofschoon Arabische en Gujarati-kooplieden hem voorspellen dat de Portugezen de stad niet durven aan te vallen. Albuquerque eist vrijlating van de gevangenen en schadeloosstelling als voorwaarden voor het aangaan van een vredesverdrag. Hij dreigt de stad aan te vallen, als aan deze voorwaarden niet wordt voldaan. De sultan aarzelt en gaat door met het organiseren van de verdediging. Als de capitão-mor ziet dat er aan de wal borstweringen worden opge­worpen, eist hij de ogenblikkelijke vrijlating van factor Aranjo en zijn mannen en vergoeding van de gestolen handelswaar. De kapiteins van vijf Chinese jonken, die in de haven liggen, komen aan boord van de Flor de la Mar en bieden de capitão-mor hun steun aan bij een eventuele aanval op Malacca. De Chinese kapiteins kiezen de zijde van de vreemdelingen, omdat zij door Mahmoed Shah zwaar onder druk zijn gezet hun jonken en bemanningen in te zetten bij een strafexpeditie tegen de piraten­staat Aru. Zij hebben dit verontwaardigd van de hand gewezen en zoeken nu bescherming bij de Portugezen. Albuquerque dankt de Chinezen voor hun aanbod, maar gaat daarop niet in. Wel zal hij gebruikmaken van hun sloepen bij het aan land zetten van troepen. De Chinezen zeggen hem toe jaarlijks meer dan honderd jonken met grote hoeveelheden handelswaar naar Malacca te zullen zenden, als de stad in Portugese handen zou geraken. Zij waarschuwen de capitão-mor voor de militaire kracht van de sultan, die over 20.000 soldaten en 3.000 stuks artillerie beschikt. Zij spreken ook over de met gif ingesmeerde werpspie­sen en pijlen die uit blaasroeren worden afgeschoten, voor ver­borgen loopgraven en getrainde krijgsolifanten. Aan de andere kant delen zij de capitão-mor mede dat hij kan rekenen op de sympathie van de buitenlandse kooplieden, die alles zouden ver­liezen bij plundering van de stad. Zij zullen er bij de sultan op aandringen om vrede te vragen en de sultan zal geen keus heb­ben, omdat de buitenlandse handel het levensbloed van Malacca is. Albuquerque is zich ervan bewust dat zijn in de strijd geharde troepen, die over beter geschut beschikken en die bovendien beschermd worden door hun harnassen met puntige helmen, zeker niet kansloos zijn tegen de Maleise overmacht, die deze bescherming moet ontberen. Hij nodigt daarom de Chinese kapiteins uit het verloop van de gebeurtenissen af te wachten.

Op een avond zet hij heimelijk enige afdelingen aan land, die de opdracht krijgen enige huizen aan de waterkant en een aantal schepen in de rivier in brand te steken. Daarbij dienen Chinese jonken en Indische dhows en feloeken te worden gespaard. Als deze opdracht wordt uitgevoerd, opent Albuquerque het vuur op de stad, om Mahmoed Shah verder onder druk te zetten. De sultan reageert direct. Hij laat de Portugese gevangenen vrij en via hen verzoekt hij Albuquerque de beschieting en de brand­stichtingen te staken. Hij zegt te zullen nadenken over de aange­boden vredesvoorwaarden. Ondertussen blijft de sultan de stad versterken. Ruy de Aranjo adviseert eerst de stad aan te vallen en dan over vrede te onderhandelen. Als hij ook verteld heeft over de martelingen, waaraan christenen in Malacca worden blootgesteld, besluit Albuquerque tot de aanval over te gaan.

Twee uur voor het aanbreken van de dag van 24 juli, worden de troepen in twee bataljons ontscheept. Het bataljon met Dom João de Lima, Gaspar de Paiva, Fernão Peres de Andrade, Bastião de Miranda, Fernão Gomes de Lemos, Vasco Fernandes Coutinho, Jerónimo Teixeira (die de stad nog uit 1509 kent), en andere fidalgos met hun manschappen gaat aan de kant van de moskee aan land. Albuquerque landt met Duarte da Silva, Jorge Nunes de Leão, Simão de Abreu, Pero de Alpoym, Dinis Fernandes de Melo, Simão Martins, Simão Afonso en Nuno Vaz de Castelo Branco, die als ex-gevangene zonodig de weg kan wijzen, en de rest van de troepen aan de stadkant. Van twee kanten rukken de aanvallers op naar de beroemde brug, die snel wordt genomen. Eenmaal op de brug blijken de Portugezen een gemakkelijk doel­wit te vormen voor de vijandelijke artillerie, die hen vanachter borstweringen van palissaden bij de toegangen tot de brug be­stookt. Aan de zijde van de moskee worden de Moren uit hun stelling verdreven. De sultan zelf komt hen met versterkingen, waaronder olifanten, te hulp en dwingt zijn mannen de in de steekgelaten posities weer te betrekken. Zij worden hieruit bij een nieuwe hevige aanval weer verdreven en de zwak verdedigde moskee wordt eveneens genomen. Ofschoon de tegenstand aan de andere kant van de brug zeer zwaar is, worden de vijandelijke stellingen uiteindelijk ook daar veroverd, waarbij vele Moren de dood vinden. Een Javaanse troepenmacht van 700 man, die te hulp snelt, wordt ingesloten en tot de laatste man vernietigd. Op zeker moment ziet Dom João de Lima dat Mahmoed Shah en zijn zoon Ala’ud’din, gezeten op olifanten, het strijdtoneel verla-ten. Zij keren echter spoedig terug, aan het hoofd van 2.000 man verse troepen. Dom João en de zijnen vallen met lansen de olifanten aan. De gewonde olifant waarop de sultan zit, haalt met zijn slurf zijn menner van zijn rug en vertrapt hem. De sultan, die ook gewond is, laat zich van de olifant zakken en verdwijnt, met zijn zoon en schoonzoon, de sultan van Pahang, in de menigte en weet te ontkomen. Ofschoon de Portugezen veel vijanden hebben gedood, hebben zij de stad nog niet veroverd; daarvoor is het aantal tegenstanders te talrijk. Albuquerque dirigeert zijn mannen terug naar de brug en laat aan beide zijden daarvan borstweringen opwerpen, om de stad redelijk veilig te kunnen be­schieten. Het paleis van de sultan, dat veel kostbaarheden en grote voorraden koopwaar bevat, moet het daarbij zwaar ontgel­den. Als de avond aanbreekt trekt Albuquerque zijn troepen terug op de schepen. Tegen middernacht geeft hij bevel de stad weer te beschieten. Deze beschieting met de bronzen eenschots­kanonnen houdt de gehele nacht aan. De kroniekschrijver Gaspar Correia heeft in zijn Lendas da India genoteerd: `het was een beangstigende ervaring om in de duisternis te horen dat de hele stad in rep en roer was, het geschreeuw en gegil, mensen met spullen op hun schouders, die met hun kinderen vluchtten zonder te weten waarheen.’

De volgende morgen laat de sultan Albuquerque vragen waarom hij zijn paleis heeft aangevallen. De capitão-mor antwoordt dat hij de hele stad in brand zal zetten, tenzij de sultan een vazal van de koning van Portugal wordt. Mahmoed Shah antwoordt ontwijkend en versterkt zijn verdediging. De brug wordt gefortificeerd en de borstweringen worden verhoogd en van tweemaal zo veel artille­rie voorzien, om een tweede aanval te kunnen afslaan. Omdat de eerste aanval weinig heeft opgeleverd en Albuquerque geen materiaal bij zich heeft om een fort te bouwen, betwijfelt hij of een nieuwe aanval gewaagd dient te worden. Hij overwint zijn twijfel, omdat hij terdege beseft dat afzien van de aanval betekent dat het beoogde Portugese monopolie op de specerijenhandel onbe­reikbaar zal zijn. Terwijl hij zich bezint op een tweede aanval, stellen de Moren alles in het werk om de vijandelijke schepen in brand te steken. Constante alertheid van de bemanningen be­zweert dit gevaar. De Chinese kapiteins delen mee dat zij, met de heersende gunstige moessonwinden naar China willen terug­keren. Albuquerque voorziet hen van levensmiddelen, geeft hen enige cadeaus en maakt van de gelegenheid gebruik een gezantschap onder leiding van Duarte Fernandes met hen mee te zenden, om de koning van Siam een brief te overhandigen. Hierin geeft Albuquerque te kennen vreedzame en vriendschap­pelijke betrekkingen met dat land te willen aangaan. Voordat een nieuwe aanval wordt gelanceerd, verklaart de meerderheid van de kapiteins zich tegenstander van de bouw van een fort in Malacca, zijnde de consequentie van de verovering van de stad. De capitão-mor betoogt echter dat de verovering van Malacca ertoe zal leiden dat de handel van de Moren en daarmee de welvaart van, Caïro en Mecca volledig zal worden geruïneerd en dat de Venetianen nog slechts in Lissabon specerijen zullen kunnen betrekken. Hij voegt daaraan toe dat de kosten die gemaakt moeten worden om Malacca te verdedigen en te besturen ruimschoots uit de te heffen belastingen kunnen worden bestreden. Bovendien zal de handel van Malacca sterk kunnen stijgen, door de grotere rechtszekerheid die Portugees bestuur met zich brengt. De meeste kapiteins laten zich overtuigen, waarop besloten wordt tot een nieuwe aanval.

Twee uur voor zonsopgang op de morgen van 10 augustus wor­den de officieren die de aanval zullen leiden met een trompet­signaal opgeroepen naar de Flor de la Mar te komen, om te biechten en de absolutie te ontvangen. Bij de eerste zonnestra­len ontscheept de capitão-mor zijn troepen, opnieuw in twee bataljons. Zij trotseren de explosies uit de bronzen esmerils, fal­conetten en sakers. Alle stukken geschut die ontworpen zijn door de uit Portugese dienst gedeserteerde Milanese kanonnengie­ters, in dienst van de zamorin van Calicut (zie Deel IV, par. 1.5). De bataljons rukken op onder dekking van het superieure ge­schut op de schepen. Albuquerque wil de talrijke verdedigers op de brug aanvallen vanuit de ronde top van de mast van een zeer hoge jonk. Hij zendt deze jonk, onder bevel van Antonio de Abreu, de rivier op. Het logge schip loopt vast op een zandbank, waar het negen dagen lang een gemakkelijk doelwit vormt voor de Maleiërs, die sloepen vol brandhout, pek en olie naar de jonk zenden, om het schip in brand te steken. De bemanning weet dit met alle mogelijke middelen te verhinderen. Nadat de jonk door een hoge vloedgolf is bevrijd, zeilt het schip onder zwaar vuur door naar de brug. Hierbij wordt kapitein Abreu zwaar in zijn gezicht getroffen. De schutters in de mast blijken echter veilig te zijn voor de gifpijlen en werpspiesen, die de verdedigers op de brug op hen richten. Deze verdedigers daarentegen vormen zelf een gemakkelijk doelwit voor de Portugese scherpschutters in de mast van de jonk. Zij trekken zich terug tot achter de palissaden aan de uiteinden van de brug, waarna de Portugezen een bruggenhoofd op de brug kunnen vestigen. Zij blijken daar bloot te staan aan giftige pijlen, die vanachter de palissaden op hen worden gericht. Als Albuquerque zich realiseert dat een aantal van zijn mannen daardoor gewond en stervende is, laat hij, op advies van Ruy de Aranjo, dik zeildoek spannen tussen op de brug in tonnen aarde verankerde palen. Het zeildoek blijkt een effectieve bescherming te zijn. De Portugezen versterken hun bruggenhoofd door troepen aan te voeren, barricaden op te werpen, daarachter hun kanonnen te plaatsen en deze tegen de felle zon met palmbladeren af te dekken. Onder dekking van hun superieure geschut en het aanheffen van de strijdkreet `Santiago’ dringen zij op naar de stellingen van hun vijanden achter de palissaden bij de toegangen naar de brug. In man tegen man ge­vechten worden de verdedigers daaruit verdreven. De vijanden die in de rivier terechtkomen, worden met lansen gedood door Portugezen in boten. Albuquerque geeft een van de twee batal­jons opdracht de moskee te bezetten, terwijl het andere bataljon de toegang tot de straat naar de brug in handen moet zien te krij­gen. Het tweede doel wordt zonder veel inspanning bereikt, maar de moskee wordt, anders dan bij de eerste aanval, zeer hardnek-kig verdedigd door een groot leger, dat over olifanten beschikt. Deze legermacht wordt aangevoerd door Mahmoed Shah zelf. Uiteindelijk wijken de verdedigers en slaan op de vlucht, achter­volgd door Portugezen, die op hun beurt weer achterna worden gezeten door een grote eenheid Moren. Als de Moren op het punt staan de Portugese achterhoede aan te vallen, schiet de capitão-mor met zijn bataljon te hulp. Als beide bataljons vere­nigd zijn, vechten zij zich terug naar de brug, die zij verder fortificeren. Nu zij de brug, met inbegrip van de borstweringen bij de toegangen en de moskee vast in handen hebben, kan de rest van de stad veroverd worden. De kapitein-majoor zendt vier grote barken de rivier op. Zij schieten met hun zware bombarden alle vijanden uit de omgeving van de brug en de veroverde stel­lingen. Het bombardement, waaraan ook andere schepen deel­nemen, houdt de gehele nacht aan en wordt daarna nog tien dagen voortgezet. Hierbij komen veel inwoners van de stad om het leven en wordt grote schade aangericht. Het aanhoudende bombardement maakt de toestand in de stad hoe langer hoe moeilijker. Sommige bevolkingsgroepen zijn bereid zich over te geven. De eersten die om genade smeken zijn afgezanten van kooplieden uit Pegu. Zij worden vriendelijk ontvangen en krijgen verlof te vertrekken, met medeneming van al hun bezittingen. Albuquerque zendt Ruy Nunez d’Acúnha (Rui da Cunha) als gezant naar de koning van Birma met hen mee. Hoe het hem is vergaan is niet bekend. Ook de kooplieden uit Coromandel wordt toegestaan ongehinderd uit te zeilen.

Op 24 augustus kan Malacca worden ingenomen. De vraag rijst hoe het mogelijk is dat een voor die tijd zeer grote stad met een vijandige bevolking en verdedigd door 20.000 soldaten, met niet meer dan 1.400 man kon worden veroverd. Ook als rekening wordt gehouden met de superioriteit van de Portugese artillerie, dan nog is sprake van een haast niet te geloven huzarenstuk. De verklaring is wellicht deze. De Portugezen vechten met ware doodsverachting tegen de `ongelovigen’. Zij geloven onwrikbaar dat het sneuvelen in zulk een strijd voor God en hun koning hen rechtstreeks naar het Hemelse Paradijs zal voeren. Hun helden­dood zal bovendien afstralen op hun zonen, die zelfs geacht wor­den de moed van hun vader te erven. Hij die niet versaagt op het slagveld en daarbij het leven laat, wordt aardse roem en hemelse glorie deelachtig. Wat kan een christenmens zich meer wensen? De motivatie om te vechten en daarbij eventueel het leven te ver­liezen is bij de soldaten van Mahmoed Shah bepaald minder groot. Het leger van de sultan bestaat uit Maleise, Sumatraanse en Javaanse huurlingen, die niet bereid zijn voor hun broodheer te sterven. Zij zijn massaal gedeserteerd toen zij stevig werden aangevallen.

De capitão-mor geeft zijn mannen verlof Malacca te plunderen, waarbij de levens van Moren en Maleiers niet gespaard behoe­ven te worden. Dit bevel leidt tot een waar bloedbad, waarvan veel mannen, maar ook vrouwen en kinderen het slachtoffer wor­den. Zij die zich overgeven worden gespaard, maar zij worden als slaven weggevoerd. Veel inwoners van Malacca vinden dus de dood of geraken in slavernij; vermoedelijk weet een veel gro­ter aantal de stad te ontvluchten en zich in de omgeving daarvan te verbergen, totdat de furie is uitgeraast en de discipline onder de Portugese troepen is hersteld. Bij het plunderen van de stad zijn de bezittingen van de rijke Hindoekoopman Ninan Chata op bevel van Albuquerque ontzien. Hij dankt dit aan de steun die hij Ruy de Aranjo en diens metgezellen gegeven heeft. De buit die de Portugezen in de stad in handen valt, is ongekend groot. Zij bestaat uit wapens: 3.000 artilleriestukken, waaronder 2.000 bronzen stukken en een zeer groot kanon dat de zamorin van Calicut aan Mahmoed Shah heeft gezonden, alsmede uit een enorm aantal kleine wapens. De Portugezen verwerven ook pakhuizen vol kostbaarheden, zoals prachtige sieraden, edelste­nen, zijden stoffen, tafels en stoelen waarvan de poten met een laag goud zijn bedekt, goudklompen, met reliëfpatronen versier­de howdahs met baldakijn voor het bereiden van olifanten, vergulde palankijnen en grote hoeveelheden peper, kruidnagelen nootmuskaat en kaneel. Tot de buit behoren ook zes grote bron­zen leeuwen, die Albuquerque voor zijn graftombe bestemt. Ook een aantal in borduurwerk gespecialiseerde vrouwen en mooie, jonge, vrouwen van adellijke afkomst behoren tot de oorlogsbuit. Een keur van de geconfisqueerde kostbaarheden zal aan koning Manuel worden gezonden. Ook de vrouwen zijn voor het hof bestemd. Na de verovering van Malacca wordt bovendien nog een jonk van Mahmoed Shah genomen. Het schip heeft een lading kleding uit Coromandel met een waarde van 12.000 tot 15.000 cruzados aan boord. Bij de strijd heeft een onbekend aantal Portugezen verwondingen opgelopen, waarbij vooral zij die getroffen zijn door in gif gedoopte pijlen er slecht aan toe zijn.

Albuquerque neemt maatregelen om de orde in de stad te her­stellen. Hij benoemt Ninan Chata tot bendahara over de Celaten, de oorspronkelijke bewoners van het schiereiland, en over de immigranten uit Quilon. Hij verheft Utimuti radja, een zeer rijke Javaanse handelaar, tot leider van de Moren. Verschillende kooplieden hebben op hun verzoek al een vrijgeleide ontvangen en langzamerhand keren meer handelaren naar de stad terug. Hetzelfde geldt voor de bevolking, die tijdens het bombardement en het bloedbad de stad is ontvlucht. De situatie kan zich echter niet normaliseren, zolang Mahmoed Shah zich nog met zijn ge­trouwen in de buurt van Malacca bevindt. Hij verblijft in het dorp Bertam Uli, een dagreis van de stad. De Portugezen, die jacht op hem maken, drijven hem verder het binnenland in. Mahmoed Shah stuurt een boodschapper naar het eiland Lingga in de Riau-Lingga-archipel, om zijn vazal te bewegen hem te helpen bij de herovering van Malacca. Ofschoon de vloot van Malacca vooral bemand wordt door de zeer oorlogszuchtige Orang Laut uit deze archipel, blijft steun uit. Als dit Mahmoed Shah duidelijk is, vlucht hij tezamen met zijn zoon en een aantal getrouwen dwars over het Maleise schiereiland naar zijn schoonzoon in Pahang aan de oostkust. Vandaar zendt hij zijn oom Nacem Mudaliair, naar de keizer van China, zijn opperheer, om diens hulp in te roepen tegen de Portugese veroveraars. Bij aankomst van de gezant in Guangzhou, zenden de provinciale autoriteiten een boodschap naar het hof in Nanjing. Nadat antwoord is ontvangen dat de ge­zant welkom is, haast Nacem Mudaliair zich naar Nanjing. Hij wordt goed aan het hof ontvangen en na een paar dagen ver­leent de Ming-keizer, wiens naam Su-tuan-ma-mo zou zijn, hem een persoonlijke audiëntie. De gezant verhaalt onder tranen de val van Malacca en vraagt de keizer zijn heer Mahmoed Shah in zijn rampspoed met een Chinese vloot te hulp te komen. De keizer voelt er weinig voor hulp te beloven, omdat hij niet van plan is zulk een belofte ook na te komen. Hij en zijn ministers hebben namelijk hun handen vol aan de voorbereiding van een expeditie om de Mongoolse invallers uit het land te verdrijven. Bovendien moet de keizer klachten ontvangen hebben van de Chinese kapiteins die Albuquerque voor Malacca hun hulp hebben aangeboden. De keizer heeft ongetwijfeld vernomen dat Mahmoed Shah hun onder druk heeft gezet hem te helpen in zijn strijd tegen Aru. Daarentegen hebben de `Franken’ de Chinese kapiteins juist zeer voorkomend behandeld. De keizer zendt de gezant weg en zegt hem te wachten op zijn antwoord. Tijdens het verblijf van Nacem Mudaliar in Nanjing overlijdt zijn vrouw. Als hij daarna ook nog bericht ontvangt dat de keizer niet aan zijn verzoek tegemoet komt, vertrekt de ongelukkige gezant teleur­gesteld naar huis. Hij overlijdt onderweg wellicht van verdriet, voordat hij Chinees gebied verlaat en wordt in China begraven.

Nadat Mahmoed Shah zijn oom naar China heeft gezonden, trekt hij zelf naar het zuiden van het Maleise schiereiland en sticht het koninkrijk Johore, met de hoofdstad op het eiland Bintan(g) in de Riau-Lingga-archipel. Gesteund door de hem trouw gebleven Orang Laut weet hij hier weer een belangrijk handelscentrum tot stand te brengen, dat Malacca concurrentie aandoet. Hij blijft zich beschouwen als de rechtmatige heerser van Malacca en onder­horigheden en blijft schatting ontvangen van zijn vazallen, die hem nog steeds als hun suzerein erkennen. Hij wordt de leider van een confederatie van Maleise en Sumatraanse moslimstaten en zal nog menig aanval op Malacca lanceren. In 1526 zullen de Portugezen zijn hoofdstad verwoesten. De sultan zal ook bij die gelegenheid aan gevangenneming weten te ontkomen, door naar Kampar op Sumatra te vluchten. Hij zal daar in 1528 overlijden.

Ruy de Aranjo wordt belast met de bouw van een vesting ten zuidoosten van de rivier de Muar. Hij beschikt over een overvloed aan bouwmateriaal, door stenen weg te halen van het verwoeste paleis van Mahmoed Shah, van verwoeste moskeeën en door ook de zerken van de koninklijke graftomben te gebruiken. De bouwers zijn 1.500 voormalige slaven van Mahmoed Shah. Zij zijn naar de omliggende bossen gevlucht en daar verzameld door de Portugezen. Thans zijn zij eigendom van de koning van Portugal. De vesting, die gemarkeerd wordt door een toren van vijf verdiepingen en de toepasselijke naam A Famosa krijgt, `boezemt met haar kanonnen en garnizoen de Maleiers perma­nent een gevoel van intense angst en verbazing in, dit tot meer­dere glorie van de Kroon van Portugal’. Boven de poort van het fort wil Albuquerque een gedenkteken aanbrengen, in de vorm van een steen, waarin de namen zijn uitgehouwen van de fidal­gos die zich bij de verovering van Malacca onderscheiden heb­ben. De vermelding van namen op de steen leidt tot zoveel jaloe­zie onder de bevelhebbers, dat Albuquerque op de achterzijde van de steen de volgende woorden laat beitelen: `Lapidem quam reprobaverunt aedificatores’ (`De steen die de bouwlieden ver­worpen hadden’; psalm 118, 22). De gedenksteen wordt zo geplaatst dat slechts de achterkant zichtbaar is. Er wordt in de stad ook een kerk gebouwd, gewijd aan Nossa Senhora da Anunciação (Maria Boodschap). Als de handel herleeft, blijkt er een groot gebrek aan geld te zijn. Albuquerque trekt de meeste Moorse munten in en laat, naast de tinnen twee caixes-stukken van de sultan, nieuwe tinnen munten met het teken van koning Manuel slaan: een dinheiro, tien dinheiros of soldo en tien soldos of bastardo. Het muntmateriaal wordt verkregen uit de tinmijnen in het binnenland, die eigendom worden van de koning van Portugal. Er worden ook zilverstukken geslagen: de malaquês of real branco, ter waarde van 720 reais, en de meio real, beter bekend als de cruzado de prata, die 360 reais waard is. Tenslotte komt er een goudstuk, de catholico in omloop. De waarde daar­van bedraagt 1.000 reais. Met deze muntslag is er, naast het Goanese, een tweede muntstelsel in Portugees Azië gecreëerd. De invoering van het nieuwe geld gaat met grote festiviteiten ge­paard. De voornaamste bestuurders van Malacca, trekken op rijkelijk met tapisserieën behangen olifanten door de stad en gooien na iedere proclamatie nieuwe tinnen, zilveren en zelfs gouden munten in de samengestroomde menigte.

Albuquerque heeft ook in Malacca duidelijk meer op met Hindoes dan met moslims. De moslimvoorman Utimuti radja, die ver in de tachtig is, neemt uit gekrenkte trots over zijn achterstelling con­tact op met sultan Mahmoed Shah, met het oogmerk hem weer op de troon te brengen. Albuquerque krijgt de briefwisseling in handen en ontdekt daardoor het verraad van Utimuti radja. De gouverneur roept zijn adviesraad bijeen en vraagt zijn mening over het verongelijkt zijn van Utimuti radja. De raad blijkt zo’n gunstig oordeel over hem te hebben, dat Albuquerque zwijgt over diens dubbelspel. Als Utimuti radja ervaart dat zijn activiteiten ongestraft blijven, put hij daaruit moed op de ingeslagen weg voort te gaan. Hij geeft de Moren, die in het district Upeh wonen, toestemming eigen munten te slaan en te gebruiken in plaats van het Portugese geld. Hij conspireert ook met de Moorse kooplie­den, die zich er bij Albuquerque over beklagen dat kleine een­heden Portugezen eertijds gevluchte, maar later naar Malacca teruggekeerde bewoners bestelen, ondanks dat deze mensen was beloofd dat hun leven en bezit daar veilig zouden zijn. Voorts maken de klagers er bezwaar tegen dat de Portugezen alle slaven van Malacca hebben genomen, ongeacht of zij aan de sultan, aan diens dignitarissen of aan kooplieden hebben toe-behoord. Tenslotte verwijten de Moren Albuquerque in het bin-nenland de bezittingen te hebben onteigend van degenen die met de sultan zijn uitgeweken. Utimuti radja buit zijn positie schaamteloos ten eigen bate uit. Hij beveelt kooplieden die hem dienen te gehoorzamen, hem goederen te verkopen tegen door hemzelf vastgestelde prijzen. Ook laat alle slaven op wie hij de hand kan leggen voor zich werken. Hij controleert bovendien alle rijstimporten en rijstvoorraden in Malacca. Ook weigert hij rijst aan andere kooplieden te leveren, om de prijzen op te drijven. Als de gouverneur dit alles ervaart, roept hij Utimuti radja bij zich. Zeggende dat hij wel niet goed zal zijn ingelicht, vraagt hij hem wat er van dit alles waar is. De oude man trekt zich weinig aan van de klachten, maar zet veel slaven in om zijn fortificatie in Upeh te versterken. Hij laat hun een gracht uitgraven en wallen met barricaden opwerpen. Albuquerque wordt gewaarschuwd dat er een zeer gevaarlijke toestand kan ontstaan als hij Utimuti radja zijn gang laat gaan. De capitã-mor ontbiedt hem, tezamen met zijn zoon, schoonzoon en kleinzoon, vastbesloten hen gevangen te nemen. Het viertal laat zich verontschuldigen. Korte tijd later roept Albuquerque de gezagsdragers in Malacca bijeen voor be­stuurlijke overleg. Zodra Utimuti radja en zijn verwanten het fort betreden, worden zij ontwapend en gearresteerd. Sommige van de tegen hen ingebrachte beschuldigingen wuiven zij weg; van andere zeggen zij, dat ze door de Hindoes verzonnen zijn, weer andere moeten zij wel toegeven. Het viertal wordt na een onder­zoek berecht en in het openbaar naar het schavot geleid en onthoofd. De in Upeh aangelegde fortificaties worden gesloopt.

3.5 De consolidatie van de macht in Malacca.

x

Check Also

Torre de Belém, Lisbon, Portugal. Author Daniel Feliciano. Licensed under the Creative Commons Attribution-Share Alike

Ceylon. Expansie van het Império Português (1515-1521)

Deel 6 Index Hoofdstuk 7 Expansie van het Império Português (1515-1521) 7.2 Ceylon Geschreven door Arnold van ...

banner
Close
GDPR
EU laws require that we request your consent to the use of cookies. We use cookies to ensure that our site works properly. Some of our advertising partners also collect data and use cookies to publish personalized ads.




Subscribe to our YOUTUBE channel: